Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2766(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B8-0707/2015

Debatten :

PV 09/07/2015 - 17.4
CRE 09/07/2015 - 17.4

Stemmingen :

PV 09/07/2015 - 18.4
CRE 09/07/2015 - 18.4

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0280

Aangenomen teksten
PDF 168kWORD 68k
Donderdag 9 juli 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
De situatie van twee christelijke priesters in Sudan
P8_TA(2015)0280RC-B8-0707/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 over de situatie van twee christelijke voorgangers in Sudan (2015/2766(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Sudan,

–  gezien het verslag van de mensenrechtenexperts van 19 mei 2014 uitgebracht in het kader van de Speciale Procedures van de VN-mensenrechtenraad,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948 en de VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie of overtuiging,

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou van 2000,

–  gezien de EU-richtsnoeren betreffende de vrijheid van godsdienst en overtuiging van 2013,

–  gezien het in 2013 vastgestelde nationale mensenrechtenplan van Sudan, gebaseerd op de beginselen van universaliteit en gelijkheid van iedereen,

–  gezien de resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, met name de resoluties 62/149 van 18 december 2007, 63/168 van 18 december 2008, 65/206 van 21 december 2010, 67/176 van 20 december 2012 en 3/69 van 18 december 2014 betreffende een moratorium op de toepassing van de doodstraf, waarin de landen waar de doodstraf nog bestaat, wordt gevraagd een moratorium op executies in te stellen met het oog op de afschaffing van de doodstraf,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat voorganger Michael Yat van de Zuid-Sudanese Evangelisch-Presbyteriaanse Kerk op 21 december 2014, tijdens een bezoek aan Sudan, door de Soedanese geheime dienst (NISS) werd ingerekend na het houden van een preek in de Kerk van Noord-Khartoum, een afsplitsing van de Sudanese Evangelisch-Presbyteriaanse Kerk; overwegende dat hij werd gearresteerd meteen na een preek waarin hij zijn afkeuring zou hebben uitgesproken van de omstreden verkoop van kerkelijke landerijen en bezittingen en de behandeling van christenen in Sudan;

B.  overwegende dat voorganger Peter Yen Reith op 11 januari 2015 werd gearresteerd nadat hij het Sudanese Bureau voor religieuze zaken had geschreven om navraag te doen naar voorganger Michael en nadere bijzonderheden omtrent diens arrestatie te vernemen;

C.  overwegende dat beiden tot 1 maart 2015 incommunicado werden vastgehouden, maar op 4 mei 2015 werden aangeklaagd wegens meerdere delicten als omschreven in het Sudanese wetboek van strafrecht van 1991, zoals: samenspanning (artikel 21), ondermijning van het constitutionele systeem (artikel 51), oorlogvoering tegen de staat (artikel 50), spionage (artikel 53), onwettig bezit en openbaarmaken van officiële documenten (artikel 55), haatzaaien (artikel 64), ordeverstoring (artikel 69) en blasfemie (artikel 125);

D.  overwegende dat bij schuldigverklaring aan de ten laste gelegde delicten bedoeld in de artikelen 50 en 53 veroordeling tot de doodstraf mogelijk is;

E.  overwegende dat de Sudanese autoriteiten op 1 juli 2015 begonnen met de sloop van een deel van het kerkgebouw van de Evangelische Kerk van Bahri; overwegende dat de advocaat van de kerk, Mohamed Mustafa, die ook de raadsman is van de twee voorgangers, en voorganger Hafez van de Evangelische Kerk van Bahri hebben geklaagd dat de regeringsambtenaar het verkeerde deel van het gebouw aan het slopen was; overwegende dat zij daarop allebei werden gearresteerd wegens verzet tegen een ambtenaar in functie; overwegende dat de ambtenaar doorging met de sloop van het verkeerde deel van het kerkcomplex;

F.  overwegende dat bedreigingen tegen kerkleiders, intimidatie van christelijke gemeenschappen, en vernieling van kerkelijke bezittingen in Sudan in versneld tempo zijn doorgegaan na de afscheiding van Zuid-Sudan in 2011;

G.  overwegende dat twaalf jonge christelijke meisjes uit de Nubabergen op 25 juni 2015 bij het verlaten van de Baptistenkerk werden opgepakt en ervan werden beschuldigd rond te lopen in onfatsoenlijke kleding; overwegende dat twee van hen de volgende dag zonder aanklacht werden vrijgelaten en de andere 10 op borgtocht vrijkwamen;

H.  overwegende dat de christelijke meisjes voor de rechter zullen moeten verschijnen op beschuldiging van het delict bedoeld in artikel 152 van het Sudanese strafwetboek, en als volgt omschreven: "Hij die zich in het openbaar onfatsoenlijk of in strijd met de openbare zeden gedraagt of obsceen of in strijd met de openbare zeden gekleed gaat, of aanstoot geeft aan het publiek, wordt gestraft met geseling met ten hoogste veertig zweepslagen of met een boete dan wel beide straffen";

I.  overwegende dat het door de Republiek Sudan geratificeerde Afrikaanse handvest inzake de mensenrechten en de rechten van volkeren bepalingen bevat ter bescherming van het recht op leven en bepalingen die marteling en wrede, onmenselijke of vernederende bestraffing en behandeling verbieden, maar dat doodstraf, amputatie, geseling, en andere vormen van lijfstraffen in het land nog steeds voor een aantal strafbare feiten worden toegepast;

J.  overwegende dat invoering van een universeel moratorium voor totale afschaffing van de doodstraf een van de belangrijkste doelstellingen van de internationale gemeenschap moet blijven, zoals de Algemene VN-vergadering op 18 december 2014 nogmaals heeft uitgesproken;

1.  dringt bij de Sudanese autoriteiten aan op intrekking van alle aanklachten tegen voorganger Michael Yat en voorganger Peter Yen Reith en op hun onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating; roept de Sudanese regering op er intussen op toe te zien dat de twee voorgangers in afwachting van hun vrijlating geen foltering of andere mishandeling ondergaan en dat hun fysieke en mentale integriteit wordt gerespecteerd;

2.  vraagt de delegatie van de Europese Unie in Sudan de proceszittingen te blijven volgen en de voorgangers bij te staan; vraagt de EU een leidende rol op zich te nemen bij het aan de kaak stellen en veroordelen van de ernstige en wijdverbreide schendingen van de mensenrechten en het internationale humanitaire recht in het land;

3.  herinnert de Sudanese autoriteiten aan hun nationale en internationale verplichtingen uit hoofde waarvan zij gehouden zijn de vrijheid van godsdienst en geloofsovertuiging te beschermen; onderstreept dat de vrijheid van godsdienst en overtuiging een universeel mensenrecht is dat overal en voor iedereen moet worden beschermd; veroordeelt ten zeerste alle vormen geweld en intimidatie die het recht om een religie te hebben of te kiezen belemmeren, inclusief het gebruik van dreigementen, fysiek geweld of strafrechtelijke sancties om gelovigen of ongelovigen te dwingen hun geloof af te zweren of zich te bekeren;

4.  veroordeelt de aanhouding van de twaalf christelijke meisjes; roept de regering van Sudan op de vervolging te staken van de tien meisjes die ook nog van elke verdenking moeten worden gezuiverd;

5.  roept de regering van Sudan op tot intrekking van alle wetgeving die onderscheid maakt naar religie, en de identiteit van minderheden, van welke geloofsovertuiging ook, te beschermen;

6.  veroordeelt het opjagen van christenen en de inmenging in kerkelijke aangelegenheden; vraagt de regering van Sudan dringend zulk gedrag te stoppen; vraagt de regering van Sudan de apostasiewetten af te schaffen en de sluiting van kerken en andere religieuze plaatsen te staken;

7.  dringt bij de Sudanese regering aan op zodanige hervorming van het rechtsstelsel van het land dat het beantwoordt aan internationale mensenrechtennormen, om elementaire mensenrechten en vrijheden te beschermen, te zorgen voor de bescherming van de mensenrechten van ieder individu, met name waar het gaat om discriminatie van vrouwen, minderheden en achtergestelde groeperingen;

8.  spreekt nogmaals zijn veroordeling uit over de doodstraf , in welke omstandigheden dan ook, en dringt aan op een mondiaal moratorium ter afschaffing ervan; vraagt de Sudanese regering daarom de doodstraf af te schaffen en tevens ook de geseling die nog steeds praktijk is, en uitgesproken doodstraffen om te zetten;

9.  maakt zich ernstig zorgen over de toegenomen repressie ten aanzien van de leden van de oppositie, veroordeelt ten stelligste het besluit van het Tribunaal van Oumdourman van 6 juli 2015 om Mastour Ahmed Mohamed, vice-voorzitter van de Congrespartij en twee andere van zijn leiders, Assem Omar et Ibrahim Mohamed, met onmiddellijke toepassing te veroordelen tot 20 zweepslagen; betuigt zijn steun aan de inspanningen van onder meer de VN, de EU, de AU en de trojka (Noorwegen, het VK en de VS) om via onderhandelingen tot een oplossing voor de situatie in Sudan te komen en om de maatschappelijke organisaties en oppositiepartijen die zich voor een inclusief vredesproces beijveren, ondersteuning te bieden;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering van de Republiek Sudan, de Afrikaanse Unie, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en het Pan-Afrikaanse Parlement.

Juridische mededeling