Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2132(BUD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0298/2015

Ingediende teksten :

A8-0298/2015

Debatten :

PV 27/10/2015 - 10
CRE 27/10/2015 - 10

Stemmingen :

PV 28/10/2015 - 7.2
CRE 28/10/2015 - 7.2
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0376

Aangenomen teksten
PDF 437kWORD 140k
Woensdag 28 oktober 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Algemene begroting van de Europese Unie voor 2016 – alle afdelingen
P8_TA(2015)0376A8-0298/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 28 oktober 2015 over het standpunt van de Raad over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (11706/2015 – C8-0274/2015 – 2015/2132(BUD))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3) (de MFK-verordening),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4) (het IIA),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over de algemene richtsnoeren voor het opstellen van de begroting voor 2016, afdeling III – Commissie(5),

–  gezien zijn resolutie van 29 april 2015 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2016(6),

–  gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, goedgekeurd door de Commissie op 24 juni 2015 (COM(2015)0300),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, vastgesteld door de Raad op 4 september 2015 en toegezonden aan het Europees Parlement op 17 september 2015 (11706/2015 – C8-0274/2015),

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2015 over het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2016(7),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad en de Raad van 23 september 2015 getiteld "Aanpak van de vluchtelingencrisis: nu te nemen operationele, budgettaire en wetgevende maatregelen in het kader van de Europese migratieagenda" (COM(2015)0490),

–  gezien de nota's van wijzigingen nr. 1/2016 (COM(2015)0317) en 2/2016 (COM(2015)0513) bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien artikel 88 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0298/2015),

Afdeling III

Algemeen

1.  benadrukt dat de lezing van de begroting 2016 door het Parlement volledig recht doet aan de politieke prioriteiten die met een overweldigende meerderheid zijn vastgesteld in zijn bovengenoemde resoluties van 11 maart 2015 over de algemene richtsnoeren en van 8 juli 2015 over het mandaat voor de trialoog; herinnert eraan dat deze prioriteiten bestaan uit interne en externe solidariteit, met name een doeltreffende aanpak van de migratie- en vluchtelingencrisis, alsook uit het stimuleren van het concurrentievermogen via de creatie van degelijke en kwaliteitsvolle banen en de ontwikkeling van ondernemingen en ondernemerschap in de hele Unie;

2.  benadrukt dat de Unie momenteel wordt geconfronteerd met een aantal ernstige noodsituaties, met name de nooit eerder geziene migratie- en vluchtelingencrisis; is ervan overtuigd dat de vereiste financiële middelen in de begroting van de Unie moeten worden opgenomen om overeen te stemmen met de politieke uitdagingen en om de Unie in staat te stellen doeltreffend en met de hoogste spoed en prioriteit te reageren op deze crises; begrijpt dat de migratie- en vluchtelingencrisis niet kan worden opgelost met financiële middelen alleen en dat er een globale aanpak vereist is om zowel de interne als de externe dimensie van deze crisis het hoofd te bieden; is van mening dat uitzonderlijke tijden uitzonderlijke maatregelen vergen en dat er een sterk politiek engagement nodig is om voor dit doel nieuwe kredieten te waarborgen; benadrukt in dit verband dat solidariteit een beginsel is dat ten grondslag ligt aan de EU-begroting; is bezorgd over het feit dat er in de vluchtelingencrisis sprake is van ongelijke solidariteit tussen de lidstaten; verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen over de wijze waarop de EU-begroting de lidstaten kan aansporen tot een meer evenwichtige visie op solidariteit;

3.  merkt op dat het Parlement van meet af aan in de begroting 2016 bijzondere aandacht heeft besteed aan migratie en vluchtelingen; herinnert aan zijn eerdere verklaringen dat het beheer van migratiestromen op het kruispunt van interne en externe solidariteit ligt en dat ook externe financieringsinstrumenten moeten worden ingezet in het kader van een geïntegreerde benadering, om de onderliggende oorzaken aan te pakken van de problemen waarmee de Unie wordt geconfronteerd; herinnert aan gemeenschappelijke verdragen en overeenkomsten zoals het Schengenacquis en de Dublinverordening(8) en het voorstel van de Commissie tot vaststelling van een crisisherplaatsingsmechanisme (COM(2015)0450);

4.  besluit daarom onmiddellijk een omvattend pakket amendementen voor te stellen om de ontwerpbegroting (OB) met 1 161 miljoen EUR te verhogen voor rubriek 3 (Veiligheid en burgerschap) en rubriek 4 (Europa als wereldspeler), en dit als een eerste reactie op de migratiecrisis; benadrukt dat, wat de interne dimensie van deze crisis betreft, de amendementen van het Parlement de twee pakketten voor de hervestiging van asielzoekers reeds volledig integreren en op elkaar afstemmen, en dat het daarnaast bijkomende kredieten voorstelt voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) en de agentschappen van de Unie op dit gebied; wijst, wat de externe dimensie betreft, op een aantal bijkomende verhogingen voor specifieke programma's in rubriek 4, zoals het Europees nabuurschapsinstrument, het instrument voor ontwikkelingssamenwerking, humanitaire hulp en het instrument voor pretoetredingssteun;

5.  benadrukt evenwel dat deze amendementen moeten worden behandeld samen met nota van wijzigingen nr. 2/2016 van de Commissie, die naast het tweede hervestigingspakket ook de aanvullende maatregelen bevat waarvan sprake in bovengenoemde mededeling van de Commissie van 23 september 2015; betreurt dat het Parlement en de Raad niet meer tijd hebben om de geschiktheid van deze nota van wijzigingen te beoordelen, maar begrijpt de grote tijdsdruk en het feit dat er onmiddellijk moet worden opgetreden; benadrukt dat het Parlement volledig achter deze nieuwe maatregelen staat en van plan is de financiering ervan via nieuwe kredieten te verdedigen, zelfs voor een groter bedrag dan dat het in zijn eigen standpunt over de begroting 2016 heeft voorgesteld;

6.  besluit om ook maatregelen te nemen met betrekking tot de aanhoudende crisis die de Europese landbouwers treft, met name in de zuivelsector, en om in zijn standpunt over de begroting 2016 reeds het bedrag van 500 miljoen EUR aan noodsteunmaatregelen op te nemen die de Commissie heeft aangekondigd; vertrouwt erop dat de Commissie in haar nota van wijzigingen nr. 2/2016 de precieze begrotingslijnen zal vaststellen waarvoor de kredieten in dit verband moeten worden verhoogd; is ingenomen met het besluit van de Commissie om de ongebruikte kredieten van de crisisreserve over te dragen van de begroting 2015 naar de begroting 2016, en merkt op dat deze niet-bestede middelen zullen worden gebruikt voor terugbetalingen aan de begunstigden van rechtstreekse betalingen zoals bepaald in Verordening (EU) nr. 1306/2013;

7.  erkent dat veel meer inspanningen moeten worden ondernomen om de zwakke punten van de Europese economie aan te pakken door het concurrentievermogen, de groei en hoogwaardige werkgelegenheid te bevorderen; benadrukt de cruciale rol die micro-, kleine, middelgrote en sociale ondernemingen hierbij vervullen; verhoogt daarom de kredieten voor het Cosme-programma met 16,5 miljoen EUR; besluit tevens in 2016 nieuwe vastleggingskredieten voor te stellen voor de voortzetting van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, waarvan het volledige budget reeds vervroegd ter beschikking werd gesteld in 2014-2015; erkent de aanzienlijke bijdrage van dit programma aan de bestrijding van de werkloosheid en is vastbesloten ervoor te zorgen dat de nodige kredieten ter beschikking worden gesteld om te voorkomen dat er te weinig kredieten beschikbaar zijn voor de uitvoering ervan; hecht daarom voor 2016 zijn goedkeuring aan een verhoging van 473,2 miljoen EUR, wat overeenkomt met het oorspronkelijke jaarlijkse bedrag voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

8.  herhaalt ervan overtuigd te zijn dat de begroting van de Unie geen nieuwe initiatieven mag financieren ten koste van bestaande programma's en bestaand beleid van de Unie, en evenmin reeds gedane politieke toezeggingen mag negeren; erkent en bevestigt ten volle de grote politieke en financiële steun voor de oprichting van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), maar wil zich tegelijkertijd houden aan de toezegging die het tijdens de onderhandelingen over het EFSI heeft gedaan, namelijk dat de impact van het EFSI op Horizon 2020 en de Connecting Europe Facility (CEF) in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure tot het absolute minimum moet worden beperkt; stelt daarom voor de verlaging bij deze twee programma's - als gevolg van de voorziening voor het EFSI-garantiefonds - in 2016 (1 326 miljoen EUR) volledig te compenseren, opdat zij integraal hun doelstellingen kunnen verwezenlijken die pas twee jaar geleden met de goedkeuring van hun respectieve rechtsgronden zijn overeengekomen;

9.  benadrukt het belang van volledige eerbiediging van de gezamenlijke verklaring over een betalingsplan 2015-2016 waarover het Parlement, de Raad en de Commissie overeenstemming hebben bereikt, na het gezamenlijk engagement om de achterstand van nog niet gehonoreerde betalingsverzoeken voor de cohesieprogramma's in de periode 2007-2013 tegen eind 2016 tot ongeveer 2 miljard EUR te beperken; heeft in dit verband kritiek op het feit dat de door de Raad voorgestelde verlagingen volkomen indruisen tegen dit betalingsplan; benadrukt bovendien dat in de toekomst de opbouw van een dergelijke onhoudbare betalingsachterstand moet worden voorkomen, en verzoekt de Commissie concrete voorstellen in die zin te doen; is daarom van mening dat onvoorziene betalingsbehoeften moeten worden gefinancierd met extra kredieten en dat de vervroegde terbeschikkingstelling in 2016 van 1 miljard EUR voor Griekenland moet worden gefinancierd binnen het beschikbare maximum van de betalingskredieten van het MFK; herhaalt het standpunt dat het van oudsher verdedigt, namelijk dat betalingen die voortvloeien uit eerder via het flexibiliteitsinstrument beschikbaar gestelde vastleggingskredieten, alleen buiten de maxima van het MFK kunnen worden geboekt;

10.  doet alle verlagingen ongedaan die de Raad in de OB heeft doorgevoerd (563,6 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en 1 421,8 miljoen EUR aan betalingskredieten); kan de logica achter de voorgestelde verlagingen niet begrijpen, bijvoorbeeld die bij Horizon 2020 en CEF, twee programma's die reeds zijn getroffen door herschikkingen ten behoeve van het EFSI, alsook bij het ontwikkelings- en het nabuurschapsbeleid, met name in het licht van de recente gebeurtenissen; is bezorgd over het feit dat de Raad, door zo'n grote verlagingen in de OB voor te stellen, grotendeels de ontegensprekelijke meerwaarde van de begroting van de Unie negeert; betwist hoe dan ook het uitgesproken voornemen van de Raad om begrotingslijnen met een laag uitvoeringspercentage of een laag opnamevermogen te viseren, aangezien dit niet wordt gestaafd door de feitelijke uitvoeringscijfers en voorbijgaat aan de verschillende bestedingspatronen van bepaalde programma's;

11.  betreurt dat de deskundigengroepen van de Commissie niet neutraal zijn omdat ze in hoge mate worden gedomineerd door zakelijke belangen;

12.  concludeert dat, met het oog op een adequate financiering van deze dringende behoeften en gezien de zeer krappe marges in het MFK in 2016, alle beschikbare middelen in de MFK-verordening in termen van flexibiliteit, waaronder de volledige terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument, zullen moeten worden ingezet; verwacht dat de Raad deze visie zal delen en dat tijdens het begrotingsoverleg vlot overeenstemming zal worden bereikt, waardoor de Unie tegen de situatie opgewassen moet zijn en doeltreffend moet kunnen reageren op de uitdagingen die zich zullen aandienen; benadrukt in dit verband dat de totale marge van het MFK voor vastleggingskredieten in 2015 ter beschikking moet worden gesteld van zodra aan de wettelijke voorwaarden is voldaan; verwacht hierover met de Raad en de Commissie een voorafgaande overeenkomst te bereiken;

13.  herinnert aan de gezamenlijke verklaring van de drie instellingen van de Unie in het kader van de politieke overeenkomst over het MFK, namelijk dat in de jaarlijkse begrotingsprocedures waar passend genderelementen zullen worden geïntegreerd; benadrukt dat gendermainstreaming als horizontaal beginsel het beleid van de Unie moet ondersteunen, en dringt aan op een omvattende uitvoering van een genderbewuste begroting; is bovendien ingenomen met de eerste stappen voor de vergroening van de begroting van de Unie; wijst erop dat dit proces moet worden voortgezet om de overeengekomen doelstellingen inzake klimaat- en milieuvriendelijke uitgaven te verwezenlijken;

14.  stelt het totale bedrag van de kredieten voor 2016 vast op 157 427,3 miljoen EUR voor de vastleggingskredieten en op 146 459,3 miljoen EUR voor de betalingskredieten;

Rubriek 1a – Concurrentievermogen voor groei en banen

15.  heeft kritiek op het feit dat rubriek 1a dit jaar opnieuw zwaar is getroffen door de bezuinigingen van de Raad, namelijk een verlaging van 140,9 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en van 435,4 miljoen EUR aan betalingskredieten ten opzichte van de OB; wijst erop dat ongeveer de helft van deze bezuinigingen Horizon 2020 treft, wat resulteert in een verdere verlaging voor dit programma in 2016 nadat een deel van zijn kredieten reeds werd herschikt ten behoeve van het EFSI;

16.  benadrukt dat, met het oog op een coherente aanpak, een aantal verlagingen die de Raad heeft aangebracht op grond van een laag opnamevermogen bij tal van programma's in rubriek 1a in juni 2015, nu moeten worden teruggedraaid als gevolg van de sterke toename van de uitvoering van deze programma's in september 2015; merkt op dat dit een algemene trend is, die overeenstemt met de looptijd van deze programma's; besluit daarom de bedragen van de OB opnieuw op te nemen voor de lijnen die de Raad heeft verlaagd, zowel wat de vastleggings- als de betalingskredieten betreft;

17.  besluit, overeenkomstig zijn prioriteiten voor 2016 (werkgelegenheid, ondernemingen en ondernemerschap) en na een zorgvuldige beoordeling van hun opnamevermogen tot nu toe, om naast de volledige compensatie van de aan het EFSI gerelateerde verlagingen bij Horizon 2020 en CEF, een aantal selectieve verhogingen door te voeren boven het niveau van de OB voor de programma's Cosme, Horizon 2020, EaSI en Erasmus+;

18.  benadrukt in het bijzonder dat de vervroegde terbeschikkingstelling van middelen voor Cosme in 2014-2015 echt nuttig is gebleken, gezien de aanhoudende stijging in de afgelopen jaren van de vraag door kmo's naar ondersteuning bij de toegang tot markten en financiering; verzet zich dan ook tegen de verlaging van de kredieten voor Cosme in de OB ten opzichte van 2015 en besluit de kredieten voor dit programma te verhogen tot boven het niveau in de OB; herinnert eraan dat de Commissie reeds heeft gewezen op een tekort in de Cosme-financieringsinstrumenten voor 2015, 2016 en 2017, wat aantoont dat er een kloof bestaat tussen de beschikbare vastleggingskredieten en de verwachte vraag; vraagt in het kader van Cosme om een aanzienlijke verhoging van de kredieten voor het programma Erasmus voor jonge ondernemers, gelet op het feit dat de beschikbare middelen niet volstaan om tegemoet te komen aan de grote vraag naar deelname;

19.  verzoekt de Commissie een analyse uit te voeren van de financiële lasten die het gevolg zijn van vergoedingen en kosten voor verplichte certificerings- en vergunningsprocedures; dringt er bij de Commissie op aan een grondige evaluatie uit te voeren van het effect van deze kosten op het concurrentievermogen van het bedrijfsleven en kmo's;

20.  besluit de kredieten voor de drie toezichthoudende agentschappen (EBA, Eiopa en ESMA) en ACER te verhogen tot boven het niveau van de OB opdat ze over passende middelen beschikken om het hoofd te bieden aan hun toenemende taken;

21.  bevestigt zijn steun voor het ITER-programma en is vastbesloten te zorgen voor passende financiering ervan; is evenwel bezorgd over mogelijke verdere vertragingen en extra kosten van dit programma alsook over de potentiële gevolgen hiervan voor de begroting van de Unie; betreurt dan ook dat het niet in staat was het niveau van de ITER-kredieten voor 2016 te toetsen met het geactualiseerde betalings- en tijdschema, dat pas in november 2015 in de ITER-Raad zal worden gepresenteerd; verwacht evenwel dat dit herziene plan in voldoende mate zal kunnen aantonen dat de aanbevelingen die het Parlement in de betreffende kwijtingsresolutie voor 2013(9) heeft gedaan, naar behoren in aanmerking zijn genomen en dat de financiële soliditeit en de efficiëntie van de uitgaven zullen worden gegarandeerd; wil deze kwestie tijdens het begrotingsoverleg 2016 aankaarten; benadrukt bovendien dat er volledige transparantie moet bestaan over het gebruik van bijdragen van "Fusion for Energy" voor het ITER-programma; dringt aan op een passend verantwoordingsmechanisme waarbij een duidelijk overzicht wordt gegeven van de omvang van de financiële middelen die worden uitgetrokken voor het internationaal project en waarbij het efficiënt gebruik ervan wordt beoordeeld;

22.  bestemt een deel van de kredieten voor de normalisatie van de financiële verslaggeving en controle, en dringt aan op de uitvoering van de aanbevelingen in het verslag-Maystadt betreffende de taken en verantwoordelijkheden van de European Financial Reporting Advisory Group (EFRAG), waarmee tevens de invloed van de Europese Unie in het proces van het vaststellen van internationale accountancy-normen zal worden vergroot; is daarnaast bezorgd over de aanzienlijke EU-financiering voor de IFRS Foundation, zonder dat daar de nodige verbeteringen op het gebied van controleerbaarheid, transparantie en democratie tegenover staan;

23.  verhoogt bijgevolg de vastleggings- en betalingskredieten voor rubriek 1a ten opzichte van de OB met respectievelijk 1 405,5 miljoen EUR en 491,5 miljoen EUR (met inbegrip van proefprojecten en voorbereidende acties), waardoor het maximum voor de vastleggingskredieten met 1 316,9 miljoen EUR wordt overschreden, wat moet worden gefinancierd door alle beschikbare middelen inzake flexibiliteit waarin de MFK-verordening voorziet, na uitputting van de beschikbare marges;

Rubriek 1b – Economische, sociale en territoriale samenhang

24.  is het niet eens met de verlagingen die de Raad voorstelt, namelijk 3,1 miljoen EUR bij de vastleggingskredieten en, erger nog, 220,1 miljoen EUR bij de betalingskredieten voor rubriek 1b, met inbegrip van begrotingslijnen die worden voltooid; verzoekt de Raad uit te leggen hoe deze verlagingen verenigbaar zijn met de doelstelling om enerzijds de betalingsachterstand te verkleinen en anderzijds negatieve gevolgen en onnodige vertraging bij de uitvoering van de programma's voor de periode 2014-2020 te vermijden; herinnert eraan dat het cohesiebeleid het voornaamste investeringsbeleid van de Unie is dat gericht is op het terugdringen van de ongelijkheden tussen Europese regio's door de economische, sociale en territoriale samenhang te vergroten; benadrukt dat instrumenten zoals het Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Cohesiefonds of het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief van fundamenteel belang zijn om convergentie, verkleining van de ontwikkelingskloof en het ondersteunen van de creatie van hoogwaardige en duurzame banen te bevorderen;

25.  neemt kennis van de voorlopige analyse van de Commissie, op basis van de recentste ramingen van de lidstaten, dat de uitvoering van de programma's op het gebied van het cohesiebeleid in 2016 waarschijnlijk vertraging zal oplopen; is zeer bezorgd over het feit dat een aanzienlijke onderbesteding in het derde jaar van de uitvoering van de nieuwe cyclus van de Europese structuur- en investeringsfondsen, op een ogenblik dat de programma's volledig operationeel zouden moet zijn, niet alleen een nadelig effect zal hebben op het tijdig behalen van resultaten op het terrein, maar ook kan leiden tot grote druk op de betalingen in de volgende jaren, waardoor eventueel opnieuw een betalingsachterstand kan ontstaan; dringt er bij de betrokken lidstaten op aan snel vooruitgang te boeken bij het aanpakken van de onderliggende oorzaken van deze vertragingen in de uitvoering, bijvoorbeeld door dringend programma-autoriteiten aan te wijzen en door nationale administratieve procedures te vereenvoudigen en niet te vermenigvuldigen; verzoekt de Commissie in overeenstemming met het betalingsplan nauwlettend toe te zien op de ontwikkeling van de betalingen in rubriek 1b met betrekking tot de programmeringsperiode 2014-2020, onder meer via gedetailleerde en regelmatig bijgewerkte ramingen die moeten worden besproken op specifieke interinstitutionele bijeenkomsten, en zo nodig passende voorstellen te doen;

26.  herinnert eraan dat de Commissie in 2016 geen vastleggingskredieten voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief heeft voorgesteld als gevolg van de vervroegde terbeschikkingstelling ervan in 2014-2015; besluit in overeenstemming met de verordening betreffende het Europees Sociaal Fonds(10), dat voorziet in de mogelijkheid van een dergelijke verlenging, om voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief een bedrag van 473,2 miljoen EUR aan vastleggingskredieten beschikbaar te stellen, dat wil zeggen een bedrag dat overeenkomt met de oorspronkelijke jaarlijkse toewijzing voor dit programma; is ervan overtuigd dat de financiering van dit belangrijke programma, dat een van de meest urgente uitdagingen van de Unie aanpakt, niet mag eindigen in 2015; benadrukt dat de bijkomende middelen moeten worden gebruikt om het programma uit te breiden en zo een groter aantal jongeren bij te staan in hun zoektocht naar een fatsoenlijke en vaste baan; dringt er bij de lidstaten op aan hun uiterste best te doen om vaart te zetten achter de uitvoering van het initiatief op het terrein opdat jonge Europeanen hier meteen voordeel bij hebben; dringt er bij de Commissie op aan verslag uit te brengen aan het Parlement over door de Unie gefinancierde maatregelen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid, en over de met die maatregelen bereikte resultaten;

27.  verhoogt, rekening houdend met de proefprojecten en voorbereidende acties, de vastleggingskredieten voor rubriek 1b ten opzichte van de OB met 482,7 miljoen EUR en de betalingskredieten met 1 164 miljoen EUR, waardoor het maximum voor de vastleggingskredieten met 467,3 miljoen EUR wordt overschreden, wat moet worden gefinancierd door alle beschikbare middelen inzake flexibiliteit waarin de MFK-verordening voorziet;

Rubriek 2 – Duurzame groei: natuurlijke hulpbronnen

28.  wijst erop dat de Raad ook in rubriek 2 de kredieten heeft verlaagd, namelijk met 199,9 miljoen EUR bij de vastleggingskredieten en 251,1 miljoen EUR bij de betalingskredieten, onder meer voor plattelandsontwikkeling, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en het LIFE-programma; is van mening dat de nota van wijzigingen nr. 2/2016 de basis moet blijven voor een betrouwbare herziening van de kredieten uit hoofde van het Europees Landbouwgarantiefonds ; neemt daarom opnieuw de bedragen van de OB op;

29.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een omvattend pakket noodmaatregelen voor een bedrag van 500 miljoen EUR ter ondersteuning van de Europese landbouwers, met name voor de zuivelsector die kampt met dalende prijzen en een grotere melkproductie; benadrukt dat de gevolgen het grootst zijn in afgelegen gebieden waar het sociaal-economische belang van de zuivelsector buiten kijf staat; neemt dit bedrag in zijn lezing op als steunbetuiging aan de aankondiging van de Commissie, en kijkt uit naar de volledige opname tijdens het begrotingsoverleg op basis van de nota van wijzigingen nr. 2/2016; benadrukt dat dit pakket een aanvulling vormt op de reeks maatregelen die erop gericht zijn de verliezen en langetermijngevolgen op te vangen die de Europese landbouwers ondervinden door het Russische invoerverbod op landbouwproducten, beseffende dat Rusland tot nu toe de op een na belangrijkste bestemming is voor de uitvoer van landbouwproducten uit de Unie;

30.  is van mening dat uitvoerrestituties de handel verstoren en in strijd zijn met de ontwikkelingsdoelstellingen van de EU; steunt daarom de volledige afschaffing ervan;

31.  herhaalt dat GLB-kredieten of eender welke andere kredieten uit de begroting niet mogen worden gebruikt om dodelijke stierengevechten te financieren; herinnert eraan dat dergelijke financiering een duidelijke schending is van het Europees Verdrag voor de bescherming van landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EG van de Raad)(11);

32.  benadrukt dat de Unie in het kader van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij meer taken op zich moet nemen; neemt daarom opnieuw de bedragen van de begroting 2015 op voor wetenschappelijk advies en kennis inzake visserij gezien het belang van het verzamelen van gegevens voor de besluitvorming, en verhoogt de kredieten voor het Europees Bureau voor visserijcontrole (EFCA) ter ondersteuning van zijn rol bij de coördinatie en uitvoering van het gemeenschappelijk visserijbeleid;

33.  verhoogt daarom de vastleggingskredieten met 510,4 miljoen EUR en de betalingskredieten met 520,6 miljoen EUR (met inbegrip van proefprojecten en voorbereidende acties), waarbij er een marge van 647,2 miljoen EUR blijft onder het maximum voor de vastleggingskredieten in rubriek 2;

Rubriek 3 – Veiligheid en burgerschap

34.  herinnert eraan dat de OB voorziet in meer middelen op het gebied van veiligheid en migratie, met inbegrip van een bedrag van 150 miljoen EUR voor de hervestiging van 40 000 personen die internationale bescherming nodig hebben, wat ertoe heeft geleid dat de Commissie het maximum voor deze rubriek met 124 miljoen EUR heeft overschreden en heeft voorgesteld de desbetreffende middelen beschikbaar te stellen uit het flexibiliteitsinstrument; is verheugd over het feit dat de Raad heeft ingestemd met het beginsel om het flexibiliteitsinstrument voor dit doel te gebruiken; merkt evenwel op dat er nood is aan een financiële langetermijnplanning om te reageren op de vluchtelingencrisis, en gaat ervan uit dat dit ook zal worden behandeld in het kader van de herziening van het MFK;

35.  besluit, gezien de huidige, uitzonderlijke toestroom van migranten en vluchtelingen, de kredietverhogingen vooral te besteden aan de versterking van het AMIF; steunt in dit verband ten zeerste het tweede pakket van 780 miljoen EUR voor de hervestiging van nog eens 120 000 personen; besluit de nodige middelen op te nemen in zijn lezing en het eerste hervestigingspakket af te stemmen op het tweede door een bedrag van 20 miljoen EUR toe te voegen om de transportkosten te financieren (500 EUR per migrant voor Italië en Griekenland); hecht zijn goedkeuring aan een bijkomend bedrag van 79 miljoen EUR voor de algemene verhoging van de middelen van het AMIF; benadrukt dat tevens moet worden voorzien in voldoende financieringsmogelijkheden voor het AMIF voor de komende jaren; herinnert eraan dat het overeenkomstig punt 17 van het IIA is toegestaan het bedrag waarin voor de gehele looptijd van een programma is voorzien met meer dan 10 % te verhogen wanneer er zich nieuwe, objectieve langetermijnomstandigheden voordoen;

36.  merkt op dat deze maatregelen slechts een eerste stap zijn met het oog op de volledige toepassing van het solidariteitsbeginsel waarop de Unie is gebaseerd; verzoekt de Commissie en de Raad volledig uitvoering te geven aan de in bovengenoemde mededeling van de Commissie van 23 september 2015 voorgestelde plannen en zich duidelijk in te zetten voor de eerbiediging van de mensenrechten, zoals verwoord in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; benadrukt het belang van een adequate financiering van terugkeeroperaties overeenkomstig het Handvest en het "non-refoulement"-beginsel om tot een doeltreffend terugkeerbeleid te komen en tegelijkertijd irreguliere migratie te voorkomen en terug te dringen; benadrukt dat het belangrijk is vluchtelingen dicht bij hun land van herkomst te ondersteunen en de asielprocedures in de lidstaten te verbeteren;

37.  besluit tot slot de kredieten voor de agentschappen met aan migratie gerelateerde taken te verhogen met een totaalbedrag van 26 miljoen EUR, waarbij het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) er het meest kredieten bijkrijgt, namelijk 12 miljoen EUR meer dan in de OB; herinnert eraan dat dit agentschap een centrale, coördinerende rol vervult bij de uitvoering van de voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming, en dat er steeds meer een beroep op wordt gedaan om de betrokken lidstaten bij te staan;

38.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie van 23 september 2015 en de overeenkomstige maatregelen die zijn opgenomen in de nota van wijzigingen nr. 2/2016, met name 600 miljoen EUR aanvullende middelen voor noodhulp voor de meest getroffen lidstaten; is tevreden dat de Commissie op dit gebied de leiding op zich neemt en hiermee de aanpak bevestigt die het Parlement in zijn lezing van de begroting heeft vastgesteld; is bereid tijdens het begrotingsoverleg verdere verhogingen te overwegen;

39.  betreurt dat de Raad ten opzichte van de OB de vastleggingskredieten met 25,1 miljoen EUR en de betalingskredieten met 33,6 miljoen EUR verlaagt; is van mening dat deze verlagingen een bedreiging vormen voor de correcte uitvoering van de programma's en acties van rubriek 3; herinnert er in dit verband aan dat, hoewel sommige van de voorgestelde verlagingen klein lijken, rekening moet worden gehouden met de vrij geringe omvang van een aantal belangrijke en waardevolle programma's, waardoor deze bijzonder kwetsbaar zijn voor verlagingen; besluit daarom de bedragen van de OB opnieuw op te nemen;

40.  acht het, gezien hun belangrijke rol bij de ondersteuning van de culturele en creatieve industrie die fundamentele Europese waarden vertegenwoordigt, bovendien noodzakelijk de vastleggingskredieten voor de subprogramma's cultuur en media, met inbegrip van de multimedia-acties en de garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren (CCSGF), voor 2016 te verhogen met in totaal 10,5 miljoen EUR ten opzichte van de OB, om het hoofd te bieden aan de kritieke kwestie van toegang tot financiering voor kmo's en organisaties in de culturele en creatieve sector;

41.  acht het tevens een prioriteit de middelen van het programma "Europa voor de burger" met 1,5 miljoen EUR te verhogen en de begrotingsnomenclatuur van dit programma te wijzigen door een afzonderlijke lijn te creëren voor de uitvoering van het Europees burgerinitiatief;

42.  wijst erop dat het in zijn lezing (met inbegrip van proefprojecten en voorbereidende acties) het maximum van rubriek 3 met 1 055,1 miljoen EUR overschrijdt voor de vastleggingskredieten, namelijk 931,1 miljoen EUR meer dan in de OB, en de betalingskredieten met 586,5 miljoen EUR verhoogt; stelt daarom voor alle beschikbare middelen in het MFK aan te wenden voor de financiering van het pakket extra kredieten in verband met migratie;

Rubriek 4 – Europa als wereldspeler

43.  wijst erop dat rubriek 4 van alle rubrieken het zwaarst wordt getroffen door de besnoeiingen van de Raad, zowel bij de vastleggingskredieten (- 163,4 miljoen EUR) als bij de betalingskredieten (- 450,4 miljoen EUR); constateert met verbazing dat onder meer het Europees nabuurschapsinstrument (met name armoede en veiligheid in het Middellandse Zeegebied), het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (met inbegrip van de thematische doelstelling migratie en asiel) en het instrument voor pretoetredingssteun (ondanks het feit dat kandidaat-lidstaten een groot aantal vluchtelingen opvangen of op belangrijke migratieroutes gelegen zijn) het zwaarst worden getroffen; benadrukt dat deze aanpak flagrant indruist tegen de verklaringen van de Raad en de Europese Raad betreffende de migratieagenda, de vluchtelingencrisis en de samenwerking met herkomst- en doorreislanden;

44.  besluit tegen deze achtergrond de kredieten van de OB opnieuw op te nemen; merkt op dat de situatie van de betalingen in rubriek 4 nog steeds een punt van bijzondere zorg is wegens de overdracht van een aanzienlijke betalingsachterstand en het kunstmatig uitstellen van contractuele verbintenissen om het hoofd te bieden aan het permanent gebrek aan middelen voor de betalingen; wijst er daarom nogmaals op dat de verhoging van de betalingskredieten die de Commissie voorstelt absoluut noodzakelijk was, ondanks het feit dat de ongekende migratie- en vluchtelingencrisis het extern optreden van de Unie intussen voor bijkomende uitdagingen heeft geplaatst;

45.  vult het pakket amendementen inzake de migratie- en vluchtelingencrisis aan via een gerichte verhoging van de vastleggingskredieten voor in de eerste plaats het Europees nabuurschapsinstrument (+ 178,1 miljoen EUR), maar ook voor het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (+ 26,6 miljoen EUR), humanitaire hulp (+ 26 miljoen EUR), het instrument voor pretoetredingssteun (+ 11,2 miljoen EUR), het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (+ 12,6 miljoen EUR) en het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (+ 1 miljoen EUR); ondersteunt, waar nodig, een herschikking van de prioriteiten binnen deze programma's om de meest actuele uitdagingen aan te pakken, maar benadrukt dat dit niet mag leiden tot een vermindering van de inspanningen met betrekking tot de oorspronkelijke doelstellingen van de betrokken rechtsgrondslagen, wat zou kunnen leiden tot de destabilisering van Europese buurlanden of andere regio's; herhaalt dat er een algemene en op mensenrechten gebaseerde aanpak moet worden gevolgd waarbij migratie wordt gekoppeld aan ontwikkeling en waarmee de integratie van legale migranten, asielzoekers en vluchtelingen wordt bevorderd; benadrukt dat nauwer moet worden samengewerkt met en meer moet worden gedaan voor herkomst- en doorreislanden om doeltreffend te kunnen reageren op de huidige migratiecrisis, en met name op de behoeften van ontheemde personen in derde landen op het gebied van gezondheid en onderwijs; acht deze verhogingen bijgevolg absoluut noodzakelijk om bijkomende initiatieven te financieren bovenop de oorspronkelijke doelstellingen van de respectieve rechtsgronden;

46.  wijst erop dat het regionaal Trustfonds van de Europese Unie in respons op de Syrische crisis en het noodtrustfonds voor stabiliteit en de aanpak van de grondoorzaken van irreguliere migratie en ontheemding in Afrika zijn opgericht omdat de begroting van de Unie onvoldoende flexibel is en evenmin voldoende middelen heeft om snel en omvattend te kunnen reageren op de crisis; benadrukt dat bij de beoordeling/herziening van het MFK een meer integrale oplossing moet worden gevonden om de steun uit de EU-begroting voor humanitaire hulp en ontwikkeling doeltreffender en sneller beschikbaar te stellen en met succes te combineren met de steun uit het Europees Ontwikkelingsfonds en de bilaterale steun van de lidstaten; dringt erop aan de extra kredieten voor de programma's van rubriek 4 met name te gebruiken om de middelen voor de twee trustfondsen te verhogen alsook om onmiddellijk bijstand te verlenen via het UNHCR en het Wereldvoedselprogramma; verzoekt de lidstaten de daad bij het woord te voegen en de nodige aanvullende bijdragen te verrichten om zonder verder uitstel te voorzien in de financiering van de Unie voor de trustfondsen en de financieringskloof voor de VN-organisaties te dichten; merkt op dat de talloze projecten die door de trustfondsen kunnen worden gefinancierd het argument van de Raad afzwakken dat er zogezegd een gebrek aan opnamevermogen is in rubriek 4;

47.  verhoogt met 40 miljoen EUR de middelen op de begrotingslijn voor ondersteuning van het vredesproces en financiële bijstand aan Palestina en aan de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA); merkt op dat de UNRWA daadwerkelijk een rol speelt bij de ondersteuning van het toenemende aantal Palestijnse vluchtelingen die rechtstreeks lijden onder de Syrische crisis, wat een bijkomende last vormt voor het agentschap; is bezorgd over het gebrek aan financiering voor de UNRWA en vraagt die extra kredieten te besteden aan het algemeen fonds ter ondersteuning van het onderwijs, de maatschappelijke dienstverlening en de gezondheidszorg;

48.  herinnert eraan dat, om de schadelijke effecten op lange termijn als gevolg van een humanitaire crisis te verminderen, het van essentieel belang is ervoor te zorgen dat de getroffen kinderen onderwijs blijven krijgen; verhoogt daarom de middelen voor het ondersteunen van onderwijs in de begroting voor humanitaire hulp zodat deze 3 % in plaats van 1 % bedraagt, met het doel tegen 2019 een drempel van 4 % te halen;

49.  hecht zijn goedkeuring aan een symbolische verhoging van de GBVB-begroting ter ondersteuning van alle initiatieven die erop gericht zijn van migratie een specifieke component van civiele GVDB-missies te maken, en steunt daarbij tevens ten volle de militaire operatie EUNAVFOR Med ter bestrijding van mensenhandelaars en -smokkelaars;

50.  is verheugd over het lopende proces van bezinning binnen de EDEO over de toekomst van de speciale vertegenwoordigers van de EU en hun relatie met de EDEO; is van oordeel dat elke wijziging in de begrotingslijn voor de speciale vertegenwoordigers van de EU pas mag worden doorgevoerd nadat het huidige proces van bezinning is voltooid;

51.  acht het noodzakelijk de kredieten op de begrotingslijn voor de Turks-Cypriotische gemeenschap te verhogen (+ 2 miljoen EUR) om een beslissende bijdrage te leveren aan de voortzetting en intensivering van de missie van het Comité vermiste personen op Cyprus en om het door de twee gemeenschappen opgezette technische comité voor cultureel erfgoed te ondersteunen, en zo het vertrouwen en de verzoening tussen de twee gemeenschappen te bevorderen;

52.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst inzake handelsfacilitatie waarover op de 9de ministeriële conferentie van de WTO overeenstemming is bereikt verhoogde steun zal vereisen voor de minst ontwikkelde en ontwikkelingslanden; benadrukt de behoefte aan gecoördineerde inspanningen tussen de Commissie en de lidstaten met betrekking tot internationale financiële instellingen om verlaging van de kredieten voor Aid for trade te voorkomen en onregelmatigheden in de samenwerking met bepaalde partners die leiden tot een verminderde effectiviteit van de uitgaven te vermijden, en ervoor te zorgen dat de Overeenkomst inzake handelsfacilitatie bijdraagt aan ontwikkeling;

53.  besluit, met inbegrip van de proefprojecten en voorbereidende acties, de marge van 261,3 miljoen EUR waarin de OB onder het maximum van de vastleggingskredieten voor rubriek 4 voorziet, volledig te benutten maar in dit stadium niet verder te gaan; verhoogt tevens de betalingskredieten met 132,5 miljoen EUR; kijkt uit naar een vruchtbaar overleg op basis van deze amendementen, waarbij ook de nota van wijzigingen nr. 2/2016 in aanmerking wordt genomen; benadrukt evenwel dat dit maximumbedrag ontoereikend zou kunnen zijn omdat het werd vastgesteld geruime tijd vóór belangrijke ontwikkelingen in Oekraïne, Syrië, Tunesië en meer in het algemeen in de buurlanden, het Midden-Oosten en Afrika; roept daarom op tot een volledige benutting van het potentieel van de reserve voor noodhulp en staat open voor elke verdere gebruikmaking van de flexibiliteitsbepalingen waarin het MFK voorziet om de externe dimensie van de migratie- en vluchtelingencrisis aan te pakken;

Rubriek 5 – Administratie; Overige rubrieken – administratieve en ondersteunende uitgaven voor onderzoek

54.  merkt op dat de Raad in deze rubriek 31,2 miljoen EUR snoeit, waarvan 19,3 miljoen EUR betrekking heeft op de administratieve uitgaven van de Commissie, met name voor haar gebouwen, uitrusting en in het bijzonder voor haar personeel door de forfaitaire verlaging op te trekken tot 4,3 %; ziet geen enkele rechtvaardiging voor de lezing van de Raad en herinnert eraan dat, na de constante bezuinigingen in de afgelopen jaren, de door de Commissie voorgestelde administratieve uitgaven voor 2016 dicht bij het verwachte inflatiepeil blijven, d.w.z. stabiel in reële cijfers, en dat de Commissie haar personeelsbestand voortdurend inkrimpt;

55.  is bovendien van mening dat deze besnoeiingen willekeurig zijn gezien de voorspelbaarheid van dit soort uitgaven die grotendeels gebaseerd zijn op contractuele verplichtingen, en gezien het zeer hoge uitvoeringspercentage zoals blijkt uit de cijfers van de Commissie; merkt met name op dat de bezetting van het organigram van de Commissie op 1 april 2015 een recordhoogte heeft bereikt met 97,8 % daadwerkelijk bezette posten; betreurt dat de Raad ook in andere rubrieken dan rubriek 5 de administratieve en ondersteunende uitgaven voor onderzoek met in totaal 28 miljoen EUR heeft verlaagd, ondanks het feit dat deze cruciaal zijn om het succes van de programma's op de verschillende beleidsgebieden van de Unie te waarborgen;

56.  besluit daarom de bedragen van de OB opnieuw op te nemen op alle lijnen voor administratieve en ondersteunende uitgaven voor onderzoek op beleidsgebieden en op alle lijnen in rubriek 5 die de Raad heeft verlaagd, alsook zijn goedkeuring te hechten aan een beperkt aantal kleine verhogingen;

57.  vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat de gecombineerde begroting van het Comité van toezicht van het OLAF en zijn secretariaat wordt gespecificeerd in een afzonderlijk onderdeel van de OLAF-begroting voor 2016;

Agentschappen

58.  steunt in beginsel de ramingen van de Commissie voor de budgettaire behoeften van de agentschappen; wijst erop dat de Commissie de kredieten die de meeste agentschappen aanvankelijk hadden gevraagd, reeds aanzienlijk heeft verlaagd;

59.  is daarom van mening dat de bijkomende verlagingen die de Raad voorstelt de goede werking van de agentschappen in gevaar kunnen brengen en hun zouden beletten de taken uit te voeren die hun door de wetgevingsautoriteit zijn toebedeeld;

60.  besluit om, binnen het totaalpakket voor migratie, de kredieten voor de belangrijkste agentschappen op dit gebied te verhogen: het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, Frontex, Europol, Eurojust, eu.LISA, Cepol en het Bureau voor de grondrechten, voor een totaalbedrag van 26 miljoen EUR, aangezien deze agentschappen essentieel zijn om het huidige nijpende probleem van migratiestromen op doeltreffende wijze aan te pakken; is ingenomen met de bijkomende kredieten en 120 extra posten voor de agentschappen waarin de gewijzigde begroting nr. 7/2015 voorziet, en verwacht dat dit besluit ook gevolgen zal hebben voor de begroting 2016, alsmede voor de begrotingen van de daaropvolgende jaren; wijst op de snel verslechterende crisissituatie en de enorme toename van de migratiestromen; dringt er bij de Commissie op aan om vóór het begrotingsoverleg actuele en geconsolideerde informatie over de behoeften van de agentschappen te verstrekken; roept de Commissie op een strategie voor de middellange en lange termijn voor te stellen voor de volgende acties van de op het gebied van justitie en binnenlandse zaken bevoegde agentschappen: doelstellingen, missies, coördinatie, ontwikkeling van hotspots en financiële hulpbronnen;

61.  besluit tevens de kredieten in de begroting 2016 te verhogen voor de drie agentschappen voor financieel toezicht omdat zij geconfronteerd worden met extra taken en een grotere werklast; verzoekt de Commissie tegen 2017 een voorstel in te dienen voor een financieringsconcept op grond van vergoedingen ter vervanging van het huidige bijdragenstelsel van de lidstaten, om te waarborgen dat de Europese autoriteiten onafhankelijk zijn van de nationale instanties van de lidstaten;

62.  besluit tevens de kredieten te verhogen voor het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators, het Europees Bureau voor visserijcontrole en het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving, om de beschikbare middelen beter af te stemmen op de taken van de agentschappen;

63.  kan echter niet instemmen met de benadering van de Commissie en de Raad voor het personeel van de agentschappen en wijzigt daarom een aanzienlijk aantal organigrammen; benadrukt eens te meer dat elk agentschap 5 % van de posten, gespreid over 5 jaar, moet schrappen zoals overeengekomen in het IIA, maar dat de nieuwe posten die nodig zijn om extra taken te verrichten als gevolg van nieuwe beleidsontwikkelingen en de nieuwe regelgeving sinds 2013, gepaard moeten gaan met bijkomende middelen en moeten worden geteld buiten de doelstelling van het IIA om het personeelsbestand te verminderen;

64.  herhaalt bijgevolg dat het gekant is tegen het concept van een herschikkingspool tussen de agentschappen, maar bevestigt bereid te zijn posten vrij te maken door te komen tot meer efficiëntie, dit via meer administratieve samenwerking tussen agentschappen of in voorkomend geval zelfs via het analyseren van de mogelijkheden tot fusie, alsook via het delen van bepaalde functies met de Commissie of een ander agentschap;

65.  benadrukt eens te meer dat ambten die worden gefinancierd uit het bedrijfsleven geen gevolgen hebben voor de begroting van de Unie en bijgevolg niet onderworpen zijn aan een inkrimping van het personeelsbestand; benadrukt dat het aan het oordeel van het betrokken agentschap moet worden overgelaten om de fluctuerende werklast op te vangen door de posten waarover het beschikt al dan niet allemaal te bezetten;

66.  wijzigt daarom een aantal organigrammen van agentschappen overeenkomstig de bovenstaande prioriteiten om het personeelsbestand af te stemmen op bijkomende taken, wijzigt andere organigrammen om ze beter af te stemmen op een reële verlaging met 5 % over een periode van 5 jaar en om met vergoedingen gefinancierde posten anders te behandelen; herinnert eraan dat de vermindering met 5 % gespreid over 5 jaar is ingevoerd om de administratieve kosten te verlagen; wijst er in dit verband op dat bijkomende posten in het organigram niet automatisch financiële gevolgen voor de begroting van de Unie hebben, aangezien agentschappen hun posten bezetten afhankelijk van hun behoeften en dus niet altijd alle posten in hun organigram bezetten;

Proefprojecten en voorbereidende acties (PP's en VA's)

67.  besluit na een grondige analyse van de ingediende PP's en VA's, tegen de achtergrond van het slaagpercentage van de lopende projecten en acties, de initiatieven die al gedekt zijn door bestaande rechtsgronden buiten beschouwing latend en ten volle rekening houdend met de beoordeling door de Commissie van de uitvoerbaarheid van de projecten, een compromispakket goed te keuren met een beperkt aantal PP's en VA's, mede gelet op de beperkte marges die beschikbaar zijn;

Betalingen

68.  benadrukt eens te meer het belang van het gezamenlijk betalingsplan 2015-2016 waarover het Europees Parlement, de Raad en de Commissie voorafgaand aan de begrotingsprocedure overeenstemming hebben bereikt, en dat een afspiegeling is van het engagement van de drie instellingen om de betalingsachterstand te verminderen; merkt op dat de drie instellingen hebben afgesproken volledig samen te werken om in de begroting 2016 tot een niveau van betalingskredieten te komen dat toelaat een dergelijke doelstelling te verwezenlijken, en dat de Commissie de gevraagde betalingskredieten voor 2016 op die basis heeft berekend; is van mening dat alle maatregelen ter beheersing van het risico van een onhoudbare betalingsachterstand moeten worden aangevuld met inspanningen voor een productievere gedachtewisseling en voor een betere samenwerkingsgeest tussen de Raad enerzijds en het Parlement en de Commissie anderzijds; herinnert eraan dat artikel 310 VWEU voorschrijft dat de ontvangsten en uitgaven op de Uniebegroting in evenwicht moeten zijn;

69.  betreurt dat, ondanks de matige verhogingen en de comfortabele marges die de Commissie aldus heeft voorgesteld, de Raad heeft besloten de betalingskredieten met 1,4 miljard EUR te verlagen, waarbij zowel begrotingslijnen die worden voltooid als programma's die op kruissnelheid komen worden getroffen, waardoor de geleidelijke afschaffing van de abnormale betalingsachterstand in het gedrang komt; herinnert eraan dat voor de programma's onder direct beheer, een tekort aan betalingskredieten niet alleen tot uiting komt in de ontwikkeling van de achterstand, maar ook in kunstmatige vertragingen bij de uitvoering van programma's, bijvoorbeeld het uitstellen van oproepen tot het indienen van voorstellen en/of van de ondertekening van nieuwe contracten;

70.  besluit voor de betalingskredieten de bedragen van de OB opnieuw op te nemen voor alle lijnen die de Raad heeft verlaagd, in de veronderstelling dat de betalingskredieten die de Commissie in haar OB heeft voorgesteld, op het niveau liggen dat nodig is om de doelstellingen van het betalingsplan te verwezenlijken;

71.  verhoogt in een passende verhouding de betalingskredieten op alle lijnen waar ook de vastleggingskredieten worden verhoogd, waarbij rekening wordt gehouden met gebieden met een snel bestedingsprofiel of met een hoge mate van urgentie, met name Erasmus+, de twee hervestigingsregelingen, de UNRWA en humanitaire hulp; verhoogt de betalingskredieten met nog eens 1 miljard EUR om de vervroegde terbeschikkingstelling van betalingskredieten voor Griekenland integraal met nieuwe middelen te kunnen dekken; besluit tevens om, gezien de uitvoering in het verleden, de betalingskredieten voor het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering te verhogen;

Overige afdelingen

Afdeling I – Europees Parlement

72.  herinnert eraan dat de raming 2016 van het Parlement is vastgesteld op 1 823 648 600 EUR, wat neerkomt op een stijging van 1,6 % ten opzichte van de begroting 2015; herinnert er verder aan dat er nog eens 15 miljoen EUR is uitgetrokken voor dringende investeringen in veiligheid en cyberveiligheid, waardoor zijn totale begroting voor 2016 is vastgesteld op 1 838 648 600 EUR;

73.  wijst erop dat op 15 juni 2015, d.w.z. na de vaststelling van de raming van het Parlement voor 2016, een nieuwe fractie is opgericht en dat, als gevolg van deze veranderingen in de organisatie van het Parlement, bijkomende kredieten nodig zijn om ervoor te zorgen dat alle fracties gelijk worden behandeld;

74.  compenseert deze verhogingen volledig door de kredieten te verlagen op de begrotingslijnen voor de algemene reserve voor onvoorziene uitgaven, de vergoeding voor algemene uitgaven van de leden, bijscholing, inrichting van dienstruimten, energieverbruik, informatica en telecommunicatie, projectinvesteringen en meubilair;

75.  neemt kennis van de conclusies van het Bureau van 7 september 2015 met het oog op de lezing door het Parlement van de begroting 2016, waarin wordt voorgesteld zijn recente besluiten en technische aanpassingen in de begroting op te nemen; hecht zijn goedkeuring aan deze door het Bureau voorgestelde kleine technische wijzigingen, onder meer begrotingsneutrale aanpassingen aan kredieten en het organigram en de actualisering van bepaalde aspecten van de begrotingsnomenclatuur;

76.  laat bijgevolg het totale niveau van zijn begroting voor 2016, zoals goedgekeurd door de plenaire vergadering op 29 april 2015, ongewijzigd op 1 838 648 600 EUR;

77.  benadrukt dat de activiteiten van de fracties geen administratieve werkzaamheden zijn; bevestigt dat, om die reden, het totale personeelsbestand van de fracties wordt vrijgesteld van de doelstelling om het personeelsbestand met 5 % in te krimpen, in overeenstemming met de besluiten die het ten aanzien van de begrotingsjaren 2014(12) en 2015(13) en de raming voor 2016(14) heeft genomen;

78.  herinnert eraan dat de fracties sinds 2012 een aanwervingsstop kenden en dat in de vorige begrotingsjaren slechts gedeeltelijk aan hun behoeften is tegemoet gekomen;

79.  herhaalt zijn toezegging om punt 27 van het IIA uit te voeren en het personeelsbestand met 1 % te verminderen;

80.  benadrukt dat het Parlement en de Raad moeten werken aan een stappenplan voor één zetel voor het Parlement, zoals een grote meerderheid in het Parlement reeds in verschillende resoluties heeft gevraagd, met het oog op langetermijnbesparingen op de begroting van de Unie;

Wijzigingen aan het organigram

81.  verlaagt het organigram van het secretariaat-generaal voor 2016 met 57 ambten (doelstelling om het personeelsbestand met 1 % te verminderen) als volgt: 4 AD14, 13 AD13, 2 AD12, 1 AD9, 2 AD8, 1 AD5, 2 AST11, 1 AST10, 3 AST9, 8 AST8, 7 AST7, 4 AST6, 3 AST5, 2 AST4, 1 AST3, 1 AST1 (vaste ambten) en 2 tijdelijke AST 4-ambten; herinnert eraan dat met de budgettaire gevolgen van deze maatregel reeds rekening is gehouden in de raming;

82.  zet overeenkomstig het nieuwe Statuut 80 vaste AST-ambten (25 AST11, 10 AST10, 5 AST8, 15 AST7, 5 AST6, 5 AST5, 5 AST4, 5 AST3 en 5 AST2) om in 80 AST/SC1-ambten;

83.  voert de volgende technische correcties door: schrapt drie AST7-ambten en drie AST6-ambten, voegt zes AST5-ambten toe en schrapt voetnoot nr. 1 in de lijst van het aantal ambten, aangezien de betrokken procedure in het recente verleden niet is gebruikt;

84.  hecht zijn goedkeuring aan de invoering van 43 nieuwe tijdelijke ambten (2 AD7, 19 AD5, 5 AST5, 5 AST3 en 12 AST1) en aan de opwaardering van één tijdelijk AD10-ambt naar AD14, voor de bijkomende behoeften in verband met de oprichting van de nieuwe fractie;

Vermindering van het personeelsbestand met 5 %

85.  herinnert eraan dat het Parlement de doelstelling om het personeelsbestand met 5 % te verminderen voor het derde opeenvolgende jaar met passende eerbiediging van de letter en de geest van het IIA toepast; benadrukt dat hiertoe 171 vaste ambten in zijn organigram zijn geschrapt sinds 2014(15); benadrukt dat, om de doelstelling om het personeelsbestand met 5 % te verminderen volledig te verwezenlijken, er tegen 2018 nog twee jaarlijkse verminderingen van 57 ambten(16) moeten worden doorgevoerd;

86.  benadrukt dat overeenkomstig punt 27 van het IIA de doelstelling om het personeelsbestand met 5 % te verminderen een compensatiemaatregel is in termen van personeel, die verband houdt met de verhoging van de arbeidstijd van 37,5 tot 40 uur per week, ten opzichte van het personeelsbestand per 1 januari 2013; is van oordeel dat deze vermindering moet gelden voor een constante werkdruk en dat nieuwe verantwoordelijkheden en taken bijgevolg moeten worden vrijgesteld van deze berekening;

87.  merkt op dat het Parlement overeenkomstig de uitbreiding van zijn nieuwe bevoegdheden en taken sinds 2013 belangrijke structurele veranderingen heeft ondergaan, zoals internaliseringsprocessen waarbij het personeel voor zover mogelijk uit interne herschikkingen voortvloeide, en dat nieuwe ambten slechts werden ingevoerd wanneer dit strikt noodzakelijk was; besluit deze extra posten uit te sluiten van de inspanning om het personeelsbestand met 5 % te verminderen;

88.  verzoekt de Commissie met klem bij het toezicht op de uitvoering van de doelstelling om het personeelsbestand van het Parlement te verminderen, rekening te houden met de nieuwe bijkomende overwegingen zoals de constante werkdruk, vrijstelling van de fracties, internaliseringen gecompenseerd door bezuinigingen op de begrotingslijnen voor externe diensten, en nieuwe bevoegdheden en taken;

89.  benadrukt dat de uitvoering van de personeelsinkrimping met 5 % niet ten koste mag gaan van de goede werking van het Parlement en de uitoefening door het Parlement van zijn belangrijkste bevoegdheden, en evenmin zijn uitmuntendheid op het gebied van wetgeving of de kwaliteit van de arbeidsvoorwaarden van de leden en het personeel mag aantasten;

90.  herinnert eraan dat geen enkele overeenkomst het Parlement en de Raad kan beroven van hun soevereine beoordelingsvrijheid en van hun bevoegdheid om ieder jaar te beslissen over de inhoud van de begroting;

Overige personeelskwesties

91.  herinnert eraan dat de behoefte aan nieuwe ambten bij het secretariaat moet worden gedekt door interne herschikking, tenzij de noodzaak om nieuwe ambten te creëren naar behoren is gemotiveerd en aangetoond;

92.  herinnert eraan dat elke reorganisatie van de parlementaire werkzaamheden of van de procedures niet mag leiden tot een verslechtering van de arbeidsomstandigheden en sociale rechten van het personeel, ongeacht hun positie;

93.  herinnert eraan dat, om ervoor te zorgen dat de leden voor hun parlementaire werkzaamheden over voldoende ondersteuning beschikken, een nieuw evenwicht noodzakelijk is tussen geaccrediteerde parlementaire medewerkers en plaatselijke medewerkers; neemt kennis van het feit dat de secretaris-generaal een voorstel aan het Bureau heeft gedaan om dit doel te bereiken; neemt nota van het akkoord van het Bureau, aangezien het in wezen beantwoordt aan de vraag die het Europees Parlement in voormelde resolutie van 29 april 2015 heeft gesteld met betrekking tot de raming van het Parlement; is verheugd over het besluit om dit akkoord met onmiddellijke ingang toe te passen;

94.  herhaalt zijn toezegging om meertaligheid bij de parlementaire werkzaamheden te ondersteunen via strenge normen voor vertolking en vertaling; verzoekt de secretaris-generaal aan de Begrotingscommissie de resultaten te bezorgen van de analyse en de beoordeling die hij heeft ondernomen nadat geen akkoord kon worden bereikt over de nieuwe arbeidsomstandigheden voor tolken (voorjaar 2015); spreekt de verwachting uit dat de secretaris-generaal alle flexibiliteit aan de dag zal leggen die nodig is om te zorgen voor kwalitatief hoogwaardige vertolkings- en vertaaldiensten voor de leden;

95.  verzoekt de secretaris-generaal een gedetailleerd overzicht te verstrekken van alle ambten in het Parlement in de periode 2014-2016, met inbegrip van de indeling van het aantal ambten per dienst, categorie en type contract;

Gebouwenbeleid

96.  herinnert eraan dat de Begrotingscommissie op gezette tijden moet worden ingelicht over nieuwe ontwikkelingen op het gebied van het gebouwenbeleid van het Parlement en tijdig moet worden geraadpleegd, d.w.z. voordat een contract wordt gesloten, over vastgoedprojecten die financiële gevolgen hebben; bevestigt dat de financiële gevolgen van alle vastgoedprojecten nauwgezet zullen worden onderzocht;

97.  is van mening dat besluiten in verband met vastgoedprojecten moeten worden onderworpen aan een transparante besluitvorming;

98.  herhaalt nogmaals zijn oproep dat de nieuwe vastgoedstrategie voor de middellange termijn zo spoedig mogelijk en uiterlijk begin 2016 aan de Begrotingscommissie wordt voorgelegd, namelijk tijdig voor de opstelling van de raming van het Parlement voor het begrotingsjaar 2017; verzoekt de secretaris-generaal een mogelijke langetermijnstrategie tot 2025 ruim voor de lezing van de begroting door het Parlement in het najaar van 2016 aan de Begrotingscommissie voor te leggen;

99.  merkt op dat sinds 2014 geen kredieten zijn opgenomen voor investeringen in de bouw van het Konrad Adenauer-gebouw (KAD) in Luxemburg; herinnert eraan dat in de raming voor 2016 enkel kredieten zijn opgenomen ter dekking van werkzaamheden en diensten die rechtstreeks door het Parlement moeten worden betaald, voornamelijk voor het beheer van het project, technische expertise en adviezen; verzoekt de secretaris-generaal vóór het eind van dit jaar te beoordelen welke kredieten in de begroting 2015 niet zijn gebruikt en deze eind 2015 via een verzoek om overschrijving toe te wijzen aan het KAD-project, om in de toekomst zoveel mogelijk bouwgerelateerde rentebetalingen te vermijden;

Uitgaven van de leden

100.  herhaalt de oproep tot meer transparantie betreffende de algemene kostenvergoeding van de leden; verzoekt het Bureau van het Parlement nauwkeuriger regels op te stellen over de verantwoordingsplicht met betrekking tot de uitgaven die uit deze vergoeding kunnen worden gedaan, zonder dat dit voor het Parlement extra kosten met zich brengt;

101.  vraagt een evaluatie van de resultaten van de vrijwillige benadering die de gezamenlijke werkgroep heeft gekozen om vliegen in business class door de leden en het personeel te beperken, alsook van de mogelijke manieren om meer voordelige tarieven te verkrijgen en zo de reiskosten van de leden en het personeel te verminderen;

Afdeling IV – Hof van Justitie

102.  betreurt dat, ondanks de aanhoudende stijging van het volume van de justitiële activiteit en de geplande hervorming van het Gerecht, de Commissie het personeelsbestand met 20 ambten heeft verminderd, waarbij een risico op knelpunten ontstaat en de goede werking en de snelheid van de rechtsbedeling in het gedrang komen; besluit daarom de 20 ambten waarom het Hof aanvankelijk had gevraagd, opnieuw op te nemen;

103.  betreurt dat de Raad de forfaitaire verlaging die wordt toegepast op de kredieten voor de bezoldiging van het personeel heeft opgetrokken van 2,5 % tot 3,2 %, wat neerkomt op een besnoeiing van 1,55 miljoen EUR en in tegenspraak is met de buitengewoon hoge bezetting van de ambten bij het Hof (98 % eind 2014) en het hoge uitvoeringspercentage van de begroting (99 % in 2014); past daarom de forfaitaire verlaging opnieuw aan tot het niveau van de ontwerpbegroting en annuleert de overeenkomstige verlaging van de kredieten om te waarborgen dat het Hof adequaat kan omgaan met de aanzienlijke toename van het aantal zaken en ten volle gebruik kan maken van het aantal toegekende ambten;

104.  besluit verder de zeven ambten waarom het Hof aanvankelijk had gevraagd opnieuw op te nemen opdat het kan voldoen aan een dubbele eis, namelijk de afdeling veiligheid en zekerheid van het Hof versterken om het personeel, de bezoekers en de documenten beter te beschermen, en het nieuwe artikel 105 van het Reglement van het Gerecht uitvoeren, waarin is bepaald dat er een sterk beveiligd systeem moet worden opgezet om ervoor te zorgen dat partijen die bij bepaalde zaken betrokken zijn informatie en materiaal kunnen verstrekken dat verband houdt met de veiligheid van de Unie, de lidstaten of het onderhouden van hun internationale betrekkingen;

105.  benadrukt in dit verband de behoefte aan middelen voor beveiliging en bewaking van de gebouwen van het Hof en besluit daarom de door de Raad voorgestelde verlagingen op dit gebied ongedaan te maken en opnieuw het niveau van de ontwerpbegroting op te nemen;

106.  annuleert de bestaande reserve voor dienstreizen en vervangt deze door een nieuwe reserve, die zal worden vrijgegeven wanneer het Hof informatie publiceert over de externe activiteiten van zijn rechters, zoals gevraagd door het Parlement in zijn kwijtingsresolutie 2013 met betrekking tot het Hof(17);

Afdeling V – Rekenkamer

107.  past de forfaitaire verlaging aan tot het aanvankelijke niveau van 2,76 %, om de Rekenkamer in staat te stellen te voldoen aan haar behoeften in verband met het personeelsbestand;

108.  maakt alle andere verlagingen ongedaan die de Raad voor de Rekenkamer heeft doorgevoerd, zodat zij haar werkprogramma kan uitvoeren en de geplande auditverslagen kan opstellen;

Afdeling VI – Europees Economisch en Sociaal Comité

109.  past de forfaitaire verlaging aan tot het aanvankelijke niveau van 4,5 %, om het Comité in staat te stellen te voldoen aan zijn behoeften en het hoofd te bieden aan de aanhoudende vermindering van zijn personeelsbestand in het kader van de samenwerkingsovereenkomst tussen het Europees Parlement en het Comité;

110.  besluit verder de bedragen van de ontwerpbegroting opnieuw op te nemen voor wat de reis- en verblijfkosten betreft;

Afdeling VII – Comité van de Regio's

111.  verlaagt enerzijds de kredieten voor bezoldigingen en vergoedingen met een bedrag dat overeenkomt met 66 opwaarderingen en vier extra ambten waarmee in de ontwerpbegroting nog geen rekening is gehouden, om zo de overdracht van die ambten naar het Parlement te weerspiegelen;

112.  verhoogt anderzijds de kredieten op een aantal lijnen (uitbesteding van vertalingen, derden, communicatie, representatiekosten, communicatie van de fracties, dienstreizen en reiniging en onderhoud) om deze beter af te stemmen op de eigen ramingen van het Comité, opdat het zijn politieke werkzaamheden kan verrichten en aan zijn verplichtingen kan voldoen;

113.  maakt tot slot de verlagingen van de Raad ongedaan op het gebied van veiligheid van en toezicht op de gebouwen van het Comité om te zorgen voor voldoende financiering voor beveiligingsmaatregelen voor het geval het dreigingsniveau voor de veiligheid in 2016 zou toenemen ("geel");

Afdeling VIII – Europese Ombudsman

114.  betreurt dat de Raad de ontwerpbegroting van de Ombudsman met 135 000 EUR heeft verlaagd; benadrukt dat deze verlaging een onevenredige last vormt voor de zeer beperkte begroting van de Ombudsman en belangrijke gevolgen heeft voor het vermogen van de instelling om de EU-burgers efficiënt van dienst te zijn; maakt daarom alle verlagingen door de Raad ongedaan om de Ombudsman in staat te stellen zijn mandaat uit te oefenen en zijn verplichtingen na te komen;

Afdeling IX – Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming

115.  betreurt dat de Raad de ontwerpbegroting van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming met 135 000 EUR heeft verlaagd; benadrukt dat deze verlaging een onevenredige last vormt voor de zeer beperkte begroting van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en belangrijke gevolgen heeft voor het vermogen van de instelling om de instellingen van de Unie efficiënt van dienst te zijn; maakt daarom alle verlagingen door de Raad ongedaan om de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming in staat te stellen zijn mandaat uit te oefenen en zijn verplichtingen na te komen;

Afdeling X – Europese dienst voor extern optreden

116.  is van mening dat, om het hoofd te kunnen bieden aan de uitdagingen van de geopolitieke onzekerheid en ervoor te zorgen dat de Unie overal ter wereld haar rol kan vervullen, passende financiering van de EDEO moet worden gewaarborgd; neemt daarom voor alle lijnen de bedragen van de ontwerpbegroting opnieuw op en schrapt het voorbehoud dat de Raad heeft gemaakt in verband met de schommeling van de wisselkoers van de euro;

o
o   o

117.  is ervan overtuigd dat de begroting van de Unie een bijdrage kan leveren om niet alleen de gevolgen maar ook de onderliggende oorzaken van de crises waarmee de Unie momenteel wordt geconfronteerd op doeltreffende wijze aan te pakken; is evenwel van mening dat onvoorziene gebeurtenissen met een Uniebrede dimensie moeten worden aangepakt door de inspanningen te bundelen en extra middelen op het niveau van de Unie ter beschikking te stellen, en niet door vroegere verbintenissen in vraag te stellen of terug te grijpen naar de illusie van louter nationale oplossingen; benadrukt daarom dat flexibiliteitsbepalingen er precies zijn om een dergelijke gezamenlijke en snelle respons mogelijk te maken en dat deze ten volle moeten worden benut om de strikte beperkingen van de MFK-maxima op te vangen;

118.  benadrukt dat, nauwelijks twee jaar na het begin van het huidige MFK, de Commissie reeds twee keer heeft moeten verzoeken om de beschikbaarstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument en uit de marge voor onvoorziene uitgaven om dringende en onvoorziene behoeften te dekken die niet konden worden gefinancierd binnen de bestaande maxima van het MFK; wijst er tevens op dat de totale marge voor vastleggingen in 2015, het eerste jaar van de looptijd, reeds onmiddellijk volledig werd gebruikt, terwijl de middelen voor twee belangrijke programma's van de Unie moesten worden verlaagd om nieuwe initiatieven te kunnen financieren; benadrukt dat vanwege de vervroegde terbeschikkingstelling in 2014-2015, meerdere EU-programma's over minder of zelfs geen vastleggingskredieten beschikken vanaf 2016; acht het bijgevolg duidelijk dat de maxima van het MFK in veel rubrieken te krap zijn en de Unie verlammen op gebieden waar de behoeften het grootst zijn, terwijl de beschikbare flexibiliteitsmechanismen van het MFK reeds hun grenzen hebben bereikt; is van mening dat deze ontwikkelingen pleiten voor een echte tussentijdse herziening van het MFK; ziet vol verwachting uit naar de desbetreffende ambitieuze voorstellen van de Commissie in 2016;

119.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, samen met de amendementen op het ontwerp van algemene begroting, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige instellingen en de betrokken organen, alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.
(2) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0061.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0172.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0263.
(8) Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 31).
(9) Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie voor het begrotingsjaar 2013 (PB L 255 van 30.9.2015, blz. 395).
(10) Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470).
(11) Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (PB L 221 van 8.8.1998, blz. 23).
(12) Resolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2013 over het standpunt van de Raad over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014 (Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0437).
(13) Resolutie van het Europees Parlement van 22 oktober 2014 over het standpunt van de Raad over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0036).
(14) Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2016 (Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0172).
(15) -67 ambten in 2014, -47 ambten in 2015 en -57 ambten in 2016.
(16) Aangezien er een politiek besluit is om de fracties van deze berekening uit te sluiten, wordt deze vermindering toegepast op het gedeelte van het secretariaat in het organigram (referentieaantal posten (1 %):-57).
(17) Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling IV – Hof van Justitie (PB L 255 van 30.9.2015, blz. 118).

Juridische mededeling