Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2255(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0241/2015

Ingediende teksten :

A8-0241/2015

Debatten :

PV 08/09/2015 - 13
CRE 08/09/2015 - 13

Stemmingen :

PV 09/09/2015 - 8.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0309

Aangenomen teksten
PDF 210kWORD 98k
Woensdag 9 september 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Beoordeling van het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties 2012
P8_TA(2015)0309A8-0241/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 9 september 2015 over het verslag over de uitvoering, resultaten en algehele beoordeling van het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties 2012 (2014/2255(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Besluit nr. 940/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2011 betreffende het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties (2012)(1),

–  gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(2),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name artikel 25 betreffende de rechten van ouderen,

–  gezien het eindverslag van de Commissie over de Europese topbijeenkomst van 9-10 maart 2015 over innovatie voor actief en gezond ouder worden,

–  gezien de achtergrondnota van de Commissie van 23 februari 2015 getiteld "Growing the Silver Economy in Europe",

–  gezien het verslag van de Commissie van 15 september 2014 over de uitvoering, resultaten en algehele beoordeling van het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties (COM(2014)0562),

–  gezien het verslag van de Commissie met als titel "The 2015 Ageing Report. Economic and budgetary projections for the 28 EU Member States (2013-2060)" (European Economy 3|2015),

–  gezien het verslag van de Commissie van 17 januari 2014 met als titel "Gezamenlijk verslag inzake de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming ("richtlijn rassengelijkheid") en van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep ("richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep")" (COM(2014)0002),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 februari 2013 getiteld "Naar sociale investering voor groei en cohesie – inclusief de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds 2014-2020" (COM(2013)0083),

–  gezien het stappenplan van de Commissie voor de uitvoering van het sociale-investeringenpakket in 2014,

–  gezien het witboek van de Commissie van 16 februari 2012 getiteld "Een agenda voor adequate, veilige en duurzame pensioenen" (COM(2012)0055),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 februari 2012 getiteld "Verdere ontwikkeling van het strategische uitvoeringsplan van het Europees innovatiepartnerschap voor actief en gezond ouder worden" (COM(2012)0083),

–  gezien de verklaring van de Raad van 7 december 2012 betreffende het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties (2012): de toekomst,

–  gezien het gezamenlijke verslag van het Comité voor sociale bescherming en de Commissie van 10 oktober 2014 getiteld "Adequate sociale bescherming voor behoeften aan langdurige zorg in een vergrijzende samenleving",

–  gezien het verslag van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound) van 31 oktober 2014 inzake toegang tot gezondheidszorg in tijden van crisis,

–  gezien de werkzaamheden die momenteel worden verricht door de Werkgroep Vergrijzing van de VN ten behoeve van een Verdrag voor de bescherming van de rechten van ouderen,

–  gezien het bevindingenverslag van Eurofound met als titel "Work preferences after 50" (2014),

–  gezien het Eurofound-document met als titel "Sustainable work: Toward better and longer working lives" (december 2014),

–  gezien de diepgaande analyse van het onderzoekscentrum van het Europees Parlement van maart 2015 met als titel "Het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties (2012)",

–  gezien het eindverslag van Ecorys van 15 april 2014 met als titel "Beoordeling van het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties",

–  gezien het stappenplan van 10 december 2012 van het Samenwerkingsverband voor het Europees Jaar 2012 in aanloop naar en na afloop van het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties 2012 (EJ2012),

–  gezien de speciale Eurobarometer met nr. 378 van januari 2012 over actief ouder worden,

–  gezien zijn resolutie van 4 juli 2013 over het effect van de crisis op de toegang tot zorg voor kwetsbare groepen(3),

–  gezien zijn resolutie van 21 mei 2013 over een agenda voor adequate, veilige en duurzame pensioenen(4),

–  gezien zijn resolutie van 11 november 2010 over demografische vraagstukken en de solidariteit tussen de generaties(5),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0241/2015),

A.  overwegende dat het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties 2012 (EJ2012) tot doel had het bewustzijn van de waarde van actief ouder worden te vergroten, de uitwisseling van informatie te stimuleren, beleidsmaatregelen inzake actief ouder worden te bevorderen en een kader op te zetten voor concrete actie door de Unie en haar lidstaten en door alle belanghebbenden uit de publieke en private sector;

B.  overwegende dat uit de vooruitzichten voor 2050 blijkt dat de gemiddelde leeftijd van de EU-bevolking boven de vijftig zal liggen;

C.  overwegende dat de EU geconfronteerd wordt met geheel nieuwe demografische, sociale en structurele veranderingen, die een onmiddellijke reactie vereisen; overwegende dat naast de algemene vergrijzing van de bevolking ook de behoeften aan sociale hulp en gezondheidszorg onder ouderen en hun families toenemen, en dat de kwaliteit en de duurzaamheid van de openbare diensten in de EU op lange termijn in grote mate afhangen van de actie die de komende jaren zal worden ondernomen;

D.  overwegende dat de toename van de gemiddelde levensverwachting moet worden beschouwd als een overwinning van de beschaving en een factor van sociale vooruitgang;

E.  overwegende dat in het jaar 2006 het Demographic Change Regions Network (DCRN) is opgericht, waarvan zo'n 40 Europese regio's deel uitmaken en dat als doel heeft aandacht te vragen voor belangrijke ontwikkelingen voor de EU en haar sociale en economische samenhang, zoals vergrijzing en een krimpende bevolking;

F.  overwegende dat het gemiddelde aantal kinderen per vrouw in de Europese Unie niet toereikend is voor de vernieuwing van de generaties, dat het geboortecijfer als gevolg van de economische crisis nog sterker is gedaald en dat de levensverwachting tot 2050 met vijf jaar zou kunnen stijgen;

G.  overwegende dat actief ouder worden een van de grote uitdagingen van de 21e eeuw is;

H.  overwegende dat er in Europa naast gebieden met vergrijzing steeds meer regio's bijkomen die een sterke daling van het inwonertal vertonen, door een lager geboortecijfer, een afname van het bevolkingsaantal, een toenemende vergrijzing en een hoge mate van afhankelijkheid van de actieve bevolking en een afname van deze actieve bevolking; overwegende dat de plattelandsgebieden van deze regio's heviger door deze verschijnselen worden getroffen, aangezien mensen vaker het platteland verruilen voor een grote of middelgrote stad;

I.  overwegende dat actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties van essentieel belang zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen en streefdoelen van Europa 2020 en de totstandbrenging van een competitief, welvarend en inclusief Europa;

J.  overwegende dat het welslagen van het beleid inzake actief ouder worden nauw samenhangt met de doeltreffendheid van een reeks beleidsmaatregelen inzake non-discriminatie, sociale bescherming, sociale inclusie en volksgezondheid die tijdens de levenscyclus van de burgers en werknemers van de EU worden uitgevoerd;

K.  overwegende dat het begrip "actief" volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) verwijst naar het blijven deelnemen aan de samenleving en aan economische, culturele, spirituele en burgerlijke aangelegenheden en niet alleen naar de capaciteit om fysiek actief te zijn of deel te nemen aan de arbeidsmarkt, en overwegende dat ouderen die met pensioen gaan en personen die vanwege invaliditeit of ziekte stoppen met werken bijgevolg actief kunnen blijven samenwerken met hun gezin, hun leeftijdsgenoten, hun gemeenschap en hun land;

L.  overwegende dat een holistische benadering nodig is, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende elementen die ertoe bijdragen dat werk vol te houden blijft gedurende de levensloop voor alle individuen en voor de samenleving als geheel;

M.  overwegende dat verschillende groepen werknemers met verschillende werkomstandigheden te maken hebben, wat leidt tot ongelijke situaties betreffende gezondheid op het werk;

N.  overwegende dat er enorme zichtbare verschillen bestaan tussen lidstaten en regionale en plaatselijke autoriteiten op het vlak van het beleid inzake actief ouder worden en sociale bescherming op latere leeftijd, ondersteunende infrastructuur en begrotingsmiddelen;

O.  overwegende dat actief en gezond ouder worden nieuwe sociale behoeften creëert en bijvoorbeeld investeringen in een diversifiëring van bestaande en nieuwe openbare diensten vereist, vanzelfsprekend ook op het gebied van gezondheidszorg en ouderenzorg, en dat het nieuwe mogelijkheden schept om langer van onze vrije tijd en rust te genieten;

P.  overwegende dat de financiële en economische crisis heeft geleid tot een stijging van de armoedeniveaus onder de ouderen, en overwegende dat armoede, of het risico op armoede en sociale uitsluiting, niet alleen gezondheidsrisico's inhoudt, maar ook de mogelijkheden voor actief ouder worden belemmert;

Q.  overwegende dat er in de EU ongeveer 125 000 bedrijfspensioenfondsen actief zijn, die een vermogen onder beheer hebben van 2 500 miljard EUR ten behoeve van circa 75 miljoen Europeanen, wat neerkomt op 20 % van de EU-bevolking in de werkende leeftijd;

R.  overwegende dat solidariteit tussen generaties één van de basisbeginselen vormt van een menswaardige samenleving; overwegende dat de stijging van de gemiddelde levensverwachting het belang van de verhoudingen tussen de generaties doet toenemen; overwegende dat economie en samenleving de levenservaring, inzet en ideeën van alle generaties nodig hebben om hun doelen te verwezenlijken;

S.  overwegende dat actieve deelname aan permanente educatie en sportprogramma's een belangrijke bijdrage levert aan het creëren van een daadwerkelijke cultuur van actief ouder worden, waardoor de burger niet alleen in staat is zijn vaardigheden in de loop van het leven aan te passen aan de veranderende eisen van de arbeidsmarkt, maar ook in algemenere zin gezond, actief en maatschappelijk betrokken kan blijven;

T.  overwegende dat oudere vrouwen 20 % van de bevolking van de EU uitmaken en dat dit percentage volgens de huidige demografische trends zal blijven stijgen; overwegende dat oudere vrouwen in de meeste EU-landen meer risico op armoede lopen dan oudere mannen, gemiddeld 21 % voor vrouwen en 16 % voor mannen; overwegende dat de genderkloof op het gebied van pensioenen in de EU 39% bedraagt;

U.  overwegende dat toegankelijke technologieën burgers in staat stellen toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt, een zelfstandig leven te leiden en deel te nemen aan alle aspecten van de samenleving, maar dat vandaag de dag ruim 69 % van de mensen die niet over elementaire digitale vaardigheden beschikken ouder is dan 55 jaar; overwegende dat door een gebrek aan toegankelijkheid, de razendsnelle ontwikkeling van de ICT en slechte digitale vaardigheden veel ouderen en mensen met een handicap het gevaar lopen de toekomstige Digitale Eengemaakte Markt niet ten volle te kunnen benutten;

1.  erkent dat het EJ 2012 voor een belangrijke politieke impuls heeft gezorgd die heeft bijgedragen tot de opening van een debat over de uitdagingen op het vlak van actief ouder worden en intergenerationele solidariteit in Europa;

2.  definieert intergenerationele rechtvaardigheid als de gelijkmatige verdeling van voordelen en lasten tussen generaties; is van mening dat een werkbare samenwerking tussen generaties gebaseerd moet zijn op solidariteit en gekenmerkt dient te worden door wederzijds respect, gedeelde verantwoordelijkheid en de bereidheid elkaar te ondersteunen;

3.  stelt vast dat de specifieke doelstellingen van het EJ2012 deels bereikt zijn, met de beste resultaten op het vlak van bewustmakingsinitiatieven en -evenementen;

4.  stelt met tevredenheid vast dat dankzij de evenementen en initiatieven van het EJ2012 duidelijk werd dat oudere mensen vanwege hun ervaring, prestaties en kennis geen last, maar een hulpbron voor de economie en samenleving zijn;

5.  wijst erop dat ook de doelstelling van het EJ2012 om relevante spelers rond het thema actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties te mobiliseren, met succes verwezenlijkt is; vindt het echter jammer dat het doel van de oprichting van nieuwe netwerken voor de verdeling van de middelen, projecten en ideeën tussen de overheidssector, de private sector en het maatschappelijk middenveld maar in enkele zeldzame gevallen is behaald; betreurt het feit dat de betrokkenheid van de sociale partners wisselde en dat privébedrijven niet in noemenswaardig grote mate werden bereikt; onderstreept de behoefte aan verdere capaciteitsopbouw ter bevordering van de actieve participatie van ouderen in de samenleving;

6.  is ingenomen met het feit dat het EJ2012 bijgedragen heeft tot het bijschaven van de nationale beleidsagenda's inzake actief ouder worden, de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten heeft bevorderd en voor een toename van het aantal initiatieven ter bevordering van actief ouder worden evenals een vergroting van de kennis en vaardigheden van de belanghebbenden heeft gezorgd;

7.  benadrukt de behoefte aan betrouwbare statistieken over de situatie van ouderen en de demografische veranderingen teneinde doeltreffender en effectieve strategieën te ontwikkelen voor het actief ouder worden; roept de Commissie op te zorgen voor een alomvattende verzameling van kwalitatief goede gegevens over de maatschappelijke positie van ouderen en hun gezondheid, rechten en levensstandaard;

8.  acht het uiterst belangrijk dat de initiatieven die in het kader van het EJ 2012 gelanceerd zijn, worden opgevolgd en omgezet in een krachtig politiek engagement en concrete maatregelen voor de sociale inclusie, actieve participatie en het welzijn van alle generaties, met inachtneming van het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel; herhaalt dat de EU-wetgeving betreffende het beleid inzake actief ouder worden effectief moet worden uitgevoerd om discriminatie van zowel jongeren als oudere mensen in alle aspecten van het leven te bestrijden en te voorkomen;

9.  benadrukt de noodzaak om de coördinatiedriehoek te versterken tussen beleidsvormers (op Europees, nationaal, regionaal en plaatselijk niveau), het maatschappelijk middenveld en de privésector, waaronder ook bedrijfstakken die innovatieve producten en diensten ter ondersteuning van zelfstandig leven verlenen;

10.  verzoekt de Europese Commissie een onderzoek in te stellen naar de sterke daling van het inwonertal waar een toenemend aantal regio's van verschillende lidstaten van de Europese Unie zich voor gesteld ziet, en een mededeling over dit probleem uit te werken, alsook over de maatregelen die op Europees niveau en op het niveau van de lidstaten en de getroffen regio's kunnen worden genomen om de uitdaging die de bevolkingsafname vormt, het hoofd te bieden;

11.  benadrukt dat met name regio's met nadelige natuurlijke omstandigheden of met ernstige en permanente demografische problemen, zoals regio's met een zeer lage bevolkingsdichtheid, eilandregio's en bergregio's, kampen met problemen die te maken hebben met vergrijzing, en over minder middelen en infrastructuur beschikken om het actief ouder worden te bevorderen; vraagt of het nut kan worden onderzocht van dynamiseringsplannen om het proces van vergrijzing, dat meestal wordt verergerd door parallelle processen, zoals ontvolking, waar veel regio's mee kampen en dat een bedreiging kan gaan vormen voor het voortbestaan van deze gebieden, te keren;

12.  betreurt dat de relatief late goedkeuring van het EJ 2012 tot vertraging bij de afsluiting en uitvoering van contracten heeft geleid, met als gevolg dat het potentieel van bepaalde evenementen, zoals het initiatief "Seniorforce Day", niet ten volle is benut; neemt nota van het kleinere budget dat aan het EJ2012 is toegewezen in vergelijking met voorgaande EJ's, en de daardoor schaarser geworden middelen om de EJ2012-doelstellingen te verwezenlijken;

13.  brengt in herinnering dat actief ouder worden ook inhoudt dat perspectieven inzake gezondheid en deelname aan de samenleving geoptimaliseerd worden zodat ouder wordende mensen een goede levensstandaard en levenskwaliteit kunnen behouden; is van mening dat het beleid inzake actief ouder worden de mogelijkheden voor personen inzake lichamelijk, sociaal en geestelijk welzijn in de loop van hun leven moet vergroten zodat hun maatschappelijke inclusie verbetert en hun deelname aan de samenleving toeneemt; beklemtoont het feit dat actief ouder worden ook verband houdt met een betere toegang tot gezondheidszorg, langdurige zorg en sociale diensten, die tijdens de crisis in sommige gevallen onder druk zijn komen te staan, evenals met een leven lang leren, deelname aan de samenleving en culturele activiteiten, bevordering van bestaande sociale infrastructuur zoals woon- en zorgcentra, de uitroeiing van op leeftijd gestoelde discriminatie en clichés, maatregelen ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting en bewustmaking van de waarde van actief en gezond ouder worden;

14.  beveelt alle lidstaten aan om via hun sociale zekerheidsstelsels openbare, kwaliteitsvolle infrastructuur voor ouderen (tehuizen, centra voor dagopvang en thuishulp) te bevorderen en te versterken waarbij ouderen worden gezien als actieve en niet als passieve speler in de initiatieven waaraan zij deelnemen;

15.  is van mening dat een Europese strategie voor dementie moet worden ontwikkeld, die maatregelen ter ondersteuning van de familie van de patiënten, voorlichtingscampagnes, bewustmakingsacties en uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten moet omvatten;

16.  verzoekt de Commissie zich te buigen over het verontrustende fenomeen van werkloosheid bij mensen ouder dan 50 en de gestage toename van het aantal langdurig werklozen, en samen met de lidstaten, regionale en plaatselijke autoriteiten en sociale partners de omstandigheden en levenssituatie van oudere werklozen te onderzoeken en doeltreffende instrumenten uit te werken om deze kwetsbare groep van werknemers aan het werk te houden, mogelijkheden te bieden voor een leven lang leren, bijscholing, opleiding op de werkplek en toegankelijke en betaalbare leerprogramma's, en intergenerationele trainingen en kennisoverdracht op het werk te bevorderen voor iedereen;

17.  benadrukt dat hierbij voornamelijk moet worden gedacht aan programma's zoals een "generatie-mentorschap", waarbij de uitwisseling tussen oudere deskundigen en jongere generaties op de werkplek en tijdens de opleiding wordt bevorderd; wijst erop dat teams van mensen met verschillende leeftijden in het arbeidsproces moeten worden ondersteund en dat uitstekende projecten moeten worden beloond; is van mening dat de lidstaten maatregelen kunnen nemen om ondernemingen ertoe aan te sporen meer oudere werknemers in dienst te nemen, en dat oudere werknemers op het gebied van beroepsopleidingen en bij- en nascholing binnen ondernemingen in beginsel niet mogen worden benadeeld ten opzichte van jongere werknemers; benadrukt in het bijzonder dat werkplekken moeten worden aangepast aan de noden van oudere werknemers, dat oudere werknemers meer mogelijkheden moeten krijgen voor deeltijdwerk, overeenkomstig hun voorkeuren, en dat de nodige voorwaarden moeten worden gecreëerd om degenen die langer willen en kunnen werken, in staat te stellen dat te doen; is van mening dat er bijzondere pensioenplannen voor oudere langdurig werklozen moeten worden ingevoerd, om zowel deze mensen als de sociale zekerheidsstelsels de nodige stabiliteit te bieden;

18.  betreurt dat oudere personen nog altijd vaak te lijden hebben onder discriminatie op grond van leeftijd, vooroordelen en obstakels; vraagt de lidstaten daarom richtlijn 2000/78/EG van de Raad betreffende gelijke behandeling in arbeid en beroep correct en onverwijld uit te voeren; stelt vast dat het voorstel voor de horizontale richtlijn betreffende gelijke behandeling(6) sinds 2008 vastzit bij de Raad en vraagt de lidstaten om de situatie zo snel mogelijk te deblokkeren;

19.  weigert evenwel categorisch om het beleid inzake actief ouder worden enkel en alleen te beschouwen als een instrument om oudere werknemers aan het werk te houden, en vraagt de lidstaten met klem alle nodige evaluaties uit te voeren en alle nodige inspanningen te doen om op een levensloopbenadering over te stappen en waar nodig hun pensioenstelsels te hervormen, en tegelijk alles in het werk te stellen om de pensioenwetgeving te stabiliseren en rekening te houden met de feitelijke werkloosheidscijfers onder de bevolking ouder dan 50 alvorens de verplichte pensioenleeftijd op te trekken; is van mening dat wanneer de pensioengerechtigde leeftijd uitsluitend aan de levensverwachting wordt gekoppeld, er geen rekening wordt gehouden met de betekenis van de arbeidsmarktontwikkeling en dat een dergelijke koppeling bijgevolg niet het enige instrument mag zijn om de uitdaging van de vergrijzing aan te pakken; is van mening dat de lidstaten in plaats daarvan met behulp van hun arbeidsbeschermingswetten en loonvormingssystemen de rekrutering van oudere werknemers met name vóór hun wettelijke pensioenleeftijd moeten aanmoedigen, aangezien werkloosheid nog meer negatieve gevolgen zou hebben voor hun pensioeninkomen, en dat de lidstaten duurzame socialebeschermingsstelsels moeten garanderen;

20.  roept de lidstaten ertoe op de duurzaamheid van overheidspensioenstelsels te garanderen en te waarborgen dat iedereen over een eigen en adequaat pensioeninkomen en eigen en adequate pensioenrechten beschikt ter verzekering van een waardig leven op hun oude dag - met inbegrip van degenen, voornamelijk vrouwen, die hun loopbaan op goede gronden hebben onderbroken; onderstreept het belang van voldoende toezicht op en onafhankelijke audits van bedrijfspensioenfondsen voor veilige en duurzame pensioenen;

21.  benadrukt dat oudere mensen de mogelijkheid moeten krijgen om een belangrijke rol te spelen bij de ondersteuning van familieleden, en vestigt de aandacht op het waardevolle vrijwilligerswerk dat oudere mensen verrichten;

22.  benadrukt het belang van toegankelijke technologieën voor vergrijzende Europese samenlevingen en verzoekt de Commissie om een alomvattende strategie voor de Digitale Eengemaakte Markt te ontwikkelen door ervoor te zorgen dat de toegankelijkheid wordt geïntegreerd in de hele strategie en wordt gekoppeld aan het bevorderen van de 'zilveren economie' in Europa;

23.  verheugt zich over het feit dat actief en gezond ouder worden deel uitmaakt van de investeringsprioriteiten van het Europees Sociaal Fonds voor de programmeringsperiode 2014-2020, zoals vermeld in Verordening (EU) nr. 1304/2013; vraagt de lidstaten de hiervoor toegewezen middelen efficiënt te gebruiken; wijst erop dat financiering voor projecten ter bevordering van actief ouder worden ook beschikbaar is in het kader van onder meer de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF), Horizon 2020, het programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI) en het Gezondheidsprogramma; vraagt om een betere coördinatie van de programma's en diverse instrumenten die de EU beschikbaar stelt ter bevordering van actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties, en pleit conform de prioriteiten van Horizon 2020 om de invoering van een Europese onderzoeksprioriteit onder de naam 'Applied Health and Active-Aging Sciences' (toegepaste wetenschappen inzake gezondheid en actief ouder worden);

24.  roept de lidstaten ertoe op gebruik te maken van de beschikbare financiering van het Europees Sociaal Fonds (ESF), de ESIF's en het EaSI voor de financiële ondersteuning van zelfhulpprogramma's van ouderenorganisaties die hun energie, kennis, ervaring en wijsheid met elkaar delen en mensen in nood bijstaan, en daarmee een bijdrage leveren aan actief en gezond ouder worden en aan langer zelfstandig wonen;

25.  herinnert aan de evaluatie van de begroting 2010 door de Commissie, waarin werd vastgesteld dat "Europese meerwaarde" een van de kernbeginselen hiervan was; dringt erop aan dat dit beginsel de hoeksteen moet vormen van alle uitgaven en dat EU-financiering, met name die in het kader van het ESF, niet mag worden gebruikt om nationale methoden van aanpak te subsidiëren, maar moet worden ingezet om extra ondersteuning te bieden aan de programma's inzake actief ouder worden van de lidstaten;

26.  roept de Commissie en de lidstaten ertoe op de bestemming en daadwerkelijke benutting van middelen voor actief ouder worden te verbeteren; verzoekt de Commissie voorts met klem zich te buigen over de haalbaarheid en toegevoegde waarde van een nieuw Europees financieel instrument voor de terugkeer van ontslagen werknemers van middelbare leeftijd op de arbeidsmarkt;

27.  roept de Commissie en de lidstaten ertoe op volledige en betrouwbare gegevens te verzamelen waarmee de effectiviteit van de ESF-uitgaven aan oudere werknemers kan worden beoordeeld;

28.  verzoekt de Commissie de haalbaarheid en de toegevoegde waarde te beoordelen van een nieuw Europees financieringsinstrument dat voorziet in een minimuminkomen voor alle Europese burgers die onder de armoedegrens leven;

29.  beveelt de lidstaten aan om beleidsmaatregelen en overheidsprogramma's op te stellen en uit te voeren die niet alleen de fysieke gezondheid ten goede komen, maar ook de psychische gezondheid en sociale contacten bevorderen;

30.  acht het essentieel oudere mensen te helpen om zo lang mogelijk zelfstandig en actief te leven, zoals vastgelegd in artikel 25 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, door en mensgerichte en vraaggestuurde steun en verzorging op te zetten en in stand te houden en door deze openbare diensten beter met elkaar te verbinden; verzoekt de lidstaten dan ook om te zorgen voor betaalbare, toegankelijke en niet-discriminerende gezondheidszorg en om in hun gezondheidszorgbeleid prioriteit te geven aan preventie; vraagt de Europese Commissie dan ook om het pakket sociale-investeringsmaatregelen uit te voeren, gezond ouder worden en de toereikendheid en kwaliteit van langdurige zorg hoog op de politieke agenda te houden, en de betaalbaarheid van gezondheidszorg voor ouderen te analyseren, gegevens te verzamelen over wachttijden in gezondheidszorgstelsels in de hele EU en richtsnoeren voor maximale wachttijden voor te stellen; acht het essentieel om de persoonlijke verantwoordelijkheid van individuen voor hun eigen gezondheid te vergroten, met een duidelijke uitbreiding van de beschikbare informatie over gezondheidszorg en nationale motiveringscampagnes, en om samenwerking op het gebied van gezondheidsalfabetisme te stimuleren met als doel ouderen in staat stellen op hun gezondheid te letten; herhaalt dat we meer aandacht moeten besteden aan innovatieve technologische oplossingen en instrumenten; erkent het belang van de effectieve verspreiding van informatie met betrekking tot plaatselijke diensten en rechten om dit doel te bereiken;

31.  verzoekt de Commissie om gevolg te geven aan de conclusies van het Gezamenlijk verslag over adequate sociale bescherming voor langdurige-zorgbehoeften in een vergrijzende samenleving en onverwijld concrete voorstellen te doen;

32.  pleit ervoor om een prioriteit te maken van de integratie van ouderen in hun eigen familie; stelt voor dat de Commissie de mogelijkheden verkent die familiebedrijven en de activiteiten van dergelijke bedrijven op het vlak van ouderenzorg;

33.  wijst erop dat ouderen een efficiënter openbaar vervoer als een topprioriteit beschouwen voor de totstandkoming van een leeftijdsvriendelijke omgeving(7), die een zelfstandig leven en de toegang tot basisvoorzieningen vergemakkelijkt; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de toegankelijkheid en interoperabiliteit van vervoerssystemen te verbeteren;

34.  is ingenomen met de achtergrondnota van de Commissie met als titel "Growing the Silver Economy in Europe" en herhaalt de noodzaak om de 'zilveren economie' uit te bouwen, die inspeelt op de behoeften van de vergrijzende bevolking op basis van de economische kansen die voortvloeien uit de overheids- en privé-uitgaven met betrekking tot de vergrijzing en uit specifieke producten, diensten en nieuwe oplossingen en behoeften, en die tot nieuwe banen en groei leidt, rekening houdend met de behoeften van de meest kwetsbare sociaal-economische groepen;

35.  is van mening dat eenzijdige maatregelen tot verjonging van personeelsbestanden niet meer innovatie tot gevolg zullen hebben, maar ertoe leiden dat ervaring, kennis en vaardigheden verdwijnen;

36.  is van mening dat oudere mensen een volwaardige bevolkingsgroep moeten vormen en dat hun deelname aan het dagelijkse en openbare leven moet worden aangemoedigd; vindt bovendien dat een actieve dialoog en de uitwisseling van ervaringen tussen jonge en oudere mensen moeten worden aangemoedigd; onderstreept de rol van intergenerationele projecten in deze context; steunt voorts het recht van ouderen om een waardig en zelfstandig leven te leiden zoals vastgelegd in artikel 25 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; is bovendien van mening dat de actieve politieke participatie van vertegenwoordigers van de jongere en oudere generaties op alle EU-niveaus, overal waar de belangen van de generaties op het spel kunnen staan, moet worden gewaarborgd;

37.  onderstreept dat oudere mensen ook een belangrijke maatschappelijke rol vervullen door waarden en ervaringen door te geven aan doorgeven en hen wegwijs te maken in de samenleving;

38.  roept de Commissie, de Raad en de lidstaten ertoe op een positief standpunt in te nemen in de Open Werkgroep van de VN inzake vergrijzing om ervoor te zorgen dat ouderen hun mensenrechten ten volle kunnen genieten; verzoekt de Commissie om nauw samen te werken met de onafhankelijke deskundige van de VN inzake de rechten van ouderen en met de representatieve organisaties voor ouderen in de EU;

39.  betreurt het dat loopbanen vanwege tijdelijk werk, de toename van tijdelijke contracten, beperkte dienstverbanden of werkloosheid steeds onregelmatiger en onzekerder worden;

40.  beschouwt het geplande EU-Convenant rond demografische veranderingen als een belangrijk positief resultaat van het EJ2012 en het Europees innovatiepartnerschap inzake actief en gezond ouder worden; vraagt de Commissie om terreinen binnen de EU-begroting vast te stellen waar besparingen en efficiencyslagen mogelijk zijn om voor financiering te zorgen voor het convenant, dat een open, uitgebreid en onafhankelijk netwerk van plaatselijke en regionale belanghebbenden in het leven roept dat tot doel heeft de demografische veranderingen in Europa op te vangen door in nauwe samenwerking met de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) ouderenvriendelijke omgevingen te creëren;

41.  verzoekt de Commissie om vaststelling van een EU-strategie inzake demografische veranderingen om het EU-optreden op verschillende gebieden te coördineren teneinde voor synergie te zorgen en de positieve invloed ervan op de Europese burger, de economie en banencreatie te maximaliseren, en de mensenrechten van ouderen te beschermen op alle beleidsterreinen van de EU;

42.  is van mening dat demografische uitdagingen niet adequaat op Europees niveau worden aangepakt; doet daarom een beroep op de komende voorzitterschappen van de Raad van de EU om dit punt weer op de EU-agenda te zetten en krachtige beleidsmaatregelen uit te werken;

43.  wijst erop dat de verandering in bevolkingssamenstelling niet mag worden aangegrepen als reden voor de afbraak van sociale rechten en uitkeringen;

44.  is ingenomen met de 'Guiding Principles for Active Ageing and Solidarity between Generations' (richtsnoeren inzake actief ouder worden en solidariteit tussen generaties), vastgesteld door het Comité voor sociale bescherming en het Comité voor de werkgelegenheid; verheugt zich in het bijzonder over de rol van het Comité voor sociale bescherming bij de rechtstreekse uitwisseling van ervaringen tussen de lidstaten, onder meer voor wat langdurige zorg en pensioenen betreft;

45.  is ingenomen met de index voor actief ouder worden, die erop gericht is het onbenutte potentieel van oudere mensen voor een actievere deelname aan het professionele en maatschappelijke leven en voor zelfstandig wonen te benutten, en met het lopende vervolgproject van de Commissie en de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties; spoort de lidstaten ertoe aan op basis van de index voor actief ouder worden doelstellingen vast te leggen alsook omvattende strategieën voor actief ouder worden om deze doelstellingen te bereiken, en toezicht te houden op de vorderingen ter zake;

46.  wijst erop dat het stimuleren van een ouderenvriendelijke omgeving essentieel is om oudere werknemers en werkzoekenden te ondersteunen en inclusieve samenlevingen te bevorderen waar iedereen evenveel kansen krijgt; verheugt zich in dit verband over het gezamenlijke beheerproject van de Commissie en de WGO ter aanpassing van de WGO-gids met 'Global Age-Friendly Cities' aan de Europese context;

47.  is van oordeel dat een VN-Verdrag ter bescherming van de rechten van ouderen het leven van ouderen zal verbeteren doordat het hen van gelijke toegang tot politieke, economische en culturele rechten en rechten op gezondheidszorg verzekert, en een belangrijk platform biedt om op mondiaal niveau tot een andere houding tegenover veroudering te komen;

48.  verzoekt de Commissie om een actieplan inzake ouderenmishandeling vast te stellen ten behoeve van het inventariseren van het door het WeDO-partnerschap ontwikkelde Europese kwaliteitskader voor langdurige zorg en het aanpakken van de kwestie van de rechten van ouderen die behoefte hebben aan zorg en ondersteuning;

49.  betreurt dat de Commissie bij de tenuitvoerlegging van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) en de strategie inzake handicaps nog geen actie heeft ondernomen om leeftijdsongelijkheid aan te pakken; verzoekt de Europese Commissie dan ook om de rechten van ouderen met een handicap en de leeftijdsdiscriminatie waarvan zij het slachtoffer zijn, onder de aandacht te brengen en aan te pakken, en ervoor te zorgen dat ouderen niet worden vergeten bij de toepassing van het UNCRPD;

50.  verzoekt de Commissie de langverwachte Europese toegankelijkheidsakte bekend te maken om ervoor te zorgen dat vervoer, huisvesting en op ICT gebaseerde producten en diensten, waaronder die welke worden aangeboden in het kader van de 'zilveren economie', toegankelijk zijn voor ouderen;

51.  roept de Commissie ertoe op om binnen het kader van het Europees semester landenspecifieke aanbevelingen te doen met betrekking tot de toereikendheid, duurzaamheid en rechtvaardigheid van economische hervormingen op het gebied van werkgelegenheid, pensioenen, sociale inclusie en langdurige zorg; verzoekt de Commissie om een betere beoordeling uit te voeren van de sociale gevolgen van economische hervormingen, met name in de context van de vergrijzing;

52.  onderstreept het belang van vrijwilligerswerk, dat niet als vanzelfsprekend mag worden beschouwd en waarvan de maatschappelijke meerwaarde méér naar waarde moet worden geschat, en dat bevorderlijk is voor intercultureel leren, intergenerationele solidariteit, actief ouder worden en burgerparticipatie gedurende het hele leven en oudere mensen in staat stelt zich in te zetten voor de samenleving, wat hun levenskwaliteit, welbevinden en algemene gezondheidstoestand ten goede komt; moedigt de ontwikkeling aan van flexibelere en inclusievere benaderingen van de deelname aan vrijwilligersprogramma's; betreurt in dit verband de beëindiging van het Grundtvig-programma, dat oudere vrijwilligers ondersteunde; wijst nogmaals op het belang van de Europese en transnationale netwerken van verenigingen en publieke en particuliere instellingen die zich inzetten voor de integratie van ouderen, die bijzondere steun moeten krijgen, en vraagt de Commissie met klem de waarde te onderkennen van succesvolle EU-programma's die burgerparticipatie combineerden met EU-brede groepsuitwisselingen waar ouderen bij betrokken waren;

53.  benadrukt dat een aan generaties aangepast beleid ernaar moet streven instrumenten te scheppen om een open en eerlijke dialoog tussen de generaties te voeren met een win-winsituatie als resultaat; verzoekt de Europese Commissie en de lidstaten intensief te werken aan dergelijke instrumenten om te zorgen voor solidariteit;

54.  onderstreept het belang van sociale ondernemingen die bijdragen tot de dienstverlening aan ouderen, de ouderenzorg en de deelname van ouderen aan het maatschappelijk leven;

55.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.

(1) PB L 246 van 23.9.2011, blz. 5.
(2) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0328.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0204.
(5) PB C 74 E van 13.3.2012, blz. 19.
(6) Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (COM(2008)0426).
(7) Europese Commissie (2012). Speciale Eurobarometer 378 over actief ouder worden.

Juridische mededeling