Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2239(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0228/2015

Ingediende teksten :

A8-0228/2015

Debatten :

PV 07/09/2015 - 30
CRE 07/09/2015 - 30

Stemmingen :

PV 08/09/2015 - 5.14
CRE 08/09/2015 - 5.14
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0294

Aangenomen teksten
PDF 237kWORD 125k
Dinsdag 8 september 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Follow-up van het Europees burgerinitiatief "Right2Water"
P8_TA(2015)0294A8-0228/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 8 september 2015 over de follow-up van het burgerinitiatief "Right2Water" (2014/2239(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water(1) (hierna "drinkwaterrichtlijn" genoemd),

–  gezien Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid(2) (hierna "de KRW" genoemd),

–  gezien Verordening (EU) nr. 211/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 over het burgerinitiatief(3),

–  gezien Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 november 2012 getiteld "Een blauwdruk voor het behoud van de Europese wateren" (COM(2012)0673),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 maart 2014 betreffende het Europees burgerinitiatief "Water en sanitaire voorzieningen zijn een mensenrecht! Water is een publiek goed, niet een product!" (COM(2014)0177) (hierna "de mededeling" genoemd),

–  gezien het "Samenvattend verslag over de kwaliteit van drinkwater in de EU op basis van de verslagen van de lidstaten voor de periode 2008-2010 uit hoofde van Richtlijn 98/83/EG" van de Commissie (COM(2014)0363),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité met betrekking tot de hiervoor aangehaalde mededeling van de Commissie van 19 maart 2014(5),

–  gezien het verslag van het Europees Milieuagentschap (EEA) getiteld "Het milieu in Europa – toestand en verkenningen 2015",

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 28 juli 2010 getiteld "The human right to water and sanitation"(6), en de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 18 december 2013 getiteld "The human right to safe drinking water and sanitation"(7),

–  gezien alle door de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties aangenomen resoluties over het mensenrecht op veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen,

–  gezien zijn resolutie van 9 oktober 2008 over de aanpak van waterschaarste en droogte in de Europese Unie(8),

–  gezien zijn resolutie van 3 juli 2012 inzake de uitvoering van de EU-waterwetgeving, in afwachting van een noodzakelijke algemene aanpak van de Europese uitdagingen op het gebied van water(9),

–  gezien zijn resolutie van dinsdag 25 november 2014 over de EU en het mondiaal ontwikkelingskader voor de periode na 2015(10),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie verzoekschriften (A8-0228/2015),

A.  overwegende dat "Right2Water" het eerste Europees burgerinitiatief (EBI) is dat voldoet aan de voorwaarden van Verordening (EU) nr. 211/2011 over het burgerinitiatief en dat door het Parlement is gehoord nadat bijna 1,9 miljoen burgers hun steun eraan hadden betuigd;

B.  overwegende dat het mensenrecht op water en sanitaire voorzieningen ook de aspecten beschikbaarheid, toegankelijkheid, aanvaardbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit omvat;

C.  overwegende dat de volledige toepassing van het mensenrecht op water en sanitaire voorzieningen, zoals erkend door de VN en gesteund door de lidstaten van de EU, van essentieel belang is om te leven, en overwegende dat het deugdelijk beheer van watervoorraden een cruciale rol speelt in het garanderen van duurzaam watergebruik en het beschermen van het natuurlijk kapitaal van de wereld; overwegende dat door de gecombineerde effecten van menselijke activiteit en klimaatverandering het hele EU-deel van het Middellandse Zeegebied en sommige Centraal-Europese regio's nu als waterarm halfwoestijngebied worden bestempeld;

D.  overwegende dat – zoals vermeld in het rapport van het EEA over de toestand van het milieu 2015 – de verliespercentages als gevolg van lekkages uit pijpleidingen in Europa momenteel tussen 10 % en 40 % bedragen;

E.  overwegende dat toegang tot water een van de belangrijkste voorwaarden is voor duurzame ontwikkeling; overwegende dat het toespitsen van ontwikkelingshulp op de verbetering van de drinkwatervoorziening en sanitaire voorzieningen een efficiënte manier is om doelstellingen inzake fundamentele armoedebestrijding na te streven, alsook om sociale gelijkheid, volksgezondheid, voedselveiligheid en economische groei te bevorderen;

F.  overwegende dat ten minste 748 miljoen mensen geen duurzame toegang tot veilig drinkwater hebben, terwijl een derde van de wereldbevolking niet beschikt over sanitaire basisvoorzieningen; overwegende dat, als gevolg hiervan, het recht op gezondheid gevaar loopt en ziekten zich verspreiden, waarbij zij leed en sterfte veroorzaken, terwijl zij een van de belangrijkste belemmeringen voor ontwikkeling vormen; overwegende dat circa 4 000 kinderen dagelijks overlijden aan ziekten die door vervuild water worden veroorzaakt of door ontoereikende sanitaire en watervoorzieningen en een gebrek aan hygiëne; overwegende dat door de gebrekkige toegang tot drinkwater meer kinderen sterven dan door AIDS, malaria en de pokken samen; overwegende dat evenwel met betrekking tot deze cijfers een duidelijk dalende trend is waar te nemen en dat deze daling kan en moet worden versneld;

G.  overwegende dat aan water ook een veiligheidsaspect is verbonden dat vraagt om betere regionale samenwerking;

H.  overwegende dat de gebrekkige toegang tot water en sanitaire voorzieningen gevolgen heeft voor de verwezenlijking van andere mensenrechten; overwegende dat vrouwen onevenredig hard worden geraakt door watertekorten, aangezien zij in veel ontwikkelingslanden traditioneel verantwoordelijk zijn voor de watervoorziening voor huishoudelijk gebruik; overwegende dat vrouwen en meisjes het sterkst lijden onder de gebrekkige toegang tot toereikende en behoorlijke sanitaire voorzieningen, waardoor hun toegang tot onderwijs wordt beperkt en zij kwetsbaarder worden voor ziekten;

I.  overwegende dat elk jaar 3,5 miljoen mensen sterven aan ziekten die veroorzaakt worden door vervuild water;

J.  overwegende dat bij het facultatief protocol bij het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, dat in 2013 in werking is getreden, een klachtenmechanisme is ingesteld dat personen of groepen in staat stelt formele klachten in te dienen betreffende schendingen van het mensenrecht op water en sanitaire voorzieningen, evenals van andere rechten;

K.  overwegende dat in ontwikkelingslanden en opkomende economieën de vraag naar water in alle sectoren toeneemt, in het bijzonder in de energiesector en de landbouw; overwegende dat klimaatverandering, verstedelijking en demografische ontwikkelingen een serieuze dreiging kunnen vormen voor de beschikbaarheid van water in veel ontwikkelingslanden, en dat volgens verwachtingen naar schatting twee derde van de wereldbevolking in 2025 in landen met een watertekort zal wonen;

L.  overwegende dat de EU de belangrijkste donor is op het gebied van water, sanitaire voorzieningen en hygiëne (WASH), en dat 25 % van haar jaarlijkse financiering voor wereldwijde humanitaire doeleinden uitsluitend bestemd is voor de ondersteuning van haar ontwikkelingspartners op dit gebied; overwegende dat in een speciaal verslag van de Europese Rekenkamer uit 2012 over ontwikkelingssteun van de Europese Unie voor drinkwater- en sanitaire basisvoorzieningen in landen ten zuiden van de Sahara echter wordt gewezen op de noodzaak om de doeltreffendheid van de steun en de duurzaamheid van de door de EU ondersteunde projecten te verbeteren;

M.  overwegende dat de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa heeft verklaard dat "de toegang tot water moet worden erkend als een fundamenteel mensenrecht omdat water essentieel is voor het leven op aarde en een hulpbron is die de mensheid moet delen";

N.  overwegende dat de privatisering van basisvoorzieningen in Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara in de jaren negentig van de vorige eeuw onder meer de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG´s) op het gebied van water en sanitaire voorzieningen heeft belemmerd, aangezien de focus van beleggers op kostendekking onder andere de ongelijkheden bij de verstrekking van dergelijke diensten heeft versterkt, ten koste van huishoudens met lage inkomsten; overwegende dat het overdragen van diensten op het gebied van water van particuliere ondernemingen aan plaatselijke autoriteiten in het licht van het mislukken van de privatisering van deze diensten, over de hele wereld steeds vaker voorkomt in de watersector;

O.  overwegende dat watervoorziening een natuurlijk monopolie is en dat inkomsten uit de waterbeheercyclus de kosten en de bescherming van waterdiensten alsmede de verbetering van de waterbeheercyclus zouden moeten dekken en hier te allen tijde voor bestemd dienen te worden, op voorwaarde dat het publiek belang gewaarborgd wordt;

P.  overwegende dat het ontbreken van adequate water- en sanitaire voorzieningen ernstige gevolgen heeft voor de gezondheid en de sociale ontwikkeling, met name bij kinderen; overwegende dat vervuiling van watervoorraden een van de belangrijkste oorzaken is van diarree, de op één na belangrijkste doodsoorzaak van kinderen in ontwikkelingslanden, en andere ernstige ziekten kan veroorzaken zoals cholera, schistosomiasis en trachoom;

Q.  overwegende dat water sociale, economische en ecologische functies heeft en dat een deugdelijke en solidaire waterbeheercyclus, in de huidige context van klimaatverandering, garant zal staan voor de beschikbaarheid en stabiliteit van deze hulpbron;

R.  overwegende dat Europa bijzonder kwetsbaar is voor klimaatverandering en dat water een van de eerst getroffen sectoren is;

S.  overwegende dat het EBI is opgezet als mechanisme van participatieve democratie met als doel het debat op EU-niveau en de directe betrokkenheid van burgers in besluitvormingsprocessen van de EU te bevorderen, en overwegende dat het de instellingen van de EU een uitgelezen kans biedt om opnieuw in gesprek te gaan met burgers;

T.  overwegende dat uit Eurobarometer-enquêtes steeds blijkt dat het vertrouwen van EU-burgers in de EU de laatste jaren bijzonder gering is;

Het EBI als instrument voor participatieve democratie

1.  is van mening dat het EBI een uniek democratisch mechanisme is met een aanzienlijke potentie om de kloof te overbruggen tussen Europese en nationale sociale en maatschappelijke organisaties, en om de participerende democratie op EU-niveau te stimuleren; is evenwel van mening dat, om het democratische mechanisme verder te kunnen ontwikkelen, een evaluatie van ervaringen uit het verleden en een herziening van het burgerinitiatief noodzakelijk zijn, en dat de maatregelen van de Commissie – die in voorkomend geval tevens de mogelijkheid kunnen omvatten om passende elementen op te nemen in wetgevingsherzieningen of nieuwe wetgevingsvoorstellen – de eisen van het EBI beter moeten weerspiegelen, wanneer deze eisen binnen haar bevoegdheid vallen en met name wanneer zij betrekking hebben op zorgen op het vlak van mensenrechten;

2.  beklemtoont dat de Commissie gedurende de analysefase van twee maanden ultieme transparantie moet waarborgen, dat een geslaagd burgerinitiatief moet kunnen rekenen op deugdelijke juridische ondersteuning en begeleiding van de Commissie en naar behoren moet worden gepubliceerd, en dat de initiatiefnemers en medestanders gedurende de gehele procedure van het burgerinitiatief volledig op de hoogte moeten worden gehouden;

3.  verlangt dat de Commissie daadwerkelijke uitvoering geeft aan de verordening Europees burgerinitiatief en aanstalten maakt met het wegnemen van alle administratieve horden die de burger moet nemen om een Europees burgerinitiatief in te dienen en te steunen, en vraagt de Commissie met klem na te denken over een gemeenschappelijk burgerinitiatiefregistratiesysteem voor alle lidstaten;

4.  is ingenomen met het feit dat de steun van bijna 1,9 miljoen EU-burgers uit alle lidstaten voor dit EBI invloed heeft gehad op het besluit van de Commissie om diensten op het gebied van water en sanitaire voorzieningen van de concessierichtlijn uit te sluiten;

5.  roept de Commissie op bij een eventuele herziening van de concessierichtlijn vast te houden aan het besluit om water- en sanitaire voorzieningen van de richtlijn uit te sluiten, en dit voornemen te bevestigen;

6.  vindt het betreurenswaardig dat uit de mededeling geen ambitie spreekt, dat deze geen concrete reactie omvat op de specifieke verzoeken uit het EBI en beperkt blijft tot een herhaling van bestaande toezeggingen; benadrukt dat het antwoord van de Commissie op het Right2Water-burgerinitiatief onvoldoende is, aangezien het geen nieuwe bijdrage bevat noch alle maatregelen die tot de verwezenlijking van de doelstellingen zouden kunnen bijdragen; verzoekt de Commissie in verband met dit specifieke EBI een serieuze voorlichtingscampagne op te zetten over de maatregelen die tot dusver zijn genomen op het gebied van water en de vraag hoe die maatregelen kunnen helpen om de doelstellingen van het Right2Water- EBI te bereiken;

7.  meent dat veel verzoekschriften over waterkwaliteit en waterbeheer afkomstig zijn uit lidstaten die niet goed waren vertegenwoordigd bij de op EU-niveau uitgevoerde openbare raadpleging van juni 2014, en benadrukt dat de uitkomsten van die raadpleging daarom inconsistent kunnen zijn met de feitelijke situatie zoals die uit de verzoekschriften naar voren komt;

8.  hoopt dat de Commissie en de met duurzaamheid belaste vicevoorzitter zich er uitdrukkelijk politiek toe zullen verbinden adequate actie te ondernemen ten aanzien van de punten van zorg die door dit Europees burgerinitiatief worden belicht;

9.  wijst er andermaal op dat de Commissie verzoekschriften ernaar streeft indieners van verzoekschriften een stem te geven in kwesties die betrekking hebben op de grondrechten, en brengt in herinnering dat de indieners van het Right2Water-burgerinitiatief hebben onderschreven dat water moet worden verklaard tot een op EU-niveau te waarborgen mensenrecht;

10.  verzoekt de Commissie om, in overeenstemming met de belangrijkste doelstelling van het Right2Water-EBI, met voorstellen voor wetgeving te komen, evenals, indien van toepassing, een herziening van de kaderrichtlijn water, waarin de universele toegang tot en het mensenrecht op water worden erkend; pleit er voorts voor dat de universele toegang tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen wordt opgenomen in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

11.  benadrukt dat indien de Commissie succesvolle en breed gesteunde EBI's in het kader van het democratisch mechanisme dat bij het Verdrag van Lissabon is ingesteld, negeert, de EU als zodanig in de ogen van de burgers aan geloofwaardigheid zal inboeten;

12.  verzoekt de Commissie op EU-niveau informatie- en onderwijsmaatregelen te introduceren om de watercultuur als gemeenschappelijk goed te bevorderen, evenals maatregelen om het bewustzijn en bewuster individueel gedrag (waterbesparing) te bevorderen, maatregelen om het beleid met betrekking tot het beheer van natuurlijke hulpbronnen bewust te ontwikkelen, en steun voor een openbaar, participatief en transparant beheer;

13.  acht het noodzakelijk waterbeleid te ontwikkelen waarin rationeel gebruik, recycling en hergebruik van waterhulpbronnen worden aangemoedigd, aangezien dit essentiële elementen voor een geïntegreerd beheer zijn; is ervan overtuigd dat de kosten op deze manier kunnen worden verminderd, er kan worden bespaard op de natuurlijke hulpbronnen en kan worden gewaarborgd dat het milieu deugdelijk wordt beheerd;

14.  verzoekt de Commissie praktijken als waterroof ("water grabbing") en hydraulische fracturering ("fracking") te ontmoedigen en ten aanzien hiervan milieueffectbeoordelingen uit te voeren;

Het recht op water en sanitaire voorzieningen

15.  herinnert eraan dat de VN bevestigt dat het mensenrecht op water en sanitaire voorzieningen inhoudt dat iedereen recht heeft op water voor persoonlijk en huishoudelijk gebruik dat van goede kwaliteit, veilig, fysiek toegankelijk, betaalbaar, toereikend en aanvaardbaar is; wijst erop dat overeenkomstig een nadere aanbeveling van de VN maximaal 3 % van de inkomsten van een huishouden zou mogen worden besteed aan water, indien hiervoor betaald moet worden;

16.  steunt de speciale rapporteur van de VN voor het mensenrecht op veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen en onderstreept dat zijn werk en dat van zijn voorganger van groot belang is voor de erkenning van dit recht;

17.  betreurt dat er volgens gegevens van het World Water Assessment Programme (WWAP) in de EU-28 nog meer dan een miljoen mensen niet over toegang tot veilig en schoon drinkwater beschikken en dat bijna 2 % van de bevolking geen toegang heeft tot sanitaire voorzieningen; dringt er derhalve bij de Commissie op aan onmiddellijk actie te ondernemen;

18.  verzoekt de Commissie het belang van het mensenrecht op water en sanitaire voorzieningen en van water als een publiek goed en een fundamentele waarde voor alle EU-burgers te erkennen, evenals het feit dat water geen handelswaar is; uit zijn bezorgdheid over het feit dat sinds 2008, als gevolg van de financiële en economische crisis en het bezuinigingsbeleid, dat de armoede in Europa en het aantal huishoudens met een laag inkomen heeft doen toenemen, steeds meer mensen moeite hebben om hun waterrekening te betalen en dat betaalbaarheid een punt van toenemende zorg is; keert zich tegen de (gedwongen) afsluiting van de watertoevoer, en verzoekt de lidstaten om onmiddellijk een einde aan dergelijke toestanden te maken, wanneer deze te wijten zijn aan sociaaleconomische factoren bij huishoudens met een laag inkomen; is verheugd over het feit dat in sommige lidstaten "waterbanken" of minimumwaterquota's worden gebruikt om de meest kwetsbare burgers te helpen met hun gebruikskosten, teneinde water als onvervreemdbaar element van de grondrechten te waarborgen;

19.  verzoekt de Commissie om, gezien de effecten van de recente economische crisis, in samenwerking met de lidstaten en regionale en lokale autoriteiten, een onderzoek uit te voeren naar waterschaarste, met inbegrip van gegevens over toegang en betaalbaarheid; dringt er bij de Commissie op aan om samenwerking tussen waterbedrijven te blijven steunen en bevorderen om bedrijven in minder ontwikkelde en plattelandsgebieden te helpen, teneinde de toegang tot water van goede kwaliteit voor alle burgers in die gebieden te ondersteunen;

20.  verzoekt de Commissie gebieden aan te wijzen waar het probleem van watertekort zich voordoet of zich mogelijkerwijs kan voordoen, en de desbetreffende lidstaten, regio's en gebieden – met name plattelandsgebieden en achtergebleven stedelijke gebieden – te helpen dit probleem adequaat aan te pakken;

21.  benadrukt dat de vermeende neutraliteit van de Commissie ten aanzien van eigendom en beheer van water in tegenspraak is met de privatiseringsprogramma's die de trojka aan sommige lidstaten oplegt;

22.  erkent dat, zoals bepaald in de kaderrichtlijn water, water geen verhandelbaar product is, maar een publiek goed dat essentieel is voor het menselijk leven en de menselijke waardigheid, en herinnert de Commissie eraan dat EU, overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag, neutraal moet opstellen ten aanzien van nationale besluiten over het bezit van waterbedrijven en dat zij bijgevolg in geen geval de privatisering van waterbedrijven mag bevorderen in de context van economische aanpassingsprogramma's of andere EU-procedures met het oog op economische beleidscoördinatie; dringt er, gezien het feit dat het hier diensten van algemeen belang en daarom overwegend diensten van openbaar belang betreft, bij de Commissie op aan om water, sanitaire voorzieningen en afvalwaterbehandeling blijvend uit te sluiten van internemarktregels en handelsovereenkomsten en deze voorzieningen tegen betaalbare prijzen te leveren; dringt er voorts bij zowel de Commissie als de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat deze voorzieningen uit technisch, financieel en administratief oogpunt op efficiënte, doeltreffende en transparante wijze worden beheerd;

23.  verzoekt de lidstaten en de Commissie om het waterbeleid te heroverwegen en te baseren op actieve deelname, teneinde te zorgen voor een transparant besluitvormingsproces dat openstaat voor de burgers;

24.  is van mening dat het, op het gebied van regelgeving en controle, noodzakelijk is ervoor te zorgen dat water in publieke handen blijft door publieke, transparante en participatieve beheermodellen te bevorderen, waarbij de bevoegde overheidsinstantie slechts in bepaalde gevallen onderdelen van het beheer kan uitbesteden aan private ondernemingen, en dit steeds in het kader van strikte regels en met een volledige garantie van het recht op water en toereikende sanitaire voorzieningen;

25.  roept de Commissie en de lidstaten op te zorgen voor een alomvattende watervoorziening met betaalbare prijzen, een hoge kwaliteit en eerlijke arbeidsomstandigheden te waarborgen, waarbij democratische controles gewaarborgd zijn;

26.  roept de lidstaten op steun te verlenen aan het bevorderen van onderwijs- en bewustmakingscampagnes voor burgers met het doel de watervoorraden te behouden en te beschermen en grotere publieke betrokkenheid te bewerkstelligen;

27.  roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat er geen discriminatie plaatsvindt met betrekking tot de toegang tot waterdiensten en te waarborgen dat deze diensten aan iedereen, met inbegrip van gemarginaliseerde gebruikersgroepen, worden verstrekt;

28.  verzoekt de Commissie, de Europese Investeringsbank en de lidstaten om steun te verlenen aan gemeenten binnen de EU die wegens gebrek aan kapitaal geen toegang hebben tot technische bijstand, beschikbare EU-fondsen en langetermijnleningen tegen een preferentieel rentetarief, met name om waterinfrastructuur te behouden en te vernieuwen teneinde kwalitatief hoogstaande watervoorzieningen te waarborgen en water- en sanitaire voorzieningen ook beschikbaar te maken voor de meest kwetsbare bevolkingsgroepen, met inbegrip van de armen en inwoners van ultraperifere en afgelegen regio's; benadrukt het belang van open, democratisch en participatief bestuur om te waarborgen dat wordt gekozen voor de meest kosten-efficiënte oplossingen voor het beheer van watervoorraden die de hele samenleving ten goede komen; roept de Commissie en de lidstaten op transparantie te waarborgen van financiële middelen die door de waterbeheercyclus worden gegenereerd;

29.  erkent dat water- en sanitaire voorzieningen diensten van algemeen belang zijn en dat water geen verhandelbaar product, maar een publiek goed is, dat daarom moet worden verstrekt tegen betaalbare prijzen die stroken met het recht op een minimumkwaliteit van water en waarbij een progressief tarief wordt gehanteerd; verzoekt de lidstaten toe te zien op de toepassing van een eerlijke, rechtvaardige en transparante tariefstructuur voor water- en sanitaire voorzieningen, die volstaat om de toegang tot kwalitatief hoogwaardige diensten voor alle burgers te waarborgen, ongeacht hun inkomen;

30.  merkt op dat water moet worden beschouwd als een eco-sociaal goed en niet als een gewoon productiemiddel;

31.  brengt in herinnering dat toegang tot water van wezenlijk belang is voor de landbouw, om het recht op toereikend voedsel te kunnen verwezenlijken;

32.  verzoekt de Commissie om de inspanningen van de lidstaten voor het ontwikkelen en verbeteren van de infrastructuur voor irrigatie, riolering en drinkwatervoorziening krachtig te ondersteunen;

33.  is van mening dat de drinkwaterrichtlijn in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de beschikbaarheid van drinkwater van goede kwaliteit in de hele EU en dringt aan op doortastende maatregelen van de Commissie en de lidstaten om de milieu- en gezondheidsvoordelen die voortvloeien uit de bevordering van kraanwatergebruik te verwezenlijken;

34.  herinnert de lidstaten aan de verantwoordelijkheid die zij hebben om het EU-recht ten uitvoer te leggen; spoort hen aan om volledige uitvoering te geven aan de drinkwaterrichtlijn en alle daarmee verband houdende wetgeving; spoort de lidstaten aan hun uitgavenprioriteiten te bepalen en ten volle gebruik te maken van de in de nieuwe financiële programmeringsperiode (2014-2020) geboden mogelijkheden voor financiële steun van de EU in de watersector, met name in het kader van investeringsprioriteiten die zijn toegespitst op waterbeheer;

35.  herinnert aan de conclusies van het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer over de integratie van de doelstellingen van het EU-waterbeleid in het gemeenschappelijk landbouwbeleid, waarin wordt gesteld dat "de instrumenten die thans in het kader van het GLB worden gebruikt om watervraagstukken aan te pakken, tot dusverre niet voldoende vooruitgang [hebben] kunnen bewerkstelligen bij de verwezenlijking van de ambitieuze beleidsdoelstellingen ten aanzien van water"; is van mening dat een betere integratie van het waterbeleid in andere beleidsterreinen zoals het landbouwbeleid, van essentieel belang is om de waterkwaliteit in heel Europa te verbeteren;

36.  benadrukt het belang van de volledige en doeltreffende tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn water, de grondwaterrichtlijn, de drinkwaterrichtlijn en de richtlijn betreffende stedelijk afvalwater, en meent dat het absoluut noodzakelijk is de tenuitvoerlegging van deze richtlijnen af te stemmen op die van de richtlijnen betreffende het mariene milieu, biodiversiteit en bescherming tegen overstromingen; is bezorgd over het feit dat de instrumenten van de Unie voor sectoraal beleid niet voldoende bijdragen aan het bereiken van de milieukwaliteitsnormen voor prioritaire stoffen en de doelstelling van geleidelijke uitbanning van lozingen, emissies en verliezen van prioritaire gevaarlijke stoffen overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), en artikel 16, lid 6, van de kaderrichtlijn water; verzoekt de Commissie en de lidstaten er rekening mee te houden dat waterbeheer als een horizontaal element moet worden opgenomen in wetgeving op het gebied van andere beleidsterreinen die nauw verband houden met deze hulpbron, zoals energie, landbouw, visserij, toerisme enz, teneinde verontreiniging, bijvoorbeeld door illegale en niet-gereguleerde stortplaatsen of oliewinning of -exploratie, te voorkomen; herinnert eraan dat de randvoorwaarden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid verplichte eisen ten aanzien van beheer bevatten die gebaseerd zijn op bestaande, voor boeren relevante EU-wetgeving en op regels voor goede landbouw- en milieuomstandigheden, onder meer betreffende water; herinnert eraan dat boeren zich aan deze regels moeten houden om voor volledige GLB-betalingen in aanmerking te komen;

37.  verzoekt de lidstaten om:

   waterleveranciers de verplichting op te leggen om de fysisch-chemische eigenschappen van het water te vermelden op de waterfactuur;
   stedelijke plannen op te stellen aan de hand van de beschikbaarheid van watervoorraden;
   de controles van en het toezicht op verontreinigende stoffen te intensiveren en onmiddellijke maatregelen te plannen om giftige stoffen te verwijderen en te saneren;
   maatregelen te nemen om de aanzienlijke lekken uit leidingen in Europa te verminderen en de gebrekkige watervoorzieningsnetten te vernieuwen;

38.  acht het noodzakelijk om een prioriteitenlijst of hiërarchie vast te stellen voor duurzaam watergebruik; verzoekt de Commissie hiertoe met analyses en voorstellen te komen;

39.  benadrukt dat lidstaten het mensenrecht op water hebben onderschreven door de verklaring van de VN te steunen, en dat dit mensenrecht door het merendeel van de burgers en marktdeelnemers in de EU wordt ondersteund;

40.  benadrukt dat steun voor het Right2Water-EIB en de doelstellingen ervan voorts is aangetoond door de grote aantallen burgers in landen als Duitsland, Oostenrijk, België, Slowakije, Slovenië, Griekenland, Finland, Spanje, Luxemburg, Italië en Ierland die zich hebben uitgesproken over de kwestie water en het eigendom en de levering ervan;

41.  merkt op dat de Commissie verzoekschriften sinds 1988 ieder jaar een aanzienlijk aantal verzoekschriften ontvangt van EU-burgers uit vele lidstaten die uiting geven aan hun zorgen over de watervoorziening, de kwaliteit van drinkwater en afvalwaterbeheer; vestigt de aandacht op een aantal ongunstige factoren waar indieners zich over beklagen – zoals afvalstortplaatsen, verzuim van de autoriteiten om de waterkwaliteit te controleren, irreguliere of onwettige agrarische of industriële praktijken – die slechte waterkwaliteit veroorzaken en dus gevolgen hebben voor het milieu en voor de gezondheid van mens en dier; is van oordeel dat deze verzoekschriften blijk geven van een oprechte belangstelling van burgers voor krachtige handhaving en verdere ontwikkeling van duurzame EU-wetgeving op het gebied van water;

42.  dringt er bij de Commissie op aan dat zij de door burgers geuite zorgen en waarschuwingen in dergelijke verzoekschriften serieus neemt en daarnaar handelt, met name gezien de dringende noodzaak iets te doen aan de slinkende watervoorraad als gevolg van overmatig verbruik en klimaatverandering, op het moment dat vervuiling en wanbeheer nog kunnen worden voorkomen; maakt zich zorgen over het aantal inbreukprocedures die betrekking hebben op waterkwaliteit en waterbeheer;

43.  roept de lidstaten op hun stroomgebiedbeheerplannen, een cruciaal element voor de handhaving van de kaderrichtlijn water, met spoed te voltooien en naar behoren uit te voeren, met volledige inachtneming van de doorslaggevende ecologische criteria; brengt onder de aandacht dat sommige lidstaten steeds vaker te maken krijgen met verwoestende overstromingen die ernstige gevolgen hebben voor de plaatselijke bevolking; wijst erop dat de stroomgebiedbeheerplannen uit hoofde van de kaderrichtlijn water en de plannen voor het beheer van overstromingsrisico's uit hoofde van de overstromingsrichtlijn de ideale gelegenheid bieden om gebruik te maken van synergieën tussen deze instrumenten, die kunnen bijdragen aan de voorziening van schoon water in voldoende hoeveelheden en aan de verkleining van overstromingsrisico's; herinnert er voorts aan dat iedere lidstaat een centrale website moet inrichten met informatie over de uitvoering van de kaderrichtlijn water om een beter overzicht te bieden van het waterbeheer en de waterkwaliteit;

Waterdiensten en de interne markt

44.  merkt op dat in de gehele EU, met inbegrip van landen als Spanje, Portugal, Griekenland, Ierland, Duitsland en Italië, burgers in toenemende mate bezorgd zijn over het feit of de mogelijkheid dat waterdiensten niet langer in handen van de overheid zijn; herinnert eraan dat keuze van de methode van waterbeheer gebaseerd is op het subsidiariteitsbeginsel, als vastgelegd in artikel 14 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en Protocol nr. 26 inzake diensten van algemeen belang, waarin met nadruk wordt gewezen op het bijzondere belang van openbare voorzieningen voor de sociale en territoriale samenhang in de Unie; herinnert eraan dat watervoorzienings- en rioleringsbedrijven diensten van algemeen belang zijn, belast met de algemene taak om de gehele bevolking te voorzien van water van goede kwaliteit tegen maatschappelijk aanvaardbare prijzen en om de negatieve gevolgen van afvalwater voor het milieu tot het minimum te beperken;

45.  benadrukt dat de Commissie zich, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, neutraal moet blijven opstellen ten aanzien van besluiten van de lidstaten in verband met het bezit van waterdiensten, en dat zij de privatisering van waterdiensten niet via wetgeving of andere middelen mag bevorderen;

46.  herinnert eraan dat de optie om waterdiensten opnieuw onder gemeentelijk beheer te brengen ook in de toekomst zonder enige beperking geboden moet worden, en dat deze diensten onder lokaal beheer kunnen blijven indien de bevoegde overheidsinstanties hiervoor kiezen; herinnert eraan dat water een elementair mensenrecht is en voor eenieder toegankelijk en betaalbaar moet zijn; wijst erop dat de lidstaten verplicht zijn ervoor te zorgen dat eenieder van water verzekerd is, ongeacht de aanbieder, waarbij zij er ook op moeten toezien dat de aanbieders voorzien in veilig drinkwater en verbeterde sanitaire voorzieningen;

47.  benadrukt dat diensten op het gebied van water- en sanitaire voorzieningen, zoals productie, distributie en waterzuivering, vanwege hun bijzondere aard moeten worden uitgesloten van handelsovereenkomsten waarover de EU onderhandelt of die zij overweegt te sluiten; dringt bij de Commissie aan op een wettelijk bindende uitsluiting van diensten op het gebied van water, sanitaire voorzieningen en afvalwaterverwerking in de lopende onderhandelingen over het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP) en de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten; benadrukt dat alle toekomstige handels- en investeringsovereenkomsten clausules zouden moeten bevatten inzake daadwerkelijke toegang tot drinkwater voor de bevolking van het derde land waarop de overeenkomst betrekking heeft, overeenkomstig de waarde die de Unie van oudsher hecht aan duurzame ontwikkeling en mensenrechten; onderstreept voorts dat daadwerkelijke toegang tot drinkwater voor de bevolking van het derde land waarop de overeenkomst betrekking heeft een voorwaarde moet zijn voor toekomstige vrijhandelsovereenkomsten;

48.  brengt in herinnering dat er in een aanzienlijk aantal verzoekschriften wordt gepleit tegen opname van essentiële openbare diensten, zoals de watervoorziening en sanitaire voorzieningen, in de onderhandelingen over TTIP; vraagt de Commissie om de verantwoordingsplicht voor waterleveranciers te vergroten;

49.  dringt er bij de Commissie op aan als facilitator op te treden om de samenwerking tussen waterbedrijven te bevorderen via de uitwisseling van beste praktijken en gemeenschappelijke ervaringen, en door vrijwillige benchmarkingexercities te ondersteunen; is ingenomen met het feit dat de Commissie in haar mededeling oproept tot meer transparantie in de watersector; erkent de inspanningen die tot dusver gedaan zijn en wijst er tegelijkertijd op dat benchmarkingexercities vrijwillig van aard dienen te zijn, gezien de grote verschillen tussen waterdiensten en de regionale en lokale bijzonderheden in heel Europa; wijst er voorts op dat dergelijke exercities die uitsluitend financiële indicatoren omvatten niet als equivalent van transparantiemaatregelen mogen worden beschouwd, en dat ook andere voor burgers cruciale criteria moeten worden opgenomen, zoals de kwaliteit van water, maatregelen om betaalbaarheidsproblemen te verlichten, informatie over het percentage van de bevolking dat toegang heeft tot adequate watervoorziening en het niveau van publieke participatie in waterbeheer, op een manier die zowel voor burgers als wetgevers begrijpelijk is;

50.  benadrukt het belang van nationale toezichthoudende instanties om te zorgen voor eerlijke, open mededinging tussen dienstverleners, een snellere implementatie van innovatieve oplossingen en technische vooruitgang te vergemakkelijken, doeltreffende en kwaliteitsvolle waterdiensten te bevorderen en de bescherming van de belangen van de consument te verzekeren; verzoekt de Commissie om initiatieven voor samenwerking op regelgevingsgebied in de EU te steunen om benchmarking, wederzijds leren en de uitwisseling van beste praktijken te versnellen;

51.  meent dat er behoefte is aan een evaluatie van de Europese projecten en programma´s op het gebied van water en sanitaire voorzieningen vanuit mensenrechtelijk oogpunt, zodat aan de hand daarvan de juiste beleidsmaatregelen, richtsnoeren en praktijken kunnen worden uitgewerkt; verzoekt de Commissie een benchmarkingsysteem (voor het meten van de waterkwaliteit, betaalbaarheid, duurzaamheid, het dekkingsgebied, enz.) op te zetten ter verbetering van de kwaliteit van de openbare watervoorziening en de sanitaire voorzieningen in de gehele EU, en ter versterking van de positie van de burgers;

52.  herinnert eraan dat de concessies voor diensten op het gebied van water en sanitaire voorzieningen zijn onderworpen aan de beginselen van het Verdrag en derhalve met inachtneming van de beginselen van transparantie, gelijke behandeling en non-discriminatie moeten worden gegund;

53.  benadrukt dat de productie, distributie en zuivering van water en sanitaire voorzieningen uitgesloten moeten blijven van de concessierichtlijn, ook bij toekomstige herzieningen daarvan;

54.  herinnert eraan dat Richtlijn 2006/123/EG betreffende diensten op de interne markt op veel punten al krachtige tegenstand heeft ondervonden van maatschappelijke organisaties, onder meer ten aanzien van diensten van algemeen economisch belang zoals waterdistributie en -voorziening en afvalwaterbeheer;

55.  benadrukt het belang van publiek-publieke en publiek-private partnerschappen bij het uitwisselen van beste praktijken op het gebied van samenwerking zonder winstoogmerk tussen waterbedrijven, en is ingenomen met het feit dat de Commissie in de mededeling voor de eerste maal het belang van publiek-publieke partnerschappen erkent;

56.  is verheugd over de succesvolle inspanningen van enkele stadsbesturen om de publieke participatie bij het verbeteren van waterdiensten en de bescherming van watervoorraden te vergroten en herinnert eraan dat plaatselijke instanties een belangrijke rol spelen in het besluitvormingsproces aangaande waterbeheer;

57.  verzoekt het Comité van de Regio's zich meer bezig te houden met dit Europees burgerinitiatief, en er zo toe bij te dragen dat regionale autoriteiten sterker bij deze kwestie worden betrokken;

58.  herinnert aan de verplichting om toegang tot de rechter en tot informatie inzake milieuaangelegenheden te waarborgen, evenals publieke inspraak bij besluitvorming, zoals bepaald in het Verdrag van Aarhus; dringt er daarom bij de Commissie, de lidstaten en hun regionale en plaatselijke overheden op aan om de in het Verdrag van Aarhus neergelegde beginselen en rechten te eerbiedigen; herinnert eraan dat bekendheid van de burgers met hun rechten van cruciaal belang is voor een zo breed mogelijke inspraak in de besluitvorming; verzoekt de Commissie daarom dringend om proactief een campagne op te zetten om EU-burgers te informeren over de resultaten van het Verdrag van Aarhus op het gebied van transparantie en over de instrumenten die zij reeds tot hun beschikking hebben, en om te voldoen aan de bepalingen met betrekking tot de EU-instellingen; verzoekt de Commissie om criteria uit te werken met betrekking tot transparantie, verantwoordingsplicht en participatie, met het oog op de verbetering van het functioneren, de duurzaamheid en de kostenefficiëntie van de watervoorziening;

59.  dringt er bij de lidstaten en regionale en lokale autoriteiten op aan stappen te zetten richting een echt Sociaal Waterakkoord teneinde de beschikbaarheid, de stabiele voorziening en het veilige beheer van deze hulpbron te garanderen, in het bijzonder door in te stemmen met beleid zoals het oprichten van een watersolidariteitsfonds of andere vormen van sociale actie ter ondersteuning van mensen die zich de toegang tot diensten op het gebied van water en sanitaire voorzieningen niet kunnen permitteren, zodat wordt voldaan aan de eisen op het gebied van voorzieningszekerheid en het mensenrecht op water niet in gevaar wordt gebracht; spoort alle lidstaten aan mechanismen voor sociale actie op te zetten naar het voorbeeld van de systemen die al in enkele EU-lidstaten bestaan en waarmee wordt gewaarborgd dat ook burgers die in precaire omstandigheden leven toegang tot drinkwater hebben;

60.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de lidstaten ervaringen kunnen uitwisselen over het sociale onderdeel van het waterbeleid;

61.  veroordeelt het feit dat uitsluiting van de toegang tot water en sanitaire voorzieningen van achtergestelde en kwetsbare groepen in sommige lidstaten als dwangmiddel wordt gebruikt; herinnert eraan dat in sommige lidstaten de autoriteiten door sluiting van collectieve waterputten de toegang tot drinkwater van de kwetsbaarste groepen hebben bemoeilijkt;

62.  merkt op dat de lidstaten speciale aandacht zouden moeten schenken aan de behoeften van kwetsbare groepen in de samenleving en er tevens op toe zouden moeten zien dat behoeftigen toegang hebben tot betaalbaar water van goede kwaliteit;

63.  verzoekt alle lidstaten een Ombudsman voor waterdiensten aan te stellen om ervoor te zorgen dat problemen met betrekking tot water, zoals klachten en suggesties aangaande de kwaliteit van en de toegang tot waterdiensten kunnen worden verwerkt door een onafhankelijk orgaan;

64.  stimuleert waterbedrijven om baten uit de waterbeheercyclus te investeren in het behoud en de verbetering van waterdiensten en de bescherming van watervoorraden; herinnert eraan dat het beginsel van terugwinning van de kosten van waterdiensten tevens betrekking heeft op de milieukosten en de kosten van hulpbronnen, met eerbiediging van zowel de beginselen van eerlijkheid, transparantie en het mensenrecht op water als de verplichting van de lidstaten om hun verplichting tot terugwinning van de kosten op de best mogelijke wijze ten uitvoer te leggen, op voorwaarde dat dit niet in strijd is met het doel en de verwezenlijking van de doelstellingen van de kaderrichtlijn water; dringt erop aan een einde te maken aan de praktijken waarbij financiële middelen bestemd voor de watersector worden gebruikt voor de financiering van ander beleid, bijvoorbeeld wanneer er op de waterfactuur heffingen voor concessies in rekening worden gebracht die niet bestemd zijn voor de waterinfrastructuur; herinnert aan de zorgwekkende staat van de infrastructuur in enkele lidstaten waar water wordt verspild als gevolg van lekken in ongeschikte en verouderde waterdistributiesystemen, en dringt er bij de lidstaten op aan om investeringen in infrastructuur en andere waterdiensten te versterken als uitgangspunt om het mensenrecht op water in de toekomst te waarborgen;

65.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten alle informatie over waterkwaliteit en waterbeheer op een gemakkelijk toegankelijke en begrijpelijke manier aan de desbetreffende burgers presenteren, en dat burgers tijdig en volledig worden geïnformeerd en geraadpleegd over alle waterbeheerprojecten; stelt bovendien vast dat in de door de Commissie uitgevoerde openbare raadpleging 80 % van de respondenten een verbetering van de transparantie van de waterkwaliteitsbewaking essentieel noemde;

66.  verzoekt de Commissie nauwlettend toe te zien op het gebruik van directe en indirecte EU-financiering voor waterbeheerprojecten en ervoor te zorgen dat dergelijke financiering alleen wordt gebruikt voor de projecten waarvoor zij bedoeld was, rekening houdende met het feit dat de toegang tot water cruciaal is voor de vermindering van ongelijkheden tussen EU-burgers en voor de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang in de EU; verzoekt de Rekenkamer in dit verband te controleren of de criteria van doelmatigheid en duurzaamheid voldoende in acht worden genomen;

67.  verzoekt de Commissie om het huidige gebrek aan investeringen in evenwichtig waterbeheer in aanmerking te nemen, rekening houdende met het feit dat water een van de gemeenschappelijke goederen is van de EU-burgers;

68.  roept daarom op tot meer transparantie bij waterbedrijven, met name door middel van de ontwikkeling van een governancecode voor particuliere en openbare waterbedrijven in de EU; is van mening dat een dergelijke code gebaseerd moet zijn op het beginsel van efficiëntie en volledig in overeenstemming moet zijn met de bepalingen uit de Kaderrichtlijn Water met betrekking tot milieu, financiële aangelegenheden, infrastructuur en publieke participatie; dringt tevens aan op de oprichting van een nationale regelgevende instantie;

69.  verzoekt de Commissie het subsidiariteitsbeginsel en de bevoegdheden met betrekking tot water te respecteren waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende overheidsniveaus en de lokale waterbedrijven die de watervoorziening beheren (bronnen en onderhoud);

70.  betreurt dat de richtlijn inzake de zuivering van stedelijk afvalwater nog steeds niet volledig ten uitvoer is gelegd in de lidstaten; dringt erop aan prioriteit te geven aan de besteding van financiële middelen van de Unie in gebieden waar de EU-milieuwetgeving niet wordt geëerbiedigd, bijvoorbeeld wat de zuivering van afvalwater betreft; merkt op dat is aangetoond dat de nalevingspercentages hoger waren, wanneer de kosten werden teruggewonnen en het beginsel van "de vervuiler betaalt" werd toegepast, en verzoekt de Commissie om te evalueren of de huidige instrumenten toereikend zijn om een hoge mate van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu te bewerkstelligen;

71.  benadrukt dat de dienstensector in het geval van water een enorm potentieel heeft om banen te creëren door de integratie van milieuaspecten, alsook om innovatie te bevorderen door middel van de overdracht van technologie tussen sectoren en door onderzoek, ontwikkeling en innovatie in de volledige watercyclus; dringt er derhalve op aan dat er in het bijzonder wordt ingezet op duurzaam watergebruik als hernieuwbare energiebron;

72.  moedigt de Commissie aan een Europees wetgevingskader te ontwikkelen met betrekking tot het hergebruik van behandeld afvalwater om met name kwetsbare activiteiten en gebieden te beschermen; roept de Commissie voorts op om de uitwisseling van ervaringen tussen de gezondheidsinstanties van de verschillende lidstaten te bevorderen;

73.  dringt er bij de Commissie op aan om er in een eventuele herziening van de kaderrichtlijn water voor te zorgen dat kwantitatieve beoordelingen van problemen rond de betaalbaarheid van water een verplichte vereiste worden voor de verslaglegging door de lidstaten over de tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn water;

74.  verzoekt de Commissie de mogelijkheid te verkennen om de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound) toezicht te laten houden op en verslag te laten uitbrengen over eventuele problemen rond de betaalbaarheid van water in de 28 lidstaten;

75.  herinnert eraan dat goed waterbeheer de komende decennia steeds meer een prioriteit zal vormen, vanuit zowel ecologisch als milieuoogpunt, aangezien daarmee tegemoet wordt gekomen aan vereisten op energie- en landbouwgebied en aan dwingende economische en sociale verplichtingen;

De internalisering van de vervuilingskosten

76.  herinnert eraan dat EU-burgers, via hun waterrekening, de kosten dragen voor de zuivering en behandeling van water, en benadrukt dat beleid waarbij doelstellingen op het gebied van de bescherming van watervoorraden wordt gecombineerd en in overeenstemming wordt gebracht met kostenbesparingen, zoals een aanpak gericht op "controles bij de bron", efficiënter en in financieel opzicht wenselijker is; herinnert eraan dat, volgens het rapport van het EEA over de toestand van het milieu 2015, meer dan 40 % van alle rivieren en kustwateren te lijden heeft van diffuse vervuiling die wordt veroorzaakt door de landbouw, terwijl tussen 20 % en 25 % ervan vervuild raakt door puntbronnen zoals industrieën, rioleringssystemen en netwerken voor het beheer van afvalwater; herinnert aan het belang van een effectieve tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn water en de drinkwaterrichtlijn, betere coördinatie ten aanzien van deze tenuitvoerlegging, meer coherentie bij de opstelling van wetgeving en meer proactieve maatregelen voor de bescherming van watervoorraden en een aanzienlijke verbetering van de efficiëntie in het watergebruik in alle sectoren (industrie, huishoudens, landbouw, distributienetwerken); herinnert eraan dat het verzekeren van een duurzame bescherming van natuurgebieden, zoals zoetwaterecosystemen, eveneens van essentieel belang is voor de ontwikkeling en een bepalende rol speelt in de voorziening van drinkwatervoorraden, en de kosten voor burgers en marktdeelnemers vermindert;

Europees extern en ontwikkelingsbeleid betreffende water

77.  benadrukt dat de universele toegang tot water en sanitaire voorzieningen volledig onderdeel moet worden van het EU-ontwikkelingsbeleid via de bevordering van publiek-publieke en publiek-private partnerschappen die zijn gebaseerd op solidariteit tussen waterbedrijven en werknemers in verschillende landen, en onderstreept dat hierbij gebruik gemaakt moet worden van een reeks instrumenten om beste praktijken te bevorderen via kennisoverdracht en ontwikkelings- en samenwerkingsprogramma's in deze sector; wijst er nogmaals op dat in het ontwikkelingsbeleid van de lidstaten wat betreft de toegang tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen de mensenrechtendimensie moet worden erkend en dat een op rechten gebaseerde aanpak steun vereist voor regelgevingskaders, financiering en de versterking van het maatschappelijk middenveld om deze rechten in de praktijk af te dwingen;

78.  bevestigt nogmaals dat toegang tot voldoende drinkwater van toereikende kwaliteit een fundamenteel mensenrecht is, en meent dat het de taak van nationale regeringen is om deze verplichting na te leven;

79.  wijst in overeenstemming met de huidige EU-wetgeving en de voorschriften die erin zijn vastgelegd, op het belang van een regelmatige evaluatie van de kwaliteit, zuiverheid en veiligheid van water en watervoorraden binnen de EU en daarbuiten;

80.  onderstreept dat hulp bij het voorzien in veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen een hoge prioriteit moet krijgen bij de toewijzing van financiële middelen van de EU en bij de programmering van hulp; verzoekt de Commissie om te voorzien in voldoende financiële steun voor maatregelen met het oog op capaciteitsopbouw op het gebied van water, door een beroep te doen op en samen te werken met bestaande internationale platforms en initiatieven;

81.  benadrukt nogmaals dat water, sanitaire voorzieningen en hygiëne in ontwikkelingslanden een hoge prioriteit moeten krijgen zowel in de officiële ontwikkelingshulp als in nationale begrotingen; herinnert eraan dat waterbeheer een collectieve verantwoordelijkheid is; pleit voor een open houding ten aanzien van verschillende vormen van hulpverlening, maar voor strikte naleving van de beginselen inzake doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, voor samenhang van het ontwikkelingsbeleid, alsook voor een onverminderde nadruk op armoedebestrijding en de optimalisering van het ontwikkelingseffect; ondersteunt in dit verband de betrokkenheid van lokale gemeenschappen bij de verwezenlijking van projecten in ontwikkelingslanden, evenals het beginsel van collectief eigenaarschap;

82.  benadrukt dat, hoewel de vooruitgang op het gebied van veilig drinkwater ten opzichte van de millenniumdoelstellingen op schema ligt, wereldwijd 748 miljoen mensen geen toegang hebben tot verbeterde watervoorzieningen, dat naar schatting ten minste 1,8 miljard mensen water drinken dat is verontreinigd met fecaliën, en dat ook de doelstelling op het gebied van sanitaire voorzieningen nog lang niet is gehaald;

83.  herinnert eraan dat het waarborgen van duurzaam grondwaterbeheer van essentieel belang is voor armoedebestrijding en gedeelde welvaart, aangezien grondwater het potentieel heeft om miljoenen arme mensen in steden en plattelandsgebieden van beter drinkwater te voorzien;

84.  verzoekt de Commissie water als punt in de "Agenda voor verandering" op te nemen, samen met duurzame landbouw;

85.  meent dat water centraal moet staan in de werkzaamheden ter voorbereiding van twee belangrijke internationale evenementen in 2015, namelijk de topontmoeting over de agenda voor de periode na 2015 en de COP21 over klimaatverandering; is er in dit verband een krachtig voorstander van dat in september 2015 ambitieuze en verstrekkende doelstellingen op het gebied van water en sanitaire voorzieningen worden vastgesteld, zoals doelstelling 6 inzake duurzame ontwikkeling (SDG) om voor 2030 de toegankelijkheid en het duurzaam beheer van water en sanitaire voorzieningen voor iedereen te waarborgen; wijst er nogmaals op dat armoede enkel kan worden uitgebannen via het proces voor de periode na 2015, indien we ervoor zorgen dat iedereen, waar dan ook, toegang heeft tot schoon water, elementaire sanitaire voorzieningen en hygiëne; benadrukt dat de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling de terbeschikkingstelling van veel meer financiële middelen vereist dan momenteel het geval is, van zowel ontwikkelde als ontwikkelingslanden; roept op tot de invoering van een mondiaal toezichtsmechanisme om de vooruitgang vast te kunnen stellen die wordt geboekt bij de verwezenlijking van universele toegang tot veilig drinkwater, het duurzaam gebruik en de ontwikkeling van watervoorraden, en de versterking van rechtvaardig, op participatie gebaseerd waterbeheer met verantwoordingsplicht van alle betrokkenen in alle landen; spoort de Commissie aan ervoor te zorgen dat hulpmiddelen doeltreffend worden besteed en beter worden toegespitst op water, sanitaire voorzieningen en hygiëne, met het oog op de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015;

86.  onderstreept het toenemende risico van waterschaarste vanwege klimaatverandering; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om het strategische beheer van watervoorraden en aanpassingsplannen voor de lange termijn op te nemen in de thema's van de COP21, teneinde een klimaatbestendige wateraanpak te verzekeren in de toekomstige mondiale klimaatovereenkomst; benadrukt dat klimaatbestendige waterinfrastructuur van essentieel belang is voor ontwikkeling en voor het terugdringen van de armoede; wijst er nogmaals op dat de vorderingen met betrekking tot de streefdoelen voor armoedebestrijding, de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en duurzame ontwikkeling in al haar economische, sociale en milieudimensies in het gedrang kunnen komen, tenzij er ononderbroken wordt voortgewerkt om de gevolgen van klimaatverandering te beperken en de watervoorraden beter te beheren;

87.  merkt met bezorgdheid op dat het gebrek aan toegang tot water en sanitaire voorzieningen in ontwikkelingslanden een onevenredig effect kan hebben op meisjes en vrouwen, en in het bijzonder op meisjes van schoolgaande leeftijd, aangezien is aangetoond dat de cijfers voor ziekteverzuim en schooluitval samenhangen met het gebrek aan schone, veilige en toegankelijke sanitaire voorzieningen;

88.  dringt erop aan middelen van de Unie en de lidstaten vrij te maken als reactie op de aanbevelingen van de speciale rapporteur van de VN voor het mensenrecht op veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen, in het bijzonder voor kleinschalige infrastructuur, en om meer middelen toe te wijzen aan exploitatie en onderhoud, capaciteitsopbouw en bewustmaking;

89.  merkt met bezorgdheid op dat volgens de speciale rapporteur van de VN voor het mensenrecht op veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen, mensen in sloppenwijken in het algemeen meer betalen dan mensen op formele verblijfsplaatsen voor ongereguleerde diensten van lage kwaliteit; roept ontwikkelingslanden op om in de eerste plaats begrotingsmiddelen toe te wijzen aan diensten voor achtergestelde en geïsoleerde personen;

90.  herinnert eraan dat volgens de Wereldgezondheidsorganisatie, in de uitgangssituatie zonder aanwezigheid van de laatste innovatieve waterzuiverings- en besparingstechnologieën, tussen 100 en 200 liter water per persoon per dag optimaal is, terwijl tussen 50 en 100 liter water vereist is om te voldoen aan de basisbehoeften en te voorkomen dat grote gezondheidsproblemen ontstaan; wijst erop dat overeenkomstig de erkende fundamentele mensenrechten een minimumquota per persoon absoluut noodzakelijk is om in de basisbehoeften aan water van bevolkingen te voorzien;

91.  benadrukt dat toegang tot basiswatervoorzieningen een onbetwistbaar fundamenteel mensenrecht zou moeten zijn dat impliciet en expliciet wordt ondersteund door het internationaal recht, verklaringen en nationale praktijken;

92.  dringt er bij regeringen, internationale hulporganisaties, niet-gouvernementele organisaties en plaatselijke gemeenschappen op aan ertoe bij te dragen dat eenieder toegang krijgt tot basiswatervoorzieningen en te waarborgen dat water een mensenrecht is;

93.  verzoekt de lidstaten om op basis van de richtsnoeren van de Wereldgezondheidsorganisatie een prijsbeleid in te voeren dat het recht van personen op de minimale benodigde hoeveelheid water eerbiedigt en dat verspilling bestraft door een tarief in te voeren dat oploopt naar rato van de gebruikte hoeveelheid water;

94.  pleit ervoor maatregelen vast te stellen om een rationeel gebruik van water te garanderen, teneinde verspilling tegen te gaan;

95.  prijst de waterbedrijven die een percentage van hun jaaromzet schenken aan waterpartnerschappen in ontwikkelingslanden en moedigt de lidstaten en de EU aan het benodigde rechtskader te creëren om dergelijke partnerschappen op te zetten;

96.  roept op tot doeltreffend toezicht op projecten die worden uitgevoerd met externe steun; benadrukt de noodzaak om toezicht te houden op financieringsstrategieën en begrotingen om te waarborgen dat met toegewezen middelen bestaande ongelijkheden in de toegang tot water worden aangepakt en de mensenrechtenbeginselen van non-discriminatie, toegang tot informatie en betrokkenheid, worden geëerbiedigd;

97.  verzoekt de Commissie om de vernieuwing van verouderde drinkwaternetten tot een prioriteit in het investeringsplan voor Europa te maken, door deze projecten op te nemen in de lijst van projecten van de Unie; wijst erop dat deze projecten een hefboomeffect op niet-verplaatsbare werkgelegenheid kunnen hebben en aldus kunnen bijdragen tot het stimuleren van de groene economie in Europa;

98.  roept de Commissie op om de uitwisseling van kennis te bevorderen zodat de lidstaten de staat van de netwerken kunnen controleren en op grond daarvan renovatiewerkzaamheden kunnen uitvoeren om een einde te maken aan verspilling;

99.  dringt aan op meer transparantie teneinde consumenten beter voor te lichten over water en bij te dragen aan een zuiniger beheer van de watervoorraden; moedigt de Commissie in dit verband aan met de lidstaten te blijven samenwerken met het oog op de uitwisseling van nationale ervaringen bij de invoering van waterinformatiesystemen;

100.  roept de Commissie op te bekijken of het mogelijk is de instrumenten voor financiële steun in de sector van internationale samenwerking op het gebied van water en sanitaire voorzieningen tot het Europees niveau uit te breiden;

101.  onderstreept dat het doeltreffend en eerlijk beheer van watervoorraden afhankelijk is van de capaciteit van plaatselijke overheden om diensten te verlenen; roept de EU dan ook op om de versterking van het waterbeheer en de waterinfrastructuur in ontwikkelingslanden verder te ondersteunen, met bijzondere aandacht voor de behoeften van kwetsbare plattelandsbevolkingen;

102.  ondersteunt het Global Water Solidarity Platform dat door het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) is opgezet om plaatselijke autoriteiten te betrekken bij het vinden van oplossingen voor watervraagstukken; is eveneens ingenomen met het initiatief "1 % solidariteit voor water en sanitaire voorzieningen" en andere initiatieven van burgers en autoriteiten in enkele lidstaten die ten doel hebben hulpprojecten in ontwikkelingslanden te ondersteunen met geld afkomstig van consumptieheffingen; merkt op dat dergelijke initiatieven in de praktijk zijn gebracht door verschillende waterbedrijven; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om solidariteitsregelingen op dit gebied en op andere gebieden aan te moedigen, bijvoorbeeld door de verspreiding van informatie, de bevordering van partnerschappen en de uitwisseling van ervaring, onder andere door middel van mogelijke partnerschappen tussen de Commissie en de lidstaten, waarbij wordt voorzien in aanvullende EU-steun voor projecten die via dit initiatief worden uitgevoerd; moedigt in het bijzonder de bevordering van publiek-publieke partnerschappen in waterfaciliteiten in ontwikkelingslanden aan, overeenkomstig de door het VN-Habitatprogramma gecoördineerde Global Water Operators' Partnerships Alliance (GWOPA);

103.  dringt bij de Commissie aan op herinvoering van het waterfaciliteitsinstrument, dat doeltreffend is gebleken bij de verbetering van de toegang tot waterdiensten in ontwikkelingslanden door maatregelen voor capaciteitsopbouw van plaatselijke gemeenschappen te bevorderen;

104.  is ermee ingenomen dat de VN-resolutie betreffende de erkenning van toegang tot schoon water en sanitaire voorzieningen als mensenrecht in Europa op aanzienlijke steun kan rekenen;

o
o   o

105.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32.
(2) PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.
(3) PB L 65 van 11.3.2011, blz. 1.
(4) PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1.
(5) PB C 12 van 15.1.2015, blz. 33.
(6) A/RES/64/292.
(7) A/RES/68/157.
(8) PB C 9 E van 15.1.2010, blz. 33.
(9) PB C 349 E van 29.11.2013, blz. 9.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0059.

Juridische mededeling