Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2004(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0232/2015

Ingediende teksten :

A8-0232/2015

Debatten :

PV 05/10/2015 - 11
CRE 05/10/2015 - 11

Stemmingen :

PV 06/10/2015 - 7.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0336

Aangenomen teksten
PDF 203kWORD 95k
Dinsdag 6 oktober 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
De rol van de lokale overheden van de ontwikkelingslanden bij ontwikkelingssamenwerking
P8_TA(2015)0336A8-0232/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2015 over de rol van de lokale overheden van de ontwikkelingslanden bij ontwikkelingssamenwerking (2015/2004(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 8 september 2000,

–  gezien het verslag dat in juli 2014 werd goedgekeurd door de Open Werkgroep duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN,

–  gezien zijn resolutie van dinsdag 25 november 2014 over de EU en het mondiaal ontwikkelingskader voor de periode na 2015(1),

–  gezien het verslag dat op 8 augustus 2014 werd goedgekeurd door het intergouvernementele comité van deskundigen inzake financiering van duurzame ontwikkeling,

–  gezien de ministeriële verklaring van het politiek forum op hoog niveau voor duurzame ontwikkeling van juli 2014,

–  gezien het verslag van de Verenigde Naties van 2014 over de millenniumontwikkelingsdoelstellingen,

–  gezien het slotdocument van de vergadering op hoog niveau van het mondiale partnerschap voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking (GPEDC) in Mexico-Stad van april 2014,

–  gezien het door het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP), de Global Taskforce(2) en VN-Habitat opgestelde verslag "Dialogue on localizing the post-2015 development Agenda" van 31 oktober 2014,

–  gezien het verslag van de VN-Ontwikkelingsgroep van 2014 getiteld "Delivering the Post-2015 Development Agenda: opportunities at the national and local levels",

–  gezien het UNDP-verslag van 2014 over de ontwikkeling van de mens, getiteld "Sustaining Human Progress: Reducing Vulnerabilities and Building Resilience",

–  gezien het samenvattend verslag van de secretaris-generaal van de VN over de agenda voor de periode na 2015,

–  gezien de "Gender Chart 2012" van de VN, waarin de vooruitgang wat betreft de gendergelijkheidsaspecten van de acht millenniumontwikkelingsdoelstellingen wordt geëvalueerd,

–  gezien de resultaten van de conferentie van de Verenigde Naties inzake milieu en ontwikkeling van 1992 en het verslag over de vervolgconferentie inzake duurzame ontwikkeling die van 20 tot en met 22 juni 2012 plaatsvond in Rio de Janeiro (Brazilië),

–  gezien het verslag van het VN-panel op hoog niveau van eminente personen van mei 2013 over de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015,

–  gezien het voor de secretaris-generaal van de VN opgestelde verslag van juni 2012 van de werkgroep van het VN-stelsel voor de VN-ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015, getiteld "Realising the future we want for all",

–  gezien het actieprogramma van Istanbul voor de minst ontwikkelde landen voor de jaren 2011-2020,

–  gezien de verklaring en het actieplan goedgekeurd op het forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp gehouden in Busan (Zuid-Korea) in december 2011,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het wettelijk kader van de mensenrechten,

–  gezien de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp en de Actieagenda van Accra,

–  gezien de verklaring van 1986 over het recht op ontwikkeling,

–  gezien de Europese consensus inzake ontwikkeling(3) en de EU-gedragscode inzake complementariteit en taakverdeling in het ontwikkelingsbeleid(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 mei 2013 met als titel "Eigen verantwoordelijkheid voor de lokale autoriteiten in de partnerlanden met het oog op beter bestuur en doeltreffender ontwikkelingsresultaten" (COM(2013)0280),

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 22 oktober 2013 over lokale autoriteiten en het maatschappelijk middenveld: toezeggingen van Europa ter ondersteuning van duurzame ontwikkeling(5) en de conclusies van de Raad van 22 juli 2013 over lokale autoriteiten in ontwikkelingssamenwerking,

–  gezien artikel 7 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin opnieuw is vastgelegd dat de EU toeziet "op de samenhang tussen haar verschillende beleidsmaatregelen en optredens, rekening houdend met het geheel van haar doelstellingen",

–  gezien artikel 208 VWEU dat bepaalt dat de Unie "bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening [houdt] met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking",

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 februari 2015 getiteld "Een wereldwijd partnerschap voor armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling na 2015" (COM(2015)0044),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 juni 2014 getiteld "Een waardig leven voor iedereen: van wensbeeld naar collectieve maatregelen" (COM(2014)0335),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 mei 2014 getiteld "Een sterkere rol voor de particuliere sector bij het streven naar inclusieve en duurzame groei in ontwikkelingslanden" (COM(2014)0263),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 30 april 2014, een instrumentarium getiteld "A right-based approach, encompassing all human rights for EU development Cooperation" (SWD(2014)0152),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 februari 2013 getiteld "Een waardig leven voor iedereen: Armoede uitroeien en de wereld een duurzame toekomst geven" (COM(2013)0092),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 september 2012 getiteld "Aan de basis van democratie en duurzame ontwikkeling: het maatschappelijke engagement van Europa in de externe betrekkingen" (COM(2012)0492),

–  gezien de openbare raadplegingen van de Commissie inzake de voorbereiding van een EU-standpunt met betrekking tot een ontwikkelingskader voor de periode na 2015 die van 15 juni tot 15 september 2012 zijn gehouden,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 oktober 2008 getiteld "Plaatselijke overheden als ontwikkelingsactoren" (SEC(2008)2570),

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten die in het kader van de Raad bijeenkomen, het Europees Parlement en de Commissie, betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie getiteld "De Europese consensus"(6),

–  gezien het Europees Handvest inzake ontwikkelingssamenwerking ter ondersteuning van plaatselijk bestuur, waartoe tijdens de Europese ontwikkelingsdagen op 16 november 2008 het initiatief werd genomen,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 april 2005 getiteld "Samenhang in het ontwikkelingsbeleid" (COM(2005)0134) en de conclusies van de 3166e Raad Buitenlandse Zaken van 14 mei 2012 getiteld "Het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering",

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 24 februari 2015 getiteld "Een waardig leven voor iedereen: van wensbeeld naar collectieve maatregelen",

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 9 oktober 2013 getiteld "Eigen verantwoordelijkheid voor de lokale autoriteiten in de partnerlanden met het oog op beter bestuur en doeltreffender ontwikkelingsresultaten",

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 9 juni 2010 getiteld "Voorjaarspakket: EU-actieplan ter verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen",

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 22 april 2009 getiteld "Plaatselijke overheden als ontwikkelingsactoren",

–  gezien Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020(7),

–  gezien zijn standpunt van 2 april 2014 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Jaar voor ontwikkeling (2015)(8),

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2013 inzake de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling – vaststelling van het kader voor de periode na 2015(9),

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 19 mei 2014 over een op rechten gebaseerde benadering van ontwikkelingssamenwerking, die alle mensenrechten omvat,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 12 december 2013 over de financiering van armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling na 2015,

–  gezien de gezamenlijke ACP-EU-verklaring over de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 van 20 juni 2014,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0232/2015),

A.  overwegende dat lokale overheden (LO's), als staats- en institutionele actoren met een wezenlijk belang voor het ontstaan van democratie aan de basis en duurzame territoriale ontwikkeling op basis van deelname van de plaatselijke bevolking en haar democratische wilsuiting, een essentiële rol toekomt bij het verwezenlijken van de doelstellingen in de periode na 2015;

B.  overwegende dat de LO's een cruciale rol spelen bij de definitie, organisatie en verwezenlijking van de ontwikkelingsdoelstellingen;

C.  overwegende dat de lokale overheden een krachtige interface vormen tussen de doelstellingen van de gemeenschap en de nationale en wereldwijde doelstellingen van de agenda voor de periode na 2015;

D.  overwegende dat de lokale overheden een cruciale rol spelen bij de bescherming van kwetsbare bevolkingsgroepen in fragiele staten waar een crisis heerst en in landen met een middeninkomen;

E.  overwegende dat het nieuwe globale kader voor duurzame ontwikkeling gelegenheid biedt om de brede betrokkenheid van maatschappelijke organisaties, lokale autoriteiten en nationale parlementen te waarborgen; overwegende dat eigen verantwoordelijkheid van lokale overheden en maatschappelijke organisaties absoluut noodzakelijk is om correct, transparant en verantwoordelijk bestuur te waarborgen;

F.  overwegende dat de EU nauw betrokken is bij de ondersteuning van de lokale overheden in de ontwikkelingslanden, teneinde bij te dragen tot armoedebestrijding en de verwezenlijking van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen, maar ook om het democratisch bestuur op lokaal niveau te mainstreamen;

G.  overwegende dat vertegenwoordigers van subnationale regeringen en lokale overheden een bijdrage hebben geleverd aan de zittingen van de Open Werkgroep duurzame-ontwikkelingsdoelen van de Algemene Vergadering van de VN en dat de Global Taskforce mede-coördinator was bij de VN-beraadslagingen over de lokalisatie van de agenda voor de periode na 2015 met het UNDP en VN-Habitat;

H.  overwegende dat in het samenvattend verslag van de secretaris-generaal van de VN over de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 wordt herhaald dat de nieuwe ontwikkelingsagenda transformatief, universeel en op mensen gericht moet zijn en gegrondvest op de beginselen van mensenrechten en de rechtsstaat; overwegende dat de secretaris-generaal ertoe oproept dat innovatieve partnerschappen, waaronder lokale overheden, de belangrijkste actoren moeten zijn die deze agenda ten uitvoer leggen op een niveau dat zo dicht mogelijk bij de burger staat;

I.  overwegende dat de meeste cruciale doelstellingen en uitdagingen op de mondiale ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 afhankelijk zijn van acties op lokaal niveau en sterke partnerschappen;

J.  overwegende dat de wereldbevolking naar verwachting zal stijgen van ongeveer 7 miljard tot 9,3 miljard mensen tegen 2050, waarbij het grootste deel van deze groei in de ontwikkelingslanden wordt verwacht, met name in de stedelijke gebieden; overwegende dat een te sterke verstedelijking de duurzaamheid van de ontwikkeling in alle opzichten aantast;

K.  overwegende dat tweeënhalf miljard nieuwe stedelingen toegang zullen moeten krijgen tot onderwijs, gezondheidsdiensten, banen, voedsel, sanitaire voorzieningen, vervoer, huisvesting en elektriciteit; overwegende dat dit zeer belangrijke uitdagingen oplevert voor lokale en regionale overheden en gemeenten belast met de verstrekking van deze diensten;

L.  overwegende dat er in de Verklaring van Rio op wordt gewezen dat inheemse bevolkingsgroepen en hun gemeenschappen een cruciale rol spelen in milieubeheer en ontwikkeling; overwegende dat regeringen hun identiteit, cultuur en belangen moeten erkennen en naar behoren moeten ondersteunen, en hen in staat moeten stellen op doeltreffende wijze een bijdrage te leveren aan het bereiken van duurzame ontwikkeling;

M.  overwegende dat de armoedebestrijding ongelijk is en dat de ongelijkheden tussen en binnen landen, die zowel in ontwikkelde landen als in ontwikkelingslanden groter zijn geworden, een belangrijke uitdaging op ontwikkelingsgebied vormen;

N.  overwegende dat gewelddadige conflicten en humanitaire crisissituaties een verstorend effect blijven hebben op ontwikkelingsmaatregelen; overwegende dat kwetsbare groepen zoals vrouwen, kinderen en ouderen door militaire conflicten en crises zwaarder worden getroffen en dat, in de eerste plaats, lokale overheden een sleutelrol spelen bij de preventie en het beheer van conflicten;

O.  overwegende dat er nog steeds aanvullende maatregelen nodig zijn om het percentage mensen dat aan honger lijdt te halveren, aangezien 162 miljoen jonge kinderen aan ondervoeding lijden; overwegende dat verborgen honger te definiëren is als een tekort aan vitaminen en mineralen in het voedingspatroon, en een onomkeerbare uitwerking kan hebben op de gezondheid, alsook sociaal-economische gevolgen vanwege het teruglopen van de productiviteit van de bevolking;

P.  overwegende dat klimaatverandering en de achteruitgang van het milieu de doelstelling van armoedebestrijding negatief beïnvloeden en een significante uitdaging vormen voor plaatselijke overheden omdat plaatselijke gemeenschappen er het eerst mee te maken krijgen;

Q.  overwegende dat er nieuwe en fatsoenlijke banen moeten worden gecreëerd om op mondiaal niveau te kunnen inspelen op de demografische groei; overwegende dat de particuliere sector een belangrijke bron van werkgelegenheid vormt, zowel in ontwikkelde landen als in ontwikkelingslanden, en derhalve een essentiële partner kan zijn in de strijd tegen armoede;

R.  overwegende dat ontwikkelingshulp een unieke rol blijft spelen bij het terugdringen van de armoede en het bewerkstelligen van verandering in ontwikkelingslanden; overwegende dat ontwikkelingshulp specifieker moet zijn om in te kunnen spelen op de behoeften van de meest kwetsbare bevolkingsgroepen, dat ontwikkelingshulp alleen, niet voldoende is en dat dan ook gebruik moet worden gemaakt van innoverende financieringen;

S.  overwegende dat de mobilisatie van internationale, openbare en particuliere middelen van cruciaal belang zal zijn voor de bevordering van duurzame lokale ontwikkeling;

T.  overwegende dat de EU en haar lidstaten, omdat zij de grootste donoren van officiële ontwikkelingshulp zijn, maar ook omdat zij het voornamelijk zijn die op het vlak van de gedecentraliseerde samenwerking het beleid uitstippelen en een hoofdrol spelen, gedurende de komende stadia van de onderhandelingen in het kader van de VN, en met name wat betreft de tenuitvoerlegging van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, de stuwende kracht moeten blijven;

U.  overwegende dat artikel 208 VWEU bepaalt dat het uitbannen van de armoede de primaire doelstelling is van het ontwikkelingsbeleid van de EU, en met het oog op de ontwikkelingssamenwerking ook samenhang in het beleid verlangt;

I.Lokale overheden als ontwikkelingsactoren en de rol van de Europese Unie

1.  herinnert eraan dat het Partnerschap van Busan voorziet in een uitbreidend forum voor nieuwe ontwikkelingsactoren zoals lokale en regionale actoren;

2.  overwegende dat de nieuwe richtsnoeren van de mededeling van de Europese Commissie betreffende lokale overheden en de erkenning van hun rol als overheidspartijen een grote stap vooruit vormen in de nieuwe ontwikkelingsagenda van de Europese Unie;

3.  onderstreept de noodzaak om deze nieuwe richtsnoeren in de praktijk om te zetten bij de tenuitvoerlegging van de Europese samenwerking op het niveau van zowel het 11e Europese Ontwikkelingsfonds (EOF) als het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking;

4.  wijst erop dat strategische planning op nationaal en lokaal niveau absoluut noodzakelijk is voor de bevordering en integratie van de drie belangrijkste dimensies van ontwikkeling: de sociale, economische en milieudimensie;

5.  is verheugd over de verleende steun voor capaciteitsopbouw van lokale overheden door middel van de thematische begrotingslijn voor lokale overheden, en met name de steun voor de versterking van de samenwerkingsstructuren van plaatselijke overheden op regionaal, nationaal en continentaal niveau en de instelling van een partnerschap op Europees niveau;

6.  erkent de belangrijke rol van lokale overheden in ontwikkelingslanden; moedigt de sluiting van partnerschapsovereenkomsten tussen lokale overheden in EU-lidstaten en lokale overheden in ontwikkelingslanden aan op gebieden als opleiding en menselijk potentieel om meer voordelen te behalen zoals een betere milieuplanning;

7.  is van mening dat deze samenwerkingsstructuren een zeer belangrijke rol vervullen bij de technische en methodologische ondersteuning van de ontwikkeling van lokale capaciteiten, de uitwisseling van kennis ter ondersteuning van decentralisatieprocessen en de verstrekking van basisdiensten; meent dat deze structuren ook een geschikt podium bieden voor politieke dialoog en om de stem van lokale overheden te doen doorklinken op alle bestuursniveaus;

8.  spoort de Europese Unie aan om gedecentraliseerde samenwerking te bevorderen bij de tenuitvoerlegging van het ontwikkelingskader voor de periode na 2015; roept de Commissie in dit verband op erover na te denken of bij de financiering van de instrumenten voor externe hulp, te beginnen bij het DCI en het EOF, prioriteit kan worden toegekend aan decentralisatie, en meer te doen om lokale overheden als volwaardige spelers te betrekken bij de tenuitvoerlegging van het 11e EOF, zowel op het niveau van de partnerlanden, als op regionaal niveau en bij de sectorale en begrotingssteun; verzoekt de lidstaten eveneens een gepaste plaats voor lokale overheden in hun ontwikkelingsprogramma's te reserveren en hun inspanningen met die van de Europese Commissie en andere lidstaten te coördineren;

II.Politieke dialoog, mobilisering van financiële middelen en verantwoordingsplicht

9.  benadrukt de noodzaak om een rechtvaardiger overdracht van financiële middelen te waarborgen, van nationaal niveau naar subregionaal niveau, steden en gemeenten;

10.  benadrukt de noodzaak in het kader van de lopende decentralisatieprocessen om nationale staten aan te moedigen een gedeelte van de nationale begrotingsmiddelen over te dragen naar het niveau van regionale en lokale overheden; is dan ook van mening dat meer steun moet worden verleend voor de versterking van de financiële en begrotingscapaciteiten van lokale overheden, met name door middel van hun verenigingen;

11.  is van mening dat het van wezenlijk belang is dat een gedeelte van de Europese begrotingssteun dient voor de financiering van lokale overheden;

12.  wenst dat een daadwerkelijke politieke dialoog met lokale overheden wordt ingesteld in het kader van de Europese samenwerking, om te kunnen beoordelen of er vooruitgang wordt geboekt, welke problemen er nog bestaan en hoe de steun op plaatselijk niveau doeltreffender kan worden gemaakt;

13.  wenst dat aan deze dialoog een institutioneel karakter wordt gegeven, op basis van de bestaande coördinatiestructuren in de verschillende samenwerkingskaders;

III.De rol van lokale overheden bij de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling: wat er is geleerd

14.  onderstreept dat uit de millenniumontwikkelingsdoelstellingen de cruciale rol van de lokale overheden is gebleken bij de bestrijding van armoede en de verstrekking van gemeenschapsdiensten, zoals water en sanitaire voorzieningen, primaire gezondheidszorg en onderwijs;

15.  is ingenomen met de toename van de initiatieven op het gebied van gedecentraliseerde ontwikkelingssamenwerking en met het gebruik van mechanismen voor samenwerking tussen steden;

16.  benadrukt de noodzaak om bijkomende middelen toe te kennen aan de versterking van de capaciteiten van lagere overheden om deze in staat te stellen openbare diensten van hoge kwaliteit te bieden, gelijke kansen te waarborgen en sociale cohesie tot stand te brengen;

17.  betreurt dat in de millenniumontwikkelingsdoelstellingen onvoldoende rekening is gehouden met het belang van de lokale dimensie van ontwikkeling; betreurt dat in ontwikkelingsprogramma's onvoldoende rekening wordt gehouden met de culturele dimensie, die onmisbaar is voor een goed begrip van de lokale context; wenst dat rekening wordt gehouden met de culturele dimensie in lokale, nationale en internationale strategieën voor armoedebestrijding;

18.  betreurt dat de huidige millenniumontwikkelingsdoelstellingen niet duidelijk genoeg zijn wat betreft het afstemmen van mondiale doelen op nationale en lokale ontwikkelingen;

IV.De vaststelling van de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015: uitdagingen en kansen

19.  is van mening dat het proces voor de periode na 2015 een duidelijke visie moet opleveren voor een uitvoering van de resultaten van Rio+20 waarbij de rol van de lokale overheden wordt erkend;

20.  benadrukt dat betrouwbare doelstellingen en indicatoren moeten worden vastgesteld voor de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen, waarbij rekening wordt gehouden met de context en de behoeften en bezorgdheden van de plaatselijke bevolking; verzoekt de EU de rol van plaatselijke overheden te versterken en rekening te houden met hun kennis bij de overige duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen;

21.  verzoekt de EU de lokale overheden speciale aandacht te blijven geven bij de ontwikkelingsplanning, uitvoering van maatregelen en financiële hulpstromen; benadrukt dat hiervoor een daadwerkelijk participatieproces nodig is dat in een vroeg stadium van de ontwikkelingsfase moet plaatsvinden en dat vanuit dit oogpunt gedecentraliseerde overheidssteun moet worden erkend en versterkt; onderstreept dat het een "must" is hen nauwer te betrekken bij het vaststellen van ontwikkelingsstrategieën;

22.  verzoekt de EU erop toe te zien dat lokale overhedsen beter vertegenwoordigd worden bij de internationale onderhandelingen voor de aanneming van de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015, de internationale conferentie over ontwikkelingsfinanciering en de internationale klimaatconferentie;

23.  verzoekt de EU een autonoom doel ten aanzien van steden en menselijke nederzettingen te blijven steunen;

V.De noodzaak van een nieuw doeltreffend mondiaal partnerschap (met maatschappelijke organisaties, de particuliere sector enz.)

24.  verzoekt de EU bij te dragen tot de versterking van partnerschappen met meerdere belanghebbenden en de uitvoering van de agenda voor de periode na 2015 te lokaliseren;

25.  roept op tot een duidelijke omschrijving en verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de partners;

VI.Partnerschappen met de particuliere sector

26.  herinnert eraan dat de publieke sector van vitaal belang is voor en een belangrijke uitvoerder is van de nieuwe mondiale ontwikkelingsagenda en onderstreept dat de mobilisering van openbare inkomsten en de versterking van het belastingstelsel gebaseerd op de draagkracht van de burgers en op een billijke betaling van een transparante exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen, van wezenlijk belang zullen zijn voor de doeltreffendheid ervan;

27.  herhaalt dat de opkomst van een middenklasse moet worden ondersteund door particulier ondernemerschap, in het bijzonder door jongeren en vrouwen, te bevorderen;

28.  wijst op het belang van de versterking van de positie van lokale, micro-, kleine en middelgrote ondernemingen bij het scheppen van nieuwe banen en het bevorderen van duurzame en inclusieve economische groei, met name via publiek-private beleidsmaatregelen;

29.  herhaalt dat moet worden voorzien in doeltreffende verantwoordingsmechanismen en dat er verplichte sociale en milieuwaarborgen moeten worden beschreven;

VII.Partnerschap met het maatschappelijk middenveld

30.  is van mening dat in de mondiale ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 de rol en invloed van maatschappelijke organisaties moeten worden veranderd; meent dat de lidstaten nauw met maatschappelijke organisaties moeten samenwerken door de invoering van mechanismen voor regelmatige dialoog, zodat de samenwerking zo doeltreffend wordt dat de maatschappelijke organisaties positieve feedback geven;

VIII. Ondersteuning van binnenlandse verantwoordingsplicht en capaciteitsopbouw

31.  wijst erop dat regeringen verantwoording moeten afleggen aan zowel binnenlandse belanghebbenden als de internationale gemeenschap;

32.  onderstreept het belang van transparantie en de bevordering van dialogen van meerdere belanghebbenden voor de versterking van de participatie van lokale culturen, inheemse bevolkingsgroepen, migranten en minderheden;

33.  is van mening dat er grote inspanningen vereist zijn om de capaciteit van lokale overheden om overheidsdiensten te leveren, te verbeteren;

34.  onderstreept dat het belangrijk is goed bestuur op lokaal niveau te bevorderen door de verspreiding van de beginselen van verantwoordingsplicht, goed beheer, transparantie, participatie, reactiviteit en de rechtsstaat;

35.  moedigt de oprichting aan van platforms voor lokaal overleg in het kader van de begrotingsplanning;

36.  wijst erop dat de officiële diensten voor gegevensverzameling dringend moeten worden hervormd;

IX.Inheemse bevolkingsgroepen en ontwikkelingsplanning

37.  wijst erop dat inheemse bevolkingsgroepen nauw betrokken moeten worden bij de voorbereiding van plannen voor lokale en territoriale ontwikkeling en investeringen;

38.  verzoekt nationale regeringen en lokale overheden om: (a) de lokale wetgeving te versterken met het oog op de erkenning van traditionele vormen van grondbezit; (b) samen te werken met traditionele autoriteiten bij het beheer van natuurlijke hulpbronnen; (c) de gender- en intergenerationele vraagstukken tussen inheemse bevolkingsgroepen aan te pakken; (d) de inheemse kennis te beschermen; (e) de capaciteit van inheemse bevolkingsgroepen om deel te nemen aan ontwikkelingsplanning, te versterken;

X.Overdracht van technologie

39.  wijst erop dat nationale regeringen en lokale overheden een gunstig klimaat voor de overdracht van technologie moeten scheppen;

40.  is van mening dat dergelijke samenwerking ook investeringen op de langere termijn moet omvatten;

XI.Steden en menselijke nederzettingen

41.  is verheugd over de deelname en de inzet van Afrikaanse steden in het kader van de voorbereiding van de conferentie van de Verenigde Naties over huisvesting en duurzame stadsontwikkeling Habitat III; verzoekt de Commissie om dergelijke deelnameprocessen te steunen en in haar partnerschapsplannen te voorzien in de ondersteuning van het beheer van processen voor duurzame stadsontwikkeling;

42.  is ingenomen met het besluit van de Open Werkgroep duurzame-ontwikkelingsdoelen om een autonome doelstelling op het vlak van duurzame stedelijke ontwikkeling op te nemen;

43.  onderstreept het belang van een territoriale benadering voor de aanpak van kwesties zoals afvalbeheer en armoede in steden, de vermindering van ongelijkheid, de emancipatie van burgers, inclusief en participatief bestuur, het ontwerp van innovatieve infrastructuur, dienstverlening, grondbeheer, de bijdrage van steden aan mondiale klimaatverandering en hun invloed op ecosystemen, de beperking van risico's op natuurrampen, energieverbruik enz.;

44.  wijst op het belang van het ondersteunen van ontwikkelingslanden en de minst ontwikkelde landen, onder meer door financiële en technische bijstand;

XII.Goed bestuur en corruptiebestrijding

45.  wijst erop dat de internationale samenwerking voor het aanpakken van illegale geldstromen moet worden opgevoerd om te zorgen voor een gelijk speelveld op het gebied van belastingheffing aan lokale en internationale ondernemingen;

46.  onderstreept dat decentralisatie van macht een doeltreffend middel is om corruptie, waaronder corruptie door multinationale bedrijven, te bestrijden en bij te dragen aan de modernisering van de overheid en aan economische en maatschappelijke hervormingen die inspelen op de behoeften van de bevolking;

XIII. Versterking van de mobilisatie van middelen

47.  wijst erop dat er creatieve en billijke financieringsmechanismen moeten worden onderzocht;

48.  wijst met klem op het wezenlijke belang van het mobiliseren van nationale middelen op lokaal niveau voor het succes van de agenda voor de periode na 2015, aangezien dit cruciaal is voor de tenuitvoerlegging van strategieën en beleidsmaatregelen voor lokale ontwikkeling; onderstreept in dit verband dat het uitermate belangrijk is in de partnerlanden de capaciteiten van de plaatselijke overheden op de gebieden gemeentelijke belastingen en begrotingsplanning te verbeteren; verwelkomt de geleidelijke introductie van plaatselijke waarnemingscentra voor financiële middelen, waaraan de EU meer steun zou moeten toekennen;

49.  is van oordeel dat optreden op lokaal niveau beter werkt voor het verbeteren van de levensomstandigheden van gemeenschappen, met name op het platteland, en dat de re-integratie van de informele sector - zonder het opwerpen van obstakels voor innovatie - voor de plaatselijke overheden en de nationale autoriteiten een ware uitdaging is;

50.  verzoekt de Wereldbank en de internationale financiële instellingen het beleid op het gebied van milieu- en sociale waarborgen te actualiseren;

51.  herinnert eraan dat het in de eerste plaats de lokale overheden zijn die een toenemend aantal crises moeten aanpakken, maar dat zij in de meeste gevallen over onvoldoende capaciteit en middelen beschikken om een doeltreffend antwoord te bieden;

52.  verzoekt de Commissie de mobilisatie van innovatieve financieringsbronnen te bevorderen voor gedecentraliseerde samenwerking, met name de instrumenten van de combinatie van leningen en subsidies, die niet zijn afgestemd op de bijzonderheden van lokale overheden;

53.  spoort de Europese Unie derhalve aan om gedecentraliseerde begrotingen, die een voorwaarde zijn voor plaatselijke ontwikkeling, aan te moedigen;

o
o   o

54.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0059.
(2) De Global Taskforce of Local and Regional Governments for the Post-2015 Development Agenda towards HABITAT III.
(3) PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.
(4) Conclusies van de Raad 9558/07 van 15.5.2007.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0432.
(6) PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.
(7) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 44.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0269.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0283.

Juridische mededeling