Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 12 maart 2015 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Recente aanvallen en ontvoeringen door ISIS/Da'esh in het Midden-Oosten, met name van Assyriërs
 Zuid-Sudan, onder meer de recente ontvoeringen van kinderen
 Tanzanië, met name het probleem van landroof
 Moord op de Russische oppositieleider Boris Nemtsov en de toestand van de democratie in Rusland
 Jaarverslag van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement
 Jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2013 en het EU-beleid ter zake
 Betrekkingen tussen de EU en de Liga van Arabische Staten en samenwerking op het gebied van terrorismebestrijding
 Duurzame exploitatie van zeebaars
 28e zitting van de UNHCR
 Situatie in Venezuela

Recente aanvallen en ontvoeringen door ISIS/Da'esh in het Midden-Oosten, met name van Assyriërs
PDF 149kWORD 200k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2015 over recente aanvallen en ontvoeringen door ISIS/Da'esh in het Midden-Oosten, met name van Assyriërs (2015/2599(RSP))
P8_TA(2015)0071RC-B8-0240/2015

Het Europees Parlement,

–  gelet op artikel 18 van de Universele Verklaring voor de rechten van de mens van 1948,

–  gelet op artikel 9 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens van 1950,

–  gezien artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien de VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie en overtuiging van 1981,

–  gezien de VN-Verklaring over de rechten van personen behorende tot nationale, etnische, godsdienstige of taalkundige minderheden van 1992,

–  gezien het Internationaal Verdrag van de VN inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijningen,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Irak, Syrië, Libië en Egypte, in het bijzonder zijn resolutie van 10 oktober 2013 over recente gevallen van geweld tegen en vervolging van christenen, met name in Maaloula (Syrië) en Peshawar (Pakistan), en de zaak van pastor Saeed Abedini (Iran)(1), zijn resolutie van 18 september 2014 over de situatie in Irak en Syrië en het IS-offensief, inclusief de vervolging van minderheden(2), en zijn resolutie van 12 februari 2015 over de humanitaire crisis in Irak en Syrië, met name in de context van IS(3),

–  gezien de richtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) over geweld jegens en vervolging van christenen en andere gemeenschappen in het Midden-Oosten, in het bijzonder de verklaring van 16 februari 2015 over de onthoofding van 21 Egyptische koptische christenen in Libië,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de VV/HV aan het Europees Parlement en de Raad over elementen voor een regionale strategie van de EU voor Syrië en Irak en de dreiging die uitgaat van Da'esh (de Islamitische Staat in Irak en de Levant),

–  gezien de verklaring van de VN-Veiligheidsraad van 25 februari 2015 waarin deze de ontvoering van meer dan 100 Assyriërs door Da'esh veroordeelt,

–  gezien het VN-rapport van de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie voor de Arabische Republiek Syrië met als titel "Rule of Terror: Living under ISIS in Syria" van 14 november 2014,

–  gezien de jaar- en interimverslagen van de speciale rapporteur van de VN over de vrijheid van godsdienst en overtuiging,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het bevorderen van de democratie en de eerbiediging van de mensenrechten en burgerlijke vrijheden een fundamenteel beginsel en een fundamentele doelstelling van de Europese Unie is en een gemeenschappelijke basis vormt voor de betrekkingen van de EU met derde landen;

B.  overwegende dat iedereen overeenkomstig het internationale recht inzake de mensenrechten en met name artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, recht heeft op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; overwegende dat dit recht onder meer de vrijheid inhoudt om van godsdienst of overtuiging te veranderen, en de vrijheid om alleen of samen met anderen en zowel in het openbaar als privé zijn godsdienst of overtuiging te beleven door eredienst, naleving, praktijk of onderwijs; overwegende dat de vrijheid van godsdienst of overtuiging volgens de VN-Commissie voor de rechten van de mens bescherming inhoudt van alle overtuigingen, met inbegrip van theïstische, niet-theïstische en atheïstische overtuigingen;

C.  overwegende dat de Europese Unie herhaaldelijk heeft verklaard de vrijheid van gedachte, de vrijheid van geweten en de vrijheid van godsdienst hoog in het vaandel te dragen, en heeft benadrukt dat regeringen overal ter wereld de plicht hebben deze vrijheden te garanderen;

D.  overwegende dat de Verenigde Naties en andere internationale organisaties melding hebben gemaakt van wijdverbreide en ernstige schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht door Da'esh/ISIS en aanverwante groeperingen in Syrië en Irak, in het bijzonder tegenover etnische en religieuze minderheden, zoals gerichte moorden, gedwongen bekeringen, ontvoeringen, vrouwenhandel, slavernij van vrouwen en kinderen, aanwerving van kinderen voor zelfmoordaanslagen, seksueel en lichamelijk misbruik en foltering; overwegende dat er ernstige bezorgdheid heerst over het welzijn van degenen die nog steeds vastzitten in de door Da'esh/ISIS gecontroleerde gebieden, aangezien nagenoeg geen internationale humanitaire steunverlening deze gebieden bereikt;

E.  overwegende dat Da'esh/ISIS een campagne is begonnen om alle sporen van religieuze gemeenschappen en geloofsgemeenschappen die de islam anders interpreteren dan Da'esh/ISIS zelf, uit te roeien door de aanhangers van deze gemeenschappen te doden of te verjagen en hun heiligdommen, historische plaatsen en kunst- en gebruiksvoorwerpen – waaronder uniek en onvervangbaar erfgoed dat door de Unesco tot werelderfgoed is verklaard – te vernietigen, en dat Da'esh/ISIS dit optreden als een ‘culturele zuivering’ beschrijft;

F.  overwegende dat Da'esh/ISIS in de gebieden die het in handen heeft, een onaanvaardbare en onherstelbare tol eist van eeuwenoude beschavingen; overwegende dat de situatie voor christelijke gemeenschappen met name in Irak en Syrië maar ook in andere delen van het Midden-Oosten in bredere zin er zo voor staat dat hun voortbestaan wordt bedreigd, en overwegende dat hun verdwijning tot het verlies van een belangrijk deel van het religieuze erfgoed van de betrokken landen zou leiden;

G.  overwegende dat Da'esh/ISIS het gemunt heeft op christenen, jezidi’s, Turkmenen, sjiieten, shabak, sabeeërs, kaka'i en soennieten, die het oneens zijn met zijn interpretatie van de islam, en op andere etnische en religieuze minderheden, maar overwegende dat sommige van die gemeenschappen al lang voor de opkomst van Da'esh/ISIS het doelwit vormden van extremisten; overwegende dat vooral christenen jarenlang welbewust zijn geviseerd door diverse extremistische of jihadistische bewegingen, met als gevolg dat meer dan 70 % van alle Iraakse christenen en ruim 700 000 Syrische christenen hun land zijn moeten ontvluchten;

H.  overwegende dat de 250 000 Chaldeeërs/Assyriërs/Syriërs in Irak een aparte etnisch-religieuze groep vormen en dat er in Syrië voor het begin van de burgeroorlog in 2011 naar schatting tot 40 000 Assyriërs leefden;

I.  overwegende dat Da'esh/ISIS op 15 februari 2015 een video-opname heeft gepubliceerd waarop de onthoofding van 21 Egyptische koptische christenen in Libië te zien is; overwegende dat de kopten arbeidsmigranten waren uit een arm deel van Egypte en in het Libische Sirte waren ontvoerd;

J.  overwegende dat Da'esh/ISIS op 23 februari 2015 in Tell Tamer, langs de zuidelijke oever van de rivier de Khabur in Noordoost-Syrië, ongeveer 220 Assyriërs heeft ontvoerd; overwegende dat de extremisten tijdens dezelfde operatie ook christelijke huizen en heiligdommen hebben vernield; overwegende dat tijdens de aanval van Da'esh/ISIS tientallen Assyriërs zijn omgekomen; overwegende dat Da'esh/ISIS in februari 2015 een verklaring heeft gedaan waarin het eiste dat de inwoners van de Assyrische dorpen in het Syrische gouvernement Al-Hasakah djizja betalen (een belasting uit de tijd van het vroeg-islamitische bewind die werd opgelegd aan niet-moslims en in 1856 in het hele Ottomaanse Rijk werd afgeschaft) of zich tot de islam bekeren, en waarschuwde dat zij anders zullen worden gedood; overwegende dat Da'esh/ISIS sinds 9 maart 2015 grootschalige aanvallen doet op Assyrisch-christelijke steden in het gebied rond de rivier de Khabur;

K.  overwegende dat Da'esh/ISIS sinds 1 maart 2015 na onderhandelingen met stamhoofden meerdere tientallen Assyriërs, vooral kinderen en oudere mensen, heeft vrijgelaten, maar overwegende dat de meesten nog worden vastgehouden en dat de terroristen ermee hebben gedreigd hen te doden als de coalitiebombardementen niet ophouden;

L.  overwegende dat Da'esh/ISIS in het kader van een doelbewuste politiek van culturele en religieuze zuivering in Irak meer dan 100 kerken en een aantal sjiitische moskeeën en in Syrië ten minste 6 kerken zou hebben vernietigd; overwegende dat strijders van Da'esh/ISIS in februari 2015 opzettelijk ruchtbaarheid hebben gegeven aan de vernieling door hun toedoen van standbeelden en andere kunstvoorwerpen uit het oude Assyrische en Akkadische Rijk in het Iraakse Mosul-museum; overwegende dat Da'esh/ISIS vervolgens de oude Assyrische stad Nimrud heeft platgewalst en dat het recentelijker de Unesco-werelderfgoedlocatie Hatra zou hebben vernietigd; overwegende dat het Syrische regime naar verluidt kerken in oppositiewijken heeft gebombardeerd, onder meer in Homs in 2012 en in Idlib in 2013;

M.  overwegende dat het vervolgen, verminken en vermoorden, op soms ondenkbaar wrede wijze, van onder meer leden van etnische en religieuze minderheden, journalisten, krijgsgevangenen en activisten door Da'esh/ISIS blijft doorgaan; overwegende dat ook andere bij het conflict betrokken partijen, met name het regime van Assad, zich dagelijks op grote schaal schuldig blijven maken aan oorlogsmisdaden en andere schendingen van het internationale humanitaire recht en de mensenrechten;

N.  overwegende dat de oorsprong van het geweld van Da'esh/ISIS onder meer in het salafisme en meer bepaald het fundamentalistische wahabisme kan worden gevonden;

1.  is geschokt en getroffen door het brutale optreden van Da'esh/ISIS-extremisten tegenover de Assyriërs in Syrië en de kopten in Libië, en veroordeelt dit optreden in de sterkst mogelijke bewoordingen; geeft uiting aan zijn solidariteit met de gezinnen van de slachtoffers en met de Assyrisch-christelijke gemeenschap in Syrië en de koptisch-christelijke gemeenschap in Egypte, en met alle andere groepen en individuen die het slachtoffer zijn van het geweld van Da'esh/ISIS;

2.  spreekt zijn krachtige afkeuring uit over Da'esh/ISIS en diens monsterachtige mensenrechtenschendingen, die volgens het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof (ICC) kunnen worden gelijkgesteld met misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden en als genocide kunnen worden bestempeld; maakt zich buitengewoon grote zorgen over het feit dat deze terroristische beweging het in het kader van haar pogingen om alle religieuze minderheden in de gebieden die zij in handen heeft, uit te roeien, uitdrukkelijk gemunt heeft op christenen, jezidi’s, Turkmenen, sjiieten, shabak, sabeeërs, kaka'i en soennieten, die het oneens zijn met haar interpretatie van de islam; benadrukt dat de plegers van deze misdrijven niet vrijuit mogen gaan en dat de verantwoordelijken voor het ICC moeten worden gebracht; herinnert in dit verband aan de onopgehelderde ontvoering van de bisschoppen Yohanna Ibrahim en Paul Yazigi door gewapende rebellen op 22 april 2013 in het Syrische gouvernement Aleppo;

3.  veroordeelt bovendien de pogingen van Da'esh/ISIS om hun extremistische en totalitaire ideologie en geweld te exporteren naar andere landen in de regio en daarbuiten;

4.  steunt het internationale optreden tegen Da'esh/ISIS, onder meer de militaire operaties van de internationale coalitie onder leiding van de Verenigde Staten, en spoort de EU-lidstaten die dit nog niet gedaan hebben ertoe aan na te denken over manieren om tot dit optreden bij te dragen, bijvoorbeeld door geheime fondsen van Da'esh/ISIS in het buitenland op te sporen en aan een gerechtelijk verbod te onderwerpen;

5.  roept de internationale coalitie ertoe op meer inspanningen te leveren om de ontvoering van leden van minderheden, zoals de ontvoering van honderden Assyrische christenen in Noord-Syrië, te verhinderen; beklemtoont dat er een veilig gebied moet worden gecreëerd voor de Assyriërs, Aramezen en Chaldeeërs en alle andere groepen die gevaar lopen in de vlakte van Nineveh, een Iraakse streek waar veel etnische en religieuze minderheden historisch sterk aanwezig zijn geweest en vreedzaam naast elkaar leefden;

6.  vraagt de EU en haar lidstaten met klem proactief en preventief op te treden met betrekking tot de dreigende uitbreiding van Da'esh/ISIS naar regio’s buiten Irak en Syrië en naar andere landen; is in dit verband uiterst ongerust over de situatie in Libië, met name wegens de geografische nabijheid van dit land met de EU en met conflictgebieden in Afrika;

7.  dringt er bij de EU en haar lidstaten en bij haar partners van de NAVO op aan de kwestie van de ambivalente rol van bepaalde landen in het conflict te behandelen, in het bijzonder indien deze landen hebben bijgedragen of nog altijd bijdragen, hetzij actief, hetzij passief, tot de opkomst van Da'esh/ISIS en andere extremistische bewegingen; toont zich in deze context uiterst ongerust over het feit dat de verspreiding van de wahabitische interpretatie van de islam wordt gefinancierd door staats- en privé-instanties uit de Golfstaten en vraagt de landen in kwestie deze financiering stop te zetten; vraagt deze landen bovendien om een eind te maken aan de vanuit hun grondgebied afkomstige financiering van terroristische organisaties; vraagt Turkije een positieve rol te spelen in de strijd tegen Da'esh/ISIS en er onverwijld mee in te stemmen dat christenen en andere vervolgden die Syrië ontvluchten, de grens met Turkije oversteken om zich in veiligheid te brengen;

8.  is voorstander van de samenwerking met nieuwe regionale en plaatselijke actoren zoals de Koerdische regionale regering van Irak, Koerdische groeperingen zoals de Volksbeschermingseenheden, die hebben bijgedragen tot de bevrijding van Kobani, de Aramese Militaire Raad en plaatselijke autonome entiteiten in de streek die hebben bewezen meer waarde te hechten aan de mensenrechten en de democratie dan de bestuurders van hun land; prijst in het bijzonder de moed van de Koerdische Peshmerga-strijdkrachten, die heel veel hebben gedaan voor de bescherming van bedreigde minderheden;

9.  uit zijn bezorgdheid over de meldingen betreffende christelijke minderheden die geen toegang krijgen tot vluchtelingenkampen in de streek omdat het daar voor hen te gevaarlijk zou zijn; vraagt de EU erop toe te zien dat haar ontwikkelingshulp op alle als gevolg van het conflict ontheemde minderheden gericht is; spoort de EU ertoe aan om bij de verstrekking van financiële en andere steun gebruik te maken van de ervaring en de ingeburgerde netwerken van plaatselijke en regionale kerken en internationale kerkelijke hulporganisaties, om ervoor te zorgen dat de Europese bescherming en steunverlening alle minderheden bereikt;

10.  acht het noodzakelijk dat de Raad en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) samen met internationale en regionale partners beginnen te werken aan een post-Da'esh/ISIS-scenario, waarbij culturele en religieuze dialoog en verzoening als dringende prioriteiten moeten worden beschouwd;

11.  hekelt de vernietiging van culturele plaatsen en kunstvoorwerpen door Da'esh/ISIS in Syrië en Irak en beschouwt deze vernietiging als een aanval tegen het culturele erfgoed van alle inwoners van deze landen en van de mensheid als geheel;

12.  dringt bij de EU en haar lidstaten aan op samenwerking met internationale en plaatselijke partners met als doel zo veel mogelijk Assyrisch en ander cultureel en religieus erfgoed uit de door Da'esh/ISIS bezette gebieden in veiligheid te brengen; dringt er bovendien op aan dat de Raad maatregelen neemt tegen de illegale handel in oude kunstvoorwerpen uit deze gebieden;

13.  bevestigt en ondersteunt het onvervreemdbare recht van alle religieuze en etnische minderheden in Irak en Syrië om in waardigheid, gelijkheid en veiligheid in hun historische en traditionele vaderland te blijven wonen, en hun godsdienst vrijelijk te beoefenen; roept alle leden van de VN er in dit verband toe op zich duidelijk uit te spreken tegen het geweld en vooral voor de rechten van minderheden; is van mening dat de regionale politieke en religieuze leiders, om een eind te maken aan het lijden en de massale uittocht van christenen en andere inheemse volken in de regio, een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring moeten afleggen waarin zij de voortgezette aanwezigheid van deze bevolkingsgroepen ondersteunen en hun volledige en gelijke rechten als staatsburgers bevestigen;

14.  verwerpt zonder voorbehoud de melding door de leiders van Da'esh/ISIS van de oprichting van een kalifaat in de gebieden die het momenteel in handen heeft, en beschouwt dit kalifaat als onwettelijk; benadrukt dat de oprichting en uitbreiding van het ‘islamitisch kalifaat’ en de activiteiten van andere extremistische groepen in het Midden-Oosten een rechtstreekse bedreiging vormen voor de veiligheid in de streek en in de Europese landen;

15.  stelt dat de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst een essentieel mensenrecht is dat wordt gegarandeerd door internationale rechtsinstrumenten die door de meeste landen in de wereld zijn onderschreven en waarvan de geldigheid als universeel wordt beschouwd, en bevestigt nogmaals deze vrijheid hoog in het vaandel te dragen;

16.  steunt alle initiatieven, ook binnen de EU, om de dialoog en het wederzijdse respect tussen gemeenschappen te bevorderen; verzoekt alle religieuze autoriteiten verdraagzaamheid te bevorderen en initiatieven te nemen tegen haat en gewelddadige en extremistische radicalisering;

17.  vraagt de EU met klem om in het kader van de mensenrechten na te denken over nieuwe terrorismebestrijdingsmaatregelen, als aanvulling op de maatregelen die al genomen zijn, en samen met de lidstaten te blijven werken aan de verbetering van het beleid ter bestrijding van radicalisering binnen de EU, stemmingmakerij en het aanzetten tot geweld via het internet; vraagt de EU-lidstaten bovendien met klem om samen te werken met de VN-Veiligheidsraad en de Algemene Vergadering van de VN met als doel de verspreiding van extremistische en jihadistische ideeën in de wereld een halt toe te roepen;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Nationale Coalitie van Syrië, de regering en het parlement van Irak, de Koerdische regionale regering van Irak, de president van de Arabische Republiek Egypte, het Huis van afgevaardigden in Tobruk, Libië, en de Libische regering, de Liga van Arabische Staten, de secretaris-generaal van de VN en de VN-Mensenrechtenraad.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0422.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0027.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0040.


Zuid-Sudan, onder meer de recente ontvoeringen van kinderen
PDF 150kWORD 199k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2015 over Zuid-Sudan, onder meer de recente ontvoeringen van kinderen (2015/2603(RSP))
P8_TA(2015)0072RC-B8-0241/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Zuid-Sudan, en met name die van 16 januari 2014(1) en 13 november 2014(2) over de situatie in Zuid-Sudan,

–  gezien het staakt-het-vuren en de overeenkomst over de machtsdeling die op 2 februari 2015 onder auspiciën van de Intergovernmental Authority on Development (IGAD) is ondertekend door president Salva Kiir en vice-president Riek Machar,

–  gezien de verklaring van 3 februari 2015 van VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon over de vredesonderhandelingen in Zuid-Sudan,

–  gezien het communiqué van 10 februari 2015 van de IGAD-UN Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA) high level meeting over de humanitaire crisis in Zuid-Sudan,

–  gezien de verklaring van 25 februari 2015 van de speciale vertegenwoordigers van de VN-secretaris-generaal voor kinderen en gewapende conflicten,

–  gezien het gezamenlijke communiqué van de Republiek Zuid-Sudan en de VN over de voorkoming van conflictgerelateerd seksueel geweld,

–  gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad nrs. 2155 (2014) en 2206 (2015) die de grondslag vormen voor gerichte sancties tegen degenen die de vrede in Zuid-Sudan dwarsbomen,

–  gezien de verklaring van 6 maart 2015 van de woordvoerder van de vice-voorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid Federica Mogherini over het uitblijven van een vredesovereenkomst tussen de partijen in het Zuid-Sudanese conflict,

–  gezien de hernieuwing van het Zuid-Sudanese actieplan om een einde te maken aan het aanwerven en inzetten van kinderen in de gewapende troepen van het regeringsleger en overige ernstige overtredingen tegen kinderen,

–  gezien het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

–  gezien het Verdrag van de Afrikaanse Unie betreffende bepaalde specifieke aspecten van de vluchtelingenproblematiek in Afrika,

–  gezien het Verdrag van de VN inzake de rechten van het kind,

–  gezien het Afrikaanse Handvest inzake de rechten en het welzijn van het kind,

–  gezien het VN-Verdrag tegen foltering,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake kinderen en gewapende conflicten van 2010,

–  gezien Verdrag nr. 182 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) inzake de ergste vormen van kinderarbeid dat in 1999 is aangenomen, en waarin de gedwongen en verplichte aanwerving van kinderen om te worden ingezet in gewapende conflicten als een van de ergste vormen van kinderarbeid wordt beschouwd,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien het alomvattend vredesakkoord (CPA) voor Sudan van 2005,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat op 15 en 16 februari 2015 naar schatting 89 kinderen, en mogelijkerwijs honderden meer, zijn ontvoerd in het dorp Wau Shilluk in de provincie Boven-Nijl door een militiegroepering die onder leiding zou staan van Johnson Oloni, een bevelhebber die is aangesloten bij het Sudanese Volksbevrijdingsleger (SPLA); overwegende dat gewapende soldaten het dorp volgens getuigen hebben afgegrendeld en ieder huis hebben doorzocht, en dat de meeste jongens van 12 jaar oud met geweld zijn meegenomen;

B.  overwegende dat er in december 2013 politieke onenigheid is ontstaan in de regeringspartij van Zuid-Sudan, de Sudanese Volksbevrijdingsbeweging (SPLM), en dat dit geëscaleerd is tot een gewapend conflict in Juba tussen troepen die loyaal zijn gebleven aan president Kiir en troepen die loyaal zijn gebleven aan de voormalige vice-president Riek Machar;

C.  overwegende dat ten gevolge van het binnenlandse gewapende conflict dat in december 2013 uitbrak naar schatting 1,4 miljoen mensen binnenlands ontheemd zijn geraakt, 500 000 mensen zijn gevlucht naar buurlanden en circa 12 000 kinderen zijn aangeworven om te dienen in gewapende legeronderdelen en groeperingen; overwegende dat duizenden kinderen naar verluidt zijn vermoord, verkracht, ontheemd en tot wees gemaakt;

D.  overwegende dat naar schatting 4 miljoen mensen een hoog risico op voedselonzekerheid en voedseltekort lopen, terwijl de VN herhaaldelijk waarschuwt voor een verergering van de humanitaire crisis en de hongersnood als de gevechten aanhouden; overwegende dat deze situatie in combinatie met een gebrek aan medische zorg en voorzieningen alleen maar lijkt te kunnen verslechteren;

E.  overwegende dat de VN-missie in Zuid-Sudan (UNMISS) nu zelf voor veilige opvang zorgt van de meer dan 100 000 binnenlandse ontheemden die op de vlucht zijn voor geweld, en nu zelf onder vuur is komen te liggen;

F.  overwegende dat volgens schattingen van de VN meer dan de helft van de bevolking in vluchtelingenkampen kinderen zijn, en dat zij dus zijn blootgesteld aan aanzienlijke bedreigingen van hun fysieke veiligheid, ontwikkeling en welzijn; overwegende dat Zuid-Sudan een van de hoogste kindersterftepercentages heeft en een van de laagste onderwijsindicatoren ter wereld; overwegende dat 400 000 kinderen niet meer naar school gaan ten gevolge van het huidige conflict;

G.  overwegende dat de conflictpartijen burgers hebben aangevallen op grond van hun etniciteit, vermeende politieke kleur, seksuele gewelddaden hebben gepleegd en op grote schaal eigendommen hebben vernield en geplunderd;

H.  overwegende dat de verschillende partijen die bij het conflict in Zuid-Sudan zijn betrokken, op 7 januari 2014 in Addis Abeba onderhandelingen zijn gestart onder de auspiciën van de Intergovernmental Authority on Development (IGAD); overwegende dat er, ondanks eerdere overeenkomsten om de vijandelijkheden te staken, waarvan de overeenkomst die op 2 februari 2015 is ondertekend in Addis Abeba de meest recente was en de niet-aflatende pogingen van de IGAD om te onderhandelen over een politieke oplossing van het conflict, nog steeds wordt gevochten, waarbij volledig voorbijgegaan wordt aan de internationale mensenrechten en het humanitair recht en niemand verantwoordelijk wordt gesteld voor de schendingen ervan;

I.  overwegende dat de regeringen en de rebellen de afgesproken deadline van de IGAD van 5 maart 2015 om een overeenkomst over een machtsdeling te sluiten, niet hebben gehaald en overwegende dat de vredesonderhandelingen oneindig zijn verlengd; overwegende dat de hoofdonderhandelaar van de IGAD heeft laten weten dat de VN en de AU nu een directe rol kunnen spelen in de onderhandelingen;

J.  overwegende dat er in maart 2014 een Onderzoekscommissie was ingesteld door de AU, maar dat haar eindrapport nog niet is vrijgegeven hoewel zij het eindrapport al in oktober 2014 heeft ingediend bij de Commissie van de AU;

K.  overwegende dat het besluit om de publicatie ervan uit te stellen geleid heeft tot grote teleurstelling en algemeen wordt gezien als een terugslag voor het nakomen van de verantwoordingsplicht en het beëindigen van de straffeloosheid, waarbij met name Ivan Simonovic, assistent-secretaris-generaal van de VN, Navi Pillay, voormalig VN-Hoge Commissaris voor de mensenrechten, en prominente leden van organisaties in het maatschappelijk middenveld van Sudan uiting hebben gegeven aan hun teleurstelling;

L.  overwegende dat de VN-Veiligheidsraad op 3 maart 2015 unaniem een systeem heeft goedgekeurd waardoor sancties kunnen worden opgelegd aan degenen die verantwoordelijk zijn voor, of medeplichtig aan, het voortduren van het conflict of het dwarsbomen van vrede in Zuid-Sudan; overwegende dat de sancties ook gelden voor degenen die burgers belagen of ziekenhuizen, gebedsplaatsen, scholen of plaatsen waar burgers beschutting zoeken, aanvallen en degenen die kinderen aanwerven of inzetten in gewapende troepen of groeperingen;

M.  overwegende dat, hoewel zijn parlement gestemd heeft voor ratificatie, Zuid-Sudan nog niet partij is bij een internationaal of regionaal mensenrechtenverdrag, zoals het Afrikaanse Handvest voor de rechten van de mens en de volkeren, de AU-overeenkomst betreffende specifieke aspecten van vluchtelingenproblemen in Afrika, het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, het VN-Verdrag tegen foltering, het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen;

N.  overwegende dat de dienstplicht, legerdienst of inzet van kinderen jonger dan 15 jaar bij vijandelijkheden door nationale gewapende troepen of gewapende groeperingen in de statuten van het Internationaal Strafhof als een oorlogsmisdrijf wordt aangemerkt;

O.  overwegende dat een ontwerp-wet inzake non-gouvernementele organisaties in behandeling is bij het Zuid-Sudanese parlement, waardoor de vrijheid van vereniging zou worden ingeperkt, overwegende dat de wet registratie verplicht zou stellen, NGO’s zou verbieden zonder registratie te opereren, en vrijwilligersactiviteiten die zonder registratiecertificaat worden verricht, zou criminaliseren;

P.  overwegende dat scholen nog steeds gebruikt worden voor militaire doeleinden, o.a. worden bezet of gebruikt als plaats van aanwerving; overwegende dat eind februari 2015 naar verluidt nog steeds 30 scholen worden gebruikt voor militaire doeleinden;

Q.  overwegende dat de Zuid-Sudanese economie, donor- en humanitaire hulp niet meegerekend, vrijwel volledig afhankelijk is van de oliesector, waarbij de uitgevoerde olie meer dan 70% van het bbp uitmaakt en zo’n 90% van de overheidsinkomsten; overwegende dat inkomsten uit de olie-industrie gewelddadige conflicten hebben doen oplaaien;

R.  overwegende dat de humanitaire kosten van het aanhoudende geweld in Zuid-Sudan ondraaglijk hoog zijn en dat de VN schat dat er in 2015 1,81 miljard USD aan humanitaire hulp nodig zal zijn; overwegende dat de VN de situatie in Zuid-Sudan hebben aangemerkt als noodsituatie van niveau 3, het hoogste niveau van een humanitaire crisis;

S.  overwegende dat de EU en haar lidstaten in 2014 bijna 300 miljoen EUR hebben bijgedragen in de vorm van humanitaire hulp om te reageren op de humanitaire crisis en om te voorzien in de dringende behoeften van de Zuid-Sudanese vluchtelingen in de regio;

1.  is uitermate bezorgd over de verslechterde veiligheids- en humanitaire situatie in Zuid-Sudan, die de hele Oost-Afrikaanse regio kan destabiliseren; dringt er bij alle conflictpartijen op aan het geweld te staken, de mensenrechten niet langer te schenden, een overgangsregering van nationale eenheid te vormen, en humanitaire hulp volledig toe te laten; dringt er bij de conflictpartijen op aan scholen en openbare gebouwen niet langer aan te vallen en scholen niet langer te gebruiken voor militaire doeleinden, en evenmin voor de aanwerving van kindsoldaten; herinnert er in dit verband aan dat het de richtsnoeren voor de bescherming van scholen en universiteiten tegen militair gebruik tijdens gewapende conflicten onderschrijft;

2.  geeft uiting aan zijn diepe teleurstelling over het feit dat er na meer dan een jaar van onderhandelingen onder auspiciën van de IGAD geen substantiële vooruitgang is geboekt; dringt er bij alle conflictpartijen op aan een overeenkomst over een machtsdeling te sluiten en steunt het lopende onderhandelingsproces ten volle, waarin wordt aangedrongen op een onvoorwaardelijk, volledig en onmiddellijk staakt-het-vuren en beëindiging van alle vijandelijkheden en de onmiddellijke beëindiging van de aanwerving en de mobilisering van burgers; dringt erop aan pogingen te ondernemen om duurzame vrede en stabiliteit tot stand te brengen; dringt er aan regerings- en aan rebellenzijde op aan te goeder trouw onvoorwaardelijke, inclusieve politieke besprekingen te voeren teneinde de onderhandelingen tot een goed einde te brengen; dringt erop aan dat de Afrikaanse Unie en de IGAD zich blijven inspannen ter bevordering van een inclusieve dialoog en bemiddeling;

3.  dringt aan op onmiddellijke vrijlating en veilige terugkeer van alle kinderen die sinds het begin van het conflict in december 2013 zijn aangeworven door gewapende troepen; herinnert alle conflictpartijen er met nadruk aan dat de aanwerving en inzet van kinderen in gewapende troepen en groeperingen een ernstige schending is van het internationaal recht;

4.  dringt er bij de SPLA en de oppositietroepen op aan op zorgvuldige en transparante wijze na te gaan of er zich geen kinderen in hun rangen bevinden en onmiddellijk een actieplan op te stellen en ten uitvoer te leggen in samenwerking met de VN om een einde te maken aan de ernstige schendingen van de rechten van het kind;

5.  herinnert aan de toezegging die in 2009 is gedaan, en in 2012 is hernieuwd, door de Zuid-Sudanese regering om een einde te maken aan de aanwerving en inzet van kinderen in het conflict, alle kinderen die verbonden zijn aan de regeringstroepen vrij te laten, hereniging en reïntegratie van hun gezinnen te faciliteren, en onderzoek in te stellen naar ernstige schendingen van de rechten van het kind; betreurt het dat deze toezegging niet volledig is nagekomen; dringt er bij de conflictpartijen op aan de richtsnoeren in het actieplan volledig uit te voeren;

6.  dringt er bij de Commissie op aan te helpen bij het mobiliseren van middelen om een bijdrage te leveren aan langdurige reïntegratie van kinderen die zijn aangeworven door gewapende troepen en die te lijden hebben gehad van het conflict, in samenwerking met het Bureau van de speciale vertegenwoordiger van de VN voor kinderen in gewapende conflicten, UNICEF en overige agentschappen;

7.  dringt erop aan dat de kloof tussen humanitairecrisisinterventie en langetermijnontwikkelingssamenwerking wordt gedicht; is met name van mening dat langetermijnontwikkelingsprogramma’s voor kinderen die te lijden hebben gehad van gewapende conflicten (CAAC’s) o.a. gericht moeten zijn op kinderbeschermingssystemen, onderwijs- en werkgelegenheidsregelingen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de humanitaire hulp op te schalen en ervoor te zorgen dat de lokale boeren en producenten toegang hebben tot de middelen;

8.  dringt er bij de vredes- en veiligheidsraad van de AU op aan het eindrapport van de AU-Onderzoekscommissie naar schendingen van de mensenrechten in Zuid-Sudan (AUCISS), alsmede de follow-up van de bevindingen onverwijld te publiceren;

9.  benadrukt het feit dat publicatie van het rapport een cruciale stap is naar vrede en verzoening; erkent dat alle Zuid-Sudanezen recht hebben op waarheid en rechtvaardigheid en dat honderden slachtoffers en getuigen van wreedheden zich enorme persoonlijke moeite getroosten om mee te werken met de AUCISS waarbij zij vaak aanzienlijke persoonlijke risico’s nemen om te vertellen over hun pijnlijke ervaringen om bij te dragen tot een volledig beeld van het conflict;

10.  verzoekt de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden om actief mee te werken aan de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de onderzoekscommissie, inclusief de mogelijke instelling van een hybride strafhof om de wreedheden te berechten, zoals voorgesteld door de VN-secretaris-generaal;

11.  is verheugd over de goedkeuring van resolutie nr. 2206 van de VN-Veiligheidsraad, die gerichte sancties oplegt aan degenen die het conflict hebben bevorderd en dringt aan op onmiddellijke tenuitvoerlegging ervan; benadrukt dat er op regionaal en internationaal niveau een allesomvattend wapenembargo moet worden ingesteld om de wapentoevoer aan personen en groeperingen stil te leggen die ernstige schendingen van de mensenrechten hebben begaan, oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid, en dat burgers die ernstige risico’s lopen moeten worden beschermd;

12.  dringt er bij de regering van Zuid-Sudan op aan onverwijld een diepgaand, onpartijdig en onafhankelijk onderzoek in te stellen naar schendingen van de mensenrechten om de personen die verdacht worden van misdrijven volgens het internationaal recht en van ernstige schendingen van de mensenrechten, inclusief de ontvoering en aanwerving van kinderen door gewapende troepen en seksueel geweld tegen vrouwen en kinderen, te vervolgen en verantwoording af te laten leggen;

13.  herinnert aan het IGAD-Protocol van 25 augustus 2014 waarin uitdrukkelijk wordt bepaald dat personen die door de AUCISS verantwoordelijk zijn gesteld voor ernstige misdrijven zijn uitgesloten van deelname aan een overgangsregering;

14.  dringt er bij de regering van Zuid-Sudan op aan de wetgevingsamendementen die de aanwerving en inzet van kinderen criminaliseren dringend aan te nemen en deze wetgeving te gebruiken om overtreders te vervolgen en werk te maken van de tenuitvoerlegging van internationale verdragen, met inbegrip van het Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van het kind van 2002 en toe te treden tot het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof;

15.  dringt er bij de regering van Zuid-Sudan op aan om wetgeving te verwerpen die de terreinen waarop NGO’s en verenigingen hun werkzaamheden kunnen uitvoeren zou beperken, die de ontwikkeling van maatschappelijke en humanitaire ondersteuning ernstig zou belemmeren;

16.  dringt er bij de regering van Zuid-Sudan op aan haar verantwoordelijkheid te nemen en voor haar bevolking te zorgen en internationale donors aan te moedigen meer steun te geven aan de hulpverlening, en dringt er bij de internationale gemeenschap, gezien de omvang en de urgentie van de nood, op aan een nieuwe donorconferentie te beleggen voor Zuid-Sudan wanneer aan alle voorwaarden voor vrede is voldaan en er een systeem is ingevoerd voor een behoorlijke distributie van de middelen;

17.  dringt aan op verantwoord beheer van de natuurlijke hulpbronnen van Zuid-Sudan om ervoor te zorgen dat de olie-inkomsten het conflict niet aanjagen; dringt er bij de onderhandelende partijen op aan in de vredesonderhandelingen en in elke definitieve overeenkomst aandacht te besteden aan transparantie en publieke controle in de oliesector, zodat de inkomsten uit deze sector kunnen worden ingezet voor de duurzame ontwikkeling van het land en voor het verhogen van de levensstandaard van de bevolking;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering van Zuid-Sudan, de mensenrechtencommissaris voor Zuid-Sudan, de Nationale Wetgevende Vergadering van Zuid-Sudan, de instellingen van de Afrikaanse Unie, de Intergouvernementele Ontwikkelingsautoriteit, de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en de secretaris-generaal van de VN.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0042.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0053.


Tanzanië, met name het probleem van landroof
PDF 143kWORD 196k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2015 over Tanzania, met name het probleem van landroof (2015/2604(RSP))
P8_TA(2015)0073RC-B8-0242/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het Land Transparency Initiative van de G8 van 2013,

–  gezien de "Framework and Guidelines on Land Policy in Africa" (ALPFG) van de Afrikaanse Unie, het beleidskader van de Afrikaanse Unie betreffende nomadische veeteelt in Afrika: ter veiligstelling, bescherming en verbetering van het leven, de bestaansmiddelen en rechten van nomadische gemeenschappen, aangenomen door de Conferentie van Afrikaanse ministers van Landbouw in oktober 2010 en goedgekeurd door de 18e gewone vergadering van de Uitvoerende Raad in januari 2011 te Addis Ababa (Doc. EX.CL/631 XVIII) en gezien de verklaring van de Afrikaanse Unie over kwesties en uitdagingen in verband met grond in Afrika van 2009,

–  gezien de verklaring van de wereldtop over voedselveiligheid, goedgekeurd in Rome in 2010, de beginselen voor verantwoorde landbouwinvesteringen die de mensenrechten, inkomstenbronnen en hulpmiddelen beschermen (PRAI), de vrijwillige richtsnoeren van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) voor een verantwoord beheer van grondbezit, visgronden en bossen in het kader van de nationale voedselzekerheid (VGGT),

–  gezien de leidende beginselen over grootschalige op grond gebaseerde investeringen in Afrika (LSLBI) van de Afrikaanse Unie, de Afrikaanse Ontwikkelingsbank en de Economische Commissie voor Afrika,

–  gezien het verslag van speciaal rapporteur van de VN Olivier De Schutter over het recht op voedsel "Large-scale land acquisitions and leases: a set of core principles and measures to address the human rights challenge" van 11 juni 2009,

–  gezien de Millenniumverklaring van 8 september 2000 en de daarin vervatte millenniumontwikkelingsdoelstellingen (MOD's), doelstellingen 1, 3 en 7 in het bijzonder,

–  gezien het verslag van de VN van 2014 over de millenniumontwikkelingsdoelstellingen,

–  gezien het verslag over de VN-conferentie inzake duurzame ontwikkeling die van 20 tot en met 22 juni 2012 plaatsvond in Rio de Janeiro (Brazilië),

–  gezien het onderzoek in het kader van het Programma van de Verenigde Naties voor menselijke nederzettingen (UN-Habitat) "Secure Land Rights for All" van 2008 en het richtsnoer van UN-Habitat over "How to Develop a Pro-Poor Land Policy: Process, Guide and Lessons’,

–  gezien de verklaring van de Verenigde Naties over de rechten van inheemse volken (UNDRIP) en overeenkomst nr. 169 van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) van 1989 over inheemse en in stamverband levende volken,

–  gezien de Village Land Act nr. 5 van 1999 en de Local Government Act van 1982 van de Verenigde Republiek Tanzania,

–  gezien de richtsnoeren voor het EU-grondbeleid van 2004 ter sturing van de ontwikkeling van het grondbeleid en de programmering in ontwikkelingslanden,

–  gezien de aankondiging van de Commissie van 9 april 2014 over de invoering van een nieuw programma voor een bedrag van 33 000 000 EUR, bedoeld ter verbetering van het landbeheer en de voedsel- en voedingsveiligheid voor familiebedrijven in de landbouw en kwetsbare gemeenschap in Afrika ten zuiden van de Sahara,

–  gezien de leidende richtsnoeren van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten van 2011,

–  gezien de resolutie van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU over de sociale en milieugevolgen van nomadische veeteelt in ACS-landen, goedgekeurd in november 2013 (ACP-EU/101.526/13/fin),

–  gezien de studie uit 2015 getiteld "Addressing the Human Rights Impact of Land Grabbing", uitgevoerd in opdracht van zijn Subcommissie mensenrechten,

–  gezien de herziene Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de belangrijkste uitdagingen van de 21e eeuw, te weten voedselzekerheid, energieschaarste, watertekorten, de stedelijke groei en de bevolkingsaanwas, verslechtering van het milieu, klimaatverandering, natuurrampen en landen met een zwak staatsbestel, verband houden met landbeheerkwesties, hetgeen betekent dat vergaande landhervormingen en het garanderen van landrechten prioriteit moeten krijgen;

B.  overwegende dat de Tanzaniaanse autoriteiten hebben aangekondigd van plan te zijn 1500 vierkante kilometer aan land van de Masai in de westelijke Serengeti te verkopen aan een particuliere onderneming die jachtreizen en safari's aanbiedt, en die gevestigd is in de Verenigde Arabische Emiraten; overwegende dat overeenkomstig dit plan 40 000 Masai-nomaden uit het gebied verwijderd zullen worden;

C.  overwegende dat de president van Tanzania, Jakaya Kikwete, in november 2014 onder internationale druk beweerde dat hij het plan had laten varen en plechtig beloofde dat hij de Masai nooit van hun voorouderlijk land zou verjagen; overwegende dat ondanks deze belofte duizenden Masai op onwettige wijze zijn verwijderd van hun land; overwegende dat volgens recente berichten meer dan 200 huizen zijn vernield en vee in beslag is genomen door de Tanzaniaanse autoriteiten, en dat ruim 3000 mensen dakloos zijn geraakt;

D.  overwegende dat de Masai in Tanzania een lange en zwaarbevochten geschiedenis kennen van toenemende conflicten met de Tanzaniaanse autoriteiten over landeigendom die begon in 1992, toen het buitenlandse bedrijf Ortello Business Corporation (OBC) jachtrechten werden verleend binnen de Loliondo Game Control Area, die wordt bewoond door en het rechtmatig eigendom is van Masai-nomaden;

E.  overwegende dat een petitie van de Masaigemeenschap van het Ngorongoro-district online op het AVAAZ-platform is ondertekend door meer dan 2 miljoen mensen wereldwijd;

F.  overwegende dat particuliere investeerders en regeringen steeds meer belangstelling tonen voor de grootschalige aankoop van land of langdurige pacht voor voedsel- of energieproductie of voor de winning van mineralen, vooral in Afrikaanse ontwikkelingslanden, en met name in Tanzania;

G.  overwegende dat de belangstelling uit binnen- en buitenland voor de aanleg in Tanzania van grootschalige plantages voor biobrandstof sterk is toegenomen tussen 2005 en 2008, toen ongeveer 640 000 hectare land werd toegewezen aan investeerders, waardoor boeren en plattelandsbewoners van hun land en inkomstenbronnen werden beroofd en hun voedselonzekerheid toenam;

H.  overwegende dat naar schatting 1,4 miljard hectare wereldwijd is onderworpen aan gewoonterechtelijke regels; overwegende dat de toegang tot land voor inheemse volkeren valt onder een specifieke vorm van bescherming uit hoofde van Conventie nr. 169 van de ILO en de VN-verklaring over de rechten van inheemse volkeren, terwijl artikel 10 van deze verklaring het recht waarborgt om niet gedwongen verwijderd te worden van eigen grond of gebieden, en dat geen verplaatsing mag plaatsvinden zonder de vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming van de inheemse volkeren, en na overeenstemming over een rechtvaardige en eerlijke compensatie, alsmede over eventuele terugkeer, indien mogelijk;

I.  overwegende dat grootschalige onteigening van land volgens de Verklaring van Tirana van 2011 kan worden omschreven als "landroof" indien een of meer van de volgende elementen aanwezig zijn: een duidelijke schending van de mensenrechten, verplaatsing van lokale gemeenschappen zonder hun vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming, ontbreken van transparante contracten, en als negatief beoordeelde sociale, economische en milieugevolgen;

J.  overwegende dat volgens de Afrikaanse Ontwikkelingsbank 75 % van de bevolking van Tanzania bestaat uit kleinschalige landbouwers; overwegende dat nomadische gemeenschappen een welvarend leven leiden en harmonieus samenleven met het beschermde wild en ongeveer 10 % van de Tanzaniaanse bevolking uitmaken, met inbegrip van de Masai, maar dat zij hun land op grote schaal verliezen omdat het wordt verkocht zonder rekening te houden met juridische en praktische gevolgen, het land op corrupte en onwettige wijze wordt verkocht aan buitenlanders, of omdat het land door de autoriteiten wordt geclassificeerd als overheidsgrond, reservaat of nationaal park;

K.  overwegende dat artikel 17 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens stelt dat eenieder recht heeft op eigendom, hetzij alleen, hetzij tezamen met anderen, en dat niemand willekeurig van zijn eigendom mag worden beroofd;

L.  overwegende dat internationale bedrijven, waaronder Europese, een belangrijke rol hebben gespeeld bij de grootschalige aankoop van land in Tanzania, en dat internationale financiële instellingen betrokken zijn geweest bij de financiering van grootschalige grondtransacties in het land;

M.  overwegende dat in het kader en de richtsnoeren inzake het grondbeleid in Afrika wordt opgeroepen tot eerbiediging van de mensenrechten van gemeenschappen, met inbegrip van de naleving van de traditionele landrechten en de instandhouding van op land gebaseerde hulpbronnen;

N.  overwegende dat de EU in mei 2014 een nieuw programma heeft gestart ter versterking van het landbeheer en ter verbetering van de voedsel- en voedingszekerheid van familielandbouwbedrijven en kwetsbare gemeenschappen in Afrikaanse landen;

1.  veroordeelt met kracht de onwettige verdrijving van plaatselijke plattelandsgemeenschappen, de vernietiging van hun dorpen en traditionele levenswijze en de schending van hun fundamentele mensenrechten, waaronder het recht op voldoende voedsel, het recht op water en het recht op toereikende huisvesting;

2.  veroordeelt in het bijzonder acties die geen rekening houden met de legitimiteit van op het gewoonterecht gebaseerde grondbezitregelingen, waarmee individuele personen en gemeenschappen wettelijke rechten worden toegekend en wordt voorkomen dat landrechten worden ontnomen en misbruikt, wat met name schering en inslag is in Afrikaanse gemeenschappen;

3.  roept de Tanzaniaanse regering op om de VGGT onmiddellijk ten uitvoer te leggen en te zorgen voor de daadwerkelijke rechtsgeldigheid van de daarin omschreven rechten; het eerste grondbeginsel van de leidende beginselen over LSLBI te eerbiedigen, wat de eerbiediging omvat van de mensenrechten van gemeenschappen en op het gewoonterecht gebaseerde landrechten, alsmede een verantwoord beheer van land en op land gebaseerde hulpbronnen, in overeenstemming met de rechtsstaat; en de landrechten van vrouwen te versterken, die tenminste de helft van de beroepsbevolking in de landbouw en de handel vormen, maar die slechts beperkt toegang hebben tot eigendomsrechten en de dienstverlening in verband met die rechten (toegang tot banken, deelname aan verenigingen), alsmede van kwetsbare gemeenschappen en sociale groepen, zoals nomadische gemeenschappen;

4.  roept op tot het starten van een onafhankelijk onderzoek naar de landgeschillen in Loliondo;

5.  dringt er bij de regering van Tanzania op aan een landbouwinvesteringsbeleid na te streven dat ten goede komt aan de lokale bevolking in de betreffende regio's, haar beleid op het gebied van sociale en milieueffectbeoordelingen uit te voeren en na te leven, met inbegrip van effectbeoordelingen voor de lokale voedselproductie alvorens investeringsprojecten te starten, en de bepalingen inzake raadpleging en compensatie in het geval van landonteigening volledig uit te voeren;

6.  herinnert er met name aan dat het internationaal recht inheemse volken specifieke vormen van bescherming van hun rechten op grond biedt; benadrukt, overeenkomstig de VN-verklaring over de rechten van inheemse volkeren, dat een verandering van het landgebruik alleen mag plaatsvinden na vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming van de betrokken lokale gemeenschappen; dringt erop aan dat landen doeltreffende mechanismen invoeren om acties te voorkomen of ongedaan te maken die tot doel of gevolg hebben dat inheemse volkeren hun land, grondgebied of hulpbronnen worden ontnomen;

7.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de geheimhouding en het gebrek aan juiste informatie inzake een aantal investeringen in Tanzania; vraagt de Commissie de autoriteiten aan te moedigen ervoor te zorgen dat grondtransacties op openbare en transparante wijze plaatsvinden en zijn toegesneden op zich verplaatsende veehouders of nomaden;

8.  verzoekt de Commissie met name om er actief en met klem bij de Tanzaniaanse autoriteiten op aan te dringen dat zij een juridisch bindende en gecodificeerde erkenning van de rechten van de Masai opstellen, waarbij in het bijzonder wordt verwezen naar hun voorouderlijke grond, om zo de nodige juridische bescherming te waarborgen ter voorkoming van geschillen in de toekomst;

9.  benadrukt dat het garanderen van landrechten voor de plattelandsbevolking van essentieel belang is voor de verwezenlijking van de milleniumontwikkelingsdoelstellingen (MOD's); verzoekt de EU de capaciteitsopbouw van rechtbanken in ontwikkelingslanden te versterken om het eigendomsrecht op effectieve wijze te handhaven en landgeschillen te beslechten, als onderdeel van een holistische benadering gericht op consolidering van rechtsstelsels en de rechtsstaat;

10.  herinnert eraan dat grootschalige projecten vaak leiden tot ernstige schade aan de natuurlijke omgeving, onder meer door het kappen van bossen, het verlies van biodiversiteit en de vervuiling van water;

11.  verzoekt de Commissie haar richtsnoeren voor het grondbeleid in overeenstemming te brengen met de VGGT en hieraan een hogere prioriteit te verlenen door middel van haar programma's voor ontwikkelingssamenwerking, het handels- en investeringsbeleid en haar betrokkenheid bij multilaterale financieringsinstellingen;

12.  wijst er nogmaals op dat de mensenrechten en de regels inzake een verbod op landroof deel moeten uitmaken van alle handels- en investeringsverdragen van de EU, met inbegrip van het stelsel van algemene preferenties van de EU (GSP);

13.  benadrukt het belang van volledige transparantie van en verantwoording voor de activiteiten van bedrijven en financiële instellingen uit de EU in verband met grootschalige agribusiness-investeringen en landaankopen in Tanzania en roept op tot krachtige en doeltreffende mechanismen van de EU om deze activiteiten te controleren;

14.  roept de Commissie op bij het Parlement een verslag in te dienen over de uitgaven in het kader van de ontwikkelingsprogramma's en de EU-begroting die verband houden met landbeheer, om te waarborgen dat deze programma's bijdragen aan de mensenrechten en de problemen inzake landroof aanpakken;

15.  benadrukt dat bij processen in het kader van grondbeleid rekening moet worden gehouden met de rol die lokale en op gemeenschappen gebaseerde instellingen en structuren voor landbestuur en -beheer spelen naast de overheid;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Afrikaanse Unie en de regering en het parlement van Tanzania.


Moord op de Russische oppositieleider Boris Nemtsov en de toestand van de democratie in Rusland
PDF 144kWORD 199k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2015 over de moord op de Russische oppositieleider Boris Nemtsov en de toestand van de democratie in Rusland (2015/2592(RSP))
P8_TA(2015)0074RC-B8-0239/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn voorgaande verslagen en resoluties over Rusland, met name zijn resoluties van 23 oktober 2012 over de instelling van gemeenschappelijke visumbeperkingen voor Russische functionarissen die betrokken zijn bij de zaak-Magnitski(1), van 13 juni 2013 over de rechtsstaat in Rusland(2), van 13 maart 2014 over Rusland: veroordeling van demonstranten van het Bolotnaya-plein(3), van 23 oktober 2014 over de ontbinding van Memorial (Sacharovprijs 2009) in Rusland(4) en van 15 januari 2015 over Rusland, in het bijzonder de zaak-Alexei Navalnyj(5),

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, van 28 februari 2015 over de moord op Boris Nemtsov,

–  gezien de verklaring van de VV/HV van 4 maart 2015 over de aanhoudende detentie van Nadiia Savchenko,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de VV/HV van 3 maart 2015 over de weigering om Sandra Kalniete, lid van het Europees Parlement, toegang te verlenen tot het grondgebied van de Russische Federatie,

–  gezien de verklaring van Mensenrechtenombudsman van de Russische Federatie, de heer Vladimir Loekin, van 4 maart 2014 over demonstraties in Moskou en de stappen die zijn ondernomen door de wetshandhavingsinstanties,

–  gezien het mensenrechtenoverleg tussen de EU en Rusland van 28 november 2013,

–  gezien de bestaande partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarmee een partnerschap tot stand is gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds, en gezien de geschorste onderhandelingen over een nieuwe overeenkomst tussen de EU en Rusland,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Boris Nemtsov, voormalig vicepremier van de Russische Federatie, voormalig gouverneur van Nizhny Novgorod, een voortreffelijk hervormer van de samenleving en de economie in de periode na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, en een van de leiders van de liberale en democratische oppositie in Rusland, twee dagen voor de op 1 maart 2015 geplande betoging tegen de gevolgen van de economische crisis en het conflict in Oekraïne, die hij aan het organiseren was, is vermoord;

B.  overwegende dat Boris Nemtsov tijdens de weken voor zijn dood onderzoek aan het verrichten was naar de deelname van Rusland aan het conflict in Donbas en van plan was hierover een rapport te publiceren; overwegende dat er vijf mannen zijn gearresteerd in verband met de moord op Boris Nemtsov, maar dat het niet duidelijk is of een van de arrestanten de dodelijke schoten heeft gelost; overwegende dat de Russische autoriteiten een aantal leden van het Europees Parlement en een aantal nationale delegaties de toegang tot de Russische Federatie hebben ontzegd, waardoor zij de begrafenis van Boris Nemtsov niet konden bijwonen;

C.  overwegende dat Boris Nemtsov een krachtig pleitbezorger was van een moderne, welvarende en democratische Russische Federatie die openstaat voor de wereld;

D.  overwegende dat de Russische Federatie een volwaardig lid van de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en een ondertekenaar van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is, en zich als zodanig heeft verplicht tot eerbiediging van de democratische beginselen, de rechtsstaat en de mensenrechten;

E.  overwegende dat de mensenrechtensituatie in Rusland in de afgelopen jaren is verslechterd en dat de Russische autoriteiten een reeks wetten hebben aangenomen die meerduidige bepalingen bevatten, die gebruikt worden om de oppositie en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld verder aan banden te leggen en de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering te beperken; overwegende dat het Ministerie van Justitie nieuw toegekende bevoegdheden heeft gebruikt om 42 groepen te stigmatiseren als "buitenlandse agenten", met inbegrip van de meest deskundige en toonaangevende mensenrechtenorganisaties, en bureaucratische voorwendsels heeft gebruikt bij zijn pogingen diverse andere groepen te ontbinden; overwegende dat de Doema in januari 2015 de eerste stap heeft gezet in de richting van de goedkeuring van een nieuwe wet die activiteiten van "onwenselijke" buitenlandse organisaties zou verbieden;

F.  overwegende dat het Parlement meermaals zijn bezorgdheid heeft geuit over de stand van de democratie in Rusland en over het feit dat het land stelselmatig nalaat de rechtsstaat te handhaven en de grondrechten te eerbiedigen; overwegende dat de rechtsstaat, de normen voor een eerlijk proces en een eerlijke rechtsgang en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht niet worden geëerbiedigd in Rusland; overwegende dat bij de afgelopen presidentsverkiezingen en de verkiezingen voor de Staatsdoema de normen van de OVSE niet werden nageleefd;

G.  overwegende dat verschillende processen en gerechtelijke procedures in de afgelopen jaren, met inbegrip van de zaak-Magnitskij, de zaak-Chodorkovskij en de zaak-Politkovskaja, hebben geleid tot twijfel over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de gerechtelijke instellingen van de Russische Federatie; overwegende dat bovengenoemde geruchtmakende zaken slechts de in het buitenland bekendste voorbeelden zijn van het feit dat de Russische staat stelselmatig nalaat de rechtsstaat te handhaven en zijn burgers recht te doen;

H.  overwegende dat er steeds meer behoefte bestaat aan een eensgezind, krachtig, coherent en omvattend EU-beleid ten aanzien van Rusland, dat door alle lidstaten wordt ondersteund en waarbij hulp en bijstand worden geruggensteund door stevige en eerlijke kritiek op grond van de universele waarden die zowel de EU als Rusland hebben onderschreven;

I.  overwegende dat de EU in het kader van het Partnerschap voor modernisering herhaaldelijk bijstand en expertise heeft aangeboden aan Rusland om de rechtsstaat te versterken, de internationale verplichtingen na te komen en het economische potentieel van het land ten volle te ontwikkelen;

J.  overwegende dat de Russische oppositieleider Aleksej Navalny op 19 februari 2015 tot 15 dagen gevangenis is veroordeeld omdat hij flyers had uitgedeeld om een betoging aan te kondigen; overwegende dat hij op 30 december 2014 door een rechtbank tot 3,5 jaar voorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld en zijn broer, Oleg Navalny, tot 3,5 jaar gevangenisstraf;

K.  overwegende dat een Moskouse rechtbank op 4 maart 2015 een nieuw beroep van Nadiia Savchenko heeft verworpen dat zij had ingediend tegen haar illegale opsluiting door de Russische Federatie en waarbij zij verwees naar haar immuniteit als lid van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa (PACE); overwegende dat mevr. Savchenko op 4 maart 2015 al 82 dagen in hongerstaking was, en overwegende dat zij na een zo lange periode het risico loopt op blijvende schade aan haar gezondheid of zelfs de dood;

L.  overwegende dat er zes maanden zijn verlopen sinds de ontvoering van de Estse politieofficier Eston Kohver op Ests grondgebied door de Russische veiligheidsdiensten, in strijd met het internationaal recht; overwegende dat hij nog altijd onrechtmatig in hechtenis wordt gehouden in de Lefortovo-gevangenis te Moskou; overwegende dat hij ontoereikende juridische bijstand ontvangt, dat hem het recht op een eerlijk proces is ontzegd en dat hij gedwongen en zonder rechtvaardiging een psychiatrisch onderzoek moet ondergaan, waarvan de details geheim blijven;

M.  overwegende dat het Europees Fonds voor Democratie de kwestie van de pluraliteit van de Russische media wil aanpakken en, samen met zijn partners, wordt verzocht nieuwe media-initiatieven te ontwikkelen;

N.  overwegende dat het wrak en de zwarte dozen van het Poolse regeringsvliegtuig Tu-154, dat in april 2010 neerstortte bij Smolensk, en waarbij de Poolse president en leden uit politieke, militaire en culturele kringen om het leven kwamen, nog steeds in Russische handen is; overwegende dat de Russische autoriteiten weigeren ze over te dragen aan Polen ondanks talrijke verzoeken om dat te doen;

1.  veroordeelt krachtig de moord op Boris Nemtsov, de belangrijkste politieke moord in de recente Russische geschiedenis, waarbij hij is doodgeschoten vlakbij het Kremlin, in een zone waar bewakingscamera's hangen en waar politie en veiligheidsdiensten patrouilleren;

2.  brengt hulde aan Boris Nemtsov, een vooraanstaande oppositieleider, een stichter en leider van de politieke beweging Solidarnost en een van de belangrijkste tegenstanders van president Vladimir Poetin en de oorlog in Oekraïne, een man die zijn leven wijdde aan een democratischer, welvarender en opener Rusland en aan sterke partnerschappen tussen Rusland en zijn buurlanden en partners; betuigt zijn diepste medeleven met de familie en vrienden van Boris Nemtsov, de leden van de oppositie en het Russische volk; veroordeelt de beslissing van de Russische leiders om een aantal EU-diplomaten en nationale delegaties te beletten zijn begrafenis bij te wonen, waardoor de EU de kans werd ontzegd hulde te brengen aan moedige Russische burgers die voor universele waarden opkomen;

3.  wijst erop dat deze moord kan worden toegevoegd aan een steeds langere lijst met onopgeloste politiek gemotiveerde moorden en verdachte overlijdens in Rusland sinds 1998, die reeds de namen bevat van onderzoeksjournalist Anna Politkovskaja, Alexander Litvinenko, die naar verluidt in het Verenigd Koninkrijk werd vermoord, advocaat Stanislav Markelov, journalist Anastasiia Baburova, mensenrechtenactivist Natalia Estemirova, advocaat Sergei Magnitskii, en nu dus ook politicus Boris Nemtsov;

4.  neemt kennis van de mededeling van de Russische autoriteiten dat er vijf verdachten van Tsjetsjeense origine zijn gearresteerd;

5.  vraagt om een onafhankelijk internationaal onderzoek naar de moord; is van mening dat de instrumenten die in het kader van de OVSE, de Raad van Europa en de Verenigde Naties ter beschikking staan, voor een onpartijdig en eerlijk onderzoek zouden helpen zorgen;

6.  vraagt de Raad, de Commissie en de lidstaten om bij het uitstippelen van hun toekomstige beleid ten aanzien van Rusland rekening te houden met het feit dat het politieke klimaat dat de Russische autoriteiten hebben gecreëerd, een voedingsbodem vormt voor dit soort moorden, geweld en druk; is verontrust over het klimaat van haat gericht tegen oppositieleden, voorvechters van de mensenrechten, minderheden en buurlanden dat in de loop van de afgelopen jaren sterker geworden is door staatspropaganda en de officiële media, als onderdeel van een politieke cultuur die zich steeds meer verwijdert van democratische beginselen;

7.  vraagt de Russische autoriteiten op te houden met de schandelijke propaganda- en informatieoorlog tegen zijn buurlanden, de westerse wereld en zijn eigen bevolking, waardoor Rusland aan het veranderen is in een staat die wordt gekenmerkt door repressie, haatpropaganda en angst, waar nationalistische euforie is gestoeld op de annexatie van de Krim en de escalerende oorlog in Oekraïne, waar de rechten van de Krimtataren worden geschonden en waar het Kremlin, in strijd met het internationaal recht, haat en strijd in de hand werkt en uitlokt; veroordeelt de nieuwe propagandaoorlog tegen democratische en fundamentele waarden, die aan de Russische samenleving als buitenlands worden voorgesteld; herinnert eraan dat zowel de Europese Unie als de Russische Federatie zich er in tal van internationale verklaringen en verdragen toe hebben verbonden de universele democratische waarden en fundamentele vrijheden te beschermen; benadrukt dat de aanwezigheid van politieke oppositiekrachten belangrijk is, om te zorgen voor een constant debat en een constante uitwisseling van gedachten en ideeën in de politiek en in de wetgevingsprocessen in Rusland;

8.  verzoekt de Russische autoriteiten om alle druk op, repressief optreden tegen en intimidatie van oppositieleiders, vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke media – zowel politiek als juridisch – stop te zetten, waardoor zij vrijelijk overeenkomstig de basisbeginselen van de Russische constitutie kunnen handelen;

9.  is zeer verontrust over het feit dat Rusland in gebreke is gebleven wat betreft de naleving van zijn internationale wettelijke verplichtingen als lid van de Verenigde Naties, de Raad van Europa en de OVSE, alsook wat betreft de eerbiediging van de fundamentele mensenrechten en de rechtsstaat; is van mening dat de Russische Federatie zijn aangegane verplichtingen moet nakomen; betreurt dat uit de recente ontwikkelingen blijkt dat Rusland een richting uitgaat die tegengesteld is aan die van een functionerende democratie waar de oppositie, de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht worden geëerbiedigd;

10.  betreurt het ten zeerste dat de Russische autoriteiten er niet in slagen te reageren op kritiek op de wet op buitenlandse agenten, zowel in de Russische Federatie als op het internationaal toneel, en betreurt het dat deze wet, die discriminerend van aard is, werd aangenomen in plaats van te worden gewijzigd, waardoor de werkingsmogelijkheden van niet-commerciële organisaties nog verder worden beperkt; vraagt Rusland met klem de desbetreffende wetgeving te herzien teneinde aan zijn internationale verplichtingen op het vlak van mensenrechten en democratische vrijheden te voldoen;

11.  is ingenomen met het besluit van het Hooggerechtshof van 28 januari 2015 om de door het Ministerie van Justitie ingediende klacht met het verzoek tot ontbinding van de Russische organisatie Memorial vanwege een vermeend onwettige organisatorische structuur, af te wijzen, en verzoekt de andere ngo's van de lijst van "buitenlandse agenten" te verwijderen;

12.  vraagt de Russische autoriteiten alle erkende politieke gevangenen onmiddellijk vrij te laten;

13.  vraagt de Russische autoriteiten om Nadiia Savchenko, die op Oekraïens grondgebied is ontvoerd en in een Russische gevangenis illegaal in hechtenis wordt gehouden, onverwijld vrij te laten en haar immuniteit als lid van het Oekraïense parlement en van de PACE te eerbiedigen; benadrukt dat Rusland verantwoordelijk is voor haar uiterst zwakke gezondheid; uit zijn ernstige bezorgdheid over haar gezondheidstoestand en dringt er bij de Russische justitiële autoriteiten op aan het humanitaire recht toe te passen;

14.  veroordeelt de ontvoering van een Estse politieofficier, Eston Kohver, van Ests grondgebied naar Rusland; dringt aan op zijn onmiddellijke vrijlating en zijn veilige terugkeer naar Estland;

15.  is van mening dat Rusland een belangrijke mondiale speler blijft en dat het in het strategische belang van de EU en Rusland is om snel te zorgen voor de-escalatie en de betrekkingen te herstellen door middel van diplomatie en bemiddeling, mits dit gebeurt op basis van de eerbiediging van het internationaal recht en de OVSE-verbintenissen;

16.  spreekt zijn steun uit voor de democratische krachten in Rusland die zich inzetten voor een open samenleving en een hervormingsagenda;

17.  dringt er bij de Raad op aan een gezamenlijk beleid te formuleren ten aanzien van Rusland, zodat de 28 lidstaten en de instellingen van de EU een krachtig gemeenschappelijk standpunt over de rol van de mensenrechten in de betrekkingen met Rusland kunnen uitdragen en kunnen aandringen op het beëindigen van de beperking van de vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging in Rusland; is van mening dat een EU-strategie tot doel moet hebben Rusland ertoe te brengen de beginselen van de OVSE ten volle te eerbiedigen en de Russische leiders te motiveren om het land uit zijn zelfgekozen politiek en economisch isolement te halen;

18.  vraagt de VV/HR om, met steun van de EDEO en de Commissie, een sterker steunprogramma voor maatschappelijke organisaties in Rusland en op de bezette Krim te ontwikkelen en nieuwe mogelijkheden te onderzoeken en te ontwikkelen om met hen samen te werken teneinde de waarden van de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat te bevorderen; dringt er bij de EU op aan met betrekking tot de lopende programmeringsfase van de financiële instrumenten van de EU de financiële steun aan Russische maatschappelijke organisaties te verhogen via het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten en het fonds voor maatschappelijke organisaties en lokale overheden, en het Civil Society Forum EU-Rusland op te nemen in het partnerschapinstrument teneinde duurzame en geloofwaardige ondersteuning op lange termijn te waarborgen;

19.  spreekt nogmaals zijn zorg uit, waaraan ook in eerdere resoluties uiting is gegeven, over het onvermogen van de Russische autoriteiten samen te werken met het onafhankelijk en internationaal onderzoek naar het neerhalen van vlucht MH17; benadrukt met klem het feit dat de amnestieregeling die is overeengekomen in het kader van het akkoord van Minsk niet kan worden toegepast op de daders van deze misdaad en dat zij geen aanspraak kunnen maken op enige vorm van amnestie;

20.  dringt er bij de Russische autoriteiten op aan het wrak van het Poolse regeringstoestel Tu-154 en alle bijbehorende zwarte dozen onmiddellijk over te dragen aan Polen; benadrukt het feit dat de mate van afhankelijkheid van de Russische rechterlijke macht van de autoriteiten onpartijdig en eerlijk onderzoek ondermijnt;

21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, alsmede de president, de regering en het parlement van de Russische Federatie.

(1) PB C 68 E van 7.3.2014, blz. 13.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0284.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0253.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0039.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0006.


Jaarverslag van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement
PDF 205kWORD 240k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2015 over het jaarverslag van de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement (2014/2219(INI))
P8_TA(2015)0075A8-0039/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (12094/14),

–  gezien de artikelen 21 en 36 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 2 december 2013 betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer,

–  gezien de verklaring van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie (HV/VV) over politieke verantwoording,

–  gezien de toezeggingen die HV/VV Federica Mogherini tijdens de hoorzitting in de Commissie buitenlandse zaken op 6 oktober 2014 heeft gedaan,

–  gezien artikel 52 en artikel 132, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0039/2015),

Veranderingen in het politiek klimaat en de veiligheidssituatie

1.  wijst op de dramatische verslechtering van de veiligheidssituatie in de omgeving van de EU, met name in haar directe nabuurschap, waarbij de internationale rechtsorde en de stabiliteit en veiligheid van Europa meer dan ooit sinds het begin van het Europees integratieproces worden ondermijnd; wijst erop dat de politieke wereldorde een veranderingsproces doormaakt;

2.  is bezorgd over het feit dat de EU, mede door haar interne crisis, tot dusver niet in staat is gebleken haar volledige potentieel te benutten om gestalte te geven aan het internationale politieke en veiligheidsklimaat en dat een gebrek aan beleidscoördinatie en samenhang tussen de beleidsmaatregelen van de EU alsmede financiële beperkingen verder afbreuk doen aan de invloed van Europa in de wereld en zijn mogelijkheden om regionaal en wereldwijd de veiligheid te bevorderen door bij te dragen aan conflictpreventie en crisisbeheer;

3.  meent dat in het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie prioriteit moet worden gegeven aan de volgende taken:

   bescherming van Europese waarden en belangen en handhaving van de politieke en rechtsorde in Europa om vrede en stabiliteit te herstellen en te waarborgen;
   versterking van de bijdrage van de EU aan de territoriale verdediging van haar lidstaten en de veiligheid van haar burgers door haar beter in staat te stellen zich te verdedigen tegen bedreigingen, waaronder terrorisme en wapen-, drugs- en mensenhandel;
   bevordering van de veiligheid, de democratisering, de rechtsstaat en de economische en sociale ontwikkeling in de nabuurschap van de EU;
   het op zich nemen van een voortrekkersrol bij de oplossing van conflicten, o.a. door het  en afdwingen van vrede in de context van het GVDB;
   versterking, in samenwerking met haar partners, van een op regels gebaseerde en pluralistische politieke, economische en financiële wereldorde, alsook van de eerbiediging van de rechtsstaat en de mensenrechten; en
   verbetering van de interne structuren en werkmethoden van de EU om de veerkracht van de Unie te  en haar in staat te stellen haar volledige potentieel als wereldspeler te ontplooien;

De EU als geloofwaardige speler

4.  is van mening dat een ambitieus en doeltreffend buitenlands beleid van de EU gebaseerd moet zijn op een gezamenlijke visie op de centrale Europese belangen, waarden en doelstellingen in de buitenlandse betrekkingen en op een gemeenschappelijke kijk op de bedreigingen waarmee de EU als geheel wordt geconfronteerd; is verheugd over de toezegging van de HV/VV om op basis van het door de Europese Raad in december 2013 verleende mandaat met prioriteit een proces van strategische reflectie over het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU op gang te brengen, waarbij tal van stakeholders dienen te worden betrokken, waaronder de lidstaten, de Europese instellingen en het Europese publiek; benadrukt dat dit reflectieproces moet uitmonden in een nieuwe Europese veiligheidsstrategie waarin rekening wordt gehouden met de recente geopolitieke veranderingen, om te kunnen reageren op de nieuwe dreigingen en uitdagingen;

5.  onderstreept dat de lidstaten zich er door hun ratificatie van het Verdrag betreffende de Europese Unie toe hebben verplicht om, overeenkomstig artikel 24, lid 3, VEU in een geest van loyaliteit en wederzijdse solidariteit hun actieve en onvoorwaardelijke steun aan het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie te geven;

6.  hamert erop dat de politieke, economische, financiële en defensiemiddelen van de EU en haar lidstaten moeten worden versterkt en bijeengevoegd om de invloed van de EU in de wereld te maximaliseren, synergie te creëren en voor vrede en stabiliteit in Europa en zijn nabuurschap te zorgen; beklemtoont dat aanzienlijke kostenbesparingen kunnen worden gerealiseerd door betere samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van hun buitenlands en veiligheidsbeleid;

7.  benadrukt dat de door de EU en de lidstaten verleende externe financiële bijstand doeltreffender moet worden ingezet en dat de focus ervan moet worden verlegd in overeenstemming met de gezamenlijk vastgestelde strategische prioriteiten; roept de EU op meer maatregelen te treffen om de zichtbaarheid, de coherentie en de doeltreffendheid van de EU-bijstand te verhogen; is van oordeel dat alle onderdelen van de door de EU verleende bijstand, zij het ontwikkelingshulp, noodhulp of humanitaire hulp, moeten worden gecoördineerd en consistent moeten zijn; verzoekt de Commissie, de EDEO en de lidstaten te zorgen voor een effectief toezicht op de financiële steun, om te waarborgen dat doelen worden gehaald; wijst op de verslagen van de Europese Rekenkamer waaruit blijkt dat dit in het verleden problematisch was; benadrukt dat de financiële bijstand ter ondersteuning van het maatschappelijk middenveld en ngo's in het veld moet worden verhoogd; dringt aan op snellere en minder bureaucratische procedures voor de goedkeuring van projecten;

8.  spoort de EU-instellingen en de lidstaten aan volledig gebruik te maken van het instrumentarium van het Verdrag van Lissabon om van een tot dusver vrijwel geheel reactieve benadering over te stappen op een proactief, coherent en strategisch Europees buitenlands en veiligheidsbeleid dat op gemeenschappelijke waarden gebaseerd is en in het teken staat van het gemeenschappelijk Europees belang;

9.  stelt zich op het standpunt dat de Raad en de Commissie met actieve medewerking van de lidstaten zorg moeten dragen voor de nodige samenhang en coherentie van:

   het interne en externe beleid van de EU, met inbegrip van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB), het nabuurschaps-, handels- en ontwikkelingsbeleid alsook het beleid op het gebied van humanitaire hulp, justitie en binnenlandse zaken, energie, milieu, migratie enz.,
   beleidsmaatregelen van de EU en de lidstaten;

10.  is in dit verband ingenomen met de organisatorische indeling van de nieuwe Commissie in clusters, omdat dit de HV/VV in staat stelt om alle relevante beleidsmaatregelen van de Commissie met een externe dimensie te coördineren; steunt de HV/VV in haar voornemen haar functie van vicevoorzitter van de Commissie ten volle uit te oefenen; moedigt de HV/VV tegelijkertijd aan haar rol als voorzitter van de Raad Buitenlandse Zaken te gebruiken om in de Raad initiatieven te nemen tot proactieve beleidsmaatregelen die verder gaan dan de kleinste gemene deler, door gebruik te maken van het gehele instrumentarium van het GBVB en het extern beleid van de EU;

11.  herhaalt dat de interne structuren van de EDEO moeten worden hervormd om de dienst in staat te stellen de HV/VV in al haar functies te ondersteunen en haar in de gelegenheid te stellen werk te maken van de strategische planning en de coördinatie van politieke processen in de Raad en de Commissie; wijst met klem op de noodzaak om het hogere management van de EDEO te rationaliseren en de besluitvormingsprocessen sneller te maken en te stroomlijnen; pleit andermaal voor een sterkere integratie van de speciale vertegenwoordigers van de EU in de EDEO, onder meer door de overdracht van hun budget van de operationele begroting van het GBVB naar de begroting van de EDEO; verzoekt in dit verband dringend om een politieke en kostentechnische evaluatie van de rol die deze speciale vertegenwoordigers spelen;

12.  herhaalt zijn oproep om de samenwerking en coördinatie tussen de verschillende monitoring- en crisisresponscapaciteiten op EU-niveau te versterken; dringt er voorts op aan de bestaande structuren beter te organiseren om overbodige doublures te verminderen, onder meer door elkaar overlappende capaciteiten samen te voegen; is van mening dat de monitoringcentra van voldoende middelen moeten worden voorzien en dat ervoor moet worden gezorgd dat het talenprofiel van het personeel de talen omvat die in de meest relevante crisisgebieden worden gesproken, met name Russisch en Arabisch; pleit voor intensievere samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de monitoringcentra op EU-niveau en de overeenkomstige diensten in de lidstaten;

13.  dringt aan op de modernisering van het EU-delegatienetwerk om het beter af te stemmen op de behoeften van het buitenlands beleid van de EU in de 21e eeuw, o.a. door aanpassingen in de personeelssterkte en het deskundigheidsniveau; is bijvoorbeeld van mening dat elke delegatie in een conflictgebied, met name in landen waar een GVDB-missie aanwezig is, een deskundige op veiligheids- en defensiegebied moet omvatten; verzoekt de HV/VV de zeggenschap van het hoofd van de delegatie over alle personeelsleden, ongeacht hun institutionele achtergrond, te versterken en de administratieve begrotingen van de delegaties te vereenvoudigen door één financieringsbron te creëren; wenst dat de rapportagelijnen worden verduidelijkt; betreurt het dat het potentieel voor synergie en schaalvoordelen die kunnen worden gerealiseerd door de samenwerking tussen de ambassades van de lidstaten en de EU-delegaties te versterken, nog niet volledig is benut; wenst dat op alle niveaus de hand wordt gehouden aan het eerlijke evenwicht tussen gedetacheerd personeel uit de lidstaten en EU-ambtenaren, zoals vastgelegd in het Besluit van de Raad van 26 juli 2010 betreffende de oprichting van de EDEO, en merkt op dat dit evenwicht, met name in hogere functies zoals die van delegatiehoofd, momenteel niet wordt gehandhaafd;

14.  uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan flexibiliteit van de financiële regels van de EU, waardoor vaak vertraging ontstaat bij de uitbetaling van EU-middelen en het vermogen van de EU om op crises te reageren verder wordt ingeperkt; wijst op de noodzaak van snellere uitbetaling van financiële middelen, maar onderstreept tegelijk de noodzaak van doeltreffende controles om fraude en verduistering te voorkomen; vraagt de Commissie om in 2015 met een voorstel te komen voor een hervorming van de desbetreffende wetgeving, waarbij onder meer moet worden toegestaan dat de versnelde procedure voor bijstandsverlening, die momenteel voor humanitaire hulp geldt, ook voor crisisbeheer kan worden gebruikt en waarbij ervoor moet worden gezorgd dat uitgaven in reactie op crises in overeenstemming zijn met de strategische doelstellingen van de EU op lange termijn; is diep bezorgd over de kortingen op betalingen met betrekking tot de twee belangrijkste budgettaire bronnen voor crisisbeheer en conflictpreventie van de EU, te weten de begroting van het GBVB en het instrument dat bijdraagt aan stabiliteit en vrede (IcSP); is ervan overtuigd dat de huidige veiligheidssituatie in het oosten en zuiden van Europa om synergie-effecten en aanvullende middelen vraagt in plaats van substantiële bezuinigingen;

15.  wijst erop dat het optreden van de Unie meer zichtbaarheid moet krijgen zowel bij de strategische planning en in de multilaterale fora als op operationeel niveau middels de GBVB-missies en alle andere missies met een extern luik;

16.  herinnert eraan dat de EU op grond van artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie verplicht is ervoor te zorgen dat haar extern optreden zodanig wordt ontworpen en ten uitvoer gelegd dat de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de beginselen van het internationaal recht worden geconsolideerd en ondersteund, en dat dit een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de EU en haar lidstaten is; roept de HV/VV op regelmatig verslag te doen over de naleving van artikel 21 en te onderzoeken hoe de samenhang van het buitenlands beleid kan worden verbeterd, met name waar het de mensenrechten en het internationaal recht aangaat; benadrukt dat bij de toetsing van het externe beleid op naleving van artikel 21 een sterker geharmoniseerde en strengere aanpak moet worden gevolgd; onderstreept de noodzaak om partners te houden aan de verbintenissen met betrekking tot de mensenrechten die zij in overeenkomsten met de EU zijn aangegaan, en om, waar nodig, gebruik te maken van de voorwaardelijkheidsclausules betreffende de bescherming van de mensenrechten in deze overeenkomsten;

17.  merkt op dat de roep om internationale steun bij de bevordering van de democratie en waarneming bij verkiezingen is toegenomen; ziet dit als een terrein waarop de EU een doeltreffende rol kan spelen als het gaat om de bevordering van democratische processen; dringt derhalve aan op een consistente follow-up van de uitvoering van de landenspecifieke aanbevelingen en de verzoeken om steun bij de opbouw van capaciteiten ten behoeve van politieke partijen;

18.  onderstreept het essentiële belang van de gemeenschappelijke defensie die de NAVO ten behoeve van haar leden garandeert; dringt er bij de lidstaten op aan hun vermogen om tot de territoriale verdediging bij te dragen met spoed te vergroten, hiervoor meer middelen beschikbaar te stellen en de methode van het bundelen en delen serieus te nemen door nauwer samen te werken om synergie te creëren; beklemtoont dat alle lidstaten dezelfde mate van veiligheid moet worden geboden in overeenstemming met artikel 42, lid 7, VEU; benadrukt dat een geloofwaardig buitenlands beleid van de EU moet worden onderbouwd door adequate defensiecapaciteiten van de lidstaten en een doeltreffend gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB); is van opvatting dat het GVDB een belangrijk onderdeel van de Europese defensie en veiligheid vormt en daartoe op tal van wijzen bijdraagt, o.a. door de totstandbrenging van een Europese technologische en industriële basis voor defensie (EDTIB) te bevorderen, de samenwerking bij de ontwikkeling van defensiecapaciteiten te stimuleren en rechtstreeks op te treden in crisisgebieden door middel van civiele missies en militaire operaties; beklemtoont daarom dat het GVDB in samenwerking met de NAVO verder moet worden verdiept; herhaalt dat de EU een partner van de NAVO is en dat de strategieën van beide organisaties elkaar moeten aanvullen; onderstreept de belangrijke rol van samenwerking op het gebied van veiligheid en defensie tussen de EU en haar partners, waaronder de VN, de NAVO, de Afrikaanse Unie en de OVSE; is verheugd over de toezegging van de HV/VV om zich actief in te zetten op het gebied van defensie, onder meer door het voorzitterschap te bekleden van vergaderingen van de Raad Buitenlandse Zaken in de formatie met de ministers van Defensie;

19.  steunt de lopende herziening van de crisisbeheersingsstructuren binnen de EDEO; dringt er bij de VV/HV op aan de bestaande structuren veel efficiënter te maken zodat er sneller en adequater kan worden ingesprongen op zich voordoende crises, onder meer door het aantal parallelle structuren te verminderen; dringt er bij de VV/HV op aan het eigen karakter van civiele benaderingen ten aanzien van conflictpreventie en crisisbeheer te bewaren en te versterken;

20.  onderstreept dat de mogelijkheden van diverse bepalingen van het Verdrag van Lissabon, zoals artikel 44 VEU (toevertrouwen van een GVDB-missie aan een kleine groep lidstaten), artikel 41 VEU (inzake het startfonds), artikel 46 VEU (inzake permanente gestructureerde samenwerking), artikel 42, lid 7 VEU (de wederzijdsebijstandsclausule) en artikel 222 VWEU (de solidariteitsclausule), nog niet volledig worden benut; verzoekt de HV/VV deze instrumenten actief te promoten en de tenuitvoerlegging ervan te bevorderen, en spoort de lidstaten aan er gebruik van te maken;

21.  is verheugd dat er in december 2013 een Europese Raad over defensie is gehouden, en dringt aan op de uitvoering van de genomen besluiten; ziet uit naar het komende debat in juni 2015; dringt erop aan om tijdens deze topconferentie ambitieuze besluiten te nemen, in het bijzonder:

   het initiëren – op basis van de evaluatie van het strategisch kader van de EU – van een proces van strategische reflectie over de doelstellingen en prioriteiten op het gebied van veiligheid en defensie, waarbij de vereiste capaciteiten en de opties worden bepaald voor een versterking van de samenwerking op defensiegebied om beter te kunnen reageren op de bedreigingen waaraan de landen van de EU zijn blootgesteld;
   versterking van het Europees Defensieagentschap door het de noodzakelijke middelen en  impulsen te geven, zodat het zijn taken bij de coördinatie en bevordering van samenwerking op het gebied van bewapening ten volle kan uitoefenen;
   herziening van het Athenamechanisme met het oog op een verdere intensivering van de  financiering op het gebied van militaire GVDB-operaties, teneinde te voorkomen dat financiële overwegingen het vermogen van de EU om op crises te reageren beperken, de lidstaten aan te moedigen snel strijdkrachten te leveren voor GVDB-operaties, en te zorgen voor een eerlijkere verdeling van de lasten tussen de lidstaten;
   versterking van de Europese industriële en technologische defensiebasis, onder meer door het coördineren van de defensiebegrotingen, het harmoniseren van de vereisten, het terugdringen van inefficiënties en het bereiken van synergie;
   de aanpak van bestaande problemen bij de planning en uitvoering van militaire operaties, o.a. door de oprichting  een permanent operationeel militair hoofdkwartier in nauwe samenwerking met het reeds bestaande civiel plannings- en uitvoeringsvermogen (CPCC);
   vergroting van de effectiviteit en inzetbaarheid van de EU-gevechtstroepen, onder meer door de invoering van een modulaire benadering, de uitbreiding van de  financiering via het Athenamechanisme en het in voorkomend geval inzetten van de gevechtstroepen voor toekomstig crisisbeheer;

22.  is van mening dat uit de recente terroristische aanslagen in EU-landen blijkt dat het steeds moeilijker wordt om interne en externe veiligheid van elkaar te scheiden, en dringt er bij de lidstaten en de Europese instellingen op aan hun inspanningen op deze terreinen beter op elkaar af te stemmen; roept de lidstaten op hun inlichtingen op het gebied van veiligheid beter te delen door gebruik te maken van de bestaande coördinatiemogelijkheden op Europees niveau; dringt erop aan de samenwerking op het gebied van terrorismebestrijding te versterken binnen de betrekkingen van de EU met landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, onder meer door middel van opleiding en capaciteitsopbouw in de veiligheidssector, het delen van informatie en het uitwisselen van beste praktijken; verzoekt de EU en haar lidstaten alles in het werk te stellen om de internationale samenwerking bij het voorkomen en bestrijden van terrorisme te versterken, en benadrukt de belangrijke rol die de VN daarin moet spelen;

23.  dringt erop aan de voor de verhoging van de cyberveiligheid noodzakelijke industriële en technische middelen te ontwikkelen, onder meer door een interne markt voor cyberveiligheidsproducten te bevorderen; benadrukt dat het thema cyberdefensie moet worden geïntegreerd in het extern optreden en het GVDB, en spreekt zich uit voor een nauwere coördinatie met de NAVO op het vlak van cyberdefensie, teneinde een cyberafschrikking op te bouwen met het oog op een efficiënte aanpak en bestrijding van aanvallen via de cyberruimte; dringt er bij de EU-lidstaten, de EDEO en de Commissie op aan de aandacht te richten op het versterken van de veerkracht van de relevante infrastructuur; is ingenomen met de cyberveiligheidsstrategie van de EU; onderstreept dat de capaciteit van de lidstaten op het gebied van cyberdefensie aanzienlijk moet worden uitgebreid; dringt er bij het Europees Defensieagentschap op aan de coördinatie tussen de lidstaten met betrekking tot cyberdefensie te versterken, en roept de lidstaten op het EDA van de nodige middelen te voorzien om dit doel te bereiken; dringt er bij de Commissie op aan de verordening inzake technologie voor tweeërlei gebruik te actualiseren, teneinde de uitvoer van systemen te voorkomen aan partijen die de veiligheid en kritieke infrastructuur van de EU willen ondermijnen, en de uitvoer van technologie voor grootschalige bewaking aan autoritaire regimes te voorkomen; wijst erop dat het van belang is een evenwicht in stand te houden tussen bescherming van de digitale vrijheid en veiligheid;

24.  pleit voor een herzien en samenhangend EU-migratiebeleid; wijst met klem op de noodzaak om de wortels van illegale migratie aan te pakken, via een sterkere samenwerking met de transito- en herkomstlanden van migratiestromen, met gebruikmaking van alle beleids- en bijstandsinstrumenten, met inbegrip van het ontwikkelings- en handelsbeleid, humanitaire hulp, conflictpreventie en crisisbeheer, in combinatie met de noodzakelijke versterking van de legale migratieroutes; herhaalt zijn oproep om de humanitaire steunverlening aan landen die vluchtelingen opvangen op te voeren en de regionale beschermingsprogramma's te versterken die in samenwerking met de UNHCR in de buurt van de herkomstregio's worden uitgevoerd; benadrukt dat aan de problematiek van het migratiebeheer een plaats moet worden toegekend in het gehele externe optreden van de EU en dat hieraan hoge prioriteit moet worden gegeven in de samenwerking van de EU met buurlanden in het oosten en het zuiden; benadrukt dat het verlies van mensenlevens aan de grenzen van de EU moet worden vermeden;

25.  wijst erop dat energie in toenemende mate wordt gebruikt als instrument in het buitenlands beleid, en herinnert eraan dat de Europese integratie op samenwerking op energiegebied berust; onderstreept het belang van de totstandbrenging van een Europese energie-unie die moet zorgen voor een grotere samenhang en coördinatie tussen het buitenlands en het energiebeleid; onderstreept dat energiezekerheid deel moet uitmaken van de alomvattende benadering van het externe optreden van de EU, en is van mening dat het energiebeleid in lijn moet zijn met de andere prioritaire beleidsgebieden van de Unie, waaronder het beleid met betrekking tot veiligheid, handel en ontwikkeling en het buitenlands en nabuurschapsbeleid, alsook het beleid ter verdediging van de mensenrechten; onderstreept in dit verband dat de afhankelijkheid van Rusland aanmerkelijk moet worden verminderd en gezocht moet worden naar alternatieve energiebronnen; dringt er bij de HV/VV en de Commissie op aan toe te zien op en zich te buigen over de zeggenschap van entiteiten van buiten de EU over infrastructuren, met name staatsbedrijven, nationale banken of staatsfondsen van derde landen, die de Europese energiemarkt binnendringen of een belemmering voor de diversificatie vormen, onder meer binnen de nucleaire sector; benadrukt dat ook energiebedrijven van buiten de EU zich moeten onderwerpen aan de mededingingsregels die van toepassing zijn op de Europese energiemarkt;

26.  is verheugd over de instelling van de functie van vicevoorzitter van de Energie-unie en over de mededeling van de Commissie over de Europese strategie voor energiezekerheid; verzoekt de Commissie en de lidstaten hun samenwerking te intensiveren om de in die strategie vermelde acties voor de korte en de lange termijn ten uitvoer te leggen; hamert op de noodzaak om de samenhang tussen het buitenlands beleid van de EU en andere beleidsmaatregelen met een externe dimensie, zoals het energiebeleid, te versterken, en verwacht dat de nieuwe, op clusters gebaseerde organisatie van de Commissie op dit punt vruchten zal afwerpen; dringt aan op verdere maatregelen om de doelstellingen met betrekking tot energiezekerheid af te stemmen op andere doelstellingen van de EU; verzoekt de HV/VV strategische prioriteiten voor het externe energiebeleid te ontwikkelen die ingebed zijn in de algemene doelstellingen van het buitenlands beleid, en op het gebied van energiezekerheid systematischer gebruik te maken van de instrumenten van het buitenlands beleid;

27.  stelt zich op het standpunt dat een solidariteitsmechanisme in het leven moet worden geroepen om mogelijke verstoringen van de energievoorziening op te kunnen vangen; meent dat de verdere ontwikkeling van een onderling verbonden energie-infrastructuur noodzakelijk is en dat alle delen van het EU-grondgebied moeten worden aangesloten op een EU-breed energienet; benadrukt dat de inspanningen om de energievoorziening van de EU te diversifiëren moeten worden bespoedigd teneinde de energieonafhankelijkheid van de EU te vergroten; is van mening dat de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen en van energie-efficiëntie een zeer gunstige invloed zal hebben op de geloofwaardigheid van het externe optreden van de EU; wijst erop dat een goed functionerende interne energiemarkt van fundamenteel belang is en dat het in het algemeen belang van de EU is om ervoor te zorgen dat de internationale energiemarkten stabiel en transparant zijn en werken volgens internationale regels; roept de Commissie op om een alomvattende strategie voor te stellen om de voorzieningszekerheid voor andere grondstoffen dan energie te vergroten;

28.  is verheugd over de bereidheid van HV/VV Federica Mogherini om samen te werken met het Parlement met het oog op een grotere verantwoordingsplicht van de HV/VV ten opzichte van de instelling; wijst nogmaals op de noodzaak van systematisch en proactief overleg met het Parlement, en met name met zijn Commissie buitenlandse zaken, voordat er strategieën op het gebied van het buitenlands beleid of GVDB-mandaten worden goedgekeurd; verzoekt de Raad de onderhandelingen met het Parlement over de vervanging van het Interinstitutioneel Akkoord van 2002 over de toegang van het Europees Parlement tot gevoelige gegevens van de Raad op het gebied van het veiligheids- en defensiebeleid af te ronden; zet zich in voor een intensivering van de samenwerking met de nationale parlementen, onder meer in het kader van de interparlementaire conferentie over het GBVB en het GVDB en in de COSAC, om beter toezicht te kunnen houden op de desbetreffende middelen;

Handhaving en versterking van de Europese politieke en rechtsorde

29.  onderstreept de noodzaak om de EU te consolideren en haar integratievermogen, dat een van de criteria van Kopenhagen vormt, te verhogen; bevestigt het toetredingsperspectief voor alle kandidaat-landen en andere potentiële kandidaten overeenkomstig de verklaring van Thessaloniki uit 2003, mits zij voldoen aan de criteria van Kopenhagen, en steunt de voortzetting van de toetredingsonderhandelingen; steunt in dit verband de aanpak van de Commissie, die erop gericht is in een vroeg stadium van het uitbreidingsproces werk te maken van fundamentele hervormingen op het gebied van de rechtsstaat, het openbaar bestuur en de economische governance; herhaalt dat elk land op zijn eigen merites wordt beoordeeld, en is van mening dat in gevallen waarin de EU oordeelt dat een kandidaat-land zich in bevredigende mate aan het EU-acquis heeft geconformeerd, de toetredingsonderhandelingen geopend dan wel voortgezet moeten worden, omdat dit essentieel is voor het behoud van de geloofwaardigheid van de EU als geheel; onderstreept het belang van samenwerking met de kandidaat-landen op het gebied van extern beleid en benadrukt hoe belangrijk het is dat zij hun beleid afstemmen op het GVDB;

30.  is van mening dat er een overkoepelende politieke strategie nodig is voor het herstel van de Europese politieke orde onder het internationaal recht, zoals die in de Slotakte van Helsinki van 1975 is verankerd en waaraan alle Europese staten, met inbegrip van Rusland, zich hebben verbonden; beklemtoont dat deze orde is gebaseerd op de eerbiediging van de mensenrechten, de rechten van minderheden en de fundamentele vrijheden, de soevereiniteit, onafhankelijkheid en territoriale integriteit van de staten en de vreedzame oplossing van conflicten; beschouwt de ontwikkeling van een constructieve dialoog met Rusland en andere staten in de nabuurschap van de EU over samenwerking ter versterking van deze orde als een belangrijke basis voor vrede en stabiliteit in Europa, op voorwaarde dat Rusland het internationaal recht eerbiedigt en zijn verplichtingen ten aanzien van Georgië, Moldavië en Oekraïne nakomt, waaronder terugtrekking uit de Krim;

31.  is van opvatting dat een nieuwe benadering van de betrekkingen van de EU met haar oostelijke buren geboden is, die gebaseerd is op merites, differentiatie en het "meer voor meer-beginsel"; meent dat de ondersteuning van landen die een toenadering tot de EU wensen een centrale prioriteit van het buitenlands beleid van de Unie moet vormen en dat het, om de ambities van Rusland in zijn omgeving in bedwang te houden, van belang is om te investeren in de onafhankelijkheid, de soevereiniteit, de economische ontwikkeling en de verdere democratisering van deze landen; zet zich ervoor in de oostelijke Europese buurlanden van de EU een Europees perspectief te bieden, en herinnert eraan dat zij overeenkomstig artikel 49 VEU – net als elke andere Europese staat – kunnen verzoeken om toetreding tot de Europese Unie, mits zij zich aan de criteria van Kopenhagen en de democratische beginselen houden, de fundamentele vrijheden, de mensenrechten en de rechten van minderheden in acht nemen en de toepassing van rechtsstatelijke beginselen waarborgen;

32.  is verheugd over de ondertekening, de ratificatie door het Europees Parlement en de nationale parlementen van de betrokken landen en de voorlopige uitvoering van de associatieovereenkomsten, met inbegrip van diepgaande en uitgebreide vrijhandelsovereenkomsten, met Georgië, de Republiek Moldavië en Oekraïne, wat een belangrijke stap betekent in hun toenadering tot de EU; is van mening dat het associatieproces door de betrokken landen moet worden aangegrepen om het democratisch bestuur te moderniseren, de rechtsstaat te versterken, het openbaar bestuur te hervormen en economische en structurele hervormingen door te voeren en daarmee op politiek. economisch, sociaal en milieugebied een belangrijkste stap in de richting van de EU te doen; dringt aan op een aanzienlijke verhoging van de politieke, financiële en technische bijstand van de EU voor deze hervormingen; houdt echter vast aan strikte conditionaliteit en aan de noodzaak om te waarborgen dat verantwoording wordt afgelegd over de uitgegeven middelen en dat de corruptie in aanmerkelijke mate wordt teruggedrongen; is ingenomen met het verloop en de uitslag van de parlementaire verkiezingen in Oekraïne en Moldavië die in oktober respectievelijk december 2014 zijn gehouden en aan de internationale normen inzake democratie voldeden;

33.  pleit voor nauwe samenwerking met de oostelijke Europese buurlanden die nog geen associatieovereenkomst met de EU hebben gesloten of de betrekkingen in verschillende kaders willen verdiepen en aanhalen, onder meer door de bilaterale samenwerking op gebieden van wederzijds belang te bevorderen; herinnert er evenwel aan dat EU-bijstand alleen doeltreffend kan zijn indien de partnerlanden, die aan hun verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht moeten voldoen, zich de Europese waarden voldoende eigen maken en deze eerbiedigen;

34.  dringt er bij Rusland op aan zijn verbintenissen en juridische verplichtingen na te komen, met inbegrip van die uit hoofde van het Handvest van de Verenigde Naties, het Handvest van Parijs, de Slotakte van Helsinki van de OVSE, het memorandum van Boedapest en de overeenkomst inzake vriendschap, samenwerking en partnerschap tussen Rusland en Oekraïne; spreekt er zijn scherpe veroordeling over uit dat Rusland het internationaal recht heeft geschonden met zijn rechtstreekse militaire agressie en hybride oorlog tegen Oekraïne, die geleid heeft tot duizenden militaire en burgerslachtoffers alsmede de illegale annexatie en bezetting van de Krim, en acties van soortelijke aard jegens Abchazië en Zuid-Ossetië, gebieden van Georgië; wijst op de alarmerende verslechtering wat betreft de eerbiediging van de mensenrechten, de vrijheid van meningsuiting en de mediavrijheid op de Krim; dringt bij Rusland aan op de-escalatie, terugtrekking van zijn troepen van Oekraïens grondgebied en herstel van de status quo voor de annexatie; is verheugd over het feit dat op 12 februari 2015 in Minsk getracht is een globale overeenkomst te bereiken, en roept op tot de onmiddellijke en volledige tenuitvoerlegging van deze overeenkomst; wijst de presidents- en parlementsverkiezingen in Donetsk en Luhansk op 2 november 2014 als onwettig van de hand;

35.  staat achter de sancties die door de EU zijn opgelegd naar aanleiding van de Russische agressie tegen Oekraïne en benadrukt dat die sancties stapsgewijs kunnen worden aangepast en teruggedraaid, hetgeen met name afhangt van de nakoming van de akkoorden van Minsk, maar ook aangescherpt kunnen worden als Rusland volhardt in de niet-nakoming van zijn internationale verplichtingen; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat zij op uniforme wijze ten uitvoer worden gelegd;

36.  benadrukt dat de EU en de lidstaten solidariteit moeten tonen en met één stem moeten spreken met Rusland; vraagt de kandidaat-landen om hun buitenlands beleid jegens Rusland af te stemmen op dat van de EU; verzoekt de HV/VV om als prioriteit een gemeenschappelijke EU-strategie inzake Rusland uit te werken die erop is gericht een toezegging van Rusland te verkrijgen met betrekking tot vrede en stabiliteit in Europa, inclusief de onvoorwaardelijke eerbiediging van de soevereiniteit en territoriale integriteit van zijn buurlanden; is ervan overtuigd dat goede betrekkingen tussen Rusland en de EU, gebaseerd op eerbiediging van het internationaal recht en andere internationale verplichtingen, in beider belang zijn en hoopt dat Rusland openstaat voor een dergelijke ontwikkeling door zich aan het internationaal recht te houden;

37.  onderstreept de noodzaak van een coherente Europese houding ten aanzien van de desinformatiecampagnes en propaganda-activiteiten die Rusland zowel binnen als buiten de EU uitvoert; roept de EDEO en de Commissie op een actieplan te presenteren met concrete maatregelen tegen de Russische propaganda; dringt aan op samenwerking met het NAVO-kenniscentrum voor strategische communicatie met betrekking tot deze kwestie;

38.  dringt er bij de EU-leiders en de lidstaten op aan dat zij zorg dragen voor de veiligheid en vrijheid van christenen en andere religieuze en etnische minderheden die in toenemende mate met discriminatie en vervolging te maken hebben en tussen twee vuren zitten; verzoekt de EDEO en de lidstaten erop toe te zien dat in toekomstige bilaterale overeenkomsten doeltreffende controlemechanismen worden opgenomen voor de bescherming van de mensenrechten van religieuze minderheden en de daadwerkelijke uitvoering van de EU-richtsnoeren inzake de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst of overtuiging;

Steun voor veiligheid en stabiliteit in de zuidelijke nabuurschap

39.  hamert op de noodzaak om het beleid van de EU ten aanzien van haar zuidelijke nabuurschap grondig te herzien, dat moet worden gekenmerkt door adequate begrotingsmiddelen en de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van een alomvattende strategie in het kader waarvan de instrumenten en financiële middelen van de EU worden geconcentreerd op steun voor de opbouw van functionerende inclusieve staten die in staat zijn voor de veiligheid van hun burgers te zorgen, de democratie te bevorderen, religieus extremisme het hoofd te bieden, de mensenrechten te eerbiedigen, religieuze en etnische minderheden te beschermen en de rechtsstaat te versterken, wat een belangrijke voorwaarde is voor investeringen en economische ontwikkeling; wijst erop dat het potentieel van grensoverschrijdende handel in de regio nog niet is benut; dringt aan op nauwe samenwerking met de autoriteiten van de betreffende landen om migratiestromen te beheren en daarbij de mensenrechten en het internationaal recht te eerbiedigen;

40.  benadrukt dat de EU voorwaarden moet stellen aan de hulp en steun die zij biedt, aangezien hulpprogramma's en steun voor het maatschappelijk middenveld alleen kunnen worden voortgezet als er op het hoogste politieke niveau duidelijke voorwaarden worden gesteld;

41.  dringt erop aan dat de herziene benadering van de EU ten aanzien van haar zuidelijke buurlanden gebaseerd moet zijn op differentiatie en het "meer voor meer-beginsel", uit hoofde waarvan aanvullende EU-steun dient te worden verleend aan partnerregeringen die zich inzetten voor en concrete vorderingen maken met democratisering en eerbiediging van de fundamentele vrijheden en de mensenrechten, zoals in Tunesië, Jordanië en Marokko het geval is;

42.  betreurt de recente verslechtering van de betrekkingen tussen de EU en Turkije en roept op tot hernieuwde inspanningen om het partnerschap te versterken, teneinde gezamenlijke uitdagingen op veiligheids- en humanitair gebied in het zuidelijke Middellandse Zeegebied het hoofd te kunnen bieden; spoort Turkije voorts aan te werken aan hervormingen die gericht zijn op de volledige naleving van de normen op het gebied van de mensenrechten, waaronder persvrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat;

43.  spoort de leiders van de EU aan om in nauwe coördinatie met de VS en met deelneming van grote mogendheden (zoals Rusland en China) een strategie uit te werken om regionale actoren (waaronder Turkije, Irak, Israël, Jordanië, Egypte, de regeringen van de landen van de Samenwerkingsraad van de Golf, Iran, de Arabische Liga en de Koerdische strijdkrachten) te verenigen om een eind te maken aan oorlogen op afstand en de financiële ondersteuning van fundamentalisten en een oplossing te ontwikkelen die voor vrede en stabiliteit in de regio zorgt, in het bijzonder met het oog op het beëindigen van de oorlog in Syrië en Irak; onderstreept de noodzaak om de territoriale integriteit en nationale eenheid van Libië te handhaven en dringt er bij de HV/VV op aan impulsen te geven voor een grotere inzet van de regionale actoren voor bemiddeling en conflictoplossing, in nauwe coördinatie met de VN; is ingenomen met de voortzetting van de onderhandelingen van E3+3 met Iran en hoopt dat deze zullen leiden tot een voor beide kanten acceptabele overeenkomst die het uitsluitend vreedzame karakter van het Iraanse nucleaire programma garandeert en Iran het perspectief voor de lange termijn biedt dat het land weer volledig in de internationale gemeenschap wordt opgenomen; steunt de HV/VV en alle partijen die betrokken zijn bij het vredesproces in het Midden-Oosten in hun engagement om een omvattende, constructieve, voor beide partijen haalbare en duurzame oplossing te vinden voor het Midden-Oosten-conflict; onderstreept dat het gebrek aan vorderingen in de richting van een tweestatenoplossing op basis van de grenzen van 1967 enkel tot meer geweld en bloedvergieten leidt;

44.  is ingenomen met de uitspraak van de HV/VV dat er een kantoor zal worden geopend in Erbil in Iraaks Koerdistan, en spoort de HV/VV en de EDEO aan om een dergelijk kantoor zo spoedig mogelijk te openen; benadrukt dat dit de EU in staat zou stellen informatie ter plekke in te winnen, en dat het zou leiden tot een betere samenwerking met lokale spelers, een betere beoordeling en coördinatie van humanitaire en militaire acties en grotere zichtbaarheid van de EU in de regio;

45.  verzoekt om de benoeming van een speciaal adviseur die moet onderzoeken of het opportuun is een permanente diplomatieke EU-vertegenwoordiging in Iran te openen;

46.  stelt zich op het standpunt dat de criminele activiteiten en het barbaarse geweld van terroristische jihadistengroepen in en onder het vaandel van de zogenaamde Islamitische Staat (IS) een grote bedreiging vormen voor de bredere regio in het Midden-Oosten en Noord-Afrika (MENA-regio), voor Europa en potentieel ook voor vrede en stabiliteit op wereldniveau; steunt de wereldwijde coalitie tegen IS in haar inspanningen om IS met militaire middelen te bestrijden; is verheugd over de bijdragen die lidstaten van de EU in deze context leveren, en moedigt aan tot een nauwere, efficiënte wereldwijde samenwerking en dialoog om te komen tot een gezamenlijke beoordeling van de dreiging; dringt erop aan wereldwijd de regelgevingsdruk resoluut op te voeren om de jihadisten hun inkomsten uit olie te ontnemen en strenge mondiale sancties op te leggen voor financiële transacties ten gunste van IS; merkt in dit verband op dat de financiële middelen van de jihadistische groepen onder meer afkomstig zijn uit enkele Arabische landen en dat de EU moet eisen dat die landen coherenter optreden; acht het dringend noodzakelijk tegen te gaan dat jihadistische groeperingen het internet kunnen gebruiken voor rekrutering en propaganda; wijst op de noodzaak om zowel de internationale samenwerking als de samenwerking binnen de EU te versterken om te voorkomen dat extremisten naar Syrië en Irak reizen en zich daar aansluiten bij de jihadistische strijders, met inbegrip van investeringen in nationale programma's voor preventie en deradicalisering in de lidstaten; roept de lidstaten op manieren te zoeken om terugkerende Europese strijders voor de rechter te brengen binnen de grenzen van hun nationale strafrechtssysteem; herinnert aan de noodzaak van nauwere samenwerking en coördinatie tussen Turkije en de EU;

47.  dringt er bij de landen in die regio op aan zich in te blijven zetten voor de bestrijding van terrorisme en geen acties te ondernemen die tot onderlinge spanning, wrijving of crises kunnen leiden of nieuwe problemen in de strijd van de internationale gemeenschap tegen IS kunnen veroorzaken;

48.  veroordeelt het brute geweld van het Assadregime tegen Syrische burgers en vraagt de druk op te voeren om een echte politieke transitie in Syrië tot stand te brengen, onder meer door de steun aan de gematigde Syrische oppositie uit te breiden;

49.  beklemtoont dat het buitenlands beleid van de EU ten aanzien van haar zuidelijke buurlanden op tal van vlakken ook een verbinding moet leggen met Afrika; is van mening dat Afrika, en met name het Sahelgebied, te maken heeft met een strategische dreiging, en pleit voor een adequate reactie van de EU hierop, o.a. in de vorm van maatregelen op het gebied van economische ontwikkeling, democratie, rechtsstaat, onderwijs en veiligheid; wijst op de gestaag toenemende criminele activiteiten van de terroristen van al-Qaida in de islamitische Maghreb (AQIM), Al-Mourabitoun ontstaan door het samengaan van de Beweging voor eenheid en jihad in West-Afrika (MUJAO) en de Gemaskerde Brigade van Mokhtar Belmokhtar, en Boko Haram; benadrukt dat de aanbevelingen van de Europese strategie voor veiligheid en ontwikkeling in de Sahel in de praktijk moeten worden gebracht, en verzoekt de Commissie een evaluatie van deze strategie te verrichten;

50.  benadrukt het belang van Jordanië en Libanon als stabiele partners in het Midden-Oosten; herinnert eraan dat deze twee landen worden geconfronteerd met een groeiende stroom vluchtelingen, hetgeen enorme sociaaleconomische problemen met zich meebrengt; prijst de niet-aflatende hulp die de buurlanden verlenen aan de vluchtelingen uit Irak en Syrië; dringt er bij de leiders van de EU op aan de aanzet te geven tot wereldwijde inspanningen, ook door regionale mogendheden, om de humanitaire hulp voor burgerslachtoffers van het conflict in Syrië en Irak en van het IS-geweld drastisch te versterken, met name om vluchtelingen te ondersteunen en rechtstreekse financiële steun te verlenen aan landen in de regio die vluchtelingen opvangen, teneinde de maatschappelijke integratie te bevorderen en marginalisering te voorkomen;

51.  dringt er bij de EU op aan te waarborgen dat de samenwerking met derde landen op het gebied van terrorismebestrijding hand in hand gaat met de eerbiediging van de rechtsstaat en de universele mensenrechten;

Versterking van een op samenwerking en regels gebaseerde wereldorde

52.  beschouwt de VS als belangrijkste strategische partner van de EU en spreekt zich ervoor uit om op voet van gelijkheid het buitenlands beleid van de EU nauwer te coördineren met dat van de VS ter ondersteuning van het internationaal recht en een gemeenschappelijke aanpak van uitdagingen in de nabuurschap van de EU en op mondiaal niveau; onderstreept het strategische karakter van het trans-Atlantisch handels- en investeringspartnerschap (TTIP), dat de trans-Atlantische partners de mogelijkheid biedt mondiale normen inzake arbeid, gezondheid, milieu en intellectuele eigendom vast te leggen en het wereldwijde bestuur te versterken; dringt in dit verband aan op grotere openheid en transparantie in de onderhandelingen en op de betrokkenheid van alle belanghebbenden in alle fasen van het proces; is van mening dat Latijns-Amerika voor de EU een belangrijke handelspartner is en dat er verschillende modaliteiten voor een driezijdige trans-Atlantische samenwerking dienen te worden ontwikkeld;

53.  onderstreept de noodzaak om met verschillende landen een strategische samenwerking en een strategisch partnerschap aan te gaan, op grond van een duidelijke agenda, en om de bestaande strategische partnerschappen te toetsen in het licht van de effecten van hun beleid;

54.  is ingenomen met de conclusies van de in september 2014 in Wales gehouden NAVO-top en roept ertoe op gevolg te geven aan die conclusies; is van mening dat de samenwerking tussen de EU en de NAVO moet worden versterkt en dat de planning en coördinatie tussen het Smart Defence-initiatief van de NAVO en het bundelen en delen van militaire capaciteiten van de EU nauwer moeten worden afgestemd, teneinde dubbel werk te voorkomen en optimaal gebruik te maken van de schaarse beschikbare middelen; onderstreept nogmaals de noodzaak het veiligheidsbeleid van EU-lidstaten die geen lid zijn van de NAVO te respecteren;

55.  onderstreept dat in overleg met de VS een EU-strategie moet worden ontwikkeld om de verantwoordelijkheid voor de vrede en de stabiliteit van de politieke en economische wereldorde te delen met Rusland, China, India en andere grote mogendheden; wijst erop dat het in het kader van deze strategie van grote betekenis is de betrekkingen met belangrijke landen in Azië en met regionale organisaties zoals ASEAN aan te halen;

56.  verzoekt de HV/VV het buitenlands beleid van de EU ten aanzien van Azië te versterken, en in het bijzonder ten aanzien van China en India; spoort de HV/VV aan om ervoor te zorgen dat er jaarlijks een bilaterale top met China en India wordt gehouden en dat deze tastbare resultaten oplevert;

57.  benadrukt dat vrede en stabiliteit in de regio Azië-Stille Oceaan, en in het bijzonder in de Oost- en Zuid-Chinese Zee, van strategisch belang zijn voor de EU; dringt er bij alle betrokken partijen in de regio op aan om geschillen op vreedzame wijze op te lossen in overeenstemming met het internationaal recht, en met elkaar samen te werken bij de exploitatie van natuurlijke en mariene hulpbronnen; pleit ervoor om de ontwikkeling en uitvoering van het Europese beleid te baseren op de ondersteuning van strategieën voor actieve conflictpreventie en vreedzame conflictoplossing; is van mening dat de EU een groot belang heeft bij blijvende groei en welvaart in Oost-Azië; onderstreept de noodzaak om het economische partnerschap van de EU met de landen in Azië-Stille Oceaan op een inclusieve manier te versterken, om duurzame vrede, stabiliteit en welvaart te kunnen waarborgen; is verheugd dat de betrekkingen tussen de Volksrepubliek China en Taiwan de afgelopen zes jaar zijn verbeterd en roept alle partijen op tot verdere maatregelen om bij te dragen aan de vreedzame ontwikkeling daarvan;

58.  verzoekt de HV/VV en de EU-lidstaten een nieuwe en krachtige impuls te geven aan onderhandelingen over nucleaire ontwapening en wapenbeheersing; is verheugd over de komende herziening van het Non-proliferatieverdrag in VN-verband – een belangrijke stap in de richting van internationale vrede en veiligheid – en spoort de lidstaten aan een gecoördineerd en proactief standpunt in te nemen in de onderhandelingen; is ingenomen met de inwerkingtreding van het Wapenhandelsverdrag en roept ertoe op het doeltreffend en volledig ten uitvoer te leggen; verzoekt om de instelling van een EU-autoriteit voor wapenhandel om de lidstaten bij te staan bij de interpretatie en de consequente en strikte naleving van de normen die zijn vastgesteld in het gemeenschappelijk standpunt van de EU inzake wapenuitvoer; benadrukt het belang van betere controle achteraf op het gebruik van geëxporteerde wapens;

59.  stelt dat de EU in het verleden in concrete gevallen succesvol heeft gestreden tegen de doodstraf, maar zich nog resoluter moet opstellen; verzoekt de instellingen en de lidstaten om hun inzet voor deze zaak en hun politieke wil te handhaven en te versterken, opdat de doodstraf overal ter wereld definitief wordt afgeschaft;

60.  wijst opnieuw op de noodzaak tot hervorming van de VN-Veiligheidsraad, zodat deze de huidige mondiale situatie beter weerspiegeld; dringt er bij de HV/VV op aan dit tot een prioriteit te maken en de aanzet te geven tot een Europees debat over de hervorming van de VN-Veiligheidsraad; onderstreept in dit verband dat de EU een volwaardig lid van de VN moet worden;

61.  onderstreept nogmaals dat de EU een toonaangevende rol moet vervullen bij het bevorderen van de universele ondertekening en ratificatie van het Statuut van Rome, en het Internationaal Strafhof verder moet versterken en ondersteunen;

62.  herinnert eraan dat de EU zich intensief inzet voor de bestrijding van straffeloosheid en de bevordering van het Statuut van Rome waarbij het Internationaal Strafhof (ICC) is opgericht; is ingenomen met de recente ratificatie van het Statuut van Rome door Palestina;

63.  pleit voor de uitwerking van een coherente strategie voor klimaatveiligheid op EU-niveau om in te spelen op de strategische en politieke gevolgen van de klimaatverandering, zodat de EU zich kan voorbereiden en kan reageren op geopolitieke instabiliteit als gevolg van klimaatverandering, waarbij bijzondere aandacht moet uitgaan naar de samenwerking met ontwikkelingslanden en met landen die het hardst getroffen worden door de gevolgen van de klimaatverandering; erkent het belang van de aanstaande klimaattop in Parijs; roept de EDEO op prioriteit toe te kennen aan diplomatieke activiteiten ten aanzien van klimaatdoelstellingen om steun te krijgen voor een sterke en brede overeenkomst; roept op tot een debat over een toekomstgerichte strategie om door klimaatverandering veroorzaakte migratie te kunnen aanpakken;

64.  roept de EU en haar lidstaten op om op een positieve en gecoördineerde manier bij te dragen aan de totstandkoming van de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015, en wijst op de belangrijke taak van de HV/VV om ervoor te zorgen dat de EU een leidende rol speelt in de onderhandelingen; benadrukt dat in het nieuwe kader de structurele oorzaken van armoede, ongelijkheid en geweld moeten worden aangepakt, door doeltreffende, inclusieve en democratische instellingen, goed bestuur en de rechtsstaat te versterken;

o
o   o

65.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de EU-lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de NAVO, de voorzitter van de Parlementaire Vergadering van de NAVO, de fungerend voorzitter van de OVSE, de voorzitter van de Parlementaire Assemblee van de OVSE, de voorzitter van het Comité van ministers van de Raad van Europa en de voorzitter van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.


Jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2013 en het EU-beleid ter zake
PDF 317kWORD 342k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2013 en het beleid van de Europese Unie ter zake (2014/2216(INI))
P8_TA(2015)0076A8-0023/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) en andere mensenrechtenverdragen en -instrumenten van de Verenigde Naties,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en zijn resolutie van 27 november 2014 over het 25-jarig bestaan van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind(1),

–  gezien de Millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 8 september 2000(2), het VN-ontwikkelingsprogramma voor de periode na 2015 en de resoluties van de Algemene Vergadering,

–  gezien het Europees Verdrag voor de rechten van de mens,

–  gezien de artikelen 2, 3 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie(3), die op 25 juni 2012 door de Raad Buitenlandse Zaken zijn goedgekeurd,

–  gezien het jaarverslag van de EU over de mensenrechten en democratie in de wereld in 2013, dat op 23 juni 2014 door de Raad is aangenomen,

–  gezien het jaarverslag over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen op het gebied van het GBVB in 2013, dat op 22 juli 2014 door de Raad is aangenomen,

–  gezien het jaarverslag 2014 van de Commissie over het beleid van de Europese Unie op het gebied van ontwikkelingshulp en externe steun en de uitvoering daarvan in 2013 (COM(2014)0501), dat op 13 augustus 2014 werd aangenomen, en de begeleidende documenten,

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2013 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2012 en het beleid van de Europese Unie ter zake(4),

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenkwesties,

–  gezien de conclusies van de Raad van 23 juni 2014 over de tiende verjaardag van de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers,

–  gezien zijn resolutie van 17 juni 2010 over het beleid van de Europese Unie ten aanzien van mensenrechtenverdedigers(5),

–  gezien zijn spoedresoluties over gevallen van schendingen van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat,

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2014 over de prioriteiten van de EU voor de 25e zitting van de VN-Raad voor de mensenrechten(6),

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 2 april 2014 over de 69e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties(7),

–  gezien zijn resolutie van 17 november 2011 over steun van de EU voor het Internationaal Strafhof: aangaan van uitdagingen en overwinnen van moeilijkheden(8),

–  gezien zijn resolutie van 17 juli 2014 over het misdrijf agressie(9),

–  gezien zijn resolutie van 7 juli 2011 over het externe beleid van de EU ter bevordering van democratie(10),

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2013 over vrijheid van pers en media in de wereld(11),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 8 maart 2011 getiteld "Een partnerschap voor democratie en gedeelde welvaart met het zuidelijke Middellandse Zeegebied" (COM(2011)0200),

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 20 december 2012 over een moratorium op de doodstraf(12),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2014 over het wereldwijd uitbannen van foltering(13),

–  gezien zijn resolutie van 17 juni 2010 over de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing(14),

–  gezien resoluties 1325, 1820, 1888, 1889 en 1960 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid,

–  gezien het verslag over de indicatoren van de EU voor een alomvattende benadering van de uitvoering door de EU van de resoluties 1325 en 1820 van de VN-Veiligheidsraad inzake vrouwen, vrede en veiligheid, dat op 13 mei 2011 door de Raad is aangenomen,

–  gezien de richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten ter uitvoering van het kader "Protect, Respect and Remedy" van de Verenigde Naties, die door de VN-Raad voor de mensenrechten in resolutie 17/4 van 16 juni 2011 zijn goedgekeurd,

–  gezien de ICT-sectorgids over de uitvoering van de VN-richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten (ICT (information and communication technologies) Sector Guide on Implementing the UN Guiding Principles on Business and Human Rights), die door de Commissie op 17 juni 2013 is gepubliceerd,

–  gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 26 juni 2014 waarin wordt opgeroepen tot de oprichting van een intergouvernementele werkgroep met een onbeperkte samenstelling met als mandaat "de ontwikkeling van een internationaal, juridisch bindend instrument voor de regulering, in het kader van het internationaal recht met betrekking tot de rechten van de mens, van de activiteiten van transnationale en andere ondernemingen",

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten(15),

–  gezien zijn resolutie van 14 februari 2006 over de mensenrechten- en de democratieclausule in door de Europese Unie gesloten overeenkomsten(16),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over mensenrechten, sociale en ecologische normen in internationale handelsovereenkomsten(17),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over internationaal handelsbeleid in de context van de klimaatveranderingsvereisten(18),

–  gezien de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 over het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering,

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2014 over de EU en het mondiaal ontwikkelingskader voor de periode na 2015(19),

–  gezien zijn resolutie van 10 oktober 2013 over discriminatie op grond van kaste(20),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van woensdag 5 maart 2014 over het verantwoord betrekken van mineralen uit conflict- en hoogrisicogebieden: naar een geïntegreerde EU-strategie (JOIN(2014)0008),

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie,

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2013 over corruptie in de publieke en de private sector: het effect op de mensenrechten in derde landen(21),

–  gezien de conclusies van de Raad over de brede aanpak van de EU van 12 mei 2014,

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 18 april 2013 over het VN-beginsel van "verantwoordelijkheid tot bescherming" (Responsibility to Protect, R2P)(22),

–  gezien artikelen 52 en 132, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0023/2015),

A.  overwegende dat in artikel 21 VEU het engagement van de Unie wordt versterkt om een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te ontwikkelen op basis van de beginselen van de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, het bevorderen van het internationaal recht en de rechtspraak en de eerbiediging van de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het internationaal recht; overwegende dat artikel 6, lid 2, VEU, luidt: "De Unie treedt toe tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden";

B.  overwegende dat krachtens artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) de handelspolitiek van de Unie wordt gevoerd in het kader van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie;

C.  overwegende dat de eerbiediging, de bevordering en de vrijwaring van de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten hoekstenen zijn van het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU; overwegende dat de universaliteit van de mensenrechten ernstig in twijfel wordt getrokken door een aantal autoritaire regimes, met name in multilaterale fora;

D.  overwegende dat meer dan de helft van de wereldbevolking nog steeds onder ondemocratische regimes leeft en overwegende dat de voorbije jaren de vrijheid op mondiaal niveau voortdurend is afgenomen;

E.  overwegende dat democratische regimes niet alleen worden gekenmerkt door het organiseren van verkiezingen, maar ook door de eerbiediging van de rechtsstaat, vrijheid van meningsuiting, de eerbiediging van de mensenrechten en de aanwezigheid van een onafhankelijk gerechtelijk apparaat en onpartijdig bestuur;

F.  overwegende dat de geloofwaardigheid van de EU op het vlak van externe betrekkingen en op het internationale toneel erop vooruit zal gaan, als er tussen haar interne en haar externe beleid meer samenhang komt met betrekking tot de democratie en de mensenrechten;

G.  overwegende dat de nieuwe vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) heeft verklaard dat de mensenrechten één van haar overkoepelende prioriteiten zullen zijn en dat zij van plan is de mensenrechten te gebruiken als een leidraad voor alle betrekkingen met derde landen; overwegende dat zij eveneens het engagement van de EU heeft herhaald om de mensenrechten op alle gebieden van buitenlandse betrekkingen "zonder uitzondering" te bevorderen; overwegende dat de goedkeuring van het nieuwe EU-actieplan voor mensenrechten en democratie en de hernieuwing van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten op de EU-agenda van begin 2015 zullen staan;

H.  overwegende dat de Raad op 23 juni 2014 het jaarverslag van de EU over de mensenrechten en democratie in de wereld in 2013 heeft aangenomen, waarin het eerste volledige jaar van de tenuitvoerlegging van het strategisch kader en het actieplan van de Europese Unie voor mensenrechten en democratie wordt besproken; overwegende dat 2013 eveneens het eerste volledige jaar van het nieuwe mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten was; overwegende dat de persoon die de functie van speciale vertegenwoordiger voor de mensenrechten bekleedt, tot taak heeft bij te dragen aan de coördinatie van de activiteiten van de Unie met als doel dat haar werkzaamheden op het gebied van bevordering van de wereldwijde naleving van de mensenrechten, en met name van de rechten van vrouwen, beter worden doorgrond en meer bekendheid krijgen;

I.  overwegende dat het jaarverslag van de EU over de mensenrechten en democratie in de wereld in 2013 en gebeurtenissen die na de verslagperiode hebben plaatsgehad, er sterk aan herinneren dat een grote menselijke prijs wordt betaald voor de niet-eerbiediging van de mensenrechten; overwegende dat er voor de EU aan die niet-eerbiediging van de mensenrechten in derde landen nefaste gevolgen vasthangen, wanneer de niet-eerbiediging van de mensenrechten en het gebrek aan legitieme democratische participatie leiden tot instabiliteit, falende staten, humanitaire crises en gewapende conflicten, fenomenen waarop de EU moet reageren;

J.  overwegende dat het streven van de EU naar een effectief multilateralisme, met de VN als kern, een integraal onderdeel vormt van het externe beleid van de Unie en geworteld is in de overtuiging dat een multilateraal systeem gebaseerd op universele regels en waarden de beste wijze is om de wereldwijde crises, uitdagingen en bedreigingen het hoofd te bieden;

K.  overwegende dat de Europese Unie en de lidstaten sinds de oprichting van het Internationaal Strafhof (International Criminal Court, ICC) trouwe bondgenoten van het ICC zijn, het financiële, politieke, diplomatieke en logistieke steun verschaffen, de universaliteit van het Statuut van Rome bevorderen en de integriteit ervan verdedigen teneinde de onafhankelijkheid van het ICC te verstevigen;

L.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 17 juli 2014 zijn sterke steun heeft herhaald voor de goedkeuring van de Kampala-amendementen op het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof, met inbegrip van het amendement over het misdrijf agressie, en alle EU-lidstaten heeft verzocht de Kampala-amendementen te ratificeren en hun nationale wetgeving ermee in overeenstemming te brengen; overwegende dat het amendement over het misdrijf agressie op internationaal niveau zal bijdragen aan de rechtsstaat alsook aan wereldwijde vrede en veiligheid door het illegaal gebruik van geweld te ontmoedigen en aldus proactief bij te dragen aan de voorkoming van dergelijke misdrijven en aan de consolidering van duurzame vrede;

M.  overwegende dat tijdens de 59e zitting van de VN-Commissie voor de Status van de Vrouw, die van 9 tot 20 maart 2015 in New York wordt gehouden, aandacht zal worden besteed aan de follow-up van de verklaring van Peking en het bijbehorende actieprogramma, met inbegrip van de huidige uitdagingen die een belemmering vormen voor de tenuitvoerlegging ervan en zo ook voor het bereiken van gendergelijkheid en voor de versterking van de positie van vrouwen, en dat ook aandacht zal worden besteed aan de mogelijkheden voor het bereiken van gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen in de agenda voor de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (Millennium Development Goals, MDG) voor de periode na 2015;

N.  overwegende dat gratis lager onderwijs voor alle kinderen een grondrecht is dat in het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989 is vastgesteld; overwegende dat onderwijs voor zowel kinderen als volwassenen armoede en kindersterfte helpt terug te dringen en goede milieupraktijken helpt te bevorderen; overwegende dat toegang tot onderwijs voor iedereen integrerend deel vormt van de MDG aangaande gendergelijkheid, met name wat de voltooiing van het basisonderwijs betreft; overwegende dat er nog een lange weg moet worden afgelegd voor de verwezenlijking van deze doelstelling;

O.  overwegende dat tijdens gewapende conflicten vrouwen en kinderen (waaronder vrouwelijke en minderjarige vluchtelingen), asielzoekers en staatlozen tot de meest kwetsbare groepen in de samenleving behoren en dat ontheemde jonge meisjes tijdens humanitaire crises aan beduidend meer risico's worden blootgesteld;

P.  overwegende dat geen enkele vorm van discriminatie van of geweld tegen vrouwen, zoals seksueel misbruik, genitale verminking van vrouwen, gedwongen huwelijken, zogeheten eremoorden, seksuele uitbuiting van vrouwen voor commerciële doeleinden, en huiselijk geweld, te rechtvaardigen valt op grond van politieke, maatschappelijke, religieuze of culturele factoren of op grond van de tradities van volkeren of stammen;

Q.  overwegende dat er een duidelijk verband bestaat tussen corruptie en schendingen van de mensenrechten; overwegende dat corruptie in de openbare en de particuliere sector ongelijkheid en discriminatie veroorzaakt en verergert, en zo dus het gelijke genot van burger-, politieke, economische, sociale en culturele rechten verhindert; overwegende dat bewezen is dat gevallen van corruptie vaak verband houden met mensenrechtenschendingen, machtsmisbruik en het ontbreken van verantwoordingsplicht;

R.  overwegende dat arbeidsrechten en vakbondsrechten in de hele wereld fel onder vuur liggen, terwijl de werkwijzen van bedrijven een diepe impact hebben op de rechten van werknemers, gemeenschappen en consumenten in en buiten Europa; overwegende dat landen door internationaal recht inzake de mensenrechten verplicht zijn de mensenrechten te beschermen, ervoor te zorgen dat de activiteiten van bedrijven in hun rechtsgebied de mensenrechten niet schenden en dat slachtoffers doeltreffende vormen van genoegdoening ter beschikking hebben;

S.  overwegende dat de bedrijfswereld een belangrijke rol speelt in het bevorderen van de mensenrechten en dat dergelijke inspanningen zeer wenselijk zijn en door overheidsinstellingen wereldwijd ondersteund moeten worden; overwegende dat het bevorderen van de mensenrechten beschouwd moet worden als een platform voor samenwerking tussen overheden en de particuliere sector;

T.  overwegende dat het aan derde landen toegekende SAP+ (stelsel van algemene preferenties plus) een clausule met betrekking tot de naleving van de internationale verdragen inzake mensenrechten en arbeidsrechten vereist;

U.  overwegende dat in artikel 16 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) is bepaald dat mannen en vrouwen van huwbare leeftijd zonder enige beperking op grond van ras, nationaliteit of godsdienst, het recht hebben om te huwen en een gezin te stichten en dat zij gelijke rechten hebben wat het huwelijk betreft, tijdens het huwelijk en bij de ontbinding ervan, en dat een huwelijk alleen wordt gesloten met de vrije en volledige instemming van de aanstaande echtgenoten;

V.  overwegende dat in artikel 14 van de UVRM het recht van elke persoon wordt erkend om in andere landen asiel te zoeken en te genieten tegen vervolging; overwegende dat in het VN-Verdrag betreffende de status van vluchtelingen duidelijk wordt bepaald dat alle vluchtelingen recht hebben op speciale bescherming en geen enkel land een vluchteling mag uitzetten of terugleiden naar een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden;

W.  overwegende dat overeenkomstig artikel 18 van de UVRM eenieder recht heeft op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; overwegende dat het aantal incidenten die verband houden met de vrijheid van godsdienst of geloof sterk is gestegen, onder andere als gevolg van het toenemende aantal conflicten met een religieuze dimensie;

X.  overwegende dat artikel 25 van de UVRM bepaalt dat eenieder recht heeft op een levensstandaard die toereikend is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, en dat moeder en kind recht hebben op bijzondere zorg en bijstand, waaronder medische verzorging; overwegende dat het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, het mensenrechtenverdrag dat door het grootste aantal landen is geratificeerd, zijn 25-jarig bestaan viert; overwegende dat resolutie 26/28 van de Mensenrechtenraad (MRR) oproept om tijdens de volgende vergadering van het Sociaal Forum van de MRR de aandacht te vestigen op toegang tot geneesmiddelen in het kader van het recht van eenieder op het hoogst mogelijke niveau van lichamelijke en geestelijke gezondheid; overwegende dat de statuten van de Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organisation, WHO) bepalen dat het genieten van het hoogst mogelijke niveau van gezondheid een van de grondrechten van ieder mens is, zonder onderscheid naar ras, godsdienst, politieke overtuiging of economische of sociale situatie;

Y.  overwegende dat door de gevolgen van klimaatsverandering, zoals stijgende temperaturen, stijgende zeeniveaus en extremere weersomstandigheden, de uitdagingen van globale instabiliteit zullen intensiveren en het risico op ernstige mensenrechtenschendingen dus ook zal toenemen;

Z.  overwegende dat de toegang tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen een grondrecht is dat voortvloeit uit het recht op een toereikende levensstandaard en onlosmakelijk verbonden is met het recht op het hoogst mogelijke niveau van lichamelijke en geestelijke gezondheid, alsook met het recht op leven en menselijke waardigheid; overwegende dat ongeveer 2,6 miljard mensen − de helft van de bevolking van de ontwikkelingslanden − niet eens beschikken over een "verbeterde" latrine en 1,1 miljard mensen geen toegang hebben tot enige vorm van drinkwater;

AA.  overwegende dat dit verslag, dat wordt opgesteld als antwoord op het door de Raad aangenomen jaarverslag van de EU over de mensenrechten en democratie in de wereld in 2013, een toekomstgerichte analyse is van de EU-activiteiten op dit vlak; overwegende dat het Parlement in zijn resoluties over de vorige jaarverslagen en over de herziening van de mensenrechtenstrategie van de EU heeft onderstreept dat voortdurend moet worden gereflecteerd over zijn eigen praktijken in verband met het integreren van mensenrechten in zijn activiteiten, over de follow-up van zijn dringende resoluties waarin inbreuken op de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat worden veroordeeld, alsook over de follow-up van de clausules aangaande democratie en mensenrechten in alle overeenkomsten tussen de EU en derde landen;

Een centrale plaats voor de mensenrechten in het externe beleid van de EU

1.  herinnert eraan dat in de preambule van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt bevestigd dat de Unie "de mens en de menselijke waardigheid centraal stelt in haar optreden";

2.  vraagt alle EU-instellingen en -lidstaten de mensenrechten een centrale plaats te geven in de betrekkingen van de EU met alle derde landen, met inbegrip van haar strategische partners en in alle verklaringen en vergaderingen op hoog niveau; benadrukt dat het EU-mensenrechtenbeleid op doeltreffende, samenhangende en coherente wijze moet worden uitgevoerd, in overeenstemming met de duidelijke verplichtingen van artikel 21 VEU en van het strategisch kader van de EU voor mensenrechten en democratie; looft de nieuwe VV/HV omdat zij openlijk en vastbesloten haar engagement voor de uitvoering van deze beginselen heeft getoond;

3.  benadrukt dat de lidstaten met één stem moeten spreken om de ondeelbaarheid, onschendbaarheid en universaliteit van de mensenrechten te steunen, en alle internationale door de VN vastgestelde mensenrechteninstrumenten moeten ratificeren; dringt er bij de EU op aan de ondeelbaarheid en onschendbaarheid van de mensenrechten te waarborgen, met inbegrip van de mensenrechten in het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, overeenkomstig artikel 21 VEU; verzoekt de EU universele mensenrechtennormen te blijven bevorderen als basis voor haar betrekkingen met derde landen en regionale organisaties, zowel tijdens politieke besprekingen als tijdens mensenrechtendialogen en handelsbesprekingen;

4.  is verheugd over het besluit van de Commissie om de rechtsstaat centraal te stellen in het uitbreidingsproces; dringt er bij de EU op aan de tenuitvoerlegging van de bepalingen ter bescherming van de mensenrechten en de rechten van personen die tot minderheden behoren, gedurende het uitbreidingsproces nauwlettend te volgen;

5.  waarschuwt er echter voor dat het voortdurend uitbreiden van de lijst van mensenrechten en het opnemen van ideologisch of politiek controversiële kwesties onbedoelde gevolgen kan hebben en er uiteindelijk toe kan leiden dat het idee van de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten niet langer algemeen ondersteund wordt;

6.  wijst erop dat naast het menselijk lijden de EU ook oog moet hebben voor alle gevolgen van de niet-eerbiediging van de mensenrechten, wanneer deze in combinatie met het gebrek aan legitieme democratische participatie leidt tot instabiliteit, falende staten, humanitaire crises of gewapende conflicten, fenomenen die de inspanningen van de EU voor ontwikkeling ondermijnen en waarop de EU of de lidstaten moeten reageren in het kader van het buitenlands en veiligheidsbeleid; is in dit verband tevreden over de recente inspanningen van de EU om mensenrechtenschendingen in de vroegtijdigewaarschuwingsmatrix in verband met crisispreventie op te nemen; vraagt echter om een sterkere preventieve actie en dringt er bij de VV/HV, de Commissie en de lidstaten op aan een op de mensenrechten gebaseerd crisispreventie-element te ontwikkelen dat moet worden toegevoegd aan de alomvattende EU-aanpak van externe conflicten en crisissituaties en moet worden opgenomen in de komende herziening van de Europese veiligheidsstrategie;

7.  is van mening dat de EU, met inbegrip van haar delegaties, vroegtijdige waarschuwingssignalen moet opvangen, zoals onderdrukking van minderheden en schendingen van de mensenrechten, die wijzen op mogelijke conflicten en humanitaire rampen; roept de EU ertoe op beste praktijken te ontwikkelen voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten in de nasleep van rampen en conflicten, met bijzondere aandacht voor personen met een handicap, vrouwen en kinderen en andere kwetsbare groepen, door gegevens te verschaffen en relevante maatregelen te treffen in verband met concrete verwijzingen naar personen met een handicap, de beschikbaarheid van risicobeperkingsplannen die gehandicapten omvatten, opleidingen voor al het relevante dienstverlenend personeel en het deel van de noodopvangplaatsen en hulpcentra dat aan deze personen is aangepast, met de nadruk op de integratie van het mensenrechtenvraagstuk in hulp-, herstel- en wederopbouwactiviteiten, rekening houdend met de humanitaire beginselen van menselijkheid, onpartijdigheid, neutraliteit en onafhankelijkheid en de op behoeften gebaseerde aanpak van humanitaire bijstand;

8.  spoort de Unie aan om te zorgen voor synergieën tussen de verschillende steunmogelijkheden die worden geboden door het Stabiliteitsinstrument, het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten (European Instrument for Democracy and Human Rights, EIDHR) en het Europees Fonds voor Democratie;

9.  is uiterst bezorgd over het toenemend aantal mensenrechtenschendingen als gevolg van terrorisme wereldwijd; verwijst naar een verslag uit 2014 waaruit bleek dat de terroristische activiteit tussen 2012 en 2013 met 62 % is toegenomen en dat het aantal landen dat te maken heeft gehad met terrorisme waarbij meer dan vijftig doden zijn gevallen, is uitgebreid van 15 naar 24; dringt er bij de VV/HV en de EDEO op aan om, aangezien de terroristische activiteit is toegenomen, beter en doeltreffender met overheden samen te werken in de strijd tegen alle vormen van terrorisme;

10.  blijft erbij dat het ontkennen van genocide en andere misdrijven tegen de menselijkheid, evenals racisme, vreemdelingenhaat of religieuze haat een duidelijke schending van de mensenrechten en fundamentele vrijheden vormen, en als zodanig moeten worden veroordeeld;

11.  roept de VV/HV, Federica Mogherini, en de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU op om het debat over de inspanningen van de EU voor de vrijlating van mensenrechtenverdedigers, journalisten, politieke activisten en andere personen die hun rechten vreedzaam uitoefenen, regelmatig op de agenda van de Raad Buitenlandse Zaken te zetten;

Het EU-jaarverslag over de mensenrechten en democratie in de wereld als het rapportage-instrument voor het EU-beleid inzake mensenrechten en democratie

12.  verwelkomt de aanneming door de Raad van het jaarverslag van de Europese Unie over mensenrechten en democratie in de wereld in 2013; nodigt de nieuwe VV/HV uit een engagement aan te gaan voor de toekomst om deel te nemen aan de twee jaarlijkse debatten over het EU-beleid inzake mensenrechten en democratie tijdens de plenaire vergaderingen van het Parlement, het EU-verslag voor te stellen en te reageren op het verslag van het Parlement;

13.  acht het betreurenswaardig dat de Commissie geen schriftelijk antwoord heeft gegeven op de resolutie van het Europees Parlement over het jaarverslag inzake mensenrechten en democratie in de wereld in 2012 en meent dat deze schriftelijke antwoorden uiterst belangrijk zijn voor de interinstitutionele samenwerking op dit vlak en niet kunnen worden vervangen door een debat in de plenaire vergadering, aangezien daar minder tijd is voor reflectie en voor stelselmatige bespreking van alle door het Europees Parlement naar voren gebrachte punten;

14.  looft de EDEO en de Commissie voor hun alomvattende en duidelijke verslaglegging over de EU-acties tijdens de verslagperiode; herhaalt echter zijn standpunt dat de landenverslagen een overzicht moeten bieden van belangrijke positieve en negatieve trends en de doeltreffendheid van de acties van de EU moeten evalueren; wijst erop dat een uitvoerigere openbare verslaglegging, met name op basis van de prioriteiten en indicatoren die zijn geïdentificeerd in de tot nu toe vertrouwelijke landenstrategieën inzake mensenrechten van de EU, zou moeten leiden tot meer samenhang op het vlak van de tenuitvoerlegging van de voorwaarden inzake de mensenrechten of een consistentere beoordeling van de impact van het EU-beleid op de mensenrechten;

15.  blijft van mening dat de EU-instellingen samen moeten streven naar een verbetering van het format van het verslag over de mensenrechten en democratie in de wereld zodat het een groot publiek kan bereiken, maar de alomvattendheid als uitvoeringsverslag over het strategisch kader en het actieplan van de Europese Unie voor mensenrechten en democratie behouden blijft; herhaalt dat het Parlement bereid is deel te nemen aan een actieve en constructieve samenwerking tussen de EU-instellingen ter voorbereiding van de toekomstige verslagen; herhaalt zijn verzoek om in het jaarverslag een hoofdstuk op te nemen over de tenuitvoerlegging van het actieplan door de lidstaten;

De tenuitvoerlegging van het strategisch kader en het actieplan van de Europese Unie

16.  herhaalt zijn tevredenheid over het strategisch kader en het actieplan van de Europese Unie voor mensenrechten en democratie, die in 2012 door de Raad werden goedgekeurd en die het als een belangrijke mijlpaal beschouwt voor een koerswijziging op het vlak van ontwikkelingsbeleid en als herbevestiging van het engagement van de EU ten aanzien van de verdragsverplichting om de mensenrechten te integreren in het hele externe beleid van de EU "zonder uitzondering";

17.  herinnert eraan dat de mensenrechten een essentieel onderdeel zijn geworden van het externe optreden van de Europese Unie en een werkelijk onderdeel van haar identiteit in haar bilaterale, multilaterale en institutionele betrekkingen;

18.  waardeert de inspanningen van de EDEO en de Commissie om verslag uit te brengen aan het Parlement over de tenuitvoerlegging van het eerste actieplan van de Europese Unie voor mensenrechten en democratie; verzoekt de VV/HV en de EDEO de lidstaten, de Commissie, het Parlement, het maatschappelijk middenveld en regionale en internationale organisaties te betrekken bij de herziening en de raadplegingen die moeten resulteren in de goedkeuring van een nieuw actieplan, dat begin 2015 in werking moet treden; is verheugd over de discussies die ertoe moeten leiden dat in het nieuwe actieplan de prioriteiten binnen de doelstellingen duidelijker worden gesteld en dat de begrijpelijkheid, doelmatigheid en coherentie van dit instrument van het buitenlands beleid van de Europese Unie wordt verbeterd, maar waarschuwt dat het toepassingsgebied van het actieplan niet mag worden ingeperkt en het ambitieniveau op het vlak van het integreren van de mensenrechten in alle EU-beleidsdomeinen niet mag worden verlaagd;

19.  spoort alle actoren van het externe optreden van de EU ertoe aan voldoende betrokken te zijn bij het buitenlands beleid van de EU op het gebied van mensenrechten en de verschillende beschikbare instrumenten en wil dat ervoor gezorgd wordt dat deze actoren altijd en overal rekening houden met de mensenrechten, onder meer door het regelmatig organiseren van opleidingen over mensenrechten voor betrokken ambtenaren;

20.  uit zijn specifieke bekommernis over de uitvoering van de in het strategisch kader gedane belofte om "de mensenrechten een centrale plaats te geven in de betrekkingen van de EU met alle derde landen, met inbegrip van haar strategische partners"; dringt er dan ook bij de VV/HV en de EDEO op aan gerichte aandacht te besteden aan het nakomen van deze belofte en ervoor te zorgen dat mensenrechten en democratie worden geïntegreerd in de betrekkingen van de EU met haar strategische partners in centrale gelegenheden zoals topvergaderingen en conclusies van de Raad; beveelt voorts aan dat wanneer een partnerland waarmee een overeenkomst is afgesloten, de mensenrechten op ernstige wijze schendt, de EU doeltreffender optreedt bij de uitvoering van de passende sancties zoals vastgelegd in de mensenrechtenclausules van de overeenkomst, met inbegrip van een eventuele (tijdelijke) opschorting van de overeenkomst;

21.  roept de VV/HV op om in samenwerking met alle commissarissen een programma op te stellen dat mensenrechten in verschillende activiteiten van de EU integreert, met name op het gebied van ontwikkeling, migratie, milieu, werkgelegenheid, gegevensbescherming op het internet, handel, investeringen, technologie en het bedrijfsleven;

22.  is verheugd over de publieke verklaring van de VV/HV dat de EU haar strategie met al haar strategische partners, ook met China en Rusland, moet herzien, en roept haar op om tijdens haar mandaat een prioriteit te maken van de mensenrechten in deze landen, door te verduidelijken dat ernstige schendingen van de mensenrechten de bilaterale betrekkingen tussen de EU en haar strategische partners ondermijnen;

Het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de EU voor mensenrechten

23.  erkent het belang van het mandaat van de allereerste speciale vertegenwoordiger van de EU (SVEU) voor mensenrechten en looft de huidige houder van het mandaat voor het tot nog toe verrichte werk; moedigt de SVEU aan de zichtbaarheid en betrokkenheid van de EU bij multilaterale en regionale mensenrechtenmechanismen (de VN, de Raad van Europa, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten, de Afrikaanse Unie, de Organisatie van Islamitische Samenwerking) te blijven verhogen, de belangrijkste thematische prioriteiten van de EU te blijven bevorderen, met inbegrip van die in de recent aangenomen EU-mensenrechtenrichtsnoeren, te blijven werken aan het stimuleren van het maatschappelijk middenveld in de hele wereld en te blijven bijdragen aan het integreren, de coherentie, de samenhang en de doeltreffendheid van het EU-mensenrechtenbeleid en het juiste evenwicht te vinden tussen stille en openbare diplomatie; acht het noodzakelijk dat de speciale vertegenwoordiger voor mensenrechten een grotere zichtbaarheid krijgt, initiatiefrecht heeft en in het openbaar het woord mag nemen en daarbij kan steunen op de verschillende diensten van de EU-instellingen teneinde een goede coördinatie te garanderen;

24.  vraagt de Raad als algemeen beginsel aan te nemen dat in het mandaat van de toekomstige geografische SVEU's wordt opgenomen dat zij moeten samenwerken met de SVEU voor mensenrechten;

25.  vraagt dat de positie van de SVEU voor mensenrechten behouden blijft zodat dit een permanente functie wordt met voldoende middelen om de rol te ondersteunen, zoals door het gebruik van openbare diplomatie;

Interne/externe samenhang in het EU-beleid inzake mensenrechten en democratie

26.  benadrukt dat het mensenrechtenbeleid van de EU consistent moet voldoen aan de uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen, voor de nodige samenhang tussen het binnenlandse en het buitenlandse beleid moet zorgen en dubbele maatstaven moet vermijden; roept daarom op de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over mensenrechten en strategische partners aan te nemen; vraagt in dit verband dat voor ambtenaren van de lidstaten en van de EU-instellingen gemeenschappelijke drempels worden vastgesteld op het gebied van mensenrechtenkwesties die zij minimaal aan de orde moeten stellen bij hun strategische tegenhangers, terwijl rekening wordt gehouden met de situatie in elk land;

27.  benadrukt dat een coherent optreden van de EU ten aanzien van derde landen absoluut noodzakelijk is voor haar geloofwaardigheid en dus ook voor haar doelmatigheid en dat verschillende en onsamenhangende benaderingen de effectiviteit van haar optreden ondermijnen en ertoe leiden dat haar discours over mensenrechten niet altijd wordt gehoord; herinnert eraan dat ondanks de talrijke moeilijkheden in het verleden coherentie een prioriteit blijft in het kader van het buitenlands beleid en dat deze coherentie centraal moet staan in het mandaat van alle actoren van dit beleid;

28.  acht het bovendien noodzakelijk dat de eisen op het gebied van mensenrechten die de EU in haar betrekkingen met derde landen stelt, ook op de lidstaten van toepassing zijn; herinnert er daarom aan dat het Europees Parlement elk jaar een door de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken opgesteld verslag goedkeurt over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie;

29.  roept de EDEO op om het beheer, de controle en de verantwoording van EU-middelen ter verdediging van de mensenrechten te versterken;

30.  wijst op de aanzienlijke uitdagingen die de annexatie van de Krim door Rusland en zijn aanhoudende militaire aanwezigheid in het oosten van Oekraïne met zich meebrengen; onderstreept dat dit agressief beleid een voortzetting is van het afglijden van Rusland naar een autoritair bewind en de verslechtering van de mensenrechtensituatie in het land; benadrukt dat Rusland nu een "strategische uitdaging" vormt voor de EU en niet langer voldoet aan de criteria voor strategisch partnerschap;

31.  roept de EU op om binnenlandse uitdagingen op het gebied van de mensenrechten effectief aan te pakken, zoals de situatie van de Roma, de behandeling van vluchtelingen en migranten, de discriminatie van LGBTI's, de omstandigheden in gevangenissen of de vrijheid van media in de lidstaten, teneinde de geloofwaardigheid en consistentie van haar buitenlandse mensenrechtenbeleid te behouden; acht het betreurenswaardig dat de Roma-minderheid slachtoffer blijft van discriminatie, racisme en sociale uitsluiting, zowel binnen de Europese Unie als in kandidaat-lidstaten van de EU in de Westelijke Balkan en Turkije; merkt in dit verband op dat de eerbiediging van de rechten van minderheden een van de grootste uitdagingen is die zijn vastgesteld in de uitbreidingsstrategie van de Commissie voor 2014-2015;

EU-mensenrechtenbeleidsinstrumenten

Landenstrategieën inzake mensenrechten en de rol van de EU-delegaties

32.  looft de EDEO voor de succesvolle voltooiing van de eerste reeks landenstrategieën inzake mensenrechten, die met een grote betrokkenheid van de EU-delegaties werden ontwikkeld; acht het blijvend gebrek aan transparantie met betrekking tot de inhoud van de landenstrategieën alsook het ontbreken van een effectieve informatieverstrekking aan het Parlement evenwel betreurenswaardig en vraagt nogmaals om ten minste de belangrijkste prioriteiten van elke landenstrategie openbaar te maken en om het Parlement in een gepast kader toegang te verlenen tot deze strategieën zodat het deze naar behoren kan controleren; moedigt de EDEO aan indicatoren aan te nemen op basis waarvan hun doeltreffendheid kan worden geëvalueerd en de onderdelen van het jaarverslag over mensenrechten en democratie over specifieke landen explicieter te beschouwen als uitvoeringsverslagen van de landenstrategieën; herinnert aan de verbintenis van de EU om ervoor te zorgen dat de mensenrechtenstrategieën op alle niveaus van beleidsvorming met derde landen in acht worden genomen, waaronder tijdens mensenrechten- en politieke dialogen;

33.  benadrukt dat de delegaties van de EU een jaarverslag van hun activiteiten op het gebied van de mensenrechten moeten opstellen;

34.  is verheugd over het bijna voltooide netwerk van contactpunten voor de mensenrechten en verbindingsfunctionarissen voor mensenrechtenverdedigers in de EU-delegaties; verzoekt de VV/HV en de EDEO duidelijke operationele richtsnoeren over hun rol in de delegaties te ontwikkelen zodat zij hun potentieel volledig kunnen vervullen en geloofwaardige normen kunnen vaststellen en er samenhang tussen de EU-delegaties bestaat;

35.  is voorstander van een versterkte samenwerking tussen de wereldwijde diplomatieke netwerken van de lidstaten en de EU-delegaties teneinde een bijdrage te kunnen leveren aan de werkzaamheden van de mensenrechtenwerkgroepen in derde landen;

36.  roept de EDEO op om ervoor te zorgen dat de gevallen van gevangengezette mensenrechtenverdedigers worden besproken tijdens alle vergaderingen van de EU met derde landen op hoog niveau, met inbegrip van de vergaderingen van de samenwerkingsraad/associatieraad; dringt erop aan dat alle landenstrategieën inzake mensenrechten van de EU met derde landen een hoofdstuk over gevangengezette mensenrechtenverdedigers moeten bevatten;

37.  herinnert aan de verbintenis om mensenrechten in alle effectbeoordelingen van de EU op te nemen; benadrukt het belang van deze verbintenis om ervoor te zorgen dat de EU de mensenrechten eerbiedigt, beschermt en toepast en om ervoor te zorgen dat haar externe beleidsmaatregelen en activiteiten worden opgezet en uitgevoerd met het oog op de versterking van de mensenrechten in het buitenland; roept de EU op om, in nauwer overleg en samenwerking met het maatschappelijk middenveld en de EU-instellingen, de kwaliteit en stelselmatigheid van de effectbeoordelingen inzake mensenrechten te verbeteren;

Mensenrechtendialogen en -overleg

38.  herhaalt zijn steun voor mensenrechtendialogen als een instrument van het EU-mensenrechtenbeleid mits deze geen doel op zich zijn, maar een middel om specifieke toezeggingen en resultaten van de partner te verkrijgen; erkent dat het waardevol is een mensenrechtendialoog aan te gaan met name met landen met ernstige mensenrechtenproblemen; benadrukt echter dat de EU duidelijke politieke conclusies moet trekken wanneer de mensenrechtendialogen geen positieve resultaten opleveren omdat de partner niet bereid is om te goeder trouw te onderhandelen of zich er niet oprecht toe verbindt om veranderingen door te voeren, en dat nadruk moet worden gelegd op publieksdiplomatie om ervoor te zorgen dat de geloofwaardigheid van het EU-mensenrechtenbeleid bij het publiek niet in het gedrang komt; waarschuwt voorts dat mensenrechtendiscussies niet mogen worden losgekoppeld van de dialogen op hoog politiek niveau; staat erop dat individuele gevallen van mensenrechtenverdedigers die gevaar lopen of gevangen genomen zijn, en van politieke gevangenen effectief door de EU worden aangekaart op een navolgbare en transparante manier; dringt erop aan in het geval van grove schendingen van de mensenrechten deze kwestie centraal te stellen in de politieke dialoog op alle niveaus;

39.  spoort de EDEO aan een alomvattend toetsingsmechanisme te ontwikkelen waarmee de dialogen kunnen worden beoordeeld, aangezien in bepaalde landen geen wezenlijke en tastbare resultaten worden bereikt; roept de EU verder op om haar benchmarks te versterken om resultaten te kunnen meten en de dialogen doeltreffender te maken, hetgeen ertoe zou bijdragen landen met ernstige problemen op het gebied van de mensenrechten dichter bij de internationale normen inzake mensenrechten te brengen; spoort de EU aan om, aangezien bijvoorbeeld de dialoog tussen de EU en China over de mensenrechten er niet in is geslaagd om tot wezenlijke en tastbare resultaten te komen en in het licht van de recente ontwikkelingen in Hongkong, haar mensenrechtenstrategie te herzien en een coherentere, uniformere en strategischere benadering van de mensenrechten te hanteren;

40.  acht het betreurenswaardig dat er als gevolg van de uiteenlopende structuren, formats, frequenties en methoden en de vertrouwelijkheid van de uitwisselingen geen echte mechanismen voor de opvolging en evaluatie van deze dialogen en geen voortgangsindicatoren bestaan; raadt aan om in samenspraak met het Parlement de doelstellingen van elke dialoog te verduidelijken en de resultaten te evalueren;

41.  dringt er bij de EDEO op aan om verder samen te werken met alle landen waarmee de dienst op dit moment mensenrechtendialogen voert door de respectieve autoriteiten te vragen concrete toezeggingen te doen en door de tijdens de besprekingen gestelde eisen regelmatig op te volgen;

EU-mensenrechtenrichtsnoeren

42.  is verheugd over de goedkeuring door de Raad van de EU-richtsnoeren voor de bevordering en de bescherming van het genot van alle mensenrechten door lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI), de EU-richtsnoeren tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging (allebei tijdens het verslagjaar 2013) en de EU-richtsnoeren over de vrijheid van meningsuiting online en offline in 2014;

43.  herinnert eraan dat de goedkeuring van richtsnoeren niet mag leiden tot enige selectiviteit in het mensenrechtenstelsel, omdat de beginselen van universaliteit en ondeelbaarheid prioritair moeten blijven; verzoekt de Commissie meer duidelijkheid te verschaffen over de manier waarop de onderwerpen die het voorwerp worden van richtsnoeren worden gekozen, en in samenwerking met het Parlement en de actoren van het maatschappelijk middenveld selectiecriteria vast te leggen;

44.  verzoekt de Commissie de richtsnoeren aan te vullen en begrijpelijker te maken door een uniformisering van zowel de inhoud als de vorm van de richtsnoeren die doelstellingen, criteria, middelen, tijdschema en indicatoren moeten omvatten en in een regelmatige evaluatie moeten voorzien; herinnert er in deze context aan dat het Parlement recentelijk heeft aanbevolen de richtsnoeren met betrekking tot foltering op een "doeltreffende en resultaatgerichte" manier toe te passen;

45.  beveelt aan de actoren van het maatschappelijk middenveld meer te betrekken bij de uitwerking, evaluatie en herziening van richtsnoeren;

46.  dringt er bij de EDEO en de Raad op aan passende maatregelen te treffen om de EU-richtsnoeren op landenniveau uit te voeren en te evalueren; moedigt de EDEO en de lidstaten eveneens aan voortdurende opleiding en bewustmaking te verstrekken aan het personeel van de EDEO en de EU-delegaties alsook aan diplomaten van de lidstaten om ervoor te zorgen dat de EU-richtsnoeren inzake mensenrechten, zoals bedoeld, bijdragen aan de beleidsvorming op het terrein;

Het EU-beleid ter ondersteuning van democratisering en verkiezingen

47.  benadrukt dat democratische regimes niet alleen worden gekenmerkt door het organiseren van verkiezingen, maar ook door eerbiediging van de rechtsstaat, vrijheid van meningsuiting, eerbiediging van de mensenrechten en de aanwezigheid van een onafhankelijk gerechtelijk apparaat en onpartijdig bestuur; verzoekt de Commissie en de EDEO democratische processen in derde landen te ondersteunen; benadrukt in dit verband dat follow-up moet worden gegeven aan de verslagen en aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissies door deze te gebruiken als deel van het engagement van de EU ter ondersteuning van democratie in het betrokken land en door de hoofdwaarnemer een speciale rol te geven bij de monitoring van deze follow-up van de aanbevelingen, en dat dit een coherent deel moet uitmaken van de alomvattende democratieondersteunende aanpak van het Parlement en de steun van vaste organen van het Parlement moet genieten; merkt op dat de verkiezingswaarnemingsmissies van de EU in dit opzicht een belangrijke rol kunnen spelen om de geloofwaardigheid van de EU als partner te garanderen;

48.  verzoekt de EU te blijven werken aan de definitie van beste praktijken op dit vlak teneinde democratiseringsprocessen te steunen en te consolideren; moedigt de ontwikkeling aan van zowel beleidsinstrumenten als operationele instrumenten die in prioritaire landen moeten worden toegepast om maatregelen die de mensenrechten en democratie ondersteunen (met inbegrip van conflictpreventiemaatregelen en bemiddeling) op een coherente, flexibele en geloofwaardige manier in de EU-aanpak te integreren;

49.  benadrukt dat politieke overgangsprocessen en democratisering gepaard moeten gaan met de eerbiediging van mensenrechten, de bevordering van gerechtigheid, transparantie, verantwoordingsplicht, de rechtsstaat en de totstandbrenging van democratische instellingen; verzoekt om de stelselmatige ondersteuning van vrij en eerlijk gekozen parlementen door de EU; benadrukt dat het nodig is te investeren in de politieke dialoog tussen regerings- en oppositiepartijen;

50.  herinnert eraan dat de Europese Unie na de Arabische Lente haar nabuurschapsbeleid ten aanzien van het zuidelijke Middellandse Zeegebied heeft herzien en daarbij de nadruk heeft gelegd op het belang van het maatschappelijk middenveld en het beginsel "meer voor meer" om sterkere partnerschappen met de buurlanden tot stand te brengen en hen te steunen bij hun democratische hervormingen en overgangsprocessen;

51.  is van mening dat de betrekkingen van de EU met alle derde landen moeten worden gestuurd door de "meer voor meer"-benadering, en dat de EU aan partnerlanden alleen een "gevorderde status" mag toekennen als zij voldoen aan duidelijke eisen op het vlak van mensenrechten en democratie, en dat ze niet moet aarzelen deze status te bevriezen als deze eisen niet meer worden nageleefd;

52.  vraagt om effectief gebruik te maken van nieuwe technologieën en het internet om informatie over mensenrechten en democratie, alsook over EU-programma's, zo toegankelijk mogelijk te maken voor mensen overal ter wereld;

53.  is tevreden over de verkennende werkzaamheden die negen EU-delegaties tot nog toe voor een land hebben uitgevoerd om meer coherentie te bereiken voor democratieondersteuning in de buitenlandse betrekkingen van de EU, waarvoor de aanzet werd gegeven in de conclusies van de Raad van 2009 en 2010 en zoals werd vastgelegd in het strategisch kader en het actieplan van de Europese Unie voor mensenrechten en democratie in 2012;

54.  vraagt dat de Commissie en de EDEO de coördinatie met het Parlement verbeteren met betrekking tot de tweede reeks van landen waarvoor verkennende werkzaamheden worden verricht, om ervoor te zorgen dat alle EU-instellingen deelnemen en hun expertise bundelen voor de doeltreffende verwezenlijking van democratieondersteuning in derde landen;

55.  looft het Europees Fonds voor Democratie voor zijn efficiënte werk ter bevordering van de democratie in onze regio en is voorstander van een voorzichtige uitbreiding van zijn mandaat naar andere maatschappijen die met democratisering worstelen; roept de lidstaten op om, in het kader van solidariteit en engagement, voldoende middelen uit te trekken voor de begroting van het fonds, zodat het zo flexibel en doeltreffend mogelijk steun kan verlenen aan lokale spelers op het vlak van democratische verandering;

56.  benadrukt dat het belangrijk is de rol van vrouwen te versterken bij het bevorderen van mensenrechten en democratische hervormingen, het ondersteunen van conflictpreventie en het consolideren van politieke participatie en vertegenwoordiging; merkt in dit verband ook op dat de in de rapporten van de verkiezingswaarnemingsmissies van de EU geformuleerde aanbevelingen betreffende de gelijkgerechtigde deelname van vrouwen aan het verkiezingsproces in acht genomen en in maatregelen omgezet moeten worden;

57.  herinnert eraan dat uitbreiding de meest succesvolle inspanning van de EU op het vlak van democratisering is geweest en benadrukt dat de onderhandelingen met de landen in de Westelijke Balkan het belangrijkste instrument blijven om deze landen te helpen een volwaardige democratische maatschappij te stichten;

EU-steun voor verdedigers van de mensenrechten

58.  is tevreden over de specifieke conclusies van de Raad over mensenrechtenverdedigers naar aanleiding van de tiende verjaardag van de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers; looft voorts de Commissie voor het verhoogd gebruik van middelen van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten als noodsubsidies aan mensenrechtenverdedigers die aan een onmiddellijke dreiging zijn blootgesteld, en moedigt de Commissie aan nieuwe manieren te blijven zoeken om mensenrechtenverdedigers te steunen; herinnert in deze context aan het belang van het Europees Fonds voor Democratie als instrument voor bevordering en bescherming van prodemocratische militanten, bloggers en journalisten in de hele wereld;

59.  betreurt het dat de vervolging en marginalisering van mensenrechtenverdedigers wereldwijd een algemene tendens blijft, met name in landen die de universaliteit van de mensenrechten niet onderschrijven;

60.  roept de EU op om bijzondere aandacht te besteden aan mensenrechtenverdedigers overal ter wereld die zijn gevangengezet en wijst erop dat de EU als geheel meer actie moet ondernemen om te zorgen voor de vrijlating van deze personen door, onder andere, een interne werkgroep op te richten in het Europees Parlement die zich, middels nauwe samenwerking met het maatschappelijk middenveld, op de hoogte houdt van de gevallen van gevangengezette activisten overal ter wereld;

61.  herhaalt zijn verzoek aan de EDEO om ngo's, mensenrechtenverdedigers, burgeractivisten, journalisten en advocaten te blijven verdedigen door de doeltreffendheid van de EU-mensenrechtendialogen te verhogen en de thematische prioriteiten en richtsnoeren inzake mensenrechten van de EU te bevorderen; spoort in dit verband aan campagnes te organiseren om mensenrechtenverdedigers ook in de meer afgelegen gebieden van derde landen te bereiken, teneinde bij te dragen tot de uitvoering van de EU-beleidsdoelstellingen;

62.  roept de EDEO en de Commissie op om ervoor te zorgen dat EU-subsidies en andere programma's niet alleen ter beschikking worden gesteld van grote ngo's, maar ook worden ingezet om lokale capaciteit op te bouwen; dringt daarom aan op het verminderen van de bureaucratische last zonder afbreuk te doen aan de verantwoordingsplicht in uitvoerings- en boekhoudkundige procedures en met inachtneming van de steeds grotere druk die repressieve regimes het maatschappelijk middenveld opleggen; roept op tot een pragmatischere benadering van maatschappijen in de overgang naar democratie, om ervoor te zorgen dat de juiste organisaties en individuen worden ondersteund;

63.  verzoekt de EDEO en de EU-delegaties een pragmatische en echte politieke dialoog aan te gaan met mensenrechtenverdedigers en ngo's en zo de beste manier te vinden om een omgeving te steunen die bevorderlijk is voor hun werk; vraagt de EU haar actieve diplomatie in derde landen te verbeteren en de positie van de contactpunten voor de mensenrechten te versterken om mensenrechten in het dagelijkse politieke werk van de relevante EU-delegaties te integreren door de namen van politieke gevangenen systematisch ter sprake te brengen, proceswaarnemingen uit te voeren, gevangenisbezoeken af te leggen en deze zaken te blijven volgen; benadrukt dat de EU publieksdiplomatie moet gebruiken om mensenrechtenverdedigers te steunen en de vrijlating van gevangengezette mensenrechtenactivisten te vragen; staat erop dat vooraanstaande vertegenwoordigers van de EU, met name de VV/HV, de voorzitter van de Raad, leden van de Commissie, speciale vertegenwoordigers van de EU en overheidsfunctionarissen van de lidstaten stelselmatig mensenrechtenverdedigers ontmoeten, vooral tijdens hun reizen naar landen waar het maatschappelijk middenveld onder druk staat;

64.  roept de VV/HV en de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU op om een jaarlijkse bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken te organiseren teneinde de inspanningen van de EU voor de vrijlating van mensenrechtenverdedigers, journalisten, politieke activisten en anderen die hun rechten vreedzaam uitoefenen te bespreken, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan de gevallen die zijn behandeld in de resoluties van het Parlement over inbreuken op de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat;

EU-steun voor universele mensenrechten en multilaterale mensenrechtenorganisaties

65.  herhaalt het engagement van het Parlement en de Subcommissie mensenrechten ter ondersteuning van een sterk multilateraal mensenrechtensysteem onder auspiciën van de VN, met inbegrip van de Derde Commissie van de Algemene Vergadering, de Mensenrechtenraad, het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten en soortgelijke gespecialiseerde VN-agentschappen, zoals de Internationale Arbeidsorganisatie, alsook de speciale procedures van de VN;

66.  herinnert aan het belang van de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de tenuitvoerlegging ervan door de betrokken landen, wat betreft de eerbiediging en de bestendiging van de mensenrechten als basiswaarden en -beginselen;

67.  herhaalt zijn eenduidige voorkeur vóór de institutionalisering van zijn aanwezigheid bij de zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, zoals werd gesteld in zijn resolutie van 7 februari 2013 over de EU-prioriteiten voor de 22e vergadering van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties, en is van mening dat het EP een delegatie moet blijven sturen naar relevante zittingen van de VN-Mensenrechtenraad en de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en betreurt dat dit in 2014 werd onderbroken;

68.  herhaalt dat de EU actief moet deelnemen aan alle VN-mensenrechtenmechanismen, vooral de Derde Commissie van de Algemene Vergadering en de Mensenrechtenraad; spoort de EU-lidstaten aan hieraan invulling te geven door steun te verlenen aan en het initiatief te nemen voor resoluties, actief deel te nemen aan debatten en interactieve dialogen, en verklaringen af te leggen; spreekt krachtig zijn steun uit voor de toenemende deelname van de EU aan interregionale initiatieven;

69.  benadrukt opnieuw het belang van doeltreffende coördinatie en samenwerking tussen de EDEO, de Commissie, het Parlement en de EU-lidstaten op het gebied van mensenrechtenkwesties; spoort de EDEO aan om, met name via de EU-delegaties in New York en Genève, de samenhang van het EU-optreden te vergroten door middel van tijdig en inhoudelijk overleg teneinde het EU-standpunt met één stem te brengen;

70.  herinnert aan het belang van het optreden van de Europese Unie binnen de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) op het moment dat deze zich opmaakt voor de balans van haar veertigjarig bestaan; raadt aan de banden van de EU met de OVSE en de Raad van Europa verder te versterken;

71.  wijst er eveneens op dat het werk van de Raad van Europa op dit gebied van groot belang is en dat de Europese Unie, overeenkomstig de verdragen, snel tot het Europees Verdrag voor de rechten van de mens moet toetreden;

72.  wijst er opnieuw op hoe belangrijk het is om de in New York en Genève uitgevoerde werkzaamheden in de context van de Algemene Vergadering van de VN, de Derde Commissie en de Mensenrechtenraad te integreren in de relevante interne en externe activiteiten van de EU teneinde samenhang te garanderen;

EU-beleid inzake internationale strafrechtspleging en het Internationaal Strafhof

73.  herhaalt zijn volledige steun voor de werkzaamheden van het Internationaal Strafhof (ICC) die erop zijn gericht een einde te maken aan de straffeloosheid ten aanzien van plegers van de ernstigste misdaden die de internationale gemeenschap aangaan en gerechtigheid te bieden aan slachtoffers van oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide; blijft alert voor pogingen om de legitimiteit of de onafhankelijkheid van het ICC te ondermijnen; herinnert aan de essentiële rol die het ICC vervult in het tweeledige proces van rechtspraak en verzoening; spoort de EU en de lidstaten van de EU aan om samen te werken met het Hof om het sterke diplomatieke en politieke steun te bieden in haar bilaterale betrekkingen en in alle fora, waaronder de VN; uit zijn bezorgdheid dat meerdere aanhoudingsbevelen nog niet zijn uitgevoerd; dringt er bij de EU en haar lidstaten en de speciale vertegenwoordigers van de EU op aan om het Internationaal Strafhof, de handhaving van zijn besluiten en de strijd tegen straffeloosheid met betrekking tot misdaden onder het Statuut van Rome, actief te promoten; beschouwt het groeiende aantal staten dat partij is als een belangrijke ontwikkeling voor de versterking van het universele karakter van het Hof; is ingenomen met de ratificatie van het Statuut van Rome door Ivoorkust in februari 2013, maar betreurt het dat geen enkel land het statuut heeft geratificeerd in 2014; moedigt de EU en de lidstaten van de EU aan om meer inspanningen te doen voor het bevorderen van de ratificering en tenuitvoerlegging van het Statuut van Rome teneinde de toegang van slachtoffers van ernstige misdaden tot justitie onder het internationaal recht te verruimen; roept de lidstaten van de EU, als partijen bij het Statuut van Rome van het ICC, op om het van voldoende middelen te voorzien zodat het zijn mandaat eerlijk en doeltreffend kan uitoefenen; moedigt de EU aan om bijstand te blijven verlenen aan internationale strafrechtspleging en het ICC, onder meer door actoren in het maatschappelijk middenveld te steunen via het EIDHR;

74.  herhaalt zijn oproep voor de invoering van de functie van speciale vertegenwoordiger van de EU voor internationale rechtspraak en internationaal humanitair recht om deze onderwerpen de aandacht en zichtbaarheid te geven die ze verdienen, om de agenda van de EU doeltreffend vooruit te helpen en de strijd tegen straffeloosheid in alle externe maatregelen van de EU te integreren;

75.  betreurt het dat het Statuut van Rome van het internationaal Strafhof nog niet is opgenomen in de lijst van verdragen die vereist zijn voor de SAP+-status, zoals vermeld in de nieuwe SAP-verordening; merkt op dat een aantal SAP+-aanvragers (bv. Armenië en Pakistan) geen partij is bij het statuut of dit niet heeft geratificeerd; herhaalt zijn aanbeveling dat het Statuut van Rome moet worden toegevoegd aan de toekomstige lijst van verdragen;

76.  herhaalt zijn verzoek aan de EU om een gemeenschappelijk standpunt aan te nemen over het misdrijf agressie en de Kampala-amendementen en roept de EU-lidstaten op hun nationale wetgeving spoedig in overeenstemming te brengen met de definities in de Kampala-amendementen en andere verplichtingen in het kader van het Statuut van Rome, zodat lidstaten nationale onderzoeken en vervolgingen kunnen uitvoeren en de samenwerking met het ICC kan worden versterkt;

77.  roept, in het licht van de herdenking van de Armeense genocide van honderd jaar geleden, alle lidstaten van de EU op om deze gebeurtenis te erkennen en moedigt hen en de EU-instellingen aan om verder bij te dragen tot de erkenning van de Armeense genocide;

78.  spoort de EDEO aan om goede praktijken op het gebied van de rechten, bescherming en ondersteuning van slachtoffers van misdaad en geweld in derde landen te verspreiden en beleid ter bestrijding van corruptie uit te wisselen met derde landen, aangezien corruptie vaak leidt tot straffeloosheid en voor slachtoffers vaak de oorzaak is van hun onrecht;

EU-actie tegen de doodstraf

79.  keert zich ondubbelzinnig tegen de doodstraf en spoort de EU en de lidstaten aan de mondiale afschaffing ervan als de kern van hun beleid te beschouwen; dringt er bij de EDEO op aan waakzaam te blijven voor ontwikkelingen in alle landen en alle beschikbare middelen om invloed uit te oefenen te gebruiken;

80.  geeft zijn volledige steun aan de resolutie van december 2014 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over "Moratorium op het gebruik van de doodstraf"(23),

81.  roept de EU op middels samenwerking en diplomatie in alle mogelijke fora wereldwijd te blijven pleiten voor de afschaffing van de doodstraf, in overeenstemming met de richtsnoeren van de EU inzake de doodstraf, en er tevens voor te zorgen dat het recht op een eerlijk proces van elke persoon die terechtgesteld dreigt te worden, volledig geëerbiedigd wordt, zonder het gebruik van foltering of andere vormen van mishandeling om bekentenissen af te dwingen;

82.  uit zijn bezorgdheid over de gemelde toename van het aantal executies wereldwijd van 2012 ten opzichte van 2013, hoewel in een steeds kleiner aantal landen executies worden uitgevoerd; roept de EU op actie te nemen tegen het blijvend hoge aantal terechtstellingen in China en Iran, de hervatting van de executies in 2013 in Indonesië, Koeweit, Nigeria en Vietnam, de terechtstelling van minderjarigen in Iran, Saoedi-Arabië en Jemen in 2013 en de opvallende toename van het aantal gemelde executies in Irak en Saoedi-Arabië;

83.  is verheugd dat in de Verenigde Staten de discussie over de willekeur en vatbaarheid voor fouten van de doodstraf weer is opgeflakkerd, dat campagne wordt gevoerd om de toevoer van voor executies gebruikte stoffen van Europa naar de VS tegen te gaan en dat de staat Maryland in 2013 de doodstraf heeft afgeschaft; moedigt de VV/HV, de EUSV en de EDEO aan een dialoog aan te gaan met de Amerikaanse federale regering en de regeringen van de staten om het verdwijnen van de doodstraf in de Verenigde Staten te doen versnellen, om de trans-Atlantische samenwerking internationaal te versterken teneinde de mensenrechten, de internationale rechtspraak en de democratie op geloofwaardige wijze te bevorderen;

84.  moedigt de Commissie aan gebruik te maken van de nieuwe flexibiliteit die nu door het EIDHR wordt geboden, teneinde nieuwe manieren te zoeken om campagne te voeren voor de afschaffing van de doodstraf en acties ter voorkoming van terdoodveroordelingen of terechtstellingen te ondersteunen;

85.  benadrukt dat de EU toezicht moet blijven houden op de omstandigheden waarin terechtstellingen worden uitgevoerd in landen die de doodstraf blijven toepassen, en juridische en grondwettelijke hervorming met het oog op de volledige en totale afschaffing daarvan moet ondersteunen;

86.  is nog steeds van oordeel dat de doodstraf, die een schending van het recht op menselijke integriteit en waardigheid vormt, onverenigbaar is met het verbod op wrede, onmenselijke of onterende bestraffing op grond van het internationaal recht en roept de EDEO en de lidstaten op om deze onverenigbaarheid formeel te erkennen en het EU-beleid ten aanzien van de doodstraf dienovereenkomstig aan te passen; onderstreept dat de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf en foltering als breed inzetbaar dienen te worden geïnterpreteerd;

EU-actie tegen marteling en andere wrede, onmenselijke en vernederende behandeling of straf

87.  dringt er bij de VV/HV en de EDEO op aan om de EU-inspanningen ter bestrijding van marteling en andere wrede, onmenselijke en vernederende behandeling of straf op te voeren gezien de aanhoudende meldingen van de wijdverspreide praktijk van foltering en mishandeling in de hele wereld; herhaalt zijn bezorgdheid dat de activiteiten van de EU op dit gebied grotendeels ontoereikend blijven en tekortschieten wat betreft haar toezeggingen in het kader van de EU-richtsnoeren inzake foltering; vraagt met name om meer EU-steun toe te kennen voor de totstandbrenging en versterking van nationale en regionale mechanismen ter preventie van foltering; neemt kennis van het voorstel van 14 januari 2014 van de Commissie voor een Verordening tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (COM(2014)0001, als reactie op de resolutie van 17 juni 2010;

88.  herhaalt dat volgens de artikelen 7 en 8 van het Statuut van Rome inzake het ICC foltering op systematische basis of op grote schaal een oorlogsmisdaad of een misdaad tegen de menselijkheid kan zijn; benadrukt dat het beginsel van "verantwoordelijkheid tot bescherming" een specifieke verantwoordelijkheid voor de internationale gemeenschap inhoudt die zij moet nakomen;

89.  spoort de EDEO aan veel aandacht te besteden aan de landenconclusies van het VN-Comité tegen Foltering en het subcomité in het kader van het facultatief protocol bij het Verdrag tegen foltering en van het Comité inzake de voorkoming van folteringen van de Raad van Europa en deze bezorgdheden tijdens politieke dialogen met de betrokken landen en in openbare verklaringen systematisch ter sprake te brengen; roept de EDEO, meer bepaald de EU-delegaties, en de lidstaten, meer bepaald hun ambassades ter plaatse, ook op de uitvoering te bevorderen van de EU-richtsnoeren inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing; verzoekt de EU en de lidstaten strenger toezicht uit te oefenen op de handel in goederen die kunnen worden gebruikt voor foltering of onmenselijke en onterende behandeling, en op de uitvoer van technologieën en goederen voor tweeërlei gebruik;

90.  benadrukt het feit dat leden van kwetsbare groepen zoals etnische, taalkundige en religieuze minderheden vaker worden blootgesteld aan foltering of mishandeling in detentie, en daarom speciale aandacht vereisen;

91.  veroordeelt de uitvoer door Europese ondernemingen van producten en wapens die kunnen worden gebruikt voor foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, alsook voor het onderdrukken van manifestaties; is in deze context voorstander van de herziening van Verordening (EG) nr. 1236/2005;

92.  herhaalt het belang van effectieve mechanismen voor de controle op de uitvoer van bepaalde geneesmiddelen die voor terechtstellingen gebruikt kunnen worden en apparatuur dat voor foltering kan worden gebruikt; verzoekt de Commissie om de resterende lacunes in de verordening aan te pakken door een vangnetbepaling inzake eindgebruik toe te voegen die de uitvoer van alle geneesmiddelen die voor foltering of terechtstellingen gebruikt kunnen worden, verbiedt;

93.  verzoekt de EU en de lidstaten te ijveren voor de ratificatie door alle derde landen van het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning van 20 december 2006;

Mensenrechten in handelsovereenkomsten en andere internationale overeenkomsten van de EU

94.  verzoekt de EU erop toe te zien dat de met derde landen afgesloten handelsovereenkomsten hun economische en sociale ontwikkeling ten goede komen en een goed beheer van hun natuurlijke rijkdommen, met inbegrip van land en water, garanderen; herhaalt zijn verzoek om bindende, afdwingbare en onvoorwaardelijke mensenrechtenclausules op te nemen in internationale overeenkomsten die de EU heeft gesloten of zal sluiten met derde landen, met inbegrip van handels- en investeringsovereenkomsten, en vraagt om een betere raadpleging van het Parlement in een vroeg stadium van het onderhandelingsproces van handels- en investeringsovereenkomsten, en vraagt eveneens dat de toepassing van deze clausules effectief wordt gecontroleerd en dat over de mensenrechtenaspecten van de overeenkomsten verslag wordt gelegd aan de relevante commissie van het Parlement;

95.  herinnert eraan dat het handelsbeleid bijdraagt tot de verwezenlijking van de algemene doelstellingen van de EU en dat overeenkomstig artikel 207 van het VWEU de handelspolitiek van de Unie wordt gevoerd "in het kader van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie"; wijst er bovendien op dat de Unie overeenkomstig artikel 3 VEU "bijdraagt tot de vrede, de veiligheid, de duurzame ontwikkeling van de aarde, de solidariteit en het wederzijds respect tussen de volkeren, de vrije en eerlijke handel, de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van het kind, alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationaal recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties";

96.  verzoekt de Europese Commissie om bij de ontwikkeling van haar toekomstige handelsstrategie rekening te houden met de belangrijke rol die de handel en de internationale overeenkomsten spelen bij de bevordering van de mensenrechten op het internationale toneel;

97.  acht de voortzetting van de multilaterale samenwerking en dialoog met betrekking tot de mensenrechten tussen de Europese Unie en in het bijzonder de Wereldhandelsorganisatie en de Verenigde Naties noodzakelijk om tot een multilateraal handelskader te komen dat bijdraagt tot de eerbiediging van de mensenrechten;

98.  herinnert eraan dat het stelsel van algemene preferenties is ontworpen met inachtneming door de begunstigde landen van de beginselen op het vlak van de mensenrechten en de basisnormen inzake het arbeidsrecht in de internationale verdragen, en dat hierin een speciaal stelsel van aanvullende tariefpreferenties is opgenomen om de ratificatie en de doelmatige tenuitvoerlegging van de internationale basisverdragen inzake de mensenrechten en het arbeidsrecht, de bescherming van het milieu en goed bestuur te bevorderen; wijst erop dat niet-naleving van deze voorwaarden kan leiden tot opschorting van de handelsregeling; wijst erop dat het van belang is dat regelmatig wordt opgevolgd en geëvalueerd of de begunstigde landen van het SAP+ de internationale verdragen correct ten uitvoer leggen;

99.  is ingenomen met de inwerkingtreding op 1 januari 2014 van het herziene SAP; herinnert eraan dat in het SAP+ het stelsel van algemene preferenties gehandhaafd blijft en dat de landen die van het SAP+ wensen te genieten, moeten beloven hun volledige medewerking te verlenen aan de internationale organisaties met het oog op de naleving van de internationale verdragen inzake mensenrechten en arbeidsrechten;

Bedrijfsleven en mensenrechten

100.  acht het betreurenswaardig dat het nog steeds ontbreekt aan een holistische benadering van de manier waarop ondernemingen wereldwijd de normen betreffende mensenrechten eerbiedigen, wat bepaalde staten en bedrijven de mogelijkheid geeft dergelijke regels te omzeilen; benadrukt bijgevolg dat er regels inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) moeten worden aangenomen; steunt krachtig de uitvoering van de VN-richtsnoeren voor het bedrijfsleven en de mensenrechten; vraagt meer bepaald de Commissie om doeltreffende maatregelen om het kader "Protect, Respect and Remedy", zoals voorgesteld door John Ruggie, de speciale VN-gezant voor bedrijfsleven en mensenrechten, in werking te stellen; wijst erop dat het belangrijk is maatschappelijk verantwoord ondernemen te bevorderen, ook bij bedrijfsactiviteiten buiten de EU, en ervoor te zorgen dat in de volledige toeleveringsketen maatschappelijk verantwoord wordt ondernomen, in het bijzonder met betrekking tot de handel in illegaal gekapt hout, wilde plantensoorten en in het wild levende diersoorten en uit conflictgebieden afkomstige mineralen; vindt dat de Europese ondernemingen en hun dochterondernemingen en onderaannemers een sleutelrol moeten spelen in de wereldwijde bevordering en verspreiding van de internationale normen inzake ondernemerschap en mensenrechten;

101.  vraagt de Commissie en de EDEO de EU-delegaties over de hele wereld aan te sporen de dialoog aan te gaan met EU-bedrijven om de eerbiediging van de mensenrechten te bevorderen en ervoor te zorgen dat "bedrijfsleven en mensenrechten" wordt opgenomen in de lijst van focusthema's van de lokale oproepen tot het indienen van voorstellen voor het Europees instrument voor democratie en mensenrechten; roept de lidstaten op om te controleren of bedrijven die onder hun nationale wetgeving vallen de mensenrechten en de sociale, gezondheids- en milieunormen waaraan zij zijn onderworpen niet veronachtzamen wanneer zij zich in een derde land vestigen of daar hun activiteiten ontplooien;

102.  herinnert aan de EU-strategie 2011-2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen, waarin de lidstaten worden verzocht een nationaal plan voor de tenuitvoerlegging van de VN-richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten, op te stellen; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om regelmatig verslag te leggen over de uitvoering van de VN-richtsnoeren voor het bedrijfsleven en de mensenrechten door de EU-lidstaten, met inbegrip van hun nationale actieplannen; acht het betreurenswaardig dat de Commissie weinig vorderingen heeft geboekt bij het inwilligen van het verzoek van het Parlement om wetgeving voor te stellen die ondernemingen uit de EU zou verplichten ervoor te zorgen dat zij met hun transacties geen daders van conflicten of ernstige mensenrechtenschendingen steunen;

103.  herhaalt dat Europese ondernemingen de nodige zorgvuldigheid aan de dag moeten leggen om ervoor te zorgen dat hun activiteiten de mensenrechten eerbiedigen, ongeacht waar zij worden verricht; benadrukt het belang van een betekenisvolle verslaglegging over de impact met betrekking tot de mensenrechten en de sociale en ecologische aspecten van door de Europese financiële instellingen gesteunde projecten; dringt er bij deze instellingen op aan ervoor te zorgen dat hun activiteiten in overeenstemming zijn met artikel 21 van het Verdrag van de Europese Unie, dat onder andere een verplichting inzake de eerbiediging van de mensenrechten bevat;

104.  merkt op dat bedrijven dit niet als een uitdaging moeten zien, maar veeleer als een kans om nieuwe zakelijke mogelijkheden te creëren in regio's die het meest gebaat zijn bij duurzame en verantwoorde investeringen, evenals als een manier om bij te dragen aan de eerbiediging van de mensenrechten in ontwikkelingslanden;

105.  roept de Commissie en de Raad op ervoor te zorgen dat bedrijven die in handen zijn van derde landen of burgers daarvan, maar die zijn gevestigd in een lidstaat, geen steun verlenen aan aanstichters van conflicten of plegers van ernstige schendingen van de mensenrechten, met inbegrip van moderne vormen van slavernij zoals mensenhandel en arbeid in weerzinwekkende omstandigheden;

106.  verzoekt de Commissie en de EDEO sterke initiatieven te nemen om ervoor te zorgen dat slachtoffers van mensenrechtenschendingen die verband houden met bedrijfsactiviteiten buiten de EU, een betere toegang tot de rechter hebben; benadrukt evenzeer dat er behoefte is aan doeltreffende corrigerende maatregelen om ondernemingen te bestraffen wegens schendingen van de mensenrechten en om de slachtoffers van dergelijke schendingen schadeloos te stellen;

107.  verzoekt de EU deel te nemen aan het nieuwe debat over een juridisch bindend internationaal instrument over het bedrijfsleven en mensenrechten binnen het VN-stelsel;

108.  herinnert aan de vier belangrijkste universele arbeidsnormen die zijn verankerd in de instrumenten van de IAO, meer bepaald: de vrijheid van vereniging en het recht op collectieve onderhandelingen, het afschaffen van alle vormen van gedwongen arbeid, uitbuiting en slavernij, de afschaffing van kinderarbeid, en de uitbanning van discriminatie bij de aanwerving van personeel;

109.  wijst er met name op dat het van cruciaal belang is dat de vakbondsvrijheid wordt geëerbiedigd en dat een einde wordt gemaakt aan alle vormen van onderdrukking op dit gebied, zoals het vermoorden van vakbondsmensen;

110.  stelt tot zijn grote verontrusting vast dat er zich volgens de IAO wereldwijd ongeveer 21 miljoen mannen, vrouwen en kinderen in een of andere vorm van slavernij bevinden; benadrukt dat het mensenrechtenvraagstuk op holistische wijze en in zijn geheel moeten worden aangepakt, waarbij een sterke nadruk wordt gelegd en sterk en met bindende doelstellingen wordt ingezet op zowel burger- als politieke rechten en economische, sociale, culturele en milieugerelateerde rechten, aangezien zonder deze rechten geen ontwikkeling kan plaatsvinden; benadrukt dat de dieperliggende oorzaken van armoede moeten worden aangepakt; benadrukt dat de internationale arbeidsnormen moeten worden geëerbiedigd, overeenkomstig de Agenda voor waardig werk van de IAO; is van mening dat sociale vraagstukken centraler moeten staan in de buitenlandse betrekkingen van de EU; acht het in deze context betreurenswaardig dat de EU geen standaardmodel heeft voor een "sociale clausule" die kan worden opgenomen in alle handelsovereenkomsten met derde landen; roept de EU er daarom toe op een hoofdstuk over ontwikkeling en een sociale clausule waarin de fundamentele arbeidsnormen van de IAO worden weerspiegeld, op te nemen in al haar handelsovereenkomsten met derde landen;

111.  merkt op dat de verslechterende veiligheidssituatie wereldwijd en de financiële crisis die sinds de meltdown in 2008 almaar is verergerd, tot een toename van kinderarbeid in 's werelds armste landen hebben geleid, en juridische implicaties kunnen hebben en reputatieschade kunnen opleveren voor bedrijven die goederen uit ontwikkelingslanden importeren; dringt er bij de VV/HV en de EDEO op aan het Internationaal Programma voor de afschaffing van kinderarbeid te blijven bevorderen, in het bijzonder in de ontwikkelingslanden waar een betreurenswaardig hoog aantal kinderen aan het werk wordt gezet om het gezinsinkomen aan te vullen;

EU-actie ter garantie van de vrijheid van meningsuiting online en offline en ter beperking van de impact van bewakingstechnologieën op de mensenrechten

112.  erkent dat de snelle ontwikkeling van informatie- en communicatietechnologieën veranderingen heeft teweeggebracht voor de omgeving waarin de vrijheid van meningsuiting en toegang tot informatie in de hele wereld wordt uitgeoefend, en zowel grote voordelen als ernstige zorgen met zich mee heeft gebracht; is in dit verband verheugd over het feit dat de Raad in mei 2014 de specifieke EU-richtsnoeren over de vrijheid van meningsuiting online en offline heeft goedgekeurd;

113.  herhaalt dat vrijheid van meningsuiting, onafhankelijke media en pluralisme essentiële elementen zijn van een duurzame democratie, doordat zij de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld optimaliseren en de positie van de burger versterken, en daardoor noodzakelijk zijn om transparantie en verantwoordingsplicht te verzekeren in het openbare leven;

114.  roept op tot meer steun voor het bevorderen van de vrijheid van de media, het beschermen van onafhankelijke journalisten en bloggers, het dichten van de digitale kloof en het vergemakkelijken van de onbeperkte toegang tot informatie en communicatie en de ongecensureerde toegang tot het internet (digitale vrijheid);

115.  roept de EU en haar lidstaten op om meer toezicht te houden op alle beperkingen van de vrijheid van meningsuiting, met inbegrip van het agressief gebruik van de wetgeving op laster en andere restrictieve wetgeving, het opleggen van beperkende criteria of belastende procedures voor de registratie als journalist of een ander beroep in de media of de oprichting van een mediabedrijf, en deze praktijken duidelijk en snel te veroordelen en sterke initiatieven te nemen om een betere toegang tot informatie van openbaar nut te steunen;

116.  veroordeelt alle beperkingen van digitale communicatie, met inbegrip van het sluiten van websites en het blokkeren van persoonlijke rekeningen, wanneer deze maatregelen gericht zijn op het maatschappelijk middenveld, burgerrechtenactivisten en de vrije media;

117.  uit zijn bezorgdheid over de proliferatie en verspreiding van monitor-, surveillance-, censurerings- en filtertechnologieën, die een steeds grotere bedreiging vormen voor mensenrechten- en democratieactivisten in autocratische landen waarover in democratische landen ook vragen in verband met privacyrechten gesteld worden, zelfs wanneer ze worden gebruikt voor legitieme doeleinden, zoals terrorismebestrijding, staatsveiligheid of ordehandhaving;

118.  erkent dat belangrijke producenten van hack- en surveillancetechnologieën die gebruikt kunnen worden voor het schenden van de mensenrechten en het aanvallen van de Europese digitale infrastructuur, in Europa zijn gevestigd; roept de Commissie op het Europese systeem voor controle op de uitvoer te herzien om te voorkomen dat gevaarlijke technologie in de verkeerde handen valt;

119.  uit zijn waardering voor het feit dat de Commissie in juni 2013 de ICT-sectorgids over de uitvoering van de VN-richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten heeft gepubliceerd; blijft echter bezorgd over de handel in producten en diensten die dienen om de toegang tot het internet te blokkeren of de massabewaking en -monitoring van internetverkeer en mobiele communicatie, het filteren van zoekresultaten of de inmenging in privégesprekken mogelijk maken; herinnert aan de mededeling van de Commissie van 24 april 2014 met als titel "De herziening van het uitvoercontrolebeleid: waarborgen van veiligheid en concurrentievermogen in een veranderende wereld" (COM(2014)0244), waarin onder meer werd gewezen op de mensenrechtenkwesties met de uitvoer van bepaalde ICT; vraagt derhalve dat de Commissie nadenkt over hoe deze situatie kan worden verbeterd teneinde eventueel richtsnoeren voor de controle op de uitvoer aan te nemen;

120.  vraagt de Commissie haar steun te blijven verlenen aan initiatieven voor de ontwikkeling en verspreiding van digitale beveiligingstechnologieën om de positie van mensenrechtenverdedigers te versterken via beveiligde mechanismen voor het vergaren, coderen en opslaan teneinde monitoring door repressieve regeringen te voorkomen;

EU-steun voor het maatschappelijk middenveld en voor de vrijheid van vergadering en vereniging

121.  uit zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat in veel landen over de hele wereld steeds minder ruimte is voor legitieme actie van het maatschappelijk middenveld; beschouwt een vrije burgermaatschappij als één van de fundamenten voor de bescherming van en steun voor de mensenrechten en democratische waarden in alle samenlevingen; is in dit verband ingenomen met alle EU-programma's voor het opleiden van jonge beroepsbeoefenaren uit derde landen en het vereenvoudigen van uitwisselingsprogramma's voor studenten uit derde landen, aangezien deze de actieve deelname van de jeugd aan de opbouw van de democratie ondersteunen en doeltreffend bijdragen tot de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld;

122.  roept de EU en de lidstaten op hun toezicht op de inperkingen van de vrijheid van vergadering en vereniging te verscherpen en al deze inperkingen duidelijk en snel te veroordelen, ook een verbod op organisaties uit het maatschappelijk middenveld, een agressief gebruik van de wetgeving inzake smaad en andere beperkende wetten, buitensporige vereisten inzake registratie en rapportage, zeer beperkende regels over buitenlandse financiering of een verbod voor ngo's om deel te nemen aan politieke activiteiten of contacten te onderhouden met buitenlanders;

123.  roept de EU en haar lidstaten op om schendingen van de vrijheid van vergadering en vereniging op elk niveau van de politieke dialoog aan de orde te stellen, ook op het hoogste niveau, wanneer andere vormen van dialoog, zoals de mensenrechtendialoog, er niet in zijn geslaagd om voor concrete verbetering ter zake te zorgen; spoort de EU en haar lidstaten aan om deze dialogen te gebruiken om individuele zorgwekkende gevallen aan te kaarten, met name de gevallen van personen die zijn gevangengezet alleen wegens het feit dat zij hun recht op vreedzame vergadering en vereniging hebben uitgeoefend;

124.  moedigt de vertegenwoordigers van de EU-delegaties en de ambassades van de lidstaten aan om rechtszaken tegen mensenrechtenverdedigers en personen die zijn gevangengezet alleen wegens het feit dat zij hun recht op vreedzame vergadering en vereniging hebben uitgeoefend, te volgen en indien nodig het gebrek aan eerbiediging van het recht op een eerlijk proces openbaar te veroordelen;

125.  roept de EU op om van de eerbiediging en bevordering van de vrijheid van vergadering en vereniging een belangrijke prioriteit te maken van het toekomstige actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie en in dat verband specifieke acties te ondernemen, aangezien de vrijheid van vergadering en vereniging cruciale elementen zijn van democratie en een open samenleving;

126.  herhaalt ermee in te stemmen om de meerderheid van de middelen van het EIDHR toe te kennen aan de ondersteuning van mensenrechtenverdedigers en acties van het maatschappelijk middenveld in de hele wereld en steunt de ontwikkeling van een fonds voor juridische bijstand om vervolgde journalisten en activisten toegang te bieden tot advocaten en een eerlijk proces;

127.  benadrukt het belang van nationale instellingen op het gebied van de mensenrechten (National Human Rights Institutions, NHRI) op nationaal niveau voor het toezicht op de mensenrechten en het vergroten van het bewustzijn en om het recht op beroep voor slachtoffers van mensenrechtenschendingen te waarborgen; roept de EU op om, in overeenstemming met de beginselen van Parijs, beleid ter ondersteuning van NHRI's te ontwikkelen en om dit tot een prioriteit te maken in haar buitenlandse steun, met name in het kader van het Europees nabuurschapsinstrument;

Vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst of overtuiging

128.  veroordeelt alle geweld en discriminatie op grond van ideologie, godsdienst of overtuiging, zoals voorgeschreven in artikel 10 van het VWEU; uit zijn ernstige bezorgdheid over de voortdurende meldingen van geweld tegen en discriminatie van religieuze minderheden in de hele wereld, ook in het Midden-Oosten; benadrukt dat de vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst of overtuiging een fundamenteel mensenrecht is dat nauw samenhangt met andere mensenrechten en grondvrijheden en het recht om te geloven of niet te geloven omvat, evenals het recht om uiting te geven aan een religie of geloof en het recht om een geloof naar keuze aan te nemen, te wijzigen en ervan afstand te doen of het opnieuw aan te nemen ingevolge artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens;

129.  roept de Europese Unie en haar lidstaten op ervoor te zorgen dat religieuze minderheden overal ter wereld worden gerespecteerd, met name in het Midden-Oosten waar christenen, zoals katholieken, apostolische Armeniërs, kopten en jezidi, alsook moslimminderheden vervolgd worden door ISIS en andere terroristische groeperingen;

130.  veroordeelt ten stelligste de aanvallen tegen christenen in verschillende landen over heel de wereld en betuigt zijn solidariteit met de families van de slachtoffers; is uiterst bezorgd over de toenemende repressie, discriminatie, intolerantie en gewelddadige aanvallen tegen christelijke gemeenschappen, met name in Afrika, Azië en het Midden-Oosten; roept voorts overheden op om alle verantwoordelijken voor de rechter te brengen; is uiterst bezorgd over de huidige situatie van christenen in Noord-Korea, Somalië, Syrië, Irak, Afghanistan, Saoedi-Arabië, Pakistan, Oezbekistan, Jemen, Nigeria en vele andere landen, waar christenen dreigen te worden vermoord, gemarteld, verkracht en ontvoerd en hun kerken worden beschadigd of vernietigd;

131.  uit zijn grote bezorgdheid over de situatie van personen die behoren tot de minderheid van Rohingya-moslims in Birma/Myanmar, omdat hun het burgerschap van Myanmar wordt ontzegd en zij stelselmatig geconfronteerd worden met mensenrechtenschendingen en vervolging; verwijst naar zijn resolutie van 13 juni 2013 over de situatie van de Rohingya-moslims(24);

132.  is verheugd dat tijdens de verslagperiode (het jaar 2013) de EU-richtsnoeren tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging werden goedgekeurd en vraagt de EU-instellingen en -lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan de uitvoering van deze richtsnoeren zowel in internationale en regionale fora als in bilaterale betrekkingen met derde landen, en met name aan de kwetsbare situatie van geloofsafvalligen; looft de nieuwe VV/HV om haar verklaring dat de vrijheid van religie of geloof een van de voornaamste mensenrechten is; moedigt de VV/HV en de EDEO aan om een permanente dialoog aan te gaan met ngo's, religieuze of geloofsgroepen en religieuze leiders;

133.  is ingenomen met de verbintenis van de EU om het recht op vrijheid van godsdienst of overtuiging te bevorderen op internationale en regionale fora zoals de VN, de OVSE, de Raad van Europa en andere regionale mechanismen; spoort de EU ertoe aan om haar jaarlijkse resolutie over de vrijheid van godsdienst of overtuiging te blijven indienen bij de Algemene Vergadering van de VN en om het mandaat van de speciale VN-rapporteur voor vrijheid van godsdienst en overtuiging te steunen;

Rechten van vrouwen en meisjes

134.  is verheugd over de steun van de EU aan de VN-resoluties over genderkwesties, met name over de bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes, over de discriminatie van vrouwen, over de rol van de vrijheid van mening en meningsuiting voor de emancipatie van de vrouw, en aan de VN-verklaringen over het huwelijk op jonge leeftijd en het gedwongen huwelijk en over vrouwelijke genitale verminking;

135.  verzoekt de EU actief deel te nemen aan de 59e zitting van de VN-Commissie voor de Status van de Vrouw en zich te blijven verzetten tegen elke poging om de verklaring van Peking en het bijbehorende actieprogramma te ondermijnen, met betrekking tot onder meer toegang tot onderwijs en gezondheidszorg als fundamentele mensenrechten en seksuele en reproductieve rechten;

136.  betreurt het dat de lichamen van vrouwen en meisjes, met name ten aanzien van hun seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, nog altijd een ideologisch slagveld vormen en verzoekt de EU en haar lidstaten de onvervreemdbare rechten van vrouwen en meisjes op lichamelijke integriteit en autonome besluitvorming te erkennen, onder meer wat betreft het recht op toegang tot vrijwillige gezinsplanning, veilige en legale abortus en het recht om vrij te zijn van geweld, waaronder vrouwelijke genitale verminking, kinder- en gedwongen huwelijken, en verkrachting binnen het huwelijk;

137.  veroordeelt opnieuw elke vorm van misbruik van en geweld tegen vrouwen en meisjes, inzonderheid het gebruik van seksueel geweld als oorlogswapen en huiselijk geweld; verzoekt alle leden van de Raad van Europa dan ook het Verdrag van Istanbul inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld te ondertekenen en te ratificeren; vraagt de EU zelf tot dat verdrag toe te treden om te zorgen voor samenhang tussen de interne en externe maatregelen van de EU op het vlak van geweld tegen vrouwen en meisjes;

138.  is uiterst bezorgd dat overheden de ogen sluiten voor gevallen van onmenselijk seksueel misbruik van vrouwen in een tijd waarin een op de drie vrouwen wereldwijd tijdens hun leven slachtoffer wordt van geweld; spoort de EDEO aan om verder goede praktijken in te voeren voor de bestrijding van verkrachting van en seksueel geweld tegen vrouwen in derde landen teneinde de oorzaken die aan dit probleem ten grondslag liggen, aan te pakken;

139.  beklemtoont dat het belangrijk is dat autoriteiten inspanningen leveren om voorlichtingscampagnes te ontwikkelen die gericht zijn op mannen, en met name op de jongere generaties, om elke vorm van gendergerelateerd geweld te voorkomen en geleidelijk uit te bannen; benadrukt de behoefte aan een adequate opleiding voor gezondheidswerkers, politieagenten, aanklagers en rechters, zowel binnen de EU als in derde landen, zodat ze slachtoffers van geweld kunnen begeleiden en ondersteunen;

140.  benadrukt dat gendergerelateerd geweld, waaronder schadelijke gebruiken en tradities, een schending is van de grondrechten en met name de menselijke waardigheid, het recht op leven, en het recht op menselijke integriteit;

141.  wijst erop dat het Verdrag van Istanbul inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld een belangrijk, bindend internationaal instrument is en dat daarom de toetreding van steeds meer landen tot deze overeenkomst een wezenlijke bijdrage zal leveren aan de totstandkoming van een geïntegreerd beleid voor bescherming en zelfredzaamheid van slachtoffers en voor de bevordering van de internationale samenwerking op dit gebied;

142.  roept de Raad op om het vraagstuk van "gendergebaseerde" abortus op te nemen in de EU-richtsnoeren inzake geweld tegen vrouwen en meisjes; roept de Commissie en de Raad op om indicatoren en methodes voor het verzamelen van gegevens over dit fenomeen uit te werken en spoort de EDEO aan om deze kwestie op te nemen in de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van de landenstrategieën inzake mensenrechten;

143.  onderstreept het belang van het voeren van voorlichtings- en bewustmakingscampagnes in gemeenschappen waar genitale verminking van vrouwen, seksueel misbruik van jonge meisjes, uithuwelijking op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken, vrouwenmoorden en andere gendergerelateerde schendingen van de mensenrechten gangbaar zijn, en meent dat mensenrechtenverdedigers die al actief zijn in de strijd tegen deze praktijken bij de voorbereiding en uitvoering van deze campagnes moeten worden betrokken; herinnert eraan dat kinderhuwelijken, vroegtijdige en gedwongen huwelijken en de niet-toepassing van een minimale wettelijke huwelijksleeftijd niet alleen een schending van de rechten van het kind vormen, maar ook een echte belemmering voor de versterking van de positie van vrouwen;

144.  veroordeelt ten stelligste het gebruik van seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes als oorlogstactiek, waaronder misdrijven als massale verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, genderspecifieke misdrijven zoals genitale verminking, mensenhandel, sekstoerisme, vroegtijdige en gedwongen huwelijken, eremoord en alle andere vormen van seksueel geweld van vergelijkbare ernst; blijft in dit verband uiterst bezorgd over bijvoorbeeld de situatie in het gebied van de Grote Meren in Afrika en Syrië; geeft uiting aan zijn steun aan de werkzaamheden van UN Women, van de speciale VN-rapporteur inzake geweld tegen vrouwen en de oorzaken en gevolgen daarvan, alsmede van de speciale VN-rapporteur inzake conflictgerelateerd seksueel geweld; is verheugd dat de Sacharov-prijs in 2014 is toegekend aan dr. Denis Mukwege voor zijn opmerkelijke strijd voor de bescherming van meisjes en vrouwen die slachtoffer zijn geweest van seksueel geweld tijdens gewapende conflicten;

145.  wijst erop dat gendergerelateerde misdaden en misdaden van seksueel geweld in het Statuut van Rome zijn opgenomen als oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid of handelingen die de grondslag vormen voor genocide of foltering; is in dit verband ingenomen met resolutie 2106 van de VN-Veiligheidsraad over de preventie van seksueel geweld in conflictgebieden die op 24 juni 2013 werd aangenomen en waarin wordt bevestigd dat het Internationaal Strafhof een cruciale rol speelt in de strijd tegen straffeloosheid met betrekking tot seksuele en op gender gebaseerde misdaden; dringt er bij de EU op aan de tenuitvoerlegging van deze beginselen ten volle te ondersteunen;

146.  herinnert aan de toezegging van de EU om mensenrechten en genderaspecten te integreren in GVDB-missies, overeenkomstig de op dit punt cruciale resoluties°1325 en 1820 van de VN-Veiligheidsraad betreffende vrouwen, vrede en veiligheid; herhaalt in dit verband zijn verzoek aan de EU en de lidstaten om in het proces van de totstandbrenging van duurzame verzoening de systematische deelname van vrouwen als een essentieel onderdeel van een vredesproces te ondersteunen en om te erkennen dat er genderperspectieven moeten worden aangebracht in conflictpreventie, vredeshandhaving, humanitaire hulpverlening, wederopbouw na conflicten en democratische overgangsprocessen;

147.  beschouwt de ondervertegenwoordiging van vrouwen in het politieke besluitvormingsproces als een kwestie van mensenrechten en democratie, waarden die moeten aantonen dat overheden zichzelf volledig kunnen wijden aan processen voor capaciteitsopbouw en -behoud; is verheugd over wettelijk vastgelegde pariteitssystemen en genderquota en roept ertoe op de nodige wetgevingsprocedure zo spoedig mogelijk uit te werken;

148.  verzoekt de EU en haar lidstaten de volledige participatie van vrouwen in de politieke en economische besluitvorming, met name bij vredesopbouw, democratisering en conflictoplossing, te ondersteunen; moedigt de lidstaten, de Commissie en de EDEO aan zich toe te spitsen op de economische en politieke emancipatie van vrouwen in ontwikkelingslanden en daarbij hun betrokkenheid bij het bedrijfsleven en bij de uitvoering van regionale projecten en plaatselijke ontwikkelingsprojecten te bevorderen;

149.  benadrukt dat vrouwen in Europa en in de rest van de wereld het recht moeten hebben om net als mannen vrijelijk individuele keuzes te maken zonder ideologische, politieke en religieuze dwang;

Mensenrechten en corruptie

150.  houdt voor ogen dat corruptie een schending van de mensenrechten is en dat de Europese Unie bevoegdheid heeft geëist voor de ondertekening van het VN-verdrag tegen corruptie (UN Convention against Corruption, UNCAC);

151.  acht het betreurenswaardig dat er tot nog toe geen gevolg werd gegeven aan het verzoek van het Parlement aan de VV/HV om een EU-actieplan tegen corruptie voor te stellen om de UNCAC-aanbevelingen doeltreffend te monitoren, onder meer de plicht van de lidstaten om informatie over corruptie bekend te maken en te verspreiden, de oprichting van kanalen voor het melden van deze schendingen en van een rechtskader voor de bescherming van getuigen, en de participatie van het maatschappelijk middenveld;

152.  spoort Europol aan om meer strategische en operationele partnerschappen met derde landen te ontwikkelen om corruptie en georganiseerde misdaad efficiënter te bestrijden;

153.  vraagt de Commissie innovatieve financiële mechanismen te ontwikkelen om fiscale hervormingen door te voeren en de strijd tegen corruptie, illegale geldstromen en belastingontduiking te versterken; spoort in dit verband aan publiek-private partnerschappen en het combineren van subsidies en leningen in overweging te nemen en landen te helpen ontwikkelen om hun nationale hulpbronnen beter te benutten; wijst op de vraag naar een internationale belasting op financiële transacties, die als aanvullende financieringsbron voor ontwikkeling kan dienen, en herinnert de EU-lidstaten eraan dat zij reeds zijn overeengekomen op nationaal niveau een heffing op financiële transacties in te voeren en een deel van de inkomsten te besteden aan de financiering van mondiale collectieve goederen, waaronder ontwikkeling;

154.  merkt op dat er in derde landen met een zwak bestuur en een grote stroom aan ontwikkelingshulp ook meer corruptie heerst, waardoor de ontwikkelingshulp niet voor het beoogde doel wordt gebruikt en de ontwikkeling van de mensenrechten wordt afgezwakt; roept de EDEO op om ontwikkelingsprogramma's te steunen waarin humanitaire hulp en transparantie hand in hand gaan om vooruitgang in de mensenrechten in derde landen te bewerkstelligen;

155.  herhaalt zijn verzoek aan de EU en haar lidstaten om steun te verlenen aan de instelling van een speciale VN-rapporteur voor financiële criminaliteit, corruptie en mensenrechten;

Mensenhandel

156.  veroordeelt de illegale praktijken van mensenhandel, mensenhandel voor orgaanverwijdering en andere handel die is gebaseerd op uitbuiting, die een inbreuk vormen op het recht op lichamelijke integriteit en gebruikmaken van geweld; benadrukt dat mensenhandel moet worden bestreden, waarvan de meeste slachtoffers vrouwen zijn die worden uitgebuit voor seksuele doeleinden;

157.  roept de EU op om een prioriteit te maken van de strijd tegen mensenhandel in zowel haar intern als extern beleid en met name de aandacht te vestigen op de bescherming van slachtoffers; roept de EU op haar inspanningen te intensiveren en regelmatig te herzien; wijst op de noodzaak van nauwere samenwerking met derde landen om goede werkwijzen uit te wisselen en internationale netwerken van mensenhandelaars te ontmantelen, die ook gebruikmaken van het internet om nieuwe slachtoffers te vinden; herhaalt de noodzaak voor alle lidstaten om Richtlijn 2011/36/EU en de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel 2012-2016 ten uitvoer te leggen;

Discriminatie op grond van kaste

158.  veroordeelt de aanhoudende mensenrechtenschendingen tegenover personen die het slachtoffer zijn van de kastenhiërarchie en van discriminatie op grond van kaste, zoals de weigering van gelijkheid en van toegang tot justitie en werk, permanente segregatie en op kaste gebaseerde belemmeringen betreffende de uitoefening van fundamentele mensenrechten en betreffende ontwikkeling; roept de EU op om beleid aan te nemen teneinde actie te ondernemen om discriminatie op grond van kaste uit te roeien en beleidsdoelstellingen inzake discriminatie op grond van kaste op te nemen in het nieuwe actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie;

LGBTI-rechten

159.  acht het betreurenswaardig dat in 78 landen homoseksualiteit nog steeds strafbaar is, met inbegrip van tien landen waar hiervoor de doodstraf geldt (Saudi-Arabië, Nigeria, Mauritanië, Sudan, Sierra Leone, Jemen, Afghanistan, Iran, de Malediven en Brunei) en dat in twintig landen de transgenderidentiteit nog steeds strafbaar is; veroordeelt ten stelligste de recente toename van discriminerende wetgeving en is van mening dat praktijken en gewelddaden tegen personen op basis van hun seksuele geaardheid en genderidentiteit niet onbestraft mogen blijven; spoort aan nauw toezicht uit te oefenen op de situatie in Nigeria, Oeganda, Malawi, India en Rusland, waar nieuwe wetten of recente juridische ontwikkelingen een serieuze bedreiging vormen voor de vrijheid van seksuele minderheden; spreekt nogmaals zijn steun uit voor de voortdurende werkzaamheden van de hoge commissaris voor de mensenrechten ter bestrijding van deze discriminerende wetten en praktijken, en voor de werkzaamheden van de VN op dit gebied in het algemeen;

160.  is het er mee eens dat de EDEO een prioriteit moet maken van zijn activiteiten op dit gebied en met name de nadruk moet leggen op gevallen waarin LGBTI's de doodstraf krijgen en/of gefolterd of mishandeld worden, door deze praktijken te veroordelen in overeenstemming met de richtsnoeren van de EU inzake de doodstraf en de richtsnoeren van de EU inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing;

161.  is verheugd over de aanneming door de Raad van de richtsnoeren voor de bevordering en de bescherming van het genot van alle mensenrechten door lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI); roept de EDEO en de Commissie op de kwestie van LGBTI-rechten ter sprake te brengen tijdens politieke en mensenrechtendialogen met derde landen en in multilaterale fora; benadrukt hoe belangrijk het is dat de Commissie en de EDEO de kwestie van LGBTI-rechten ter sprake blijven brengen tijdens politieke en mensenrechtendialogen en het EIDHR gebruiken om organisaties die LGBTI-rechten verdedigen, te steunen door deze in staat te stellen homo- en transfobe wetten en discriminatie ten aanzien van LGBTI aan te vechten, het grote publiek bewust te maken van de discriminatie en het geweld waaraan personen met een andere seksuele geaardheid en genderidentiteit blootstaan, deze discriminatie te bestrijden en noodhulp te bieden (met inbegrip van psychologische en medische bijstand, bemiddeling en hulp bij re-integratie) aan degenen die daaraan behoefte hebben;

162.  merkt op dat in steeds meer landen het huwelijk van personen van hetzelfde geslacht of het geregistreerd partnerschap van personen van hetzelfde geslacht wordt erkend, hetgeen momenteel het geval is in 17 landen in de wereld; moedigt de EU-instellingen en -lidstaten aan te blijven bijdragen aan het debat over de erkenning van het huwelijk of geregistreerd partnerschap van personen van hetzelfde geslacht als een kwestie van politieke, sociale, mensen- en burgerrechten;

163.  roept de Commissie en de Wereldgezondheidsorganisatie op om genderidentiteitsstoornissen van de lijst van geestelijke en gedragsstoornissen te halen; roept de Commissie op om meer inspanningen te doen om ervoor te zorgen dat transidentiteiten niet langer als pathologie worden beschouwd; moedigt overheden aan te zorgen voor snelle, toegankelijke en transparante gendererkenningsprocedures in overeenstemming met het recht op zelfbestemming;

164.  is verheugd over de groeiende politieke steun voor het uitbannen van sterilisatie als een vereiste voor wettelijke gendererkenning, zoals is verklaard door de speciale VN-rapporteur voor foltering, en is van mening dat een dergelijke vereiste moet worden beschouwd als een inbreuk op het recht op lichamelijke integriteit en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en dienovereenkomstig moet worden bestraft;

165.  is verheugd over het feit dat de Moldavische wet waardoor "het verkondigen van andere relaties dan die met betrekking tot huwelijk en gezin" wordt verboden, in oktober 2013 werd ingetrokken, en roept de andere landen in de regio op het Moldavische voorbeeld te volgen;

Rechten van personen die tot een nationale minderheid behoren

166.  benadrukt dat nationale minderheidsgroepen specifieke behoeften hebben en dat een volledige en effectieve gelijkheid van personen die tot een nationale minderheid behoren en personen die tot de meerderheid behoren daarom moet worden gestimuleerd op alle gebieden van het economische, sociale, politieke en culturele leven;

Rechten van personen met een handicap

167.  is ingenomen met de ratificatie van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; herhaalt hoe belangrijk het is dat zowel de lidstaten als de EU-instellingen dit efficiënt ten uitvoer leggen en benadrukt in het bijzonder dat het beginsel van universele toegankelijkheid en het geheel van rechten van personen met een handicap op geloofwaardige wijze in alle relevante EU-beleidsdomeinen moeten worden geïntegreerd, met inbegrip van ontwikkelingssamenwerking, en onderstreept daarbij het prescriptieve en horizontale karakter van dit thema; benadrukt dat de EU in samenwerking met de bevoegde internationale en regionale instanties en met het maatschappelijk middenveld, en in het bijzonder met gehandicaptenorganisaties, moet handelen om te waarborgen dat de internationale ontwikkelingsprogramma's rekening houden met de toegankelijkheidsbehoeften van personen met een handicap;

168.  moedigt de VV/HV aan om steun te blijven verlenen aan het ratificerings- en uitvoeringsproces van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap in landen die dit verdrag nog niet hebben geratificeerd of ten uitvoer hebben gelegd;

169.  spoort de EDEO aan veel aandacht te besteden aan de landenconclusies en -aanbevelingen van het Comité inzake de rechten van personen met een handicap en aan de landenverslagen, en deze bezorgdheden tijdens politieke dialogen met de betrokken landen en in openbare verklaringen systematisch ter sprake te brengen; roept de Commissie op om EU-richtsnoeren voor te bereiden en op te stellen ter bevordering en bescherming van de mensenrechten van personen met een handicap, om in dit verband te zorgen voor een stelselmatig en coherent beleid, ook in haar dialoog en onderhandelingen met derde landen;

170.  verzoekt de Commissie en de EDEO om de delegaties van de EU in de hele wereld aan te moedigen gesprekken te voeren met het maatschappelijk middenveld om ervoor te zorgen dat personen met een handicap hun mensenrechten effectief kunnen genieten;

Rechten van het kind

171.  roept de Commissie opnieuw op te komen met een ambitieuze en uitgebreide strategie en een actieplan inzake de rechten van het kind voor de volgende vijf jaar, zoals het heeft gevraagd in zijn bovengenoemde resolutie van 27 november 2014 over het 25-jarig bestaan van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind;

172.  is ingenomen met de samenwerking van de EU met UNICEF en andere organisaties en ngo's die zich inzetten voor de rechten van het kind, die heeft geleid tot een toolkit voor het integreren van de rechten van het kind in ontwikkelingssamenwerking en tot de ondersteuning van de belangrijkste MDG's en kinderbeschermingsprogramma's voor het verwezenlijken van de rechten van het kind, met name in kwetsbare situaties; is met name verheugd over het manifest inzake de rechten van het kind en moedigt meer leden van het Europees Parlement alsook nationale parlementsleden aan om het manifest te ondertekenen en "kampioenen van de rechten van het kind" te worden; is ingenomen met het feit dat het geld dat de EU voor de Nobelprijs heeft ontvangen, wordt gebruikt om kinderen in conflictsituaties bij te staan; herinnert aan het belang van het bieden van psychologische steun aan alle kinderen die blootgesteld zijn geweest aan gewelddadige gebeurtenissen of die het slachtoffer zijn van oorlogen; onderstreept dat het belangrijk is de toegang tot onderwijs te waarborgen voor kinderen die zijn getroffen door conflicten; is verheugd over de deelname van de EU in oktober 2013 aan de derde mondiale conferentie over kinderarbeid in Brasilia en de deelname aan de onderhandelingen over een tripartiete verklaring over kinderarbeid;

173.  benadrukt dat alle vormen van gedwongen kinderarbeid en uitbuiting van kinderen moeten worden bestreden; dringt erop aan dat bestaande nationale en internationale wetgeving die gericht is op het vergroten van het bewustzijn over misbruik van kinderen op de arbeidsmarkt beter wordt geïmplementeerd;

174.  verzoekt de Commissie en de EDEO actie te blijven ondernemen op het vlak van de rechten van het kind, met speciale aandacht voor geweld tegen kinderen, met inbegrip van foltering, aangezien recent melding is gemaakt van gevallen van foltering en gevangenschap van kinderen; vraagt kwesties als dwangarbeid van kinderen, kinderarmoede en kinderondervoeding en in dit verband het doel van universeel lager onderwijs, het terugdringen van kindersterfte, kinderhuwelijken en kindermishandeling, de ontwapening, rehabilitatie en re-integratie van kinderen die bij gewapende groepen waren ingelijfd en het probleem van kinderen die van hekserij worden beschuldigd, op de agenda te plaatsen van de mensenrechtendialoog met de betrokken landen; benadrukt dat het belangrijk is om van de rechten van het kind een prioriteit te maken in het buitenlands beleid, de ontwikkelingssamenwerking en de humanitaire hulpverlening van de EU om te zorgen voor voldoende financiering en kinderen in noodsituaties meer bescherming te bieden; verzoekt de VV/HV jaarlijks verslag uit te brengen aan het Parlement over de resultaten die bereikt zijn ten aanzien van een extern EU-beleid waarin het kind een centrale plaats bekleedt; benadrukt dat kinderen en jongeren uitsluitend werk mogen uitvoeren dat hun gezondheid en persoonlijke ontwikkeling niet in gevaar brengt en het volgen van onderwijs niet in de weg staat; benadrukt dat het belangrijk is om van de rechten van het kind een prioriteit te maken in het buitenlands beleid van de EU;

175.  merkt op dat het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind de noodzaak van een multidimensionale aanpak erkent door op te roepen tot wetgevings-, administratieve, sociale en onderwijsmaatregelen op het gebied van kinderarbeid; benadrukt dat het voor een doeltreffende uitvoering daarvan nodig is om wetgeving te koppelen aan beleidsmaatregelen die alternatieven aanbieden in de vorm van onderwijs en beroepsopleiding, evenals socialebeschermingsmaatregelen ten behoeve van kinderen en families;

176.  roept de EU op te blijven zorgen voor een stimulerende omgeving om kinderarbeid te voorkomen en te bestrijden, voor een sociale dialoog en gezamenlijke acties tussen de publieke en private sector voor de uitbanning van kinderarbeid; benadrukt dat het nodig is steun te verlenen en capaciteit op te bouwen voor de bestrijding van kinderarbeid in landen in een conflict- of postconflictsituatie;

177.  benadrukt nogmaals de noodzaak van intensievere inspanningen voor de tenuitvoerlegging van de herziene uitvoeringsstrategie ten aanzien van de EU-richtsnoeren over kinderen en gewapende conflicten; roept in dit kader op tot een betere benutting van de fondsen van het Stabiliteitsinstrument en het EIDHR om het probleem van de kindsoldaten aan te pakken; spoort de EU aan de samenwerking met de speciale vertegenwoordiger van de VN voor door gewapende conflicten getroffen kinderen verder te verdiepen door de relevante actieplannen en de toezichts- en rapporteringsmechanismen te ondersteunen; roept op tot de universele ratificatie van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en in het bijzonder het derde Facultatieve Protocol, zodat kinderen klachten kunnen indienen bij de VN-commissie voor de rechten van het kind; verzoekt de Commissie en de VV/HV te onderzoeken hoe de EU unilateraal zou kunnen toetreden tot het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind;

178.  wijst erop dat ondervoeding van kinderen in ontwikkelingslanden een ernstig probleem vormt; is in dit verband verheugd over het onlangs tijdens de tweede Internationale Voedingsconferentie goedgekeurde actiekader dat als algemeen streefdoel heeft gesteld het aantal kinderen jonger dan vijf jaar die in hun groei zijn belemmerd wereldwijd met 40 % te doen afnemen;

179.  herhaalt dat toegang tot onderwijs een grondrecht van het kind is en is vastgelegd in artikel 28 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989; benadrukt dat het noodzakelijk is om in alle acties van de EU en de lidstaten de toegang van kinderen tot kwaliteitsvolle diensten en gezondheidszorg te verbeteren;

180.  betreurt het dat er nog steeds landen in de wereld zijn die het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, die gedetailleerde richtsnoeren bevatten voor de ontwikkeling van inclusieve maatschappijen voor de bescherming van kinderen met een handicap, niet willen ondertekenen;

181.  verzoekt de EU en de lidstaten om samen een beleid voor humanitaire hulp en ontwikkeling te voeren om een einde te maken aan ondervoeding bij kinderen;

Rechten van inheemse volkeren

182.  stelt met bezorgdheid vast dat inheemse volkeren bijzondere risico's op discriminatie lopen en bijzonder kwetsbaar zijn voor politieke, economische, milieugerelateerde en arbeidsgerelateerde verandering en ontwrichting; wijst erop dat de meeste van deze mensen onder de armoededrempel leven en nauwelijks of geen toegang hebben tot systemen van vertegenwoordiging, politieke besluitvorming of rechtspraak; is bijzonder bezorgd over meldingen van wijdverspreide landroof, gedwongen ontheemding en mensenrechtenmisbruik ten gevolge van gewapende conflicten;

EU-actie op het vlak van migratie en vluchtelingen

183.  betreurt het dramatisch aantal personen dat de dood heeft gevonden op de Middellandse Zee, dat volgens het verslag "Fatale reizen" van de Internationale Organisatie voor Migratie in 2013 naar schatting 3000 bedroeg – dit maakt deze zee de dodelijkste regio voor illegale migratie ter wereld; is uiterst bezorgd over de verslagen over mensenrechtenschendingen van migranten en asielzoekers op weg naar de EU; roept de EU en de lidstaten op om samen te werken met de VN, regionale mechanismen, overheden en ngo's om deze kwesties aan te pakken; benadrukt dat op EU-niveau sterkere beleidslijnen moeten worden ontwikkeld, die blijk geven van een grotere solidariteit en samenhang, om dringende kwesties in verband met migranten, vluchtelingen en asielzoekers aan te pakken op een manier die strookt met internationaal recht inzake de mensenrechten en fundamentele menselijke waardigheid, en vraagt de EU te zorgen voor doeltreffende gemeenschappelijke normen op het gebied van opvangprocedures in de hele EU, teneinde niet-begeleide minderjarigen en de zwaksten te beschermen; nodigt de VV/HV, het lid van de Commissie dat belast is met Migratie, Binnenlandse Zaken en Burgerschap, en de EDEO uit onder de lidstaten samenwerking en billijke verdeling van de verantwoordelijkheden te bevorderen, onder andere door vluchtelingen op te vangen en te hervestigen en bij te dragen aan zoek- en reddingsdiensten om migranten bij te staan in noodsituaties op zee wanneer ze de kust van de EU proberen te bereiken; herinnert er in dit verband aan dat het nodig is het beginsel van non-refoulement in Europese en internationale wateren na te leven, zoals is bevestigd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; herinnert aan het engagement van de Commissie om gepaste legale migratiekanalen te ontwikkelen; roept de lidstaten op om daartoe het onlangs goedgekeurde gemeenschappelijke asielpakket en de gemeenschappelijke migratiewetgeving van de EU volledig ten uitvoer te leggen en vraagt met het oog hierop om de tenuitvoerlegging van het crisismechanisme waarin is voorzien in artikel 33 van de Dublin-verordening, met daarin begrepen een duidelijk bepaald minimumcontingent per lidstaat, om te komen tot een functionerend crisismechanisme voor herverdeling, teneinde de druk te verlichten op de meest getroffen lidstaten, waar het minimumquota duidelijk is overschreden; roept de lidstaten op om deel te nemen aan hervestigingsprogramma's en de ontwikkeling van regionale beschermingsprogramma's in de zwaarst getroffen gebieden op te schroeven; benadrukt dat de dieperliggende oorzaken van illegale migratie moeten worden aangepakt; moedigt de EDEO en de lidstaten aan om landen van oorsprong, doorreislanden of landen van bestemming voor mensenhandel of mensensmokkel nauwlettend in de gaten te houden; vraagt de VV/HV en de lidstaten de externe dimensie van de Unie verder te versterken, samen te werken met landen van oorsprong en doorreislanden, met inbegrip van partnerlanden van de EU, in het bijzonder in het Middellandse Zeegebied, en deze bezorgdheden tijdens politieke dialogen met de betrokken landen en in openbare verklaringen systematisch ter sprake te brengen en de samenwerking met deze landen tot het hoogste niveau op te voeren om de netwerken voor migrantensmokkel te ontmantelen en illegale maffiabendes die munt slaan uit mensenhandel en mensensmokkel te bestrijden;

184.  is van mening dat kinderen van migranten in het bijzonder kwetsbaar zijn, met name wanneer ze niet begeleid worden; herinnert eraan dat niet-begeleide minderjarigen in de eerste plaats kinderen zijn en dat niet het migratiebeleid, maar de bescherming van kinderen de prioriteit moet zijn bij de omgang met deze kinderen in overeenstemming met het kernbeginsel van de belangen van het kind;

185.  moedigt de VV/HV en de EDEO aan om verder steun te blijven verlenen aan het ratificatieproces van het VN-Verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, het protocol inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, met name van vrouwen en kinderen, het protocol tegen de smokkel van migranten over land, over zee en door de lucht en het protocol tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie;

186.  roept de EU op ervoor te zorgen dat de onderhandeling en tenuitvoerlegging van alle samenwerkings- en overnameovereenkomsten op het gebied van migratie met landen buiten de EU strookt met de internationale mensenrechten, het vluchtelingenrecht en het internationaal zeerecht en vraagt te worden geraadpleegd alvorens deze overeenkomsten worden afgesloten; vraagt om te zorgen voor meer transparantie bij de onderhandeling van dergelijke overeenkomsten en toezichtsmechanismen te integreren waarmee het effect van de samenwerking op het gebied van migratie met landen buiten de EU en van grenscontrolemaatregelen, met inbegrip van Frontex en Eurosur, op de mensenrechten kan worden beoordeeld; benadrukt het feit dat de mensenrechten een belangrijke rol moeten spelen op het gebied van migratie en asiel; vraagt daarom dat de mensenrechtenfunctionaris bij Frontex en de opleidingsdeskundigen bij het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken adequate financiering krijgen, om hen in staat te stellen evaluatie- en monitoringactiviteiten te verrichten en beste praktijken te presenteren;

187.  roept de Commissie op om een permanente beoordeling van haar programma's voor migratie en grenscontrole in de EU en daarbuiten uit te voeren teneinde verbeteringen voor te stellen om mensenrechtenschendingen te voorkomen en goede praktijken te delen;

188.  spoort het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken aan partnerschappen met derde landen te ontwikkelen om de internationale bescherming van asielzoekers te versterken;

189.  is ingenomen met de toevoeging van het criterium eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden aan de lijst van criteria op grond waarvan wordt bepaald of al dan niet onderhandelingen worden opgestart met derde landen over een vrijstelling van de visumplicht(25); verzoekt de Commissie dit nieuwe criterium te gebruiken als pressiemiddel in het strategisch en economisch kader van de visumonderhandelingen om de dialoog over mensenrechten met derde landen te verdiepen;

190.  veroordeelt de voortdurende criminalisering van irreguliere migratie binnen de EU die ten koste gaat van de mensenrechten van de betrokken personen; dringt erop aan om onverwijld de nodige waarborgen, verantwoordings- en handhavingsmechanismen voor de mensenrechten in te voeren;

191.  vraagt dat de Commissie en de EDEO actief deelnemen aan het debat over de term "klimaatvluchteling", met inbegrip van de mogelijke juridische definitie in het internationale recht of in enige juridisch bindende internationale overeenkomst;

192.  erkent dat staatloosheid een aanzienlijke uitdaging op het gebied van de mensenrechten is; vraagt de Commissie en de EDEO om in alle externe activiteiten van de EU staatloosheid te bestrijden, in het bijzonder door discriminatie op basis van gender, religie of minderheidsstatus in nationale wetten aan te pakken, door het recht van kinderen op een nationaliteit te bevorderen en door de campagne van het VN-vluchtelingenbureau (UNHCR) om staatloosheid tegen 2024 uit de wereld te bannen, te steunen;

Mensenrechten en ontwikkeling

193.  benadrukt dat de eerbiediging van de mensenrechten, waaronder economische, culturele, sociale en milieugerelateerde rechten, toegang tot voedsel, goed bestuur, democratische waarden, vrede, veiligheid en toegang tot een rechtvaardig en efficiënt rechtsstelsel, een voorwaarde is voor de vermindering van armoede en ongelijkheid en de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling; is van mening dat de mensenrechten deel moeten uitmaken van alle doelstellingen en indicatoren van de agenda voor de periode na 2015; wijst er ook op dat bij de uitvoering van de agenda moet worden uitgegaan van robuuste transparantie- en verantwoordingsmechanismen; merkt op dat de beloftes aangaande bestuur en mensenrechten meetbaar moeten zijn en moeten kunnen worden opgevolgd;

194.  herinnert eraan dat de VN heeft erkend dat zonder een op mensenrechten gebaseerde benadering van ontwikkeling, de ontwikkelingsdoelstellingen niet volledig bereikt kunnen worden; roept de EU op waakzaam te blijven zodat de kwestie van mensenrechtenverdedigers en de ruimte voor het maatschappelijk middenveld uitdrukkelijk worden opgenomen in de besprekingen na de millenniumdoelstellingen;

195.  benadrukt het verband tussen extreme armoede en het gebrek aan mensenrechten, en onderstreept dat het noodzakelijk is om een reeks beginselen uit te werken over de toepassing van normen en criteria inzake mensenrechten in de strijd tegen extreme armoede;

196.  benadrukt het belang van beleidscoherentie voor ontwikkeling (Policy Coherence for Development, PCD) voor de eerbiediging van de mensenrechten; herhaalt in dit verband de noodzaak om richtsnoeren, effectbeoordelingen en toezichts- en rapportagemechanismen aan te nemen zodat PCD daadwerkelijk doorklinkt in het beleid van de Unie en van de lidstaten, in het bijzonder op het gebied van handel en landbouw; is van mening dat de EU in deze kwestie haar politieke leidersrol moet handhaven; roept de EU er dan ook toe op om met betrokken partnerlanden initiatieven op internationaal niveau (in het kader van de Verenigde Naties, de G20 enz.) te starten om PCD tot een universele agenda om te vormen;

197.  roept de EU en de lidstaten op om hun ontwikkelingsagenda's beter op elkaar af te stemmen in het licht van het Verdrag van Lissabon door het ontwikkelingsbeleid op de voorgrond te plaatsen in de externe betrekkingen van de Unie, zodat nationale prioriteiten en Europese agenda's ter bevordering van de mensenrechten beter op elkaar worden afgestemd in het kader van het ontwikkelingsbeleid, gezien de complexiteit van het ontwikkelingsbeleid van de EU;

198.  roept de EDEO, onder leiding van de HV/VV, op om het buitenlands en veiligheidsbeleid beter af te stemmen op het ontwikkelingsbeleid teneinde synergieën te ontwikkelen en te zorgen voor een coherente benadering van de universele toepassing van de mensenrechten via het ontwikkelingsbeleid van de EU; roept voorts de EU op om op multinationale fora beter extern te coördineren met opkomende economieën, zoals de BRICS-landen, om kwesties van mondiaal bestuur aan te pakken en de mensenrechten te bevorderen door hun verschillende ontwikkelingsagenda's op elkaar af te stemmen;

199.  dringt er bij de EU op aan mensenrechten en democratie effectiever in ontwikkelingssamenwerking te integreren en ervoor te zorgen dat de ontwikkelingsprogramma's van de EU ertoe bijdragen dat de partnerlanden hun internationale verplichtingen op het gebied van mensenrechten nakomen;

200.  benadrukt dat het van belang is ontwikkelingshulp te koppelen aan geloofwaardige inspanningen voor democratisering;

201.  roept de raad voor effectbeoordeling, onder het toezicht van de voorzitter van de Commissie, op ervoor te zorgen dat wanneer wordt gesproken over EU-projecten voor ontwikkelingssamenwerking rekening wordt gehouden met de gevolgen voor de mensenrechten en omgekeerd;

202.  beseft hoe belangrijk het is om ngo's actief te betrekken bij het plannen, uitvoeren en evalueren van mensenrechtenbepalingen, zodat het maatschappelijk middenveld zo veel mogelijk bij de beleidsvorming wordt betrokken, en bij de inspanningen om te waarborgen dat mensenrechtenbepalingen echt doeltreffend zijn;

203.  verwelkomt het nieuwe initiatief voor de "EU Aid Volunteers", dat voor de periode 2014-2020 circa 18 000 personen uit de EU en derde landen de kans zal bieden om wereldwijd deel te nemen aan humanitaire operaties op plaatsen waar de hulp het hardst nodig is en om solidariteit te tonen door gemeenschappen die zijn getroffen door natuur- of door mensen veroorzaakte rampen hulp te bieden;

204.  roept op tot een gemeenschappelijke EU-actie tegen landroof, door de bevordering van passende waarborgen ter voorkoming van landroof in de betrokken landen en door EU- en andere Europese bedrijven die daar gevestigd zijn; merkt op dat het feit dat aan de armen op het platteland en in de steden de toegang tot land en natuurlijke hulpbronnen wordt ontzegd, één van de belangrijkste redenen voor honger en armoede in de wereld is, hetgeen een impact heeft op het genot door de lokale gemeenschappen van hun mensenrechten en van hun recht op geschikte voeding; verzoekt om een beoordeling van het effect van het EU-handelsbeleid op landroof; is ingenomen over de betrokkenheid van de EU bij de ontwikkeling van de mondiale facultatieve richtsnoeren voor verantwoord beheer van bodemgebruik, visserij en bosbouw in de context van de nationale voedselzekerheid, die onder auspiciën van de Verenigde Naties zijn aangenomen, en verzoekt om de tenuitvoerlegging ervan en om de aanneming van bindende richtsnoeren ter voorkoming van landroof; benadrukt niettemin dat mensenrechten- en armoedebestrijdingsoverwegingen dringend moeten worden geïntegreerd in de besluitvorming over de aankoop of langdurige pacht van grote stukken grond door investeerders; beschouwt de reactie van de EU op deze kwestie als een belangrijke test voor haar belofte om in haar ontwikkelingssamenwerkingsbeleid in de richting van een op recht gebaseerde aanpak te evolueren, zoals bedoeld in het Verdrag van Lissabon, waardoor het ontwikkelingsbeleid van de EU verder zou bijdragen tot de duurzame economische, sociale en ecologische ontwikkeling van ontwikkelingslanden met als voornaamste doel het uitroeien van armoede in de hele wereld; verzoekt de EU om zich, in overeenstemming met de aanbevelingen van de speciale VN-rapporteur voor het recht op voedsel, te verbinden tot een fundamentele verschuiving naar agro-ecologie als een manier om het recht op voedsel te waarborgen;

205.  stelt tot zijn grote verontrusting vast dat inheemse volkeren in het bijzonder te lijden hebben onder schendingen van de mensenrechten die verband houden met de winning van hulpbronnen; roept de EDEO op om strenge rechtskaders en initiatieven te ondersteunen die gericht zijn op transparantie en goed bestuur in de mijnbouw en in andere sectoren voor natuurlijke hulpbronnen, en die de vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming van inheemse volkeren en de VN-Verklaring inzake de rechten van inheemse volkeren, eerbiedigen;

206.  stelt met grote bezorgdheid vast dat vooral kwetsbare groepen worden getroffen door schendingen van de mensenrechten die verband houden met de aantasting van het milieu, omdat de uitbreiding van monocultuurbedrijven, de houtkap, infrastructuurwerken en de steun voor gas- en olie-infrastructuur, biobrandstoffen, mijnbouw en grootschalige waterkrachtcentrales, ontbossing en bosdegradatie tot gevolg hebben; verzoekt de Commissie het zevende milieuactieprogramma ten uitvoer te leggen en een alomvattend plan te ontwikkelen om zowel ontbossing en bosdegradatie als de impact hiervan op het milieu, de maatschappij en de mensenrechten, aan te pakken;

207.  herinnert eraan dat met ontwikkelings-, onderwijs- en gezondheidszorgprogramma's niet alleen armoede kan worden aangepakt, maar dat zo ook een bijdrage kan worden geleverd aan de strijd tegen het internationale terrorisme; vraagt de EU om wereldwijd meer strategieën te ontwikkelen naar analogie van de strategie van de EDEO voor veiligheid en ontwikkeling in de Sahel;

208.  benadrukt dat ondanks de vooruitgang die reeds is geboekt met betrekking tot de toegang tot drinkwater en sanitaire voorzieningen, nog steeds ongeveer 2,6 miljard mensen geen toegang hebben tot een latrine en 1,1 miljard mensen geen toegang hebben tot enige vorm van drinkwater; meent dat dit niet enkel te wijten is aan een gebrek aan middelen, maar ook een gebrek aan politieke wil; roept overheden daarom op de toegang tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen te waarborgen, met name voor vrouwen en kinderen;

209.  verzoekt om de uitwerking van een ambitieuze beleidsstrategie voor de lange termijn en een dito actieplan inzake volksgezondheid, innovatie en toegang tot geneesmiddelen, om onder andere op zoek te gaan naar nieuwe stimuleringsregelingen voor onderzoek en ontwikkeling, zoals beschreven in het verslag uit 2012 van de consultatieve werkgroep van deskundigen van de Wereldgezondheidsorganisatie inzake onderzoek en ontwikkeling: Financiering en coördinatie, voor de waarborging van een recht op levensstandaard die voldoende hoog is voor de gezondheid en het welzijn voor elk mens zonder onderscheid naar ras, religie, politieke overtuiging of economische of sociale situatie; benadrukt dat vrouwen en meisjes nog steeds het zwaarst getroffen worden door de hiv-pandemie en ook het sterkst betrokken zijn bij de zorg voor patiënten in hun gemeenschappen;

Internationale culturele en sportevenementen en mensenrechten

210.  verklaart dat autoritaire staten steeds vaker immense sport- of culturele evenementen organiseren om hun internationale legitimiteit te stimuleren, terwijl ze de kritiek vanuit hun eigen land steeds meer aan banden leggen; roept de EU en haar lidstaten op te overleggen met nationale sportverenigingen, actoren uit het bedrijfsleven en organisaties uit het maatschappelijk middenveld over de voorwaarden voor hun deelname aan dergelijke evenementen, met inbegrip van de eerste Europese Spelen in Bakoe in 2015 en de FIFA-wereldbeker in Rusland in 2018; roept op om een beleidskader van de EU te ontwikkelen inzake sport en mensenrechten, en relevante verbintenissen op te nemen in het komende actieplan inzake mensenrechten;

211.  herhaalt dat culturele diversiteit en cultuurerfgoed in het kader van het universalisme van de mensenrechten en op grond van de UNESCO-verdragen werelderfgoed zijn en dat de internationale gemeenschap de plicht heeft samen te werken bij de bescherming en opwaardering ervan; meent dat het opzettelijk vernietigen van cultureel en artistiek erfgoed, zoals thans gebeurt in Irak en Syrië, dient vervolgd te worden als oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid;

Sterker optreden van het Europees Parlement inzake de mensenrechten

212.  herhaalt zijn belofte om de eigen procedures, processen en structuren van het Parlement te blijven verbeteren teneinde ervoor te zorgen dat mensenrechten en democratie centraal staan in zijn acties en beleid; herinnert eraan dat het Parlement zich sinds jaar en dag inzet voor de mensenrechten, met name door middel van de Sacharov-prijs voor de vrijheid van denken; is bovendien van mening dat de doeltreffende samenwerking van het hele Parlement en het integreren van de mensenrechten noodzakelijk zijn opdat de Subcommissie mensenrechten haar missie kan vervullen om, zoals vastgelegd in het Reglement, "te zorgen voor de samenhang tussen alle externe beleidsmaatregelen van de Unie en haar beleid inzake de mensenrechten";

213.  vraagt dat de richtsnoeren voor interparlementaire delegaties van het EP over bevordering van de mensenrechten en democratie beter worden toegepast en dat de Conferentie van delegatievoorzitters in samenwerking met de Subcommissie mensenrechten deze richtsnoeren herziet; raadt in dit verband aan dat tijdens delegatiebezoeken naar derde landen mensenrechtenkwesties, vooral van individuele gevallen waarnaar in resoluties van het Parlement wordt verwezen en de gevallen van laureaten en genomineerden van de Sacharov-prijs die gevaar lopen, systematischer en transparanter ter sprake worden gebracht en dat acties waarvan de Subcommissie mensenrechten op de hoogte wordt gesteld, schriftelijk worden gemeld en, wanneer politiek gerechtvaardigd, via een specifieke debriefingssessie;

214.  benadrukt dat er voortdurend moet worden gereflecteerd over de meest gepaste manieren om de geloofwaardigheid, zichtbaarheid en doeltreffendheid te verhogen van de EP-resoluties waarin inbreuken op de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat worden veroordeeld en dat het nodig is dat alle Europese instellingen en het Europees Fonds voor Democratie zich op elkaar afstemmen en deze kwesties opvolgen; benadrukt met name dat het nodig is om kwesties die in spoedresoluties van het Parlement ter sprake worden gebracht, institutioneel te volgen;

215.  spoort de discussie aan over de mogelijkheid om de verschillende instrumenten van het Parlement ter ondersteuning en bevordering van de mensenrechten in één strategisch document op te nemen, dat het Parlement tijdens een plenaire vergadering moet goedkeuren; vraagt een regelmatig bijgewerkte website op te zetten waarop de in spoedresoluties van het Europees Parlement behandelde mensenrechtenverdedigers in een lijst worden vermeld en een interne werkgroep van het EP op te richten die de zaken van de verdedigers op deze lijst wereldwijd volgt om delegaties die naar derde landen reizen aan te moedigen hen te ontmoeten;

o
o   o

216.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de EUSR voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de voorzitter van de 69e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad, de hoge VN-commissaris voor de mensenrechten en de hoofden van de EU-delegaties.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0070.
(2) A/RES/55/2.
(3) Document 11855/2012 van de Raad.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0575.
(5) PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 69.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0252.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0259.
(8) PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 115.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0013.
(10) PB C 33 E van 5.2.2013, blz. 165.
(11) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0274.
(12) A/RES/67/176.
(13) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0206.
(14) PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 107.
(15) PB C 99 E van 3.4.2012, blz.101.
(16) PB C 290 E van 29.11.2006, blz. 107.
(17) PB C 99 E van 3.4.2012, blz.31.
(18) PB C 99 E van 3.4.2012, blz.94.
(19) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0059.
(20) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0420.
(21) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0394.
(22) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0180.
(23) A/RES/69/186.
(24) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0286.
(25) Verordening (EU) nr. 509/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van deze plicht zijn vrijgesteld (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 67).


Betrekkingen tussen de EU en de Liga van Arabische Staten en samenwerking op het gebied van terrorismebestrijding
PDF 140kWORD 195k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2015 over de betrekkingen tussen de EU en de Liga van Arabische Staten en samenwerking op het gebied van terrorismebestrijding (2015/2573(RSP))
P8_TA(2015)0077RC-B8-0215/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de resolutie van de VN-Veiligheidsraad van 24 september 2014 over terroristische daden die een bedreiging vormen voor de internationale vrede en veiligheid (resolutie 2178 (2014)),

–  gezien de gemeenschappelijke 'Verklaring van Riga', die uitgegeven is na de informele bijeenkomst van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken, in Riga op 29 en 30 januari 2015,

–  gezien de activiteiten van het verbindingsbureau EU-Arabische Liga in Malta, die gericht zijn op het bevorderen van de dialoog tussen de Commissie en de Arabische Liga,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de verklaring die is goedgekeurd tijdens de derde bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie en van de Arabische Liga op 10 en 11 juni 2014,

–  gezien de ondertekening op 19 januari 2015 van een memorandum van overeenstemming tussen Federica Mogherini, vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), en Nabil Elaraby, secretaris-generaal van de Arabische Liga, respectievelijk vertegenwoordiger van de Europese Unie en van de Arabische Liga,

–  gezien de interneveiligheidsstrategie van de EU, zoals goedgekeurd door de Raad op 25 februari 2010,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over terrorismebestrijding, in het bijzonder die van 9 februari 2015,

–  gezien zijn resolutie van 11 februari 2015 over terrorismebestrijdingsmaatregelen(1),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2015 over de situatie in Egypte(2),

–  gezien zijn eerdere resoluties over landen van de Arabische Liga (League of Arab States, LAS),

–  gezien de verklaring van VV/HV Federica Mogherini van 19 januari 2015,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat terrorisme en gewelddadig extremisme een grote bedreiging vormen voor de mondiale veiligheid en vrijheid, en overwegende dat de eerbiediging van de grondrechten een cruciaal onderdeel is van succesvol beleid op het vlak van terrorismebestrijding;

B.  overwegende dat terrorisme een mondiale bedreiging is die op gecoördineerde wijze moet worden aangepakt door nationale regeringen en regionale en internationale organisaties; onderstreept dat alleen een wereldwijde alliantie doeltreffend met deze dreiging kan omgaan, en wel met volledige inachtneming van het internationaal recht, de fundamentele waarden en de internationale mensenrechtennormen;

C.  overwegende dat Federica Mogherini, vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en Nabil Elaraby, secretaris-generaal van de Arabische Liga, op 19 januari 2015 een memorandum van overeenstemming tussen de EDEO en het secretariaat-generaal van de Arabische Liga hebben ondertekend;

D.  overwegende dat de inhoud van het memorandum van 2015 tussen de EDEO en het secretariaat-generaal van de LAS niet publiek is;

E.  overwegende dat de EU en de Arabische Liga een gemeenschappelijk belang hebben bij duurzame oplossingen om vrede en stabiliteit in de regio te waarborgen; overwegende dat dit memorandum van overeenstemming bedoeld is om de betrekkingen tussen de lidstaten van de Europese Unie en de landen van de Arabische Liga te ondersteunen en te versterken, met het doel de samenwerkingsvormen te verbeteren, ervaringen uit te wisselen en een dialoog te voeren teneinde op gebieden van wederzijds belang gemeenschappelijke doelstellingen te verwezenlijken;

F.  overwegende dat het verschijnsel van strijders die vanuit Europa naar diverse locaties reizen om mee te vechten in de jihad, en de bedreiging voor de veiligheid die zij bij hun terugkeer in de EU kunnen vormen, de komende jaren waarschijnlijk zullen blijven bestaan; overwegende dat naar verluidt duizenden EU-burgers naar aanleiding van het uitbreken van de oorlog en het geweld in Syrië, Irak en Libië hun woonplaats hebben verlaten om buitenlands strijder te worden, wat een extra uitdaging vormt voor de veiligheid van EU-burgers; overwegende dat de recente terreurdaden in Parijs en Kopenhagen zijn gepleegd door EU-onderdanen;

G.  overwegende dat de verspreiding van terroristische propaganda wordt vergemakkelijkt door het gebruik van internet en sociale media; overwegende dat terroristische groeperingen dankzij het cyberterrorisme de mogelijkheid hebben om zonder de fysieke hindernis van grenzen banden aan te knopen en te onderhouden, waardoor zij minder op steunpunten en toevluchtsoorden in bepaalde landen zijn aangewezen;

H.  overwegende dat er ernstige en systematische schendingen van de mensenrechten zijn in lidstaten van de Arabische Liga;

I.  overwegende dat organisaties van het maatschappelijk middenveld waarvan de EU van mening is dat zij hun universele mensenrechten en fundamentele vrijheden uitoefenen, door regeringen van de LAS vaak worden aangemerkt als terroristische organisaties; overwegende dat steeds vaker wordt verwezen naar terrorismebestrijding en nationale veiligheid om politieoptreden tegen leden van de oppositie, het maatschappelijk middenveld en journalisten te rechtvaardigen;

J.  overwegende dat het externe beleid van de EU moet bijdragen aan de strijd tegen de dreiging die van het terrorisme uitgaat en die in bepaalde delen van de Europese nabuurschap bezig is te escaleren; overwegende dat in preventiestrategieën tegen terrorisme moet worden uitgegaan van een veelzijdige benadering die rechtstreeks voorkomt dat er aanslagen op het EU-grondgebied worden voorbereid, maar ook gericht is op het aanpakken van de fundamentele oorzaken van terrorisme;

K.  overwegende dat de EU de uitvoering van de doodstraf en de toepassing van wrede en onmenselijke straffen overal ter wereld veroordeelt, ook voor personen die veroordeeld zijn wegens het plegen van terreurdaden;

1.  geeft uiting aan zijn grote ontzetting over het niveau van menselijk lijden en het verlies van mensenlevens door de terroristische aanslagen, en spreekt zijn medeleven uit met de families van alle onschuldige slachtoffers;

2.  onderstreept dat terrorisme een rechtstreekse bedreiging vormt voor alle landen en alle mensen, ongeacht hun etnische afkomst, godsdienst of levensovertuiging;

3.  vraagt dat het memorandum van overeenstemming wordt gepubliceerd, zodat de inhoud ervan kan worden onderworpen aan democratische en rechterlijke toetsing;

4.  verzoekt de Raad met alle lidstaten van de LAS een geharmoniseerde, ondubbelzinnige definitie van terrorisme uit te werken;

5.  benadrukt het belang van samenwerking bij de humanitaire hulpverlening door middel van de uitwisseling van informatie over crisissituaties; onderstreept dat het belangrijk is om, waar van toepassing, evaluaties en goede praktijken te delen en om samen te werken bij het vaststellen van praktische maatregelen voor de aanpak van dreigingen, waaronder het doeltreffender optreden tegen radicalisering, rekrutering en het reizen van terroristen en buitenlandse strijders, alsmede de omgang met terugkerende strijders;

6.  herhaalt zijn standpunt dat het bij de strijd tegen het terrorisme van cruciaal belang is niet alleen aandacht te besteden aan de gevolgen, maar ook aan de factoren die aan radicalisering ten grondslag liggen, en hamert op het belang van een alomvattende, sectoroverschrijdende benadering, waarbij geen enkel relevant beleidsterrein buiten beschouwing mag blijven, alsook van het bevorderen van een cultuur van integratie en verdraagzaamheid door middel van onder andere onderwijs, en sociaal en regionaal beleid;

7.  merkt op dat een van de hoofdoorzaken van de huidige terreurdreiging in de EU en de Arabische landen het jihadistische extremisme is; onderschrijft de opvatting dat een beleid gericht op deradicalisering en terreurbestrijding niet doeltreffend kan zijn tenzij het is ontwikkeld in nauwe samenwerking met de landen van herkomst;

8.  roept de autoriteiten van de EU- en de LAS-lidstaten ertoe op het verbod op foltering te eerbiedigen, zoals dat in het bijzonder is neergelegd in het door de meeste van hen ondertekende en geratificeerde VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing; herhaalt dat onder foltering afgedwongen bekentenissen ongeldig zijn;

9.  herhaalt dat bij onze reacties op de terroristische bedreigingen een evenwicht moet worden gehandhaafd tussen vrijheid en veiligheid, en dat bij alle maatregelen beoordeeld moet worden of ze verenigbaar zijn met de rechtsstaat en de grondrechten;

10.  is in het algemeen ingenomen met de samenwerking en het partnerschap tussen de EU en derde landen bij de bestrijding van terrorisme; is verheugd over de instelling van een strategische dialoog EU-LAS, waarin ook van gedachten wordt gewisseld over politieke en veiligheidskwesties, en de regelmatige bijeenkomsten tussen het Politiek en Veiligheidscomité van de EU en de Arabische permanente vertegenwoordigers, en prijst de vooruitgang die is geboekt op het gebied van vroegtijdige waarschuwingen en crisisrespons, met name de volledige uitvoering van het desbetreffende project;

11.  herinnert er evenwel aan dat terrorismebestrijdingsmaatregelen nooit mogen worden misbruikt om legitieme kritiek te onderdrukken of de universele mensenrechten van mensen te schenden; verzoekt de EU in haar samenwerking met derde landen duidelijke waarborgen in te bouwen om ervoor te zorgen dat zij de repressie van legitieme organisaties en individuen in de naam van terrorismebestrijding niet direct of indirect steunt of legitimeert;

12.  onderstreept dat de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU en de LAS tevens overeengekomen zijn dat er gewerkt zal worden aan de brede tenuitvoerlegging van de mondiale strategie voor terrorismebestrijding van de VN; steunt het feit dat zij hebben ingestemd met de oprichting van het centrum voor terrorismebestrijding van de VN op initiatief van de hoeder van de twee heilige moskeeën, dat zij hebben verzocht om steun voor dit centrum en dat zij zich hebben uitgesproken voor het houden van de eerste internationale conferentie over terrorismebestrijding in maart 2014 in Bagdad als een gelegenheid om te passende middelen en wegen te bespreken en te vinden ter bevordering van de internationale samenwerking en ter bestrijding van het terrorisme op regionaal niveau;

13.  wijst opnieuw op het belang van samenwerking tussen de EU en de LAS op het gebied van de mensenrechten en benadrukt dat het van grote betekenis is te blijven werken aan de bevordering en bescherming van de mensenrechten en de handhaving van alle mensenrechten voor allen, waaronder het recht op economische en sociale ontwikkeling, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst of overtuiging, terwijl tegelijk de waarden van tolerantie jegens andere godsdiensten en hun co-existentie moeten worden bevorderd en uitsluiting, extremisme, alsmede het aanzetten tot en de verspreiding van haat en geweld moeten worden verworpen;

14.  verzoekt de Raad na te gaan of er sprake is geweest van inbreuk op de EU-gedragscode voor de wapenuitvoer met betrekking tot repressie;

15.  verzoekt de EU in samenwerking met de Arabische Liga een specifiek mechanisme te ontwikkelen om de wapenhandel aan banden te leggen, waarbij met name de landen op de korrel moeten worden genomen waar terrorisme ontstaat of waar terroristen worden opgeleid; verzoekt de EU om wapenexporten nauwkeurig in het oog te houden, met name als het gaat om technologie voor tweeledig gebruik die uiteindelijk door terroristen voor hun doeleinden zou kunnen worden gebruikt; acht het van cruciaal belang om het financieren van terrorisme tegen te gaan in samenwerking met belangrijke partijen, waaronder de Arabische Liga en haar leden;

16.  is van oordeel dat de EU zich moet bezinnen op de onmiskenbaar zwakke plekken die kenmerkend waren voor de eerdere samenwerking inzake terrorismebestrijding met de landen van herkomst, doorreis en bestemming van buitenlandse strijders en van de middelen om hen te ondersteunen, waaronder lidstaten van de Arabische Liga;

17.  beklemtoont dat bij een alomvattende EU-strategie voor terrorismebestrijdingsmaatregelen, gebaseerd op een benadering die diplomatieke en sociaaleconomische instrumenten combineert met instrumenten voor ontwikkeling, conflictpreventie, vredesopbouw en crisisbeheersing, ook volledig gebruik moet worden gemaakt van het buitenlands beleid en het ontwikkelingsbeleid van de EU om armoede, discriminatie en marginalisatie tegen te gaan, corruptie te bestrijden, goed bestuur te bevorderen en conflicten te voorkomen en op te lossen, aangezien al deze factoren bijdragen aan de marginalisatie van bepaalde groepen en sectoren van de samenleving, en deze daarmee kwetsbaarder maken voor de propaganda van extremistische groepen;

18.  herinnert eraan dat de internationale gemeenschap zich heeft verbonden aan de vaststelling van maatregelen die de eerbiediging van de mensenrechten voor allen en de rechtsstaat waarborgen als grondslag van de strijd tegen terrorisme, en wel via de goedkeuring van de mondiale strategie van de Verenigde Naties tegen terrorisme door de Algemene Vergadering in resolutie 60/288;

19.  herinnert de lidstaten en de EU-agentschappen, met inbegrip van Europol en Eurojust, aan hun verplichtingen uit hoofde van het Handvest van de grondrechten, de internationale mensenrechtenwetgeving en de doelstellingen van het externe beleid van de EU;

20.  herhaalt zijn standpunt dat de rechten van religieuze minderheden onlosmakelijk verbonden zijn met de eerbiediging van de fundamentele mensenrechten en vrijheden, zoals het recht op vrijheid, het recht op veiligheid, het recht op gelijke kansen voor mannen en vrouwen en de vrijheid van meningsuiting, en roept de Arabische Liga, de EDEO en de lidstaten van beide organisaties op de religieuze minderheden in de Arabische wereld te beschermen en volledige uitvoering te geven aan de EU-richtsnoeren voor het bevorderen en beschermen van de vrijheid van godsdienst of geloofsovertuiging;

21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, en de secretaris-generaal van de Arabische Liga.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0032.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0012.


Duurzame exploitatie van zeebaars
PDF 131kWORD 185k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2015 over de duurzame exploitatie van zeebaars (2015/2596(RSP))
P8_TA(2015)0078B8-0235/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie visserij,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de wetenschappelijke informatie over de situatie van het zeebaarsbestand ontoereikend is, in het bijzonder de beschikbare gegevens over de precieze grenzen, migratieroutes en de plaatsen van de voortplanting van de zeebaars;

B.  overwegende dat de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) vier verschillende zeebaarsbestanden onderscheidt: Keltische Zee/Kanaal/Noordzee, Golf van Biskaje, de westelijke Iberische wateren, en de wateren ten westen van Schotland/Ierland;

C.  overwegende dat verschillende studies aantonen dat de bestandssituatie van de zeebaars zorgwekkend is, ondanks de eerder door de Commissie genomen noodmaatregelen;

D.  overwegende dat de zeebaars nog altijd een zeer hoog sterftecijfer heeft en een langzaam groeiende vissoort is die laat geslachtsrijp wordt, en dat het dus nog lang zal duren voordat de zeebaars terug zal zijn bij zijn oorspronkelijke bevolkingsomvang;

E.  overwegende dat de zeebaars een edele vissoort is die in de visserijsector erg in trek is vanwege zijn aanzienlijke economische waarde;

F.  overwegende dat een aanzienlijk aantal vissersvaartuigen deelneemt aan de zeebaarsvisserij, en dat deze vorm van visserij vele verschillende praktijken kent (vaartuiggrootte, visseizoenen en gebruikt vistuig);

G.  overwegende dat veel zeebaars in de recreatievisserij wordt gevangen en dat deze vangsten ten minste een kwart van de totale zeebaarsvangst vertegenwoordigen;

H.  overwegende dat in Verordening (EU) nr. 1380/2013 van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid(1) is bepaald dat bestanden boven het niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, moeten worden gebracht en behouden;

I.  overwegende dat voor de zeebaars geen totaal toegestane vangst (TAC) is vastgesteld;

J.  overwegende dat de Commissie door middel van noodmaatregelen een verbod heeft ingesteld op de vangst van zeebaars met pelagische trawls in de Keltische Zee, het Kanaal, de Ierse Zee en de zuidelijke Noordzee tot en met 30 april 2015;

K.  overwegende dat de reeds getroffen nationale beheersmaatregelen onvoldoende zijn voor het behoud van de soort en geen oplossing bieden voor de problemen van het delen en de toegang tot de hulpbronnen ;

L.  overwegende dat de exploitatie van de zeebaars in het bijzonder tijdens de paaitijd moet worden beperkt aangezien de vernieuwing van het bestand hierdoor zichtbaar wordt vertraagd en het bestand zich hierdoor niet kan herstellen;

M.  overwegende dat in Ierland de zeebaarsvisserij is voorbehouden aan recreatievissers;

N.  overwegende dat het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) heeft aanbevolen om de vissterfte van de zeebaars tot ongeveer 60 % te reduceren;

O.  overwegende dat de Inter-AC Working Group on sea bass (gezamenlijke adviesraad - werkgroep zeebaars) Europese beheersmaatregelen heeft aanbevolen;

P.  overwegende dat voor de duurzame exploitatie van de zeebaars politieke keuzes moeten geworden gemaakt, waarbij alle relevante belanghebbenden moeten worden betrokken;

1.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om onderzoek te doen naar de situatie van het zeebaarsbestand en de begrenzing ervan, de migratie van de soort en de exacte voortplantingsplaatsen ervan; verzoekt de Commissie en de lidstaten een bijdrage te leveren aan het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, dat voorziet in substantiële financiering voor het verzamelen van wetenschappelijke gegevens;

2.  benadrukt dat de omvang van de verschillende zeebaarsvisserijactiviteiten en van de zeebaarsvangst in de recreatievisserij, ten opzichte van de totale vangst, nauwkeurig moeten worden vastgesteld;

3.  is van mening dat maatregelen voor het beheer van de zeebaarsvisserij op Europees niveau nodig zijn voor de bescherming van deze vissoort; is bovendien van mening dat hierbij voldoende rekening moet worden houden met de wetenschappelijke kennis en de nadruk moet worden gelegd op nabuurschapsbeheer en het beginsel van regionalisering;

4.  verzoekt de Commissie een voorstel te doen voor een meerjarig beheersplan voor de zeebaars om het bestand tot boven het niveau van de maximale duurzame opbrengst te brengen; onderstreept dat beroeps- en sportvissers, evenals adviesraden bij de voorbereiding van dit beheersplan moeten worden betrokken;

5.  herinnert eraan dat meerjarige beheersplannen moeten worden opgesteld in overeenstemming met de medebeslissingsprocedure;

6.  is van mening dat voor de ontwikkeling van een meerjarig beheersplan voor de zeebaars, verschillende beheersmaatregelen voor de commerciële visserij moeten worden beoordeeld, met name de vaststelling van de totaal toegestane vangst en de verplichting van een wetenschappelijk onderbouwd besluit inzake de minimummaat bij aanlanding en gebieds- of tijdsgebonden sluitingen ter bescherming van de voortplanting, en andere technische maatregelen;

7.  is zich bewust van de problemen die de vaststelling van een totaal toegestane vangst zou opleveren, in het bijzonder in verband met de berekening van de vroegere vangstniveaus, de verdeling van de quota op nationaal niveau tussen de verschillende activiteiten en het betrekken van de recreatievisserij hierbij, maar benadrukt dat vanwege de absolute noodzaak om een oplossing te vinden voor de huidige situatie van de zeebaarsbestanden, een dergelijke maatregel in overweging moet worden genomen;

8.  is van mening dat EU-maatregelen in de vorm van kwantitatieve beperkingen, die nog nader moeten worden uitgewerkt, voor de recreatievisserij moeten worden vastgesteld;

9.  is van mening dat maatregelen voor de commerciële visserij en de recreatievisserij samenhangend moeten zijn om ervoor te zorgen dat de bestanden boven de maximale duurzame opbrengst worden gehouden, in overeenstemming met de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.


28e zitting van de UNHCR
PDF 274kWORD 233k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2015 over de prioriteiten van de EU voor de VN-Mensenrechtenraad in 2015 (2015/2572(RSP))
P8_TA(2015)0079RC-B8-0228/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en de mensenrechtenverdragen van de VN alsmede de facultatieve protocollen daarbij, waaronder het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Verdrag en het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien resolutie 60/251 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, waarbij de VN-Mensenrechtenraad (UNHRC) is opgericht,

–  gezien het Europees Verdrag betreffende de rechten van de mens, het Europees Sociaal Handvest en het Handvest van de grondrechten van de EU,

–  gezien het strategisch kader en actieplan voor mensenrechten en democratie van de EU van 25 juni 2012,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de UNHRC,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de schending van mensenrechten, waaronder zijn spoedresoluties over deze kwesties,

–  gezien het Jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2013 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie ter zake,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 9 februari 2015 over de prioriteiten van de EU in mensenrechtenfora van de VN,

–  gezien de artikelen 2, 3, lid 5, 18, 21, 27 en 47 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de 28e zitting van de UNHRC die plaatsvindt van 2 t/m 27 maart 2015,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat eerbiediging, bevordering en waarborging van het universele karakter van de mensenrechten een onderdeel is van het ethische en juridische acquis van de Europese Unie en een van de hoekstenen is van de Europese eenheid en integriteit;

B.  overwegende dat iedere mens mensenrechten heeft, ongeacht zijn nationaliteit, ras, geslacht, etnische herkomst, godsdienst of enige andere status, en dat de eerbiediging van deze rechten verankerd is in de Universele Verklaring van de rechten van de mens, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en latere internationale verdragen, verklaringen en resoluties over de mensenrechten;

C.  overwegende dat alle mensenrechten – ongeacht of het gaat om burgerrechten, politieke, economische, sociale of culturele rechten – ondeelbaar, onderling verbonden en onderling afhankelijk zijn en dat het niet-eerbiedigen van een van deze rechten een rechtstreekse en negatieve impact heeft op de overige rechten;

D.  overwegende dat het niet eerbiedigen van de mensenrechten en het ontbreken van legitieme democratische participatie leiden tot instabiliteit, falende staten, humanitaire crises en gewapende conflicten;

E.  overwegende dat het optreden van de Unie in haar betrekkingen met derde landen gegrondvest is op artikel 21 van het Verdrag van Lissabon, dat het universele en ondeelbare karakter van mensenrechten en fundamentele vrijheden bekrachtigt en voorziet in eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de beginselen van het VN-Handvest en het internationaal recht;

F.  overwegende dat alle staten verplicht zijn de grondrechten van hun volkeren te eerbiedigen, de plicht hebben concrete maatregelen te treffen om de eerbiediging van deze rechten op nationaal niveau te faciliteren en op internationaal niveau moeten samenwerken om belemmeringen voor de verwezenlijking van de mensenrechten waar dan ook weg te nemen;

G.  overwegende dat de reguliere zittingen van de UNHRC, de benoeming van speciale rapporteurs, het universeel periodiek toetsingsmechanisme en de zogeheten "speciale procedures" voor specifieke situaties in landen of voor thematische kwesties bijdragen tot de bevordering en eerbiediging van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat;

H.  overwegende dat sommige van de huidige leden van de UNHRC helaas te boek staan als behorend tot degenen die de mensenrechten het meest met voeten treden en een slechte reputatie hebben als het gaat om samenwerking in het kader van de speciale procedures van de VN en naleving van hun verslagleggingsplichten aan de organen van het VN-Mensenrechtenverdrag;

VN-Mensenrechtenraad

1.  is tevreden over de prioriteiten van de EU voor de aanstaande 28e reguliere zitting van de UNHRC zoals geschetst in de conclusies van de Raad van 9 februari 2015;

2.  is verheugd over de benoeming van ambassadeur Joachim Rücker tot voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad voor 2015;

3.  feliciteert Zeid Ra'ad Zeid Al-Hussein met zijn benoeming tot Hoge VN-Commissaris voor de mensenrechten (UNHCHR) en bevestigt opnieuw diens inspanningen en mandaat ten zeerste te steunen;

4.  spreekt zijn voldoening uit over de aanwezigheid van Federica Mogherini, vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), bij de UNHRC-zitting op hoog niveau, daar dit het juiste signaal afgeeft wat betreft de grote betrokkenheid van de EU bij het multilaterale mensenrechtenstelsel;

5.  is ingenomen met het jaarverslag van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten aan de Algemene Vergadering van de VN over de periode december 2013-november 2014 en steunt ten volle de onafhankelijkheid en integriteit van diens Hoog Commissariaat; benadrukt dat deze onafhankelijkheid moet worden verdedigd, teneinde te waarborgen dat de Hoge Commissaris zijn taak op doeltreffende en neutrale wijze kan blijven uitvoeren; herhaalt dat de UNHCHR van voldoende financiële middelen moet worden voorzien;

6.  herinnert eraan dat het Europees Parlement en zijn Subcommissie mensenrechten zich inzetten voor een sterk multilateraal mensenrechtenstelsel onder auspiciën van de VN, waaronder de Derde Commissie van de Algemene Vergadering, de Mensenrechtenraad, het Hoog Commissariaat voor de Rechten van de Mens, en de werkzaamheden van aanverwante gespecialiseerde VN-agentschappen zoals de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), en van de speciale procedures van de VN steunen;

7.  spoort de EDEO ertoe aan om, met name via de EU-delegaties in New York en Genève, de samenhang van het EU-optreden te vergroten door middel van tijdig en inhoudelijk overleg, teneinde als EU met één stem te spreken; wijst er opnieuw op hoe belangrijk het is om de in New York en Genève uitgevoerde werkzaamheden in de context van de Algemene Vergadering van de VN, de Derde Commissie en de UNHRC te integreren in de relevante interne en externe activiteiten van de EU, teneinde samenhang te garanderen;

8.  is van mening dat de aanhoudende intimidatie en detentie van mensenrechtenactivisten en oppositieleden door een aantal leden van de UNHRC de geloofwaardigheid van de Mensenrechtenraad aantast; herhaalt zijn standpunt dat de leden van de UNHRC moeten worden gekozen uit landen die de mensenrechten, de rechtsstaat en de democratie eerbiedigen en die ermee akkoord zijn gegaan permanente uitnodigingen uit te breiden tot alle speciale procedures, en verzoekt de lidstaten met klem om de invoering van prestatiecriteria betreffende de mensenrechten, die dienen te worden toegepast voor elk land dat zich kandidaat stelt voor UNHRC-lidmaatschap, aan te moedigen en deze criteria aan te nemen; verzoekt de lidstaten met klem om transparante, open en competitieve procedures voor de verkiezing van UNHRC-leden aan te moedigen;

9.  spreekt opnieuw zijn steun uit voor het mechanisme van universele periodieke toetsing (UPR) en zijn waardering voor de waardevolle resultaten hiervan, en roept de leden ertoe op zich actief voor te bereiden op deze toetsing, onder meer door het maatschappelijk middenveld hierbij te betrekken, deel te nemen aan de interactieve dialoog tijdens de UPR-zitting en aan de debatten over de goedkeuring van de UPR-bevindingen, de UPR-aanbevelingen op te volgen en concrete maatregelen te treffen om nog beter aan hun mensenrechtenverplichtingen te voldoen;

10.  blijft zich verzetten tegen blokstemming in de UNHRC; verzoekt de bij de UNHRC aangesloten landen met klem transparant te blijven in hun stemgedrag;

11.  verzoekt de EU en de lidstaten om de UPR-aanbevelingen in alle beleidsdialogen tussen de EU en de desbetreffende landen te laten meewegen met als doel manieren te vinden om landen bij de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen te ondersteunen;

12.  bekrachtigt zijn steun aan de speciale procedures en de onafhankelijke status van de mandaathouders, bedoeld om hen in staat te stellen hun taak volledig neutraal uit te voeren, roept alle staten ertoe op hun medewerking aan deze procedures te verlenen en spoort de lidstaten ertoe aan ruchtbaarheid te geven aan gevallen waarin landen weigeren samen te werken met houders van mandaten voor speciale procedures;

13.  acht het belangrijk om parlementaire delegaties naar de zittingen van de UNHRC en andere relevante zittingen van de Algemene Vergadering van de VN af te vaardigen;

14.  betreurt het feit dat de ruimte voor interactie tussen het maatschappelijk middenveld en de UNHRC voortdurend krimpt en dat ngo's tijdens deze zittingen steeds minder gelegenheid krijgen om het woord te voeren; dringt er bij de EU en de UNHRC op aan te waarborgen dat het maatschappelijk middenveld een zo ruim mogelijke bijdrage kan leveren aan de 28ste vergadering van de UNHRC, alsmede aan het proces van de universele periodieke toetsing en andere mensenrechtenmechanismen van de VN, zonder dat de betrokken organisaties hoeven te vrezen voor represailles bij hun terugkeer in eigen land;

Burgerrechten en politieke rechten

15.  herhaalt dat de vrijheid van meningsuiting niet alleen de hoeksteen vormt van elke vrije en democratische maatschappij, maar ook een grondrecht van elk individu is; veroordeelt ten strengste de moord in januari 2015 in Frankrijk op twaalf personen, waaronder striptekenaars van de krant Charlie Hebdo, en op vier mensen in een joodse supermarkt, alsmede de moord op een filmregisseur en een bewaker van een synagoge in Kopenhagen, door terroristen die het gemunt hebben op de vrijheid van meningsuiting en de godsdienstvrijheid;

16.  veroordeelt het gebruik van religie door extremistische en jihadistische groeperingen in alle landen en vooral in Syrië, Irak, Libië, Myanmar, Nigeria en Centraal-Afrika, die de bevolking terroriseren met onder meer gewapende aanvallen, bommen, zelfmoordacties, ontvoeringen en andere gewelddaden; is van oordeel dat in de strijd tegen het terrorisme maatregelen moeten worden genomen voor de aanpak van de onderliggende oorzaken, waaronder sociale uitsluiting, politieke marginalisering en ongelijkheid; dringt aan op meer inspanningen voor de bescherming van de rechten van personen die tot religieuze minderheden behoren; dringt erop aan dat bij alle activiteiten ter bestrijding van het terrorisme de mensenrechten en de rechtsstaat gehandhaafd blijven;

17.  spreekt zijn bezorgdheid uit over alle beperkingen van de vrijheid van vergadering en vereniging, waaronder het verbieden van organisaties van het maatschappelijk middenveld, agressief gebruik van wetgeving inzake smaad en andere restrictieve wetgeving, excessieve regels inzake registratie en verslaglegging en overdreven beperkende regels inzake buitenlandse financiering, en herhaalt dat de vrijheid van vereniging en vreedzame vergadering fundamentele elementen van de mensenrechten zijn;

18.  roept alle regeringen op organisaties van het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenactivisten te steunen en hen in staat te stellen zonder angst, repressie of intimidatie hun werk te doen en met de UNHRC samen te werken in het UPR-mechanisme, alsmede te waarborgen dat landen die verantwoordelijk zijn voor represailles tegen mensenrechtenactivisten ter verantwoording worden geroepen, met name als represailles een fatale afloop hebben, zoals in het geval van de dood in maart 2014 van de Chinese mensenrechtenactivist Cao Shunli, die geprobeerd had het vliegtuig te nemen om de zitting van de UNHRC in september 2013 in Genève bij te wonen;

19.  veroordeelt andermaal de toepassing van de doodstraf en is groot voorstander van de invoering van een moratorium op de doodstraf, als stap in de richting van de afschaffing ervan;

20.  herinnert aan het belang van de strijd tegen foltering en andere vormen van mishandeling en aan het feit dat de EU zich ertoe heeft verplicht deze kwestie tot prioriteit te verheffen, ook als het gaat om kinderen, en het werk van de speciaal VN-rapporteur inzake foltering te faciliteren; verzoekt de EDEO, de Commissie en de EU-lidstaten blijk te geven van hun gemeenschappelijke inzet voor de bestrijding van foltering en de ondersteuning van slachtoffers, met name door te blijven c.q. te gaan bijdragen aan het vrijwillige VN-fonds voor de slachtoffers van foltering en het speciale fonds dat krachtens het facultatieve protocol bij het Verdrag tegen foltering is ingesteld;

21.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de voortdurende en wijdverspreide discriminatie van migranten, waaronder asielzoekers en vluchtelingen, en de schendingen van hun rechten; verzoekt de EU en de lidstaten de werkzaamheden van de speciale VN-rapporteur voor de rechten van migranten en de tenuitvoerlegging van zijn aanbevelingen te steunen; verzoekt de regeringen de mensenrechten alsook de daaraan inherente waardigheid van migranten te eerbiedigen, een einde te maken aan willekeurige arrestatie en opsluiting, de duur van gevangenhouding te evalueren en gebruik te maken van alternatieven voor opsluiting teneinde excessieve detentie van illegale migranten tegen te gaan; verzoekt de regeringen onder alle omstandigheden het beginsel van non-refoulement na te leven en hun internationale wettelijke verplichtingen met betrekking tot de uitzetting van migranten volledig na te komen; verzoekt staten, indien zij zulks nog niet hebben gedaan, systemen en procedures in te voeren om te waarborgen dat hun internationale wettelijke mensenrechtenverplichtingen in het kader van alle programma's en bij alle instanties op het gebied van migratie worden nagekomen;

22.  steunt het meest recente verslag en de conclusies van de speciale UNHRC-rapporteur voor hedendaagse vormen van racisme, rassendiscriminatie, vreemdelingenhaat en aanverwante intolerantie; verzoekt de EU en haar lidstaten de aanbevelingen van de speciale rapporteur op te nemen in hun intern beleid ter bestrijding van de verspreiding van rassenhaat, etnische haat en vreemdelingenhaat en het aanzetten tot geweld op internet en via de sociale media, door passende wetgevingsmaatregelen te nemen en daarbij de andere grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, ten volle te eerbiedigen;

23.  wijst erop dat het klimaat waarin de vrijheid van meningsuiting wordt uitgeoefend in de hele wereld veranderingen heeft ondergaan ten gevolge van de snelle ontwikkeling van informatie- en communicatietechnologieën, en dat dit enerzijds aanzienlijke voordelen heeft opgeleverd, maar anderzijds ook reden geeft tot zorg; is in dit verband verheugd over het feit dat de Raad in mei 2014 de EU-richtsnoeren voor de vrijheid van meningsuiting online en offline heeft goedgekeurd, en veroordeelt alle beperkingen van digitale communicatie, waaronder alle maatregelen die zich richten tegen het maatschappelijk middenveld; herhaalt dat het van belang is bijzondere aandacht te besteden aan de rechten van journalisten en bloggers;

24.  spoort de UNHRC ertoe aan het debat over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer voort te zetten en met het oog daarop een speciale VN-rapporteur voor het recht op privacy te benoemen, die zich met name zal bezighouden met het recht op privacy op het gebied van digitale communicatie;

Sociale en economische rechten

25.  wijst erop dat de VN-ontwikkelingsagenda na de millenniumdoelstellingen tot doel heeft armoede uit te roeien tegen 2030 door middel van een holistische aanpak van economische, sociale en milieukwesties; is ingenomen met het syntheseverslag van de secretaris-generaal van de VN in de aanloop naar de buitengewone VN-top over de agenda duurzame ontwikkelingsdoelstellingen voor de periode na 2015; steunt de oproepen van de secretaris-generaal om te opteren voor een op de behoeften en rechten van mensen toegespitste aanpak om een einde te maken aan armoede;

26.  acht het van belang dat de toenemende en extreme ongelijkheid wordt aangepakt om de armoede in het algemeen te bestrijden en de sociale en economische rechten in het bijzonder te bevorderen door de toegang tot voedsel, water, onderwijs, gezondheidszorg en passende huisvesting te vergemakkelijken; benadrukt in deze context dat landroof een steeds groter probleem wordt, dat dient te worden aangepakt;

27.  is van mening dat corruptie, belastingontduiking, wanbeheer van openbare goederen en gebrek aan verantwoordingsplicht bijdragen tot de schending van de rechten van burgers, aangezien hierdoor niet de hoognodige investeringen kunnen worden gedaan in openbare diensten zoals onderwijs, basisgezondheidszorg en andere sociale infrastructuur, en aldus de spiraal van armoede in stand wordt gehouden; herinnert eraan dat regeringen er krachtens het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten toe verplicht zijn de rechten van hun burgers te eerbiedigen door voldoende middelen beschikbaar te stellen; benadrukt in dit verband dat bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de bescherming van mensenrechtenactivisten die actief zijn op het vlak van economische, sociale en culturele rechten;

28.  bekrachtigt zijn steun voor de benoeming van een speciale VN-rapporteur voor financiële criminaliteit, corruptie en mensenrechten;

Bedrijfsleven en mensenrechten

29.  is groot voorstander van de daadwerkelijke en alomvattende verspreiding en tenuitvoerlegging van de VN-richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten in en buiten de EU en onderstreept dat alle nodige maatregelen moeten worden genomen om lacunes bij de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de VN-richtsnoeren aan te pakken, inclusief voor wat betreft toegang tot de rechter; is ingenomen met het initiatief voor een regeling tot oprichting van een systeem van zorgvuldigheidsverplichtingen in de toeleveringsketen met het oog op de verantwoorde winning van mineralen uit conflictgebieden; verzoekt alle belanghebbenden actief deel te nemen aan de 11e zitting van de werkgroep van de VN over de mensenrechtenproblematiek in het kader van transnationale ondernemingen en andere bedrijven, en steun te verlenen aan de inspanningen die gericht zijn op aanpassing van het beleid van deze ondernemingen aan de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen en aan de VN-richtsnoeren inzake bedrijven en mensenrechten; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om vóór eind 2015 verslag uit te brengen over de tenuitvoerlegging van de VN-richtsnoeren inzake bedrijven en mensenrechten door de EU-lidstaten;

30.  spoort de EU-delegaties over de hele wereld aan de dialoog aan te gaan met EU-bedrijven om de eerbiediging van de mensenrechten te bevorderen en ervoor te zorgen dat "bedrijfsleven en mensenrechten" wordt opgenomen in de lijst van focusthema's van de lokale oproepen tot het indienen van voorstellen voor het Europees instrument voor democratie en mensenrechten;

31.  is van oordeel dat het bedrijfsleven en de mensenrechten elkaar onderling kunnen versterken door te zorgen voor nieuwe zakelijke mogelijkheden in de regio's waar duurzame en verantwoorde investeringen het meest nodig zijn en door bij te dragen tot de algemene eerbiediging van mensenrechten in de ontwikkelingslanden;

32.  verzoekt de EU en haar lidstaten deel te nemen aan de discussie die zich thans ontspint over een internationaal juridisch bindend instrument, in het kader van de VN, inzake bedrijfsleven en mensenrechten;

Vrouwenrechten

33.  wijst erop dat gendermainstreaming, dat wil zeggen de reorganisatie, verbetering, ontwikkeling en evaluatie van beleidsmaatregelen met het doel te waarborgen dat gelijke kansen door de beleidsmakers in alle beleidsmaatregelen – op ieder niveau en in elke fase – worden geïntegreerd, een belangrijk instrument is om gendergelijkheid te bereiken;

34.  verzoekt de EU actief deel te nemen aan de 59e zitting van de Commissie voor de positie van de vrouw, en weerstand te blijven bieden aan alle pogingen tot ondermijning van het VN-actieplatform van Beijing, dat zal worden geëvalueerd ter gelegenheid van het feit dat de Vierde Wereldvrouwenconferentie 20 jaar geleden plaatsvond, onder meer voor wat betreft de toegang tot onderwijs en gezondheidszorg als fundamentele mensenrechten, en seksuele en reproductieve rechten;

35.  laat zich kritisch uit over het feit dat ondanks de tot dusverre geboekte vooruitgang bij de totstandbrenging van gendergelijkheid en de versterking van de positie van de vrouw, in talrijke landen discriminerende wetgeving blijft bestaan, met name op het gebied van het gezin en eigendomsverwerving; merkt op dat er nog altijd veel minder vrouwen dan mannen een leidinggevende functie hebben en dat geweld jegens vrouwen nog steeds op grote schaal voorkomt en dat de toegang van vrouwen tot de rechter nog altijd beperkt is, terwijl er iedere dag grote aantallen vrouwen omkomen ten gevolge van huiselijk geweld; is uitermate bezorgd over het feit dat er in sommige landen zelfs sprake is van achteruitgang, met name op het gebied van seksuele en reproductieve rechten;

36.  veroordeelt krachtig het gebruik van seksueel geweld tegen vrouwen, waaronder misdrijven als massaverkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, genderspecifieke misdrijven zoals genitale verminking, mensenhandel, vroegtijdige en gedwongen huwelijken, eremoord en alle andere vormen van vergelijkbaar ernstig seksueel geweld, inclusief het gebruik van seksueel geweld tegen vrouwen als oorlogstactiek; verzoekt de EU en al haar lidstaten opnieuw om het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag van Istanboel) te ondertekenen en te ratificeren;

37.  herinnert tevens aan de toezegging van de EU om mensenrechten en genderaspecten te integreren in missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, overeenkomstig de op dit punt cruciale resoluties 1325 en 1820 van de VN-Veiligheidsraad betreffende vrouwen, vrede en veiligheid; herhaalt in dit verband zijn oproep aan de EU en haar lidstaten om bij het streven naar duurzame verzoening de systematische deelname van vrouwen aan vredesprocessen te waarborgen, en dringt aan op aandacht voor genderaspecten bij conflictpreventie, vredeshandhaving, humanitaire hulpverlening, wederopbouw na conflicten en democratische overgangsprocessen;

38.  benadrukt dat genitale verminking van vrouwen en vorm van foltering is; beklemtoont dat de EU met derde landen moet blijven samenwerken om genitale verminking van vrouwen als gebruik uit te bannen; herinnert de lidstaten die de genitale verminking van vrouwen in hun nationale wetgeving strafbaar hebben gesteld eraan dat zij deze wetgeving moeten handhaven wanneer wordt vastgesteld dat hun burgers er het slachtoffer van geworden zijn;

39.  is ingenomen met het feit dat het Internationaal Strafhof seksueel en gendergerelateerd geweld – met inbegrip van verkrachting, aanranding en seksuele vernedering – heeft aangemerkt als een vorm van foltering, en heeft aanbevolen dat dergelijke misdrijven als oorlogsmisdaden worden beschouwd;

Rechten van het kind

40.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat er weliswaar vooruitgang is geboekt sinds de aanneming van het Verdrag inzake de rechten van het kind in 1989, maar dat er nog minstens 58 miljoen kinderen, en met name meisjes, kinderen uit arme gezinnen, kinderen met een handicap en kinderen in conflictgebieden, niet naar school gaan, veel kinderen nog steeds aan ziektes lijden die gemakkelijk voorkomen kunnen worden en kinderarbeid nog steeds op grote schaal voorkomt;

41.  roept alle staten op zich ertoe te verbinden de ergste vormen van kinderarbeid, zoals gedefinieerd in artikel 3 van IAO-verdrag nr. 182, uit te bannen, waaronder kinderslavernij, kinderhandel, kinderprostitutie en gevaarlijk werk dat de lichamelijke en geestelijke gezondheid van het kind schaadt;

42.  herinnert eraan dat het een van de belangrijkste verplichtingen van de staat is om alle kinderen onderwijs te bieden, door hen daartoe een breed scala aan mogelijkheden te bieden, goede onderwijsinstellingen op te richten en de structurele oorzaken van grote problemen in het algemeen basisonderwijs aan te pakken, waaronder het percentage vroegtijdige schoolverlaters, dat in het algemeen basisonderwijs een groot struikelblok blijft;

43.  wenst dat voldoende EU-financiering wordt uitgetrokken voor demobilisatie- en reïntegratieprogramma's voor bij gewapende conflicten betrokken kinderen en voormalige kindsoldaten; herhaalt zijn krachtige steun voor de campagne "Kinderen, geen soldaten", zoals aangegeven tijdens de hoorzitting over hetzelfde thema in de Subcommissie mensenrechten op 3 december 2014; is ingenomen met de jaarverslagen van de speciale vertegenwoordiger van de VN voor kinderen in gewapende conflicten en de speciale vertegenwoordiger van de VN voor geweld jegens kinderen, alsook met het verslag van de speciale rapporteur voor kinderhandel, kinderprostitutie en kinderpornografie;

Rechten van LGBTI’ers

44.  maakt zich ernstige zorgen over de recente toename van het aantal discriminerende wetten en praktijken en gewelddaden tegen personen op grond van hun seksuele gerichtheid en genderidentiteit; vindt dat de situatie van LGBTI op de voet moet worden gevolgd, onder andere in Nigeria en Gambia, waar onlangs ingevoerde anti-LGBTI-wetten een bedreiging vormen voor het leven van seksuele minderheden; toont zich uitermate verontrust over de zogeheten "anti-propagandawetten" waarmee de vrijheid van meningsuiting en vergadering wordt ingeperkt, ook in landen op het Europese continent; is ingenomen met de UNHRC-resolutie over de bestrijding van geweld en discriminatie op grond van seksuele gerichtheid en genderidentiteit van 26 september 2014; bekrachtigt zijn steun aan de niet-aflatende werkzaamheden van de Hoge Commissaris om de vrije uitoefening van alle mensenrechten door LGBTI te bevorderen en te beschermen, voornamelijk met behulp van verklaringen, verslagen en de "vrij & gelijk"-campagne; spoort de Hoge Commissaris aan zijn strijd tegen discriminerende wetten en praktijken voort te zetten;

Klimaatverandering en mensenrechten

45.  benadrukt dat de klimaatverandering grote gevolgen heeft voor groepen en personen in kwetsbare situaties, vooral in lage-inkomenslanden en in landen met een kust en laaggelegen eilandstaten die niet over de economische middelen beschikken om zich aan verregaande ecologische veranderingen aan te passen;

46.  stelt met bezorgdheid vast dat klimaatgerelateerde incidenten vooral grote gevolgen hebben voor inheemse volkeren; wijst er in dit verband op dat de meeste inheemse volkeren onder de armoedegrens leven en nauwelijks of geen toegang hebben tot vertegenwoordiging, politieke besluitvorming of de rechter;

47.  is ingenomen met het feit dat de UNHRC erkent dat ecologische veranderingen de bestaanszekerheid van bevolkingen bedreigen en de verwezenlijking van fundamentele, internationaal erkende mensenrechten in de weg staan; verzoekt de staten die lid zijn van de UNHRC met klem om op de komende conferentie over klimaatverandering van 2015 in Parijs dringende en ambitieuze matigings- en aanpassingsmaatregelen aan te nemen;

48.  verzoekt de Commissie en de EDEO actief deel te nemen aan het debat over de term "klimaatvluchteling", met inbegrip van de mogelijke definitie ervan in het internationaal recht of in enige juridisch bindende internationale overeenkomst;

De strijd tegen straffeloosheid en het Internationaal Strafhof (ICC)

49.  herhaalt zijn volledige steun voor de werkzaamheden van het ICC die erop gericht zijn een einde te maken aan de straffeloosheid ten aanzien van plegers van de ernstigste misdrijven die de internationale gemeenschap met zorg vervullen, en gerechtigheid te bieden aan slachtoffers van oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide; blijft alert op pogingen om de legitimiteit of de onafhankelijkheid van het ICC te ondermijnen; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan om samen te werken met het Strafhof en het krachtige diplomatieke, politieke en financiële steun te bieden, ook in het kader van de VN; dringt er bij de EU, haar lidstaten en de speciale vertegenwoordigers van de EU op aan om het ICC, de handhaving van zijn besluiten en de strijd tegen straffeloosheid met betrekking tot misdrijven die onder het Statuut van Rome vallen, actief te steunen; spreekt zijn voldoening uit over de recente ratificatie van het Statuut van Rome door de Palestijnse Autoriteit in januari 2015;

Inheemse bevolkingsgroepen

50.  roept de EDEO, de Commissie en de lidstaten op de herziening van het mandaat van het deskundigenmechanisme inzake de rechten van inheemse volkeren te steunen, in overeenstemming met het slotdocument van de Wereldconferentie over inheemse volkeren (Resolutie 69/2 van de Algemene Vergadering van de VN), met het oog op het toezicht op en de evaluatie en verbetering van de tenuitvoerlegging van de Verklaring inzake de rechten van inheemse volkeren; verzoekt de EU-lidstaten erop aan te dringen dat alle houders van mandaten voor speciale procedures bijzondere aandacht besteden aan problemen waarmee inheemse vrouwen en meisjes kampen, en hierover stelselmatig verslag uitbrengen aan de UNHRC; dringt er bij de EDEO en de lidstaten op aan de ontwikkeling van het op het hele bestel gerichte actieplan inzake inheemse volkeren actief te steunen, overeenkomstig het verzoek van de Algemene Vergadering van de VN in haar resolutie van september 2014, in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van regelmatige raadplegingen van inheemse volkeren als onderdeel van dit proces;

Internationale culturele en sportevenementen en mensenrechten

51.  stelt aan de kaak dat autoritaire staten steeds vaker grootscheepse culturele of sportevenementen organiseren om hun internationale legitimiteit te onderbouwen, terwijl ze de kritiek uit eigen land steeds verder de mond snoeren; verzoekt de EU en haar lidstaten dit probleem aan de orde te stellen, onder andere bij de UNHRC, en met nationale sportfederaties, het bedrijfsleven en organisaties uit het maatschappelijk middenveld in discussie te gaan over de modaliteiten van hun deelname aan dergelijke evenementen, bijvoorbeeld de eerste Europese Spelen in Baku in 2015 en het door FIFA georganiseerde WK in Rusland in 2018 en in Qatar in 2022;

Drones en autonome wapens

52.  herhaalt zijn oproep aan de Raad om een gemeenschappelijk standpunt van de EU te ontwikkelen over het gebruik van gewapende drones, waarin het allergrootste belang wordt gehecht aan de eerbiediging van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht en waarin kwesties zoals rechtskader, evenredigheid, verantwoording, bescherming van burgers en transparantie aan bod komen; dringt er nogmaals bij de EU op aan om een verbod uit te vaardigen op de ontwikkeling, de productie en het gebruik van volledig autonome wapens waarmee aanvallen zonder menselijke tussenkomst kunnen worden uitgevoerd; dringt erop aan dat mensenrechten in alle dialogen met derde landen inzake terrrorismebestrijding aan de orde komen;

Mainstreaming van mensenrechten in de EU

53.  verzoekt de EU de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten, waaronder burgerrechten en politieke, economische, sociale en culturele rechten, te bevorderen overeenkomstig artikel 21 van het Verdrag van Lissabon en de algemene bepalingen inzake het externe optreden van de Unie;

54.  verzoekt de EU, haar lidstaten, de Commissie en de EDEO mensenrechten te integreren in al hun beleidsgebieden die derde landen betreffen; onderstreept voorts dat het EU-beleid op het gebied van mensenrechten moet waarborgen dat interne en externe beleidsmaatregelen coherent zijn en aansluiten bij de verplichtingen van het EU-Verdrag, en dat een dubbele moraal wat de eerbiediging van mensenrechten betreft moet worden vermeden;

55.  dringt er bij de EU op aan een op rechten gebaseerde benadering te kiezen en eerbiediging van de mensenrechten te integreren in handel, investering, overheidsdiensten en ontwikkelingssamenwerking, alsmede in haar gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid;

Prioriteiten van de EU inzake landenspecifieke kwesties

Oekraïne

56.  spreekt zijn ernstige verontrusting uit over het geweld en het gewapende conflict in het oosten van Oekraïne; hoopt dat het op het akkoord van Minsk gebaseerde staakt-het-vuren zal standhouden; veroordeelt de grootschalige schendingen van de mensenrechten in het conflict alsook de gevolgen voor de mensenrechten van de recente gevechten; staat volledig achter de VN-missie voor toezicht op de mensenrechten en de speciale waarnemingsmissie van de OVSE in Oekraïne en vraagt dat deze laatste missie wordt versterkt; toont zich uiterst bezorgd over het lot van personen die als gevolg van het gewapende conflict in de zuidoostelijke gebieden ontheemd zijn geraakt; veroordeelt de wederrechtelijke annexatie van de Krim door middel van het agressieve en expansionistische beleid van Rusland, dat een bedreiging van de eenheid en onafhankelijkheid van Oekraïne vormt; blijft bezorgd over de discriminatie en wijdverbreide mensenrechtenschendingen ten aanzien van de plaatselijke bevolking in deze regio, met name de Krimtataren; verzoekt de EU-lidstaten hun steun te verlenen aan alle mogelijke inspanningen op VN-niveau om straffeloosheid tegen te gaan en onpartijdige onderzoeken in te stellen naar de gewelddadige gebeurtenissen en mensenrechtenschendingen in verband met het neerslaan van de Maidan-betogingen, de wederrechtelijke annexatie van de Krim en het gewapende conflict in Oost-Oekraïne; roept op tot eerbiediging van het internationaal humanitair recht en de internationale humanitaire beginselen, met het oog op de bescherming van burgers in het conflict;

Democratische Volksrepubliek Korea (DVK)

57.  is ingenomen met de geplande verlenging van het mandaat van de speciale rapporteur voor de mensenrechtensituatie in de Democratische Volksrepubliek Korea (DVK); is voorts verheugd over de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN waarin de VN-Veiligheidsraad ertoe wordt aangespoord gepaste maatregelen te nemen om de verantwoordingsplicht te waarborgen, onder meer door te overwegen om de situatie in de DVK door te verwijzen naar het Internationaal Strafhof; vraagt dat de UNHRC zijn oproep met betrekking tot de verantwoordingsplicht herhaalt, ook in verband met personen die misdaden tegen de menselijkheid begaan of hebben begaan op basis van op het hoogste niveau van de staat vastgesteld beleid; is verheugd over de oprichting van een lokale structuur in de DVK om het toezicht op de situatie te verbeteren en het verzamelen van bewijsmateriaal in het kader van de verantwoordingsplicht te bevorderen, dringt erop aan dat alle staten met deze structuur samenwerken en verzoekt de UNHRC meer aandacht te besteden aan de situatie in de DVK en een officieel panel in het leven te roepen waarin personen wier rechten geschonden zijn, in het kader van een volgende zitting van de UNHRC hun verhaal kunnen doen;

Iran

58.  is ingenomen met de resolutie van de UNHRC van maart 2014 over de mensenrechtensituatie in de Islamitische Republiek Iran en met de verlenging van het mandaat van de speciale rapporteur van de VN, en roept Iran ertoe op de speciale rapporteur toegang te verlenen tot het land, omdat Iran hiermee kan aantonen bereid te zijn in gesprek te gaan over de mensenrechten; bevestigt andermaal zijn veroordeling van het gebruik van de doodstraf in Iran, onder meer voor minderjarigen, die vaak wordt uitgevoerd na een gerechtelijke procedure die de internationaal aanvaarde minimumnormen inzake een eerlijk proces niet eerbiedigt; blijft verontrust over het grote aantal executies zonder vorm van proces of zonder eerlijk proces; sluit zich aan bij de gezamenlijke verklaring van de mandaathouders voor de "speciale procedures" van de VN van augustus 2014 waarin zij de golf van arrestaties en veroordelingen van vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld in Iran afkeuren; verzoekt de EU en de UNHRC de systematische schending van de mensenrechten nauwlettend te blijven volgen en ervoor te zorgen dat mensenrechten een belangrijke prioriteit blijven in alle contacten met de Iraanse regering; dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan zich te houden aan het internationaal humanitair recht, krachtens hetwelk executie van minderjarige overtreders in strijd is met internationale minimumnormen, en te stoppen met het executeren van minderjarige overtreders;

Myanmar/Birma

59.  steunt het meest recente verslag van de speciale rapporteur van de VN over de mensenrechtensituatie in Myanmar, waarin wordt geconstateerd dat er vorderingen zijn gemaakt, maar eveneens wordt gewezen op het feit dat er op bepaalde terreinen nog altijd grote problemen bestaan; verzoekt de regering van Myanmar mensenrechten, met inbegrip van de rechten van minderheden, te integreren in het institutionele en rechtskader van het land en in alle beleidsdomeinen, en de vrijheid van meningsuiting en vergadering te eerbiedigen; uit zijn bezorgdheid over de voorgestelde wetgeving inzake "bescherming van ras en religie", die vier wetsontwerpen omvat over interconfessionele huwelijken, bekering, monogamie en geboortebeperking; roept de UNHRC om het mandaat van de speciale rapporteur onder punt 4 te verlengen, opnieuw blijk te geven van zijn grote bezorgdheid over de situatie van de Rohingya-minderheid in de deelstaat Rakhine die nog verergerd wordt door het feit dat deze gemeenschap geen wettelijke status heeft en daardoor stelselmatig gediscrimineerd wordt, en dringt aan op een grondig, transparant en onafhankelijk onderzoek naar alle berichten over mensenrechtenschendingen jegens de Rohingya, en vaart te zetten achter het proces om in het land een kantoor van de Hoge Commissaris met een volledig toezichts- en verslagleggingsmandaat te openen; betreurt de aanvallen op burgers in de staten Kachin en Shan, het gebruik van seksueel geweld door veiligheidstroepen tijdens gewapende conflicten, het feit dat er politieke gevangenen zijn, de intimidatie van mensenrechtenactivisten, andere activisten en mediamedewerkers, buitengerechtelijke executies, de confiscatie van grond en de stemmingmakerij tegen religieuze en etnische minderheden; is van mening dat de eventuele sluiting van een investeringsovereenkomst tussen de EU en Myanmar zorgvuldig moet worden afgewogen, aangezien het gevaar bestaat dat buitenlandse investeringen in het land tot een verergering van de mensenrechtenschendingen leiden;

Belarus

60.  maakt zich ernstige zorgen over de aanhoudende mensenrechtenschendingen in Belarus; spreekt zijn afkeuring uit over de drie terechtstellingen die in 2014 hebben plaatsgevonden, de intimidatie van mensenrechtenactivisten, de vervolging van onafhankelijke journalisten, de censuur op alle internetcommunicatie en de restrictieve wetgeving betreffende niet-gouvernementele organisaties; pleit voor de verlenging van het mandaat van de speciale rapporteur van de VN inzake de mensenrechtensituatie in Belarus op de 29e zitting van de Mensenrechtenraad, en roept de regering van Belarus ertoe op om de houders van mandaten voor speciale VN-procedures en de speciale rapporteur onbeperkt toegang tot het land te verlenen; dringt erop aan alle politieke gevangenen onmiddellijk vrij te laten en eerherstel te verlenen;

Bahrein

61.  blijft bezorgd over het politieoptreden tegen oppositieleiders, spelers uit het maatschappelijk middenveld en activisten in Bahrein en de situatie van mensenrechtenactivisten en politieke tegenstanders in het land; verzoekt alle belanghebbenden in Bahrein een constructieve en inclusieve dialoog aan te gaan, teneinde echte verzoening te bereiken en de eerbiediging van de mensenrechten van alle gemeenschappen in Bahrein te waarborgen; verlangt de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle gewetensgevangenen, journalisten, mensenrechtenactivisten en vreedzame demonstranten, en steunt de gezamenlijke verklaring van de mandaathouders voor de speciale VN-procedures van 4 februari 2015 betreffende de arrestatie van een belangrijke politieke tegenstander en het neerslaan van de demonstraties die hierop plaatsvonden; verzoekt de EU-lidstaten en de andere leden van de UNHRC om de mensenrechtensituatie in Bahrein van nabij te blijven volgen en hierbij met name te letten op de tenuitvoerlegging van de toezeggingen die Bahrein tijdens de universele periodieke toetsing heeft gedaan alsmede van de aanbevelingen van de Bahreinse onafhankelijke onderzoekscommissie, waarop positief is gereageerd door de koning van Bahrein; betreurt het gebrek aan vooruitgang van de Bahreinse regering op het vlak van de samenwerking met het kantoor van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten (OHCHR) en de speciale procedures van de UNHRC, en vraagt de EU-lidstaten te streven naar goedkeuring, tijdens de zitting van maart van de UNHRC, van een resolutie waarin zij de volledige tenuitvoerlegging eisen van de verbintenissen die Bahrein tijdens de universele periodieke toetsing heeft gedaan en van de aanbevelingen, inclusief die betreffende mensenrechtenactivisten, van de Bahreinse onafhankelijke onderzoekscommissie, waarin het OHCHR verzocht werd verslag uit te brengen over de mensenrechtensituatie ter plaatse en over de vooruitgang op het vlak van de samenwerking van Bahrein met de VN-mensenrechtenmechanismen;

Egypte

62.  spreekt zijn voldoening uit over het verloop van de universele periodieke toetsing voor Egypte in november 2014 en gaat ervan uit dat de UPR tijdens de volgende zitting van de UNHRC zal worden goedgekeurd; dringt bij Egypte aan op onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle activisten en mensenrechtenverdedigers, alsmede van de personen die gevangen worden gehouden omdat zij op vreedzame wijze gebruik hebben gemaakt van hun vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging; verlangt voorts dat de Egyptische regering wetgeving aanneemt die aansluit bij de internationale normen en dat zij het in de Egyptische grondwet verankerde recht op vereniging waarborgt, alsook het recht om financiering te ontvangen en te verstrekken, en dat zij de wet op protestdemonstraties van november 2013 intrekt en een nieuwe wet aanneemt die de vrijheid van vergadering garandeert; verzoekt de Egyptische regering een gerechtelijk onderzoek in te stellen naar de identiteit van de opdrachtgevers en uitvoerders van buitengerechtelijke executies bij de onderdrukking van de overwegend vreedzame demonstraties die sinds 3 juli 2013 hebben plaatsgevonden, waaronder de ontruiming van het Rabaa- en Nahda-plein op 14 augustus 2013, waarbij ten minste 1 000 demonstranten om het leven kwamen; dringt erop aan dat Egypte onafhankelijke, onpartijdige en efficiënte onderzoeken voert naar alle mensenrechtenschendingen sinds 2011, met inbegrip van seksuele gewelddaden, en ervoor zorgt dat degenen die verantwoordelijk zijn voor deze schendingen rekenschap moeten afleggen en dat de slachtoffers conform de internationale normen een passend rechtsherstel wordt geboden; eist dat de Egyptische autoriteiten zonder uitstel alle doodvonnissen annuleren, nieuwe processen laten plaatsvinden waarmee het recht op een eerlijk en correct proces wordt gegarandeerd, meteen een moratorium afkondigen op doodvonnissen en terechtstellingen, alle opgesloten journalisten en mediawerkers onverwijld vrijlaten en in overeenstemming met de internationale normen het recht op de vrijheid van toegang tot informatie en meningsuiting garanderen; vraagt de Egyptische autoriteiten met klem om in te stemmen met het bezoek van de speciale rapporteur van de VN inzake geweld tegen vrouwen, waarvoor in theorie al toelating is verleend maar dat sinds begin 2014 wordt uitgesteld, en om een uitnodiging te doen toekomen aan alle relevante VN-mensenrechtenmechanismen, in het bijzonder de speciale rapporteur inzake de vrijheid van vergadering, de speciale rapporteur inzake foltering, de speciale rapporteur inzake de mensenrechten bij terrorismebestrijdingen de speciale rapporteur inzake de onafhankelijkheid van rechters en advocaten; vraagt de Egyptische autoriteiten ervoor te zorgen dat de binnenlandse wetgeving overeenstemt met de internationale mensenrechtennormen, wet nr. 136/2014 onverwijld in te trekken, een eind te maken aan militaire rechtszaken tegen burgers, alle door militaire rechtbanken uitgesproken vonnissen tegen burgers te annuleren en bevel te geven tot onmiddellijke nieuwe processen voor burgerlijke rechtbanken; vraagt dat de EU en haar lidstaten een duidelijke verklaring over deze onderwerpen afleggen;

Mali

63.  is ingenomen met het werk van de onafhankelijke VN-deskundige inzake de mensenrechtensituatie in Mali en verzoekt de UNHRC zijn mandaat te verlengen; is verheugd over de vooruitgang die de regering van Mali heeft geboekt bij het opnieuw instellen van de rechterlijke macht in sommige delen van het land en bij het onderzoek naar de foltering van en moord op 21 elitesoldaten in 2012, alsook over de oprichting van de Commissie voor waarheid, gerechtigheid en verzoening; blijft bezorgd over de nieuwe verslechtering van de veiligheidssituatie en het aanhoudende inzetten en rekruteren van kindsoldaten en roep de regering van Mali op te onderzoeken wie binnen alle strijdende partijen verantwoordelijk was voor oorlogsmisdaden tijdens het gewapende conflict in 2012-2013 en hen ter verantwoording te roepen; is ingenomen met het vredesakkoord voor de hele bevolking van Mali, aangezien zij hiervan na maanden van instabiliteit en onveiligheid als eersten de vruchten plukken, maar betreurt dat de rebellen in het noorden om uitstel hebben gevraagd; roept alle partijen op het voorbeeld van de Malinese regering te volgen en het akkoord, waarvan de tenuitvoerlegging door de EU zal worden gemonitord, onverwijld te tekenen, en te waarborgen dat het toekomstige vredesakkoord voorziet in verantwoordingsplicht, uitbreiding van de waarheidscommissie en toetsing van leden van veiligheidstroepen;

Zuid-Soedan

64.  dringt er bij de Afrikaanse Unie op aan het rapport van haar onderzoekscommissie naar de mensenrechtenschendingen en gevallen van misbruik die door de verschillende partijen in Zuid-Soedan zijn begaan openbaar te maken, om er op die manier voor te zorgen dat vervolging van degenen die zich sinds de start van het conflict aan deze schendingen schuldig hebben gemaakt, dichterbij komt; spreekt zijn afschuw uit over de ontvoering van een groep jonge kinderen in Wau Shilluk in februari 2015, met als doel om deze kinderen in te zetten als kindsoldaten; dringt erop aan dat de UNHRC een resolutie aanneemt waarin wordt benadrukt dat eerlijke en geloofwaardige onderzoeken en vervolgingen van misdaden uit hoofde van het internationale recht essentieel zijn opdat Zuid-Soedan de vicieuze cirkel van wreed geweld en straffeloosheid kan doorbreken, vraagt hiertoe dat er wordt overwogen een hybride rechtsmechanisme in te voeren, en verzoekt Zuid-Soedan voorts met klem zich aan te sluiten bij het Statuut van Rome en een mandaat te verstrekken voor een speciale rapporteur voor Zuid-Soedan om met de steun van de internationale gemeenschap eerlijke en geloofwaardige vervolgingen en brede maatregelen inzake de verantwoordingsplicht aan te moedigen;

Sri Lanka

65.  neemt kennis van de toezeggingen van de onlangs gekozen regering van Sri Lanka en roept haar ertoe op tussen nu en de 30e zitting van de UNHRC in september 2015 concrete stappen te zetten op het gebied van verantwoordingsplicht, onder meer met ernstig opgevatte onderzoeken en vervolgingen, en zo haar beloften betreffende het verbeteren van de mensenrechtensituatie in het land en het verhinderen van een terugval na te komen, en om haar volledige samenwerking te verlenen aan het kantoor van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten en diens internationale onderzoek betreffende Sri Lanka;

Syrië

66.  toont zich uiterst bezorgd over het dramatische en gewelddadige conflict en de humanitaire crisis die het gevolg zijn van het geweld dat in de eerste plaats door het Assad-regime, maar ook door de Islamitische Staat/Da'esh en andere militaire groeperingen tegen burgers wordt gebruikt, met name tegen kwetsbare groepen zoals vrouwen en kinderen; spreekt zijn verontrusting uit over het feit dat Da'esh zijn ideologie naar het buitenland exporteert; is zeer verontrust over de stelselmatige schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht in Syrië, die wellicht gelijk kunnen worden gesteld aan oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid; dringt er bij alle partijen op aan het geldende internationale humanitaire recht na te leven om burgers te beschermen, hun mensenrechten te eerbiedigen en tegemoet te komen aan hun basisbehoeften; dringt er bij alle VN-lidstaten op aan het geweld in duidelijke bewoordingen te veroordelen en met name de rechten van minderheden te verdedigen, ook wat betreft de stelselmatige vervolging van christenen; pleit voor onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle personen die willekeurig gevangen genomen of ontvoerd zijn omdat zij gebruik maakten van hun mensenrechten of andere vreedzame politieke activiteiten uitoefenden; vraagt dat de EU en haar lidstaten zich duidelijk uitspreken voor een verantwoordingsplicht en voor hernieuwing van de VN-onderzoeksmissie;

Irak

67.  spreekt zijn grote bezorgdheid uit over het dramatische en gewelddadige conflict en de humanitaire crisis in Irak; stelt vast dat de mensenrechtensituatie verslechtert nu IS/Da'esch en andere militaire groeperingen zich schuldig maken aan ontvoeringen, massaexecuties en de vervolging van etnische en religieuze minderheden, waaronder christenen, in Irak;

Palestina/Israël

68.  veroordeelt de raketaanvallen op Israël vanuit de Gazastrook door Hamas en andere gewapende groeperingen en spreekt zijn ernstige verontrusting uit over de humanitaire crisis in Gaza; vraagt dat de EU en haar lidstaten in het kader van de UNHRC openlijk hun steun verklaren voor de VN-onderzoekscommissie en blijk geven van hun afkeuring voor het feit dat de Israëlische autoriteiten geen samenwerking en toegang aan de VN-onderzoekscommissie verlenen; beklemtoont dat vrede onmogelijk is zonder gerechtigheid en eerbiediging van de rechtsstaat en benadrukt dat er een eind moet komen aan de jarenlange stelselmatige straffeloosheid voor schendingen van het internationaal recht; is ingenomen met het feit dat de openbare aanklager van het Internationaal Strafhof (ICC) een vooronderzoek heeft ingesteld naar de situatie in Palestina; verzoekt de EU om volledige samenwerking met het kantoor van de openbare aanklager van het ICC; vraagt dat de EU nogmaals agendapunt 7 van de UNHRC onderschrijft, de aanhoudende schendingen van het internationaal recht en de gebrekkige uitvoering van het advies van het Internationaal Gerechtshof krachtig veroordeelt en zich uitspreekt voor de hernieuwing van het mandaat van de VN-onderzoekscommissie;

o
o   o

69.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de voorzitter van de 69e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad en de Hoge VN-commissaris voor de mensenrechten.


Situatie in Venezuela
PDF 145kWORD 197k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2015 over de situatie in Venezuela (2015/2582(RSP))
P8_TA(2015)0080RC-B8-0236/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in Venezuela, vooral die van 27 februari 2014 over de situatie in Venezuela(1) en die van 18 december 2014 over de vervolging van de democratische oppositie in Venezuela(2),

–  gezien zijn resolutie van 20 april 2012 over de rechtszekerheid van Europese investeringen buiten de Europese Unie(3),

–  gezien de persverklaringen van 23 februari 2015, afgelegd door de woordvoerder van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid Federica Mogherini over de arrestatie van de burgemeester van Caracas, Antonio Ledezma, en de situatie in Venezuela,

–  gezien de verklaring van 26 februari 2015 van de woordvoerder van de VN-secretaris-generaal over de situatie in Venezuela,

–  gezien de verklaring van 25 februari 2015 van de woordvoerder van de VN-secretaris-generaal van de Unie van Zuid-Amerikaanse Naties (Unasur) en voormalig president van Colombia, Ernesto Samper, over de situatie in Venezuela en de dood van de veertienjarige scholier Kluivert Roa,

–  gezien de verklaring van 24 februari 2015 van de Inter-Amerikaanse Commissie voor de rechten van de mens (IACHR),

–  gezien het advies van 26 augustus 2014 van de Werkgroep van de mensenrechtencommissie van de Algemene Vergadering van de VN inzake willekeurige detentie,

–  gezien de verklaring van 20 oktober 2014 van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten over de detentie van demonstranten en politici in Venezuela,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarbij Venezuela partij is,

–  gezien Verslag 2014/2015 van Amnesty International met de titel "The State of the World’s Human Rights", uitgebracht op 25 februari 2015, en gezien het verslag van Human Rights Watch over Venezuela met de titel "New Military Authority to Curb Protests", uitgebracht op 12 februari 2015,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Antonio Ledezma, tot twee keer toe democratisch gekozen als burgemeester van het hoofdstedelijke gewest Caracas en een van de oppositieleiders, op 19 februari 2015 lukraak werd opgepakt door zwaarbewapende leden van de Bolivariaanse inlichtingendienst (Sebin), die geen arrestatiebevel konden overleggen of enig ander bewijs voor een door hem begaan strafbaar feit; overwegende dat Antonio Ledezma er na zijn aanhouding van werd beschuldigd een samenzweringsverbond te hebben opgericht voor het begaan van misdrijven – waarop in Venezuela zware gevangenisstraffen staan – en gevangen werd gezet in de militaire gevangenis van Ramo Verde;

B.  overwegende dat de gevangenhouding van burgers in een militaire gevangenis onverenigbaar is met de internationale normen; overwegende dat Venezuela de verplichting heeft om het leven, de menswaardige behandeling en de veiligheid te garanderen van alle personen aan wie een vrijheidsstraf is opgelegd, en te waarborgen dat de omstandigheden van de detentie in overeenstemming zijn met de toepasselijke internationale normen;

C.  overwegende dat president Nicolas Maduro op nationale radio en televisie aankondigde een vermeend plan te torpederen om zijn regering via een staatsgreep omver te werpen, waarbij de leiders van het Platform voor Democratische Eenheid, leden van de Nationale Vergadering María Corina Machado en Julio Borges en de burgemeester van Caracas, Antonio Ledezma, betrokken zouden zijn; overwegende dat deze oppositieleiders ook in verband worden gebracht met een plan voor de moord op oppositieleider Leopoldo López die al meer dan een jaar in een militaire gevangenis verblijft; overwegende dat de heer López sindsdien fysiek en mentaal gefolterd wordt en zijn gevangenschap in eenzame opsluiting moet doorbrengen;

D.  overwegende dat president Maduro tevens melding heeft gemaakt van bizarre vermeende buitenlandse complotten, destabilisatieplannen en pogingen tot moord, die bij diverse gelegenheden zijn gemeld door de overheid;

E.  overwegende dat leiders van de democratische oppositie in het verleden herhaaldelijk en ten onrechte beschuldigd zijn van medeplichtigheid aan vermeende plannen voor destabilisatie en staatsgrepen; overwegende dat de intimidatie en de ondermaatse behandeling van gevangengenomen oppositieleiders en studenten die deelnamen aan de protesten van 2014 zijn toegenomen; overwegende dat Leopoldo López, Daniel Ceballos en andere leden van de politieke oppositie nog altijd zonder juridische grond in hechtenis worden gehouden, overwegende dat María Corina Machado onrechtmatig en willekeurig uit haar ambt werd ontheven en uit het Venezolaanse parlement werd gezet, en overwegende dat de Venezolaanse regering dreigt de immuniteit van parlementslid Julio Borges op te heffen;

F.  overwegende dat het vermoeden van onschuld geldt als geschonden wanneer een persoon die strafrechtelijk wordt vervolgd in voorarrest wordt gehouden zonder deugdelijke rechtvaardiging, aangezien in zo'n geval de detentie een strafmaatregel wordt in plaats van een voorzorgsmaatregel;

G.  overwegende dat volgens lokale en internationale organisaties één jaar na de vreedzame demonstraties meer dan 1 700 betogers in afwachting zijn van een proces, meer dan 69 personen nog in hechtenis zitten en ten minste 40 mensen bij de protesten zijn omgekomen, terwijl de daders vooralsnog vrijuit gaan; overwegende dat de politie, leden van de Nationale Garde en ongecontroleerde, gewapende, regeringsgezinde groeperingen met buitensporig machtsvertoon en stelselmatig geweld tegen de demonstranten zijn opgetreden;

H.  overwegende dat een democratisch land de leiders van de politieke oppositie niet mag criminaliseren en de deelname van alle partijen aan het politieke leven van het land moet garanderen, evenals de mensenrechten van iedereen die verklaart deel uit te maken van de oppositie, zoals Human Rights Watch op 24 februari 2015 stelde;

I.  overwegende dat leden van het hooggerechtshof het beginsel van de scheiding der machten openlijk hebben verworpen, in het openbaar kenbaar hebben gemaakt bereid zijn mee te werken aan de tenuitvoerlegging van de politieke agenda van de regering, en herhaaldelijk uitspraken hebben gedaan in het voordeel van de regering, waarmee ze diens minachting voor de mensenrechten bestaansrecht geven; overwegende dat de regeringsgezinde meerderheid in de Nationale Vergadering in december 2014 12 nieuwe leden van het hooggerechtshof benoemde bij gewone meerderheidsstemming, nadat het niet gelukt was een tweederdemeerderheid te verwerven waarvoor consensus met de oppositie nodig was geweest;

J.  overwegende dat uit hoofde van de nieuwe Resolutie 8610 van het ministerie van Defensie het leger gemachtigd is vuurwapens te gebruiken om de orde te handhaven bij "openbare bijeenkomsten en vreedzame betogingen"; overwegende dat krachtens artikel 68 van de Venezolaanse grondwet het gebruik van vuurwapens en giftige stoffen om de orde te bewaren bij vreedzame betogingen verboden is; overwegende dat volgens de internationale normen de inzet van militaire troepen bij openbare veiligheidsoperaties beperkt moet worden;

K.  overwegende dat de veertienjarige scholier Kluivert Roa op 24 februari 2015 werd doodgeschoten tijdens een demonstratie over de schaarsheid van voedsel en medicijnen in San Cristobál, in de provincie Táchira, waarmee hij het eerste slachtoffer werd nadat het gebruik van vuurwapens was toegestaan om betogingen de kop in te drukken; overwegende dat het openbaar ministerie op 25 februari 2015 verklaarde dat een politieagent onder andere was beschuldigd van moord met voorbedachten rade;

L.  overwegende dat vrijheid van meningsuiting en het recht om deel te nemen aan vreedzame betogingen de hoeksteen vormen van de democratie; overwegende dat gelijkheid en gerechtigheid voor iedereen onmogelijk zijn zonder fundamentele vrijheden en eerbiediging van de rechten van alle burgers; overwegende dat in vele berichtgevingen wordt bevestigd dat de media in steeds grotere mate te maken hebben met censuur en intimidatie;

M.  overwegende dat Venezuela het land met de grootste energievoorraden in Latijns-Amerika is; overwegende dat er onder de Venezolaanse bevolking een ernstig tekort bestaat aan elementaire voorzieningen, dat de voedselprijzen zijn verdubbeld en de rantsoenering van voedsel is toegenomen; overwegende dat het onvermogen van het land om de openbare orde te handhaven en de toenemende politieke polarisatie ertoe hebben geleid dat Venezuela een van de meest gewelddadige landen ter wereld is geworden;

N.  overwegende dat alleen eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden en een constructieve en respectvolle dialoog die plaatsvindt in de geest van verdraagzaamheid Venezuela kunnen helpen een uitweg te vinden uit deze ernstige crisis en toekomstige moeilijkheden te overwinnen;

O.  overwegende dat een begin is gemaakt met een "Mesa de Dialogo" (gesprekstafel) voor de regering en de oppositie, maar dat dit initiatief helaas in de kiem is gesmoord;

P.  overwegende dat in artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) wordt bepaald dat Europese investeringen in derde landen een fundamenteel bestanddeel zijn van het gemeenschappelijke handelsbeleid van de EU en dus een wezenlijk onderdeel vormen van haar externe optreden, en overwegende dat de EU uit hoofde van het Verdrag van Lissabon exclusief bevoegd is op het gebied van buitenlandse directe investeringen, zoals verankerd in artikel 3, lid 1, onder e), artikel 206 en artikel 207 VWEU;

Q.  overwegende dat de Venezolaanse regering een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om de beginselen van de rechtsstaat en het internationaal recht na te leven, aangezien het land op 16 oktober 2014 is gekozen als niet-permanent lid van de VN-Veiligheidsraad;

1.  wijst op zijn grote bezorgdheid over de verslechterende situatie in Venezuela en veroordeelt het gebruik van geweld tegen betogers; roept de Venezolaanse autoriteiten op Antonio Ledezma, Leopoldo López, Daniel Ceballos en alle vreedzame betogers, studenten en oppositieleiders die op grond van willekeur gevangen worden gehouden vanwege de uitoefening van hun vrijheid van meningsuiting en mensenrechten, onmiddellijk vrij te laten, in overeenstemming met de verzoeken van diverse VN-instanties en internationale organisaties; verzoekt de Venezolaanse autoriteiten de ongegronde beschuldigingen aan het adres van bovengenoemde personen in te trekken;

2.  verzoekt de Venezolaanse autoriteiten erop toe te zien dat Antonio Ledezma, Leopoldo López, Daniel Ceballos en alle andere politieke gevangenen alle medische zorg krijgen die ze nodig hebben, en rechtstreeks en regelmatig contact onder vier ogen mogen onderhouden met hun gezinnen en een advocaat van hun keuze; maakt zich ernstige zorgen over de verslechtering van de omstandigheden waarin de gevangenen verkeren;

3.  verzoekt de Venezolaanse regering een eind te maken aan de politieke vervolging en onderdrukking van de democratische oppositie en de schendingen van de vrijheid van meningsuiting en demonstratie, en dringt aan op de beëindiging van de mediacensuur; herinnert de autoriteiten eraan dat tegengeluiden cruciaal zijn in een democratische samenleving;

4.  veroordeelt de moord op Kluivert Roa en zes andere studenten, en betuigt zijn medeleven aan hun families; roept de regering op tot intrekking van de onlangs uitgebrachte Resolutie 8610, waarbij veiligheidsdiensten worden gemachtigd mogelijk dodelijk geweld te gebruiken met vuurwapens of andere mogelijk dodelijke wapens om burgerdemonstraties neer te slaan, en die in de plaats is gekomen van artikel 68 van de Venezolaanse grondwet;

5.  roept de Venezolaanse regering op zich aan haar eigen grondwet en internationale verplichtingen te houden op het vlak van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering, en politieke pluriformiteit, die de hoekstenen van de democratie zijn; roept de Venezolaanse regering op een sfeer te creëren waarin mensenrechtenactivisten en onafhankelijke non-gouvernementele organisaties hun legitieme werkzaamheden voor de bevordering van mensenrechten en democratie kunnen uitvoeren; benadrukt dat de Venezolaanse regering als niet-permanent lid van de VN-Veiligheidsraad een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om de beginselen van de rechtsstaat en het internationaal recht na te leven;

6.  verzoekt de Venezolaanse regering erop toe te zien dat beschuldigingen snel en onpartijdig worden onderzocht, zonder ruimte voor straffeloosheid en met volledige inachtneming van het beginsel van het vermoeden van onschuld en van een deugdelijke rechtsgang; herinnert eraan dat de eerbiediging van het beginsel van de scheiding der machten fundamenteel is in een democratie en dat de rechterlijke macht niet kan worden ingezet als politiek wapen; verzoekt de Venezolaanse regering de veiligheid van alle burgers in het land te garanderen, ongeacht hun politieke opvattingen en banden;

7.  uit zijn vrees dat nieuwe protesten tot meer gewelddaden kunnen leiden, waardoor de kloof tussen de standpunten van de regering en de oppositie alleen maar dieper zal worden en de polarisatie in de huidige delicate politieke situatie in Venezuela nog verder zal toenemen; doet een beroep op de vertegenwoordigers van alle partijen en geledingen van de Venezolaanse samenleving de kalmte om in woord en daad te bewaren; waarschuwt voor elke actie die kan leiden tot een sfeer van spanning en achteruitgang waardoor de democratische oppositie mogelijk aan legitimiteit inboet, onwettig wordt gemaakt en/of de verkiezingen worden geannuleerd;

8.  noemt het verontrustend dat de politieke oppositie juist in een verkiezingsjaar doelwit is geworden van willekeurige detentie en aanslagen, waardoor zowel de legitimiteit als de uitslag van de verkiezingen in twijfel kunnen worden getrokken;

9.  verzoekt de Venezolaanse autoriteiten om met het oog op de komende parlementsverkiezingen deze periode te gebruiken om een inclusief politiek proces tot stand te brengen dat gebaseerd is op consensus en gezamenlijke verantwoordelijkheid, door middel van een echte nationale dialoog met de substantiële deelname van alle democratische politieke krachten in het kader van de democratie, de rechtsstaat en de volledige naleving van de mensenrechten; roept bovendien beide kanten op de ergste problemen waarmee het land kampt te bespreken en vervolgens de nodige economische en bestuurlijke hervormingen door te voeren; verzoekt de Venezolaanse autoriteiten toe te zien op vrije en eerlijke parlementsverkiezingen die gehouden moeten worden in een volledig inclusief klimaat met de deelname van alle democratische spelers; roept alle politieke spelers op de verkiezingsstrijd binnen de grenzen van de constitutionele orde te houden, en weerstand te bieden tegen de druk tot radicalisering;

10.  spoort de regionale partners van Venezuela, zoals Unasur en de Organisatie van Amerikaanse Staten, aan om de dialoog aan te gaan met de conflictpartijen, meer wederzijds begrip tussen hen te kweken en de openbare veiligheid en bescherming te garanderen in combinatie met de terugkeer naar een rustige en normale situatie in Venezuela;

11.  dringt er bij de EU, haar lidstaten en de internationale gemeenschap op aan verklaringen af te leggen en maatregelen te nemen als blijk van solidariteit met de Venezolaanse bevolking in deze moeilijke periode;

12.  dringt er bij de Commissie en de Raad op aan alle maatregelen te onderzoeken en te nemen die nodig zijn om de Europese belangen en het beginsel van rechtszekerheid van Europese ondernemingen in Venezuela veilig te stellen;

13.  verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), de EU-delegatie naar Venezuela en de ambassades van de lidstaten om de onderzoeken naar en de rechtszittingen van oppositieleiders op de voet te blijven volgen; wijst nogmaals op zijn verzoek om zo spoedig mogelijk een ad-hocdelegatie van het Europees Parlement naar Venezuela te zenden om de situatie in het land te beoordelen en in dialoog te treden met alle partijen die bij het conflict betrokken zijn;

14.  herhaalt zijn verzoek aan de vv/hv om de onmiddellijke vrijlating te eisen van de betogers die op willekeurige basis gearresteerd zijn sinds het begin van de betogingen;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regering en Nationale Vergadering van de Bolivariaanse Republiek Venezuela, de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering en de secretaris-generaal van de Organisatie van Amerikaanse Staten.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0176.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0106.
(3) PB C 258 E van 7.9.2013, blz. 84.

Juridische mededeling