Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 15 april 2015 - BrusselDefinitieve uitgave
Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2014/017 FR/Mory-Ducros - Frankrijk
 Besluit tot instelling van het Comité voor sociale bescherming *
 Besluit tot instelling van het Comité voor de werkgelegenheid *
 Wijziging van het MFK 2014-2020 ***
 Honderd jaar na de Armeense volkerenmoord
 Internationale Dag van de Roma - zigeunerhaat in Europa en erkenning door de EU van de herdenkingsdag van de genocide op Roma tijdens WO II

Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2014/017 FR/Mory-Ducros - Frankrijk
PDF 304kWORD 60k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 15 april 2015 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2014/017 FR/Mory-Ducros, ingediend door Frankrijk) (COM(2015)0068 – C8-0058/2015 – 2015/2056(BUD))
P8_TA(2015)0090A8-0124/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0068 – C8-0058/2015),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12 hiervan,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13 hiervan,

–  gezien de resultaten van de trialoog waarin punt 13 van het IIA van 2 december 2013 voorziet,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0124/2015),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd op het overleg van 17 juli 2008, en met eerbiediging van het IIA van 2 december 2013 wat betreft het nemen van besluiten om middelen beschikbaar te stellen uit het EFG;

C.  overwegende dat de vaststelling van de nieuwe EFG-verordening vorm geeft aan de overeenkomst tussen het Parlement en de Raad om het criterium "crisisafwijking" opnieuw in te voeren, de financiële bijdrage van de Unie te verhogen tot 60 % van de totale geraamde kosten van de voorgestelde maatregelen, de efficiëntie voor de behandeling van EFG-aanvragen in de Commissie en door het Parlement en de Raad te verhogen door de termijn voor beoordeling en goedkeuring te verkorten, de subsidiabele acties en begunstigden uit te breiden door zelfstandigen en jongeren toe te voegen en stimuleringsmaatregelen voor de oprichting van een eigen bedrijf te financieren;

D.  overwegende dat Frankrijk aanvraag EGF/2014/017 FR/Mory-Ducros heeft ingediend om middelen ter beschikking te stellen uit het EFG, naar aanleiding van 2 513 gedwongen ontslagen bij Mory-Ducros SAS, actief in afdeling 49 van de NACE Rev. 2 ("Vervoer te land en vervoer via pijpleidingen") met ontslagen gespreid over 84 vestigingen in heel Europees Frankrijk;

E.  overwegende dat de aanvraag voldoet aan de subsidiabiliteitscriteria van de EFG-verordening;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening en dat Frankrijk bijgevolg recht heeft op een financiële bijdrage op grond van die verordening;

2.  stelt vast dat de Franse autoriteiten de aanvraag voor een financiële bijdrage uit het EFG op 6 oktober 2014 hebben ingediend en dat de beoordeling daarvan door de Commissie op 23 februari 2015 is gepubliceerd; acht het verheugend dat de beoordeling binnen vijf maanden kon worden afgerond;

3.  wijst erop dat de totale kosten 10 087 000 EUR bedragen, waarvan 35 000 EUR bestemd is voor de controle en certificering, en dat de financiële bijdrage van het EFG 6 052 200 EUR bedraagt, wat goed is voor 60% van de totale kosten;

4.  is van oordeel dat de ontslagen bij Mory-Ducros SAS verband houden met de algemene daling van de fysieke output in Europa, die heeft geleid tot minder te vervoeren volume hetgeen vervolgens een prijzenoorlog in het wegvervoer heeft veroorzaakt, met als resultaat een gestage afkalving van de exploitatiemarges en een aantal verliezen voor de sector in Frankrijk sinds 2007; stelt vast dat dit gevolgd werd door een golf van faillissementen, waaronder van Mory-Ducros; concludeert dat deze gebeurtenissen een rechtstreeks gevolg zijn van de wereldwijde financiële en economische crisis;

5.  benadrukt dat als deel van de regeling na de sluiting van Mory-Ducross SAS een nieuw opgerichte entiteit genaamd MORY Global 50 van de in totaal 84 agentschappen en 2 107 van de in totaal 4 911 werknemers overnam, waardoor 2 804 werknemers feitelijk werkloos werden;

6.  benadrukt dat ruim 17% van de beoogde begunstigden van de voorgestelde acties in de leeftijdsgroep 55-64 valt en dat hun deelname aan de voorgestelde steunmaatregelen hen zou helpen om te ontsnappen aan langdurige werkloosheid en sociale uitsluiting;

7.  stelt vast dat voor de sector "Vervoer te land en vervoer via pijpleidingen" een andere EFG-aanvraag (EGF/2011/001 AT/Niederösterreich-Oberösterreich) ingediend is, die eveneens op de wereldwijde financiële en economische crisis gebaseerd was;

8.  is ingenomen met het feit dat de Franse autoriteiten op 24 februari 2014 hebben besloten met de uitvoering van de individuele diensten voor de getroffen werknemers te beginnen om de werknemers snel bijstand te verlenen, ruimschoots vooruitlopend op het besluit over en de aanvraag voor toekenning van EFG-steun voor het voorgestelde gecoördineerde pakket;

9.  constateert dat de individuele dienstverlening die aan de ontslagen werknemers zal worden verstrekt, slechts uit één actie bestaat, uit te voeren door een "one-stop shop" (cellule de reclassement), beheerd door twee gecontracteerde agentschappen; merkt op dat Frankrijk slechts vraagt om financiering uit het EFG voor deze "one-stop shop"; verwacht dat de Commissie en de Franse autoriteiten zich nauwgezet zullen houden aan het beginsel dat betalingen aan de bureaus per tranche plaatsvinden, op basis van bereikte resultaten;

10.  constateert dat de drie contractanten die verantwoordelijk zijn voor de "cellule de reclassement", door de curator geselecteerd werden na overleg met de vertegenwoordigers van de ontslagen werknemers, met het doel een zo groot mogelijk deel van Europees Frankrijk te bedienen en de re-integratie op de arbeidsmarkt te garanderen voor zo veel mogelijk werknemers voor wie steun wordt aangevraagd;

11.  is van mening dat het houden van toezicht op de activiteiten van de bureaus door middel van geregelde schriftelijke verslagen waarborgt dat de EFG-middelen op de juiste wijze worden ingezet om de deelnemers een individueel carrièreperspectief te bieden, naast een toereikend aantal aanbiedingen voor werk en begeleiding bij de oprichting van bedrijven, in het kader van het one-stop shop-systeem;

12.  herinnert eraan dat EFG-steun bedoeld is om de werknemers met behulp van opleidingen bij te staan bij het vinden van een nieuwe baan en in geen geval om steun te verlenen aan de agentschappen en hun administratieve kosten;

13.  constateert dat de taak van de contractanten bestaat uit het bijstaan en begeleiden van de ontslagen werknemers en hen helpen oplossingen te vinden om op de arbeidsmarkt te blijven en een nieuwe baan te vinden;

14.  wijst erop dat werknemers in de leeftijdsgroep 55 tot 64 jaar een groter risico lopen op langdurige werkloosheid en uitsluiting van de arbeidsmarkt; is daarom van mening dat deze werknemers specifieke behoeften hebben waar bij de individuele dienstverlening aandacht aan moet worden besteed;

15.  herinnert eraan dat in artikel 7 van de EFG-verordening is bepaald dat bij het samenstellen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening rekening moet worden gehouden met toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vaardigheden die daarvoor vereist zullen zijn, en dat het gecoördineerde pakket gericht dient te zijn op de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie;

16.  is ingenomen met het gebruik van middelen uit het Europees Sociaal Fonds voor verdere actieve maatregelen (zoals verlengde opleidingen), die niet zijn opgenomen in de aanvraag van Frankrijk;

17.  betreurt het dat geen middelen zijn vrijgemaakt voor maatregelen inzake voorlichting en promotie van het EFG; is van mening dat het geven van voorlichting en informatie over deze acties van belang is, niet alleen om begunstigden aan te trekken, maar ook om de activiteiten van de Unie op sociaal gebied voor het voetlicht te brengen;

18.  verwacht dat de Franse autoriteiten zich zullen houden aan de bepalingen van de EFG-verordening wat betreft de informatie over en publicatie van de gefinancierde acties, ondanks het feit dat de autoriteiten geen aanvraag hebben ingediend voor de financiering van voorbereidende activiteiten, beheer en informatie en publiciteit;

19.  merkt op dat de informatie die is verstrekt over het gecoördineerde pakket van individuele diensten waarvoor EFG-middelen worden aangevraagd, gegevens bevat over de complementariteit met acties die worden gefinancierd uit de structuurfondsen; benadrukt dat de Franse autoriteiten bevestigen dat voor de subsidiabele acties geen steun uit andere financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om in haar jaarverslagen een vergelijkende evaluatie van deze gegevens op te nemen zodat de bestaande verordeningen volledig in acht worden genomen en te voorkomen dat door de Unie gefinancierde diensten dubbel worden aangeboden;

20.  waardeert de verbeterde procedure die de Commissie op verzoek van het Parlement in het leven heeft geroepen om de toekenning van subsidies te versnellen; neemt nota van de tijdsdruk die het nieuwe tijdschema met zich meebrengt, en van de mogelijke gevolgen voor de doeltreffendheid van de afhandeling van het dossier;

21.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

22.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie samen met de bijlage te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag EGF/2014/017 FR/Mory-Ducros, ingediend door Frankrijk)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2015/738.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


Besluit tot instelling van het Comité voor sociale bescherming *
PDF 216kWORD 54k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 april 2015 over het voorstel voor een Besluit van de Raad tot instelling van het Comité voor sociale bescherming en tot intrekking van Besluit 2004/689/EG (05126/2015 – C8-0025/2015 – 2015/0802(CNS))
P8_TA(2015)0091A8-0066/2015

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (05126/2015),

–  gezien artikel 160 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0025/2015),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0066/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in zijn ontwerp;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Ontwerp van de Raad   Amendement
Amendement 1
Ontwerpbesluit
Overweging 3
(3)   De Raad heeft in zijn conclusies van 17 december 1999 betreffende de versterking van de samenwerking voor de modernisering en verbetering van de sociale bescherming2, het voorstel van de Commissie gesteund om een mechanisme in te stellen voor een betere samenwerking op basis van de werkzaamheden van een groep van ambtenaren op hoog niveau met het oog op de uitvoering van dit geheel van maatregelen. De Raad heeft erop gewezen dat deze vorm van samenwerking alle vormen van sociale bescherming zal moeten bestrijken en de lidstaten, waar nodig, van nut moet zijn bij het verbeteren en versterken van hun sociale beschermingsstelsels, in overeenstemming met hun nationale prioriteiten. De Raad heeft voorts in herinnering gebracht dat de organisatie en financiering van de sociale bescherming een bevoegdheid van de lidstaten is en heeft de vier algemene doelstellingen onderschreven die de Commissie in het kader van de algehele uitdaging tot modernisering van de sociale beschermingsstelsels heeft vastgesteld, namelijk het lonend maken van werk en het bieden van een vast inkomen, het veiligstellen van pensioenen en het betaalbaar maken van de pensioenstelsels, het bevorderen van sociale integratie en het garanderen van een kwalitatief hoogwaardige en betaalbare gezondheidszorg; hij heeft ook onderstreept dat de gelijkheid tussen mannen en vrouwen moet worden geïntegreerd in alle op die vier doelstellingen gerichte activiteiten. Ten slotte heeft de Raad erkend dat de financiële aspecten bij al deze doelstellingen een rol spelen.
(3)   De Raad heeft in zijn conclusies van 17 december 1999 betreffende de versterking van de samenwerking voor de modernisering en verbetering van de sociale bescherming2, het voorstel van de Commissie gesteund om een mechanisme in te stellen voor een betere samenwerking op basis van de werkzaamheden van een groep van ambtenaren op hoog niveau met het oog op de uitvoering van dit geheel van maatregelen. De Raad heeft erop gewezen dat deze vorm van samenwerking alle vormen van sociale bescherming zal moeten bestrijken en de lidstaten, waar nodig, van nut moet zijn bij het verbeteren en versterken van hun sociale beschermingsstelsels, in overeenstemming met hun nationale prioriteiten. De Raad heeft voorts in herinnering gebracht dat de organisatie en financiering van de sociale bescherming een bevoegdheid van de lidstaten is en heeft de vier algemene doelstellingen onderschreven die de Commissie in het kader van de algehele uitdaging tot modernisering van de sociale beschermingsstelsels heeft vastgesteld, namelijk het lonend maken van werk en het bieden van een vast inkomen, het veiligstellen van pensioenen en het betaalbaar maken van de pensioenstelsels, het bevorderen van sociale integratie en het garanderen van een kwalitatief hoogwaardige en betaalbare gezondheidszorg voor iedereen; hij heeft ook onderstreept dat de gelijkheid tussen mannen en vrouwen moet worden geïntegreerd in alle op die vier doelstellingen gerichte activiteiten. Ten slotte heeft de Raad erkend dat de financiële aspecten bij al deze doelstellingen een rol spelen.
__________________
__________________
2 PB C 8 van 12.1.2000, blz. 7.
2 PB C 8 van 12.1.2000, blz. 7.
Amendement 2
Ontwerpbesluit
Overweging 7
(7)   In zijn conclusies van juni 2013 heeft de Europese Raad gesteld dat de sociale dimensie van de EMU moet worden verstevigd. De sociale en arbeidsmarktsituatie binnen de EMU moeten, als eerste stap, beter worden gevolgd en meegewogen, met name door gebruikmaking van passende sociale indicatoren en werkgelegenheidsindicatoren binnen het Europees semester. Ook dient te worden gezorgd voor betere coördinatie van werkgelegenheidsbeleid en sociaal beleid, waarbij de nationale bevoegdheden ten volle worden geëerbiedigd.
(7)   In zijn conclusies van juni 2013 heeft de Europese Raad gesteld dat de sociale dimensie van de EMU moet worden verstevigd. De sociale en arbeidsmarktsituatie binnen de EMU moeten, als eerste stap, beter worden gevolgd en meegewogen, met name door gebruikmaking van passende sociale indicatoren en werkgelegenheidsindicatoren binnen het Europees semester. Ook dient te worden gezorgd voor betere coördinatie van werkgelegenheidsbeleid, sociaal beleid en sociaal-economisch beleid, waarbij de nationale bevoegdheden ten volle worden geëerbiedigd.

Besluit tot instelling van het Comité voor de werkgelegenheid *
PDF 203kWORD 45k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 april 2015 over het voorstel voor een besluit van de Raad tot instelling van het Comité voor de werkgelegenheid en tot intrekking van Besluit 2000/98/EG (05125/2015 – C8-0026/2015 – 2015/0801(CNS)
P8_TA(2015)0092A8-0065/2015

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (05125/2015),

–  gezien artikel 150 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0026/2015),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0065/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.


Wijziging van het MFK 2014-2020 ***
PDF 213kWORD 49k
Resolutie
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 april 2015 over het ontwerp van verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (05479/2015 – C8-0047/2015 – 2015/0010(APP))
P8_TA(2015)0093A8-0125/2015

(Bijzondere wetgevingsprocedure – goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van verordening van de Raad (05479/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 312 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (C8-0047/2015),

–  gezien zijn resolutie van 15 april 2014 over de onderhandelingen over het MFK 2014-2020: welke lessen kunnen worden getrokken en hoe moet het verder(1),

–  gezien artikel 86 en artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Begrotingscommissie (A8-0125/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 zoals weergegeven in de bijlage bij deze resolutie;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

BIJLAGE

VERORDENING VAN DE RAAD

(EU, Euratom) 2015/....

houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013

tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Verordening van de Raad(EU, Euratom) 2015/623.)

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0378.


Honderd jaar na de Armeense volkerenmoord
PDF 126kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 april 2015 over de honderdjarige herdenking van de Armeense genocide (2015/2590(RSP))
P8_TA(2015)0094RC-B8-0342/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties uit 1948 inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide,

–  gezien zijn resolutie over een politieke oplossing voor de Armeense kwestie van 18 juni 1987(1),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2013 en het mensenrechtenbeleid van de EU ter zake(2),

–  gezien het protocol over de instelling van diplomatieke betrekkingen tussen de Republiek Armenië en de Republiek Turkije, en het protocol over de ontwikkeling van de betrekkingen tussen de Republiek Armenië en de Republiek Turkije, die op 10 oktober 2009 in Zürich werden ondertekend,

–  gezien de verklaring van 12 april 2015 van Zijne Heiligheid Paus Franciscus,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het in 2015 honderd jaar geleden is dat in het Ottomaanse rijk de Armeense genocide plaatsvond;

B.  overwegende dat steeds meer EU-lidstaten en nationale parlementen de Armeense genocide in het Ottomaanse Rijk als een historisch feit erkennen;

C.  overwegende dat de wens om verdere oorlogen en misdaden tegen de menselijkheid te voorkomen een van de belangrijkste drijfveren is geweest voor het in gang zetten van het proces van Europese eenwording;

D.  overwegende dat Turkije en Armenië een proces van diplomatieke normalisering hebben aangevat en in 2009 in Zürich protocollen hebben ondertekend over het aangaan en ontwikkelen van betrekkingen;

E.  overwegende dat het van cruciaal belang is om de herinnering aan het verleden levend te houden, aangezien er geen verzoening kan zijn zonder waarheid en herdenking;

1.  staat aan de vooravond van de honderdjarige herdenking stil bij de anderhalf miljoen onschuldige Armeense slachtoffers die in het Ottomaanse Rijk om het leven zijn gekomen; sluit zich aan bij de herdenking van het feit dat de Armeense genocide honderd jaar geleden heeft plaatsgevonden en doet dat in een geest van Europese solidariteit en rechtvaardigheid; roept de Commissie en de Raad ertoe op aan de herdenking deel te nemen;

2.  herinnert aan zijn resolutie van 18 juni 1987 waarin het onder meer onderkende dat de tragische gebeurtenissen die tussen 1915 en 1917 op het grondgebied van het Ottomaanse Rijk hebben plaatsgevonden en gericht waren tegen de Armeniërs, moeten worden beschouwd als een genocide in de zin van het Verdrag uit 1948 inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide; veroordeelt alle gevallen van misdaden tegen de menselijkheid en genocide en keurt alle pogingen om deze te ontkennen ten stelligste af;

3.  herdenkt de onschuldige slachtoffers van alle genocides en misdaden tegen de menselijkheid; stelt voor om een internationale herdenkingsdag voor genocides in het leven te roepen om op die manier de aandacht te vestigen op het recht van alle volkeren en landen ter wereld op vrede en waardigheid;

4.  onderstreept dat tijdige preventie en daadwerkelijke bestraffing van genocides en misdaden tegen de menselijkheid tot de hoofdprioriteiten van de internationale gemeenschap en de Europese Unie moeten behoren;

5.  beschouwt de verklaringen van de president van de Republiek Turkije, Recep Tayyip Erdoğan, en de premier van de Republiek Turkije, Ahmet Davutoğlu, waarin zij hun medeleven betuigen en erkennen dat er wreedheden tegen de Ottomaanse Armeniërs zijn begaan, als een stap in de goede richting; moedigt Turkije ertoe aan de honderdjarige herdenking van de Armeense genocide aan te grijpen als een belangrijke gelegenheid om verdere inspanningen te leveren om zijn verleden onder ogen te zien, onder meer door de openstelling van zijn archieven, de Armeense genocide te erkennen en zo de weg te effenen voor een echte verzoening tussen het Turkse en het Armeense volk;

6.  looft de boodschap over de herdenking van de Armeense genocide die Zijne Heiligheid Paus Franciscus op 12 april 2015 in een sfeer van vrede en verzoening heeft uitgesproken;

7.  verzoekt Turkije de verplichtingen die het land op zich heeft genomen ter bescherming van het cultureel erfgoed na te komen en zich daar volledig rekenschap van te geven, en met name om in goed vertrouwen een geïntegreerde inventaris op te maken van het Armeense en andere culturele erfgoed dat in de vorige eeuw binnen Turks rechtsgebied werd vernietigd of beschadigd;

8.  verzoekt Armenië en Turkije succesvolle verzoeningen tussen Europese naties als voorbeeld te nemen en zich te richten op een plan voor de toekomst met als eerste prioriteit de samenwerking tussen hun volkeren; vertrouwt erop dat dit zal bijdragen aan de historische verzoening van Armenen en Turken, in een sfeer van oprechtheid en respect; steunt de initiatieven van maatschappelijke organisaties in Turkije en Armenië die werken aan een normalisering van de betrekkingen tussen beide landen; dringt er bij Turkije en Armenië op aan hun betrekkingen te normaliseren door de protocollen over de instelling van diplomatieke betrekkingen zonder voorbehoud te ratificeren en uit te voeren, hun grenzen voor elkaar open te stellen en actief te werken aan de verbetering van hun relatie, in het bijzonder op het vlak van grensoverschrijdende samenwerking en economische integratie;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van de Republiek Armenië en de regering en het parlement van de Republiek Turkije.

(1) PB C 190 van 20.7.1987, blz. 119.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0076.


Internationale Dag van de Roma - zigeunerhaat in Europa en erkenning door de EU van de herdenkingsdag van de genocide op Roma tijdens WO II
PDF 140kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 april 2015 over de Internationale Dag van de Roma - zigeunerhaat en de erkenning door de EU van de herdenkingsdag van de genocide op Roma tijdens WO II (2015/2615(RSP))
P8_TA(2015)0095B8-0326/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de preambule van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name het tweede en het vierde tot en met zevende streepje ervan,

–  gezien onder meer artikel 2, artikel 3, lid 3, tweede streepje, en artikelen 6 en 7 van het VEU,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000 (hierna "het Handvest"), dat op 12 december 2007 in Straatsburg is uitgevaardigd en met het Verdrag van Lissabon in december 2009 in werking is getreden,

–  gezien zijn resolutie van 9 maart 2011 over de EU-strategie voor de integratie van de Roma(1), de mededeling van de Commissie van 5 april 2011 over een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020 (COM(2011)0173), de mededeling van de Commissie van 2 april 2014 over de tenuitvoerlegging van het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma (COM(2014)0209) en de aanbeveling van de Raad van 9 december 2013 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten,

–  gezien de bevindingen van het proefonderzoeksproject inzake de Roma dat het Bureau voor de grondrechten in 2011 heeft uitgevoerd,

–  gezien het Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

–  gezien de op 1 februari 2012 aangenomen verklaring van het Comité van ministers van de Raad van Europa over de toename van zigeunerhaat en racistisch geweld tegenover Roma in Europa,

–  gezien algemene beleidsaanbeveling nr. 13 van de Europese Commissie tegen racisme en intolerantie (ECRI) over de bestrijding van zigeunerhaat en discriminatie van Roma,

–  gezien het alomvattende actieplan dat is aangenomen door bij de OVSE aangesloten staten, met inbegrip van lidstaten en kandidaat-lidstaten van de EU, en dat is gericht op verbetering van de situatie van de Roma en Sinti in het OVSE-gebied, waarin deze staten onder andere toezeggen meer inspanningen te zullen doen om ervoor te zorgen dat de Roma en Sinti een volwaardige en gelijkwaardige rol in onze samenlevingen kunnen spelen, en om discriminatie jegens hen uit te bannen,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat er naar schatting 10 à 12 miljoen Roma in Europa leven en dat de Roma daarmee de grootste etnische minderheid van Europa vormen;

B.  overwegende dat "Roma" in deze resolutie als een overkoepelende term wordt gebruikt die betrekking heeft op verscheidene verwante, al dan niet sedentaire bevolkingsgroepen in heel Europa, zoals de Roma, reizigers, Sinti, Manoesjen, Kalé, Romanichels, Boyash, Ashkali, Egyptians, Yenish, Dom en Lom, die niet noodzakelijk dezelfde cultuur en levensstijl hebben;

C.  overwegende dat zigeunerhaat – specifiek racisme tegenover Roma – een ideologie is die stoelt op rassuperioriteit, een vorm van ontmenselijking en op historische discriminatie gebaseerd institutioneel racisme en die onder meer tot uiting komt in geweld, haatpropaganda, uitbuiting, stigmatisering en schaamteloze discriminatie;

D.  overwegende dat zigeunerhaat één van de hoofdredenen is voor de discriminatie en marginalisering waarvan de Roma in de loop van de geschiedenis in heel wat Europese landen het slachtoffer zijn geworden;

E.  overwegende dat veel Roma nog altijd in uiterst armoedige omstandigheden leven en met extreme vormen van sociale uitsluiting en discriminatie te maken hebben;

F.  overwegende dat de situatie van de Roma in Europa, die historisch gezien deel uitmaken van de bevolking van heel wat Europese landen, zonder een eigen staat te bezitten, en die als burgers hebben bijgedragen tot de vormgeving van Europa, verschilt van de situatie van nationale minderheden in Europa, en dat er daarom specifieke maatregelen op Europees niveau nodig zijn; overwegende dat de Roma deel uitmaken van de cultuur en waarden van Europa;

G.  overwegende dat Roma-vrouwen vaak blootgesteld zijn aan meervoudige en intersectionele discriminatie op basis van geslacht en etnische afstamming en beperkte toegang hebben tot de arbeidsmarkt, onderwijs, gezondheidszorg, sociale diensten en het besluitvormingsproces; overwegende dat discriminatie in de reguliere maatschappij kan voorkomen, tegen de achtergrond van het groeiende racisme tegenover Roma, maar ook binnen de gemeenschappen waartoe deze vrouwen behoren, op grond van hun geslacht;

H.  overwegende dat de Commissie de lidstaten er in haar mededeling van 5 april 2011 over een EU-kader voor nationale strategieën tot integratie van de Roma tot 2020 toe opriep een veelomvattende benadering van de integratie van de Roma op te stellen of verder uit te werken en zich tot een aantal gemeenschappelijke doelstellingen te verbinden; overwegende dat de lidstaten in de aanbeveling van de Raad van 9 december 2013 worden verzocht doeltreffende beleidsmaatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de Roma onbevooroordeeld worden behandeld en dat hun grondrechten worden geëerbiedigd, waaronder hun recht op gelijke toegang tot onderwijs, werk, gezondheidszorg en huisvesting;

I.  overwegende dat de Verenigde Naties 27 januari, de dag van de bevrijding van het concentratiekamp Auschwitz-Birkenau, hebben uitgeroepen tot Internationale Holocaustherdenkingsdag;

J.  overwegende dat de nazi's en andere verwante regimes tijdens WO II naar schatting minstens 500 000 Roma hebben omgebracht, en overwegende dat in sommige landen meer dan 80 % van de Romabevolking is uitgeroeid; overwegende dat tijdens WO II ten minste 23 000 Roma in het zigeunerkamp van Auschwitz-Birkenau zijn vergast en dat in dat kamp in de nacht van 2 op 3 augustus 1944 2897 Roma, voornamelijk vrouwen, kinderen en oudere mensen, vermoord zijn; overwegende dat Roma-organisaties daarom 2 augustus hebben gekozen als de herdenkingsdag voor alle Romaslachtoffers van deze genocide;

K.  overwegende dat de massale uitroeiing van Roma door de nazi's en andere verwante regimes tijdens WO II een feit is dat nog altijd in grote mate wordt genegeerd en bijgevolg niet bekend is bij het brede publiek en vaak niet ter sprake komt in het onderwijs, met als gevolg dat de Roma tot de "doodgezwegen" slachtoffers van de genocide tijdens WO II behoren;

L.  overwegende dat de herdenking van misdaden tegen de menselijkheid en grove schendingen van de mensenrechten essentieel is om de doelstellingen van vrede, verzoening, democratie en mensenrechten in Europa te blijven nastreven; overwegende dat de genocide op de Roma in Europa terdege moet worden erkend, en dat deze erkenning in verhouding moet zijn met de ernst van de misdaden van de nazi's en andere regimes, die tot doel hadden de Europese Roma, net als de joden en andere specifieke bevolkingsgroepen, fysiek uit te roeien;

M.  overwegende dat de erkenning en herdenking van de genocide op de Roma tijdens WO II belangrijk is om de Romabevolking eventueel schadeloosstelling te kunnen bieden voor de gruwel die hun tijdens WO II door de nazi's en andere verwante regimes is aangedaan;

N.  overwegende dat de erkenning van de genocide op de Roma tijdens WO II en de invoering van een speciale Europese herdenkingsdag aldus een belangrijke symbolische stap zou vormen in de strijd tegen zigeunerhaat en de algemene kennis van de geschiedenis van de Roma in Europa zou vergroten;

1.  maakt zich ernstige zorgen over de toename van zigeunerhaat in Europa, die onder meer tot uiting komt in tegen Roma gerichte uitlatingen en geweldplegingen, inclusief moorden, wat onverenigbaar is met de normen en waarden van de Europese Unie, een grote hindernis vormt voor de geslaagde integratie van de Roma in de samenleving en de volledige eerbiediging van hun mensenrechten belemmert;

2.  benadrukt dat discriminatie en marginalisering nooit worden veroorzaakt door een inherente zwakte van de persoon of groep die hiervan het slachtoffer is, maar in de eerste plaats voortkomt uit het falen van de reguliere maatschappij om de rechten van individuen te erkennen en individuen de nodige structuren te bieden voor de uitoefening van deze rechten;

3.  verzoekt de lidstaten Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming daadwerkelijk toe te passen met als doel discriminatie tegenover Roma, in het bijzonder op het vlak van werkgelegenheid, onderwijs en toegang tot huisvesting, te voorkomen en uit te bannen;

4.  beklemtoont dat zigeunerhaat op alle niveaus en met alle mogelijke middelen moet worden bestreden, en wijst erop dat het om een uiterst hardnekkige, heftige, recurrente en alledaagse vorm van racisme gaat; roept de lidstaten ertoe op de strijd tegen zigeunerhaat in het kader van hun nationale strategieën voor integratie van de Roma verder te versterken en goede praktijken aan te moedigen;

5.  is ingenomen met de betrokkenheid van de Romagemeenschappen en van ngo's bij de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma en vraagt dat zij blijven deelnemen aan de uitwerking, monitoring, beoordeling en uitvoering van deze strategieën;

6.  onderstreept dat in de nationale strategieën voor integratie van de Roma specifieke maatregelen betreffende vrouwenrechten en gendermainstreaming moeten worden opgenomen, en dat bij de beoordeling en jaarlijkse monitoring in elk onderdeel van deze strategieën op het aspect vrouwenrechten en gendergelijkheid moet worden gelet;

7.  verzoekt de lidstaten en de Commissie om kinderen centraal te plaatsen bij de uitvoering van het EU-kader voor de nationale Romastrategieën en wijst nogmaals op het belang van de bevordering van gelijke toegang tot huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs en waardige levensomstandigheden voor Romakinderen;

8.  roept de lidstaten ertoe op Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht daadwerkelijk uit te voeren met het oog op de doeltreffende bestrijding van zigeunerhaat, tegen Roma gerichte uitlatingen en geweldplegingen en de vergoelijking, ontkenning en grove bagatellisering van de genocide op de Roma;

9.  brengt in herinnering dat de Roma deel uitmaken van de Europese cultuur en gedeelde waarden, en spoort de lidstaten en andere Europese landen er daarom toe aan de geschiedenis van de Roma en met name de genocide op de Roma tijdens WO II aan te kaarten in een dialoog met de burgers en met jongeren;

10.  spreekt zijn diepe en ondubbelzinnige afkeuring uit van alle vormen van racisme en discriminatie waarmee de Roma geconfronteerd worden, en benadrukt dat zigeunerhaat effectief moet worden aangepakt vooraleer maatregelen op andere gebieden doeltreffend kunnen zijn;

11.  doet in dit verband een beroep op de Commissie om de eerbiediging van de fundamentele waarden van de EU door de lidstaten daadwerkelijk te monitoren en te evalueren; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de grondrechten, democratie en rechtsstaat in alle lidstaten worden geëerbiedigd, de eerbiediging van deze waarden door de lidstaten daadwerkelijk te monitoren en te evalueren en in te grijpen indien systematische inbreuken aan het licht zouden komen;

12.  erkent dan ook officieel het historische feit van de genocide op de Roma die tijdens WO II heeft plaatsgevonden;

13.  vraagt dat de lidstaten deze genocide en andere vormen van vervolging van de Roma tijdens WO II zoals deportatie en opsluiting officieel erkennen;

14.  verklaart dat er een Europese dag moet komen ter herdenking van de slachtoffers van de genocide op de Roma tijdens WO II en dat deze dag de Europese Holocaustherdenkingsdag voor de Roma moet worden genoemd;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-landen, de Raad van Europa, de OVSE en de Verenigde Naties.

(1) PB C 199E van 7.7.2012, blz. 112.

Juridische mededeling