Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 29 april 2015 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Voorfinanciering van door het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gesteunde operationele programma’s ***I
 Intrekking van Verordening (EEG) nr. 3030/93 van de Raad betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde textielproducten uit derde landen ***I
 Vrijwaringsmaatregelen bedoeld in de Overeenkomst met Noorwegen ***I
 Stabilisatie- en associatieovereenkomst met Albanië ***I
 Stabilisatie- en associatieovereenkomst en Interimovereenkomst betreffende de handel en aanverwante zaken met Bosnië en Herzegovina ***I
 Stabilisatie- en associatieovereenkomst met de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië ***I
 Toepassing van artikelen 107 en 108 VWEU op bepaalde soorten horizontale steunmaatregelen *
 Bepalingen voor de toepassing van artikel 108 VWEU *
 Kwijting 2013: Algemene begroting van de EU - Europese Commissie en uitvoerende agentschappen
 Speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor 2013
 Kwijting 2013: Algemene begroting van de EU - achtste, negende en tiende EOF
 Kwijting 2013: Algemene begroting van de EU - Europees Parlement
 Kwijting 2013: Algemene begroting van de EU - Europese Raad en Raad
 Kwijting 2013: Algemene begroting van de EU - Europese Dienst voor extern optreden
 Kwijting 2013: Algemene begroting van de EU - Hof van Justitie
 Kwijting 2013: Algemene begroting van de EU - Rekenkamer
 Kwijting 2013: Algemene begroting van de EU - Economisch en Sociaal Comité
 Kwijting 2013: Algemene begroting van de EU - Comité van de Regio's
 Kwijting 2013:algemene begroting van de EU - Europese Ombudsman
 Kwijting 2013: Algemene begroting van de EU - Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming
 Kwijting 2013: prestaties, financieel beheer en controle van de EU-agentschappen
 Kwijting 2013: Europees Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER)
 Kwijting 2013: Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (Berec)
 Kwijting 2013: Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (CdT)
 Kwijting 2013: Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop)
 Kwijting 2013: Europese Politieacademie (Cepol)
 Kwijting 2013: Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA)
 Kwijting 2013: Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO)
 Kwijting 2013: Europese Bankautoriteit (EBA)
 Kwijting 2013: Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC)
 Kwijting 2013: Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA)
 Kwijting 2013: Europees Milieuagentschap (EEA)
 Kwijting 2013: Europees Bureau voor visserijcontrole (EFCA)
 Kwijting 2013: Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA)
 Kwijting 2013: Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE)
 Kwijting 2013: Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (Eiopa)
 Kwijting 2013: Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT)
 Kwijting 2013: Europees Geneesmiddelenbureau (EMA)
 Kwijting 2013: Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EMCDDA)
 Kwijting 2013: Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA)
 Kwijting 2013: Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa)
 Kwijting 2013: Europees Spoorwegbureau (ERA)
 Kwijting 2013: Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA)
 Kwijting 2013: Europese Stichting voor opleiding (ETF)
 Kwijting 2013: Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (EU-LISA)
 Kwijting 2013: Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk (EU-OSHA)
 Kwijting 2013: Voorzieningsagentschap van Euratom
 Kwijting 2013: Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound)
 Kwijting 2013: Dienst van de Europese Unie voor justitiële samenwerking (Eurojust)
 Kwijting 2013: Europese Politiedienst (Europol)
 Kwijting 2013: Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA)
 Kwijting 2013: Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (Frontex)
 Kwijting 2013: Europees GNSS-Agentschap (GSA)
 Kwijting 2013: Gemeenschappelijke onderneming Artemis
 Kwijting 2013: Gemeenschappelijke onderneming Clean Sky
 Kwijting 2013: Gemeenschappelijke onderneming Eniac
 Kwijting 2013: Gemeenschappelijke onderneming brandstofcellen en waterstof
 Kwijting 2013: Gemeenschappelijke onderneming voor het initiatief inzake innovatieve geneesmiddelen
 Kwijting 2013: Gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie
 Kwijting 2013: Gemeenschappelijke onderneming SESAR
 Geldmarktfondsen ***I
 Invoer van textielproducten uit bepaalde derde landen die niet vallen onder een bijzondere regeling van de Unie ***I
 Raming van de ontvangsten en uitgaven voor het begrotingsjaar 2016 - Afdeling I - Parlement
 Europees openbaar ministerie
 Alcoholstrategie
 Tweede verjaardag van het instorten van het Rana Plaza-complex en de stand van zaken met betrekking tot het Duurzaamheidspact
 Buitengewone Europese Raad (23 april 2015) - De recente tragedies in de Middellandse Zee en het migratie- en asielbeleid van de EU

Voorfinanciering van door het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gesteunde operationele programma’s ***I
PDF 249kWORD 61k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Sociaal Fonds, inzake een verhoging van het bedrag van de initiële voorfinanciering dat wordt uitgekeerd aan door het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gesteunde operationele programma's (COM(2015)0046 – C8-0036/2015 – 2015/0026(COD))
P8_TA(2015)0110A8-0134/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0046),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 164 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0036/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité van 18 maart 2015(1),

–  gezien het advies van de Begrotingscommissie inzake de financiële verenigbaarheid van het voorstel,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 21 april 2015 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 59 en 41 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0134/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 29 april 2015 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2015/... van het Europees Parlement en de Raad van tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1304/2013, inzake een aanvullend initieel voorfinancieringsbedrag dat wordt uitgekeerd aan door het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gesteunde operationele programma’s

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2015/779.)

(1) Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.


Intrekking van Verordening (EEG) nr. 3030/93 van de Raad betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde textielproducten uit derde landen ***I
PDF 244kWORD 60k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3030/93 van de Raad betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde textielproducten uit derde landen (COM(2014)0707 – C8-0271/2014 – 2014/0334(COD))
P8_TA(2015)0111A8-0026/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2014)0707),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0271/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 11 maart 2015 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 en artikel 50, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A8-0026/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 29 april 2015 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2015/... van het Europees Parlement en de Raad tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3030/93 van de Raad betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde textielproducten uit derde landen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2015/937.)


Vrijwaringsmaatregelen bedoeld in de Overeenkomst met Noorwegen ***I
PDF 245kWORD 62k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vrijwaringsmaatregelen bedoeld in de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen (gecodificeerde tekst) (COM(2014)0304 – C8-0010/2014 – 2014/0159(COD))
P8_TA(2015)0112A8-0046/2015

(Gewone wetgevingsprocedure – codificatie)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0304),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0010/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(1),

–  gezien de artikelen 103 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0046/2015),

A.  overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 29 april 2015 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2015/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vrijwaringsmaatregelen bedoeld in de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen (codificatie)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2015/938.)

(1) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


Stabilisatie- en associatieovereenkomst met Albanië ***I
PDF 246kWORD 60k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde procedures voor de toepassing van de Stabilisatie- en Associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Albanië, anderzijds (gecodificeerde tekst) COM(2014)0375 – C8-0034/2014 – 2014/0191(COD)
P8_TA(2015)0113A8-0047/2015

(Gewone wetgevingsprocedure – codificatie)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0375),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0034/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(1),

–  gezien de artikelen 103 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0047/2015),

A.  overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 29 april 2015 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2015/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde procedures voor de toepassing van de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Albanië, anderzijds (codificatie)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2015/939.)

(1) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


Stabilisatie- en associatieovereenkomst en Interimovereenkomst betreffende de handel en aanverwante zaken met Bosnië en Herzegovina ***I
PDF 248kWORD 61k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde procedures voor de toepassing van de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds, en de Interimovereenkomst betreffende de handel en aanverwante zaken tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds (gecodificeerde tekst) (COM(2014)0443 – C8-0087/2014 – 2014/0206(COD))
P8_TA(2015)0114A8-0017/2015

(Gewone wetgevingsprocedure – codificatie)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0443),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0087/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 over een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(1),

–  gezien de artikelen 103 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0017/2015),

A.  overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 29 april 2015 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2015/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde procedures voor de toepassing van de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds, en de Interimovereenkomst betreffende de handel en aanverwante zaken tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds (codificatie)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2015/940.)

(1) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


Stabilisatie- en associatieovereenkomst met de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië ***I
PDF 246kWORD 60k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde procedures voor de toepassing van de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds (codificatie) (COM(2014)0394 – C8-0041/2014 – 2014/0199(COD))
P8_TA(2015)0115A8-0132/2015

(Gewone wetgevingsprocedure – codificatie)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0394),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0041/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 over een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(1),

–  gezien de artikelen 103 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0132/2015),

A.  overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaan standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 29 april 2015 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2015/...van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde procedures voor de toepassing van de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds (codificatie)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2015/941.)

(1) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


Toepassing van artikelen 107 en 108 VWEU op bepaalde soorten horizontale steunmaatregelen *
PDF 242kWORD 59k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op bepaalde soorten horizontale steunmaatregelen (gecodificeerde tekst) (COM(2014)0377 – C8-0139/2014 – 2014/0192(NLE))
P8_TA(2015)0116A8-0029/2014

(Raadpleging – codificatie)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2014)0377),

–  gezien artikel 109 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0139/2014),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 over een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(1),

–  gezien de artikelen 103 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0029/2014),

A.  overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

(1) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


Bepalingen voor de toepassing van artikel 108 VWEU *
PDF 241kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (gecodificeerde tekst) (COM(2014)0534 – C8-0212/2014 – 2014/0246(NLE))
P8_TA(2015)0117A8-0047/2014

(Raadpleging - codificatie)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2014)0534),

–  gezien artikel 109 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0212/2014),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(1),

–  gezien de artikelen 103 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0047/2014),

A.  overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

(1) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


Kwijting 2013: Algemene begroting van de EU - Europese Commissie en uitvoerende agentschappen
PDF 895kWORD 437k
Besluit
Besluit
Besluit
Besluit
Besluit
Besluit
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen (2014/2075(DEC))
P8_TA(2015)0118A8-0101/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(COM(2014)0510 – C8-0140/2014)(2),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2014)0607) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0285), SWD(2014)0286),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 juni 2014 getiteld "Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2013" (COM(2014)0342),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie over de evaluatie van de financiën van de Unie aan de hand van de bereikte resultaten (COM(2014)0383) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0200, SWD(2014)0201),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2013 uitgevoerde interne controles (COM(2014)0615) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0293),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3), en de speciale verslagen van de Rekenkamer,

–  gezien de verschillende besluiten en aanbevelingen van de Ombudsman over de Commissie, samen met de uitvoering door de instellingen van haar aanbevelingen, in het belang van de burgers;

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05303/2015 – C8-0053/2015),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0101/2015),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van 29 april 2015 over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de kwijting van de Commissie voor het begrotingsjaar 2013(7);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, alsmede aan de nationale parlementen en de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2075(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(8),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(COM(2014)0510 – C8-0140/2014)(9),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het begrotingsjaar 2013(10),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2014)0607) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0285),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2013 uitgevoerde interne controles (COM(2014)0615) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0293),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekeningen van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het agentschap(11),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(12) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05305/2015 – C8-0048/2015),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(14), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(15), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(16), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Besluit 2009/336/EG van de Commissie van 20 april 2009 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap Onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het beheer van de communautaire maatregelen op het gebied van onderwijs, audiovisuele media en cultuur, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad(17),

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/776/EU van de Commissie van 18 december 2013 tot oprichting van het "Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur" en tot intrekking van Besluit 2009/336/EG(18),

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0101/2015),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap Onderwijs, audiovisuele media en cultuur kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie) voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2075(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(19),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(COM(2014)0510 – C8-0140/2014)(20),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie) voor het begrotingsjaar 2013(21),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2014)0607) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0285), SWD(2014)0286),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2013 uitgevoerde interne controles (COM(2014)0615) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0293),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekeningen van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie) voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het agentschap(22),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(23) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05305/2015 – C8-0048/2015),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(24),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(25), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(26), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(27), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Besluit 2004/20/EG van de Commissie van 23 december 2003 tot oprichting van een uitvoerend agentschap, genaamd het "Uitvoerend Agentschap voor intelligente energie", voor het beheer van de communautaire maatregelen op het gebied van energie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad(28),

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/771/EU van de Commissie van 17 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen en tot intrekking van de Besluiten 2004/20/EG en 2007/372/EG(29),

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0101/2015),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer,

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (het voormalige Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie) kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie), de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

4.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en consumenten) voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2075(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(30),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(COM(2014)0510 – C8-0140/2014)(31),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en consumenten) voor het begrotingsjaar 2013(32),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2014)0607) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0285),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2013 uitgevoerde interne controles (COM(2014)0615) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0293),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekeningen van het Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en consumenten) voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het agentschap(33),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(34) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05305/2015 – C8-0048/2015),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(35),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(36), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(37), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(38), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Besluit 2004/858/EG van de Commissie van 15 december 2004 tot oprichting van een uitvoerend agentschap, genaamd het "Agentschap voor het volksgezondheidsprogramma", voor het beheer van de communautaire maatregelen op het gebied van de volksgezondheid overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad(39),

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/770/EU van de Commissie van 17 december 2013 tot oprichting van een Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding en tot intrekking van Besluit 2004/858/EG(40),

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2014/927/EU van de Commissie van 17 december 2014 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2013/770/EU teneinde het „Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding” om te vormen tot het „Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding”(41)

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0101/2015),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding (het voormalige Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en consumenten) kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor gezondheid en consumenten), de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

5.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2075(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(42),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(COM(2014)0510 – C8-0140/2014)(43),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2014)0607) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0285, SWD(2014)0286),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2013 uitgevoerde interne controles (COM(2014)0615) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0293),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekeningen van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het agentschap(44),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(45) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05305/2015 – C8-0048/2015),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(46),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(47), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(48), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(49), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Besluit 2008/37/EG van de Commissie van 14 december 2007 tot oprichting, ingevolge Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad, van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het beheer van het communautair specifiek programma Ideeën op het gebied van grensverleggend onderzoek(50),

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/779/EU van de Commissie van 17 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en tot intrekking van Besluit 2008/37/EG(51),

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0101/2015),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

6.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2075(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(52),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(COM(2014)0510 – C8-0140/2014)(53),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2013(54),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2014)0607) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0285),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2013 uitgevoerde interne controles (COM(2014)0615) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0293),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekeningen van het Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het agentschap(55),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(56) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05305/2015 – C8-0048/2015),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(57),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(58), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(59), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(60), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Besluit 2008/46/EG van de Commissie van 14 december 2007 tot oprichting, ingevolge Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad, van het Uitvoerend Agentschap Onderzoek voor het beheer van bepaalde gebieden van de communautaire specifieke programma’s Mensen, Capaciteiten en Samenwerking inzake onderzoek(61),

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/778/EU van de Commissie van 13 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap onderzoek en tot intrekking van Besluit 2008/46/EG(62),

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0101/2015),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderzoek kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderzoek, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

7.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk) voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2075(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(63),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(COM(2014)0510 – C8-0140/2014)(64),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk) voor het begrotingsjaar 2013(65),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2014)0607) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0285),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2013 uitgevoerde interne controles (COM(2014)0615) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0293),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekeningen van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk) voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het agentschap(66),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(67) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05305/2015 – C8-0048/2015),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(68),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(69), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(70), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(71), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Besluit 2007/60/EG van de Commissie van 26 oktober 2006 tot oprichting van het uitvoerend agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk krachtens Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad(72),

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/801/EU van de Commissie van 23 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken en tot intrekking van Besluit 2007/60/EG, als gewijzigd bij Besluit 2008/593/EG(73),

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0101/2015),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (het voormalige Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk) kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk), de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

8.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie (2014/2075(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(74),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2014) 510 – C8-0140/2014)(75),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2014) 607) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2014) 285, SWD(2014) 286),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 juni 2014 met als titel „Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2013” (COM(2014) 342),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie over de evaluatie van de financiën van de Unie aan de hand van de bereikte resultaten (COM(2014) 383) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2014) 200, SWD(2014) 201),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2013 uitgevoerde interne controles (COM(2014) 615) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2014) 293),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2013, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(76), en de speciale verslagen van de Rekenkamer,

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(77) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05303/2015 – C8-0053/2015),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05305/2015 – C8-0048/2015),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(78),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(79), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(80), en met name artikel 14, leden 2 en 3,

–  gezien artikel 93 van en bijlage V bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0101/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer en Europese Investeringsbank, alsmede aan de nationale parlementen en de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

9.Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen (2014/2075(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie,

–  gezien zijn besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begrotingen van de uitvoerende agentschappen voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0101/2015),

A.  overwegende dat de Rekenkamer voor de twintigste maal op rij geen positieve betrouwbaarheidsverklaring heeft kunnen afgeven met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende betalingen bij de rekeningen, wat de legitimiteit van de uitgaven en het beleid van de Unie dreigt aan te tasten;

B.  overwegende dat met name in een situatie waarin de middelen beperkt zijn, de Commissie het goede voorbeeld moet geven door de Europese meerwaarde van haar uitgaven aan te tonen en door ervoor te zorgen dat de middelen waarvoor zij volledig of gedeeltelijk verantwoordelijk is, besteed worden in overeenstemming met de toepasselijke financiële regels en verordeningen;

C.  overwegende dat de Commissie de eindverantwoordelijkheid draagt voor de uitvoering van de begroting van de Unie en dat de lidstaten loyaal moeten samenwerken met de Commissie om ervoor te zorgen dat de middelen overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer worden besteed; overwegende dat lidstaten, met name in geval van gedeeld beheer van de middelen, een speciale verantwoordelijkheid hebben wat betreft de uitvoering van de begroting van de Unie;

D.  overwegende dat het in het kader van gedeeld beheer van middelen van cruciaal belang is dat de door de lidstaten verstrekte gegevens over zowel de ontvangsten als de uitgaven eerlijk en juist zijn; overwegende dat het van cruciaal belang is dat de lidstaten hun eigen verantwoordelijkheid voor het beheer van EU-middelen onder gedeeld beheer onderkennen;

E.  overwegende dat de in artikel 318 VWEU bedoelde interinstitutionele dialoog moet worden aangegrepen om binnen de Commissie een nieuwe prestatiecultuur te stimuleren;

Gedeeld en gedecentraliseerd beheer: tekortkomingen in het beheer van de Commissie en de lidstaten

Voorbehouden op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling

1.  kan geen politieke waarborg geven dat de controleprocedures binnen de Commissie en de lidstaten de nodige garanties bieden betreffende de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling, en wijst in dit verband op de volgende voorbehouden, afgegeven door de directeur-generaal van DG AGRI in het jaarlijkse activiteitenverslag van 31 maart 2014:

   ABB 02 - Marktmaatregelen: Risicobedrag van 198,3 miljoen EUR; 7 steunregelingen in 9 lidstaten, met 11 aspecten onder voorbehoud: Polen 77,6 miljoen EUR, Spanje 54 miljoen EUR, Frankrijk 32,4 miljoen EUR, Nederland 16,4 miljoen EUR, VK 8,5 miljoen EUR, Italië 5 miljoen EUR, Tsjechische Republiek 2 miljoen EUR, Oostenrijk 1,9 miljoen EUR, Zweden 0,5 miljoen EUR;
   ABB 03 - Rechtstreekse betalingen: Risicobedrag van 652 miljoen EUR; 20 betaalorganen in 6 lidstaten: Spanje (15 van 17 betaalorganen) 153 miljoen EUR, Frankrijk 203,4 miljoen EUR, VK PRA Engeland 118 miljoen EUR, Griekenland 117,8 miljoen EUR, Hongarije 36,6 miljoen EUR, Portugal 28 miljoen EUR;
   ABB 04 - Uitgaven voor regionale ontwikkeling: Risicobedrag van 599 miljoen EUR; 31 betaalorganen in 19 lidstaten: België, Bulgarije (56,8 miljoen EUR), Cyprus, Duitsland (Bayern, Brandenburg), Denemarken, Spanje (Andalusië, Asturias, Castilla la Mancha, Castilla y León, FOGGA Galicië, Madrid), Finland, Frankrijk (ODARC, ASP (70,3 miljoen EUR)), VK (SGRPID Schotland, RPA Engeland), Griekenland, Ierland, Italië (AGEA (52,6 miljoen EUR), AGREA Emilia-Romagna, OPR Lombardije, OPPAB Bolzano, ARCEA Calabrië), Luxemburg, Nederland, Polen (56,7 miljoen EUR), Portugal (51,7 miljoen EUR), Roemenië (138,9 miljoen EUR) en Zweden;
   ABB 05: Risicobedrag van 2,6 miljoen - IPARD-uitgaven voor Turkije;

Voorbehouden op het gebied van regionaal beleid

2.  kan geen politieke waarborg geven dat de controleprocedures binnen de Commissie en de lidstaten de nodige garanties bieden betreffende de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen op het gebied van het regionaal beleid, en wijst in dit verband op de volgende voorbehouden, afgegeven door de directeur-generaal van DG REGIO in zijn jaarlijkse activiteitenverslag van 31 maart 2014; wijst erop dat met betrekking tot 73 van de 322 programma's voorbehouden zijn gemaakt omdat het beheers- en controlesysteem slechts ten dele betrouwbaar was (tegenover 85 van de 317 programma's in 2012); wijst erop dat de tussentijdse betalingen aan de programma's van 2007-2013 in verband waarmee voorbehouden zijn gemaakt 6 035,5 miljoen EUR bedragen; wijst erop dat de Commissie het risicobedrag in 2013 raamde op 440,2 miljoen EUR;

3.  erkent dat hoewel deze voorbehouden duiden op tekortkomingen in de controlesystemen van de lidstaten, ze ook een doeltreffend middel zijn dat de Commissie gebruikt om ervoor te zorgen dat de lidstaten sneller in actie komen om op te treden tegen deze tekortkomingen en derhalve de begroting van de Europese Unie te beschermen;

Voorbehouden op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken

4.  kan geen politieke waarborg geven dat de controleprocedures binnen de Commissie en de lidstaten de nodige garanties bieden betreffende de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken, en wijst in dit verband op de volgende voorbehouden, afgegeven door de directeur-generaal van DG EMPL in het jaarlijkse activiteitenverslag van 31 maart 2014; wijst erop dat het jaarlijkse activiteitenverslag een voorbehoud bevat met betrekking tot de betalingen voor de programmeringsperiode 2007-2013, waarbij het risicobedrag 123,2 miljoen EUR bedraagt; wijst erop dat dit voorbehoud 36 van de 118 operationele programma's (OP's) van het Europees Sociaal Fonds (ESF) betreft (tegenover 27 van de 117 OP's in 2012);

Betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer

Rekeningen en wettigheid en regelmatigheid van ontvangsten – goedkeurende oordelen

5.  is ingenomen met het feit dat de jaarrekeningen van de Unie voor het begrotingsjaar 2013 in alle materiële opzichten een getrouw beeld geven van de situatie van de Unie per 31 december 2013, en stelt met tevredenheid vast dat de onderliggende ontvangsten bij de rekeningen betreffende het per 31 december 2013 afgesloten begrotingsjaar op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn;

Voorbehouden op het gebied van bijdragen op basis van bruto nationaal inkomen (BNI)

6.  maakt een voorbehoud met betrekking tot de wijze waarop de BNI-bijdragen van de lidstaten worden berekend vanwege tekortkomingen(81) bij de verificatie van gegevens door de Commissie(82); wijst erop dat de Rekenkamer concludeert dat de verificatie van BNI-gegevens door de Commissie onvoldoende gestructureerd en gericht was;

Wettigheid en regelmatigheid van vastleggingen – goedkeurend oordeel

7.  constateert met voldoening dat de onderliggende vastleggingen bij de rekeningen betreffende het per 31 december 2013 afgesloten begrotingsjaar op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn;

Wettigheid en regelmatigheid van betalingen – afkeurend oordeel

8.  acht het onaanvaardbaar dat de betalingen voor het twintigste jaar achtereen fouten van materieel belang vertonen;

9.  heeft begrepen dat het afkeurende oordeel van de Rekenkamer is gebaseerd op de waarneming dat toezicht- en controlesystemen slechts ten dele effectief zijn en dat betalingen bijgevolg een meest waarschijnlijk foutenpercentage vertonen van 4,7%;

10.  herinnert eraan dat het meest waarschijnlijke foutenpercentage voor betalingen in het begrotingsjaar 2012 werd geraamd op 4,8%, in 2011 op 3,9%, in 2010 op 3,7 %, in 2009 op 3,3%, in 2008 op 5,2 % en in 2007 op 6,9% met een gemiddeld niveau rond 4,6% over de periode waarop het vorige meerjarig financieel kader (MFK) 2007-2013 van toepassing is; merkt op dat in de jaarverslagen van de Rekenkamer in 2013 derhalve een stabilisatie van het foutenpercentage valt waar te nemen op het niveau van het gemiddelde van het MFK 2007-2013, dat niettemin sinds 2009 een gestaag stijgende en negatieve trend laat zien;

11.  wijst erop dat de terreinen met gedeeld beheer volgens het jaarverslag van de Rekenkamer voor 2013 een geschat foutenpercentage hebben van 5,2 %; merkt op dat het geschatte foutenpercentage voor alle andere (grotendeels direct door de Commissie beheerde) beleidsuitgaven 3,7% is; onderstreept dat beide foutenpercentages boven de materialiteitsdrempel van 2% liggen; benadrukt dat de terreinen met gedeeld beheer een foutenpercentage hebben dat beduidend hoger ligt dan dat voor alle andere beleidsuitgaven;

12.  merkt op dat de directeur-generaal van DG REGIO in het jaarlijkse activiteitenverslag van dat DG van 31 maart 2014 voorbehouden heeft gemaakt voor 73 van de 322 programma's voor 2013 omdat het beheers- en controlesysteem slechts ten dele betrouwbaar was, wat ten opzichte van 2012 een kleiner percentage is (85 van de 317 operationele programma's); wijst erop dat het geraamde risicodragende bedrag 1 135,3 miljoen EUR is en dat deze voorbehouden en het bijbehorende bedrag van toepassing zijn op de twee programmeringsperioden 2007-2013 en 2000-2006;

13.  neemt er nota van dat de directeur-generaal van DG RTD in het jaarlijkse activiteitenverslag van dat DG van 31 maart 2014 een voorbehoud heeft afgegeven voor het zevende kaderprogramma voor onderzoek (FP7) en dat de geschatte impact in 2013 tussen 105,5 miljoen en 109,5 miljoen EUR ligt;

14.  merkt op dat de directeur-generaal van DG MARE in het jaarlijkse activiteitenverslag van dat DG van 31 maart 2014 een voorbehoud heeft afgegeven met betrekking tot het Europees Visserijfonds en dat het risicodragende bedrag in 2013 10,77 miljoen EUR is;

15.  vestigt de aandacht op de noodzaak van constante verbetering van de beheers- en controlesystemen in de lidstaten voor het waarborgen van beter financieel beheer van de EU-fondsen en van een lager foutenpercentage in de respectieve beleidssectoren in de loop van de programmeringsperiode 2014-2020;

Financiële correcties en terugvorderingen

16.  merkt op dat de als uitgevoerd opgegeven financiële correcties in 2013 daalden van 3,7 miljard EUR in 2012 tot 2,5 miljard EUR in 2013 en herinnert eraan dat de omvangrijke financiële correctie in 2012 vooral verband hield met de correctie van 1,8 miljard EUR in Spanje om de uitgaven van de structuurfondsen in de periode 2000-2006 te corrigeren; merkt op dat de Commissie in 2013 financiële correcties en terugvorderingen uitvoerde voor een bedrag van 3 362 miljoen EUR, ofwel 2,3% van de betalingen uit de EU-begroting;

17.  merkt op dat de cumulatie van financiële correcties die worden uitgevoerd op het moment van betaling van de vereffeningen van de programma's kunstmatig is wanneer deze correcties niet van belang zijn, aangezien deze pas zichtbaar worden een aantal jaar nadat ze zijn uitgevoerd; verzoekt de Commissie te onderzoeken of de verandering van methode in 2012, waarbij de overstap van bevestigde correcties naar uitgevoerde correcties is gemaakt, de meest geschikte methode is om de werkelijkheid van de beheers- en controlesystemen in een bepaald begrotingsjaar te laten weerspiegelen;

18.  wijst erop dat de daaruit volgende daling met 34% van de in 2013 uitgevoerde financiële correcties (van 3,7 miljard EUR tot 2,5 miljard EUR) deels werd gecompenseerd door een stijging met 27% van de in 2013 uitgevoerde terugvorderingen (van 0,7 miljard EUR tot 0,9 miljard EUR);

19.  betreurt dat fouten pas enkele jaren nadat ze zich hebben voorgedaan kunnen worden gecorrigeerd, vanwege het wettelijke kader voor de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de complexiteit van de betrokken procedures en het aantal controlelagen op vele terreinen;

20.  wijst erop dat het gemiddelde bedrag van de in de periode 2009-2013 uitgevoerde financiële correcties 2,7 miljard EUR bedroeg, ofwel 2,1% van het gemiddelde bedrag van de betalingen van de Uniebegroting in die periode; wijst erop dat bovengenoemde trend volgens de Commissie verklaard kan worden door de afsluiting van de programmeringsperiode 2000-2006(83); wijst er name op dat voor het cohesiebeleid viervijfde van de uitgevoerde correcties in de periode 2007-2013 betrekking had op operationele programma's van eerdere periodes(84); herinnert eraan dat de lidstaten het recht hebben om vastgestelde niet-subsidiabele uitgaven te vervangen door wettige en regelmatige uitgaven, overeenkomstig het juridisch kader voor de structuurfondsen;

21.  wijst erop dat het de taak van de Commissie en de lidstaten is om corrigerende maatregelen ter bescherming van de EU-begroting te nemen in geval van niet doeltreffende controlesystemen of onregelmatige uitgaven; wijst erop dat de Commissie en de lidstaten dergelijke maatregelen toepassen en merkt op dat als die corrigerende maatregelen niet waren toegepast op de door de Rekenkamer gecontroleerde betalingen in 2013, het totale geschatte foutenpercentage 6,3% zou zijn geweest, in plaats van 4,7%; benadrukt dat de Rekenkamer constateerde dat de autoriteiten voor een deel van de transacties die fouten vertoonden, met name op terreinen met gedeeld beheer, voldoende informatie tot hun beschikking hadden om de fouten te kunnen vaststellen en corrigeren; vraagt derhalve dat de Rekenkamer in haar toekomstige jaarverslagen een schatting maakt van het foutenniveau als alle corrigerende maatregelen zouden zijn genomen;

22.  betreurt voorts dat deze maatregelen slechts een beperkt effect hebben op de Uniebegroting, omdat meer dan 40% van de in 2013 uitgevoerde financiële correcties niet wordt beschouwd als bestemminsgontvangsten(85) maar gebruikt kan worden door dezelfde lidstaat die de veroorzaker was van deze correcties in het cohesiebeleid, waardoor het preventieve effect van financiële correcties wordt verzwakt;

23.  merkt op dat ongeveer 28% van de in 2013 uitgevoerde financiële correcties een nettoverlaging van de EU-financiering voor het betrokken programma en de betrokken lidstaat inzake het cohesiebeleid inhield;

24.  merkt met bezorgdheid op dat bovengenoemde mededeling van de Commissie van 29 september 2014 niet noodzakelijkerwijs betrouwbare informatie biedt over inhoudingen, terugvorderingen en lopende terugvorderingen van structuurfondsen door de lidstaten, aangezien de Commissie voor een voorzichtige benadering heeft gekozen, in verband met lacunes in de nationale cijfers, zodat de bovenstaande bedragen niet overschat zijn(86);

25.  vraagt de Commissie en de lidstaten om deugdelijke procedures in te voeren om de timing, de herkomst en de bedragen van corrigerende maatregelen te bevestigen en om informatie te verstrekken waarmee zoveel mogelijk verband kan worden gelegd tussen het jaar waarin de betaling is verricht, het jaar waarin de betrokken fout is opgespoord en het jaar waarin terugvorderingen of financiële correcties zijn bekendgemaakt in de toelichtingen bij de rekeningen, rekening houdend met het meerjarige karakter van de totale procedure; acht het tevens van wezenlijk belang dat volledige informatie wordt verstrekt over de terugvorderingen en de financiële correcties en dat volledige transparantie bestaat inzake de gegevens over de annulering van middelen en de inbreukprocedures met betrekking tot het desbetreffende jaar;

Syntheseverslag en jaarlijkse activiteitenverslagen

26.  stelt vast dat de directeuren-generaal van de Commissie in totaal 17 gekwantificeerde punten van voorbehoud maakten met betrekking tot de uitgaven; wijst erop dat het lagere aantal gekwantificeerde punten van voorbehoud in 2013 (21 in 2012) niet leidde tot vermindering van de reikwijdte van het risicobedrag, en dat het maximale totale risicodragende bedrag dat de Commissie in haar syntheseverslag(87) aankondigde lager is dan 4 170 miljoen EUR, ofwel 2,8% van alle uitbetaalde uitgaven;

27.  verzoekt de Commissie nader uiteen te zetten hoe het risicobedrag wordt berekend(88) door de geschatte impact van de corrigerende maatregelen op dit bedrag verder uit te leggen, en in haar syntheseverslag een werkelijke "betrouwbaarheidsverklaring" af te geven op basis van de jaarlijkse activiteitenverslagen van de directeuren-generaal;

28.  herinnert eraan dat de gecumuleerde bedragen die de Commissie gebruikt betrekking hebben op corrigerende maatregelen die de Commissie en de lidstaten (financiële correcties en terugvorderingen) meerdere jaren na de uitbetalingen van de middelen (met name in de periodes 1004-1999 en 2000-2006) hebben genomen, en wijst erop dat de Rekenkamer en de Commissie al deze tijd geen nauwkeurige foutenpercentages hebben opgegeven;

Druk op de begroting

29.  is bezorgd over het feit dat vanwege het onaanvaardbare standpunt van de Raad tijdens de onderhandelingen over de jaarlijkse EU-begroting en ondanks het hoge niveau van de betalingen uit de rekeningen blijkt dat de niet-afgewikkelde vastleggingen (in rubriek 1b, voornamelijk regionaal beleid, wordt het niveau van niet-afgewikkelde vastleggingen eind 2013 geraamd op 23,4 miljard EUR na 5 miljard EUR eind 2010, 11 miljard EUR eind 2011 en 16 miljard EUR eind 2012) en andere verplichtingen in 2013 bleven toenemen; wijst erop dat ze aan het einde van het jaar waren gestegen tot 322 miljard EUR(89) en dat dit bedrag in 2014 waarschijnlijk nog zal stijgen;

30.  herinnert eraan dat het geraamde bedrag van de RAL eind 2013 322 miljard euro beliep en dat in de loop van 2014 een verhoging hiervan werd verwacht; is van mening dat deze situatie feitelijk in strijd is met het beginsel van goed financieel beheer van artikel 310 VWEU en dat daarmee de wettigheid van de EU-begroting wordt ondergraven;

31.  benadrukt dat deze niet-afgewikkelde financiële verplichtingen zeer zorgwekkend zijn omdat de betalingsplafonds voor de eerste keer een aantal jaren grotendeels stabiel zullen blijven in reële termen(90);

32.  wijst erop dat de financiële middelen in tijden van crisis schaars zijn; merkt echter op dat voor grote delen van de begroting het maximale uitgavenniveau binnen de rubrieken van het meerjarig financieel kader (MFK) is opgedeeld in jaarlijkse toewijzingen per lidstaat; stelt vast dat absorptie van de middelen vaak de belangrijkste beleidsdoelstelling van de lidstaten wordt ("use it or lose it")(91); roept de Commissie en de lidstaten daarom op aan te sturen op een verschuiving van een bestedings- naar een resultaatcultuur, waarbij de behaalde resultaten op basis van de beginselen van efficiëntie en doeltreffendheid het belangrijkst zijn;

33.  wijst erop dat eind 2013 de brutovoorfinanciering 79,4 miljard EUR beliep, en benadrukt dat lange periodes van voorfinanciering kunnen leiden tot een verhoogd risico op fouten of verlies; benadrukt dat dit risico vooral groot is voor rubriek 4 van de begroting (De EU als mondiale partner); overwegende dat voor een normale activiteit een periode van vier jaar verstrijkt tussen de vastlegging en de boeking door de Commissie van de betreffende definitieve uitgaven;

34.  verzoekt de Commissie met klem een kasstroomraming voor de lange termijn met een prognose van de toekomstige betalingsbehoeften op te stellen en te publiceren om te waarborgen dat de noodzakelijke betalingen kunnen worden gedaan uit de goedgekeurde jaarlijkse begrotingen; vraagt de Commissie waar nodig wijzigingen te presenteren van de bestaande voorschriften indien de jaarlijkse begrotingen niet kunnen voorzien in voldoende kredieten om de noodzakelijke betalingen te kunnen doen;

35.  onderstreept nogmaals de noodzaak om langetermijnoplossingen te vinden waarmee de Commissie haar begroting weer onder controle kan krijgen; wijst erop dat met name grotere nadruk moet worden gelegd op verantwoordelijkheid en de oplossingen meer gericht moeten zijn op prestaties en resultaatgerichte bestedingen; benadrukt dat het Parlement met het oog hierop een grotere rol moet spelen bij het beoordelen van de uitgaven en prestaties;

Financiële instrumenten

36.  stelt vast dat eind 2013, 940 financieringsinstrumenten (FI’s) opgericht waren in het kader van 176 operationele programma's (OP) van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het Europees Sociaal Fonds (ESF) in 25 lidstaten; is met name bezorgd dat slechts 47% van de 14,3 miljard EUR (6,7 miljard EUR) die aan de FI's was verstrekt ook daadwerkelijk was uitbetaald aan de eindbegunstigden, ook al houdt dit percentage een stijging in ten opzichte van de 4,7 miljard EUR die eind 2012 was uitbetaald; stelt vast dat het gemiddelde uitbetalingspercentage van 47% eind 2013 een zekere variatie tussen fondsen en lidstaten verhult; wijst erop dat de gemiddelde uitbetaling alle 900 fondsen dekt: de in 2008 opgerichte fondsen en de in 2013 nieuw opgerichte fondsen waarvoor de uitvoering nog maar net van start gegaan was; is van mening dat hoewel sommige fondsen ondermaats presteren, er andere zijn die al 100% absorptie hebben bereikt en nu roterende middelen opnieuw investeren;

37.  stelt vast dat 14 FI's in de lidstaten zijn opgericht in het kader van het fonds voor plattelandsontwikkeling; merkt op dat tot eind 2013 uit de begroting van de Unie 443,77 miljoen EUR is uitbetaald aan banken in Roemenië, Bulgarije, Griekenland, Italië en Litouwen; is verontrust dat van dit bedrag nog geen euro bij de eindbegunstigden is terechtgekomen; merkt op dat voor zes financiële FI's die zijn opgezet in het kader van het Europees Visserijfonds 72,37 miljoen EUR is uitbetaald aan banken in Griekenland, Roemenië, Bulgarije, Estland, Letland en Nederland; wijst erop dat alleen in Letland de beschikbare bedragen volledig zijn uitbetaald aan de eindbegunstigden, terwijl dit in Roemenië slechts 28% was, in Bulgarije 77%, in Estland 91% en in Nederland en Griekenland 0%(92);

38.  betreurt bovendien dat deze instrumenten complex zijn en dat het moeilijk is de bedragen die met deze instrumenten worden verstrekt correct te verantwoorden, wat de openbare controle nog lastiger maakt; vraagt de Commissie te streven naar maar transparantie en geregeld verslag uit te brengen van de hefboomeffecten, de verliezen en de risico's, zoals investeringszeepbellen; dringt er bij de Commissie op aan een volledig overzicht te geven van het aantal projecten dat is gefinancierd met elk van de FI's en van de bereikte resultaten, duidelijk aan te geven welke bedragen van de Uniebegroting zijn gebruikt om deze FI-projecten te medefinancieren en een alomvattende kosten-batenanalyse te presenteren van het instrument van FI's vergeleken met directere vormen van projectfinanciering;

39.  is ingenomen met het feit dat de uitvoering van de financiële instrumenten tijdens de jaarlijkse evaluatievergaderingen systematisch op de agenda wordt gezet en dat er dan tekortkomingen worden geanalyseerd en corrigerende maatregelen worden voorgesteld; stelt met voldoening vast dat voor de volgende periode 2014-2020 tekortkomingen op dat gebied gecorrigeerd zijn (d.w.z. dat betalingen alleen aan de financiële instrumenten die de fondsen beheren worden overgedragen wanneer de feitelijke uitbetaling aan de eindontvangers een bepaald percentage heeft bereikt);

40.  beveelt aan dat de Commissie, met het oog op de druk op de begroting voor betalingen en het feit dat artikel 140, lid 7, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (het Financieel Reglement) vereist dat buitensporige saldi op financiële instrumenten voorkomen moeten worden, waarborgt dat bijdragen van de Uniebegroting aan deze instrumenten aansluiten bij reële kasstroombehoeften;

41.  is met name ernstig bezorgd over een aantal bevindingen van de Rekenkamer inzake de doeltreffendheid van het combineren van subsidies uit de regionale investeringsfaciliteiten met leningen van financiële instellingen (blending) ter ondersteuning van het externe beleid van de Unie(93);

42.  wijst erop dat de opzet van de regionale investeringsfaciliteiten goed was, maar dat de potentiële voordelen van blending niet volledig gerealiseerd waren als gevolg van tekortkomingen in het beheer door de Commissie; verzoekt de Commissie alleen middelen uit te betalen indien de begunstigde deze ook echt nodig heeft, en haar controle op de uitvoering van de subsidies van de Unie te verbeteren;

Verantwoordelijkheden van de Commissie en de lidstaten bij gedeeld beheer

43.  benadrukt het feit dat krachtens artikel 317 VWEU de Commissie de eindverantwoordelijke is voor de uitvoering van de begroting van de Unie; wijst erop dat, wanneer de Commissie de begroting uitvoert op basis van gedeeld beheer, uitvoeringstaken worden gedelegeerd aan de lidstaten overeenkomstig artikel 59 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, waarbij zij hun politieke en financiële verantwoordelijkheid nemen; herhaalt derhalve dat de lidstaten strikt moeten handelen in overeenstemming met het beginsel van goed financieel beheer en hun eigen verantwoordelijk wat betreft het beheren van EU-middelen niet moeten ondermijnen;

44.  neemt kennis van de mededeling van de Commissie van 28 oktober 2014 getiteld "Over de goedkeuring van de aanbevelingen van de Interinstitutionele Werkgroep voor de vaststelling en het gebruik van nationale verklaringen" (COM(2014)0688); merkt op dat de indiening van verklaringen vrijwillig en is dan ook ingenomen met het feit dat vier lidstaten, namelijk Denemarken, Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk hebben besloten dergelijke verklaring in te dienen; betreurt echter dat deze verklaringen uiteenlopen wat betreft vorm, reikwijdte, omvang en verslagperiode, waardoor ze weinig nut hebben;

45.  wijst erop dat volgens meerdere verklaringen van de Rekenkamer de door de vier hierboven genoemde lidstaten opgestelde nationale beheersverklaringen van zeer beperkte waarde zijn in het auditproces van de Rekenkamer en niet als een betrouwbare informatiebron voor de afgifte van betrouwbaarheidsverklaringen kan worden beschouwd;

46.  betreurt voorts, in verband met de voornoemde mededeling van de Commissie van 28 oktober 2014 dat bij de verbetering van het financieel beheer geen echte vooruitgang is geboekt, wat kan leiden tot een aanhoudend verlies van Uniemiddelen door verkeerde beslissingen op politiek of beheersniveau; roept op tot de invoering van een sanctiestelsel voor gevallen waarin lidstaten onjuiste programmainformatie en verklaringen verstrekken;

47.  vraagt de Commissie en de Raad derhalve ook om concrete en zinvolle stappen te zetten om de noodzakelijke vooruitgang in goed financieel beheer mogelijk te maken, met inbegrip van het toegenomen gebruik van het instrument van nationale verklaringen die in de praktijk niet veel extra inspanningen vereisen (naar verluidt minder dan 1 fte op jaarbasis per lidstaat), terwijl het van groot belang is dat de lidstaten politieke verantwoordelijkheid nemen voor het gebruik van Europese middelen door middel van een openbaar document; vraagt de Commissie en de lidstaten om niet alleen de nationale verklaringen te publiceren, maar ook de jaarlijkse samenvattingen en beheersverklaringen om meer inzicht te geven in het financieel beheer en het financieel beheer werkelijk te verbeteren; dringt er bij de Commissie op aan om een aanbeveling te doen aan het Parlement en de Raad om het gebruik van nationale verklaringen te bevorderen in overeenstemming met de aanbevelingen van de interinstitutionele werkgroep over het instellen en het gebruik van nationale verklaringen;

48.  acht het van essentieel belang dat het gebruik van de structuurfondsen gepaard gaat met volledige transparantie via de publicatie van de boekhoudbescheiden van toegewezen projecten;

Betrouwbaarheid van door de lidstaten verstrekte gegevens

49.  merkt op dat de geringe betrouwbaarheid van de eerstelijnscontroles bij gedeeld beheer die de lidstaten verrichten, de geloofwaardigheid ondermijnt van de jaarlijkse activiteitenverslagen die de diensten van de Commissie opstellen alsook van het syntheseverslag dat de Commissie goedkeurt, aangezien deze voor een deel gebaseerd zijn op de controles die de nationale autoriteiten verrichten; verzoekt de Commissie opnieuw de gegevens van de lidstaten te evalueren en zo nodig te corrigeren, zodat betrouwbare en objectieve jaarlijkse activiteitenverslagen opgesteld kunnen worden;

50.  verzoekt de directeuren-generaal in hun jaarlijkse activiteitenverslagen gedetailleerd verslag uit brengen van de foutenpercentages die door de lidstaten zijn gemeld en van de eventuele correcties die de Commissie heeft uitgevoerd op het niveau van de operationele programma's;

Slechtst presterende lidstaten

51.  is ingenomen met het overzicht van de auditresultaten van de Rekenkamer in het kader van fondsen in gedeeld beheer op het gebied van landbouw en cohesie 2009-2013 dat gegeven is in het jaarverslag 2013 van de Rekenkamer, waarmee voor een deel tegemoet wordt gekomen aan het verzoek van het Parlement in zijn kwijtingsresolutie 2012 om informatie per land te verstrekken op het gebied van gedeeld beheer;

52.  wijst erop dat volgens de cijfers die de Rekenkamer heeft verstrekt inzake de hoogtes en percentages van de risicobedragen bij de Europese fondsen voor regionale ontwikkeling, het Europees sociaal fonds en de cohesiefondsen, de hoogste foutenpercentages voorkomen in Slowakije, het VK en Spanje (brongegevens opgenomen in de jaarlijkse activiteitenverslagen 2013 van DG Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie en DG Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling);

53.  wijst erop dat volgens de cijfers die de Rekenkamer heeft verstrekt inzake de hoogtes en percentages van de risicobedragen bij het Europees Landbouwgarantiefonds en het Europees Landbouwfonds voor regionale ontwikkeling, de hoogste foutenpercentages voorkomen in Roemenië, Bulgarije en Portugal (brongegevens opgenomen in het jaarlijkse activiteitenverslag 2013 van DG Landbouw en Plattelandsontwikkeling);

54.  verzoekt de Rekenkamer haar eigen methode van landenspecifieke rapportage te ontwikkelen, niet alleen rekening houdend met de risicobedragen, maar ook met de beheers- en controlesystemen van de lidstaten en de correctiemaatregelen genomen door de Commissie en de lidstaten, teneinde de ontwikkeling van het beheer in de slechtst presterende lidstaten grondig te kunnen evalueren en de beste suggesties voor verbetering te kunnen doen;

55.  herinnert eraan dat EU-middelen ernstige schade ondervinden van corruptie; is verontrust over de gegevens waaruit blijkt dat sommige lidstaten in bijzondere mate met dit verschijnsel te kampen hebben en herinnert in dit verband aan de Aanbeveling van de Commissie van 29 mei 2013voor een aanbeveling van de Raad over het nationale hervormingsprogramma 2013 van Italië en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma van Italië voor 2012-2017(94); pleit voor een spoedige goedkeuring van de richtlijn betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt,

Belangenconflicten

56.  betreurt dat in sommige lidstaten de wetgeving betreffende belangenconflicten van parlementsleden, regeringsleden en leden van lokale raden vaag en ontoereikend is; vraagt de Commissie om de huidige situatie zorgvuldig te onderzoeken en indien nodig aanbevelingen te doen of zelfs juridisch bindende oplossingen voor te stellen; is van mening dat hetzelfde geldt voor de kandidaat-leden en de leden van de Commissie;

Ontvangsten: Eigen middelen bni

57.  stelt vast dat de Rekenkamer bij haar controle (zie het jaarverslag voor 2013, paragraaf 2.27) geen substantieel foutenpercentage heeft geconstateerd in de berekening door de Commissie van de bijdragen van de lidstaten en de betaling hiervan, waarvan de meeste gebaseerd waren op geraamde bni-gegevens voor 2013;

58.  vraagt de Commissie erop toe te zien dat de gegevens van Eurostat en de lidstaten volledig overeenkomen aangezien de bni-indicator de belangrijkste benchmark is voor zowel de ontvangsten als de uitgaven van de EU;

59.  herinnert aan de kritiek van de Rekenkamer in haar jaarverslag over 2012 op de gebrekkige doeltreffendheid van de verificatie door de Commissie van de bni-gegevens (zie het jaarverslag voor 2012, paragraaf 2.41); benadrukt dat het langdurige gebruik van algemene punten van voorbehoud en de buitensporig lange duur van de verificatiecyclus van bni-gegevens voor de eigen middelen kunnen leiden tot onzekerheid over de begroting, zoals bleek uit de discussies tussen de lidstaten over het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6 op de algemene begroting 2014(95);

60.  betreurt dat sommige lidstaten, ondanks dat zij op de hoogte waren van de in het voorjaar van 2014 doorgevoerde veranderingen in de statistische methode van berekening van de bni-bijdrage, niet voorzagen dat hun bijdrage aan de begroting zou stijgen;

61.  betreurt dat de Commissie weliswaar sinds het voorjaar van 2013 wist dat de veranderingen in de statistische methode van berekening van de bni-bijdrages zouden leiden tot flinke stijgingen van de bijdrages van sommige lidstaten, maar dat zij dit dossier toch als een puur technisch dossier wilde behandelen(96);

62.  herinnert eraan dat de Rekenkamer in haar advies nr. 7/2014(97) concludeerde dat het voorstel van de Commissie om in uitzonderlijke omstandigheden uitstel te verlenen voor de betaling van de saldi en aanpassingen van btw en bni de complexiteit van het stelsel van eigen middelen en de begrotingsonzekerheid van de lidstaten kan versterken;

63.  wijst er met name op dat het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 houdende toepassing van Besluit 2007/436/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (COM(2014)0704) enkel betrekking heeft op de verlenging van de termijn voor de terbeschikkingstelling van de middelen door lidstaten indien het gaat om aanzienlijke bedragen als gevolg van positieve saldi en aanpassingen van btw en bni, en merkt op dat waar de lidstaten grote negatieve saldi en aanpassingen van btw en bni hebben, de Commissie verplicht kan zijn bijkomende ontvangsten te innen door middel van een gewijzigde begroting;

64.  betreurt dat de Raad, ondanks het feit dat de Commissie een algehele hervorming van het stelsel van eigen middelen heeft voorgesteld dat goed ontvangen is door het Parlement(98) en erop gericht was het stelsel van eigen middelen billijker, begrijpelijker, transparanter en doeltreffender te maken en de nationale bijdragen te verlagen, er niet in geslaagd is om tot nu toe enige vooruitgang te boeken met de hervorming van het stelsel van eigen middelen op basis van die wetgevingsvoorstellen;

Te nemen maatregelen

65.  verzoekt de Commissie:

   de duur van de verificatiecyclus van de bni-gegevens gebruikt voor de eigen middelen te beperken tot maximaal vier jaar, zo nodig door inbreukprocedures te starten en/of strikte termijnen vast te leggen voor het intrekken van de voorbehouden;
   het gebruik van algemene punten van voorbehoud te beperken tot uitzonderlijke gevallen waarin aanzienlijk risico bestaat dat de financiële belangen van de EU niet worden beschermd: dat wil zeggen wanneer een lidstaat tijdens de verificatiecyclus of met onregelmatige tussenpozen een ingrijpende herziening uitvoert;
   een actieplan op te stellen om de tekortkomingen te herstellen die de Rekenkamer heeft vastgesteld in haar Speciale verslag nr. 11/2013 en dit uiterlijk eind juni 2015 voor te leggen aan het Parlement en de Rekenkamer;
   een gedetailleerd actieplan vast te stellen en nauwlettend te volgen, waarbij dit plan duidelijke doelstellingen bevat voor het aanpakken van de problemen met de compilatie van de nationale rekeningen van Griekenland;
   het voornoemde Commissievoorstel COM(2014)0704 te wijzigen zodat de Commissie bevoegd is tot het uitstellen van betaling van de bedragen die volgen uit "negatieve" saldi en aanpassingen;

66.  wijst op de tekortkomingen die de Rekenkamer in het speciale verslag 2/2014 getiteld "Worden de preferentiële handelsregelingen naar behoren beheerd?" heeft vastgesteld in de controlestrategie en het risicobeheer in Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk en die kunnen leiden tot potentiële verliezen voor de EU-begroting; wijst erop dat deze tekortkomingen werden bevestigd door het bedrag aan mogelijk gederfde ontvangsten in deze drie lidstaten; wijst erop dat door extrapolatie van de in de steekproef van 2009 vastgestelde fouten de Rekenkamer tot een geraamd bedrag aan douanerechten in deze lidstaten komt van 655 miljoen EUR die dreigen te verjaren; Dit stemt overeen met ongeveer 6% van het brutobedrag aan douanerechten bij invoer in de vijf geselecteerde lidstaten dat jaar, bestaande uit 167 miljoen EUR voor Duitsland, 176 miljoen EUR voor Frankrijk en 312 miljoen EUR voor het Verenigd Koninkrijk;

Landbouw

Landbouw Landbouw: uitdagingen op het het gebied van demografie en de structuur van begunstigden

67.  wijst erop dat demografische veranderingen een grotere invloed hebben op het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) dan op enig ander beleidsterrein van de Unie, omdat bijna eenderde van de 12 miljoen landbouwers in de Unie, die ruim 45% van de EU-begroting delen, ouder is dan 65%, terwijl slechts 6% jonger is dan 35 jaar(99); is derhalve verheugd over de in het kader van de hervorming van het GLB gestarte programma's voor steun aan jonge landbouwers;

68.  betreurt dat de maatregelen die de Commissie op het gebied van het landbouwbeleid heeft genomen tot nu toe ontoereikend waren om de demografische onbalans te herstellen en roept de Commissie op de landbouwsteun van de begroting in het licht hiervan opnieuw te onderzoeken;

69.  benadrukt dat slechts 2% van de landbouwers in de Unie 31% van de rechtstreekse GLB-betalingen ontvangt; wijst erop dat het GLB met name op kleine landbouwers gericht moet worden en is van mening dat de huidige praktijk de politieke acceptatie van het GLB verder ondermijnt;

70.  herinnert eraan dat het Parlement en de Raad (100) een verlaging van de betalingen boven de 150 000 EUR en een mogelijke plafonnering van rechtstreekse betalingen hebben ingesteld om het GLB billijker te maken; vraagt derhalve dat de Rekenkamer de efficiëntie en doeltreffendheid van deze maatregel controleert in haar volgende jaarverslagen;

71.  wijst erop dat de Tsjechische Republiek, gevolgd door Slowakije, Hongarije, Duitsland en Bulgarije, de meest onevenwichtige landbouwsector heeft(101); roept de Commissie en de lidstaten op de structuur van hun begunstigden beter in evenwicht te brengen en verzoekt de directeur-generaal van DG AGRI aan zijn jaarlijkse activiteitenverslag indicatieve cijfers toe te voegen van de verdeling van de rechtstreekse GLB-betalingen aan producenten per lidstaat en categorie begunstigden;

Landbouw: foutenpercentage in de eerste pijler

72.  betreurt dat de betalingen van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) in 2013 materiële fouten vertonen, waarbij het meest waarschijnlijke foutenpercentage door de Rekenkamer wordt geschat op 3,6% (3,8% in 2012)(102) en dat één van de vijf op het punt van onderliggende betalingen onderzochte systemen doeltreffend werd bevonden, twee gedeeltelijk doeltreffend en twee niet doeltreffend;

73.  benadrukt dat bij 33 van de 101 door de Rekenkamer geconstateerde kwantificeerbare fouten de nationale autoriteiten over voldoende informatie beschikten om de fouten in ieder geval deels te kunnen voorkomen, opsporen en corrigeren en dat, indien al deze informatie op de juiste wijze gebruikt was, het meest waarschijnlijke foutenpercentage op dit terrein 1,1 procentpunt lager zou zijn geweest, ofwel relatief dichtbij de materialiteitsdrempel van 2%; wijst erop dat de lidstaten een belangrijke verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot de correcte en rechtmatige uitvoering van de Uniebegroting wanneer zij verantwoordelijk zijn voor het beheer van de EU-middelen;

Randvoorwaarden (cross-compliance)

74.  wijst erop dat de controle van de Rekenkamer ook betrekking had op de verplichtingen inzake randvoorwaarden en dat gevallen waar niet aan de randvoorwaarden was voldaan, behandeld zijn als fouten, mits kon worden vastgesteld dat de overtreding was begaan in het jaar waarin de landbouwer de subsidie had aangevraagd; wijst erop dat de Rekenkamer de tekortkomingen op het vlak van de randvoorwaarden opneemt in haar berekening van het foutenpercentage, terwijl volgens de Commissie de randvoorwaarden geen betrekking hebben op het in aanmerking komen voor betalingen, maar enkel tot administratieve sancties leiden;

75.  merkt op dat de Commissie in haar antwoord aan de Rekenkamer stelt dat het rechtskader voor de programmeringsperiode 2014-2020 is vereenvoudigd, en verzoekt de Commissie uiterlijk eind 2015 verslag uit te brengen over de werking van deze vereenvoudigingsmaatregelen in de praktijk en te melden welke aanvullende maatregelen genomen kunnen worden met betrekking tot de resterende complexe regels en subsidiabiliteitsvoorwaarden;

Foutenpercentage bij marktmaatregelen

76.  is bezorgd over het feit dat het foutenpercentage met betrekking tot landbouwmarktmaatregelen 7,44% bedraagt, zoals berekend door de Commissie; betreurt het feit dat dit het op een na hoogste foutenpercentage op een beleidsterrein is in 2013;

77.  benadrukt dat de punten van voorbehoud die de directeur-generaal van DG AGRI heeft opgenomen in jaarlijkse activiteitenverslag van dat DG een bevestiging vormen van de alarmerende situatie bij de marktmaatregelen, aangezien het gaat om zeven steunregelingen in negen lidstaten, met name in de sectoren groente en fruit, de herstructurering van wijngaarden, investeringen in de wijnsector, uitvoerrestituties voor pluimvee en de schoolmelkregeling;

78.  vestigt de aandacht op het feit dat veel kleinere programma's, zoals de schoolfruit- en schoolmelkregelingen, niet gebruikersvriendelijk zijn, ten dele vanwege de bureaucratie die daarmee gepaard gaat, en dat die programma's daardoor niet optimaal worden benut en uitgevoerd;

79.  betreurt de aanzienlijke tekortkomingen in de controleprocedures die worden toegepast bij de erkenning van producentengroeperingen(103) voor groente en fruit in Polen, Oostenrijk, Nederland en het VK, zoals genoemd door de Rekenkamer in haar jaarverslag voor 2013 en bevestigd door de directeur-generaal van DG AGRI, die in zijn jaarlijkse activiteitenverslag 2013 een voorbehoud heeft opgenomen op basis van de schatting dat 25% van de totale uitgaven in het kader van de maatregel, ofwel 102,7 miljoen EUR, risico loopt;

80.  betreurt in het bijzonder de tekortkomingen die de Commissie heeft vastgesteld bij de maatregel "herstructurering van wijngaarden in Spanje", die aanleiding was voor het voorbehoud van de directeur-generaal van DG AGRI, op basis van een gecorrigeerd foutenpercentage van 33% en een risicobedrag van 54 miljoen EUR, en bij de maatregel "uitvoer van pluimvee in Frankrijk", op basis van een gecorrigeerd foutenpercentage van 69,6% en een risicobedrag van 29,3 miljoen EUR;

Betrouwbaarheid van gegevens van de lidstaten inzake rechtstreekse betalingen

81.  verwelkomt het feit dat, aangezien de door de lidstaten meegedeelde foutenpercentages in hun inspectiestatistieken niet alle componenten van het restfoutenpercentage bestrijken en niet altijd betrouwbaar zijn, DG AGRI een afzonderlijke beoordeling verrichte voor ieder betaalorgaan, op basis van alle beschikbare informatie, met inbegrip van de controlebevindingen van de Rekenkamer;

82.  wijst nogmaals op de opmerkingen van de Rekenkamer(104) dat uit de resultaten van deze nieuwe aanpak blijkt dat slechts beperkte zekerheid kan worden ontleend aan de inspectiestatistieken van de lidstaten, de verklaringen van de directeuren van betaalorganen en de werkzaamheden van de certificerende instanties;

83.  wijst erop dat bijna alle betaalorganen voor de rechtstreekse betalingen erkend waren en gecertificeerd waren door certificerende instanties, en dat 79 van de 82 betrouwbaarheidsverklaringen van de betaalorganen in 2013 een goedkeurend oordeel ontvingen van de certificerende instanties, waarmee de juistheid werd bevestigd van de door de directeuren van de betaalorganen gepresenteerde betrouwbaarheidsverklaringen, maar dat de Commissie desondanks de meegedeelde foutenpercentages van 42 van de 68 betaalorganen met een restfoutenpercentage boven de 2% naar boven moest bijstellen;

84.  wijst erop dat de 5 betaalorganen met het hoogste foutenpercentage de volgende waren:

1.  Verenigd Koninkrijk, RPA

5,66% (meegedeeld door lidstaat (LS): 0,67%)

2.  Griekenland, OKEPE

5,17% (meegedeeld door LS: 0,83%)

2.  Spanje, AVGA

4,71% (meegedeeld door LS: 1,93%)

4.  Portugal, IFAP

4,37% (meegedeeld door LS: 0,82%)

5.  Roemenië, PIAA

4,27% (meegedeeld door LS: 1,77%)

85.  betreurt dat het huidige wetgevingskader niet voorziet in sancties wegens onjuiste of valse informatie(105) van de betaalorganen;

86.  dringt erop aan dat EU-ambtenaren meer toezicht en controle uitoefenen op de nationale betaalorganen in de relevante lidstaten en voor nauwe coördinatie tussen deze organen zorgen, om de tekortkomingen waarmee zij te kampen hebben te verhelpen, vooral in het geval van betaalorganen die de afgelopen drie jaar continu slecht gepresteerd hebben, teneinde het betalingsbeheer efficiënter te maken;

GBCS en LPIS

87.  is het met de Commissie en de Rekenkamer eens dat het geïntegreerde beheers- en controlesysteem (GBCS) over het geheel genomen een cruciale rol speelt bij het voorkomen en verminderen van fouten in declaraties van landbouwers en wijst erop dat een goede werking van dit systeem ervoor had moeten zorgen dat de rechtstreekse landbouwbetalingen geen materiële fouten vertonen;

88.  betreurt dat hardnekkige gebreken bij het uitsluiten van niet-subsidiabele percelen uit het landbouwpercelenidentificatiesysteem (LPIS) en bij de administratieve afhandeling van declaraties van landbouwers in significante mate bijdragen tot het percentage materiële fouten dat blijft bestaan in de ELGF-betalingen;

89.  wijst opnieuw op de horizontale dimensie van de tekortkomingen van het LPIS; wijst erop dat de Rekenkamer sinds 2007 het GBCS heeft gecontroleerd bij 38 betaalorganen in alle 28 lidstaten, en betreurt ten zeerste dat slechts zeven van de controlesystemen als doeltreffend werden beoordeeld, 22 als gedeeltelijk doeltreffend en negen als ondoeltreffend; vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat het financieel risico voor de begroting wordt gedekt door netto financiële correcties;

Procedures om terugvordering van onverschuldigde betalingen te verzekeren

90.  is bezorgd dat de Rekenkamer heeft geconstateerd(106) dat door onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen met betrekking tot aanvraagjaar 2008 of eerder in Ierland met een aanzienlijke vertraging waren gemeld aan debiteuren en dat er met betrekking tot die schulden een aantal jaren geen procedures tot invordering of tenuitvoerlegging werden ingesteld;

91.  merkt op dat tot eind 2012 van de 6,7 miljoen EUR aan schulden die betrekking hebben op die aanvraagjaren in totaal 2,3 miljoen EUR voor rekening kwam van de Unie op grond van de 50/50-regel, ondanks de door de Rekenkamer vastgestelde vertraging bij de aanvraagprocedure, en vreest dat deze middelen definitief verloren zijn voor de EU-begroting;

92.  is ook bezorgd over de bevindingen van de Rekenkamer inzake het feit dat de Italiaanse autoriteiten niet bijhielden of schulden te wijten waren aan onregelmatigheden of administratieve fouten, hetgeen ervoor kan zorgen dat er bedragen ten onrechte ten laste van de EU-begroting komen; verzoekt de Commissie voor het einde van het jaar aan de hand van een gedetailleerde analyse verslag uit te brengen over deze situatie;

93.  wijst erop dat volgens de gegevens in het jaarlijks activiteitenverslag over 2013 van DG AGRI(107) de slechtst presterende lidstaten wat betreft de terugvordering van onverschuldigde betalingen zijn: Bulgarije, met een invorderingspercentage van 4%, Griekenland met 21%, Frankrijk met 25%, Slovenië met 25%, Slowakije met 27% en Hongarije met 33%; is bezorgd over de deels alarmerend lage terugvorderingspercentages op bepaalde terreinen en vraagt de Commissie om een verslag over de oorzaken en de mogelijkheden om deze situatie te verbeteren;

Procedure ter goedkeuring van de rekeningen

94.  wijst erop dat de Commissie in 2013 vier conformiteitsbeschikkingen trof, die leidden tot financiële correcties ad 1 116,8 miljoen EUR (861,9 miljoen EUR voor het ELGF en 236,2 miljoen EUR voor het Elfpo) wat neerkomt op 2% van de EU-begroting voor landbouw en plattelandsontwikkeling in 2013 (1,4% in de periode 2008-2012);

95.  wijst erop dat dit bedrag niet mag worden vergeleken met het meest waarschijnlijke foutenpercentage van de Rekenkamer, omdat de conformiteitscontroles van de Commissie systeemgericht zijn, de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen niet controleren, uitgaven bestrijken met betrekking tot verschillende begrotingsjaren, leidden tot financiële correcties die voor 65% forfaitair waren en het daarom niet mogelijk maken een jaarlijks foutenpercentage te berekenen(108);

96.  benadrukt dat de stijging van het gemiddelde niveau van de financiële correcties in 2013 ten opzichte van de periode 2008-2012 volgens de bevindingen van de Rekenkamer(109) vooral te verklaren is door de vermindering van het aantal openstaande controledossiers van 553 eind 2012 tot 516 eind 2013 en dat de afhandeling en sluiting van deze dossiers, die betrekking hadden op begrotingsjaren vóór 2010, leidde tot financiële correcties in 2013 ten belope van 881 miljoen euro (79% van het totaal);

97.  is bezorgd dat de onafhankelijkheid van het bemiddelingsorgaan dat betrokken kan zijn bij de conformiteitsgoedkeuringsprocedure niet wordt gegarandeerd door de momenteel geldende bepalingen(110);

Plattelandsontwikkeling, milieu, visserij en gezondheid

98.  betreurt dat de betalingen op de beleidsterreinen plattelandsontwikkeling, milieu, visserij en gezondheid in 2013 fouten van materieel belang vertonen, dat het meest waarschijnlijke foutenpercentage 6,7% bedroeg (7,9% in 2012) en dat zeven van de 13 gecontroleerde toezicht- en controlesystemen voor verrichte betalingen in de lidstaten beoordeeld werden als gedeeltelijk doeltreffend en zes als niet doeltreffend;

99.  is het eens met de mening van de Rekenkamer dat het meest waarschijnlijke foutenpercentage verlaagd zou zijn tot 2% indien de nationale autoriteiten alle beschikbare informatie gebruikt zouden hebben om fouten te voorkomen, op te sporen en te corrigeren; wijst erop dat de lidstaten een belangrijke verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot de correcte en rechtmatige uitvoering van de Uniebegroting wanneer zij verantwoordelijk zijn voor het beheer van de EU-middelen;

100.  betreurt het feit dat het door de Rekenkamer berekende gemiddelde foutenpercentage voor plattelandsontwikkeling in de afgelopen drie jaar 8,2% bedroeg, en 7,9% in 2013(111); acht het bijzonder betreurenswaardig dat dit het hoogste foutenpercentage op een beleidsterrein is in 2013;

101.  wijst erop dat de door de Rekenkamer geconstateerde fouten zich vooral voordeden omdat de begunstigden zich niet hielden aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden, de aanbestedingsregels niet correct waren toegepast en de agromilieuverbintennissen niet werden nagekomen;

102.  is bezorgd over het feit de Rekenkamer constateerde dat een achtste van het foutenpercentage op het gebied van plattelandsontwikkeling het gevolg was van vermoedelijk opzettelijke overtreding door particuliere begunstigden en betreurt het feit dat de specifieke maatregel voor plattelandsontwikkeling "Verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten" het grootste aandeel had in het foutenpercentage voor particuliere investeringen(112), op grond waarvan de Rekenkamer ernstige bedenkingen had op het punt van "de efficiency en doeltreffendheid van de maatregel voor het bereiken van de beleidsdoelstellingen";

103.  is het eens met de mening van de Rekenkamer(113) dat de fouten deels werden veroorzaakt door de complexiteit van de regels en de grote verscheidenheid van de steunregelingen in het kader van de programma's van 2007-2013: 46 maatregelen in totaal voor plattelandsontwikkeling, elk met eigen regels en voorwaarden;

104.  stelt vast dat de Commissie steeds vaker betalingen opschort of onderbreekt, hetgeen waarborgt dat corrigerende maatregelen stelselmatig worden toegepast wanneer er tekortkomingen worden vastgesteld;

105.  verwelkomt de herziene benadering van de Commissie om bij de berekening van het restfoutenpercentage rekening te houden met alle relevante controles en informatie, om het door de lidstaten gemelde foutenpercentage te kunnen bijstellen;

106.  betreurt de gebrekkige betrouwbaarheid van de gegevens die de lidstaten doorgeven inzake de resultaten van hun controles; merkt op dat de certificerende instanties een verklaring met voorbehoud hebben afgegeven met een foutenpercentage boven de 2% voor slechts negen van de(114) betaalorganen, terwijl de Commissie een verklaring met voorbehoud afgaf voor 31 organen in 24 lidstaten(115);

107.  betreurt het gebrek aan kwalitatief hoogwaardige corrigerende maatregelen in sommige lidstaten en het ontbreken van een systematische aanpak om de oorzaken van de fouten in alle lidstaten weg te nemen; benadrukt dat het ontbreekt aan preventieve maatregelen om de breed aanwezige problemen op Unieniveau aan te pakken;

108.  constateert dat de onvolledige tenuitvoerlegging ter hoogte van 4 300 000 EUR in hoofdstuk 17 04 (veiligheid van levensmiddelen en diervoeders, diergezondheid, dierwelzijn en gezondheid van planten) in belangrijke mate te wijten is aan onderbesteding van een bedrag van 900 000 EUR met betrekking tot bestemmingsontvangsten voor de verschillende programma's, die in 2014 ook nog gebruikt kunnen worden, en een bedrag van 2 000 000 EUR met betrekking tot het fonds voor noodmaatregelen; merkt op dat van dit laatste bedrag 50%, oftewel 1 000 000 EUR, is overgedragen naar 2014 (voor de aanpak van blauwtong in Duitsland) en in datzelfde jaar ten uitvoer is gelegd;

Verzoeken aan de Commissie, de lidstaten en de Rekenkamer met betrekking tot landbouw en plattelandsontwikkeling

109.  vraagt de Rekenkamer afzonderlijke foutenpercentages te berekenen voor marktmaatregelen en rechtstreekse betalingen in de eerste pijler van het GLB;

110.  beveelt de Commissie aan actief toezicht te houden op de toepassing van corrigerende maatregelen met betrekking tot de gebreken in het controlesysteem voor EU-steun voor de erkenning van producentengroeperingen voor groente en fruit in Polen, en in de operationele programma's voor producentenorganisaties in Oostenrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk;

111.  dringt er bij de Commissie op aan de meerwaarde van de Unie op het gebied van landbouwmarktmaatregelen vast te stellen en daarbij rekening te houden met het risico op mogelijke verliezen voor de EU-begroting, en verzoekt de Commissie te overwegen de maatregelen te bevriezen indien het risico te groot is; verzoekt de Commissie in het verslag over de follow-up van de kwijting 2013 van de Commissie de acties toe te lichten die het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) heeft genomen naar aanleiding van het controlebezoek voor uitvoerrestituties voor pluimvee in Frankrijk;

112.  verzoekt de Commissie voorstellen in te dienen inzake het opleggen van sancties voor valse of onjuiste informatie van betaalorganen, onder meer met betrekking tot de volgende drie aspecten: de inspectiestatistieken, de verklaringen van de betaalorganen en de werkzaamheden van de certificerende instanties; verzoekt de Commissie de bevoegdheid te verlenen om de erkenning van betaalorganen in te trekken in ernstige gevallen van onjuiste weergave van de feiten;

113.  dringt er bij de directeur-generaal van DG AGRI op aan de werkelijke meerwaarde te overwegen van het jaar op jaar verlengen van voorbehouden vanwege tekortkomingen met het LPIS, terwijl die tekortkomingen een duidelijke horizontale dimensie hebben;

114.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om te waarborgen dat ten volle gebruik wordt gemaakt van het GBCS, en in het bijzonder te waarborgen dat de subsidiabiliteit en omvang van de landbouwpercelen juist worden beoordeeld en geregistreerd door de lidstaten, en dat de lidstaten onmiddellijk corrigerende maatregelen treffen indien blijkt dat het GBCS systematische fouten bevat;

115.  vraagt de Commissie om een toelichting van de feiten inzake Ierland en Italië, gemeld door de Rekenkamer in paragraaf 3.24 en 3.25 van haar Jaarverslag voor 2013, wat betreft onregelmatigheden bij de terugvordering van onverschuldigde betalingen, de nodige corrigerende maatregelen te nemen en daarvan uiterlijk in juni 2015 verslag uit te brengen aan het Parlement;

116.  dringt er bij de Commissie op aan maatregelen te nemen om het aantal openstaande controledossiers inzake procedures ter goedkeuring van de rekeningen verder te verlagen, zodat alle vóór 2012 verrichte controles eind 2015 zijn afgesloten;

117.  vraagt met name om het mandaat van de leden van het bemiddelingsorgaan dat betrokken is bij de procedure ter goedkeuring van de rekeningen te beperken tot een eerste termijn van drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging met maximaal een jaar; vraagt verder om mogelijke belangenconflicten te voorkomen bij de behandeling van die dossiers en erop toe te zien dat lidstaten die direct betrokken zijn bij de financiële correcties niet vertegenwoordigd zijn in het bemiddelingsorgaan;

118.  vraagt de Commissie in detail verslag uit te brengen aan het Parlement over de uitvoering van de plafonnering van rechtstreekse GLB-betalingen per lidstaat;

119.  pleit ervoor dat het GLB minder bureaucratisch wordt gemaakt, waardoor de foutenpercentages kleiner worden; is dan ook ingenomen met het voornemen van de Commissie om vereenvoudiging en subsidiariteit de komende vijf jaar een van de topprioriteiten te maken; dringt erop dan dat stelselmatig wanpresterende betaalorganen in extreme gevallen hun accreditatie wordt afgenomen;

120.  verzoekt de Commissie tijdig met een gedetailleerd plan te komen om de administratieve rompslomp in het GLB de komende vijf jaar met 25% te verminderen;

121.  verzoekt de Rekenkamer het beleidsterrein plattelandsontwikkeling als afzonderlijk hoofdstuk in haar jaarverslag te behandelen of in ieder geval aparte foutenpercentages te berekenen voor het beleidsterrein plattelandsontwikkeling, het beleidsterrein visserij en het LIFE+-programma;

122.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de actieplannen van de lidstaten op het gebied van plattelandsonwikkeling volledig zijn en alle regio's en maatregelen binnen het toepassingsbereik ervan omvatten, in het bijzonder investeringsmaatregelen, waarbij rekening wordt gehouden met de controles door de Commissie en de Rekenkamer;

123.  verzoekt de Commissie de follow-up door OLAF toe te lichten van de gevallen van vermoede opzettelijke overtreding die de Rekenkamer heeft vastgesteld, in het bijzonder met betrekking tot de plattelandsontwikkelingsmaatregel "Verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten", en de opzet van deze maatregel grondig door te lichten tegen de achtergrond van de kritische opmerkingen van de Rekenkamer inzake de efficiency en doeltreffendheid ervan in het verslag over de follow-up van de kwijting 2013 van de Commissie;

124.  dringt er bij de Commissie op aan nauwlettend toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van de programma's voor plattelandsontwikkeling en in haar conformiteitscontroles rekening te houden met de toepasselijke regels, met inbegrip van de relevante op nationaal niveau vastgestelde regels, teneinde het risico op blijvende tekortkomingen en fouten zoals vastgesteld in de programmeringsperiode 2007-2013 te voorkomen;

Visserij

125.  constateert dat DG MARE voorbehoud maakt met betrekking tot een foutenpercentage van meer dan 2% in verband met de gedeclareerde uitgaven van bepaalde lidstaten, en met betrekking tot een onbetrouwbaar geacht verslag en een ontbrekend verslag voor één lidstaat; betreurt dat de betrokken lidstaat in deze situatie verkeert; stelt echter vast dat de situatie verbeterd is nadat de Commissie deze lidstaat heeft aangemaand;

126.  betreurt daarnaast dat de Rekenkamer niet duidelijker aangeeft wat haar controles specifiek op het vlak van visserij en maritieme zaken hebben opgeleverd en vraagt met het oog op transparantie dat dergelijke informatie wordt vrijgegeven;

127.  neemt er nota van dat DG MARE in 92,31% van de gevallen tijdig heeft betaald; merkt echter met enige verontrusting op dat het aantal te late betalingen is toegenomen ten opzichte van het voorgaande begrotingsjaar; constateert met tevredenheid dat er in 2013 minder achterstandsrente is betaald; spoort DG MARE dan ook aan een betalingstermijn aan te houden die strookt met de relevante regels;

Regionaal beleid, vervoer en energie

EU 2020

128.  benadrukt dat van het totale bedrag aan betalingen in 2013 onder deze beleidsgroep (45 311 miljoen EUR) 96% (43 494 miljoen EUR) bestemd is voor regionaal beleid dat hoofdzakelijk wordt uitgevoerd door middel van het EFRO en het Cohesiefonds (CF), 1 059 miljoen EUR voor mobiliteit en vervoer en 758 miljoen EUR voor energie;

129.  erkent de bepalende rol van het regionaal beleid van de EU bij het verkleinen van regionale verschillen en het bevorderen van economische, sociale en territoriale cohesie tussen de regio's van de lidstaten en tussen de lidstaten; erkent dat dit beleid het belangrijkste EU-brede investeringsbeleid op de lange termijn in de reële economie is, goed voor 29% van de totale begrotingsuitgaven van de Unie in 2013, en een beproefd instrument is om groei en banen te creëren in de EU, hetgeen de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie ondersteunt;

130.  wijst op de belangrijke rol van het vervoers- en energiebeleid voor het opzetten van veilige, duurzame en concurrerende energie- en vervoerssystemen en -diensten voor Europese burgers en bedrijven en onderstreept de bijdrage van dit beleid aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

131.  verwelkomt het feit dat de Commissie de doeltreffendheid, efficiency, samenhang en Europese meerwaarde van het regionaal beleid beoordeelt door middel van evaluaties achteraf; verwacht regelmatig op de hoogte te worden gehouden van de beoordeling van de Commissie;

132.  onderstreept dat de Commissie moet zorgen dat zij consistente en betrouwbare informatie van de lidstaten krijgt over het gebruik van de middelen van het EFRO en dat uit deze informatie de voortgang van de operationele programma's moet blijken, niet alleen in financiële termen, maar ook met betrekking tot de prestaties;(116)

133.  wijst op het meerjarig karakter van het beheerssysteem voor het landbouwbeleid en onderstreept dat een eindbeoordeling van onregelmatigheden in verband met de beleidsuitvoering pas na afloop van de programmaperiode mogelijk is;

Fouten

134.  stelt vast dat van de 180 door de Rekenkamer gecontroleerde verrichtingen er 102 fouten vertoonden (57%); wijst erop dat de Rekenkamer 95% zekerheid heeft dat het foutenpercentage in de populatie tussen 3,7% en 10,1% ligt (de onderste, respectievelijk de bovenste foutengrens), en op basis van de 40 door haar gekwantificeerde fouten het meest waarschijnlijke foutenpercentage schat op 6,9% (2012: 6,8%);

135.  benadrukt dat in 17 gevallen waarin eindbegunstigden kwantificeerbare fouten hadden gemaakt, de nationale autoriteiten over voldoende informatie beschikten om de fouten te kunnen voorkomen, opsporen en corrigeren voordat de uitgaven bij de Commissie werden gedeclareerd; wijst erop dat indien al deze informatie gebruikt was om fouten te corrigeren, het geschatte meest waarschijnlijke foutenpercentage voor dit hoofdstuk 3 procentpunt lager zou zijn geweest; wijst erop dat de lidstaten een belangrijke verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot de correcte en rechtmatige uitvoering van de Uniebegroting aangezien zij verantwoordelijk zijn voor het beheer van de EU-middelen;

136.  wijst erop dat bij de uitgaven voor de EFRO- en cohesiefondsuitgaven en voor mobiliteit, vervoer en energie, de belangrijkste risico's in verband met de conformiteit verband houden met fouten in de regels voor bij de openbare aanbestedingen (39%), niet-subsidiabele projecten/activiteiten of begunstigden (22%), niet-subsidiabele uitgaven in de kostendeclaraties (21%) en niet-naleving van de staatssteunregels voor het EFRO en het CF; is ingenomen met de door de Commissie ondernomen acties om deze risico's te beperken en moedigt haar aan beheersautoriteiten training en ondersteuning te blijven geven met betrekking tot de geconstateerde risico's; verwacht dat de nieuwe verordeningen en reglementen voor de programmeringsperiode 2014-2020 zullen bijdragen tot de verkleining van het risico op fouten en tot betere prestaties door verdere vereenvoudiging en verduidelijking van de procedures;

Betrouwbaarheid van de informatie van de lidstaten

137.  wijst erop dat de autoriteiten van de lidstaten 322 nationale controleadviezen hebben opgesteld over hun operationele programma's en dat de controleadviezen in 209 gevallen (65%) een foutenpercentage van minder dan 2% meldden; wijst erop dat de Commissie na controle van de gegevens slechts voor 78 van de nationale controleadviezen de door de lidstaten meegedeelde foutenpercentages kon bevestigen; wijst erop dat 244 controleadviezen door de Commissie moesten worden gecorrigeerd(117); verzoekt de Commissie voortaan gedetailleerd verslag uit te brengen van alle door DG REGIO uitgevoerde correcties van foutenpercentages;

138.  merkt op dat de Commissie alle foutenpercentages in de nationale controleverslagen van Slowakije als onbetrouwbaar beoordeelde, naast 10 van de 15 foutenpercentages in de verslagen van Hongarije, twee van de zeven in de verslagen van Bulgarije en één van de vier in de verslagen van België; verzoekt de Commissie toe te lichten of en hoe de forfaitaire correcties die zij heeft doorgevoerd ter bescherming van de EU-begroting (25% voor één programma en 10% voor negen programma's in Slowakije, twee voor Bulgarije en één voor België(118)) de problemen hebben verholpen;

139.  wijst erop dat met name voor de volgende operationele programma's de foutenrapportering onbetrouwbaar was:

Lidstaat

Programma

Titel

Goedgekeurd bedrag (in miljoen EUR)

Foutenpercentage in jaarlijkse controleverslagen van de lidstaten

COM foutenpercentage/forfaitair percentage

BE

2007BE162PO001

Brussel, Regionaal concurrentievermogen

56,93

6,23 %

10 %

BG

2007BG161PO002

Technische bijstand

1 466,43

4,10 %

10 %

DE

2007DE162PO006

ERDF Bremen

142,01

0,31 %

5 %

DE

2007DE161PO003

EFRO Mecklenburg-Vorpommern

1 252,42

0,81 %

5 %

DE

2007DE162PO005

ERDF Hesse

263,45

0,04 %

5 %

ETC

2007CB063PO052

INTERREG IV Italië/Oostenrijk

60,07

2,77 %

10 %

ETC

2007CG163PO030

Slovenië/Tsjechië Republiek

92,74

0,96 %

10 %

ETC

2007CB163PO019

Mecklenburg-Vorpommern - Polen

132,81

0,02 %

5 %

HU

2007HU161PO001

Economische ontwikkeling

2 858,82

0,71 %

5 %

HU

2007HU161PO007

Vervoer

5 684,24

0,54 %

5 %

HU

2007HU161PO003

West-Pannonië

463,75

1,30 %

5 %

HU

2007HU161PO004

Zuidelijke Grote Laagvlakte

748,71

1,30 %

5 %

HU

2007HU161PO005

Midden-Transdanubië

507,92

130 %

5 %

HU

2007HU161PO006

Noord-Hongarije

903,72

1,30 %

5 %

HU

2007HU161PO009

Noordelijke Grote Laagvlakte

975,07

1,30 %

5%

HU

2007HU161PO011

Zuid-Transdanubië

705,14

1,30 %

5 %

HU

2007HU161PO001

Midden-Hongarije

1 467,20

0,10 %

5 %

IT

2007IT161PO007

Ontwikkeling Mezzogiorno

579,04

0,63 %

10 %

IT

2007IT161PO008

Calabria

1 499,12

2,45 %

10 %

SL

2007SL161PO001

Regional ontwikkelingspotentieel

1 783,29

2,80 %

5 %

SL

2007SL161PO002

Infrastructuur

1 562,06

2,80 %

5 %

SK

2007SK161PO006

Concurrentievermogen en economische groei

968,25

0 %

25 %

SK

2007SK161PO005

Gezondheid

250,00

1,79 %

25 %

SK

2007SK161PO001

Informatiemaatschappij

843,60

1,79 %

10 %

SK

2007SK16UPO001

Onderzoek & ontwikkeling

1 209,42

1,30 %

10 %

SK

2007SK161PO002

Milieu

1 820,00

0,33 %

10 %

SK

2007SK161PO004

Vervoer

3 160,15

0,74 %

10 %

SK

2007SK161PO003

Regionaal OP

1 554,50

0,32 %

10 %

SK

2007SK161PO007

Technische bijstand

97,60

1,79 %

10 %

SK

2007SK162PO001

Bratislava

95,21

1,79 %

10 %

UK

2007UK162PO001

Lowlands & Uplands Scotland

375,96

5,98 %

8,42 %

UK

2007UK161PO002

West Wales & Valleys

1 250,38

036 %

5 %

UK

2007UK162PO012

East Wales

72,45

0,36 %

5 %

140.  vraagt de Commissie voortaan de foutenpercentages per programma aan te geven, zoals meegedeeld door de lidstaten en goedgekeurd/gecorrigeerd door de Commissie in het jaarlijks activiteitenverslag;

141.  merkt op dat de Commissie op basis van haar eigen controle de werkzaamheden van 40 nationale auditautoriteiten die verantwoordelijk waren voor 90% van de EFRO/CF-middelen voor de programmeringsperiode 2007-2013 als over het algemeen betrouwbaar beoordeelde;

Beheers- en controlesystemen (BCS)

142.  verzoekt de Commissie de lidstaten verdere begeleiding en technische bijstand te verlenen; dringt erop aan dat de Commissie en de lidstaten bijzondere aandacht schenken aan vereenvoudiging van de procedures, met inbegrip van die voor de begunstigden, wat voordelig kan zijn voor het controleren en verlagen van de foutenpercentages, en tegelijk de beheers- en controlesystemen doeltreffender kan maken;

143.  verwelkomt de verbeteringen in het beheer van fondsen sinds 2011 in Oostenrijk, de Tsjechische Republiek en Roemenië; is bezorgd over de verslechtering van het EFRO-beheer in Slowakije, Spanje, Nederland en het Verenigd Koninkrijk(119);

144.  wijst erop dat de punten van voorbehoud in 50 van de 75 gevallen een jaar of langer aansleepten; verzoekt de Commissie informatie te verstrekken om te kunnen beoordelen of de zwakke punten en de regio's dezelfde waren en om na te gaan waarom de nationale beheersautoriteiten er niet zijn in geslaagd de tekortkomingen doeltreffend aan te pakken;

145.  staat volledig achter het gebruik door de Commissie van onderbreking en opschorting van betalingen als een doelmatig en preventief instrument om de financiële belangen van de Unie te beschermen;

146.  is zich bewust van de bepalingen in het nieuwe regelgevend kader voor de programmeringsperiode 2014-2020 waarin wordt bepaald dat ernstige gebreken in de zin van Gedelegeerde verordening (EU) nr. 480/2014 van de Commissie(120), geconstateerd door Commissie of de Rekenkamer na indiening van de rekeningen, leiden tot netto financiële correcties voor de desbetreffende programma's; verzoekt de Commissie een lijst van deze gevallen te overleggen voordat de kwijtingsprocedure 2014 van de Commissie van start gaat;

147.  is verheugd over de strengere controle- en auditprocedures die zijn voorzien in het regelgevingskader voor de programmeringsperiode 2014-2020, met name ten aanzien van de verificatie en controle van het beheer vóór de certificering van de jaarrekeningen van programma’s en de indiening van beheersverklaringen door de beheersautoriteiten bij van de Commissie; merkt op dat de corrigerende capaciteit van de Commissie verder verbeterd werd door het onmogelijk te maken dat lidstaten middelen hergebruiken, wat geresulteerd heeft in netto financiële correcties; verwelkomt de oprichting van het Kenniscentrum voor administratieve capaciteitsopbouw (Competence Centre for administrative capacity building) voor Europese structuur- en investeringsfondsen; is het eens met de grotere resultaatgerichtheid en de thematische concentratie van het cohesiebeleid, die tot een verschuiving van loutere absorptiecriteria naar kwaliteitsvolle uitgaven en een grote meerwaarde van de medegefinancierde operaties zouden moeten leiden;

148.  herinnert aan paragraaf 165 van zijn resolutie bij het besluit over kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2012, waarin hij vraagt om de behandeling van fouten op het gebied van openbare aanbestedingen bij gedeeld beheer te harmoniseren; verwelkomt de harmonisering door de Commissie in haar Besluit C(2013)9527 van 19 december 2013 betreffende de vaststelling en goedkeuring van richtsnoeren voor de bepaling van door de Commissie te verrichten financiële correcties voor uitgaven die in gedeeld beheer door de Unie zijn gefinancierd, in geval van niet-naleving van de regels inzake overheidsopdrachten; wijst erop dat Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad(121) door de lidstaten uiterlijk 18 april 2016 moet zijn geïmplementeerd; wijst erop dat hiermee de aanbestedingsprocedures aanzienlijk gewijzigd zouden worden, wat verdere methodologische wijzigingen noodzakelijk zou kunnen maken;

149.  wijst erop dat de methodologie van de Rekenkamer consistent moet zijn en op alle beheersterreinen toegepast moet worden; beseft dat een verdere afstemming kan leiden tot tegenstrijdigheden in de definities van de Rekenkamer van illegale transacties bij rechtstreeks en gedeeld beheer;

Financiële correcties

150.  wijst erop dat de Commissie in 2013 besloot tot financiële correcties ter hoogte van 912 371 222 EUR van de operationele programma's van de lidstaten, waarvan 239,50 miljoen EUR in de Tsjechische Republiek, 147,21 miljoen EUR in Hongarije en 95,47 miljoen EUR in Griekenland;

151.  verzoekt de Commissie ernaar te streven dat zowel tijdens de uitvoering van de door de lidstaten voorgestelde projecten als na afloop daarvan de inzet van de middelen uit het structuurfonds wordt geëvalueerd aan de hand van progressieve prestatie-evaluaties die erop zijn gericht de doeltreffendheid van en het toezicht op de investering van financiële middelen te vergroten en die eventueel misbruik en fraude bij de verwezenlijking van de projecten aan het licht kunnen brengen;

152.  verzoekt de Commissie te voorzien in een mechanisme voor de uitwisseling van informatie tussen de voor controle bevoegde nationale autoriteiten om het mogelijk te maken boekingen van transacties tussen twee of meer lidstaten dubbel te vergelijken, met het oog op bestrijding van transnationale fraude ten nadele van de structuurfondsen en, met het oog op de nieuwe bepalingen van het meerjarig financieel kader 2014-2020, de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) als geheel (Europees Sociaal Fonds (ESF), Cohesiefonds (CF), Europees Fonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO), Europees Fonds voor Maritieme Zaken en visserij (EFMZV)), om een horizontale aanpak bij de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie te verzekeren;

153.  wijst er verder op dat tijdens de programmeringsperiode 2007-2013 zes lidstaten (de Tsjechische Republiek, Griekenland, Spanje, Hongarije, Polen en Roemenië) verantwoordelijk waren voor 75% (ofwel 1 342 miljoen EUR) van de bevestigde financiële EFRO/CF- en ESF-correcties;

Annuleringen

154.  betreurt dat in 2013 een bedrag van 397,8 miljoen EUR geannuleerd moest worden, waarvan 296,7 miljoen EUR alleen al van de Tsjechische Republiek; is van mening dat annuleringen in strijd zijn met een deugdelijk financieel beheer; uit zijn bezorgdheid over het permanente onvermogen van bepaalde regio's om de toegewezen middelen op te nemen en verzoekt de Commissie te onderzoeken welke problemen ten grondslag liggen aan de situatie in die regio's; verzoekt de Commissie bovendien om de opstelling en voorlegging van een gedetailleerd plan voor de versterking van de capaciteit tot middelenopname van regio's met bijzonder lage opnamepercentages;

155.  wijst erop dat de vaststelling van een subsidiabiliteitsperiode in de nieuwe verordening is opgenomen voor de programmeringsperiode 2014-2020 om een termijn te bepalen waarbinnen de investeringen moeten worden gedaan en om de programma-autoriteiten te stimuleren tijdig te investeren in banen en groei in de EU, hetgeen het risico op niet gebruiken binnen de gegeven subsidiabiliteitsperiode en derhalve het risico op annulering verkleint;

Financieringsinstrumenten

156.  wijst erop dat de beheersautoriteiten van de lidstaten meldden dat eind 2013 in totaal 941 FEI's aanwezig waren in 25 lidstaten: 91% daarvan betrof FEI's voor ondernemingen, 6% voor stadsontwikkelingsprojecten en 3% financiering voor energiezuinigheid/hernieuwbare energie; wijst erop dat de totale waarde van de bijdragen voor operationele programma's (OP's) die aan de FEI's zijn uitbetaald 14 278,20 miljoen EUR bedroeg, met inbegrip van 9 597,62 miljoen EUR aan structuurfondsen; wijst erop dat momenteel, nog maar twee jaar tot de afsluiting, slechts 47% van de bijdragen voor OP's, ofwel 6 678,20 miljoen EUR, aan de eindontvangers is uitbetaald;

157.  is bezorgd over de bevindingen van de Commissie in haar geconsolideerde jaarverslag 2013 over de tenuitvoerlegging van de FEI's, overeenkomstig artikel 67, lid 2, onder j), van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(122), dat de beheersautoriteiten in de lidstaten geen volledig beeld gaven van de tenuitvoerlegging van de FEI's en dat bepaalde gegevens "onjuistheden" bevatten, met name inzake Hongarije en Italië;

Griekenland

158.  is bezorgd over de tenuitvoerlegging van prioritaire projecten in Griekenland beheerd door de task force; wijst erop dat 48 prioritaire projecten versneld moeten worden uitgevoerd; wijst erop dat de belangrijkste problemen volgens de Commissie zijn: (a) vertragingen in de rijpingsfase, (b) vertragingen bij de licentieverlening, (c) ontbinding van overeenkomsten vanwege gebrek aan liquide middelen bij aannemers en (d) langdurige beroepszaken bij de gunningsprocedures; roept de Commissie daarom op om in het follow-upverslag voor 2013 een actuele stand van zaken te geven met betrekking tot de prioritaire projecten;

Lago Trasimeno

159.  wijst erop dat OLAF in december 2014 een onderzoeksmissie uitvoerde om mogelijke misstanden in verband met de EU-steun voor het fietspad rond het Lago Trasimeno in Italië te kunnen bespreken; verzoekt de Commissie het Parlement in het verslag over de follow-up van de kwijting 2013 te informeren over de verdere ontwikkelingen;

Privatisering van infrastructuurprojecten gefinancierd met EU-middelen

160.  wijst erop dat de Unie financiering ter hoogte van 1,1 miljoen EUR leverde voor de modernisering van het waterleidingnet in Skorkov (CZ); is bezorgd over het feit dat de gemeentelijke overheid de exploitatie van het waterleidingnet in handen heeft gegeven van een onderneming die ook al het plaatselijke rioolstelsel beheert; wijst erop dat het rioolstelsel ook was medegefinancierd met 1,4 miljoen EUR aan EU-middelen en dat de prijs van het drinkwater met 45% is gestegen; is van mening dat drinkwater een openbaar goed is en dat alle burgers toegang moeten hebben tot drinkwater van hoge kwaliteit tegen een redelijke prijs;

161.  roept de Commissie op het Parlement op de hoogte te brengen van alle gevallen waarin projecten met een aandeel van de Unie van tenminste 30% in een later stadium zijn geprivatiseerd;

Solidariteitsfonds van de Europese Unie

162.  neemt kennis van het verslag van de Commissie over het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor 2013(123); is verrast dat de bekommernissen die de Rekenkamer in haar speciaal verslag 24/2012 heeft geuit en die het Parlement in zijn resolutie van 3 april 2014 over de specifieke verslagen van de Rekenkamer in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor 2012(124) heeft onderschreven, niet aan bod komen in het verslag van de Commissie; verzoekt de Commissie toe te lichten hoe de door de Rekenkamer ontdekte tekortkomingen bij het verlenen van noodhulp voor de Abruzzen werden gecorrigeerd in de herziene verordening betreffende het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, die op 28 juni 2014 in werking is getreden, in het bijzonder met betrekking tot het opstellen van actuele nationale plannen voor het beheer van rampen, de vaststelling van aanbestedingsregelingen voor noodhulp, de oprichting van tijdelijke accommodatie in door natuurrampen getroffen gebieden en de terugvloeiing van inkomsten uit projecten van het Solidariteitsfonds naar de begroting van de Europese Unie;

Te nemen maatregelen

163.  roept de Commissie op om vóór de aanvang van de kwijtingsprocedure 2014 gedetailleerd verslag uit te brengen van de vooruitgang met de BCS die in 2013 als gedeeltelijk doeltreffend werden beoordeeld(125);

164.  verzoekt de Commissie om overeenkomstig de aanbeveling van de Rekenkamer een beoordeling uit te voeren van de tijdens de programmeringsperiode 2007-2013 verrichte "eerstelijnscontroles", in overeenstemming met artikel 32, lid 5, van het Financieel Reglement; verzoekt de Commissie in het jaarlijks activiteitenverslag van DG REGIO een beoordeling op te nemen van de betrouwbaarheid van de informatie die de certificerende instanties in de lidstaten doorgeven; is ingenomen met de beoordelingen die sinds 2010 zijn uitgevoerd door middel van gerichte controles bij programma's met een hoog risico in het kader van zijn auditonderzoek "Bridging the assurance gap";

165.  verzoekt de Rekenkamer het Parlement een gedetailleerd verslag te verstrekken over de evolutie van het foutenpercentage (per jaar, per sectoraal beleid en per lidstaat) gedurende de gehele periode van het vorige meerjarig financieel kader (2007-2013);

166.  verzoekt de Commissie van de auditautoriteiten te verlangen dat zij de juistheid certificeren van de door de certificerende instanties voor ieder OP gerapporteerde gegevens inzake de financiële correcties; verzoekt om deze gedetailleerde informatie op te nemen in de bijlage bij het jaarlijks activiteitenverslag van DG REGIO;

167.  verzoekt de Commissie in haar jaarlijkse activiteitenverslag ieder jaar de redenen aan te geven voor het niet maken van punten van voorbehoud (of het maken van punten van voorbehoud met een geringere financiële impact) in die gevallen waarbij de redenen uitzonderingen op de toepasselijke richtsnoeren van de Commissie of de goedgekeurde auditstrategieën vormen;

168.  steunt de aanbeveling van de Rekenkamer dat de Commissie van de lidstaten moet verlangen dat zij in hun beheersverklaringen (overeenkomstig artikel 59, lid 5, onder a), van het Financieel Reglement) een uitdrukkelijke bevestiging opnemen van de doeltreffendheid van de door de beheersautoriteiten en de certificeringsinstanties verrichte eerstelijnscontroles;

169.  verzoekt de Commissie van de nationale autoriteiten te verlangen dat zij feedback geven over het al dan niet bereiken van de vastgestelde projectdoelstellingen op het gebied van EFRO/CF en ESF; is van mening dat dit op zodanige wijze moet gebeuren dat de geregistreerde gegevens vergelijkbaar zijn op Unieniveau; is van mening dat burgers die belang hebben bij het bereiken van de projectdoelstellingen de mogelijkheid moeten hebben hun mening over het project te geven zodra dit is afgesloten;

170.  roept de Commissie op de "onjuistheden" in de FEI's toe te lichten en de resultaten grondig te beoordelen in het jaarlijks activiteitenverslag 2014 van DG REGIO;

171.  erkent de inspanningen van de Commissie om een prestatiecultuur tot stand te brengen; verzoekt de Commissie (DG REGIO) daarom in haar beheersplan en jaarlijks activiteitenverslag een beoordeling van haar werk met betrekking tot het verhogen van de doelmatigheid, doeltreffendheid en impact van het cohesiebeleid op te nemen; verzoekt de Commissie om, naast de begrotingsuitvoering, de prestaties tegen de doelstellingen af te zetten, beter gebruik te maken van de evaluaties en de lidstaten en hun beheersautoriteiten ondersteuning te bieden om de kwaliteit van hun evaluatieverslagen te verhogen; onderstreept in deze context dat voortaan de resultaten van projecten, de opbrengst van investeringen en de echte toegevoegde waarde voor de economie, de werkgelegenheid en de regionale ontwikkeling in overweging genomen en beoordeeld moeten worden;

Werkgelegenheid en sociale zaken

EU 2020

172.  benadrukt dat de middelen van het ESF een aanzienlijke bijdrage leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken; wijst erop dat in het verslagjaar ten behoeve van deze doelstellingen kredieten beschikbaar zijn gesteld voor betalingen ter hoogte van 14,1 miljard EUR, waarvan 98% via het ESF; is evenwel van mening dat het noodzakelijk is dit fonds te onderwerpen aan een prestatie-evaluatie, niet zozeer om te weten te komen hoe hoog het opnamepercentage binnen dit fonds is, maar om te weten hoe het is gesteld met zijn werkelijke vermogen om banen te creëren en werklozen opnieuw op de arbeidsmarkt te brengen; verzoekt om aan het einde van het jaar een gedetailleerde analyse in te dienen van de verrichte prestaties, waar het politieke oordeel van het Parlement over het ESF van zal afhangen;

173.  onderstreept het belang van het ESF voor investeringen in maatregelen op het gebied van het scheppen van banen en werkloosheidsbestrijding, in menselijk kapitaal, onderwijs en opleiding, sociale inclusie en toegang tot sociale diensten;

174.  onderstreept dat middelen uit het ESF overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad niet mogen worden gebruikt voor het verplaatsen van banen van de ene lidstaat naar de andere; dringt erop aan dat de Commissie en de lidstaten doeltreffende controles verrichten om deze vorm van misbruik van EU-middelen te voorkomen;

175.  wijst erop dat het voornemen van lidstaten om EU-middelen te absorberen gericht moet zijn op het verwezenlijken van de resultaten en doelstellingen van het ESF en er niet toe mag leiden dat niet stelselmatig wordt gecontroleerd, met name tegen het eind van de subsidiabiliteitsperiode, omdat dit ertoe kan leiden dat niet wordt opgemerkt dat voorschriften worden overtreden en vervolgens projecten worden gefinancierd die te duur zijn, slecht worden uitgevoerd of waarschijnlijk niet het beoogde resultaat zullen opleveren;

176.  benadrukt dat met name de vermindering van de jeugdwerkloosheid dringend is; verwelkomt het feit dat ruim 12,4 miljard EUR van het ESF en het Jeugdwerkgelegenheidsinitiatief bestemd is voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid tijdens de nieuwe programmeringsperiode; roept de Commissie op de lidstaten te steunen bij de tenuitvoerlegging van de EU-middelen en ervoor te zorgen dat het geld besteed wordt aan het daarvoor bestemde doel; roept de Commissie op om voor de programmeringsperiode 2014-2020 een systeem op te zetten om verslag uit te brengen van de vooruitgang die is geboekt met het integreren van kansarme personen of groeperingen (zoals jongeren, ouderen, langdurig werklozen en Roma) op de arbeidsmarkt;

Roma

177.  wijst erop dat de middelen die bestemd waren voor de integratie van Roma niet altijd voor dit doel zijn besteed; is bezorgd over het feit dat veel Roma te maken hebben met discriminatie en sociale uitsluiting en in erbarmelijke socio-economische omstandigheden leven; is ook zeer bezorgd over informatie dat volgens een onderzoek in 2012 dat is uitgevoerd door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten(126) het gemiddeld inkomen in 90% van de Romahuishoudens onder de nationale armoedegrenzen lag, en dat gemiddeld ongeveer 45% van de Roma in zeer slechte woonomstandigheden leeft;

178.  verzoekt de Commissie de doeltreffende tenuitvoerlegging van de nationale strategieën voor integratie van de Roma op lokaal en regionaal niveau te steunen en ervoor te zorgen dat de begrotingsuitgaven gericht zijn op de doelstellingen van het mainstream-beleid;

Fouten

179.  stelt vast dat 50 van de 182 door de Rekenkamer gecontroleerde verrichtingen fouten vertoonden (27%); wijst erop dat op basis van de 30 door haar gekwantificeerde fouten de Rekenkamer het meest waarschijnlijke foutenpercentage schat op 3,1% (3,2% in 2012); wijst erop dat in 13 gevallen waarin eindbegunstigden kwantificeerbare fouten hadden gemaakt, de nationale autoriteiten over voldoende informatie beschikten om de fouten te kunnen voorkomen, opsporen en corrigeren voordat de uitgaven bij de Commissie werden gedeclareerd; wijst erop dat indien al deze informatie gebruikt was om fouten te corrigeren, het geschatte meest waarschijnlijke foutenpercentage voor dit hoofdstuk 1,3 procentpunt lager zou zijn geweest; wijst erop dat de lidstaten een belangrijke verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot de correcte en rechtmatige uitvoering van de Uniebegroting wanneer zij verantwoordelijk zijn voor het beheer van de EU-middelen;

180.  neemt er nota van dat in het verslag van de Rekenkamer melding wordt gemaakt van een lichte daling van het geraamde foutenpercentage op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken, van 3,2% in 2012 naar 3,1% in 2013; merkt op dat dit foutenpercentage het op één na laagste was van alle beleidsgebieden en verwacht dat het foutenpercentage de komende jaren verder zal afnemen;

181.  wijst erop dat de fouten op dit beleidsterreinen net als in voorgaande jaren betrekking hadden op niet-subsidiabele uitgaven (93% betrof te veel in rekening gebrachte overheadkosten, te hoog opgegeven personeelskosten en verkeerd berekende kosten) en niet-naleving van de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten (7%);

182.  neemt kennis van de aanbeveling van de Rekenkamer dat de Commissie samen met de lidstaten voor follow-up moet zorgen ten aanzien van de zwakke punten die DG EMPL heeft geconstateerd bij de thematische risicocontrole van de verificaties van het beheer, en is verheugd over de nieuwe richtsnoeren van de Commissie ter versterking van de betrouwbaarheid van de verificaties van het beheer in de programmeringsperiode 2014-2020; wijst erop dat deze richtsnoeren, waarvoor is geput uit de ervaringen die in de vorige programmeringsperiode zijn opgedaan, aan de lidstaten zijn gepresenteerd en in de eerste helft van 2015 worden afgegeven; onderstreept dat het van groot belang is dat de autoriteiten in de lidstaten gebruik maken van de informatie waarover zij beschikken, om fouten op te sporen en te corrigeren voordat zij bij de Commissie een aanvraag tot vergoeding indienen, omdat daardoor het foutenpercentage op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken aanzienlijk zal dalen;

183.  moedigt DG EMPL aan om ten aanzien van het ESF vast te houden aan zijn streven naar een verdere omslag van het moeten corrigeren van fouten naar het voorkomen ervan, en steunt DG EMPL in zijn pogingen om de lidstaten met de hoogste foutenpercentages voor het ESF te helpen om hun systemen te verbeteren door toepassing van de beste beschikbare werkwijzen; merkt in dit verband op dat de administratieve capaciteit en organisatorische opzet van DG EMPL moeten aansluiten bij zijn werkzaamheden en verantwoordelijkheden jegens de lidstaten;

Betrouwbaarheid van de informatie van de lidstaten

184.  betreurt dat gebrekkige eerstelijnscontroles door nationale beheers- en controlesystemen de belangrijkste bron van fouten bleven; is zeer bezorgd over het feit dat de lidstaten het minder nauw nemen met het besteden van EU-middelen dan van middelen van hun nationale begrotingen terwijl zij een belangrijke verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot de correcte en rechtmatige uitvoering van de Uniebegroting wanneer zij verantwoordelijk zijn voor het beheer van de EU-middelen; wijst erop dat de volgende programma's systeemfouten vertoonden: Polen, Spanje (Castilla y Leon), Roemenië, Portugal, Italië (Sicilië), Duitsland (Bund), Duitsland (Thüringen), Tsjechische Republiek en Hongarije; wijst erop dat de Commissie daarnaast thematische audits heeft uitgevoerd die tekortkomingen aan het licht brachten in de beheers- en controlesystemen van de operationele programma's voor Ierland (investeringen in menselijk kapitaal), Slowakije (onderwijs) en Spanje (Communidad Valenciana);

185.  wijst erop dat de Commissie bij het controleren van de foutenpercentages die de lidstaten (MS) hadden opgegeven in hun jaarlijkse controleverslagen (ACR) de foutenpercentages met ruim 2% naar boven bijstelde voor de volgende operationele programma's (OP's):

Lidstaat

OP-nummer

Tussentijdse betalingen 2013 in EUR

Foutenpercentage LS in ACR

correctie

COM

Verschil

IT

2007IT052PO009

Bolzano

934 530

4,95%

7,11 %

2,16 %

CZ

2007CZ052PO001

Praha Adapabilita

3,58%

6,45 %

2,87 %

SK

2007SK05UPO002

OP werkgelegenheid en sociale inclusie

86 718 231

1,65%

4,66 %

3,01 %

UK

2007UK052PO002

Low- & Uplands Scotland

74 251 497

1,95%

10,59 %

8,64 %

IT

2007IT052PO001

Abruzzi

0,2%

15,9 %

15,88 %

ES

2007ES052PO011

La Rioja

0,38%

37,76 %

37,38 %

Daarnaast oordeelde de Commissie de ACR's voor de volgende OP's als volledig onbetrouwbaar, leidend tot een forfaitaire correctie:

Lidstaat

OP-nummer

Tussentijdse betalingen 2013 in EUR

Foutenpercentage LS in ACR

COM

forfaitaire

correctie

Verschil

LU

2007LU052PO001

Operationeel programma ESF

4 285 659

0,46%

2,0 %

1,54 %

IT

2007IT051PO001

Campania

77 486 332

0,38%

2,0 %

1,62 %

BE

2007BE052PO001

Duitstalige gemeenschap

0,0%

2,0 %

2 %

ES

2007ES052PO002

Castillia y Leon

10 607 012

0,0%

2,0 %

2,0 %

BE

2007BE052PO003

Federale staat

3,66%

5,0 %

1,34 %

IT

2007IT051PO007

Pon istruzione

78 589 393

0,4%

5,0 %

4,6 %

BE

2007BE052PO005

Vlaanderen

118 201 220

1,61%

10,0 %

8,39 %

UK

2007UK051PO002

West Wales and the valleys

149 600 091

0,36%

10,0 %

9,64 %

UK

2007UK052PO001

East Wales

9 476 602

0,36%

10,0 %

9,64 %

IT

2007IT052PO012

Toscane

61.978.561

1,11

25 %

23,89 %

IT

2007IT052PO016

Sardinië

23.478.530

0,13

25 %

24,87 %

186.  is verheugd over de maatregelen die de Commissie in dit verband heeft genomen, waaronder zowel preventieve als corrigerende maatregelen en de risicogebaseerde controles van DG EMPL;

187.  verwelkomt het feit dat de Commissie haar stringente beleid inzake onderbreking en opschorting in 2013 heeft voortgezet; acht het in dit verband vermeldenswaardig dat de Commissie in 2013 financiële correcties heeft doorgevoerd ter hoogte van 842 miljoen EUR, waarvan 153 miljoen EUR voor de periode 1994-1999, 472 miljoen EUR voor 2000-2006 en 217 miljoen EUR voor 2007-2013; merkt op dat in de drie programmeringsperiodes de financiële correcties voor de volgende lidstaten het hoogst waren :

Lidstaat

Gecumuleerde goedgekeurde/besloten financiële correctie (miljoen EUR)

Gecumuleerde uitgevoerde financiële correctie (miljoen EUR)

Italië

497,7

497,7

Roemenië

312,1

299,1

Spanje

1 070,1

1 064,3

188.  wijst er verder op dat het jaarlijkse activiteitenverslag van DG EMPL een voorbehoud bevat met betrekking tot de betalingen voor de programmeringsperiode 2007-2013, waarbij voor 2013 het risicobedrag 123,2 miljoen EUR bedraagt; wijst erop dat dit voorbehoud 36 van de 118 ESF-OP's betreft (tegenover 27 van de 117 OP's in 2012);

Programmeringsperiode 2007-2013

Lid-

staat

OP-nummer

Naam

Voorbehoud

BELGIË

2007BE051PO001

Convergence Hainaut

Volledig

2007BE052PO002

Troika Wallonie-Bruxelles

Volledig

2007BE052PO003

Federaal

Reputatiegerelateerd

2007BE052PO004

Bruxelles-Capitale : Werkgelegenheid en sociale samenhang

Reputatiegerelateerd

2007BE052PO005

Vlaanderen

Volledig

TSJECHISCHE REPUBLIEK

2007CZ052PO001

Praha Adaptabilita

Reputatiegerelateerd

2007CZ05UPO001

Lidské zdroje a zaměstnanost

Deels reputatiegerelateerd

FRANKRIJK

2007FR052PO001

Programme opérationnel national FSE

Gedeeltelijk

DUITSLAND

2007DE051PO002

Mecklemburg-Vorpommern

Volledig

2007DE052PO003

Berlin

Volledig

IERLAND

2007IE052PO001

Investeringen in menselijk kapitaal

Deels reputatiegerelateerd

ITALIË

2007IT051PO001

Campania

Volledig

2007IT051PO007

PON Istruzione

Volledig

2007IT052PO001

Abruzzo

Deels reputatiegerelateerd

2007IT052PO009

Bolzano

Volledig

2007IT052PO012

Toscana

Volledig

2007IT052PO016

Sardegna

Volledig

POLEN

2007PL051PO001

Program Operacyjny Kapitał Ludzki

Gedeeltelijk

ROEMENIË

2007RO051PO001

Ontwikkeling human resource

Volledig

SLOWAKIJE

2007SK05UPO001

OP Onderwijs

Gedeeltelijk

2007SK05UPO002

OP Werkgelegenheid en sociale inclusie

Deels reputatiegerelateerd

SPANJE

2007ES051PO003

Extremadura

Gedeeltelijk

2007ES051PO005

Andalucia

Volledig

2007ES052PO003

Comunidad Valenciana

Reputatiegerelateerd

2007ES052PO004

Aragon

Volledig

2007ES052PO005

Baleares

Volledig

2007ES052PO007

Cataluña

Reputatiegerelateerd

2007ES052PO008

Madrid

Deels reputatiegerelateerd

2007ES052PO011

La Rioja

Reputatiegerelateerd

2007ES05UPO001

Adaptabilidad Y Empleo

Gedeeltelijk

2007ES05UPO002

Lucha contra la discriminacion

Gedeeltelijk

2007ES05UPO003

Asistencia tecnica

Gedeeltelijk

VERENIGD

KONINKRIJK

2007UK051PO002

West Wales and the Valleys

Volledig

2007UK052PO001

East Wales

Volledig

2007UK052PO002

Lowlands and Uplands of Scotland

Volledig

2007UK052PO003

Noord-Ierland

Gedeeltelijk

Programmeringsperiode 2000-2006

Lid-

staat

OP-nummer

Naam

Voorbehoud

FRANKRIJK

1999FR053DO001

Objectif 3 national

Reputatiegerelateerd

2000FR162DO021

Nord-Pas-de-Calais

ITALIË

1999IT161PO006

Calabria

ZWEDEN

1999SE161DO001

Norbotten & Vasterbotten

VERENIGD

KONINKRIJK

1999GB161DO005

Highlands and Islands of Scotland

2000GB162DO013

Western Scotland

189.  wijst erop dat de punten van voorbehoud in 30 van de 79 gevallen een jaar of langer aansleepten, en dat daarbij geen rekening werd gehouden met terugkerende punten van voorbehoud voor dezelfde programma's; verzoekt de Commissie informatie te verstrekken om te kunnen beoordelen of de zwakke punten en de regio's dezelfde waren en waarom de nationale beheersautoriteiten er niet zijn in geslaagd de tekortkomingen doeltreffend aan te pakken; neemt kennis van terugkerende punten van voorbehoud in België (regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid, werkgelegenheid en sociale cohesie), Duitsland (Thüringen en Berlijn), Ierland (investeringen in menselijk kapitaal), Italië (Campania, vaardigheden en ontwikkeling), Slowakije (onderwijs), Spanje (Extremadura, Andalusië, de Balearen, Catalonië, Rioja, aanpassingsvermogen en werkgelegenheid, bestrijding van discriminatie, technische bijstand) en het Verenigd Koninkrijk (Highlands & Islands - Schotland, Lowlands & Uplands - Schotland); vraagt de Commissie in dit verband waarom deze punten van voorbehoud zich herhaaldelijk hebben voorgedaan en mee te delen welke maatregelen zij heeft genomen om de situatie te verhelpen;

190.  benadrukt dat de voorbehouden betrekking hebben op tussentijdse betalingen aan de OP's in 2007-2013 ter hoogte van 2 159,4 miljoen EUR; wijst erop dat de Commissie het risicobedrag in 2013 raamde op 123,3 miljoen EUR;

191.  steunt de Rekenkamer in haar verzoek aan de Commissie om in haar jaarlijkse activiteitenverslag consequent de redenen aan te geven voor het niet maken van punten van voorbehoud (of het maken van punten van voorbehoud met een geringere financiële impact) in die gevallen waarbij de redenen uitzonderingen op de toepasselijke richtsnoeren van de Commissie of de goedgekeurde auditstrategieën vormen;

192.  blijft bezorgd over systematische tekortkomingen in de beheers- en controlesystemen in Spanje en Italië die nog worden verergerd door gedecentraliseerde en afgebouwde overheidsstructuren;

193.  verzoekt DG EMPL om de tabel inzake nationale ACR's, opgesteld naar aanleiding van vraag 19 in de kwijtingsvragenlijst, op te nemen in zijn jaarlijkse activiteitenverslag;

194.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de met het beheer van de Structuurfondsen belaste nationale autoriteiten streven naar een oplossing voor het probleem dat bij projecten van de Unie de personeelskosten tegen hogere tarieven worden ingeboekt dan bij projecten die uit nationale middelen worden gefinancierd;

195.  neemt terdege kennis van het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting, met name met betrekking tot werkgelegenheid en sociale zaken, maar betreurt het beperkte aantal verwijzingen naar gendergelijkheid op dit gebied, alsook het feit dat er te weinig aandacht wordt besteed aan werkgelegenheid, maatschappelijke solidariteit en gendergelijkheid in de speciale verslagen van de Rekenkamer van dit jaar;

196.  herhaalt zijn verzoek om de genderspecifieke indicatoren en gegevens verder te ontwikkelen, teneinde de algemene begroting van de Unie te kunnen beoordelen vanuit een genderperspectief en toezicht te kunnen houden op de inspanningen op het gebied van genderbewust budgetteren;

Annuleringen

197.  is bezorgd dat eind 2014 in zes lidstaten (BE, CZ, DE, ES, IT en UK) mogelijk een bedrag van 129 miljoen EUR geannuleerd moet worden;

Progress Microfinance

198.  merkt op dat de Unie 100 miljoen EUR heeft bijgedragen aan Progress Microfinance; herinnert eraan dat het Europees Investeringsfonds dat Progress Microfinance namens de Commissie en de Europese Investeringsbank beheert meldde dat 52 verleners van microkredieten in 20 lidstaten in het kader van Progress Microfinance overeenkomsten hadden ondertekend en dat reeds 31 895 microleningen met een waarde van 260,78 miljoen EUR waren verstrekt aan micro-ondernemers; is in dit verband bezorgd dat bij het opzetten van financiële instrumenten onvoldoende aandacht wordt besteed aan de democratische controleerbaarheid;

Te nemen maatregelen

199.  roept de Commissie op ervoor te zorgen dat de lidstaten bij de goedkeuring van OP's voor de nieuwe programmeringsperiode alle mogelijkheden tot vereenvoudiging die toegestaan zijn op grond van de verordeningen inzake de Europese structuur- en investeringsfondsen van 2014-2020, hebben overwogen;

200.  roept de Commissie op om in haar verslag over de follow-up van de kwijting 2013 verslag uit te brengen van de vooruitgang die is geboekt bij het beheer van bovengenoemde OP's onder voorbehoud en van het corrigeren van de vastgestelde tekortkomingen;

201.  dringt er bij de Commissie op aan om ervoor te zorgen dat de autoriteiten van de lidstaten die de structuurfondsen beheren de kwestie aanpakken dat er hogere personeelskosten worden gerekend voor EU-projecten dan voor projecten die uit nationale middelen worden bekostigd;

202.  roept de Commissie op om druk op de lidstaten uit te oefenen en er bij hen op aan te dringen dat de Romastrategie wordt uitgevoerd en dat de besteding van voor de Roma bestemde EU-middelen gewaarborgd is;

203.  roept de Commissie op om druk uit te oefenen op de lidstaten en hen aan te sporen tot het actief en concreet bestrijden van werkloosheid en in het bijzonder jeugdwerkloosheid;

Externe betrekkingen

Druk op de begroting

204.  is ingenomen met het feit dat de kwijtingsprocedure nu meer gericht is op het verhogen van de efficiëntie, zodat het geld van de Europese belastingbetaler optimaal wordt benut; spoort de Commissie in dit verband aan om meer inspanningen te leveren om de terugkoppeling van de evaluatiecyclus te verbeteren, zodat de uit het verleden geleerde lessen en de uit de evaluatie voortvloeiende aanbevelingen in de toekomst in nog grotere mate kunnen bijdragen aan betere besluitvorming, programmering en uitvoering van EU-steun;

205.  is zeer bezorgd dat de betalingskredieten op de begroting 2013 onder beheer van het directoraat-generaal Ontwikkeling en Samenwerking van de Europese Commissie (DG DEVCO) een tekort van 293 miljoen EUR vertoonden, en dat de noodzakelijke verhogingen zo laat werden goedgekeurd dat zij moesten worden overgeheveld naar het volgende jaar, waardoor de reeds krappe betalingskredieten voor 2014 verder onder druk kwamen te staan;

206.  stelt met bezorgdheid vast dat er sprake is van een groeiende tegenstelling tussen enerzijds de internationale verplichtingen van de Unie, haar ambitieuze beleidskaders en nieuwe instrumenten (zoals de ontwikkelingsagenda voor na 2015 en de financieringsinstrumenten voor het externe optreden voor de periode 2014-2020), en anderzijds haar onvermogen om haar verplichtingen jegens haar mondiale partners en andere organen, met name op het gebied van humanitaire hulp, na te komen vanwege ontoereikende betalingskredieten;

207.  is van oordeel dat deze situatie niet alleen het beleid en de geloofwaardigheid van de Unie als de grootste donateur ter wereld op het spel zet, maar ook een gevaar vormt voor het fiscale evenwicht van partnerlanden doordat zij hierdoor begrotingstekorten oplopen; vreest dat deze tegenstelling nog veel uitgesprokener zal worden in 2015, wanneer het algehele niveau van officiële ontwikkelingshulp (ODA) tegen het einde van het jaar ernstig tekort zal schieten ten opzichte van de collectieve doelstelling van 0,7% van het bni van de Unie;

208.  onderstreept dat 2013, vanwege het grote aantal humanitaire crises die enorm menselijk leed veroorzaakten, het tweede opeenvolgende jaar was waarin de humanitaire hulp uit de begroting van de Unie meer dan 1,3 miljard EUR aan vastleggingskredieten bedroeg; betreurt dat de activiteiten van DG ECHO dit crisisjaar te lijden hebben gehad onder het gebrek aan betalingskredieten, en alleen konden worden gehandhaafd door betalingsregelingen te herschikken, wat aan het einde van het jaar resulteerde in een overheveling van 160 miljoen EUR aan achterstallige betalingen; verzoekt de Raad het met het Parlement overeengekomen betalingsplan te waarborgen en uit te voeren;

209.  betreurt de reeds geleden reputatieschade als gevolg van deze ad-hocmaatregelen en wijst op de tegenstelling tussen enerzijds de wereldwijde toename in humanitaire crises in de afgelopen jaren en de door de Unie getroffen beleidsmaatregelen om doeltreffend op plotseling optredende crises te reageren (zoals de opening in mei 2013 van het Europees Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties), en anderzijds de achterblijvende betalingskredieten; vreest dat deze situatie in 2014 zou kunnen verergeren als de begroting niet voldoende wordt verhoogd;

Foutenpercentages

210.  wijst erop dat de Rekenkamer het meest waarschijnlijke foutenpercentage schat op 2,6% en dat het restfoutenpercentage zoals vastgesteld in de tweede studie van EuropeAid wordt geschat op 3,35%; betreurt dat de door de Rekenkamer bij EuropeAid onderzochte systemen slechts gedeeltelijk doeltreffend worden bevonden;

211.  wijst erop dat op twee gebieden, begrotingssteun en EU-bijdragen aan multidonorprojecten die worden uitgevoerd door internationale organisaties zoals de VN, de aard van de instrumenten en de betalingsvoorwaarden de mate beperken waarin de verrichtingen vatbaar zijn voor fouten;

212.  verzoekt de Commissie een speciaal verslag in te dienen over de toegevoegde waarde van begrotingssteun en, in het bijzonder, over de manieren waarop begrotingssteun ontwikkelingslanden heeft geholpen bij het verwezenlijken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling; verzoekt in dit verband om een overzicht van de maatregelen die zijn getroffen om de verspilling, ten gevolge van corruptie en fraude, van een deel van de financiering te voorkomen alsmede om een overzicht van de doeltreffendheid van financiële beheerssystemen in dit opzicht;

213.  deelt de kritiek van de Rekenkamer ten aanzien van de zogenaamde "notionele benadering" in het geval van multidonorprojecten en verzoekt de Commissie om de optie te onderzoeken die erin bestaat dat de Commissie een volledige analyse van deze projecten presenteert in haar eigen rekeningen in plaats van zich te beperken tot de overweging of het samengebrachte bedrag voldoende subsidiabele uitgaven omvat om de EU-bijdrage te dekken;

214.  vraagt de Rekenkamer een afzonderlijk foutenpercentage te berekenen op het gebied van externe betrekkingen voor uitgaven die geen deel uitmaken van de begrotingssteun of voor bijdragen aan projecten met meerdere donoren die worden uitgevoerd door internationale organisaties;

Jaarlijkse activiteitenverslagen

215.  betreurt het feit dat met betrekking tot negen verrichtingen in verband met het nationale pretoetredingsprogramma de Commissie een boekingsmethode heeft gebruikt voor de verrekening van bedragen ter hoogte van 150 miljoen EUR op basis van schattingen in plaats van de gemaakte, betaalde, aanvaarde en door ondersteunende documenten aangetoonde kosten; benadrukt dat deze systematische aanpak van DG uitbreiding niet in overeenstemming is met artikel 88 van het Financieel Reglement en artikel 100 van de uitvoeringsvoorschriften; wijst erop dat deze reeds lange tijd gebruikte procedure een groot aantal jaren invloed heeft gehad en nog steeds heeft op de betrouwbaarheidsverklaringen van DG uitbreiding, hetgeen betekent dat in 2013 20% van alle uitgaven van dat DG gebaseerd was op schattingen; is ingenomen met het feit dat de Commissie in 2014 heeft gezorgd voor het opzetten en onverwijld verwezenlijken van een systeem waarmee gewaarborgd is dat de verrekening van de voorfinanciering voortaan wordt gedaan op grond van correct gemaakte en gerapporteerde kosten; merkt op dat de Commissie consequent heeft aangegeven dat geen van de uitgaven door het voormalige DG uitbreiding in de procedure voor de goedkeuring van de rekeningen officieel was gevalideerd en aanvaard, en dat derhalve niet kon worden aangenomen dat er een mededeling aan de begunstigde was gedaan betreffende aanvaarding;

216.  herinnert eraan dat de directeur-generaal in zijn betrouwbaarheidsverklaring(127) stelde dat de ingevoerde beheersingsprocedures de nodige waarborgen bieden betreffende de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen; is niettemin van mening dat deze verklaring wordt weersproken door het feit dat hij een algemeen voorbehoud maakte met betrekking tot het foutenpercentage van boven de 2%, wat aantoonde dat de controleprocedures ontoereikend waren om materiële fouten te voorkomen, op te sporen en te corrigeren;

217.  verzoekt de Commissie de vaste instructies van het secretariaat-generaal van de Commissie te verduidelijken, zodat het mogelijk wordt een afkeurend oordeel te geven indien de financiële gevolgen de materialiteitsdrempel voor de gehele begroting onder verantwoordelijkheid van een DG overstijgen;

218.  verzoekt de Commissie te overwegen een sanctiemechanisme in te voeren voor gevallen waarin een ordonnateur in zijn jaarlijks activiteitenverslag als bedoeld in artikel 66, lid 9, van het Financieel Reglement opzettelijk een onjuiste betrouwbaarheidsverklaring afgeeft;

Internationale handel

219.  verzoekt de Commissie om personeel van andere directoraten-generaa over te plaatsen naar DG TRADE om te waarborgen dat DG TRADE in staat is om op een doeltreffende, efficiënte en tijdige wijze, zonder gedwongen te zijn andere belangrijke, aan de Commissie toegewezen taken te veronachtzamen, tegemoet te komen aan de gerechtvaardigde vraag van de Europese burgers en het Parlement om een grotere mate van transparantie en toegang tot informatie in verband met lopende handelsbesprekingen van de EU en het aanstaande ratificeringsproces, in het bijzonder met betrekking tot TTIP, CETA en TISA;

220.  wijst erop dat de macrofinanciële bijstand van de Unie aan adequate controles en audits onderworpen moet worden;

221.  wijst erop dat de Rekenkamer heeft geconstateerd dat het stelsel van algemene preferenties (SAP), al zijn er ook positieve ontwikkelingen geweest, nog niet geheel aan zijn doel heeft kunnen beantwoorden; merkt tevens op dat dit systeem gedurende slechts korte tijd in werking is;

222.  onderstreept dat evaluatie en toetsing van handelsakkoorden niet alleen een begrotingskwestie is maar ook essentieel is om partners aan de verplichtingen te houden die zij op het gebied van mensenrechten, en arbeids- en milieurechtelijke normen zijn aangegaan;

223.  verzoekt om voldoende controles op de verschillende ondersteunende activiteiten om kleine en middelgrote ondernemingen van de Unie te internationaliseren en toegang te bieden tot derde markten; wijst erop dat moet worden geëvalueerd in welke mate Europese zakencentra doel treffend zijn, en dat gekeken moet worden naar manieren waarop de coördinatie tussen Europese en nationale zakencentra en kamers van koophandel in derde landen, met name in Azië, te verbeteren valt;

Haïti

224.  stemt in met de aanbevelingen uit het Speciaal verslag van de Europese Rekenkamer over de EU-steun voor herstel na de aardbeving in Haïti, met name wat betreft de vaststelling van een gemeenschappelijke strategie van DEVCO en ECHO met het oog op een doeltreffender koppeling en synergie tussen hun respectievelijke werkzaamheden, en dringt er bij de Commissie op aan dat zij deze aanbevelingen ten uitvoer legt in al haar lopende en toekomstige operaties na rampen of in een onstabiele situatie; verzoekt de Commissie de medewetgevers op de hoogte te stellen van eventuele budgettaire of juridische beperkingen die een doeltreffende tenuitvoerlegging van steun van de Unie voor herstel na de aardbeving in Haïti in de weg stonden;

Blending

225.  stelt met bezorgdheid vast dat het gebruik van gecombineerde financiering (blending) in de energiesector met name gericht is op grote projecten, waarbij minder nadruk op lokale energieoplossingen wordt gelegd; verzoekt de Unie met klem zich te onthouden van een van bovenaf georganiseerde aanpak voor de ontwikkeling van energie-infrastructuur met het oog op universele toegang tot energie tegen 2030, aangezien grootschalige infrastructuur niet altijd binnen de economische en sociale structuur van het land past en de armen – die meestal meer gebaat zijn bij kleinere, gedecentraliseerde en niet op het netwerk aangesloten energiebronnen – geen toegang tot energie biedt;

Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)

226.  verwelkomt de vooruitgang die de Commissie heeft geboekt bij het accrediteren van alle GBVB-missies overeenkomstig de "beoordelingen van de zes pijlers" en haar inschatting dat de vier grootste missies op korte termijn in overeenstemming met de regelgeving zullen zijn; benadrukt dat de Commissie alle missies dient te accrediteren overeenkomstig de aanbeveling van de Rekenkamer;

227.  is ernstig verontrust over de zware beschuldigingen van corruptie tegen EULEX Kosovo die, indien zij juist blijken, twijfel zullen oproepen over de integriteit van de Europese Unie en de ondersteuning die zij biedt aan landen die hervormingen op het gebied van de rechtsstaat doorvoeren, en maakt zich in het bijzonder zorgen over de wijze waarop met de beschuldigingen van corruptie wordt omgegaan en over de trage reactie van de Europese Dienst voor extern optreden; neemt kennis van het onderzoek dat is gestart om EULEX door te lichten; verwacht zo spoedig mogelijk geïnformeerd te zullen worden over de resultaten van dit onderzoek, en benadrukt dat er ten aanzien van corruptie een beleid van nultolerantie moet worden toegepast en dat opgedane ervaring moet worden aangewend;

228.  betreurt de aanzienlijke vertragingen bij de aankoop van essentiële apparatuur en diensten voor GVDB-missies en de negatieve gevolgen die dit heeft voor het functioneren van de missie; brengt in herinnering dat de Rekenkamer deze inefficiëntie heeft aangekaart in haar Speciaal verslag van 2012 over de bijstand van de EU aan Kosovo, waarin zij concludeert dat de in het Financieel Reglement vastgelegde voorschriften inzake overheidsopdrachten "niet gericht zijn op GVDB-missies [...], waarbij het soms nodig is snel en flexibel te reageren"; dringt er bij de Commissie op aan dat zij de desbetreffende voorschriften herziet;

Toezichtsverslag externe steun (External Assistance Monitoring Report - EAMR)

229.  wijst erop dat een meerderheid van de delegaties van de Unie niet voldeed aan de benchmarks die de Commissie had vastgesteld voor de essentiële prestatie-indicatoren (KPI's)(128) die zijn opgenomen in 119 toezichtsverslagen inzake externe steun, met betrekking tot financiële planning en toewijzing van middelen, financiële administratie en audits;

230.  wijst erop dat op basis van de door de Commissie vastgestelde KPI's de best presterende delegaties van de Unie de delegaties naar Nepal en Namibië waren, omdat deze voldeden aan de benchmarks die de Commissie had vastgesteld voor 23 van de 26 essentiële prestatie-indicatoren; betreurt dat de slechtst presterende delegatie de delegatie van de Unie naar Libië was, die voldeed aan de benchmarks van slechts 3 van de 26 KPI's, gevolgd door een bijna even slecht presterende delegatie naar de Centraal-Afrikaanse Republiek, die voldeed aan slechts vier benchmarks;

231.  betreurt dat de delegaties onder toezicht van DG ENLARGE, te weten de delegaties naar Albanië, Bosnië en Herzegovina, Montenegro, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Turkije, Kosovo en Servië, weinig geschikte gegevens en informatie leveren in het kader van het EAMR;

232.  betreurt dat de resultaten, outputs of effecten van de acties onder leiding van de delegatiediensten van de Unie niet adequaat worden gemeten in het kader van de bestaande KPI's, en dat de indicatoren slechts zeer weinig inzicht verschaffen in de kwantiteit en vooral de prestaties van de delegaties en van de mate van tevredenheid van de belanghebbenden over de diensten die de Uniedelegaties in die landen verlenen;

233.  verzoekt de Commissie:

   aan het Parlement de maatregelen te presenteren die zijn genomen om de prestaties van Uniedelegaties te verbeteren wat betreft financiële planning en toewijzing van middelen, financiële administratie en audits, vooral van de slechtst presterende delegaties;
   te zorgen voor betere jaarlijkse documentatie van de conclusies die zij heeft getrokken uit de EAMR's en de KPI's, en deze conclusies tezamen met de EAMR's aan het Parlement te doen toekomen;
   in de EAMR's een balans met boekhoudkundige gegevens van de delegaties op te nemen;
   de kwaliteit en omvattendheid van de gegevens in de EAMR's en de relevantie van de verslagen te verbeteren, vooral inzake de delegaties onder toezicht van DG ENLARGE; en
   voorwaarden op te nemen met betrekking tot de strijd tegen corruptie bij externe steunverlening;

International Management Group (IMG)

234.  neemt kennis van het feit dat een gelekte versie van het eindverslag van OLAF over de internationale managementgroep (IMG) heeft gecirculeerd; verzoekt de Commissie en het Comité van toezicht van OLAF om te onderzoeken waarom en hoe het OLAF-verslag is gelekt en door wie, terwijl IMG nog steeds niet is geïnformeerd over de inhoud van het verslag;

235.  wijst erop dat IMG, direct of indirect onder gedeeld beheer, ruim 130 miljoen EUR van de Commissie heeft ontvangen sinds haar oprichting in 1994; wijst erop dat IMG na de opschorting van de betalingen door de Commissie naar de rechter is gestapt en dat de status van deze organisatie onderwerp is van een juridische controverse; dringt er bij de Commissie op aan een duidelijk besluit over deze kwestie te nemen en verzoekt de Commissie het Parlement op de hoogte te brengen van het vervolg dat wordt gegeven aan het in 2011 gestarte onderzoek van OLAF; dringt er bij de Commissie op aan het Parlement een lijst te overleggen van alle organisaties, ondernemingen, andere organen of personen die overeenkomsten met de Commissie hebben gesloten zonder voorafgaande aanbestedingsprocedure, en daarbij hun juridische status aan te geven;

Oekraïne

236.  wijst erop dat in 2013 een bedrag van 152,8 miljoen EUR aan bilaterale bijstand is betaald aan Oekraïne, afkomstig van de begroting voor het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI); wijst erop dat 42,5% van deze betalingen (64,9 miljoen EUR) verband houdt met overeenkomsten die rechtstreeks worden beheerd door de delegatie van de Unie naar Oekraïne; wijst erop dat de resterende 57,5% (87,9 miljoen EUR) is uitbetaald in de vorm van begrotingssteun;

237.  benadrukt dat begrotingssteun afhangt van het bereiken van gezamenlijk overeengekomen resultaten en benchmarks; wijst erop dat de overheid die de steun ontvangt toezegt te zullen streven naar het bereiken van deze resultaten en benchmarks met de ondertekening van een bilaterale financieringsovereenkomst, waarbij de betalingen niet plaatsvinden indien de resultaten en benchmarks niet zijn bereikt;

238.  beseft dat Oekraïne zich momenteel in een uiterst moeilijke situatie bevindt, maar is van oordeel dat dit geen excuus mag zijn om niet te voldoen aan de voorwaarden waaronder begrotingssteun wordt verleend en, in het bijzonder, om niets te doen aan de bestrijding van de wijdverbreide corruptie in het land;

239.  roept de Commissie en de delegatie van de Unie daarom op zich er zeer goed van te verzekeren dat de uitbetaalde middelen ook worden geïnvesteerd in de projecten waarvoor de middelen bestemd waren;

Administratiekosten van de steunverlening

240.  maakt zich zorgen over de hoge administratiekosten van de steunverlening aan Centraal-Azië zoals berekend door de Rekenkamer; verzoekt de Commissie het Parlement in te lichten over de administratiekosten van externe steunverlening indien deze hoger zijn dan 10% van het geraamde budget;

Mogelijke verduistering van EU-middelen voor humanitaire en ontwikkelingshulp

241.  neemt kennis van het feit dat OLAF een verslag heeft opgesteld over de humanitaire steun die is verleend aan het Sahrawi-vluchtelingenkamp van Tindouf in Algerije (OF 2003/526); verzoekt om verduidelijking door de Commissie van de maatregelen die zijn getroffen naar aanleiding van de bevindingen van dit verslag; merkt op dat, volgens een onderzoeksverslag van UNHRC(129), het niet registreren van een groep vluchtelingen gedurende een dusdanig lange periode (d.w.z. bijna 30 jaar na hun aankomst) "een abnormale en unieke situatie in de geschiedenis van UNHRC vormt"; dringt er bij de Commissie op aan te waarborgen dat de Algerijnse of Sahrawi-personen die van strafbare feiten worden beschuldigd in het OLAF-verslag niet langer toegang hebben tot door de Europese belastingbetalers gefinancierde steun; roept de Commissie op om de door de Unie verleende steun aan te passen aan de feitelijke behoeften van de betrokken bevolking en ervoor te zorgen dat de belangen en behoeften van de vluchtelingen niet in het gedrang komen, omdat zij het kwetsbaarst zijn voor eventuele onregelmatigheden;

242.  is verontrust over de kwestie van fraude met de ambtenarensalarissen in Ghana, waarbij noch de Wereldbank, noch het Verenigd Koninkrijk als projectpartners de Commissie op de hoogte brachten van de ernstige zorgen die zij hadden over tekortkomingen bij de controles en het daaraan verbonden risico op fouten en fraude;

Onderzoek en ander intern beleid

EU 2020

243.  benadrukt dat het zevende kaderprogramma (KP7) het voornaamste door de Commissie gefinancierde programma was: wijst erop dat 809 subsidieovereenkomsten zijn ondertekend, met 10 345 deelnemers en een totale omvang van 3 439 miljoen EUR aan EU-bijdragen; merkt op dat het KP7 bijdraagt aan de inspanningen van de Unie om te investeren in een duurzaam concurrentievermogen, maar wijst erop dat de EU in haar totaliteit nog ver verwijderd is van haar doelstelling om ten minste 3% van het bbp aan O&O te besteden; wijst erop dat vooruitgang is geboekt op het gebied van essentiële prestatie-indicatoren (bruto bestedingen aan onderzoek en ontwikkeling (O&O), aandeel van overheidsuitgaven in O&O, vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van de Innovatie-Unie, financiële bijdragen van de Unie aan kleine en middelgrote ondernemingen, verkorting van de subsidietoekenningstermijn);

Fouten

244.  merkt op dat de Rekenkamer 150 verrichtingen controleerde, te weten 89 verrichtingen voor onderzoek (86 van het zevende kaderprogramma (KP7) en drie van het zesde kaderprogramma (KP6)), 25 verrichtingen voor de programma's Een leven lang leren (LLP) en Jeugd in actie (YiA) en 36 verrichtingen voor andere programma's; wijst erop dat de Rekenkamer het meest waarschijnlijke foutenpercentage schatte op 4,6% (2012: 3,9%);

245.  stelt vast dat de uitgaven in deze beleidsgroep een hele reeks beleidsdoelstellingen betroffen, zoals steun voor onderzoek en innovatie, onderwijs, veiligheid, migratie en maatregelen ter bestrijding van de gevolgen van de financiële crisis; wijst erop dat de Commissie ruim 50% (5 771 miljoen EUR) van het beschikbare bedrag heeft besteed aan onderzoek; wijst erop dat 45% van het onderzoeksbudget van de Commissie werd uitgevoerd door organen (d.w.z. agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen) buiten het directoraat-generaal; wijst erop dat bijna 90% van de uitgaven plaatsvond in de vorm van subsidies aan begunstigden die deelnamen aan projecten, en dat de Commissie in 2013 in totaal 809 subisidieovereenkomsten sloot;

246.  merkt op dat het voornaamste risico voor de regelmatigheid bleef dat de begunstigden niet-subsidiabele of niet-verantwoorde kosten opgaven in hun kostendeclaraties en dat deze door de toezicht- en controlesystemen van de Commissie of de lidstaat niet werden ontdekt of gecorrigeerd;

247.  betreurt dat 35% van het geschatte foutenpercentage te wijten is aan onjuist berekende of niet-subsidiabele personeelskosten; wijst erop dat hierbij onder meer gaat om het opgeven van de begrote kosten in plaats van de werkelijke personeelskosten alsook het aanrekenen van kosten voor tijd die niet aan de projecten is besteed;

248.  betreurt dat 23% van het geschatte foutenpercentage wordt veroorzaakt door indirecte niet-subsidiabele kosten, 25% door andere niet-subsidiabele directe kosten (btw, reizen, enz.) en 17% door niet-naleving van de regels inzake overheidsopdrachten;

249.  merkt op dat partijen die voor het eerst een aanvraag indienen, in het bijzonder kmo's, een grotendeels onbekend risico-/foutenprofiel hebben; verzoekt de Commissie om niet de gedane inspanningen te ondermijnen die zijn gedaan om deze partijen aan te moedigen deel te nemen aan het programma door het systematisch verhogen van de administratieve last voor hen;

Beheers- en controlesystemen

250.  is verbijsterd dat de Rekenkamer in negen van de 32 door onafhankelijke controleurs bevestigde kostendeclaraties een aanzienlijk foutenniveau ontdekte; acht een dergelijk foutenniveau onaanvaardbaar, omdat de controleurs hun werk verrichten op hun eigen vakgebied;

251.  verzoekt de Commissie om de controleurs meer bewust te maken van de vervulling van hun rol;

252.  is ingenomen met het feit dat de Commissie in 2013 in totaal 500 audits achteraf heeft uitgevoerd, met de nodige terugvorderings- en corrigerende maatregelen, alsmede op risicoanalyse gebaseerde controles vooraf;

253.  steunt de aanbeveling van de Rekenkamer, aanvaard door de Commissie, om de controleactiviteiten voor deze beleidsgroep meer te baseren op een risicoanalyse, door de controles toe te spitsen op risicovolle begunstigden (zoals entiteiten met minder ervaring inzake Europese financiering) en de controlelast voor begunstigden met minder risico te verminderen;

254.  onderstreept nogmaals de noodzaak van een juist evenwicht tussen lichtere administratieve lasten en doeltreffende financiële controle;

255.  verwelkomt het feit dat de subsidietoekenningstermijn in 2014 is verminderd van 249 dagen tot 209 dagen voor 94% van de subsidieovereenkomsten;

256.  verwelkomt het feit dat de Commissie haar communicatiecampagne voortzet op basis van een document met de 10 meest voorkomende oorzaken van fouten, dat in 2012 aan alle programmadeelnemers is verstrekt;

257.  merkt op dat eind 2013 het teruggevorderde bedrag aan onverschuldigde betalingen 29,6 miljoen EUR beliep, maar dat het totaal van de uitstaande, nog terug te vorderen bedragen was gestegen van 12 miljoen EUR eind 2012 tot bijna 17 miljoen EUR;

258.  wijst erop dat de projectdeelnemers (de ITER-organisatie en de nationale agentschappen, waaronder Fusion for Europe) hebben erkend dat het huidige tijdschema en budget niet realistisch is, hetgeen ook is bevestigd door verschillende onafhankelijke beoordelingen in de afgelopen twee jaar (2013-2014); wenst een kopie te ontvangen van het herziene tijdschema en budget die in juni 2015 bij de ITER-raad zullen worden ingediend; is verontrust over de regelmatige vertragingen in het ITER-programma waardoor de efficiëntie en doeltreffendheid worden ondermijnd; is zeer verontrust over de extra kosten waardoor de kosteneffectiviteit van het programma is aangetast en andere Europese programma's is gevaar worden gebracht, met name op het beleidsterrein onderzoek;

259.  is verheugd dat het Buitengrenzenfonds heeft bijgedragen aan de bevordering van de financiële solidariteit; betreurt evenwel dat ondanks dit feit de Europese meerwaarde beperkt was en dat het uiteindelijke resultaat niet kon worden gemeten als gevolg van tekortkomingen in het toezicht door de verantwoordelijke autoriteiten en ernstige gebreken in de evaluaties achteraf door de Commissie en de lidstaten;

Galileo

260.  neemt kennis van de antwoorden van de Commissie over de voortgang met de tenuitvoerlegging van het Galileo-project: de lancering van vier Galileo-satellieten voor in-orbit validation (IOV) in 2011 en 2012 is succesvol verlopen, de IOV-fase van Galileo is in 2014 succesvol afgerond, de opzet van het systeem, de prestatiedoelen en de baseline voor de werking van het systeem zijn bevestigd, de infrastructuur op de grond, met een groot aantal stations wereldwijd, is voldoende afgerond om de werking in de beginfase mogelijk te maken, de opsporings- en reddingscapaciteit van de IOV-satellieten is succesvol gedemonstreerd, op 22 augustus 2014 zijn twee satellieten (nr. 5 en 6) gelanceerd, die in een niet optimale omloopbaan terecht zijn gekomen, maar die sinds december 2014 geleidelijk naar een gunstiger omloopbaan zijn gebracht om een optimaal gebruik mogelijk te maken, en het testen van de navigatiecomponenten van de satellieten vindt momenteel plaats; wenst op de hoogte te worden gehouden van de bijkomende kosten voor deze niet geplande maatregelen;

261.  wijst erop dat de Rekenkamer in 2013 acht verrichtingen in de vervoerssector heeft gecontroleerd en daarbij vaststelde dat vijf ervan een of meer fouten vertoonden; vestigt de aandacht op de stijging van het percentage verrichtingen dat fouten vertoonde in 2013 (62%) ten opzichte van 2012 (49%) en vindt het zorgwekkend dat de Rekenkamer net als in eerdere jaren meerdere fouten heeft vastgesteld in verband met niet-nakoming van de regels van de Unie en van de lidstaten op het gebied van het plaatsen van opdrachten voor de gecontroleerde TEN-T-projecten; merkt op dat DG MOVE in 2013, net als in 2012, geen voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot de fouten op het gebied van openbare aanbestedingen; dringt er daarom op aan dat de Commissie de nodige maatregelen treft om dergelijke fouten in de toekomst te voorkomen; wijst erop dat het van het grootste belang is om de controle vooraf en achteraf van de ontvangers van subsidies en financiering van de Commissie uit te breiden, om misbruik van EU-middelen te voorkomen en een controle van de prestaties te garanderen; benadrukt dat, ook al is de financieringsperiode 2007-2013 formeel afgesloten, het N+2-beginsel voor cohesiefinanciering nog van kracht is, wat betekent dat veel projecten nog lopen tot het einde van dit jaar;

262.  verzoekt de Commissie om met het oog op de transparantie een toegankelijke jaarlijkse lijst te publiceren van vervoersprojecten die worden medegefinancierd door de Unie, en daarin het exacte bedrag aan financiering voor elk afzonderlijk project aan te geven; merkt op dat deze lijst van projecten betrekking dient te hebben op alle bronnen van Uniefinanciering, zoals TEN-T, Horizon 2020, cohesie- en regionale fondsen;

263.  dringt er bij de Commissie op aan elk jaar verslag uit te brengen van de wijze waarop rekening is gehouden met de toelichtingen bij de respectievelijke begrotingslijnen;

264.  herinnert eraan dat de vervoersprojecten in de periodes 2007-2013 en 2014-2020 gefinancierd zijn en zullen worden uit verschillende bronnen, waaronder de CEF, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling; verzoekt de Commissie te streven naar meer synergie tussen de verschillende financieringsbronnen, met het oog op een doeltreffender toewijzing van Uniemiddelen;

Milieu en volksgezondheid

265.  is tevreden over de algemene uitvoering van de begrotingsrubrieken milieu, klimaatbeleid, volksgezondheid en voedselveiligheid in het jaar 2013; herinnert er nogmaals aan dat slechts 0,5% van de begroting van de Unie besteed wordt aan deze beleidsinstrumenten, terwijl de Unie duidelijk meerwaarde biedt op deze gebieden en de burgers van de Unie het milieu- en klimaatbeleid van de Unie en het beleid op het gebied van volksgezondheid en voedselveiligheid steunen; betreurt dat dit percentage in 2012 is gedaald van 0,5% tot 0,8%;

266.  neemt kennis van de behandeling van de beleidsterreinen milieu en gezondheid in het jaarverslag van de Rekenkamer over 2013; betreurt dat beide beleidsterreinen wederom samen met plattelandsontwikkeling en visserij zijn opgenomen in één hoofdstuk; herhaalt zijn kritiek op deze samenvoeging van beleidsterreinen en verzoekt de Rekenkamer bij haar volgende jaarverslag een andere aanpak te volgen; wijst in dit kader op Speciaal verslag nr. 12/2014 van de Rekenkamer getiteld "Worden uit het EFRO op doeltreffende wijze projecten gefinancierd die rechtstreeks de biodiversiteit bevorderen in het kader van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020?", waarin wordt beklemtoond dat de Commissie accuraat moet bijhouden wat er direct en indirect aan biodiversiteit, inclusief Natura 2000, uitgegeven wordt; verzoekt de lidstaten dit proces te faciliteren door nauwkeurige gegevens aan te leveren;

267.  weet dat de Rekenkamer in de lidstaten zeer gedegen steekproeven doet en op basis daarvan tot het foutenpercentage komt; constateert dat de Rekenkamer niet vermeldt in welke lidstaten de grootste problemen liggen en op welke terreinen; wijst daarom op de noodzaak van een duidelijke verantwoordingsketen en hecht in dit kader groot belang aan de kwaliteit van de controlesystemen in de lidstaten;

268.  acht de voortgang die geboekt is bij de uitvoering van 14 proefprojecten en zes voorbereidende acties ten bedrage van in totaal 5 983 607 EUR bevredigend; spoort de Commissie aan om de uitvoering van door het Parlement voorgestelde proefprojecten en voorbereidende acties voort te zetten;

269.  stelt vast dat DG SANCO in 2013 verantwoordelijk was voor de uitvoering van 233 928 461 EUR op begrotingsonderdelen voor volksgezondheid, waarvan 98,1% op bevredigende wijze werd vastgelegd; is ervan op de hoogte dat ongeveer 77% van die middelen rechtstreeks wordt overgedragen aan drie gedecentraliseerde agentschappen (het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA)) en dat alle kredieten voor 100% ten uitvoer zijn gelegd, behalve die van EMA en EFSA, en dat deze onvolledige tenuitvoerlegging van vastleggingskredieten van EMA en EFSA correspondeert met het resultaat van 2012;

Cultuur

270.  is ingenomen met het feit dat het uitvoeringspercentage van het budget voor de programma's voor de periode 2007-2013, met name het programma Een leven lang leren en de programma's Cultuur, Media en Jeugd in actie, in 2013 100% bedroeg; verzoekt om de middelen voor de onderwijs en cultuurprogramma's voor 2014-2020 te verhogen; is met name bezorgd over het feit dat de discrepantie tussen de goedgekeurde vastleggingskredieten en de betalingskredieten aan het einde van het jaar resulteerde in een tekort aan betalingen (waardoor er bijvoorbeeld in het Erasmus +-programma een tekort van 202 miljoen EUR ontstond), hetgeen ernstige negatieve gevolgen had voor het volgende jaar; acht het zeer zorgelijk en betreurenswaardig dat een vergelijkbare situatie zich wellicht zal voordoen bij de nieuwe programma's, met name Erasmus + en Creatief Europa, hetgeen voor de Unie een gevaarlijk verlies aan geloofwaardigheid zou meebrengen, het vertrouwen van de burgers in de EU-instellingen zou ondermijnen en desastreuze gevolgen voor de deelnemers aan de programma's zou hebben;

271.  acht het een goede zaak dat het Erasmus-programma sinds de start ervan in 1987 het streefcijfer van 3 miljoen studenten heeft bereikt en overschreden; wijst op het aanhoudende succes dat dit vlaggenschipprogramma van de Unie – dat heeft bijgedragen tot de Europese integratie en het toenemende besef van een gemeenschappelijk Europees burgerschap en de verbondenheid daarmee – sinds zijn invoering heeft gehad;

272.  is bezorgd dat op Europees niveau – zoals gemeld in het speciaal verslag 399 van Eurobarometer over toegang tot en participatie in cultuur (2013) – de overheidsbudgetten voor het behoud en de bevordering van het cultureel erfgoed duidelijk teruglopen, net als de participatie in traditionele culturele activiteiten; is dan ook van mening dat de nieuwe EU-instrumenten ter ondersteuning van de Europese agenda voor cultuur – zoals de programma's Creatief Europa en Horizon 2020, of het platform Europeana – versterkt moeten worden;

Te nemen maatregelen

273.  merkt op dat de directeur-generaal voor Onderzoek en Innovatie een algemeen voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot de juistheid van de kostendeclaraties (3 664 miljoen EUR) van KP7 in het jaarlijks activiteitenverslag van het directoraat-generaal, hoewel hij zelf op basis van 1552 afgesloten projecten verwacht dat de netto financiële impact van de fouten ongeveer 2,09% zal bedragen, ofwel dichtbij de materialiteitsdrempel; is van mening dat dergelijke voorbehouden de term "goed financieel beheer" inhoudsloos maken; roept de directeur-generaal daarom op om voorbehouden voortaan op een meer specifieke en gerichte wijze toe te passen;

274.  roept de Commissie op om tijdig voor het follow-upverslag van de kwijting 2013 aan de Commissie informatie te verstrekken over de gemiddelde duur van contradictoire procedures voordat terugvordering plaats kan vinden in deze beleidsgroep;

275.  betreurt dat de Commissie de lijst met begunstigden per land nog steeds niet heeft toegezonden; verwacht van de Commissie een antwoord in het follow-upverslag van de kwijting 2013 aan de Commissie;

276.  verwelkomt het feit dat de Commissie de rapporteur eindelijk toegang heeft verleend tot het auditverslag over de operationele kosten voor de twee programma's (Een leven lang leren 6,9 miljoen EUR, Jeugd in actie 1,65 miljoen EUR) die in Turkije in 2012 en 2013 liepen; wijst erop dat het verslag was ingediend uit hoofde van de kaderovereenkomst; is bezorgd over de vastgestelde ernstige tekortkomingen maar verwelkomt de maatregelen die de Turkse autoriteiten hebben genomen om de situatie op te lossen; verzoekt de Commissie te beoordelen of financiële correcties moeten worden opgelegd;

277.  roept de Commissie op tijdig aanvullende informatie te leveren over de uitgaven voor het steunprogramma voor het informatie- en communicatietechnologiebeleid, zodat deze informatie meegenomen kan worden in het follow-upverslag over de kwijting 2013 aan de Commissie; wijst erop dat het risicobedrag aan betalingen voor dit programma in 2013 wel 3,4 miljoen EUR kan bedragen, wat een restfoutenpercentage van 2,8% oplevert; wijst erop dat ondanks deze feiten de directeur-generaal van het directoraat-generaal Communicatienetwerken, Inhoud en Technologie (DG CONNECT) geen voorbehoud heeft gemaakt;

278.  roept de Commissie op om tijdig voor de kwijtingsprocedure 2014 uitgebreid verslag uit te brengen van de toegenomen "beleidsgerichtheid" van het directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie, die werd veroorzaakt door het uitbesteden van het beheer van tweederde van de operationele kosten van het KP7 aan organen buiten de Commissie;

279.  verzoekt de Commissie om tijdig voor de kwijtingsprocedure 2014 een overzicht te geven van de vooruitgang op beleidsgebied tussen KP7 en Horizon 2020 voor onderzoekers en kmo's;

Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)

280.  is ingenomen met de lopende besprekingen tussen OLAF en het Comité van toezicht van OLAF over de herziening van de werkafspraken en moedigt hen aan tot een gezamenlijk en bevredigend akkoord te komen; neemt nota van de inspanningen van OLAF voor de uitvoering van de werkafspraken; benadrukt dat deze inspanningen niet onevenredig mogen zijn, gezien de budgettaire beperkingen van OLAF;

281.  wijst erop dat in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad(130), van kracht sinds 1 oktober 2013, wordt bepaald dat OLAF ervoor dient te zorgen dat het secretariaat van het Comité van toezicht onafhankelijk kan werken (overweging 40 van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013); is momenteel niet op de hoogte van maatregelen om deze wettelijke verplichting na te leven; dringt er bij de Commissie op aan onmiddellijk maatregelen te nemen om de situatie op te lossen;

282.  roept OLAF op om zijn Comité van toezicht tijdig te raadplegen alvorens instructies aan de medewerkers inzake onderzoeksprocedures te wijzigen en alvorens beleidsprioriteiten voor onderzoek vast te stellen;

283.  betreurt het feit dat OLAF de aanbevelingen van zijn Comité van toezicht niet altijd uitvoert, soms zelfs zonder daarvoor redenen aan te geven; roept de directeur-generaal op om op dit punt beter samen te werken;

284.  herinnert eraan dat OLAF op 31 januari 2012 423 onderzoeken heeft gestart; vraagt zich af of een dergelijke procedure wettig kan zijn; roept het Comité van toezicht van OLAF op om de wettigheid van het tegelijk starten van 423 onderzoeken en de uitkomsten van die onderzoeken te beoordelen; verzoekt het Comité van toezicht van OLAF daarnaast om de statistieken inzake de duur van de onderzoeken te evalueren en de werking van het dossierbeheersysteem te analyseren, en daarover verslag uit te brengen aan het Parlement;

285.  verzoekt het Comité van toezicht van OLAF om tevens de statistieken inzake de duur van de onderzoeken te evalueren en de werking van het dossierbeheersysteem te analyseren, en daarover verslag uit te brengen aan de bevoegde commissie van het Parlement;

286.  verzoekt OLAF in zijn jaarverslag meer gedetailleerde statistische gegevens te verschaffen over de frequentie waarmee onderzoeken worden gestart en afgesloten;

287.  verzoekt OLAF meer informatie aan het Parlement te verstrekken over de praktische aspecten van de procedure voor het dossierselectieproces, en over de duur en de interne richtsnoeren van het proces;

Administratie

288.  wijst erop dat in de loop van de afgelopen vier jaar (2011-2014) 336 145 aanmeldingen zijn binnengekomen voor alle selectieprocedures die zijn gestart door het Europees Bureau voor personeelsselectie, dat de gemiddelde kosten voor de verwerking van een aanmelding geschat kunnen worden op 238 EUR en dat minder dan 10% van de kandidaten uiteindelijk op een reservelijst wordt geplaatst; eist dat geld van de Europese belastingbetalers wordt bespaard door de administratieve rompslomp te verminderen en de duur van de reservelijsten met minstens twee jaar te verlengen; roept de Commissie op om uiterlijk in juni 2015 verslag uit te brengen over deze kwestie;

289.  verzoekt de Commissie het Parlement het hoogste aan ambtenaren van de Commissie uitgekeerde pensioen in 2013 mede te delen;

290.  is bezorgd over de bevinding van de Rekenkamer dat zelden gebruik wordt gemaakt van bepalingen voor het aanpakken van slecht presterende personeelsleden; roept de Commissie op het personeelsstatuut onverkort toe te passen;

291.  vraagt om informatie over personeel buiten de personeelsformatie en over personeelskosten die worden gefinancierd van begrotingsposten die niet onder "administratie" vallen; betreurt dat de begrotingsautoriteit geen geconsolideerde informatie heeft ontvangen over het totale aantal van dergelijke personeelsleden, noch over de daaraan verbonden personeelskosten binnen de Commissie;

292.  herinnert eraan dat in Bijlage 1.A bij Verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004(131) twee nieuwe rangen zijn ingevoerd, AD13 en AD14, toegankelijk voor functionarissen zonder managementtaken, die voorheen hoogstens A4 konden bereiken (overeenkomend met AD12); vraagt de Commissie om het rapport van 2011 over gemiddelde loopbaanprofielen te actualiseren en verslag uit te brengen van de personeelsuitgaven in 2013 voor personeel zonder managementtaken in AD13 en AD14;

293.  verzoekt de Commissie informatie te verstrekken over de financiering van alle sociale, sportieve en culturele maatregelen voor haar personeel, onder meer ook over de positieve effecten van deze maatregelen voor het prestatieniveau en de integratie van expats en hun gezinnen;.

294.  verzoekt de Commissie om in haar follow-up van de kwijting aan de Commissie voor 2013 verslag uit te brengen over het gebruik van flexibele werktijdregelingen;

295.  is bezorgd over de aanzienlijke toename van het aantal hoge functionarissen in rang AD13 tot AD16; vreest voor aantasting van de reputatie van de Unie, omdat moeilijk valt uit te leggen dat overwerk niet inbegrepen is in dergelijke hoge salarissen;

296.  merkt op dat de salarisverschillen tussen ambtenaren die werken voor de Europese instellingen en ambtenaren die werken voor de nationale overheden, nog steeds heel groot zijn en onder meer tot gevolg hebben dat er een gebrek aan mobiliteit is tussen het personeel op Europees niveau en dat op nationaal niveau; doet een beroep op de Commissie om een grondige studie te verrichten naar de oorzaken van deze verschillen en een langetermijnstrategie te ontwikkelen om deze verschillen te verkleinen, waarbij zij bijzondere aandacht dient te schenken aan de verschillende vergoedingen (gezins- en ontheemdingstoelagen, inrichtings- en verhuisvergoedingen), jaarlijks verlof, feestdagen, reisdagen en vergoeding voor overwerk;

297.  herinnert aan de door het secretariaat-generaal van de Commissie gepubliceerde mededeling over het verkorten van de antwoorden op parlementaire vragen, die voorziet in een maximum van 20 regels; verzoekt de Commissie haar politieke verantwoordelijkheid volledig te nemen en zich bij het antwoorden niet langer te laten beperken door het secretariaat-generaal;

298.  uit zijn bezorgdheid over de bescherming van klokkenluiders en verzoekt de Commissie erop toe te zien dat volledige eerbiediging van hun rechten wordt gewaarborgd;

299.  wijst erop dat niet-gouvernementele organisaties (NGO's) in 2013 bijna 9 miljoen EUR van DG Milieu, bijna 4 miljoen EUR van DG Gezondheid en consumenten en 5,7 miljoen van DG Werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie hebben ontvangen; neemt nota van het feit dat taken van de Commissie permanent worden uitbesteed; verzoekt de Commissie het Parlement mede te delen welke Europese meerwaarde het via deze NGO's bestede geld heeft opgeleverd;

300.  verzoekt de Commissie de overbruggingstoelage voor de leden van de Commissie die minder dan twee jaar in functie zijn, in de toekomst alleen nog te garanderen voor een periode die niet langer is dan hun ambtstermijn;

301.  is van mening dat in tijden van crisis en algemene bezuinigingen, de kosten voor de “away days” van het personeel van de Europese instellingen moeten worden verlaagd en dat deze dagen zoveel mogelijk moeten plaatsvinden op de kantoren van de instellingen zelf, aangezien de meerwaarde van deze bijeenkomsten niet opweegt tegen de zeer hoge kosten;

302.  uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan vrouwen op belangrijke posities binnen de Commissie; verzoekt de Commissie een plan op te zetten voor gelijke kansen, met name met betrekking tot leidinggevende posities, zodat zo snel mogelijk een einde aan deze onevenwichtigheid kan worden gemaakt;

Resultaten behalen met de begroting van de Unie

303.  betreurt dat ondanks dat de Rekenkamer(132) enige vooruitgang heeft gemeld, het vierde evaluatieverslag waarin wordt voorzien door artikel 318 VWEU nog steeds geen nuttige bijdrage vormt voor de kwijtingswerkzaamheden, terwijl het overeenkomstig het VWEU een van de bewijsstukken moet zijn voor de jaarlijkse verlening van kwijting aan de Commissie door het Parlement; is bezorgd over het feit dat het gebrek aan prestatiegerichtheid een groot probleem is geworden voor de EU-begroting;

304.  wijst erop dat de Rekenkamer in haar verslag 2013 concludeert dat de lidstaten zich bij de selectie van projecten onder gedeeld beheer voornamelijk hebben bekommerd om het uitgeven van het beschikbaar Europese geld in plaats van zich te richten op de van hen verwachte prestaties; verzoekt om, teneinde deze tendens te keren en een ommezwaai te bewerkstelligen in de richting van een prestatiecultuur, een onafhankelijke werkgroep op hoog niveau (met onder meer academici) bijeen te roepen die aanbevelingen moet doen voor een structurele verschuiving van uitgeven naar goed presteren op basis van een beoordeling van de Europese meerwaarde en met inachtneming van de regels; is van mening dat de bevindingen van deze werkgroep op hoog niveau tijdig, vóór de tussentijdse herziening van het huidig MFK, beschikbaar moeten worden gemaakt en de grondslag moeten vormen voor de nieuwe MFK-programmeringsperiode;

305.  herhaalt zijn verzoek aan de directeuren-generaal van de Commissie om in hun beheersplan een beperkt aantal eenvoudige doelstellingen op te nemen die voldoen aan de vereisten van de Rekenkamer voor wat betreft relevantie, vergelijkbaarheid en betrouwbaarheid en die gekoppeld zijn aan de belangrijkste doelen van de Europa 2020-strategie, en om verslag uit te brengen van de behaalde resultaten in hun jaarlijkse activiteitenverslagen in een hoofdstuk getiteld "beleidsresultaten", waarna de Commissie op basis daarvan het evaluatieverslag over de financiën van de Unie indient, overeenkomstig artikel 318 VWEU;

306.  vraagt de Commissie om in de volgende evaluatieverslagen als bedoeld in artikel 318 VWEU een analyse op te nemen van de bereikte resultaten wat betreft groei en banen van het investeringsplan van 315 miljard EUR, op 26 november 2014 aangekondigd door de voorzitter van de Commissie Jean-Claude Juncker op de plenaire vergadering van het Parlement;

307.  vraagt de Commissie om in het volgende evaluatieverslag als bedoeld in artikel 318 VWEU een analyse op te nemen, opgesteld in samenwerking met de Europese Investeringsbank, van efficiency, de doeltreffendheid en de resultaten behaald door het plan voor groei en banen van 120 miljard EUR, goedgekeurd door de Europese Raad op zijn vergadering van 28 en 29 juni 2012;

308.  dringt erop aan dat bij de interne organisatie van de Commissie, onder voorzitterschap van Jean-Claude Juncker, rekening moet worden gehouden met het feit dat de strategie voor groei en banen van de Unie niet gebaseerd is op maatregelen uitgevoerd door elk afzonderlijk DG, maar zeven sectoroverschrijdende vlaggenschipinitiatieven omvat die telkens door verschillende directoraten-generaal worden uitgevoerd; dringt erop aan dat de coördinatie en samenwerking die daarvoor binnen de Commissie nodig is niet leidt tot nieuwe vormen van bureaucratie en administratieve rompslomp;

309.  roept de Commissie op haar begroting zodanig te beheren dat er bij de thematische beleidsvraagstukken geen sprake is van overlapping en verdubbeling tussen de verschillende DG's met soortgelijke of nagenoeg gelijke bevoegdheden;

310.  is van mening dat het concept/idee van duurzaamheidseffectbeoordelingen dient te worden toegepast op alle soorten financiële steun, niet alleen op uitgaven van de Commissie, maar van alle EU-instellingen, -organen en -agentschappen; is van mening dat uitgaven die niet in overeenstemming zijn met een effectbeoordelingsstudie/-analyse, niet mogen worden toegestaan;

311.  verzoekt de Commissie uiterlijk in september 2015 bij de bevoegde commissie van het Parlement een omvattend activiteitenverslag in te dienen, ter bevordering van het openbaar maken van misstanden door het brede publiek;

Uitvoerende agentschappen

312.  betreurt dat volgens het auditverslag over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk(133) het Agentschap geen bevredigende verificaties vooraf verrichtte van de kosten die de beheerder van zijn gebouw aanrekende voor de kantoorruimte, leidend tot een btw-bedrag ad 113 513 EUR dat onverschuldigd was betaald en in 2013 nog niet was teruggevorderd door het uitvoerend agentschap; wijst erop dat de meeste van de onderliggende contracten, facturen en betaalbewijzen niet ter beschikking van het uitvoerend agentschap waren gesteld; wijst op het hoge bedrag aan overdrachten voor titel II (27%, overeenkomend met 666 119 EUR), hetgeen vragen oproept over het financiële beheer van dit uitvoerend agentschap;

Tabakssmokkel

313.  herinnert eraan dat het Europees Parlement in zijn resolutie bij het besluit tot kwijting aan de Commissie voor de begroting 2012 vroeg om een evaluatie van de bestaande akkoorden met de vier tabaksconcerns (Philip Morris International Cooperation Inc. (PMI), Japan Tobacco International Cooperation, British American Tobacco Cooperation en Imperial Tobacco Cooperation); merkt op dat tijdens de hoorzitting met gesloten deuren over dit onderwerp, de Commissie zich ertoe verbond om voor eind mei 2015 een beoordeling voor te leggen van de ervaringen die zijn opgedaan met de overeenkomst met PMI, die binnenkort afloopt.

(1) PB L 66 van 8.3.2013.
(2) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(3) PB C 398 van 12.11.2014, blz. 1.
(4) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(5) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(7) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2015)0119.
(8) PB L 66 van 8.3.2013.
(9) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(10) PB C 408 van 15.11.2014, blz. 39.
(11) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 67.
(12) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(13) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(14) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(15) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(16) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(17) PB L 101 van 21.4.2009, blz. 26.
(18) PB L 343 van 19.12.2013, blz. 46.
(19) PB L 66 van 8.3.2013.
(20) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(21) PB C 408 van 15.11.2014, blz .6.
(22) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 74.
(23) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(24) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(25) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(26) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(27) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(28) PB L 5 van 9.1.2004, blz. 85.
(29) PB L 341 van 18.12.2013, blz. 73.
(30) PB L 66 van 8.3.2013.
(31) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(32) PB C 408 van 15.11.2014, blz. 5.
(33) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 83.
(34) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(35) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(36) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(37) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(38) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(39) PB L 369 van 16.12.2004, blz. 73.
(40) PB L 341 van 18.12.2013, blz. 69.
(41) PB L 363 van 18.12.2014, blz. 183.
(42) PB L 66 van 8.3.2013.
(43) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(44) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 240.
(45) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(46) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(47) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(48) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(49) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(50) PB L 9 van 12.1.2008, blz. 15.
(51) PB L 346 van 20.12.2013, blz.58.
(52) PB L 66 van 8.3.2013.
(53) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(54) PB C 408 van 15.11.2014, blz. 40.
(55) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 351.
(56) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(57) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(58) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(59) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(60) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(61) PB L 11 van 15.1.2008, blz. 9.
(62) PB L 346 van 20.12.2013, blz. 54.
(63) PB L 66 van 8.3.2013.
(64) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(65) PB C 408 van 15.11.2014, blz. 41.
(66) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 358.
(67) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(68) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(69) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(70) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(71) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(72) PB L 32 van 6.2.2007, blz. 88.
(73) PB L 352 van 24.12.2013, blz. 65.
(74) PB L 66 van 8.3.2013.
(75) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(76) PB C 398 van 12.11.2014, blz. 1.
(77) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(78) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(79) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(80) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(81) Speciaal verslag nr. 11/2013 van de Rekenkamer, paragrafen 93 tot 97.
(82) Zie bovengenoemde resolutie van het Parlement van 29 april 2015 over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor 2013 - Deel I.
(83) Zie de mededeling van de Commissie van 29 september 2014 over de bescherming van de EU-begroting tot eind 2013 (COM(2014)0618, blz. 11)
(84) Zie het jaarverslag voor 2013 van de Rekenkamer, paragraaf 1.14.
(85) Zie voornoemde mededeling van de Commissie COM(2014)0618, tabel 5.2: inhoudingen binnen het cohesiebeleid (775 miljoen EUR), terugvorderingen betreffende plattelandsontwikkeling (129 miljoen EUR) en financiële correcties uitgevoerd via annulering/aftrek bij afsluiting binnen het cohesiebeleid (494 miljoen EUR) of op andere beleidsterreinen dan landbouw en cohesiebeleid (1 miljoen EUR).
(86) Zie voornoemde mededeling van de Commissie COM(2014)0618, tabel 7.2.
(87) Zie de mededeling van de Commissie van 11 juni 2014 " Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2013 " (COM(2014)0342), punt 14: maximale totale risicodragende bedrag voor de gehele uitgaven van 2013 (algemene begroting en EOF-begroting).
(88) In bijlage 1 bij het syntheseverslag worden "risicobedragen" gedefinieerd als "de waarde van de fractie van de transacties die na toepassing van alle controles (corrigerende maatregelen) ter mitigatie van compliancerisico's naar verwachting niet geheel overeenkomstig de passende wettelijke en contractuele regels is".
(89) Van de 322 miljard EUR vertegenwoordigt 222 miljard euro niet-afgewikkelde begrotingsvastleggingen en heeft 99 miljard EUR te maken met balansverplichtingen die niet door niet-afgewikkelde vastleggingen worden gedekt;
(90) Presentatie van de jaarverslagen van de Rekenkamer door de voorzitter Vítor Manuel da Silva Caldeira op de vergadering van CONT van 5 november 2014.
(91) Ibidem.
(92) Informatie verstrekt tijdens de kwijtingsprocedure door vicevoorzitter van de Commissie Kristalina Georgieva.
(93) Zie Speciaal Verslag nr. 16/2014 van de Europese Rekenkamer.
(94) COM(2013)0362.
(95) Zie het jaarverslag voor 2013 van de Rekenkamer, paragraaf 2.11, en het Speciaal verslag nr 11/2013 (Kwijting 2013) "Op weg naar correcte gegevens over het bruto nationaal inkomen (bni): een meer gestructureerde en gerichte aanpak zou de doeltreffendheid van de verificatie door de Commissie verbeteren".
(96) Verklaring van Jacek Dominik over de herziening van het bruto nationaal inkomen van de lidstaten, persbericht van 27 oktober 2014 te Brussel, laatste zin.
(97) Advies nr. 7/2014 over een voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 houdende toepassing van Besluit 2007/436/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB C 459 van 19.12.2014, blz. 1).
(98) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0078.
(99) Zie het overzicht van de Rekenkamer "De middelen van de EU optimaal benutten: een overzicht ("landscape review") van de risico’s voor het financiële beheer van de EU-begroting", 2014, blz. 67.
(100) Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608).
(101) Indicatieve cijfers van steun per steun-grootteklasse, ontvangen in het kader van rechtstreekse steun aan producten krachtens Verordening (EG) 1782/2003 van de Raad en Verordening 73/2009 van de Raad, verstrekt door commissaris Hogan op 8 december 2014.
(102) De frequentie steeg aanzienlijk: van 41% in 2012 tot 61% in 2013.
(103) In Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1) is bepaald in bepaalde regio's overgangssteun mag worden toegekend ter ondersteuning van producenten die de status van producentenorganisatie (PO) wensen te verkrijgen om producentengroeperingen te vormen; deze steun kan gedeeltelijk door de EU worden vergoed en wordt beëindigd zodra de producentengroepering is erkend als PO.
(104) Zie het jaarverslag voor 2013 van de Rekenkamer, paragraaf 43.
(105) Zie antwoord van de commissaris op schriftelijke vraag nr. 11 op de hoorzitting van CONT met commissaris Phil Hogan op 11 december 2014.
(106) Zie het jaarverslag voor 2013 van de Rekenkamer, paragraaf 3.23 e.v.
(107) Zie het jaarlijks activiteitenverslag over 2013 van DG AGRI, Bijlage 10, tabel 51: "nieuwe lopende zaken sinds 2007".
(108) Zie het jaarverslag over 2013 van de Rekenkamer, paragraaf 4.25.
(109) Zie het jaarverslag over 2013 van de Rekenkamer, paragraaf 4.27.
(110) Zie antwoord op schriftelijke vraag nr. 29 op de hoorzitting van CONT met commissaris Phil Hogan op 11 december 2014.
(111) Zie het Speciaal verslag nr. 23/2014 van de Rekenkamer "Fouten in de uitgaven voor plattelandsontwikkeling: wat zijn de oorzaken en hoe worden deze aangepakt", blz. 10: 8,2% is het gemiddelde voor de periode van drie jaar, waarbij de percentages uiteenlopen van 6,1% tot 10,3%. De gemiddelden bedragen 8,4% voor 2011, 8,3% voor 2012 en 7,9% voor 2013.
(112) Zie het Speciaal verslag nr. 23/2014 van de Rekenkamer, blz. 22 tot 24.
(113) Verklaring van Rasa Budbergyte, lid van de Rekenkamer, op de hoorzitting van CONT met commissaris Phil Hogan op 11 december 2014.
(114) Zie antwoord op schriftelijke vraag nr. 12 op de hoorzitting van CONT met commissaris Phil Hogan op 11 december 2014.
(115) Zie het jaarlijks activiteitenverslag over 2013 van DG AGRI, tabel 2.1.24.
(116) Speciaal verslag nr. 20/2014 van de Rekenkamer, paragraaf 68.
(117) Zie het jaarlijks activiteitenverslag over 2013 van DG REGIO, Bijlage, blz. 41.
(118) Zie het jaarlijks activiteitenverslag over 2013 van DG REGIO, Bijlage, blz. 42.
(119) Zie het jaarlijks activiteitenverslag over 2013 van DG REGIO, Bijlage, blz. 43.
(120) Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 480/2014 van de Commissie van 3 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (PB L 138 van 13.5.2014, blz. 5),
(121) Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
(122) Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB L 2010 van 31.7.2006, blz. 25).
(123) COM(2015)0118.
(124) PB L 266 van 5.9.2014, blz. 69, para. 139 e.v.
(125) Betreurt dat de volgende 73 BCS in de lidstaten werden beoordeeld als hooguit gedeeltelijk betrouwbaar (gemarkeerd in oranje, in het kleurenschema groen, geel, oranje, rood): Vorarlberg (AT), Wenen (AT), Stiermarken (AT), Tirol (AT), Brussel (BE), regionale ontwikkeling (BG), milieu (BG), bedrijfsleven & innovatie (CZ), ROP NUTSII Noord-Oost (CZ), ROP NUTS II Silezië (CZ), Geïntegreerd OP (CZ), Thüringen (DE), Mecklenburg-Vorpommern (DE), Sachsen-Anhalt, Bremen (DE), Nordrhein-Westfalen (DE), EC ENV (EE), Attica (EL), West-Griekenland (EL), Macedonië-Thracië (EL), Thessalië-continentaal Griekenland-Epirus (EL), Kreta en de Egeïsche eilanden (EL), Murcia (ES), Melilla (ES), Ceuta (ES), Asturias (ES), Galicië (ES), Extremadura (ES), Castilla La Mancha (ES), Andalusië (ES), Cohesiefondsen (ES), Cantabrië (ES), Baskische regio (ES), Navarra (ES), Madrid (ES), Rioja (ES), Catalonië (ES), Balearen (ES), Aragon (ES), Castilla y León (ES), regio Valencia (ES), Canarische eilanden (ES), Onderzoek, ontwikkeling en innovatie voor ondernemingen (ES), Economische ontwikkeling (HU), Milieu energie (HU), West-Pannonië (HU), Zuidelijke Grote Laagvlakte (HU), Midden-Transdanubië (HU), Noord-Hongarije (HU), Vervoer (HU), Noordelijke Grote Laagvlakte (HU), Zuid-Transdanubië (HU), Midden-Hongarije (HU), Adriatische regio (Instrument voor pretoetredingssteun - IPA), Mecklenburg Vorpommern/Brandenburg-Polen (Europese territoriale samenwerking - ETC), Vlaams-Nederlandse grensregio (ETC), Netwerken en mobiliteit (IT), Onderzoek (IT), Veiligheid (IT), Calabrië (IT), Puglia (IT), Sicilië (IT), Basilicata (IT), Sardinië (IT), Infrastructuur en milieu (PL), Ontwikkeling Oost-Polen (PL), Informatiemaatschappij (SK), Milieu (SK), Regionaal OP (SK), Vervoer (SK), Gezondheid (SK), Concurrentievermogen en economische groei (SK), Technische bijstand (SK), Onderzoek en ontwikkeling (SK).
(126) Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, De situatie van Roma in 11 lidstaten van de EU, Luxemburg, 2012.
(127) Zie het jaarlijks activiteitenverslag over 2013 van EuropeAid, blz. 197.
(128)a.b.c.d.e.f.g.h.i.KPI "20 Ex ante niet susidiabele bedragen"KPI 1 "Uitvoering financiële ramingen: Betalingen"KPI 2 "Uitvoering financiële ramingen: Contracten"KPI 4 "Absorptiecapaciteit RAL"KPI 18 "Percentage bezochte projecten in de EAMR-periode"KPI 21 "Uitvoering jaarlijks auditplan: Jaar N (2013)"KPI 22 "Uitvoering jaarlijks auditplan: Jaar N-1 (2012)"KPI 23 "Uitvoering jaarlijks auditplan: Jaar N-2 (2012)"KPI 26 "Terugvordering of rechtvaardiging audit niet-subsidiabele bedragen"
(129) UNHCR Inspector General's Office, Inquiry Report INQ/04/005, Genève, 12 mei 2005.
(130) Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
(131) Verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB L 124 van 27.4.2004, blz. 1).
(132) Zie het jaarverslag over 2013 van de Rekenkamer, paragraaf 10.24.
(133) Zie het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (het voormalige Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk) betreffende het begrotingsjaar 2013, vergezeld van de antwoorden van het Agentschap (PB C 442 van 10.12.2014, blz. 358, paragrafen 11 tot 13).


Speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor 2013
PDF 564kWORD 207k
Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de kwijting van de Commissie voor 2013 (2014/2140(DEC))
P8_TA(2015)0119A8-0067/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2014)0510 – C8-0140/2014)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien zijn besluit van 29 april 2015 tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie(5) en zijn resolutie met opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van dat besluit,

–  gezien de speciale verslagen van de Rekenkamer overeenkomstig artikel 287, lid 4, tweede alinea van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05303/2015 – C8-0053/2015),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(7), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0067/2015),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

B.  overwegende dat de speciale verslagen van de Rekenkamer informatie verstrekken over bezwaren met betrekking tot de tenuitvoerlegging van fondsen, en dat deze informatie nuttig is voor het Parlement bij het uitoefenen van zijn taken als kwijtingsautoriteit;

C.  overwegende dat zijn opmerkingen over de speciale verslagen van de Rekenkamer een integrerend onderdeel vormen van het voornoemde besluit van het Parlement van 29 april 2015 tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie;

Deel I - Speciaal verslag nr. 11/2013 van de Rekenkamer getiteld "Op weg naar correcte gegevens over het bruto nationaal inkomen (bni): een meer gestructureerde en gerichte aanpak zou de doeltreffendheid van de verificatie door de Commissie verbeteren"

1.  verzoekt de Commissie een gestructureerde en geformaliseerde analyse uit te voeren waarbij rekening wordt gehouden met kosten en baten, die haar in staat stelt haar verificaties van specifieke gebieden of compilatie(sub)processen te plannen en te prioriteren; is van mening dat in het kader van dergelijke analyse rekening moet worden gehouden met de risico's die verbonden zijn aan de opstelling van de nationale rekeningen van elke lidstaat en de relatieve omvang van de bni-componenten in de totale economie; is van oordeel dat deze risicobeoordeling gebaseerd moet worden op alle kwalitatieve en kwantitatieve informatie die beschikbaar is in alle afdelingen van Eurostat en toegespitst moet worden op de compilatieprocedures als beschreven in de bni-overzichten en recente bni-kwaliteitsverslagen van de lidstaten;

2.  vraagt de Commissie de duur van haar verificatiecyclus te verkorten om het gebruik van algemene punten van voorbehoud te beperken; is van mening dat het vaststellen van dergelijke punten van voorbehoud beperkt moet worden tot uitzonderlijke gevallen waarin een significant risico bestaat dat de financiële belangen van de Unie niet worden beschermd, bijvoorbeeld wanneer een lidstaat tijdens de verificatiecyclus of met regelmatige tussenpozen een ingrijpende herziening uitvoert;

3.  vraagt Eurostat duidelijk en tijdig aan het bni-comité verslag uit te brengen over gevallen waarin het kosten-batenbeginsel wordt geacht van toepassing te zijn;

4.  verwacht dat het verificatieproces van de Commissie een gestructureerde en geformaliseerde kwalitatieve risicobeoordeling van de in de bni-overzichten beschreven compilatieprocedures en grondige verificaties van materiële en risicovolle bni-componenten omvat; is van mening dat de bni-componenten voor grondige verificatie geselecteerd moeten worden in overeenstemming met de in aanbeveling 1 beschreven kosten-batenanalyse; is van oordeel dat de reikwijdte en de doelstellingen van de grondige verificaties breder moeten zijn dan die van de rechtstreekse verificaties die Eurostat in de recente verificatiecyclus heeft uitgevoerd;

5.  vraagt de Commissie in haar verificaties bijzondere aandacht te besteden aan de volledigheid van het bni van de lidstaten en aan het gebruik van vergelijkbare procedures voor het schatten van de omvang van de zwarte economie in de nationale rekeningen; vraagt Eurostat te controleren of de richtsnoeren van de Commissie door alle lidstaten worden opgevolgd en passende actie te ondernemen om een vergelijkbare behandeling van dit punt door de lidstaten te waarborgen;

6.  verzoekt de Commissie haar werkzaamheden te documenteren, met inbegrip van volledige informatie over de verificaties van Eurostat op basis van onderzoek aan de hand van stukken en/of bezoeken aan de nationale bureaus voor de statistiek; is van mening dat de controledossiers van Eurostat het management in staat zouden moeten stellen de resultaten van de verrichte controles van geselecteerde bni-componenten duidelijk vast te stellen, in overeenstemming met de internecontrolenormen (ICN);

7.  vraagt Eurostat, voor zover mogelijk, de potentiële effecten (voor kwantificeerbare opmerkingen) en/of het risicobedrag (voor niet-kwantificeerbare opmerkingen) van de actiepunten te beoordelen en duidelijke materialiteitscriteria vast te stellen met het oog op het vaststellen van specifieke punten van voorbehoud; is van mening dat deze criteria kwalitatief of kwantitatief moeten zijn; is van mening dat, als algemene regel, punten van voorbehoud zouden moeten worden gemaakt ten aanzien van specifieke bni-componenten die verband houden met actiepunten die door de nationale bureaus voor de statistiek niet binnen de vastgestelde termijn zijn aangepakt en waarvan het effect mogelijk materieel is;

8.  vraagt Eurostat de coördinatie te verbeteren tussen de afdelingen die belast zijn met de verificatie van bni-gegevens voor de vaststelling van de eigen middelen en andere afdelingen, met name de afdelingen die verantwoordelijk zijn voor het opstellen van de nationale rekeningen; is van mening dat, in gevallen waar mogelijke acties van andere afdelingen van Eurostat een effect op de samenstelling van het bruto binnenlands product (bbp) en/of het bni kunnen hebben, het bni-comité zou moeten worden geraadpleegd en het definitieve besluit over deze maatregelen zou moeten worden genomen op een passend hiërarchisch niveau binnen Eurostat;

9.  verzoekt Eurostat de beoordelingsverslagen te verbeteren en een volledige, transparante en consistente evaluatie van de bni-gegevens van de lidstaten te verschaffen; is van mening dat de jaarlijkse adviezen van het bni-comité een duidelijke beoordeling moeten omvatten van de vraag of de bni-gegevens van de lidstaten al dan niet geschikt zijn voor de vaststelling van de eigen middelen, de vraag of de inhoud ervan voldoet aan de vereisten van Verordening (EG, Euratom) nr. 1287/2003 van de Raad(8) (de "bni-verordening") en de vraag of ze op passende wijze worden gebruikt in de begrotingsprocedure zoals bepaald in Verordening (EG) nr. 1150/2000 van de Raad(9) (de "verordening eigen middelen");

10.  is van mening dat de jaarlijkse activiteitenverslagen van DG Begroting en Eurostat een getrouw beeld moeten geven van de verificatie van de bni-gegevens van de lidstaten en van het beheer van de eigen middelen die op het bni zijn gebaseerd; vraagt de Commissie bijgevolg Eurostat te verplichten om regelmatig verslag te doen van de resultaten van zijn verificaties van bni-gegevens, waardoor DG Begroting de vereiste betrouwbaarheidsverklaring kan opstellen voor gebruik in het kader van zijn jaarlijkse activiteitenverslagen;

Deel II - Speciaal verslag nr. 13/2013 van de Rekenkamer getiteld "EU-ontwikkelingshulp aan Centraal-Azië"

11.  spreekt zijn voldoening uit over het speciaal verslag waarin de EU-ontwikkelingshulp aan Centraal-Azië wordt beoordeeld; neemt kennis van de bevindingen, conclusies en aanbevelingen en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

Algemene opmerkingen

12.  stelt met voldoening vast dat uit het rapport blijkt dat de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) zich in een moeilijke geografische en politieke context grote inspanningen hebben getroost;

13.  wijst er evenwel op dat de ontwikkelingsstrategieën van de Unie nog gerichter zouden kunnen worden ingezet en beter op hun doel toegesneden zouden kunnen worden met behulp van adequate hulpmodellen die de zichtbaarheid en impact van de politieke doelstellingen van de Unie op regionaal niveau vergroten;

14.  benadrukt dat het niveau en de aard van het engagement van de Unie gedifferentieerd en aan voorwaarden verbonden moeten zijn, en moeten afhangen van meetbare vorderingen op het gebied van democratisering, mensenrechten, behoorlijk bestuur, duurzame sociaaleconomische ontwikkeling, de rechtsstaat en bestrijding van corruptie, en dat waar nodig bijstand moet worden geboden om deze vooruitgang te stimuleren langs lijnen die vergelijkbaar zijn met de beginselen van het nabuurschapsbeleid van de Unie;

15.  is van oordeel dat het voortdurend promoten door de Unie van op de Centraal-Aziatische landen gerichte programma's een belangrijk grensoverschrijdend instrument is om begrip en samenwerking tussen de landen in de regio te bevorderen;

16.  wijst erop dat ontwikkelingssamenwerking met de Centraal-Aziatische landen alleen tot resultaat kan leiden wanneer deze landen de internationale normen inzake democratie, bestuur, de rechtsstaat en mensenrechten in acht nemen; benadrukt tevens dat de ontwikkelingssamenwerking van de Unie niet ondergeschikt moet worden gemaakt aan economische, energie- of veiligheidsbelangen;

Komende ontwikkelingen op het gebied van de planning en uitvoering van toekomstige ontwikkelingshulp

17.  is van mening dat de Commissie alle toekomstige regionale programma's zodanig moet ontwerpen dat zij een werkelijke regionale dimensie krijgen;

18.  verzoekt de Commissie de verstrekte hulp op een klein aantal sectoren te concentreren;

19.  wijst erop dat ontwikkelingshulp in de toekomst verbeterd kan worden door intensievere interne coördinatie van de Unie enerzijds en intensievere betrekkingen met andere internationale donoren en regionale belanghebbenden anderzijds;

20.  spreekt zijn steun uit voor de opening van volwaardige delegaties van de Unie in alle landen van Centraal-Azië ter bevordering van de aanwezigheid en zichtbaarheid van de Unie in de regio, de langetermijnsamenwerking en de betrokkenheid bij alle sectoren van de maatschappij, en ter bevordering van een beter begrip van de rechtsstaat en de ontwikkeling daarvan, alsmede de eerbiediging van de mensenrechten; is van mening dat de aanwezigheid van dergelijke delegaties er in grote mate toe zal bijdragen dat de doelstellingen van ontwikkelingshulp bereikt worden;

21.  dringt er bij de Commissie op aan een systeem op te zetten voor de berekening van en verslaglegging over de totale administratiekosten die met het verstrekken van haar ontwikkelingshulp gemoeid zijn;

22.  verzoekt de Commissie degelijke en objectief verifieerbare voorwaarden te bepalen en toe te passen voor alle doorlopende begrotingssteunprogramma's en in het bijzonder voldoende aandacht te besteden aan de ondersteuning van anticorruptiemechanismen;

23.  herinnert eraan dat corruptie een ernstig probleem vormt in de Centraal-Aziatische landen; wijst erop dat alle Centraal-Aziatische landen in de corruptieperceptie-index van Transparency International in 2011 een score van minder dan 28 op 100 kregen, waarbij Kirgizië, Turkmenistan en Oezbekistan bij de laagste 10% van de 182 onderzochte landen stonden;

24.  is van mening dat dergelijke wijdverbreide corruptie de reputatie van de Commissie kan schaden en de doeltreffendheid van de steunprogramma's kan beperken;

25.  is van oordeel dat besluiten om middelen toe te kennen gebaseerd moeten zijn op de vooruitgang die partnerlanden boeken en niet op hun toezeggingen om hervormingen uit te voeren; onderstreept hoe belangrijk het is dat er een adequate beleidsdialoog plaatsvindt, op basis van een op stimulansen berustende aanpak en voortdurend toezicht op sectorale hervormingen alsmede programma's voor het meten van de prestaties en de duurzaamheid van de resultaten;

26.  dringt aan op grotere transparantie bij de toewijzing van middelen door delegaties van de Unie en ambassades van lidstaten, teneinde daadwerkelijk onafhankelijke niet-gouvernementele partners te steunen en hen te helpen een doelmatige rol te spelen in de ontwikkeling en consolidatie van het maatschappelijk middenveld;

27.  verzoekt de Commissie de opzet en uitvoering van programma's te verbeteren aan de hand van de getrokken lessen en de gewijzigde omstandigheden;

28.  verzoekt de Commissie verslag uit te brengen van de resultaten en de impact op een wijze die vergelijking met de plannen en doelstellingen mogelijk maakt;

Deel III - Speciaal verslag nr. 15/2013 van de Rekenkamer getiteld "Is het onderdeel Milieu van het LIFE-programma doeltreffend geweest?"

29.  wijst erop dat het LIFE-programma als katalysator moet fungeren voor de aanpassingen die bij de beleidsontwikkeling en -uitvoering noodzakelijk zijn; beklemtoont dat de Commissie duidelijke, specifieke, meetbare en haalbare doelstellingen voor de te financieren projecten moet vaststellen;

30.  wijst er tevens op dat de via het LIFE-programma gefinancierde projecten moeten bijdragen tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van meer dan één van de prioritaire gebieden van het programma; onderstreept dat de gefinancierde projecten niet op zichzelf mogen staan, maar dat zij juist een transnationaal karakter moeten dragen en er op een tastbare manier toe moeten bijdragen dat het effect ervan ook in alle andere lidstaten duidelijk merkbaar is en zich aldaar op een duurzame manier reproduceert;

31.  merkt op dat de nationale toewijzingen soms een verstorend effect kunnen hebben op de selectie van de beste projecten; spoort de lidstaten ertoe aan een geografisch evenwicht in stand te houden door meer geïntegreerde projecten voor te stellen, maar herhaalt dat de middelen hoofdzakelijk moeten worden verdeeld op basis van de merites van de projecten en niet op een manier die ten koste gaat van hun kwaliteit;

32.  wijst erop dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan het verspreidings-, duurzaamheids- en replicatiepotentieel van de bewuste projecten; verzoekt de Commissie duidelijke indicatoren vast te stellen ter beoordeling van het verspreidings-, duurzaamheids- en replicatiepotentieel van de te beoordelen projecten, teneinde de doelstellingen van het programma te kunnen verwezenlijken; spoort de Commissie ertoe aan werk te maken van de voortgangscontrole met betrekking tot deze doelstellingen;

33.  verzoekt de Commissie haar programmabeheersinstrumenten te verbeteren om toepassing van niet-transparante selectieprocedures tegen te gaan; is van mening dat het daarbij met name gaat om verbetering van de beoordelingsformulieren voor de selectie van projecten, de invoering van specifieke modellen voor de evaluatie van gedeclareerde kosten en van adequate projectcontroles, de introductie van deugdelijke gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren, en grondige projectvoortgangscontroles;

Deel IV - Speciaal verslag nr. 16/2013 van de Rekenkamer getiteld "Evaluatie van de 'single audit' en van het vertrouwen van de Commissie in het werk van de nationale auditautoriteiten op het gebied van cohesie"

34.  wijst met nadruk op de potentiële efficiencyvoordelen die een op gemeenschappelijke beginselen en normen gebaseerd "single audit"-traject kan opleveren; spoort de lidstaten, de Commissie en de Rekenkamer ertoe aan hun inspanningen op dit gebied voort te zetten; is van mening dat dergelijk "single audit"-systeem ook rekening moet houden met meerjarige programmacycli;

35.  herinnert de Commissie aan zijn opmerkingen(10) betreffende de bevindingen van de Rekenkamer in haar jaarverslag 2012: "benadrukt het feit dat de resultaten van de controle door de Rekenkamer wijzen op gebreken bij de eerstelijnscontroles van de uitgaven [in de lidstaten]; wijst op het feit dat de Rekenkamer van oordeel is dat de autoriteiten van de lidstaten bij 56% van de verrichtingen voor regionaal beleid die (kwantificeerbare en/of niet-kwantificeerbare) fouten vertoonden, over voldoende informatie beschikten om een of meer fouten te kunnen ontdekken en corrigeren voordat ze de uitgaven bij de Commissie certificeerden"; merkt op dat het Parlement zich daarom ook aansloot bij het voorbehoud van de directeur-generaal van DG REGIO met betrekking tot de beheers- en controlesystemen voor het EFRO/Cohesiefonds/IPA voor de programmeringsperiode 2007-2013 in 17 lidstaten (72 programma's) en erop aandrong dat er snel stappen moesten worden ondernomen;

36.  blijft er dan ook van overtuigd dat de lidstaten veel waakzamer moeten worden bij het beheer van de structuurfondsen;

37.  benadrukt in dit verband het belang van de invoering van op het geschikte – bij voorkeur politieke – niveau te ondertekenen nationale verklaringen, die berusten op jaarlijkse beheersverklaringen (artikel 59, lid 5, van het Financieel Reglement);

38.  is ermee ingenomen dat de Commissie sinds 2009 uitgebreide controles ter plekke heeft uitgevoerd om het werk van de auditautoriteiten te beoordelen; wijst erop dat ze 269 controlebezoeken heeft afgelegd en respectievelijk 47 en 84 auditautoriteiten voor het EFRO en het ESF heeft geëvalueerd; merkt op dat de controlebezoeken betrekking hadden op respectievelijk ca. 96% en 99% van de totale toewijzingen; is van mening dat de Commissie in de loop van een financieringsperiode alle operationele programma's (OP's) minstens één keer zou moeten controleren;

39.  is ingenomen met het feit dat de Commissie betalingen onderbreekt of opschort wanneer het aantal fouten de materialiteitsdrempel van 2% overschrijdt; is van mening dat dit adequate instrumenten zijn om de financiële belangen van de Unie te beschermen en is ervan overtuigd dat de Commissie haar eigen controle-inspanningen moet concentreren op de "slechte presteerders";

40.  is van mening dat de lidstaten de Commissie gedetailleerde informatie moeten verschaffen over hun audits;

41.  steunt de aanbeveling van de Rekenkamer dat de Commissie passende maatregelen moet treffen om de auditautoriteiten in staat te stellen gebruik te maken van een stabiel en bindend methodologisch kader dat de garantie biedt dat de uitgaven van de Unie in alle lidstaten volgens dezelfde normen worden gecontroleerd en dat de resultaten correct worden gerapporteerd;

42.  constateert met voldoening dat de Commissie op 13 december 2013 een mededeling heeft gepresenteerd over de toepassing van financiële nettocorrecties op de lidstaten in het landbouwbeleid en het cohesiebeleid (COM(2013)0934); benadrukt echter dat het van velerlei factoren zal afhangen of het nieuwe instrument tot meer nettocorrecties en aldus tot een lager foutenpercentage in het cohesiebeleid zal leiden;

43.  verzoekt de Rekenkamer en de Commissie een controle-instrument te ontwikkelen dat enerzijds op jaarbasis fouten en onregelmatigheden registreert en anderzijds ook financiële correcties tijdens de programmeringsperiode incalculeert;

44.  constateert met voldoening dat de Commissie in september 2013 de routekaart ter verificatie van de correcte toepassing van het "single audit"-beginsel heeft bijgewerkt, die de nationale instanties welke daaraan voldoen in staat zou moeten stellen de "single audit"-status te verwerven; verlangt een exemplaar van dit document te ontvangen;

45.  is zich bewust van het idee dat de controle van de uitgaven administratieve rompslomp met zich mee kan brengen; is van mening dat de verplichting tot het afleggen van verantwoording de potentiële begunstigden er echter niet van mag weerhouden om financiële steun aan te vragen;

Deel V - Speciaal verslag nr. 17/2013 van de Rekenkamer getiteld "EU-klimaatfinanciering in de context van externe steun"

46.  is tevreden met het speciaal verslag over de klimaatfinanciering van de Unie in de context van externe steun, waarmee een belangrijke bijdrage wordt geleverd aan het algemene politieke en financiële debat over het beleid en de diplomatieke activiteit van de Unie op het gebied van het klimaat; neemt kennis van de bevindingen, conclusies en aanbevelingen en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

Algemene opmerkingen

47.  is tevreden met de conclusie van het verslag dat de Commissie de uit de begroting van de Unie en de Europese ontwikkelingsfondsen (EOF) bekostigde klimaatgerelateerde uitgaven goed heeft beheerd;

48.  is ook tevreden met de door de Commissie en de lidstaten gestarte werkzaamheden inzake een gemeenschappelijke norm van de Unie voor toezicht, verslaglegging en verificatie van klimaatfinanciering door de overheid;

49.  herhaalt het standpunt van het Parlement, waarvan de Rekenkamer kennis heeft genomen in haar speciaal verslag, dat de klimaatfinanciering een aanvulling moet zijn bij de doelstelling van 0,7%;; betreurt het feit dat het aanvullende karakter, zoals dat door het Parlement wordt begrepen, niet in de onderhandelingen omtrent het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) is overgenomen;

50.  wijst er evenwel op dat de Commissie voldoende leiderschap moet tonen om haar internationale impact zo groot mogelijk te maken en om de instrumenten te consolideren die nodig zijn voor de totstandbrenging van de omstandigheden voor de diplomatieke activiteiten van de Unie op het gebied van klimaat/milieu in de komende jaren; is van mening dat zij met name moet zorgen voor de invoering in het kader van het DCI van de ijkpunten op het gebied van klimaat die in december 2013 zijn vastgesteld, waarbij werd verklaard dat hiermee moet worden bijgedragen tot de algemene doelstelling om minimum 20% van de begroting van de Unie te gebruiken voor een koolstofarme en klimaatbestendige maatschappij, en dat minimum 25% van de middelen van het thematisch programma voor mondiale collectieve goederen en uitdagingen moet worden gebruikt voor uitgaven op het gebied van klimaatverandering en milieu (overweging 20 van het DCI); wijst erop dat in bijlage IV van het DCI ook wordt gespecificeerd dat in het kader van het thematisch programma voor mondiale collectieve goederen en uitdagingen 27% van de middelen wordt toegewezen aan milieu en klimaatverandering en dat minimum 50% van het programma zal dienen voor actie in verband met het klimaat en voor doelstellingen in verband met het milieu;

51.  is tevreden met het feit dat sinds 2011 in ongeveer 40 landen het engagement is aangegaan de gezamenlijke EU-programmering te verbeteren; wijst er echter op dat de coördinatie tussen de Commissie en de lidstaten met betrekking tot klimaatfinanciering voor ontwikkelingslanden nog veel moet worden verbeterd, niet alleen om het engagement voor 2020 te realiseren, maar ook om ervoor te zorgen dat de Unie een voorloper op het gebied van klimaatactie kan blijven en om corruptie in ontwikkelingslanden te bestrijden;

52.  herhaalt dat het gezamenlijke programmering steunt en de aanzienlijke vooruitgang die op dit vlak is geboekt erkent; ziet ernaar uit opnieuw te worden geraadpleegd indien dergelijke programmering leidt tot veranderingen aan de DCI-programmering, zoals beloofd door de Commissie;

53.  neemt kennis van de verklaring van de moeilijkheden op het gebied van controle en verslaglegging, die het gevolg zijn van de verschillende verslagleggingspraktijken van de lidstaten, die wordt verstrekt in het jaarverslag van de Commissie over de verantwoordingsplicht ten aanzien van financiering voor ontwikkeling, dat gepubliceerd is op 3 juli 2014 in de vorm van een werkdocument, inclusief een onderdeel in deel I over klimaatfinanciering, met daarin informatie over de klimaatfinanciering van de Unie; merkt op dat in dit verslag het cijfer wordt herhaald van 7,3 miljard EUR aan door de Unie en de lidstaten beschikbaar gestelde snelstartfinanciering, en dringt aan op verdere verbetering wat de verslaglegging over de impact en de resultaten van ontwikkelingshulp betreft;

Toekomstige ontwikkelingen

54.  vraagt dat meer middelen specifiek worden bestemd voor bepaalde sectoren, onder andere klimaatfinanciering, wanneer deze worden besteed via begrotingsondersteuning, en vraagt meer transparantie wat de besteding van de middelen in het algemeen betreft;

55.  is van mening dat de Commissie en de EDEO hun communicatiebeleid moeten versterken, zowel wat de steun betreft die wereldwijd of aan afzonderlijke begunstigde landen wordt verstrekt als om de waarden van de Unie te propageren;

56.  erkent dat corruptie een aanzienlijke belemmering voor effectieve klimaatfinanciering blijft en dringt er bij de Commissie op aan haar inspanningen op te voeren wat de samenwerking met ontwikkelingspartners met betrekking tot kwesties op het gebied van corruptiebestrijding betreft;

57.  verzoekt de Commissie aan de Raad een routekaart voor te stellen om meer middelen voor klimaatfinanciering beschikbaar te stellen, zodat de doelstelling voor 2020 van het akkoord van Kopenhagen kan worden gehaald, met inbegrip van een definitie van privéfinanciering;

58.  verzoekt de Commissie een onafhankelijke beoordeling te laten uitvoeren van het Wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering, waarbij wordt onderzocht om welke redenen de meeste lidstaten ervoor kozen dit initiatief niet te medefinancieren;

59.  verzoekt de Commissie en de EDEO verslag uit te brengen over de vraag in hoeverre het streven om 20% van de begroting van de Unie en de EOF tussen 2014 en 2020 te besteden aan klimaatgerelateerde actie binnen de ontwikkelingshulp wordt uitgevoerd, met vermelding van hetgeen is vastgelegd en uitbetaald;

60.  verzoekt de Commissie en de lidstaten in het kader van Verordening (EG) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad(11) (de "verordening betreffende het bewakingssysteem") gemeenschappelijke toezicht-, verslagleggings- en verificatienormen af te spreken, meer bepaald over de definitie van het begrip "nieuw en aanvullend", de toepassing van de Rio-indicatoren en de verslaglegging over de uitbetaling van de klimaatfinanciering;

61.  verzoekt de Commissie en de lidstaten hechter samen te werken aan de tenuitvoerlegging van de EU-Gedragscode voor taakverdeling in de klimaatfinanciering, in het bijzonder inzake de informatie-uitwisseling wat betreft de toewijzingen per land, gezamenlijke programmering en het voorkomen en bestrijden van corruptie in de klimaatfinanciering;

Deel VI - Speciaal verslag nr. 18/2013 van de Rekenkamer getiteld "De betrouwbaarheid van de resultaten van de verificaties van de landbouwuitgaven door de lidstaten"

62.  onderkent dat de systemen die in speciaal verslag nr. 18/2013 onderzocht zijn, gewijzigd zijn door de nieuwe verordeningen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), met een grotere verantwoordelijkheid voor de certificerende instanties in de lidstaten op het gebied van controle op de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven, en verificatie van de controleresultaten die aan de Commissie medegedeeld worden;

63.  is ingenomen met het feit dat de Commissie zich blijft inspannen voor de vereenvoudiging van het GLB; verwacht dat de vereenvoudiging van de subsidiabiliteitscriteria zal leiden tot een vereenvoudiging van de controleregels, en kan bijdragen tot een lager foutenpercentage;

64.  herinnert de Commissie eraan dat ze ervoor moet zorgen dat de aangetroffen problemen zich niet weer voordoen; wijst op de volgende bevindingen in het jaarverslag 2012 van de Rekenkamer:

   a) de toezicht- en controlesystemen van de lidstaten voor onkostenbetalingen en plattelandsontwikkeling zijn gedeeltelijk doeltreffend en voor een aanzienlijk aantal verrichtingen met fouten beschikten de nationale instanties over voldoende informatie om de betrokken fouten te kunnen ontdekken en corrigeren;
   b) de doeltreffendheid van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS) wordt nadelig beïnvloed, met name door de onnauwkeurigheid in de databanken die worden gebruikt bij kruiscontroles;

65.  benadrukt dat het op 3 april 2014 het voorbehoud van de directeur-generaal van DG AGRI in zijn jaarlijks activiteitenverslag voor 2012 heeft bekrachtigd ten aanzien van de door de Commissie en de Rekenkamer aangetroffen tekortkomingen in de subsidiabiliteit van grond; wijst er opnieuw op dat het met name gevraagd heeft om blijvend grasland in het landbouwpercelenidentificatiesysteem (LPIS) naar behoren te registreren en dat het elke zes maanden door de Commissie over de voortgang moet worden geïnformeerd;

66.  verzoekt de Commissie en de lidstaten onmiddellijk corrigerende maatregelen te nemen wanneer beheers- en controlesystemen en/of GBCS-databanken gebrekkig of verouderd blijken;

67.  verzoekt de Commissie en de lidstaten nadrukkelijk ervoor te zorgen dat de betalingen gebaseerd zijn op de controleresultaten en dat de controles van de vereiste kwaliteit zijn om de subsidiabele percelen op betrouwbare en consistente wijze te kunnen identificeren;

68.  verzoekt de Commissie nadrukkelijk ervoor te zorgen dat de werkzaamheden van de betaalorganen en de certificerende instanties door hun ontwerp en kwaliteit een betrouwbare basis bieden om de wettigheid en regelmatigheid van onderliggende verrichtingen te beoordelen; is van oordeel dat de Commissie met het oog hierop moet werken naar de doelstelling van een enkele controlestrategie voor het GLB-controlesysteem;

69.  is ingenomen met de verandering van aanpak van DG AGRI in de berekening van het restfoutenpercentage voor de ontkoppelde areaalsteun voor 2012, omdat hierbij rekening wordt gehouden met het feit dat de inspectiestatistieken, de verklaringen van de directeuren van de betaalorganen en de werkzaamheden van de certificerende instanties gebreken kunnen vertonen die de betrouwbaarheid ervan kunnen beïnvloeden; verzoekt in de nieuwe financieringsperiode deze nieuwe aanpak voor alle GLB-uitgaven in de jaarlijkse activiteitenverslagen van DG AGRI te gebruiken;

70.  herinnert de Commissie eraan dat het Parlement het voorbehoud dat in het jaarlijkse activiteitenverslag van DG AGRI opgenomen is voor alle Elfpo-uitgaven voor 2012 heeft bekrachtigd en dat de reden voor dit voorbehoud de bezorgdheid is over de kwaliteit van de controles in sommige lidstaten, alsmede de door de Rekenkamer gemelde foutenpercentages;

71.  verzoekt de lidstaten de bestaande administratieve controles efficiënt uit te voeren door alle relevante en voor de betaalorganen beschikbare informatie te gebruiken, aangezien hierdoor potentieel een groot deel van de fouten kan worden gevonden en gecorrigeerd;

72.  verzoekt de Commissie en de lidstaten zich te richten op de kostenefficiëntie van controles, voornamelijk door de toepassing van risicogebaseerde controles verder te ontwikkelen;

73.  vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat op het vlak van plattelandsontwikkeling uniforme normen en procedures op gelijke wijze worden toegepast en nageleefd, zowel door de goedkeuringsorganen als door de auditorganen;

Deel VII - Speciaal verslag nr. 1/2014 van de Rekenkamer getiteld "Doeltreffendheid van de door de EU gesteunde projecten voor openbaar stadsvervoer"

74.  wijst erop dat de Europese structuur- en investeringsfondsen ("ESI-fondsen") de allerbelangrijkste bron van financiering van de Unie voor projecten voor openbaar stadsvervoer vormen en dat die projecten niet alleen doorslaggevend zijn voor de toegankelijkheid van stedelijke gebieden in de minder ontwikkelde regio's van de Unie, maar ook belangrijke sociale en milieuaspecten behelzen voor de levenskwaliteit van de burgers van de Unie;

75.  wijst op het toenemende belang van voortgezette financiële bijstand van de Unie, vooral tegen de achtergrond van de negatieve gevolgen van de toenemende verstedelijking en van de te verwachten verdere aangroei van de stedelijke bevolking;

76.  benadrukt dat zowel de Commissie als de lidstaten bij hun projecten voor stedelijke mobiliteit verantwoordelijkheid, doelmatigheid en doeltreffendheid aan de dag moeten leggen en dat zij moeten streven naar concrete resultaten en niet alleen maar naar besteding van de beschikbare middelen;

77.  herinnert, het subsidiariteitsbeginsel indachtig, aan de mededeling van de Commissie van 17 december 2013 met als titel "Samen naar een concurrerend en zuinig stedelijk mobiliteitssysteem" (COM(2013)0913), waarin de lidstaten werden opgeroepen:

   a) te zorgen voor een grondige analyse van huidige en toekomstige prestaties, coördinatie en integratie van plannen voor duurzame stedelijke mobiliteit (SUMP's) in bredere stedelijke en territoriale strategieën, en daarbij zo nodig technische of andere instrumenten waarover de planningsinstanties beschikken te wijzigen;
   b) de nadruk te leggen op geschikte voertuigen die samen met de infrastructuur duurzame stedelijke mobiliteit in stedelijke logistiek moeten opleveren;

78.  verzoekt de Commissie en de autoriteiten van de lidstaten, rekening houdend met de negatieve gevolgen van de financiële crisis voor de benutting van vervoersstelsels, meer aandacht te besteden aan de doelstellingen, streefcijfers en indicatoren, met name in inschrijvingsformulieren voor projecten, teneinde potentiële risico's vast te stellen en te waken voor te optimistische prognoses, zodat de vertragingen en kostenoverschrijdingen waarvan in het speciaal verslag gewag wordt gemaakt, worden vermeden;

79.  verzoekt de Commissie met klem grondigere kosten-batenanalyses te verrichten van indicatieve begrotingen voor projecten voor openbaar stadsvervoer en optimale werkwijzen te delen met de lidstaten en de uitwisseling van die werkwijzen tussen lidstaten aan te moedigen, zodat de instanties gesteund worden bij een succesvolle ontwikkeling van projecten waarvoor geen goedkeuring van de Commissie vereist is;

80.  dringt erop aan dat de Commissie het gebruik van Jaspers (Joint Assistance to Support Projects in European Regions - Gezamenlijke ondersteuning van projecten in de Europese regio's) door de lidstaten aanmoedigt en dat zij volledig gebruik maakt van het potentieel van dit instrument voor het helpen ontwikkelen en beoordelen van de kwaliteit van projecten voor stedelijk vervoer die met ESI-fondsen worden gefinancierd;

81.  vestigt er echter de aandacht op dat openbaar stadsvervoer niet zomaar een betaalde activiteit is, maar dat het ook een cruciaal en soms onvervangbaar onderdeel van de stedelijke mobiliteitsstelsels vormt voor veel grote steden, zelfs in meer ontwikkelde regio's, aangezien deze ook te lijden hebben onder de "stedelijke paradox" als gevolg van het bestaan van maatschappelijk kwetsbare groepen;

82.  wenst derhalve dat de betrokken instanties ten volle rekening houden met de sociale dimensie van projecten voor openbaar stadsvervoer en dat die dimensie in de kandidaatstelling naar behoren wordt toegelicht;

83.  verzoekt de Commissie met spoed de desbetreffende gedelegeerde en uitvoeringshandelingen vast te stellen om mogelijke vertragingen te voorkomen, wetend dat het doorgaans lang duurt voordat vervoerprojecten uitgewerkt en uitgevoerd zijn;

84.  dringt erop aan dat de in de bijlage bij de voornoemde mededeling van de Commissie van 17 december 2013 genoemde elementen worden uitgevoerd, en met name:

   a) een omvattende statusanalyse en een basisscenario via een "stedelijke mobiliteitsprestatieaudit" waaraan de vooruitgang kan worden afgemeten;
   b) de identificatie van probleemgebieden waar het huidige stadsvervoerssysteem bijzonder zwak presteert;
   c) geschikte prestatie-indicatoren die goed gemonitord kunnen worden;
   d) specifieke prestatiedoelstellingen die realistisch zijn en ambitieus wat de doelstellingen van een duurzaam stedelijk mobiliteitsplan betreft;
   e) meetbare streefdoelen die gebaseerd zijn op een realistische inschatting van het basisscenario en de beschikbare middelen en die een afspiegeling vormen van de specifieke doelstellingen van een duurzaam stedelijk mobiliteitsplan;

85.  wijst op het gebrek aan toereikende indicatoren voor het meten van de doeltreffendheid van de in Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad(12) (de "EFRO-verordening") genoemde projecten voor openbaar stadsvervoer en dringt erop aan dat de Commissie in de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen voor dit soort projecten geschiktere indicatoren opneemt, overeenkomstig de desbetreffende aanbevelingen van de Rekenkamer;

Deel VIII - Speciaal verslag nr. 2/2014 van de Rekenkamer getiteld "Worden de preferentiële handelsregelingen naar behoren beheerd?"

86.  verwelkomt het speciaal verslag ter beoordeling van de preferentiële handelsregelingen in de context van de exclusieve bevoegdheid van de Unie als een belangrijke bijdrage tot het algemene politieke debat over het externe handels- en ontwikkelingsbeleid van de Unie; neemt kennis van de bevindingen en aanbevelingen en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

Algemene opmerkingen

87.  is ernstig bezorgd over het feit dat de Commissie niet alle economische effecten van de preferentiële handelsovereenkomsten (PTA's) naar behoren heeft beoordeeld en over het feit dat de volledige inning van de ontvangsten niet is verzekerd;

88.  herinnert eraan dat het een topprioriteit is de beleidsmakers, de verschillende belanghebbenden en de Europese belastingbetalers naar behoren te informeren over de belangrijkste meerwaarde en nadelen van de verschillende handelsbeleidsopties en -scenario's;

89.  vindt het onaanvaardbaar dat de duurzaamheidseffectbeoordelingen (DEB's) in sommige gevallen ontbreken, onvolledig zijn of op oude of verouderde gegevens gebaseerd zijn en in andere gevallen (Chili) pas na de ondertekening van de overeenkomst beschikbaar waren;

90.  benadrukt dat de onderliggende DEB afgerond en openbaar gemaakt moet zijn alvorens een nieuwe overeenkomst wordt ondertekend;

91.  betreurt dat de partners in het stelsel van algemene preferenties (SAP) in sommige gevallen de internationale verdragen op het gebied van mensen- en arbeidsrechten niet ondertekend hebben; vraagt de Commissie in de PTA's meer nadruk te leggen op het milieu en goed bestuur;

92.  wenst uiterlijk in oktober 2015 in kennis te worden gesteld van de maatregelen die de Commissie naar aanleiding van de aanbevelingen van het Parlement en de Rekenkamer heeft genomen;

Toekomstige ontwikkelingen

93.  is van mening dat, met het oog op een betere beoordeling van de economische gevolgen van de PTA's, de Commissie:

   a) voor elke PTA een effectbeoordeling (EB) en een DEB dient uit te voeren, met een grondige, alomvattende en gekwantificeerde analyse van de verwachte economische effecten ervan, met inbegrip van een nauwkeurige raming van de gederfde inkomsten;
   b) Eurostat systematisch dient te betrekken bij de kwaliteitsbeoordeling van de in de DEB's gebruikte statistische gegevensbronnen en ervoor moet zorgen dat de analyse ten behoeve van de onderhandelaars tijdig wordt uitgevoerd;
   c) tussentijds en achteraf evaluaties van alle PTA's dient te verrichten – met inbegrip van een raming van de gederfde inkomsten – teneinde na te gaan in welke mate de PTA's met een belangrijke impact hun beleidsdoelstellingen verwezenlijken en hoe de prestaties ervan kunnen worden verbeterd in de voornaamste sectoren;

94.  verzoekt de Commissie, met het oog op een betere bescherming van de financiële belangen van de Unie:

   a) EU-risicoprofielen voor PTA's te creëren met het oog op een gemeenschappelijke aanpak door de lidstaten van de risicoanalyse teneinde de verliezen voor de begroting van de Unie te beperken;
   b) na te gaan of de lidstaten de doeltreffendheid verhogen van hun risicobeheerssystemen en van de controlestrategie ter beperking van de verliezen voor de begroting van de Unie;
   c) de lidstaten aan te sporen om na ontvangst van een mededeling in het kader van wederzijdse bijstand (MA) passende voorzorgsmaatregelen te nemen;
   d) de landen die de preferentiële behandeling genieten te evalueren en toezichtbezoeken te brengen op basis van een risicobeoordeling, in het bijzonder met betrekking tot de oorsprongsregels en de cumuleringsregels;
   e) van de lidstaten te eisen dat zij de kwaliteit verbeteren van de informatie die zij verstrekken over de administratieve samenwerking;
   f) een betere financiële follow-up te geven aan onderzoeken van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) om verliezen voor de begroting van de Unie als gevolg van verjaring te beperken;
   g) het standpunt van de Unie in de wederkerige PTA's te versterken en vaker voorzorgs- en vrijwaringsmaatregelen te treffen door deze op te nemen in alle toekomstige handelsovereenkomsten;
   h) onverwijld een overzicht van de terugvorderingen in de periode 2010-2014 te verstrekken;
   i) het Parlement in kennis te stellen van de resultaten van het Compact-initiatief in Bangladesh;

Deel IX - Speciaal verslag nr. 3/2014 van de Rekenkamer getiteld "Lessen uit de ontwikkeling van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) door de Europese Commissie "

95.  verwelkomt de bevindingen en aanbevelingen die zijn opgenomen in speciaal verslag nr. 3/2014 van de Rekenkamer;

96.  heeft kritiek op de Commissie omdat zij niet voor voldoende deskundig personeel heeft gezorgd bij het begin van het project, noch voor wat betreft de technische uitvoering noch voor de kwaliteitsbeoordeling van het SIS II-project;

97.  beveelt aan alle grote IT-projecten te integreren in de IT-bestuursprocedure en niet alleen een beroep te doen op deskundigen van het directoraat-generaal Informatica van de Commissie, maar ook op deskundigen van andere directoraten-generaal en externe experts, teneinde beter te profiteren van interne deskundigheid;

98.  beveelt aan dat de Commissie van bij het begin van elk groot project profijt trekt uit de deskundigheid van de lidstaten en een panel van deskundigen opricht dat bestaat uit de vertegenwoordigers van de lidstaten die voor het project verantwoordelijk zijn; meent dat de taken en de bevoegdheden van de leden van het panel duidelijk moeten worden vastgelegd;

99.  vindt het erg dat noch de Commissie, die toch onder meer de belangen van de SIS II-eindgebruikers moest verdedigen, noch de grootste belanghebbenden bij het begin van het project op de hoogte waren van de technische vereisten en de behoeften van de eindgebruikers;

100.  verwacht dat voor toekomstige projecten de Commissie in samenwerking met de lidstaten bij de start van het project een exact profiel opstelt van de technische vereisten en de behoeften van de eindgebruikers;

101.  vindt het een verkwisting van het geld van de belastingbetaler dat de Commissie een algemene oproep voor het indienen van voorstellen heeft gepubliceerd zonder de voorwaarden duidelijk te definiëren;

102.  beveelt aan dat de Commissie voor toekomstige IT-projecten een realistisch bedrijfsplan en tijdschema opstelt, gebaseerd op duidelijk omschreven vereisten inzake vorm en inhoud en een duidelijke analyse van de kosten en de planning, rekening houdend met de risico's en de complexiteit van het project;

103.  hekelt het feit dat de Commissie herhaaldelijk heeft geprobeerd de vertragingen en de stijgende kosten te verdoezelen;

104.  vraagt de hoogst mogelijke transparantie bij toekomstige IT-projecten in de vorm van permanente informatie aan de desbetreffende bevoegde commissie van het Parlement, met name wanneer het gaat om cruciale beslissingen die de volgende fases van het project in gang zetten, of onvoorziene kosten, planning of alternatieve oplossingen;

105.  is van mening dat de voorwaarden om schadevergoeding te eisen in het contract met de belangrijkste contractant niet hadden mogen beperkt worden; vindt dat toekomstige contracten een doeltreffend sanctiemechanisme moeten hebben als waarborg voor een tijdige oplevering die aan de vereiste normen voldoet;

106.  hekelt het dat de Commissie geen einde heeft gemaakt aan het contract met de belangrijkste contractant, ondanks de slechte resultaten van de eerste fase van het project;

107.  heeft kritiek op het feit dat de Commissie niet heeft aangedrongen op een modulair systeem voor de implementatie van SIS II; is van mening dat volledige modules aan een andere contractant hadden kunnen worden overgedragen, zonder dat het project aan één specifieke contractant gebonden was, indien er aan elkaar te linken onderdelen waren geïntroduceerd;

108.  hekelt het feit dat de Commissie de waarde van het oorspronkelijke contract met acht keer heeft verhoogd door opnieuw over het contract te onderhandelen, ondanks artikel 126, lid 1, onder e), van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002(13), waarin wordt bepaald dat de waarde van het contract niet hoger mag zijn dan 50% van zijn oorspronkelijke waarde;

109.  merkt in dit verband op dat artikel 134, lid 1, onder b), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie(14), misschien moet worden herzien omdat de verbintenis met één specifieke contractant om technische of artistieke redenen er niet mag toe leiden dat de beschermende bepaling van artikel 134, lid 1, onder e), wordt omzeild en dat de oorspronkelijke waarde van het hoofdcontract onevenredig veel kan worden vermeerderd;

110.  merkt op dat in geval van een aanzienlijke vermeerdering van de oorspronkelijke kosten van het project of grote veranderingen op het gebied van verwachte baten, risico's of alternatieve oplossingen, de begrotingsautoriteit haar voorafgaande goedkeuring moet geven;

111.  betreurt het dat in verschillende gevallen begrotingsmiddelen opnieuw zijn toegewezen zonder goedkeuring van de begrotingsautoriteit;

112.  verwelkomt de richtsnoeren voor projectbeheer die het directoraat-generaal Informatica van de Commissie sedert 2011 aanbeveelt; is van mening dat de introductie van nieuwe stappen in een project op basis van deze richtsnoeren moet worden goedgekeurd door het stuurcomité van het project (de zogenaamde "approval gates");

113.  wijst erop dat we vooruit moeten kijken, aangezien SIS II wellicht verzadigd zal zijn tegen het eind van dit decennium en er een SIS III zal nodig zijn; hoopt dat de voorbereidingen van SIS III een stuk beter zullen verlopen;

Deel X - Speciaal verslag nr. 4/2014 van de Rekenkamer getiteld "Integratie van doelstellingen van het EU‑waterbeleid in het GLB: een gedeeltelijk succes"

114.  verzoekt de Commissie de wetgever voorstellen te doen toekomen betreffende de noodzakelijke wijzigingen aan de bestaande instrumenten ("cross-compliance" en plattelandsontwikkeling), teneinde ervoor te zorgen dat Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad(15) (de "kaderrichtlijn water") geëerbiedigd wordt, of, in voorkomend geval, voorstellen betreffende nieuwe instrumenten die erin resulteren dat de ambitieuzere doelstellingen ten aanzien van de integratie van de doelstellingen van het waterbeleid in het GLB kunnen worden gerealiseerd;

115.  roept de lidstaten op om, in overeenstemming met de kaderrichtlijn water:

   a) de in de controle vastgestelde gebreken aan te pakken bij het verrichten van "cross-compliance"-controles;
   b) stelselmatig passende sancties op te leggen bij inbreuken;
   c) meer aandacht te besteden aan het in kaart brengen en aanpakken van watergerelateerde problemen door middel van hun regionale ontwikkelingsprogramma's (ROP's), en aan het waarborgen dat deze aansluiten bij de stroomgebiedbeheerplannen (SGBP's);
   d) vrijwaringsmechanismen te bedenken en rigoureus ten uitvoer te leggen ter vermijding van negatieve neveneffecten op water van activiteiten die worden gefinancierd vanuit plattelandsontwikkeling;
   e) gebruikmaking van de voor watervraagstukken bestemde middelen - op zodanige wijze dat deze strookt met een goed financieel beheer - actief te overwegen en naar behoren te bevorderen;

116.  verwacht dat de Commissie passende mechanismen voorstelt die daadwerkelijk een positieve invloed kunnen uitoefenen op de kwaliteit van de in de kaderrichtlijn water bedoelde programmeringsdocumenten van de lidstaten, en die afwijking van het door de kaderrichtlijn water vastgestelde tijdpad voorkomen; is van mening dat hiertoe minimale voorwaarden ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn water zouden moeten worden gesteld alvorens plattelandsontwikkelingsmiddelen worden vastgelegd;

117.  verzoekt de lidstaten het proces van tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn water dringend te versnellen en de kwaliteit van hun SGBP's te verbeteren voor de volgende beheerscyclus (2015) door afzonderlijke maatregelen (bijvoorbeeld wat betreft reikwijdte, tijdpad, streefdoelen en kosten) te beschrijven en deze voldoende duidelijk en concreet te maken op operationeel niveau, alsmede tot op plaatselijk niveau en het niveau van het landbouwbedrijf;

118.  roept de Commissie op haar kennis van het verband tussen waterkwaliteit en -kwantiteit en landbouwpraktijken te verbeteren door haar bestaande monitoringsystemen te verbeteren en door te verzekeren dat deze ten minste de ontwikkeling kunnen meten van de vormen van belasting die landbouwpraktijken opleveren voor water; is van mening dat dit haar zou helpen bij het vaststellen in welke gebieden de GLB-middelen het hardst nodig zijn;

119.  dringt er bij de lidstaten op aan de tijdigheid, de betrouwbaarheid en de consistentie van de gegevens die zij aan de Commissie verstrekken te verbeteren, aangezien de kwaliteit van de informatie over water in de Unie als geheel afhangt van de kwaliteit van de informatie die de lidstaten verstrekken;

Deel XI - Speciaal verslag nr. 5/2014 van de Rekenkamer getiteld "Het Europees bankentoezicht krijgt vorm: de EGA in een veranderende omgeving"

120.  benadrukt de noodzaak om een sectoroverschrijdende effectbeoordeling uit te voeren alsook voldoende tijd uit te trekken voor de opstelling van technische normen; is ingenomen met het Commissievoorstel om termijnen vast te stellen voor het uitvaardigen van technische normen en stelt vast dat een sectoroverschrijdende analyse van de in de afgelopen jaren vastgestelde financiële wetgeving van de Unie, voor wat betreft de effecten van het volledige regelgevingspakket, wordt uitgevoerd;

121.  beklemtoont dat de Europese Bankautoriteit (hierna "de Autoriteit") uit politiek oogpunt neutraal moet blijven optreden; is evenwel van oordeel dat het van essentieel belang is voor haar rol en de uitvoering van haar taken dat zo spoedig mogelijk de convergentie van het toezicht verbeterd wordt;

122.  is van mening dat een onafhankelijk controlesysteem de grondslag is voor een goede werking van de financiële markt; uit daarom zijn bezorgdheid over het politieke besluit de Autoriteit uitsluitend op te vatten als een autoriteit inzake coördinatie en niet als een autoriteit inzake microprudentieel toezicht, in een tijdsgewricht waarin vertrouwen in financiële instellingen krachtige maatregelen vereist;

123.  wijst op de beperkte bevoegdheden van de Autoriteit ten aanzien van de colleges van toezichthouders alsook op haar invloed op de convergentie van het toezicht; is ingenomen met de vooruitgang die door de Autoriteit geboekt is bij de verbetering van de werking van de colleges, met name ten aanzien van de gezamenlijke risicobeoordelingen en gezamenlijke besluiten;

124.  merkt met bezorgdheid op dat de rol van de Autoriteit om stresstesten te initiëren en te coördineren weliswaar versterkt is als onderdeel van het gehele pakket van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme, maar dat de wettelijke verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de stresstesten nog steeds bij de bevoegde autoriteiten ligt, zonder dat de Autoriteit controle heeft over de resultaten van de test; .

125.  stelt bezorgd vast dat de Autoriteit niet in staat is haar mandaat inzake consumentenbescherming ten volle uit te oefenen, met name vanwege een tekort aan wettelijke instrumenten om deze problemen aan te pakken en de beperkte ruimte om bij juridisch bindende besluiten bepaalde producten of activiteiten te verbieden; benadrukt echter de rol van het Gemengd Comité om de uitwisseling van gedachten over de sectoren heen te vergemakkelijken en te verbeteren en is het eens met de Rekenkamer dat krachtiger maatregelen nodig zijn ter bescherming van de consument in de financiële sector in de Unie;

126.  is van oordeel dat meer coördinatie met de nationale autoriteiten inzake consumentenbescherming de invloed van de Autoriteit op dit gebied kan vergroten;

127.  is het eens met de Rekenkamer dat de invoering van een prestatiemetingssysteem van essentieel belang is voor doeltreffend toezicht en erkent dat de Autoriteit werkt aan de implementatie van een prestatiemanagementsysteem;

128.  merkt op dat voor toezicht op het bankwezen in de hele Unie een duidelijke verdeling van de rollen en de verantwoordelijkheden vereist is tussen de Autoriteit, de Europese Centrale Bank en de nationale toezichthoudende autoriteiten, zowel binnen als buiten het gemeenschappelijk toezichtmechanisme; verzoekt derhalve om een verduidelijking van hun rollen en taken om het risico van overlappende taken, mogelijke hiaten en onduidelijke verantwoordelijkheden te vermijden;

129.  is van mening dat het nodig is de huidige regels inzake toezicht te verbeteren om het toezicht op nationale banken te vergroten in de derde landen die de euro hebben aangenomen maar geen lidstaten zijn, zoals Vaticaanstad, Andorra, Monaco en San Marino;

130.  is van mening dat het noodzakelijk is de parameters te herzien voor de risicogewogen activa, om de banken die het meest te maken hebben met kredietgerelateerde bancaire producten niet te bestraffen alsook de banken met slechte of dubieuze financiële producten, zoals derivaten, niet te belonen;

Deel XII - Speciaal verslag nr. 6/2014 van de Rekenkamer getiteld "Heeft de steun met middelen voor cohesiebeleid voor opwekking van hernieuwbare energie goede resultaten opgeleverd?"

131.  is ingenomen met speciaal verslag nr. 6/2014 van de Rekenkamer en staat achter de daarin opgenomen aanbevelingen;

132.  is verheugd over de bevinding van de Rekenkamer dat de gecontroleerde projecten op het gebied van hernieuwbare energiebronnen (HEB) probleemloos uitgevoerd zijn en beschouwt dit als een bevestiging dat sleuteltechnologieën voor productie van hernieuwbare energie volwassen zijn;

133.  is van oordeel dat aangezien HEB-projecten in het algemeen meerdere jaren nodig hebben om volledig operationeel te worden, het moeilijk is, voordat deze jaren verstreken zijn, tot een nauwkeurige beoordeling van de prestaties te komen;

134.  is van mening dat het beginsel van kosteneffectiviteit volledig verankerd dient te zijn in cohesie-instrumenten alsook in andere instrumenten, zoals het Europees energieprogramma voor herstel, en niet uitsluitend in geval van HEB-projecten, ook als daarmee bredere doelstellingen worden nagestreefd; wijst erop dat het begrip kosteneffectiviteit op verschillende manieren kan worden omschreven; stelt daarom voor dat de Commissie en de lidstaten bespreken op welke manier dit begrip te stroomlijnen om zodoende meer efficiënte sturing te geven aan de uitvoering van HEB-projecten;

135.  is bezorgd dat het rechtskader van de Unie voor HEB niet geheel overeenkomt met de voorschriften van de financiële instrumenten van de Unie, met name de belangrijkste financieringsbronnen voor hernieuwbare energie, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds; verzoekt de Commissie een grondig onderzoek van de wetgeving te verrichten en bestaande tegenstrijdigheden te verhelpen;

136.  is van oordeel dat overheidsfinanciering op dit gebied aanvullend moet zijn en een sleutelrol moet vervullen bij het bevorderen van particuliere investeringen; is echter van mening dat sommige projecten, en met name grootschalige projecten, grotere overheidsinvesteringen vereisen;

137.  is het standpunt toegedaan dat onzekere en onvoorspelbare impulsen en steunregelingen investeringen in hernieuwbare energie belemmeren; benadrukt dat bestaande onzekerheden afbreuk doen aan de selectieprocedure van productietechnologieën, wat het beginsel van kosteneffectiviteit verder ondermijnt;

138.  beklemtoont dat de problemen en onzekerheden van de netwerkintegratie van HEB niet alleen een obstakel vormen voor investeringen van de particuliere sector in de ontwikkeling van hernieuwbare energie, maar ook de financiële houdbaarheid van lopende projecten alsook de tenuitvoerlegging van toekomstige programma's van het EFRO en het Cohesiefonds kunnen ondermijnen; verzoekt de Commissie een actueel onderzoek te verrichten naar de belemmeringen op regelgevings- en technisch gebied op het niveau van de lidstaten, teneinde een betere toegang tot het elektriciteitsnetwerk van zowel klein- als grootschalige HEB-projecten mogelijk te maken;

139.  merkt op dat de Commissie strikter moet toezien op het nieuwe regelgevend kader voor 2014-2020, waaronder de begindoelstellingen en prestatie-indicatoren daarvan, waardoor een doeltreffende monitoring en beoordeling mogelijk wordt;

140.  vraagt de lidstaten zich meer in te spannen voor de uitwisseling van optimale werkmethoden en gemeenschappelijke procedures tot stand te brengen om hun nationale administratieve systemen te harmoniseren;

141.  merkt op dat zeer gedetailleerde selectiecriteria voor HEB een middel kunnen worden om concurrenten uit te sluiten; verzoekt de Commissie de begeleiding op dit gebied te versterken en dergelijke gevallen nauwlettend te volgen;

142.  neemt kennis van de antwoorden van de Commissie waarin gesteld wordt dat sommige aanbevelingen van de Rekenkamer middels Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad(16) (de "richtlijn hernieuwbare energie") ten uitvoer zijn gelegd;

Deel XIII - Speciaal verslag nr. 7/2014 van de Rekenkamer getiteld "Heeft het EFRO met succes de ontwikkeling van starterscentra ondersteund?"

143.  is ingenomen met speciaal verslag nr. 7/2014 van de Rekenkamer en staat achter de daarin opgenomen aanbevelingen;

144.  wijst erop dat starterscentra gericht zijn op ondersteuning van de succesvolle vestiging en verdere ontwikkeling van startende ondernemingen, hetgeen bijdraagt aan de cruciale rol die kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) spelen voor het scheppen van banen en groei in de Unie;

145.  is van mening dat de financieringsprogramma's in het kader van het cohesiebeleid die voor de gecontroleerde centra worden gebruikt een gestructureerde planning moeten hebben, naast een aantal duidelijke doelstellingen en een doeltreffende beoordeling; is van mening dat bij de gecontroleerde centra sprake was van tekortkomingen op het vlak van alle voornoemde voorschriften;

146.  herinnert eraan dat het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) een aanzienlijke financiële bijdrage heeft geleverd aan de totstandbrenging van de infrastructuur voor de starterscentra, en dat de gecontroleerde starterscentra correct waren opgezet, maar dat de resultaten van deze gecontroleerde centra beperkt waren;

147.  wijst erop dat het aantal met steun van de centra opgestelde bedrijfsplannen, het aantal in de centra gestarte ondernemingen en het aantal geschapen arbeidsplaatsen veel kleiner was dan bij de benchmarkcentra die de Rekenkamer gebruikte ter vergelijking;

148.  wijst erop dat de gecontroleerde EFRO-centra een beperktere reeks diensten boden dan de benchmarkcentra en dat de reeks vaardigheden en deskundigheid van het personeel in de EFRO-centra kleiner was;

149.  benadrukt dat een volledig ontwikkeld pakket ondersteunende diensten voor startende ondernemingen met deskundig personeel, goede praktijken en geregeld toezicht van groot belang is voor de doeltreffendheid van starterscentra;

150.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie dat de lidstaten die in 2004 of daarna toetraden tot de Unie niet beschikten over een zakelijke infrastructuur, weinig relevante deskundigheid en ervaring hadden, en dat de resultaten van de starterscentra in die landen daarom bescheiden waren; herinnert er echter aan dat de controle plaatsvond in 4+2 lidstaten, waarvan er slechts twee zijn toegetreden tot de Unie in 2004;

151.  is van mening dat de Commissie zich tijdens de programmeringsperiodes 2000-2006 en 2007-2013 onvoldoende heeft ingezet om deze ondernemingen te ondersteunen; wijst erop dat dit wordt bevestigd door het ontbreken van richtsnoeren van de Commissie in die programmeringsperiodes, met name tussen 2006 en 2010;

152.  herinnert eraan dat de vaststelling en uitwisseling van goede werkwijzen, in het bijzonder door nieuw opgerichte bedrijven, een belangrijke manier is om de doeltreffendheid te vergroten; betreurt de teleurstellende resultaten van de gecontroleerde starterscentra; verzoekt de Commissie de richtsnoeren voor de beheersautoriteiten van de lidstaten op dit terrein te verbeteren en verzoekt de beheersautoriteiten om die richtsnoeren op efficiënte wijze toe te passen;

153.  benadrukt dat investeringen in de opleiding van personeel, om te zorgen voor een doeltreffende ondersteuning van startende ondernemingen en potentiële klanten, van belang is voor de doeltreffendheid van de ondernemingen; betreurt dat ook dit aspect over het algemeen werd veronachtzaamd door de gecontroleerde starterscentra;

154.  wijst erop dat de steun voor starterscentra gebaseerd kan worden op een brede en diepgaande analyse, alsmede op een aantal individuele, specifieke en op maat gesneden onderzoeken met betrekking tot bepaalde ondersteunde projecten (zoals een haalbaarheidsstudie, een bedrijfsplan, enz.); is van mening dat deze onderzoeken een duidelijke onderbouwing kunnen vormen voor de verlening van steun;

155.  verwacht dat de inzet van starterscentra niet overal per definitie succes zal opleveren in de vorm van meerwaarde voor de regionale en economische ontwikkeling; is van oordeel dat er alleen steun moet worden verleend aan starterscentra die aan de aanvangsvoorwaarden voldoen;

156.  benadrukt dat de steun voor starterscentra verleend kan worden door middel van publiek-private partnerschappen (PPP's), waarbij het risico van de openbare dienst wordt gedeeld met de particuliere onderneming die gesteund moet worden;

157.  wijst erop dat starterscentra moeten worden opgericht in nauwe samenwerking met scholen en onderzoeksinstellingen;

158.  wijst erop dat het belangrijk is dat de steun voor starterscentra in de periode 2014-2020 wordt aangevuld en synergieën aangaat met middelen van het EFRO, Horizon 2020 en het programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen (Cosme);

Deel XIV - Speciaal verslag nr. 8/2014 van de Rekenkamer getiteld "Heeft de Commissie de integratie van gekoppelde steun in de bedrijfstoeslagregeling doeltreffend beheerd"

159.  steunt de aanbevelingen van de Rekenkamer en is ingenomen met de constructieve houding van de Commissie;

160.  betreurt dat sommige lidstaten volgens de Rekenkamer bij de vaststelling van de criteria voor de berekening van de toeslagrechten niet altijd het beginsel van goed financieel beheer in acht hebben genomen;

161.  merkt op dat dit voor landbouwers in sommige sectoren onverhoopte meevallers heeft opgeleverd, die op zich geen inbreuk vormen op de bestaande regels:

   a) zo leverden de uit hoofde van de nationale regelgeving toegekende toeslagrechten de landbouwers in Spanje meer op dan wat zij in het verleden aan gekoppelde steun hadden ontvangen;
   b) in Italië ontvingen de landbouwers evenveel toeslagrechten als zij in het verleden aan steun hadden ontvangen, hoewel hun bebouwde landbouwareaal inmiddels fors was ingekrompen;
   c) in strijd met de wetgeving van de Unie hadden de Franse autoriteiten niet de waarde van alle toeslagrechten verlaagd ter financiering van de specifieke steun aan landbouwers (artikel 68 van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad(17)); de waarde van alle toeslagrechten in Frankrijk was derhalve met 4,61% te hoog opgegeven, hetgeen overeenkomt met 357,3 miljoen EUR; merkt op dat 74 miljoen EUR hiervan de in 2010 in de bedrijfstoeslagregeling (BTR) geïntegreerde steun betrof en dat de corrigerende maatregelen volgens de Commissie verrekend zijn in het actieplan voor Frankrijk;

162.  roept de Commissie er derhalve toe op naar behoren toe te zien op de berekening van de aan de landbouwers in de lidstaten toegekende toeslagrechten en na te gaan of de lidstaten zich wel houden aan de daarvoor geldende plafonds;

163.  stelt met bezorgdheid vast dat, zelfs wanneer de Commissie fouten had ontdekt, de toeslagrechten niet zijn gecorrigeerd omdat de administratieve procedures te traag verliepen;

164.  verzoekt de Commissie om voortaan in een eerder stadium toezicht uit te oefenen en meer aandacht te besteden aan de risico's die aan toeslagrechten zijn verbonden;

165.  merkt op dat de BTR met ingang van 2015 wordt vervangen door een "basisbetalingsregeling" (BBR);

166.  is van mening dat het nieuwe systeem gericht moet zijn op vermindering van de administratieve formaliteiten voor landbouwers;

167.  stelt zich op het standpunt dat de door de Commissie te verrichten controles en audits voornamelijk risicogebaseerd dienen te zijn;

168.  dringt erop aan dat het nieuwe systeem geen ruimte mag laten voor onverantwoorde discrepanties tussen de lidstaten bij de berekening van toeslagrechten of voor ongelijke behandeling van landbouwers, ongeacht de beoordelingsmarge waarin de verordening eventueel voorziet; verzoekt de Commissie het Parlement en zijn Commissie begrotingscontrole de verzekering te geven dat er passende maatregelen zijn getroffen om deze doelstelling te verwezenlijken;

169.  constateert met bezorgdheid dat incorrect berekende toeslagrechten ook na 2014 nog kunnen blijven resulteren in onjuiste betalingen, zolang de lidstaten tot 2021 een deel van de toekomstige steunbedragen kunnen uitbetalen op basis van het huidige niveau van de BTR-steun; is van mening dat hoewel dergelijke betalingen kunnen worden gecorrigeerd en teruggevorderd, zij hoe dan ook voorkomen zouden moeten worden;

170.  herinnert de Commissie eraan dat in artikel 317 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is bepaald dat "[d]e Commissie de begroting [uitvoert] in samenwerking met de lidstaten [...] onder haar eigen verantwoordelijkheid, binnen de grenzen der toegekende kredieten en met inachtneming van het beginsel van goed financieel beheer"; verwacht van de Commissie derhalve dat zij de lidstaten van adequaat advies voorziet, opdat deze de BBR overeenkomstig de bovenvermelde beginselen van goed financieel beheer kunnen toepassen, en dat zij passende controlevoorzieningen introduceert teneinde de algehele verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de begroting op zich te kunnen nemen;

Deel XV - Speciaal verslag nr. 9/2014 van de Rekenkamer getiteld "Wordt de investerings- en afzetbevorderingssteun van de EU ten behoeve van de wijnsector goed beheerd en zijn de resultaten wat betreft het concurrentievermogen van EU-wijnen aangetoond?"

171.  verwelkomt de bevindingen en aanbevelingen die zijn opgenomen in speciaal verslag nr. 9/2014 van de Rekenkamer;

172.  neemt kennis van de goedkeuring door de Raad en het Europees Parlement van Verordening (EU) nr. 1308/2013(18) tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten voor de periode 2014-2020;

173.  herinnert aan speciaal verslag nr. 7/2012 van de Rekenkamer (kwijting 2011) met als titel "De hervorming van de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkten: voortgang tot op heden", en aan het verslag van de Commissie begrotingscontrole dat daarop volgde;

174.  onderschrijft volledig de idee dat de steunregeling moet worden gerationaliseerd en dat de Commissie de absorptie van middelen regelmatig moet controleren; hamert er met klem op dat de investeringssteunregeling ondernemerschaps- en resultaatgericht moet zijn, en dat goede praktijken moeten worden bevorderd en als voorbeeld moeten dienen;

175.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat het niet gelukt is meer kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) enthousiast te maken voor de afzetbevorderingssteunregeling van de Unie ten behoeve van de wijnsector; is van mening dat in dit verband de medefinancieringspercentages moeten worden herzien, zodat het voor kmo's, en met name kmo's met een beperkte administratieve en financiële draagkracht, aantrekkelijker wordt deel te nemen;

176.  vindt dat een gemeenschappelijk systeem voor het beoordelen van de afzetbevorderingssteun moet worden ontwikkeld, aan de hand waarvan de Commissie en de lidstaten kunnen vaststellen of en in welke mate de doelstellingen van de regeling worden verwezenlijkt en wat de invloed op het concurrentievermogen van de wijnsector op het niveau van de lidstaten is; meent dat één van de aspecten die dit gemeenschappelijk systeem zou moeten beoordelen de toename van het wereldmarktaandeel van de respectieve wijnproducenten moet zijn;

177.  onderschrijft de aanbeveling van de Rekenkamer dat bijkomende kosten, zoals kosten van uitvoeringsorganen en overheadkosten, naar behoren moeten worden onderbouwd en beperkt moeten blijven tot een maximumpercentage van de totale kosten;

178.  onderstreept dat een passende beleidsmix van investeringen en afzetbevordering van primordiaal belang is; vindt dat de Commissie en de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de maatregelen een grotere doeltreffendheid aan de dag moeten leggen; is van oordeel dat, met name bij de afzetbevorderingsmaatregelen, de begunstigden verplicht moeten worden de noodzaak van steun van de Unie aan te tonen, dat normale bedrijfskosten niet voor financiering in aanmerking moeten komen en dat de steun voor begunstigden die in elke programmeringsperiode op dezelfde landen gerichte afzetbevorderingsprogramma's indienen, moet worden geplafonneerd; vindt daarnaast dat de resultaten van de afzetbevorderingssteun op het niveau van de begunstigden moeten worden beoordeeld in plaats van op dat van de gehele wijnsector van de Unie;

179.  sluit zich aan bij de aanbeveling van de Rekenkamer dat de Commissie moet onderzoeken in welke mate het budget voor de nationale steunprogramma's voor de periode 2014-2018 op de behoefte van de wijnsector van de Unie aansluit en moet analyseren hoe het gesteld is met het absorptievermogen van de lidstaten, en het budget in voorkomend geval moet aanpassen; vraagt de Commissie na te gaan of er behoefte is aan een aanvullend financieel instrument voor de wijnsector ten opzichte van andere landbouwsectoren;

180.  is verheugd dat de export van Europese kwaliteitswijnen zich positief ontwikkelt; is van oordeel dat de Unie haar concurrentievoordeel op de multilaterale en steeds competitievere mondiale wijnmarkt in kaart moet brengen en benutten, en de wijnproducenten in de Unie moet ondersteunen bij het ontwikkelen van wijnen van wereldklasse, hetgeen er toe zal bijdragen de vraag- en aanbodsituatie in Europa beter in evenwicht te brengen;

181.  spoort de Commissie aan bij te dragen tot meer transparantie van de afzetbevordering van wijn in derde landen door een beter controle- en toezichtsysteem voor de gefinancierde projecten; wijst erop dat deze maatregel ook zou moeten helpen bij het vermijden van dubbele financiering;

Deel XVI - Speciaal verslag nr. 10/2014 van de Rekenkamer getiteld "De doeltreffendheid van de steun van het Europees Visserijfonds voor aquacultuur"

182.  onderschrijft de belangrijkste aanbevelingen van de Rekenkamer en neemt er nota van dat de Commissie bezig is met het ontwikkelen van de gevraagde richtsnoeren voor de uitvoering van de kaderrichtlijn water en Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad(19) (de "kaderrichtlijn mariene strategie"); is er verheugd over dat de Commissie rekening heeft gehouden met de aanbevelingen betreffende ruimtelijke ordening en de noodzaak van administratieve vereenvoudiging;

183.  vindt het verheugend dat bij de ontwikkeling van het nieuwe Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij voor de periode 2014-2020 lessen zijn getrokken uit de ervaringen die in de periode 2007-2013 zijn opgedaan; benadrukt evenwel dat de Commissie erop moet toezien dat nu en in de toekomst gezorgd wordt voor follow-up van alle aanbevelingen;

184.  begrijpt dat de financiële crisis grote invloed heeft gehad op de verwezenlijking van de doelstellingen ten aanzien van groei en werkgelegenheid in de sector aquacultuur; onderstreept dat er echter ook andere factoren zijn die ertoe hebben bijgedragen dat een van de belangrijkste doelstellingen van het Europees Visserijfonds (EVF) - te weten groei en duurzaamheid van aquacultuur - niet is verwezenlijkt; beklemtoont dat de sector aquacultuur niet alleen niet groeit, maar in Europa (in tegenstelling tot andere delen van de wereld) al een aantal jaar stagneert;

185.  is er teleurgesteld over dat in de lidstaten op projectniveau en bij strategische planning te weinig aan prioritering wordt gedaan; vraagt de Commissie dan ook met klem te werken aan verbetering van de programma-opzet, teneinde de ondersteuning van de sector aquacultuur doeltreffender te maken, en toe te zien op een betere tenuitvoerlegging;

186.  wijst erop dat, enerzijds, een sterkere en meer duurzame aquacultuursector een van de voornaamste doelstellingen van de Commissie is, maar dat, anderzijds, in het kader van het EVF nauwelijks iets gedaan is om deze doelstelling te verwezenlijken; stelt vast dat dit een systematisch probleem is dat ook bij andere programma's voorkomt en concludeert derhalve dat de Commissie stelselmatig tekortschiet bij het verwezenlijken van haar doelstellingen;

187.  verzoekt de Commissie met klem haar financieel beheer op een nieuwe leest te schoeien en in dat verband niet meer te streven naar het koste wat het kost uitgeven van alle beschikbare financiële middelen, maar in plaats daarvan prioriteit toe te kennen aan inachtneming van de bestedingsregels, aan kostenefficiëntie en aan resultaatgerichtheid;

188.  is van oordeel dat de lidstaten hun procedures voor het selecteren van projecten moeten verbeteren en moeten stoppen met het toekennen van financiële steun aan alle projecten, waarbij betere projectselectie inhoudt dat nauwkeuriger in kaart moet worden gebracht hoe groot de kans is dat de projecten in kwestie succesvol zullen zijn, op kostenefficiënte wijze ten uitvoer kunnen worden gelegd en - in het algemeen - zullen bijdragen tot verwezenlijking van de doelstellingen van het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV), zoals groei en werkgelegenheid; onderstreept dat de Commissie de lidstaten hierbij de helpende hand moet toesteken, projectfollow-up en toezicht op de resultaten moet bevorderen, en in het algemeen een fijnmaziger systeem voor projectevaluatie ex post moet helpen ontwikkelen, waarbij lessen worden getrokken uit de opgedane ervaringen;

189.  vindt dat de lidstaten hun rapportage-instrumenten en -kanalen moeten verbeteren, gezien het feit dat de gegevens die zij de Commissie doen toekomen vaak onnauwkeurig zijn; beveelt de Commissie aan meer druk uit te oefenen op de lidstaten om betrouwbare gegevens te leveren, met name wanneer er klaarblijkelijke discrepanties zijn, en na te denken over sancties voor lidstaten waartegen de verdenking bestaat dat zij opzettelijk onjuiste gegevens leveren;

190.  wijst erop dat de Commissie een steviger kader moet ontwikkelen voor al haar financiële programma's, met inbegrip van de nieuwe aquacultuurmaatregelen van het EFMZV; vindt dat de Commissie moet overwegen voor een meer consequente benadering te kiezen en meer integriteit aan de dag te leggen;

191.  vraagt de Commissie erop toe te zien dat de lidstaten hun strategieën beter uitleggen en ten uitvoer leggen op een wijze die bevorderlijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het EFMZV; vraagt de Commissie bij de lidstaten aan te dringen op meer aandacht voor projectevaluatie en voor een strategische onderbouwing van projecten; wijst erop dat het belangrijk is dat bij de evaluatie van projecten voor een open benadering wordt gekozen en naar een helder geformuleerd doel wordt toegewerkt;

192.  beveelt aan nog eens goed te kijken naar de financiering van reeds begonnen projecten zonder meerwaarde; vraagt de Commissie en de lidstaten te stoppen met het quasi automatisch toekennen van financiering aan projecten, en alleen financiële steun toe te kennen wanneer vastgesteld is dat de projecten in kwestie een meerwaarde hebben;

193.  dringt erop aan de administratieve procedures te vereenvoudigen, teneinde te bewerkstelligen dat alleen daadwerkelijk kwalitatief hoogwaardige projecten voor financiering in aanmerking komen;

194.  is er verheugd over dat wordt voorgesteld in het EFMZV een nieuw monitoringsysteem in te bouwen, inclusief een gegevensbank op lidstaatniveau met informatie over elke steunactie en geaggregeerde informatie over de belangrijkste aspecten van de steunverlening, maar vindt dat het niet bij een voorstel moet blijven en dat bij de tenuitvoerlegging ervan de lat hoog moet worden gelegd;

Deel XVII - Speciaal verslag nr. 11/2014 van de Rekenkamer getiteld "De totstandbrenging van de Europese Dienst voor extern optreden"

195.  is ingenomen met speciaal verslag nr. 11/2014 van de Rekenkamer en staat achter de daarin opgenomen aanbevelingen;

196.  is van mening dat de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) nog geen volwaardige diplomatieke dienst van de Unie is omdat de middelen te beperkt zijn; is van oordeel dat de Commissie en de lidstaten de juiste actoren zijn om de consolidatie van de EDEO te bewerkstelligen;

197.  wijst erop dat het beginsel van begrotingsneutraliteit ten zeerste toe te juichen is; is echter van mening dat dit niet los mag worden gezien van de besparingen die de lidstaten door de oprichting van de EDEO hebben gedaan;

198.  is van mening dat de EDEO nog steeds een topzwaar bestuur heeft en dat dit moet worden gecorrigeerd; is van oordeel dat de reeds genomen maatregelen om hieraan te verhelpen de goede kant opgaan, en verzoekt de Commissie zich nog meer in te zetten om de samenwerking tussen de diverse diensten te verbeteren;

199.  is van oordeel dat de verantwoordelijkheden van de speciale vertegenwoordigers van de Unie zeer onduidelijk zijn omdat een degelijk toezicht en een analyse van de prestaties ontbreken; stelt voor hieraan te verhelpen door de speciale vertegenwoordigers in de EDEO op te nemen;

200.  acht de ontwikkelingen op het gebied van personele middelen positief, maar is het toch eens met de opmerkingen van de Rekenkamer dat er dringend behoefte is aan thematische expertise in de delegaties; verzoekt de Commissie en de EDEO een gezamenlijke aanpak te volgen om het profiel van het personeel in de delegaties te optimaliseren;

201.  verzoekt de EDEO een beter overzicht te krijgen van de kosten voor de aanwervingsprocedures; verzoekt de EDEO voor aanwervingsgesprekken innovatieve oplossingen zoals videoconferenties te gebruiken, en ook voor de opleiding van personeel zoveel mogelijk gelijkaardige voorstellen te doen;

202.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan maatregelen te nemen die een betere coördinatie en samenwerking tussen hun diensten voor externe betrekkingen en de EDEO bevorderen, zonder evenwel de horizontale thematische kwesties uit het oog te verliezen;

203.  benadrukt dat de financiering van missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) veel flexibeler moet zijn om de interne en externe veiligheid van de Unie te waarborgen bij dreiging door conflicten in buurlanden, en ook door het groter risico op mogelijke aan IS gelieerde terreuracties;

204.  dringt er bij de EDEO op aan om optimaal te profiteren van schaalvoordelen door nieuwe synergieën binnen het hoofdkwartier van de EDEO en de delegaties te creëren, alsmede in samenwerking met de lidstaten en de nationale diplomatieke diensten in de geest van een daadwerkelijk buitenlands beleid en buitenlandse diensten van de Unie; stelt met tevredenheid vast dat delegaties van de Unie en diplomatieke vertegenwoordigingen van lidstaten vaker kantoorruimte delen, ook al blijft dit nog een beperkt verschijnsel, en feliciteert de EDEO omdat dit als een belangrijke kwestie voor zijn optreden wordt beschouwd;

205.  aanvaardt dat er nog werk aan de winkel is met betrekking tot de consulaire diensten;

Deel XVIII - Speciaal verslag nr. 12/2014 van de Rekenkamer getiteld "Worden uit het EFRO op doeltreffende wijze projecten gefinancierd die rechtstreeks de biodiversiteit bevorderen in het kader van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020?"

206.  herinnert eraan dat biodiversiteit in het Verdrag inzake biologische diversiteit gedefinieerd wordt als de verscheidenheid van levende organismen van allerlei herkomst, met inbegrip van, onder andere, terrestrische, mariene en andere aquatische ecosystemen en de ecologische complexen waarvan zij deel uitmaken; In het Verdrag inzake de biologische diversiteit wordt een aantal grote bedreigingen voor de biodiversiteit benoemd, zoals het verlies aan en de fragmentatie van habitats, overexploitatie van bossen, oceanen, rivieren, meren en grond, verontreiniging, klimaatverandering en immigrerende soorten die met de inheemse flora en fauna concurreren;

207.  benadrukt dat de biodiversiteit van essentieel belang is voor het menselijk leven en het welzijn van samenlevingen; benadrukt bovendien dat de klimaatverandering, het verlies aan biodiversiteit, de bedreiging die invasieve soorten met zich meebrengen en het overmatig gebruik van natuurlijke hulpbronnen grote uitdagingen vormen die gevolgen hebben voor iedere burger in de Unie;

208.  betreurt het dat de Unie haar belangrijke doelstelling niet heeft kunnen verwezenlijken om voor 2010 aan het verlies aan biodiversiteit een halt toe te roepen;

209.  stelt vast dat het verlies van biodiversiteit leidt tot ontwrichtende economische kosten voor de maatschappij, waar tot nu toe onvoldoende rekening mee is gehouden in het algemene beleid; wijst er bovendien op dat er in de studie over de economie van ecosystemen en biodiversiteit is berekend dat de kosten van niet-handelen en van de achteruitgang van ecosysteemdiensten in 2050 per jaar tot 7% van het wereldwijde bbp kunnen bedragen(20);

210.  is ervan overtuigd dat er daarom dringende behoefte is aan actie en dat een grotere rol aan biodiversiteit moet worden toegekend om op dit gebied aan de verplichtingen voor 2020 te voldoen;

211.  stelt vast dat het vaak lang duurt voordat de resultaten van de projecten bekend worden, waardoor de beoordeling daarvan bemoeilijkt wordt;

212.  is van oordeel dat, niettegenstaande de beperkingen in verband met de geringe oriëntatie van de fondsen op de biodiversiteit en de moeilijkheden bij de beoordeling van het gebruik van deze fondsen, het in dit stadium van essentieel belang is deze fondsen te handhaven;

213.  benadrukt het feit dat de bescherming van de biodiversiteit niet slechts een nobele milieudoelstelling vormt, maar dat een dergelijk beleid eveneens een aanzienlijk potentieel biedt voor nieuwe vaardigheden, banen en zakelijke kansen;

214.  benadrukt dat het belangrijk is om biodiversiteitsbescherming in de ontwikkeling, het opzetten en de financiering van alle beleidsterreinen van de Unie – zoals landbouw, bosbouw, visserij, regionaal beleid en cohesie, energie, industrie, vervoer, toerisme, ontwikkelingssamenwerking, onderzoek en innovatie – te integreren om het sectorale beleid en het begrotingsbeleid van de Unie meer samenhang te geven en om ervoor te zorgen dat de bindende toezeggingen op het gebied van de bescherming van biodiversiteit worden nageleefd; wijst er in deze context op dat de samenwerking tussen de lokale, regionale, nationale en Europese autoriteiten moet worden versterkt;

215.  merkt op dat, ondanks de richting en de impulsen die de Commissie geeft, de lidstaten zelf hun financieringsprioriteiten bepalen overeenkomstig hun eigen behoeften en dat de overgrote meerderheid van de lidstaten het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) niet gebruikt als instrument om de biodiversiteit te beschermen;

216.  is dan ook van oordeel dat, gezien het geringe gebruik (0,79%) van de middelen, het noodzakelijk is te overwegen om de toewijzing van een nader te bepalen percentage van de middelen uit het EFRO aan de bevordering van de biodiversiteit verplicht te stellen;

Deel XIX - Speciaal verslag nr. 13/2014 van de Rekenkamer getiteld “De EU-steun voor herstel na de aardbeving in Haïti”

217.  is ingenomen met het speciaal verslag nr. 13/2014 van de Rekenkamer houdende een beoordeling van de steun van de Unie voor de rehabilitatie in Haïti na de aardbeving aldaar als een belangrijke bijdrage aan het algemene debat over het externe humanitaire optreden en het ontwikkelingshulpbeleid van de Unie; neemt nota van de bevindingen en de aanbevelingen in dit speciaal verslag;

218.  is verheugd over en neemt kennis van de belangrijkste conclusies en de aanbevelingen in het definitief verslag over de beoordeling van de samenwerking van de Unie met de Republiek Haïti, uitgevoerd door het directoraat-generaal Internationale Samenwerking en Ontwikkeling – EuropeAid van de Commissie op verzoek van het Parlement, en zet hieronder zijn opmerkingen en aanbevelingen uiteen;

Algemene opmerkingen

219.  spreekt nog eens in het algemeen zijn tevredenheid uit over het werk en de inspanningen van de diensten van de Commissie in reactie op de aardbeving in Haïti in 2010, rekening houdend met de uitermate moeilijke omstandigheden voor de delegatie van de Unie en het personeel daarvan; is er in dit verband verheugd over dat de Commissie betalingen en uitgaven kan opschorten wanneer de regering van Haïti op het vlak van financieel beheer en aanbestedingsprocedures onvoldoende vooruitgang boekt;

220.  betreurt het dat onvolkomenheden zijn vastgesteld in de coördinatie tussen donoren enerzijds en binnen de diensten van de Commissie anderzijds, zoals ook reeds aan het licht was gekomen bij de beoordeling van de samenwerking van de Unie met de Republiek Haïti in de periode 2008-2012(21) die uitgevoerd was in opdracht van de Commissie, en dringt in dit verband aan op een betere afstemming van de humanitaire hulp en de ontwikkelingshulp, alsook op een betere koppeling van noodhulp, herstel en ontwikkeling (LRRD) middels een permanent LRRD-kader; is van oordeel dat daar waar mogelijk gewerkt moet worden volgens geïntegreerde benaderingswijzen, met duidelijk gedefinieerde doelstellingen voor de samenwerking tussen de afdeling van de Commissie voor humanitaire hulp en civiele bescherming (ECHO) en EuropeAid, en op basis van een coherente landenstrategie, en dat ook gezorgd moet worden voor de uitwisseling van goede praktijken; is er in dit verband verheugd over dat in de financieringscyclus 2014-2020 stelselmatig voor de LRRD-benadering gekozen is; verzoekt de diensten van de Commissie daarnaast te zorgen voor een soepeler transitie van humanitaire acties met een kortetermijnkarakter naar ontwikkelingshulp met een langetermijnkarakter, alsook voor een betere coördinatie tussen zowel de verschillende actoren van de Unie, als tussen nationale prioriteiten, en dat middels een gemeenschappelijke strategie bestaande uit een gemeenschappelijk humanitair en ontwikkelingshulpkader; nodigt de Commissie uit de dialoog met het Parlement aan te gaan indien zou blijken dat een doeltreffende coördinatie tussen de verschillende financiële instrumenten voor humanitaire en ontwikkelingshulp bemoeilijkt wordt door het bestaande wettelijk kader; is daarnaast van oordeel dat het inschakelen van plaatselijke ngo's betekent dat de plaatselijk beschikbare kennis gebruikt kan worden om de rehabilitatiebehoeften in kaart te brengen en de door de nationale autoriteiten geboekte vooruitgang te monitoren;

221.  herinnert aan de aanbevelingen die opgesteld zijn na het bezoek van de delegatie van de Commissie begrotingscontrole van het Parlement aan Haïti in februari 2012 en hamert met klem op het vaste beginsel van de traceerbaarheid en controleerbaarheid van ontwikkelingsgeld van de Unie, met name middels het aan elkaar koppelen van begrotingssteun en prestaties, in het bijzonder aan de hand van duidelijk gedefinieerde verplichtingen en taken op het niveau van de nationale administraties, teneinde te beschikken over waarborgen ten aanzien van transparantie, traceerbaarheid en verantwoording; herhaalt zijn oproep om de bestrijding van endemische corruptie verder te intensiveren; is van oordeel dat humanitaire hulp moet stoelen op een exitstrategie en onderstreept dat financiële middelen ingezet moeten worden via de Haïtiaanse instellingen, binnen het kader van de Overeenkomst van Cotonou, om eigen inbreng te waarborgen en de versterking van de nationale organen te ondersteunen, met inbegrip van het Haïti Procurement Agency, dat als een controlefilter moet fungeren; vraagt de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) in het geval van de toekenning van sectorale begrotingssteun met klem te wijzen op de conditionaliteitsmatrix;

222.  brengt in herinnering dat staatsopbouw de kern van de ontwikkelingshulpstrategie van de Unie vormt en de hoeksteen van het optreden van de Unie in crisissituaties, in overeenstemming met de beginselen voor optreden in een onstabiele context; wijst erop dat dit steun voor de opbouw van instellingen omvat, alsook inachtneming van de beginselen van transparantie en van goed beheer van publieke middelen en begrotingstoewijzingen, in combinatie met een versterkte politieke en beleidsdialoog;

223.  dringt erop aan dat de Unie in haar optreden kiest voor een goede beleidsmix in de vorm van een alomvattende benadering van de staats- en niet-staats/niet-gouvernementele actoren, alsmede dat de sectorale steun wordt verleend na een snelle evaluatie van de behoeften van de sectoren in kwestie, met het oog op levensvatbaarheid, complementariteit en duurzaamheid van projecten;

Suggesties voor de toekomst

224.  is van mening dat in het algemeen, en dus niet alleen in het kader van de situatie in Haïti, maatregelen moeten worden genomen en verbeterd om het beleidskader voor interventies te versterken en het risico op rampen te verminderen, teneinde uiteindelijk het gevaar voor mensen en de bedreigingen voor hun menselijke levensomstandigheden tot een minimum te beperken; is van oordeel dat investeringen in het reduceren van het risico op rampen een integrerend onderdeel van een duurzame ontwikkeling uitmaken en dat dit tot een veel efficiënter en doeltreffend gebruik van hulpbronnen leidt dan het betalen van de rekening op het moment dat zich een ramp heeft voltrokken;

225.  is van oordeel dat crisis- en onstabiele situaties als aanleiding moeten dienen voor het ontwikkelen van nieuwe benaderingswijzen, nieuwe methoden en nieuwe kennis, met name met betrekking tot het in kaart brengen van risico's op de verschillende operationele niveaus, het ontwikkelen van scenario's en projecties van mogelijke gevolgen, en het ontwerpen van instrumenten gericht op het vermijden, en reduceren van risico's en potentiële rampen, en het daarop voorbereid zijn; vindt het belangrijk dat de Commissie over flexibiliteit beschikt bij het snel en adequaat aan crisis- en postcrisissituaties aanpassen van bijstandsmaatregelen en -instrumenten; wijst er in dit verband op dat de Commissie inmiddels over een systeem beschikt voor het mobiliseren van deskundigen op verschillende vakgebieden, teneinde in het geval van een dreigend personeelstekort in delegaties of hoofdkwartieren van de Unie op korte termijn extra personeel te kunnen inzetten;

226.  spoort de Commissie en de EDEO aan stelselmatig te werken aan de vier fasen van de cyclus voor het beheer van rampen, d.w.z. mitigatie, voorbereidheid, reactie en herstel, met het oog op de vaststelling van een strategisch kader voor risicobeheer bij rampen en de verbetering van de voorbereidheid; vraagt de Commissie en de EDEO het Parlement op de hoogte te houden van de ontwikkelingen op het gebied van risicobeheer en voorbereidheid, met het oog op de tenuitvoerlegging van programma's en de verwezenlijking van de doelstellingen nadat rampen zich hebben voltrokken;

227.  geeft nog eens aan dat in alle dergelijke crisissituaties voldoende aandacht moet worden besteed aan de geschiktheid en de operationele doeltreffendheid van de nationale maatregelen voor risicobeperking bij rampen, omdat anders het optreden van de Unie ook minder waarschijnlijk een succes zal zijn; geeft aan dat bij de beoordeling van de nationale bestuurskaders onder andere ook aandacht moet worden besteed aan monitoring van resultaten, de bestaande kaders voor het definiëren en vaststellen van verantwoordelijkheden op centraal en plaatselijk niveau, een duidelijke "command and control"-keten, de informatiekanalen tussen de verschillende actoren/donoren, alsook de mechanismen voor het verschaffen van feedback over projecten;

228.  sluit zich aan bij de aanbevelingen van de Rekenkamer betreffende de steun van de Unie voor rehabilitatie na de aardbeving in Haïti en is verheugd over de reactie van de Commissie (d.w.z. het feit dat ze de aanbevelingen overneemt);

Deel XX - Speciaal verslag nr. 14/2014 van de Rekenkamer getiteld "Hoe berekenen, verminderen en verrekenen de EU-instellingen en -organen hun uitstoot van broeikasgassen?"

229.  stelt zich op het standpunt dat alle instellingen en organen van de Unie moeten streven naar een gezamenlijke aanpak van hun broeikasgasemissies en de vermindering daarvan; vindt dat zij om dit te bereiken uitvoerige berekeningen moeten uitvoeren met betrekking tot hun broeikasgasemissies en de resultaten van dit onderzoek moeten publiceren;

230.  is van oordeel dat de Commissie, wil zij een geloofwaardige partner blijven in milieuonderhandelingen met derde partijen, zich actiever moet inspannen om meer gegevens te verzamelen over haar eigen broeikasgasemissies;

231.  verzoekt de instellingen en organen van de Unie die nog niet over een certificaat van het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) beschikken zo snel mogelijk een dergelijk certificaat aan te vragen; benadrukt echter dat EMAS slechts gezien moet worden als instrument om onder meer grip te krijgen op broeikasgasemissies, en niet als het uiteindelijke doel van het milieubeleid van de instellingen;

232.  wijst erop dat de EU-instellingen en organen op grotere schaal gebruik zouden kunnen maken van verrekening van de uitstoot van broeikasgassen om hun CO2-voetafdruk te verminderen; is het met de Rekenkamer eens dat "het gebruik van hoogwaardige verrekening in combinatie met uitstootverminderingsmaatregelen (en niet in plaats van deze verminderingsmaatregelen)" deze kwesties afdoende zou aanpakken; merkt echter op dat het inzetten van middelen voor verrekening geen voorrang mag krijgen boven het inzetten van deze middelen voor verdere verbetering van het milieubeleid van de instellingen en organen van de Unie;

233.  is verheugd dat enkele instellingen van de Unie proefprojecten zijn gestart met betrekking tot groene overheidsopdrachten; hoopt dat de uitkomsten hiervan veelbelovend zullen zijn en dat het plaatsen van groene overheidsopdrachten in de toekomst bij de instellingen van de Unie de standaardprocedure zal zijn;

234.  benadrukt dat de menselijke factor bij de uitvoering van dit beleid nog altijd zeer belangrijk is; dringt er daarom bij de leidinggevende personen binnen de instellingen en organen van de Unie onder wier bevoegdheid dit beleid valt op aan dat zij hun vaardigheden en kennis op het gebied van de uitstoot van broeikasgassen door de instellingen verder verbeteren; hoopt dat het feit dat er een nieuw college van commissarissen is benoemd in 2014 nieuwe kansen zal bieden voor de toepassing van striktere normen binnen de Commissie en haar agentschappen;

Deel XXI - Speciaal verslag nr. 15/2014 van de Rekenkamer getiteld "Het Buitengrenzenfonds heeft de financiële solidariteit bevorderd, maar de resultaten ervan moeten beter worden gemeten en het Fonds zou een grotere Europese meerwaarde moeten leveren"

235.  stelt met bezorgdheid vast dat de strategische doelstellingen van het Buitengrenzenfonds (BGF) onduidelijk zijn en dat met name het algemene karakter van het BGF als solidariteitsmechanisme op gespannen voet staat met de gerichtheid ervan op concrete doelstellingen voor betere samenwerking op het gebied van grenscontrole en visa;

236.  merkt op dat de Commissie aangeeft dat de succesvolle lancering van SIS II, VIS en Eurosur in alle lidstaten blijk geeft van de cruciale rol van het BGF; is echter van mening dat een dergelijke algemene uitspraak niet kan worden beschouwd als bevredigend antwoord op de specifieke kritiek van de Rekenkamer inzake het ontbreken van prestatie-indicatoren;

237.  wijst erop dat zich soortgelijke problemen kunnen voordoen met betrekking tot de doelstellingen van het instrument voor financiële ondersteuning voor buitengrenzen en visa, als onderdeel van het fonds voor interne veiligheid (ISF), aangezien ook dit instrument zowel dient ter ondersteuning van de solidariteit tussen de lidstaten op het gebied van het grensbeheer als de doorvoering van een uniform en hoog niveau van controle aan de buitengrenzen en de doeltreffende verwerking van Schengenvisa, in aansluiting op de inzet van de Unie voor de fundamentele vrijheden en de mensenrechten;

238.  benadrukt dat lidstaten inzien dat doeltreffende grenscontroles aan de gezamenlijke grenzen van belang zijn als onderdeel van het Schengenacquis, maar daarnaast van mening zijn dat het grensbeheer en, in mindere mate, de verwerking van visa in wezen tot de nationale bevoegdheden behoren;

239.  verzoekt de lidstaten daarom het ISF op te nemen in nationale strategieën voor grensbeheer om zo bij te dragen aan consulaire samenwerking, Frontex-operaties of aan noodacties en specifieke acties die van belang zijn voor de Schengenzone als geheel; roept de Commissie en de lidstaten op hun samenwerking op dit vlak te verbeteren;

240.  verzoekt de Commissie te onderzoeken of het zin heeft de delen van het ISF voor grenscontroles en visa onder te verdelen in verschillende gereserveerde segmenten: één voor solidariteit, één voor de verwezenlijking van consulaire samenwerking, Frontex-operaties en nood- en specifieke acties, en één voor acties die met name van belang zijn vanuit nationaal oogpunt;

241.  beveelt de lidstaten aan relevante en meetbare indicatoren te ontwikkelen en te gebruiken voor de output, de resultaten en de effecten van de gefinancierde projecten; benadrukt dat er vooraf kwalitatief hoogwaardige verificaties moeten worden verricht om te waarborgen dat alle gefinancierde projecten concrete en meetbare doelen dienen en meerwaarde hebben; merkt op dat verificaties achteraf zouden bijdragen aan mechanismen voor kwaliteitscontrole;

242.  merkt op dat extra Europese meerwaarde kan worden bereikt via aanvullende bijdragen van de lidstaten aan Frontex-operaties door verplichte opname van in ieder geval een deel van de gecofinancierde uitrusting van het ISF in het gezamenlijke bestand van technische uitrusting van Frontex;

243.  is bezorgd over de onregelmatigheden die de Rekenkamer heeft vastgesteld bij de verschillende procedures van de lidstaten voor de selectie van projecten en is van mening dat de uitzonderingsclausule voor overheidsopdrachten op het gebied van defensie en veiligheid niet gebruikt mag worden in gevallen waarin minder restrictieve procedures kunnen worden toegepast zonder dat de veiligheid in het gedrang komt; pleit voor het stroomlijnen van de aanbestedingsprocedures met het oog op een tijdige uitvoering van de financiering;

244.  complimenteert de Commissie met het feit dat zij corrigerende financiële maatregelen heeft getroffen in het geval van een project waarbij sprake bleek te zijn van schending van de fundamentele vrijheden en de mensenrechten, maar roept de Commissie op om voor zover mogelijk van tevoren mogelijke risico's op dit terrein te identificeren, vooral waar het gaat om het waarborgen dat grenscontroles worden uitgevoerd in overeenstemming met het recht op het aanvragen van asiel;

245.  beklemtoont dat de normen voor het verzamelen van gegevens over de gefinancierde projecten op nationaal niveau moeten worden verbeterd met het oog op meer transparantie;

Deel XXII - Speciaal verslag nr. 16/2014 van de Rekenkamer getiteld "De doeltreffendheid van het combineren van subsidies uit de regionale investeringsfaciliteiten met leningen van financiële instellingen ter ondersteuning van het externe beleid van de EU"

246.  verwelkomt het speciaal verslag over de doeltreffendheid van het combineren van subsidies uit de regionale investeringsfaciliteiten met leningen van financiële instellingen ter ondersteuning van het externe beleid van de EU en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

Algemene opmerkingen

247.  moedigt de Rekenkamer aan haar controleactiviteiten op dit nieuwe terrein van samenwerking verder uit te breiden, om beleidsmakers geregeld een omvattende beoordeling te kunnen voorleggen van de problemen en risico's op dit gebied;

248.  merkt op dat de toegenomen belangstelling voor het combineren van subsidies en leningen ("blending") en de mogelijkheden die worden geboden door nieuwe investeringsfaciliteiten vooral voortkomt uit de combinatie van het bestaan van omvangrijke ontwikkelingsproblemen en ernstige beperkingen van de overheidsuitgaven, leidend tot de ontwikkeling van nieuwe financiële bronnen door subsidies van de Unie te combineren met andere vormen van financiering die geen subsidies zijn;

249.  benadrukt dat nieuwe financiële instrumenten en blending in overeenstemming moeten zijn met de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid van de Unie, gebaseerd op de criteria voor officiële ontwikkelingshulp (ODA) en vastgelegd in de Agenda voor verandering, dat wil zeggen verbetering van de kwaliteit, efficiëntie en duurzaamheid en een snelle uitvoering van de acties van de Unie; is van mening dat die instrumenten gericht moeten zijn op prioriteiten van de Unie waarbij de economische en niet-economische toegevoegde waarde en de effecten het grootst zijn en is van mening dat ze strategisch ingezet moeten worden in sectoren waar de financiële steun van de Unie van cruciaal belang is voor de levensvatbaarheid van de investeringen en waar blending het grootste nut oplevert; betreurt daarom dat in het speciaal verslag vooral aandacht wordt besteed aan de financiële aspecten van het combineren van subsidies uit de regionale investeringsfaciliteiten, terwijl de efficiency en doeltreffendheid van die faciliteiten onvoldoende worden geëvalueerd;

250.  vraagt als centraal beginsel te hanteren dat voorkomen moet worden dat financiële stimulansen zwaarder wegen dan ontwikkelingsdoelstellingen (financiële doelen zouden de overhand kunnen krijgen over ontwikkelingsaspecten) en beginselen inzake duurzame ontwikkeling te eerbiedigen, zoals sociale en milieunormen en de toegang tot collectieve basisgoederen;

251.  neemt kennis van de resultaten van de herziening van het EU-platform voor blending in externe samenwerking, met als oorspronkelijk doel om de doeltreffendheid, efficiency en kwaliteit van bestaande systemen en faciliteiten voor het combineren van subsidies en leningen te verbeteren, overwegende dat de harmonisatie van grondbeginselen die gelden voor alle regionale faciliteiten en financieringsinstrumenten van het grootste belang zal zijn voor het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK); nodigt de Commissie en de EDEO, in aansluiting op de resultaten van de herziening van het MFK na de verkiezingen, uit om een gestructureerde strategische dialoog te voeren over dit onderwerp, waarbij met name aandacht wordt besteed aan het voortdurend waarborgen en versterken van transparantie en controleerbaarheid;

252.  is van mening dat de Commissie zich tijdens de planningsfase moet richten op de vaststelling van duurzame economische, sociale en milieudoelstellingen voor de lange termijn op gebieden waar de investeringen moeten worden gedaan;

253.  verzoekt om de Europese middelen in beginsel te besteden aan projecten die zonder middelen van de Unie niet zouden worden uitgevoerd, zoals projecten die weinig winst opleveren, maar die kunnen leiden tot verbeteringen op het gebied van sociale omstandigheden, milieu en mensenrechten;

254.  verzoekt om de resultaten en effecten op middellange en lange termijn van de uitgevoerde projecten op het gebied van sociale omstandigheden, milieu en mensenrechten in het oog te houden en te evalueren; is van oordeel dat de bevindingen van deze evaluaties moeten worden gebruikt om verslag uit te brengen van de verwezenlijkte langetermijndoelstellingen en om de planning en selectie van projecten die in de toekomst gefinancierd moeten worden te verbeteren;

255.  verzoekt om de politieke rol van de Commissie, als politiek verantwoordelijk orgaan op dit terrein, te versterken;

256.  vraagt om voor de bedoelde financiële activiteiten gezamenlijke bestuursnormen in te voeren, en optimale werkwijzen en subsidiabiliteits- en evaluatiecriteria vast te stellen voor het gebruik van de bedoelde financiële instrumenten; is van mening dat samenhangende regels op het gebied van beheer, zoals gestructureerde verslaglegging en duidelijke kaders en voorwaarden voor het houden van toezicht, zullen zorgen voor een verlaging van transactiekosten of het voorkomen van dubbele kosten;

257.  is van mening dat het nodig is om passende beheersstructuren voor de verschillende faciliteiten op te zetten, om de eigen verantwoordelijkheid van de ontvangende landen, begunstigden of belanghebbenden voor deze instrumenten te stimuleren; herinnert eraan dat de ontwikkeling van gecombineerde officiële ontwikkelingssteun door middel van faciliteiten een goed gestructureerde samenwerking vereist van de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) met de Europese Investeringsbank (EIB), de lidstaten en het Parlement; vraagt om een grotere deelname van de delegaties van de Unie aan het besluitvormingsproces, met name bij de selectie van projecten, door een bijdrage te leveren aan de evaluatie vooraf of de effectbeoordeling, en meer in het algemeen om het belang van de Unie in de beleidsdialoog met partnerlanden en ook als contactpunt met het lokale maatschappelijk middenveld meer kracht bij te zetten;

258.  benadrukt dat het nodig is om een zo groot mogelijk niveau van transparantie en controleerbaarheid te verwezenlijken door de beschikbaarheid te waarborgen van uitgebreide en betrouwbare begrotingsinformatie en financiële gegevens met betrekking tot projecten die met de investeringsfaciliteiten worden gefinancierd; roept op tot het uitbrengen van regelmatig verslag aan het Parlement over het gebruik van de financiële instrumenten en van de resultaten, waarbij met name een beoordeling moet worden overgelegd van de financiële en niet-financiële hefboomwerking en additionaliteit, een en ander met inachtneming van de bepalingen van artikel 140 van het Financieel Reglement;

259.  steunt de aanbevelingen van de Rekenkamer en ziet ze als eerste stap in de juiste richting met betrekking tot de doeltreffendheid van het combineren van subsidies uit de regionale investeringsfaciliteiten met leningen van financiële instellingen ter ondersteuning van het externe beleid van de Unie, en verwelkomt het antwoord van de Commissie waarin zij de aanbevelingen aanvaardt;

Deel XXIII - Speciaal verslag nr. 17/2014 van de Rekenkamer getiteld "Kan het EU-initiatief voor kenniscentra een doeltreffende bijdrage leveren om de chemische, biologische, radiologische en nucleaire risico's van buiten de EU te beperken?"

260.  verwelkomt het initiatief betreffende chemische, biologische, radiologische en nucleaire (CBRN) kenniscentra; is van mening dat het netwerkaspect van het initiatief tot uiting komt in de beheersstructuur;

261.  verwelkomt de overwegend positieve toon van speciaal verslag nr. 17/2014 en de aanbevelingen van de Rekenkamer, die allemaal door de Commissie zijn aanvaard;

262.  wijst erop dat het initiatief een innovatieve benadering hanteert door te voorzien in netwerken, regionale en internationale partnerschappen, alsmede het consolideren, coördineren en versterken van de reeds bestaande deskundigheid, training, technische ondersteuning of apparatuur;

263.  wijst erop dat dergelijke structuren per definitie complex zijn en daarom moeilijk op te zetten en te beheren zijn;

264.  wijst erop dat voor dit initiatief in de periode 2010-2013 een bedrag van 100 miljoen EUR beschikbaar was;

265.  is van mening dat de waarde van dit initiatief vooral is gelegen in de bottom-upbenadering, waarbij wordt voortgebouwd op de deskundigheid van de partnerlanden; is van mening dat de delegaties van de Unie geregeld op de hoogte moeten worden gehouden en een actievere rol moeten spelen op het gebied van overleg met de autoriteiten van de respectievelijke partnerlanden;

266.  wijst er tegelijkertijd op dat het eerbiedigen van het feit dat de partnerlanden "eigenaar" zijn van de projecten de Commissie er niet van mag weerhouden voorstellen te doen op gebieden waar een gemeenschappelijke aanpak voordeel biedt (zoals de bestrijding van Ebola);

267.  is ervan overtuigd dat de selectie van projecten zodanig moet plaatsvinden dat de beperkte bedragen die beschikbaar zijn vooral worden besteed op terreinen die het relevantst zijn voor de veiligheid van de Unie; is van oordeel dat de Europese instellingen bij de selectie van projecten een nuttige rol kunnen vervullen als clearinghouse;

268.  merkt op dat de technische expertise van de regionale secretariaten versterkt moet worden om beter te kunnen vaststellen welke onderwerpen door middel van initiatieven aangepakt moeten worden, en om de voorbereiding en uitvoering van afzonderlijke projecten te verbeteren;

269.  verwelkomt de mogelijkheid dat partnerlanden sinds mei 2013 op elk gewenst moment projecten kunnen voorstellen, waardoor beter kan worden gereageerd op nieuwe bedreigingen;

270.  merkt op dat de lange periode tussen de indiening van het projectvoorstel en de goedkeuring en uitvoering ervan verder moet worden verkort;

271.  benadrukt dat bredere strategische samenwerking nodig is om de samenhang en coördinatie van de verschillende financieringsinstrumenten op het gebied van veiligheid te verbeteren; benadrukt dat een verdergaande coördinatie tussen relevante actoren op het terrein van CBRN de doeltreffendheid van bestaande initiatieven zou vergroten;

272.  is van mening dat het initiatief verbeterd kan worden door duidelijker onderscheid te maken tussen de interne en de externe dimensie van CBRN-maatregelen(22);

Deel XXIV - Speciaal verslag nr. 19/2014 van de Rekenkamer getiteld "Pretoetredingssteun van de EU aan Servië"

273.  verzoekt de Servische autoriteiten de kwaliteit van hun nationale strategieën en actieplannen te verbeteren en te rationaliseren en de verschillende politieke en sociaaleconomische vraagstukken op adequate wijze aan te pakken; verzoekt de Commissie, zo nodig, de vereiste technische ondersteuning hiervoor te bieden;

274.  benadrukt dat het voorbereiden van nationale strategieën op politiek gevoelige terreinen van groot belang is; verzoekt de betrokken autoriteiten strategieën op te stellen op de volgende belangrijkste bestuursterreinen en een realistisch tijdschema voor de uitvoering daarvan vast te stellen: territoriale decentralisatie en een strategie ter coördinatie van de uitvoering van de hervorming van het beheer van de overheidsfinanciën;

275.  dringt er bij de Commissie en de EU-Delegatie naar Servië op aan om de problemen met de selectie van onderontwikkelde of problematische projecten, die zich voordeden in het eerste deel van de programmeringsperiode 2007-2013, te voorkomen; steunt de samenwerking tussen de Commissie en de Servische autoriteiten om de vastgestelde problemen aan te pakken, waaronder het ontbreken van ondersteuning door nationale autoriteiten, een gebrek aan interinstitutionele coördinatie, gebrekkig projectontwerp, een tekortschietende definitie van bevoegdheden, niet-duurzame financieringsoplossingen en een inadequaat gebruik van opgedane ervaring van vorige projecten;

276.  verwelkomt het feit dat de bestuursprojecten over het algemeen goede resultaten boekten, maar is van mening dat de uitvoering en controle van de projecten zwak of inefficiënt was, met name bij vier van de acht bestuursprojecten van het instrument voor pretoetredingssteun waar de Rekenkamer materiële tekortkomingen heeft ontdekt;

277.  wijst erop dat er bij de hervorming van de justitiële sector sinds 2007 weinig vooruitgang is geboekt;

278.  benadrukt dat de huidige bescherming voor klokkenluiders zoals omschreven in de nationale anticorruptiestrategie 2013-2018 dringend versterkt moet worden; staat erop dat de Servische autoriteiten prioriteit geven aan de opstelling van nieuwe wetgeving met betrekking tot klokkenluiders en dat deze wetgeving bescherming moet bieden en potentiële klokkenluiders moet aanmoedigen zich te melden;

279.  schaart zich achter de aanbevelingen van de Rekenkamer en verzoekt de Commissie grondig aandacht te besteden aan het omschrijven van de doelstellingen, de behoeften in kaart te brengen en lering te trekken uit eerdere projecten, en daarnaast vertragingen en inefficiënte en ondoeltreffende aanbestedingsprocedures te vermijden; benadrukt het belang van duurzaamheid, aangezien de resultaten van twee derde van de projecten, met name op het gebied van bestuur, een aantal vragen opwierpen;

Deel XXV - Speciaal verslag nr. 20/2014 van de Rekenkamer getiteld "Was de EFRO-steun aan kmo's op het gebied van e-handel doeltreffend?"

280.  is ingenomen met speciaal verslag nr. 20/2014 van de Rekenkamer en staat achter de daarin opgenomen conclusies en aanbevelingen;

281.  verwelkomt eveneens de constructieve reactie van de Commissie op de aanbevelingen van de Rekenkamer;

282.  wijst erop dat e-procestechnologieën van wezenlijk belang zijn voor het verbeteren van de ontwikkeling en het concurrentievermogen van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's); benadrukt het belang van kmo's voor de economische ontwikkeling en het creëren van nieuwe banen in de Unie;

283.  erkent het feit dat in het speciaal verslag van de Rekenkamer de nadruk wordt gelegd op het belang van prestatiebeoordelingen en Europese meerwaarde;

284.  merkt op dat het online aanbod van zakelijke diensten is verruimd, maar dat de geselecteerde projecten zwak waren; wijst erop dat het niet uitvoeren van een vergelijkende selectie van aanvragen en het ontbreken van alomvattende bedrijfsinformatie in meer dan een derde van de gevallen leidde tot projecten die weinig of niet kosteneffectief waren;

285.  wijst erop dat 10 van de 30 gecontroleerde projecten met cofinanciering ook zouden zijn uitgevoerd zonder cofinanciering door de overheid, dat vijf van deze projecten reeds begonnen waren voordat de subsidieverlening was gemeld en dat drie ervan zelfs gestart waren voordat de onderneming een aanvraag tot cofinanciering had ingediend;

286.  is van mening dat de indiening van een bedrijfsplan waarin de Europese meerwaarde wordt verduidelijkt verplicht moet zijn, om een buitenkanseffect te voorkomen;

287.  benadrukt dat de lidstaten selectiecriteria en -procedures moeten invoeren om te garanderen dat de geselecteerde projecten een zo groot mogelijke toegevoegde waarde bieden voor het bijdragen aan de ontwikkeling van e-handel bij kmo's en het bereiken van de doelstellingen van de digitale agenda voor Europa;

288.  wijst erop dat het vanwege tekortkomingen in de monitoring door de Commissie onmogelijk was te beoordelen in welke mate de steun in het kader van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) had geholpen om de ICT-strategieën van de lidstaten en de Unie en de bedrijfsplannen van de kmo's zelf te verwezenlijken;

289.  is van mening dat de Commissie ervoor moet zorgen dat zij van de lidstaten consistente en betrouwbare informatie ontvangt over het gebruik van EFRO-financiering; meent dat deze informatie blijk moet geven van de voortgang van de operationele programma's, niet alleen op financieel vlak maar ook op het gebied van de prestaties;

290.  is het met de Rekenkamer eens dat in de subsidieovereenkomsten een minimumpakket van degelijke indicatoren met bijbehorende doelstellingen moet worden omschreven, die worden gemeten en vervolgens gemonitord, zodra het project uitgevoerd en operationeel is, en in een later stadium, teneinde de prestaties te evalueren;

Deel XXVI - Speciaal verslag nr. 21/2014 van de Rekenkamer getiteld "Door de EU gefinancierde luchthaveninfrastructuur: een slechte kosten-batenverhouding"

291.  onderkent dat de Commissie inmiddels wijzigingen heeft doorgevoerd waarmee veel van de in dit verslag aangehaalde problemen aangepakt zijn en steunt in grote lijnen het door de Commissie beschreven nieuwe regelgevingskader; stelt in die context voor dat de Commissie binnen een jaar nadat deze resolutie wordt aangenomen aan de Commissie begrotingscontrole van het Parlement verslag uitbrengt over de voortgang bij de tenuitvoerlegging van die aanbevelingen;

292.  steunt de aanbeveling van de Rekenkamer dat lidstaten moeten zorgen voor coherente plannen voor luchthavenontwikkeling en doet de aanbeveling deze plannen te laten goedkeuren door de Commissie voordat aan specifieke projecten financiering wordt toegekend; doet voorts de aanbeveling dat deze regionale, nationale en supranationale plannen niet alleen rekening houden met luchtvervoer maar ook met ander openbaar vervoer dat vergelijkbare reistijden kent als vliegen, zoals treinen en bussen, om verzadiging van de markt te voorkomen en de betrouwbaarheid van de diensten te verhogen;

293.  beveelt aan enkel financiering toe te kennen aan financieel levensvatbare luchthavens;

294.  doet de aanbeveling aan de Commissie om alle nieuwe projecten aan de hand van een verzorgingsgebiedanalyse met het oog op de waarborging van de levensvatbaarheid te onderzoeken, zonder het belang van regionale luchthavens voor de toegankelijkheid van en mobiliteit binnen de Unie uit het oog te verliezen;

295.  is van mening dat de Commissie bij voorrang lidstaten nauwlettend moet volgen waar volgens het verslag in het verleden bijzonder problematische projecten hebben plaatsgevonden;

o
o   o

296.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

(1) PB L 66 van 8.3.2013.
(2) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(3) PB C 398 van 12.11.2014, blz. 1.
(4) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0118.
(6)PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(7) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(8) Verordening (EG, Euratom) nr. 1287/2003 van de Raad van 15 juli 2003 betreffende de harmonisatie van het bruto nationaal inkomen tegen marktprijzen (bni-verordening) (PB L 181 van 19.7.2003, blz. 1).
(9) Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van Besluit 2007/436/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130 van 31.5.2000, blz. 1).
(10) Resolutie van het Europees Parlement van 3 april 2014 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012, Afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen (PB L 266 van 5.9.2014, blz. 32).
(11) Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering, en tot intrekking van Beschikking nr. 280/2004/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 13).
(12) Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289).
(13) Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1).
(14) Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L 362 van 31.12.2012, blz. 1).
(15) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
(16) Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16).
(17) Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB L 30 van 31.1.2009, blz. 16).
(18) Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347, 20.12.2013, blz. 671).
(19) Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).
(20) Leon Braat, Patrick ten Brink (eds.), The Cost of Policy Inaction: The case of not meeting the 2010 biodiversity target, Wageningen/Brussel, 2008, blz. 28.
(21) Beoordeling van de EU-samenwerking met de Republiek Haïti in de periode 2008-2012, Particip GmbH, uitgevoerd in opdracht van de Commissie, augustus 2014.
(22) Zie eveneens de resolutie van het Europees Parlement van 14 december 2010 inzake de aanscherping van de chemische, biologische, radiologische en nucleaire beveiliging in de Europese Unie - een CBRN-actieplan voor de EU (PB C 169 E van 15.6.2012, blz. 8).


Kwijting 2013: Algemene begroting van de EU - achtste, negende en tiende EOF
PDF 230kWORD 115k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2077(DEC))
P8_TA(2015)0120A8-0102/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de balansen en resultatenrekeningen van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2014)0487 – C8-0146/2014),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie van 14 april 2014 over het financieel beheer van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien de financiële informatie over de Europese Ontwikkelingsfondsen (COM(2014)0350),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van de Commissie(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbevelingen van de Raad van 17 februari 2015 betreffende de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de activiteiten van de Europese Ontwikkelingsfondsen in het begrotingsjaar 2013 (05135/2015 – C8-0050/2015, 05136/2015 – C8-0051/2015, 05138/2015 – C8-0052/2015),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2014)0607) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0285) en SWD(2014)0286),

–  gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000(3) en gewijzigd te Ouagadougou (Burkina Faso) op 22 juni 2010(4),

–  gezien Besluit 2001/822/EG van de Raad van 27 november 2001 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Gemeenschap ("LGO­besluit")(5),

–  gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-overeenkomst(6),

–  gezien artikel 32 van het intern akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn(7),

–  gezien artikel 11 van het intern akkoord van 17 juli 2006 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader voor 2008-2013 voor de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het EG-Verdrag van toepassing zijn(8),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-overeenkomst(9),

–  gezien artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds(10),

–  gezien artikel 142 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds(11),

–  gezien artikel 93, artikel 94, derde streepje, en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0102/2015),

1.  verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over de afsluiting van de rekeningen van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2077(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de balansen en resultatenrekeningen van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2014)0487 – C8-0146/2014),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie van 14 april 2014 over het financieel beheer van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien de financiële informatie over de Europese Ontwikkelingsfondsen (COM(2014)0350),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van de Commissie(12),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(13) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbevelingen van de Raad van 17 februari 2015 betreffende de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de activiteiten van de Europese Ontwikkelingsfondsen in het begrotingsjaar 2013 (05135/2015 – C8-0050/2015, 05136/2015 – C8-0051/2015, 05138/2015 – C8-0052/2015),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2014)0607) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0285) en SWD(2014)0286,

–  gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000(14) en gewijzigd te Ouagadougou (Burkina Faso) op 22 juni 2010(15),

–  gezien Besluit 2001/822/EG van de Raad van 27 november 2001 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Gemeenschap ("LGO­besluit")(16),

–  gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-overeenkomst(17),

–  gezien artikel 32 van het intern akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn(18),

–  gezien artikel 11 van het intern akkoord van 17 juli 2006 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader voor 2008-2013 voor de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het EG-Verdrag van toepassing zijn(19),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-overeenkomst(20),

–  gezien artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds(21),

–  gezien artikel 142 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds(22),

–  gezien artikel 93, artikel 94, derde streepje, en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0102/2015),

1.  stelt vast dat de definitieve jaarrekening van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds overeenkomt met tabel 2 in het jaarverslag van de Rekenkamer;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2077(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien artikel 93, artikel 94, derde streepje, en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0102/2015),

A.  overwegende dat de voornaamste doelstelling van de overeenkomst van Cotonou als het belangrijkste kader voor de betrekkingen van de Unie met de landen van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen) en de landen en gebieden overzee (LGO´s) de beperking en uiteindelijke uitroeiing van armoede betreft, overeenkomstig de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en de geleidelijke integratie van de ACS-landen en de LGO´s in de mondiale economie;

B.  overwegende dat de specifieke doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid moeten worden gewaarborgd binnen de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO); benadrukt dat andere overwegingen, bijvoorbeeld vanuit het oogpunt van het handelsbeleid en het buitenlands en veiligheidsbeleid, niet mogen ingaan tegen de ontwikkelingsprioriteiten van de Unie;

C.  overwegende dat de door de lidstaten gefinancierde Europese Ontwikkelingsfondsen (EOF's) het belangrijkste financiële instrument van de Unie zijn om de ACS-landen ontwikkelingssamenwerking te bieden, waarvoor de Commissie binnen de kwijtingsprocedure verantwoording moet afleggen;

D.  overwegende dat de door de Europese Commissie betaalde instrumenten voor voorfinanciering 424 miljoen EUR beliepen en dat de beleidsontvangsten 124 miljoen EUR bedroegen in het begrotingsjaar 2013;

E.  overwegende dat het EOF zijn strategie en prioriteitsterreinen heeft gebaseerd op politieke voorkeuren alsook op economische en financiële criteria die verband houden met algemene efficiëntiecriteria, en opereert met adequate financiële instrumenten om deze prioriteiten, die zijn gebaseerd op een duurzame en langetermijnvisie, te realiseren;

F.  overwegende dat er in ontwikkelingslanden sprake is van een inherent hoge risicoblootstelling als gevolg van een vaak instabiele en fragiele geopolitieke, institutionele en administratieve omgeving;

G.  overwegende dat de betrokkenheid van de Unie gedifferentieerd en voorwaardelijk moet zijn, afhankelijk van meetbare vooruitgang op diverse terreinen zoals democratisering, mensenrechten, goed bestuur, duurzame sociaaleconomische ontwikkeling, de rechtsstaat, transparantie en corruptiebestrijding;

H.  overwegende dat het gebruik van innovatieve financiële instrumenten zoals mechanismen voor het combineren van subsidies en leningen (blending-mechanismen) wordt gezien als een manier om het toepassingsgebied van bestaande instrumenten als subsidies en leningen uit te breiden, en tevens betrekking heeft op problemen op het gebied van toezicht en bestuur;

I.  overwegende dat het van essentieel belang is om de zichtbaarheid van de Unie te waarborgen en de waarden van de Unie in al haar interventies te bevorderen;

J.  overwegende dat de budgettering van het EOF, dat wil zeggen de opname en integratie ervan in de begrotingsstructuur van de Unie, een prioriteit van het Parlement blijft; overwegende dat de opname van het EOF in de algemene begroting zou zorgen voor meer financiële zekerheid voor de ontvangende landen en tegelijkertijd voor een betere beleidscoherentie en democratische controle;

K.  overwegende dat begrotingssteun een aanzienlijk fiduciair risico met zich meebrengt, met name op het gebied van transparantie, verantwoordingsplicht en goed financieel beheer; overwegende dat begrotingssteun gepaard moet gaan met nauwlettend toezicht en een beleidsdialoog tussen de Unie en het partnerland met betrekking tot de doelstellingen, geboekte vooruitgang op het vlak van overeengekomen resultaten en prestatie-indicatoren, alsook met een betere systeemrisicoanalyse en risicobeperkingsstrategie;

Betrouwbaarheidsverklaring

Betrouwbaarheid van de rekeningen

1.  is ingenomen met het oordeel van de Rekenkamer dat de definitieve jaarrekening van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds een in elk materieel opzicht getrouw beeld van de financiële situatie van de EOF's per 31 december 2013 geeft en dat de resultaten van hun verrichtingen, van hun kasstromen en van de veranderingen in de netto-activa over het op die datum afgesloten jaar in overeenstemming zijn met de bepalingen van het financieel reglement van het EOF en de internationaal aanvaarde boekhoudnormen voor de publieke sector;

2.  wijst er met voldoening op dat het aantal en de waarde van terugvorderingen zijn gestegen ten opzichte van 2012, met 24 terugvorderingen ter waarde van 4,7 miljoen euro in 2013 tegen 13 terugvorderingen ter waarde van 1,3 miljoen euro in 2012;

3.  is evenwel ernstig bezorgd over het feit dat subgedelegeerde ordonnateurs nog steeds niet systematisch voldoen aan de regel dat de Commissie in geval van voorfinancieringsbetalingen van meer dan 750 000 euro geacht wordt op jaarbasis rente te vorderen en dat de hoeveelheid rentebaten die in de rekeningen zichtbaar wordt gemaakt deels is gebaseerd op schattingen;

4.  betreurt voorts dat de rente die is verkregen over voorfinancieringen van 250 000 tot 750 000 euro nog steeds niet als ontvangsten in de financiële staten is opgenomen, omdat de ontwikkeling van het gemeenschappelijk Relex-informatiesysteem (CRIS-systeem) nog niet is voltooid;

Wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen bij de rekeningen

5.  is verheugd over het oordeel van de Rekenkamer dat de onderliggende ontvangsten en vastleggingen bij de rekeningen voor het begrotingsjaar 2013 op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn;

6.  is echter bezorgd over de conclusie van de Rekenkamer over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende betalingen bij de rekeningen volgens welke de toezicht- en controlesystemen op het hoofdkantoor van EuropeAid en bij de delegaties van de Unie slechts ten dele doeltreffend zijn wat betreft het garanderen van de wettigheid en regelmatigheid van de betalingen;

7.  betreurt dat het meest waarschijnlijke foutenpercentage voor betalingen uit het achtste, negende en tiende EOF volgens de schatting van de Rekenkamer 3,4 % bedraagt, hetgeen een lichte stijging betekent ten opzichte van 2012 (3 %), maar nog altijd een stuk lager is dan de piek in 2011 (5,1 %);

8.  neemt kennis van het feit dat het jaarverslag van de Rekenkamer betreffende EOF-activiteiten voor het begrotingsjaar 2013 aantoont dat het foutenpercentage is gestegen in vergelijking met het jaar ervoor en dat dit percentage nog steeds te hoog ligt; dringt er bij de Commissie op aan inspanningen te leveren om het afgesproken streefdoel, te weten een foutenpercentage van 2 %, te bereiken;

9.  merkt op en betreurt dat de onderliggende betalingen bij de rekeningen fouten vertonen van materieel belang als gevolg van tekortkomingen in het toezichtsysteem; neemt kennis van het feit dat 27 % van de betalingen fouten bevat, dat wil zeggen 45 van de 165 gecontroleerde betalingen;

10.  neemt kennis van de resultaten van de steekproeven ten aanzien van projecten waarbij 42 van de 130 betalingen (32 %) fouten vertoonden, en met name van het feit dat het bij 30 van deze 42 betalingen kwantificeerbare fouten betrof, terwijl 17 definitieve verrichtingen zijn goedgekeurd nadat alle controles vooraf waren uitgevoerd;

11.  betreurt dat ondanks het actieplan met corrigerende maatregelen dat in mei 2013 is opgezet, de soorten fouten die zijn vastgesteld in grote mate gelijk zijn als in voorgaande jaren, te weten het ontbreken van bewijsstukken, niet-naleving van aanbestedingsprocedures door begunstigden en niet-subsidiabele uitgaven; merkt op dat deze fouten eveneens verband hielden met verrichtingen in verband met de volgende activiteiten: i) programmaramingen, ii) subsidies en iii) bijdragenovereenkomsten tussen de Commissie en internationale organisaties;

12.  dringt er bij de Commissie op aan haar inspanningen op deze specifieke samenwerkingsgebieden te intensiveren door het bestaande plan met corrigerende maatregelen te verfijnen, met name wanneer kwantificeerbare fouten duiden op tekortkomingen in de controles door internationale organisaties op naleving van contractuele bepalingen, als onderdeel van de algemene inspanning om de methoden voor risicobeheer en de algemene controle- en beheersystemen te verbeteren;

Risico´s voor de rechtmatigheid en doeltreffendheid van de controlemechanismen

13.  erkent dat de tenuitvoerlegging van de EOF´s door het gebruik van talrijke werkwijzen en diverse leveringsmethoden (gecentraliseerd rechtstreeks beheer en indirect beheer) met ingewikkelde regels en procedures, zoals die betreffende de aanbesteding en gunning van contracten, en met een grote geografische spreiding, een inherent hoog risico met zich meebrengt, hetgeen het moeilijk maakt om het controlesysteem te optimaliseren en de transparantie van de financiering van de EOF´s te vergroten;

14.  is ernstig bezorgd over het feit dat de controles vooraf die worden verricht voordat de betalingen voor projecten worden uitgevoerd volgens de Rekenkamer nog steeds aanzienlijke tekortkomingen vertonen;

15.  dringt er bij de Commissie op aan geregeld aandacht te besteden aan de kwaliteit en geschiktheid van de door alle actoren (personeel van de Commissie en externe controleurs) verrichte controles vooraf voordat de betalingen voor projecten worden gedaan, met name gezien de in politiek en operationeel opzicht risicovolle omgeving;

16.  merkt op dat de aard van de instrumenten en betalingsvoorwaarden op de gebieden van begrotingscontrole (met 718 miljoen euro aan betalingen door het EOF in 2013) en de bijdragen van de Unie aan multidonorprojecten die worden uitgevoerd door internationale organisaties zoals de Verenigde Naties (VN) (met betalingen van de EOFs die in 2013 opliepen tot 458 miljoen euro) de mate waarin verrichtingen gevoelig zijn voor fouten beperken;

17.  is bezorgd over de terugkerende kwestie dat er, ondanks externe controles en uitgavenverificaties, steeds opnieuw fouten inzake einddeclaraties worden gevonden;

18.  dringt er bij het directoraat-generaal Ontwikkeling en Samenwerking van de Commissie (DG DEVCO) op aan dat het de aanbeveling van de Rekenkamer uit 2011 opvolgt en de capaciteit van zijn interne auditdienst zo spoedig mogelijk versterkt, zodat deze dienst zijn taken doeltreffender kan uitvoeren;

Strategie en prioriteiten

19.  benadrukt dat alle activiteiten van de EOFs nauwkeurig in lijn moeten zijn met de algemene strategie en prioriteitsterreinen die gebaseerd zijn op politieke voorkeuren, alsook op economische en financiële efficiëntiecriteria, die bijgevolg moeten zijn terug te vinden in de beheerprestaties, met inbegrip van risicobeheer en controleactiviteiten en de concrete vorm van de desbetreffende financiële instrumenten;

20.  wijst, gezien de steeds grotere nadruk op de resultaten van Uniesteun, op het feit dat Afrika bezuiden de Sahara het meest achterblijft ten aanzien van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG's), en de enige regio ter wereld is waar volgens prognoses de armoede tegen 2015 waarschijnlijk niet zal zijn gehalveerd; is bezorgd over het feit dat de officiële ontwikkelingshulp voor sociale dienstverlening, met name op het gebied van onderwijs en reproductieve gezondheidszorg, de afgelopen jaren een dalende lijn vertoont, en vreest dat de vorderingen op het gebied van de ontwikkeling van het menselijk kapitaal hierdoor zullen worden tenietgedaan;

21.  concludeert dat de inspanningen moeten worden opgevoerd om in Afrika de MDG's tegen de beoogde termijn (het jaar 2015) te kunnen verwezenlijken; roept de Commissie op om, na de goedkeuring ervan, rekening te houden met de agenda inzake duurzame ontwikkeling voor de periode na 2015 en met de onderhandelingen over de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling als basis voor de doelmatigheidscontrole van de Rekenmaker; is ingenomen met het feit dat de EOF's, die het voornaamste instrument vormen voor de verlening van Uniesteun aan de ACS-landen, goed zijn voor wel 45 % van de totale waarde van nieuwe contracten die in 2013 zijn gesloten door DG DEVCO;

22.  merkt op dat in 2013 overeenstemming is bereikt over de oprichting van een elfde Europees Ontwikkelingsfonds met een totale waarde van bijna 27 miljard euro (in prijzen van 2011), dat wil zeggen dat de middelen in feite worden gehandhaafd op het niveau van het tiende EOF, in plaats van dat zij met 13 % worden verhoogd zoals de Commissie had voorgesteld, ondanks het lang bestaande streven van de EU om de ontwikkelingsfinanciering de komende jaren te verhogen;

Monitoring en toezicht

23.  is ernstig bezorgd over de resterende tekortkomingen in het beheersinformatiesysteem ten aanzien van de resultaten en de follow-up van externe controles, uitgavenverificaties en controlebezoeken, ondanks de toezegging van de Commissie om de gegevenskwaliteit van het CRIS in de voorbije jaren te verbeteren;

24.  herinnert eraan dat de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van het beheersinformatiesysteem een centrale rol vervult die permanente waakzaamheid vereist; dringt er bij de Commissie op aan haar inspanningen voort te zetten om de nieuwe functies in het kader van de auditmodule van het CRIS-systeem te ontwikkelen en op te zetten, en met name de follow-up van alle controleverslagen en alle soorten evaluaties; is van mening dat het van essentieel belang is om over consistente resultaatgerichte monitoringsystemen te beschikken teneinde adequate en betrouwbare informatie over bereikte resultaten te verstrekken, zodat de strategische prioriteiten kunnen worden aangepast;

25.  overwegende dat de meeste EOFs op een gedecentraliseerde manier ten uitvoer worden gelegd door de Uniedelegaties; verzoekt het hoofdkantoor van DG DEVCO om de delegaties op consistente wijze te ondersteunen bij het beheer van hun portefeuille overeenkomstig de desbetreffende risicocomponenten door middel van het CRIS-systeem; moedigt nogmaals aan tot een betere benutting van de mogelijkheden die voortvloeien uit risicobeoordelingen in het kader van de follow-up van de werkzaamheden van de delegaties van de Unie;

26.  is ingenomen met de invoering van het onderzoek naar het restfoutenpercentage bij afgesloten verrichtingen als voorbeeld van de manier waarop de directie van DG DEVCO werkt;

27.  merkt op dat het foutenpercentage op basis van het tweede onderzoek in 2013 door DG DEVCO werd geschat op 3,35 % (wat neerkomt op een bedrag van ongeveer 228,55 miljoen euro), tegenover een schatting van 3,4 % van de Rekenkamer; stelt met bezorgdheid vast dat de belangrijkste vastgestelde oorzaken betrekking hebben op het ontbreken van toereikende door de begunstigde organisaties verstrekte documentatie, fouten als gevolg van onvoldoende beschikbaar bewijs om de regelmatigheid van verrichtingen te controleren, niet-naleving van openbare aanbestedingsprocedures en onverschuldigde en niet-gecorrigeerde bedragen;

28.  is van mening dat prioritering kan worden geïntegreerd in het door DG DEVCO ontwikkelde actieplan voor de tenuitvoerlegging van risicobeperkende maatregelen door nadruk te leggen op de specifieke en meest kritieke punten van zorg en op de mogelijkheden met betrekking tot kostenefficiëntie; dringt er bij DG DEVCO op aan in het jaarlijkse activiteitenverslag in te gaan op de geboekte vooruitgang of specifieke moeilijkheden die zijn ondervonden bij de tenuitvoerlegging van het actieplan;

29.  is van mening dat het nuttig zal zijn duidelijk vast te stellen welke activiteitsgestuurde begrotingswerkzaamheden de meeste tekortkomingen en fouten vertonen en het kwetsbaarst zijn; is van mening dat, teneinde de controlekosten op een redelijk niveau te houden, deze specifieke gebieden op basis van een meerjarig rotatiesysteem kunnen worden behandeld en geanalyseerd;

30.  erkent wat betreft de kostenefficiëntie van controlemechanismen dat het niet de bedoeling is nieuwe controlelagen toe te voegen, doch te werken aan de doeltreffendheid van het kader van controleactiviteiten en de complementariteit ervan op grond van beginselen voor goed bestuur;

31.  is ingenomen met de opname in het jaarlijkse activiteitenverslag van het overzicht van alle kosten, met inbegrip van de administratieve uitgaven en de kosten die samenhangen met de controle- en monitoringsystemen;

32.  is ingenomen met de herziening van de toezichtverslagen voor externe steun, waarin nu ook een samenvatting is opgenomen van corrigerende maatregelen voor vastgestelde fouten, en met de ingevoerde verzekering van de delegatiehoofden dat zij hun verantwoordingsplicht in de algemene verantwoordingsketen en de volledigheid van de verslaglegging door de Uniedelegaties zullen vergroten;

Begrotingssteun

33.  neemt met belangstelling kennis van en is ingenomen met de nieuwe benadering van begrotingssteun van de Commissie; merkt op dat in 2013 in totaal 660 miljoen euro is uitgekeerd voor nieuwe begrotingssteunoperaties in Afrika, en dat dit bedrag deels werd gebruikt voor de tenuitvoerlegging van het "MDG-initiatief" ter ondersteuning van de landen die een achterstand hebben op het gebied van belangrijke sectoren zoals volksgezondheid, water, sanitaire voorzieningen, voedselzekerheid en voeding;

34.  benadrukt dat, gezien de doelstelling van begrotingssteun, waarbij bijdragen rechtstreeks worden overgedragen naar de algemene begroting van een land of naar een begroting voor een specifieke algemene beleidsmaatregel of doelstelling, de algemene subsidiabiliteitsvoorwaarden bij begrotingssteun moeten worden geëerbiedigd en nauw moeten worden verbonden aan aanzienlijke vooruitgang die door de partnerlanden wordt geboekt, met name op het gebied van het beheer van overheidsfinanciën; zou ingenomen zijn met de ontwikkeling van bindende kernprestatie-indicatoren met het oog op risicobeperking;

35.  herinnert eraan dat het nodig is de strijd tegen fraude en corruptie te ondersteunen op alle beleidsterreinen die vallen onder de samenwerkingsstrategie van de Unie; benadrukt dat het risico dat de middelen verkeerd terechtkomen hoog blijft en dat met name op het vlak van het beheer van overheidsfinanciën ruimte bestaat voor corruptie en fraude;

36.  herhaalt dat robuuste en verifieerbare kernprestatie-indicatoren moeten worden toegepast op alle programma's voor begrotingsondersteuning; benadrukt dat aandacht moet worden besteed aan het differentiatiebeginsel om een ruimere interpretatie van de uitbetalingsvoorwaarden van begrotingssteun te voorkomen; dringt erop aan dat corruptiebestrijdingsmechanismen krachtig worden ondersteund, aangezien corruptie een van de belangrijkste factoren lijkt die de doeltreffendheid van de steunprogramma's beperken en zodoende de doeltreffendheid van de Europese ontwikkelingssamenwerking in het gedrang brengt; dringt bijgevolg aan op de intensivering van de samenwerking op het vlak van maatregelen betreffende goed bestuur en corruptiebestrijding;

37.  uit kritiek op het feit dat bij het uiteindelijke gebruik de door de Unie ter beschikking gestelde middelen worden samengevoegd met de begrotingsmiddelen van de partnerlanden, waardoor de middelen van de Unie niet kunnen worden getraceerd; verzoekt gedetailleerde verslagen te publiceren betreffende de besteding van de middelen, met het oog op meer transparantie en om te waarborgen dat de door de Unie ter beschikking gestelde middelen beter kunnen worden getraceerd;

38.  verzoekt de Rekenkamer in dit verband om meer aandacht te besteden aan het vraagstuk van corruptie en te proberen om de mate van corruptie te kwantificeren en op te nemen in haar speciale verslagen alsook in haar jaarlijks activiteitenverslag;

39.  verlangt wat betreft sectorale begrotingssteun dat de sectorale conditionaliteitsmatrix systematisch wordt gebruikt en versterkt en dat adequate criteria voor interventie van de Unie worden gedefinieerd; zou ingenomen zijn met de geleidelijke omvorming van alle programma's voor algemene begrotingssteun in programma's voor sectorale begrotingssteun om het niveau van toezicht en verantwoording te verhogen zodat de financiële belangen van de Europese Unie beter worden beschermd;

40.  benadrukt hoe belangrijk het is dat er een adequate, op stimulansen berustende beleidsdialoog plaatsvindt, alsook voortdurende monitoring van sectorale hervormingen en programma's voor het meten van de prestaties en de duurzaamheid van de resultaten via de systemen voor financieel beheer van de Commissie met het oog op de tenuitvoerlegging van begrotingssteun in partnerlanden;

41.  dringt er bij de Commissie op aan de ontwikkeling van parlementaire controle, toezichtsorganen en deskundigheid en bekwaamheid in begunstigde landen krachtig te ondersteunen, onder meer door voortdurend technische bijstand te leveren; benadrukt dat een onafhankelijke nationale controle-instantie een voorwaarde moet zijn voor toekenning van begrotingssteun;

42.  spreekt zijn krachtige steun uit voor het feit dat de Commissie de overdracht van middelen naar ontvangende landen kan stopzetten wanneer niet aan voorafgaande voorwaarden, in het bijzonder de noodzakelijke macro-economische voorwaarden, wordt voldaan; verzoekt de Commissie eveneens de overdracht van middelen stop te zetten naar landen met een hoge corruptiegraad die geen gerichte beleidsmaatregelen hebben genomen om dit fenomeen te bestrijden;

Samenwerking met internationale organisaties

43.  stelt voor om tijdens de nieuwe zittingsperiode verdere stappen te nemen op weg naar een betere uitwisseling van informatie met de instellingen van de Wereldbank en de VN, teneinde de samenwerking te optimaliseren;

44.  herinnert aan de steun van het Parlement voor de definiëring en uitwisseling van goede praktijken teneinde vergelijkbare en duurzame kernbeginselen vast te stellen inzake betrouwbaarheid en naleving van de financiële regels van de Unie;

45.  is voorstander van uitgebreidere openbaarmaking van de controleverslagen van VN-instellingen om zo een beter beheer van de Uniefinanciering te bewerkstelligen;

46.  is van mening dat moet worden gestreefd naar verdere harmonisatie van respectievelijke bestuurssystemen en van interne en externe controles, zodat de gegevens, methodologieën en resultaten kunnen worden vergeleken;

47.  verlangt dat de zichtbaarheid van de financiering van de Unie nadrukkelijk wordt geëerbiedigd in door meerdere donoren gesteunde initiatieven, met name wanneer Unie-middelen worden uitgegeven in een risicovolle omgeving;

48.  is ingenomen met de verdieping van de betrekkingen van het Kinderfonds van de Verenigde Naties (UNICEF) en de Wereldbank met het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) middels de goedkeuring van de richtsnoeren van OLAF betreffende de uitwisseling van informatie en strategieën;

49.  spreekt wat betreft de uitvoering van het elfde EOF nogmaals zijn zorg uit dat uitvoerende entiteiten begrotingsuitvoeringstaken kunnen toevertrouwen aan andere privaatrechtelijke organisaties op basis van een dienstverleningscontract, waarmee een keten van vertrouwensrelaties ontstaat; dringt er bij de Commissie op aan strikte voorwaarden voor onderaanneming toe te passen en herinnert eraan dat bij deze vorm van uitvoering de entiteiten waaraan de uitvoering wordt toevertrouwd een hoog niveau van bescherming van de financiële belangen van de Unie moeten waarborgen;

50.  dringt aan op snelle opheldering over gebundelde financiering (met inbegrip van trustfondsen) en daarmee samenhangende risico's op het vlak van de regelmatigheid van de verrichtingen, met name wanneer financiële bijdragen van de Commissie aan multidonorprojecten worden gebundeld met middelen van andere donoren, zonder dat deze middelen zijn geoormerkt voor specifiek aanwijsbare subsidiabele uitgavenposten;

51.  verlangt te worden geïnformeerd over het voorbereidend onderzoek dat door de Commissie is uitgevoerd naar controles en beheersystemen bij andere betrokken internationale organisaties; vraagt bijkomende informatie over de mate van vergelijkbaarheid en consistentie van de reeds bestaande systemen;

52.  verzoekt te worden geïnformeerd over de preventieve, risicobeperkende of andere maatregelen die in werking kunnen worden gesteld wanneer een verschil van mening bestaat over het te bereiken niveau van zekerheid en het desbetreffende risico voor de totale uitgaven;

De investeringsfaciliteit van de Europese Investeringsbank

53.  herhaalt en is stellig van mening dat de door de Europese Investeringsbank (EIB) namens de Unie beheerde investeringsfaciliteit eveneens moet worden onderworpen aan de kwijtingsprocedure van het Parlement, aangezien de investeringsfaciliteit wordt gefinancierd door de belastingbetalers van de Unie;

54.  wijst erop dat de in artikel 287, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie genoemde tripartiete regeling voor de samenwerking tussen de EIB, de Commissie en de Rekenkamer inzake de controle door de Rekenkamer van de activiteiten die de EIB uitvoert in verband met het beheer van de middelen van de Unie en van de lidstaten, in 2015 hernieuwd zal worden; verzoekt de EIB de taakomschrijving van de Rekenkamer in dit verband te actualiseren en deze uit te breiden met alle nieuwe financiële instrumenten van de EIB die betrekking hebben op openbare middelen van de Unie of van het Europees Ontwikkelingsfonds;

55.  is ingenomen met de opname in het werkplan van de Rekenkamer van een controle op de investeringsfaciliteit van het EOF, in navolging van het verzoek van het Parlement tijdens de kwijtingsprocedure van 2012, en ziet uit naar de uitkomst van dit speciaal verslag in 2015;

56.  erkent dat de EIB projecten in risicovolle omgevingen ondersteunt, met name met politieke risico´s die verband houden met de instabiliteit in de ontvangende landen;

57.  is ingenomen met de door de EIB gehanteerde op resultaten gerichte benadering, met name met de invoering van een kader voor resultatenmeting dat het mogelijk maakt de betrouwbaarheid van projecten, de financiële en economische duurzaamheid ervan en de toegevoegde waarde van de EIB zelf te beoordelen; dringt erop aan dat een permanente dialoog met de betrokken partners wordt gewaarborgd over de meet-indicatoren en over de convergentie van bereikte resultaten;

58.  benadrukt het belang van het zerotolerancebeleid van de EIB met betrekking tot fraude en corruptie; herinnert eraan dat het nodig is te vermijden bedrijven te financieren waarvan bewezen is dat ze betrokken zijn bij fraude en corruptie; is van mening dat het huidige beleid van de EIB inzake niet-coöperatieve rechtsgebieden, met inbegrip van het laatste addendum, niet toereikend is, en vindt dat de EIB onverwijld een nieuw "verantwoordelijk belastingbeleid" moet aannemen, in het kader waarvan de EIB een "forensic review" dient uit te voeren van de uiteindelijke begunstigden van de gefinancierde bedrijven en, indien de financiering ten gunste komt van multinationals, deze dient te verplichten vooraf naar land uitgesplitste gegevens te verstrekken met betrekking tot inkomsten, geboekte winst en belastingdruk in alle landen waar ze actief zijn;

59.  herinnert eraan dat het belangrijk is dat de door de EIB gefinancierde projecten een brede maatschappelijke impact hebben, en dat deze projecten steun moeten verlenen aan lokale ondernemingen in plaats van speculatie in de hand te werken; verzoekt om een gedetailleerde jaarlijkse beoordeling van de maatschappelijke impact van de door de EIB gefinancierde projecten;

60.  dringt erop aan dat enkel Uniemiddelen worden toegekend aan financiële tussenpersonen die niet actief zijn in offshore financiële centra, aanzienlijke plaatselijke eigen inbreng hebben en toegerust zijn om een pro-ontwikkelingsbenadering uit te voeren waarin de bijzonderheden van kleine en middelgrote ondernemingen in de begunstigde landen worden ondersteund; vraagt de EIB niet samen te werken met financiële tussenpersonen met een ongunstige reputatie wat betreft transparantie, fraude, corruptie of sociale en ecologische gevolgen; benadrukt dat de EIB samen met de Commissie een stringente lijst van criteria op moet stellen voor de selectie van financiële tussenpersonen, die openbaar gemaakt wordt;

61.  moedigt de EIB aan om productieve investeringen te financieren en om leningen indien nodig te combineren met technische bijstand, teneinde de doeltreffendheid van projecten te verbeteren en te zorgen voor daadwerkelijke toegevoegde waarde van de Unie op het vlak van additionaliteit, en een hogere ontwikkelingsimpact te bereiken;

62.  herinnert eraan dat consistentie ten aanzien van de Uniedoelstellingen van groot belang is en dat terdege aandacht moet worden besteed aan de absorptiecapaciteit van de ACS-landen;

63.  dringt aan op een grondige screening van potentiële lokale actoren en tussenpersonen tijdens de identificatie en selectie van dergelijke actoren en tussenpersonen;

Gemengde financiering

64.  merkt op dat de toegenomen belangstelling voor het combineren van subsidies en leningen ("blending") vooral veroorzaakt wordt door het samenvallen van omvangrijke ontwikkelingsproblemen met ernstige beperkingen van de overheidsuitgaven, leidend tot de ontwikkeling van nieuwe financiële bronnen door subsidies van de Unie te combineren met andere vormen van financiering die geen subsidies zijn; moedigt de Rekenkamer aan geregeld te voorzien in een uitgebreide beoordeling van de activiteiten die worden gefinancierd door middel van een combinatie van financiële instrumenten;

65.  erkent dat door het combineren van subsidies met aanvullende overheids- en particuliere middelen (zoals leningen en aandelen) gezorgd kan worden voor een aanzienlijke hefboomwerking van subsidies en voor een krachtiger en doeltreffender beleidsontwikkeling van de Unie, teneinde aanvullende financiering te mobiliseren;

66.  benadrukt dat nieuwe financiële instrumenten en blending in overeenstemming moeten zijn met de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid van de Unie, gebaseerd op de criteria voor officiële ontwikkelingshulp en vastgelegd in de Agenda voor verandering; is van mening dat deze instrumenten gericht moeten zijn op prioriteiten van de Unie waar toegevoegde waarde en de strategische effecten het grootst zijn;

67.  neemt kennis van de resultaten van de herziening van het EU-platform voor blending in externe samenwerking, met als oorspronkelijk doel om de doeltreffendheid, efficiëntie en kwaliteit van bestaande systemen en faciliteiten voor het combineren van subsidies en leningen te verbeteren;

68.  vraagt om voor de bedoelde financiële activiteiten gezamenlijke uitvoeringsnormen in te voeren, alsook beste praktijken en subsidiabiliteits- en evaluatiecriteria vast te stellen; is van mening dat samenhangende regels op het gebied van beheer, zoals gestructureerde verslaglegging en duidelijke kaders en voorwaarden voor het houden van toezicht, de transactiekosten zullen verlagen en mogelijke dubbele betalingen zullen voorkomen dankzij een grotere transparantie en verantwoordingsplicht;

69.  roept, met het oog op de controle- en goedkeuringsbevoegdheid van het Parlement, op tot het uitbrengen van regelmatig verslag aan het Parlement over het gebruik van de financiële instrumenten en over de resultaten, waarbij met name een beoordeling moet worden overgelegd van de financiële en niet-financiële hefboomwerking en additionaliteit;

EU-steun in de Democratische Republiek Congo

70.  herhaalt zijn standpunt over de verontrustende situatie in de Democratische Republiek Congo (DRC), met name wat betreft de hervorming van het rechtsstelsel en de situatie van de rechtsstaat, de overheidsfinanciën en de kwestie van decentralisatie;

71.  is ingenomen met de beoordeling door de Rekenkamer van de met EOF-middelen gefinancierde ontwikkelingshulp van de Unie; stemt ermee in dat het gebrek aan politieke wil en de ontbrekende absorptiecapaciteit voor een groot deel het beperkte succes verklaren van de verbetering van het bestuur in de DRC;

72.  wijst erop dat de DRC algemeen wordt erkend als een van de meest kwetsbare staten in de wereld; dringt er met klem op aan bindende kernprestatie-indicatoren en benchmarks te ontwikkelen om de vooruitgang op een betrouwbare manier te kunnen beoordelen; dringt er tevens op aan dat deze kernprestatie-indicatoren en benchmarks op een realistische manier worden opgesteld;

73.  verzoekt de Commissie en de EDEO de meest recente lijst met prioriteiten voor Europese ontwikkelingshulp in de DRC te verstrekken, als follow-up bij het kwijtingsverslag van afgelopen jaar, waarin werd voorgesteld een beperkter aantal prioriteiten vast te stellen om een betere en meer toegespitste strategie voor ontwikkelingshulp mogelijk te maken;

EU-steun in Haïti

74.  spreekt nogmaals zijn algemene tevredenheid uit over het werk en de inspanningen van de diensten van de Commissie in reactie op de aardbeving in Haïti in 2010, rekening houdend met de uitermate moeilijke omstandigheden voor de delegatie van de Unie en het personeel daarvan; is verheugd over het feit dat de Commissie betalingen en uitgaven kan opschorten wanneer de regering van Haïti op het vlak van financieel beheer en aanbestedingsprocedures onvoldoende vooruitgang boekt;

75.  neemt nota van de door de Rekenkamer vastgestelde tekortkomingen op het gebied van coördinatie; onderstreept in dit verband dat het belangrijk is te blijven zorgen voor nauwe coördinatie tussen donoren en binnen de diensten van de Commissie; dringt aan op een voortdurende afstemming van de humanitaire hulp en de ontwikkelingshulp, alsook op een betere koppeling van noodhulp, herstel en ontwikkeling (Linking Relief, Rehabilitation and Development - LRRD) middels een permanent LRRD-interdienstenplatform; is van oordeel dat daar waar mogelijk gewerkt moet worden volgens geïntegreerde benaderingswijzen, met duidelijk gedefinieerde doelstellingen voor de samenwerking tussen ECHO en EuropeAid, en op basis van een coherente landenstrategie, en dat ook altijd gezorgd moet worden voor uitwisseling van goede praktijken; nodigt de Commissie uit de dialoog met het Parlement aan te gaan; is daarnaast van oordeel dat het inschakelen van het lokale maatschappelijk middenveld kan bijdragen aan een betere benutting van de plaatselijk beschikbare kennis;

76.  herinnert aan de aanbevelingen die zijn opgesteld na het bezoek van de delegatie van de Commissie begrotingscontrole aan Haïti in februari 2012 en wijst opnieuw met klem op de belangrijke kwestie van de traceerbaarheid en de controleerbaarheid van ontwikkelingsgelden van de Unie, met name middels het aan elkaar koppelen van begrotingssteun en specifieke prestaties; vraagt de Commissie en de EDEO in het geval van de toekenning van sectorale begrotingssteun met klem te wijzen op de conditionaliteitsmatrix;

77.  brengt in herinnering dat de maatregelen voor "staatsopbouw" de kern van de ontwikkelingshulpstrategie van de Unie en de hoeksteen van actieplannen in crisissituaties moeten vormen; dringt aan op de totstandbrenging van een goede beleidsmix in overeenstemming met het optreden van de Unie;

78.  is van oordeel dat dit soort crisis- en fragiele situaties de ontwikkeling van nieuwe activiteiten vereisen, zoals i) het in kaart brengen van risico's op de verschillende operationele niveaus, ii) het opstellen van projecties van mogelijke gevolgen, en iii) het ontwerpen van instrumenten die gericht zijn op het vermijden en reduceren van risico's en potentiële rampen, en het daarop voorbereid zijn, die voldoende flexibiliteit bieden evenals de mogelijkheid om deskundigen in te zetten op diverse vakgebieden;

79.  spoort de Commissie en de EDEO aan stelselmatiger en gezamenlijk te werken aan de vier fasen van de cyclus voor het beheer van rampen; vraagt de Commissie en de EDEO het Parlement op de hoogte te houden van de ontwikkelingen op het gebied van risicobeheer en de voorbereidingen met het oog op de tenuitvoerlegging van programma's en de verwezenlijking van de doelstellingen nadat rampen zich hebben voltrokken;

80.  brengt nog eens in herinnering dat in geval van een crisis voldoende aandacht moet worden besteed aan de geschiktheid en de operationele doeltreffendheid van de nationale maatregelen voor risicobeperking bij rampen, hetgeen een voorwaarde vormt voor het welslagen van het optreden van de Unie;

De toekomst van het EOF

81.  pleit ervoor de strategieën en prioriteiten van toekomstige EOF-activiteiten nauwkeurig te definiëren en op basis daarvan een systeem van financiële instrumenten op te zetten, met inachtneming van het efficiëntie- en het transparantiebeginsel;

82.  betreurt dat de EOFs niet zijn opgenomen in de algemene begroting in de nieuwe financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Europese Unie (Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012);

83.  herinnert eraan dat het Parlement, de Raad en de Commissie zijn overeengekomen dat deze financiële regels zouden worden herzien om wijzigingen op te nemen die noodzakelijk zijn ingevolge de uitkomst van de onderhandelingen over het meerjarig financieel kader voor de periode 2014 - 2020, met inbegrip van de kwestie van de eventuele opname van de EOFs in de Uniebegroting; herhaalt zijn oproep aan de Raad en de lidstaten om in te stemmen met de volledige opname van de EOFs in de begroting van de Unie;

84.  is van mening dat de nieuwe zittingsperiode een nieuwe politieke mogelijkheid biedt om de instellingen van de Unie aan te moedigen op korte termijn een beschouwing en een evaluatie in gang te zetten met betrekking tot het scenario na 2020 voor de mogelijke vervanging van het huidige Verdrag van Cotonou; herhaalt zijn standpunt dat het EOF zo spoedig mogelijk moet worden opgenomen in de algemene begroting;

85.  is van mening dat de opname van de EOFs in de algemene begroting de democratische controle zal versterken doordat het Parlement wordt betrokken bij de bepaling van de strategische prioriteiten bij de toewijzing van middelen, en daarnaast zal zorgen voor een effectievere tenuitvoerlegging, met betere coördinatiemechanismen zowel op het hoofdkantoor van de Commissie als in het veld; verzoekt de Commissie opnieuw bij de komende beoordeling terdege rekening te houden met de financiële gevolgen van de opname van de EOFs voor de lidstaten, alsmede met de mogelijkheid van een bindende verdeelsleutel voor de lidstaten;

86.  is van mening dat stroomlijning en harmonisatie van de regels betreffende EOFs waarschijnlijk zal leiden tot een beperking van het risico op fouten en inefficiënties en tot een grotere mate van transparantie en rechtszekerheid; spoort de Commissie aan om één enkele financiële regeling voor alle EOF's voor te stellen; betreurt dat de Commissie in het kader van het debat over het toekomstige akkoord voor het elfde EOF geen voorstel heeft gedaan voor één enkele financiële regeling om het beheer van de EOF's te vereenvoudigen;

Follow-up van de resoluties van het Parlement

87.  verzoekt de Rekenkamer in haar volgende jaarverslag een evaluatie op te nemen van de follow-up van de aanbevelingen van het Parlement in zijn jaarlijkse kwijtingsresolutie.

(1) PB C 398 van 12.11.2014, blz. 1.
(2) PB C 401 van 13.11.2014, blz. 264.
(3) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.
(4) PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.
(5) PB L 314 van 30.11.2001, blz. 1, en PB L 324 van 7.12.2001, blz. 1.
(6) PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.
(7) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.
(8) PB L 247 van 9.9.2006, blz. 32.
(9) PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.
(10) PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.
(11) PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1.
(12) PB C 398 van 12.11.2014, blz. 1.
(13) PB C 401 van 13.11.2014, blz. 264.
(14) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.
(15) PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.
(16) PB L 314 van 30.11.2001, blz. 1, en PB L 324 van 7.12.2001, blz. 1.
(17) PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.
(18) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.
(19) PB L 247 van 9.9.2006, blz. 32.
(20) PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.
(21) PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.
(22) PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1.


Kwijting 2013: Algemene begroting van de EU - Europees Parlement
PDF 426kWORD 229k
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling I – Europees Parlement (2014/2078(DEC))
P8_TA(2015)0121A8-0082/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2014)0510 – C8-0147/2014)(2),

–  gezien het verslag over het begrotings- en financieel beheer voor het begrotingsjaar 2013, afdeling I – Europees Parlement(3),

–  gezien het jaarverslag van de intern controleur voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van de instellingen(4),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(5) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en artikel 318 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(7), en met name de artikelen 164, 165 en 166,

–  gezien het besluit van het Bureau van 27 april 2005 over de interne voorschriften voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement(8), en met name artikel 13,

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2012 over de richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2013 – afdelingen I, II, IV, V, VI, VII, VIII, IX en X(9),

–  gezien zijn resolutie van 29 maart 2012 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2013(10),

–  gezien artikel 94, artikel 98, lid 3, en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0082/2015),

A.  overwegende dat de Voorzitter de jaarrekening van het Parlement voor het begrotingsjaar 2013 op 25 juni 2014 heeft goedgekeurd;

B.  overwegende dat de secretaris-generaal, als gedelegeerd hoofdordonnateur, op 6 november 2014 heeft verklaard redelijke zekerheid te hebben dat de aan de begroting van het Parlement toegewezen middelen zijn gebruikt voor het beoogde doel en overeenkomstig de beginselen van goed financieel beheer;

C.  overwegende dat de Rekenkamer heeft verklaard dat, wat de administratieve uitgaven in 2013 betreft, alle instellingen de bij Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 voorgeschreven toezicht- en controlesystemen op bevredigende wijze hebben toegepast;

D.  overwegende dat op grond van artikel 166, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 alle EU-instellingen verplicht zijn alles in het werk te stellen om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Parlement vergezeld gaat;

1.  verleent zijn Voorzitter kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer, de Europese ombudsman en de Europees toezichthouder voor gegevensbescherming, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling I – Europees Parlement (2014/2078(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling I – Europees Parlement,

–  gezien het Besluit van de Europese Ombudsman van 26 februari 2015 tot afsluiting van zijn initiatiefonderzoek OI/1/2014/PMC inzake klokkenluiders,

–  gezien artikel 94, artikel 98, lid 3, en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0082/2015),

A.  overwegende dat de rekenplichtige van het Parlement in zijn certificering van de definitieve rekeningen aangeeft ervan overtuigd te zijn dat deze een getrouw en juist beeld geven van de financiële positie van het Parlement in alle materiële aspecten en dat er geen zaken onder zijn aandacht zijn gebracht die het maken van een voorbehoud rechtvaardigen;

B.  overwegende dat de Rekenkamer naar aanleiding van haar controle heeft besloten dat bij de controle geen ernstige tekortkomingen werden vastgesteld met betrekking tot de gecontroleerde aspecten bij het Parlement en dat de toezicht- en controlesystemen, wat de administratieve uitgaven in 2013 betreft, doeltreffend waren;

C.  overwegende dat volgens de gebruikelijke procedure een vragenlijst aan de administratie van het Parlement is gezonden en dat de meeste antwoorden door de Commissie begrotingscontrole zijn besproken in aanwezigheid van de voor begrotingsaangelegenheden verantwoordelijke ondervoorzitters, de secretaris-generaal en de interne controleur; overwegende dat voor het eerst een aantal vragen van leden niet is beantwoord, noch schriftelijk, noch mondeling, waardoor het Parlement niet over de benodigde informatie beschikt om een gefundeerd besluit te kunnen nemen over bepaalde belangrijke aspecten in verband met het verlenen van kwijting aan het Europees Parlement;

D.  overwegende dat toezicht noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de administratie en het politiek leiderschap van het Parlement verantwoordelijk worden gesteld ten aanzien van de burgers van de Unie; overwegende dat de kwaliteit, doeltreffendheid en doelmatigheid van het beheer van de overheidsfinanciën voortdurend kunnen worden verbeterd;

E.  overwegende dat in het op 11 juli 2014 vastgestelde verslag van de Rekenkamer opgemerkt wordt dat ongeveer 114 miljoen EUR per jaar op de begroting van de Unie kan worden bespaard als het Parlement zijn activiteiten centraliseert;

F.  overwegende dat het Parlement als enige van alle instellingen geen kwijting verleent aan de secretaris-generaal of een bevoegde ondervoorzitter, maar aan zijn Voorzitter;

De rekeningen van het Europees Parlement

1.  stelt vast dat de definitieve kredieten van het Parlement voor 2013 in totaal 1 750 463 939 EUR beliepen, zijnde 19,07 % van rubriek V van het meerjarig financieel kader voor de administratieve uitgaven van de EU-instellingen als geheel in 2013, en neerkomen op een stijging met 1,9 % ten opzichte van de begroting 2012 (1 717 868 121 EUR);

2.  constateert dat de totale in de boekhouding opgenomen ontvangsten op 31 december 2013 158 117 371 EUR bedroegen (tegenover 175 541 860 EUR in 2012), waaronder 25 991 783 EUR aan bestemmingsontvangsten (tegenover 22 274 843 EUR in 2012);

3.  neemt er kennis van dat vier hoofdstukken 70 % van de totale vastleggingen uitmaken: hoofdstuk 10 (Leden van de instelling), hoofdstuk 12 (Ambtenaren en tijdelijke functionarissen), hoofdstuk 20 (Gebouwen en bijkomende kosten) en hoofdstuk 42 (Assistentie aan de leden);

4.  neemt kennis van de onderstaande cijfers, op grond waarvan de rekeningen van het Parlement voor het begrotingsjaar 2013 werden afgesloten:

a)  Beschikbare kredieten (EUR)

kredieten voor 2013:

1 750 463 939

niet-automatische overdrachten van het begrotingsjaar 2012:

0

automatische overdrachten van het begrotingsjaar 2012:

305 457 875

kredieten corresponderend met bestemmingsontvangsten voor 2013:

25 991 783

overdrachten corresponderend met bestemmingsontvangsten van 2012:

106 900 532

Totaal:

2 188 814 129

b)  Besteding van de kredieten in het begrotingsjaar 2013 (EUR)

vastleggingen:

2 162 476 429

verrichte betalingen:

1 769 756 705

automatisch overgedragen kredieten, waaronder die afkomstig van bestemmingsontvangsten:

384 709 057

niet-automatisch overgedragen kredieten:

734 000

geannuleerde kredieten:

33 114 755

c)  Begrotingsontvangsten (EUR)

ontvangen in 2013:

158 117 371

d)  Totale balans op 31 december 2013 (EUR)

1 573 957 198

5.  merkt op dat in 2013 voor 99,02 % van de op de begroting van het Parlement ingeschreven kredieten vastleggingen zijn verricht, met een annuleringspercentage van 0,8 %, en dat, net als in de vorige begrotingsjaren, een zeer hoog niveau van uitvoering van de begroting werd gerealiseerd;

6.  wijst er evenwel op dat uit een dergelijk hoog begrotingsuitvoeringspercentage niet valt op te maken of hierbij sprake is van overschrijvingen, waarmee aan het einde van het jaar alle nog beschikbare kredieten worden overgedragen naar begrotingslijnen voor het gebouwenbeleid, in het bijzonder voor versnelde kapitaalaflossing ter vermindering van toekomstige rentebetalingen; wenst het begrotingsuitvoeringspercentage daarom te ontvangen vóór de aanvang van de procedure van collectieve overschrijvingen; 

7.  wijst er in dit verband op dat 54 000 000 EUR werd overgeschreven van voorzieningen en andere bronnen om de uitbreiding en modernisering van het Konrad Adenauer-gebouw (KAD), het belangrijkste bouwproject in Luxemburg, te helpen financieren;

8.  neemt er kennis van dat de financieringskosten gedurende de bouw en de aflossing van de lening hierdoor naar schatting 18 100 000 EUR lager zullen uitvallen; wijst zijn bevoegde organen er echter op dat voorfinanciering of terugbetalingen voor gebouwen in het kader van de begrotingsstrategie moeten worden vastgesteld; verzoekt zijn bevoegde organen dan ook het gebouwenbeleid van het Parlement voor toekomstige aankopen voldoende duidelijk te begroten;

9.  herinnert zijn administratie eraan dat het Parlement herhaaldelijk heeft verzocht om zijn gebouwenbeleid naar behoren in de begroting op te nemen; verwacht dat dit vanaf het begrotingsjaar 2016 zal gebeuren;

10.  heeft kritiek op het andermaal toegenomen niveau van de overdrachten, namelijk 305 457 875 EUR naar 2013 (tegenover 222 900 384 EUR in 2012);

Adviezen van de Rekenkamer over de betrouwbaarheid van de jaarrekening over 2013 en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen

11.  waardeert het dat bij de controle geen ernstige tekortkomingen werden vastgesteld met betrekking tot de gecontroleerde aspecten bij het Parlement;

12.  herinnert eraan dat de Rekenkamer de administratieve en andere uitgaven voor alle instellingen van de Unie als één beleidsgroep aan een specifieke beoordeling onderwerpt;

13.  neemt er nota van dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat uit de toetsing van de verrichtingen naar voren is gekomen dat de meest waarschijnlijke fout in de populatie van deze beleidsgroep 1 % bedraagt, dat zij derhalve geen foutenpercentage van materieel belang vertoont en dat de toezicht- en controlesystemen doeltreffend waren;

14.  merkt op dat de controle een onderzoek van een steekproef van 153 betalingsverrichtingen omvatte, namelijk 95 voor personeelsgerelateerde uitgaven, 17 voor uitgaven voor gebouwen en 41 voor andere uitgaven; stipt aan dat administratieve en andere uitgaven weinig risico plegen op te leveren en verzoekt de Rekenkamer haar onderzoek verder toe te spitsen op foutgevoeliger terreinen, namelijk de niet-naleving van de procedures voor het plaatsen van opdrachten, voor uitgaven in verband met gebouwen en voor de tenuitvoerlegging van contracten;

15.  wijst er nogmaals op dat aanzienlijke bezuinigingen kunnen worden behaald door ervoor te zorgen dat het Parlement één zetel heeft;

Jaarverslag van de intern controleur

16.  wijst erop dat de interne controleur op 26 januari 2015 in de bevoegde commissie zijn op 23 juli 2014 ondertekende jaarverslag heeft gepresenteerd en heeft uitgelegd dat hij de administratie van het Parlement in 2013 aan de onderstaande controles heeft onderworpen:

   een raadpleging inzake ontvangst- en representatiekosten van de parlementaire commissies en interparlementaire delegaties;
   een transversale follow-up van nog niet afgewikkelde acties uit het verslag van de interne controleur – fasen I en II van 2013;
   een controle van de externe expertise waarop een beroep is gedaan voor STOA (Evaluatie van wetenschappelijke en technische opties);
   een periodieke doorlichting van het bouwproject rond het Konrad Adenauer-gebouw (KAD) - Fase 1: Projectbeheer en managementsystemen;
   een evaluatie van het project voor het nieuwe systeem voor financieel beheer (FMS) - Fase 1: Projectomvang, beheer, middelen en risicobeheer;
   een controle van de externe expertise waarop een beroep is gedaan voor het directoraat-generaal Extern Beleid;
   een controle van de voorlichtingsbureaus en van het proces van de afwikkeling van uitgaven bij gelden ter goede rekening ("regularisatie");

17.  benadrukt in verband met de doorlichting van het bouwproject rond het Konrad Adenauer-gebouw (KAD) de volgende aandachtspunten:

   er moet worden gewaarborgd dat het partnerschap met de Luxemburgse autoriteiten voor de volledige duur van het project efficiënt en doeltreffend blijft verlopen;
   er moet worden gewaarborgd dat voor de volledige duur van het project voldoende personeel voor het KAD-project wordt ingezet;
   de procedures voor financieel beheer en controle die van toepassing zijn op de huurovereenkomst die met de vastgoedonderneming "SI KAD PE" gesloten is, moeten nader bepaald en verduidelijkt worden;

18.  vraagt om tegen uiterlijk 20 mei 2015 een beknopt overzicht (drie bladzijden) van de belangrijkste punten van kritiek in het jaarverslag van de afdeling Interne Audit op te stellen;

Audit van het internecontrolekader van het Parlement

19.  wijst erop dat eind 2013, na opeenvolgende follow-up-controles, 13 van de 452 acties die oorspronkelijk binnen het kader voor interne controle waren overeengekomen, nog steeds niet afgewikkeld waren; neemt nota van de vooruitgang die bij 4 van deze 13 acties is geboekt, waardoor het restrisico kon worden herzien van "belangrijk" tot "matig";

20.  dringt er bij het beheer van de departementen en het centrale beheer op aan om de resterende "nog niet afgewikkelde acties" onverwijld uit te voeren; verzoekt hen strakkere tijdschema's voor nog uit te voeren acties aan te houden; verzoekt de interne controleur de Commissie begrotingscontrole op de hoogte te houden van de vooruitgang in verband met deze acties; verzoekt hen ook om een kwantificering van de kosten en besparingen van de nieuwe maatregelen die in deze resolutie worden voorgesteld en ze op te nemen in de monitoring van de kwijting 2013;

Follow-up van de kwijtingsresolutie voor 2012

21.  neemt nota van de schriftelijke antwoorden op de kwijtingsresolutie voor 2012, die de Commissie begrotingscontrole op 28 oktober 2014 heeft ontvangen, en van de presentatie door de secretaris-generaal naar aanleiding van de diverse vragen en verzoeken in de kwijtingsresolutie van het Parlement voor 2012 en de in aansluiting daarop gehouden gedachtewisseling met de leden; betreurt dat aan enkele aanbevelingen van het Parlement geen passend gevolg is gegeven;

22.  neemt er nota van dat, vijf jaar na de tenuitvoerlegging van het nieuwe statuut van de parlementaire medewerkers, eind 2014 de evaluatie had moeten worden gepresenteerd, zoals de secretaris-generaal had toegezegd in zijn mondelinge en schriftelijke antwoorden over de follow-up van de aanbevelingen van het Parlement in de kwijtingsresolutie voor 2012; verlangt dat de evaluatie wordt uitgevoerd in samenwerking met vertegenwoordigers van de geaccrediteerde parlementaire medewerkers van de vorige zittingsperiode die nog werkzaam zijn bij het Parlement, dat het verslag hierover vóór 30 juni 2015 wordt gepresenteerd en dat de Commissie begrotingscontrole in kennis wordt gesteld van de resultaten; wijst erop dat het Parlement op 31 december 2013 1 763 geaccrediteerde parlementaire medewerkers in dienst had;

23.  merkt op dat de cateringdienst eind 2013 een tekort van 3 500 000 EUR vertoonde; is verbaasd dat het niet mogelijk was een gezonde financiële situatie te bereiken hoewel het aantal gebruikers tussen 2002 en 2011 met circa 150 % is toegenomen; herhaalt, in het licht van de tweede prijsherziening (die het Bureau op 10 juni 2013 heeft goedgekeurd), zijn verzoek om voor het prijsbeleid bij het Parlement niet uit te gaan van de praktijken in andere instellingen; wijst bijvoorbeeld op de verschillende tariefstructuur in de cateringdiensten en cafetaria's van de Commissie; wijst er voorts op dat de aanzienlijke stijging van de prijzen van de aangeboden menu's niet gepaard is gegaan met een verhoging van de kwaliteit of de variatie, die integendeel sterk zijn achteruitgegaan;

24.  vraagt zich af waarom de koffie die bij de ingang van enkele vergaderzalen voor parlementaire commissies wordt aangeboden, 20 % duurder is dan hetzelfde product dat kan worden verkregen uit hetzelfde soort machine of in de cafetaria's van het Parlement; wijst erop dat de dienst wordt afgenomen bij het bedrijf dat belast is met de catering, welk bedrijf ook de koffiemachines van Nespresso in het Parlement exploiteert; vindt dat een verklaring moet worden gegeven voor de extra kosten die gepaard gaan met de uitbreiding van het contract tussen het Parlement en deze contractant;

25.  is van mening dat bijzonder belang moet worden gehecht aan het verbeteren van de toegang van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) tot alle concessiemarkten van de Unie; vindt dat de concessie aan het bedrijf dat momenteel met de catering in de zetel in Brussel belast is, een obstakel vormt voor de vrije verrichting van diensten, doordat andere kmo's commerciële rechten en kansen worden ontzegd die ze tot voor kort wel nog hadden; vraagt te overwegen om in de concessiecontracten een zekere flexibiliteit in te voeren om te waarborgen dat andere exploitanten over een daadwerkelijke en niet-discriminerende toegang tot specifieke diensten beschikken; is van mening dat dit bovendien een optimaal gebruik van middelen zal bevorderen en zal leiden tot diensten met de hoogste kwaliteit tegen de beste prijs;

Kwijting van het Europees Parlement voor 2013

26.  neemt kennis van de gedachtewisseling tussen de voor begrotingsaangelegenheden verantwoordelijke ondervoorzitters, de secretaris-generaal en de Commissie begrotingscontrole, die op 26 januari 2015 in aanwezigheid van het verantwoordelijke lid van de Rekenkamer en de interne controleur is gehouden;

27.  stelt andermaal dat de bestuurlijke organen van het Parlement bij de kwijting verantwoording moeten afleggen voor de middelen die aan het Parlement ter beschikking zijn gesteld, om te waarborgen dat de burgers van de Unie een getrouw en juist beeld krijgen van de manier waarop het Parlement de ontvangen middelen aanwendt en de manier waarop het zijn besluiten neemt, en dat het bijgevolg van essentieel belang is dat het besluitvormingsproces op volstrekt transparante wijze verloopt;

28.  betreurt dat de secretaris-generaal niet geantwoord heeft op een hele reeks vragen van de leden; herhaalt dat voor het effectieve toezicht op de uitvoering van de begroting van het Parlement altijd nauwe samenwerking tussen de administratie van het Parlement en de Commissie begrotingscontrole nodig geweest is en zal blijven; verzoekt de secretaris-generaal bijgevolg de vragenlijst in te vullen en schriftelijk op onderstaande vragen te antwoorden:

Strategisch uitvoeringskader voor het Europees Parlement

Strategische documenten

Strategie voor maatregelen inzake efficiënt hulpbronnengebruik

Leden van het Europees Parlement

Directoraat-generaal CommunicatieCommunicatiestrategie en voorbereiding van de informatiecampagne voor de verkiezingen 2014

Geaccrediteerde parlementaire medewerkers

Directoraat-generaal Infrastructuur en LogistiekCateringdiensten

Directoraat-generaal Beveiliging en Veiligheid

   a) De secretaris-generaal heeft in zijn presentatie van het strategisch uitvoeringskader voor het Europees Parlement op 3 juni 2014 aangegeven dat dit gebaseerd is op een wetenschappelijke theorie die werd ontwikkeld door de Stanford School of Engineering in Palo Alto (Californië). Kan de secretaris-generaal uitleggen hoe het Parlement ertoe gekomen is deze theorie als uitgangspunt voor het strategisch uitvoeringskader te kiezen? Hebben ook andere universiteiten of vakinstellingen, met name op Europees maar ook op internationaal vlak, theorieën ontwikkeld, en zijn deze in ogenschouw genomen, bestudeerd en naast elkaar gelegd voordat de keuze viel op de theorie van Stanford? Zo ja, waarom werd uiteindelijk gekozen voor de Standford School of Engineering? Hoe is het besluit genomen en door wie?
   b) Kan gratis gebruik worden gemaakt van de studie van Stanford, of moet enigerlei vergoeding worden betaald? Zo ja, hoeveel heeft dit gekost?
   c) Hebben personeelsleden van het Parlement, toen het strategisch uitvoeringskader werd ontwikkeld, een speciale opleiding moeten volgen op Stanford of op een andere universiteit? Zo ja, wie (met welke rang en functie) heeft deze opleiding gevolgd, en hoeveel heeft elke opleiding gekost? Is er in de toekomst verdere opleiding nodig? Zo ja, hoeveel zal die kosten?
   d) Zijn er over het strategisch uitvoeringskader interne besprekingen gepland tussen de betrokken diensten en met deelname van het personeelscomité en de vakbonden? Hoe en wanneer zal het strategisch uitvoeringskader ten uitvoer worden gelegd en hoeveel zal dit naar verwachting kosten?
   e) In de afgelopen maanden heeft de secretaris-generaal aan het Bureau een hele reeks strategische documenten voorgelegd over de werking van het Parlement. Deze zullen van doorslaggevende invloed zijn voor het administratieve reilen en zeilen van het Parlement en voor zijn benadering inzake wetgeving en Europees beleid. Gezien het belang van deze documenten voor de organisatie en de ontwikkeling van onze werkzaamheden, rijst de vraag waarom er geen procedure bestaat aan de hand waarvan de besprekingen en besluitvorming kunnen worden uitgebreid tot ver buiten het Bureau en alle belanghebbende partijen hierbij kunnen worden betrokken?
   f) Is er een beoordeling gemaakt van de gevolgen van de nieuwe vergadertijden voor de organisatie van de werkzaamheden van de leden, alvorens deze voor te stellen en toe te passen (beperking van de tijdvakken voor vergaderingen, werkafspraken, ontmoetingen met organisaties en burgers, enz. buiten de officiële vergaderingen om)? Waarom zijn de leden niet geraadpleegd over een beslissing die van rechtstreekse invloed is op de organisatie van hun werkzaamheden?
   g) Wat is de balans van de eerste maanden van de "one-stop-shop" voor parlementaire diensten ten behoeve van de leden?
   h) Voor het Europees jongerenevenement dat deel uitmaakte van deze campagne en in mei 2014 plaatsvond, zijn 5 000 jongeren in Straatsburg bijeengekomen. Is bij de voorbereiding van dit evenement rekening gehouden met de economische situatie in Europa en met het beeld dat onder de Europese jongeren wordt geschapen door de uitgaven die met een dergelijk grootschalig evenement gepaard gaan?
   i) Moet de leus "ACTIE, REACTIE, IMPACT" algemeen als succesvol worden beschouwd? Welke prestatie-indicatoren zijn gebruikt om dit succes te meten? Hoe wordt deze leus na de verkiezingen gebruikt, en is er een beoordeling/evaluatie uitgevoerd na de wetgevings- en waardencampagnes van het EP? Gelieve de Commissie begrotingscontrole een kopie van de evaluatie voor te leggen.
   j) Zijn er beoordelingen/evaluaties uitgevoerd van het meerjarig subsidieprogramma 2012-2014 dat tot doel had meer bekendheid te geven aan de rol van het Europees Parlement, en kunnen die beoordelingen ter beschikking worden gesteld van de Commissie begrotingscontrole?
   k) Is er reeds een evaluatie gemaakt van de doeltreffendheid van het instrument voor aanwerving van geaccrediteerde parlementaire medewerkers, "APA-PEOPLE", dat ter gelegenheid van de nieuwe zittingsperiode werd gelanceerd?
   l) Waarom moesten sommige geaccrediteerde parlementaire medewerkers maandenlang wachten voordat zij op de relevante mailinglijsten van het EP (Assistants 8th legislature, Bruxelles) werden gezet, waardoor ze geen informatie konden ontvangen over hun werk? Zijn daarvoor maatregelen genomen?
   m) Graag vernemen wij waarom de prijzen in het SQM-gebouw 25 % hoger zijn dan in de kantine van het ASP-gebouw. Wordt daarmee niet de poging ondermijnd om mensen uit de overbevolkte ASP-kantine weg te lokken?
   n) Welke maatregelen zijn getroffen om de beveiliging te verbeteren na de recente incidenten, met name die op 7 oktober 2014 met Koerdische demonstranten? Zal het nieuw algemeen veiligheidsconcept worden geactualiseerd?
   o) Heeft het Parlement een elektronisch herkenningssysteem voor kentekenplaten van auto's aangeschaft? Hoe duur was dat? Is dit systeem geïnstalleerd en wordt het gebruikt bij de ingang van de garage om te controleren of de kentekens overeenkomen met de informatie op de dienstkaarten?

29.  beveelt aan dat alle agenda's en notulen van vergaderingen en alle door de besluitvormingsorganen van het Parlement genomen besluiten onverwijld worden meegedeeld aan alle leden, het personeel van het Parlement en het grote publiek, met het oog op een grotere transparantie en doeltreffendheid van de politieke en administratieve werkzaamheden van het Parlement; herinnert aan het nut van de vroegere Commissie reglement als forum voor discussie en het op transparante en openbare wijze verbeteren van zowel de regelgevingsprocedure als de interne aangelegenheden van het Parlement; beveelt in dit verband aan om een neutrale Commissie reglement en interne zaken in te stellen, die al deze aangelegenheden kan behandelen voordat ze door de plenaire vergadering van het Parlement worden bekrachtigd;

30.  is zeer bezorgd over het feit dat het Parlement over de periode 2013-2014 17 800 000 EUR heeft toegekend aan promotieactiviteiten die zijn omschreven als verkiezingscampagne, terwijl de opkomst bij de Europese verkiezingen van 2014 opnieuw is gedaald tot 42,54 % (in 2009: 43 %); pleit ervoor een nieuwe strategie aan te wenden om de aantrekkelijkheid van de Europese verkiezingen in de lidstaten te vergroten;

31.  beklemtoont dat voor juni 2015 een externe ex-postevaluatie van de communicatiestrategie voor de verkiezingen van 2014 wordt verwacht; vraagt om de Commissie begrotingscontrole in kennis te stellen van de publicatiedatum; verwacht in dit verslag een uitgebreide analyse van de geldmiddelen;

32.  stelt vast dat de Eurobarometer-enquête van het Europees Parlement (EB/EP 82.5) laat zien dat 23 % van de respondenten tijdens de verkiezingscampagne van 2014 een zeer negatief beeld had van het Parlement, terwijl 43 % een neutraal beeld had; wijst erop dat uit een media-analyse blijkt dat een negatief beeld vaak verband houdt met financiële regelingen voor de leden, zoals vergoedingen, salarissen en de begroting van het Parlement in het algemeen; is er daarom van overtuigd dat er ter versterking van het vertrouwen in en de steun voor het Parlement structurele verbeteringen nodig zijn, bijvoorbeeld wat betreft volledige transparantie en verantwoording van de algemene kostenvergoeding;

33.  wijst op de oprichting van het nieuwe directoraat-generaal Parlementaire Onderzoeksdiensten, dat onafhankelijk academisch advies zal uitbrengen, in de eerste plaats aan individuele leden, als aanvulling op de werkzaamheden van de beleidsondersteunende afdelingen, die zich richten op de behoeften van de parlementaire organen;

34.  is ingenomen met de instelling van een dienst voor de effectbeoordeling van EU-wetgeving; verzoekt deze dienst om zich met name te buigen over de door het Parlement bereikte compromissen en wijzigingen van Commissievoorstellen; verlangt uiterlijk op 30 oktober 2015 een strategie voor de snelle evaluatie/effectbeoordeling van wetgeving, de bekendmaking van deze dienst onder de leden en een overzicht van de totale kosten; dringt erop aan dat deze dienst regelmatig met de desbetreffende diensten van de Commissie, van de Raad en van de nationale parlementen overlegt;

35.  neemt nota van de samenwerkingsovereenkomst tussen het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en het Parlement, die uiteindelijk op 5 februari 2014 ondertekend is en begonnen is met een aanzienlijke overheveling van medewerkers van beide comités naar het nieuwe DG Parlementaire Onderzoeksdiensten van het Europees Parlement; vindt dat de interinstitutionele samenwerking doeltreffender moet worden en meent dat bundeling van deskundigheid en koopkracht tot betere resultaten en lagere totale kosten zou moeten leiden op gebieden waarop de instellingen soortgelijke bijstand behoeven; hoopt dat de ontwikkeling van deze overeenkomst tussen de drie instellingen de verwezenlijking van deze doelstellingen zal dienen, een evenwichtig karakter zal hebben en de drie instellingen evenveel voordeel zal opleveren; verzoekt alle drie de instellingen om een jaar na het begin van deze samenwerking een afzonderlijke evaluatie van de effecten van deze overeenkomst uit te voeren vanuit het oogpunt van menselijke middelen, uitgaven, synergieën, toegevoegde waarde en inhoud;

36.  neemt nota van de oprichting van het directoraat-generaal Beveiliging en Veiligheid; herinnert eraan dat de internalisering van de veiligheidsdiensten van het Parlement in 2013 een besparing van 195 000 EUR heeft opgeleverd en naar verwachting in de periode 2013-2016 voor besparingen van meer dan 11 miljoen EUR zal zorgen; acht het passend met België te onderhandelen om te verzoeken om een grotere bijdrage aan de veiligheid van het Parlement op grond van het feit dat België economisch baat heeft bij de aanwezigheid van de instellingen van de Unie op zijn grondgebied; verzoekt om een evaluatie van de kwaliteit van de veiligheidsdienst vóór en na de oprichting van het directoraat-generaal Beveiliging en Veiligheid, die tegen 30 september 2015 bij de Commissie begrotingscontrole moet worden ingediend; dringt aan op de uitvoering van een vergelijkend onderzoek van de beveiligingssystemen van andere instellingen;

37.  herhaalt dat handhaving van de beveiliging van de gebouwen van het Parlement en hun directe omgeving de hoogste prioriteit verdient; verlangt dat als onderdeel hiervan ook de beveiliging in de parkeergarages wordt verbeterd;

38.  maakt zich zorgen over het gebrek aan vrouwen in de leiding, wetende dat per 31 december 2013 29 % van de afdelingshoofden, 34 % van de directeuren en 33 % van de directeuren-generaal een vrouw was; verzoekt om de tenuitvoerlegging van een gelijkekansenplan, met name voor leidinggevende functies, om deze wanverhouding zo spoedig mogelijk te corrigeren;

39.  dringt aan op een naar land van herkomst evenredig verdeelde samenstelling van de leidinggevende posities in de administratie van het Parlement; verwacht vóór eind 2015 een verslag waarin wordt aangegeven in hoeverre aan deze wens gehoor is gegeven;

40.  verlangt vóór eind 2015 een jaaropgaaf van de personeelsformatie en personeelskosten sinds 2000, uitgesplitst naar rang en leidinggevende functie; verzoekt de administratie van het Parlement om aan te geven of uit vergelijkbare studies met de administraties van internationale parlementaire assemblees belangrijke conclusies over de werkzaamheden kunnen worden getrokken; wijst erop dat aan deskundigen uitbestede werkzaamheden ook in de verslagen moeten worden opgenomen, teneinde het transparantiebeginsel te bevorderen en tegelijkertijd de belangen van de belanghebbenden te dienen; stelt bezorgd vast dat het grote aantal personeelsleden dat werkzaam is in het kabinet van de Voorzitter van het Europees Parlement, namelijk 35, waaronder twee chauffeurs en een persoonlijke bode, van zeer twijfelachtig nut is en dat dit het slechte voorbeeld geeft met het oog op kostenvermindering en budgettaire verantwoordelijkheid binnen het Parlement;

41.  stelt vast dat het Bureau op 15 april 2013 de uitvoeringsmaatregelen voor de gedragscode voor de leden heeft aangenomen; maakt zich echter zorgen over het gebrek aan uitvoering en de verschillen in interpretatie zoals gemeld door een coalitie van ngo's(11) en verzoekt om de positie van het Raadgevend comité te versterken door dit een initiatiefrecht te verlenen om te beginnen met steekproefsgewijze controles van de opgaven van belangen van de leden;

42.  juicht toe dat de leden meer transparantie over hun nevenactiviteiten tijdens hun mandaat aan de dag moeten leggen; stipt echter aan dat de leden, net als de leden van nationale parlementen, geen exclusief mandaat hebben en derhalve andere beroepsactiviteiten kunnen uitoefenen; is van mening dat een nauwkeuriger aangifteformulier voor de leden zou bijdragen tot meer doorzichtigheid en tot het voorkomen van potentiële belangenconflicten; verzoekt de secretaris-generaal een via de website van het Parlement toegankelijke openbare databank op te zetten waarin alle nevenactiviteiten van individuele leden worden opgenomen;

43.  onderstreept dat er grotere transparantie nodig is in verband met de vergoedingen voor algemene uitgaven van de leden; vraagt het Bureau werk te maken van de vaststelling van preciezere regels inzake verantwoordingsplicht met betrekking tot de uitgaven in het kader van deze vergoedingen, zonder bijkomende kosten met zich mee te brengen voor het Parlement;

44.  is bezorgd over het gebrek aan controle achteraf met betrekking tot het gebruik van dienstauto's door de leden en vraagt zich af of aan de voorzitter van het Parlement twee dienstauto's ter beschikking moeten worden gesteld;

45.  is ingenomen met het feit dat de verlaging van de reiskosten van de leden en de uitgaven voor dienstreizen van het personeel met 5 %, in 2013 een besparing van 4 miljoen EUR heeft opgeleverd; acht het raadzaam een streng beleid voor de verlaging van de reiskosten te voeren door overeenkomsten te sluiten met luchtvaartmaatschappijen; verzoekt de secretaris-generaal daartoe voorstellen te presenteren;

Beheer van de subsidieregeling voor bezoekersgroepen

46.  vindt het uiterst zorgwekkend dat de Rekenkamer, in haar algemene onderzoek van het financieel beheer van de Uniebegroting, contante betalingen ter vergoeding van kosten aan bezoekersgroepen aanmerkt als een aangelegenheid met een "hoog risico"; onderstreept dat in 2013 73 % van de subsidies contant zijn betaald en slechts 27 % per bankoverschrijving; is bezorgd over het grote risico voor de reputatie van het Parlement en het aanzienlijke veiligheidsrisico die contante betalingen aan bezoekersgroepen met zich brengen;

47.  onderstreept dat het noodzakelijk en waardevol is bezoekersgroepen vóór hun bezoek in te lichten over duurzame vervoersmiddelen om naar het Parlement te komen; raadt aan om verschillende vergoedingstarieven in te voeren, afhankelijk van het gekozen vervoersmiddel en het emissieniveau ervan;

48.  benadrukt dat het Parlement en de Raad met het oog op langetermijnbesparingen op de begroting van de Unie werk moeten maken van een stappenplan voor één vestigingsplaats van het Parlement, waar het Parlement reeds in verscheidene resoluties op heeft aangedrongen;

Directoraat-generaal Intern Beleid en directoraat-generaal Extern Beleid

49.  wijst op de kosten van delegaties, gezamenlijke parlementaire vergaderingen, ad-hocdelegaties en verkiezingswaarnemingsmissies buiten de Unie in 2013, die ongeveer 5 794 360 EUR bedroegen; verlangt vóór eind 2015 een specifiek kostenoverzicht voor deze activiteiten van 2005 tot 2015;

50.  merkt bezorgd op dat de kosten van één delegatie voor een parlementaire vergadering 493 193 EUR beliepen; verzoekt het Bureau eenvoudige maar doeltreffende regels te ontwikkelen voor een zuiniger kostenstructuur voor delegatiebezoeken, en daarbij in het bijzonder rekening te houden met het politieke belang, de duur en de resultaten ervan;

Interparlementaire delegaties

51.  acht het urgent en belangrijk dat de webpagina's van de interparlementaire delegaties ontwikkeld en met inhoud gevuld worden; acht het ook essentieel dat, voor zover de begroting dat toestaat, de openbare vergaderingen van de delegaties rechtstreeks worden uitgezonden met behulp van webstreaming, zoals dat ook gebeurt met de vergaderingen van de parlementaire commissies;

Directoraat-generaal Communicatie

52.  betreurt het dat het programma van meerjarige subsidies 2012-2014, dat tot doel had de rol van het Parlement meer onder de aandacht te brengen, circa 14 500 000 EUR heeft gekost; betwijfelt of dit subsidieprogramma de beste manier is om de kerntaken van het Parlement op het gebied van wetgeving, begroting en kwijting uit te dragen; verzoekt zijn administratie de Commissie begrotingscontrole op tijd voor de kwijtingsprocedure van 2014 te voorzien van een externe evaluatie van dit subsidieprogramma;

53.  dringt aan op de indiening van een volledig overzicht van alle uit de begroting van het Parlement gefinancierde subsidies voor communicatieprojecten, met de betrokken bedragen en de bijbehorende ontvangers;

54.  dringt aan op de indiening van een overzicht van de eventuele uitgaven uit de begroting van het Parlement voor de organisaties "MEPRanking" en "VoteWatch Europe"; betreurt dat deze organisaties het werk van de leden aan de hand van kwantitatieve maatstaven beoordelen, wat tot verkeerde prikkels en overbodig werk kan leiden; vreest voor een bureaucratisering van het mandaat en een beperking van de vrijheid ervan;

EuroparlTV

55.  wijst erop dat de begroting van EuroparlTV in 2013 8 000 000 EUR en in 2014 5 000 000 EUR bedroeg, en waardeert het dat de prestaties van de dienst zijn verbeterd door een aantal nieuwe activiteiten en projecten; constateert dat het aantal video's dat gemiddeld per maand wordt bekeken, tussen 2012 en 2014 is toegenomen van 53 000 tot 400 000;

56.  stipt aan dat er, naar aanleiding van het besluit van het Bureau van 12 december 2012, in 2014 een extern onderzoek is gestart om invulling te geven aan de toekomstige ontwikkelingen van de webvideodienst van het Parlement (EuroparlTV); merkt op dat de aanbevelingen van deze studie in de eerste helft van 2015 ten uitvoer zullen worden gelegd;

LUX-prijs

57.  neemt er nota van dat de uitgaven voor de LUX-prijs in 2013 448 000 EUR bedroegen, wat in de lijn ligt van de kosten in 2012 (434 421 EUR), en dienden ter financiering van:

   de procedure in verband met de officiële selectie en competitie;
   de communicatie in Brussel en Straatsburg;
   het bereiken van de leden, gespecialiseerde media en het grote publiek;
   de kosten voor ondertiteling in de 24 officiële talen;
   de aanmaak van de aangepaste versie van de winnende film voor gehoor- of gezichtsgestoorden;
   het betrekken van het Parlement bij belangrijke Europese filmevenementen ter promotie van de LUX-prijs;

58.  verzoekt om meer efficiëntie in de begroting;

59.  dringt erop aan om vóór het eind van 2015 een representatieve enquête onder de leden te houden om erachter te komen of zij bekend zijn met de LUX-prijs en hoe deze in de eigen lidstaat wordt beoordeeld;

Voorlichtingsbureaus

60.  neemt bezorgd nota van het feit dat de uitgaven voor dienstreizen van de voorlichtingsbureaus in 2013 1 839 696 EUR bedroegen, waarbij dienstreizen naar Straatsburg goed waren voor 1 090 290 EUR; betreurt dat de kosten voor dienstreizen van de voorlichtingsbureaus naar Straatsburg met ongeveer 7 % gestegen zijn ten opzichte van 2012, terwijl een bijkomende toename met 2 % toe te schrijven is aan de oprichting van het nieuwe voorlichtingsbureau in Kroatië; verzoekt om een opgave van de belangrijkste beweegredenen voor de dienstreizen van het personeel van de voorlichtingsbureaus naar Straatsburg en Brussel; verzoekt om een overzicht van de dienstreizen die het personeel van elk voorlichtingsbureau in 2005, 2010 en 2015 heeft ondernomen, zodat een vergelijking kan worden gemaakt; wijst er met klem op dat prioriteit moet worden gegeven aan het gebruik van videoconferenties, om zo de kosten voor de begroting van het Parlement structureel te verminderen en het milieu te ontzien, zonder dat dit de werkzaamheden van het Parlement in de weg staat;

61.  wijst erop dat de websites van verschillende voorlichtingsbureaus in de lidstaten sinds de verkiezingen niet meer zijn bijgewerkt; vraagt aandacht voor de gevolgen die dit kan hebben voor de geloofwaardigheid van het Parlement bij het grote publiek; dringt aan op een onderzoek naar het gebruik van de aan de voorlichtingsbureaus toegewezen financiële middelen, met een verklaring voor de aanzienlijke verschillen in de internetkosten tussen de verschillende lidstaten;

Logo van het Parlement

62.  neemt er nota van dat het logo van het Parlement veranderd is; uit zijn ongenoegen omdat het Parlement eens te meer niet tijdig in kennis is gesteld van een besluit; verzoekt de verantwoordelijke diensten om de redenen voor deze verandering toe te lichten en uit te leggen welke besluitvormingsprocedure is toegepast en hoeveel deze verandering heeft gekost;

63.  verzoekt om een uitgebreid overzicht van alle aan het Parlement gerelateerde externe en interne kosten voor het Huis van de Europese geschiedenis, uitgesplitst naar planningskosten (inclusief voorlopige planning), investeringskosten en exploitatiekosten (inclusief bouw en onderhoudsreserve, personeelskosten en tentoonstellingskosten); merkt op dat de Commissie de financiering van het Huis van de Europese geschiedenis steunt met een jaarlijkse toewijzing van 800 000 EUR; wijst erop dat het Huis van de Europese geschiedenis niet alleen voor de instellingen van de Unie positieve gevolgen zal hebben maar ook voor de Belgische staat, in de vorm van een nieuwe, inkomsten genererende toeristische attractie; raadt daarom aan de Belgische staat te vragen om steun voor de oprichting van het Huis van de Europese geschiedenis;

Directoraat-generaal Personeelszaken

64.  neemt er kennis van dat ambtenaren van het Parlement (in vaste dienst) in beginsel alleen kunnen worden aangeworven door middel van vergelijkende onderzoeken, waarbij ongeveer 10 % van de kandidaten slagen bij een gemiddelde leeftijd van 34 jaar; uit zijn bezorgdheid over het feit dat hoewel bestrijding van de jeugdwerkloosheid een van de grootste prioriteiten van de Unie is, de instellingen van de Unie, met inbegrip van het Parlement, in het geheel geen beleid hebben om meer jongeren onder 30 jaar in dienst te nemen;

65.  wijst op de moeilijkheden die worden ondervonden bij het aanwerven van ambtenaren en functionarissen uit bepaalde lidstaten in het bijzonder; merkt op dat de huidige salarisschalen en de door de instellingen geboden instapvoorwaarden voor nieuw personeel minder aanlokkelijk zijn; onderstreept dat de instellingen voor veel burgers uit de EU-15-lidstaten, en met name onderdanen die nu de pensioengerechtigde leeftijd bereiken, geen marktconforme salarissen noch aantrekkelijke loopbaanvooruitzichten bieden; wijst erop dat de onvermijdelijke inkrimping van het Europese ambtenarenapparaat in de nabije toekomst de kwaliteit van de dienstverlening negatief zal beïnvloeden en het gevaar inhoudt dat het geografische evenwicht nog verder wordt verstoord;

66.  dringt aan op een onderzoek naar de door het personeelscomité georganiseerde en gefinancierde activiteiten, met een uitsplitsing naar soorten activiteiten en gedetailleerde informatie over de kosten en de inachtneming van de beginselen van goed financieel beheer;

67.  vraagt het DG Personeelszaken en de verantwoordelijke diensten om een actieve bevordering van de aanstelling van vrouwen op hoge posities in het Parlement, of "om de redenen te onderzoeken" voor het gebrek aan gelijkheid en vervolgens maatregelen voor te stellen om de integratie van vrouwen op hoge posities in de administratie van het Parlement te bevorderen;

68.  neemt nota van de hoge kosten van de "Away Days" en soortgelijke evenementen voor het personeel in 2013 (140 730 EUR voor acht evenementen); is van mening dat in een tijd van crisis en bezuinigingen de kosten van de Away Days voor het personeel van de instellingen van de Unie evenredig moeten zijn en dat deze evenementen, voor zover mogelijk, in de eigen gebouwen van de instellingen zouden moeten plaatsvinden, aangezien de meerwaarde ervan de hoge kosten niet rechtvaardigt;

Parlementaire medewerkers

69.  spreekt zijn steun uit voor de maatregelen die genomen zijn om de beëindiging van de arbeidsovereenkomsten van zo'n 1 700 geaccrediteerde parlementaire medewerkers in goede banen te leiden in de aanloop naar het einde van de zevende en het begin van de achtste zittingsperiode, en in het bijzonder de applicatie "APA-People"; is echter van mening dat aan enkele van de diensten die betrokken zijn bij de procedure voor de aanwerving van geaccrediteerde parlementaire medewerkers meer personeel had moeten worden toegewezen om deze sneller en efficiënter te maken; onderstreept dat de ter beschikking gestelde personele en technische middelen onvoldoende waren om vertraging bij het sluiten van contracten van enkele medewerkers en zelfs enkele contractverbrekingen, alsmede vertraging bij de berekening van de dagvergoedingen en andere toelagen en dientengevolge de betaling van salarissen, te voorkomen; erkent niettemin dat de procedure duidelijk is verbeterd ten opzichte van 2009 en dat het Parlement een snel en soepel verloop van de aanwervingsprocedure moet blijven bevorderen; is bezorgd dat er geen oplossing is geboden voor de geaccrediteerde parlementaire medewerkers die hun rechten hebben zien slinken doordat de duur van hun contract met ten minste een maand is ingekort vanwege de vervroeging van de verkiezingen voor het Parlement; dringt erop aan dat, wat betreft de tijd die nodig is om toegang tot pensioenrechten te krijgen, de desbetreffende wetgeving wordt aangepast aan de wisselende lengte van de feitelijke parlementaire cyclus;

70.  betreurt dat de sociale balans van het Parlement voor 2013 – en die van voorgaande jaren – nauwelijks gegevens bevat over de geaccrediteerde parlementaire medewerkers, hoewel ze 29,4 % van het personeel van het Parlement uitmaken; vraagt om dit te verhelpen, daar dit document van fundamenteel belang is om het personeelsbeheer te verbeteren;

71.  betreurt het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 12 december 2013 in zaak F-129/12 en betreurt ten zeerste dat het Parlement is veroordeeld omdat het niet in staat is gebleken hulp te bieden in een geval van pesterij en onrechtmatig ontslag van een geaccrediteerde parlementaire medewerkster; neemt kennis van de instelling, bij het besluit van het Bureau van 14 april 2014, van het Adviescomité voor de preventie van pesterijen op het werk om dit soort situaties voor geaccrediteerde parlementaire medewerkers te voorkomen; is echter bezorgd over de onevenwichtige samenstelling van dit comité, dat bestaat uit drie quaestoren, een vertegenwoordiger van de administratie en een vertegenwoordiger van de geaccrediteerde parlementaire medewerkers; neemt er kennis van dat het Adviescomité tot november 2014 drie gevallen heeft behandeld waarbij "de quaestoren besloten dat er geen reden was om de zaak voort te zetten"; verzoekt het Bureau daarom zijn besluit over de samenstelling van het Comité zodanig te herzien dat dit een evenwichtiger samenstelling krijgt en ten minste twee vertegenwoordigers van de geaccrediteerde parlementaire medewerkers omvat;

72.  neemt met zorg kennis van het hoge uitvalpercentage van geaccrediteerde parlementaire medewerkers bij taalcursussen, dat 32 % bedraagt, tegen 8 % voor het overige statutaire personeel; vraagt om het programma van de taalcursussen aan te passen om ze beter af te stemmen op de specifieke werkomstandigheden van de geaccrediteerde parlementaire medewerkers;

73.  vraagt om een onderzoek in te stellen naar de mogelijke redenen voor het grote verschil tussen het ziekteverzuimcijfer voor geaccrediteerde parlementaire medewerkers en dat voor het overige statutaire personeel;

74.  wijst erop dat de verblijfsvergoeding in verband met de verplaatsing naar Straatsburg voor de geaccrediteerde parlementaire medewerkers 30 % tot 45 % lager is dan die van de rest van het statutaire personeel; wijst er tevens op dat de geaccrediteerde parlementaire medewerkers drie niveaus van vergoeding van deze kosten kennen en dat zelfs de mogelijkheid bestaat dat de missie naar Straatsburg niet wordt vergoed; verzoekt het Bureau de nodige maatregelen te nemen om een eind te maken aan deze ongelijkheid en de vergoeding voor de geaccrediteerde parlementaire medewerkers gelijkwaardig te maken aan die van het overige statutaire personeel;

75.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat het aantal plaatselijke medewerkers per lid in 2013 sterk uiteenliep tussen 0 en 43; vraagt om een onderzoek om te bepalen of de aanwervingsprocedures zijn gevolgd in geval van grote aantallen plaatselijke medewerkers, en om een onderzoek naar de redenen voor dergelijke grote aantallen; verzoekt om een evaluatie van de aanwervingsprocedures voor plaatselijke medewerkers en voorstellen voor stroomlijning hiervan om buitensporige aantallen plaatselijke medewerkers per lid te voorkomen; dringt aan op meer transparantie wat betreft de tewerkstelling van plaatselijke medewerkers en dienstverleners; verzoekt om de openbaarmaking op het internet van de namen van alle voor de leden werkzame dienstverleners;

76.  vestigt de aandacht op het feit dat artikel 43, letter d, van de bepalingen ter uitvoering van het Statuut van de leden, dat in juli 2008 werd aangenomen, de leden de mogelijkheid ontzegt hun echtgenoten of vaste ongehuwde partners dan wel hun ouders, kinderen, broers of zussen als medewerker in dienst te nemen;

77.  is verontrust over de vertraging bij de aanneming van de interne regels inzake klokkenluiders; vraagt dat deze regels zonder verder uitstel worden toegepast;

Directoraat-generaal Infrastructuur en Logistiek

Het gebouwenbeleid van het Parlement

78.  neemt er kennis van dat het Parlement op zijn drie werklocaties 1,1 miljoen m2 betrekt en eigenaar is van 81 % van die oppervlakte; acht het uitermate belangrijk dat er passende maatregelen worden getroffen om de gebouwen van het Parlement bestand te maken tegen hogere onderhoudskosten;

79.  dringt aan op een samenwerkingsovereenkomst tussen het Parlement en de Commissie over het gezamenlijke beheer van de Huizen van Europa teneinde enerzijds een kader te bieden voor vastgoedonderzoeken om aan de hand van een meerjarenplanning vastgoed te kopen of te huren, en anderzijds de administratieve en financiële procedures voor het dagelijks beheer te vereenvoudigen;

80.  neemt er kennis van dat het Huis van Europa in Sofia sinds juli 2013 volledig operationeel is; stelt vast dat de defecten en onvolkomenheden van de bouwstructuur aan de verkoper aangerekend zijn voordat de koopakte ondertekend werd;

Directoraat-generaal Vertolking en Conferenties en directoraat-generaal Vertaling

81.  constateert met tevredenheid dat de tenuitvoerlegging van het besluit van het Bureau betreffende meertaligheid met efficiënt gebruik van middelen in 2013 bij de vertolkings- en de vertalingsdiensten besparingen van respectievelijk 15 miljoen EUR en 10 miljoen EUR heeft opgeleverd, zonder afbreuk te doen aan het beginsel van meertaligheid of de kwaliteit van de parlementaire werkzaamheden; herhaalt dat interinstitutionele samenwerking essentieel is voor de uitwisseling van optimale werkwijzen die efficiëntie in de hand werken en besparingen mogelijk maken;

Directoraat-generaal Financiën

Vrijwillig pensioenfonds

82.  constateert dat het geraamde actuarieel tekort van het vrijwillig pensioenfonds, dat wordt berekend op basis van de activa van het fonds, eind 2013 was toegenomen tot 197,5 miljoen EUR; onderstreept dat deze geraamde toekomstige verplichtingen over meerdere decennia zijn uitgesmeerd;

83.  stelt vast dat het uiteindelijk niet mogelijk is om te beoordelen of het fonds doeltreffend en behoorlijk wordt beheerd, en dringt erop aan om een externe beoordeling te laten uitvoeren;

84.  wijst er evenwel op dat dit aanleiding geeft tot bezorgdheid met betrekking tot de mogelijke uitputting van het fonds en dat het Parlement garant staat voor de pensioenuitkeringen indien en wanneer dit fonds niet in staat blijkt aan zijn verplichtingen te voldoen;

85.  neemt er nota van dat het Hof van Justitie in 2013 heeft geoordeeld dat het besluit om de pensioengerechtigde leeftijd voor de leden van het fonds te verhogen van 60 tot 63 jaar om een vroegtijdige uitputting van het kapitaal te voorkomen en deze leeftijd in overeenstemming te brengen met die waarin het nieuwe Statuut van de leden van het Parlement voorziet, geldig was;

Dienstverlening aan de leden

86.  vraagt om naast de gegevens over de geaccrediteerde parlementaire medewerkers en de plaatselijke medewerkers, de namen van de dienstverleners en de aan de leden verleende diensten openbaar toegankelijk te maken op de homepage van de leden van het Parlement;

Directoraat-generaal Innovatie en Technologische Ondersteuning

87.  neemt nota van de internalisering van het personeel van het directoraat-generaal Innovatie en Technologische Ondersteuning en de beloofde kostenvermindering en toename van de deskundigheid onder het personeel op IT-gebied; herinnert eraan dat de toename van de deskundigheid op het gebied van voortdurende innovaties jaren geleden ook als reden werd genoemd voor het externaliseren van deze sector; verzoekt de secretaris-generaal samen te werken met het Europees Bureau voor personeelsselectie om manieren te vinden waarop de wervingsprocedure kan worden bespoedigd en de beste deskundigen op het gebied van informatietechnologie en beveiliging kunnen worden aangetrokken;

88.  stipt aan dat werd ingebroken in persoonlijke en vertrouwelijke individuele mailboxen van bepaalde leden, parlementaire medewerkers en functionarissen nadat het Parlement het doelwit was van een man-in-the-middle-aanval waarbij een hacker de communicatie tussen particuliere smartphones en het publieke wifi-netwerk van het Parlement aftapte;

89.  merkt op dat de beveiliging van alle ICT- en telecommunicatiesystemen van het Parlement is gecontroleerd door een onafhankelijke derde partij, met het oog op de uitwerking van een duidelijk stappenplan voor een robuuster ICT-beveiligingsbeleid in 2015; wijst erop dat de ICT-beveiligingscontrole gepland stond voor december 2014; herhaalt dat deze vanwege de recent toegenomen veiligheidsdreiging prioriteit verdient, en verzoekt de Commissie begrotingscontrole van de resultaten op de hoogte te stellen zodra het verslag is afgerond;

90.  neemt nota van de maatregelen die het Bureau op 9 december 2013 onmiddellijk en voor de middellange termijn heeft getroffen om de beveiligingsvoorschriften van het Parlement betreffende het gebruik van mobiele apparatuur te verstrengen;

91.  dringt erop aan dat het Parlement nauwer samenwerkt met het directoraat-generaal Informatica van de Commissie om op zoek te gaan naar geschikte vervangers voor oude ICT-tools en –infrastructuur, waarbij de voorkeur moet uitgaan naar open, interoperabele en niet-leveranciersgebonden oplossingen, met het oog op het creëren van een kostenefficiënte IT-omgeving van hoge kwaliteit voor het Parlement;

92.  prijst de invoering, alweer enkele jaren geleden, van de bijzonder nuttige en succesvolle applicatie at4am voor het indienen van amendementen; acht het noodzakelijk dat deze applicatie verder wordt verbeterd en bijgewerkt, met name wat betreft uiterst nuttige aspecten als autocorrectie en back-up;

93.  verzoekt om de applicatie ePetition, die toegang biedt tot alle verzoekschriften die burgers bij de Commissie verzoekschriften hebben ingediend, beschikbaar te stellen aan alle leden van het Parlement en niet alleen aan de leden van deze commissie en/of hun plaatsvervangers, met het oog op de transparantie en een gelijke toegang tot documenten;

Milieuvriendelijk Parlement

94.  is op de hoogte van het concept "New World of Work", de EMAS-accreditatie en het EMAS-proces, alsook het programma "Papierloos vergaderen", met inbegrip van de applicaties e-Committee en e-Meeting; verzoekt om uitbreiding van dit programma met applicaties voor smartphones en tablets;

95.  vestigt er de aandacht op dat teleconferenties en telewerken kunnen bijdragen tot een efficiëntere tijdsbesteding en een milieuvriendelijker Parlement, en tegelijk de administratieve kosten en reiskosten beperken;

96.  constateert dat de uitstoot van broeikasgassen als gevolg van reizen van het EP-personeel tussen Brussel, Luxemburg en Straatsburg van 2006 tot 2012 met 34 % is gedaald; verzoekt het Bureau voor volledige transparantie te zorgen en ook de uitstoot in aanmerking te nemen die wordt veroorzaakt door reizen van leden van hun thuisland naar Brussel en Straatsburg; verwelkomt maatregelen ter compensatie van uitstoot die niet verminderd kan worden en onvermijdelijk is; beveelt aan om verdere compensatiemaatregelen uit te voeren in het kader van projecten volgens de door de VN erkende "gold standard" van het mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM);

97.  verzoekt de secretaris-generaal een plan uit te werken ter beperking van het aantal verhuiskisten dat voor parlementaire reizen beschikbaar is; stelt voor kleinere kisten te gebruiken of een systeem van gemeenschappelijk gebruik in te voeren om zo de financiële kosten en de koolstofvoetafdruk terug te dringen;

98.  verzoekt de verantwoordelijke diensten een duurzaam en samenhangend concept te ontwikkelen om begrotingsonderdeel 239 volledig te gebruiken voor de compensatie van CO2-uitstoot tot het maximale bedrag, om onvermijdelijke CO2-uitstoot van de instelling te compenseren met projecten volgens de door de VN erkende CDM "gold standard";

99.  dringt erop aan dat het airconditioningsysteem zo energie-efficiënt mogelijk wordt gemaakt, teneinde het milieueffect te minimaliseren;

Jaarverslag over gegunde opdrachten

100.  merkt op dat van de in totaal 264 opdrachten die in 2013 werden gegund, er 120 gebaseerd waren op openbare of niet-openbare procedures, met een totale waarde van 465 miljoen EUR, terwijl er 144 gebaseerd waren op onderhandelingsprocedures, met een waarde van 152 miljoen EUR; neemt er nota van dat het totale aantal opdrachten dat via onderhandelingsprocedures werd gegund, in 2013 weliswaar 37 % lager lag (144, tegenover 241 in 2012) maar dat die procedures naar waarde gemeten geen bijzonder grote verandering te zien geven;

101.  benadrukt in dit verband dat het concept van groene overheidsopdrachten moet worden toegepast op alle contracten en aanbestedingen; verzoekt om meer en ambitieuze bindende doelstellingen voor groene contracten, met name op het gebied van voedsel en catering, voertuigen en vervoer, sanitaire en watervoorzieningsinstallaties, papier, afvalbeheer, IT en beeldapparatuur, verlichting, schoonmaak en meubelen;

102.  merkt op dat de meeste opdrachten die in 2013 werden gegund, dienstverleningscontracten waren (61 %), met een totale waarde van 374 miljoen EUR, en dat drie directoraten-generaal 14 opdrachten met een waarde van meer dan 10 miljoen EUR gunden; benadrukt dat deze contracten met een hoge waarde in het bijzonder aan passende toezichtsystemen moeten worden onderworpen om de tenuitvoerlegging van de bestellingen voortdurend te volgen;

103.  neemt kennis van onderstaande onderverdeling van de in 2013 en 2012 gegunde opdrachten naargelang het soort opdracht:

Soort opdracht

2013

2012

Aantal

Percentage

Aantal

Percentage

Diensten

Benodigdheden

Werken

Gebouwen

189

48

19

8

72 %

18 %

7 %

3 %

242

62

36

4

70 %

18 %

12 %

1 %

Totaal

264

100 %

344

100 %

Soort opdracht

2013

2012

Waarde (EUR)

Percentage

Waarde (EUR)

Percentage

Diensten

Benodigdheden

Werken

Gebouwen

374 147 951

91 377 603

15 512 763

136 289 339

61 %

15 %

2 %

22 %

493 930 204

145 592 868

48 386 872

180 358 035

57 %

17 %

5 %

21 %

Totaal

617 327 656

100 %

868 267 979

100 %

(Jaarverslag van de door het Europees Parlement gegunde opdrachten, 2013, blz. 7)

104.  neemt kennis van onderstaande onderverdeling van de in 2013 en 2012 gegunde opdrachten naargelang het soort procedure:

Soort procedure

2013

2012

Aantal

Percentage

Aantal

Percentage

Openbaar

Niet-openbaar

Door onderhandelingen

Mededinging

Uitzondering

106

14

144

-

-

40 %

5 %

55 %

-

-

98

5

241

-

-

28 %

2 %

70 %

0 %

0 %

Totaal

264

100 %

344

100 %

Soort procedure

2013

2012

Waarde (EUR)

Percentage

Waarde (EUR)

Percentage

Openbaar

Niet-openbaar

Door onderhandelingen

Mededinging

Uitzondering

382 045 667

83 288 252

151 993 737

-

-

62 %

13 %

25 %

-

-

381 116 879

245 156 318

241 994 782

-

-

44 %

28 %

28 %

0 %

0 %

Totaal

724 297 066

100 %

603 218 807

100 %

(Jaarverslag van de door het Europees Parlement gegunde opdrachten, 2013, blz. 9)

Buitengewone onderhandelingsprocedures

105.  neemt ter kennis dat 39 % van de onderhandelingsprocedures die in 2013 werden opgestart, buitengewone onderhandelingsprocedures waren; vindt het zorgwekkend dat het Parlement in 2013 de buitengewone onderhandelingsprocedure heeft gebruikt voor de gunning van 56 opdrachten, en verzoekt om niet alleen het totale aantal opdrachten te vermelden maar ook de totale waarde van die opdrachten;

106.  vindt dat de ordonnateurs omstandig en transparant moeten verantwoorden waarom ze gebruikmaken van een buitengewone onderhandelingsprocedure; verlangt dat de Centrale Financiële Afdeling die informatie opneemt in het aan de kwijtingsautoriteit gerichte jaarverslag over gegunde opdrachten;

Fracties (begrotingspost 4 0 0)

107.  merkt op dat de voor 2013 op begrotingspost 4 0 0 ingeschreven kredieten, toegekend aan de fracties en de niet-fractiegebonden leden, als volgt werden gebruikt:

Fractie

2013

2012

Jaarlijkse kredieten

Eigen middelen en overgedragen kredieten

Uitgaven

Gebruikma-kingsper-centage van de jaarlijkse kredieten

Overdrachten naar de volgende periode

Jaarlijkse kredieten

Eigen middelen en overgedragen kredieten

Uitgaven

Gebruikma-kingsper-centage van de jaarlijkse kredieten

Overdrachten naar de volgende periode (2011)

EPP

21 680

4 399

18 437

85,04%

7 642

21 128

2 024

18 974

89,81 %

4 178

S&D

15 388

6 849

17 649

114,69%

4 588

14 908

6 313

14 520

97,40 %

6 702

ALDE

6 719

2 172

7 142

106,30%

1 749

6 673

2 281

6 855

102,72 %

2 100

Verts/ALE

4 366

1 787

4 778

109,44%

1 375

4 319

1 460

4 002

92,65 %

1 778

GUE/NGL

2 658

1 076

3 317

124,79%

416

2 563

1 094

2 602

101,52 %

1 055

ECR

4 046

1 602

4 598

113,64%

1 050

3 765

1 219

3 407

90,51 %

1 577

EFD

2 614

939

2 422

92,65%

1 132

2 538

881

2 494

98,29 %

925

Niet-fractiegebonden leden

1 316

367

931

70,74%

441

1 362

413

963

70,73 %

367

Totaal

58 786

19 193

59 274

100,83%

18 394

57 255

15 687

53 817

94,00 %

18 680

* alle bedragen x 1000 euro

Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen

108.  merkt op dat de voor 2013 op begrotingspost 4 0 2 ingeschreven kredieten als volgt werden gebruikt(12):

Partij

Afkorting

Eigen middelen*

Subsidie EP

Totaal ontvangsten

EP-subsidie als % van de subsidiabele uitgaven (max. 85%)

Ontvangsten-overschot (overgedragen naar reserves) of -verlies

Europese Volkspartij

EPP

1.439

6.464

9.729

85%

192

Partij van de Europese Sociaaldemocraten

PES

1.283

4.985

6.841

85%

118

Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa

ALDE

518

2.232

3.009

85%

33

Europese Groenen

EGP

461

1.563

2.151

78%

-36

Alliantie van Europese Conservatieven en Hervormers

AECR

307

1.403

1.970

85%

45

Europese Linkse Partij

EL

233

948

1.180

68%

-258

Europese Democratische Partij

EDP/PDE

91

437

528

85%

0

EU Democraten

EUD

48

197

245

85%

12

Europese Vrije Alliantie

EFA

93

439

592

85%

12

Europese Christelijke Politieke Beweging

ECPM

61

305

366

85%

8

Europese Alliantie voor Vrijheid

EAF

68

384

452

85%

1

Alliantie van Europese Nationale Bewegingen

AEMN

53

350

403

85%

-38

Beweging voor een Europa van Vrijheid en Democratie

MELD

107

594

833

85%

0

Totaal

4.762

20.301

28.299

83%

89

(*) alle bedragen x 1000 euro

109.  merkt op dat de voor 2013 op begrotingspost 4 0 3 ingeschreven kredieten als volgt werden gebruikt(13):

Stichting

Afkorting

Gelieerd aan partij

Eigen middelen*

Subsidie EP

Totaal ontvangsten

EP-subsidie als % van de subsidiabele uitgaven (max. 85%)

Centrum voor Europese Studies

CES

EPP

772

3.985

4.757

85%

Foundation for European Progressive Studies

FEPS

PES

491

2.762

3.253

85%

Europees Liberaal Forum

ELF

ALDE

214

1.108

1.322

85%

Green European Foundation

GEF

EGP

158

881

1.039

85%

Transform Europe

TE

EL

130

538

668

85%

Institute of European Democrats

IED

PDE

50

219

269

85%

Centrum Maurits Coppieters

CMC

EFA

50

227

277

85%

New Direction - Foundation for European Reform

ND

AECR

183

645

828

85%

European Foundation for Freedom

EFF

EAF

39

210

249

85%

Organisation For European Interstate Cooperation

OEIC

EUD

20

123

143

85%

European Christian Political Foundation

ECPF

ECPM

31

170

201

85%

Foundation for a Europe of Liberties and Democracy

FELD

MELD

60

280

340

85%

Identités & Traditions europénnes

ITE

AEMN

31

177

208

85%

Totaal

-

2.229

11.325

13.554

85%

(*) alle bedragen x 1000 euro

-

2.229

11.325

13.554

85%

(1) PB L 66 van 8.3.2013.
(2) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(3) PB C 201 van 30.6.2014, blz. 1.
(4) PB C 398 van 12.11.2014, blz. 1.
(5) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(6) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(7) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(8) PE 349.540/Bur/ann/def.
(9) PB C 249 E van 30.8.2013, blz. 18.
(10) PB C 257 E van 6.9.2013, blz. 104.
(11) ALTER-EU: Mind the Gap (http://www.alter-eu.org/sites/default/files/documents/Mind%20the%20Gap%20briefing.pdf)
(12) Bron: PV BUR. 20.10.2014 (PE 538.295/BUR) en PV BUR. 20.10.2014 (PE 538.297/BUR) punt 12.
(13) Bron: PV BUR. 20.10.2014 (PE 538.295/BUR) en PV BUR. 20.10.2014 (PE 538.297/BUR) punt 12.


Kwijting 2013: Algemene begroting van de EU - Europese Raad en Raad
PDF 266kWORD 75k
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling II – Europese Raad en Raad (2014/2079(DEC))
P8_TA(2015)0122A8-0116/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2014)0510 – C8-0148/2014)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 55, 99, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0116/2015),

1.  stelt zijn besluit tot verlening van kwijting aan de secretaris-generaal van de Raad voor de uitvoering van de begroting van de Europese Raad en de Raad voor het begrotingsjaar 2013 uit;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer, de Europese ombudsman, de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Dienst voor extern optreden, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling II – Europese Raad en Raad (2014/2079(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling II – Europese Raad en Raad,

–  gezien het Besluit van de Europese Ombudsman van 26 februari 2015 tot afsluiting van haar initiatiefonderzoek OI/1/2014/PMC inzake klokkenluiders,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0116/2015),

A.  overwegende dat alle instellingen van de Unie transparant moeten zijn en dat zij ten volle verantwoording verschuldigd zijn aan de burgers van de Unie voor de hun als instelling van de Unie toevertrouwde middelen;

B.  overwegende dat het Parlement, bij gebrek aan antwoorden op zijn vragen en voldoende informatie, niet in staat is met kennis van zaken een besluit te nemen over het verlenen van kwijting;

1.  merkt op dat de Rekenkamer op basis van haar controlewerkzaamheden heeft geconcludeerd dat de betalingen als geheel over het per 31 december 2013 afgesloten jaar met betrekking tot de administratieve en andere uitgaven van de instellingen en organen geen materiële fouten vertonen;

2.  neemt ter kennis dat de Rekenkamer in haar jaarverslag van 2013 opmerkt dat er geen significante tekortkomingen zijn vastgesteld met betrekking tot de gecontroleerde aspecten voor de Europese Raad en de Raad;

3.  merkt op dat de Europese Raad en de Raad in 2013 een totale begroting hadden van 535 511 300 EUR (533 920 000 EUR in 2012) met een uitvoeringspercentage van 86,7 %; betreurt de daling van het bestedingspercentage in 2013 ten opzichte van 2012 (91,8 %);

4.  acht het zorgelijk dat het niet-bestede percentage groot blijft en betrekking heeft op bijna alle categorieën; wijst nogmaals op zijn verzoeken om kernprestatie-indicatoren te ontwikkelen voor het verbeteren van de begrotingsplanning voor de komende jaren;

5.  neemt er kennis van dat in 2013, 71 376 244 EUR aan vastleggingen is geannuleerd door onderbesteding en doordat er minder gebruik is gemaakt van faciliteiten;

6.  is verrast dat 5 miljoen EUR die was vastgelegd voor de aankoop van het "Europagebouw" is overgedragen naar 2014 voor werkelijke betaling; is van mening dat dit saldo, naast andere overgedragen kredieten, indruist tegen de beginselen van jaarperiodiciteit en goed financieel beheer van het Financieel Reglement;

7.  herhaalt dat de begroting van de Europese Raad en die van de Raad moeten worden gescheiden, voor een transparanter financieel beheer van de instellingen en om ervoor te zorgen dat beide instellingen beter aan hun verantwoordingsplicht kunnen voldoen;

8.  verzoekt de Europese Raad en de Raad nogmaals om het Parlement hun jaarlijks activiteitenverslag toe te zenden met een volledig overzicht van al het personeel waarover beide instellingen beschikken, opgesplitst naar categorie, rang, geslacht, nationaliteit en gevolgde beroepsopleiding; merkt op dat deze tabel automatisch moet worden opgenomen in het jaarlijks activiteitenverslag van de instellingen;

9.  is ingenomen met de oprichting van het auditcomité bij het secretariaat-generaal van de Raad en met de goedkeuring van een nieuw handvest voor interne controle; verzoekt de Raad het Parlement op de hoogte te houden van de voordelen en resultaten van deze maatregelen;

10.  betreurt het dat er in 2013 sprake was van een daling van de uitvoeringsgraad van de follow-upopmerkingen die bij de interne controle zijn gemaakt; is het met de Raad eens op het punt van het belang van een spoedige uitvoering van de controleaanbevelingen(7); verwacht dat deze procedure onverwijld ten uitvoer wordt gelegd;

11.  is bezorgd over de vertraagde tenuitvoerlegging van de controleaanbevelingen van de vertaaldienst;

12.  stelt tot zijn bezorgdheid vast dat er enorme verschillen bestaan tussen de vertaalkosten van de verschillende instellingen van de Unie; vraagt derhalve dat de interinstitutionele werkgroep vertaling de oorzaken van deze verschillen in kaart brengt en oplossingen voorstelt om het evenwicht te herstellen en te zorgen voor harmonisatie van de vertaalkosten onder optimale eerbiediging van kwaliteit en taalkundige verscheidenheid; merkt met het oog hierop op dat de werkgroep de samenwerking tussen de instellingen opnieuw moet opstarten, teneinde optimale werkwijzen en resultaten uit te wisselen en de gebieden te identificeren waar de samenwerking of de akkoorden tussen de instellingen kunnen worden versterkt; merkt op dat de werkgroep zich eveneens tot doel moet stellen een uniforme methode voor de presentatie van de vertaalkosten voor alle instellingen te ontwikkelen om de analyse en vergelijking van de kosten te vereenvoudigen; wijst erop dat de werkgroep de resultaten vóór eind 2015 bekend moet maken; verzoekt alle instellingen actief deel te nemen aan de werkzaamheden van de interinstitutionele werkgroep; herinnert in deze context aan het wezenlijke belang van eerbiediging van de meertaligheid in de EU-instellingen teneinde gelijke behandeling en gelijke kansen te waarborgen voor alle burgers van de Unie;

13.  is van mening dat in deze tijden van crisis en algemene bezuinigingen de kosten van "away days" van het personeel van de EU-instellingen moeten worden verlaagd en dat deze dagen zoveel mogelijk op de locaties van de instellingen moeten worden gehouden, daar de toegevoegde waarde ervan de hoge kosten niet rechtvaardigt;

14.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het gebrek aan vrouwen op leidinggevende posten binnen de instellingen van de Unie; verzoekt de Raad te voorzien in een programma voor gelijke kansen, met name voor leidinggevende functies, om dit gebrek aan evenwicht zo snel mogelijk te verhelpen;

15.  betreurt het dat de opstelling van een handboek voor het beheer van vastgoedprojecten vertraging heeft opgelopen;

16.  neemt ter kennis dat een aantal van de controleaanbevelingen inzake het project rond het "Europagebouw" nog steeds niet zijn uitgevoerd; herhaalt zijn verzoek aan de Raad om een gedetailleerde schriftelijke uitleg te verstrekken over de totale omvang van de financiële middelen die worden gebruikt voor de aankoop van het gebouw;

17.  verlangt dat het gebouwenbeleid van de instelling bij het jaarlijks activiteitenverslag wordt gevoegd, met name omdat het belangrijk is dat de kosten van een dergelijk beleid voldoende transparant worden gemaakt en niet buitensporig zijn;

18.  neemt ter kennis dat de begroting van de Raad voor 2013 zo goed als niet is toegenomen (0,3 % oftewel 1,6 miljoen EUR); beschouwt dit als een positieve trend en verwacht dat die zich in de komende jaren zal voortzetten;

19.  verzoekt de Raad met andere instellingen samen te werken ten behoeve van een uniforme methode om vertaalkosten te presenteren, teneinde de analyse en vergelijking van de kosten te vereenvoudigen;

20.  is verontrust over de vertraging bij de aanneming van de interne regels inzake klokkenluiders; roept de Raad op deze regels zonder verder uitstel toe te passen;

21.  roept de Raad op om in zijn jaarlijkse activiteitenverslagen, overeenkomstig de bestaande regels inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming, de resultaten en gevolgen van gesloten OLAF-zaken op te nemen indien de instelling of personen die voor de instelling werken aan een onderzoek zijn onderworpen;

Redenen waarom het besluit om kwijting te verlenen is uitgesteld

22.  herhaalt dat de Raad transparant moet zijn en volledige verantwoording verschuldigd is aan de burgers van de Unie voor de middelen die hem als instelling van de Unie zijn toevertrouwd; benadrukt dat dit inhoudt dat de Raad net als de overige instellingen volledig en te goeder trouw moet deelnemen aan de jaarlijkse kwijtingsprocedure; is in dit verband van mening dat voor een effectief toezicht op de uitvoering van de begroting van de Unie samenwerking vereist is tussen het Parlement en de Raad via een werkafspraak; betreurt de moeilijkheden waarop tot nu toe in de kwijtingprocedures is gestuit; stelt evenwel vast dat het huidige voorzitterschap van de Unie belangstelling toont voor het nader tot elkaar brengen van de verschillende standpunten, en neemt kennis van de brief van de secretaris-generaal van de Raad in reactie op de door de Commissie begrotingscontrole gestelde vragen, waarin de Raad zich bereid verklaart tot actieve ondersteuning van concrete maatregelen om tot een "modus vivendi" te komen, zoals het Parlement in zijn resolutie van 23 oktober 2014(8) had verzocht; onderstreept dat de capaciteit voor dialoog tussen beide instellingen moet worden verbeterd om zo spoedig mogelijk tot een oplossing te komen, zodat aan het mandaat in het Verdrag en de verantwoordingsplicht jegens de burgers kan worden voldaan;

23.  herhaalt dat het alleen mogelijk is om een effectieve begrotingscontrole uit te voeren als het Parlement en de Raad samenwerken, met als hoofdelementen formele bijeenkomsten tussen vertegenwoordigers van de Raad en de Commissie begrotingscontrole van het Parlement, waarbij de vragen die door de leden van de commissie op basis van een schriftelijke vragenlijst zijn gesteld worden beantwoord en door op verzoek documenten over te leggen die als achtergrondmateriaal voor de begrotingscontrole dienen;

24.  herhaalt dat het Parlement, zonder de samenwerking van de Raad zoals hierboven gesteld, niet in staat is om met kennis van zaken een besluit te nemen over het verlenen van kwijting;

25.  stemt in met het standpunt van de Commissie in haar brief van 23 januari 2014 aan het Parlement dat het wenselijk is dat het Parlement voortgaat met het verlenen van kwijting, dan wel het uitstellen of weigeren van de kwijting aan de andere instellingen (inclusief de Raad), zoals tot nu toe het geval is geweest;

26.  spreekt zijn volledige goedkeuring en steun uit voor het standpunt van de Commissie in haar brief dat alle instellingen volledig deel uitmaken van het follow-upproces betreffende de opmerkingen die het Parlement heeft gemaakt in de kwijtingsprocedure en dat alle instellingen moeten samenwerken om het soepele verloop van de kwijtingprocedure te garanderen met volledige eerbiediging van de relevante bepalingen in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de relevante secundaire wetgeving;

27.  informeert de Raad dat de Commissie in haar brief heeft verklaard dat zij geen toezicht zal houden op de tenuitvoerlegging van de begrotingen van de andere instellingen en dat een antwoord geven op de vragen die aan een andere instelling zijn gericht, afbreuk zou doen aan de autonomie van die instelling om haar eigen afdeling van de begroting ten uitvoer te leggen; herinnert eraan dat het Parlement kwijting verleent aan de andere instellingen nadat het de verstrekte documenten en de antwoorden die op de vragen zijn gegeven heeft onderzocht; betreurt het dat het Parlement herhaaldelijk moeite heeft om antwoorden van de Raad te krijgen;

28.  is van mening dat het democratisch is de bevoegdheid van het Parlement om kwijting te verlenen overeenkomstig de artikelen 316, 317 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zo uit te oefenen als zij tot nu toe is geïnterpreteerd en uitgeoefend, namelijk verlening van kwijting voor elk onderdeel van de EU-begroting afzonderlijk, om de transparantie en de democratische verantwoordingsplicht ten aanzien van de belastingbetalers van de Unie te vrijwaren; beaamt in dit verband dat het al dan niet verlenen van kwijting een plicht is van het Parlement jegens de burgers van de Unie;

29.  is van oordeel dat het juridisch kader van de Unie inzake de kwijting moet worden herzien om de kwijtingsprocedure te verduidelijken;

30.  betreurt het feit dat niet alle instellingen van de Unie dezelfde normen met betrekking tot transparantie eerbiedigen en meent dat de Raad in dit opzicht voor verbetering moet zorgen.

(1) PB L 66 van 8.3.2013.
(2) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(3) PB C 398 van 12.11.2014, blz. 1.
(4) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(5) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(7) Samenvatting van het jaarlijkse activiteitenverslag van 2013 door de intern controleur van het secretariaat-generaal van de Raad, blz. 2.
(8) PB L 334 van 21.11.2014, blz. 95.


Kwijting 2013: Algemene begroting van de EU - Europese Dienst voor extern optreden
PDF 278kWORD 83k
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling X – Europese Dienst voor extern optreden (2014/2086(DEC))
P8_TA(2015)0123A8-0109/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2014)0510 – C8-0155/2014)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 55, 99 en 164 t/m 167,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0109/2015),

1.  verleent de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese Dienst voor extern optreden voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer, de Europese ombudsman, de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Dienst voor extern optreden, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling X – Europese Dienst voor extern optreden (2014/2086(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling X – Europese Dienst voor extern optreden,

–  gezien het Besluit van de Europese Ombudsman van 26 februari 2015 tot afsluiting van haar initiatiefonderzoek OI/1/2014/PMC inzake klokkenluiders,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0109/2015),

1.  stelt met voldoening vast dat volgens de Europese Rekenkamer ook de uitvoering van de derde begroting van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) zonder noemenswaardige problemen is verlopen; stelt vast dat er vooruitgang geboekt is bij het aanpakken van de in de voorgaande jaren in kaart gebrachte problemen en steunt de aanbevelingen in het jaarverslag van de Rekenkamer voor verdere verbeteringen; verwelkomt het speciaal verslag (11/2014) van de Rekenkamer over de oprichting van de EDEO, alsook het grote aantal nuttige suggesties voor verbeteringen die daarin gedaan worden en die hopelijk zo spoedig mogelijk worden uitgevoerd;

2.  wijst erop dat de Rekenkamer in de jaarverslagen voor 2011, 2012 en 2013 telkens opmerkingen heeft gemaakt over de Europese Dienst voor extern optreden met betrekking tot betalingen van salarissen aan personeelsleden, gebreken in het beheer van de gezinstoelagen, dat namens de EDEO door het PMO wordt verricht, de verschaffing van beveiligingsdiensten bij de delegaties en contracten voor IT-diensten;

3.  maakt zich zorgen dat de toelagen voor personeelsleden in de voorgaande jaren reeds een punt van bezorgdheid waren en gepaard gingen met fouten; vraagt dat op dit vlak strengere controles worden uitgevoerd, in het bijzonder door personeelsleden er regelmatig aan te herinneren toelagen uit andere bronnen aan te geven;

4.  is bezorgd over het feit dat het PMO-systeem in 2013 nog steeds niet volledig operationeel was, wat leidde tot de onjuiste betaling van sociale uitkeringen aan personeelsleden, en verzoekt de EDEO het systeem tot de functionarissen van alle lidstaten uit te breiden;

5.  herinnert eraan dat het hoofdkwartier van de EDEO regelmatig aandacht moet besteden aan alle soorten aanbestedingen tijdens alle fasen van de procedure, in het bijzonder in de delegaties; is van mening dat de betrokken personeelsleden in de delegaties continu ondersteund moeten worden via duidelijke richtsnoeren teneinde de inherente blootstelling aan risico's, in het bijzonder voor inschrijvingen en contracten die gevoelig liggen, te verminderen; neemt met voldoening kennis van het feit dat in het hoofdkwartier van de EDEO een specifieke taskforce voor contracten voor beveiligingsdiensten in de delegaties werd opgericht;

6.  merkt op dat voor door de EDEO toegekende kadercontracten voldoende aandacht moet worden besteed aan de traceerbaarheid van de verrichtingen door voor elk contract gepaste documentatie bij te houden ongeacht de specifieke aard ervan; vraagt het hoofdkwartier van de EDEO de vaardigheden van het personeel en het bewustzijn over deze kwestie in de delegaties verder te ontwikkelen en, meer in het algemeen, over de doeltreffende toepassing van desbetreffende interne controlenormen; stelt vast dat uit de in 2013 uitgevoerde controles vooraf blijkt dat de kwaliteit van informatie een van de belangrijkste gebreken is en vraagt dat deze situatie spoedig wordt aangepakt om toegang te hebben tot nauwkeurige en alomvattende beheers- en administratieve informatie;

7.  vraagt de EDEO zijn nieuwe fraudebestrijdingsstrategie met betrekking tot derde landen te versterken en is ingenomen met het feit dat het memorandum van overeenstemming met het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) op 23 januari 2015 eindelijk is ondertekend;

8.  verzoekt de EDEO om verslag te doen van de vooruitgang die wordt geboekt in verband met de nieuwe strategie voor de bestrijding van fraude voor delegaties van de Unie, die volgens de planning in de definitieve vorm in 2013 beschikbaar zou zijn;

9.  is verontrust over de vertraging bij de aanneming van de interne regels inzake klokkenluiders; roept de EDEO op deze regels zonder verder uitstel toe te passen;

10.  vraagt de EDEO, overeenkomstig de bestaande regels inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming, in zijn jaarlijks activiteitenverslag de resultaten en gevolgen van gesloten OLAF-zaken op te nemen indien de instelling of personen die voor de instelling werken, aan een onderzoek zijn onderworpen;

11.  stelt vast dat de definitieve begroting voor het hoofdkwartier van de EDEO voor het jaar 2013 508 800 000 EUR was, hetgeen een verhoging van 4,09 % betekent, en dat de begroting als volgt was verdeeld: 195 810 000 EUR voor het hoofdkwartier van de EDEO en 312 950 000 EUR voor delegaties van de Unie; merkt op dat de EDEO naast zijn eigen begroting ook bijdragen van de Commissie ten belope van 272 400 000 EUR heeft ontvangen;

12.  neemt kennis van het feit dat met betrekking tot het hoofdkwartier van de EDEO 69 % van de begroting bestemd is voor de betaling van salarissen en andere rechten voor statutaire en externe personeelsleden (134 590 000 EUR) en 10 % (19 920 000 EUR) voor de gebouwen en daarmee samenhangende kosten; neemt kennis van het feit dat met betrekking tot de delegaties van de Unie 106 600 000 EUR (34 %) bestemd is voor de salarissen van statutaire personeelsleden, 62 200 000 EUR (19,9 %) voor externe personeelsleden en 99 600 000 EUR (31,8 %) voor de gebouwen en daarmee samenhangende kosten;

13.  is van mening dat de EDEO nog geen volwaardige diplomatieke dienst van de EU is omdat de middelen te beperkt zijn; is van oordeel dat de Commissie en de lidstaten de juiste actoren zijn om de consolidatie van de Dienst te bewerkstelligen;

14.  wijst erop dat het beginsel van begrotingsneutraliteit ten zeerste toe te juichen is, maar dat dit wel niet los mag worden gezien van de besparingen die de lidstaten van bij de oprichting van de EDEO hebben doorgevoerd;

15.  is van mening dat de EDEO nog steeds een topzwaar bestuur heeft en dat dit moet worden gecorrigeerd; is van oordeel dat de reeds genomen maatregelen om hieraan te verhelpen de goede kant opgaan, en verzoekt de Commissie zich nog meer in te zetten om de samenwerking tussen de diverse diensten te verbeteren; verzoekt de Dienst in zijn volgende jaarlijks activiteitenverslag verslag uit te brengen over het terugdringen van het aantal AD15 en AD16-posten; constateert bovendien dat het ontbreekt aan een competentiekader voor managers, dat als basis voor de evaluatie van voorgeselecteerde kandidaten dient; benadrukt dat deskundigheid op het gebied van buitenlandse zaken het belangrijkste criterium moet blijven bij besluiten tot aanwerving;

16.  wijst met klem op de noodzaak om de hoogste rangen van de EDEO beter te organiseren en de besluitvormingsprocessen te stroomlijnen;

17.  neemt met voldoening kennis van de verbetering van het geografisch evenwicht wat betreft de EDEO-personeelsleden uit lidstaten die sinds 2014 tot de Unie zijn toegetreden, in die zin dat nu 18 % van de administrateurs en 17,7 % van de hoofden van delegaties uit deze landen afkomstig is, terwijl de bevolking ervan 21 % van de totale bevolking van de Unie uitmaakt; benadrukt dat bij de aanwerving en benoeming van personeel een geografisch evenwicht noodzakelijk is; is van mening dat een gelijkwaardige geografische vertegenwoordiging in de EDEO een belangrijk element is om de prestaties van de Dienst te verbeteren en verzoekt de Commissie zich hiervoor te blijven inzetten;

18.  neemt kennis van de inspanningen om het genderevenwicht te verbeteren en potentiële belemmeringen op de carrièreladder weg te nemen; dringt er bij de EDEO op aan zich te blijven inzetten voor verbetering van het genderevenwicht, met name in de categorie hogere functionarissen;

19.  spreekt echter zijn bezorgdheid uit over het gebrek aan vrouwen op leidinggevende posten bij de EDEO (204 mannen en 55 vrouwen in de delegaties en in leidinggevende functies d.w.z. een verhouding van 42 tegen 4 ofwel slechts 8,7 % vrouwen); dringt erop aan dat wordt voorzien in een programma voor gelijke kansen, met name voor leidinggevende functies, om dit gebrek aan evenwicht zo snel mogelijk te verhelpen;

20.  stelt vast dat het statutaire doel (minstens één derde van de personeelsleden in AD-functies binnen de EDEO moet uit diplomaten van de lidstaten bestaan) in 2013 werd bereikt; stelt echter vast dat er een relatief hoog aantal gedetacheerde nationale deskundigen van de lidstaten is (397 in juni 2014) en vraagt om verdere verduidelijking over hun status/rechten en de kosten voor de begroting van de EDEO;

21.  herhaalt het verzoek van vorig jaar om een gedetailleerd overzicht op te nemen van alle tot de beschikking van de EDEO staande personeelsleden, uitgesplitst per rang, geslacht en nationaliteit; meent dat deze tabel automatisch moet worden opgenomen in het jaarlijks activiteitenverslag van de instelling;

22.  betreurt het echter dat een beter geografisch evenwicht nog niet is bereikt en verzoekt de EDEO om het geografische evenwicht te verbeteren, met name wat betreft leidinggevende posities en de ambten van de hoofden van delegaties; wijst nog eens op de noodzaak van een betere geografische vertegenwoordiging van alle lidstaten op alle niveaus van de administratie en dringt er bij de EDEO op aan om maatregelen te treffen die bijdragen aan een betere en meer evenwichtige vertegenwoordiging van alle lidstaten;

23.  is van oordeel dat de verantwoordelijkheden van de speciale vertegenwoordigers van de Unie zeer onduidelijk zijn en dat een degelijk toezicht en een analyse van de prestaties ontbreken; stelt voor hieraan te verhelpen door de speciale vertegenwoordigers in de EDEO op te nemen;

24.  herinnert eraan dat de begroting voor de speciale vertegenwoordigers van de Unie van de begroting voor het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) moet worden overgedragen naar de EDEO-begroting om hun integratie in de EDEO beter te ondersteunen;

25.  neemt kennis van de ontwikkelingen op het gebied van personele middelen, maar is het toch eens met de opmerkingen van de Rekenkamer dat er behoefte is aan thematische expertise in de delegaties; uit zijn ongerustheid over het feit dat delegaties van de Unie personeel tekortkomen in hun politieke afdelingen en voor de operationele programmering en tenuitvoerlegging van missies van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB); merkt eveneens op dat delegaties van de Unie op praktische moeilijkheden stuiten bij het ontvangen en verwerken van inlichtingen; verzoekt de Commissie en de EDEO een gezamenlijke aanpak te volgen om het profiel van het personeel in de delegaties te optimaliseren;

26.  geeft aan dat de EDEO nog altijd te weinig middelen inzet voor de externe aspecten van interne beleidsmaatregelen en over te weinig personeel beschikt om een serieuze input te kunnen geven bij de programmering van de financiële instrumenten, waarmee de samenhang van het extern optreden van de EU in het gedrang komt;

27.  is van mening dat in deze tijden van crisis en algemene bezuinigingen de kosten van "away days" van het personeel van de Europese instellingen moeten worden verlaagd en dat deze zoveel mogelijk op de locaties van de instellingen moeten worden gehouden, daar de toegevoegde waarde ervan de hoge kosten niet rechtvaardigt;

28.  verzoekt de EDEO een beter overzicht te krijgen van de kosten voor de aanwervingsprocedures; verzoekt de EDEO voor aanwervingsgesprekken innovatieve oplossingen zoals videoconferenties te gebruiken, en ook voor de opleiding van personeel zoveel mogelijk gelijkaardige voorstellen te doen;

29.  herhaalt dat de EDEO een vereiste dient in te voeren dat nieuw aangeworven EDEO-personeelsleden een verklaring op erewoord moeten afgeven waarin zij verklaren in het verleden niet voor inlichtingendiensten te hebben gewerkt;

30.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan maatregelen te nemen die een betere coördinatie en samenwerking tussen hun diensten voor externe betrekkingen en de EDEO bevorderen, zonder evenwel de horizontale thematische kwesties uit het oog te verliezen;

31.  onderstreept dat er aanzienlijk kan worden bespaard door het buitenlands en veiligheidsbeleid van de lidstaten beter te coördineren en door proactief vast te stellen welke gezamenlijke inspanningen geleidelijk kunnen worden overgenomen door de EDEO, zodat de Unie een sterkere en efficiëntere speler op het wereldtoneel wordt;

32.  benadrukt dat de werkwijzen voor samenwerking met het directoraat-generaal Ontwikkeling en Samenwerking van de Commissie (DG DEVCO) en ter ondersteuning van thematische afdelingen (zoals het directoraat Conflictpreventie en veiligheidsbeleid) verder moeten worden ontwikkeld;

33.  benadrukt dat thematische afdelingen tijdens alle stadia betrokken moeten worden bij de programmering om te vermijden dat conflictpreventie, vredesopbouw, gender en de mensenrechten op het laatste moment als bijkomstigheid aan de orde komen;

34.  is van mening dat het huidige buitenlands beleid van de EU nog altijd zeer sterk wordt beïnvloed door het buitenlands beleid van een aantal lidstaten; benadrukt dat het beleid waarbij landen met specifieke expertise inzake enkele actuele conflicten, met name het conflict tussen Oekraïne en Rusland, worden genegeerd, de resultaten van het buitenlands beleid van de EU domineert; verzoekt de EDEO hierop consequent toezicht te houden en rekening te houden met de mogelijke gevolgen van het buitenlands beleid van afzonderlijke lidstaten voor het buitenlands beleid van de Unie;

35.  onderstreept het belang van erkenning en steun voor het zware werk van het militaire en burgerpersoneel dat gestationeerd is in de gevaarlijkste en meest instabiele plekken ter wereld, waar de Unie eveneens vertegenwoordigd moet zijn en haar taken moet uitoefenen; acht het derhalve van essentieel belang dat dit personeel, dat onder grote druk leeft en werkt, zowel waar het gaat om veiligheid en mobiliteit, aanwezigheid of afwezigheid van het gezin alsmede culturele en maatschappelijke aspecten, op maximale bescherming en veiligheid kan rekenen, alsmede op voldoende flexibiliteit; pleit voor een verhoging van het budget voor de veiligheidskosten van deze delegaties; zou het zeer nuttig achten als er vergelijkbare statistieken zouden zijn voor personeel van de EDEO en gedetacheerd personeel van de lidstaten in dergelijke omstandigheden;

36.  herinnert eraan dat de begrotingsregeling ter ondersteuning van de delegaties moet worden vereenvoudigd; onderstreept de moeilijke omstandigheden waarin de slechtst bezette delegaties zich bevinden ten gevolge van het ingewikkelde en rigide karakter van de regels inzake het delegeren van de toestemming voor betalingen tussen personeelsleden van de EDEO en de Commissie; verzoekt beide instellingen de opties te onderzoeken waarmee de procedure inzake toestemming voor betalingen kan worden vergemakkelijkt onder naleving van de regels inzake financiële controle;

37.  onderstreept dat de financiële regels voor de delegaties van de Unie voor de hoofden van die delegaties nog altijd een zware administratieve last vormen en hen afleiden van hun belangrijkste verantwoordelijkheid, namelijk de politieke werkzaamheden; spoort de EDEO en de Commissie aan hiervoor een oplossing te vinden, ook als daarvoor een wijziging van de financiële regels nodig zou zijn, op voorwaarde dat dit niet ten koste gaat van de kwaliteit en nauwkeurigheid in het begrotingsjaar van de delegaties; merkt eveneens op dat er voor beleidsuitgaven nog altijd gebruik wordt gemaakt van begrotingslijnen in zowel de EDEO- als de Commissiebegroting, wat financieringsstromen onnodig ingewikkeld maakt;

38.  wijst op de ongelijke behandeling van EU-medewerkers op delegaties in vergelijking met EU-medewerkers in GBVB-missies in dezelfde plaatsen wat verlof, vluchten, toelagen en andere regelingen betreft; dringt aan op een gedetailleerde vergelijking van deze regelingen voor EU-medewerkers en EU-medewerkers in GBVB-missies aan de hand van het voorbeeld van Mogadishu, Somalië en Bangui, Centraal-Afrikaanse Republiek op 1 januari 2014, en verzoekt om een motivering van de ongelijke behandeling;

39.  benadrukt dat de financiering van GVDB-missies veel flexibeler moet zijn om de interne en externe veiligheid van de Europese Unie te waarborgen bij dreiging door conflicten in buurlanden, en ook door het groter risico op mogelijke terreuracties;

40.  onderstreept dat het van essentieel belang is dat er een gezamenlijk dienstencentrum wordt opgezet, wat tot een aanzienlijke kostenbesparing zou kunnen leiden door GVDB-missies, speciale vertegenwoordigers van de Unie en hun kantoren gecentraliseerd te ondersteunen, zowel logistiek en administratief als bij aanbestedingen; betreurt het dat de opening van het centrum ernstig is vertraagd en verzoekt alle belanghebbenden zich onverwijld in te zetten voor het bereiken van een overeenkomst over een ambitieus gezamenlijk dienstencentrum dat ertoe in staat is missies efficiënt te ondersteunen, (met name in de beginfase), werkprocedures te standaardiseren en voor snellere en kostenefficiëntere aanbestedingen te zorgen;

41.  dringt er bij de EDEO op aan om optimaal te profiteren van schaalvoordelen door nieuwe synergieën binnen het hoofdkwartier van de EDEO en de delegaties te creëren, alsmede in samenwerking met de lidstaten en de nationale diplomatieke diensten in de geest van een daadwerkelijk buitenlands beleid en buitenlandse diensten van de Unie; stelt met tevredenheid vast dat EU-delegaties en diplomatieke vertegenwoordigingen van lidstaten vaker kantoorruimte delen, ook al blijft dit nog een beperkt verschijnsel; verzoekt de EDEO naar mogelijkheden te zoeken om nog vaker kantoorruimte te delen;

42.  verlangt dat het gebouwenbeleid van de EDEO bij zijn jaarlijks activiteitenverslag wordt gevoegd, met name omdat het belangrijk is dat de kosten van dit beleid voldoende transparant worden gemaakt en niet buitensporig zijn;

43.  dringt er bij de EDEO op aan om de kwijtingsautoriteit de lijst van in 2013 afgesloten gebouwencontracten te verstrekken, met inbegrip van de details van de contracten, het land waar het contract is afgesloten en de looptijd van het contract, zoals in het jaarlijks activiteitenverslag van de EDEO van 2011, en verzoekt de EDEO om dezelfde details van gebouwencontracten op te nemen in zijn jaarlijks activiteitenverslag van 2014;

44.  erkent dat er nog werk aan de winkel is met betrekking tot de consulaire diensten; benadrukt dat er kosten kunnen worden bespaard wanneer consulaire diensten door delegaties van de Unie worden geboden; verzoekt de EDEO om een gedetailleerde analyse van de financiële gevolgen daarvan en vraagt de lidstaten overeenstemming te bereiken over deze kwestie om geharmoniseerde regels en wetgeving te ontwikkelen;

45.  verzoekt de Rekenkamer in haar volgende jaarverslag een evaluatie op te nemen van het vervolg dat de EDEO geeft aan de aanbevelingen van het Parlement in deze resolutie.

(1) PB L 66 van 8.3.2014.
(2) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(3) PB C 398 van 12.11.2014, blz. 1.
(4) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(5) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.


Kwijting 2013: Algemene begroting van de EU - Hof van Justitie
PDF 269kWORD 77k
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling IV – Hof van Justitie (2014/2080(DEC))
P8_TA(2015)0124A8-0111/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2014)0510 – C8-0149/2014)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 55, 99, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0111/2015),

1.  verleent de griffier van het Hof van Justitie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Hof van Justitie voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer, de Europese ombudsman, de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Dienst voor extern optreden, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling IV – Hof van Justitie (2014/2080(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling IV – Hof van Justitie,

–  gezien het Besluit van de Europese Ombudsman van 26 februari 2015 tot afsluiting van haar initiatiefonderzoek OI/Q/2014/PMC inzake klokkenluiders,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0111/2015),

1.  is tevreden dat de Rekenkamer in haar jaarverslag van 2013 opmerkt dat er geen significante tekortkomingen zijn vastgesteld met betrekking tot de gecontroleerde aspecten wat betreft personele middelen en het plaatsen van opdrachten door het Hof van Justitie van de Europese Unie ("Hof van Justitie");

2.  is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer op basis van haar controlewerkzaamheden heeft geconcludeerd dat de betalingen als geheel over het per 31 december 2013 afgesloten jaar met betrekking tot de administratieve en andere uitgaven van de instellingen en organen geen materiële fouten vertonen;

3.  merkt op dat het Hof van Justitie in 2013 beschikte over kredieten ten belope van 354 880 000 EUR (348 300 000 EUR in 2012) en dat de uitvoeringsgraad 96,3 % bedroeg; betreurt de daling van het bestedingspercentage in 2013 in vergelijking met 2012 (98,6 %);

4.  neemt er nota van dat het lagere uitvoeringspercentage kan worden toegeschreven aan het feit dat in de oorspronkelijk voor 2013 uitgetrokken kredieten een voorgestelde aanpassing van de salarissen en pensioenen van in totaal bijna 6 000 000 EUR ingecalculeerd was, maar dat de Raad uiteindelijk geen aanpassing heeft toegekend; wijst erop dat de motivering voor de onverwachte uitspraak inzake de salarisaanpassingen niet langer van toepassing is na het akkoord over het nieuwe Statuut van de ambtenaren in 2014;

5.  benadrukt echter dat de begroting van het Hof van Justitie louter administratief is, waarbij het grootste deel gebruikt wordt voor uitgaven met betrekking tot het personeel dat voor de instelling werkzaam is; neemt kennis van de motivering bij de daling van het bestedingspercentage in het jaarlijks activiteitenverslag van het Hof van Justitie voor het begrotingsjaar 2013;

6.  wijst erop dat het Hof van Justitie in 2013 701 zaken heeft afgesloten (595 afgesloten zaken in 2012) en dat er 699 nieuwe zaken aanhangig zijn gemaakt (632 in 2012), waaronder 450 hogere voorzieningen en prejudiciële verwijzingen; onderschrijft de positieve statistische resultaten en is van mening dat er, ondanks deze goede uitkomst, nog ruimte voor verbetering is;

7.  neemt ter kennis dat in 2013 bij het Gerecht 790 nieuwe zaken aanhangig zijn gemaakt, dat het 702 zaken heeft afgedaan en dat er nog 1325 zaken aanhangig zijn, hetgeen, voor wat het aantal procedures betreft, een algemene stijging ten opzichte van 2012 inhoudt; wijst er tevens op dat de procesduur licht is afgenomen; benadrukt dat de oprichting van een negende kamer niet heeft bijgedragen tot een stijging van de efficiëntie van het Gerecht in 2013, maar herhaalt niettemin zijn standpunt dat het Gerecht versterking nodig heeft op het gebied van personele middelen;

8.  wijst erop dat het Gerecht voor ambtenarenzaken in 2013 184 zaken heeft afgesloten, tegenover 121 in 2012 (d.w.z. een stijging van 52 %), waarmee het aantal aanhangige zaken met 24 is gedaald (d.w.z. een vermindering van de achterstand met 11 %); is van mening dat de afschaffing van het Gerecht voor ambtenarenzaken geen goede manier is om de langdurige stagnatie in de Raad aan te pakken;

9.  is van mening dat er binnen de bestaande hulpmiddelen waarover het Hof van Justitie beschikt nog ruimte is voor verbetering; benadrukt dat de in 2013 doorgevoerde interne hervormingen, te weten de oprichting van een nieuwe kamer in het Gerecht en de nieuwe advocaat-generaal, alsmede de hervorming van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie, vooral op taalkundig en technologisch gebied, en andere aanvullende voorschriften, hebben bijgedragen tot positieve wijzigingen in het systeem, die het mogelijk hebben gemaakt vooruitgang te boeken bij het optimaliseren van de middelen; moedigt het Hof van Justitie aan om deze aanpak te blijven volgen;

10.  beveelt aan om een nieuwe beheersstructuur voor de instelling in te voeren, met een betere scheiding tussen rechterlijke en administratieve functies, in overeenstemming met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, zodat het niet meer kan gebeuren dat rechters uitspraak moeten doen in beroepszaken tegen handelingen waarbij hun instanties rechtstreeks betrokken waren;

11.  herinnert eraan dat het Hof van Justitie in zijn reactie op de kwijtingsresolutie voor 2012 stelt dat het houden van meer hoorzittingen en het uitspreken van meer vonnissen de productiviteit niet aanzienlijk zouden verhogen; wijst erop dat het Hof van Justitie anderzijds wel om meer rechters heeft gevraagd; vraagt het Hof van Justitie een externe wederzijdse toetsing te laten uitvoeren zodat het over externe instrumenten beschikt om mogelijke oplossingen te vinden voor de problemen die het Hof van Justitie aan de orde heeft gesteld;

12.  benadrukt dat het bijzonder belangrijk is de meertaligheid bij het Hof van Justitie in acht te nemen, aangezien meertaligheid niet alleen gelijke toegang tot de jurisprudentie van het Hof van Justitie moet garanderen, maar ook gelijke kansen voor de partijen die bij een geschil voor het Hof van Justitie betrokken zijn;

13.  betreurt het dat het tijdens de kwijtingsprocedure onvoldoende informatie heeft ontvangen over de lijst van externe activiteiten van de rechters; vraagt het Hof van Justitie op zijn homepage een register te publiceren met gedetailleerde informatie over de externe activiteiten van elke rechter met gevolgen voor de begroting van de Unie;

14.  vraagt het Hof van Justitie om, in het geval van de twee gepensioneerde ambtenaren-vertalers die vertaalcontracten kregen, een verslag in te dienen aan de hand waarvan kan worden nagegaan of de situatie in overeenstemming is met de vereisten van het Statuut van de ambtenaren van de Unie, zowel wat belangenconflicten als wat salaris betreft;

15.  vraagt het Hof van Justitie te overwegen om de griffies van het Hof van Justitie tot één griffie samen te voegen teneinde voor een betere coördinatie van de procedures tussen de hoven te zorgen;

16.  neemt kennis van de verbeteringen die zijn aangebracht in de e-Curia-applicatie; erkent dat de applicatie haar volledige potentieel nog niet heeft bereikt; beveelt het Hof van Justitie aan een plan op te stellen dat is bedoeld om het gebruik van de applicatie door alle lidstaten te stimuleren;

17.  erkent de lancering in 2013 van het project inzake digitale jurisprudentiedocumenten, bedoeld om de papieren jurisprudentiedocumenten te vervangen; is van mening dat dit project eerder uitgevoerd had kunnen worden;

18.  is van mening dat het Hof van Justitie, gezien de gegevens in het jaarlijkse activiteitenverslag, het aantal papieren kopieën nog verder kan beperken zonder zijn verantwoordelijkheden te ondermijnen;

19.  moedigt het Hof van Justitie aan om, met het oog op zijn eerste rechtstreekse uitzending via webstreaming in 2013, gebruik te blijven maken van deze technologie en de toepassing ervan uit te breiden tot werkgerelateerde kwesties;

20.  erkent dat de kwaliteit van de vertolking bij het Hof van Justitie van fundamenteel belang is en dat het niet mogelijk is greep te houden op het aantal hoorzittingen; is evenwel van mening dat een efficiëntere planning van het rooster van hoorzittingen mogelijk is; beveelt het Hof van Justitie aan om in het kader van zijn interinstitutionele betrekkingen op zoek te gaan naar optimale werkwijzen van andere instellingen op dit gebied;

21.  neemt kennis van het beleid van het Hof van Justitie om bij voorkeur interne middelen te gebruiken, met name binnen de vertaaldiensten; begrijpt dat het moeilijk is bepaalde talencombinaties met een professionele juridische achtergrond te vinden; is evenwel zeer bezorgd over het zeer hoge aantal ongebruikte kredieten - 2 200 000 EUR - dat is toegekend aan freelance vertalingen; is daarom van mening dat uitbesteding, als die nodig is, ook tot verdere besparingen moet leiden;

22.  verzoekt het Hof van Justitie om de invoering van een systeem voor "vertalingen op aanvraag" voor specifieke gevallen in overweging te nemen en om vaker gebruik te maken van technologische vertaalhulpmiddelen;

23.  vraagt het Hof per geval na te gaan of een vertaling wel nodig is als die van weinig belang is voor de burgers van de Unie;

24.  stelt tot zijn bezorgdheid vast dat er enorme verschillen bestaan tussen de vertaalkosten van de verschillende EU-instellingen; vraagt daarom dat de interinstitutionele werkgroep vertaling de oorzaken van deze verschillen in kaart brengt en oplossingen voorstelt om het evenwicht te herstellen en te zorgen voor harmonisatie van de vertaalkosten onder optimale eerbiediging van kwaliteit en taalkundige verscheidenheid; merkt met het oog hierop op dat de werkgroep de samenwerking tussen de instellingen opnieuw moet opstarten, teneinde optimale werkwijzen en resultaten uit te wisselen en de gebieden te identificeren waar de samenwerking of de akkoorden tussen de instellingen kunnen worden versterkt; wijst erop dat de werkgroep zich eveneens tot doel moet stellen een uniforme methode voor de presentatie van de vertaalkosten voor alle instellingen te ontwikkelen om de analyse en vergelijking van de kosten te vereenvoudigen; wijst erop dat de werkgroep deze resultaten vóór eind 2015 moet presenteren; vraagt alle instellingen actief deel te nemen aan de werkzaamheden van de interinstitutionele werkgroep; herinnert in deze context aan het wezenlijke belang van de eerbiediging van de meertaligheid in de EU-instellingen, teneinde voor alle burgers van de Unie een gelijke behandeling en gelijke kansen te waarborgen;

25.  is van mening dat in deze tijden van crisis en algemene bezuinigingen de kosten van "away days" van het personeel van de instellingen van de Unie moeten worden verlaagd en dat deze dagen zoveel mogelijk op de locaties van de instellingen moeten worden gehouden, daar de toegevoegde waarde ervan de hoge kosten niet rechtvaardigt;

26.  verwacht dat het Hof van Justitie zal blijven uitkijken naar nieuwe interne synergieën, met name op het gebied van vertaling en vertolking;

27.  herhaalt het verzoek om de agenda's van de vergaderingen van het Hof van Justitie als bijlage op te nemen in het jaarlijks activiteitenverslag van het desbetreffende jaar;

28.  beveelt aan een aantal objectieve criteria vast te stellen om de buitensporige vertraging in de uitspraak van vonnissen te definiëren;

29.  betreurt het feit dat de lidstaten die na 2014 zijn toegetreden tot de Unie niet in de directie van de instelling vertegenwoordigd zijn; herhaalt dat er op alle bestuurlijke niveaus een beter geografisch evenwicht moet worden bereikt;

30.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het gebrek aan vrouwen op leidinggevende posten bij het Hof van Justitie (70 % - 30 %); dringt erop aan dat wordt voorzien in een programma voor gelijke kansen, met name voor leidinggevende functies, om dit gebrek aan evenwicht zo snel mogelijk te verhelpen;

31.  neemt ter kennis dat de door het Hof van Justitie toegepaste regelgeving inzake particulier gebruik van dienstauto's vergelijkbaar is met de door de andere instellingen toegepaste regelgeving; is van mening dat deze regelgeving moet worden bijgewerkt om de kosten terug te dringen, met name in het geval van particulier gebruik;

32.  verzoekt het Hof van Justitie het aantal dienstauto's waarover de leden en personeelsleden beschikken, te beperken en aan het Parlement verslag uit te brengen over de gerealiseerde besparingen; is van mening dat de regeling inzake de tewerkstelling van chauffeurs derhalve moet worden herzien; wijst erop dat de uitgebreide particuliere diensten die de chauffeurs verlenen, door de Europese belastingbetaler worden betaald;

33.  is van mening dat het Hof van Justitie zijn inspanningen op milieugebied moet opvoeren door de bestaande maatregelen ter beperking van emissies verder uit te werken en door milieucriteria voor aanbestedingen in te voeren;

34.  neemt kennis van de belofte van het Hof van Justitie om aan het verbeteren van zijn systeem voor het tijdig monitoren en controleren van de aanwervings- en aanbestedingsprocedures te blijven werken; steunt het Hof van Justitie bij zijn streven om het beheer van vergoedingen te blijven volgen en het niveau van zijn prestaties verder te verbeteren;

35.  acht het aantal via onderhandelingen toegekende contracten behoorlijk hoog; wenst grondig te worden geïnformeerd over de redenen achter deze beslissingen;

36.  vraagt het Hof van Justitie, overeenkomstig de bestaande regels inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming, in zijn jaarlijks activiteitenverslag de resultaten en gevolgen van gesloten OLAF-zaken op te nemen indien de instelling of personen die voor de instelling werken, aan een onderzoek zijn onderworpen;

37.  neemt kennis van het bij het jaarlijkse activiteitenverslag gevoegde vastgoedbeleid van het Hof van Justitie;

38.  stelt met tevredenheid vast dat het Hof van Justitie een grondig en gedetailleerd jaarlijks activiteitenverslag heeft voorbereid met daarin gedetailleerde informatie over zijn personeelsbeleid, zoals door het Parlement was gevraagd;

39.  is verontrust over de vertraging bij de aanneming van de interne regels inzake klokkenluiders; vraagt het Hof van Justitie deze regels zonder verder uitstel toe te passen.

(1) PB L 66 van 8.3.2013.
(2) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(3) PB C 398 van 12.11.2014, blz. 1.
(4) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(5) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.


Kwijting 2013: Algemene begroting van de EU - Rekenkamer
PDF 271kWORD 77k
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling V – Rekenkamer (2014/2081(DEC))
P8_TA(2015)0125A8-0113/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2014)0510 – C8-0155/2014)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 55, 99, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0113/2015),

1.  verleent de secretaris-generaal van de Rekenkamer kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer, de Europese ombudsman, de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Dienst voor extern optreden, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling V – Rekenkamer (2014/2081(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling V – Rekenkamer,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0113/2015),

1.  constateert dat de jaarrekening van de Rekenkamer wordt gecontroleerd door een onafhankelijke externe controleur – PricewaterhouseCoopers SARL – om dezelfde beginselen van transparantie en verantwoordingsplicht toe te passen als de Rekenkamer hanteert voor de gecontroleerde instanties; neemt kennis van het oordeel van de controleur dat "de financiële staten een juist en eerlijk beeld geven van de financiële positie van de Rekenkamer";

2.  onderstreept dat de Rekenkamer in 2013 over een totaalbedrag van 142 761 000 EUR aan definitieve kredieten beschikte (142 477 000 EUR in 2012) en dat het algemene uitvoeringspercentage voor de begroting 92 % bedroeg; betreurt de daling van het bestedingspercentage in 2013 ten opzichte van 2012 (96 %);

3.  benadrukt echter dat de begroting van de Rekenkamer louter administratief is, waarbij het grootste deel gebruikt wordt voor uitgaven met betrekking tot het personeel dat voor de instelling werkzaam is; neemt kennis van de motivering bij de daling van het bestedingspercentage in het verslag van de Rekenkamer over het begrotings- en financieel beheer voor 2013;

4.  neemt kennis van de nieuwe strategie van de Rekenkamer voor 2013-2017 om het meeste te halen uit haar rol als de externe controleur van de Unie; hecht zijn goedkeuring aan het voor 2013 opgestelde plan en aan het voornemen om de kwantiteit en de kwaliteit van de doelmatigheidscontroles te verbeteren door efficiënter te werk te gaan en hier meer middelen voor uit te trekken; neemt tevens kennis van de toename van het aantal controles met 60 % sinds 2008 en benadrukt dat kwantiteit niet ten koste mag gaan van kwaliteit;

5.  herinnert de Rekenkamer eraan dat het Parlement, de Raad en de Commissie in punt 54 van de Gemeenschappelijke aanpak over gedecentraliseerde agentschappen van 2012 overeengekomen zijn dat alle aspecten van deze uitbestede externe accountantscontrole "geheel onder de verantwoordelijkheid van de Rekenkamer (blijven) vallen, die alle voorgeschreven administratieve procedures en procedures voor het toekennen van contracten beheert en er zelf de kosten van draagt, benevens alle andere kosten die met de uitbesteding van de externe controle verband houden"; verwacht dat de Rekenkamer zich aan deze gemeenschappelijk aanpak houdt en externe controleurs voor de agentschappen onder contract neemt en betaalt;

6.  verzoekt de Rekenkamer een onderzoek uit te voeren naar de gevolgen van de samenvoeging van de griffies van het Hof van Justitie tot één enkele griffie, met het oog op de betere coördinatie van de procedures tussen de instellingen;

7.  neemt met voldoening kennis van het programma voor interne hervormingen van de Rekenkamer dat is opgenomen in haar strategie voor de periode 2013-2017 en berust op het "peer report" van 2014, het verslag van het Parlement over de toekomst van de Rekenkamer en de interne analyse van de Rekenkamer zelf; verzoekt de Rekenkamer regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over de ontwikkeling en uitvoering van de hervorming;

8.  vindt dat de Rekenkamer in het werkprogramma een zekere mate van flexibiliteit in acht moet nemen om snel te kunnen anticiperen op belangrijke gebeurtenissen die zich onverwacht voordoen en waarvoor specifieke controle of aandacht vereist zou kunnen zijn, en anderzijds onderwerpen die op het programma staan maar niet langer relevant zijn, te kunnen schrappen; acht het tevens van belang dat de Rekenkamer een zekere mate van diversificatie en evenwicht weet te bereiken en zich niet te zeer op bepaalde werkterreinen concentreert; vestigt de aandacht van de Rekenkamer op de politieke prioriteiten van de wetgevers en de vraagstukken die van groot belang zijn voor de burgers van de Unie en die haar door de Commissie begrotingscontrole van het Parlement zijn meegedeeld;

9.  steunt de Rekenkamer bij haar inspanningen om meer middelen te besteden aan doelmatigheidscontroles; herinnert eraan dat de Rekenkamer erop moet toezien dat controleurs die belast zijn met de uitvoering van specifieke controles beschikken over de vereiste technische kennis en methodologische vaardigheden;

10.  herinnert de Rekenkamer aan de noodzaak om tijdschema's te verbeteren, vooral bij de speciale verslagen van de Rekenkamer, zonder af te dingen op de kwaliteit van die verslagen; betreurt het dat de controlebevindingen qua tijdigheid nog steeds ver van de langetermijndoelstelling verwijderd zijn; beveelt de Rekenkamer aan zich ten doel te stellen om de duur van elke fase van de doelmatigheidscontroles te verkorten;

11.  wijst erop dat de methodologie van de Rekenkamer consistent moet zijn en op alle beheersterreinen toegepast moet worden; beseft dat een verdere afstemming kan leiden tot tegenstrijdigheden in de definities van de Rekenkamer van illegale transacties bij rechtstreeks en gedeeld beheer;

12.  stelt vast dat het gemiddelde tijdsbestek voor het opstellen van een speciaal verslag nog steeds 20 maanden beslaat, net als in 2012; betreurt het dat de Rekenkamer de strategische doelstelling om speciale verslagen op te stellen in een gemiddeld tijdsbestek van 18 maanden niet heeft gehaald; verzoekt de Rekenkamer aan elk speciaal verslag een overzicht van de totstandkoming met alle fasen van het opstellen ervan toe te voegen;

13.  is van mening dat de aanbevelingen in het speciaal verslag duidelijker moeten worden geformuleerd en dat daarin de positieve en negatieve gedragingen van de landen in kwestie consistent aan de orde moeten worden gesteld;

14.  stelt vast dat de laatste wijzigingen van het Reglement van het Parlement, die tot doel hadden de betrokkenheid van de parlementaire commissies op de verschillende terreinen waarover speciale verslagen worden opgesteld, te vergroten, niet aan de verwachtingen hebben voldaan; spant zich in om naar wegen te zoeken om de parlementaire procedures voor speciale verslagen van de Rekenkamer te verbeteren;

15.  is voorstander van de verdere versterking van de controleambten in 2013; neemt kennis van de geslaagde aanwerving van nieuw personeel in controleambten en van de vermindering van onbezette posten aan het eind van 2013, ten opzichte van 2012;

16.  stelt vast dat de Rekenkamer verklaart geen rekening te houden met geografische criteria bij het benoemen van personeel in leidinggevende functies; verzoekt de Rekenkamer op dit vlak het nodige te doen om het grote gebrek aan evenwicht waarvan momenteel sprake is bij de Rekenkamer in de toekomst recht te trekken, vooral met betrekking tot leidinggevende functies;

17.  betreurt het dat het plan voor gelijke kansen dat de Rekenkamer in 2012 heeft gelanceerd om tot een genderevenwicht te komen, niet aan de verwachtingen heeft voldaan, met name wat de leidinggevende functies betreft; merkt op dat van de 70 posten van afdelingshoofd of directeur er slechts 21 bezet worden door vrouwen en dat de meerderheid van deze posten zich in de directoraten vertaling en administratie bevindt; benadrukt en verwelkomt het feit dat het aantal vrouwelijke controleurs is toegenomen, hetgeen ongetwijfeld invloed zal hebben op het aantal vrouwen in leidinggevende auditfuncties; neemt kennis van de toezegging van de Rekenkamer dat zij het plan voor gelijke kansen snel zal herzien om doeltreffende oplossingen te vinden die het mogelijk maken de doelstellingen die voor dit terrein zijn vastgesteld, zo spoedig mogelijk te verwezenlijken;

18.  verzoekt de Rekenkamer in haar jaarlijkse activiteitenverslag een overzicht op te nemen van personeel in leidinggevende functies, uitgesplitst naar nationaliteit, geslacht en positie;

19.  constateert met tevredenheid dat het K3-gebouw op tijd en binnen het budget is voltooid;

20.  verlangt dat het gebouwenbeleid van de Rekenkamer bij haar jaarlijks activiteitenverslag wordt gevoegd, met name omdat het belangrijk is dat de kosten van dit beleid voldoende transparant worden gemaakt en niet buitensporig zijn;

21.  neemt nota van de aanzienlijke prijsverschillen voor vertaalkosten per taal in de Rekenkamer (waarbij het verschil kan oplopen tot meer dan 100 EUR per bladzijde naar gelang van de taal); is van mening dat een dergelijke hoge kostendiscrepantie, zelfs met inbegrip van indirecte kosten, om analyse en correctie vraagt;

22.  stelt tot zijn bezorgdheid vast dat er enorme verschillen bestaan tussen de vertaalkosten van de verschillende instellingen van de Unie; verzoekt de interinstitutionele werkgroep vertaling dan ook de oorzaken van deze verschillen in kaart te brengen en oplossingen voor te stellen om het evenwicht te herstellen en te zorgen voor de harmonisatie van de vertaalkosten en de optimale eerbiediging van de kwaliteit en de taalkundige verscheidenheid; merkt in dit verband op dat de werkgroep de samenwerking tussen de instellingen opnieuw moet opstarten, om optimale werkmethoden en resultaten uit te wisselen en vast te stellen op welke gebieden de samenwerking of de akkoorden tussen de instellingen kunnen worden versterkt; stelt voor dat de werkgroep zich eveneens tot doel stelt een uniforme methode voor de presentatie van de vertaalkosten voor alle instellingen te ontwikkelen om de analyse en vergelijking van de kosten te vereenvoudigen; wijst erop dat de werkgroep deze resultaten vóór eind 2015 moet voorstellen; verzoekt alle instellingen van de Unie actief deel te nemen aan de werkzaamheden van de interinstitutionele werkgroep; herinnert in deze context aan het wezenlijke belang van de eerbiediging van de meertaligheid in de instellingen van de Unie, teneinde voor alle burgers van de Unie een gelijke behandeling en gelijke kansen te waarborgen;

23.  is van mening dat in deze tijden van crisis en algemene bezuinigingen de kosten van "away days" van het personeel van de instellingen van de Unie moeten worden verlaagd en dat deze zo veel mogelijk op de locaties van de instellingen moeten worden gehouden, daar de toegevoegde waarde ervan de hoge kosten niet rechtvaardigt;

24.  onderschrijft dat de Rekenkamer verbeteringen heeft aangebracht in de definitie en de opheldering van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de Kamer voor coördinatie, evaluatie, certificering en ontwikkeling; roept de Rekenkamer op deze inspanningen voort te zetten, en wenst geïnformeerd te worden over de maatregelen die worden genomen om de prestaties van de kamer te verbeteren;

25.  stelt vast dat de Rekenkamer in 2013 in totaal veertien zaken van vermeende fraude heeft gerapporteerd die uit haar controlewerkzaamheden voortvloeiden, en tien zaken die het gevolg waren van mededelingen aan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF); merkt op dat OLAF in zeven van de veertien zaken besloot een onderzoek in te stellen en dat de informatie in de andere zaken naar een andere instantie was gestuurd voor follow-upmaatregelen;

26.  verzoekt de Rekenkamer, overeenkomstig de bestaande regels inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming, in zijn jaarlijks activiteitenverslag de resultaten en gevolgen van gesloten OLAF-zaken op te nemen indien de instelling of een persoon die voor die instelling werkzaam is, aan een onderzoek zijn onderworpen;

27.  hecht zijn goedkeuring aan de vervolgevaluatie voor 2013 van de interne controleur en aan de vooruitgang die is geboekt bij het vaststellen en prioriteren van de financiële en operationele risico's en bij het ontwikkelen van de juiste controles om deze risico's te verkleinen;

28.  constateert dat het beleid op het vlak van informatiebeveiliging een gecoördineerde en geharmoniseerde beveiligingsstrategie vereist; wijst erop dat de efficiëntie van het beheer en de interne controles op de belangrijkste terreinen van het bestuur van de Rekenkamer voor verbetering vatbaar zijn;

29.  neemt kennis van de invoering van een nieuwe applicatie ASSYST (Audit Support System) bij de Rekenkamer als een binnen de organisatie gehanteerd controle-instrument; wenst geïnformeerd te worden over de prestatiedoelstellingen die voor deze applicatie zijn geformuleerd;

30.  neemt kennis van het feit dat de Rekenkamer heeft verzekerd alle mogelijke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de kredieten voor dienstreizen uitsluitend worden benut met inachtneming van de beginselen van zuinigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid;

31.  neemt daarnaast kennis van de invoering van nieuwe softwareapplicaties om de administratie omtrent taalcursussen te verbeteren; verwacht dat met deze hulpmiddelen de organisatie van taalcursussen verder verbeterd zal worden;

32.  begrijpt het belang van de Rekenkamer om haar uitingen in de media te beoordelen; vindt echter dat zij de helderheid van haar boodschappen moet verbeteren; stelt daarom voor dat de redactionele kwaliteit van alle teksten van de Rekenkamer wordt onderworpen aan een gecentraliseerde procedure;

33.  spreekt zijn voldoening uit over de samenwerking tussen de Rekenkamer en de Commissie begrotingscontrole van het Europees Parlement, en met de regelmatige feedback aan de hand van verzoeken van het Parlement; verzoekt de Rekenkamer in haar jaarlijks activiteitenverslag een specifiek hoofdstuk op te nemen over het gevolg dat zij heeft gegeven aan de aanbevelingen van het Parlement met betrekking tot de kwijting voor de Rekenkamer over het vorige begrotingsjaar, zoals de meeste andere instellingen doen; verzoekt de Rekenkamer en de kwijtingsautoriteiten evenwel hun samenwerking nog verder te verbeteren zodat hun werkzaamheden nog efficiënter en doeltreffender worden;

34.  is van mening dat de verslagen van de Rekenkamer, en met name de speciale verslagen, een belangrijke bijdrage leveren aan het streven naar een beter uitgavenbeleid voor de middelen van de Unie; is van mening dat de verslagen van de Rekenkamer een nog grotere meerwaarde kunnen hebben als ze worden aangevuld met een aantal door de Unie te nemen corrigerende maatregelen, en een tijdpad voor de uitvoering ervan, zodat de doelstellingen die in het Europees programma, fonds of beleid in kwestie worden genoemd, ook daadwerkelijk verwezenlijkt worden; is van mening dat deze grotere nadruk op resultaten, en met name de langetermijnresultaten, overeenkomstig de beginselen van doelmatigheid en doeltreffendheid, dan ook ten goede zou komen aan het door de Rekenkamer uit te voeren noodzakelijke follow-upproces waarin de resultaten van de voorgestelde aanbevelingen worden gevolgd;

35.  verzoekt de Rekenkamer te onderzoeken of zij haar jaarverslag eerder kan indienen, binnen de parameters van het Financieel Reglement van de Unie.

(1) PB L 66 van 8.3.2013.
(2) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(3) PB C 398 van 12.11.2014, blz. 1.
(4) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(5) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.


Kwijting 2013: Algemene begroting van de EU - Economisch en Sociaal Comité
PDF 266kWORD 74k
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling VI – Europees Economisch en Sociaal Comité (2014/2082(DEC))
P8_TA(2015)0126A8-0114/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2014)0510 – C8-0151/2014)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 55, 99, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0114/2015),

1.  verleent de secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer, de Europese Dienst voor extern optreden, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's, de Europese ombudsman en de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling VI – Europees Economisch en Sociaal Comité (2014/2082(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling VI – Europees Economisch en Sociaal Comité,

–  gezien het Besluit van de Europese Ombudsman van 26 februari 2015 tot afsluiting van haar initiatiefonderzoek OI/Q/2014/PMC betreffende klokkenluiders,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0114/2015),

1.  is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer op basis van zijn controlewerkzaamheden heeft geconcludeerd dat de betalingen als geheel over het per 31 december 2013 afgesloten jaar met betrekking tot de administratieve en andere uitgaven van de instellingen en organen, geen materiële fouten vertoonden;

2.  stelt met tevredenheid vast dat de Rekenkamer in haar jaarverslag 2013 opmerkt dat geen significante tekortkomingen met betrekking tot de gecontroleerde aspecten in verband met personeelsbeheer en aanbestedingen bij het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) zijn vastgesteld;

3.  merkt op dat de begroting voor 2013 van het EESC 130 104 400 EUR bedroeg (tegenover 128 816 588 EUR in 2012), met een bestedingspercentage van 94,1%; betreurt de daling van het bestedingspercentage in 2013 in vergelijking met 2012 (96,8%);

4.  benadrukt echter dat de begroting van het EESC louter administratief is, waarbij het grootste deel gebruikt wordt voor uitgaven met betrekking tot het personeel dat voor de instelling werkzaam is en de rest voor gebouwen, meubilair, uitrusting en diverse werkingskosten; neemt kennis van de verklaring van het EESC dat de daling van het bestedingspercentage te wijten is aan voorzorgsmaatregelen;

5.  wijst erop dat de motivering voor de onverwachte uitspraak inzake salarisaanpassingen niet langer van toepassing is na het akkoord over het nieuwe Statuut van de ambtenaren in 2014;

6.  merkt op dat de begroting voor 2013 met 1% is gestegen ten opzichte van 2012; ondersteunt de inspanningen van het EESC om de begroting voor de komende jaren te beperken en zodoende te zorgen voor een forfaitaire verhoging;

7.  neemt kennis van de opmerkingen naar aanleiding van de resolutie van het Parlement over de kwijting voor 2012 die bij het jaarlijkse activiteitenverslag van het EESC zijn gevoegd; herhaalt zijn verzoek om op de hoogte te worden gehouden van de uitvoerige toetsing van de uitgaven en de resultaten daarvan;

8.  is verheugd over het voornemen van het EESC om te zorgen voor een betere programmering van zijn werkzaamheden in het kader van het wetgevingsproces, zonder hierbij noodzakelijkerwijs het aantal adviezen te verhogen, maar wel door meer in te zetten op de kwaliteit van deze adviezen;

9.  neemt er nota van dat het EESC uitvoering heeft gegeven aan de nieuwe regels met betrekking tot de vergoeding van de reiskosten van zijn leden, d.w.z. vergoeding op basis van de daadwerkelijk gemaakte kosten, zoals was aanbevolen door het Parlement; herhaalt dat het systeem in het najaar van 2015, bij het begin van de volgende ambtstermijn van het EESC, volledig operationeel moet zijn;

10.  neemt nota van de samenwerking tussen het EESC en de Commissie begrotingscontrole van het Parlement, in het bijzonder voor wat de kwijtingsprocedure betreft;

11.  merkt op dat het gebruik van externe vertalingen gedaald is van 4,5% in 2012 tot 2,9% in 2013; merkt evenwel op dat de productiviteit van de interne vertaaldienst ook is gedaald;

12.  stelt tot zijn bezorgdheid vast dat er enorme verschillen bestaan tussen de vertaalkosten van de verschillende EU-instellingen; vraagt daarom dat de interinstitutionele werkgroep vertaling de oorzaken van deze verschillen identificeert en oplossingen voorstelt om dit onevenwicht te beëindigen en te zorgen voor de harmonisatie van de vertaalkosten en de optimale eerbiediging van de kwaliteit en de taalkundige verscheidenheid; merkt in dit verband op dat de werkgroep de samenwerking tussen de instellingen opnieuw moet opstarten, om de beste handelswijzen en resultaten uit te wisselen en de gebieden te identificeren waarop de samenwerking of de akkoorden tussen de instellingen kunnen worden versterkt; merkt op dat de werkgroep zich eveneens tot doel moet stellen een uniforme methode voor de presentatie van de vertaalkosten te ontwikkelen voor alle instellingen om de analyse en vergelijking van de kosten te vereenvoudigen; wijst erop dat de werkgroep deze resultaten vóór eind 2015 moet presenteren; vraagt aan alle instellingen actief deel te nemen aan de werkzaamheden van de interinstitutionele werkgroep; herinnert in deze context aan het wezenlijke belang van de eerbiediging van de meertaligheid in de EU-instellingen om de gelijke behandeling van alle burgers van de Unie te waarborgen en te zorgen voor gelijke kansen;

13.  neemt kennis van het samenwerkingsakkoord tussen het EESC, het Comité van de Regio's en het Parlement dat uiteindelijk op 5 februari 2014 is ondertekend en dat in de eerste plaats heeft geleid tot een aanzienlijke overdracht van personeel van de comités naar de nieuwe Onderzoeksdienst van het Parlement; hoopt dat dit akkoord op een evenwichtige manier zal worden toegepast, dat het de drie instellingen in gelijke mate ten goede zal komen en dat het zal bijdragen tot de verdere rationalisering van de middelen; vraagt de drie instellingen om een jaar na de inwerkingtreding van dit samenwerkingsakkoord afzonderlijke evaluaties uit te voeren van de impact ervan op het vlak van personele middelen, uitgaven, synergieën, toegevoegde waarde en kwaliteit van de inhoud;

14.  verzoekt het EESC in zijn jaarlijkse activiteitenverslag een overzicht op te nemen van personeel in leidinggevende functies, uitgesplitst naar nationaliteit, geslacht en positie;

15.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het gebrek aan vrouwen op leidinggevende posten bij het EESC (61% - 39%); dringt erop aan dat wordt voorzien in een programma voor gelijke kansen, met name voor leidinggevende functies, om dit gebrek aan evenwicht zo snel mogelijk te verhelpen;

16.  beveelt het EESC aan te blijven werken aan een regelmatige toetsing van de bezuinigingen die het gevolg zijn van de uitvoering van de nieuwe overeenkomst inzake administratieve samenwerking met het Comité van de Regio's; verzoekt om uitvoerige informatie over de resultaten van deze samenwerking;

17.  merkt op dat de volgende tussentijdse evaluatie van deze samenwerkingsovereenkomst het geschikte moment zal zijn om de overeenkomst te evalueren en eventuele tekortkomingen te corrigeren;

18.  vraagt gedetailleerde informatie over de resultaten van de tussentijdse evaluatie en verwacht dat deze evaluatie eveneens een gezamenlijke beoordeling zal omvatten van de begrotingsbesparingen die het gevolg zijn van de samenwerking;

19.  stelt vast dat er nog steeds een beperkt gebruik wordt gemaakt van videoconferenties; constateert dat maatregelen worden genomen om daar meer gebruik van te maken; vraagt op de hoogte te worden gehouden van de vorderingen op dit gebied;

20.  vindt het positief dat het percentage aangevraagde vertolkingsdiensten dat niet wordt gebruikt, gedaald is van 7,6% in 2012 naar 5,1% in 2013; benadrukt echter dat dit percentage nog steeds hoog is en verzoekt om verdere verlaging van de kosten voor vertolking;

21.  is van mening dat in deze tijden van crisis en algemene bezuinigingen de kosten van "away days" van het personeel van de instellingen van de Unie moeten worden verlaagd en dat deze dagen zoveel mogelijk op de locaties van de instellingen moeten worden gehouden, daar de toegevoegde waarde ervan de hoge kosten niet rechtvaardigt;

22.  is bezorgd over het feit dat verscheidene grote evenementen die gepland waren voor 2013 geannuleerd of uitgesteld werden; roept het EESC op de organisatie van interne evenementen beter te plannen en te rationaliseren;

23.  neemt kennis van de verstrekte informatie over de nieuwe verzekeringsovereenkomst die in werking is getreden op 1 juli 2012 voor de afgevaardigden van de Adviescommissie industriële reconversie;

24.  betreurt de op 22 mei 2014 gepubliceerde uitspraak van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie waarin het EESC wordt veroordeeld voor het schenden van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in verband met het ontslag van één van zijn personeelsleden in 2013; betreurt eveneens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 oktober 2014 in zaak T-530/12 P (M.B.G./EESC) in het nadeel van het EESC en met betrekking tot de melding van onregelmatigheden tegen de vroegere secretaris-generaal door het hoofd van de juridische dienst van het EESC; vraagt aan het EESC en zijn nieuwe secretaris-generaal passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat er zich geen nieuwe ernstige schendingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie voordoen, en het bureau, de leden en al het personeel te informeren over de inhoud van beide arresten, alsook over de verplichting voor ambtenaren en statutaire personeelsleden om onregelmatigheden te melden, en over het feit dat het bureau van het EESC het bevoegde orgaan is om dergelijke meldingen te ontvangen; vraagt eveneens het Parlement op de hoogte te brengen van de totale juridische kosten van de afgelopen 5 jaar met betrekking tot personeelszaken die voor het gerecht of de Ombudsman zijn gebracht;

25.  is verontrust over de vertraging bij de aanneming van de interne regels inzake klokkenluiders; roept het EESC op deze regels zonder verder uitstel toe te passen;

26.  merkt op dat de dienst Interne audit drie personeelsleden telt; wijst erop dat langdurige ziekteverloven het beschikbare personeelsbestand aanzienlijk hebben verminderd in 2013; roept het EESC op de dienst Interne audit te versterken en de reikwijdte van de controles uit te breiden;

27.  vraagt het EESC, overeenkomstig de bestaande regels inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming, in zijn jaarlijks activiteitenverslag de resultaten en gevolgen van gesloten zaken van het Europees Bureau voor fraudebestrijding op te nemen indien de instelling of personen die voor de instelling werken, aan een onderzoek zijn onderworpen;

28.  verlangt dat het gebouwenbeleid van het EESC bij zijn jaarlijks activiteitenverslag wordt gevoegd, met name omdat het belangrijk is dat de kosten van dit beleid voldoende transparant worden gemaakt en niet buitensporig zijn;

29.  staat erop dat het nodig is de zichtbaarheid van het EESC te verbeteren door middel van de ontwikkeling van een passend voorlichtings- en communicatiebeleid.

(1) PB L 66 van 8.3.2013.
(2) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(3) PB C 398 van 12.11.2014, blz. 1.
(4) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(5) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.


Kwijting 2013: Algemene begroting van de EU - Comité van de Regio's
PDF 265kWORD 74k
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling VII – Comité van de Regio's (2014/2083(DEC))
P8_TA(2015)0127A8-0105/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2014)0510 – C8-0152/2014)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 55, 99, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0105/2015),

1.  verleent de secretaris-generaal van het Comité van de Regio’s kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Comité van de Regio’s voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer, de Europese Dienst voor extern optreden, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's, de Europese ombudsman en de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling VII – Comité van de Regio's (2014/2083(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling VII – Comité van de Regio's,

–  gezien het Besluit van de Europese Ombudsman van 26 februari 2015 tot afsluiting van haar initiatiefonderzoek OI/1/2014/PMC betreffende klokkenluiders,

–  gezien de nieuwe regels inzake de bescherming van klokkenluiders,

–  gezien het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie van 7 mei 2013,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0105/2015),

1.  stelt met tevredenheid vast dat de Rekenkamer in haar jaarverslag 2013 opmerkt dat er geen significante tekortkomingen zijn vastgesteld met betrekking tot de gecontroleerde aspecten in verband met personeelsbeheer en aanbestedingen bij het Comité van de Regio's (hierna "het Comité");

2.  is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer op basis van haar controlewerkzaamheden heeft geconcludeerd dat de betalingen als geheel over het per 31 december 2013 afgesloten jaar met betrekking tot de administratieve en andere uitgaven van de instellingen en organen, geen materiële fouten vertoonden;

3.  stelt vast dat het Comité in 2013 beschikte over een goedgekeurde begroting van 87 373 000 EUR (86 503 000 EUR in 2012), waarvan 84 800 000 EUR aan vastleggingskredieten, met een benuttingspercentage van 97 %; betreurt de daling van het bestedingspercentage in 2013 in vergelijking met 2012 (98,2 %);

4.  benadrukt echter dat de begroting van het Comité louter administratief is, waarbij het grootste deel gebruikt wordt voor uitgaven met betrekking tot het personeel dat voor de instelling werkzaam is en de rest voor gebouwen, meubilair, uitrusting en diverse werkingskosten; neemt kennis van de uitleg van het Comité voor de daling van het bestedingspercentage;

5.  wijst erop dat de motivering voor de onverwachte uitspraak inzake salarisaanpassingen niet langer van toepassing is na het akkoord over het nieuwe Statuut van de ambtenaren in 2014;

6.  verwelkomt het Jaarverslag subsidiariteit 2013, dat een overzicht geeft van de activiteiten voor subsidiariteitstoezicht van het Comité voor het hele jaar; meent dat het verslag een waardevol instrument is voor het wetgevend werk van het Parlement; vraagt dat voldoende bekend wordt gemaakt dat dergelijke verslagen zijn opgesteld en dat ze worden rondgestuurd aan de medewetgevers;

7.  neemt kennis van de oprichting van een nieuwe fractie (ECR) in het Comité en van de beperkte financiële gevolgen van de oprichting van deze fractie in 2013; verwelkomt de informatie die verstrekt wordt in het jaarlijks activiteitenverslag over de politieke activiteiten van het Comité en wil graag doorlopend van de projecten op de hoogte worden gehouden en geïnformeerd worden over de gevolgen van de genomen maatregelen voor de begroting;

8.  neemt nota van de samenwerking tussen het Comité en de Commissie begrotingscontrole van het Parlement, in het bijzonder voor wat de kwijtingsprocedure betreft;

9.  stelt met tevredenheid vast dat de door de Commissie begrotingscontrole van het Europees Parlement geformuleerde aanbevelingen en vereisten door de begrotingsdienst van het Comité in een centrale databank worden opgenomen en dat de vooruitgang die met de tenuitvoerlegging wordt geboekt regelmatig wordt gevolgd; spreekt zijn voldoening uit over de oprichting van een comité in het kader van de interne audit bestaande uit vijf leden en een externe deskundige, dat eveneens rekening houdt met de aanbevelingen van de Rekenkamer en het Parlement;

10.  is ingenomen met de door het Comité ingevoerde nieuwe regeling betreffende een activiteitengeoriënteerde begroting die meer aangepast is aan de bijzondere eigenschappen van kleinere instellingen en die een vollediger overzicht kan mogelijk maken van de kosten en de voorziene activiteiten; verzoekt het Comité een evaluatie uit te voeren van de voordelen die gepaard gaan met de toepassing van de nieuwe regeling;

11.  neemt kennis van het samenwerkingsakkoord tussen het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC), het Comité en het Europees Parlement dat uiteindelijk op 5 februari 2014 is ondertekend en dat in de eerste plaats heeft geleid tot een aanzienlijke overdracht van personeel van de comités naar de nieuwe Onderzoeksdienst van het Parlement (EPRS); hoopt dat dit akkoord op een evenwichtige manier zal worden toegepast, dat het de drie instellingen in gelijke mate ten goede zal komen en dat het zal bijdragen tot de verdere rationalisering van de middelen; vraagt de drie instellingen om aan het einde van het eerste jaar van de samenwerking een afzonderlijke evaluatie uit te voeren van de gevolgen van het akkoord op het vlak van personele middelen, uitgaven, synergieën, toegevoegde waarde en de inhoud;

12.  stelt vast dat de vraag naar vertalingen met 19,1 % is gedaald in vergelijking met 2012; merkt evenwel op dat de productiviteit van de interne vertaaldienst ook is gedaald;

13.  neemt kennis van het voornemen van het Comité om de vertaalaanvragen te rationaliseren en bepaalde soorten documenten te standaardiseren; steunt dit initiatief en verlangt volledig op de hoogte te worden gehouden van de uitvoering ervan; neemt met bezorgdheid nota van het feit dat een deel van de interne vertalers van het Comité is overgebracht naar de nieuwe Onderzoeksdienst van het Parlement (EPRS), naar aanleiding van het samenwerkingsakkoord; vraagt het Comité een specifieke studie uit te voeren naar de impact van deze bezuiniging op de kwaliteit en de efficiëntie van zijn vertaaldiensten;

14.  wijst erop dat er met andere instellingen overeenstemming is bereikt over een gezamenlijke methodologie voor de berekening en vergelijking van vertaalkosten en andere indicatoren; verzoekt het Comité de kwijtingsautoriteit in kennis te stellen van de toepassing van de gezamenlijk overeengekomen methodologie;

15.  is van mening dat in deze tijden van crisis en algemene bezuinigingen de kosten van "away days" van het personeel van de instellingen van de Unie moeten worden verlaagd en dat deze dagen zoveel mogelijk op de locaties van de instellingen moeten worden gehouden, daar de toegevoegde waarde ervan de hoge kosten niet rechtvaardigt;

16.  stelt met voldoening vast dat het Comité informatie over niet-gebruikte vertolkingsdiensten heeft opgenomen in het jaarlijks activiteitenverslag 2013; vindt het positief dat het percentage ongebruikt gebleven vertolkingsdiensten gedaald is van 3,23 % in 2012 naar 2,51 % in 2013; meent dat dit percentage nog kan worden verbeterd en vraagt dat het Comité zijn vergaderingen beter plant;

17.  stelt vast dat er nog steeds een beperkt gebruik wordt gemaakt van videoconferenties; constateert dat maatregelen worden genomen om daar meer gebruik van te maken; vraagt op de hoogte te worden gehouden van de vorderingen op dit gebied;

18.  beveelt het Comité aan te blijven werken aan de regelmatige toetsing van de bezuinigingen die het gevolg zijn van de uitvoering van de nieuwe overeenkomst inzake administratieve samenwerking met het EESC; verzoekt om uitvoerige informatie over de resultaten van deze samenwerking;

19.  merkt op dat de volgende tussentijdse evaluatie van deze nieuwe samenwerkingsovereenkomsthet geschikte moment zal zijn om de overeenkomst te evalueren en eventuele tekortkomingen te corrigeren;

20.  vraagt gedetailleerde informatie over de resultaten van de tussentijdse evaluatie en verwacht dat deze evaluatie eveneens een gezamenlijke beoordeling zal omvatten van de begrotingsbesparingen die het gevolg zijn van de samenwerkingsovereenkomst;

21.  wijst erop dat het nodig is de zichtbaarheid van de instelling te verbeteren door middel van de ontwikkeling van een passend voorlichtings- en communicatiebeleid;

22.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het gebrek aan vrouwen op leidinggevende posten bij het Comité (67 % - 33 %); dringt erop aan dat wordt voorzien in een programma voor gelijke kansen, met name voor leidinggevende functies, om dit gebrek aan evenwicht zo snel mogelijk te verhelpen;

23.  vraagt het Comité, overeenkomstig de bestaande regels inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming, in zijn jaarlijks activiteitenverslag de resultaten en gevolgen van gesloten OLAF-zaken op te nemen indien de instelling of personen die voor de instelling werken, aan een onderzoek zijn onderworpen;

24.  verlangt dat het gebouwenbeleid van het Comité bij zijn jaarlijks activiteitenverslag wordt gevoegd, met name omdat het belangrijk is dat de kosten van dit beleid voldoende transparant worden gemaakt en niet buitensporig zijn;

25.  prijst het Comité voor de consistente kwaliteit van het jaarlijkse activiteitenverslag en voor de verstrekking van een algemeen jaarlijks impactverslag, dat een belangrijk instrument is voor de beoordeling van zijn werk; stelt met tevredenheid vast dat in het jaarlijkse activiteitenverslag een volledige tabel is opgenomen met al het personeel dat ter beschikking van het Comité staat;

26.  wijst erop dat de leden van het Comité democratisch gelegitimeerde plaatselijke en regionale vertegenwoordigers zijn die politieke activiteiten uitoefenen; is dan ook van mening dat voor hen dezelfde regels moeten gelden als voor andere nationale of Europese politici voor wat betreft hun toegang tot de Europese Commissie en haar diensten;

27.  is verontrust over de vertraging bij de aanneming van de interne regels inzake klokkenluiders; roept het Comité op deze regels zonder verder uitstel toe te passen;

28.  herinnert eraan dat het Comité al sinds 2003 met dezelfde klokkenluiderszaak bezig is; benadrukt de aanzienlijke kosten voor de belastingbetalers in de EU en de schade voor de klokkenluider; verzoekt het Comité van de Regio's de conclusies van het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 7 mei 2013 dringend na te leven, de vordering van de klager als legitiem te erkennen en de zaak eindelijk af te sluiten;

29.  benadrukt dat het Parlement geen slechte behandeling van klokkenluiders zal toestaan, noch binnen de eigen instelling, noch in enige andere instelling van de Unie, en herhaalt volledig toegewijd te zijn aan de geest en de letter van de wetgeving inzake de bescherming van klokkenluiders;

(1) PB L 66 van 8.3.2013.
(2) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(3) PB C 398 van 12.11.2014, blz. 1.
(4) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(5) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.


Kwijting 2013:algemene begroting van de EU - Europese Ombudsman
PDF 262kWORD 70k
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling VIII – Europese Ombudsman (2014/2084(DEC))
P8_TA(2015)0128A8-0115/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2014)0510 – C8-0153/2014)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 55, 99, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0115/2015),

1.  verleent de Europese Ombudsman kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese Ombudsman voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer, de Europese ombudsman, de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Dienst voor extern optreden, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling VIII – Europese Ombudsman (2014/2084(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling VIII – Europese Ombudsman,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0115/2015),

1.  stelt met tevredenheid vast dat de Rekenkamer in haar jaarverslag 2013 opmerkt dat er geen significante tekortkomingen zijn vastgesteld met betrekking tot de gecontroleerde aspecten in verband met personeelsbeheer en aanbestedingen bij de Europese Ombudsman (hierna "de Ombudsman");

2.  benadrukt het feit dat de Rekenkamer op basis van zijn controlewerkzaamheden heeft geconcludeerd dat de betalingen als geheel over het per 31 december 2013 afgesloten jaar met betrekking tot de administratieve en andere uitgaven van de instellingen en organen geen materiële fouten vertonen;

3.  benadrukt dat de begroting voor de Ombudsman een louter administratieve begroting is die in 2013 neerkwam op 9 731 371 EUR (9 516 500 EUR in 2012), waarvan 7 567 371 EUR uitgetrokken was voor Titel 1 (uitgaven voor aan de instelling verbonden personen), 1 606 700 EUR toegewezen was aan Titel 2 (gebouwen, materieel en diverse huishoudelijke uitgaven) en 557 300 EUR bestemd was voor Titel 3 (uitgaven voortvloeiende uit specifieke taken van de instelling);

4.  merkt op dat 98,20% van alle kredieten vastgelegd was (in 2012 was dat 98,30%) en 91,82% betaald werd (in 2012 was dat 88,69%) met een benuttingspercentage van 98,20% (vergeleken met 95,88% in 2012); is ingenomen met de in 2013 bereikte resultaten;

5.  wijst op de voortdurende verbetering van de financiële planning en het toezicht hierop; dringt erop aan deze inspanning in de volgende begrotingsjaren voort te zetten;

6.  onderschrijft het jaarlijkse beheersplan voor 2013 van de Ombudsman, waarin een scorebord met de belangrijkste prestatie-indicatoren opgenomen is om de prestaties van de organisatie met betrekking tot de verwezenlijking van haar doelstellingen te meten;

7.  neemt kennis van de belofte van de Ombudsman om aan het verbeteren van zijn systeem voor het tijdig monitoren en controleren van de aanwervings- en aanbestedingsprocedures te blijven werken; steunt de Ombudsman bij zijn streven om het beheer van vergoedingen te blijven volgen en het niveau van zijn prestaties verder te verbeteren;

8.  neemt er kennis van dat de Ombudsman de financiële planning voortdurend tracht te verbeteren om de begroting zo doeltreffend mogelijk uit te voeren;

9.  verzoekt de Ombudsman in het volgende jaarlijkse activiteitenverslag te vermelden welk percentage van de voor dat jaar gevraagde vertolkingsdiensten ongebruikt is gebleven;

10.  stelt tot zijn bezorgdheid vast dat er enorme verschillen bestaan tussen de vertaalkosten van de verschillende EU-instellingen; vraagt daarom dat de interinstitutionele werkgroep vertaling de oorzaken van deze verschillen in kaart brengt en oplossingen voorstelt om het evenwicht te herstellen en te zorgen voor de harmonisatie van de vertaalkosten en de optimale eerbiediging van de kwaliteit en de taalkundige verscheidenheid; merkt in dit verband op dat de werkgroep de samenwerking tussen de instellingen opnieuw moet opstarten, om de beste handelwijzen en resultaten uit te wisselen en de gebieden te identificeren waar de samenwerking of de akkoorden tussen de instellingen kunnen worden versterkt; merkt op dat de werkgroep zich eveneens tot doel moet stellen een uniforme methode voor de presentatie van de vertaalkosten voor alle instellingen te ontwikkelen om de analyse en vergelijking van de kosten te vereenvoudigen; wijst erop dat de werkgroep deze resultaten vóór eind 2015 moet voorstellen; vraagt aan alle instellingen actief deel te nemen aan de werkzaamheden van de interinstitutionele werkgroep; herinnert in deze context aan het wezenlijke belang van de eerbiediging van de meertaligheid in de EU-instellingen, teneinde voor alle burgers van de Unie een gelijke behandeling en gelijke kansen te waarborgen;

11.  neemt kennis van de conclusies van de interne controleur in de controleverslagen voor 2013 dat de interne beheer- en controlesystemen efficiënt en doeltreffend zijn en dat alle nog lopende acties afgesloten zijn;

12.  is ingenomen met het feit dat de doelstelling om 70% van de zaken binnen een jaar af te sluiten in 2013 ruimschoots is gehaald; wijst er echter op dat het percentage van onderzoeken dat binnen 18 maanden werd afgerond weliswaar gestegen is van 79 naar 81% maar nog steeds onder het door de Ombudsman vastgestelde streefcijfer ligt; is van oordeel dat het streefcijfer van 90% realistisch is en kan worden bereikt; verwacht dat dit streefcijfer in 2014 wordt bereikt en dat dit resultaat op een gedetailleerde manier wordt weergegeven in het jaarlijks activiteitenverslag; waardeert dat er op eigen initiatief specifieke onderzoeken zijn ingesteld, en vraagt aan het Parlement verslag uit te brengen over de eerste resultaten daarvan;

13.  is verheugd over het feit dat de Ombudsman in 2012 het eerste niveau van erkenning ("Committed to Excellence") verkreeg van de Europese Stichting voor kwaliteitsbeheer (EFQM) en dat hij in 2013 een uitstekende en vruchtbare relatie met de stichting heeft onderhouden;

14.  vestigt de aandacht op de hoge kosten voor "away days", conferenties of soortgelijke evenementen voor het personeel van de diensten van de Europese Ombudsman in 2013, die aanzienlijk hoger liggen dan bij de overige instellingen; is van mening dat in deze tijden van crisis en algemene bezuinigingen de kosten van "away days" van het personeel van de EU-instellingen moeten worden verlaagd en dat deze zo veel mogelijk op de locaties van de instellingen moeten worden gehouden, daar de toegevoegde waarde ervan de hoge kosten niet rechtvaardigt;

15.  is verheugd dat een vrouw tot Europese Ombudsman is verkozen; is echter bezorgd over de ondervertegenwoordiging van vrouwen op verantwoordelijke posities bij de diensten van de Ombudsman; dringt erop aan dat wordt voorzien in een programma voor gelijke kansen, met name voor leidinggevende functies, om dit gebrek aan evenwicht zo snel mogelijk te verhelpen;

16.  is van mening dat de Ombudsman moet blijven streven naar consistente kwaliteit in het jaarlijkse activiteitenverslag en een algemeen jaarlijks impactverslag moet verstrekken, dat een belangrijk instrument is voor de beoordeling van zijn werk;

17.  verlangt dat het gebouwenbeleid van de Ombudsman bij zijn jaarlijks activiteitenverslag wordt gevoegd, met name omdat het belangrijk is dat de kosten van dit beleid voldoende transparant worden gemaakt en niet buitensporig zijn;

18.  vraagt de Ombudsman, overeenkomstig de bestaande regels inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming, in zijn jaarlijks activiteitenverslag de resultaten en gevolgen van gesloten OLAF-zaken op te nemen indien de instelling of personen die voor de instelling werken, aan een onderzoek zijn onderworpen;

19.  is het volledig eens met het door de diensten van de Ombudsman gevoerde transparantiebeleid en vraagt dat er een procedure wordt opgestart om vooraf de mogelijke gevolgen van bepaalde publicaties te beoordelen teneinde er zo nodig een bericht bij te voegen om baatzuchtige manipulatie te voorkomen; wijst erop dat deze procedure moet worden opgestart op verzoek van de Ombudsman, in samenwerking met de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, de Commissie en de instelling waarop de publicatie betrekking heeft;

20.  wijst erop dat het jaarverslag over de activiteiten van de Ombudsman in 2013 is goedgekeurd door de plenaire vergadering op 15 januari 2015(7), en neemt kennis van de daarin geformuleerde opmerkingen.

(1) PB L 66 van 8.3.2013.
(2) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(3) PB C 398 van 12.11.2014, blz. 1.
(4) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(5) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0009.


Kwijting 2013: Algemene begroting van de EU - Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming
PDF 264kWORD 72k
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling IX – Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (2014/2085(DEC))
P8_TA(2015)0129A8-0118/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2014)0510 – C8-0154/2014)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 55, 99, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0118/2015),

1.  verleent de Europese Toezichthouder voor Gegevensbescherming kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese Toezichthouder voor Gegevensbescherming voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer, de Europese ombudsman, de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Dienst voor extern optreden, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling IX – Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (2014/2085(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling IX – Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming,

–  gezien het Besluit van de Europese Ombudsman van 26 februari 2015 tot afsluiting van haar initiatiefonderzoek OI/1/2014/PMC inzake klokkenluiders,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0118/2015),

1.  is verheugd over de conclusie van de Rekenkamer dat de betalingen als geheel over het per 31 december 2013 afgesloten jaar met betrekking tot de administratieve en andere uitgaven van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming ("de Toezichthouder") geen materiële fouten vertonen en dat de onderzochte toezicht- en controlesystemen voor de administratieve en andere uitgaven doeltreffend waren;

2.  stelt vast dat de Rekenkamer in haar jaarverslag van 2013 opmerkt dat er geen significante tekortkomingen zijn vastgesteld met betrekking tot de gecontroleerde aspecten inzake personele middelen en aanbesteding door de Toezichthouder;

3.  stelt vast dat de Toezichthouder in 2013 over een totaalbedrag van 7 661 409 EUR aan toegekend budget beschikte (tegenover 7 624 090 EUR in 2012) en dat de uitvoeringsgraad ervan 84,7 % bedroeg (tegenover 83,2 % in 2012); vindt dat een positieve ontwikkeling en dringt aan op verdere inspanningen om de uitvoeringsgraad te verbeteren;

4.  benadrukt dat de begroting van de Toezichthouder een louter administratieve begroting is; merkt op dat het uitvoeringspercentage van de uitgaven voor aan de instelling verbonden personen (Titel 1) 93,41 % is en dat het uitvoeringspercentage van de uitgaven voor gebouwen, uitrusting en uitgaven in verband met de werking van de instelling (Titel 2) 99,14 % is;

5.  neemt kennis van de belofte van de Toezichthouder om aan het verbeteren van zijn systeem voor het tijdig monitoren en controleren van de aanwervings- en aanbestedingsprocedures te blijven werken; steunt de Toezichthouder bij zijn streven om het beheer van vergoedingen te blijven volgen en het niveau van de prestaties verder te verbeteren;

6.  stelt met voldoening vast dat dankzij de follow-up audit die in juni 2013 door de dienst Interne audit van de Toezichthouder is uitgevoerd, het merendeel van de gesuggereerde maatregelen en aanbevelingen inzake administratieve procedures kon worden afgesloten en de conclusie kon worden getrokken dat er op 31 december 2013 geen aanleiding was tot specifieke aanbevelingen;

7.  merkt op dat de uitvoering van de aanbeveling inzake de beveiliging van gegevens in klachten op het moment van de follow-up audit in juni 2013 nog niet voltooid was als gevolg van een vertraging bij de invoering van het systeem voor dossierbeheer (Case Management System, CMS) ; merkt op dat deze aanbeveling waarschijnlijk in de loop van 2014 volledig zou worden uitgevoerd, daar het CMS sinds oktober 2013 operationeel is;

8.  wijst op het feit dat de gedelegeerde ordonnateur van oordeel is dat het niveau van beheer en controle toereikend is en wordt verbeterd, en dat op het moment van het opstellen van het jaarverslag 2013 geen significante fout was opgetreden en er geen aanleiding was tot enig voorbehoud ten aanzien van voorafgaande controles;

9.  herinnert eraan dat de bevoegdheden van de Toezichthouder door het Verdrag van Lissabon zijn toegenomen omdat gegevensbescherming is uitgebreid tot alle beleidsterreinen van de EU; stelt vast dat de debatten in de Raad over het nieuwe juridische kader inzake gegevensbescherming (dat door de Commissie op 25 januari 2012 werd voorgesteld) nog lopen;

10.  stelt vast dat aan de begroting van de Toezichthouder een nieuwe Titel III werd toegevoegd om te voorzien in de oprichting van een onafhankelijk secretariaat van een nieuw Europees Comité voor gegevensbescherming; erkent dat deze Titel geen kredieten heeft zolang het juridisch kader niet is aangenomen;

11.  stelt vast dat een nieuw instrument, de op activiteiten gebaseerde kostenberekening, bedoeld om de efficiëntie bij de toewijzing van middelen te verbeteren, recent werd goedgekeurd en in 2015 zal worden uitgevoerd;

12.  wenst te worden geïnformeerd over de budgettaire gevolgen van de reorganisatie van het secretariaat van de Toezichthouder;

13.  wijst erop dat de dienst Interne audit (IAS) heeft vastgesteld dat sinds de laatste risicobeoordeling in 2011 aanzienlijke verbeteringen zijn gemaakt; dringt er bij de Toezichthouder op aan die inspanningen te blijven leveren om gevolg te geven aan de overblijvende, nog open staande aanbevelingen;

14.  stelt vast dat in de nieuwe gebouwen van de Toezichthouder een videoconferentiesysteem is geïnstalleerd; vraagt tijdens hoe vaak dit systeem tijdens vergaderingen in 2013 werd gebruikt;

15.  keurt de opstelling van prestatiekernindicatoren om het efficiënt gebruik van middelen te beoordelen volledig goed; verzoekt de Toezichthouder het scorebord in het jaarlijkse activiteitenverslag te blijven verschaffen;

16.  verlangt dat het gebouwenbeleid van de Toezichthouder bij zijn jaarlijks activiteitenverslag wordt gevoegd, met name omdat het belangrijk is dat de kosten van dit beleid voldoende transparant worden gemaakt en niet buitensporig zijn;

17.  herhaalt het verzoek van vorig jaar om een gedetailleerd overzicht op te nemen van alle tot de beschikking van de Toezichthouder staande personeelsleden, uitgesplitst per rang, geslacht en nationaliteit; meent dat deze tabel automatisch moet worden opgenomen in het jaarlijks activiteitenverslag van de instelling;

18.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het gebrek aan vrouwen op leidinggevende posten; dringt erop aan dat wordt voorzien in een programma voor gelijke kansen, met name voor leidinggevende functies, om dit gebrek aan evenwicht zo snel mogelijk te verhelpen;

19.  is van mening dat in deze tijden van crisis en algemene bezuinigingen de kosten van "away days" van het personeel van de instellingen van de Unie moeten worden verlaagd en dat deze dagen zoveel mogelijk op de locaties van de instellingen moeten worden gehouden, daar de toegevoegde waarde ervan de hoge kosten niet rechtvaardigt;

20.  stelt tot zijn bezorgdheid vast dat er enorme verschillen bestaan tussen de vertaalkosten van de verschillende EU-instellingen; vraagt daarom dat de interinstitutionele werkgroep vertaling de oorzaken van deze verschillen in kaart brengt en oplossingen voorstelt om het evenwicht te herstellen en te zorgen voor de harmonisatie van de vertaalkosten en de optimale eerbiediging van de kwaliteit en de taalkundige verscheidenheid; merkt in dit verband op dat de werkgroep de samenwerking tussen de instellingen opnieuw moet opstarten, om de beste handelwijzen en resultaten uit te wisselen en de gebieden te identificeren waar de samenwerking of de akkoorden tussen de instellingen kunnen worden versterkt; merkt op dat de werkgroep zich eveneens tot doel moet stellen een uniforme methode voor de presentatie van de vertaalkosten voor alle instellingen te ontwikkelen om de analyse en vergelijking van de kosten te vereenvoudigen; wijst erop dat de werkgroep deze resultaten vóór eind 2015 moet voorstellen; vraagt alle instellingen actief deel te nemen aan de werkzaamheden van de interinstitutionele werkgroep; herinnert in deze context aan het wezenlijke belang van de eerbiediging van de meertaligheid in de EU-instellingen, teneinde voor alle burgers van de Unie een gelijke behandeling en gelijke kansen te waarborgen;

21.  is het volledig eens met het door de diensten van de Europese Ombudsman gevoerde transparantiebeleid en vraagt dat er een procedure wordt opgestart om vooraf de mogelijke gevolgen van bepaalde publicaties te beoordelen teneinde er zo nodig een bericht bij te voegen om baatzuchtige manipulatie te voorkomen; wijst erop dat deze procedure moet worden opgestart op verzoek van de Ombudsman, in samenwerking met de Toezichthouder, de Commissie en de instelling waarop de publicatie betrekking heeft;

22.  is verontrust over de vertraging bij de aanneming van de interne regels inzake klokkenluiders; roept de Toezichthouder op deze regels zonder verder uitstel toe te passen;

23.  is ingenomen met het feit dat de Toezichthouder gevolg heeft gegeven aan de opmerkingen van het Europees Parlement in zijn kwijting voor de jaren 2010 en 2012 ten aanzien van de vaststelling van zijn strategie voor 2013-2014 en dat de uitvoering van deze strategie positieve resultaten in zijn activiteiten laat zien;

24.  is in algemene zin van mening dat de Toezichthouder, gelet op het jaarbeginsel voor de begroting, meer aandacht moet besteden aan het beginsel van goed financieel beheer, d.w.z. aan de vraag of hij de beschikbare kredieten voor de uitvoering van zijn taken zuinig, doelmatig en doeltreffend heeft besteed.

(1) PB L 66 van 8.3.2013.
(2) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.
(3) PB C 398 van 12.11.2014, blz. 1.
(4) PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.
(5) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.


Kwijting 2013: prestaties, financieel beheer en controle van de EU-agentschappen
PDF 203kWORD 95k
Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de agentschappen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013: prestaties, financieel beheer en controle (2014/2139(DEC))
P8_TA(2015)0130A8-0070/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de agentschappen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2014)0607) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0285, SWD(2014)0286),

–  gezien de specifieke jaarverslagen(1) van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekeningen van de gedecentraliseerde agentschappen voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(4),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(5), en met name artikel 110,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0070/2015),

A.  overwegende dat deze resolutie voor elk orgaan in de zin van artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 de horizontale op- en aanmerkingen bevat die zijn vervat in de kwijtingsbesluiten volgens artikel 110 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie en artikel 3 van bijlage VI bij zijn Reglement;

B.  overwegende dat het aantal agentschappen de laatste tien jaar significant is toegenomen, van 3 in 2000 tot 32 in 2013,

1.  wijst nogmaals op het belang van de door de agentschappen uitgevoerde taken en hun rechtstreekse invloed op het dagelijks leven van de burger, en het belang van de zelfstandigheid van de agentschappen, met name de regelgevende agentschappen en agentschappen waarvan de opdracht bestaat uit het onafhankelijk verzamelen van informatie; herinnert eraan dat de oprichting van agentschappen vooral tot doel had om tot onafhankelijke technische en wetenschappelijke beoordelingen te komen; wijst erop dat de gedecentraliseerde agentschappen de Commissie helpen, handelend uit naam van de Unie, de tenuitvoerlegging van het beleid van de Unie; vraagt de Commissie en het netwerk van agentschappen van de Europese Unie ("het netwerk") hun communicatiebeleid te verbeteren om ervoor te zorgen dat de agentschappen op doeltreffende wijze met de burgers communiceren, teneinde het bewustzijn over hun productiviteit en resultaten te verhogen;

2.  wijst op de rol die de agentschappen vervullen bij de ondersteuning van het beleid van de Unie; dringt aan op een beter gebruik van deze expertise en capaciteit in de relevante fasen van het beleidsproces van het Europees Semester; benadrukt de bijdrage die de agentschappen leveren om de doelstellingen van de Europa 2020-strategie te verwezenlijken;

3.  erkent dat een hoog aantal agentschappen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht zijn opgericht, maar herinnert aan de belangrijke taken die deze agentschappen vervullen en de directe impact ervan op het dagelijks leven van de burgers; onderstreept dat alle nieuwe agentschappen zijn opgericht om op een reële behoefte in te spelen: merkt op dat bepaalde agentschappen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht operationele agentschappen zijn en dat de uitvoering van hun begrotingen eveneens van externe factoren afhankelijk is;

4.  is van mening dat de bespreking van de ontwerpen van de jaarlijkse werkprogramma's en de meerjarenstrategieën van de agentschappen in de bevoegde commissies helpt om ervoor te zorgen dat de programma's en strategieën een afspiegeling zijn van de feitelijke beleidsprioriteiten;

5.  stelt vast dat de Rekenkamer in haar samenvatting van de resultaten van haar jaarlijkse controles van de Europese agentschappen en andere organen voor 2013 ("de samenvatting van de Rekenkamer") meldt dat de begroting van de agentschappen voor 2013 ongeveer 2 miljard EUR beliep, wat overeenkomt met een toename van 25 % in vergelijking met 2012 en neerkomt op ongeveer 1,4 % van de algemene EU-begroting; stelt vast dat deze toename vooral het resultaat is van de pas opgerichte agentschappen en nieuwe verantwoordelijkheden van sommige agentschappen; verneemt uit de samenvatting van de Rekenkamer dat de agentschappen ongeveer 6 500 ambtenaren in vaste en tijdelijke dienst hebben, hetzij 14 % van het totale aantal EU-ambtenaren dat krachtens de algemene EU-begroting is toegestaan; stelt daarnaast vast dat de agentschappen ongeveer 2 900 arbeidscontractanten en gedetacheerde personeelsleden in dienst hebben;

6.  brengt in herinnering dat het met de agentschappen samenhangende risico op reputatieschade voor de Unie groot is, aangezien zij een aanzienlijke invloed hebben op het beleid en de besluitvorming en programma-uitvoering op gebieden die van essentieel belang zijn voor de Europese burgers;

7.  merkt op dat het beginsel van een goede prijs-kwaliteitverhouding ook voor de agentschappen geldt en dat zij moeten aantonen dat hun prestaties doeltreffend zijn en ervoor zorgen dat burgers goed geïnformeerd zijn over de resultaten van de werkzaamheden van de agentschappen; vraagt het netwerk de kwijtingsautoriteit goed op de hoogte houden van het gebruik en de meerwaarde van het gemeenschappelijk geheel van beginselen en handboeken over prestatiemeetsystemen en -kaders, meerjaren- en jaarlijkse programmeringsdocumenten, kernprestatie-indicatoren, rapportage- en evaluatie-instrumenten;

Gemeenschappelijke aanpak en routekaart van de Commissie

8.  brengt in herinnering dat het Parlement, de Raad en de Commissie in juli 2012 een gemeenschappelijke aanpak over gedecentraliseerde agentschappen hebben aangenomen ("de gemeenschappelijke aanpak"), een politieke overeenkomst over de hervorming en het toekomstige beheer van agentschappen; merkt op dat de Commissie voor de follow-up van deze overeenkomst verantwoordelijk is;

9.  is ingenomen met de routekaart van de Commissie van december 2012 voor de follow-up van de gemeenschappelijke aanpak van gedecentraliseerde EU-agentschappen ("de routekaart"), en roept alle betrokken partijen ertoe op om de uitvoering van de daarin uiteengezette ideeën voort te zetten; onderkent dat de routekaart van de Commissie een gedetailleerd plan bevat voor de wijze waarop de follow-up van de gemeenschappelijke aanpak zal worden uitgevoerd, alsook een lijst van 90 punten waarvoor alle betrokken partijen actie moeten ondernemen;

10.  neemt kennis van het voortgangsverslag van de Commissie over de uitvoering van de gemeenschappelijke benadering, de agenda voor 2013 en daarna en de gezamenlijke inspanningen van de Commissie en de gedecentraliseerde agentschappen, die aantoonbaar verbetering hebben opgeleverd; is in verband hiermee tevreden met de verduidelijking van de werkwijzen en de rollen van de interne controlefuncties en de interne auditdiensten van de agentschappen in de herziene financiële kaderregeling(6) (FKR), alsmede met de richtsnoeren voor de anti-fraudestrategieën van de agentschappen die zijn uitgewerkt door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF).

11.  heeft van het netwerk vernomen dat de agentschappen aanzienlijke vorderingen hebben gemaakt voor wat de uitvoering van de in de gemeenschappelijke benadering voorziene maatregelen betreft; neemt voorts kennis van het feit dat het voltooiingspercentage van de in de routekaart opgenomen en voor de agentschappen relevante maatregelen volgens de enquête die het netwerk heeft gehouden bij de agentschappen waarop de routekaart van toepassing is, 96 % bedraagt;

12.  neemt kennis van het feit dat de diensten van de Commissie standaardbepalingen hebben uitgewerkt, inclusief gepaste wettelijke bepalingen, die de in de gemeenschappelijke aanpak overeengekomen beginselen weerspiegelen, alsook andere bepalingen die doorgaans deel uitmaken van het oprichtingsbesluit van de agentschappen; accepteert dat deze standaardbepalingen als referentie worden gebruikt wanneer nieuwe agentschappen worden opgericht of wanneer bestaande oprichtingsbesluiten worden herzien;

13.  merkt op dat de Commissie op basis van de bijdrage van de agentschappen richtsnoeren heeft opgesteld met standaardbepalingen voor zetelovereenkomsten tussen de gedecentraliseerde agentschappen en de lidstaten waar deze gevestigd zijn; stelt met bezorgdheid vast dat 10 agentschappen nog altijd niet over een zetelovereenkomst beschikken; dringt er bij deze agentschappen op aan iets aan deze situatie te doen en het bereiken van zetelovereenkomsten als een prioriteit te beschouwen om kosten te besparen en de efficiëntie te verhogen; vreest dat het ontbreken van zetelovereenkomsten ernstige gevolgen kan hebben voor het personeel van de agentschappen en verzoekt de lidstaten de overeenkomsten vóór het begin van de volgende kwijtingsprocedure te voltooien;

14.  acht het noodzakelijk een grondige evaluatie uit te voeren van de mogelijkheid om agentschappen met gelijkaardige taken samen te voegen, niet alleen om verspilling van middelen tegen te gaan maar ook om voor een kritische massa te zorgen ter vergroting van de efficiëntie van de agentschappen;

15.  stelt vast dat de Commissie haar dienstverlening aan de agentschappen heeft verbeterd met zowel algemene als specifieke aanbevelingen, waarvoor zij de inlichtingen en suggesties van het netwerk heeft gebruikt; merkt op dat deze verbeteringen in de context van de beperkte financiële en menselijke middelen hebben geleid tot de overweging van mogelijke structurele maatregelen ter rationalisering van de werking van agentschappen; merkt op dat deze maatregelen al resultaten hebben opgeleverd, bijvoorbeeld in de vorm van het delen van diensten door de agentschappen onderling, en moedigt de agentschappen aan deze inspanningen te blijven leveren;

Begrotings- en financieel beheer

16.  herhaalt dat jaarperiodiciteit, eenheid en evenwicht de drie fundamentele boekhoudbeginselen vormen, die onontbeerlijk zijn voor een efficiënte uitvoering van de begroting van de Unie; stelt vast dat gedecentraliseerde agentschappen het beginsel van jaarperiodiciteit niet altijd volledig eerbiedigen; vraagt de agentschappen de fouten op dit vlak tot een minimum te beperken;

17.  maakt uit de samenvatting van de Rekenkamer op dat een groot aantal overgedragen vastleggingskredieten het vaakst voorkomende probleem op het vlak van begrotings- en financieel beheer vormt, en dat dit probleem 24 agentschappen betreft; erkent dat een hoog niveau van overdrachten in strijd is met het begrotingsbeginsel van jaarperiodiciteit;

18.  stelt vast dat de Rekenkamer in zeven gevallen nog steeds een hoog niveau van annuleringen van overdrachten uit voorgaande jaren heeft geconstateerd; merkt op dat dergelijke annuleringen erop wijzen dat de overdracht van kredieten heeft plaatsgevonden op basis van overschatte behoeften of anderszins niet gerechtvaardigd was; verzoekt de agentschappen al het mogelijke te doen, met name met betere budgettaire planningsprocessen, om overdrachten in de toekomst te voorkomen en zich in het bijzonder toe te leggen op die agentschappen die overdrachten uit voorgaande jaren hebben geannuleerd;

19.  wijst erop dat de Commissie op 30 september 2013 een nieuwe FKR heeft aangenomen met als doel de regels voor de agentschappen te vereenvoudigen;

20.  stelt vast dat de Commissie met het oog op meer coherentie en een betere vergelijkbaarheid tussen de van de agentschappen afkomstige documenten samen met de agentschappen aan richtsnoeren werkt voor het programmeringsdocument, dat een jaarlijkse en een meerjarige component omvat, en aan een model voor geconsolideerde jaarlijkse activiteitenverslagen (JAV's) die voldoen aan de vereisten van de nieuwe FKR;

21.  stelt vast dat er conform de FKR uiterlijk op 1 juli van elk jaar een geconsolideerd JAV moet worden verstuurd naar de Commissie, de Rekenkamer en de kwijtingverlenende autoriteit, met informatie uit het JAV, interne en externe auditverslagen en financiële verslagen, zoals vereist volgens de vorige financiële kaderregeling; stelt vast dat de kwijtingsverslagen gezien hun specifieke aard en de bestemmelingen van de voorlopige jaarrekeningen gescheiden blijven;

22.  betreurt het feit dat de Rekenkamer met betrekking tot het Europees Instituut voor innovatie en technologie en Frontex nog een verklaring met beperking heeft afgegeven voor de jaarrekeningen ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen die aan deze rekeningen ten grondslag liggen; is bezorgd over het nog steeds hoge aantal opmerkingen (97) van de Rekenkamer met betrekking tot 35 agentschappen; dringt er bij het netwerk op aan erop toe te zien dat de betrokken agentschappen alle nodige maatregelen nemen om gevolg te geven aan de opmerking van de Rekenkamer;

Samenwerking tussen agentschappen - gedeelde diensten en synergieën

23.  uit zijn twijfels over de geografische ligging van agentschappen, waarvan vele ver weg van de andere Europese instellingen zijn gevestigd; is van mening dat geografische afstand niet noodzakelijk is voor de bescherming van de onafhankelijkheid van de agentschappen en niet automatisch garantie vormt tegen ongewenste inmenging van de Commissie of de lidstaten, maar in alle gevallen wel bijkomende reiskosten met zich meebrengt en het moeilijker maakt te profiteren van synergieën, zoals meer gecentraliseerde administratieve en financiële diensten die door alle of een aantal agentschappen worden gedeeld;

24.  stelt vast dat alle agentschappen hun interne administratieve procedures hebben onderzocht, in overeenstemming met de vorige aanbevelingen van de kwijtingverlenende autoriteit; stelt eveneens vast dat een aantal agentschappen al bezig is met een reguliere procedurebeoordeling, uitgevoerd overeenkomstig de ISO-certificering (ISO 9001), en met controles door hun diensten voor kwaliteit en interne controle; onderkent dat sommige agentschappen met het oog op de beoordeling van hun interne administratieve procedures de hulp van adviseurs hebben ingeroepen;

25.  is ingenomen met het feit dat in de FKR in de mogelijkheid wordt voorzien om diensten te delen of over te dragen indien daarmee kostenvoordelen kunnen worden behaald; brengt in herinnering dat de agentschappen al synergieën identificeren, goede praktijken uitwisselen en diensten met elkaar delen met als doel efficiënt te functioneren en hun hulpmiddelen optimaal te benutten; onderkent de tendens van samenwerking tussen de agentschappen onderling, die de komende jaren nog zal groeien en hen in staat zal stellen hun doelstellingen te blijven bereiken; merkt op dat 82 % van de agentschappen een memorandum van overeenstemming met andere agentschappen heeft ondertekend; vraagt de agentschappen om hun al goed ingeburgerde samenwerking en gedeelde diensten te blijven uitbreiden; nodigt de agentschappen uit proactief te zoeken naar manieren om samen te werken om de efficiëntie en doelmatigheid van hun werk te verhogen;

26.  heeft van de agentschappen vernomen dat er een online communicatie-instrument is gecreëerd dat als platform dient voor de uitwisseling van informatie, kennis en goede praktijken tussen de agentschappen en dat een gegevensbank omvat met gedeelde diensten op diverse domeinen en met verwijzingen naar nieuwe initiatieven; stelt vast dat de samenwerking tussen de agentschappen binnen hun respectieve specialisatiedomeinen continu toeneemt en dat 65 % van de agentschappen van plan is om in de nabije toekomst nieuwe initiatieven te lanceren en nieuwe memoranda van overeenstemming te ondertekenen met andere agentschappen;

Prestatiebeoordeling

27.  is verheugd dat overeenstemming is bereikt over een gemeenschappelijk geheel van beginselen voor efficiënt, doeltreffend en resultaatgericht beheer, en gemeenschappelijke richtsnoeren voor prestatiemeetsystemen, meerjaren- en jaarlijkse programmeringsdocumenten en rapportage- en evaluatie-instrumenten; benadrukt dat het netwerk lid moet worden van de nieuwe interinstitutionele werkgroep voor prestatiebeoordeling om tot een gemeenschappelijk begrip van het concept van een goede en verbeterde prestatie te komen; vraagt dat de Rekenkamer tijdig een evaluatie van de prestaties en resultaten van de agentschappen levert voor de herziening van het meerjarig financieel kader 2016;

28.  is van oordeel dat de trend om bij de verslaglegging meer aandacht te besteden aan doeltreffendheid en resultaten, positief is; wenst dat de verslaglegging verder wordt verbeterd in deze richting om de democratische verantwoordingsplicht van de agentschappen verder te vergroten;

Personeelsbeheer

29.  neemt kennis van het feit dat de Commissie in juli 2013 een mededeling heeft aangenomen tot vaststelling van een programmering van de personeels- en financiële middelen voor de gedecentraliseerde agentschappen voor de periode 2014-2020(7), met als doel de middelen en de beperkingen in dit verband uit hoofde van het meerjarig financieel kader 2014-2020 met elkaar te verenigen;

30.  heeft van het netwerk vernomen dat de meeste agentschappen de vereiste personeelsvermindering van 5 % al in hun meerjarenplannen voor personeelsbeleid hebben opgenomen, zij het met grote moeite; betreurt het feit dat de Commissie een bijkomende herindelingspool heeft opgericht ter hoogte van 5 % van het personeel en zo aanvullende inkrimpingen oplegt bij de personeelsformaties van de agentschappen, waarbij de afgesproken doelstelling van 5 % wordt overschreden;

31.  weet via het netwerk dat bepaalde agentschappen het nu al heel moeilijk hebben om hun taken naar behoren uit te voeren met de beperkte middelen waarover zij beschikken; merkt bezorgd op dat het moeilijk zal worden voor de agentschappen om werk van dezelfde kwaliteit te blijven leveren als deze tendens van aanvullende personeelsinkrimpingen zich doorzet, aangezien de EU de agentschappen almaar meer taken en verantwoordelijkheden toewijst; verzoekt de Commissie haar voornemens voor aanvullende personeelsinkrimpingen te herzien en aan te passen aan de werklast en de behoefte aan middelen van elk agentschap;

32.  herinnert aan het standpunt van het Parlement over de begrotingsprocedure, namelijk dat personeel dat betaald wordt uit bijdragen van het bedrijfsleven en dus niet uit de EU-begroting buiten de door de EU toegepaste jaarlijkse bezuiniging van 1 % moet blijven; is in dit verband van oordeel dat de Commissie een onderscheid dient te maken ten aanzien van de agentschappen die voornamelijk uit de begroting van de Unie worden gefinancierd, en dat zij een andere regeling moet voorstellen voor de agentschappen die voornamelijk worden gefinancierd uit bijdragen van het bedrijfsleven, welke evenredig moeten zijn aan de kosten van de door het agentschap verleende diensten;

33.  is in het algemeen van mening dat de aanwervingsprocedures moeten worden verbeterd, en dat onder andere de transparantie van deze procedures moet worden versterkt;

34.  merkt op dat het netwerk ermee ingestemd heeft een gedeelde pool van onderzoekers op te richten voor de uitvoering van tuchtonderzoeken; neemt kennis van het feit dat de door de agentschappen voorgedragen kandidaten zullen deelnemen aan een specifieke opleiding hiervoor, die zal worden verstrekt door het Bureau voor onderzoek en disciplinaire zaken van de Commissie;

Samenwerking van het netwerk met het Parlement

35.  is tevreden over de samenwerking van het netwerk met de bevoegde commissie van het Parlement en stelt vast dat de directeuren van de agentschappen die in het kader van de jaarlijkse kwijtingsprocedure door deze commissie zijn benaderd, beschikbaar en bereid tot medewerking waren; vraagt het netwerk en de verschillende agentschappen hun communicatie en samenwerking met het Parlement los van de kwijtingsprocedure uit te breiden;

Belangenconflicten en transparantie

36.  stelt vast dat de Commissie naar aanleiding van de in haar routekaart opgenomen maatregelen in december 2013 richtsnoeren heeft gepubliceerd betreffende de preventie van en de omgang met belangenconflicten in de gedecentraliseerde agentschappen van de EU ("de richtsnoeren"); merkt op dat deze richtsnoeren bepalingen omvatten over de openbaarmaking van belangenverklaringen, die gelden voor leden van bestuursraden, uitvoerende directeurs, deskundigen in wetenschappelijke comités en andere dergelijke organen en de leden daarvan; stelt voorts vast dat de richtsnoeren een duidelijke referentie vormen voor het beleid van de agentschappen; neemt kennis van het feit dat een aantal agentschappen op basis van de richtsnoeren een beleid inzake de preventie en het beheer van belangenconflicten heeft ingevoerd of hun bestaande beleid aan de richtsnoeren heeft aangepast;

37.  stelt vast dat de agentschappen niet juridisch gebonden zijn door de richtsnoeren en vraagt de Commissie te onderzoeken hoe met de agentschappen meer bindende overeenkomsten kunnen worden gesloten om transparantie te bevorderen en belangenvermengingen te voorkomen;

38.  merkt op dat het vertrouwen van de burgers van de EU in de Europese instellingen, agentschappen en organen volgens de agentschappen van het grootste belang is; stelt vast dat de agentschappen een aantal concrete maatregelen en instrumenten hebben ingevoerd om het risico van reële en vermeende belangenconflicten adequaat aan te pakken; stelt vast dat 88 % van de agentschappen al een specifiek beleid heeft aangenomen voor de preventie van en het omgaan met belangenconflicten, en de resterende 12 % daar momenteel mee bezig is; stelt vast dat in het beleid van 81 % van de agentschappen rekening wordt gehouden met gedetacheerde nationale deskundigen, extern personeel en tijdelijke medewerkers;

39.  stelt echter vast dat een aantal agentschappen nog steeds moeite heeft met het uitvoeren van hun onafhankelijkheidsbeleid, voornamelijk met betrekking tot het personeelsbestand voor deskundigengroepen en wetenschappelijke panels en comités; raadt de agentschappen aan deze kwestie samen met de Commissie af te handelen, daarbij ook rekening houdend met de aanbevelingen van het onderzoek dat de Europese Ombudsman op 12 mei 2014 op eigen initiatief heeft gestart (OI/6/2014/NF), die in de brief aan de Commissie over de samenstelling van de deskundigengroepen van de Commissie zijn opgesomd;

40.  neemt kennis van het feit dat 61 % van de agentschappen de cv's en belangenverklaringen van de leden van hun raad van bestuur en hun leidinggevend personeel en externe en interne deskundigen al op hun website heeft geplaatst; merkt op dat de resterende agentschappen ermee hebben ingestemd deze informatie openbaar te maken wanneer zij hun beleid hebben herzien, en verwacht van deze agentschappen dat zij de herziene beleidslijnen aannemen en deze informatie onverwijld openbaar maken;

41.  stelt vast dat gedetacheerde nationale deskundigen, extern personeel en tijdelijke medewerkers niet specifiek worden vermeld in de richtsnoeren en dat er vooral in het geval van zogenaamde onafhankelijke deskundigen nog ruimte voor interpretatie is, bijvoorbeeld academici die ook voor afzonderlijke bedrijven of de zakenwereld in het algemeen onderzoek hebben uitgevoerd; vraagt het netwerk te zorgen voor een geharmoniseerde aanpak van deze kwestie, waardoor ook indirecte belangenconflicten worden vermeden;

42.  stelt vast dat OLAF richtsnoeren heeft opgesteld voor anti-fraudestrategieën voor de agentschappen en dat het hierbij rekening heeft gehouden met de inbreng van de agentschappen; merkt op dat OLAF de agentschappen heeft geholpen om deze richtsnoeren ten uitvoer te leggen;

43.  vraagt de Rekenkamer gevolg te geven aan speciaal verslag nr. 15/2012 over de omgang met belangenconflicten bij een selectie van agentschappen;

44.  spoort de Commissie ertoe aan de integriteit en transparantie van de agentschappen regelmatig te evalueren en de resultaten van deze evaluaties openbaar te maken;

Zichtbaarheid

45.  betreurt het gebrek aan zichtbaarheid en democratische verantwoordingsplicht van de agentschappen, aangezien burgers deze in het algemeen niet goed kennen en zij kwetsbaar zijn voor externe invloed van gespecialiseerde lobbyisten, in het bijzonder lobbyisten die grote ondernemingen vertegenwoordigen;

46.  stelt vast dat nagenoeg alle agentschappen in 2014 op hun website hebben duidelijk gemaakt dat zij agentschappen van de Europese Unie zijn; dringt er bij de resterende agentschappen op aan dringend een dergelijke vermelding toe te voege en vraagt de agentschappen ervoor te zorgen dat zij en hun werkzaamheden met de Unie worden geassocieerd;

47.  is verheugd over het feit dat sommige agentschappen het initiatief hebben genomen om over sommige van hun beleidsdomeinen openbare raadplegingen te organiseren; vraagt de agentschappen deze goede praktijk voort te zetten;

48.  merkt in verband met de maatschappelijke verantwoordingsplicht op dat alle contracten tussen de agentschappen en externe dienstverleners de contractpartijen ertoe verplichten de plaatselijke arbeids- en belastingwetgeving na te leven; onderkent dat de agentschappen met het oog op hun maatschappelijke verantwoordingsplicht nog andere acties hebben ondernomen, hetzij op grond van het maatschappelijke profiel van hun specifieke taken, hetzij in verband met de plaatselijke gemeenschappen waarin zij gevestigd zijn;

49.  noemt met name de volgende initiatieven:

   het Europees Geneesmiddelenbureau plaatst de overgrote meerderheid van zijn output online met het oog op een betere voorlichting en bewustmaking van de bevolking,
   het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding helpt de stad Thessaloniki actief bij het verkennen van mogelijkheden om competenties op plaatselijk en regionaal niveau te identificeren en met elkaar in overeenstemming te brengen, en bij het herverdelen van de afgevoerde IT-apparatuur van de stad over plaatselijke scholen en liefdadigheidsinstellingen via een transparante aanvraag- en toewijzingsprocedure,
   het vernieuwende programma met activiteiten via de sociale media dat de Europese Stichting voor opleiding aanbood tijdens het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting (2010), werd met verscheidene internationale prijzen beloond, en de Stichting heeft deze participatieve benadering uitgebreid tot haar andere activiteiten;

50.  merkt op dat slechts één agentschap, het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (CdT), zijn jaarlijkse activiteitenverslag in alle officiële talen van de Unie publiceert, en dat drie agentschappen een samenvatting van hun jaarlijkse activiteitenverslag in alle officiële EU-talen, het Iers uitgezonderd, vertalen;

51.  neemt kennis van het feit dat het netwerk onder leiding van het CdT een enquête heeft uitgevoerd naar de houding van de agentschappen ten aanzien van meertaligheid; stelt vast dat uit deze enquête blijkt dat er momenteel grote verschillen bestaan in de houding van de agentschappen tegenover meertaligheid, en merkt op dat een identiek talenbeleid voor alle agentschappen onmogelijk is aangezien zij stuk voor stuk een eigen doelpubliek, belanghebbenden met verschillende eisen, andere financiële middelen en een andere omvang hebben;

52.  erkent niettemin dat alle agentschappen bezig zijn met de invoering van meertaligheid op hun website en ernaar streven ten minste een deel van hun website of een document op hun website met basisinformatie over zichzelf in alle officiële talen van de Unie beschikbaar te maken; wijst erop dat hoewel een meertalige aanpak een aanzienlijk financieel engagement vereist, de agentschappen onmiddellijk maatregelen op dit vlak moeten nemen;

53.  merkt op dat de resultaten van de werkzaamheden van de agentschappen via de publicatie van hun jaarlijkse activiteitenverslag (JAV) op hun website openbaar worden gemaakt; stelt daarnaast vast dat in bepaalde delen van de JAV's op begrijpelijke wijze wordt uitgelegd hoe de financiële middelen van de Unie in de begroting van de agentschappen worden gebruikt; stelt vast dat de meeste agentschappen verslagen opstellen over de gevolgen van hun specifieke taken voor de bevolking van de Unie alsook verslagen waarin zij uitleggen waarom hun werkzaamheden belangrijk zijn;

54.  stelt vast dat veel agentschappen hun aanwezigheid on line hebben versterkt en aanzienlijke inspanningen hebben gedaan om hun zichtbaarheid te verhogen en is tevreden over deze proactieve aanpak; vraagt de agentschappen hun zichtbaarheid verder uit te breiden via andere instrumenten zoals onder meer sociale netwerken, opendeurdagen en aanwezigheid op beurzen om ervoor te zorgen dat de Europese burgers op een transparante wijze goed geïnformeerd zijn over de werkzaamheden van de agentschappen;

Interne controles

55.  stelt vast dat 10 agentschappen in totaal 17 opmerkingen hebben gekregen over problemen in verband met interne controle, wat een verbetering inhoudt ten opzichte van 2012, toen 22 agentschappen in totaal 34 opmerkingen kregen over dergelijke problemen; stelt vast dat de problemen in vier gevallen betrekking hadden op de toepassing van internecontrolenormen, ofwel omdat die aan het eind van het jaar nog niet waren vastgesteld of wel waren vastgesteld maar slechts gedeeltelijk ten uitvoer waren gelegd, ofwel omdat er nog corrigerende maatregelen liepen; merkt op dat het aantal opmerkingen over het beheer van vaste activa en subsidiebeheer in vergelijking met 2012 is gedaald;

56.  stelt vast dat de FKR een duidelijker omschrijving omvat van de rollen van de dienst Interne audit van de Commissie (DIA) en van de interne auditcapaciteiten van de agentschappen (IAC's) en de basis legt voor een betere coördinatie van hun werkzaamheden, een betere uitwisseling van informatie en de algemene vergroting van synergieën; stelt vast dat de FKR de agentschappen de mogelijkheid biedt om hun IAC's te delen, en vraagt dat zij dit in de mate van het mogelijke ook doen;

57.  verzoekt de Rekenkamer de nadruk te blijven leggen op de controle van het goede financieel beheer van de agentschappen, en met name van de zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid waarmee de agentschappen hun kredieten hebben gebruikt voor de uitvoering van hun taken;

Agentschappen met eigen financiering

58.  herhaalt dat de organen van de Unie waarop de financiële regels vastgelegd in de FKR niet van toepassing zijn, indien nodig met het oog op de consistentie vergelijkbare regels moeten opstellen(8); benadrukt dat de huidige overschotten zo spoedig mogelijk moeten worden behandeld en dat moeten worden onderzocht of het geld opnieuw aan de begroting van de Unie kan worden toegewezen, en verwijst deze kwestie ter overweging door naar de interinstitutionele werkgroep voor prestatiebeoordeling;

Overige opmerkingen

59.  is tevreden over de geleverde inspanningen van de agentschappen op het vlak van de kosten-batenverhouding en de milieuvriendelijkheid van de werkruimte; spoort de agentschappen aan te blijven werken aan kosteneffectieve en milieuvriendelijke oplossingen met betrekking tot het werk- en gebouwenbeheer en het gebruik van digitale oplossingen, zoals videoconferentie-installaties, te verhogen teneinde de reiskosten en andere kosten te beperken;

o
o   o

60.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de onder deze kwijtingsprocedure vallende agentschappen, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

(1) PB C 442 van 10.12.2014.
(2) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(5) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.
(6) Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie.
(7) COM(2013)0519.
(8) Momenteel het Communautair Bureau voor plantenrassen (CBP) in Angers en het Harmonisatiebureau voor de interne markt (OHIM) in Alicante.


Kwijting 2013: Europees Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER)
PDF 180kWORD 78k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2123(DEC))
P8_TA(2015)0131A8-0117/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het Agentschap(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 betreffende de aan het Agentschap te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05304/2015 – C8-0054/2015),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(4), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EG) nr. 713/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot oprichting van een Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators(5), en met name artikel 24,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(7), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0117/2015),

1.  verleent de directeur van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Agentschap voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over de afsluiting van de rekeningen van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2123(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het Agentschap(8),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(9) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 betreffende de aan het Agentschap te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05304/2015 – C8-0054/2015),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(10),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(11), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EG) nr. 713/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot oprichting van een Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators(12), en met name artikel 24,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(14), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0117/2015),

1.  stelt vast dat de definitieve jaarrekening van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators overeenkomt met de weergave in de bijlage bij het verslag van de Rekenkamer;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators voor het begrotingsjaar 2013;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2123(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0117/2015),

A.  overwegende dat de definitieve begroting van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators ("het Agentschap") voor het begrotingsjaar 2013 volgens zijn financiële staten 11 930 220 EUR bedroeg, d.w.z. een toename van 64,74 % ten opzichte van 2012, hetgeen verklaard kan worden door het feit dat het Agentschap pas recent is opgericht en door de uitvoering van de REMIT-verordening(15); overwegende dat de begroting van het Agentschap volledig wordt gefinancierd met middelen van de begroting van de Unie;

B.  overwegende dat de Rekenkamer in haar verslag over de jaarrekening van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators voor het begrotingsjaar 2013 ("het verslag van de Rekenkamer") verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben gekregen dat de jaarrekening van het Agentschap betrouwbaar is en de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn;

Follow-up van de kwijting voor 2012

1.  maakt uit het verslag van de Rekenkamer op dat naar aanleiding van twee in het verslag van de Rekenkamer van 2011 geformuleerde opmerkingen die in het verslag van 2012 als "lopen nog" aangemerkt waren, corrigerende maatregelen getroffen zijn en dat beide aanbevelingen nu in het verslag van de Rekenkamer als "afgerond" aangemerkt zijn; merkt voorts op dat naar aanleiding van de vijf in het verslag van de Rekenkamer van 2012 geformuleerde opmerkingen, corrigerende maatregelen getroffen zijn en dat drie opmerkingen nu als "afgerond" en twee als "lopen nog" aangemerkt zijn;

2.  verneemt van het Agentschap dat de maatregelen naar aanleiding van de aanbevelingen betreffende de aanwervingsprocedures van het Agentschap zijn geformaliseerd door de vaststelling van Besluit 2014-06 van zijn directeur van 4 april 2014; neemt er nota van dat dit besluit aan de Rekenkamer is voorgelegd en verzoekt het Agentschap de kwijtingsautoriteit van het advies van de Rekenkamer in kennis te stellen zodra het beschikbaar is;

3.  erkent dat het Agentschap een reeks maatregelen heeft getroffen om de procedures inzake begrotingsplanning te verbeteren, door een reeks richtsnoeren te ontwikkelen en uit te voeren die door de bij de procedures inzake begrotingsplanning betrokken actoren moet worden gevolgd, alsook door stelselmatig ramingen en controles te verrichten van het gebruik van kredieten, met inbegrip van maandelijkse monitoring en verslaglegging inzake begrotingsuitvoering;

Begrotings- en financieel beheer

4.  maakt uit het jaarlijkse activiteitenverslag (JAV) van het Agentschap van 2013 met bezorgdheid op dat er geen overeenkomst is bereikt over een bijdrage van de lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie aan het Agentschap;

5.  neemt er nota van dat inspanningen op het gebied van begrotingstoezicht gedurende het begrotingsjaar 2013 hebben geresulteerd in een uitvoeringspercentage van de begroting van 97,53 %, wat een stijging betekent van 4 % ten opzichte van 2012, en dat het uitvoeringspercentage van de betalingskredieten 55,00 % bedroeg, minder dan de doelstelling van 70 % van het Agentschap, hetgeen volgens het JAV hoofdzakelijk komt doordat 2 989 000 EUR laattijdig is ontvangen op grond van een begrotingswijziging van 31 oktober 2013;

6.  stelt met bezorgdheid vast dat het Agentschap aan het einde van het jaar over 5 miljoen EUR aan kasgeld beschikte; verzoekt het Agentschap in de toekomst een strikt kasmiddelenbeheer te waarborgen;

Vastleggingen en overdrachten

7.  merkt op dat van de vastgelegde kredieten onder titel II in totaal 1 900 000 EUR naar 2014 is overgedragen, hoofdzakelijk als gevolg van de uitvoering van de REMIT-verordening; neemt er nota van dat dit volgens de Rekenkamer een operationele, meerjarige activiteit is, die had moeten zijn begroot onder titel III; neemt er voorts nota van dat deze fout is gecorrigeerd in latere vastleggingskredieten;

8.  neemt er voorts nota van dat de overdrachten van vastgelegde kredieten voor titel III 3 100 000 EUR bedroegen, d.w.z. 91 % van de totale vastleggingen voor titel III; neemt er kennis van dat deze overdrachten verband houden met de REMIT-verordening en dat het uitzonderlijk hoge percentage hoofdzakelijk het gevolg is van 2 989 000 EUR die zijn ontvangen op grond van een begrotingswijziging van 31 oktober 2013;

9.  verneemt vat het Agentschap dat er een reeks maatregelen is getroffen om de begrotingsplanning te verbeteren; verzoekt het Agentschap de kwijtingsautoriteit in kennis te stellen van de voortgang en de resultaten van die maatregelen;

Preventie van en omgang met belangenconflicten en transparantie

10.  verneemt van het Agentschap dat het zijn beleid voor de preventie van en de omgang met belangenconflicten heeft getoetst aan de richtsnoeren van de Commissie betreffende de preventie van en de omgang met belangenconflicten in de gedecentraliseerde agentschappen van de EU; neemt er nota van dat het Agentschap naar aanleiding van die toetsing een nieuw beleidsontwerp heeft opgesteld, dat het interne overlegproces van het Agentschap heeft doorlopen en door de raad van bestuur zal worden goedgekeurd; verzoekt het Agentschap de kwijtingsautoriteit in kennis te stellen van de resultaten van deze toetsing zodra deze beschikbaar zijn;

11.  neemt er voorts nota van dat de cv's en de belangenverklaringen van de leden van de raad van regulators, de directeur, het hoger management en de deskundigen die deel uitmaken van de deskundigengroepen van het Agentschap, alsmede de cv's van de leden van de raad van bestuur en de raad van beroep, openbaar gemaakt zijn op de website van het Agentschap; merkt op dat de belangenverklaringen van de directeur en van de leden van de raad van beroep openbaar zijn;

Aanbestedings- en aanwervingsprocedures

12.  erkent dat het Agentschap nieuwe maatregelen heeft getroffen na de vaststelling van de richtsnoeren voor wervingsprocedures en werkzaamheden van de selectiecomités voor de selectie van tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten;

13.  stelt vast dat de vragen voor de sollicitatiegesprekken en de toetsen vastgesteld worden voor de beoordeling van de sollicitaties; stelt voorts vast dat de criteria voor de toelating tot de schriftelijke toetsen en sollicitatiegesprekken en voor de lijst van geselecteerde kandidaten nader zijn gespecificeerd;

Intern auditonderzoek

14.  neemt er nota van dat de dienst Interne Audit (IAS) van de Commissie een controle van het Agentschap heeft uitgevoerd overeenkomstig zijn strategisch controleplan voor het Agentschap voor 2013-2015;

15.  neemt er nota van dat de IAS bij die risicoanalyse in totaal acht processen met een hoog inherent risico heeft aangewezen die niet als controleerbaar konden worden beschouwd binnen het controleplan, aangezien de controles werden beoordeeld als afwezig of ontoereikend; neem er nota van dat het Agentschap een actieplan aan de IAS heeft voorgelegd om de vastgestelde gebreken te verhelpen;

16.  neemt er voorts nota van dat de IAS de volgende "zeer belangrijke" aanbevelingen heeft gedaan:

   het jaarlijkse werkprogramma beter structureren, de inhoud ervan verrijken en ervoor zorgen dat het volledig is;
   nauwer toezicht houden op aanbestedingsactiviteiten;
   het operationele toezicht en het toezicht op de uitvoering van de begroting versterken;

17.  neemt er kennis van dat het Agentschap naar aanleiding van de aanbevelingen van de IAS een actieplan heeft opgesteld om de tekortkomingen te verhelpen; neemt er nota van dat de IAS van oordeel was dat de vastgestelde risico's in het actieplan op toereikende wijze worden aangepakt;

18.  neemt er nota van dat de IAS aan de hand van stukken heeft gecontroleerd of zijn eerdere aanbevelingen zijn uitgevoerd; neemt er nota van dat er op 31 december 2013 geen kritische aanbevelingen meer openstaand waren en dat de uitvoering van de drie zeer belangrijke aanbevelingen op schema lag;

o
o   o

19.  verwijst voor andere, horizontale opmerkingen bij zijn kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van 29 april 2015(16) over de prestaties en het financiële beheer van en de controle op de agentschappen.

(1) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 18.
(2) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 18.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(4) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(5) PB L 211 van 14.8.2009, blz. 1.
(6) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(7) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.
(8) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 18.
(9) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 18.
(10) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(11) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(12) PB L 211 van 14.8.2009, blz. 1.
(13) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(14) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.
(15) Verordening (EU) nr. 1227/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de integriteit en transparantie van de groothandelsmarkt voor energie (PB L 326 van 8.12.2011, blz. 1).
(16) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2015)0130.


Kwijting 2013: Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (Berec)
PDF 180kWORD 78k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2124(DEC))
P8_TA(2015)0132A8-0081/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het Bureau(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 betreffende de aan het Bureau van het Orgaan te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05304/2015 – C8-0054/2015),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(4), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1211/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot oprichting van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) en het Bureau(5), en met name artikel 13,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(7), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0081/2015),

1.  verleent het comité van beheer van het Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan het comité van beheer van het Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over de afsluiting van de rekeningen van het Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2124(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het Bureau(8),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(9) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 betreffende de aan het Bureau van het Orgaan te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05304/2015 – C8-0054/2015),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(10),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(11), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1211/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot oprichting van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) en het Bureau(12), en met name artikel 13,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(14), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0081/2015),

1.  stelt vast dat de definitieve jaarrekening van het Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie overeenkomt met de weergave in de bijlage bij het verslag van de Rekenkamer;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie voor het begrotingsjaar 2013;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan het comité van beheer van het Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2124(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0081/2015),

A.  overwegende dat volgens zijn financiële staten de definitieve begroting van het Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (hierna: "het Bureau") voor het begrotingsjaar 2013 3 557 219 EUR bedroeg, hetgeen een toename van 11,51 % betekent ten opzichte van 2012, een toename die voortvloeit uit het feit dat het Orgaan pas recent werd opgericht;

B.  overwegende dat de totale bijdrage van de Unie aan de begroting van het Bureau voor 2013 volgens zijn financiële staten 3 556 000 EUR bedroeg, hetgeen een toename betekent van 11,47 % ten opzichte van 2012;

C.  overwegende dat de Rekenkamer in haar verslag over de jaarrekening van het Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie voor het begrotingsjaar 2013 (hierna "het verslag van de Rekenkamer") verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben gekregen dat de jaarrekening van het Bureau betrouwbaar is en de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn;

Follow-up van de kwijting voor 2012

1.  stelt op grond van het verslag van de Rekenkamer met voldoening vast dat naar aanleiding van de drie in het verslag van de Rekenkamer van 2011 geformuleerde opmerkingen die in het verslag van de Rekenkamer van 2012 als "lopen nog" aangemerkt waren, corrigerende maatregelen getroffen zijn en dat alle drie opmerkingen in het verslag van de Rekenkamer van 2013 als "afgerond" aangemerkt zijn; merkt voorts op dat naar aanleiding van de tien in het verslag van de Rekenkamer van 2012 geformuleerde opmerkingen eveneens corrigerende maatregelen getroffen zijn en dat acht opmerkingen nu als "afgerond" en twee als "lopen nog" aangemerkt zijn;

2.  verneemt van het Bureau dat er maatregelen getroffen zijn om de problemen op het gebied van de begrotingsuitvoering en -controle aan te pakken, in de vorm van maandelijkse begrotingsvergaderingen van het leidinggevend kader van het Bureau en gedetailleerde overzichten met betrekking tot de stand van de begrotingsuitvoering, die ieder kwartaal aan het comité van beheer worden overgelegd;

Begrotings- en financieel beheer

3.  stelt vast dat de inspanningen op het gebied van begrotingstoezicht gedurende het begrotingsjaar 2013 hebben geresulteerd in een uitvoeringspercentage van de begroting van 89,55 % en dat het uitvoeringspercentage van de betalingskredieten 76,58 % bedroeg;

4.  leidt uit het verslag van de Rekenkamer af dat de uitvoeringsgraad van de begroting van het Bureau aanzienlijk is verbeterd ten opzichte van 2012, hetgeen wijst op betere planning en een tijdiger uitvoering van de activiteiten; merkt evenwel op dat er nog ruimte voor verbetering is;

5.  is ingenomen met de inspanningen van het Bureau om de nauwkeurigheid van zijn begrotingsplanning te verbeteren en de annulering van vastleggingskredieten tot een minimum te beperken; verzoekt het Bureau de kwijtingsautoriteit in kennis te stellen van de resultaten van deze maatregelen;

Vastleggingen en overdrachten

6.  stelt met bezorgdheid vast dat het percentage geannuleerde overdrachten uit 2012 nog steeds betrekkelijk hoog is, te weten 28 % (45 % in 2012); verneemt van het Bureau dat er gewerkt blijft worden aan de aanpak van het hoge niveau van geannuleerde overdrachten door middel van een grondige analyse van de aan het einde van het jaar overgedragen bedragen, hetgeen moet leiden tot een verlaging van het totale niveau van de overdrachten;

7.  verneemt uit het verslag van de Rekenkamer dat het algemene niveau van de vastgelegde kredieten is gedaald van 19 % in 2012 naar 13 % in 2013; stelt vast dat de meeste overdrachten betrekking hadden op in de tweede helft van 2012 ondertekende contracten voor in 2013 en 2014 geplande activiteiten;

Aanbestedings- en aanwervingsprocedures

8.  constateert dat er in 2013 geen steekproefsgewijs gecontroleerde verrichtingen, noch andere auditresultaten zijn geweest, die aanleiding hebben gegeven tot opmerkingen op de aanbestedings- of de aanwervingsprocedure van het Bureau in het verslag van de Rekenkamer;

9.  stelt vast dat het Bureau aan het einde van het jaar 25 personeelsleden in dienst had en zes vacatures had op 28 toegestane posten; stelt vast dat het Bureau in 2013 zes aanwervingsprocedures heeft afgerond en twee AST's heeft aangenomen, twee arbeidscontractanten en één gedetacheerde nationale deskundige op een tijdelijk contract voor twee maanden; constateert dat er in 2013 nog twee andere aanwervingsprocedures zijn gestart;

Preventie en beheer van belangenconflicten en transparantie

10.  neemt kennis van de informatie in het jaarlijks activiteitenverslag van het Bureau dat het Bureau en het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1211/2009 hun werkzaamheden moeten uitvoeren met een hoge mate van transparantie en ervoor moeten zorgen dat het publiek en alle belanghebbende partijen over objectieve betrouwbare en gemakkelijk toegankelijke informatie beschikken, met name over de resultaten van hun werkzaamheden;

11.  verneemt van het Bureau dat het de verantwoordelijkheid op zich neemt voor het beheer van alle documenten die in het kader van de werkzaamheden van BEREC worden opgesteld en tevens zorgt voor een maximale transparantie van de werkzaamheden van BEREC, overeenkomstig de geldende wetgeving; constateert voorts dat het Bureau in dit kader het openbaar register van documenten van BEREC en het Bureau beheert, alsmede de website, en zorg draagt voor transparantie en doeltreffendheid van de interne procedures van zowel BEREC als het Bureau;

Intern auditonderzoek

12.  stelt vast dat de dienst Interne Audit (IAS) van de Commissie in 2013 een beperkte evaluatie heeft uitgevoerd van de doeltreffendheid van de opzet en de uitvoering van de internecontrolenormen (ICN), waarbij gekeken werd naar 16 ICN die in mei 2011 door het comité van beheer waren goedgekeurd; stelt voorts vast dat de IAS naar aanleiding van die beperkte evaluatie, rekening houdend met het feit dat het Bureau niet lang daarvoor was opgericht en met de stand van de werkzaamheden en de administratie op dat moment, 18 aanbevelingen heeft gedaan, waarvan er één werd aangemerkt als "kritiek" en vier als "zeer belangrijk";

13.  stelt vast dat twee kwesties nog af te handelen zijn, namelijk de tenuitvoerlegging van passende beheersmaatregelen op het gebied van informatiebeveiliging en de invoering van een proces voor het beheer van systeemrisico's; constateert dat het Bureau momenteel oplossingen zoekt om deze twee kwesties binnenkort op te lossen; verzoekt het Bureau om de kwijtingsautoriteit van de vorderingen op dit gebied op de hoogte te houden;

14.  verneemt van het Bureau dat er na die controle een actieplan is opgesteld, dat door de IAS toereikend werd geacht om de in kaart gebrachte risico's aan te pakken en dat, mits volgens plan uitgevoerd, geschikt was om genoemde risico's te beperken;

Overige opmerkingen

15.  betreurt ten zeerste dat in 2013 91 % van de aan deskundigen te betalen vergoedingen te laat was; stelt voorts vast dat in de eerste helft van 2013 de gemiddelde vertraging bij de te late betalingen 78 dagen bedroeg, en dat dit in de tweede helft van 33 2013 dagen was; verneemt van het Bureau dat het verschillende methoden zal onderzoeken om de vertraging bij de betalingen terug te brengen tot de als doel gestelde 30 dagen; vraagt het Bureau deze kwestie zo spoedig mogelijk in orde te brengen en de kwijtingsautoriteit te informeren over de maatregelen die hiertoe worden genomen, alsmede over de resultaten daarvan;

o
o   o

16.  verwijst voor andere, horizontale opmerkingen bij zijn kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van 29 april 2015(15) over de prestaties en het financiële beheer van en de controle op de agentschappen.

(1) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 28.
(2) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 28.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(4) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(5) PB L 337 van 18.12.2009, blz. 1.
(6) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(7) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.
(8) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 28.
(9) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 28.
(10) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(11) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(12) PB L 337 van 18.12.2009, blz. 1.
(13) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(14) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.
(15) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2015)0130.


Kwijting 2013: Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (CdT)
PDF 180kWORD 78k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2101(DEC))
P8_TA(2015)0133A8-0084/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het Bureau(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 betreffende de aan het Bureau te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05304/2015 – C8-0054/2015),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(4), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EG) nr. 2965/94 van de Raad van 28 november 1994 tot oprichting van een Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie(5), en met name artikel 14,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(7), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0084/2015),

1.  verleent de directeur van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over de afsluiting van de rekeningen van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2101(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het Bureau(8),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(9) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 betreffende de aan het Bureau te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05304/2015 – C8-0054/2015),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(10),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(11), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EG) nr. 2965/94 van de Raad van 28 november 1994 tot oprichting van een Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie(12), en met name artikel 14,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(14), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0084/2015),

1.  stelt vast dat de definitieve jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie overeenkomt met de weergave in de bijlage bij het verslag van de Rekenkamer;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2101(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0084/2015),

A.  overwegende dat de definitieve begroting van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (hierna "het Bureau") voor het begrotingsjaar 2013 volgens de financiële staten 52 193 667 EUR bedroeg, hetgeen een toename van 8,08 % ten opzichte van 2012 betekent;

B.  overwegende dat de Rekenkamer in haar verslag over de jaarrekening van het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013 (hierna "het verslag van de Rekenkamer") verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben gekregen dat de jaarrekening van het Bureau betrouwbaar is en de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn;

C.  overwegende dat het Bureau tot taak heeft voor de instellingen en organen van de Unie desgewenst de vertalingen te verzorgen die nodig zijn voor hun activiteiten;

Follow-up van de kwijting voor 2012

1.  constateert uit het verslag van de Rekenkamer dat twee corrigerende maatregelen die zijn getroffen naar aanleiding van haar opmerkingen van het voorgaande jaar, nog lopen;

2.  verneemt van het Bureau dat het een actieplan heeft opgesteld om zijn administratieve kosten terug te dringen op het gebied van personeel, geldstromen, IT en infrastructuur; verneemt van het Bureau dat het zijn administratieve kosten niet verder kan verlagen;

Financieel en begrotingsbeheer

3.  merkt op dat inspanningen op het gebied van begrotingstoezicht gedurende het begrotingsjaar 2013 hebben geresulteerd in een uitvoeringspercentage van de begroting van 83,47 % en dat het uitvoeringspercentage van de betalingskredieten 77,68 % bedroeg;

Kaderovereenkomsten

4.  merkt op dat het Bureau in 2008 472 kaderovereenkomsten met vertaaldiensten heeft afgesloten voor een periode van maximaal vier jaar; stelt bovendien vast dat het Bureau in 2012 aan de aanbestedingsprocedure voor vertaaldiensten van de Commissie heeft deelgenomen maar dat er met de Commissie geen overeenstemming kon worden bereikt betreffende de contractbepalingen;

5.  neemt ter kennis dat het Bureau de bestaande kaderovereenkomsten bijgevolg met een jaar heeft verlengd; stelt met bezorgdheid vast dat hoewel de directeur van het Bureau een afwijking toestond, deze verlenging in strijd is met de uitvoeringsbepalingen bij het financieel reglement van het Bureau, die voor kaderovereenkomsten een maximale periode van vier jaar voorschrijven;

6.  verneemt van het Bureau dat het uitblijven van overeenstemming met de Commissie te wijten was aan het feit dat de Commissie de inschrijvingsvoorwaarden in een late fase van de procedure wijzigde; neemt kennis van het besluit van het Bureau om de huidige overeenkomsten te verlengen gezien de negatieve gevolgen als er geen overeenkomsten zouden zijn totdat de volgende aanbesteding kan worden georganiseerd;

Vastleggingen en overdrachten

7.  constateert dat in het verslag van de Rekenkamer geen noemenswaardige problemen worden vermeld in verband met het niveau van overdrachten in 2013; merkt op dat 5,79 % van de begrotingskredieten zijn overgedragen naar 2014;

Interne-controlemaatregelen

8.  neemt er kennis van dat de dienst Interne Audit (IAS) van de Commissie in 2013 een volledige risicobeoordeling heeft uitgevoerd die is uitgemond in zijn strategisch controleplan voor het Bureau, met daarin voorstellen voor controles in de periode 2014-2016;

9.  erkent dat vanwege diverse verplichtingen, zoals de verhuizing naar het Drosbach-gebouw, de tenuitvoerlegging van verscheidene in het actieplan voor interne controle opgenomen maatregelen niet zo zeer is opgeschoten als oorspronkelijk in de bedoeling lag;

10.  stelt met bezorgdheid vast dat de IAS bij zijn risicoanalyse bepaalde processen met een hoog inherent risico heeft aangewezen die niet als controleerbaar konden worden beschouwd binnen het controleplan aangezien de controles werden beoordeeld als afwezig of ontoereikend; wijst erop dat het management van het Bureau bij de IAS een actieplan heeft ingediend om die tekortkomingen aan te pakken en dat de IAS de door het Bureau genomen maatregelen in dat verband zal evalueren;

11.  neemt er nota van dat de IAS aan de hand van stukken de uitvoering van zijn vroegere aanbevelingen is nagegaan en dat er per 31 december 2013 geen eerdere kritische aanbevelingen meer openstonden; stelt vast dat één zeer belangrijke aanbeveling wordt uitgevoerd en op schema zit, en dat de uitvoering van een andere zeer belangrijke aanbeveling vertraging heeft opgelopen; roept het Bureau op hierop toe te zien en de kwijtingsautoriteit te informeren wanneer de aanbeveling afgerond is;

12.  stelt met bezorgdheid vast dat de formele delegaties van ordonnateurs niet altijd overeenkomen met de ordonnateursrechten voor verrichtingen in het ABAC-boekhoudsysteem (accrual based accounting); verneemt van het Bureau dat het de formele delegatie heeft bijgewerkt om deze in overeenstemming te brengen met de rechten in het ABAC-systeem;

Overschrijvingen

13.  merkt op dat zowel uit het jaarlijks activiteitenverslag van het Bureau als uit het verslag van de Rekenkamer blijkt dat het niveau en de aard van de overschrijvingen in 2012 binnen de grenzen van de financiële voorschriften gebleven zijn;

Aanbestedings- en aanwervingsprocedures

14.  constateert dat er in 2013 geen steekproefsgewijs gecontroleerde verrichtingen, noch andere controlebevindingen zijn geweest die aanleiding hebben gegeven tot opmerkingen over de aanbestedingsprocedure van het Bureau in het verslag van de Rekenkamer;

Preventie van en omgang met belangenconflicten en transparantie

15.  verneemt van het Bureau dat het zijn beleid voor de preventie van en de omgang met belangenconflicten heeft getoetst aan de hand van de richtsnoeren van de Commissie betreffende de preventie van en de omgang met belangenconflicten in de gedecentraliseerde agentschappen van de EU; neemt er kennis van dat het Bureau op basis van die toetsing een nieuw beleid heeft vastgesteld waarin is bepaald dat de cv's en belangenverklaringen van de leden van de raad van bestuur, de directeur en het hoger management openbaar moeten worden gemaakt;

16.  merkt op dat het Bureau dit nieuwe beleid in 2014 aan zijn raad van bestuur heeft gepresenteerd en dat het op 29 oktober 2014 werd goedgekeurd; neemt er kennis van dat het Bureau de cv's en belangenverklaringen van de leden van de raad van bestuur op zijn website heeft gepubliceerd; verzoekt het Bureau deze documenten eenvoudiger toegankelijk te maken;

Resultaten

17.  begrijpt uit het verslag van de Rekenkamer dat de kasmiddelen van het Bureau gestegen zijn van 35 000 000 EUR eind 2012 tot 40 000 000 EUR eind 2013; stelt bovendien vast dat het begrotingsoverschot en de reserves in dezelfde periode gestegen zijn van 30 900 000 EUR tot 37 500 000 EUR;

18.  verneemt van het Bureau dat zijn begrotingsoverschot van 2012 hoofdzakelijk het gevolg was van externe factoren waarover het geen controle had, en dat het maatregelen heeft genomen om het overschot te verkleinen; merkt op dat het Bureau, in het licht van zijn kostenanalyse uit 2012 en van zijn kostenanalyse voor de eerste helft van 2013, besloten heeft zijn prijzen voor 2014 te verlagen; verneemt van het Bureau dat zijn begrotingen voor 2014 en 2015 zijn opgezet als begrotingen met een tekort teneinde een deel van de overschotten uit de voorgaande jaren te absorberen;

Overige opmerkingen

19.  erkent dat het Bureau in 1994 operationeel werd en sindsdien op basis van briefwisseling en uitwisselingen met de gastlidstaat heeft gewerkt; neemt er kennis van dat de onderhandelingen van het Bureau met zijn gastlidstaat over zijn zetel in de eindfase zitten, en dat het de vestigingsovereenkomst met de regering van het Groothertogdom Luxemburg heeft ondertekend; neemt er nota van dat het Bureau nu op definitieve bevestiging hieromtrent wacht;

o
o   o

20.  verwijst voor andere, horizontale opmerkingen bij zijn kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van 29 april 2015(15) over de prestaties en het financiële beheer van en de controle op de agentschappen.

(1) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 35.
(2) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 35.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(4) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(5) PB L 314 van 7.12.1994, blz. 1.
(6) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(7) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.
(8) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 35.
(9) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 35.
(10) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(11) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(12) PB L 314 van 7.12.1994, blz. 1.
(13) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(14) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.
(15) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2015)0130.


Kwijting 2013: Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop)
PDF 182kWORD 78k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2087(DEC))
P8_TA(2015)0134A8-0079/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het Centrum(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 betreffende de aan het Centrum te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05304/2015 – C8-0054/2015),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(4), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EEG) nr. 337/75 van de Raad van 10 februari 1975 houdende oprichting van een Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding(5), en met name artikel 12 bis,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(7), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0079/2015),

1.  verleent de directeur van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Centrum voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2013(2014/2087(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het Centrum(8),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(9) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 betreffende de aan het Centrum te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05304/2015 – C8-0054/2015),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(10),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(11), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EEG) nr. 337/75 van de Raad van 10 februari 1975 houdende oprichting van een Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding(12), en met name artikel 12 bis,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(14), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0079/2015),

1.  stelt vast dat de definitieve jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding overeenkomt met de weergave in de bijlage bij het verslag van de Rekenkamer;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2013;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2087(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0079/2015),

A.  overwegende dat volgens zijn financiële staten de definitieve begroting van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding ("het Centrum") 17 925 075 EUR bedroeg voor het begrotingsjaar 2013, hetgeen een afname van 6,72 % ten opzichte van 2012 betekent;

B.  overwegende dat de totale bijdrage van de Unie aan de begroting van het Centrum voor 2013 volgens zijn financiële staten 17 133 900 EUR bedroeg, hetgeen een toename van 1,18 % ten opzichte van 2012 betekent;

C.  overwegende dat de Rekenkamer in haar verslag over de jaarrekening van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding voor het begrotingsjaar 2013 ("het verslag van de Rekenkamer") verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben gekregen dat de jaarrekening van het Centrum betrouwbaar is en de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn;

Follow-up van de kwijting voor 2012

1.  merkt op dat er ten aanzien van twee opmerkingen in het verslag van de Rekenkamer van 2011 die in het verslag van 2012 nog als "openstaand" staan aangemerkt, corrigerende maatregelen zijn getroffen en dat bij beide aanbevelingen in het verslag van de Rekenkamer nu staat vermeld dat ze zijn "afgerond"; merkt bovendien op dat er ten aanzien van de drie opmerkingen in het verslag van de Rekenkamer van 2012 twee corrigerende maatregelen zijn getroffen in reactie op de opmerkingen in het voorgaande jaar en dat die nu staan aangemerkt als "afgerond", terwijl bij een van de opmerkingen staat dat deze "niet van toepassing" is;

2.  verneemt van het Centrum dat:

   na gevolg te hebben gegeven aan de aanbeveling van de Rekenkamer om ervoor te zorgen dat het voorselectiecomité een verklaring ondertekent met betrekking tot de afwezigheid van belangenconflicten, de aanwervingsprocedure voor twee hoge functies succesvol was;
   het zijn beleid ten aanzien van belangenconflicten heeft herzien en aangepast; dringt er bij het Centrum op aan de kwijtingsautoriteit op de hoogte te stellen van de resultaten van de beleidsherziening en van de aanpassingen in de situatie bij het Centrum;
   het maatregelen treft ten aanzien van de publicatie van de cv's van de leden van de Raad van Bestuur en verklaringen met betrekking tot de afwezigheid van belangenconflicten; merkt met bezorgdheid op dat het Centrum dit probleem nog niet volledig heeft opgelost en dringt er bij het Centrum op aan corrigerende maatregelen te treffen en de kwijtingsautoriteit zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen van de resultaten;
   de informatie over de activiteiten van het Centrum voornamelijk ter beschikking wordt gesteld van de Commissie, de lidstaten en de sociale partners, waardoor de directe impact op de burgers van de Unie op korte termijn beperkt is; merkt bovendien op dat het jaarverslag van het Centrum beschikbaar is op de website van het Centrum;
   het Centrum, in het kader van het samenwerkingsverband, zijn werkzaamheden coördineert met de Europese stichting voor opleiding en de Europese stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden om maximaal gebruik te maken van de synergie en kennis met elkaar te delen;

Financieel en begrotingsbeheer

3.  merkt op dat inspanningen op het gebied van begrotingstoezicht gedurende het begrotingsjaar 2013 hebben geresulteerd in een uitvoeringspercentage van de begroting van 98,95 % en dat het uitvoeringspercentage van de kredieten voor betalingen 92,39 % bedroeg;

4.  vergewist zich ervan dat de geplande onderbesteding in titel I, vanwege besparingen en uitstel van de aanwerving, de uitgaven in titel II en titel III heeft gedekt in verband met de vereisten voor diensten en bestellingen waarop in het werkprogramma is geanticipeerd; erkent dat volgens opmerkingen van de Rekenkamer in 2012 de overdracht van vastleggingskredieten uit titel II (17 % in 2013) is teruggebracht tot onder de drempel van 20 %, terwijl in 2012 nog 37 % is overgedragen;

Aanbestedings- en wervingsprocedures

5.  merkt op dat er voor het jaar 2013 geen steekproefsgewijs gecontroleerde verrichtingen noch andere auditresultaten zijn geweest die aanleiding hebben gegeven tot opmerkingen op de aanbestedingsprocedure van het Centrum in het verslag van de Rekenkamer;

6.  stelt aan de hand van het jaarverslag van het Centrum vast dat het organigram voor het jaar 2013 100 posten telt, waarvan 51 AD-posten en 49 AST-posten; neemt er voorts nota van dat er in beide categorieën meer tijdelijke dan vaste posten zijn;

7.  neemt er nota van dat het Centrum aan het eind van het jaar 96 mensen in dienst had op basis van het organigram en dat er twee vacatures waren voor AD-posten; erkent verder dat er twee posten niet zijn bezet zodat zij in 2014 kunnen worden geschrapt, in reactie op het verzoek van de Commissie om de komende jaren 5 % van het personeel af te laten vloeien;

Interne controles

8.  neemt er nota van dat het Centrum nieuwe ex post- en ex ante-controlemaatregelen heeft getroffen in reactie op de in 2012 door de Rekenkamer geuite bezorgdheid; neemt er bovendien nota van dat de ex post-maatregelen bestaan uit gedetailleerde controles van de personeelskosten voor drie steekproefsgewijs gekozen begunstigden op basis van alle ondersteunende documentatie, inclusief roosters, loonstrookjes, berekening van de dagtarieven, contracten, rekeningen en bankafschriften;

9.  merkt op dat het Centrum eindelijk procedures heeft ontwikkeld voor het monitoren en verslagleggen inzake wettigheid en regelmatigheid en momenteel zijn eigen fraudebestrijdingsstrategie opstelt;

Interne auditonderzoek

10.  merkt op dat de dienst Interne audit (IAS) van de Commissie een grondige risicobeoordeling heeft uitgevoerd om de auditprioriteiten te bepalen voor de komende drie jaar, wat geresulteerd heeft in het definitieve strategische auditplan, met de voorgestelde auditprioriteiten voor 2013-2015; begrijpt van het Centrum dat het definitieve strategische auditplan in juni 2013 is goedgekeurd door de Raad van Bestuur van het Centrum;

11.  merkt op dat de IAS bij die risicoanalyse bepaalde processen met een hoog inherent risico heeft aangemerkt die niet als controleerbaar konden worden beschouwd binnen het controleplan, aangezien de controles werden beoordeeld als afwezig of ontoereikend; begrijpt van het Centrum dat het management een actieplan heeft ingediend dat gericht is op het aanpakken van deze problematiek die door de IAS bij de volgende grondige risicobeoordeling zal worden nagegaan;

12.  neemt er nota van dat de IAS heeft gekeken naar het gevolg dat gegeven is aan zijn eerdere aanbevelingen in 2013 door een administratieve controle van de informatie die het Centrum heeft verstrekt over de status van zeer belangrijke, belangrijke en wenselijke aanbevelingen; begrijpt dat er op 31 december 2013 geen kritieke of zeer belangrijke aanbevelingen open stonden;

Overige opmerkingen

13.  is ingenomen met de voorbeeldige maatregelen van het Centrum wat betreft kosteneffectieve en milieuvriendelijke maatregelen; spoort het Centrum aan deze goede praktijk voort te zetten;

14.  betreurt het vast te moeten stellen dat de reparatiewerkzaamheden aan het Cedefop-gebouw nog steeds vertraging ondervinden en pas in 2014 zullen worden afgerond;

15.  onderstreept dat het werk van het Centrum in hoge mate relevant is voor de Europese beleidsagenda op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding (BOO) alsmede arbeidsvaardigheden; stelt bezorgd vast dat de geringe vraag, met hoge werkloosheid tot gevolg, moet worden omgebogen, omdat anders een situatie ontstaat en wordt bestendigd waarin vaardigheden door overkwalificering en werkloosheid niet meer aansluiten bij wat de economie vraagt en verouderd raken; heeft waardering voor de belangrijke resultaten die het Centrum in 2013 op zijn werkterrein heeft geboekt; merkt voorts op dat het Centrum bezig is met de uitvoering van zijn eerste pan-Europese vaardighedenonderzoek (eu-SKILL);

16.  benadrukt de goede ervaringen die in enkele landen zijn opgedaan met het duale onderwijssysteem; wijst er evenwel op dat dit niet als wondermiddel tegen de hoge jeugdwerkloosheid kan worden beschouwd;

17.  feliciteert het Centrum met de resultaten van de in 2013 door de Commissie uitgevoerde evaluatie, waarin is vastgesteld dat het mondiaal gezien een toonaangevend kenniscentrum inzake kwalificatiekaders en vaardigheden is en dat het de samenwerking tussen de partijen die in Europa bij het BOO-beleid betrokken zijn, in belangrijke mate heeft versterkt;

o
o   o

18.  verwijst voor andere, horizontale opmerkingen bij zijn kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van 29 april 2015(15) over de prestaties en het financieel beheer van en de controle op de agentschappen.

(1) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 42.
(2) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 42.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(4) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(5) PB L 39 van 13.2.1975, blz. 1.
(6) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(7) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.
(8) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 42.
(9) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 42.
(10) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(11) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(12) PB L 39 van 13.2.1975, blz. 1.
(13) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(14) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.
(15) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2015)0130.


Kwijting 2013: Europese Politieacademie (Cepol)
PDF 182kWORD 79k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese Politieacademie voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2112(DEC))
P8_TA(2015)0135A8-0086/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Politieacademie voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van de Europese Politieacademie voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van de Academie(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 betreffende de aan de Academie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05304/2015 – C8-0054/2015),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(4), en met name artikel 208,

–  gezien Besluit 2005/681/JBZ van de Raad van 20 september 2005 tot oprichting van de Europese Politieacademie (EPA) en tot intrekking van Besluit 2000/820/JBZ(5), en met name artikel 16,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(7), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0086/2015),

1.  verleent de directeur van de Europese Politieacademie kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Academie voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van de Europese Politieacademie, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over de afsluiting van de rekeningen van de Europese Politieacademie voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2112(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van de Europese Politieacademie voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van de Europese Politieacademie voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van de Academie(8),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(9) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 betreffende de aan de Academie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05304/2015 – C8-0054/2015),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(10),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(11), en met name artikel 208,

–  gezien Besluit 2005/681/JBZ van de Raad van 20 september 2005 tot oprichting van de Europese Politieacademie (EPA) en tot intrekking van Besluit 2000/820/JBZ(12), en met name artikel 16,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(14), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0086/2015),

1.  stelt vast dat de definitieve jaarrekening van de Europese Politieacademie overeenkomt met de weergave in de bijlage bij het verslag van de Rekenkamer;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van de Europese Politieacademie voor het begrotingsjaar 2013;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van de Europese Politieacademie, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese Politieacademie voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2112(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese Politieacademie voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0086/2015),

A.  overwegende dat volgens de jaarrekening de begroting van de Europese Politieacademie (hierna "Academie") voor het begrotingsjaar 2013 8 450 640 EUR bedroeg; overwegende dat de begroting van de Academie volledig wordt gefinancierd met middelen van de begroting van de Unie;

B.  overwegende dat de Rekenkamer in haar verslag over de jaarrekening van de Europese Politieacademie voor het begrotingsjaar 2013 (hierna "het verslag van de Rekenkamer") verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben gekregen dat de jaarrekening van de Academie betrouwbaar is en de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn;

Follow-up van de kwijting voor 2012

1.  maakt uit het verslag van de Rekenkamer op dat naar aanleiding van drie in het verslag van de Rekenkamer van 2011 geformuleerde opmerkingen die in het verslag van 2012 als "onopgelost" aangemerkt waren, alsook van één opmerking die als "loopt nog" aangemerkt was, er voor één opmerking corrigerende maatregelen getroffen zijn en deze in het verslag van de Rekenkamer nu als "afgerond" aangemerkt is, dat twee opmerkingen als "loopt nog" aangemerkt zijn en één opmerking als "niet van toepassing"; merkt bovendien op dat er ten aanzien van de zes opmerkingen in het verslag van de Rekenkamer van 2012 in reactie op de opmerkingen van het voorgaande jaar voor één opmerking corrigerende maatregelen zijn getroffen en deze nu als "afgerond" aangemerkt is, dat er twee opmerkingen als "niet van toepassing" aangemerkt zijn, twee als "loopt nog" en één als "onopgelost";

2.  begrijpt van de Academie dat:

   de informatie over de impact van haar activiteiten op de burgers van de Unie verstrekt wordt op de website van de Academie door middel van de jaarlijkse publicatie van strategische documenten, waaronder het jaarverslag, alsook via andere communicatiekanalen zoals video's en specifieke rubrieken op de website;
   haar Raad van bestuur besloten heeft om vanaf april 2014 een deel van de boekhouddiensten uit te besteden aan de Commissie; neemt kennis van de inspanningen die de Academie heeft gedaan om haar administratieve uitgaven te verminderen;

Financieel en begrotingsbeheer

3.  merkt op dat inspanningen op het gebied van begrotingstoezicht gedurende het begrotingsjaar 2013 hebben geresulteerd in een uitvoeringspercentage van de begroting van 94,89 % en dat het uitvoeringspercentage van de betalingskredieten 92,46 % bedroeg; erkent de inspanningen van de Academie om het uitvoeringspercentage van de betalingskredieten, dat in 2012 76 % bedroeg, aanzienlijk te verhogen, namelijk met 21 %;

Vastleggingen en overdrachten

4.  stelt met bezorgdheid vast dat het niveau van naar 2014 overgedragen vastgelegde kredieten hoog was, namelijk 30,46 % voor titel II (administratieve uitgaven); stelt vast dat het niveau van voor titel III (beleidsuitgaven) overgedragen vastgelegde kredieten 17,91 % bedroeg; begrijpt uit het verslag van de Rekenkamer dat de overdrachten voor titel II voornamelijk het gevolg waren van gebeurtenissen buiten de controle van de Academie, zoals in 2014 verschuldigde betalingen voor conform de planning in 2013 bestelde en ontvangen diensten en goederen;

5.  erkent bovendien dat de overdrachten van de Academie gedaald zijn van 20 % voor de verrichtingen 2012-2013 naar 11 % voor de verrichtingen 2013-2014; neemt kennis van de maatregelen die de Academie heeft genomen, maar roept de Academie op het niveau van de overdrachten nog verder te verbeteren en zo het jaarperiodiciteitsbeginsel van de begroting beter in acht te nemen;

6.  stelt met bezorgdheid vast dat van de van 2012 overgedragen vastgelegde kredieten ten bedrage van 1 669 930 EUR, 18,19 % (303 740 EUR) werd geannuleerd in 2013; erkent dat de geannuleerde vastleggingen hoofdzakelijk het gevolg waren van het feit dat de in het kader van de subsidieovereenkomsten 2012 te vergoeden kosten lager waren dan geraamd; merkt op dat het aantal annuleringen aangeeft dat het nodig is dat aan het einde van het jaar van de begunstigden nauwkeuriger informatie wordt verkregen over de werkelijk gemaakte kosten; verzoekt de Academie de kwijtingsautoriteit mee te delen welke maatregelen zijn genomen om deze tekortkoming prioritair te verhelpen;

Overschrijvingen

7.  begrijpt van de Academie dat zij een nieuwe procedure voor overschrijvingen van de begroting heeft ingevoerd, waardoor de begrotingsstructuur is verbeterd en het toezicht op de uitvoering van de begroting is toegenomen;

8.  stelt vast dat de Academie in 2013 negen begrotingsoverschrijvingen ten belope van 500 000 EUR binnen hun respectieve titels heeft verricht; erkent dat alle overschrijvingen overeenkomstig de financiële regels en de uitvoeringsvoorschriften hebben plaatsgevonden; merkt bovendien op dat door de verbeteringen van de begrotingsprocedure het aantal overschrijvingen van de begroting een dalende trend vertoont;

Aanbestedings- en aanwervingsprocedures

9.  uit zijn bezorgdheid over de bevindingen in het verslag van de Rekenkamer dat de aanwervingsprocedures van de Academie nog steeds niet volledig transparant zijn, aangezien bepaalde procedurele elementen nog altijd onvolledig, onvoldoende duidelijk en incorrect zijn; neemt kennis van de acties van de Academie om het aanwervingsproces te herzien door de desbetreffende werkinstructies, modellen en checklists te herstructureren en te verbeteren; verzoekt de Academie de kwijtingsautoriteit op de hoogte te stellen van de impact van de herziene procedure op de aanwervingen waarmee in 2014 is begonnen, en kijkt uit naar de bevindingen van de toekomstige controles van de Rekenkamer inzake de aanwervingsprocedures;

Voorkoming van en omgang met belangenconflicten en transparantie

10.  neemt kennis van het feit dat de Academie van plan is de bestaande regelingen te herzien om een specifiek beleid inzake belangenconflicten te ontwikkelen voor haar personeel en andere belanghebbenden die rechtstreeks met de Academie samenwerken maar niet tot haar personeelsbestand behoren; erkent dat de raad van bestuur van de Academie haar beleid inzake voorkoming van en omgang met belangenconflicten in november 2014 heeft vastgesteld;

11.  neemt kennis van de publicatie op de website van de Academie van de belangenverklaringen van de directeur, de adjunct-directeur en het hoofd bedrijfsdiensten; erkent dat de Academie na de vaststelling van het beleid inzake belangenconflicten in november 2014 de leden van de raad van bestuur heeft verzocht hun belangenverklaringen en cv's op de website van de Academie te publiceren;

12.  vraagt de Academie dringend om voor juni 2015 de belangenverklaringen bekend te maken van haar personeel, van de leden van haar raad van bestuur, van de leden van de werkgroep / het auditpanel, en van de gedetacheerde nationale deskundigen;

13.  betreurt dat de Academie geen antwoord wist te geven op de vraag naar eventuele initiatieven voor meer transparantie rond de contacten van de agentschappen met lobbyisten; vraagt de Academie dringend om die vraag voor eind mei 2015 alsnog te beantwoorden;

Interne auditonderzoek

14.  neemt kennis van het feit dat de Dienst Interne Audit (IAS) van de Commissie een audit heeft uitgevoerd om na te gaan of het internecontrolesysteem betreffende de subprocessen op het vlak van personele middelen van de Academie adequaat is opgezet en daadwerkelijk wordt toegepast; erkent dat de IAS heeft geconcludeerd dat het bestaande internecontrolesysteem redelijke zekerheid biedt om de bedrijfsdoelstellingen voor adequate procedures op het vlak van personele middelen te verwezenlijken;

15.  stelt vast dat de IAS aan de hand van stukken de uitvoering van zijn vroegere aanbevelingen is nagegaan en heeft geconcludeerd dat er aan het eind van het jaar geen kritieke of zeer belangrijke aanbevelingen meer openstonden;

16.  neemt kennis van de inspanningen die de Academie doet om aan de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer en de IAS uitvoering te geven, met het oog op een prompte uitvoering van de actieplannen; constateert dat het uitvoeringspercentage voor de aanbevelingen per einde 2013 83 % bedroeg;

Overige opmerkingen

17.  is er verheugd over dat de Academie in oktober 2014 officieel haar nieuwe hoofdkantoor in Boedapest in gebruik heeft genomen; steunt de inspanningen die de Academie doet om de verhuizing naar de nieuwe vestigingsplaats volgens de beginselen van goed financieel beheer te laten plaatsvinden; erkent bovendien dat de raad van bestuur in verband hiermee voor het begrotingsjaar 2014 een begrotingswijziging heeft ingediend en goedgekeurd;

18.  onderkent dat de verhuizing van de Academie van Bramshill naar haar nieuwe vestiging in Boedapest een besparing oplevert van 200 000 EUR per jaar; is verheugd over deze besparing in de functioneringskosten van de Academie en over het feit dat het gebruik van de kantoren in de nieuwe vestigingsplaats gratis is en dat de infrastructuur voor een periode van ten minste tien jaar wordt aangeboden; verzoekt de Academie in haar volgende jaarverslag een overzicht op te nemen van de besparingen in de operationele kosten;

19.  constateert met verontrusting dat de discussie over de toekomst van de Academie nog steeds doorgaat, wat ten koste gaat van de planning en uitvoering van haar taken;

20.  constateert met verontrusting dat de Academie geen afdoende antwoord heeft gegeven op de vraag van de kwijtingsautoriteit naar kosten-efficiënte en milieuvriendelijke oplossingen voor de werkomgeving; vraagt de Academie dit alsnog te doen;

o
o   o

21.  verwijst voor andere, horizontale opmerkingen bij zijn kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van 29 april 2015(15) over de prestaties en het financiële beheer van en de controle op de agentschappen.

(1) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 51.
(2) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 51.
(3) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(4) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(5) PB L 256 van 1.10.2005, blz. 63.
(6) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(7) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.
(8) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 51.
(9) PB C 442 van 10.12.2014, blz. 51.
(10) PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.
(11) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(12) PB L 256 van 1.10.2005, blz. 63.
(13) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(14) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.
(15) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2015)0130.


Kwijting 2013: Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA)
PDF 182kWORD 80k
Besluit
Besluit
Resolutie
1.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2106(DEC))
P8_TA(2015)0136A8-0074/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het Agentschap(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 betreffende de aan het Agentschap te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05304/2015 – C8-0054/2015),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(4), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG(5), en met name artikel 60,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(7), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0074/2015),

1.  verleent de uitvoerend directeur van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Agentschap voor het begrotingsjaar 2013;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.Besluit van het Europees Parlement van 29 april 2015 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2106(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het Agentschap(8),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(9) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 betreffende de aan het Agentschap te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05304/2015 – C8-0054/2015),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(10),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(11), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG(12), en met name artikel 60,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(14), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0074/2015),

1.  stelt vast dat de definitieve jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart overeenkomt met de weergave in de bijlage bij het verslag van de Rekenkamer;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor het begrotingsjaar 2013;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor het begrotingsjaar 2013 (2014/2106(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor het begrotingsjaar 2013,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0074/2015),

A.  overwegende dat de definitieve begroting van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (hierna "het Agentschap") voor het begrotingsjaar 2013 volgens zijn financiële staten 167 023 535 EUR bedroeg, hetgeen een toename van 5,15 % ten opzichte van 2012 betekent;

B.  overwegende dat de bijdrage van de Unie aan de begroting van het Agentschap voor 2013 volgens zijn financiële staten 35 829 562 EUR bedroeg, hetgeen een toename van 0,2 % ten opzichte van 2012 betekent;

C.  overwegende dat de Rekenkamer in haar verslag over de jaarrekening van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor het begrotingsjaar 2013 (het verslag van de Rekenkamer) verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben gekregen dat de jaarrekening van de Stichting betrouwbaar is en de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn;

Follow-up van de kwijting voor 2012

1.  maakt uit het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening op dat naar aanleiding van de in het verslag van de Rekenkamer van 2011 geformuleerde opmerking die in het verslag van 2012 als "loopt nog" aangemerkt was, de corrigerende maatregel getroffen is en nu in het verslag van de Rekenkamer van 2013 als "afgerond" aangemerkt is; maakt voorts op dat naar aanleiding van de vier in het verslag van de Rekenkamer van 2012 geformuleerde opmerkingen, corrigerende maatregelen zijn getroffen en twee opmerkingen nu als "afgerond" en twee als "niet van toepassing" aangemerkt zijn;

2.  begrijpt van het Agentschap dat:

   gegevens en statistieken over het beheer van belangenconflicten in zijn jaarlijks activiteitenverslag 2013 zijn opgenomen;
   cv's en belangenverklaringen van de uitvoerend directeur, de directeuren en de afdelingshoofden met ingang van 1 december 2014 volledig op de website van het Agentschap waren gepubliceerd, zoals het kwijtingsautoriteit in 2014 hadden gevraagd;
   informatie over de impact van de activiteiten van het Agentschap op de burgers van de Unie verstrekt wordt door middel van de jaarlijkse publicatie van strategische documenten waaronder het algemeen jaarverslag, het jaarlijks veiligheidsoverzicht en het werkprogramma;

Opmerkingen over de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen

3.  neemt er nota van dat in 2013 het Agentschap ongeveer 22 000 000 EUR heeft uitgegeven aan aanbestedingsprocedures om delen van zijn certificeringsactiviteiten aan nationale luchtvaartautoriteiten uit te besteden; onderkent dat het proces van toewijzing van specifieke certificeringstaken aan de contractanten, alsmede de te