Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2149(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0207/2015

Ingediende teksten :

A8-0207/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 08/09/2015 - 5.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0293

Aangenomen teksten
PDF 229kWORD 109k
Dinsdag 8 september 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa
P8_TA(2015)0293A8-0207/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 8 september 2015 naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa (2014/2149(INI))

Het Europees Parlement,

—  gezien de preambule van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) waarin wordt gesteld dat de ondertekenende partijen worden "geïnspireerd door de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa" en artikel 3, lid 3, VEU,

—  gezien artikel 167 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

—  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met name artikel 22,

—  gezien het Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen dat door Unesco werd aangenomen op 20 oktober 2005,

—  gezien Verordening (EU) nr. 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2014-2020) en tot intrekking van de Besluiten nr. 1718/2006/EG, nr. 1855/2006/EG en nr. 1041/2009/EG(1),

—  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad,(2)

—  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(3),

—  gezien Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG(4),

—  gezien Richtlijn 2014/60/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht, en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012(5),

—  gezien Richtlijn 2013/37/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot wijziging van Richtlijn 2003/98/EG inzake het hergebruik van overheidsinformatie(6),

—  gezien de Kaderconventie van de Raad van Europa over de waarde van cultureel erfgoed voor de samenleving (Conventie van Faro van 13 oktober 2005)(7),

—  gezien de conclusies van de Raad van 21 mei 2014 over cultureel erfgoed als strategische hulpbron voor een duurzaam Europa(8),

–  gezien de conclusies van de Raad van 25 november 2014 over participatief beheer van cultureel erfgoed(9) en het werkplan voor cultuur voor de periode 2015-2018(10), en over het Europees Jaar van het culturele erfgoed in de conclusies vermeld,

—  gezien Aanbeveling 2011/711/EG van de Commissie van 27 oktober 2011 betreffende de digitalisering en onlinetoegankelijkheid van cultureel materiaal en digitale bewaring(11),

—  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2014 getiteld "Een investeringsplan voor Europa" (COM(2014)0903),

—  gezien de mededeling van de Commissie van 22 juli 2014 getiteld "Naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa" (COM(2014)0477),

—  gezien het advies van het Comité van de Regio's van november 2014 naar aanleiding van de mededeling van de Commissie getiteld "Naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa",

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

—  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie vervoer en toerisme en de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0207/2015),

A.  overwegende dat cultuur en cultureel erfgoed collectieve rijkdommen en gemeenschappelijke goederen en waarden zijn die niet voor exclusief gebruik mogen dienen, en dat hun volle potentieel voor duurzame menselijke, sociale en economische ontwikkeling nog niet volledig onderkend en op de juiste wijze benut wordt, noch op het niveau van EU-strategieën, noch in de ontwikkelingsdoeleinden van de VN voor de periode na 2015;

B.  overwegende dat de uiteenlopende effecten die cultuur op de samenleving heeft, moeten worden meegewogen in het besluitvormingsproces;

C.  overwegende dat het cultureel erfgoed van nature heterogeen is, culturele en taalkundige verscheidenheid en pluralisme weerspiegelt en een impact heeft op de regionale ontwikkeling, sociale cohesie, landbouw, maritieme zaken, milieu, toerisme, onderwijs, de digitale agenda, externe betrekkingen, douanesamenwerking en onderzoek en innovatie;

D.  overwegende dat de bevordering van cultuur, culturele verscheidenheid en de interculturele dialoog een drijvende kracht vormen achter de samenwerking tussen de lidstaten;

E.  overwegende dat het stimuleren van de Europese culturele en taalkundige verscheidenheid, het bevorderen van het Europees cultureel erfgoed en het versterken van het concurrentievermogen van de culturele en creatieve sectoren in Europa erop gericht zijn om de slimme, duurzame en inclusieve groei aan te wakkeren;

F.  overwegende dat cultuurgoederen duurzame rijkdommen zijn die waarde creëren en bijdragen tot de ontwikkeling van vaardigheden en economische groei, door het toerisme te bevorderen, en nieuwe banen opleveren;

G.  overwegende dat de projecten ter opwaardering van het cultureel erfgoed vaak voorbeelden van innoverende en duurzame economische activiteiten zijn waarmee de ondernemings- en onderzoekscapaciteit van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) kan worden ontwikkeld;

H.  overwegende dat zowel het materiële als immateriële culturele erfgoed een belangrijke rol speelt bij het creëren, in stand houden en bevorderen van de Europese cultuur en waarden en een nationale, lokale en individuele identiteit, alsmede de hedendaagse identiteit van de Europeanen;

I.  overwegende dat het beleid inzake onderhoud, restauratie, behoud, toegankelijkheid en exploitatie van het culturele erfgoed in de eerste plaats onder de nationale, regionale of lokale bevoegdheid valt, maar dat het cultureel erfgoed ook een duidelijke Europese dimensie kent en rechtstreeks in het EU-beleid aan de orde komt, onder meer op terreinen als landbouw en onderzoek en innovatie;

J.  overwegende dat in artikel 167 VWEU wordt bepaald dat de Unie bijdraagt tot de ontplooiing van de culturen van de lidstaten onder eerbiediging van de nationale en regionale verscheidenheid van die culturen, en tevens de nadruk legt op het gemeenschappelijk cultureel erfgoed;

K.  overwegende dat in artikel 167 VWEU voorts wordt bepaald dat het optreden van de Unie erop gericht is de kennis en de verspreiding van de cultuur en de geschiedenis van de Europeanen te verbeteren, de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig hun activiteiten op het gebied van de instandhouding en bescherming van het cultureel erfgoed van Europees belang te ondersteunen en aan te vullen;

L.  overwegende dat het cultureel erfgoed in het werkplan voor cultuur waaraan de Raad op 25 november 2014 zijn goedkeuring heeft gehecht, als een van de vier prioriteiten voor het EU-cultuurbeleid voor de periode 2105-2018 is bestempeld;

M.  overwegende dat het gebrek aan naar sekse opgesplitste culturele gegevens, onder meer op het vlak van cultureel erfgoed, een van de factoren is die de bestaande genderkloven en -uitdagingen verhullen voor beleidsmakers en besluitvormers;

N.  overwegende dat de informatie over financieringsmogelijkheden via EU-programma's op terreinen in verband met cultureel erfgoed, zoals plaatselijke en regionale ontwikkeling, culturele samenwerking, onderzoek, onderwijs, steun aan kmo's, het maatschappelijk middenveld en toerisme, wel beschikbaar is maar nogal versnipperd is;

O.  overwegende dat de culturele en toeristische waarde van de Europese culturele routes van de Raad van Europa voor de bevordering van een gemeenschappelijk Europees cultureel erfgoed en voor de ontwikkeling van duurzaam cultuurtoerisme sterker benadrukt moet worden;

P.  overwegende dat de Prijs voor Cultureel Erfgoed van de Europese Unie/de "Europa Nostra"-prijzen van de Europese Unie topkwaliteit bevorderen, vanwege hun voorbeeldfunctie als inspiratiebron dienen en de uitwisseling van optimale werkmethoden op het vlak van erfgoed in heel Europa stimuleren;

Q.  overwegende dat in het Handvest van Venetië voor behoud en restauratie van monumenten en locaties, de Overeenkomst van Granada inzake de bescherming van het architectonische erfgoed van Europa en de Overeenkomst van Valletta inzake de bescherming van het archeologische erfgoed internationaal erkende normen voor herstel van cultureel erfgoed en archeologische werkzaamheden duidelijk geformuleerd zijn(12);

Geïntegreerde aanpak

1.  acht het van het grootste belang dat gebruik wordt gemaakt van de beschikbare middelen voor ondersteuning en bevordering van het cultureel erfgoed aan de hand van een geïntegreerde benadering, met inachtneming van de culturele, economische, sociale, historische, educatieve, ecologische en wetenschappelijke facetten;

2.  is van mening dat cultureel erfgoed een geïntegreerde aanpak vergt om een culturele dialoog op gang te brengen en wederzijds begrip te kweken; is ervan overtuigd dat een dergelijke aanpak kan leiden tot meer sociale, economische en territoriale samenhang, terwijl daarmee tevens wordt bijgedragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen die zijn geformuleerd in de Europa 2020-strategie;

3.  richt in het kader van de ontwikkeling van de nieuwe geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed de onderstaande specifieke aanbevelingen tot de Commissie:

   a) de totstandbrenging, overeenkomstig de gangbare sectoroverschrijdende en flexibele werkmethoden van de Commissie, van een gemeenschappelijke aanpak binnen de Commissie door verbeterde samenwerking tussen de diverse beleidssectoren die zich met cultureel erfgoed bezighouden, en verslaglegging aan het Parlement over de resultaten van deze nauwere samenwerking;
   b) de bekendmaking aan de potentiële begunstigden, op een directe en toegankelijke manier, bijvoorbeeld via een centraal informatieplatform en de uitwisseling van optimale werkmethoden in de EU, van de bestaande Europese financieringsmogelijkheden voor cultureel erfgoed;
   c) de aanwijzing van, bij voorkeur, 2018 als Europees Jaar van het culturele erfgoed, met een toereikende begroting en met onder andere als doel om toekomstige generaties beter en in bredere kring bewust te maken van en voor te lichten over de waarden van het Europees cultureel erfgoed en de bescherming daarvan, en de indiening van een ontwerpprogramma voor het Europees Jaar bij het Parlement, uiterlijk in 2016;
   d) de onderkenning binnen haar politieke en horizontale benadering van cultureel erfgoed als een zowel roerend als onroerend en zowel materieel als immaterieel goed dat niet te reproduceren is en waarvan de authenticiteit dus moet worden bewaard;

4.  pleit voor een beleidskader dat in de nabije toekomst moet worden uitgestippeld voor de historische omgeving – die ook wel bekendstaat als onroerend erfgoed – en dat in overeenstemming met artikel 4 VWEU een regelgevingskader omvat voor monumenten, archeologie en historische landschappen;

5.  bevordert creatieve hedendaagse innovatie in architectuur en design op basis van de eerbiediging van zowel het verleden als het heden, waarbij echter wel een hoge kwaliteit en samenhang wordt gewaarborgd;

Europese financieringsmogelijkheden voor cultureel erfgoed

6.  wijst erop dat de Unie zich inzet voor het behoud en de bevordering van het Europees cultureel erfgoed met verscheidene programma's (Creatief Europa, Horizon 2020, Erasmus+, Europa voor de burger), financiële steun (de Europees structuur- en investeringsfondsen) en activiteiten als de Europese culturele hoofdsteden, de Open Monumentendag en het Europees erfgoedlabel; is voorstander van nog grotere betrokkenheid van de EU en de lidstaten bij de bevordering van onderzoek;

7.  verzoekt de Commissie

   a) één EU-portaalsite voor materieel en immaterieel cultureel erfgoed te creëren, waarin informatie van alle EU-programma's voor steunverlening voor het cultureel erfgoed gebundeld wordt, ingedeeld aan de hand van drie aspecten: een database van materiële en immateriële culturele objecten, met onder andere voorbeelden van optimale werkmethoden op het vlak van behoud en bevordering, met alle relevantie referenties; financieringsmogelijkheden voor cultureel erfgoed en gegevens over de stand van zaken van het Europees cultureel erfgoed en cruciale gegevens met het oog op behoud, zoals klimatologische gegevens en details van al uitgevoerde restauratieprojecten; en nieuws en links over beleidsontwikkelingen, acties en evenementen op het gebied van het cultureel erfgoed;
   b) met gerichte financiering studies, onderzoek en proefmaatregelen te ondersteunen die specifiek ontworpen zijn om de effecten van processen ter bevordering van het cultureel erfgoed te analyseren, speciale indicatoren en benchmarks te ontwikkelen voor de directe en indirecte bijdrage van dat erfgoed aan processen voor economische en sociale ontwikkeling, en rechtstreekse steun te verlenen voor culturele en sociale innovatie ter plaatse waar cultureel erfgoed de ontwikkeling kan aanzwengelen en bijdraagt aan een betere levenskwaliteit van de mensen;
   c) werk te maken van het recente beginsel "multifinanciering", waarmee de complementaire inzet van verschillende Europese fondsen binnen één grootschalig project mogelijk wordt;
   d) publiek-private partnerschappen aan te moedigen;
   e) de projectbeheerstermijnen voor de structuurfondsen bij te stellen omwille van een betere afstemming met de specifieke vereisten van projecten voor bewaring, restauratie en behoud;
   f) het maximum van 5 miljoen euro voor erfgoedprojecten in het kader van kleinschalige-infrastructuurmaatregelen te herzien(13), waarmee dit ten minste op hetzelfde niveau wordt gebracht als Unesco-projecten, d.w.z. 10 miljoen euro;

8.  onderstreept dat de gedachte achter de herziening van de EFRO-verordening en in het bijzonder het beginsel van geïntegreerde financiering in bepaalde concrete gevallen ook via steun voor grootschalige projecten in praktijk kan worden gebracht; onderkent echter dat kleinschalige culturele initiatieven die van bijzonder belang zijn voor de ontwikkeling ter plaatse en kunnen bijdragen tot het behoud van het cultureel erfgoed en de bevordering van de lokale en regionale ontwikkeling en sociaal-economische groei in het algemeen, moeten worden gestimuleerd en gesteund;

9.  verzoekt de Commissie in de richtsnoeren voor de nieuwe lichting structuurfondsen voor cultureel erfgoed een verplicht kwaliteitscontrolesysteem op te nemen, dat in alle fasen van een project moet worden toegepast;

10.  benadrukt de rol van de lidstaten bij het waarborgen van een hoog niveau van vaardigheden en professionele kennis onder marktdeelnemers en een bedrijfsstructuur waarmee optimale werkmethoden kunnen worden gehanteerd bij de bescherming van cultureel erfgoed, onder andere door gebruik te maken van de juiste kwaliteitscontrolesystemen, als voorgeschreven in de internationale handvesten;

11.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat innovatieve maatregelen voor de instandhouding van erfgoed en energie-efficiënte oplossingen met een lage impact voor historische gebouwen in aanmerking komen voor gedelegeerde handelingen, en pleit voor blijken van belangstelling en initiatieven om verordeningen in het kader van het cohesiebeleid op te stellen in de periode 2014-2020;

12.  verzoekt de lidstaten hun gedachten te laten gaan over mogelijke belastingprikkels voor restauratie-, behouds- en conserveringswerkzaamheden, zoals een verlaagd btw-tarief of andere belastingverlagingen, aangezien het Europees cultureel erfgoed ook wordt beheerd door particuliere organen;

13.  dringt er bij de Commissie op aan de balans op te maken van beproefde fiscale maatregelen in Europa en de beste aan te bevelen aan de lidstaten; verzoekt de lidstaten deze aanbevelingen op te volgen en onderling beste praktijken uit te wisselen om particuliere steunverlening voor materiële en immateriële erfgoedprojecten zo veel mogelijk te bevorderen en de gevolgen van economische ontwikkeling en sociale cohesie optimaal te benutten in de desbetreffende lokale omgeving;

Nieuwe bestuursmodellen

14.  verheugt zich erover dat de Raad het initiatief heeft genomen om richtsnoeren voor de nieuwe participatiegerichte bestuursmodellen op erfgoedgebied op te stellen, door het aspect van "collectieve rijkdom" te bevorderen en lokale, regionale, nationale en Europese plannen beter aan elkaar te koppelen;

15.  verzoekt de lidstaten zorg te dragen voor de ontwikkeling van juridische instrumenten om alternatieve financierings- en beheersmodellen mogelijk te maken, zoals gemeenschapsparticipatie, participatie van maatschappelijke organisaties en publiek-private partnerschappen, teneinde maatregelen in het kader van erfgoedprojecten (restauratie, behoud en bevordering) te kunnen uitvoeren;

16.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de dialoog aan te gaan met beleidsmakers op alle bestuursniveaus in heel Europa, samen met de culturele en creatieve bedrijfstakken, netwerken van reisorganisaties, partnerschappen tussen bedrijven en overheidsinstanties en ngo's;

17.  spoort alle belanghebbenden die deel hebben aan het beheer van cultureel erfgoed een evenwicht te vinden tussen duurzame conservering en de ontwikkeling van het economische en sociale potentieel van cultureel erfgoed;

18.  onderstreept dat de EFRO-projecten op het vlak van cultureel erfgoed een praktisch voorbeeld zijn van meerlagig bestuur en de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel, en een belangrijk onderdeel van de EFRO-uitgaven vormen; onderstreept het belang van grensoverschrijdende culturele projecten die bijdragen tot de versterking van de economische en sociale samenhang en inclusie bevorderen; pleit in dit verband voor maatregelen om de steun voor de financiering via publiek-private samenwerkingen te versterken en uit te breiden;

19.  pleit ervoor dat de nieuwe bestuursmodellen vergezeld gaan van een kwaliteitscontrolesysteem bij alle alternatieve vormen van financiering en beheer van cultureel erfgoed;

20.  dringt er bij de lidstaten op aan de controles op de uitgaven in verband met cultureel erfgoed op te voeren en de samenwerking bij de bestrijding van fraude, corruptie en andere illegale activiteiten op dit vlak te stimuleren;

21.  stelt voor dat de Europese wetgevingsvoorstellen moeten worden aangevuld met een effectbeoordeling over cultureel erfgoed, en dat als er in de effectbeoordeling gewag wordt gemaakt van een negatieve impact, cultureel erfgoed bij wijze van uitzondering moet worden uitgesloten van het toepassingsgebied van het wetgevingsvoorstel;

Het economisch en strategisch potentieel van cultureel erfgoed

22.  wijst erop dat het cultureel erfgoed ten goede komt aan innovatieve banen, producten, diensten en processen en een bron kan zijn van creatieve ideeën, waar de nieuwe economie wel bij vaart terwijl het milieu, met passend beheer, zo veel mogelijk ontzien wordt;

23.  beseft dat cultureel erfgoed een essentiële rol speelt bij een aantal van de vlaggenschipinitiatieven in het kader van Europa 2020, te weten de Digitale Agenda, de Innovatie-unie, de Agenda voor nieuwe vaardigheden en banen en het industriebeleid in een tijd van mondialisering; pleit dan ook voor een grotere erkenning van de rol van het Europees cultureel erfgoed als een strategische troef voor slimme, duurzame en inclusieve groei bij de tussentijdse evaluatie van de Europa 2020-strategie;

24.  wijst erop dat het cultureel erfgoed tot het scheppen van hoogwaardige werkgelegenheid kan leiden; dringt er bij de lidstaten op aan initiatieven uit te wisselen voor het ontwikkelen van trainingen op het gebied van beheer en behoud voor werknemers en onderzoekers op het vlak van cultureel erfgoed; is in het bijzonder ingenomen met financieringsperspectieven voor onderzoekersnetwerken voor de lange termijn, zoals in het geval van de Marie Sklodowska Curie-beurzen;

25.  benadrukt het belang voor het Europese toerisme van door de Unesco aangewezen materieel of immaterieel cultureel erfgoed en natuurlijk erfgoed;

26.  wijst op de mogelijkheid om bij de ontwikkeling van macroregionale strategieën meer nadruk te leggen op cultureel toerisme en dit sterker te verankeren in het strategische kader voor de Europese samenwerking;

27.  roept de Europese instellingen en de lidstaten op reizen met een lage milieu-impact (wandel-, paardrij- en fietstochten) te bevorderen en te ondersteunen als een manier om nieuwe mogelijkheden te creëren voor cultureel en natuurtoerisme;

28.  dringt aan op samenwerking tussen de nationale overheid en lagere overheden met het oog op opwaardering van het cultureel erfgoed in onze samenlevingen en een maximale bijdrage ervan tot groei en werkgelegenheid in de EU;

29.  wijst erop dat cultureel toerisme, dat goed is voor 40 % van het Europese toerisme, een cruciale economische sector is als het gaat om het potentieel voor groei en werkgelegenheid waarvan de ontwikkeling verder moet worden aangewakkerd door het gebruik van nieuwe technologieën; benadrukt echter dat het cultureel en natuurlijk erfgoed in tact moet worden gehouden door duurzame, minder belastende vormen van toerisme met een grotere meerwaarde in het leven te roepen, waarbij de toeristische sector wordt ingebed in strategieën voor lokale ontwikkeling;

30.  uit zijn bezorgdheid over de huidige stand van zaken bij het beleid voor de instandhouding, restauratie en bevordering van cultureel erfgoed, dat essentieel is voor de Europese identiteit; benadrukt dat de financiering voor de bescherming van cultureel erfgoed in sommige lidstaten drastisch is teruggedrongen als gevolg van de economische en financiële crisis; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook er zorg voor te dragen dat er toereikende middelen worden uitgetrokken en passende initiatieven worden ontplooid voor de opwaardering van het cultureel erfgoed van Europa;

31.  verzoekt de Commissie topkwaliteit, innovatie en concurrentievermogen in de culturele en creatieve sector te bevorderen door het werk van kunstenaars, ontwerpers en professionals uit de cultuursector te ondersteunen;

32.  acht het dringend geboden dat het cultureel erfgoed een duidelijke plaats krijgt in het door de Commissie voorgestelde investeringsplan voor Europa;

33.  wijst op de noodzaak van een beter methodologisch kader omwille van betere statistieken op het vlak van het cultureel erfgoed; roept de Commissie op een reeks indicatoren voor te stellen die kan worden gebruikt om de situatie van het cultureel erfgoed op de voet te volgen en te evalueren en die voor alle lidstaten identiek zou zijn; onderstreept dat er meer onderzoeksresultaten over alle aspecten van het cultureel erfgoed moeten worden verkregen en aan elkaar worden gekoppeld om versnippering op dit gebied tegen te gaan; wijst in dit verband op de mogelijkheden van "big data" om meer kennis uit onderzoeksprojecten te vergaren; benadrukt dat statistieken systematischer moeten worden verzameld om de werkelijke en mogelijke economische waarde van het cultureel erfgoed te kunnen bepalen;

34.  is van mening dat de Commissie bedrijven en entiteiten die betrokken zijn bij de verschillende aspecten van de instandhouding van erfgoed moet classificeren als een aparte sector die gebruikmaakt van traditionele methoden met meerwaarde die ecologische en duurzame bescherming mogelijk maken;

35.  beseft dat de jeugdwerkloosheid dringend aangepakt moet worden en wijst erop dat het cultureel erfgoed een terrein met een potentieel voor meer en betere werkgelegenheid is en een brug tussen onderwijs en beroepsleven kan slaan, bijvoorbeeld via hoogwaardige leer- en stageplaatsen en start-ups in het mkb en de sociale economie; spoort de lidstaten in dit verband aan om nieuwe en innovatieve financieringsmogelijkheden te ontwikkelen ter ondersteuning van trainingen op het gebied van beheer en behoud en bijscholing en mobiliteit voor werknemers en onderzoekers in deze sector;

36.  dringt er bij de Commissie op aan gezamenlijke programma's voor cultureel erfgoed en toerisme te bevorderen vanuit een geïntegreerde en wetenschappelijke invalshoek, die kunnen dienen als ijkpunt en als voorbeeld van optimale werkmethode;

37.  verzoekt de lidstaten vanuit een strategische invalshoek erfgoedprojecten te plannen die kunnen leiden tot brede regionale en lokale ontwikkeling, programma's voor internationale en interregionale samenwerking, nieuwe banen, duurzame rehabilitatie van het platteland en steden en het behoud en de bevordering van traditioneel vakmanschap dat verband houdt met de restauratie van cultureel erfgoed;

38.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan een economisch en statistisch onderzoek in te stellen naar bedrijven, beheersentiteiten en specialistische professionele activiteiten op het vlak van de bescherming en de bevordering van cultureel erfgoed en naar hun specifieke bijdrage in termen van productie en het scheppen van nieuwe banen;

39.  wijst erop dat er mogelijkheden moeten worden gecreëerd, ontwikkeld en bevorderd voor de mobiliteit en de uitwisseling van ervaringen voor de mensen die werkzaam zijn in de erfgoedsector, door te zorgen voor echte professionele wederkerigheid, in overeenstemming met Richtlijn 2005/36/EC betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, door de minimale competenties (vaardigheden en kennis) vast te stellen en te delen met de lidstaten, met name voor het beroep van restaurateur-curator; verzoekt de Commissie in dit verband een voorstel in te dienen om in de desbetreffende programma's de mobiliteit van beheerders en werknemers (bijv. kasteelbeheerders) op te nemen met het oog op de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken;

40.  verzoekt de lidstaten de waarde van hun erfgoed te benadrukken door studies aan te moedigen om de culturele en economische waarde van het cultureel erfgoed te bepalen en daarmee de "kosten" van behoud om te buigen in een "investering" in de waarde van het erfgoed;

41.  verzoekt de Commissie de mogelijkheid te overwegen dat het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT) in het kader van zijn volgende strategische innovatieagenda kennis- en innovatiegemeenschappen (KIG's) opricht op het vlak van de sector cultureel erfgoed en de creatieve bedrijfstak, zodat rechtstreeks wordt toegewerkt naar een holistische visie op onderzoek en innovatie;

42.  herhaalt hoe belangrijk het is om lessen in kunst, muziek, theater en film op te nemen in het lesprogramma van scholen om kennis te vergaren over het cultureel erfgoed, artistieke ontplooiing en expressie en zogenaamde zachte vaardigheden die gericht zijn op creativiteit en innovatie;

43.  spoort de lidstaten aan transdisciplinaire onderwerpen op het vlak van cultureel erfgoed in te voeren op verschillende onderwijsniveaus;

44.  benadrukt het belangrijke potentieel van de ontwikkeling van ondernemerschap en een participatieve benadering in de toeristische sector, vooral bij kmo's maar ook bij startende ondernemingen, de non-profitsector en andere organisaties die bijdragen tot de instandhouding, bescherming en bevordering van het Europees cultureel erfgoed; beklemtoont dat naast culturele rijkdommen ook kwalitatief hoogwaardige dienstverlening, een grote mate van beroepsdeskundigheid, het bestaan van goed opgeleide specialisten en online aanwezigheid sleutelfactoren zijn voor het aanzwengelen van het welslagen en het concurrentievermogen van de Europese toeristische sector; onderstreept dat onderzoek, innovatie en nieuwe technologieën, met name op het vlak van telecommunicatie, van cruciaal belang zijn om het cultureel erfgoed dichter bij de bevolking te brengen; is eveneens van oordeel dat onnodige lasten voor kmo's moeten worden weggenomen zodat hun concurrentiepositie verbetert, en dat wetgeving met nadelige gevolgen voor kmo's in de toeristische industrie moet worden herzien;

Kansen en uitdagingen

45.  onderstreept het potentieel van digitalisatie van cultureel erfgoed, zowel ten behoeve van de instandhouding van het verleden als bij wijze van bron voor onderzoekskansen op het vlak van onderwijs, het genereren van hoogwaardige banen, betere sociale inclusie, betere toegang voor gehandicapten of mensen in afgelegen gebieden, en duurzame economische ontwikkeling; benadrukt dat de digitalisatie van erfgoed constante financiële inspanningen vergt van kleine en middelgrote of geïsoleerde culturele instellingen, en dat toereikende financiering cruciaal is om een groter publiek te bereiken en de verspreiding van dit erfgoed in bredere kring te bewerkstelligen; benadrukt dat de mogelijkheden van digitalisatie en nieuwe technologieën die nooit ter vervanging kunnen dienen van het oorspronkelijke erfgoed of de sociale voordelen die gepaard gaan met traditionele vormen van deelname aan cultuur, niet mogen leiden tot onoplettendheid bij de bewaring van originelen of minachting voor traditionele manieren om cultuur aan de man te brengen, hetzij tijdens hetzij na digitalisatie;

46.  is voorstander van digitale innovatie in de kunst- en erfgoedsector, en merkt op dat het gebruik van e-infrastructuur nieuw publiek kan aantrekken en kan zorgen voor een betere toegang tot en een betere benutting van het digitaal cultureel erfgoed; benadrukt het belang van bestaande hulpmiddelen zoals de website Europeana, en roept op tot de verbetering van de zoekcriteria op die site met het oog op een grotere gebruiksvriendelijkheid;

47.  onderstreept dat de mate van digitalisatie, instandhouding en onlinebeschikbaarheid van cultureel erfgoed moet worden verhoogd, vooral voor het Europese filmerfgoed;

48.  benadrukt dat de democratische en participatieve kant van Europees erfgoed moet worden belicht, zo ook van religieuze en etnische minderheden; vestigt de aandacht op erfgoedlocaties waar afwijkende of omstreden belevingen van het verleden plaatsvinden, en benadrukt dat verzoeningsprocessen niet mogen leiden tot een onderdrukking van het historisch bewustzijn van gemeenschappen; verzoekt de lidstaten na te denken over de ethiek en de presentatiemethoden van het cultureel erfgoed en daarbij rekening te houden met uiteenlopende interpretaties;

49.  bekrachtigt dat religieus erfgoed een immaterieel onderdeel vormt van het Europees cultureel erfgoed; benadrukt dat het belang van plaatsen, gewoonten en voorwerpen die verband houden met religieuze riten niet mag worden genegeerd in de dialoog over Europees cultureel erfgoed noch op discriminerende wijze behandeld mag worden;

50.  is van mening dat historisch religieus erfgoed, met inbegrip van architectuur en muziek, in tact moet worden gehouden vanwege zijn culturele waarde, ongeacht de religieuze oorsprong ervan;

51.  benadrukt het belang van een interculturele dialoog, zowel in als buiten Europa, en vindt dat de Unie deze dialoog moet stimuleren als een probaat middel tegen radicalisering uit welke hoek dan ook;

52.  wijst op de specifieke kenmerken van nationale minderheden in de lidstaten op het vlak van cultureel erfgoed; pleit dan ook voor het behoud van hun cultureel erfgoed en voor de bevordering en de bescherming van culturele verscheidenheid;

53.  benadrukt dat culturele discriminatie van religieuze en etnische minderheden moet worden voorkomen;

54.  benadrukt dat culturele activiteiten van migrantengemeenschappen moeten worden gesteund;

55.  wijst andermaal op de belangrijke bijdrage van het cultureel erfgoed aan de culturele en creatieve bedrijfstakken en aan sociale inclusie via cultuur;

56.  benadrukt dat de toegankelijkheid van erfgoedlocaties voor mensen met een handicap moet worden verbeterd;

57.  wijst erop dat culturele landschappen en dan met name immaterieel cultureel erfgoed dat een levende cultuur vertegenwoordigt en traditionele ambachten een nieuwe impuls geeft, in stand moeten worden gehouden, en roept de Commissie op dit aspect in grotere mate op te nemen in de desbetreffende programma's;

58.  onderstreept het belang van het gastronomisch erfgoed, dat moet worden beschermd en gesteund; is van mening dat de wisselwerking met ander beleid van de EU, zoals het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het beleid voor consumentenbescherming, het mogelijk zal maken de hieraan toegewezen middelen te optimaliseren;

59.  wijst erop dat cultureel erfgoed en toerisme een positieve uitwerking op elkaar hebben, aangezien enerzijds het cultureel erfgoed de toeristische sector aanzienlijke inkomsten oplevert en anderzijds het toerisme, via onder meer de promotie en instandhouding van cultuurgoederen, de cultuur gunstig beïnvloedt en inkomsten genereert die kunnen worden gebruikt voor het behoud van deze goederen;

60.  beklemtoont dat cultureel toerisme een belangrijke rol te spelen heeft bij het behoud en het realiseren van de waarde van ons cultureel erfgoed, dat niet alleen materieel erfgoed en landschap omvat maar ook immaterieel erfgoed zoals talen en religieuze en culinaire tradities;

61.  verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten te blijven samenwerken om de initiatieven tot stimulering van cultureel erfgoed en cultureel toerisme, opgenomen in de mededeling van de Commissie van 30 juni 2010 getiteld "Europa, toeristische topbestemming in de wereld - een nieuw beleidskader voor het toerisme in Europa" (COM(2010)0352), op alle niveaus in praktijk te brengen;

62.  wijst, gezien de verregaande demografische en maatschappelijke veranderingen die plaatsvinden op het belang van ons gemeenschappelijke Europese cultureel erfgoed en van het geplande Europese Jaar voor de vereenzelviging van burgers met de Europese Unie, en op de versterking van de gemeenschapszin binnen de Unie;

63.  is van mening dat vooral voor de volgende generaties de waardering van het gemeenschappelijke culturele erfgoed van Europa richting en invulling geeft aan het ontwikkelen van een Europese identiteit, en waarden biedt zoals een goede onderlinge verstandhouding en respect voor elkaar, ook buiten de grenzen van de lidstaten; doet dan ook de aanbeveling dat, onder andere bij de vormgeving van het Europees Jaar van het culturele erfgoed, er vooral rekening wordt gehouden met de jongere generatie;

64.  is ingenomen met het grote succes van de Europese culturele hoofdsteden; dringt aan op de totstandbrenging van een netwerk tussen deze steden om de focus op de betrokken gebieden langer vast te houden, de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken mogelijk te maken (onder meer om toekomstige kandidaten bij te staan) en de organisatie van evenementen en specifieke circuits te vergemakkelijken;

65.  stimuleert het gebruik van cultureel erfgoed als een educatief instrument om maatschappelijke kwesties aan te pakken en zo mensen in Europa nader tot elkaar te brengen;

66.  vestigt de aandacht op milieufactoren die een bedreiging vormen voor een groot aantal erfgoedlocaties binnen de EU, en dringt erop aan dat de lidstaten in hun financieringsstrategieën voor de instandhouding en restauratiemethoden van erfgoed voor de lange termijn rekening moeten houden met de gevolgen van klimaatverandering en menselijke belasting; beveelt daarnaast aan dat de lidstaten en de EU onderzoek op dit terrein verder moeten stimuleren, onder andere om de meervoudige effecten van klimaatverandering op het cultureel erfgoed in meer detail te onderzoeken en tegenmaatregelen te ontwikkelen;

67.  verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten het door Europa Nostra ontwikkelde initiatief "De 7 meest bedreigde erfgoedsites" uit te diepen in samenwerking met de Europese Investeringsbank door nog meer voorbeelden van bedreigd Europees erfgoed te identificeren, actieplannen op te stellen en mogelijke financieringsbronnen aan te boren; benadrukt dat de uitdieping van dat initiatief een manier is om particuliere investeringen voor de opwaardering van het erfgoed aan te trekken;

68.  verzoekt de Commissie de inspanningen van lidstaten om de roof en smokkel van en de illegale handel in culturele erfgoederen in en buiten de EU tegen te gaan, beter te coördineren en te ondersteunen; verzoekt om de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht;

69.  wijst nogmaals op het belang van het behoud en de bescherming van het cultureel erfgoed tegen aantasting door het verstrijken van de tijd en tegen vandalisme en plundering; vraagt aandacht voor de plundering van natuurschatten die op talrijke archeologische locaties nog altijd georganiseerd plaatsvindt, met name in onder water gelegen gebieden die moeilijk toegankelijk zijn en lastig te controleren zijn door de autoriteiten; roept in dit verband op tot meer doeltreffende samenwerking tussen de lidstaten met betrekking tot de identificatie en het onderscheppen van cultuurgoederen en de strijd tegen de illegale handel hierin;

70.  beklemtoont de rol die het cultureel erfgoed in de externe betrekkingen van de Unie speelt via beleidsdialoog en samenwerking met derde landen, en verzoekt de lidstaten, de Commissie en de Raad de culturele diplomatie nieuw leven in te blazen; wijst daarnaast op het potentieel van interdisciplinaire onderzoeksprojecten om cultureel erfgoed van lidstaten en landen buiten de EU in stand te houden;

71.  pleit voor een grote inzet bij de lidstaten, de EU en de internationale gemeenschap op het vlak van preventie, bescherming, documentatie en restauratie in gevallen waarin cultureel erfgoed in de EU of niet-lidstaten opzettelijk in gevaar gebracht of beschadigd is als oorlogsdaad en schending van de culturele en religieuze identiteit, onder andere door samen te werken met internationale organisaties zoals Iccrom, ICBS (het Internationaal Blauwe Schild Comité), civiele en militaire autoriteiten, culturele instellingen en beroepsverenigingen;

72.  stimuleert de aanneming van internationale overeenkomsten om de illegale handel in cultureel erfgoed te voorkomen; benadrukt dat de EU samen met de VN en de Unesco bedreigd erfgoed moet verdedigen en de plundering en vernieling van culturele objecten in conflictgebieden moet tegengaan;

73.  wijst op het potentieel van de kennis waarover de EU beschikt op het vlak van het behoud van kunstwerken die zijn beschadigd of vernield als gevolg van terrorisme en oorlog;

74.  steunt het bedenken van transnationale culturele toeristische producten die de gemeenschappelijke waarden en het gedeelde erfgoed van Europa uitdragen; verzoekt de Commissie te komen tot een nauwere samenwerking met de lidstaten en de organisaties die cultuur- en toerismebeleid opstellen, zoals de Wereldorganisatie voor Toerisme van de VN (UNWTO) en de Unesco, en om netwerken, grensoverschrijdende regionale projecten en, in nauwe samenwerking met de Raad van Europa, de Europese culturele routes te blijven medefinancieren en stimuleren omdat dat de beste voorbeelden zijn van transnationale pan-Europese projecten voor thematisch toerisme;

o
o   o

75.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 221.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104.
(5) PB L 159 van 28.5.2014, blz. 1.
(6) PB L 175 van 27.6.2013, blz. 1.
(7) Op 13 oktober 2005 goedgekeurd door het Comité van ministers van de Raad van Europa; op 27 oktober van hetzelfde jaar opengesteld voor ondertekening in Faro (Portugal); in werking getreden op 1 juni 2011.
(8) PB C 183 van 14.6.2014, blz. 36.
(9) PB C 463 van 23.12.2014, blz. 1.
(10) PB C 463 van 23.12.2014, blz. 4.
(11) PB L 283 van 29.10.2011, blz. 39.
(12) Handvest van Venetië, in 1965 vastgesteld door Icomos (International Council on Monuments and Sites); Overeenkomst van Granada, in 1985 goedgekeurd door de Raad van Europa; Overeenkomst van Valletta, in 1992 goedgekeurd door de Raad van Europa.
(13) Zie artikel 3, lid 1, onder e), van Verordening (EU) nr. 1301/2013.

Juridische mededeling