Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2214(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0279/2015

Ingediende teksten :

A8-0279/2015

Debatten :

PV 27/10/2015 - 14
CRE 27/10/2015 - 14

Stemmingen :

PV 28/10/2015 - 7.9
CRE 28/10/2015 - 7.9
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0383

Aangenomen teksten
PDF 234kWORD 123k
Woensdag 28 oktober 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Een strategie van de EU voor de Adriatische en Ionische regio
P8_TA(2015)0383A8-0279/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 28 oktober 2015 over een strategie van de EU voor de Adriatische en Ionische regio (2014/2214(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie betreffende de strategie van de Europese Unie voor de Adriatische en Ionische regio (COM(2014)0357), het bijbehorende actieplan en het ondersteunend analytisch document,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(1) (hierna "de GB-verordening"),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(2),

–  gezien de conclusies van de Raad van 23 oktober 2014 over de strategie van de Europese Unie voor de Adriatische en Ionische regio,

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's betreffende de toegevoegde waarde van macroregionale strategieën (COM(2013)0468) en de desbetreffende conclusies van de Raad van 22 oktober 2013,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 september 2014 over de mededeling van de Commissie betreffende de strategie van de Europese Unie voor de Adriatische en Ionische regio (COM(2014)0357) en over de EU-strategie voor de Adriatische en Ionische regio: onderzoek, ontwikkeling en innovatie in het midden- en kleinbedrijf (verkennend advies op verzoek van het Italiaanse voorzitterschap van de EU),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 januari 2014 over de EU-strategie voor de Adriatische en Ionische regio (Eusair) (verkennend advies),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 26 juni 2014 over de EU-strategie voor de Adriatische en Ionische regio,

–  gezien het initiatiefadvies van het Comité van de Regio's van 11 oktober 2011 met als titel "Territoriale samenwerking in het Middellandse Zeegebied via de Adriatisch-Ionische macroregio",

–  gezien zijn resolutie van 3 juli 2012 over de ontwikkeling van de macroregionale strategieën van de EU: huidige praktijk en vooruitzichten, vooral in het Middellandse Zeegebied(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie "Een maritieme strategie voor de Adriatische en de Ionische Zee" (COM(2012)0713),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende het bestuur van macroregionale strategieën (COM(2014)0284),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 januari 2011 getiteld "Bijdrage van het regionaal beleid aan duurzame groei in het kader van de Europa 2020-strategie" (COM(2011)0017),

–  gezien Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten,

–  gezien Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's,

–  gezien Besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005 betreffende het sluiten, namens de Europese Gemeenschap, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (Verdrag van Aarhus),

–  gezien de Verklaring van Ancona, aangenomen tijdens de conferentie over ontwikkeling en veiligheid in het Adriatisch en Ionisch gebied van 19 en 20 mei 2000,

–  gezien de oprichtingsconferentie van de Adriatisch-Ionische Euregio, gehouden in Pula op 30 juni 2006, en de verklaring over het opstarten van het initiatief tot vaststelling van de strategie voor de Adriatische regio, aangenomen op de vergadering van de Adriatisch-Ionische Euregio in Split op 22 oktober 2009,

–  gezien de studie van zijn directoraat-generaal Intern Beleid (beleidsondersteunende afdeling B: Structuur- en Cohesiebeleid) van januari 2015 over de nieuwe rol van macroregio's in de Europese territoriale samenwerking,

–  gezien de studie van zijn directoraat-generaal Intern Beleid (beleidsondersteunende afdeling B: Structuur- en Cohesiebeleid) van juni 2015 over het Adriatisch en Ionisch gebied: sociaal-economische analyse en beoordeling van de vervoers- en energieverbindingen,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie visserij (A8-0279/2015),

A.  overwegende dat de macroregionale strategieën een nieuw model van meerlagig bestuur vormen waarbij de betrokkenheid van de belanghebbenden die het Europese, nationale, regionale en lokale niveau vertegenwoordigen, met inbegrip van economische en sociale partners en maatschappelijke organisaties, alsmede de complementariteit tussen verschillende beleidsvormen en programma's van essentieel belang zijn voor een geslaagde uitvoering en het bereiken van de doelstellingen; overwegende dat regionale en plaatselijke overheden een belangrijke rol vervullen bij het bevorderen van de democratie, decentralisatie en meer plaatselijk en regionaal zelfbestuur;

B.  overwegende dat de eerdere strategieën voor de Oostzee en de Donau concrete voordelen voor de betrokken regio's hebben opgeleverd, het succes van de samenwerkingsmechanismen van de EU hebben bevestigd en nuttige ervaring vormden voor de ontwikkeling van nieuwe macroregionale strategieën;

C.  overwegende dat de regio's in toenemende mate belangstelling tonen voor deze moderne vorm van regionale samenwerking, alsook voor het bijbehorende governancemodel; overwegende dat dit de laatste tijd in het bijzonder opgaat voor berggebieden, zoals de Karpaten en de Alpen, waar in verband met natuurlijke barrières specifiek regionaal beleid noodzakelijk is;

D.  overwegende dat een macroregionale strategie als geïntegreerd kader met betrekking tot lidstaten en derde landen in dezelfde geografische regio en ondersteund door de Europese Raad, een EU-strategie is;

E.  overwegende dat er grote sociaaleconomische verschillen bestaan tussen de landen die bij deze strategie betrokken zijn, en dan met name tussen de lidstaten van de EU en de derde landen;

F.  overwegende dat de toegenomen belangstelling van een reeks landen in de Adriatische en Ionische regio voor samenwerking en het vaststellen van gezamenlijke maatregelen in antwoord op de uitdagingen onder gebruikmaking van het potentieel van de gehele regio, alsmede hun voortdurende inspanningen om synergie te bewerkstelligen, tot de aanneming van de EU-strategie voor de Adriatische en Ionische regio (Eusair) hebben geleid;

G.  overwegende dat de macroregionale strategieën kunnen worden beschouwd als een instrument ten behoeve van Europese integratie en nauwere territoriale samenhang op basis van vrijwillige samenwerking tussen lidstaten en buurlanden bij het aanpakken van gemeenschappelijke uitdagingen; overwegende dat de Eusair een nieuwe vorm van regionale samenwerking is die kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten kan bijstaan op hun weg naar de EU, en tevens een belangrijk onderdeel is van het ruimere Middellandse Zeebeleid van de Unie, zoals dat gestalte krijgt in de Unie voor het Middellandse Zeegebied; overwegende dat de Eusair, als onderdeel van het regionaal beleid van de EU, een instrument is ter bevordering van de economische en sociale cohesie, met als belangrijkste doel het verminderen van de verschillen tussen regio's, het stimuleren van reële convergentie en het bevorderen van groei en werkgelegenheid;

H.  overwegende dat de Adriatische Zee, vanwege het feit dat zij half-ingesloten is, bijzonder kwetsbaar is voor verontreiniging en dat zij uitzonderlijke hydrografische kenmerken vertoont, zoals het aanzienlijke verschil tussen de diepten en de kustlijnen in het noorden en het zuiden van de regio; overwegende dat de visbestanden door alle kuststaten worden gedeeld, waardoor het vermogen van de vispopulaties om zichzelf te herstellen voortdurend onder druk staat; overwegende dat in het kader van de toekomstige raamverordening voor technische maatregelen in het hervormde GVB, regionale maatregelen moeten worden ontwikkeld die zijn afgestemd op de specifieke kenmerken en de mariene rijkdommen van het gebied en op de visserij die er wordt beoefend;

Algemene overwegingen

1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie betreffende de strategie van de Europese Unie voor de Adriatische en Ionische regio en het bijbehorende actieplan; is van mening dat dit een belangrijke stap is in de ontwikkeling van dit deel van Europa; wijst erop dat de Eusair in het leven is geroepen om waarde toe te voegen aan maatregelen van de EU, de nationale of regionale autoriteiten dan wel de particuliere sector, en wel zodanig dat het functioneren van de macroregio er aanzienlijk door wordt verbeterd; wijst op de perspectieven die deze strategie aan de kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten in de regio biedt; onderstreept dat de strategie gebaseerd moet zijn op de beginselen van integratie, coördinatie, samenwerking en partnerschap; wijst andermaal op het belang van het "driemaal-NEE-beginsel": geen nieuwe wetgeving, geen nieuwe instellingen, geen nieuwe financiering, daar macroregio's het kader vormen voor samenwerkingsinitiatieven die gebaseerd zijn op de synergie welke ontstaat uit de koppeling van verschillende beleidsinstrumenten van de EU, waaronder de Europese structuur- en investeringsfondsen;

2.  is ingenomen met de inspanningen van alle belanghebbenden om binnen het bestaande institutionele kader een institutionele structuur voor de tenuitvoerlegging van de Eusair op te zetten; moedigt alle nationale, regionale en plaatselijke belanghebbenden aan om de onder deze macroregionale strategie vallende projecten in eigen verantwoordelijkheid uit te voeren; benadrukt hoe belangrijk het is de institutionele capaciteit en efficiëntie van overheden en overheidsdiensten te verbeteren en in ieder deelnemend land voldoende middelen en competent administratief personeel te waarborgen die uitdrukkelijk worden ingezet voor het uitvoeren van de Eusair;

3.  onderstreept dat er bij samenwerkingsactiviteiten voor een locatiegebaseerde benadering moet worden gekozen en wijst op de toegevoegde waarde van het meerlagig bestuursmodel, waarmee het gebrek aan administratieve capaciteit moet worden ondervangen en dat gebruikt kan worden om de middelen in de macroregio te bundelen; beklemtoont in dit verband dat de plaatselijke en regionale autoriteiten in de organen voor politiek beheer en in de operationele, technische en uitvoerende organen van de strategie moeten worden opgenomen, waarbij de Commissie een rol moet blijven spelen in het coördinatieproces; onderstreept dat door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (Community Led Local Development - CLLD) lokale actoren warm kan maken en bij het besluitvormingsproces kan betrekken, en de verantwoordelijkheid voor projecten op het niveau van de burgers kan helpen vergroten;

4.  onderstreept het belang van een transparante procedure voor de vaststelling, monitoring en evaluatie van de strategie, alsook van een open en inclusieve houding ten aanzien van het maatschappelijk middenveld en alle belanghebbenden; benadrukt dat communicatie en bewustmaking over alle pijlers heen van essentieel belang zijn voor de deelname van belanghebbenden aan het besluitvormingsproces en voor de totstandbrenging van publieke steun; moedigt de lidstaten aan ervoor te zorgen dat de strategie op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau de nodige zichtbaarheid krijgt, een toereikende communicatie met betrekking tot de doelstellingen en resultaten van de strategie te ontwikkelen en de coördinatie en uitwisseling van goede praktijken met andere reeds bestaande en toekomstige macroregionale strategieën te bevorderen;

5.  benadrukt dat de niet-EU-landen hun wetgeving moeten harmoniseren met het specifieke sectorale acquis met betrekking tot de strategie, teneinde te waarborgen dat de EU-doelstellingen worden bereikt en op reguliere, legale en tijdige wijze en op basis van EU-normen en -wetgeving worden verwezenlijkt; moedigt alle deelnemende landen aan denktanks in het leven te roepen en regelmatige ontmoetingen te organiseren om optimale werkwijzen uit te wisselen teneinde deze procedure veilig te stellen en efficiënter te maken;

6.  merkt op dat er als gevolg van de drastische afname van particuliere investeringen in de landen in de regio, in combinatie met begrotingsconsolidering en beperkte investeringscapaciteit in de openbare sector, problemen kunnen ontstaan bij de financiering van projecten in het kader van de strategie; roept de deelnemende landen op een grote mate van verantwoordelijkheid, betrokkenheid en leiderschap te tonen, daar deze nodig zijn om de strategie met succes uit te voeren;

7.  is verheugd dat de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) en het instrument voor pretoetredingssteun voor 2014-2020, en met name het Adriatisch-Ionisch samenwerkingsprogramma 2014-2020 (ADRION), aanzienlijke potentiële middelen en een verscheidenheid van instrumenten en technische opties voor de strategie bieden; vindt het een goede zaak dat er andere middelen en instrumenten met betrekking tot de pijlers van de strategie beschikbaar zijn, met name de programma's Horizon 2020 en Erasmus Plus met betrekking tot alle pijlers, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen met betrekking tot pijler II, het LIFE-programma met betrekking tot pijler III en ter beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering, en het COSME-programma en het Creatief Europa-programma voor kmo's met betrekking tot pijler IV, alsmede het programma voor de financiering van innovatie InnovFin; moedigt, met het oog op een synergie van de beschikbare fondsen, de samenwerking aan tussen de toezichtcomités van de programma's voor Europese territoriale samenwerking die de regio betreffen, de raad van bestuur van Eusair en de beheersinstanties van de ESI-fondsen; onderstreept dat de strategie een efficiënter en doelmatiger gebruik van de bestaande instrumenten en fondsen mogelijk moet maken;

8.  roept de Europese Commissie en de nationale, regionale en plaatselijke organen die verantwoordelijk zijn voor de voorbereiding, het beheer en de tenuitvoerlegging van ESIF-programma's op de nadruk te leggen op het belang van macroregionale projecten en maatregelen;

9.  benadrukt dat het belangrijk is op macroregionaal niveau de uitvoeringsstructuur en de coördinatiemechanismen te definiëren om de samenwerking te vergemakkelijken, met inbegrip van gezamenlijke planning, stroomlijnen van financieringsmogelijkheden en een bottom-upbenadering; onderstreept dat de nationale en regionale operationele programma's moeten worden afgestemd op de doelstellingen van de strategie, waar mogelijk met opneming van Eusair in de programma's; vindt dat initiatieven, voorstellen en projecten die de Adriatisch-Ionische regio betreffen, gecoördineerd en geharmoniseerd moeten worden;

10.  spoort de Commissie, de Europese Investeringsbank (EIB) en de deelnemende landen ertoe aan de beschikbare mogelijkheden in het kader van het nieuw opgerichte Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) ten volle te benutten ter financiering van projecten in de regio die toegevoegde waarde zouden creëren, duurzame ontwikkeling en economische en sociale samenhang zouden bevorderen, de groei zouden aanzwengelen en de werkgelegenheid zouden vergroten op macroregionaal niveau en zouden helpen bij het bereiken van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie; raadt in dit verband aan om in de fase van projectselectie "bonuspunten" toe te kennen aan macroregionale projecten die van inherent transnationale aard zijn;

11.  wijst erop dat er geen specifieke middelen worden toegewezen voor de tenuitvoerlegging van macroregionale strategieën en dat een krachtige politieke wil, partnerschap en coördinatie tussen de landen een voorwaarde is voor succes; spoort de landen in de regio daarom aan de beschikbare middelen (ESI-fondsen, IPA, EFSI) alsmede bijdragen uit nationale bronnen in het kader van de EIB te bundelen tot een financieel en investeringsplatform ter ondersteuning van de financiering van projecten die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van de strategie; dringt erop aan een transparante en openbaar toegankelijke projectenpijplijn voor de Adriatische en Ionische regio in het leven te roepen, die de huidige en potentiële investeringsbehoeften en projecten zichtbaar maakt zodat investeerders worden aangemoedigd in deze projecten te investeren;

12.  spoort de belanghebbenden aan optimale benaderingen uit te wisselen, opgedane ervaringen te benutten en de knelpunten bij de tenuitvoerlegging van andere macroregionale EU-strategieën in kaart te brengen, alsmede de samenwerking met hun tegenhangers, zoals die in de macroregio's van de Oostzee, het Donaubekken en de Alpen, op te voeren;

13.  verzoekt de Commissie administratieve en niet-financiële hindernissen die potentiële investeerders vaak ervan weerhouden in dergelijke projecten te investeren, uit de weg te ruimen;

14.  acht het noodzakelijk manieren te vinden om landen die niet in de strategie opgenomen zijn maar geografisch en economisch gezien dicht bij de regio aanleunen, minstens op basis van afzonderlijke en specifieke projecten erbij te betrekken; wijst in dit verband op de betekenis van grensoverschrijdende en transnationale samenwerking in het kader van het cohesiebeleid en verzoekt de lidstaten en de betrokken regio's om de bestaande optimale benaderingen op dit gebied te benutten;

15.  brengt in herinnering dat de economische crisis ingrijpende gevolgen heeft gehad voor de regio en benadrukt dat strategieën ter bevordering van het economisch herstel regelmatig moeten worden beoordeeld; wijst erop dat de landen in de regio uiteenlopende ontwikkelingsniveaus kennen en verschillende behoeften hebben; wenst dat de Commissie onderstreept hoe belangrijk het is om gunstige voorwaarden te scheppen voor het verkleinen van de sociaaleconomische verschillen tussen de landen; spreekt zijn steun uit voor hervormingen in minder ontwikkelde landen en moedigt de uitwisseling van kennis, ervaring en methodes in dit verband aan;

16.  onderstreept dat samenwerking op het gebied van cultuur, wetenschap en onderwijs moet worden aangemoedigd, vernieuwd en geïntensiveerd, onder meer door een ruimere academische mobiliteit van studenten en universiteitspersoneel; wijst erop dat wetenschap en innovatie een noodzakelijke voorwaarde zijn voor slimme, inclusieve en duurzame groei; benadrukt de onderlinge afhankelijkheid van wetenschappelijke en culturele samenwerking, enerzijds, en een positieve economische dynamiek en diversiteit en duurzaamheid van het toerisme in de regio, anderzijds;

17.  is verheugd dat het Europees Parlement vertegenwoordigd is in de bestuursorganen van de Eusair; verzoekt de Commissie om de gemeenschappelijke inspanningen van de landen in de regio (EU-lidstaten en derde landen) te analyseren en te onderzoeken of de lokale en regionale autoriteiten op doeltreffende wijze bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de strategie;

18.  verwijst naar precedenten die zich bij andere macroregionale EU-strategieën hebben voorgedaan en dringt erop aan steun te verlenen, in het kader van proefprojecten en voorbereidende acties, aan verschillende soorten maatregelen die lopen van studies tot opstartfinanciering voor de voorbereiding van projecten op verschillende prioritaire terreinen;

19.  acht het onontbeerlijk dat in de tenuitvoerleggingsfase van de strategie de algemene beginselen ervan, met name kwesties inzake milieubescherming en de optimale benutting van de natuurlijke hulpbronnen, naar behoren in aanmerking worden genomen in alle vier de pijlers, mede om te zorgen voor een holistische benadering van de gecompliceerde en uiteenlopende uitdagingen van de macroregio;

20.  onderstreept dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de in artikel 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bedoelde gebieden, zoals eilanden, berg- en landelijke gebieden, teneinde hun specifieke potentieel in kaart te brengen en te benutten, met name in de toeristische sector, met eerbiediging van de in dit verslag afgebakende gebieden voor maatregelen en prioriteiten; verzoekt de Commissie bovendien een Europees Jaar van eilanden en bergen voor te stellen;

21.  vindt dat er naar wegen moet worden gezocht waarmee de deelnemende landen andere belangrijke pijlers kunnen betrekken die ontwikkelingsvoordelen voor het gebied kunnen creëren, zoals de landbouw, gezien de specifieke geografische en klimaatomstandigheden, de biodiversiteit en het potentieel om synergetische gecoördineerde effecten en verdere groei te bewerkstelligen; beveelt aan nauwe samenwerking en coördinatie tot stand te brengen tussen in het binnenland gelegen gebieden, het kustgebied en de eilanden, teneinde synergie te ontwikkelen tussen projecten voor schone energie en de productie van gezond voedsel;

22.  vestigt de aandacht op het belang van adequate verslaglegging en evaluatie van de tenuitvoerlegging van de strategie; spoort de deelnemende landen en de Commissie in dit verband aan betrouwbare basisgegevens te verzamelen en voor elke pijler concrete doelstellingen vast te stellen, die jaarlijks worden geëvalueerd en aan het publiek beschikbaar worden gesteld;

23.  dringt aan op een geïntegreerde Europese totaalaanpak van migratie; beklemtoont dat migratie de regio voor grote uitdagingen stelt en betreurt alle tragedies in het Middellandse Zeegebied; benadrukt dat voor het aanpakken van deze uitdagingen het asielbeleid ingrijpend moet worden gewijzigd wat de solidariteit tussen de lidstaten betreft; onderstreept dat de algemene strategie inzake samenwerking met derde landen moet worden herbekeken; betreurt de ontoereikende samenwerking tussen de EU-lidstaten inzake de uitdagingen van de migratie; moedigt de uitwisseling van goede werkwijzen voor de opvang van migranten aan en dringt erop aan speciale aandacht te besteden aan de sociale en humanitaire kwesties waarmee de regio wordt geconfronteerd, met het oog op een eventuele nieuwe vaststelling van de prioriteiten van de Eusair in de toekomst;

24.  verwacht dat er een nieuwe impuls wordt gegeven ter versterking van de vrede en veiligheid in Zuidoost-Europa;

25.  roept de landen op tot uitwisseling van optimale benaderingen wat de eerbiediging van rechten van minderheden betreft, zodat de hoogste normen worden toegepast, aangezien dit bijzonder gevoelig ligt als het om taalkwesties gaat;

26.  onderstreept dat, in de diverse uitvoeringsfases, aan openbare en particuliere economische actoren, de leden van de samenleving en de diverse geledingen van het maatschappelijk middenveld een adequate opleiding moet worden geboden middels een specifiek programma met inbegrip van organisatorische en technische ondersteuning;

27.  verzoekt de Commissie om de twee jaar aan het Parlement en de Raad verslag uit te brengen over de tenuitvoerlegging van de Eusair, met het oog op de beoordeling van de werking en de toegevoegde waarde ervan wat betreft groei en banen, vermindering van verschillen en duurzame ontwikkeling;

28.  moedigt specifieke maatregelen aan ter bevordering van de sociale dimensie; onderstreept het belang van de opneming van prioriteiten en maatregelen ter ondersteuning van de inclusie van gehandicapten en ter voorkoming van alle soorten discriminatie;

Blauwe groei

29.  benadrukt dat de unieke geografische ligging en de specifieke kustlijnstructuur van de regio, samen met haar rijke mariene biodiversiteit, een enorm potentieel inhouden voor het scheppen van "blauwe" banen en voor innovatieve en duurzame economische ontwikkeling en groei, met inbegrip van blauwe technologie, visserij en aquacultuur, en betere maritieme en mariene governance en diensten;

30.  ondersteunt de blauwe economie als oplossing voor de economische crisis, aangezien deze de werkgelegenheid en economische ontwikkeling stimuleert, met bijzondere aandacht voor de werkgelegenheid onder vrouwen en jongeren in kust- en eilandstaten; is van mening dat de strategie van de EU voor de Adriatische en Ionische regio niet ten uitvoer kan worden gelegd zonder rekening te houden met het concept van de blauwe economie, dat de met de zeeën en oceanen verband houdende economische sectoren, de aquacultuur, het vervoer over zee en over de binnenwateren en het toerisme verbindt met de bescherming van het milieu;

31.  verzoekt de Commissie en de landen die bij de strategie betrokken zijn, jonge mensen niet alleen warm te maken voor de visserij en de aquacultuur in de Adriatische en Ionische regio, maar hen ook te stimuleren actief te worden in deze sector;

32.  dringt aan op beleidscoördinatie en harmonisering van de doelstellingen van de strategie, alsook op gemeenschappelijke projecten die stroken met de waarden, beginselen en doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid; pleit voorts voor ondersteuning van de ontwikkeling van een duurzame visserijsector en de productie van traditioneel en gezond voedsel; dringt aan op oprichting van plaatselijke actiegroepen voor de visserij, omdat zij een natuurlijk hulpmiddel kunnen zijn bij de diversificatie van de visserij; benadrukt dat de belanghebbenden ten behoeve van een duurzame en rendabele visserij en aquacultuur sterker betrokken moeten worden bij het algemene beheer en dat visserij-activiteiten moeten worden verbeterd en gediversifieerd;

33.  is van mening dat blauwe groei de meest uiteenlopende sectoren en bedrijven omvat en dat de ontwikkeling ervan dan ook vakkundige arbeidskrachten in al die sectoren vereist; roept de lidstaten die bij de Eusair betrokken zijn op de verschillende sectoren van blauwe groei in hun opleidingsprogramma's te promoten en daarbij rekening te houden met systemen voor een leven lang leren en opleiding voor werknemers; wijst op het complexe karakter van de activiteiten, sectoren en disciplines van de sociaaleconomische systemen die betrokken zijn bij blauwe groei, en acht het dan ook uitermate belangrijk dat lidstaten die bij de Eusair betrokken zijn, voor een arbeidsmarktbeleid kiezen dat zorgt voor een groter vermogen om in te spelen op veranderingen, innovatie en multidisciplinariteit, de opleiding van menselijk kapitaal aan te passen en de arbeidsparticipatie van vrouwen te verhogen;

34.  onderstreept het belang van een betere en echte onderlinge verbinding tussen de Europa 2020-strategie en de drie pijlers (met name de pijler blauwe groei) in de Eusair op basis van het actieplan van de Europese Commissie; beschouwt het actieplan als een van de outputs van de strategiebenadering, waarin de concrete prioriteiten voor de macroregio worden genoemd; wijst erop dat op basis hiervan acties en projecten worden geselecteerd aan de hand van een uitvoerig bottom-up-raadplegingsproces waarbij de reeks belanghebbenden uit de Adriatisch-Ionische regio zijn betrokken die de nationale, regionale en plaatselijke autoriteiten en de sociale partners vertegenwoordigen, maar ook de particuliere sector, de sociale economie, het hoger onderwijs en het maatschappelijk middenveld;

35.  is voorstander van clustervorming en samenwerking tussen openbare en particuliere bedrijven, universiteiten, onderzoeksinstellingen en andere belanghebbenden in de mariene en maritieme sectoren teneinde innovatie te stimuleren en ten volle van synergieën te profiteren; is van mening dat de acties in het kader van "blauwe groei" gebaseerd moeten zijn op de nationale en regionale onderzoeks- en innovatiestrategieën voor slimme specialisatie zodat de investeringen efficiënter en effectiever worden; roept de landen en regio's op om deel te nemen aan het S3-platform van de Commissie teneinde in aanmerking te komen voor steun voor de ontwikkeling, tenuitvoerlegging en evaluatie van slimme specialisatiestrategieën; acht het in dit verband noodzakelijk kmo's vlotter toegang tot krediet te geven en de bestaande bedrijfsnetwerken (clusters) te verbeteren via een proces van internationalisatie, met het doel nieuwe duurzame kwaliteitsbanen te scheppen;

36.  is voorstander van invoering van een gemeenschappelijk kwaliteitslabel voor kwalitatief hoogstaande visserijproducten uit de regio, teneinde hun concurrentievermogen te verbeteren;

37.  onderstreept het belang van een sociale dialoog en van de participatie van vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld in activiteiten voor capaciteitsopbouw, naast de overheid; is van oordeel dat dit zou kunnen worden bereikt door in elke lidstaat op macroregionaal en regionaal niveau een permanent platform op te zetten dat de sociale en economische partners vertegenwoordigt, zoals reeds is gebeurd voor universiteiten, kamers van koophandel en steden;

38.  benadrukt dat marien en maritiem onderzoek en een sterkere samenwerking op deze gebieden tussen onderzoekers en tussen lidstaten en regio's die bij de Eusair betrokken zijn, belangrijk zijn om de bestaande kloof tussen deze lidstaten te dichten en het concurrentievermogen van de kustgebieden en de schepping van duurzame kwaliteitsbanen ter plaatse te stimuleren;

39.  neemt met bezorgdheid kennis van de graad van uitputting van de visbestanden in de Adriatische en de Ionische Zee als gevolg van overbevissing en illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) en andere belangrijke risico's voor alle mariene levensvormen; onderstreept dat visserij een centrale plaats inneemt in de economie van kustgebieden en eilanden; vindt dan ook dat de bescherming en instandhouding van de visbestanden en mariene ecosystemen, in overeenstemming met het in het gemeenschappelijk visserijbeleid opgenomen beginsel van de maximale duurzame opbrengst, als een uiterst belangrijke doelstelling van de strategie moet worden beschouwd; onderstreept dat in de overgangsperiode de aanpassing aan de visserijbeperkingen moet worden ondersteund met subsidies voor de aankoop van nieuwe uitrusting via het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV); dringt aan op doortastende maatregelen in de vorm van de aanpassing van de visserijwetgeving van derde landen aan de EU-wetgeving, gegevensuitwisseling, gezamenlijke monitoringplatforms en meerjarige visserijbeheersplannen, en vraagt om na te denken over methoden voor het ontwikkelen van een duurzame aquacultuursector, die veel mogelijkheden biedt om door hernieuwbare energiebronnen te worden aangedreven;

40.  wijst erop dat de commerciële exploitatie van vis en schaal- en schelpdieren binnen veilige biologische grenzen moet blijven om een goede milieutoestand te bereiken en de duurzaamheid van de visindustrie op de lange termijn te waarborgen;

41.  verzoekt de Commissie de vangstvolumes van de pleziervisserij bij te houden, de pleziervisserij te reguleren en de voor de beroepsvisserij geldende grenswaarde van de maximale duurzame opbrengst (MDO) ook voor de pleziervisserij te laten gelden;

42.  dringt aan op uitgebreid onderzoek naar de visbestanden, met name van bedreigde soorten, en hun biologische interconnectie, daar het ontbreken van precieze gegevens tot onduidelijke en onbetrouwbare beoordelingen zou leiden; dringt aan op de instandhouding van natuurlijke bevruchting;

43.  dringt aan op de beoordeling en bevordering van projecten die tot doel hebben de invloed van indirecte visserij (spooknetten, inrichting voor de mosselteelt) en van de bijvangst van beschermde soorten in te schatten, in de wetenschap dat alleen al in de Adriatische Zee naar schatting meer dan 40 000 zeeschildpadden als bijvangst worden binnengehaald; is van mening dat er dringend behoefte is aan milieustudies en onderzoek naar maatregelen om iets aan dit probleem te doen (zoals het gebruik van zogenaamde "turtle excluder devices");

44.  dringt aan op resolute steun voor de scheepsbouw, met inbegrip van de pleziervaartsector, en vraagt daarbij bijzondere aandacht te besteden aan modernisering en specialisatie met het oog op het scheppen van werkgelegenheid en aanpassing aan de vereisten van duurzame en concurrerende groei die aansluit bij blauwe technologie;

45.  dringt aan op grote steun voor productiegebieden, samenwerkingsverbanden en samenwerking tussen gebieden in de verschillende delen van de macroregio; moedigt de uitwisseling van goede werkwijzen aan, uitgaande van de voornaamste ervaringen in de sector en die van andere regio's die dezelfde benadering willen kiezen ter bevordering van het opzetten van productiegebieden;

46.  onderstreept dat het belangrijk is de recreatieve sport- en familiale visserij te ondersteunen en te bevorderen met een geïntegreerd beleid voor visserij en toerisme (visserij en vistoerisme, maricultuur), met name op de eilanden, om de lokale culturele tradities en de maritieme levensstijl van de eilandbewoners en kleine kustlocaties in stand te houden; moedigt duurzame, kleinschalige en traditionele kustvisserij en aquacultuur aan, in combinatie met een gediversifieerd culinair aanbod en reclame voor plaatselijke vismarkten, als beste manier om duurzaamheid te waarborgen en meer steun te bieden aan toeristische activiteiten in de kustgebieden;

47.  wenst dat de Commissie zich ervoor inzet de visserij en de werknemers in de visserijsector (meer) te betrekken bij projecten met betrekking tot cultuurtoerisme en erfgoedtoerisme, met inbegrip van de visserij en de herontdekking van de zeevaart, traditionele visgronden en oude visserijambachten;

48.  onderstreept het belang van de sociale economie en van vrouwelijk ondernemerschap bij het bereiken van "blauwe groei" en roept de bij de Eusair betrokken lidstaten op de participatie van vrouwen in alle relevante sectoren aan te moedigen en te steunen; wijst op de essentiële rol van kleine en micro-ondernemingen in de betrokken regio's en gebieden en verzoekt de bij de Eusair betrokken lidstaten een actief beleid te voeren voor de bevordering van dergelijke vormen van economische bedrijvigheid;

49.  steunt de maatregelen om de hydrogeologische risico's en de kusterosie te beperken;

50.  onderstreept het belang van onderzoek en moedigt aanzienlijke steun voor mariene en maritieme gebieden aan;

51.  benadrukt dat de ontwikkeling van aquacultuur en maricultuur een belangrijke rol kan spelen, niet alleen voor het herstel van de biodiversiteit maar ook voor de economische groei van de Adriatische en Ionische regio;

52.  dringt bij de Commissie aan op intensivering van de uitwisseling van goede werkwijzen, zoals de duurzaamheid van door kustactiegroepen ontwikkelde projecten;

Connectiviteit van de regio

53.  merkt op dat betere vervoers- en energieverbindingen tussen de deelnemende landen onderling en met de andere buurlanden, met inbegrip van het vervoer over zee, intermodale verbindingen met het achterland, en energienetten een dwingende noodzaak voor de macroregio zijn en een voorwaarde voor de economische en sociale ontwikkeling ervan; wijst op het gebrek aan verbindingen tussen beide kusten van de Adriatische Zee en op de kloof in de netwerkinfrastructuur in het Adriatisch-Ionisch gebied;

54.  dringt aan op stimulansen voor het creëren van duurzame vervoersverbindingen waarmee de reistijden, de logistieke en vervoerskosten en de externe effecten worden verminderd; dringt aan op grote strategische werken in verband met de interactie zee-land om mogelijkheden voor het intermodaal vervoer tussen de landen te scheppen, bij te dragen tot de samenhang, het gehele netwerk uit te breiden en de congestie op de weg en dus de CO2-uitstoot te verminderen; vestigt de aandacht erop dat de maritieme en de havendimensie van het cabotagevervoer, van snelwegen op zee en van cruises tussen de beide kusten van de Adriatische zee, zowel op de noord-zuidroutes als op de transversale oost-westroutes, moeten worden verbeterd; stipt aan dat er meer coördinatie nodig is om opstoppingen in het zeevervoer te voorkomen en het beheer en de controle ervan te verbeteren;

55.  zou graag zien dat er gebruik wordt gemaakt van de verordening betreffende de monitoring, de rapportage en de verificatie van kooldioxide-emissies door maritiem vervoer (Verordening (EU) 2015/757) voor de innovatie en totstandbrenging van duurzaam maritiem vervoer in de macroregio door gebruik te maken van alternatieve motoren voor de voortstuwing van schepen en alternatieve brandstoffen om de broeikasgasemissies te verminderen en de energie-efficiëntie in de vervoerssector te verbeteren;

56.  onderstreept dat het belangrijk is scheepvaartroutes en havens met andere delen van Europa te verbinden, en wijst op het belang van interconnecties met de TEN-T-corridors; roept de deelnemende landen op hun inspanningen te richten op de uitvoering van projecten van het huidige TEN-T-netwerk en andere werkzaamheden voor de voorgestelde uitbreiding ervan naar Zuidoost-Europa/de Oost-Adriatische kust, waarmee de netwerkkloof in de Adriatisch-Ionische regio kan worden gedicht; verzoekt de betrokken landen daarom prioritaire infrastructuurprojecten met regionale en Europese meerwaarde in kaart te brengen en stelt voor onder meer aandacht te besteden aan de volgende punten:

   i) de voltooiing van de Baltisch-Adriatische corridor, met inbegrip van de uitbreiding van de volledige Ionisch-Adriatische hoofdverbinding,
   ii) de noord-zuiduitbreiding van de Scandinavisch-mediterrane corridor,
   iii) de totstandbrenging van een corridor voor goederenvervoer per spoor tussen de Alpen en de Westelijke Balkan,
   iv) een betere verbinding tussen het Iberisch schiereiland, midden-Italië en de Westelijke Balkan,
   v) de verwezenlijking van een wegverbinding in de Balkan tussen havens en in het binnenland, alsook een verbinding met de Rijn-Donaucorridor,
   vi) een verbetering van de havenvoorzieningen voor betere verbindingen tussen beide kusten van de Adriatische Zee, en de uitwerking van een gezamenlijke strategie door de besturen van de noord-Adriatische havens voor een ruimere voorziening van Midden-Europa met geïmporteerde goederen;

57.  dringt erop aan de capaciteit van het bestaande infrastructuurnet te optimaliseren, waarbij speciaal moet worden gelet op de huidige weg- en spoorwegverbindingen in de macroregio, met inbegrip van het aansluitingsvervoer; benadrukt dat de Adriatisch-Ionische snelweg zo vlug mogelijk moet worden voltooid, daar die de economische en sociale ontwikkeling van de macroregio zal aanzwengelen; onderstreept het belang van de nieuwe corridors die snelwegen, spoorwegen en andere infrastructuur aan beide kanten van de Adriatisch-Ionische regio omvatten; stipt aan dat er meer coördinatie nodig is om opstoppingen in het zeevervoer te voorkomen en het beheer en de controle ervan te verbeteren;

58.  dringt aan op de ontwikkeling van hogesnelheidsspoorweginfrastructuur ten behoeve van de interconnectie van de macroregio en betere verbindingen met en binnen de EU; wijst erop dat het belangrijk is de spoorwegverbindingen tussen de Adriatische en de Ionische regio alsook tussen de Tyrrheense en de Adriatisch-Ionische kust te verbeteren;

59.  roept de deelnemende landen op hun infrastructuur voor zee-, spoor- en luchtvervoer te verbeteren, in de macroregio snelwegen op zee te ontwikkelen en daarbij intermodale vervoersmiddelen te combineren, met name om het achterland te verbinden, alsmede de vervoerslogistiek te verbeteren en hierbij optimaal gebruik te maken van de meest geavanceerde technologieën en altijd een hoog niveau van veiligheid en ecologische duurzaamheid in acht te nemen; roept de deelnemende landen ook op na te gaan welke mogelijkheden er zijn ter verbetering van de connectiviteit met instrumenten voor e-mobiliteit die een internationale e-ticketingdienst mogelijk kunnen maken;

60.  wijst op het gebrek aan doeltreffende verbindingen met de eilanden; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan betere verbindingen te bevorderen door naar nieuwe, gecoördineerde opties met meerwaarde te zoeken, het gebruik van goederen- en passagiersroutes te optimaliseren en particuliere en publieke belanghebbenden bij een en ander te betrekken, teneinde de levenskwaliteit te vergroten, de ontvolking te stoppen en de sociaal-economische opportuniteiten in deze gebieden te benutten; onderstreept dat de interne verbindingen en de vervoersinfrastructuur op de eilanden moeten worden verbeterd met het oog op een duurzame interne mobiliteit; benadrukt tevens dat moet worden gezorgd voor passende gezondheids- en onderwijsprogramma's ten behoeve van de eilandbewoners, gedurende het hele jaar;

61.  dringt aan op de verwezenlijking van grote projecten voor intermodale verbindingen op de eilanden en wenst met name grote steun voor de uitbreiding van strategisch belangrijke luchthavens, zowel wat infrastructuur als wat nieuwe routes naar andere gebieden in de macroregio betreft;

62.  verzoekt de deelnemende landen zich te blijven inspannen om de bronnen van energievoorziening te diversifiëren, daar dit niet alleen de energiezekerheid van de macroregio zal verbeteren maar ook voor meer concurrentie zal zorgen en de energie-armoede zal helpen bestrijden, wat belangrijke voordelen voor de economische en sociale ontwikkeling van de regio met zich mee zal brengen; benadrukt dat de milieugevolgen van maatregelen in de energiesector grondig moeten worden beoordeeld; onderstreept dat het belangrijk is gezamenlijk investeringen te plannen in de ontwikkeling van terminals voor vloeibaar aardgas (LNG) en in de ontbrekende gasnetwerken in de macroregio, en daarmee bij te dragen aan de totstandbrenging van een grotere mate van onafhankelijkheid en meer energiezekerheid; spreekt zich verder uit voor maatregelen om de energie- en hulpbronnenefficiëntie te verbeteren en op die manier bij te dragen tot concurrentievermogen;

63.  spoort aan tot het ontwikkelen van energie-infrastructuur die het mogelijk maakt de koolstofvoetafdruk te verkleinen, de energie-efficiëntie te verbeteren en de energiezekerheid van de macroregio en daarbuiten te garanderen; wijst er voorts op dat het concept van slimme steden moet worden ontwikkeld en bevorderd om toegevoegde waarde te verlenen aan de huidige algemene energie-infrastructuur van de macroregio;

64.  erkent het grote potentieel van onderbenutte hernieuwbare energiebronnen in de macroregio; dringt erop aan de beschikbare hernieuwbare energiebronnen, zoals zonne- en windenergie, getijdenenergie (indien technisch haalbaar) en golfslagenergie, te benutten in de energieproductiemix; wijst op de duurzaamheid en het concurrentievermogen van mogelijke waterkrachtcentrales in alle deelnemende landen; roept de deelnemende landen op bij te dragen aan de totstandbrenging van een goed functionerende en onderling verbonden gas- en elektriciteitsmarkt in de macroregio die gelijke toegang tot goedkope en betaalbare energie garandeert; onderstreept dat het belangrijk is de grensoverschrijdende energie-interconnecties te versterken ter ondersteuning van investeringen in de energiesector, wat een belangrijke voorwaarde is voor integratie in het energienet van de EU, alsmede belemmeringen voor grensoverschrijdende investeringen in de energiesector weg te nemen;

65.  staat achter gezamenlijke planning en investeringen in energie-infrastructuur voor de productie en het vervoer van elektriciteit en gas in de macroregio, in overeenstemming met het TEN-E-netwerk, met het oog op de uitvoering van de concrete projecten die vermeld zijn in de lijst van projecten die van belang zijn voor de Energiegemeenschap (PBEG's);

66.  is bezorgd over de nieuwe impuls voor de exploratie en exploitatie van olie en gas op zee en op het land, waardoor de macroregio dreigt te worden blootgesteld aan het risico van rampen met ernstige gevolgen voor het milieu, de economie, met inbegrip van de visserijsector, en de volksgezondheid; benadrukt dat dergelijke activiteiten in overeenstemming moeten zijn met de regels en de richtlijnen van de Unie inzake klimaat en hernieuwbare energie; benadrukt dat de Adriatische Zee een gesloten, ondiepe zee is die slecht in staat is verontreinigende stoffen af te voeren en aan beide oevers een bloeiende toeristische economie kent en dat de groei van de macroregio in de eerste plaats moet afhangen van het toerisme en van economische activiteiten die verband houden met de specifieke ecologische kenmerken en het specifieke ecosysteem van deze zee; benadrukt dat de EU-wetgeving en internationale verdragen op het gebied van milieuduurzaamheid en de veiligheid van activiteiten op zee consequent ten uitvoer moeten worden gelegd; dringt aan op de volledige tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn mariene strategie (Richtlijn 2008/56/EG) en de richtlijn betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten (Richtlijn 2013/30/EU);

67.  dringt aan op de vastlegging van gemeenschappelijke Europese normen voor de vervoersveiligheid in de Adriatisch-Ionische macroregio;

68.  onderstreept dat grensoverschrijdende luchtdiensten moeten worden bevorderd middels de uitvoering van gemeenschappelijke projecten die zijn bedoeld om de verbindingen binnen de macroregio te waarborgen en te intensiveren;

Milieukwaliteit

69.  wijst op de rijkdom van de mariene, kust- en terrestrische ecosystemen van de deelnemende landen; merkt op dat de Adriatische Zee bijna de helft (49 %) van alle geregistreerde mariene soorten in de Middellandse Zee herbergt en de meest ongewone subregio van de Middellandse Zee vormt vanwege haar ondiepe wateren en geringe stroming en de grote invloed van rivieren; dringt aan op gezamenlijke inspanningen teneinde alle mogelijke maatregelen te treffen, zoals het gebruik van schone brandstoffen voor het zeevervoer en de logistiek, om de biodiversiteit van het mariene milieu en de transnationale habitats op het land in stand te houden en de vervuiling van de zee en andere bedreigingen van de biodiversiteit in mariene en kustgebieden te voorkomen en terug te dringen; benadrukt hoe belangrijk het is dat bedreigde zee- en landfauna en -flora, waaronder de mediterrane monniksrob, de grotsalamander, de lynx, de vale gier en andere soorten, worden beschermd, en roept de deelnemende landen op passende maatregelen te treffen om deze doelstelling te verwezenlijken;

70.  dringt aan op de uitwisseling van optimale benaderingen tussen de deelnemende landen op het gebied van beheer van het natuurlijk en cultureel erfgoed, waaronder Natura 2000-gebieden en Unesco-locaties, met het doel duurzame toeristische attracties te creëren;

71.  verzoekt alle deelnemende landen hun krachten te bundelen bij de uitvoering van maritieme ruimtelijke ordening, overeenkomstig Richtlijn 2014/89/EU tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning, en geïntegreerd kustbeheer en daar diverse belanghebbenden (nationale, regionale en lokale autoriteiten, de plaatselijke bevolking, wetenschappers, ngo's, enz.) bij te betrekken; is van mening dat een passend gezamenlijk beheer van de maritieme ruimte een belangrijk kader biedt voor het duurzame en transparante gebruik van maritieme en mariene hulpbronnen;

72.  wijst erop dat het belangrijk is de rivieren en meren in het Adriatisch-Ionisch gebied te beschermen en in stand te houden;

73.  wijst erop dat de historische en grensoverschrijdende vervuiling verantwoordelijk moet worden aangepakt en dat gebieden waar de bodem, het water en de lucht door de industrie of als gevolg van militaire conflicten vervuild zijn, moeten worden gesaneerd; ondersteunt alle actieve maatregelen om de vervuiling van de zee door chemische en conventionele wapens terug te dringen; staat achter de terugdringing en uiteindelijk volledige verwijdering van zwerfvuil op zee, overeenkomstig de kaderrichtlijn mariene strategie, met name met betrekking tot de vervuiling door afval op de Adriatische eilanden;

74.  is bezorgd over de schade die wordt veroorzaakt door in zee gedumpt plastic afval; roept de Commissie op initiatieven te steunen die gericht zijn op het verzamelen en recyclen van dit afval; benadrukt dat bij dit proces ook vissers moeten worden betrokken;

75.  roept de landen op uitvoerige plannen voor hergebruik van voormalige militaire en industrieterreinen te ontwikkelen en uit te voeren; benadrukt dat deze locaties niet alleen een gevaar vormen voor het milieu, maar ook een significant economisch potentieel bieden dat niet wordt benut;

76.  roept ertoe op de verhuizing van industrie uit stadscentra en kustgebieden aan te moedigen, met het doel de levenskwaliteit te verbeteren;

77.  dringt erop aan dat alle beschikbare instrumenten worden gebruikt om de beste oplossingen voor afvalbeheer en afvalwaterzuivering in de regio toe te passen, overeenkomstig Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater in de lidstaten van de EU;

78.  vestigt de aandacht op de verschillende natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen die de regio de afgelopen jaren getroffen hebben; wijst op het probleem van ontbossing en andere risico's die samenhangen met klimaatverandering; onderstreept dat bij de tenuitvoerlegging van het actieplan en de prioriteiten van elke pijler de horizontale beginselen voor de beheersing van risico's van natuurrampen en de aanpassing aan de klimaatverandering volledig moeten worden toegepast; moedigt samenwerking tussen de hydrometeorologische instituten van de landen aan inzake de aanpak van extreme weerssituaties, de gevolgen van klimaatverandering en rampenrisicobeheer; erkent dat de sectoren water, landbouw en toerisme het meest kwetsbaar zijn voor klimaatverandering en moedigt daarom samenwerking tussen de nationale autoriteiten aan, teneinde een kader en steunmechanisme in te stellen voor de uitvoering van aanpassings- en mitigatiemaatregelen;

79.  onderstreept dat de emissies van broeikasgassen, met name in de sector zeevervoer, moeten worden verminderd;

80.  benadrukt dat de toegang tot watervoorraden geografisch gezien en naargelang het seizoen verschilt en voor problemen zorgt, met een duidelijk tekort aan water op de eilanden en in de kustgebieden in de zomer, wanneer de vraag naar water als gevolg van de instroom van grote aantallen toeristen tot een veelvoud stijgt;

81.  dringt aan op de oprichting van een regionaal centrum voor rampenparaatheid, samen met een gezamenlijk rampenplan voor olielekkage en grootschalige vervuiling, teneinde een systeem voor vroegtijdige waarschuwing tot stand te brengen ter voorkoming van natuurrampen en door industriële, vervoers- en andere activiteiten veroorzaakte rampen, zoals overstromingen, branden en ontginningsactiviteiten in de Adriatische regio; benadrukt dat dit centrum rechtstreeks gekoppeld zou moeten zijn aan het EU-mechanisme voor burgerbescherming; onderstreept dat het belangrijk is het ecosysteem en de biodiversiteit van de regio te behouden via een beter inzicht en de uitwisseling van goede werkwijzen;

82.  roept de landen die niet tot de EU behoren op de tenuitvoerlegging van het sectorale acquis (zoals de kaderrichtlijn water) te bespoedigen met het oog op hun toekomstige toetreding tot de Unie;

83.  dringt er bij de lidstaten op aan dat zij de bevoegde autoriteiten van de buurlanden en de plaatselijke gemeenschappen in de macroregio raadplegen, vooral waar het gaat om economische activiteiten die onder een milieueffectbeoordeling vallen overeenkomstig Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten;

Duurzaam en concurrerend toerisme

84.  onderstreept het cruciale belang van toerisme voor de Europese economie en de ontwikkeling van sociale cohesie binnen de EU, met name voor de mediterrane landen en voor de regio als geheel; onderstreept dar er nieuwe benaderingen moeten worden uitgewerkt die helpen het seizoenskarakter te corrigeren en zijn afgestemd op de gevolgen en duurzaamheid van het toerisme ten aanzien van het milieu; dringt aan op meer steun voor de financiering van toeristische projecten uit de ESI-fondsen en andere bronnen;

85.  dringt erop aan dat de grensoverschrijdende wegverbindingen met spoed worden verbeterd teneinde het concurrentievermogen van de toeristische sector te vergroten, daar slechte verbindingen voor verkeersknelpunten en lange wachttijden zorgen; wijst erop dat de bestaande luchtvaartinfrastructuur en de maritieme verbinding tussen de twee kusten van de Adriatische Zee met het oog op het toerisme moeten worden verbeterd;

86.  beklemtoont dat het gebruik van reeds bestaande luchthavens in de macroregio moet worden gestimuleerd om een te grote concentratie van passagiers in een paar grote luchthavens te voorkomen en duurzame en evenwichtigere toeristenstromen op verschillende plaatsen te bevorderen;

87.  beschouwt het rijke cultureel en natuurlijk erfgoed van de regio (waaronder culturele activiteiten zoals film, theater en muziek) als een sterke troef, waarop de toeristische sector gestoeld is; wijst op het grote aantal beschermde Unesco-locaties en Natura 2000-gebieden in alle deelnemende landen; is van mening dat het potentieel van toerisme, ondanks de aanzienlijke bijdrage van deze sector aan de economie, niet volledig wordt benut, met name vanwege de sterke seizoensafhankelijkheid en tekortkomingen op het gebied van innovatie, duurzaamheid, vervoersinfrastructuur, de kwaliteit van het toerismeaanbod, de vaardigheden van de deelnemende belanghebbenden en het verantwoordelijk beheer van toerisme; verzoekt de deelnemende landen beleid vast te stellen waarmee toereikende verbindingen en toeristenfaciliteiten worden aangeboden, ook buiten het zomerseizoen, teneinde de toeristenstromen te diversifiëren en in alle seizoenen voor een constante aanwezigheid van toeristen te zorgen; onderstreept hoe belangrijk het is toerisme met het natuurlijke, culturele en artistieke erfgoed te combineren;

88.  spoort de lidstaten aan oplossingen voor duurzame mobiliteit in de toeristische sector te bevorderen en aldus de kwaliteit van en de keuze aan toeristische diensten te verbeteren;

89.  beseft hoe belangrijk nationale parken, natuurgebieden en beschermde gebieden zijn als grondslagen voor de toekomstige educatie van burgers op het vlak van milieubescherming en bestrijding van klimaatverandering;

90.  onderstreept dat samenwerking tussen de landen van essentieel belang is voor de verdere ontwikkeling van het toerisme in de regio; pleit voor de formulering van strategieën ter bevordering van het toerisme in de Adriatische en Ionische regio die gebaseerd zijn op duurzaamheid en de landen in staat stellen van synergieën te profiteren en gemeenschappelijke problemen op macroregionaal niveau aan te pakken; meent dat samenwerking nodig is om meer bekendheid te geven aan bestemmingen in de Adriatische en Ionische regio;

91.  dringt er bij de Europese Commissie, de deelnemende landen en de plaatselijke en regionale autoriteiten op aan maatregelen te nemen die de belanghebbenden ertoe aanzetten de toerisme-infrastructuur te verbeteren;

92.  onderstreept het belang van steun voor culturele en creatieve activiteiten en met name de ontwikkeling en de integratie van zakelijke activiteiten op het vlak van muziek, theater, dans en film; dringt aan op de organisatie van festivals, congressen en culturele manifestaties waarmee de integratie wordt bevorderd;

93.  wijst erop dat kmo's vlotter toegang moeten krijgen tot steun en financiering omdat zij van doorslaggevend belang zijn voor de toeristische sector; spoort de belanghebbenden in de regio aan om deel te nemen aan het Enterprise Europe Network teneinde ervaringen uit te wisselen, contacten te leggen en partners aan de andere kant van de grens te vinden;

94.  onderstreept het belang van projecten voor slimme specialisatie en slimme gemeenschappen middels de benutting van bestaande platformen voor innovatie, waaronder het creëren van een Adriatisch-Ionisch gebied voor creativiteit;

95.  steunt de ontwikkeling van een gediversifieerd toerismeaanbod met toeristische themaparken en -routes alsmede cultureel, plattelands-, gezondheids-, medisch, water-, gastronomisch, wijn-, conferentie- en sporttoerisme, met inbegrip van fietsen, golfen, duiken, wandelen, skiën, bergbeklimmen en buitensporten, om het toerisme gedurende het gehele jaar te bevorderen en het concurrentievermogen van de toeristische bestemmingen te vergroten, uitgaande van duurzaamheid; steunt de ontwikkeling van plattelandstoerisme om de druk op de belangrijke toeristische centra en de nauwe kuststrook te verlichten en van het seizoensgebonden karakter te helpen afkomen; steunt de uitbreiding van toeristische activiteiten naar het achterland waarbij geïntegreerde toeristische producten worden gecreëerd die de belangrijkste attracties van de macroregio en haar hoofdsteden omvatten;

96.  onderstreept hoe belangrijk het is dat toerismebeheer en infrastructuur samenhang vertonen en benadrukt dat de kwaliteit en diversiteit van diensten en kansen moet worden verbeterd, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de regio; onderstreept tevens het belang van de bevordering en de instandhouding van lokale en regionale tradities;

97.  onderstreept dat het belangrijk is alternatieve routes en bedrijfsmodellen te verkennen en cruisepakketten beter af te stemmen op de lokale bevolking en lokale producten, zodat niet-duurzame congestie doeltreffender kan worden aangepakt en het volledige potentieel beter kan worden benut, hetgeen meer blijvende economische voordelen voor de lokale economie oplevert; erkent het belang van de ontwikkeling en profilering van macroregionale toeristische routes door middel van het in kaart brengen en promoten van bestaande routes;

98.  steunt de exploitatie van de meest representatieve troeven van het gebied voor toeristische doeleinden en de ontwikkeling van programma's voor reclame en marketing;

99.  onderstreept de noodzaak van een daadwerkelijke intermodaliteit van het vervoer, die wordt gekenmerkt door een geïntegreerd netwerk van diensten en onderlinge verbindingen teneinde een milieuvriendelijk toerisme van goede kwaliteit te ontwikkelen;

100.  dringt aan op het opstellen van een Adriatisch-Ionisch handvest met criteria, beginselen en richtsnoeren voor de bevordering van duurzaam toerisme middels de toepassing van ETIS (European Tourism Indicator System), aan de hand waarvan toeristische bestemmingen worden beoordeeld om hun duurzame ontwikkeling te verbeteren;

o
o   o

101.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de landen die aan de Eusair deelnemen (Kroatië, Griekenland, Italië, Slovenië, Albanië, Bosnië en Herzegovina, Montenegro en Servië).

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.
(3) PB C 349 E van 29.11.2013, blz. 1.

Juridische mededeling