Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/0005(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0267/2015

Ingediende teksten :

A8-0267/2015

Debatten :

PV 26/10/2015 - 14
CRE 26/10/2015 - 14

Stemmingen :

PV 27/10/2015 - 5.9
CRE 27/10/2015 - 5.9
Stemverklaringen
PV 04/10/2016 - 7.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0368
P8_TA(2016)0369

Aangenomen teksten
PDF 472kWORD 194k
Dinsdag 27 oktober 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere behandeling of bestraffing ***I
P8_TA(2015)0368A8-0267/2015

Amendementen aangenomen door het Europees Parlement op 27 oktober 2015 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1236/2005 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (COM(2014)0001 – C7-0014/2014 – 2014/0005(COD))(1)

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  Een algemene vergunning zou ook gepast zijn wanneer een fabrikant aan Verordening (EG) nr. 1236/2005 onderworpen geneesmiddelen uit moet voeren naar een distributeur in een land dat de doodstraf niet heeft afgeschaft, op voorwaarde dat de exporteur en de distributeur een wettelijk bindende overeenkomst hebben gesloten die vereist dat de distributeur een passende reeks maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de geneesmiddelen niet worden gebruikt voor voltrekking van de doodstraf.
(8)  Een algemene vergunning zou ook gepast zijn wanneer een fabrikant aan Verordening (EG) nr. 1236/2005 onderworpen geneesmiddelen uit moet voeren naar een distributeur in een land dat de doodstraf niet heeft afgeschaft, op voorwaarde dat de exporteur en de distributeur een wettelijk bindende overeenkomst hebben gesloten die vereist dat de distributeur een passende reeks maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de geneesmiddelen niet worden gebruikt voor voltrekking van de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  Het is noodzakelijk om tussenhandelaars in de EU te verbieden hun diensten te verlenen met betrekking tot goederen waarvan de invoer en uitvoer verboden is, want deze goederen hebben geen ander praktisch nut dan voor de doodstraf; foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Het verbieden van de verlening van dergelijke diensten heeft als doel de openbare zeden te beschermen.
(12)  Het is noodzakelijk om tussenhandelaars in de EU te verbieden hun diensten te verlenen met betrekking tot goederen waarvan de invoer en uitvoer verboden is, want deze goederen hebben geen ander praktisch nut dan voor de doodstraf; foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Het verbieden van de verlening van dergelijke diensten heeft als doel de openbare zeden te beschermen en de beginselen van menselijke waardigheid te eerbiedigen, die ten grondslag liggen aan de Europese waarden zoals vervat in het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)  Er dient een gerichte clausule betreffende het eindgebruik te worden ingevoerd zodat de lidstaten de doorvoer staken of opschorten van veiligheidsgerelateerde voorwerpen die niet onder de bijlagen II en III vallen en die duidelijk geen ander praktisch doel dienen dan de voltrekking van de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, of wanneer op redelijke gronden kan worden aangenomen dat de doorvoer van deze voorwerpen zou leiden tot de facilitering of uitvoering van de doodstraf, foltering of andere vormen van wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. De uit hoofde van de clausule betreffende gericht eindgebruik verleende bevoegdheden mogen geen betrekking hebben op medische producten die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 2 – letter a bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 2 – letter f
(a bis)  punt f) wordt vervangen door:
(f)  „technische bijstand”: elke technische steun in verband met reparaties, ontwikkeling, vervaardiging, beproeving, onderhoud, assemblage of andere technische diensten, die de vorm kan aannemen van bijvoorbeeld instructies, advies, opleiding, overdracht van praktische kennis of vaardigheden en adviesdiensten. Technische bijstand omvat ook verbale vormen van bijstand en bijstand door middel van elektronische middelen;
"(f) „technische bijstand”: elke technische steun in verband met reparaties, ontwikkeling, vervaardiging, beproeving, onderhoud, assemblage, gebruik, praktijken of andere technische diensten, die de vorm kan aannemen van bijvoorbeeld instructies, advies, opleiding, overdracht van praktische kennis of vaardigheden en adviesdiensten. Technische bijstand omvat ook verbale vormen van bijstand en bijstand door middel van elektronische middelen;"
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 2 – letter c
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 2 – punt k – alinea 2
Voor de toepassing van deze verordening geldt deze definitie niet voor het louter verstrekken van nevendiensten. Nevendiensten zijn vervoer, financiële diensten, verzekering of herverzekering dan wel algemene reclame of promotie;
Voor de toepassing van deze verordening geldt deze definitie eveneens voor het verstrekken van nevendiensten. Nevendiensten zijn vervoer, financiële diensten, verzekering of herverzekering dan wel algemene reclame of promotie, ook via internet;
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 2 – letter c
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 2 – letter l
(l)  „tussenhandelaar”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon of partnerschap, verblijvend of gevestigd in een lidstaat van de Unie, die of dat vanuit de Unie diensten als gedefinieerd onder k), verricht die gericht zijn op het grondgebied van een derde land;
(l)  "tussenhandelaar": een natuurlijke persoon of rechtspersoon of partnerschap, verblijvend of gevestigd in of onderdaan van een lidstaat van de Unie, of een dochteronderneming van een rechtspersoon of partnerschap, die of dat diensten als gedefinieerd onder k), verricht;
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 2 – letter c
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 2 – letter m
(m)  „verlener van technische bijstand”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon of partnerschap, verblijvend of gevestigd in een lidstaat van de Unie, die of dat vanuit de Unie technische bijstand als gedefinieerd onder f), verleent die gericht is op het grondgebied van een derde land;
(m)  "verlener van technische bijstand": een natuurlijke persoon of rechtspersoon of partnerschap, verblijvend of gevestigd in een lidstaat van de Unie, die of dat technische bijstand als gedefinieerd onder f), verleent;
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 2 – letter c
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 2 – letter n
(n)  „exporteur”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon of een partnerschap namens welke of welk een douaneaangifte bij uitvoer wordt gedaan, d.w.z. de persoon die op het tijdstip dat de aangifte wordt aanvaard, het contract met de ontvanger in het derde land heeft en die het recht heeft te beslissen dat het product naar een bestemming buiten het douanegebied van de Unie wordt verzonden. Indien geen uitvoercontract is gesloten of indien de houder van het contract niet namens zichzelf handelt, wordt onder de exporteur de persoon verstaan die het recht heeft om te beslissen het product naar een bestemming buiten het douanegebied van de Unie te verzenden. Indien het recht over de goederen te beschikken toekomt aan een persoon die blijkens het contract waarop de uitvoer berust, buiten de Unie is gevestigd, wordt de exporteur geacht de in de Unie gevestigde contracterende partij te zijn;
(n)  „exporteur”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon of een partnerschap namens welke of welk een douaneaangifte bij uitvoer wordt gedaan, d.w.z. de persoon die op het tijdstip dat de aangifte wordt aanvaard, het contract met de ontvanger in het derde land heeft en die het recht heeft te beslissen dat het product naar een bestemming buiten het douanegebied van de Unie wordt verzonden. Indien geen uitvoercontract is gesloten of indien de houder van het contract niet namens zichzelf handelt, wordt onder de exporteur de persoon verstaan die het recht heeft om te beslissen het product naar een bestemming buiten het douanegebied van de Unie te verzenden. Indien het recht over de goederen te beschikken toekomt aan een persoon die blijkens het contract waarop de uitvoer berust, buiten de Unie is gevestigd, wordt de exporteur geacht de in de Unie verblijvende of gevestigde contracterende partij te zijn;
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 2 – letter c
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 2 – letter r bis) (nieuw)
(r bis)  "doorvoer": vervoer van in de bijlagen opgenomen niet-communautaire goederen, die het douanegebied van de Unie binnenkomen en doorkruisen met een bestemming buiten de Unie;
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 3 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikelk 4 ter (nieuw)
(3 bis)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 4 ter
Verbod op doorvoer
1.  Het is verboden de in bijlage II vermelde goederen door te voeren ongeacht de oorsprong van dergelijke goederen.
2.  In afwijking van lid 1 mogen de bevoegde autoriteiten toestemming verlenen voor de doorvoer van de in bijlage II vermelde goederen, indien wordt aangetoond dat dergelijke goederen in het derde land waarnaar de goederen worden uitgevoerd, uitsluitend worden gebruikt om te worden tentoongesteld in een museum met het oog op hun historische betekenis."
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 3 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 4 quater (nieuw)
(3 ter)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:
‘Artikel 4 quater
Verbod op commerciële verhandeling en promotie
De on- en offline commerciële verhandeling en promotie binnen de Unie, door een natuurlijke of rechtspersoon of partnerschap, met het oog op doorvoer van de in bijlage II opgenomen goederen, is verboden.’
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 5
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 6 – lid 1
1.  De bevoegde autoriteiten besluiten per geval over een uitvoervergunning voor de in bijlage III bis vermelde goederen, rekening houdend met alle relevante overwegingen, met inbegrip van met name de vraag of een aanvraag voor een vergunning voor een in wezen identieke uitvoer in de afgelopen drie jaar is afgewezen door een andere lidstaat, het beoogde eindgebruik en het risico op wijziging van bestemming.
1.  De bevoegde autoriteiten besluiten per geval inzake uitvoervergunningen met betrekking tot de in de bijlagen III en III bis vermelde goederen, rekening houdend met alle relevante overwegingen, met inbegrip van met name de vraag, of een aanvraag voor een vergunning voor een in wezen identieke uitvoer in de afgelopen drie jaar is afgewezen door een andere lidstaat en overwegingen over het beoogde eindgebruik en het risico op wijziging van bestemming.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 5 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 6 – lid 1 bis (nieuw)
(5 bis)  in artikel 6 wordt het volgende lid ingevoegd:
"1 bis. De bevoegde autoriteit ziet er samen met de lidstaten op toe, rekening houdend met alle relevante bewijzen, dat alle ondernemingen die veiligheidsmaterieel promoten evenals ondernemingen die handelsbeurzen en andere evenementen organiseren waar dergelijk materieel wordt verhandeld, bewust worden gemaakt van het feit dat dit materieel zou kunnen worden gebruikt voor foltering of andere wrede, onterende of onmenselijke behandeling of bestraffing, en dat de verhandeling ervan wellicht verboden zal worden en de betreffende vergunningen kunnen worden ingetrokken;"
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 5 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 6 – lid 2
(5 ter)  In artikel 6 wordt lid 2 vervangen door het volgende:
2.  De bevoegde autoriteit verleent geen vergunning indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de in de bijlage III vermelde goederen door een wetshandhavingsinstantie of een natuurlijke of rechtspersoon in een derde land zouden kunnen worden gebruikt voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, met inbegrip van gerechtelijke lijfstraffen.
"2. De bevoegde autoriteit verleent geen vergunning indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de in de bijlagen III en III bis vermelde goederen door een wetshandhavingsinstantie of een natuurlijke of rechtspersoon in een derde land zouden kunnen worden gebruikt voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, met inbegrip van gerechtelijke lijfstraffen.
De bevoegde autoriteit houdt rekening met:
De bevoegde autoriteit houdt rekening met:
–  de beschikbare internationale rechterlijke beslissingen;
–  de beschikbare internationale rechterlijke beslissingen;
–  de bevindingen van de bevoegde instanties van de Verenigde Naties, de Raad van Europa en de Europese Unie, en de verslagen van het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen van de Raad van Europa en van de speciale VN-rapporteur voor foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.
–  de bevindingen van de bevoegde instanties van de Verenigde Naties, de Raad van Europa en de Europese Unie, en de verslagen van het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen van de Raad van Europa en van de speciale VN-rapporteur voor foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.
Ook andere relevante informatie, met inbegrip van beschikbare nationale rechterlijke beslissingen, verslagen of andere informatie van organisaties van het maatschappelijke middenveld en informatie over beperkingen op de uitvoer van in de bijlagen II en III genoemde goederen die door het land van bestemming worden toegepast, kan in aanmerking worden genomen.
Ook andere relevante informatie, met inbegrip van beschikbare nationale rechterlijke beslissingen, verslagen of andere informatie van organisaties van het maatschappelijke middenveld en informatie over beperkingen op de uitvoer van in de bijlagen II, III en III bis genoemde goederen die door het land van bestemming worden toegepast, kan in aanmerking worden genomen."
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 5 quater (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 6 bis (nieuw)
(5 quarter) Het volgende artikel wordt ingevoegd:
‘Artikel 6 bis
Doorvoervergunning
1.  Voor de doorvoer van de in bijlage III of in bijlage III bis opgenomen goederen is een doorvoervergunning vereist indien de marktdeelnemer door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van doorvoer ervan in kennis is gesteld dat de goederen in kwestie bedoeld zijn of kunnen zijn voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.
2.  Indien een marktdeelnemer zich ervan bewust is dat de goederen van doorvoer die zijn opgenomen in bijlage III of bijlage III bis, in hun geheel of gedeeltelijk bedoeld zijn voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing stelt hij de bevoegde autoriteiten hiervan in kennis, die vervolgens besluiten of het passend is om voor de doorvoer in kwestie een vergunning te eisen.
3.  Een lidstaat die overeenkomstig het bepaalde in de leden 1 en 2 een vergunning eist voor de doorvoer van een niet in bijlage III of bijlage III bis opgenomen product stelt de andere lidstaten en de Commissie daarvan in kennis.’
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 6
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 7 bis – lid 1
1.  Het is een tussenhandelaar verboden om aan een persoon, entiteit of instantie in een derde land tussenhandeldiensten te verlenen voor in bijlage III opgenomen goederen, ongeacht de oorsprong van dergelijke goederen, indien de tussenhandelaar weet of redenen heeft om te vermoeden dat enig deel van de zending van dergelijke goederen bedoeld is of kan zijn voor gebruik voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing in een land dat niet behoort tot het douanegebied van de EU.
1.  Het is een tussenhandelaar verboden om aan een persoon, entiteit of instantie in een derde land tussenhandeldiensten te verlenen voor in de bijlagen III en III bis, opgenomen goederen, ongeacht de oorsprong van dergelijke goederen, indien de tussenhandelaar weet of redenen heeft om te vermoeden dat enig deel van de zending van dergelijke goederen bedoeld is of kan zijn voor gebruik voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing in een land dat niet behoort tot het douanegebied van de EU.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 6
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 7 bis – lid 2
2.  Het is een verlener van technische bijstand verboden om aan een persoon, entiteit of instantie in een derde land technische bijstand te verlenen voor in bijlage III opgenomen goederen, ongeacht de oorsprong van dergelijke goederen, indien de verlener van dergelijke bijstand weet of redenen heeft om te vermoeden dat sommige of alle goederen bedoeld zijn of kunnen zijn voor gebruik voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing in een land dat niet behoort tot het douanegebied van de EU.”
2.  Het is een verlener van technische bijstand verboden om aan een persoon, entiteit of instantie in een derde land technische bijstand te verlenen voor in de bijlagen III en III bis opgenomen goederen, ongeacht de oorsprong van dergelijke goederen, indien de verlener van dergelijke bijstand weet of redenen heeft om te vermoeden dat sommige of alle goederen bedoeld zijn of kunnen zijn voor gebruik voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing in een land dat niet behoort tot het douanegebied van de EU. Het is een verlener van technische bijstand eveneens verboden om instructies, advies, training, praktische kennis of vaardigheden te verstrekken die zouden kunnen bijdragen aan de voltrekking van de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 6 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 7 bis bis (nieuw)
6 bis.  Het volgende artikel wordt ingevoegd:
‘Artikel 7 bis bis
Uitwisseling van beste praktijken
De lidstaten worden aangemoedigd tot het bevorderen van beste praktijken onder de verstrekkers van technische bijstand om ervoor te zorgen dat deze bijstand positief bijdraagt aan de bestrijding van foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.’
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 7
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 7 quater – alinea 3 – punt 3.3 (nieuw)
'3.3. De Commissie neemt in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en in voorkomend geval van derde landen richtsnoeren met beste praktijken betreffende de controle van het eindgebruik aan.'
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 7 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Hoofdstuk III ter (nieuw) – Artikel 7 sexies (nieuw)
(7 bis)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:
‘Hoofdstuk III ter
Niet in de bijlagen opgenomen goederen
Artikel 7 sexies
Vangnetbepaling
1.  Voor de uitvoer van goederen die niet opgenomen zijn in de bijlagen bij deze verordening is een uitvoervergunning vereist indien de exporteur door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarin deze is gevestigd ervan in kennis is gesteld dat de goederen in kwestie in hun geheel of gedeeltelijk bedoeld zijn of kunnen zijn voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.
2.  Indien een exporteur zich ervan bewust is dat de goederen die deze wil uitvoeren, die niet zijn opgenomen in bijlage II, bijlage III of bijlage III bis, in hun geheel of gedeeltelijk bedoeld zijn voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, stelt de exporteur de autoriteiten van de lidstaat waarin deze is gevestigd hiervan in kennis, die vervolgens besluiten of het passend is om voor de uitvoer in kwestie een vergunning te eisen.
3.  Een lidstaat die overeenkomstig het bepaalde in de leden 1 en 2 een vergunning eist voor de uitvoer van een niet in bijlage II, bijlage III of bijlage III bis opgenomen product stelt de andere lidstaten en de Commissie daarvan onverwijld in kennis, onder vermelding van de exacte redenen voor het eisen van een vergunning. De lidstaten stellen de Commissie tevens onverwijld in kennis van eventuele wijzigingen van de krachtens de leden 1 en 2 genomen maatregelen.
4.  De andere lidstaten houden terdege rekening met deze informatie en stellen hun douaneadministratie en andere ter zake bevoegde nationale autoriteiten daarvan in kennis.
5.  Indien hier dwingende urgente redenen voor bestaan, voegt de Commissie door middel van gedelegeerde handelingen in de leden 1 en 2 bedoelde goederen toe aan bijlage II, bijlage III of bijlage III bis. De in artikel 15 ter neergelegde procedure is van toepassing op overeenkomstig dit lid vastgestelde gedelegeerde handelingen.
6.  De in Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad1a omschreven geneesmiddelen vallen niet onder de werkingssfeer van dit artikel.
_________________________
1aRichtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).’
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 8
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 8 – lid 6
6.  In afwijking van lid 5 verstrekt de fabrikant, indien geneesmiddelen worden uitgevoerd door een fabrikant naar een distributeur, informatie over de regelingen en maatregelen die zijn getroffen om te voorkomen dat de producten worden gebruikt voor de doodstraf, alsook over het land van bestemming en, indien beschikbaar, over het eindgebruik en de eindgebruikers van de goederen.
6.  In afwijking van lid 5 verstrekt de fabrikant, indien geneesmiddelen worden uitgevoerd door een fabrikant naar een distributeur, informatie over de regelingen en maatregelen die zijn getroffen om te voorkomen dat de producten worden gebruikt voor de doodstraf, alsook over het land van bestemming en, indien beschikbaar, over het eindgebruik en de eindgebruikers van de goederen. Deze informatie wordt op verzoek verstrekt aan onafhankelijke toezichtsorganen, zoals nationale preventiemechanismen die zijn opgericht in het kader van het Facultatief Protocol bij het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, of nationale mensenrechtenorganisaties in de lidstaten.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 8 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 10 – lid 2
(8 bis)  In artikel 10 wordt lid 2 vervangen door het volgende:
2.  Indien een douaneaangifte wordt gedaan voor de in bijlage II of III opgenomen goederen en wordt bevestigd dat geen vergunning uit hoofde van deze verordening is verleend voor de voorgenomen in- of uitvoer, dan leggen de douaneautoriteiten beslag op de aangegeven goederen en wijzen zij op de mogelijkheid om uit hoofde van deze verordening een aanvraag voor een vergunning in te dienen. Indien binnen zes maanden na de beslaglegging geen aanvraag is ingediend voor een vergunning of indien de bevoegde autoriteiten een dergelijke aanvraag afwijzen, kunnen de douaneautoriteiten over de vastgehouden goederen beschikken overeenkomstig de nationale wetgeving die van toepassing is.
"2. Indien een douaneaangifte wordt gedaan voor de in bijlage II, III, of III bis opgenomen goederen en wordt bevestigd dat geen vergunning uit hoofde van deze verordening is verleend voor de voorgenomen in- of uitvoer, dan leggen de douaneautoriteiten beslag op de aangegeven goederen en wijzen zij op de mogelijkheid om uit hoofde van deze verordening een aanvraag voor een vergunning in te dienen. Indien binnen zes maanden na de beslaglegging geen aanvraag is ingediend voor een vergunning of indien de bevoegde autoriteiten een dergelijke aanvraag afwijzen, kunnen de douaneautoriteiten over de vastgehouden goederen beschikken overeenkomstig de nationale wetgeving die van toepassing is."
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artike 12 bis – lid 2
2.  De Commissie kan, binnen drie maanden, de verzoekende lidstaat vragen om aanvullende informatie te verstrekken; indien de Commissie vindt dat het verzoek een of meerdere desbetreffende punten niet behandelt of dat meer informatie over een of meer desbetreffende punten noodzakelijk is. De Commissie vermeldt de punten waarvoor aanvullende informatie vereist is.
2.  Na ontvangst van een verzoek als bedoeld in lid 1, stelt de Commissie alle lidstaten onmiddellijk hiervan in kennis en verspreidt zij de van de verzoekende lidstaat ontvangen informatie. In afwachting van een definitief besluit van de Commissie kunnen de lidstaten onmiddellijk de doorvoer van de in het verzoek vermelde goederen staken. De Commissie kan, binnen drie maanden, de verzoekende lidstaat vragen om aanvullende informatie te verstrekken; indien de Commissie vindt dat het verzoek een of meerdere desbetreffende punten niet behandelt of dat meer informatie over een of meer desbetreffende punten noodzakelijk is. De Commissie vermeldt de punten waarvoor aanvullende informatie vereist is.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 12 bis – lid 3
3.  Indien de Commissie van mening is dat er geen aanvullende informatie nodig is of, indien van toepassing, na ontvangst van de gevraagde aanvullende informatie, start de Commissie binnen zes maanden de procedure voor het vaststellen van de gevraagde wijziging of informeert zij de verzoekende lidstaten over de redenen dit niet te doen.”
3.  Indien de Commissie van mening is dat er geen aanvullende informatie nodig is of, indien van toepassing, na ontvangst van de gevraagde aanvullende informatie, start de Commissie binnen drie maanden de procedure voor het vaststellen van de gevraagde wijziging of informeert zij de verzoekende lidstaten over de redenen dit niet te doen.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 12 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 13 – lid 1
(12 bis)  In artikel 13 wordt lid 1 vervangen door:
1.  Onverminderd artikel 11 stellen de Commissie en de lidstaten elkaar op verzoek in kennis van de maatregelen die uit hoofde van deze verordening worden genomen, en verstrekken elkaar alle relevante informatie waarover zij beschikken in verband met deze verordening, met name informatie over verleende en geweigerde vergunningen.
‘1. Onverminderd artikel 11 stelt elke lidstaat de Commissie in kennis van maatregelen die uit hoofde van deze verordening worden genomen, en verstrekt zij alle relevante informatie waarover zij beschikt in verband met deze verordening, met name informatie over verleende en geweigerde vergunningen, en eveneens met betrekking tot maatregelen die in het kader van de clausule betreffende gericht eindgebruik worden genomen. De Commissie deelt deze informatie aan de andere lidstaten mee.’
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 12 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 13 – lid 3 bis (nieuw)
(12 ter)  in artikel 13 wordt het volgende lid ingevoegd:
‘3 bis. De Commissie stelt een jaarverslag op dat is samengesteld uit de in lid 3 genoemde jaarlijkse activiteitenverslagen. Het verslag worden voor het publiek toegankelijk gemaakt.’
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 15
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 15 bis
Artikel 15 bis
Schrappen
Uitoefening van delegatie
1.  Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.
2.  Aan de Commissie wordt de in artikel 12 vermelde delegatie van bevoegdheden toegekend voor een periode van vijf jaar vanaf …. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de periode van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 12 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij daar tegelijkertijd het Europees Parlement en de Raad van in kennis.
5.  Een overeenkomstig artikel 12 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de termijn van twee maanden de Commissie heeft medegedeeld dat daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn kan op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden worden verlengd.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 15 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 15 quater (nieuw)
(15 bis)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 15 quater
Coördinatiegroep voor de bestrijding van foltering
1.  Er wordt een coördinatiegroep voor de bestrijding van foltering ingesteld waarvan het voorzitterschap door een vertegenwoordiger van de Commissie wordt bekleed. Elke lidstaat wijst in deze groep een vertegenwoordiger aan. De groep heeft tot taak elk vraagstuk in verband met de toepassing van deze verordening te onderzoeken dat door de voorzitter of door een vertegenwoordiger van een lidstaat aan de orde wordt gesteld.
2.  De coördinatiegroep treft in samenwerking met de Commissie alle passende maatregelen om een rechtstreekse samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten te bewerkstelligen, in het bijzonder om te voorkomen dat als gevolg van eventuele verschillen bij de toepassing van de controles op de uitvoer van goederen die voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing kunnen worden gebruikt, het handelsverkeer wordt verlegd.
3.  De voorzitter van de coördinatiegroep voor de bestrijding van foltering raadpleegt telkens wanneer hij dit nodig acht exporteurs, tussenhandelaars en andere belanghebbenden ter zake die onder meer afkomstig zijn uit alle delen van het maatschappelijk middenveld en die beschikken over relevante expertise op het gebied van zaken die onder deze verordening vallen.
4.  De Commissie legt jaarlijks aan het Europees Parlement een schriftelijk verslag voor over de activiteiten, onderzoeken en raadplegingen van de coördinatiegroep voor de bestrijding van foltering, waarvoor artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van toepassing is.'
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 15 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 15 quinquies(nieuw)
(15 ter)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 15 quinquies
1.  Tegen…* en vervolgens om de drie jaar beoordeelt de Commissie de tenuitvoerlegging van deze verordening en legt zij het Europees Parlement en de Raad een uitgebreid uitvoerings- en effectbeoordelingsverslag voor, waarin voorstellen tot wijziging ervan kunnen worden opgenomen. De lidstaten verstrekken de Commissie alle passende informatie die zij voor de opstelling van dit verslag nodig heeft.
2.  In specifieke delen van het verslag worden de volgende zaken behandeld:
(a)  de coördinatiegroep voor de bestrijding van foltering en zijn activiteiten, onderzoeken en raadplegingen. Gegevens die de Commissie verstrekt over de onderzoeken en raadplegingen van de coördinatiegroep worden als vertrouwelijk behandeld overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001. Gegevens worden in elk geval als vertrouwelijk beschouwd indien uit de bekendmaking ervan aanzienlijk nadeel kan voortvloeien voor degene die ze heeft verstrekt of van wie ze afkomstig zijn;
(b)  Deze evaluatie strekt zich uit tot nationale vergunningsbesluiten van de lidstaten, verslaglegging door de lidstaten aan de Commissie, mechanismen voor kennisgeving en raadpleging tussen de lidstaten onderling, uitvaardiging en handhaving.
(c)  uitgebreide informatie over de aard en het effect van door de lidstaten krachtens artikel 17 getroffen maatregelen, onder meer de werking van door de lidstaten geïntroduceerde sanctiemaatregelen en een beoordeling of deze regelingen doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend zijn.
______________
* Drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening."
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 15 quater (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Artikel 17 – lid 2 bis (nieuw)
(15 quater)  aan artikel 17 wordt het volgende lid toegevoegd:
"2 bis. De Commissie beoordeelt of door de lidstaten vastgestelde regels voor sancties van vergelijkbare aard zijn en een vergelijkbaar effect hebben."
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 15 – punt (-a) (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Bijlage III – kolom 2 – punten 1 en 2
(-a) In Bijlage III, tweede kolom, worden punten 1 en 2 vervangen door het volgende:
1.  Goederen ontworpen om mensen in bedwang te houden:
"1. Goederen ontworpen om mensen in bedwang te houden:
1.1.  Kluisters en groepskluisters
1.1.  Kluisters en groepskluisters
Opmerkingen:
Opmerkingen:
1.  Kluisters zijn middelen om mensen in bedwang te houden bestaande uit twee boeien of ringen, voorzien van een vergrendelingsmechanisme, met daartussen een ketting of staaf
1.  Kluisters zijn middelen om mensen in bedwang te houden bestaande uit twee boeien of ringen, voorzien van een vergrendelingsmechanisme, met daartussen een ketting of staaf
2.  Dit punt betreft niet beenboeien en groepskluisters waarop een verbod geldt volgens punt 2.3 van bijlage II
2.  Dit punt betreft niet beenboeien en groepskluisters waarop een verbod geldt volgens punt 2.3 van bijlage II
3.  Dit punt betreft niet „gewone handboeien”. Gewone handboeien zijn handboeien die aan alle volgende voorwaarden voldoen:
3.  Dit punt betreft niet „gewone handboeien”. Gewone handboeien zijn handboeien die aan alle volgende voorwaarden voldoen:
—  de totale afmeting met inbegrip van de ketting, van het uiteinde van de ene boei tot het uiteinde van de tweede boei, bedraagt tussen 150 mm en 280 mm wanneer beide boeien gesloten zijn;
—  de totale afmeting met inbegrip van de ketting, van het uiteinde van de ene boei tot het uiteinde van de tweede boei, bedraagt tussen 150 mm en 280 mm wanneer beide boeien gesloten zijn;
—  de binnenomtrek van elke boei bedraagt maximaal 165 mm wanneer deze is vergrendeld op de laatste inkeping van het vergrendelingsmechanisme;
—  de binnenomtrek van elke boei bedraagt maximaal 165 mm wanneer deze is vergrendeld op de laatste inkeping van het vergrendelingsmechanisme;
—  de binnenomtrek van elke boei bedraagt minimaal 200 mm wanneer deze is vergrendeld op de eerste inkeping van het vergrendelingsmechanisme; en
—  de binnenomtrek van elke boei bedraagt minimaal 200 mm wanneer deze is vergrendeld op de eerste inkeping van het vergrendelingsmechanisme; en
—  de boeien werden niet aangepast om fysieke pijn of lijden te veroorzaken.
—  de boeien werden niet aangepast om fysieke pijn of lijden te veroorzaken.
1.2.  Individuele boeien of ringen, voorzien van een vergrendelingsmechanisme, waarbij de binnenomtrek meer dan 165 mm bedraagt wanneer zij zijn vergrendeld op de laatste inkeping van het vergrendelingsmechanisme
1.2.  Individuele boeien of ringen, voorzien van een vergrendelingsmechanisme, waarbij de binnenomtrek meer dan 165 mm bedraagt wanneer zij zijn vergrendeld op de laatste inkeping van het vergrendelingsmechanisme
Opmerking:
Opmerking:
Dit punt omvat halsbanden en andere individuele boeien of ringen die zijn voorzien van een vergrendelings-mechanisme en die met een ketting zijn verbonden met gewone handboeien
Dit punt omvat halsbanden en andere individuele boeien of ringen die zijn voorzien van een vergrendelings-mechanisme en die met een ketting zijn verbonden met gewone handboeien
1.3.  Spuwmaskers: maskers, ook uit gaas, die de mond bedekken om spuwen te voorkomen
1.3.  Spuwmaskers: maskers, ook uit gaas, die de mond bedekken om spuwen te voorkomen
Opmerking: dit punt omvat spuwmaskers die met een ketting zijn verbonden met gewone handboeien
Opmerking: dit punt omvat spuwmaskers die met een ketting zijn verbonden met gewone handboeien
1.3 bis. Met riemen uitgeruste stoelen, planken en bedden
2.  Wapens en apparaten die zijn ontworpen ten behoeve van oproerbeheersing of zelfbescherming:
2.  Wapens en apparaten die zijn ontworpen ten behoeve van oproerbeheersing of zelfbescherming:
2.1.  Draagbare wapens met elektrische ontlading die slechts op één persoon tegelijk kunnen worden gericht voor het toedienen van een elektrische schok, met inbegrip van maar niet beperkt tot stroomstootstokken, stroomstootschilden, verdovingspistolen en geweren voor het afvuren van schokpijltjes
2.1.  Draagbare wapens met elektrische ontlading die slechts op één persoon tegelijk kunnen worden gericht voor het toedienen van een elektrische schok, met inbegrip van maar niet beperkt tot stroomstootstokken, stroomstootschilden, verdovingspistolen en geweren voor het afvuren van schokpijltjes
Opmerkingen:
Opmerkingen:
1.  Dit punt betreft niet stroomschokgordels en soortgelijke apparaten zoals omschreven in punt 2.1 van bijlage II
1.  Dit punt betreft niet stroomschokgordels en soortgelijke apparaten zoals omschreven in punt 2.1 van bijlage II
2.  Dit punt betreft niet individuele stroomschokapparaten die de gebruiker bij zich draagt voor zijn eigen bescherming
2.  Dit punt betreft niet individuele stroomschokapparaten die de gebruiker bij zich draagt voor zijn eigen bescherming
2.2.  Pakketten met alle essentiële componenten voor het assembleren van draagbare wapens met elektrische ontlading als bedoeld in punt 2.1
2.2.  Pakketten met alle essentiële componenten voor het assembleren van draagbare wapens met elektrische ontlading als bedoeld in punt 2.1
Opmerking:
Opmerking:
De volgende goederen worden beschouwd als essentiële componenten:
De volgende goederen worden beschouwd als essentiële componenten:
—  de eenheid die de elektrische schok veroorzaakt,
—  de eenheid die de elektrische schok veroorzaakt,
—  de schakelaar, al dan niet met afstandsbediening, en
—  de schakelaar, al dan niet met afstandsbediening, en
—  de elektroden, of, waar van toepassing, de kabels waarlangs de elektrische schok wordt toegediend
—  de elektroden, of, waar van toepassing, de kabels waarlangs de elektrische schok wordt toegediend
2.3.  Vaste of monteerbare wapens met elektrische ontlading die een groot bereik hebben en waarmee meerdere personen elektrische schokken kunnen worden toegediend
2.3.  Vaste of monteerbare wapens met elektrische ontlading die een groot bereik hebben en waarmee meerdere personen elektrische schokken kunnen worden toegediend
2.3 bis. Akoestische apparatuur voor het in bedwang houden van mensenmassa's en relbestrijding
2.3 ter. Millimetergolfwapens"
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 2
Artikel 1, lid 6, en artikel 1, lid 7, voor zover het de toevoeging van artikel 7 quinquies betreft, zijn vanaf 1 januari 2015 van toepassing.
Artikel 1, lid 6, en artikel 1, lid 7, voor zover het de toevoeging van artikel 7 quinquies betreft, zijn vanaf 1 februari 2016 van toepassing.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – Deel 2
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Bijlage III ter
Benin
Schrappen
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Bijlage II - Deel 2
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Bijlage III ter
Gabon
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – Deel 2
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Bijlage III ter
Liberia
Schrappen
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – Deel 2
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Bijlage III ter
Madagascar
Schrappen
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – Deel 2
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Bijlage III ter
Mongolia
Schrappen
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – Deel 2
Verordening (EG) nr. 1236/2005
Bijlage III ter
Sao Tome and Principe
Schrappen

(1) De zaak werd terugverwezen voor een nieuwe behandeling naar de bevoegde commissie uit hoofde van artikel 61, lid 2, tweede alinea, van het Reglement (A8-0267/2015).

Juridische mededeling