Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2215(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0343/2015

Ingediende teksten :

A8-0343/2015

Debatten :

PV 02/12/2015 - 11
CRE 02/12/2015 - 11

Stemmingen :

PV 02/12/2015 - 13.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0422

Aangenomen teksten
PDF 199kWORD 93k
Woensdag 2 december 2015 - Brussel Definitieve uitgave
Speciaal verslag van de Europese Ombudsman betreffende het onderzoek op eigen initiatief naar Frontex
P8_TA(2015)0422A8-0343/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 2 december 2015 over het speciaal verslag van de Europese Ombudsman betreffende het onderzoek op eigen initiatief naar Frontex (OI/5/2012/BEH-MHZ) (2014/2215(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het speciaal verslag van de Europese Ombudsman van 7 november 2013 betreffende het onderzoek op eigen initiatief naar Frontex (OI/5/2012/BEH-MHZ),

–  gezien artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien artikel 67, lid 1, artikel 72, artikel 228, lid 1, tweede alinea, en artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name artikel 41 (het recht op behoorlijk bestuur) en artikel 47 (het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht),

–  gezien Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom van het Europees Parlement van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt, met name artikel 3, lid 7,

–  gezien resolutie 1932(2013) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over Frontex: verantwoordelijkheden op het gebied van mensenrechten ("Frontex: human rights responsabilities"),

–  gezien Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad van 26 oktober 2004 tot oprichting van een Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (de Frontex-verordening),

–  gezien de Verordening (EU) nr. 1168/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad tot oprichting van een Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad, getiteld "EU-actieplan inzake terugkeer" (COM(2015)0453),

–  gezien de gedragscode van Frontex voor gezamenlijke terugkeeroperaties,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 15 oktober 2015, met name paragraaf 2, onder n),

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties betreffende de status van vluchtelingen uit 1951 (Verdrag van Genève) en het Protocol betreffende de status van vluchtelingen (Protocol van New York) uit 1967,

–  gezien artikel 220, lid 2, eerste zin, van zijn Reglement,

–  gezien het gezamenlijk overleg van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie verzoekschriften overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie verzoekschriften (A8-0343/2015),

A.  overwegende dat Verordening (EU) nr. 1168/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad tot oprichting van een Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (hierna: Frontex-verordening) verlangt dat het agentschap de grondrechten en rechten van vluchtelingen en asielzoekers ten volle eerbiedigt;

B.  overwegende dat Frontex, net als alle andere instellingen, organen en instanties van de EU, bij al zijn activiteiten het Handvest van de grondrechten moet naleven en dat deze verplichting wordt weerspiegeld in artikel 263 VWEU, dat bepaalt dat de "handelingen tot oprichting van organen en instanties van de Unie kunnen voorzien in bijzondere voorwaarden en bepalingen inzake de beroepen welke door natuurlijke of rechtspersonen worden ingesteld tegen handelingen van deze organen of instanties waarmee rechtsgevolgen ten aanzien van hen worden beoogd";

C.  overwegende dat de coördinerende werkzaamheden van Frontex in de praktijk niet losstaan van de activiteiten van de lidstaten die door Frontex worden gecoördineerd, en dat Frontex (en daarmee dus ook de EU) dus ook een directe of indirecte invloed kan hebben op de rechten van personen, waarmee in ieder geval aan de voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de EU is voldaan (zie het arrest van het Hof van Justitie in zaak T-341/07, Sison); overwegende dat de EU haar aansprakelijkheid niet kan ontlopen uitsluitend op grond van het bestaan van administratieve regelingen met de lidstaten die deelnemen aan een door Frontex gecoördineerde operatie, als die administratieve regelingen gevolgen hebben voor de mensenrechten;

D.  overwegende dat de Unie zal toetreden tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van de Raad van Europa;

E.  overwegende dat in artikel 26 bis van de Frontex-verordening wordt bepaald dat het agentschap een grondrechtenstrategie opstelt, nader uitwerkt en toepast, een adviesforum opricht en een grondrechtenfunctionaris aanstelt;

F.  overwegende dat artikel 5, onder a) van de gedragscode van Frontex voor alle personen die deelnemen aan Frontex-activiteiten bepaalt dat deelnemers aan Frontex-activiteiten onder meer de informatieverstrekking aan personen die om internationale bescherming verzoeken over rechten en procedures moeten bevorderen;

G.  overwegende dat in artikel 9 van Verordening (EG) nr. 863/2007 is bepaald dat de teamleden die belast zijn met de uitvoering van monitoring- en bewakingsactiviteiten aan de buitengrenzen het Gemeenschapsrecht en de nationale wetgeving van de ontvangende lidstaat in acht moeten nemen;

H.  overwegende dat de Europese ombudsman in 2012 op eigen initiatief een onderzoek heeft ingesteld naar de nakoming door Frontex van de op dit agentschap rustende verplichtingen op het gebied van de grondrechten;

I.  overwegende dat de ontwerpaanbevelingen van de Europese ombudsman in het kader van dit onderzoek onder meer betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van een mechanisme voor de behandeling van individuele klachten;

J.  overwegende dat de Europese ombudsman voorts een speciaal verslag heeft gepubliceerd waarin werd aangedrongen op de invoering van een mechanisme voor de behandeling van individuele klachten;

K.  overwegende dat de Europese ombudsman overeenkomstig artikel 220, lid 2, van het Reglement gehouden is het parlement op de hoogte te brengen van gevallen van wanbeheer, en dat de bevoegde commissie in een dergelijk geval een verslag kan opstellen;

L.  overwegende dat Frontex tot taak heeft toe te zien op de efficiënte tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke regels inzake normen en procedures voor de controle en de bewaking van de buitengrenzen, met eerbiediging van de fundamentele rechten, door middel van meer coördinatie van de operationele samenwerking tussen de lidstaten, en overwegende dat deze activiteiten duidelijk gevolgen hebben voor de mensenrechten, en dat Frontex en de EU hier onvoldoende aandacht aan hebben besteed;

M.  overwegende dat Frontex, als integraal onderdeel van zijn takenpakket, ook werkt aan operationele samenwerking met landen buiten de EU op belangrijke gebieden zoals informatie-uitwisseling, risicoanalyse, scholing, onderzoek en ontwikkeling, gezamenlijke operaties (inclusief gezamenlijke terugkeeroperaties) en proefprojecten;

N.  overwegende dat volgens artikel 14, lid 1, van de Frontex-verordening het agentschap en de lidstaten normen en maatstaven in acht moeten nemen die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke in de Uniewetgeving zijn vastgelegd, ook wanneer de operaties in het kader van samenwerking met derde landen op het grondgebied van die landen plaatsvinden;

O.  overwegende dat de operationele samenwerking tussen Frontex en de bevoegde autoriteiten van partnerlanden plaatsvindt op basis van werkafspraken die niet juridisch bindend zijn en die niet binnen de werkingssfeer van het internationale recht vallen en waarvan de praktische uitvoering niet moet worden gezien als nakoming door Frontex en de EU van internationale verplichtingen; overwegende dat er hierdoor sprake is van een zekere rechtsonzekerheid, hetgeen niet in overeenstemming is met de verplichtingen van Frontex op het gebied van de mensenrechten;

P.  overwegende dat Frontex en de lidstaten gedeelde maar onderscheiden verantwoordelijkheden hebben ten aanzien van de acties van de functionarissen die tijdens Frontex-operaties en proefprojecten worden ingezet;

Q.  overwegende dat Frontex, gezien de stijging van het aantal bevoegdheden van dit agentschap, als belangrijkste betrokkene aansprakelijk moet worden geacht voor het grensbeheer, ook ten aanzien van eventuele schendingen van fundamentele rechten;

R.  overwegende dat de meeste deelnemers aan Frontex-operaties functionarissen zijn die ter ondersteuning van de desbetreffende operatie zijn uitgezonden door een andere lidstaat dan de ontvangende lidstaat;

S.  overwegende dat overeenkomstig artikel 2 bis van de Frontex-verordening de gedragscode geldt voor alle personen die deelnemen aan de werkzaamheden van het agentschap;

T.  overwegende dat overeenkomstig artikel 10, lid 3, van de Frontex-verordening uitgezonden functionarissen uitsluitend taken mogen verrichten en bevoegdheden mogen uitoefenen overeenkomstig de instructies van en, als algemene regel, in aanwezigheid van grenswachters van de ontvangende lidstaat;

U.  overwegende dat de functionarissen tijdens Frontex-operaties hun eigen uniform dragen en tevens een Frontex-insigne, waardoor het voor burgers moeilijk is om te bepalen onder wiens gezag een functionaris valt en waar er eventueel een klacht ingediend kan worden, bij Frontex of rechtstreeks bij de betrokken lidstaat;

V.  overwegende dat het agentschap overeenkomstig artikel 3, lid 1 bis, van de Frontex-verordening geen uitvoerende bevoegdheden in de lidstaten heeft en niet bevoegd is sancties op te leggen aan de lidstaten of aan functionarissen van de lidstaten;

W.  overwegende dat de operationele plannen voor gezamenlijke operaties van Frontex juridisch bindend zijn, en overeenkomstig artikel 3 bis, lid 1, van de Frontex-verordening door de uitvoerend directeur van Frontex en de ontvangende lidstaat in overleg met de lidstaten moeten worden vastgesteld;

X.  overwegende dat Frontex al een systeem heeft voor de melding van incidenten, waarbij taken zijn weggelegd voor de afdeling Operaties van Frontex, de juridische eenheid van Frontex en de grondrechtenfunctionaris van Frontex, en de uiteindelijke beslissing wordt genomen door de uitvoerend directeur van Frontex; overwegende dat dit systeem betrekking heeft op interne klachten afkomstig van personeelsleden van Frontex en uitgezonden functionarissen, en derhalve geen voorziening biedt voor rechtstreekse klachten van individuele personen die van oordeel zijn dat hun fundamentele rechten zijn geschonden;

Y.  overwegende dat er op Europees niveau reeds mechanismen voor de afhandeling van individuele klachten bestaan binnen de structuren van de Europese investeringsbank, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten en het Europees netwerk van ombudsmannen; overwegende dat Frontex een ander soort operationeel agentschap is dan bovengenoemde organisaties;

Z.  overwegende dat de Commissie heeft toegezegd Frontex op korte termijn te zullen evalueren;

Waarom Frontex een mechanisme voor de behandeling van individuele klachten zou moeten invoeren

1.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Europese Ombudsman in het kader van het onderzoek op eigen initiatief naar Frontex; steunt de inspanningen van Frontex om gevolg te geven aan twaalf van de dertien aanbevelingen van de ombudsman; waardeert de huidige inspanningen van Frontex om de eerbiediging van de fundamentele rechten te verbeteren, door - onder meer - het opzetten van een systeem voor de melding van incidenten, de ontwikkeling van gedragscodes, het opzetten van een adviesforum inzake fundamentele rechten en de aanstelling van een grondrechtenfunctionaris;

2.  steunt de aanbeveling van de Europese ombudsman dat Frontex moet voorzien in een mechanisme voor de behandeling van individuele klachten inzake schending van fundamentele rechten tijdens operaties, en dat Frontex met het oog daarop tevens moet zorgen voor passende administratieve ondersteuning; dringt er bij Frontex op aan een passend klachtenmechanisme in het leven te roepen, onder meer in het kader van de werkafspraken die het agentschap in overleg vaststelt met de bevoegde autoriteiten van derde landen;

3.  uit zijn ernstige bezorgdheid over het rechtsvacuüm dat er bestaat ter zake van de inzet van functionarissen van derde landen bij gezamenlijke terugkeeroperaties, waar ook in het verslag van de Europese ombudsman op wordt gewezen, en over het feit dat dit ertoe leidt dat het bij eventuele mensenrechtenschendingen waarbij functionarissen van derde landen betrokken zijn, onduidelijk is waar de verantwoordelijkheid ligt;

4.  is van oordeel dat er, gelet op de steeds groter wordende humanitaire en juridische problemen aan de buitengrenzen van de EU en met het oog op de versterking van Frontex-operaties, behoefte is aan een mechanisme voor de behandeling van individuele klachten over vermeende schendingen van fundamentele rechten tijdens Frontex-operaties of in het kader van samenwerking met derde landen, dat dus zal dienen als instantie in eerste aanleg voor de behandeling van klachten;

5.  is van oordeel dat de invoering van een mechanisme voor de behandeling van individuele klachten individuele personen de mogelijkheid zal bieden bij schendingen van hun fundamentele rechten hun recht op een doeltreffend rechtsmiddel uit te oefenen; verwacht dat de invoering van een dergelijk klachtenmechanisme de transparantie en de eerbiediging van de fundamentele rechten, onder meer in het kader van de werkafspraken van Frontex, zal bevorderen, omdat Frontex en de EU-instellingen hierdoor meer inzicht krijgen in eventuele schendingen van fundamentele rechten, die zonder een dergelijk klachtenmechanisme wellicht niet aan het licht zouden komen, niet gemeld zouden worden en niet tot een oplossing gebracht zouden worden; benadrukt dat dit gebrek aan transparantie zich vooral voordoet in verband met de werkafspraken van Frontex, waarop het Parlement geen democratische controle kan uitoefenen omdat het Parlement voorafgaand aan de vaststelling van deze afspraken niet geraadpleegd hoeft te worden, en het Parlement zelfs niet eens wordt geïnformeerd over de tenuitvoerlegging van deze afspraken in de praktijk;

6.  merkt op dat de Frontex-verordening geen juridische belemmeringen opwerpt voor de invoering van een mechanisme voor de behandelingen van individuele klachten, en dat een dergelijk mechanisme zelfs binnen de werkingssfeer van artikel 26 bis, lid 3, van de Frontex-verordening valt, dat bepaalt dat de grondrechtenfunctionaris bijdraagt tot het mechanisme voor toezicht op grondrechten; merkt op dat een dergelijk mechanisme in overeenstemming is met het EU-recht en het beginsel van behoorlijk bestuur, en tevens zal bijdragen aan de doeltreffende tenuitvoerlegging van de grondrechtenstrategie van het agentschap; is van oordeel dat het vermogen van Frontex om eventuele schendingen van fundamentele rechten aan te pakken vergroot moet worden in het kader van de uitbreiding van de taken van het agentschap uit hoofde van het EU-recht, met name de deelname van het agentschap aan ondersteuningsteams voor migratiebeheer die actief zijn in "hotspot"-gebieden en de operationele samenwerking van het agentschap met de bevoegde autoriteiten van de partnerlanden op basis van werkafspraken;

7.  is van oordeel dat de coördinerende rol van Frontex de verantwoordelijkheden van het agentschap uit hoofde van het internationale recht en het EU-recht, met name wat betreft de eerbiediging en bescherming van de fundamentele rechten van migranten en asielzoekers, niet mag beperken; herinnert eraan dat alle agentschappen en lidstaten van de Unie bij de uitvoering van EU-wetgeving gebonden zijn aan de bepalingen van het Handvest van de grondrechten;

Structuur van het mechanisme voor de afhandeling van individuele klachten

8.  is van oordeel dat het gerechtvaardigd is te veronderstellen dat acties van degenen die betrokken zijn bij Frontex-operaties ook toegeschreven kunnen worden aan Frontex, en meer in het algemeen aan de EU; benadrukt dat de rechtsbetrekkingen en de onderscheiden, maar wel gedeelde verantwoordelijkheden tussen Frontex en de lidstaten de bescherming van de fundamentele rechten en de eerbiediging van die rechten in het kader van gezamenlijke operaties niet mogen ondermijnen; herinnert eraan dat Frontex niet bevoegd is sancties op te leggen aan de lidstaten of aan functionarissen van de lidstaten; is van oordeel dat daarom de nodige aandacht moet worden besteed aan het vraagstuk van de bevoegdheden van Frontex en de bevoegdheden van de EU-lidstaten;

9.  wijst erop dat er binnen Frontex een centrale structuur gerealiseerd moet worden voor de behandeling van individuele klachten; doet de aanbeveling het bureau van de grondrechtenfunctionaris een belangrijke rol te laten spelen bij de afhandeling van klachten; is van oordeel dat dit bureau de ontvankelijkheid van klachten objectief moet controleren, klachten moet filteren en moet doorgeven aan de verantwoordelijke autoriteiten en zorg moet dragen voor een grondige follow-up van deze klachten;

10.  is ingenomen met het feit dat Frontex al een gedegen procedure heeft ingevoerd voor de behandeling van interne klachten van personeelsleden van Frontex en uitgezonden functionarissen over ernstige schendingen van fundamentele rechten; wijst erop dat deze procedure reeds toegepast wordt voor de behandeling van klachten van derden die niet rechtstreeks betrokken zijn bij een Frontex-operatie, en doet de aanbeveling deze procedure uit te bouwen met het oog op de totstandbrenging van een volledig en toegankelijk mechanisme voor de behandeling van individuele klachten; benadrukt dat Frontex ervoor moet zorgen dat dit mechanisme voldoet aan de criteria inzake toegankelijkheid, onafhankelijkheid, doeltreffendheid en transparantie;

Indiening en ontvankelijkheid van klachten

11.  is van oordeel dat personen die zich onjuist behandeld voelen door grenswachters die het insigne van Frontex dragen het recht moeten hebben om een klacht in te dienen; dringt er bij Frontex op aan volledige vertrouwelijkheid te waarborgen en de identiteit van de klager niet aan derden vrij te geven zonder dat de klager hiermee heeft ingestemd, behalve in gevallen waarin een rechterlijke uitspraak het agentschap hiertoe verplicht; is voorts van oordeel dat Frontex ervoor moet zorgen dat alles in het werk wordt gesteld om belangenconflicten bij de behandeling van klachten te voorkomen;

12.  is van oordeel dat er voorzien moet worden in waarborgen om te voorkomen dat het klachtenmechanisme misbruikt wordt; doet daarom de aanbeveling anonieme klachten niet te accepteren; benadrukt echter dat klachten die ingediend worden door een derde die te goeder trouw handelt in het belang van een klager die zijn of haar identiteit geheim wil houden, wel in behandeling moeten worden genomen; beveelt voorts aan alleen klachten naar aanleiding van schendingen van fundamentele rechten die door het EU-recht worden beschermd in behandeling te nemen; is van oordeel dat Frontex naast de klachtenprocedure ook rekening moet kunnen houden met andere informatiebronnen over vermeende schendingen van fundamentele rechten, zoals algemene verslagen van ngo's, internationale organisaties of andere belangrijke belanghebbenden; benadrukt dat er duidelijke criteria moeten worden vastgesteld voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van klachten en beveelt aan een standaardformulier voor de indiening van klachten op te stellen, waarop gevraagd wordt naar gedetailleerde informatie, zoals de datum waarop en de plaats waar het voorval heeft plaatsgevonden, omdat een dergelijk formulier ervoor zorgt dat het gemakkelijker is een besluit te nemen over de ontvankelijkheid van een klacht; doet de aanbeveling deze criteria en dit standaardformulier vast te stellen in samenwerking met het adviesforum;

13.  benadrukt dat een dergelijk formulier beschikbaar moet zijn in talen die door migranten en asielzoekers worden begrepen of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die door hen worden begrepen, en dat een dergelijk formulier alle benodigde informatie moet bevatten over de wijze waarop een klacht kan worden ingediend, en vergezeld moet gaan van duidelijke instructies; herinnert eraan dat Verordening (EU) nr. 656/2014 reeds bepalingen bevat inzake de beschikbaarheid aan wal van tolken, juridische adviseurs en andere relevante deskundigen; beveelt aan het ook mogelijk te maken mondeling een klacht in te dienen bij een persoon die het Frontex-insigne draagt, waarna deze klacht door de betrokken functionaris op schrift wordt gesteld; verzoekt Frontex ervoor te zorgen dat het klachtenformulier in smartphonevriendelijke elektronische vorm beschikbaar is op zijn website, op papier beschikbaar is in de screeningscentra van de lidstaten en tevens verkregen kan worden via Frontex-personeel en uitgezonden functionarissen die deelnemen aan Frontex-operaties;

14.  beveelt Frontex aan een redelijke termijn vast te stellen voor de indiening van klachten en te waarborgen dat het ook nog mogelijk is na beëindiging van een Frontex-operatie een klacht in te dienen; acht dit met name van belang in het kader van terugkeeroperaties; doet de aanbeveling dat de lidstaten de klachten binnen een redelijke termijn afhandelen, in overeenstemming met hun nationale procedurele voorschriften;

Klachten gericht tegen uitgezonden functionarissen

15.  beseft dat het kan voorkomen dat klachten betrekking hebben op gedragingen van uitgezonden functionarissen die het insigne van Frontex dragen, maar onder het gezag van een lidstaat vallen; merkt op dat deze functionarissen bij de uitvoering van hun taken hun eigen nationale uniform dragen, waarop niet altijd een naam of een zichtbaar identificatienummer staat; merkt op dat uitgezonden functionarissen weliswaar verplicht zijn een document bij zich te hebben waaruit hun accreditatie blijkt, maar dat het moeten vragen naar de identiteit van een functionaris het indienen van een klacht tegen deze functionaris kan belemmeren; beveelt aan ervoor te zorgen dat alle personen die een Frontex-insigne dragen tevens een vermelding van hun naam of hun identificatienummer op hun uniform dragen;

16.  wijst erop dat Frontex geen disciplinaire maatregelen kan nemen tegen andere personen dan het eigen personeel, en dat in artikel 3, lid 1 bis, van de Frontex-verordening is bepaald dat het nemen van disciplinaire maatregelen onder de exclusieve bevoegdheid van de lidstaat van herkomst valt;

17.  merkt op dat de lidstaten klachten tegen uitgezonden functionarissen op zeer verschillende wijze behandelen; is bezorgd dat niet alle landen zorgen voor een gedegen follow-up van klachten over schendingen van fundamentele rechten; dringt er bij Frontex en de lidstaten op aan nauw samen te werken en goede praktijken uit te wisselen om ervoor te zorgen dat klachten tegen uitgezonden functionarissen op passende wijze worden behandeld;

18.  doet de aanbeveling dat het bureau van de grondrechtenfunctionaris klachten tegen uitgezonden functionarissen via een duidelijk omschreven verwijzingssysteem moet doorgeven aan de bevoegde nationale autoriteiten; beveelt aan in dit systeem een beroepsmechanisme op te nemen voor gevallen waarin een klacht niet ontvankelijk wordt verklaard of wordt verworpen; acht het zeer belangrijk dat hierbij nationale ombudsmannen of andere instanties betrokken worden met bevoegdheden op het gebied van de fundamentele rechten die gemachtigd zijn onderzoek te doen naar nationale autoriteiten en functionarissen, omdat de grondrechtenfunctionaris in dit verband geen bevoegdheden heeft; benadrukt dat Frontex moet samenwerken met nationale mensenrechtenorganen en met nationale grensautoriteiten;

19.  beveelt aan zowel Frontex-personeel als uitgezonden functionarissen voorafgaand aan Frontex-operaties bij te scholen op het gebied van genderproblematiek, met name om hun kennis over gendergerelateerd geweld en de kwetsbaarheid van vrouwelijke migranten te vergroten;

20.  is van oordeel dat de grondrechtenfunctionaris, indien passend, in nauwe samenwerking met het betrokken operationele team van Frontex dient bij te dragen aan het onderzoek door de nationale autoriteiten, door nadere informatie over het voorval te verstrekken;

21.  benadrukt dat Frontex de behandeling van klachten nauwlettend moet volgen, door de betrokken lidstaat formeel om terugkoppeling van informatie te verzoeken en, zo nodig, een waarschuwingsbrief te schrijven, waarin de lidstaat herinnerd wordt aan de maatregelen die Frontex kan nemen als de lidstaten naar aanleiding van de waarschuwingsbrief het agentschap geen nadere informatie doen toekomen; herinnert eraan dat Frontex, in het kader van de op dit agentschap rustende verplichting om bij alle activiteiten toe te zien op de naleving van de fundamentele rechten, het recht heeft informatie te ontvangen over schendingen van de mensenrechten door uitgezonden functionarissen; beveelt aan dat Frontex niet alleen nauw samenwerkt met de nationale grensautoriteiten, maar tevens met de nationale mensenrechtenorganen;

22.  beveelt aan dat de grondrechtenfunctionaris de klager een motivering doet toekomen, alsmede de contactgegevens van de verantwoordelijke nationale autoriteit, als er door Frontex geen follow-upprocedure wordt gestart;

23.  herinnert eraan dat de tuchtrechtelijke procedure van Frontex ook van toepassing is op gedetacheerde uitgezonden functionarissen en gedetacheerde nationale deskundigen als de lidstaat daarmee akkoord gaat; herinnert eraan dat Frontex de lidstaat kan verzoeken de betrokken uitgezonden functionaris of gedetacheerde nationale deskundige per direct niet langer aan de Frontex-activiteit te laten deelnemen als de lidstaat geen toestemming geeft voor toepassing van de tuchtrechtelijke procedure, en deze persoon zo nodig uit lijst van uitgezonden functionarissen te schrappen;

24.  verzoekt de uitvoerend directeur van Frontex te overwegen om functionarissen die fundamentele rechten hebben geschonden van deelname aan elke Frontex-operatie en elk proefproject uit te sluiten; benadrukt dat dit ook dient te gelden voor nationale functionarissen van partnerlanden die in het kader van werkafspraken aan Frontex-operaties deelnemen;

25.  is van mening dat moet worden nagegaan of het in geval van ernstige schendingen van fundamentele rechten mogelijk is de financiële steun van de lidstaten voor een gezamenlijke operatie in te trekken of de deelname van een lidstaat op te schorten; is voorts van oordeel dat in geval van ernstige schending van de mensenrechten besloten dient te worden tot opschorting, of in laatste instantie, beëindiging van een operatie, hetgeen echter niet ten koste mag gaan van het redden van levens;

26.  is van oordeel dat er op basis van aanbevelingen van het adviesforum, de grondrechtenfunctionaris en andere belangrijke actoren en ngo's, zoals het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, UNHCR en IOM, duidelijke criteria moeten worden vastgesteld voor beëindiging van Frontex-operaties;

27.  benadrukt dat een mechanisme voor de behandeling van individuele klachten diegenen die een klacht indienen geen aanvullend recht van toegang tot de strafrechtspleging verleent; herinnert eraan dat strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd moet worden door de lidstaat waar de operaties plaatsvinden;

Algemene overwegingen

28.  is van oordeel dat een mechanisme voor de behandeling van individuele klachten slechts doeltreffend kan zijn als de potentiële indieners van een klacht en de functionarissen die aan Frontex-operaties deelnemen door middel van een doeltreffende en gendergevoelige voorlichtingscampagne in de officiële talen van de EU en in talen die door asielzoekers en migranten worden begrepen of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die door hen worden begrepen, over het recht van personen om een klacht in te dienen worden geïnformeerd; verwacht dat het aantal niet-ontvankelijke klachten door middel van een dergelijke voorlichtingscampagne en een goed opgezette ontvankelijkheidscontrole van klachten beperkt kan blijven; merkt op dat terugkerende personen voorafgaand aan de terugkeeroperatie geïnformeerd moeten worden over hun rechten, waaronder het recht om een klacht in te dienen;

29.  is van oordeel dat een mechanisme voor de behandeling van individuele klachten zowel doeltreffend als transparant moet zijn; benadrukt dat het Bureau voor de grondrechten moet kunnen beschikken over voldoende middelen en personeel om de ontvangen klachten te behandelen, en dringt erop aan dat er voor dit doel voldoende aanvullende middelen beschikbaar worden gesteld;

30.  is van oordeel dat de omschrijving van de taken die aan de grondrechtenfunctionaris zijn toegewezen te beperkt is en onvoldoende nauwkeurig geformuleerd; merkt op dat de taken van de grondrechtenfunctionaris tot nu toe alleen maar beschreven zijn in de kennisgeving van de vacature; stelt voor dat er bij de komende herziening van de Frontex-verordening bepalingen worden opgenomen over de taken van de grondrechtenfunctionaris;

31.  is van oordeel dat Frontex, om de transparantie, controleerbaarheid en doeltreffendheid van het agentschap te verbeteren en om een grondig onderzoek van individuele klachten mogelijk te maken, regelmatig verslag dient uit te brengen aan het Parlement over het gebruik van de middelen, en deze informatie tevens op de website van het agentschap openbaar moet maken;

32.  is ingenomen met de bereidheid van de Europese ombudsman, de leden van het Europees netwerk van ombudsmannen met bevoegdheden op het gebied van de fundamentele rechten en het adviesforum van Frontex om Frontex te steunen bij het opzetten en ten uitvoer leggen van een mechanisme voor de behandeling van individuele klachten; verzoekt Frontex om aan te sluiten bij de goede praktijken van andere Europese instanties, zoals de Europese Investeringsbank, en nauw samen te werken met de Europese ombudsman;

33.  doet Frontex en de Europese ombudsman de aanbeveling om nauw samen te werken, teneinde de bescherming van individuen tegen mogelijke gevallen van wanbeheer in het kader van de activiteiten van Frontex te verbeteren, onder meer wanneer het agentschap op basis van werkafspraken activiteiten ontplooit buiten de grenzen van de EU;

34.  verzoekt de lidstaten en de partnerlanden die werkafspraken hebben gemaakt met Frontex doeltreffend met het agentschap samen te werken om ervoor te zorgen dat het klachtenmechanisme soepel functioneert; verzoekt Frontex om de lidstaten en de relevante derde landen technische bijstand te verlenen om de doeltreffendheid van het mechanisme te waarborgen;

35.  wijst erop dat niet-begeleide minderjarigen, vrouwen die het slachtoffer zijn van vervolging op grond van geslacht, LGBTI's en andere kwetsbare groepen speciale bescherming behoeven; beveelt Frontex aan, waar passend, met het oog hierop overleg te plegen met de relevante EU-agentschappen;

36.  verzoekt Frontex in het kader van het algemeen jaarverslag van het agentschap informatie openbaar te maken over het klachtenmechanisme; beveelt Frontex aan te vermelden hoeveel klachten er zijn ingediend, welke mensenrechten zouden zijn geschonden, om welke Frontex-operatie het gaat en welk gevolg er door Frontex aan de klacht is gegeven; merkt op dat deze informatie Frontex kan helpen eventuele tekortkomingen te verhelpen en de werkmethoden van het agentschap te verbeteren;

37.  beveelt aan bij de volgende herziening van de Frontex-verordening in deze verordening bepalingen op te nemen over het mechanisme voor de behandeling van individuele klachten;

o
o   o

38.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese ombudsman, de nationale parlementen en Frontex.

Juridische mededeling