Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2113(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0341/2015

Ingediende teksten :

A8-0341/2015

Debatten :

PV 14/12/2015 - 12
CRE 14/12/2015 - 12

Stemmingen :

PV 15/12/2015 - 4.21
CRE 15/12/2015 - 4.21
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0444

Aangenomen teksten
PDF 323kWORD 203k
Dinsdag 15 december 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Op weg naar een Europese energie-unie
P8_TA(2015)0444A8-0341/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 op weg naar een Europese energie-unie (2015/2113(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name de artikelen 191, 192 en 194,

–  gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een kaderstrategie voor een veerkrachtige energie-unie en een toekomstgericht klimaatbeleid" (COM(2015)0080) en de bijbehorende bijlagen,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Europese strategie voor energiezekerheid" en de bijbehorende werkdocumenten (COM(2014)0330),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "De veerkracht op korte termijn van het Europese gassysteem. Paraatheid ten aanzien van een mogelijke verstoring van de gastoevoer uit het oosten tijdens de herfst en winter van 2014/2015" (COM(2014)0654),

–  gezien de mededeling van de Commissie over energievoorzieningszekerheid en internationale samenwerking getiteld "Het energiebeleid van de EU: verbintenissen met partners buiten onze grenzen" (COM(2011)0539),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité getiteld "Tenuitvoerlegging van de Mededeling inzake energievoorzieningszekerheid en internationale samenwerking en van de Conclusies van de Energieraad van november 2011" (COM(2013)0638),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 november 2008 getiteld "Tweede strategische toetsing van het energiebeleid: een EU-actieplan inzake energiezekerheid en -solidariteit" (COM(2008)0781),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2014 getiteld "Een investeringsplan voor Europa" (COM(2014)0903),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 oktober 2012 getiteld "Een sterkere Europese industrie om bij te dragen tot groei en economisch herstel" (COM(2012)0582),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 november 2012 getiteld "De interne energiemarkt doen werken" (COM(2012)0663) en de bijbehorende werkdocumenten en de resolutie van het Parlement van 10 september 2013 over een effectief werkende interne energiemarkt(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Voortgang bij de voltooiing van de interne energiemarkt" (COM(2014)0634),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Prioriteiten voor energie-infrastructuurprojecten voor 2020 en verder - Een blauwdruk voor een Europees geïntegreerd energienetwerk" (COM(2010)0677),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 januari 2014 getiteld "Energieprijzen en -kosten in Europa" (COM(2014)0021),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 januari 2014 getiteld "Voor een heropleving van de Europese industrie" (COM(2014)0014),

–  gezien het verslag van de Commissie van 14 november 2012 getiteld "De toestand van de koolstofmarkt in 2012" (COM(2012)0652),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 september 2011 getiteld "Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa" (COM(2011)0571) en de resolutie van het Parlement van 24 mei 2012 over het efficiënt gebruik van hulpbronnen in Europa(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Energie-efficiëntie en de bijdrage daarvan aan de energiezekerheid en het kader voor het klimaat- en energiebeleid voor de periode tot 2030" (COM(2014)0520),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050" (COM(2011)0112),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 december 2011 getiteld "Stappenplan Energie 2050" (COM(2011)0885) en de resolutie van het Parlement van 14 maart 2013 over het "Stappenplan Energie 2050, een toekomst met energie"(3),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie over de benutting van het werkgelegenheidspotentieel van groene groei (SWD(2012)0092),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "De toekomst van koolstofafvang en -opslag in Europa" (COM(2013)0180),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030" (COM(2014)0015),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 19 en 20 maart 2015,

–  gezien Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 713/2009, (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009, en de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2013 getiteld "Langetermijnvisie op de infrastructuur voor Europa en verder" (COM(2013)0711), waarin de eerste EU-brede lijst van energie-infrastructuurprojecten van gemeenschappelijk belang is vastgesteld,

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de Connecting Europe Facility (COM(2011)0665),

–  gezien Verordening (EU) nr. 994/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gaslevering en houdende intrekking van Richtlijn 2004/67/EG van de Raad,

–  gezien het derde energiepakket,

–  gezien Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG,

–  gezien Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 over de bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van de Richtlijnen 2001/77/EG en 2003/30/EG,

–  gezien Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen,

–  gezien Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG,

–  gezien Besluit nr. 994/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot instelling van een mechanisme voor informatie-uitwisseling met betrekking tot intergouvernementele overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen op energiegebied,

–  gezien zijn resolutie van 12 juni 2012 over samenwerking op het gebied van energiebeleid met partners buiten onze grenzen: een strategische benadering van gegarandeerde, duurzame en concurrerende energievoorziening(4),

–  gezien zijn resolutie van 21 november 2012 over industriële, energetische en andere aspecten van schaliegas en -olie(5),

–  gezien zijn resolutie van 17 februari 2011 over Europa 2020(6),

–  gezien zijn studie getiteld "De kosten van een niet-verenigd Europa in kaart brengen, 2014-2019",

–  gezien zijn resolutie van 5 februari 2014 over een kader voor klimaat- en energiebeleid voor 2030(7),

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2015 over het bereiken van het streefcijfer van 10 % voor de interconnectie van elektriciteit – Het Europese elektriciteitsnet voorbereiden voor 2020(8),

–  gezien het Verdrag inzake het Energiehandvest, in het bijzonder de artikelen 7 en 20,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie internationale handel en de Commissie vervoer en toerisme (A8-0341/2015),

A.  overwegende dat het Europese energiebeleid er overeenkomstig artikel 194 VWEU op gericht is de werking van de energiemarkt en de continuïteit van de energievoorziening te waarborgen, energie-efficiëntie, energiebesparing en de ontwikkeling van hernieuwbare energie te stimuleren en de interconnectie van energienetwerken te bevorderen; overwegende dat de vaststelling van de energiemix van lidstaten een nationale bevoegdheid blijft, en dat de energiemixen bijgevolg zeer verschillend blijven;

B.  overwegende dat de totstandbrenging van een veerkrachtige energie-unie met een toekomstgericht klimaatveranderingsbeleid moet zijn gebaseerd op een overgang naar een duurzaam, toekomstbestendig energiesysteem, waarvan energie-efficiëntie, hernieuwbare energie, het beste gebruik van de energiebronnen van Europa en slimme infrastructuur de belangrijkste pijlers moeten zijn; overwegende dat een op de lange termijn stabiel regelgevingskader nodig is om economische groei en banen te creëren en ervoor te zorgen dat de EU op deze gebieden een leidende rol speelt;

C.  overwegende dat een energiezekerheidsstrategie kostenefficiënte maatregelen moet omvatten om de energievraag te matigen en even doeltreffende maatregelen om grote en dreigende verstoringen te boven te komen, evenals solidariteits- en coördinatiemechanismen om de opwekkings-, snelle transmissie- en distributie-infrastructuur op energiegebied en de interconnectoren te beschermen en te versterken; overwegende dat deze infrastructuur veranderlijke hernieuwbare energiebronnen moet kunnen verwerken en moet worden opgebouwd op een volledig geïntegreerde en goed functionerende interne energiemarkt die een essentieel onderdeel is van een energie-unie met gediversifieerde externe voorzieningsbronnen en routes;

D.  overwegende dat het Parlement tweemaal heeft aangedrongen op bindende klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 met ten minste 40 % minder CO2-emissies, ten minste 30 % hernieuwbare energie en 40 % energie-efficiënte, die aan de hand van afzonderlijke nationale streefcijfers moeten worden uitgevoerd; overwegende dat bindende nationale en EU-doelstellingen op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie zorgen voor groei en werkgelegenheid en het technologisch leiderschap van de EU op dit gebied helpen waarborgen;

E.  overwegende dat in het kader van maatregelen ter ontwikkeling van de energie-unie en ter verwezenlijking van de klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 ten volle rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor de energieprijzen en dat de nadruk moet liggen op synergieën en verdere marktintegratie die de totale kosten helpen verminderen en het concurrentievermogen van de EU-economie verbeteren, zodat kan worden gezorgd voor de nodige steun van burgers en de industrie; dat in dit verband alle noodzakelijke effectbeoordelingen ten volle rekening moeten houden met de huidige en toekomstige verborgen en verzonken kosten van een regulier energiebeleid;

F.  overwegende dat de energie-unie een nieuw energiemodel voor Europa moet zijn dat is gebaseerd op sterke horizontale rechtsgronden en robuuste doelstellingen; dat het bestuur van de energie-unie transparant moet zijn: het moet zorgen voor een stabiel kader en het Europees Parlement betrekken bij het besluitvormingsproces en eveneens de rol van lokale autoriteiten en burgers versterken;

G.  overwegende dat de EU en de lidstaten inzien dat de opneming van consumenteninitiatieven, zoals coöperaties en maatschappelijke projecten op het gebied van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, van fundamenteel belang is, en benadrukt dat de economische, regelgevende en administratieve belemmeringen moeten worden weggenomen om de consumenten in staat te stellen actief te participeren in het energiesysteem;

H.  overwegende dat klimaatverandering, niet-concurrerende energieprijzen en de bijzonder grote afhankelijkheid van onbetrouwbare leveranciers uit derde landen een bedreiging vormen voor de duurzaamheid van het Europese energiesysteem;

I.  overwegende dat een veerkrachtige energie-unie met een ambitieus klimaatbeleid als kern tot doel moet hebben de overgang te waarborgen naar een nieuw energiemodel dat huishoudens en bedrijven de mogelijkheid biedt om zekere, duurzame, concurrerende en betaalbare energie te produceren en consumeren;

J.  overwegende dat de kwestie van energiearmoede moet worden aangepakt in het kader van de energie-unie door de positie van kwetsbare consumenten te versterken, de energie-efficiënte voor de meest kwetsbare groepen te verbeteren en herstelmaatregelen te ontwikkelen die energie betaalbaar maken voor behoeftigen;

K.  overwegende dat energiearmoede kan worden omschreven als het onvermogen van een huishouden om te voorzien in voldoende energie om een basisniveau van comfort en gezondheid te waarborgen vanwege een combinatie van een laag inkomen, hoge energieprijzen en een gering aanbod aan hoogwaardige huisvesting;

L.  overwegende dat de lidstaten in het kader van de toekomstige visie van de energie-unie moeten erkennen dat ze van elkaar afhankelijk zijn om hun burgers zekere, duurzame en betaalbare energie te leveren, op basis van ware solidariteit en vertrouwen, en dat de Europese Unie met één stem moet spreken op het wereldtoneel; overwegende dat iedere lidstaat daarom de plicht heeft om een prioriteit te maken van energie-efficiëntie en de vermindering van de vraag naar energie teneinde de energiezekerheid van de EU en haar lidstaten in het algemeen te waarborgen;

M.  overwegende dat het EU-beleid inzake energie en klimaat elkaar moet aanvullen, en dat de doelstellingen ervan elkaar moeten versterken; overwegende dat de energie-unie bijgevolg de Europese doelstellingen inzake herindustrialisatie en groei moet aanvullen en de overgang naar een duurzame, grotendeels op energie-efficiëntie en hernieuwbare energie gebaseerde economie moet stimuleren, waardoor het concurrentievermogen van de Europese economie op de wereldmarkt zal worden versterkt en tegelijkertijd koolstoflekken effectief zullen worden vermeden;

N.  overwegende dat de EU meer dan de helft van alle energie die ze verbruikt invoert, dat haar invoerafhankelijkheid met name hoog is voor ruwe olie (meer dan 90 %), aardgas (66 %) en steenkool (72 %), en dat de totale invoerkosten in 2013 meer dan 400 miljard EUR bedroegen; dat het gebouwenbestand in de EU verantwoordelijk is voor ongeveer 40 % van het totale energieverbruik in de EU en voor het verbruik van ongeveer 60 % van het in de EU ingevoerde gas, en dat het beperken van de energievraag van gebouwen derhalve een belangrijk element is in het verwezenlijken van energieonafhankelijkheid;

O.  overwegende dat de wereldolieprijs aanzienlijk gedaald is, hetgeen de EU een kans biedt om belangrijke stappen te zetten om het energielandschap te hervormen door te investeren in de productie van hernieuwbare energie, het potentieel aan energie-efficiëntie in gebouwen en de industrie aan te boren en slimme infrastructuur te ontwikkelen; dat het geld dat wordt besteed aan de invoer van fossiele brandstoffen weinig bijdraagt tot investeringen, banen of groei in de Unie, en dat herbestemming van dit geld voor binnenlandse investeringen zou bijdragen tot groei en hoogwaardige, hooggekwalificeerde lokale banen zou creëren;

P.  overwegende dat veel landen in grote mate afhankelijk zijn van één enkele leverancier, waardoor ze kwetsbaar kunnen zijn voor verstoringen van de aanvoer;

Q.  overwegende dat de EU in sterke mate afhankelijk is van de invoer van energie uit Rusland, dat een onbetrouwbare partner is gebleken en zijn energievoorraden gebruikt als een politiek wapen;

R.  overwegende dat het ontwikkelen en uitvoeren van een strategie met betrekking tot strategische hulpbronnen, met name olie en aardgas, een belangrijk onderdeel is geworden van het buitenlands beleid van Rusland, met als doel andere landen onder politieke druk te zetten; dat het deze strategie heeft toegepast op een aantal van zijn buurlanden en op meerdere lidstaten van de Europese Unie;

S.  overwegende dat het gebruik van olie en aardgas met het oog op buitenlands beleid en ter destabilisering van andere landen de economische groei en, nog gevaarlijker, de democratische stabiliteit in Europa en de onafhankelijkheid van soevereine staten ondermijnt;

T.  overwegende dat de Europese energiezekerheid moet worden ontwikkeld op een manier die zowel de Europese veiligheid als de soevereiniteit van Europese landen beschermt, waarmee zowel de EU-lidstaten als de landen van het Oostelijk Partnerschap worden bedoeld;

U.  overwegende dat een beleid voor energiezekerheid gericht moet zijn op de behoefte aan een stabiele voorziening uit verschillende energiebronnen en de Europese economie moet voorzien van de energie die nodig is voor vervoer, industrie en huisvesting, en zo dat de concurrentiekracht en het klimaatbeleid worden ondersteund, terwijl het tegelijkertijd moet zorgen voor minimale afhankelijkheid van partijen die bewust energiebronnen willen aanwenden voor hun eigen politieke doelstellingen om de politieke ontwikkelingen in andere landen te beïnvloeden;

V.  overwegende dat geen enkele lidstaat gebonden mag zijn aan contractvoorwaarden die onverenigbaar zijn met het EU-recht en de zwakke positie ervan op de energiemarkt uitbuiten, enkel op basis van geografische en historische factoren;

W.  overwegende dat de geschillen inzake aardgas tussen Rusland en doorvoerland Oekraïne in 2006 en 2009 ernstige tekorten hebben veroorzaakt in veel EU-landen; dat de verstoringen laten zien dat de tot dusver genomen maatregelen onvoldoende zijn om een eind te maken aan de afhankelijkheid van Europa van Russisch gas;

X.  overwegende dat evaluatie en controle achteraf van alle energiegerelateerde overeenkomsten met betrekking tot de naleving van de EU-wetgeving reeds mogelijk is, onder meer in het kader van de verordeningen op het gebied van mededinging en energie; dat onvoldoende nalevingscontroles vooraf op nationaal en EU-niveau leiden tot ernstige marktverstoringen; dat de Commissie deze tekortkomingen heeft erkend en heeft toegezegd dat zij de bepalingen inzake beoordelingen vooraf van commerciële gasleverantiecontracten zal versterken;

Y.  overwegende dat meer dan 1 biljoen EUR moet worden geïnvesteerd in de energiesector van de EU tegen 2020 en dat voor elke euro die niet voor 2020 is geïnvesteerd in energie-infrastructuur na 2020 4,3 EUR nodig zal zijn om dezelfde doelstellingen te bereiken, wat een overmatige belasting zou vormen voor toekomstige generaties;

Z.  overwegende dat de Unie de financiering van deze investeringen moet toestaan door alle bestaande middelen in te zetten, zowel publieke (structuurfondsen en Europese Investeringsbank (EIB)) als particuliere, door in te zetten op het spaargeld van huishoudens en de langetermijncapaciteit van investeerders (pensioenfondsen, verzekeringen) en door een nieuw financieel vermogen van de Unie te creëren;

AA.  overwegende dat de elektriciteitsprijzen voor de Europese industrie, zonder rekening te houden met belasting- of heffingsvrijstellingen voor energie-intensieve industrieën, meer dan tweemaal zo hoog liggen als in de VS en Rusland, 20 % hoger zijn dan die in China, maar 20 % lager liggen dan die in Japan;

AB.  overwegende dat de Europese industrie nog steeds te lijden heeft onder een aanzienlijk concurrentienadeel wat betreft gasprijzen, voornamelijk omdat de prijsindex voor olie is opgenomen in langetermijncontracten met Rusland;

AC.  overwegende dat het verschil in prijs met andere economieën een negatieve invloed kan hebben op het concurrentievermogen van onze industrie, en met name van onze energie-intensieve industrieën;

AD.  overwegende dat concurrerende energieprijzen cruciaal zijn om de EU-doelstelling van 20 % herindustrialisatie tegen 2020 te bereiken;

AE.  overwegende dat EU-bedrijven in de sector hernieuwbare energie, waaronder veel kmo's, in Europa aan meer dan 1,2 miljoen personen werkgelegenheid bieden en wereldwijd 40 % van alle octrooien bezitten op het vlak van hernieuwbare technologieën, waardoor de EU wereldleider is; dat dit leiderschap in de toekomst moet worden behouden door middel van een solide EU-strategie inzake hernieuwbare energie;

AF.  overwegende dat, ondanks de dominante positie in de wereld op het vlak van investeringen in hernieuwbare energie, in het kader van de World Energy Outlook 2014 wordt voorspeld dat de energievraag tussen nu en 2040 met 37 % zal toenemen en de internationale vraag naar kolen met 15 %; dat in de EU de toename naar verwachting aanzienlijk kleiner zal zijn dankzij de grote successen op het gebied van de verbetering van de energie-efficiëntie;

AG.  overwegende dat het welvaartsverlies als gevolg van het gebrek aan efficiëntie op de Europese gasmarkt jaarlijks meer dan 11 miljard EUR bedraagt, onder meer als gevolg van een gebrek aan infrastructuur en marktliquiditeit en -transparantie;

AH.  overwegende dat een meer economisch en fysiek geïntegreerde interne markt op energiegebied zou kunnen leiden tot een aanzienlijke efficiëntiewinst;

AI.  overwegende dat de retailmarkt voor energie in de EU niet goed werkt omdat in veel lidstaten consumenten te weinig keuze tussen leveranciers hebben; dat problemen op het gebied van marktconcentratie moeten worden aangepakt door middel van het mededingingsbeleid van de EU teneinde consumenten in staat te stellen om van leverancier te veranderen en op die manier de concurrentie te vergroten en de prijzen omlaag te krijgen; dat moet worden gelet op het gevaar dat minder goed geïnformeerde burgers van wie het minder waarschijnlijk is dat zij leveranciers vergelijken en van leverancier veranderen, vast komen te zitten in niet-concurrerende, gedateerde tarieven;

AJ.  overwegende dat de volledige tenuitvoerlegging van een geïntegreerde Europese energiemarkt voor gas en elektriciteit van fundamenteel belang is voor energiezekerheid en voor de verwezenlijking van een energie-unie; dat het de verantwoordelijkheid van de Commissie is ervoor te zorgen dat alle lidstaten alle onderdelen van het derde energiepakket, dat streeft naar een geïntegreerde markt voor elektriciteit en gas, ten uitvoer leggen en eerbiedigen;

AK.  overwegende dat verwezenlijking van de interconnectiedoelstelling van 10 %, een betere grensoverschrijdende transmissiecapaciteit voor elektriciteit en gas en aanvullende versterkingen van het bestaande net de energiezekerheid zullen verhogen, een betere integratie van hernieuwbare opwekking en evenwicht tussen de voorziening en de vraag tussen de lidstaten mogelijk zullen maken en tegelijkertijd prijsconvergentie ten bate van de consumenten zullen bevorderen;

AL.  overwegende dat er ook convergentie en kostenoptimalisatie wordt verwacht van nauwere regionale samenwerking tussen de lidstaten;

AM.  overwegende dat de energiegemeenschap een instrument is om de interne energiemarkt uit te breiden naar de buurlanden van de EU en dus bijdraagt aan de verwezenlijking van een pan-Europese energieruimte die is gebaseerd op gemeenschappelijke beginselen en de rechtsstaat;

AN.  overwegende dat de energie-unie een reactie is op meerdere oproepen van het Parlement om een werkelijke pan-Europese energiegemeenschap op te richten op basis van een sterke gemeenschappelijke energiemarkt, de coördinatie van energieaankopen buiten de EU en een gemeenschappelijke Europese financiering van onderzoek en innovatie op het gebied van nieuwe duurzame energietechnologieën;

AO.  overwegende dat de externe dimensie van het EU-energiebeleid coherenter moet worden en nog niet ten volle heeft kunnen bijdragen tot de energievoorzieningszekerheid en het concurrentievermogen van de Unie;

AP.  overwegende dat de 33 infrastructuurprojecten die in het kader van de Europese strategie voor energiezekerheid zijn geïdentificeerd moeten worden aangevuld met meer aandacht voor de modernisering van het elektriciteitsdistributienet en voor de overgang van steenkool en gas naar biomassa ter verbetering van de leveringszekerheid;

AQ.  overwegende dat wordt erkend dat koolstofafvang en -opslag een beslissende bijdrage kan leveren aan de strijd tegen klimaatverandering en met name kan helpen de kosten van de overgang naar een koolstofarme energiemarkt en economie te beperken;

AR.  overwegende dat de diversificatie van de voorziening, de voltooiing van de interne energiemarkt, de verbetering van de energie-efficiëntie en -besparingen, de verdere ontwikkeling van de energiebronnen van Europa, waaronder hernieuwbare energie, en O&O-activiteiten de belangrijkste stuwende krachten achter de energie-unie zijn;

AS.  overwegende dat de winning van inheemse conventionele olie- en gasvoorraden, met volledige inachtneming van het EU-acquis, zowel in traditionele winningsgebieden (bv. de Noordzee) als in recent ontdekte gebieden (bv. het oostelijke Middellandse Zeegebied en de Zwarte Zee) moet worden bevorderd en ondersteund;

AT.  overwegende dat binnenlandse energiebronnen steeds duurzamer en veiliger moeten worden;

AU.  overwegende dat de EU ernaar streeft de bijdrage van industrie aan het bbp tussen nu en 2020 te verhogen tot niet minder dan 20 %, en dat energie tegen concurrerende prijzen en een hogere energieproductiviteit absoluut noodzakelijk zijn om deze doelstelling te bereiken;

Dimensies van de energie-unie

1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie getiteld "Een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering"; neemt nota van de door de Commissie geschetste vijf pijlers van de energie-unie; wijst er met nadruk op dat op deze pijlers gestoeld beleid altijd moet bijdragen aan de continuïteit van de energievoorziening, het koolstofarm maken en de duurzaamheid van de economie op de lange termijn, en tegelijkertijd moet zorgen voor betaalbare energie tegen concurrerende prijzen;

2.  wijst er nogmaals op dat energie een openbaar goed van sociaal belang is en dat de EU daarom gepaste aandacht dient te schenken aan de kwestie van energie-armoede, en concrete maatregelen moet bevorderen om dit probleem aan te pakken; benadrukt daarom dat de energie-unie gelijke toegang tot energie voor iedereen moet waarborgen, moet bijdragen aan betaalbare energieprijzen ten behoeve van de consumenten, verbindingen en energie-infrastructuur moet bevorderen die een strategische rol ten behoeve van de bevolking vervullen en regulering moet versterken;

3.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat alle wetgevingsvoorstellen die deel uitmaken van de energie-unie volgens de gewone wetgevingsprocedure worden behandeld, zodat het Parlement volledig betrokken is en effectief democratisch toezicht is gewaarborgd; verwacht dat het bestuurskader voor de energie-unie na 2020 ambitieus, betrouwbaar, transparant en democratisch zal zijn, dat het Parlement er volledig aan zal deelnemen en dat dit bestuurskader ervoor zal zorgen dat de klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 worden gehaald, met name door de volledige tenuitvoerlegging, handhaving en actualisering van de bestaande klimaat- en energiewetgeving; verzoekt de Commissie, onverminderd andere verslaggevingsverplichtingen, om jaarlijks een verslag te presenteren over de uitvoering van de energie-unie, met details over de tenuitvoerlegging van energiewetgeving en de vooruitgang bij het verwezenlijken van de doelstellingen voor 2020 en 2030, en om met het oog op dit verslag een reeks kernindicatoren te ontwikkelen en te actualiseren om de voortgang van de energie-unie te kunnen beoordelen; meent dat deze indicatoren onder meer betrekking zouden kunnen hebben op interconnectiecapaciteit, marktintegratie, vermindering van energie-importen, mate van diversificatie, energieprijzen en -kosten, ontwikkeling van energieopwekking door lokale gemeenschappen, en energiearmoede en -kwetsbaarheid; neemt kennis van de conclusies van de Energieraad van 26 november 2015 over de bestuurssystemen van de energie-unie en vraagt de Commissie het Parlement en de Raad spoedig een wetgevingsvoorstel te doen waarin rekening wordt gehouden met de conclusies van de Raad en het in dit verslag geuite standpunt van het Parlement; is het met de conclusies van de Raad eens dat de nationale energie- en klimaatplannen voor de periode 2021-2030 niet alleen op het behalen van de doelstellingen voor 2030 gericht moeten zijn, maar ook een perspectief op de langere termijn moeten weerspiegelen, vooral de in de EU overeengekomen belofte om emissies tegen 2050 te verlagen met 80 à 95 % in vergelijking met het niveau van 1990;

4.  verzoekt de lidstaten om energiestrategieën voor de lange termijn te ontwikkelen, met het oog op de langetermijndoelstelling van een vermindering van de broeikasgasemissies met 80-95 % tegen 2050, die hand in hand moeten gaan met vergelijkbare inspanningen van 's werelds grootste vervuilers;

5.  erkent de onvervreemdbaarheid van besluiten die zijn genomen op basis van nationale referenda over energie-aangelegenheden;

6.  benadrukt dat de energie-unie een integrale aanpak moet hanteren die gericht is op aspecten als de totstandbrenging van een volledig geïntegreerde interne energiemarkt, voorzieningszekerheid, optimaal gebruik van de energiebronnen van de EU, matiging van de energievraag, vermindering van de broeikasgasemissies op basis van hoofdzakelijk hernieuwbare energiebronnen en een EU-brede koolstofmarkt, evenals onderzoek en innovatie ten behoeve van leiderschap op het gebied van energietechnologie; onderstreept dat de burgers centraal moeten staan in de energie-unie en moeten worden voorzien van zekere, duurzame en betaalbare energie;

7.  erkent de zwakke doelstellingen van de Europese Raad voor 2030 op het gebied van klimaat en energie, namelijk een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met 40 %, verhoging van het aandeel van hernieuwbare energie in de Europese energiemix tot 27 % en vergroting van de energie-efficiëntie met 27 %; herinnert eraan dat het Parlement herhaaldelijk heeft aangedrongen op bindende klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 met ten minste 40 % minder binnenlandse broeikasgasemissies, ten minste 30 % hernieuwbare energie en 40 % energie-efficiëntie, die aan de hand van afzonderlijke nationale streefcijfers moeten worden uitgevoerd;

Energiezekerheid, solidariteit en vertrouwen

8.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om op een actieve manier te streven naar duurzamer en concurrerender prijzen en kosten van ingevoerde energie voor Europese burgers en bedrijven door de voorziening te diversifiëren (energiebronnen, leveranciers en routes); roept de Commissie daarom op de bouw van de relevante prioritaire corridors voor energie-infrastructuur te bevorderen, zoals bepaald in bijlage I bij de verordening inzake trans-Europese energienetwerken (TEN-E) en deel II van bijlage I bij de verordening inzake de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF), met speciale nadruk op lidstaten met een hoge energieafhankelijkheid; vraagt de Commissie voorrang te geven aan de bestaande interne capaciteit, met inbegrip van de eigen energiebronnen van Europa;

9.  erkent dat de projecten die momenteel op de lijst van projecten van gemeenschappelijk belang (PGB) zijn opgenomen onvoldoende zijn om het Europese streefcijfer voor de interconnectiecapaciteit tussen het Iberisch schiereiland en het vasteland van Europa te halen; spoort de regionale groep in het kader van TEN-E en de Commissie aan de capaciteit tussen Spanje en Frankrijk aanzienlijk te verhogen door aanvullende projecten aan te wijzen voor opname op de PGB-lijst voor 2015;

10.  onderstreept dat een goed uitgebouwde en volledig geïntegreerde infrastructuur die een sterkere diversificatie van de energievoorziening en grensoverschrijdende stromen mogelijk maakt, van essentieel belang is voor de continuïteit van de energievoorziening, zowel in normale omstandigheden als in noodgevallen, en voor de levering van energie uit concurrerende bronnen aan consumenten in de hele Europese Unie en de energiegemeenschap;

11.  benadrukt dat de aanzienlijke gasreserves in de Noord-Afrikaanse landen en de recente ontdekkingen in het oostelijke gedeelte van de Middellandse Zee het Middellandse Zeegebied een kans bieden om op te komen als een dynamisch centrum voor een pijpleidingnetwerk dat gas naar Europa transporteert; verzoekt om een gasknooppunt met vergrote LNG-capaciteit; benadrukt dat de EU zou moeten profiteren van de mogelijkheden die geboden worden door deze gasreserves om haar energiezekerheid te versterken;

12.  benadrukt dat alle infrastructuurprojecten van de EU die tot doel hebben de energiebronnen, -leveranciers en -routes te diversifiëren volledig in lijn moeten zijn met de klimaat- en energiewetgeving en de langetermijndoelstellingen en -prioriteiten van de EU, waaronder energiezekerheid voor de EU, en er tegelijkertijd voor moeten zorgen dat de reeds bestaande energie-infrastructuur en doorvoerroutes naar de EU zo goed en efficiënt mogelijk worden benut; verzoekt de Commissie om investeringen die tot matiging van de energievraag leiden, zoals in het gebouwenbestand, te beschouwen als in aanmerking komende projecten;

13.  onderstreept dat het EU-acquis, en met name de mededingings- en staatssteunwetgeving van de EU, van toepassing moet zijn op energieleveranciers uit derde landen die actief zijn op de gemeenschappelijke markt, en verzoekt de Commissie de EU-wetgeving op alle mogelijke wijzen te handhaven om ervoor te zorgen dat energie vrij kan circuleren in de EU en om verstoringen van de interne markt te voorkomen;

14.  benadrukt dat het uitermate belangrijk is voor de EU om het isolement van lidstaten en regio's van de interne energiemarkt te doorbreken, zoals werd aangetoond door de door de Commissie uitgevoerde gasstresstests; roept de Commissie in deze context op regelmatig dergelijke tests uit te voeren; is van mening dat de EU de meest kwetsbare lidstaten bij voorrang moet helpen om hun bronnen en aanvoerroutes te diversifiëren; verzoekt de lidstaten en de Commissie in dit verband de aanbevelingen uit de stresstests van de gassystemen onverwijld uit te voeren; raadt de Commissie aan zich te beraden op de uitvoering van elektriciteitsstresstests om zich een beeld te vormen van de veerkracht van de energiemarkt als geheel; benadrukt dat bij dergelijke stresstests met name de status, de capaciteit en de duurzaamheid van het gehele nationale transmissienetwerk alsmede het interconnectieniveau en de grensoverschrijdende capaciteit moeten worden bepaald, en dat aanbevelingen op grond van dergelijke stresstests volledige effectbeoordelingen moeten omvatten van zowel nationale plannen als EU-doelstellingen voor de aanpak van de actiepunten die daaruit voortvloeien;

15.  wijst erop dat de kwantitatieve en kwalitatieve zekerheid van de energievoorziening en de concurrentie op dit gebied in de context van de toekomstige energie-unie de meest dringende kwesties zijn die van de lidstaten vereisen dat ze bij het ontwikkelen van hun energiebeleid hun coördinatie en samenwerking met hun buurlanden op dit vlak upgraden; verzoekt de Commissie in dit verband te onderzoeken hoe de huidige opbouw van de nationale preventie- en rampbestrijdingsmaatregelen op regionaal en Europees niveau kan worden verbeterd;

16.  is van mening dat nationale capaciteitsmechanismen alleen zouden moeten worden gebruikt als laatste redmiddel nadat alle andere opties zijn verkend, waaronder een grotere interconnectie met buurlanden, responsmaatregelen van de vraagzijde en andere vormen van regionale marktintegratie;

17.  acht het van groot belang dat de EU tijdens de onderhandelingen met derde landen in het kader van de energie-unie met één stem spreekt; verzoekt de Commissie de mogelijke structuur en de wenselijkheid van een vrijwillig mechanisme voor gezamenlijke aankoop, de effecten ervan op de werking van de interne gasmarkt en de betrokken ondernemingen alsmede de bijdrage ervan aan een zekere gasvoorziening te analyseren; merkt op dat, aangezien er verschillende soorten mechanismen voor gezamenlijke aankoop bestaan, nader moet worden bepaald welk marktgebaseerd model het best kan worden toegepast op de betrokken EU-regio's en de leveranciers, en onder welke voorwaarden een vrijwillig mechanisme voor gezamenlijke aankoop zou kunnen worden opgezet; is van mening dat de coördinatie van standpunten en de gezamenlijke aankoop van gas op regionaal niveau moet beginnen; beveelt de Commissie en het secretariaat van de Energiegemeenschap ondertussen aan om steun te verlenen aan de lidstaten en de verdragsluitende partijen bij de Energiegemeenschap die op vrijwillige basis energieovereenkomsten willen sluiten overeenkomstig het EU-acquis betreffende de interne markt en de regels in het kader van het mededingingsbeleid van de EU en de voorschriften van de Wereldhandelsorganisatie, en om te voorzien in bescherming van commercieel gevoelige informatie; onderstreept dat energieovereenkomsten op marktprijzen en concurrentie gebaseerd moeten zijn;

18.  verzoekt de Commissie en de vicevoorzitter / hoge vertegenwoordiger (VV/HV) een uitgebreid kader op te zetten voor de externe dimensie van de energie-unie, met specifieke aandacht voor de bevordering van strategische partnerschappen met derde landen die energie produceren en doorvoeren, in het bijzonder met de Europese buurlanden en met betrekking tot het uitbreidingsbeleid, op basis van gedeelde gemeenschappelijke waarden en rekening houdend met de huidige stand van zaken op het gebied van regionale samenwerking; is van mening dat er bestaande en nieuwe strategische partnerschappen dienen te worden overwogen en onderzocht om de dialoog en de samenwerking met betrekking tot aardolie en -gas, de energie-efficiëntie en hernieuwbare bronnen, handel en aansluiting van de energie-unie op externe energie-infrastructuur te versterken;

19.  benadrukt dat een echt gemeenschappelijk extern energiebeleid van de EU hand in hand moet gaan met haar gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid; dringt in dit verband aan op een betere coördinatie tussen de VV/HV en de bevoegde commissarissen om de samenhang van het externe EU-beleid inzake energiezekerheid te vergroten; verzoekt de Commissie de krachten te bundelen onder leiding van de VV/HV met de aanstelling van een verantwoordelijke voor de coördinatie van dit beleid;

20.  verzoekt de Commissie een reflectiegroep op hoog niveau inzake energiezekerheid, buitenlands beleid en de energie-unie op te richten met een sterke vertegenwoordiging en inbreng van het Parlement en maatschappelijke belanghebbenden, teneinde met externe partners geloofwaardige langetermijnscenario's voor vraag, aanbod en samenwerking te ontwikkelen, met name op het gebied van de capaciteitsopbouw en uitwisseling van technologie voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie en het verband tussen energie en mensenrechten;

21.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de voorgestelde verdubbeling van de capaciteit van de Nordstream-pijpleiding en de gevolgen die dat zou hebben voor de energiezekerheid, de diversificatie van de toevoer en het beginsel van solidariteit tussen de lidstaten; wijst, in de context van de lopende trilaterale besprekingen tussen de EU, Oekraïne en Rusland, op de noodzaak om de energievoorziening naar en via Oekraïne op lange termijn te waarborgen;

22.  benadrukt dat verbetering van de energie-efficiëntie in de EU het risico van afhankelijkheid zou verkleinen en daarmee de onderhandelingspositie van de EU op energiegebied zou versterken;

23.  benadrukt de noodzaak van meer transparantie in energiegerelateerde overeenkomsten, die kan worden bereikt door de rol van de Commissie in het kader van energiegerelateerde onderhandelingen waarbij een of meer lidstaten en derde landen betrokken zijn te versterken, met name door het een vereiste te maken dat de Commissie als waarnemer deelneemt aan alle onderhandelingen teneinde de positie van individuele lidstaten tegenover een bij de onderhandelingen betrokken derde-land-leverancier te versterken en zo het risico te verminderen dat een leverancier een dominante positie zou misbruiken; merkt voorts op dat de Commissie beoordelingen vooraf en achteraf zou moeten uitvoeren, met volledige inachtneming van de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie, en zowel een positieve als een negatieve lijst moet opstellen met clausules, zoals uitvoerverboden, bestemmings- en take-or-payclausules, de olie-indexatie van gasprijzen of clausules die derden verbieden om de levering van energie afhankelijk te stellen van de toekenning van preferentiële toegang tot de infrastructuur voor energietransport in de EU; herinnert eraan dat de lidstaten, overeenkomstig artikel 13, lid 6, punt a), van Verordening (EU) nr. 994/2010, wanneer zij nieuwe intergouvernementele overeenkomsten met derde landen sluiten die een effect hebben op de ontwikkeling van de gasinfrastructuur en -levering, verplicht zijn de Commissie te informeren om haar in staat te stellen de situatie van de leveringszekerheid op Unieniveau in te schatten; verzoekt de Commissie in de herziene verordening inzake de veiligstelling van de aardgasvoorziening strenge bepalingen op te nemen voor de beoordeling vooraf met betrekking tot commerciële contracten voor gasleveringen;

24.  benadrukt dat de Commissie in kennis moet worden gesteld van alle toekomstige intergouvernementele energieovereenkomsten met niet-EU-partijen in overeenstemming met Besluit nr. 994/2012/EU tot instelling van een mechanisme voor informatie-uitwisseling met betrekking tot intergouvernementele overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen op energiegebied vóór ondertekening om ervoor te zorgen dat ze in overeenstemming zijn met de EU-wetgeving, met name met het derde energiepakket, en dat ze de zekerheid van de energievoorziening van de EU niet in gevaar brengen; wijst erop dat deze discussie- en raadplegingsexercitie moet fungeren als instrument voor de versterking van de onderhandelingsmacht van de EU-lidstaten en -bedrijven, met volledige inachtneming van de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie; meent dat deze exercitie op geen enkele wijze afbreuk mag doen aan de essentie en de inhoud van de overeenkomsten, maar ervoor moet zorgen dat ze in overeenstemming zijn met al het toepasselijke Unierecht en dat ze de belangen van de betrokken bedrijven en lidstaten dienen; verzoekt de Commissie om Besluit nr. 994/2012/EU zo te wijzigen dat het informatiemechanisme dienovereenkomstig wordt versterkt en de rol van de Commissie wordt vergroot;

25.  roept de Commissie op ontwerpen van modelcontracten en richtsnoeren op te stellen, met inbegrip van een indicatieve lijst met oneerlijke bedingen, om te zorgen voor een referentiepunt voor bevoegde autoriteiten en bedrijven bij hun contractactiviteiten; dringt erop aan dat de lidstaten hun samenwerking rond een mechanisme voor informatie-uitwisseling opvoeren met het oog op intergouvernementele overeenkomsten met derde landen op het gebied van energie, teneinde de transparantie te verhogen en hun onderhandelingsmacht tegenover derde landen optimaal te benutten en energie op die manier betaalbaarder te maken voor de Europese consument; dringt er voorts bij de Commissie op aan om kwartaalbeoordelingen van contractuele voorwaarden, zoals de gemiddelde invoerprijzen, te blijven publiceren;

26.  benadrukt dat het, om te zorgen voor een gelijk speelveld en om de onderhandelingspositie van EU-bedrijven ten opzichte van externe leveranciers te versterken, nodig is de belangrijkste elementen van de contracten transparanter te maken en samen te voegen en op regelmatige basis aan de bevoegde autoriteiten te melden teneinde alle benodigde informatie te verzamelen die door zowel de bevoegde autoriteiten zelf als bedrijven kan worden gebruikt in het kader van toekomstige onderhandelingen, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van gevoelige informatie; is van mening dat dit zou helpen om echte concurrentie op het gebied van energiecontracten te verwezenlijken, misbruik van dominante posities door derde landen te voorkomen en naleving van de EU-mededingingswetgeving te waarborgen;

27.  verzoekt de Commissie concrete maatregelen te ontwikkelen om de afhankelijkheid van de invoer van energie te verminderen, toe te zien op de mate van diversificatie in de import en hierover regelmatig voortgangsverslagen te publiceren;

28.  benadrukt dat het essentieel is om de participatie van de Europese industrie en technologie in de gehele EU-energieproductieketen, die naast grondstoffen ook opwekking, raffinage, opslag, transport en distributie omvat, te vergroten, aangezien dit cruciale elementen zijn om de EU minder afhankelijk te maken van energie-invoer;

29.  is van mening dat de diversiteit op het vlak van de energiemixen van de lidstaten op basis van hun potentieel, omgeving, geografische ligging, ervaring, kennis en economische kosten en behoeften niet alleen bijdraagt tot de verwezenlijking van de gemeenschappelijke doelstellingen van klimaat- en energiestrategieën en -beleid, maar ook een voordeel biedt voor de EU als geheel, aangezien deze diversiteit zorgt voor meer veerkracht ingeval van verstoringen van de aanvoer, de EU in staat stelt kostenoptimale energiekeuzes te maken, en verschillende technologieën toelaat zich te ontwikkelen en te concurreren op de markt, waardoor de kostprijs van energie wordt verlaagd; is er echter van overtuigd dat de nationale diversiteit geen belemmering hoeft te vormen voor de interne markt en dat de lidstaten de regels voor overheidssteun volledig moeten naleven, de nodige investeringen moeten doen in hun binnenlandse transmissie-infrastructuur en ervoor moeten zorgen dat hun nationale energiesystemen over een voldoende hoog interconnectieniveau en voldoende veerkracht beschikken om de doelstellingen van de Unie op het gebied van de energiezekerheid en de energiemarkt te verwezenlijken;

30.  is van mening dat de Unie haar energiezekerheid kan vergroten en haar afhankelijkheid van bepaalde leveranciers en brandstoffen kan verminderen door de energie-efficiëntie te verbeteren en het best mogelijke gebruik te maken van de energiebronnen van Europa, in overeenstemming met de doelstellingen van de EU op het gebied van energiezekerheid, milieu en klimaat en de EU-wetgeving inzake gezondheid en veiligheid en rekening houdend met de specifieke kenmerken van de lidstaten met betrekking tot hun energiemix, waarbij onnodige regeldruk moet worden vermeden en het evenredigheidsbeginsel in acht moet worden genomen; benadrukt dat er in beginsel geen sprake mag zijn van discriminatie van een bepaalde brandstof of technologie die een bijdrage levert aan energiezekerheid en de klimaatdoelstellingen;

31.  roept de Commissie op het daadwerkelijke gebruik van de bestaande EU-financieringsregelingen te bevorderen, met inbegrip van het Europees Fonds voor strategische investeringen, om zo investeringen in belangrijke energie-infrastructuurprojecten, onderzoek en innovatie in energie-efficiëntie, hernieuwbare energiebronnen en de ontwikkeling van de interne capaciteit van Europa aan te trekken teneinde de klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 te verwezenlijken, op basis van een technologisch neutrale kosten-batenaanpak waarin voorrang wordt gegeven aan de internalisering van externe kosten;

32.  vraagt om snelle mobilisering van de financieringsbronnen van PGB's, teneinde de nodige infrastructuur aan te leggen en te zorgen voor een soepele en betrouwbare energievoorziening die niet is blootgesteld aan enige politieke druk van buiten de EU;

33.  benadrukt dat het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) is bedacht als middel om infrastructuurinvesteringen om te zetten in volledig liquide activa met obligaties die kunnen worden gebundeld en verhandeld op de Europese en de mondiale markten; merkt voorts op dat institutionele beleggers zoals verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen, die van nature langetermijninvesteringen doen in reële activa, alleen worden aangetrokken door gestandaardiseerde investeringsproducten en solide projectpijplijnen die gezonde businesscases opleveren;

34.  verzoekt de Commissie, en DG TRADE in het bijzonder, vast te houden aan het doel om een specifiek energiehoofdstuk op te nemen in het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP), met als doel de tarifaire en non-tarifaire handelsbelemmeringen van de VS voor zowel vloeibaar aardgas als ruwe olie te verwijderen en ongerechtvaardigde protectionistische maatregelen weg te werken, wat zou kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van een concurrerender omgeving voor Europese bedrijven door de verschillen in de energiekosten tussen beide zijden van de Atlantische Oceaan te verminderen; vraagt de Commissie er in dit verband op toe te zien dat er in een dergelijk energiehoofdstuk ook bepalingen worden opgenomen om de samenwerking tussen door de overheden van de EU en de VS gefinancierde onderzoeksprogramma's op het gebied van energie, in het bijzonder het programma ARPA-E van de VS, te versterken;

35.  wijst erop dat het EU-handelsbeleid gericht zou moeten zijn op het verbeteren van de energiezekerheid conform artikel 194 VWEU, het diversifiëren van de Europese energiemix en het verminderen van de afhankelijkheid van de invoer van één enkel leverings- of voorzieningspunt, waarbij de desbetreffende verdeling van bevoegdheden zoals omschreven in het Verdrag in acht wordt genomen;

36.  vraagt de Commissie om voor strenger toezicht op mededingingsverstorende gedragingen en antidumpingmaatregelen te zorgen om de Europese energiesector te beschermen tegen oneerlijke invoer uit derde landen;

37.  betreurt het dat de gesprekken over de modernisering van handelsbeschermingsinstrumenten stilliggen in de Raad, ondanks het feit dat het Parlement ten volle steun geeft aan strengere maatregelen tegen oneerlijke invoer uit derde landen;

38.  vraagt de Raad om verder te gaan met de modernisering van handelsbeschermingsinstrumenten om zo te waarborgen dat de Europese industrie, in het bijzonder die voor de productie van turbines, zonnepanelen, edelstaal en bouwmateriaal, optimaal van de energieomschakeling kan profiteren;

39.  wijst op het belang van in handelsovereenkomsten opgenomen bepalingen inzake technologische samenwerking en diensten op het gebied van energie-efficiëntie en gedecentraliseerde productie van hernieuwbare energie, met inbegrip van onderhoud en ontwikkeling van software; wijst erop dat decarbonisatie een gemeenschappelijk doel is van de EU en talrijke partnerlanden, -regio's en -steden;

40.  verzoekt de Commissie door middel van internationale handelsinstrumenten ontwikkelingslanden aan te moedigen om hun energieproductie te diversifiëren en de productie van zonne-energie met name in de zuidelijke buurlanden van de EU te stimuleren;

41.  is ingenomen met de onderhandelingen over een initiatief voor groene producten tussen de EU en 13 andere WTO-leden dat betrekking heeft op producten, diensten en technologie welke bijdragen tot groene groei, bescherming van het milieu, klimaatmaatregelen en duurzame ontwikkeling, en dringt aan op afronding van de besprekingen eind 2015 op de WTO-ministerconferentie in Nairobi;

42.  benadrukt dat de onderhandelingen inzake de overeenkomst over milieugoederen gebaseerd moeten zijn op een definitie van milieugoederen die aansluit bij het EU-beleid en niet in strijd mogen zijn met de maatregelen ten behoeve van ontwikkelingslanden die in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) zijn aangenomen;

43.  verzoekt de Commissie te blijven aandringen op de invoering van een systeem voor energie-uitwisseling tussen de EU en de VS, gezien de huidige en toekomstige ontwikkelingen op het gebied van onderzoek, innovatie en licentieverlening met betrekking tot stroomnetten, zoals hoogspanningsverbindingen, die tot doel hebben een mondiaal netwerk op te zetten voor het delen van hernieuwbare energie;

44.  benadrukt dat versterking van de energiegemeenschap een sleutelrol speelt in het externe energiebeleid van de EU en verzoekt de Commissie met concrete voorstellen te komen die zijn gebaseerd op het verslag van de reflectiegroep op hoog niveau ten behoeve van de hervorming van de energiegemeenschap;

45.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de activiteiten van de energiegemeenschap, met name op het gebied van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie ter vergroting van de energiezekerheid, te versterken, onder meer door middel van een betere tenuitvoerlegging en handhaving van de EU-wetgeving, bijvoorbeeld ten aanzien van de doelstellingen voor 2020 en 2030, met name door middel van betere governance, vereenvoudiging van procedures en een beter gebruik van IT-programma's die tot doel hebben om de administratieve lasten te verlichten, verbetering van haar instellingen, met inbegrip van de oprichting van een parlementaire vergadering voor de energiegemeenschap, en de uitvoering van belangrijke infrastructuurprojecten, zoals grensoverschrijdende bidirectionele interconnecties, om te zorgen voor een betere integratie met de EU-energiemarkt en zekerheid van de leveringsmechanismen, zonder terug te grijpen op de vaststelling van nationale capaciteitsmarkten die de doelmatigheid van de interne energiemarkt ondermijnen;

46.  beklemtoont dat het noodzakelijk is de euro-mediterrane samenwerking op het gebied van gas, elektriciteit, energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen te versterken; vraagt de Commissie vaart te zetten achter de oprichting van het Euro-Med-gasplatform;

Een volledig geïntegreerde Europese energiemarkt

47.  is van mening dat de toekomstige energie-unie moet zorgen voor een vrije doorstroming van energie tussen de lidstaten van de EU en de energiegemeenschap;

48.  benadrukt dat een volledig functionerende, onderling verbonden interne energiemarkt die veilige, zekere, eerlijk verdeelde, sociaal en ecologisch verantwoorde, efficiënte, concurrerende, betaalbare en duurzame energie levert via volledig functionerende, zekere en schokbestendige transmissienetwerken en die zorgt voor een vermindering van de vraag naar energie om zo de EU-bedrijven en -burgers op de meest duurzame, efficiënte, democratische en kosteneffectieve manier toegang te verlenen tot gas, elektriciteit, verwarming en koeling, de ruggengraat moet vormen van de toekomstige energie-unie; is daarom van mening dat een verdere uitbreiding van bestaande marktgebieden moet worden nagestreefd; acht het van fundamenteel belang om de integratie van prosumenten in de EU-markt en het EU-netwerk te bevorderen; wijst op de enorme tekortkomingen die rurale gemeenschappen in de hele EU ervaren als gevolg van een slechte energieconnectiviteit;

49.  erkent dat er momenteel geen interne markt voor energie in Europa bestaat en dat de resulterende versnippering binnen de energiemarkten van de EU uitermate schadelijk is voor het concurrentievermogen en de energiezekerheid van de EU;

50.  herinnert eraan dat de energiemarkt zich onderscheidt van de financiële markten door haar onderliggende fysieke activa, waardoor het systeemrisico in de energiesector wordt geëlimineerd; acht het in dit verband noodzakelijk om financiële regelgeving toe te passen, die ook de energiesector omvat, en wel op een zodanige wijze dat de ontwikkeling van een goed functionerende interne energiemarkt niet wordt verstoord;

51.  benadrukt dat om de werkelijke efficiëntie en kosteneffectiviteit te beoordelen, de directe en externe kosten van verschillende energiebronnen en de gevolgen van alle soorten overheidsinterventies voor hun concurrentiepositie in aanmerking moeten worden genomen;

52.  is van mening dat marktgebaseerde mechanismen moeten worden aangevuld met tastbare en ambitieuze voorzieningszekerheids- en solidariteitsmechanismen, zoals een efficiënter crisisbeheer op regionaal en EU-niveau, de vaststelling van ambitieuze energiebesparingsmaatregelen en een geoptimaliseerd gebruik van infrastructuur voor de opslag van (vloeibaar) aardgas, voornamelijk ten behoeve van de zekerheid van de voorziening op regionale schaal, die hun weerslag moeten vinden in de EU-wetgeving, met inbegrip van de verordening inzake de veiligstelling van de aardgasvoorziening, die zo spoedig mogelijk moet worden herzien;

53.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de bestaande EU-wetgeving inzake staatssteun, energie, milieu en klimaat onverkort wordt uitgevoerd en gehandhaafd; verzoekt in het bijzonder om een evaluatie van de tenuitvoerlegging van het derde energiepakket en van de voordelen ervan voor de consument; verzoekt om de afschaffing van derogaties van het derde energiepakket en om de snelle goedkeuring en tenuitvoerlegging van Europese netcodes en richtsnoeren;

54.  verzoekt de Commissie om meer financiële middelen toe te wijzen aan het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) en onderstreept dat ACER toestemming moet worden verleend om extra personeel aan te werven teneinde de volledige en effectieve tenuitvoerlegging van de monitoring van energiemarkten mogelijk te maken met het oog op de integriteit en transparantie van de energiehandel en de naleving van de verordening betreffende de integriteit en transparantie van de groothandelsmarkt voor energie (REMIT), als voorafgaande voorwaarde voor de goede functionering van de interne energiemarkt van de EU; merkt op dat de bevoegdheden van ACER ten opzichte van het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit (ENTSB-E), het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor gas (ENSTB-G) en andere lichamen met essentiële EU-functies moeten worden versterkt om ervoor te zorgen dat ACER zijn in de desbetreffende EU-wetgeving gespecificeerde taken kan vervullen, en is van mening dat ACER betrekkingen moet aangaan met vertegenwoordigende verenigingen van distributiesysteembeheerders (DSB's), consumentenorganisaties en andere maatschappelijke groeperingen;

55.  herhaalt het belang van ontvlechting van eigendom zoals voorgesteld in het derde energiepakket; verzoekt de Commissie te beoordelen in hoeverre nationale toezichthouders de in de aanbevelingen van de Commissie voor de certificering van transmissiesysteembeheerders (TSB's) omschreven voorwaarden handhaven;

56.  betreurt het dat ENTSO-E en ENTSO-G te sterk afhankelijk zijn van begrotingstoewijzingen van nationale TSB's, wat een bedreiging vormt voor hun vermogen om als Europese spelers op te treden;

57.  verzoekt de Commissie om de regulering van en het toezicht op elektriciteitsuitwisselingen en haar marktactiviteiten als gashub op te voeren;

58.  benadrukt dat om onze solidariteit met betrekking tot noodstroomvoorziening te versterken en minder kwetsbaar te zijn voor verstoringen in de energievoorziening, zowel gas als elektrische energie op elk moment moet kunnen worden geëxporteerd; merkt in dit verband op dat de huidige stelsels voor grensoverschrijdende transmissie vaak worden gehinderd door beslissingen van nationale transmissiebeheerders; verzoekt ACER daarom deze kwestie meer te benadrukken in zijn jaarlijks toezichtverslag;

59.  wijst erop dat een volledig functionerende interne energiemarkt niet zal worden voltooid zolang er lidstaten zijn waarvan de elektriciteitssystemen afhankelijk zijn van een exploitant in een derde land en benadrukt het belang en de noodzaak van een synchrone werking van de netten van de Baltische staten binnen de netten van continentaal Europa tegen 2025;

60.  benadrukt dat een goed ontworpen toekomstig model voor de elektriciteitsmarkt in de EU dringend noodzakelijk is en gericht moet zijn op het bevorderen van de benodigde investeringen om de voorziening op de lange termijn te garanderen en op een meer op de markt gebaseerde en geoptimaliseerde, vanuit het oogpunt van de netwerkbeveiliging, integratie van hernieuwbare energiebronnen, daarbij ten volle rekening houdend met de veranderende aard van het aanbod van en de vraag naar energie, met inbegrip van de toegenomen verspreiding van micro-opwekking, vraag-responstechnologie en het groeiende aandeel van hernieuwbare energie; wijst in dit verband op de noodzaak van gemeenschappelijke normen voor slimme netten, die een belangrijk element vormen van de inspanningen om een stabiele levering en vrij grensoverschrijdend verkeer van energie te waarborgen en op die manier bij te dragen tot de energiezekerheid; benadrukt in dit verband voorts de rol die de ontwikkeling van slimmere energienetten en nieuwe energieopslagfaciliteiten kan spelen bij het verhogen van het niveau van de toepassing van hernieuwbare energiebronnen op Europese schaal en het garanderen dat deze infrastructuur samen met regionale hernieuwbare-energiehubs wordt ontwikkeld;

61.  roept de lidstaten en de Commissie, evenals de verdragsluitende partijen bij en het secretariaat van de Energiegemeenschap,] op hun inspanningen te richten op het stimuleren van PGB's en projecten van belang voor de Energiegemeenschap (PBEG's), met als doel te komen tot een pan-Europees elektriciteits- en gasnet dat de mogelijkheid biedt energie en gas door te geven tussen EU-landen afkomstig van meervoudige bronnen; is van mening dat het elektriciteitsnet het eveneens mogelijk zal maken energie over te brengen van gebieden met een overschot naar gebieden met een tekort, waardoor de markt onmiddellijk kan reageren op tekorten in de voorziening, waar deze zich ook voordoen, etmaal- en seizoenscycli kan compenseren, hernieuwbare energiebronnen kan integreren, de voorzieningszekerheid kan vergroten en de Europese energiemarkt een impuls kan geven; is van mening dat ernaar moet worden gestreefd naar versnelling van de goedkeurings- en vergunningsprocedure voor projecten en opwaardering van bestaande lijnen; benadrukt voorts dat deze inspanningen met name gericht moeten zijn op het oplossen van problemen met betrekking tot energie-eilanden;

62.  is tevreden met zijn resolutie van 15 december 2015 over het bereiken van het streefcijfer van 10 % voor de interconnectie van elektriciteit – Het Europese elektriciteitsnet voorbereiden voor 2020,

63.  herhaalt zijn steun voor het halen van het streefcijfer van 10 % voor de interconnectiecapaciteit om de interne energiemarkt in de EU te voltooien en is ingenomen met het voorstel van de Europese Raad voor een minimumniveau van elektriciteitsinterconnectie tussen de lidstaten van 15 % tegen 2030; erkent het belang van de verwezenlijking van een kwantitatieve doelstelling op het gebied van de interconnectiecapaciteit door de beschikbaarheid van bestaande nationale en grensoverschrijdende infrastructuur te waarborgen om ervoor te zorgen dat de Europese energiebronnen doelmatig worden ingezet en de voorzieningszekerheid wordt vergroot;

64.  benadrukt het belang van een deugdelijk, stabiel en voorspelbaar regelgevingskader dat langetermijnverbintenissen mogelijk maakt en dat nodig is om nieuwe investeringen in energie-infrastructuur tot stand te brengen; verzoekt de Commissie de tijd die het kost om projecten aan te merken als PGB's te verkorten; benadrukt dat de toepassing van slimme distributienetten moet worden vergemakkelijkt door versnelde vergunningsprocedures en door politieke steun en aangepaste wettelijke kaders voor netwerkbeheerders, waarbij de veranderende investeringsbehoeften worden onderkend en investeringen in ICT en automatisering evenveel worden gestimuleerd als investeringen in traditionele uitbreidingen van het net;

65.  benadrukt dat de energie-unie ook moet bijdragen aan de totstandbrenging van een "energie-investeringsunie" door ervoor te zorgen dat de meer dan 1 biljoen EUR aan investeringen die de komende jaren nodig zijn om de Europese economie nieuw leven in te blazen door particuliere en publieke investeerders wordt opgebracht; merkt op dat deze "energie-investeringsunie" kansen moet bieden voor grote investeerders, maar ook voor individuele consumenten en burgers; merkt op dat om een omgeving te creëren die particuliere financiering bevordert en daar optimaal gebruik van maakt, rechtszekerheid voor investeerders van cruciaal belang is; stelt met klem dat een dergelijk stabiel kader alleen kan worden verwezenlijkt door een sterk bestuurssysteem dat gelijke concurrentievoorwaarden en stabiele regelgevingsomstandigheden schept en het vertrouwen in de private sector bevordert;

66.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging van deze strategische infrastructuurprojecten moet bijdragen aan energiezekerheidsaspecten op middellange en lange termijn en volledig in overeenstemming moet zijn met de langetermijnverplichtingen van de EU ten aanzien van het terugdringen van de uitstoot van CO2 en met de EU-milieuvoorschriften en andere relevante wetgeving;

67.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om investeringen in kleinschaligere gas- en elektriciteitsinterconnectoren die aangrenzende regio's met elkaar verbinden even serieus te nemen als meer grootschalige PGB's; verzoekt de Commissie en de lidstaten om nauw samen te werken met regionale overheden bij het ontwikkelen van deze interconnectoren;

68.  wijst erop hoe belangrijk het is om de planning van de energievraag en -voorziening op het niveau van de interne energiemarkt van de EU te integreren, waarbij prioriteit dient te worden gegeven aan de vermindering van de vraag en aan gedecentraliseerde oplossingen, teneinde een kostenoptimale voorzieningszekerheid te bewerkstelligen en onnodige of al te grote infrastructuurinvesteringen en gestrande kosten te vermijden;

69.  meent dat de Commissie en de lidstaten, in verband met de enorme investeringen die nodig zijn voor verouderde en ontoereikende distributienetten en het feit dat de meeste hernieuwbare energiebronnen op distributienetniveau gekoppeld zijn, specifieke initiatieven moet overwegen om DSB-investeringen, waaronder financiële instrumenten, te stimuleren; beveelt sterk aan dat de lidstaten prioriteit geven aan dergelijke investeringen;

70.  verzoekt de Commissie duidelijk te maken hoe zij van plan is de 315 miljard euro van het Investeringsplan te gebruiken, in combinatie met andere bestaande fondsen, om het hefboompotentieel van het EFSI te maximaliseren en infrastructuur en projecten die noodzakelijk zijn om de energie-unie te voltooien te financieren;

71.  is van mening dat een intensievere regionale samenwerking en beleidscoördinatie een essentiële stap is op weg naar een bredere, EU-wijde integratie van de energiemarkt; is daarom voorstander van een regionale aanpak, zowel tussen lidstaten als met de contractpartijen bij de Energiegemeenschap om de voor zekere bevoorrading te zorgen en marktintegratie te versnellen, onder meer door de totstandbrenging van regionale hubs ter verbetering van de marktliquiditeit, in de eerste plaats in Midden- en Oost-Europa; benadrukt dat dergelijke samenwerkingsmechanismen de samenwerking op politiek gebied en in de energiemarkt zouden kunnen stroomlijnen en gezamenlijke besluiten over investeringen in essentiële gasinfrastructuur in de regio's zouden kunnen vergemakkelijken; is van mening dat kennis van en informatie over zaken als energieopslagfaciliteiten en aanbestedingsprocedures voor vloeibaar aardgas (LNG) en interconnectoren gezamenlijk zouden kunnen worden ontwikkeld; erkent de belangrijke rol van stroomuitwisselingen bij het bevorderen van een liquide, transparante en zekere energiehandel; wijst op het inherente potentieel van grensoverschrijdende projecten als hefboom voor EU-brede oplossingen;

72.  is voorstander van de integratie van de energiesystemen van kandidaat- en potentiële kandidaat-lidstaten door middel van een regionale aanpak binnen de toekomstige Europese energie-unie;

73.  onderstreept dat een intensievere regionale samenwerking kan bijdragen tot een grotere energiezekerheid, verbetering van de infrastructuurplanning, kostenoptimalisatie bij de integratie van hernieuwbare energiebronnen en lagere kosten voor consumenten;

74.  verwelkomt het belang dat de Commissie hecht aan versterkte regionale samenwerking; verzoekt de Commissie te onderzoeken en in kaart te brengen wat de optimale schaal van samenwerking is op het gebied van elektriciteits- en gasnetwerken (en -markten) in de EU; wijst erop dat in sommige gevallen de lidstaten zelf het best kunnen bepalen wat op hun grondgebied nodig is, terwijl in andere gevallen een door de EU gestuurde samenwerking duidelijk waarde toevoegt; wijst er echter op dat in bepaalde gevallen is geconstateerd dat, door middel van verreikende samenwerking op regionaal niveau op het gebied van gedeelde uitdagingen, groepen van lidstaten sneller resultaten hebben geboekt, zoals in het Pentalateraal Energieforum; is het met de Commissie eens dat bestaande regionale regelingen een model kunnen vormen voor de EU als geheel;

75.  nodigt de Commissie uit een macroregionale bestuursstructuur voor marktsamenwerking uit te werken, waarbinnen ook het Europees Parlement en de nationale parlementen een rol spelen. merkt op dat dit regionale bestuur gestoeld moet zijn op bestaande regionale geografische en marktentiteiten teneinde de grootst mogelijke kostenoptimalisatie te bereiken, met name i) Plan voor de interconnectie van de energiemarkten in het Oostzeegebied, ii) initiatieven voor de coördinatie van Zuidoost-Europa, iii) een groter Pentalateraal forum, en iv) het offshorenetwerkinitiatief van de landen aan de Noordzee; benadrukt dat in deze context de rol van ACER moet worden versterkt;

76.  roept de Commissie op studies te laten verrichten op het gebied van kostenoptimalisatie, waarin de voordelen van regionale samenwerking in voornoemde regio's worden beoordeeld en gekwantificeerd; is van oordeel dat de Commissie en de betrokken lidstaten op basis van dergelijke studies gezamenlijk een blauwdruk moeten ontwikkelen en uitvoeren voor de vestiging van deze macroregio's;

77.  vraagt de Commissie om bevordering en ondersteuning van de regionale samenwerkingsprojecten tussen beheerders van elektriciteits- en gasdistributienetten die centraal staan in de uitdagingen voor zekere, concurrerende en duurzame energie, door lokaal geproduceerde energie – met name hernieuwbare –, technologische veranderingen (slimme netten, slimme meters, etc.) en nieuwe productiemethoden en consumptiepatronen (elektrische voertuigen, etc.) te ondersteunen;

78.  verzoekt de Commissie uitwisselingen over de in en tussen de grondgebieden in Europa (regio's, plaatselijke overheden, gemeenten enzovoorts) uitgevoerde energieprojecten te bevorderen om afgevaardigden en burgers te informeren en erbij te betrekken;

79.  roept op tot de ontwikkeling van goed geïntegreerde en concurrerende regionale elektriciteits- en gasmarkten die de toereikendheid en flexibiliteit van het alle delen van de Unie dekkend energiesysteem waarborgen; verzoekt de Commissie doortastend en transparant op te treden tegen elke vorm van protectionisme, mededingingsverstorende gedragingen en belemmeringen voor het betreden en verlaten van de markt; benadrukt het belang van stabiele nationale reguleringskaders, het aanpakken van administratieve obstakels en het stroomlijnen van nationale administratieve procedures, ook om voor alle projecten van burgers gelijke voorwaarden te scheppen;

80.  wijst erop dat het om te komen tot een evenwicht op de interne markt nodig is om niet enkel te investeren in interconnectoren, maar eveneens in, onder meer, nationale netten, de uitrusting van op fossiele brandstoffen draaiende energiecentrales met CO2-afvangtechnologie en nieuwe kerncentrales in de lidstaten die dat wensen, als cruciale bron van koolstofarme basislaststroom, opslagcapaciteit (zoals LPG-terminals), slimme netten en flexibele opwekking, om te kunnen omgaan met een verbeterde productie van hernieuwbare energie en gedecentraliseerde energieproductie;

81.  benadrukt dat het nodig is een rechtskader te creëren dat consumenten meer invloed geeft en hen op een actieve manier doet deelnemen aan de markt als investeerders, producenten en belanghebbenden door middel van dynamische prijsstelling en het openstellen van markten voor bronnen aan zowel de aanbod- als de vraagzijde; wijst erop dat de betrokkenheid van burgers onder meer kan worden versterkt door middel van financiële participatie, energiecoöperaties, micro-opwekking en -opslag, verbruik van zelf opgewekte energie, decentralisatie van de energievoorziening, de invoering van energiesystemen op basis van slimme netten, met inbegrip van slimme meters, meer concurrentie op de retailmarkt en volledige transparantie en flexibiliteit op het vlak van prijzen en consumentenkeuzes;

82.  benadrukt dat prosumenten die opslagcapaciteit aan het net aanbieden moeten worden beloond en dat zij moeten worden aangemoedigd om hun eigen groene elektriciteitsproductie te verbruiken zonder dat ze daarvoor worden gestraft; wijst erop dat dergelijke initiatieven kunnen bijdragen tot een concurrerender en goed functionerende interne energiemarkt, wat op zijn beurt zou kunnen bijdragen tot een verbetering van de schokbestendigheid van lokale gemeenschappen en de creatie van lokale banen en welvaart en tot lagere totale energierekeningen voor consumenten, en ernstige sociale problemen, zoals energiearmoede en kwetsbare consumenten, zou helpen aangepakt; verzoekt de Commissie effectbeoordelingen en beste praktijken van op nationaal niveau genomen maatregelen ter bestrijding van energiearmoede te verzamelen en ervoor te zorgen dat deze beste praktijken centraal worden beheerd en bevorderd door een speciaal voor dat doel aangewezen Europees orgaan; onderstreept dat er toereikende maatregelen moeten worden genomen om gegevensbescherming te garanderen voor consumenten die rechtstreeks aan de markt deelnemen;

83.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de verdere ontwikkeling en uitbreiding van lokale en regionale hernieuwbare energiebronnen en van lokale en regionale distributienetten en stadsverwarmingsnetten te bevorderen via beleidsmaatregelen die de bestaande belemmeringen aanpakken en helpen bij de totstandbrenging van een marktverschuiving; verzoekt de Commissie richtsnoeren voor te stellen inzake het verbruik van zelf opgewekte energie teneinde dit gebruik te bevorderen en de rechten van de consumenten te beschermen;

84.  roept de Commissie en de lidstaten op het gebruik van zelf opgewekte energie en micro-opwekking aan te moedigen middels regelingen voor hernieuwbare energie die gericht zijn op de meest kwetsbare consumenten;

85.  verzoekt de Commissie om lokale actoren in het energiebeleid van de Unie te integreren en een voorstel in te dienen voor de oprichting van decentrale centra voor advies en capaciteitsopbouw om lokale overheden te steunen bij het op gelijke voet behandelen van energieproducenten, en voor het ondersteunen van de ontwikkeling van lokale energieproductie door coöperaties, lokale bedrijven en gemeentelijke autoriteiten;

86.  benadrukt dat het noodzakelijk is de beste lokale praktijken te ontwikkelen en de verspreiding ervan in de Unie te bevorderen, de coördinatie tussen plaatselijke maatregelen en Europees beleid te verbeteren en te werken aan de uitdagingen met betrekking tot de lokale aanvaardbaarheid van de energieprojecten; stelt voor een "Europees forum van regio's" op te richten;

87.  is van mening dat alle EU-consumenten in gelijke mate moeten profiteren van een interne markt voor gas en elektriciteit; onderstreept in dit verband dat de huidige prijsverschillen tussen nationale markten, die het gevolg zijn van het gebrek aan marktintegratie en interconnecties, niet langer mogen worden getolereerd; dringt er bij de Commissie op aan om snel maatregelen voor te stellen die een grotere prijsconvergentie en marktintegratie binnen de Unie moeten verwezenlijken;

88.  onderstreept het positieve effect dat marktintegratie heeft gehad op de groothandelsprijzen en uiteindelijk op de retailprijzen in de elektriciteitssector; is van mening dat een herziene energiemarkt groothandel- en retailmarkten beter met elkaar moet verbinden, zal bijdragen tot het wegnemen van belemmeringen in groothandel- en retailmarkten en zal zorgen voor keuzevrijheid tussen energieleveranciers voor de consument;

89.  is van mening dat in het kader van elke herziening van de retailmarkt voor energie ernstig moet worden overwogen om aanvullende maatregelen vast te stellen om consumenten te beschermen, zoals het aanmoedigen en bevorderen van collectieve overstapregelingen, het invoeren van de verplichting dat energierekeningen vergelijkingen met concurrenten op basis van historische verbruikspatronen bevatten, het verplichten van leveranciers om hun klanten te plaatsen in het meest gunstige tarief dat beschikbaar is, en het invoeren van een beperkt aantal, gemakkelijk te vergelijken gestandaardiseerde tarieven;

90.  verzoekt de Commissie om bij het vaststellen van de routekaart voor het geleidelijk afschaffen van gereguleerde prijzen de mogelijkheid van prijsregulering en standaardisering van tariefstructuren in stand te houden indien deze zijn bedoeld om marktverstorende opbrengsten van monopolieposities of gratis winsten te beperken met het oog op de bescherming van kwetsbare consumenten of een betere vergelijkbaarheid van tarieven van concurrerende leveranciers;

91.  verzoekt de Commissie de ontwikkeling van de eindprijzen van energie in Europa te monitoren, met inbegrip van belastingen, heffingen, subsidies en andere verborgen kosten, teneinde maatregelen te identificeren die kunnen helpen om deze prijzen omlaag te krijgen;

Energie-efficiëntie als bijdrage aan de matiging van de energievraag

92.  herinnert aan de resoluties van het Europees Parlement van 5 februari 2014, 26 november 2014 en 14 oktober 2015, waarin het Parlement heeft gevraagd om drie bindende energie- en klimaatdoelstellingen voor 2030, in het bijzonder de energie-efficiëntiedoelstelling van 40 %; benadrukt dat de energie-efficiëntiedoelstelling van de EU voor de periode na 2020 bindend moet zijn en moet worden verwezenlijkt door middel van individuele nationale doelstellingen; dringt er bij de Commissie op aan verschillende energie-efficiëntiescenario's voor 2030 te ontwikkelen, ook voor de door het Parlement bepaalde doelstelling van 40 %; dringt er bij de Raad, die heeft opgeroepen tot een EU-brede doelstelling van ten minste 27 %, op aan om zijn doelstelling naar boven bij te stellen in overeenstemming met de door het Parlement aangenomen doelstelling;

93.  wijst erop dat ambitieuze en haalbare verbeteringen op het vlak van energie-efficiëntie, die worden nagestreefd in het belang van cohesie, solidariteit en kosteneffectiviteit, een belangrijke impuls zouden kunnen geven aan de energiezekerheid, het concurrentievermogen, banen en groei, het laag houden van de kosten voor consumenten, de bestrijding van energiearmoede en de verwezenlijking van de klimaat- en energiedoelstellingen;

94.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om het beginsel van "energie-efficiëntie eerst" toe te passen; merkt op dat energie-efficiëntie volgens het Internationaal Energieagentschap de "eerste brandstof" is en investeringen in energie-efficiëntie van alle energiebronnen het beste rendement opleveren; benadrukt dat verbeteringen van de energie-efficiëntie, en met name terugdringing van het energieverlies in gebouwen, als cruciaal effect hebben dat zij de EU-invoer van energie uit derde landen verlagen, aangezien 61 % van het in de Europese Unie ingevoerde gas wordt gebruikt in gebouwen, voornamelijk voor verwarming; vraagt in dit verband dat energie-efficiëntie en infrastructuurprojecten worden behandeld als essentiële investeringen die even belangrijk zijn als investeringen in nieuwe opwekkingscapaciteit;

95.  benadrukt dat verbeterde energie-efficiëntie zowel de energierekeningen van huishoudens en van de industrie zal doen dalen als de afhankelijkheid van de EU van invoer uit derde landen fors zal verminderen; onderstreept dat energie-efficiëntiemaatregelen het potentieel hebben om tussen nu en 2020 twee miljoen banen te scheppen, met name in de bouwsector, die 40 % van de totale vraag naar energie in de EU voor zijn rekening neemt; benadrukt echter dat verbeteringen van de energie-efficiëntie een aanvulling moeten vormen op de diversifiëring van de energievoorziening;

96.  verzoekt de Commissie om resterende hindernissen voor energie-efficiëntiemaatregelen te identificeren en weg te nemen en een echte markt voor energie-efficiëntie te verwezenlijken teneinde de overdracht van beste praktijken te ondersteunen en ervoor te zorgen dat producten en oplossingen beschikbaar zijn in de hele EU met het oog op het verwezenlijken van een echte interne markt voor energie-efficiëntieproducten en -diensten;

97.  benadrukt dat het voor het verminderen van de energievraag noodzakelijk is om door middel van de juiste stimuleringsmaatregelen te zorgen dat er meer en diepgaander gerenoveerd wordt en er meer hernieuwbare energie wordt gebruikt voor verwarming en koeling; beveelt aan om energie-efficiëntienormen voor gebouwen verder te verhogen, waarbij rekening wordt gehouden en aangedrongen wordt op technische innovaties, met name door het gebruik van modellering van gebouweninformatie en leefcyclusimpactsimulaties van bouwproducten in openbare aanbestedingen; beveelt voorts aan om de bouw van bijna-energieneutrale gebouwen te blijven ondersteunen, als een bijkomende, essentiële stap op weg naar energie-onafhankelijkheid en een duurzaam en veilig energiesysteem;

98.  onderstreept dat de tot dusver gedane investeringen in verbeteringen van de energie-efficiëntie moeten worden erkend en dat daar naar behoren rekening mee moet worden gehouden in de debatten over energie-efficiëntie in de EU;

99.  is van oordeel dat het bedrijfsleven eerst duidelijke signalen van beleidsmakers moet krijgen voordat de noodzakelijke investeringen voor het verwezenlijken van de energiedoelstellingen zullen worden gedaan; wijst daarom op de noodzaak van ambitieuze doelstellingen en een wettelijk kader dat innovatie bevordert zonder onnodige administratieve lasten te creëren om energie-efficiëntie op de best mogelijke manier te bevorderen binnen een nationale context;

100.  is van mening dat de energie-efficiëntiedoelstelling niet los mag worden gezien van de energie- en klimaatdoelstellingen en het concurrentievermogen van de EU-economie ten opzichte van haar belangrijkste handelspartners moet versterken;

101.  benadrukt dat een herziening van de bestaande regelgeving op het vlak van energie-efficiëntie, met inbegrip van de richtlijn energieprestatie van gebouwen en de richtlijn energie-efficiëntie, nodig is, naast een behoorlijke tenuitvoerlegging van deze wetgeving door de lidstaten, om de verwezenlijking van het reeds geldende nationale beleid, dat past binnen het klimaat- en energiekader 2020, te vergemakkelijken en aan te vullen; verzoekt de Commissie de in de bijlage bij de kaderstrategie voor een energie-unie vastgelegde EU-regelgeving inzake energie-efficiëntie te herzien;

102.  benadrukt dat het EU-energielabel een rol speelt in de empowerment en de voorlichting van consumenten door middel van accurate, relevante en vergelijkbare informatie over de energie-efficiëntie van energiegerelateerde producten; benadrukt dat het energielabel moet worden herzien om energie-efficiënte keuzes van consumenten verder te vergemakkelijken en de vervaardiging van energie-efficiënte producten te stimuleren;

103.  wijst op het succes en verdere potentieel van ecodesign voor het verbeteren van de energie-efficiëntie en het energieverbruik van producten en bijgevolg het verlagen van de energiekosten en het energieverbruik van huishoudens en het terugdringen van broeikasgasemissies; verzoekt de Commissie verdere uitvoeringsmaatregelen in te voeren, rekening houdend met de bredere agenda voor hulpbronnenefficiëntie, en bestaande maatregelen te herzien om de geschiktheid hiervan te waarborgen;

104.  erkent de essentiële rol van plaatselijke autoriteiten, bedrijven en burgers bij het vergroten van de energieonafhankelijkheid door de energie-efficiëntie te verhogen door middel van betere stadsplanning, de ontwikkeling van energiegerelateerde internet- en ICT-technologieën, de uitrol van slimme netten, vraagzijde-energiebeheer, warmtekrachtkoppeling, infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en warmtepomptoepassingen, het verbruik van zelf opgewekte energie, en de creatie, modernisering en uitbreiding van stadsverwarmings- en koelingssystemen; benadrukt de noodzaak om burgerinitiatieven aan te moedigen, zoals coöperatieve of gemeenschapsprojecten op het gebied van hernieuwbare energie, om het verband tussen burgers en leveranciers van energiediensten te bevorderen, om in te zetten op actievere en ecologisch duurzamere vervoersmethoden, om "slimme steden"-oplossingen te ontwikkelen en toe te passen, om toekomstbestendige distributie-infrastructuur in gebruik te nemen teneinde stedelijke ecomobiliteit te ondersteunen, en om de renovatie en isolatie van gebouwen te bevorderen, met inbegrip van homogene isolatie; stelt voor om alle bestuurspartners op de verschillende niveaus samen te brengen in een operationele interface waarbij het Burgemeestersconvenant actief wordt betrokken;

105.  acht het een absolute prioriteit om financieringsinstrumenten en -tools te ontwikkelen, alsmede innovatieve modellen om publieke middelen te mobiliseren en private financiering aan te trekken op lokaal, nationaal, regionaal en Europees niveau teneinde investeringen in belangrijke energie-efficiëntiesectoren zoals de renovatie van gebouwen te ondersteunen, waarbij voldoende aandacht moet worden besteed aan de specifieke kenmerken van langetermijninvesteringen; benadrukt in dit verband de rol van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) en het (door de EIB beheerde) EFSI en dringt aan op de noodzaak om nationale stimuleringsbanken daar volledig bij te betrekken; erkent dat deze instrumenten geflankeerd moeten worden door gerichte technische bijstand; wijst op de noodzaak van kosteneffectiviteit van energie-efficiëntieregelingen in openbare gebouwen; verzoekt de Commissie om al deze elementen in aanmerking te nemen bij het ontwikkelen van het "Slimme financiering voor slimme gebouwen"-initiatief;

106.  is van mening dat de diverse Europese fondsen die verbeteringen van de energie-efficiëntie financieren zich sterker moeten richten op en meer prioriteit moeten geven aan kwetsbare consumenten met een laag inkomen en het aanpakken van gescheiden prikkels voor eigenaars en huurders van een gebouw of voor verschillende eigenaars;

107.  roept de Commissie op om in overleg met de passende bedrijfstakken en nationale, regionale en plaatselijke belanghebbenden optimale werkwijzen te identificeren voor de financiering van energie-efficiëntie in de hele EU en daarbuiten en vervolgens innoverende financieringsmechanismen op te nemen in het kader van de EBWO, de EIB en andere EU-fondsen;

108.  benadrukt dat de ontwikkeling van een nieuwe cultuur van essentieel belang is om de energie-efficiëntie- en klimaatveranderingsdoelstellingen te verwezenlijken; verzoekt de lidstaten om het bewustzijn onder jongere generaties te vergroten via geschikte onderwijsmodules op scholen, zodat nieuw verbruiksgedrag kan worden aangeleerd;

Op weg naar een duurzame economie

109.  herinnert eraan dat het in oktober 2014 bereikte akkoord van de Europese Raad over het kader voor het klimaat- en energiebeleid voor 2030 een engagement bevat van een interne vermindering van de broeikasgasemissies met minstens 40 % ten opzichte van 1990, als basis voor de ontwikkeling van de decarboniseringsdimensie van de energie-unie; merkt op dat met dit besluit ook de meest ambitieuze bijdrage wordt geleverd aan het internationale klimaatoverleg met het oog op de totstandbrenging van een bindende klimaatovereenkomst tijdens de 21e Conferentie (COP21) van de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) in Parijs, in december 2015;

110.  benadrukt het feit dat op de COP21 een algemeen, ambitieus en bindend akkoord moet worden gesloten met degelijke garanties voor een beperking van de temperatuurstijging tot maximum 2° C ten opzichte van het pre-industriële niveau, evenals een mondiaal, robuust en gemeenschappelijk systeem voor transparantie en verantwoording dat monitoring, rapportageverplichtingen en een doeltreffende en efficiënte nalevingsregeling omvat; is van mening dat de internationale klimaatregeling voor de periode na 2020 bepalingen moet bevatten om ambitieuzere doelstellingen mogelijk te maken, kostenefficiënte reductie-inspanningen te ondersteunen en mogelijkheden te bieden voor het waarborgen van de milieu-integriteit en duurzame ontwikkeling; benadrukt dat er een sterk engagement nodig is voor een vermindering van de emissies van de grootste vervuilers ter wereld; benadrukt dat de Europese diplomatie een fundamentele rol moet spelen op het gebied van klimaat en energie;

111.  herinnert eraan dat de beperking van de stijging van de mondiale temperatuur met gemiddeld 2° C geen garantie biedt dat aanzienlijke negatieve invloeden op het klimaat zullen worden voorkomen; benadrukt het feit dat de uitfasering van de wereldwijde koolstofemissies tegen 2050 of kort daarna nodig is om de wereld op een kosteneffectief emissietraject te houden dat verenigbaar is met de doelstelling van minder dan 2° C;

112.  is van mening dat de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen van essentieel belang is voor de energie-unie, gelet op de energiekosten; benadrukt de cruciale rol die hernieuwbare energiebronnen in de EU spelen met het oog op de verwezenlijking van energiezekerheid en politieke en economische onafhankelijkheid door de behoefte aan energie-invoer te verminderen; onderstreept de cruciale rol van hernieuwbare energiebronnen voor het verbeteren van de luchtkwaliteit, het scheppen van banen en het aanjagen van de groei; is van mening dat hernieuwbare energiebronnen goed zijn voor duurzame, concurrerende en betaalbare energie en belangrijk zijn voor het streven naar Europees leiderschap op het gebied van groene economie en de ontwikkeling van nieuwe industrieën en technologieën; benadrukt in dit opzicht dat de huidige energiemarktstructuur moet worden verbeterd om hernieuwbare energiebronnen te integreren in de markt; benadrukt dat de productiekosten van hernieuwbare energiebronnen de laatste jaren aanzienlijk zijn gedaald; benadrukt het belang van de ontwikkeling van grensoverschrijdende infrastructuur en de bevordering van onderzoek en innovatie op het gebied van de ontwikkeling van slimmere energienetten en nieuwe energieopslagmethodes, alsook flexibele opwekkingstechnologieën, voor de integratie van hernieuwbare energiebronnen;

113.  is ingenomen met het streven van de Commissie om van de Europese Unie "de wereldleider op het vlak van hernieuwbare energie" te maken; dringt er bij de Commissie op aan om daarvoor een operationele en werkbare strategie te presenteren; verzoekt de lidstaten en de Commissie om te zorgen voor transparantie, samenhang, stabiliteit en continuïteit in het regelgevingskader voor hernieuwbare energie en om veranderingen met terugwerkende kracht in de economische omstandigheden van investeringen te vermijden, teneinde het vertrouwen van investeerders te versterken en bij te dragen tot een kostenefficiënte inzet van hernieuwbare energie in de EU-regio's; benadrukt dat de steunregelingen beter gecoördineerd moeten worden, in overeenstemming met de door de Europese Commissie opgestelde richtsnoeren voor het ontwerp van steunregelingen voor hernieuwbare energie, teneinde mogelijke marktverstoringen te voorkomen en een efficiënte bevordering van hernieuwbare energie te waarborgen; benadrukt dat de juiste marktvoorwaarden voor investeringen in energie-efficiëntie, hernieuwbare energiebronnen en slimme infrastructuur van cruciaal belang zijn voor het terugdringen van de broeikasgasemissies; onderstreept dat de energie-unie marktgebaseerde instrumenten voor de bevordering van de energiebronnen van Europa moet optimaliseren als middel voor een zo kosteneffectief en milieuvriendelijk mogelijke energietransitie;

114.  benadrukt dat de EU moet zorgen voor een gelijk speelveld met betrekking tot nationale subsidies en stelsels voor staatssteun, dat de marktdominantie van bepaalde technologieën en marktdeelnemers niet oneerlijk versterkt, gelet op de transformatie van onze energiesystemen; is in dit opzicht ingenomen met het verslag van de Commissie van 10 oktober 2014 over subsidies en kosten van energie in de EU en roept de Commissie op om dit verslag jaarlijks bij te werken zodat beter kan worden vastgesteld welke sectoren en gebieden behoefte hebben aan extra financiële middelen en welke sectoren gevoelig zijn voor marktverstoring ten gevolge van subsidies;

115.  benadrukt dat het belang noodzakelijk is subsidies af te schaffen die een schadelijk effect hebben op het milieu, en wijst erop dat dergelijke subsidies dringend moeten worden geïdentificeerd en geleidelijk worden afgebouwd, omdat ze publieke gelden verspillen die eerst worden gebruikt om vervuilende praktijken te ondersteunen en vervolgens voor het wegwerken van de veroorzaakte vervuiling;

116.  benadrukt dat de overgang naar een concurrerende en duurzame koolstofarme economie ruime kansen biedt in de zin van nieuwe banen, innovatie, groei en lagere commerciële en binnenlandse energierekeningen; erkent echter dat deze kansen alleen kunnen worden benut door middel van krachtige samenwerking tussen de Commissie, de lidstaten, lokale en regionale overheden, de burgers en de industrie, hetgeen zou moeten leiden tot de meest effectieve stimulansen en regelgevingskaders; wijst erop dat goed beheerde decarbonisatie niet zou moeten leiden tot hogere energiekosten, energiearmoede, de-industrialisering van de Europese economie of een toename van de werkloosheid; dringt er daarom op aan om de sociale partners actief te betrekken bij het beheersen van de sociale effecten van de overgang naar een duurzame energie-unie; benadrukt dat de EU een EU-breed en tegelijkertijd marktgebaseerd en technologieneutraal beleid nodig heeft, waarin rekening wordt gehouden met alle relevante wetgeving en de toepasselijke EU-doelstellingen, die moeten worden verwezenlijkt tegen zo min mogelijk kosten voor de samenleving;

117.  brengt in herinnering dat de fotovoltaïsche industrie de basis moet vormen van het Europees industrieel beleid om aan de eisen te voldoen van een groeiende mondiale markt in een context waar de bulk van fotovoltaïsche cellen en modules vandaag de dag wordt geproduceerd buiten de Europese Unie, met name in China; benadrukt dat de EU volledig deel moet uitmaken van deze nieuwe investeringscyclus teneinde de leidende positie te behouden op het gebied van O&O, machineonderdelen en bepaalde andere segmenten, zoals voor omvormers en andere onderdelen van het zonne-energiebalanssysteem, en teneinde het leiderschap op het gebied van de productie van apparatuur (cellen en modules) te herstellen; is van oordeel dat de EU zich tot doel moet stellen om tegen 2020 ten minste aan 20 % van haar eigen marktvraag met intern geproduceerde cellen en modules te kunnen voldoen;

118.  erkent de voordelen van een toenemend gebruik van hernieuwbare energie op de warmtemarkt, met name in gebouwen; benadrukt dat de grotere flexibiliteit van warmte-infrastructuur en -opslag de integratie van intermitterende hernieuwbare bronnen vergemakkelijkt door energie op te slaan in de vorm van warmte; herhaalt dat de energiezekerheid kan worden vergroot door de ontwikkeling van netwerken voor stadsverwarming/koeling, die een ideaal middel zijn om duurzame warmte op grote schaal in steden te integreren, aangezien ze tegelijkertijd warmte afkomstig van diverse bronnen kunnen leveren en niet inherent afhankelijk zijn van één bron;

119.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat lidstaten minimumniveaus voor productie van hernieuwbare energie op nieuwe en gerenoveerde gebouwen vereisen en dat projecten met betrekking tot hernieuwbare energie profiteren van snelle administratieve en netwerkverbindingsprocedures, met name door artikel 13, lid 4, en artikel 13, lid 1, onder f), van Richtlijn 2009/28/EG en artikel 7, lid 3 van Richtlijn 2009/72/EG te handhaven; verzoekt de Commissie om bij de herziening van de bestaande relevante wetgeving het aantal gebouwen te vergroten dat is uitgerust met systemen voor hernieuwbare energie, om éénloketsystemen voor administratieve procedures te vereisen voor kleinschalige hernieuwbare-energieprojecten, evenals eenvoudige kennisgevingsprocedures voor de installatie van hernieuwbare energie waarvan de productie volledig zelf wordt verbruikt, en om een kader te creëren voor innovatieve netwerkverbindingsregelingen en voor de handel van netwerkdiensten op distributienetwerkniveau;

120.  vraagt de Commissie een EU-strategie voor verwarming en koeling uit te werken waarin alle acties en synergieën in kaart worden gebracht die noodzakelijk zijn in de woonsector en de commerciële en industriële sector om deze afhankelijkheid te verminderen en tegelijkertijd bij te dragen aan de energie- en klimaatdoelstellingen van de EU, energiebesparingen te verwezenlijken, het concurrentievermogen van de Europese economie te versterken, groei en werkgelegenheid te stimuleren en systeeminnovatie te bevorderen; benadrukt dat deze strategie voor verwarming en koeling alle vijf dimensies van de energie-unie dient te bestrijken;

121.  benadrukt dat waterkracht een belangrijke, eigen, hernieuwbare en veilige energiebron is die 11 % van de totale Europese elektriciteitsproductie voor zijn rekening neemt; benadrukt dat waterkracht derhalve een belangrijke rol zal blijven vervullen bij de elektriciteitsproductie en opslag, en een belangrijke bijdrage zal leveren aan de decarbonisatie van de Europese economie en het verminderen van de afhankelijkheid van de EU van externe energiebronnen;

122.  vraagt om specifieke aandacht voor mariene hernieuwbare energie, overeenkomstig de mededeling van de Commissie inzake de blauwe economie, als industrie met groot potentieel, maar die nog minder gevestigd is dan overige hernieuwbare sectoren;

123.  merkt op dat het integreren van een steeds groter aandeel aan binnenlands geproduceerde biogassen een positieve bijdrage kan leveren aan de energiezekerheid; onderstreept in dit kader de noodzaak om de bestaande gasinfrastructuur voor dat doel te behouden;

124.  wijst erop dat biomassa uit duurzame bosbouw een bijdrage kan leveren aan het bereiken van de klimaat- en energiedoelstellingen van het kader voor 2030;

125.  merkt op dat het huidige EU-beleid voor biobrandstoffen door velen is bekritiseerd, omdat het geen rekening houdt met broeikasgasemissies in verband met indirecte veranderingen in landgebruik (indirect land-use change, ILUC), die kunnen worden veroorzaakt wanneer de bestaande landbouwproductie wordt verplaatst naar onbebouwd land, zowel binnen als buiten de EU;

126.  is van mening dat in het kader van een duurzame benadering van de verwezenlijking van de EU-doelstellingen inzake energiezekerheid het gebruik van op het land geteelde biobrandstoffen niet verder mag worden uitgebreid en dat het verbeteren van de brandstofefficiëntie van voertuigen, het terugdringen van de vraag naar transport, het beperken van de intensieve veehouderij en het doen toenemen van het gebruik van biobrandstoffen uit afval en residuen die geen extra veranderingen in landgebruik veroorzaken, betere opties zijn;

127.  kijkt uit naar en dringt aan op steun voor projecten en investeringen die gebruikmaken van koolstofafval als grondstof voor koolstofarme chemicaliën en geavanceerde biobrandstoffen (bijv. door microben te gebruiken die groeien op koolstofrijke afvalgassen en deze om te zetten in brandstoffen en chemicaliën die op basis van fossiele hulpbronnen (of biobrandstoffen van de eerste generatie) geproduceerde brandstoffen en chemicaliën vervangen), waardoor emissies en verontreinigende stoffen uit industriële processen, zoals staalbereiding, worden beperkt;

128.  wijst erop dat afval in een ware circulaire economie als grondstof weer in de economie moet worden gepompt, teneinde de toegevoegde waarde van een product zo lang mogelijk te behouden en is derhalve van mening dat de voorbereiding voor hergebruik en recycling een veel hogere prioriteit heeft dan verbranding; wijst erop dat veel lidstaten reeds een overcapaciteit aan verbrandingsinstallaties hebben; benadrukt de noodzaak van een betere planning en uitwisseling van informatie en het voorkomen van lock-ineffecten; dringt er bij de Commissie op aan rekening te houden met het verband tussen de energie-unie en de circulaire economie;

129.  herinnert eraan dat de Europese industrie en de Europese kmo's van vitaal belang zijn voor de Europese economie, en erkent dat het concurrentievermogen van de Europese industrie en de Europese kmo's veel baat zou hebben bij lagere energiekosten;

130.  onderstreept dat innovatie en modernisering met het oog op energie- en hulpbronefficiëntere industriële processen bijdragen tot de versterking van het concurrentievermogen van de industrie in de EU; wijst op innovatie in hernieuwbare verwarmingstechnologieën die de invoer en de energiekosten zou kunnen doen verminderen en de prestaties van het systeem zouden kunnen verbeteren, in de context van de vraag naar verwarming tot hoge temperaturen in industriële sectoren; wijst erop dat de grote uitdaging van renovatie en modernisering van het gebouwenbestand in Europa een markt voor hoogpresterende bouwmaterialen, -apparatuur en -uitrusting creëert, en daarmee een belangrijke kans vormt voor Europese fabrikanten en installateurs in de bouwsector om te innoveren en banen te creëren die niet kunnen worden verplaatst;

131.  merkt op dat de wijze waarop de klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 worden bereikt, deel zou moeten uitmaken van het industriebeleid van de lidstaten, rekening houdend met de behoefte aan herindustrialisatie; is van mening dat het regelgevingskader van de EU en de doelstellingen van het klimaat- en energiebeleid van de EU consistent moeten zijn en moeten uitgaan van een flexibelere, meer marktgerichte benadering met het oog op een schokbestendige energie-unie waarin de politieke klimaatdoelstellingen voor 2030 en de herindustrialisatiedoelstellingen moeten worden geïntegreerd om het industriebeleid van de lidstaten aan te vullen;

132.  benadrukt dat effectief gebruik van onderzoek en technologische innovatie de leidende positie van de Europese industrie bevordert en het concurrentievoordeel en de commerciële levensvatbaarheid van het Europese bedrijfsleven en de Europese industrie versterkt, banen creëert en tegelijk bijdraagt aan de verwezenlijking van de belangrijkste EU-beleidsdoelstellingen voor energie en klimaat, met inbegrip van reductie van de vraag naar energie, voorzieningszekerheid, concurrentievermogen en duurzame ontwikkeling van energieproductie, -distributie, -transport en -verbruik, bestrijding van de energiearmoede en de verwezenlijking van de EU-doelstellingen met betrekking tot broeikasgasemissies, hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie en optimale benutting van de energiebronnen van Europa;

133.  verzoekt de Commissie om het concurrentievermogen van energie-intensieve industrieën veilig te stellen en te zorgen voor planningszekerheid op de lange termijn voor industriële investeringen waarin het streven van de Commissie om de bijdrage van de industrie aan het bbp te laten stijgen tot niet minder dan 20 % in 2020 moet worden weerspiegeld;

134.  onderstreept dat het emissiehandelssysteem (Emissions Trading System, ETS) een sleutelrol speelt als kostenefficiënt, op de markt gebaseerd instrument om de Europese energiehuishouding koolstofvrij te maken en om het streefdoel van de EU inzake emissievermindering voor 2030 en daarna te realiseren; benadrukt het feit dat naast de marktstabiliteitsreserve (Market Stability Reserve, MSR) een structurele hervorming ten uitvoer moet worden gelegd van het ETS na 2020, om rekening te houden met het streefdoel inzake CO2-vermindering tegen 2030, inclusief, zolang geen vergelijkbare inspanningen worden ondernomen in andere grote economieën, tastbare en meer geharmoniseerde maatregelen op EU-niveau inzake koolstoflekkage;

135.  verzoekt de Commissie de kwestie van indirecte koolstofkosten en de gevolgen hiervan voor (en het aandeel hiervan in) elektriciteitsprijzen in de lidstaten verder te onderzoeken;

136.  benadrukt dat ETS-inkomsten met name moeten worden gebruikt voor het ondersteunen van koolstofarme innovatie, energie-efficiëntie en andere maatregelen ter beperking van de CO2-uitstoot, met name in energie-intensieve sectoren;

137.  erkent dat de energiebronnen van Europa en efficiënte technologieën zoals warmtekrachtkoppeling een fundamentele bijdrage zouden leveren aan de energiezekerheid van de EU en de verwezenlijking van de broeikasgasreductiedoelstellingen; is in dit opzicht van mening dat in het kader van de energie-unie het recht van de lidstaten om de veilige en duurzame koolstofarme energiebronnen waarover ze beschikken te gebruiken moet worden erkend;

138.  erkent dat de keuze voor de energiemix primair een bevoegdheid van de lidstaten is, maar onderkent ook de zorgen die leven bij het publiek over hydrofracturering en de gevolgen die deze technologie mogelijk heeft voor het klimaat, het milieu en de volksgezondheid en de verwezenlijking van het langetermijndoel van decarbonisatie van de EU; erkent voorts dat het beperkte potentieel van onconventionele brandstoffen om te voldoen aan de toekomstige energievraag in de EU, in combinatie met de hoge investerings- en exploitatiekosten en de huidige wereldwijd lage olieprijzen, betekent dat het twijfelachtig is of hydrofracturering in de Europese Unie een levensvatbare technologie kan worden; is van mening dat de zorgen van het publiek serieus moeten worden genomen en dat hydrofractureringsactiviteiten moeten voldoen aan de hoogste klimaat-, milieu- en volksgezondheidsnormen; vraagt de lidstaten die voornemens zijn om hydrofracturering toe te passen om de aanbeveling van de Commissie van 2014 betreffende de minimumbeginselen voor de exploratie en productie van koolwaterstoffen (zoals schaliegas) met gebruikmaking van grootvolumehydrofracturering te respecteren;

139.  verzoekt de Commissie en de lidstaten actief te streven naar de ontmanteling van verouderde, de meest vervuilende of onveilige energiecentrales, mede om de huidige overcapaciteit in de markt te verminderen;

140.  verzoekt de Commissie de voorwaarden voor de toepassing van koolstofafvang en -opslag te verbeteren; is van oordeel dat koolstofafvang en -opslag bij kan dragen aan de overgang naar een koolstofarme energiemarkt en een belangrijke rol kan spelen bij de afstemming tussen de uiteenlopende doelstellingen van de energie-unie van diverse en veilige energievoorziening op grond waarvan tegelijkertijd de reducties op het gebied van de uitstoot van broeikasgassen kunnen worden verwezenlijkt die nodig zijn om aan de doelstellingen voor de EU-routekaart tot 2050 te voldoen;

141.  meent dat decarbonisatietechnologieën, zoals koolstofafvang en -opslag en de koolstofafvang en -benutting, verder moeten worden ontwikkeld en verbeterd door middel van aanzienlijke inspanningen op het gebied van onderzoek en innovatie, met als doel te zorgen dat dergelijke technologieën kunnen worden gebruikt voor het verkleinen, of zelfs tenietdoen, van de ecologische voetafdruk van fossiele brandstoffen die nog steeds meer dan 40 % van de huidige energieproductie van de EU uitmaken en in de toekomst waarschijnlijk een belangrijke energiebron zullen vormen;

142.  roept de Commissie op een NER400-innovatiefonds in het leven te roepen ter ondersteuning van koolstofarme demonstratieprojecten, een fonds dat zou moeten voortbouwen op het NER300-programma voor koolstofafvang en -opslag en hernieuwbare energie, maar waarvan de draagwijdte zou moeten worden uitgebreid tot koolstofarme innovatie in industriële sectoren;

143.  merkt op dat kernenergie in 2014 goed was voor 27 % van de elektriciteitsmix van de EU en meer dan de helft van alle koolstofarme stroom in de EU, dat 130 van de 132 kerncentrales in de EU tegen 2050 zullen zijn ontmanteld, waardoor er binnen de elektriciteitsmix van de EU een enorme kloof ontstaat in koolstofarme stroom en stroom op basislastniveau; erkent dat sommige lidstaten ervoor hebben gekozen kernenergie af te schaffen, terwijl overige lidstaten juiste nieuwe kernenergie willen ontwikkelen om te voldoen aan de energie- en klimaatdoelstellingen op nationaal en EU-niveau, en verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de EU voorziet in een kader waarbinnen lidstaten die streven naar nieuwe kernenergie, dit ook kunnen verwezenlijken binnen de EU-voorschriften voor de interne markt en de mededinging;

144.  merkt op dat kernenergie een van de belangrijkste bijdragen levert van het Europese energiestelsel en garant staat voor een lagere uitstoot van CO2, terwijl tegelijk de afhankelijkheid van import wordt teruggebracht, een stabiele productie wordt gewaarborgd van elektriciteit die de interne markt kan bedienen, en een stabiele basis wordt geboden voor een energiestelsel waarin hernieuwbare energie geleidelijk wordt geïntegreerd;

145.  verzoekt de lidstaten die kernenergie afbouwen te garanderen dat deze wordt vervangen door een energieproductie die in gelijke mate kan bijdragen aan de energievoorziening en tot de stabilisering van het gemeenschappelijke productie- en distributiesysteem;

146.  is van mening dat het weliswaar aan de lidstaten is om hun eigen energiemix te bepalen en dat de wijze waarop elke lidstaat zijn economie wil decarboniseren een soeverein besluit van die lidstaat is, maar dat coördinatie op EU-niveau van de ontwikkeling van beleid en technologieën noodzakelijk is om de streefcijfers op het vlak van decarbonisatie en de klimaatdoelstellingen van de EU en de lidstaten te bereiken; erkent dat beleid op Europees niveau op bepaalde gebieden het meest doeltreffend is en dat op andere gebieden hechte samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten essentieel is; erkent dat een robuuste en betrouwbare governancestructuur noodzakelijk is om deze coördinatie te garanderen;

147.  verzoekt de Commissie voorstellen in te dienen om een moderniseringsfonds op te richten, met strikte criteria en richtsnoeren om ervoor te zorgen dat de financiering wordt toegespitst op echte moderniseringsprojecten op het vlak van energie, die dienen te worden geselecteerd op basis van een technologisch neutrale aanpak en van de vraag of valt aan te tonen dat ze stroken met de verwezenlijking van de doelstellingen inzake broeikasgasemissies van de EU voor 2030;

148.  benadrukt dat de EIB moet worden betrokken bij het opstellen van de eerder genoemde criteria en richtsnoeren voor het moderniseringsfonds;

149.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat er bij de ontwikkeling van de energie-unie wordt gezorgd voor milieu- en klimaatbescherming, een betere luchtkwaliteit, minder afhankelijkheid van externe energie, biodiversiteit, werkgelegenheid en het concurrentievermogen van de Europese industrie op basis van technologische innovatie en technologisch leiderschap;

150.  benadrukt dat energie betaalbaar moet zijn voor alle EU-burgers; is van mening dat het vermijden van onnodig verbruik door middel van efficiëntieverbeteringen, verbeterde interconnecties, meer marktintegratie en investeringen in duurzame energie, met name in gebouwen, veel gezinnen onder dezelfde voorwaarden toegang zouden geven tot een geïntegreerde, duurzame, concurrerende en zekere energiemarkt en hen in staat zouden stellen om te ontsnappen aan energiearmoede, die in 2012 een kwart van de EU-burgers trof; nodigt de Commissie uit te komen met een mededeling over energiearmoede in Europa, die een definitie en indicatoren van energiearmoede bevat, en vergezeld gaat van een actieplan om deze energiearmoede te bestrijden;

Op weg naar een energie-efficiënte en koolstofarme transportsector

151.  schat dat vervoer verantwoordelijk is voor meer dan 30 % van het eindenergieverbruik in Europa en dat vervoer voor 94 % afhankelijk is van olieproducten; meent daarom dat een schoner energiesysteem dat duidelijk verbonden is met decarbonisatie van de vervoerssector een centrale plek moet innemen in een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering; beklemtoont dat gecombineerde maatregelen om energie-efficiëntie te stimuleren en innovatieve energietechnologie te ontwikkelen van cruciaal belang zijn voor het streven naar verwezenlijking van een milieuvriendelijke duurzame energiemix voor het Europese vervoerssysteem; vindt dat een gevarieerd gebruik van hernieuwbare energiebronnen moet worden aangemoedigd, waaronder vloeibaar aardgas voor zware vrachtwagens en in de sector van het zeevervoer; dringt er bij de Commissie op aan voorstellen in te dienen voor de afschaffing, in voorkomend geval, van voor het milieu schadelijke belastingsubsidies; moedigt steun aan voor onderzoek en innovatie die gericht zijn op het vinden van betere mobiliteitsoplossingen, alsook oplossingen op het gebied van ondersteunende technologieën en beleidsmaatregelen;

152.  stipt aan dat decarbonisatie van de vervoerssector de integratie inhoudt van maatregelen die de grenzen tussen de beleidsterreinen overschrijden, op de gebieden energie, vervoer, handel en onderzoek en innovatie; onderstreept het belang van een consistente benadering in alle lidstaten om nationale fragmentatie te voorkomen, en beklemtoont dat er normen en interoperabiliteitsvereisten moeten worden opgesteld opdat het Europese bedrijfsleven de marktmogelijkheden kan benutten;

153.  merkt op dat verbeterde prestatienormen voor voertuigen en verbeterde brandstofefficiëntie cruciaal zijn zowel om de EU minder afhankelijk te maken van olie als om de broeikasgasemissies te verminderen, en verzoekt daarom het bedrijfsleven, de lidstaten en de Commissie hun inspanningen op dit terrein voort te zetten en te bespoedigen en er, in het licht van de recente schandalen, voor te zorgen dat emissietesten niet alleen nauwkeurig zijn, maar ook reële verkeersomstandigheden weerspiegelen; verzoekt de Commissie de CO2-emissienormen voor auto's en vrachtwagens voor de periode na 2020 te herzien; merkt echter op dat alternatieve brandstoffen, elektrificatie met hernieuwbare elektriciteit en de bevordering van duurzamere vervoerswijzen de langetermijnoplossing bieden om de uitstoot van de vervoerssector terug te dringen en te zorgen voor een vermindering van de energievraag en de diversificatie van de voorziening;

154.  staat achter een algemeen pakket voor het wegvervoer ter bevordering van de bepaling van een efficiëntere kaderprijs voor het gebruik van infrastructuur en de invoering van intelligente interoperabele vervoersoplossingen; beklemtoont dat de energie-efficiëntie kan worden verbeterd door de digitalisering en het gebruik van intelligente vervoerssystemen te ondersteunen en innovatieve vervoersdiensten te ontwikkelen; dringt aan op een toekomstgerichte onderzoeks- en innovatiestrategie voor de vervoerssector; steunt de ontwikkeling van duurzame plannen voor stedelijke en plattelandsmobiliteit, om de vervuiling door het verkeer, congestie, lawaai en verkeersongevallen terug te dringen; is van mening dat deze plannen als doel dienen te hebben ongelijkheden weg te nemen, wat mensen met een handicap en kosten betreft;

155.  is verheugd over de verschuiving naar de duurzaamste en energiezuinigste vervoerswijzen en vervoersroutes, zoals het spoor, zeevervoer over korte afstand, de binnenvaart en vervoer over zee, door deze concurrerender te maken en efficiënter wat de vermindering van de CO2-emissies betreft; onderstreept in dit verband het belang van intermodaliteit;

156.  roept de Commissie op een algemene strategie voor het wegvervoer op te stellen, als onderdeel van de decarbonisatie van de vervoerssector en ter ondersteuning van meer inspanningen voor de ontwikkeling en ingebruikname van elektrische mobiliteit voor het wegvervoer;

157.  benadrukt dat de invoering van elektrische voertuigen een extra last zal betekenen voor de elektriciteitsproductie en wenst dat wordt onderzocht of daaraan met de huidige productiemiddelen wel tegemoet kan worden gekomen;

158.  verzoekt de Commissie de etiketteringsregeling voor brandstofverbruik en CO2-uitstoot van personenauto's te herzien om ervoor te zorgen dat consumenten worden voorzien van nauwkeurigere, relevantere en beter vergelijkbare informatie over de CO2-uitstoot, het brandstofverbruik, rijkosten en belastingen, om ervoor te zorgen dat consumenten kiezen voor de meest energie-efficiënte auto's en fabrikanten bijgevolg worden gestimuleerd om de energie-efficiëntie van hun voertuigen te verbeteren en de energiezekerheid te verhogen;

159.  verzoekt de Commissie de invoering van een herziene testcyclus te versnellen, om ervoor te zorgen dat CO2- en andere vervuilende emissies van voertuigen een afspiegeling zijn van de emissies in echte rijomstandigheden;

160.  verzoekt de Commissie de integratie van geavanceerde technologieën in innoverend spoorvervoer te bespoedigen door het Shift2Rail-initiatief te bevorderen, dat een belangrijke rol kan spelen bij een schoon openbaar vervoer;

161.  herinnert eraan dat de internationale scheepvaart nog steeds is uitgesloten van bindende verplichtingen om de broeikasgasemissies te beperken, hoewel die sector, wat verkeer betreft, een sterke groei vertoont; verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel in te dienen inzake reductiedoelstellingen voor broeikasgassen voor de internationale scheepvaart, tenzij voor het einde van 2016 bindende maatregelen worden overeengekomen binnen de International Maritime Organization (IMO);

162.  benadrukt de noodzaak van meer coördinatie van de strategieën voor transport, verwarming en koeling en decarbonisatie van stroom; vraagt de Commissie allesomvattende plannen voor te leggen voor de reductie van de CO2-uitstoot van de transportsector en de verwarmings- en koelingssector, onder andere gelet op het feit dat schone en goedkope stroom die is geproduceerd op basis van verschillende hernieuwbare energiebronnen bij voldoende beschikbaarheid kan worden gebruikt om elektrische voertuigen van stroom te voorzien en verwarmings- en koelingssystemen te laten draaien;

163.  benadrukt het feit dat prioriteit moet worden gegeven aan EFSI-steun voor vervoersprojecten die de technologische overgang naar een schoon en duurzaam vervoerssysteem mogelijk maken; beklemtoont dat bij andere op EU-niveau beschikbare instrumenten voor financiële steun de prioriteit moet gaan naar investeringen in infrastructuur voor intermodaliteit, het spoor, vervoer over zee en binnenwateren;

164.  moedigt de Commissie aan om bij haar werkzaamheden voor de harmonisering van de certificeringscriteria voor duurzaam toerisme een criterium op te nemen inzake het gebruik van hernieuwbare energie en ook een criterium inzake de terugdringing van de CO2-emissies, overeenkomstig de EU-doelstellingen;

Onderzoek, innovatie en concurrentievermogen.

165.  verzoekt de Commissie meer onderzoeksinspanningen te leveren met betrekking tot een beter gebruik van de energiebronnen van Europa en het beperken van hun milieueffecten met het oog op duurzame economische groei, het scheppen van werkgelegenheid, het concurrentievermogen van de industrie en in het bijzonder de verwezenlijking van de klimaat- en energiedoelstellingen van de EU voor de lange termijn;

166.  benadrukt dat alle financieringsopties van de EU voor het stimuleren van veilige en duurzame koolstofarme energietechnologieën, energie-efficiëntie, hernieuwbare energiebronnen, slimme netwerken, gedecentraliseerde productie, flexibele opwekking, elektrische opslag en elektrificatie van het transportsysteem volledig moeten worden verkend; verzoekt de Commissie om haar onderzoeksinspanningen en de uitrol van deze technologieën te intensiveren om haar langeretermijndoelstellingen voor 2020 en 2030 te bereiken, haar energiezekerheid te verbeteren en het economisch herstel te bevorderen; verwacht dat deze prioriteiten hun weerslag vinden in de tussentijdse herziening van het Horizon 2020-onderzoeksprogramma; herinnert eraan dat de energie-uitdaging van Horizon 2020 is bedoeld ter ondersteuning van de overgang naar een betrouwbaar, duurzaam en concurrerend energiesysteem waarvan de hoofdprioriteiten onder de rubrieken energie-efficiëntie, koolstofarme technologieën en slimme steden en gemeenschappen staan; herinnert eraan dat ten minste 85 % van de energie-uitdaging in de begroting van Horizon 2020 besteed moet worden aan niet-fossiele brandstoffen, waarbij ten minste 15 % van de algehele begroting voor de energie-uitdaging wordt besteed aan activiteiten op het gebied van de marktpenetratie van technologieën voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie;

167.  is van mening dat door middel van meer inspanningen om dergelijke technologieën te ontwikkelen gezorgd kan worden voor aanzienlijke voordelen op lange termijn in de vorm van kosteneffectieve decarbonisatie, lagere opwekkingskosten en een verminderde vraag naar energie, waardoor het concurrentievermogen van de industrie wordt versterkt;

168.  neemt nota van het Europese technologische leiderschap binnen belangrijke sectoren zoals windturbines, elektriciteitskabels, netontwikkeling en -diensten, en stadsvervoersystemen; betreurt het dat dit leiderschap onder druk staat en roept de Commissie op dringend actie te ondernemen om dit leiderschap te behouden;

169.  dringt er bij de Commissie op aan een initiatief te ontwikkelen inzake het mondiale leiderschap van de EU op het gebied van technologie en innovatie met betrekking tot hernieuwbare en koolstofarme energietechnologieën, met inbegrip van golfenergie, drijvende technologieën voor zonne-energie en biobrandstoffen geproduceerd uit algen, en om publieke en private RDI-activiteiten op deze gebieden te stimuleren;

170.  verzoekt de lidstaten en de Commissie te streven naar betere interactie tussen en coördinatie van de nationale en Europese onderzoeksprogramma's, met name op het gebied van energie, vervoer, ICT en bouw, om ervoor te zorgen dat prioriteit wordt gegeven aan gemeenschappelijke uitdagingen, zoals verhoging van de energie-efficiëntie door niet alleen aandacht te besteden aan de sector verwarming, maar ook aan koeling, bevordering van kleinschalige hernieuwbare energiebronnen, reductie van de broeikasgasemissies alsook vergroting van de energiezekerheid en ontwikkeling van nieuwe hernieuwbare energiebronnen, en om de aanvaarding door de markt van nieuwe technologieën te maximaliseren;

171.  wijst op de toegevoegde waarde van de integratie van ICT in energiesystemen en verzoekt de Commissie te komen met gemeenschappelijke normen voor slimme netten op transmissiesysteemniveau, aangezien die een stabiele levering en vrij grensoverschrijdend verkeer van energie waarborgen en bijdragen tot de energiezekerheid, alsook op distributiesysteemniveau om voorzieningszekerheid voor lokale gemeenschappen, steden en regio's te waarborgen; benadrukt in dit verband de rol die de ontwikkeling van slimmere energienetten en nieuwe energieopslagfaciliteiten kan spelen bij het verhogen van het niveau van hernieuwbare energiebronnen;

172.  erkent dat slimme meters een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan distributienetdiensten; benadrukt dat consumenten de uiteindelijke eigenaars van hun gegevens blijven en dat hun aan DSB's en overige marktdeelnemers doorgegeven gegevens moeten worden geanonimiseerd teneinde het recht op privacy volledig te respecteren;

173.  gelooft dat de verdere ontwikkeling van een interne energiemarkt intrinsiek gekoppeld is aan de digitale interne markt; verzoekt de Commissie het verband tussen de energie-unie en de digitale interne markt te bevorderen door middel van optimalisering van de consumententoegang tot energiediensten met behulp van digitale platforms en door middel van de ontwikkeling van een interne energiemarkt die concurrerender, transparanter is en beter geïntegreerd met de digitale economie;

174.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de IT-beveiliging en de bescherming van strategische energie-infrastructuren, die essentiële diensten verlenen aan de consumenten, op te schroeven, vooral met het oog op de ontwikkelingen in de industriële productie en de steeds grotere rol van ICT in de energiesector; wijst er in dit verband op dat het belangrijk is om de richtlijn inzake netwerk- en informatiebeveiliging goed te keuren en tijdig ten uitvoer te leggen, teneinde een hoog niveau van netwerk- en informatiebeveiliging van kritieke infrastructuur te behouden;

175.  benadrukt dat de lidstaten in het kader van Horizon 2020 prioriteit moeten verlenen aan de verlaging van de kosten van duurzame, veilige en minder volwassen energietechnologieën, in het bijzonder van technologieën die bijdragen tot de wereldwijde vermindering van de broeikasgasemissies en de verwezenlijking van de EU-doelstellingen voor 2030; verzoekt de Commissie en de lidstaten om te voorzien in een duidelijk wettelijk en strategisch kader en in financieringsmogelijkheden voor onderzoeks- en ontwikkelingsinitiatieven en uitrolprojecten die de Europese Unie helpen bij het verwezenlijken van haar klimaat-, energie- en milieudoelstellingen en het versterken van het economisch concurrentievermogen; verwelkomt de goedkeuring door de Commissie van een herzien Europees strategisch plan voor energietechnologie (SET-plan); benadrukt dat O&O en innovatie gericht moeten zijn op systeemintegratie van de verschillende oplossingen die momenteel beschikbaar of in ontwikkeling zijn, in plaats van op individuele sectoren en technologieën die afzonderlijk van elkaar worden toegepast;

176.  erkent dat vooruitgang op het vlak van milieuvriendelijke, kosteneffectieve innovaties en O&O eveneens van wezenlijk belang is voor het toekomstige concurrentievermogen van de EU, met inbegrip van de Europese industrie;

177.  vraagt de Commissie de verschillende subsidiërings- en financieringsinstrumenten expliciet in kaart te brengen, zoals het InvestEU-programma, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (projecten van gemeenschappelijk belang), O&O-middelen, de structuurfondsen, de financieringsinstrumenten voor slimme netten (ERA-Net Plus), het Horizon 2020-programma, de EIB, het Europees energieprogramma voor herstel (EEPR), de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen - energie (CEF-E), NER 300, het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal en Eurogia+, alsook de subsidiabiliteitsregels voor al deze programma's te verduidelijken;

Totstandbrenging van de energie-unie: burgers en steden

178.  herinnert aan de toezegging van 6 000 Europese steden om het voortouw te nemen ten aanzien van de energietransitie, met name op grond van het Convenant van burgemeesters; dringt er bij de Commissie op aan dit netwerk en overige initiatieven zoals Slimme steden en gemeenschappen en Energy Cities volledig te mobiliseren, en om hen financiële en personele middelen te bieden om zich verder te ontwikkelen; is van oordeel dat het Convenant van burgemeesters prioritaire toegang moet krijgen tot Europese financiering;

179.  benadrukt dat actieve strategieën inzake onderwijs/opleiding en vaardigheden van fundamenteel belang zijn voor de overgang naar een duurzame, energie-efficiënte economie; verzoekt de lidstaten gerichte programma's voor de training en voorlichting van burgers op te zetten en door de lokale gemeenschap geleid onderwijs te stimuleren om de energievraag terug te brengen en hernieuwbare energie te produceren; benadrukt dat het welslagen van de energie-unie gelijke toegang tot initiële en levenslange educatie en training vereist als essentieel middel om te reageren op de veranderende omstandigheden en de aspiraties van burgers enerzijds en de behoeften van de arbeidsmarkt anderzijds; brengt in herinnering dat opleidings- en bijscholingsprogramma's onontbeerlijk zijn, wil men zorgen dat werknemers volledig kunnen profiteren van het duurzame en lokale banenpotentieel van de ontwikkeling van hernieuwbare energie;

o
o   o

180.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de partijen bij de Energiegemeenschap.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0344.
(2) PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 59.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0088.
(4) PB C 332 E van 15.11.2013, blz. 28.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0444.
(6) PB C 188 E van 28.6.2012, blz. 42.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0094.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0445.

Juridische mededeling