Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2092(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0328/2015

Ingediende teksten :

A8-0328/2015

Debatten :

PV 14/12/2015 - 18
CRE 14/12/2015 - 18

Stemmingen :

PV 15/12/2015 - 4.24
CRE 15/12/2015 - 4.24
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0447

Aangenomen teksten
PDF 192kWORD 88k
Dinsdag 15 december 2015 - Straatsburg Definitieve uitgave
Een nieuw GVB: structuur voor de technische maatregelen en de meerjarenplannen
P8_TA(2015)0447A8-0328/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 over een nieuw GVB: structuur voor de technische maatregelen en de meerjarenplannen (2015/2092(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 43,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, en met name artikel 7, lid 2, en de artikelen 9 en 10,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A8-0328/2015),

A.  overwegende dat de duurzaamheid van de visbestanden absoluut noodzakelijk is voor de toekomst van de visserijsector;

B.  overwegende dat sinds 2009 nauwelijks vooruitgang is geboekt in de wetgevingsdossiers met betrekking tot de technische maatregelen en de meerjarenplannen, deels als gevolg van spanningen tussen de Europese instellingen over hun respectieve beslissingsbevoegdheden krachtens artikel 43 VWEU met betrekking tot de voorstellen van de Commissie inzake de meerjarenplannen, en deels vanwege moeilijkheden om de technische maatregelen in overeenstemming te brengen met het Verdrag van Lissabon;

C.  overwegende dat het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) (Verordening (EU) nr. 1380/2013) onder meer tot doel heeft de populaties van de beviste soorten boven een niveau te brengen en te houden dat de maximale duurzame opbrengst (MDO) kan opleveren door middel van een op ecosystemen en selectiviteit gebaseerde benadering; dat de technische maatregelen en de meerjarenplannen tot de belangrijkste instrumenten behoren om deze doelstellingen te verwezenlijken;

D.  overwegende dat de belangrijkste wijzigingen die met de hervorming van het GVB in 2013 zijn doorgevoerd onder meer de aanlandingsverplichting en de regionalisering betreffen;

E.  overwegende dat de complexe en uiteenlopende aard van de technische maatregelen en het feit dat zij verspreid zijn over vele verschillende verordeningen ertoe hebben bijgedragen dat de tenuitvoerlegging moeilijk is voor de vissers, hetgeen ertoe kan leiden dat zij geen vertrouwen meer hebben;

F.  overwegende dat het beginsel van regionalisering voorziet in de raadpleging van de adviesraden om de belanghebbenden beter bij het besluitvormingsproces te betrekken en de mogelijke sociaaleconomische effecten van het besluit beter te evalueren;

G.  overwegende dat de complexiteit van de technische maatregelen en de problemen bij de tenuitvoerlegging ervan, evenals het gebrek aan tastbare positieve resultaten of stimuleringsmaatregelen in het kader van het GVB, hebben bijgedragen tot het ontstaan van wantrouwen onder de vissers;

H.  overwegende dat de herziening van de technische maatregelen op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies en met toepassing van een ecosysteembenadering tot doel moet hebben de ecologische duurzaamheid van de visbestanden en de mariene hulpbronnen te verbeteren op een wijze die strookt met de sociaaleconomische levensvatbaarheid van de sector;

I.  overwegende dat voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het nieuwe GVB onder meer selectiever vistuig en selectievere visserijpraktijken vereist zijn;

J.  overwegende dat de huidige innovaties die de selectiviteit van het vistuig verbeteren vaak gehinderd worden door regelgeving;

K.  overwegende dat de aanlandingsverplichting een ingrijpende verandering in de aanpak van het visserijbeheer met zich meebrengt, vooral voor de demersale visserij, en dus ook in de technische maatregelen op cruciale gebieden, zoals de vangstsamenstelling en de maaswijdten;

L.  overwegende dat het belang van de ambachtelijke visserij voor de duurzaamheid van de kustgemeenschappen, en in het bijzonder voor de positie van vrouwen en jongeren, sterk moet worden benadrukt; dat in het GVB wordt gerefereerd aan een gedifferentieerde regeling voor ambachtelijke visserij in Europa;

M.  overwegende dat een algemene definitie van ambachtelijke visserij nodig is, gezien de rol ervan in het gezondheidsherstel van onze zeeën en de instandhouding van traditionele en ecologisch duurzame praktijken en transacties;

N.  overwegende dat de vaststelling van de gemeenschappelijke grondbeginselen voor alle zeegebieden in een kaderverordening die volgens de gewone wetgevingsprocedure in de zin van het Verdrag van Lissabon wordt vastgesteld, noodzakelijk is om de tenuitvoerlegging van de GVB-doelstellingen in de EU te waarborgen, gelijke voorwaarden voor alle exploitanten te waarborgen en de uitvoering van en controle op de technische maatregelen te vereenvoudigen;

O.  overwegende dat de gewone wetgevingsprocedure niet altijd noodzakelijk is voor maatregelen op regionaal niveau of voor maatregelen die regelmatig aan veranderingen onderhevig zijn of gebaseerd zijn op door de medewetgevers vastgestelde normen en doelstellingen, maar dat die procedure wel toegepast dient te worden voor de vaststelling van regels die voor alle zeegebieden gelden en van maatregelen die in specifieke verordeningen zijn opgenomen of die waarschijnlijk niet in een nabije toekomst gewijzigd zullen worden;

P.  overwegende dat middels regionalisering moet worden gewaarborgd dat de technische maatregelen worden afgestemd op de specifieke kenmerken van elke vorm van visvangst en elk zeegebied, zodat er flexibiliteit ontstaat en er snel op noodsituaties gereageerd kan worden; overwegende dat regionalisering technische maatregelen eenvoudiger en gemakkelijker te begrijpen, uit te voeren en te handhaven moet maken; dat voor de vaststelling van technische maatregelen op regionale basis het model moet worden gevolgd dat is overeengekomen door de medewetgevers in het kader van het hervormde GVB;

Q.  overwegende dat regionalisering kan bijdragen aan het eenvoudiger en begrijpelijker maken van de regels, die daardoor beter ontvangen zouden worden door de visserijsector en andere belanghebbenden, met name als deze ook betrokken worden bij het proces voor de vaststelling van deze regels;

R.  overwegende dat regionalisering niet mag leiden tot een hernieuwde nationalisering, aangezien dit niet in overeenstemming is met het GVB, dat gemeenschappelijk beleid is waarvoor de EU exclusief bevoegd is vanwege het feit dat het om gedeelde bestanden gaat;

S.  overwegende dat de vaststelling van technische maatregelen op regionale basis moet plaatsvinden volgens het model dat de medewetgevers in het kader van het nieuwe GVB zijn overeengekomen, te weten de vaststelling door de Commissie van gedelegeerde handelingen op basis van gezamenlijke aanbevelingen van de betrokken lidstaten, die voldoen aan de normen en doelstellingen waartoe de medewetgevers hebben besloten of, indien de betrokken lidstaten binnen de vastgestelde termijn geen gezamenlijke aanbeveling indienen, op initiatief van de Commissie; dat het Parlement evenwel krachtens het Verdrag van Lissabon het recht behoudt om bezwaar te maken tegen gedelegeerde handelingen;

T.  overwegende dat de herziening van het kader van technische maatregelen een gelegenheid moet zijn om te blijven nadenken over de regionalisering en om alternatieven voor gedelegeerde handelingen te overwegen;

U.  overwegende dat bepaalde voorstellen voor gerichte verordeningen die technische maatregelen bevatten (ten aanzien van drijfnetten, incidentele vangsten van walvisachtigen, diepzeevisserij) controversieel zijn gebleken; dat sommige voorstellen, zoals die met betrekking tot de visserij op diepzeebestanden in het noordoosten van de Atlantische Oceaan, al meer dan drie jaar geblokkeerd zijn; dat ook de beraadslagingen over de visserij met drijfnetten in een impasse verkeren; dat een aantal gerichte verordeningen inzake technische maatregelen door de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB) zijn verworpen;

V.  overwegende dat de technische maatregelen rekening moeten houden met het verschijnsel van illegale visserij, dat vaak gepaard gaat met illegaal gebruik van vistuig, en een effectieve oplossing moeten aanreiken voor het probleem van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij);

W.  overwegende dat de technische maatregelen die van toepassing zijn in elk visserijgebied in de EU niet altijd zijn aangepast aan de noodzaak van vernieuwing en de behoeften van de verschillende lokale visserijactiviteiten; dat vissers daarom een reeks technische maatregelen nodig hebben die gebaseerd zijn op een regionale aanpak en die aansluit op de uiteenlopende omstandigheden in elk zeegebied; overwegende dat duurzaam beheer van de visbestanden van cruciaal belang is en dat daarom vereenvoudiging en aanpasbaarheid van de wetgeving aan de situatie ter plaatse belangrijk zijn; dat ook terdege rekening moet worden gehouden met het feit dat visgronden gedeeld worden met derde landen die heel andere instandhoudingsregels kennen dan Europa;

X.  overwegende dat het van essentieel belang is dat de lidstaten de nodige maatregelen treffen en samenwerken, opdat personen die IOO-visserij bedrijven worden opgespoord en erop wordt toegezien dat de toepasselijke sancties worden opgelegd en de controles aan boord en aan de wal worden aangescherpt;

Y.  overwegende dat de meerjarenplannen die tussen 2002 en 2009 zijn vastgesteld niet allemaal even doeltreffend zijn geweest; dat er nieuwe meerjarenplannen zullen worden vastgesteld uit hoofde van de nieuwe GVB-regels;

Z.  overwegende dat onderhandelingen met derde landen deel moeten uitmaken van het streven naar duurzaamheid;

AA.  overwegende dat de GVB-hervorming aanlandingsverplichtingen heeft ingevoerd en flexibiliteit, uitzonderingen en financiële ondersteuning heeft geboden in het kader van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV);

AB.  overwegende dat er moeilijkheden zijn te verwachten bij de uitvoering van het teruggooiverbod in de gemengde visserij met betrekking tot "knelsoorten" (choke species);

AC.  overwegende dat het Parlement volgens het Verdrag van Lissabon medewetgever is op het gebied van visserij, behalve met betrekking tot de totaal toegestane vangsten (TAC's) en de quota;

AD.  overwegende dat het sinds 2009 geen enkel meerjarenplan heeft kunnen goedkeuren omdat de voorstellen in de Raad werden tegengehouden;

AE.  overwegende dat de medewetgevers in het kader van de interinstitutionele taskforce meerjarenplannen erkend hebben dat het van belang is samen te werken aan die meerjarenplannen om praktische oplossingen te vinden, ondanks de verschillende standpunten over de interpretatie van het juridische kader;

AF.  overwegende dat de meerjarenplannen een solide en duurzaam kader moeten bieden voor het visserijbeheer en gestoeld moeten zijn op de beste en meest recente wetenschappelijke en sociaaleconomische inzichten, en dat zij flexibel genoeg moeten zijn om te kunnen worden aangepast aan de ontwikkeling van de bestanden en aan de jaarlijkse besluiten over toewijzing van vangstmogelijkheden;

AG.  overwegende dat een grens voor de maximale duurzame opbrengst en een tijdschema om die grens te bereiken, een voorzorgsreferentiepunt, een minimale streefwaarde voor de biomassa, een mechanisme voor aanpassing aan onvoorziene veranderingen op het gebied van het beste beschikbare wetenschappelijk advies en een herzieningsclausule zijn aangemerkt als elementen die deel moeten uitmaken van alle toekomstige meerjarenplannen;

AH.  overwegende dat de meerjarenplannen een algemeen doel moeten vaststellen dat bestuurlijk en wetenschappelijk haalbaar is; dat langdurig stabiele opbrengsten in overeenstemming met het beste beschikbare wetenschappelijke advies deel moeten uitmaken van deze plannen, hetgeen weerspiegeld moet worden in de jaarlijkse besluiten van de Raad inzake de vangstmogelijkheden; dat deze jaarlijkse besluiten strikt beperkt moeten zijn tot de toewijzing van vangstmogelijkheden;

AI.  overwegende dat het arrest van het Hof van Justitie van 26 november 2014 in de zaken C-103/12 (Europees Parlement / Raad) en C-165/12 (Commissie / Raad) betreffende de toekenning van vangstmogelijkheden in wateren van de EU aan vissersvaartuigen die de vlag van de Bolivariaanse Republiek Venezuela voeren in de exclusieve economische zone voor de kust van Frans-Guyana, een precedent vormt, aangezien het de inhoud en de beperkingen van de twee verschillende rechtsgronden in artikel 43 VWEU verduidelijkt; dat artikel 43, lid 3, uitsluitend mag worden gebruikt als rechtsgrondslag voor de toekenning van vangstmogelijkheden krachtens de TAC- en de quotaregelingen;

AJ.  overwegende dat het Hof van Justitie op 1 december 2015 uitspraak heeft gedaan in de gevoegde zaken C-124/13 en C-125/13, Parlement en Commissie / Raad, betreffende Verordening (EU) nr. 1243/2012 van de Raad tot wijziging van het langetermijnplan voor kabeljauwbestanden; dat het Hof in deze zaak bevestigt wat het Parlement heeft betoogd, namelijk dat de verordening gezien de doelstelling en de inhoud ervan had moeten worden vastgesteld op grond van artikel 43, lid 2, VWEU, volgens de gewone wetgevingsprocedure met het Parlement als medewetgever, aangezien de verordening politieke keuzes inhoudt die gevolgen hebben voor het meerjarenplan en die derhalve noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het GVB;

AK.  overwegende dat, zolang er nog geen meerjarenplannen zijn, de minimuminstandhoudingsreferentiegrootten kunnen worden gewijzigd krachtens teruggooiplannen die middels gedelegeerde handelingen door de Commissie zijn vastgesteld op basis van aanbevelingen van de betrokken lidstaten of, indien de betrokken lidstaten binnen de vastgestelde termijn geen gezamenlijke aanbeveling hebben ingediend, op haar eigen initiatief; dat het van belang is dat bij de besluiten inzake de minimuminstandhoudingsreferentiegrootten rekening wordt gehouden met de bescherming van jonge exemplaren en met wetenschappelijke adviezen;

AL.  overwegende dat teruggooiplannen een cruciale rol zullen spelen in de veranderingen op het gebied van vistechnieken en dus voor de vissterfte en afzonderlijke paaibiomassa, twee kwantificeerbare doelen van de meerjarenplannen die mogelijk verwezenlijkt kunnen worden door de minimuminstandhoudingsreferentiegrootten te wijzigen; dat aanpassing van de minimummaten door middel van gedelegeerde handelingen zou betekenen dat de belangrijkste parameters van de meerjarenplannen van buitenaf gewijzigd worden;

AM.  overwegende dat het de bedoeling van de medewetgevers was dat deze gedelegeerde handelingen een tijdelijk karakter zouden hebben en in geen enkel geval langer dan drie jaar mochten worden toegepast;

AN.  overwegende dat minimuminstandhoudingsreferentiegrootten voor eenzelfde soort per gebied kunnen verschillen, teneinde rekening te houden met de specifieke kenmerken van soorten en visserijtakken; dat het, indien mogelijk, wenselijk is om horizontale besluiten voor alle gebieden te nemen teneinde de controletaken te vereenvoudigen;

1.  meent dat het voor de verwezenlijking van de GVB-doelstellingen noodzakelijk is dat de toekomstige technische maatregelen vereenvoudigd worden om alle tegenstrijdigheden en/of overlappingen weg te werken en dat zij worden opgenomen in een duidelijk gestructureerd juridisch kader en gebaseerd zijn op degelijke, intercollegiaal getoetste wetenschappelijke gegevens;

2.  acht het noodzakelijk een volledige lijst van alle momenteel geldende technische maatregelen op te stellen om een beter overzicht te krijgen van alles wat bij toekomstige technische maatregelen kan worden vereenvoudigd en geschrapt;

3.  is van mening dat een herziening van de technische maatregelen noodzakelijk is om de doelstellingen van het GVB ten uitvoer te leggen, de selectiviteit te verbeteren, de teruggooi en de milieu-impact van de visserij zoveel mogelijk te reduceren, de bestaande regels te vereenvoudigen en de wetenschappelijke basis te vergroten;

4.  meent dat de technische maatregelen moeten worden afgestemd op de specifieke kenmerken van elke vorm van visvangst en elk gebied, wat de naleving door de betreffende bedrijfstak zal helpen verbeteren;

5.  is van mening dat de vereenvoudiging en regionalisering van technische maatregelen altijd dient te beantwoorden aan het werkelijke doel van de verordening betreffende technische maatregelen, namelijk het beperken van ongewenste vangsten en effecten op het mariene milieu;

6.  meent dat het, om de implementatie van de GVB-voorschriften te vergemakkelijken en deze aanvaardbaarder te maken voor de visserijsector en andere belanghebbenden, zaak is de vissers meer te betrekken bij de besluitvorming, in het bijzonder binnen de Adviesraden, en hen te stimuleren met bijvoorbeeld subsidies uit het EFMZV en andere instrumenten voor innovatie, opleiding, uitrusting en het gebruik van selectiever vistuig;

7.  is van mening dat het nieuwe rechtskader een toegenomen gebruik van innovatief vistuig zal bevorderen waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat het selectiever en milieuvriendelijker is;

8.  is van mening dat innovatie en onderzoek moeten worden bevorderd om ervoor te zorgen dat het GVB naar behoren ten uitvoer wordt gelegd, in het bijzonder wat het aanlanden van bijvangsten betreft, teneinde de visserij selectiever te maken en de vis- en de controletechnieken te moderniseren;

9.  is van mening dat het duurzaam gebruik van innovatief vistuig waarvan onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat het selectiever is, zonder restricties en zonder onnodige kwantitatieve beperkingen toegestaan, wettelijk geregeld en - wat verder onderzoek betreft - financieel gesteund moet worden;

10.  acht het noodzakelijk de gewone wetgevingsprocedure gehandhaafd wordt voor het vaststellen van regels die voor alle zeeën gelden, met inbegrip van de normen en doelstellingen voor technische maatregelen, ook als deze laatste in specifieke verordeningen zijn ondergebracht, of voor technische maatregelen die waarschijnlijk niet binnen afzienbare tijd gewijzigd zullen worden, en is van mening dat de gewone wetgevingsprocedure niet altijd noodzakelijk is voor maatregelen die op het regionale niveau worden genomen of mogelijkerwijs vaak gewijzigd worden; is van mening dat die maatregelen regelmatig geëvalueerd moet worden om te garanderen dat zij nog steeds relevant zijn; is van mening dat een verstandig gebruik van gedelegeerde handelingen kan voorzien in deze behoefte aan flexibiliteit en aanpasbaarheid; herinnert er niettemin aan dat het Parlement krachtens het Verdrag van Lissabon het recht behoudt om bezwaar te maken tegen gedelegeerde handelingen;

11.  beveelt aan om een duidelijk algemeen Europees kader voor technische maatregelen op te stellen waarin een beperkt aantal essentiële horizontale beginselen wordt opgenomen; is van mening dat alle regels die niet van toepassing zijn op het overgrote deel van de Europese wateren niet in dit algemene kader moeten worden opgenomen, maar onder de regionalisering dienen te vallen;

12.  is van mening dat maatregelen die op het regionale niveau worden aangenomen, dienen te stroken met de kaderverordening betreffende technische maatregelen en met de doelstellingen van het GVB en de kaderrichtlijn mariene strategie (Richtlijn 2008/56/EG);

13.  meent dat de regelgeving ten aanzien van de technische maatregelen moet worden vastgesteld met passende gebruikmaking van het regionaliseringsproces en op basis van gemeenschappelijke gecentraliseerde beginselen en definities, waaronder gemeenschappelijke doelstellingen en normen die in de hele EU moeten worden toegepast, met inbegrip van een lijst van verboden soorten en vistuig, een reeks specifieke regels voor de grotere zeegebieden en een aantal specifieke technische regelingen; is van mening dat al deze maatregelen via de gewone wetgevingsprocedure moeten worden vastgesteld; wijst erop dat de regionalisering zou worden toegepast voor regels die op regionaal niveau gelden of vaak veranderen, en regelmatig opnieuw moet worden geëvalueerd;

14.  wijst erop dat het nieuwe kader voor technische maatregelen duidelijk geformuleerd moet zijn en dat er dus aanzienlijke inspanningen moeten worden geleverd om het te verduidelijken; verzoekt daarom om de bestaande verordeningen betreffende technische maatregelen, met name Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad, eerst in te trekken om een einde te maken aan wildgroei aan verordeningen;

15.  herinnert eraan dat wat gedelegeerde handelingen betreft, de lidstaten krachtens artikel 18 van de basisverordening binnen een in de verordening betreffende technische maatregelen vast te stellen termijn aanbevelingen kunnen doen aan de Commissie en dat deze laatste geen handelingen mag vaststellen voordat die termijn is verstreken;

16.  acht het noodzakelijk om de geschiktheid, de doelmatigheid en de sociaaleconomische gevolgen voor de Europese vloten en voor de plaatselijke gemeenschappen van de op technische maatregelen gebaseerde gerichte verordeningen te beoordelen, met inachtneming van de doelstellingen van het GVB en de kaderrichtlijn mariene strategie;

17.  meent dat de technische maatregelen specifieke bepalingen moeten bevatten over het gebruik van bepaald vistuig, teneinde kwetsbare mariene habitats en mariene soorten te beschermen;

18.  meent dat de technische maatregelen ervoor moeten zorgen dat er geen gebruik wordt gemaakt van destructief en weinig selectief vistuig en dat er een algemeen verbod geldt op het gebruik van explosieven en giftige stoffen;

19.  is van mening dat het dringend noodzakelijk is een samenhangend geheel van technische maatregelen vast te stellen die voor alle zeegebieden gelden, rekening houdend met de specifieke aard van elk gebied, aangezien EU-besluiten op dit gebied belangrijke gevolgen kunnen hebben voor het herstel van de visbestanden en de bescherming van ecosystemen en voor het duurzame beheer van gedeelde visbestanden;

20.  stelt dat de bepalingen inzake technische maatregelen, niettegenstaande de aanlandingsverplichting die sinds 1 januari 2015 van kracht is en die tussen nu en 2019 geleidelijk moet worden uitgebreid tot de vissoorten, flexibel genoeg moeten zijn om direct aangepast te kunnen worden aan de ontwikkelingen in de visserij en om de visserijsector meer gelegenheid te bieden om innovaties op het gebied van selectieve vismethoden in de praktijk te brengen;

21.  is van mening dat de aanlandingsverplichting een ingrijpende verandering met zich meebrengt voor de visserijsector en dat de technische maatregelen bijgevolg zullen moeten worden aangepast om de tenuitvoerlegging daarvan te vergemakkelijken en selectievere visserij te bevorderen; beveelt daarom de volgende drie maatregelen aan:

   een inhoudelijke aanpassing of zelfs intrekking van de voorschriften inzake de samenstelling van de vangsten;
   meer flexibiliteit ten aanzien van de maaswijdten;
   de mogelijkheid om meerdere soorten vistuig aan boord te hebben;

22.  neemt nota van de moeilijkheden die het gevolg zijn van het naast elkaar bestaan van de in Verordening (EG) nr. 2406/96 van de Raad vastgestelde maten voor het in de handel brengen en de op instandhouding gerichte minimummaten; verzoekt om harmonisering hiervan in het nieuwe kader voor technische maatregelen;

23.  meent dat bij de herziening van de technische maatregelen rekening moet worden gehouden met de gevolgen ervan voor het behoud van de biologische rijkdommen, het mariene milieu en de exploitatiekosten en rendabiliteit van de visserijactiviteiten op sociaal en werkgelegenheidsgebied;

24.  is van mening dat de instandhoudingsdoelstelling die met het kader van technische maatregelen wordt nagestreefd, doeltreffender verwezenlijkt zou kunnen worden met maatregelen die gericht zijn op verbetering van het beheer van vraag en aanbod, met medewerking van producentenverenigingen;

25.  is van mening dat de incidentele visserij in de binnenwateren van de lidstaten en de regio's buiten de TAC's moet blijven;

26.  meent dat de meerjarenplannen een fundamentele rol spelen bij de instandhouding van de visbestanden in het kader van het GVB, omdat zij het meest geschikte middel vormen voor de vaststelling en uitvoering van specifieke technische maatregelen voor de verschillende visserijtakken;

27.  is van mening dat de medemedewetgevers moeten blijven streven naar overeenstemming over de meerjarenplannen, rekening houdend met de institutionele bevoegdheden uit hoofde van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en op basis van de desbetreffende jurisprudentie;

28.  meent dat de meerjarenplannen een solide en duurzaam kader moeten vormen voor het visserijbeheer en gestoeld moeten zijn op de beste en meest recente intercollegiaal getoetste wetenschappelijke en sociaaleconomische inzichten, en dat zij moeten worden aangepast aan de ontwikkeling van de bestanden en voor flexibiliteit moeten zorgen bij de jaarlijkse besluiten van de Raad over de verdeling van de vangstmogelijkheden; stelt dat deze jaarlijkse besluiten niet verder mogen gaan dan de strikte grenzen van de verdeling van de vangstmogelijkheden en dat daarbij grote schommelingen zo veel mogelijk vermeden moeten worden;

29.  stelt dat de toekomstige meerjarenplannen zo opgesteld moeten worden dat de visbestanden boven een niveau worden gebracht en gehouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, en dat ze een vastgesteld tijdschema, een instandhoudingsreferentiepunt, een mechanisme voor aanpassing aan veranderde wetenschappelijke inzichten en een herzieningsclausule moeten omvatten;

30.  meent dat de selectiviteit moet worden verbeterd en ongewenste vangsten tot een minimum moeten worden beperkt om problemen als gevolg van de aanlandingsverplichting voor gemengde visserij te voorkomen; meent dat het raadzaam zou zijn te zoeken naar mogelijkheden om flexibiliteitsmaatregelen te nemen en voor de vaststelling van de TAC's gebruik te maken van de wetenschappelijk vastgestelde streefcijfers voor de visserijsterfte;

31.  bevestigt nogmaals dat de belanghebbende partijen via de adviesraden meer betrokken moeten worden bij het opstellen en uitwerken van meerjarenplannen en bij alle besluiten ten aanzien van regionalisering;

32.  meent dat het Parlement bijzonder zorgvuldig moet kijken naar de gedelegeerde handelingen met betrekking tot de teruggooiplannen en zich het recht moet voorbehouden om daartegen bezwaar te maken als het dat nodig acht;

33.  meent dat de tijdelijke geldigheid van gedelegeerde handelingen met betrekking tot de teruggooiplannen, met inbegrip van de aanpassingen van de op instandhouding gerichte minimummaten, in geen geval langer mag duren dan drie jaar en dat ze in voorkomend geval vervangen moeten worden door een meerjarenplan, en dat de meerjarenplannen daartoe zo spoedig mogelijk vastgesteld moeten worden;

34.  is van mening dat in het kader van de regionalisering, de besluiten ten aanzien van de op instandhouding gerichte minimummaten voor elke soort moeten stoelen op wetenschappelijk advies; benadrukt dat onregelmatigheden en fraude bij het in de handel brengen van producten die de werking van de interne markt in het gedrang zouden kunnen brengen, moeten worden vermeden;

35.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Juridische mededeling - Privacybeleid