Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2213(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0218/2015

Ingediende teksten :

A8-0218/2015

Debatten :

PV 08/09/2015 - 11
CRE 08/09/2015 - 11

Stemmingen :

PV 09/09/2015 - 8.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0307

Aangenomen teksten
PDF 282kWORD 96k
Woensdag 9 september 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
De stedelijke dimensie van EU-beleid
P8_TA(2015)0307A8-0218/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 9 september 2015 over de stedelijke dimensie van EU-beleid (2014/2213(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name titel XVIII,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(3),

–  gezien zijn resolutie van 23 juni 2011 over de Europese stedelijke agenda en de toekomst hiervan binnen het cohesiebeleid(4),

–  gezien zijn resolutie van 21 februari 2008 over een follow-up van de Territoriale Agenda en het Handvest van Leipzig - Naar een Europees actieprogramma voor ruimtelijke ontwikkeling en territoriale samenhang(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 juli 2014 over de stedelijke dimensie van het Europees beleid – Hoofdkenmerken van een Europese stedelijke agenda (COM(2014)0490),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 juni 2014 over het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT): stand van zaken en vooruitzichten (COM(2014)0368),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juli 2012 getiteld "Slimme steden en gemeenschappen - Europees Innovatiepartnerschap" (C(2012)4701),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 oktober 1998 getiteld "Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie" (COM(1998)0605),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 mei 1997 getiteld "Aanzet tot een actieve benadering van de steden in de Europese Unie" (COM(1997)0197),

–  gezien het zesde verslag van de Commissie inzake economische, sociale en territoriale cohesie: "Investeren in groei en werkgelegenheid – Bevorderen van ontwikkeling en goed bestuur in regio's en steden van de EU", juli 2014,

–  gezien het verslag van de Commissie getiteld "Steden van morgen: investeren in Europa", Brussel, 17 en 18 februari 2014,

–  gezien het verslag van de Commissie getiteld "Digital Futures – a journey into 2050 visions and policy challenges, cities, villages and communities" (Digitale toekomstvooruitzichten – een verkenning van de visies en beleidsuitdagingen, steden, dorpen en gemeenschappen in 2050), 2014,

–  gezien het verslag van de Commissie getiteld "Cities of tomorrow, challenges, visions, way forward" (Steden van morgen: uitdagingen, visies en de te volgen koers), Brussel, oktober 2011,

–  gezien de ministeriële verklaring over de stedelijke agenda van de EU, die op 10 juni 2015 werd aangenomen tijdens de informele vergadering van de voor territoriale samenhang en stedelijke aangelegenheden bevoegde ministers in Riga,

–  gezien de conclusies van de Raad die op 19 november 2014 in Brussel werden aangenomen naar aanleiding van het zesde verslag van de Commissie getiteld "Economische, sociale en territoriale cohesie: Investeren in groei en werkgelegenheid",

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap die op 24 en 25 april 2014 werden aangenomen tijdens de informele bijeenkomst van de voor het cohesiebeleid bevoegde ministers in Athene,

–  gezien de conclusies van het Poolse voorzitterschap over de territoriale dimensie van het EU-beleid en het toekomstige cohesiebeleid, die op 24 en 25 november 2011 werden aangenomen tijdens de informele bijeenkomst van de voor het EU-cohesiebeleid bevoegde ministers in Poznan,

–  gezien de Territoriale agenda van de EU-2020 waarover op 19 mei 2011 overeenstemming werd bereikt tijdens de informele bijeenkomst van de voor ruimtelijke ordening en territoriale ontwikkeling bevoegde ministers in Gödöllő,

–  gezien de verklaring van Toledo die op 22 juni 2010 werd aangenomen tijdens de informele Raad van de voor stedelijke ontwikkeling bevoegde ministers in Toledo,

–  gezien het Handvest van Leipzig over duurzame Europese steden, dat op 24 en 25 mei 2007 werd aangenomen tijdens de informele Raad van de voor stedelijke ontwikkeling bevoegde ministers in Leipzig,

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 25 juni 2014 getiteld "Naar een integrale benadering van de steden in de Europese Unie",

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) van 23 april 2015 over de mededeling van de Commissie getiteld "De stedelijke dimensie van het Europees beleid – Hoofdkenmerken van een Europese stedelijke agenda" (COM(2014)0490),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0218/2015),

A.  overwegende dat in 2014 de helft van de wereldbevolking(6) en 72 % van de Europese bevolking in stedelijke gebieden woonde(7), en dat in 2050 bijna 80 % van de wereldbevolking in stedelijke gebieden zal wonen(8);

B.  overwegende dat "functionele stedelijke gebieden" in de EU een unieke polycentrische structuur rond grote, middelgrote en kleine dorpen, steden en de omliggende gebieden omvatten, die zodoende de van oudsher bestaande bestuurlijke grenzen overschrijden en diverse gebieden behelzen die aan elkaar gekoppeld zijn vanwege hun economische, sociale, ecologische en demografische moeilijkheden;

C.  overwegende dat steden, dorpen en functionele stedelijke gebieden, zoals metropolitane gebieden, niet alleen een belangrijke rol vervullen voor de participatiedemocratie, maar ook essentiële economische pijlers en motoren voor banen zijn in de EU, aangezien innovatie en nieuwe economische activiteiten vaak ontspringen in steden; overwegende dat ze daarom een belangrijke troef zijn voor de EU in haar betrekkingen met andere delen van de wereld, maar dat dit ook de plaatsen zijn waar belemmeringen voor groei en werkgelegenheid moeten worden bestreden en sociale uitsluiting (bijvoorbeeld laagopgeleide jongeren op de arbeidsmarkt), slechte toegankelijkheid en de achteruitgang van het milieu moeten worden aangepakt;

D.  overwegende dat steden, dorpen en functionele stedelijke gebieden en regio's het grootste aandeel in het energieverbruik en de broeikasgasemmisies in de EU voor hun rekening nemen; overwegende dat ze anderzijds een essentiële rol spelen bij het bereiken van een grotere energie-efficiëntie en zelfvoorziening op het gebied van energie, evenals bij de ontwikkeling van nieuwe initiatieven (zoals nieuwe vormen van economische bedrijvigheid) om de stedelijke mobiliteit aan te wakkeren en concurrerende en milieuvriendelijke vervoerssystemen te stimuleren zodat de groei, werkgelegenheid, sociale en territoriale cohesie, gezondheid en veiligheid bevorderd worden;

E.  overwegende dat sommige steden hun bevolking zien slinken en vergrijzen en met problemen kampen vanwege de grootschalige faciliteiten en overheidsdiensten die ze verstrekken, terwijl in andere steden de bevolking groeit, waardoor de druk op bestaande faciliteiten en overheidsdiensten (bijvoorbeeld onderwijs) toeneemt en andere problemen verergeren, zoals (jeugd)werkloosheid, sociale uitsluiting, verkeersopstoppingen, stedelijke expansie en verontreiniging, waardoor de pendeltijd fors toeneemt en de levenskwaliteit van veel Europeanen verslechtert;

F.  overwegende dat sommige van de grootste uitdagingen waarvoor steden zich gesteld zien in verband met economische en sociale ontwikkeling, klimaatverandering, vervoer en demografische verandering, alleen kunnen worden aangepakt via partnerschappen tussen de steden en de omliggende gebieden; overwegende dat vanwege de uitbreiding van met elkaar verbonden gebieden de afgelopen jaren als gevolg van de ontwikkelingen vooral op het gebied van vervoer en communicatie de behoefte ontstaat aan de ontwikkeling van instrumenten ter bevordering van de connectiviteit;

G.  overwegende dat Europese beleidsinitiatieven een directe of indirecte impact hebben op de duurzame ontwikkeling van steden en het stedelijk beleid;

H.  overwegende dat ongeveer 70 % van het Europese beleid en de Europese wetgeving ten uitvoer wordt gelegd op lokaal en regionaal niveau;

I.  overwegende dat er op EU-niveau voor meer consistentie moet worden gezorgd tussen de verschillende beleidsinitiatieven en subsidieprogramma's van de EU door het gemeenschappelijk strategisch kader ten volle te benutten (titel II, hoofdstuk I, artikel 10 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen) en door een betere politieke coördinatie tussen en met belanghebbenden en overheidsniveaus, aangezien de sectorale benadering van het EU-beleid kan leiden tot contraproductieve beleidsvormen en wetgeving voor stedelijke gebieden;

J.  overwegende dat de Commissie in 1997 een mededeling uitbracht over een stedelijke agenda voor de EU(9), maar dat de rol van Europese steden in de beleidsvoering van de EU nog ter discussie staat;

K.  overwegende dat het Parlement in het verleden het voorstel van de Commissie steunde om een "stedelijke agenda" te presenteren als kader voor toekomstig stedelijk beleid op Europees niveau;

L.  overwegende dat subsidiariteit, zoals gedefinieerd in VWEU, evenals het meerlagig bestuur, op basis van gecoördineerde actie van de EU, de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten, en het partnerschapsbeginsel, essentiële elementen zijn voor de correcte tenuitvoerlegging van al het EU-beleid, en overwegende dat de middelen en bevoegdheden van lokale en regionale autoriteiten dienovereenkomstig beter moeten worden ingezet;

M.  overwegende dat de Verordening betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (Verordening (EU) nr. 1301/2013) de stedelijke dimensie van de Europese structuur- en investeringsfondsen versterkt door ten minste 5 % van haar financiële steun toe te wijzen aan geïntegreerde maatregelen voor duurzame stedelijke ontwikkeling via het delegeren van beheerstaken aan stedelijke autoriteiten, voornamelijk door ze meer verantwoordelijkheid te geven bij taken die ten minste verband houden met de selectie van projecten via nieuwe instrumenten als geïntegreerde territoriale investeringen (ITI's), vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkeling (CLLD) en "innovatieve maatregelen", en door een netwerk voor stedelijke ontwikkeling op te zetten;

N.  overwegende dat het partnerschapsbeginsel zoals vastgelegd in de Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (Verordening (EU) nr. 1303/2013) en de Europese gedragscode de lidstaten ertoe verplichten om te zorgen voor de vroegtijdige betrokkenheid van stedelijke autoriteiten in het beleidsvormingsproces van de EU;

De stedelijke dimensie van EU-beleid

1.  is van mening dat dorpen, steden en functionele stedelijke gebieden met EU-beleid moeten worden gesteund en in staat worden gesteld om tot volle wasdom te komen als motors van economische groei, werkgelegenheid, sociale inclusie en duurzame ontwikkeling; vindt dan ook dat deze dorpen, steden en functionele stedelijke gebieden nauwer moeten worden betrokken bij de hele cyclus van Europese beleidsvorming;

2.  verzoekt de Commissie en, in voorkomend geval, de lidstaten met voorstellen te komen voor manieren om een mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing in te voeren, overeenkomstig artikel 6 van het protocol over de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel, zodat de decentrale overheden kunnen bepalen of de subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginselen in acht zijn genomen, de decentrale overheden in een vroeg stadium bij de beleidsprocessen kunnen worden betrokken en goed onderbouwde territoriale ontwikkelingsstrategieën en een efficiëntere uitvoering van toekomstige wetgeving mogelijk worden gemaakt;

Naar een geïntegreerde Europese stedelijke agenda

3.  is ingenomen met het initiatief van de Commissie om te komen tot een Europese stedelijke agenda; is voorstander van het opzetten van een coherent kader voor EU-beleid met een stedelijke dimensie, dat erop gericht is om lokale stedelijke oplossingen beter te laten aansluiten op EU-behoeften, sectoraal beleid en bestuursniveaus beter aan elkaar aan te passen, de steun van de EU beter af te stemmen op de stedelijke uitdagingen in kwestie en de beoordeling van de territoriale impact van het sectorale beleid te verbeteren; is van mening dat de Europese stedelijke agenda vooral de ontwikkeling van bestuurlijke oplossingen moet bevorderen teneinde optimaal te kunnen inspelen op de problemen en doelstellingen van een duurzame, economische en sociaal inclusieve ontwikkeling van dorpen, steden en functionele stedelijke gebieden in Europa;

4.  erkent dat, ofschoon de EU geen expliciete bevoegdheid heeft op het vlak van stedelijke ontwikkeling, een breed scala aan EU-initiatieven een directe of indirecte impact heeft op dorpen, steden en stedelijke gebieden; is dan ook van mening dat goed doordacht en reeds langer bestaand stedelijk beleid op nationaal en regionaal niveau een voorwaarde is voor een Europese stedelijke agenda; is van oordeel dat die agenda een strategie dient op te leveren voor dorpen, steden en functionele stedelijke gebieden in de EU, die zich op lange termijn zal ontwikkelen tot een stedelijk beleid op EU-niveau; onderstreept in dit verband dat de territoriale ontwikkeling van stedelijke gebieden gestoeld moet zijn op een evenwichtige territoriale organisatie met een polycentrische stedelijke structuur in overeenstemming met de Territoriale Agenda van de EU 2020;

5.  is ervan overtuigd dat de Europese stedelijke agenda een gezamenlijke inspanning moet zijn van de Commissie, de lidstaten, de lokale autoriteiten en andere belanghebbenden om EU-beleid met een stedelijke dimensie te rationaliseren, te coördineren en ten uitvoer te leggen door middel van een praktische, geïntegreerde en gecoördineerde maar toch flexibele aanpak "in en met" de dorpen, steden en functionele stedelijke gebieden, waarbij rekening gehouden wordt met de specifieke lokale territoriale kenmerken en de institutionele opbouw van elke lidstaat geëerbiedigd wordt;

6.  vindt dat een Europese stedelijke agenda volledig moet aansluiten bij de algemene doelstellingen en strategie van de EU, in het bijzonder Europa 2020, en de doelstellingen van territoriale samenhang; benadrukt dat bestuurlijke grenzen steeds minder vastomlijnd worden bij het aanpakken van de ontwikkelingsproblematiek op regionaal en lokaal niveau; is dan ook van mening dat de Europese stedelijke agenda inclusief moet zijn, waarbij terdege rekening moet worden gehouden met de diversiteit van territoriale entiteiten in de EU en met grensoverschrijdende verbanden en de koppelingen tussen stad en platteland, met inbegrip van de diensten die functionele stedelijke gebieden leveren aan het omliggende platteland;

7.  dringt er bij de Commissie op aan een mededeling uit te brengen waarin de details van de toekomstige Europese stedelijke agenda uiteen worden gezet, op basis van het "urban acquis" en uitvoerig overleg met diverse belanghebbenden, met inbegrip van economische en sociale partners, en maatschappelijke organisaties; verzoekt de Commissie de Europese stedelijke agenda op te nemen in haar jaarlijkse werkprogramma;

Mainstreaming van een geïntegreerde aanpak van territoriale ontwikkeling in de EU-beleidsvorming en -wetgeving

8.  verzoekt de Commissie bij het opstellen van nieuwe beleidsinitiatieven voor stedelijke gebieden een geïntegreerde territoriale benadering te hanteren die meer plaatsgebonden is, om consistentie te waarborgen en dorpen, steden en functionele stedelijke gebieden meer eigen verantwoordelijkheid te geven om de doelstellingen van slimme, duurzame en inclusieve groei te halen, onder andere met een geïntegreerde EU-aanpak ter ondersteuning van slimme en duurzame projecten in de Europese steden, waarmee wordt bijgedragen aan de bevordering van de sociaal-economische ontwikkeling;

9.  verzoekt de Commissie bij wijze van algemene regel een territoriale effectbeoordeling in te voeren over de stedelijke dimensie om de praktische haalbaarheid van alle relevante EU-beleidsinitiatieven op regionaal en lokaal niveau te garanderen, zich welwillend op te stellen ten aanzien van inbreng van gedecentraliseerde overheidsniveaus bij het opstellen van effectbeoordelingen en nieuw beleid ("bottom-upbenadering") en erop toe te zien dat in al het sectorale EU-beleid op dit vlak de uitdagingen waarmee dorpen, steden en stedelijke gebieden kampen op de juiste wijze worden aangepakt; verzoekt de Commissie zich bij deze territoriale effectbeoordelingen te richten op de volgende onderwerpen: evenwichtige territoriale ontwikkeling, territoriale integratie, aspecten van bestuur, regelgeving en tenuitvoerlegging op lokaal niveau en de samenhang met andere beleidsdoelstellingen;

10.  dringt er bij de Commissie op aan alle beschikbare gegevens en gezamenlijke conceptuele kaders ("urban acquis") te systematiseren en te analyseren om dubbel werk en inconsistenties te voorkomen en een duidelijke definitie te formuleren van geïntegreerde duurzame stedelijke ontwikkeling, om zodoende de gemeenschappelijke coherente en transparante EU-doelstellingen op dit vlak vast te kunnen stellen;

11.  is ervan overtuigd dat er voldoende gegevens beschikbaar moeten zijn om stedelijke gebieden accurater te kunnen beoordelen dan alleen met de bbp-indicator; is dan ook van mening dat Eurostat meer gedetailleerde gegevens op lokaal niveau moet vergaren en verstrekken, en dat er verder moet worden gewerkt aan de Urban Audit en vergelijkbare onderzoeken; verzoekt de Commissie tevens instrumenten te ontwikkelen waarmee de voortgang en de impact van een geïntegreerde stedelijke agenda op EU-niveau kan worden gemeten;

12.  spoort de Commissie aan de administratieve rompslomp die gepaard gaat met de tenuitvoerlegging van de huidige EU-wetgeving op lokaal niveau te beperken, en erop toe te zien dat voor alle toekomstige regelgeving de gevolgen van de tenuitvoerlegging op lokaal niveau grondig worden geanalyseerd;

De stedelijke dimensie van EU-beleidsinstrumenten en financiering

13.  herinnert eraan dat het cohesiebeleid van de EU en de bijbehorende financieringsinstrumenten beter toegerust zijn om complexe geïntegreerde territoriale strategieën voor functionele stedelijke gebieden te steunen door middel van gezamenlijke strategische planning en regels; spoort de lidstaten aan ten volle gebruik te maken van de beschikbare nieuwe instrumenten, zoals geïntegreerde territoriale investeringen (ITI's), vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkeling (CLLD) en de nieuwe flexibele operationele programma's (OP's), om de tenuitvoerlegging van geïntegreerde plannen voor stedelijke ontwikkeling met succes te kunnen steunen; spoort de lidstaten en de Commissie aan een coherente reeks passende indicatoren op te stellen die een betere beoordeling van de stedelijke dimensie van de met steun van de Europese structuur- en investeringsfondsen uitgevoerde acties en initiatieven mogelijk maken;

14.  vindt het belangrijk dat het potentieel van de macroregionale strategieën voor het welslagen van de geïntegreerde benadering van steden ten volle wordt benut; verzoekt de Commissie aspecten van de Europese stedelijke agenda naar behoren op te nemen en te integreren, en in de macroregionale strategieën van de EU die een model vormen voor de planning en het meerlagig bestuur, de stedelijke dimensie te benadrukken;

15.  betreurt het dat, ofschoon het nieuwe cohesiebeleid wettelijk bindende stedelijke aspecten kent, vooral wat betreft de betrokkenheid van steden in de programmeringsfase, de werkelijke deelname van vertegenwoordigers van steden en stedelijke gebieden bij de beleidsvorming tegenvalt, en denkt dat deze kan worden verbeterd door hen in een vroeg stadium bij de beleidsprocessen te betrekken, bijvoorbeeld door middel van overleg, evaluatie en de uitwisseling van optimale werkmethoden en ervaringen; verzoekt de Commissie en de lidstaten bij de uitvoering van door de EU gefinancierde programma's en projecten de toepassing van het partnerschapsbeginsel te garanderen (waarbij tevens rekening wordt gehouden met de gedragscode inzake partnerschap (artikel 5, lid 3 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen), met speciale aandacht voor de betrokkenheid van steden, dorpen en functionele stedelijke gebieden bij de voorbereiding, het beheer en het bestuur van de programma's, onder meer op grensoverschrijdend niveau;

16.  pleit voor meer betrokkenheid van dorpen en steden bij de programma's van de structuur- en investeringsfondsen; is van oordeel dat de hieruit geleerde lessen van pas kunnen komen bij de vaststelling van een belangrijke beleidsaanbeveling voor de ontwikkeling van het cohesiebeleid voor de periode na 2020; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan de tenuitvoerlegging van de Europese stedelijke agenda te testen op specifieke thematische terreinen die een afspiegeling vormen van de uitdagingen waarmee stedelijke gebieden worstelen ("stedelijke proefprojecten"), met name door zorg te dragen voor de sectoroverschrijdende coördinatie van de verschillende beleidsmaatregelen van de EU, bestaande overlappingen weg te werken, het model van meerlagig bestuur toe te passen en territoriale effectbeoordelingen uit te voeren; verzoekt de Commissie regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over de voortgang en de geboekte resultaten;

17.  pleit voor een betere coördinatie en integratie van het investeringsbeleid van de EU dat mogelijkheden biedt om te zorgen voor duurzame, geïntegreerde en sociaal inclusieve stedelijke ontwikkeling; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan het regelgevingskader volledig te benutten om synergieën tot stand te brengen tussen het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), de door de EU gesubsidieerde programma's (zoals LIFE, Horizon 2020, Intelligente Energie voor Europa, enz.) en middelen voor het cohesiebeleid, alsook publieke (d.w.z. nationale) investeringen, particuliere kapitaal- en financieringsinstrumenten om het maximale hefboomeffect van de investeringen te genereren; onderstreept dat de complementariteit van al het investeringsbeleid en een grotere synergie moeten worden gewaarborgd en dat dubbele financiering en overlapping moeten worden voorkomen;

Een nieuw model van meerlagig bestuur (multi-level governance)

18.  wijst erop dat de belangrijkste economische, sociale en ecologische uitdagingen van onze tijd de van oudsher bestaande bestuurlijke grenzen overstijgen, en dat de toenemende discrepantie tussen bestuurlijke en territoriale structuren (samenwerking tussen steden, stedelijke agglomeraties en tussen stad en platteland, enz.) nieuwe vormen van flexibel bestuur vergen om de geïntegreerde territoriale ontwikkeling van functionele gebieden voort te kunnen zetten;

19.  is van mening dat de Europese stedelijke agenda gebaseerd moet zijn op een nieuwe vorm van meerlagig bestuur, waarbij het lokale niveau nauwer wordt betrokken bij alle stadia van de politieke cyclus, zodat het beleid nauwer wordt afgestemd op de werkelijke situatie en consistenter wordt met en beter inspeelt op de constante veranderingen die functionele stedelijke gebieden doormaken; is in dit verband van mening dat het Comité van de Regio's als vertegenwoordiger van de regionale en lokale territoriale eenheden ook een rol in dat proces moet spelen;

20.  dringt er bij de Commissie op aan elementen voor een nieuw model van meerlagig bestuur voor te stellen dat is gebaseerd op partnerschappen en echte samenwerking en verder gaat dan het eenvoudigweg raadplegen van de belanghebbenden, een model waarbij formele overheidsstructuren worden gecombineerd met informele flexibele bestuursstructuren die overeenstemmen met de nieuwe realiteit van de gedigitaliseerde "netwerksamenleving" – een model dat is aangepast aan de schaal waarop de uitdagingen voorkomen en waarmee de samenwerking op meerdere niveaus betert wordt, zowel verticaal als horizontaal, met overheids- en non-gouvernementele spelers op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau, waardoor de overheid dichter bij de burgers komt te staan en de democratische legitimiteit van het Europese project wordt vergroot; stelt voor dat dit unieke, pasklare model de werkmethode wordt voor de toekomstige Europese stedelijke agenda, nadat de partners hiermee akkoord zijn gegaan en er met alle relevante belanghebbenden overleg is gevoerd;

Kennisbeheer en gegevensuitwisseling

21.  is van mening dat stedelijke platformen en netwerken (zoals URBACT en het netwerk voor stedelijke ontwikkeling) en andere programma's voor kennisuitwisseling tussen steden (zoals Civitas, het burgemeestersconvenant, Mayors Adapt, het initiatief Slimme steden en gemeenten, het Referentiekader voor duurzame Europese steden en ManagEnery) een uitstekende mogelijkheid hebben geboden om lokale, regionale en grensoverschrijdende spelers te betrekken bij stedelijke ontwikkeling en onderlinge kennisuitwisseling; dringt er bij de Commissie op aan een betere coördinatie tussen deze platformen te bestendigen en te waarborgen zodat lokale spelers ze beter kunnen begrijpen en er efficiënter gebruik van kunnen maken;

22.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan optimaal gebruik te maken van de activiteiten op het vlak van gegevensuitwisseling en capaciteitsopbouw, die tot stand worden gebracht dankzij door de EU gefinancierde projecten en andere netwerkactiviteiten tussen steden; spoort de Commissie aan mechanismen te ontwikkelen voor een betere uitwisseling van projectresultaten tussen al haar diensten, en ervoor te zorgen dat de resultaten worden ingepast in zowel nationale als EU-beleidsontwikkelingen;

23.  vindt dat de database van Urban Audit geactualiseerd en verbeterd moet worden om beter op maat gemaakt beleid te kunnen formuleren; spoort Eurostat en de Commissie aan gedetailleerdere gegevens te verstrekken die zijn verzameld waar het beleid wordt uitgevoerd, veelal op lokaal niveau; onderstreept dat ook het verzamelen van stroomgegevens – waarmee de relatie tussen steden en de omliggende gebieden, alsook binnen de functionele stedelijke gebieden, wordt gemeten – steeds belangrijker wordt om deze complexe functionele gebieden beter te kunnen begrijpen, en dringt er daarom bij de Commissie op aan deze gegevens te vergaren en te analyseren en ze te gebruiken om beleidsontwikkelingen legitimiteit te geven;

De tenuitvoerlegging van de toekomstige Europese stedelijke agenda

24.  vindt dat de Europese stedelijke agenda, om een doeltreffend hulpmiddel te kunnen zijn, een gezamenlijk en regelmatig bijgewerkt conceptueel kader moet zijn met een thematisch zwaartepunt dat ligt bij een beperkt aantal uitdagingen in de bredere context van de Europa 2020-doelstellingen van slimme, inclusieve en duurzame groei;

25.  is sterk van mening dat deze uitdagingen moeten voldoen aan de volgende criteria: 1) ze moeten in overeenstemming zijn met het gezamenlijke conceptuele kader; 2) het gaat om grote stedelijke uitdagingen met een aanzienlijke impact op steden, dorpen en functionele stedelijke gebieden in en tussen de lidstaten; 3) ze kunnen niet door lidstaten alleen worden aangepakt; 4) een EU-aanpak biedt meerwaarde; verzoekt de Commissie deze uitdagingen in kaart te brengen, de overgebleven knelpunten, onsamenhangende elementen in het beleid of leemten in de capaciteit en kennis op te sporen, in nauwe samenwerking met alle belanghebbenden, vooral op lokaal niveau;

26.  verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem toe te zien op meer sectoroverschrijdende coördinatie op alle overheidsniveaus van beleid met een stedelijke dimensie, en zo een betere mainstreaming van geïntegreerde stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken; verzoekt het directoraat-generaal voor Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling (DG REGIO), dat belast is met het stedelijk beleid van de EU, in nauwe samenwerking met de interdepartementale Commissiewerkgroep voor stedelijke ontwikkeling, dit proces in gang te zetten en ervoor te zorgen dat de stedelijke dimensie in acht wordt genomen bij alle relevante nieuwe initiatieven; verzoekt de voorzitter van de Europese Commissie binnen het college van commissarissen een politiek leidsman te benoemen die de strategische koers uitzet voor de stedelijke agenda van het Europese beleid en jaarlijks verslag uitbrengt aan het Parlement;

27.  verzoekt de Commissie om in het kader van reeds bestaande diensten of organen van de Commissie een speciale EU-coördinator voor stedelijk beleid aan te wijzen om de praktische invulling van deze coördinatie te controleren en te evalueren, zowel horizontaal (door alle belangrijke beleidssectoren erbij te betrekken) als verticaal (op alle overheidsniveaus); is van mening dat de speciale EU-coördinator voor stedelijk beleid met de hulp van de interdepartementale Commissiewerkgroep voor stedelijke ontwikkeling, binnen de Commissie een centraal loket moet opzetten voor stedelijk beleid en ervoor moet zorgen dat gegevens over stedelijk beleid binnen en tussen de diensten van de Commissie en diverse belanghebbenden naar behoren worden verzameld, beheerd en verspreid met als doel om een bewustmakingsmechanisme in het leven te roepen met het oog op vroegtijdige waarschuwing waarbij lokale en regionale autoriteiten in een vroeg stadium worden betrokken bij beleidsprocessen die gevolgen hebben voor dorpen, steden en functionele stedelijke gebieden;

28.  spoort de Commissie aan om, gebruikmakend van de bestaande structuren en bijvoorbeeld als onderdeel van het stedelijk proefproject, in de lidstaten centrale loketten op te zetten waar men terecht kan voor informatie over de stedelijke dimensie van het EU-beleid (stedelijk éénloketsysteem) met name om uitgebreide informatie te verschaffen over verschillende EU-initiatieven, richtsnoeren en financiële mogelijkheden in verband met stedelijke ontwikkeling;

29.  verzoekt de Commissie regelmatig een stedentop te houden naar het voorbeeld van het forum "Steden van morgen", waar belanghebbenden van alle bestuursniveaus en uit verschillende sectoren bijeengebracht worden; vindt dat zulke topbijeenkomsten steden een uitgelezen mogelijkheid moeten bieden om een constructieve dialoog aan te gaan met beleidsmakers op alle relevante beleidsterreinen en moeten bijdragen aan de beoordeling van de impact van EU-beleid op dorpen, steden en functionele stedelijke gebieden en aan de manier waarop ze het best kunnen worden betrokken bij op stapel staande initiatieven;

30.  dringt er bij de lidstaten op aan steden en functionele stedelijke gebieden volledig en op bindende wijze te koppelen aan en te betrekken bij strategische beleidsontwikkeling en -programmering (zoals nationale hervormingsprogramma's, partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's); verzoekt de lidstaten meer ervaringen uit te wisselen over nationale programma's voor stedelijke ontwikkeling, zodat steden de doelstellingen van Europa 2020 kunnen halen, door regelmatig informele bijeenkomsten te beleggen van de Raad van ministers die belast zijn met stedelijke ontwikkeling;

Externe dimensie van de Europese stedelijke agenda

31.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan terdege rekening te houden met de lopende voorbereidende werkzaamheden voor de Habitat III-agenda, en erop toe te zien dat de toekomstige Europese stedelijke agenda volledig in overeenstemming is met en afgestemd wordt op de doelstellingen van deze mondiale stedelijke agenda; verzoekt de Commissie het Parlement op regelmatige basis te informeren over de externe dimensie van de Europese stedelijke agenda, en is van mening dat deze agenda de bijdrage van de EU kan gaan vormen aan het internationale debat over de "Nieuwe Stedelijke Agenda" van de Verenigde Naties en de Habitat III-conferentie over huisvesting en duurzame stedelijke ontwikkeling in 2016;

32.  is van oordeel dat het noodzakelijk is om de EU en de lidstaten, met raadpleging en bijdragen van lokale en regionale autoriteiten, op een transparante, samenhangende en open manier te betrekken bij de Internationale Organisatie voor normalisatie (ISO) met betrekking tot de ontwikkeling van nieuwe normen voor duurzame stedelijke ontwikkeling, met inachtneming van de universele leidende beginselen voor ruimtelijke ordening en territoriale ontwikkeling die in VN-verband zijn uitgewerkt; beklemtoont dat de nieuwe ISO-normen moet worden beschouwd als een nuttig en niet als een normatief instrument;

o
o   o

33.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz.320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.
(4) PB C 390E van 18.12.2012, blz. 10.
(5) PB C 184E van 6.8.2009, blz. 95.
(6) Parag Khanna, Beyond City Limits, Foreign Policy, 6 augustus 2010.
(7) Eurostat - City Statistics, 2014.
(8) The Vertical Farm, www.verticalfarm.com.
(9) Mededeling van de Commissie van 6 mei 1997 getiteld "Aanzet tot een actieve benadering van de steden in de Europese Unie" (COM(1997)0197).

Juridische mededeling