Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2107(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0312/2015

Ingediende teksten :

A8-0312/2015

Debatten :

PV 24/11/2015 - 14
CRE 24/11/2015 - 14

Stemmingen :

PV 25/11/2015 - 9.8
CRE 25/11/2015 - 9.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0411

Aangenomen teksten
PDF 234kWORD 115k
Woensdag 25 november 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020
P8_TA(2015)0411A8-0312/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2015 over het strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020 (2015/2107(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name de preambule en de artikelen 3 en 6 daarvan,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name de artikelen 3, 6, 9, 20, 151, 152, 153, 154, 156, 159 en 168 daarvan,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 1, 3, 27, 31, 32 en 33 daarvan,

–  gezien het Europees Sociaal Handvest van 3 mei 1996, met name deel I en deel II, artikel 3 daarvan,

–  gezien de verklaring van Philadelphia van 10 mei 1944 over de doelen en doelstellingen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO),

–  gezien de conventies en aanbevelingen van de IAO op het gebied van de gezondheid en veiligheid op het werk,

–  gezien de conclusies van de Raad van 27 februari 2015 over het strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020 (6535/15) en de conclusies van de Raad van 5 oktober 2015 over een nieuwe agenda voor gezondheid en veiligheid op het werk om betere arbeidsomstandigheden te bevorderen,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1338/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk(1),

–  gezien Richtlijn 89/391/EEG van 12 juni 1989 van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk(2) (kaderrichtlijn) en de bijzondere richtlijnen hierover,

–  gezien Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd(3),

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(4),

–  gezien Richtlijn 2007/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 tot wijziging van Richtlijn 89/391/EEG van de Raad, de daaruit voortvloeiende afzonderlijke richtlijnen, alsmede de Richtlijnen 83/477/EEG, 91/383/EEG, 92/29/EEG en 94/33/EG van de Raad, met het oog op de vereenvoudiging en rationalisatie van de verslagen over de praktische tenuitvoerlegging(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie over het strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020 (COM(2014)0332),

–  gezien de mededeling van de Commissie "Verbetering van de arbeidskwaliteit en -productiviteit: communautaire strategie 2007-2012 voor de gezondheid en veiligheid op het werk" (COM(2007)0062),

–  gezien de mededeling van de Commissie "Vernieuwde sociale agenda: kansen, toegang en solidariteit in het Europa van de 21st eeuw" (COM(2008)0412),

–  gezien het verslag van de Commissie over de uitvoering van het door de sociale partners goedgekeurde kaderakkoord over stress op het werk (SEC(2011)0241),

–  gezien "EUROPA 2020 - Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020) en de voornaamste doelstelling ervan, te weten de participatiegraad in de Europese Unie op te trekken tot 75% tegen het einde van het decennium, onder meer via een grotere vertegenwoordiging van vrouwen en oudere werknemers en een betere integratie van migranten in de beroepsbevolking,

–  gezien het witboek van de Europese Commissie over "Een agenda voor adequate, veilige en duurzame pensioenen" (COM(2012)0055),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Tussenopname van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2014)0130),

–  gezien de jaarlijkse groeianalyse 2015 (COM(2014)0902) en het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid (COM(2014)0906),

–  gezien zijn resolutie van 20 september 2001 over pesterij op het werk(6),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement tot toezending van de Europese kaderovereenkomst over geweld en pesterijen op het werk (COM(2007)0686),

–  gezien zijn resolutie van 24 februari 2005 over bevordering van de gezondheid en de veiligheid op het werk(7),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2006 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de bescherming van werknemers in de gezondheidszorg in Europa tegen door bloed overgedragen infecties als gevolg van prikaccidenten(8),

–  gezien zijn resolutie van 23 mei 2007 over bevordering van waardig werk voor iedereen(9),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2008 over de communautaire strategie 2007-2012 voor gezondheid en veiligheid op het werk(10),

–  gezien zijn resolutie van 26 maart 2009 over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten(11),

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2011 over de tussentijdse evaluatie van de Europese strategie 2007-2012 voor de gezondheid en veiligheid op het werk(12),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2013 over aan asbest gerelateerde bedreigingen voor de gezondheid op de werkplek en vooruitzichten op afschaffing van alle bestaande vormen van asbest(13),

–  gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over doeltreffende arbeidsinspecties als middel om de arbeidsomstandigheden in Europa te verbeteren(14),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 december 2014 en het advies van het Comité van de Regio's van 12 februari 2015 over de mededeling van de Commissie inzake een strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020,

–  gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep,

–  gezien het gemeenschappelijk optreden inzake geestelijke gezondheid en welzijn dat gestart is in 2013,

–  gezien het "Denk eerst klein"-beginsel en de "Small Business Act for Europe";

–  gezien de huidige campagne van het Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk (EU-OSHA) met als titel "Healthy Workplaces Manage Stress" (Gezondheid op de werkplek: omgaan met stress),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0312/2015),

A.  overwegende dat een goede lichamelijke en geestelijke gezondheid een grondrecht(15) is van individuele werknemers, dat op zich al waardevol is;

B.  overwegende dat de economische crisis heeft geleid tot verhoogde baanonzekerheid en atypische werkgelegenheid, alsmede verminderde bedrijfswinsten, met name voor mkb's; overwegende dat dit niet mag betekenen dat het belang van gezondheid en veiligheid op het werk uit het oog wordt verloren, alsmede de hoge maatschappelijke en individuele kosten van ongevallen op de werkplek die het gevolg zijn van niet-naleving;

C.  overwegende dat gezondheid en veiligheid op het werk van fundamenteel belang zijn voor de maatschappij, alsmede een investering die een positief effect heeft op de productiviteit en het concurrentievermogen van bedrijven en ook de houdbaarheid van de socialezekerheidssystemen bevordert en mensen in staat stelt in goede gezondheid hun werk te doen tot zij de pensioengerechtigde leeftijd bereiken; overwegende dat ongevallen op de werkplek en beroepsziekten een zware maatschappelijke last vormen en dat verbeteringen van de gezondheid en veiligheid op het werk in heel Europa kunnen bijdragen tot economisch herstel en tot het verwezenlijken van de Europa 2020-doelstellingen, omdat er tot dusver weinig vooruitgang is geboekt ten aanzien van de doelstelling van een participatiegraad van 75% voor 20- tot 64-jarigen;

D.  overwegende dat het voorkómen van beroepsrisico's en het bevorderen van gezondheid en veiligheid op het werk van essentieel belang is om de arbeidsomstandigheden te verbeteren en zo de gezondheid van werknemers te beschermen, wat op zijn beurt weer substantiële maatschappelijke en economische voordelen oplevert voor de individuele werknemer en voor de maatschappij als geheel; overwegende dat 9 op 10 bedrijven in de EU-28 die regelmatig risicobeoordelingen uitvoeren, deze beoordelingen beschouwen als een nuttig instrument voor het management van veiligheid en gezondheid op het werk(16);

E.  overwegende dat in artikel 153 van het VWEU staat dat de Unie het optreden van de lidstaten ter verbetering van met name het arbeidsmilieu zal ondersteunen en aanvullen om de veiligheid en gezondheid van werknemers te beschermen;

F.  overwegende dat de vergrijzing van de EU-bevolking een van de voornaamste uitdagingen vormt voor de EU-lidstaten; overwegende dat de levensverwachting uiteenloopt naar gelang van de sociale en beroepsgroepen waartoe mensen behoren en de zwaarte van het werk; overwegende dat werknemers van boven de 55 jaar naast spier- en skeletaandoeningen zeer vatbaar zijn voor kanker, hartziekten en slaapstoornissen(17); overwegende dat de indicator voor gezonde levensjaren tussen 2010 en 2013 is gedaald met 1,1 jaar voor vrouwen en met 0,4 jaar voor mannen, wat benadrukt dat de levensverwachting in goede gezondheid moet worden verlengd, waardoor er ook meer mensen op de arbeidsmarkt actief kunnen blijven tot zij de pensioengerechtigde leeftijd bereiken;

G.  overwegende dat de verschillende soorten kanker de voornaamste, met het werk verband houdende doodsoorzaak vormen(18), gevolgd door hart- en vaatziekten en aandoeningen van de luchtwegen, terwijl bedrijfsongevallen slechts tot een gering aantal sterftegevallen leiden; overwegende dat chronische gezondheidsproblemen, zoals spier- en skeletaandoeningen (MSD) in de EU wijdverbreid zijn en mensen kunnen beletten om een betaalde baan aan te nemen of te behouden(19), en dat het identificeren van werknemers die risico's lopen van vitaal belang is;

H.  overwegende dat de administratieve rompslomp en de directe kosten die bedrijven maken ten gevolge van beleid op het gebied van gezondheid en veiligheid op de werkplek (GVW) dat het welzijn, de kwaliteit van de werkomgeving en de productiviteit bevordert, aanzienlijk lager zijn dan de kosten die verband houden met beroepsziekten en ongevallen op het werk die het EU-regelgevingskader beoogt te voorkomen(20); overwegende dat volgens sommige studies de 'winst uit preventie' voor bedrijven aanzienlijk kan zijn(21);

I.  overwegende dat het aantal ongevallen op de werkplek met dodelijke afloop en het aandeel werknemers dat aangeeft dat hun gezondheid en veiligheid gevaar lopen door hun werk per lidstaat(22) en per sector van economische activiteit aanzienlijk verschilt, waaruit duidelijk blijkt dat er op Europees niveau veel meer aandacht moet komen voor de uitvoering en handhaving van de bestaande GVW-wetgeving als een belangrijk element voor de waarborging van de gezondheid en productiviteit van werknemers;

J.  overwegende dat arbeidsgerelateerde stress, en met name psychosociale risico's in het algemeen, een toenemend probleem in de EU is en dat bijna de helft van alle werknemers stress ervaart op hun werk; overwegende dat arbeidsgerelateerde stress leidt tot verzuim, negatieve gevolgen heeft voor de productiviteit en bijna de helft van het aantal verloren werkdagen per jaar uitmaakt; overwegende dat maatregelen voor het aanpakken van psychosociale risico's van lidstaat tot lidstaat verschillen(23);

K.  overwegende dat stevige, goed uitgevoerde en gehandhaafde GVW-wetgeving een belangrijke voorwaarde is om te voldoen aan de GVW-vereisten, die de gezondheid en productiviteit van werknemers tijdens hun beroepsleven waarborgen; overwegende dat arbeidsinspecties een belangrijke rol spelen bij de uitvoering van GVW-beleid op regionaal en lokaal niveau, en overwegende dat naleving van de wettelijke verplichtingen voor veel bedrijven de belangrijkste reden is om werk te maken van GVW en preventieve maatregelen te treffen(24);

L.  overwegende dat betrokkenheid, participatie en vertegenwoordiging van de werknemers op bedrijfsniveau en de inzet van het management belangrijk zijn voor een succesvolle preventie op de werkplek(25) en overwegende dat het percentage ongevallen en ziekten lager ligt in werkomgevingen met een vakbondsorganisatie;

M.  overwegende dat de bestrijding van ongevallen op het werk in het algemeen alleen succesvol kan zijn met een benadering waarin de mens in elk opzicht centraal staat in het productieproces;

N.  overwegende dat er voldoende middelen nodig zijn om zowel nieuwe en opkomende als traditionele GVW-risico's, die onder meer verband houden met het gebruik van asbest, nanomaterialen, en psychosociale risico's, tegen te gaan; overwegende dat veel werknemers, met name bouwvakkers, mogelijk aan asbest worden blootgesteld;

O.  overwegende dat onzekere banen negatieve gevolgen hebben voor de veiligheid en gezondheid op het werk en de bestaande GVW-structuren ondermijnen; overwegende dat onzekere banen ertoe leiden dat werknemers worden uitgesloten van opleiding en toegang tot GVW-diensten en geassocieerd worden met geestelijke stress vanwege arbeidsonzekerheid(26); overwegende dat in Kaderrichtlijn 89/391/EEG is vastgelegd dat de werkgevers verantwoordelijk zijn voor de invoering van een systematisch preventiebeleid waarmee alle risico's worden gedekt; overwegende dat de uitbesteding van werk via onderaanneming en uitzendwerk het moeilijker kan maken na te gaan wie verantwoordelijk is voor de GVW-voorschriften; overwegende dat zwartwerk en schijnzelfstandigheid een groot probleem vormen voor de uitvoering van GVW-maatregelen en de gezondheid en veiligheid van werknemers;

P.  overwegende dat de sociale partners een belangrijke rol spelen bij de uitwerking en uitvoering van het GVW-beleid, zowel op nationaal, internationaal als EU-niveau; overwegende dat in de artikelen 153 en 155 VWEU de bewegingsruimte en bevoegdheden van de sociale partners worden bepaald om te onderhandelen over overeenkomsten inzake gezondheid en veiligheid op het werk en om deze overeenkomsten te doen uitvoeren;

Q.  overwegende dat het EU-regelgevingskader erop gericht is ongevallen op de werkplek en beroepsziekten voor alle werknemers te voorkomen; overwegende dat werknemers wellicht minder goed geïnformeerd worden over veiligheids- en gezondheidsrisico's op het werk naarmate het bedrijf waar ze werken kleiner is; overwegende dat er geen enkel verband kan worden gelegd tussen het aantal ongevallen en de omvang van de onderneming, overwegende dat er wel een verband bestaat tussen het aantal ongevallen en het soort werk en de sector waarin de onderneming actief is(27);

R.  overwegende dat de beschikbaarheid en vergelijkbaarheid van gegevens over beroepsziekten op EU-niveau ontoereikend is(28);

S.  overwegende dat seksuele intimidatie op het werk, en het daarmee gepaard gaande gevoel van onveiligheid, moeten worden bestreden;

T.  overwegende dat segregatie op de arbeidsmarkt, beloningsachterstand, werktijd, werkplekken, onzekere arbeidsvoorwaarden, seksisme en discriminatie tussen de seksen, alsook de verschillen in verband met specifieke fysieke aspecten van het moederschap, als evenzovele factoren op de arbeidsomstandigheden voor vrouwen van invloed zijn;

U.  overwegende dat het vooroordeel bestaat dat vrouwen banen hebben waarin zij minder risico's lopen, dat in Europa de algemene tendens is dat de arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen nimmer neutraal is en dat, in het algemeen, vanwege die verdeling de gezondheidsproblemen van vrouwen minder zichtbaar zijn, met als gevolg dat er minder aandacht voor preventie is bij vrouwenbanen;

V.  overwegende dat in de EU vrouwen aanzienlijk meer in de dienstensector werkzaam zijn dan in de industrie en voor het merendeel in de gezondheidszorg en de sociale sector, en in de detailhandel, de productiesector, educatieve en zakelijke activiteiten, met een toenemende concentratie van vrouwen in losse en deeltijdbanen, hetgeen aanzienlijke gevolgen heeft op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk;

W.  overwegende dat vrouwen met specifieke risico's worden geconfronteerd, zoals spier- en skeletaandoeningen of specifieke vormen van kanker, zoals borstkanker of baarmoederslijmvlieskanker, als gevolg van de aard van bepaalde soorten banen waarin zij oververtegenwoordigd zijn(29);

X.  overwegende dat vrouwen meer met het werk samenhangende gezondheidsproblemen melden dan mannen, ongeacht het soort werk(30) , en dat zij met name blootstaan aan met leeftijd verband houdende ziekten; en dat daarom bij maatregelen ter verbetering van de gezondheid en veiligheid op het werk behoefte is aan een gender- en levenscyclusbenadering;

Y.  overwegende dat het voortplantingsvermogen kan worden bedreigd door de gezondheidsrisico's die kunnen ontstaan wanneer toekomstige ouders of hun ongeboren kinderen worden blootgesteld aan de gevolgen van milieuvervuiling en risicofactoren op het werk;

Z.  overwegende dat uit empirisch onderzoek blijkt dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in de besluitvorming inzake gezondheid en veiligheid;

AA.  overwegende dat vrouwen in plattelandsgebieden grotere moeilijkheden ondervinden bij de uitoefening van hun arbeids- en gezondheidsrechten en nog minder toegang hebben tot elementaire gezondheidszorg, bijzondere medische behandelingen, en onderzoeken voor de vroegtijdige opsporing van kanker;

Het strategische EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk (GVW)

1.  benadrukt dat elke werknemer, met inbegrip van werknemers in de publieke sector, recht heeft op het hoogste niveau van bescherming wat betreft gezondheid en veiligheid op het werk, en dat dit recht moet worden gewaarborgd, ongeacht de grootte van de onderneming, het onderliggende contract of de lidstaat waar hij werkzaam is; vraagt de Commissie een specifieke strategie uit te werken om alle vormen van arbeid in het EU-regelgevingskader op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk op te nemen; benadrukt dat er duidelijke en efficiënte regels moeten komen op het gebied van GVW;

2.  is verheugd dat er vele belangrijke actieterreinen zijn aangemerkt in het strategische EU-GVW-kader; betreurt het evenwel dat de Commissie geen concrete doelstellingen heeft geformuleerd in het kader; benadrukt in deze context dat, op basis van wetenschappelijk bewijs en de resultaten van de evaluatie achteraf van de huidige EU-GVW-wetgeving, er naar aanleiding van de evaluatie-2016 meer concrete wetgevings- en/of niet-wetgevingsmaatregelen alsmede uitvoerings- en handhavingsinstrumenten in het strategisch kader moeten worden opgenomen;

3.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om indicatieve reductiedoelstellingen voor beroepsziekten en ongevallen op de werkplek te formuleren naar aanleiding van de evaluatie-2016 van het strategische EU-GVW-kader en om uit te gaan van de recentste collegiaal getoetste onderzoeksresultaten bij de evaluatie van het kader; dringt er bij de Commissie op aan speciale prioriteit toe te kennen aan die sectoren waarin werknemers worden blootgesteld aan de grootste risico's en te zorgen voor begeleiding en de uitwisseling van goede praktijken aan te moedigen voor de tenuitvoerlegging van GVW-beleid;

4.  betreurt de vertraging bij de opstelling van het huidige strategische EU-GVW-kader; is van mening dat er, gezien de vele uitdagingen waarmee de Europese werknemers, ondernemingen en arbeidsmarkten geconfronteerd worden, inclusief de door de Commissie vastgestelde uitdagingen, tijdig en daadwerkelijk maatregelen moeten worden getroffen;

5.  benadrukt dat het van vitaal belang is te zorgen voor een lichamelijk en mentaal veilige en gezonde arbeidsomgeving gedurende het werkzame leven van mensen om het doel van actief en gezond ouder worden voor alle werknemers te verwezenlijken; is van mening dat het voorkómen van beroepsziekten en arbeidsongevallen en meer aandacht voor de cumulatieve effecten van beroepsrisico's een meerwaarde biedt voor de werknemers en voor de maatschappij als geheel;

6.  onderstreept het feit dat concreet optreden vereist is om de effecten van de crisis tegen te gaan, door bedrijven te helpen die acties ondernemen om de veiligheid en de gezondheid op het werk te verbeteren;

Nationale strategieën

7.  benadrukt dat nationale GVW-strategieën essentieel zijn en bijdragen tot verbetering van GVW in de lidstaten; benadrukt dat regelmatige verslaggeving over geboekte vooruitgang moet worden aangemoedigd; acht het onontbeerlijk om op EU-niveau te blijven doorgaan met het initiëren en coördineren van beleid om een hoog niveau van gezondheid en veiligheid voor alle werknemers te waarborgen, met een sterkere nadruk op de uitvoering en handhaving van de bestaande GVW-wetgeving; is van mening dat GVW-beleidsmaatregelen, zowel op Europees als op nationaal niveau, consistent moeten zijn met ander overheidsbeleid en dat de nalevingsvereisten duidelijk moeten zijn, zodat het gemakkelijker wordt voor bedrijven, met name mkb's, om ze na te leven; is van oordeel dat gendermainstreaming moet worden geïmplementeerd om beter in te spelen op de specifieke risico's die mannelijke en vrouwelijke werknemers lopen;

8.  dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan ervoor te zorgen dat de nationale GVW-strategieën binnen het strategisch EU-GVW-kader vallen en volledig transparant zijn en openstaan voor input van de sociale partners en het maatschappelijk middenveld, inclusief belanghebbenden in de gezondheidssector, overeenkomstig de gewoonten en praktijken van de lidstaten; is van mening dat het uitwisselen van goede praktijken, alsmede sociale dialoog een belangrijke manier is om de gezondheid en veiligheid op het werk te verbeteren;

9.  moedigt de lidstaten aan om context-specifieke doelstellingen op te nemen in hun nationale strategieën die meetbaar en vergelijkbaar zijn; benadrukt dat regelmatige en transparante verslaggeving over geboekte vooruitgang moet worden aangemoedigd; benadrukt het belang van betrouwbare gegevens;

Tenuitvoerlegging en naleving

10.  erkent dat er rekening gehouden moet worden met de situatie, specifieke behoeften van en problemen met de naleving door kleine en micro-ondernemingen en bepaalde overheidsdiensten, zoals de politie, in de context van de tenuitvoerlegging van GVW-maatregelen op bedrijfsniveau; benadrukt dat bewustmaking, uitwisseling van goede praktijken, raadpleging, gebruikersvriendelijke richtsnoeren en onlineplatforms uiterst belangrijk zijn om mkb's en micro-ondernemingen te helpen om de GVW-regelgevingsvereisten op doelmatiger wijze na te leven; vraagt de Commissie, EU-OSHA en de lidstaten praktische instrumenten en richtsnoeren te blijven ontwikkelen die de naleving van de GVW-vereisten door mkb's en micro-ondernemingen ondersteunen, faciliteren en verbeteren;

11.  verzoekt de Commissie rekening te blijven houden met de specifieke aard en situatie van mkb's en micro-ondernemingen bij de herziening van het strategisch kader, teneinde deze bedrijven te helpen bij het voldoen aan de doelstellingen op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk; benadrukt dat het mkb-concept in zijn huidige vorm ca. 99% van alle bedrijven dekt; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dat verband meer inspanningen te leveren voor het verzamelen van betrouwbare gegevens over de feitelijke GVW-tenuitvoerlegging in mkb's en micro-ondernemingen;

12.  is ingenomen met de invoering van de online interactive risk assessment (OiRA) van EU-OSHA, en andere e-instrumenten in de lidstaten, die de beoordeling van risico's vergemakkelijken en erop gericht zijn een cultuur van naleving en preventie te bevorderen, in het bijzonder in micro-ondernemingen en mkb's; vraagt de lidstaten met klem om de Europese middelen voor GVW-maatregelen in het algemeen en de ontwikkeling van e-instrumenten in het bijzonder te gebruiken met als doel mkb's te ondersteunen; benadrukt het belang van bewustmakingscampagnes zoals de campagnes over "een gezonde werkplek" (Healthy Workplaces) op het vlak van GVW, en onderstreept dat het bewustzijn van werkgevers en werknemers met betrekking tot de basisrechten en -verplichtingen inzake GVW moet worden vergroot;

13.  dringt er bij de lidstaten en de sociale partners op aan initiatieven te ontplooien om de vaardigheden van GVW-vertegenwoordigers en managers te verbeteren, in overeenstemming met nationale wetgeving en praktijken; dringt er bij de lidstaten op aan te ondersteunen dat werknemers actief worden betrokken bij de tenuitvoerlegging van preventieve GVW-maatregelen en om ervoor te zorgen dat veiligheidsvertegenwoordigers meer opleiding kunnen ontvangen dan alleen de basismodules;

14.  benadrukt dat het van belang is dat er een cultuur van wederzijds vertrouwen en leergierigheid wordt bevorderd, waarin werknemers worden aangemoedigd bij te dragen tot de ontwikkeling van een gezonde en veilige werkomgeving, wat ook de sociale inclusie van werknemers en het concurrentievermogen van bedrijven ten goede komt; benadrukt, in deze context, dat werknemers geen nadeel mogen ondervinden wanneer zij gezondheids- en veiligheidskwesties aankaarten;

15.  wijst erop dat essentiële elementen van goed GVW-management en -prestatie een goed uitgevoerde en afdwingbare, alsmede goed gedocumenteerde risicobeoordeling is met deelname van werknemers en werknemersvertegenwoordigers, zodat de juiste preventieve maatregelen op de werkplek kunnen worden getroffen;

16.  dringt er bij de Commissie op aan alle noodzakelijke maatregelen te treffen om toe te zien op de tenuitvoerlegging en handhaving van GVW-wetgeving in de lidstaten; is van mening dat de ex post evaluatie van de praktische tenuitvoerlegging van de EU-GVW-richtlijnen in de lidstaten hiervoor een goede gelegenheid biedt en verwacht dat er rekening zal worden gehouden met de bevindingen betreffende de tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving bij de evaluatie van het strategisch kader;

Handhaving

17.  is van mening dat het van cruciaal belang is dat er gezorgd wordt voor een gelijk speelveld in de EU en dat oneerlijke concurrentie en sociale dumping worden afgeschaft; benadrukt dat arbeidsinspecties een belangrijke rol spelen bij het afdwingen van de rechten van de werknemers op een mentaal en lichamelijk veilige en gezonde werkomgeving en bij het geven van advies en begeleiding aan werkgevers, met name mkb's en micro-ondernemingen; moedigt de lidstaten aan zich te houden aan de IAO-normen en -richtsnoeren op het gebied van arbeidsinspectie om ervoor te zorgen dat arbeidsinspecties over voldoende personeel en middelen beschikken, en de opleidingen van de arbeidsinspecteurs te verbeteren, zoals het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft aanbevolen(31); is ingenomen met de samenwerking van de nationale arbeidsinspecties in het kader van het Comité van hoge functionarissen van de arbeidsinspectie (SLIC);

18.  wijst erop dat de uitvoering van de wetgeving op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk problematisch is met betrekking tot werknemers die zwartwerk verrichten; wijst er nogmaals op dat arbeidsinspecties een essentiële rol vervullen bij het ontmoedigen van zwartwerk; dringt er bij de lidstaten op aan strenge inspecties uit te voeren en passende boetes op te leggen aan werkgevers die gebruik maken van zwartwerkers; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan nodige maatregelen ter bestrijding van zwartwerk te treffen; benadrukt dat een meerderheid van de dodelijke ongevallen plaatsvindt in arbeidsintensieve sectoren, waar zwartwerk wijder verbreid is dan in andere sectoren;

19.  is van mening dat doelmatige toepassing van GVW-wetgeving ook in grote mate afhangt van arbeidsinspecties; is van mening dat de middelen in de eerste plaats moeten worden toegewezen aan sectoren waarvoor is vastgesteld dat werknemers er de hoogste risico's lopen; dringt er bij de relevante autoriteiten op aan, die nog steekproefsgewijs blijven inspecteren, risico-gebaseerd toezicht uit te oefenen en zich te richten op recidivisten om werkgevers die niet aan de GVW-vereisten voldoen ter verantwoording te roepen; vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat informatie wordt uitgewisseld en de coördinatie tussen arbeidsinspecties te verbeteren met als doel de grensoverschrijdende samenwerking te verbeteren;

Het regelgevingskader

20.  is verheugd over de inspanningen om de kwaliteit van het regelgevingskader te verbeteren en verwacht meer vooruitgang op dit gebied; herinnert de Commissie er echter aan dat onderwerping van de GVW-richtlijnen aan REFIT en wijzigingen van de wetgeving in overeenstemming met de democratische regels en transparant moeten plaatsvinden, dat de sociale partners erbij betrokken moeten worden en er in geen geval toe mogen leiden dat de gezondheid en veiligheid op het werk worden ondermijnd; benadrukt in dit verband dat er rekening moet worden gehouden met veranderingen op de werkplek als gevolg van technologische ontwikkelingen; wijst erop dat het de lidstaten vrijstaat strengere normen vast te stellen dan de minimumvereisten op het gebied van GVW; is desalniettemin van mening dat de bestaande regels moeten worden verbeterd, onder andere, door overlapping te vermijden en door te bevorderen dat GVW beter wordt geïntegreerd in overige beleidsterreinen, waarbij het beschermingsniveau van gezondheid en veiligheid van werknemers wordt gehandhaafd of nog verder wordt verhoogd;

21.  benadrukt dat de deelneming van werknemers en sociale partners op alle niveaus, overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijken, een noodzakelijke voorwaarde is voor de correcte uitvoering van de GVW-wetgeving en dat betrokkenheid van de sociale partners op EU-niveau ervoor kan zorgen dat het strategisch GVW-kader relevant is voor de Europese werkgevers en werknemers; dringt er bij de sociale partners en de Commissie op aan een constructieve dialoog aan te gaan over hoe het bestaande regelgevingskader kan worden verbeterd en is van mening dat de rol van de sociale partners moet worden versterkt;

Preventie van arbeidsgerelateerde ziekten en nieuwe en opkomende risico's

22.  benadrukt dat het van belang is werknemers te beschermen tegen blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia en stoffen die giftig zijn voor de voorplanting; benadrukt, in dit verband, dat vrouwen vaak blootstaan aan een cocktail van substanties die gevaar voor de gezondheid opleveren en ook voor de levensvatbaarheid van hun nakomelingschap; dringt er nogmaals bij de Commissie stevig op aan een voorstel in te dienen voor een herziening van Richtlijn 2004/37/EG door, indien nodig, meer bindende grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling toe te voegen en in samenwerking met het Raadgevend Comité inzake veiligheid en gezondheid op het werk een beoordelingssysteem te ontwikkelen aan de hand van duidelijke en expliciete criteria; is van mening dat de mogelijke overlapping van regelgeving bij onbedoelde niet-naleving in dit verband moet worden aangepakt;

23.  onderstreept het feit dat werknemers beter moeten worden beschermd, waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de duur van de blootstelling, maar ook met de mix van chemische en/of toxische stoffen waaraan werknemers blootgesteld worden; wijst erop dat veel werknemers in de gezondheidszorg op hun werkplek nog steeds worden blootgesteld aan gevaarlijke chemische stoffen; verzoekt de Commissie om maatregelen te treffen op het gebied van chemische risicofactoren in de gezondheidszorg, en om specifieke bepalingen inzake de blootstelling van werknemers in de gezondheidszorg aan gevaarlijke geneesmiddelen op te nemen in het strategische GVW-kader; dringt er bij de Commissie op aan om ervoor te zorgen dat adequate bescherming wordt geboden aan alle werknemers die direct of indirect betrokken zijn bij het gebruik of de verwijdering van scherpe medische instrumenten; wijst erop dat dit, indien nodig, zou kunnen leiden tot een herziening van Richtlijn 2010/32/EU inzake de preventie van scherpe letsels in de ziekenhuis- en gezondheidszorgbranche;

24.  wijst erop dat veel werknemers op hun werkplek nog steeds worden blootgesteld aan asbest; dringt er bij de Commissie op aan nauw met de sociale partners samen te werken en dringt er bij de lidstaten op aan om hun inspanningen om nationale actieplannen voor het beheer en de veilige verwijdering van asbest te ontwikkelen, voor adequate financiering te zorgen en de nodige maatregelen te treffen, te bevorderen en te coördineren;

25.  wijst nogmaals op zijn verzoek(32) aan de Commissie om op basis van artikel 11 van Richtlijn 2009/148/EG een model voor de opsporing en registratie van asbest te ontwikkelen en toe te passen; verzoekt om de opzet van een Europese campagne over asbest, en spoort de lidstaten ertoe aan werknemers die het slachtoffer zijn van blootstelling aan asbest, schadeloos te stellen;

26.  dringt er bij de Commissie op aan om in actie te komen tegen een van de meest voorkomende arbeidsgerelateerde gezondheidsproblemen in Europa en onverwijld een voorstel in te dienen voor een allesomvattend rechtsinstrument betreffende spier- en skeletaandoeningen (MSD's) om doelmatige preventie te verbeteren en de oorzaken van MSD's aan te pakken, rekening houdend met het probleem van multicausaliteit en de specifieke risico's waar vrouwen aan blootstaan; wijst erop dat consolidering van EU-wetgeving waarin minimumvereisten worden vastgesteld voor de bescherming van werknemers tegen de blootstelling aan ergonomische risicofactoren voor zowel de werknemers als de werkgevers gunstig kan zijn, omdat het regelgevingskader gemakkelijker kan worden toegepast en nageleefd; benadrukt tevens het belang van uitwisseling van goede praktijken en de noodzaak om werknemers bewuster te maken van en in te lichten over de risicofactoren op ergonomisch gebied;

27.  verzoekt de lidstaten zo spoedig mogelijk uitvoering te geven aan Richtlijn 2002/44/EG van 25 juni 2002 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia;

28.  wijst de Commissie op het belang van de bevordering van de preventie van blootstelling op het werk aan hormoonontregelaars die vele schadelijke gevolgen hebben voor de gezondheid van vrouwelijke en mannelijke werknemers, alsook voor de gezondheid van hun nakomelingen(33); vraagt de Commissie per omgaande een algemene strategie te ontwikkelen tegen hormoonontregelaars die, indien nodig, met name de tenuitvoerlegging van EU-wetgeving zou kunnen omvatten inzake het in de handel brengen van pesticiden en biociden, en die de regels betreffende de preventie van beroepsrisico's zou kunnen aanscherpen; benadrukt dat de EU-steun voor onderzoek naar veiliger alternatieven van essentieel belang is met het oog op de toepassing van het voorzorgs- en vervangingsbeginsel;

29.  is verheugd over de betrokkenheid van de Commissie bij het strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020 met het oog op het verbeteren van de preventie van arbeidsgerelateerde ziekten, met name op het gebied van nanotechnologie en biotechnologie; benadrukt de onzekerheid over de verspreiding en het gebruik van nanotechnologie en is van mening dat nader onderzoek naar de potentiële GVW-risico's die verband houden met nanotechnologie nodig is; is in dit verband van mening dat het voorzorgsbeginsel moet worden toegepast om potentiële risico's voor de gezondheid en veiligheid van werknemers die nanotechnologie toepassen te verminderen;

30.  vestigt de aandacht van de Commissie op het toegenomen aantal werknemers met chronische ziekten; is van mening dat toegankelijke en veilige banen beschikbaar moeten zijn voor mensen met terminale ziekten, chronische en langdurige aandoeningen, en mensen met een handicap; verzoekt de lidstaten zich op het vasthouden en integreren van mensen met een chronische ziekte te concentreren en de redelijke aanpassing van werkplekken te ondersteunen, waardoor mensen op het juiste tijdstip weer aan het werk gaan; dringt er bij de Commissie op aan integratie- en revalidatiemaatregelen voor mensen met een handicap te bevorderen en de inspanningen van lidstaten te steunen om de bewustwording te bevorderen en goede praktijken inzake voorzieningen en aanpassingen op de werkplek in kaart te brengen en uit te wisselen; verzoekt Eurofound de arbeidskansen en de mate van inzetbaarheid van mensen met chronische ziekten nader te onderzoeken en analyseren;

31.  merkt op dat technologische vernieuwing de maatschappij als geheel ten goede kan komen; is evenwel bezorgd over de nieuwe risico's die het gevolg zijn van deze veranderingen; is in deze context ingenomen met het voornemen van de Commissie om een netwerk van GVW-deskundigen en -wetenschappers op te richten, teneinde toekomstige uitdagingen beter het hoofd te kunnen bieden; benadrukt het toenemende gebruik van slimme, op samenwerking gerichte robots, bijvoorbeeld in de industriële productie, ziekenhuizen en bejaardentehuizen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de potentiële GVW-risico's die voortvloeien uit technologische vernieuwing op te sporen en passende maatregelen te nemen om hiertegen op te treden;

32.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan een programma te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen voor stelselmatige monitoring, beheer en ondersteuning van werknemers met psychosociale risico's, inclusief stress, depressie en burn-out om, onder andere, doelmatige aanbevelingen en richtsnoeren op te stellen om deze risico's tegen te gaan; benadrukt dat stress op het werk erkend wordt als een belangrijke belemmerende factor voor de productiviteit en de levenskwaliteit; wijst er in dit verband op dat de geestelijke gezondheid en psychosociale risico's kunnen worden beïnvloed door vele factoren, die niet allemaal arbeidsgerelateerd zijn; wijst echter op het feit dat psychosociale risico's en arbeidsgerelateerde stress een structureel probleem vormen dat verband houdt met de arbeidsorganisatie en dat preventie en beheer van psychosociale risico's en arbeidsgerelateerde stress mogelijk is; benadrukt dat er studies moeten worden verricht, dat de preventie moet worden verbeterd en is van mening dat er nieuwe maatregelen moeten worden overwogen gebaseerd op de uitwisseling van beste praktijken en instrumenten voor reïntegratie op de arbeidsmarkt, bij de evaluatie van het strategisch GVW-kader in 2016;

33.  is ingenomen met de campagne "Healthy Workplaces Manage Stress" (Gezondheid op de werkplek: omgaan met stress); benadrukt dat de genderdimensie moet worden opgenomen in de initiatieven voor de aanpak van arbeidsgerelateerde stress, rekening houdend met de specifieke arbeidsomstandigheden van vrouwen;

34.  vestigt de aandacht op het thema pesten en de mogelijke gevolgen ervan voor de psychosociale gezondheid; wijst op het belang van het bestrijden van pesterij en geweld op het werk en dringt er bij de Commissie op aan om, in nauwe samenwerking met de sociale partners, te overwegen een voorstel in te dienen voor een rechtsinstrument op basis van de kaderovereenkomst over geweld en pesterijen op het werk; dringt er bij de lidstaten op aan doeltreffende nationale strategieën te ontwikkelen ter bestrijding van geweld op het werk;

35.  dringt er bij de Commissie op aan een gerichte benadering te kiezen om onzekere banen te elimineren en in het algemeen rekening te houden met de negatieve gevolgen van onzekere banen voor de gezondheid en de veiligheid op het werk; benadrukt dat werknemers met atypische contracten wellicht meer problemen ondervinden om toegang te krijgen tot opleiding en diensten inzake gezondheid en veiligheid op het werk; benadrukt dat het van vitaal belang is om de gezondheid en veiligheid van alle werknemers in alle dienstverbanden te verbeteren, in het bijzonder van werknemers die kwetsbaar kunnen zijn, zoals jongeren en mensen die eerder langdurig werkloos zijn geweest; dringt er bij de lidstaten op aan te voldoen aan de in Richtlijn 96/71/EG vastgelegde voorschriften inzake de bestrijding van sociale dumping en in dit verband alle nodige maatregelen te treffen met het oog op de handhaving en bescherming van het recht van gedetacheerde werknemers op gelijke behandeling met betrekking tot gezondheid en veiligheid op het werk;

36.  benadrukt dat werk in de huishoudelijke sector moet worden meegenomen in de overwegingen betreffende de verbetering van de gezondheid en veiligheid op het werk; dringt er bij de werkgevers en beleidsmakers op aan een goed evenwicht tussen werk en privéleven te waarborgen en te vergemakkelijken, waarbij rekening wordt gehouden met het toenemende aantal werknemers dat werk en zorg moet combineren; benadrukt dat buitensporig lange werkdagen moeten worden tegengegaan om te zorgen voor een goed evenwicht tussen werk en privéleven; verzoekt de lidstaten Richtlijn 2003/88/EC volledig toe te passen en wijst in dit verband op het belang van toezicht op de naleving van de bepaling inzake het maximumaantal werkuren;

37.  verzoekt de Commissie en de lidstaten passende maatregelen op te stellen met het oog op de aanpak van de vergrijzing van de werkende bevolking; wijst erop dat het GVW-regelgevingskader moet bijdragen tot de duurzaamheid van het arbeidsleven en gezond ouder worden; verzoekt de lidstaten revalidatie- en reïntegratiemaatregelen voor oudere werknemers te bevorderen door de resultaten van het proefproject inzake de gezondheid en veiligheid van oudere werknemers ten uitvoer te leggen;

38.  benadrukt het belang van GVW-maatregelen om de specifieke uitdagingen en risico's aan te pakken waarmee vrouwen op de werkplek worden geconfronteerd, inclusief seksuele intimidatie; verzoekt de Commissie en de sociale partners ervoor te zorgen dat vrouwen en mannen in alle fasen van de sociale dialoog in gelijkere mate vertegenwoordigd zijn; dringt er bij de Commissie op aan rekening te houden met de gendergelijkheid bij de evaluatie van het strategisch GVW-kader in 2016; verzoekt de Commissie een Europese strategie te ontwikkelen ter bestrijding van geweld tegen vrouwen op de werkplek en in het kader hiervan na te gaan of Richtlijn 2006/54/EG moet worden herzien om het toepassingsgebied van de richtlijn uit te breiden zodat er nieuwe vormen van geweld en pesterij onder vallen; verzoekt de lidstaten Aanbeveling 92/131/EEG van de Commissie uit te voeren ter bevordering van de bewustwording van seksuele intimidatie en andere vormen van seksueel wangedrag;

39.  vestigt de aandacht van de Commissie op de rol die de sectorale comités van de sociale dialoog kunnen spelen bij de aanpak van sectorspecifieke GVW-risico's en bij het creëren van mogelijke toegevoegde waarde door afspraken tussen de sociale partners die gebruik maken van hun kennis van sectorspecifieke situaties;

40.  onderstreept dat de Commissie de nodige statistische middelen moet ontwikkelen om, uitgesplitst naar geslacht en leeftijd, de preventie te evalueren, teneinde de specifieke problemen waar kwetsbare groepen, inclusief vrouwen, mee te maken krijgen aan te pakken;

41.  benadrukt dat er meer geïnvesteerd moet worden in risicopreventiebeleid alsmede in het bevorderen, ontwikkelen en ondersteunen van een preventiecultuur ten aanzien van gezondheid en veiligheid op het werk; verzoekt de lidstaten om de bewustmaking te bevorderen en om in schoolprogramma's op alle niveaus, onder meer in het leerlingwezen, een hogere prioriteit te geven aan preventie en gezondheid en veiligheid op het werk; is van mening dat het van belang is om zo vroeg mogelijk in het productieproces te focussen op preventie en om de tenuitvoerlegging van op risicobeoordelingen gebaseerde systematische risicopreventieprogramma's te bevorderen die werkgevers en werknemers aanmoedigen om bij te dragen tot een veilige en gezonde arbeidsomgeving; wijst erop dat de kwaliteit van de preventieve diensten in vele lidstaten van essentieel belang is voor de ondersteuning van bedrijven, met name mkb's, om risicobeoordelingen uit te voeren en passende preventiemaatregelen te treffen; verzoekt de Commissie te onderzoeken wat er door de lidstaten in de nationale wetgeving is vastgelegd over de taken en opleidingseisen van de preventieve diensten;

42.  benadrukt dat vrouwen bij de besluitvormingsprocessen moeten worden betrokken met betrekking tot de ontwikkeling van betere gezondheids- en veiligheidspraktijken in hun arbeidsomgeving;

43.  verzoekt de Commissie de kwestie van de ontwikkeling van specifieke carcinomen die verband houden met de werkplek niet uit het oog te verliezen, zoals neusholtetumoren, die vaker voorkomen als er niet voorzien wordt in een passende bescherming van de luchtwegen van de werknemer tegen relatief gewone soorten stof die voorkomen bij de verwerking van hout, leer, meel, stoffen, nikkel en andere materialen;

44.  moedigt de lidstaten aan te zorgen voor gelijke kansen voor al hun burgers bij de uitoefening van arbeidsrechten en de toegang tot de openbare gezondheidszorg, met name voor vrouwen in plattelandsgebieden en andere kwetsbare groepen burgers;

Statistische gegevens

45.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de verzameling van betrouwbare en vergelijkbare gegevens over beroepsziekten en beroepsmatige blootstelling in alle sectoren, waaronder de openbare sector, te verbeteren om goede praktijken vast te stellen, benchlearning te bevorderen en om een gemeenschappelijke database voor beroepsmatige blootstellingen op te zetten, zonder dat dit tot buitensporige kosten leidt; benadrukt dat het van belang is er nationale deskundigen bij te betrekken en de database bij te werken; verzoekt de lidstaten en de Commissie meer gegevens te verzamelen over de risico's die verbonden zijn aan digitalisering, arbeidsgerelateerde verkeersveiligheid en de gevolgen die de crisis mogelijk heeft gehad voor de gezondheid en veiligheid op het werk;

46.  verzoekt de Commissie en de lidstaten hoogwaardige, specifiek naar geslacht en leeftijd uitgesplitste statistische gegevens inzake arbeidsgerelateerde ziekten te verzamelen, teneinde het wetgevingskader waar nodig te verbeteren en aan te passen, overeenkomstig de nieuwe en opkomende risico's;

47.  verzoekt de lidstaten onderzoeken te verrichten naar het aantal gevallen van arbeidsgerelateerde spier- en skeletaandoeningen onder de beroepsbevolking op nationaal niveau, uitgesplitst naar geslacht, leeftijd en economische activiteit, om het opduiken van deze aandoeningen te voorkomen en te bestrijden;

48.  benadrukt dat het belangrijk is om te zorgen voor geüpdatete en gemeenschappelijke definities van arbeidsgerelateerde ziekten, inclusief stress op het werk, en EU-brede statistische gegevens om doelen te stellen teneinde het vóórkomen van beroepsziekten terug te dringen;

49.  onderstreept de problemen bij het verzamelen van gegevens in talrijke lidstaten; dringt erop aan het werk van EU-OSHA en Eurofound te intensiveren; verzoekt de lidstaten alle nodige maatregelen te treffen om te waarborgen dat werkgevers melding maken van ongevallen op het werk;

Internationale inspanningen

50.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan ervoor te zorgen dat alle handelsovereenkomsten met derde landen een verbetering van de arbeidsomgeving met zich meebrengen, teneinde de gezondheid en veiligheid van de werknemers te beschermen;

51.  benadrukt dat de EU er belang bij heeft en verplicht is om wereldwijd de arbeidsnormen te verhogen, ook met betrekking tot gezondheid en veiligheid op het werk;

52.  dringt er bij de Commissie op aan de samenwerking inzake gezondheid en veiligheid op het werk met internationale organisaties, waaronder de IAO, de OESO, de G20 en de WHO te versterken;

53.  betreurt het feit dat niet alle lidstaten IAO-Verdrag nr. 187 inzake het stimuleringskader voor de gezondheid en veiligheid op het werk hebben geratificeerd; verzoekt alle lidstaten het verdrag te ratificeren;

o
o   o

54.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 354 van 31.12.2008, blz. 70.
(2) PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1.
(3) PB L 299 van 18.11.2003, blz. 9.
(4) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(5) PB L 165 van 27.6.2007, blz. 21.
(6) PB C 77 E van 28.3.2002, blz. 138.
(7) PB C 304 E van 1.12.2005, blz. 400.
(8) PB C 303 E van 13.12.2006, blz. 754.
(9) PB C 102 E van 24.4.2008, blz. 321.
(10) PB C 41 E van 19.2.2009, blz. 14.
(11) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 101.
(12) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 102.
(13) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0093.
(14) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0012.
(15) Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 31, lid 1: Iedere werknemer heeft recht op gezonde, veilige en waardige arbeidsomstandigheden.
(16) Tweede Europese bedrijvenenquête naar nieuwe en opkomende risico's (ESENER-2), EU-OSHA (2015).
(17) Eurofound: "Arbeidsomstandigheden van een vergrijzende beroepsbevolking" Eurofound (2008).
(18) Verklaring van de directeur van EU-OSHA, 18.11.2014.
(19) Verslag over de kansen op werkgelegenheid voor mensen met chronische ziekten, Eurofound (2014).
(20) Evaluatie van de Europese strategie voor de gezondheid en veiligheid op het werk 2007-2012, EC (2013) en Sociaal-economische kosten van ongevallen op de werkplek en arbeidsgerelateerde gezondheidsklachten, EC (2012).
(21) Berechnung des internationalen „Return on Prevention“ für Unternehmen: Kosten und. Nutzen von Investitionen in den betrieblichen Arbeits- und Gesundheitsschutz, DGUV (2013).
(22) 5th Working Conditions Survey, Overview Report, Eurofound (2012).
(23) Tweede Europese bedrijvenenquête naar nieuwe en opkomende risico's (ESENER-2), EU-OSHA (2015)
(24) Tweede Europese bedrijvenenquête naar nieuwe en opkomende risico's (ESENER-2), EU-OSHA (2015)
(25) Vertegenwoordiging en raadpleging van de werknemers over gezondheid en veiligheid, EU-OSHA (2012)
(26) Flexibele vormen van werk: 'zeer atypische' contractbepalingen, Eurofound (2010) en Gezondheid en welzijn op het werk: Een verslag dat gebaseerd is op de fifth European Working Conditions Survey, Eurofound (2012).
(27) 5th Working Conditions Survey, Overview Report, Eurofound (2012) en 3rd European Company Survey, Eurofound (2015).
(28) Report on the current situation in relation to occupational diseases systems in EU Member States and EFTA/EEA countries, EC (2013).
(29) EU-OSHA, 2013. Nieuwe risico's en trends op het gebied van veiligheid en gezondheid van vrouwen op het werk.
(30) Occupational health and safety risks for the most vulnerable workers, EP-beleidsafdeling A, Economisch en wetenschappelijk beleid, 2011, blz. 40.
(31) PB C 230 van 14.7.2015, blz. 82.
(32) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0093.
(33) The Cost of Inaction, Nordon (2014) en Rapport sur les perturbateurs endocriniens, le temps de la précaution, Gilbert Barbier (2011).

Juridische mededeling