Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 9 juni 2015 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Op de rechtstreekse betalingen toe te passen aanpassingspercentage voor kalenderjaar 2015 ***I
 De EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015
 Intellectuele-eigendomsrechten in derde landen
 Intellectuele-eigendomsrechten: een EU-actieplan

Op de rechtstreekse betalingen toe te passen aanpassingspercentage voor kalenderjaar 2015 ***I
PDF 246kWORD 61k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 9 juni 2015 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1306/2013 op de rechtstreekse betalingen toe te passen aanpassingspercentage voor kalenderjaar 2015 (COM(2015)0141 – C8-0083/2015 – 2015/0070(COD))
P8_TA(2015)0217A8-0174/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0141),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0083/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 1 juni 2015 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 en artikel 50, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0174/2015),

1.  stelt zijn standpunt in eerste lezing vast zoals hierna is opgenomen;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 9 juni 2015 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2015/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1306/2013 op de rechtstreekse betalingen toe te passen aanpassingscoëfficiënt voor het kalenderjaar 2015

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2015/1146.)

(1) Advies van 22 april 2015 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).


De EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015
PDF 253kWORD 139k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015 (2014/2152(INI))
P8_TA(2015)0218A8-0163/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM),

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 1949 inzake de afschaffing van mensenhandel en van de exploitatie van prostitutie van anderen,

–  gezien de verklaring en het actieplatform van Beijing, die op 15 september 1995 zijn goedgekeurd op de vierde Wereldvrouwenconferentie, de latere slotdocumenten die zijn aangenomen op speciale bijeenkomsten van de Verenigde Naties Beijing+5 (2000), Beijing+10 (2005) en Beijing+15 (2010), en het slotdocument van de toetsingsconferentie Beijing+20,

–  gezien Verordening (EU) nr. 606/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1567/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003 betreffende steun voor beleid en maatregelen op het gebied van reproductieve en seksuele gezondheid en rechten in ontwikkelingslanden(2),

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ(3),

–  gezien Richtlijn 2011/99/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel(4),

–  gezien Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad(5),

–  gezien Richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad(6),

–  gezien Richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de door BusinessEurope, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst en tot intrekking van Richtlijn 96/34/EG(7),

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking)(8),

–  gezien Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)(9),

–  gezien Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten(10) en het daarmee verband houdende arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 1 maart 2011 in zaak C-236/09 (Test-Achats)(11),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Overeenkomst van Istanbul),

–  gezien het Europees Pact voor gendergelijkheid (2011-2020) dat in maart 2011 door de Europese Raad is aangenomen(12),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2010 getiteld "Een grotere inzet voor de gelijkheid van vrouwen en mannen: Een Vrouwenhandvest" (COM(2010)0078),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2010 getiteld "Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015" (COM(2010)0491),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld: "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 september 2011 getiteld "Ondersteuning van groei en werkgelegenheid - een agenda voor de modernisering van de Europese hogeronderwijssystemen" (COM(2011)0567),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 16 september 2013 "Tussentijdse herziening van de strategie voor gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015" (SWD(2013)0339),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 8 maart 2010 getiteld "EU-actieplan inzake gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in de ontwikkeling 2010-2015" (SWD(2010)0265),

–  gezien de conclusies van de Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Gezondheid en Consumentenaangelegenheden van 19-20 juni 2014,

–  gezien de in 2014 gepubliceerde studie van beleidsondersteunende afdeling C van het Europees Parlement getiteld "Study on the Evaluation of the Strategy for Equality between Women and Men 2010-2015 as a contribution to achieve the goals of the Beijing Platform for Action",

–  gezien het in maart 2014 gepubliceerde verslag van het Bureau van de Unie voor de grondrechten (FRA) getiteld "Geweld tegen vrouwen - een EU-breed onderzoek. Belangrijkste resultaten",

–  gezien het in oktober 2014 gepubliceerde verslag van het Bureau van de Unie voor de grondrechten (FRA) getiteld "Discrimination against and living conditions of Roma women in 11 EU Member States",

–  gezien het in december 2014 gepubliceerde verslag van het Bureau van de Unie voor de grondrechten (FRA) getiteld "Being Trans in the EU - Comparative analysis of the EU LGBT survey data",

–  gezien zijn resoluties van 15 juni 1995 over de vierde Wereldvrouwenconferentie te Peking – Gelijke rechten, ontwikkeling en vrede(13), van 10 maart 2005 over de follow-up van de vierde Wereldvrouwenconferentie – Het actieplatform Peking+10(14), en van 25 februari 2010 over Peking+15 – het VN-actieprogramma voor gendergelijkheid(15),

–  gezien zijn resoluties van 10 februari 2010 over gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de Europese Unie – 2009(16), van 8 maart 2011 over gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de Europese Unie – 2010(17), van 13 maart 2012 over gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de Europese Unie – 2011(18) en van 10 maart 2015 over vooruitgang op het gebied van de gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de Europese Unie in 2013(19),

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2013 over de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid(20),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2013 over de uitbanning van genderstereotypen in de EU(21),

–  gezien zijn resoluties van 17 juni 2010 over de genderaspecten van de economische neergang en de financiële crisis(22) en van 12 maart 2013 over de gevolgen van de economische crisis voor de gendergelijkheid en de rechten van de vrouw(23),

–  gezien zijn resolutie van 6 februari 2013 over de 57ste zitting van de VN-Commissie inzake de positie van de vrouw: Uitbanning en preventie van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes(24),

–  gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 met aanbevelingen aan de Commissie over de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid(25),

–  gezien zijn resolutie van 20 november 2013 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de verbetering van de man-vrouwverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen en daarmee samenhangende maatregelen(26),

–  gezien zijn resolutie van 25 februari 2014 met aanbevelingen aan de Commissie over de bestrijding van geweld tegen vrouwen(27),

–  gezien zijn resolutie van 25 februari 2014 over het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: jaarlijkse groeianalyse 2014(28),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0163/2015),

A.  overwegende dat het recht op gelijke behandeling een in de Verdragen van de Europese Unie erkend grondrecht is dat diep in de Europese samenleving verankerd is en voor de verdere ontwikkeling van die samenleving onontbeerlijk is en dat in de wetgeving, de praktijk, de rechtspraak en het echte leven moet gelden;

B.  overwegende dat de EU in het verleden belangrijke maatregelen heeft getroffen om de rechten van de vrouw en gendergelijkheid te versterken, maar dat beleidsmaatregelen en hervormingen ten gunste van gendergelijkheid op EU-niveau het afgelopen decennium vertraging hebben opgelopen; overwegende dat de strategie van de Commissie tot dusverre te zwak was en er niet toe heeft geleid dat er voldoende maatregelen ter bevordering van gendergelijkheid zijn getroffen; overwegende dat een nieuwe strategie een nieuwe impuls moet geven en concrete maatregelen moet opleveren ter versterking van de rechten van de vrouw en ter bevordering van gendergelijkheid;

C.  overwegende dat met de bestaande strategie van de Commissie wel enkele doelstellingen zijn verwezenlijkt, maar geen volledige gendergelijkheid is bereikt, dat het daarin vaak heeft ontbroken aan verwijzingen naar het samenspel van verschillende vormen van discriminatie, nauwkeurig omschreven doelen en doeltreffende evaluatiemaatregelen en dat gendermainstreaming nog steeds slechts in beperkte mate plaatsvindt;

D.  overwegende dat gelijkheid van vrouwen en mannen een fundamentele waarde van de EU is die in de Verdragen en in het Handvest van de grondrechten wordt erkend, en dat de EU zich specifiek tot taak heeft gesteld hieraan in al haar activiteiten een plaats toe te kennen; overwegende dat gelijkheid van vrouwen en mannen als strategische doelstelling van essentieel belang is met het oog op de verwezenlijking van de algemene doelen van de EU, zoals de nagestreefde arbeidsparticipatie in de Europa 2020-strategie, en een belangrijke economische troef is om eerlijke en inclusieve economische groei te bevorderen; overwegende dat het verkleinen van de ongelijkheid in het beroep niet alleen tot doel heeft om gelijke behandeling te verwezenlijken, maar ook om de doeltreffendheid van en de doorstroming op de arbeidsmarkt te verbeteren;

E.  overwegende dat de kloof tussen de Roma en de reguliere samenleving op het gebied van onderwijs, werkgelegenheid, gezondheidszorg en discriminatie groot blijft, terwijl de situatie van de Roma-vrouwen in de EU nog slechter is als gevolg van meervoudige discriminatie op grond van etnische herkomst en geslacht;

F.  overwegende dat Europa zijn economische en politieke positie alleen zal kunnen versterken en de gevolgen van de demografische veranderingen alleen zal kunnen worden opvangen door het talent en het potentieel van alle vrouwen en mannen te benutten;

G.  overwegende dat we niet mogen blijven steken in ouderwetse, uit duurzaamheidsoogpunt niet meer te handhaven economische modellen die gebaseerd zijn op een arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen die inmiddels is achterhaald doordat vrouwen ook deel zijn gaan uitmaken van de arbeidsmarkt; overwegende dat we behoefte hebben aan een nieuw, maatschappelijk duurzaam model dat gebaseerd is op kennis en innovatie en dat het gehele scala aan vrouwelijke vaardigheden in de economie integreert, o.a. door vraagtekens te plaatsen bij bepaalde door de industrie gestelde normen alsmede de factoren waardoor mannen en vrouwen in verschillende beroepen terechtkomen, dat het evenwicht in de taakverdeling tussen mannen en vrouwen in het openbare en het privéleven herstelt en voor beide geslachten voor een goede balans tussen werk en privéleven zorgt;

H.  overwegende dat het verbeteren van de toegang tot betaalbare en kwalitatief goede kinderopvang en zorgdiensten voor ouderen en andere afhankelijke personen van essentieel belang is voor het verwezenlijken van een gelijke participatie van vrouwen en mannen in arbeid, onderwijs en scholing;

I.  overwegende dat het actieplatform van Beijing dit jaar 20 jaar oud wordt en dat de in dat verband geformuleerde doelstellingen alsmede de volledige uitvoering ervan actueler zijn dan ooit;

J.  overwegende dat geweld tegen vrouwen, ongeacht of het van fysieke, seksuele of psychologisch aard is, een belangrijk obstakel vormt voor gelijkheid tussen mannen en vrouwen, en nog steeds de meest wijdverbreide schending van de mensenrechten is, die voorkomt in alle lagen van de bevolking, maar waarvan het minst aangifte wordt gedaan; overwegende dat ondanks de getroffen tegenmaatregelen volgens de FRA-enquête van maart 2014 55 % van de vrouwen in de loop van hun leven te maken krijgt met een of meer vormen van seksuele intimidatie en 33 % van de vrouwen na hun 15e te maken krijgt met lichamelijk en/of seksueel geweld; overwegende dat een leven zonder geweld een voorwaarde is voor volledige maatschappelijke participatie en dat er krachtige maatregelen moeten worden ingevoerd ter bestrijding van geweld tegen vrouwen;

K.  overwegende dat gedwongen prostitutie een vorm van geweld is die met name de meest kwetsbaren treft, voornamelijk plaatsvindt in samenhang met georganiseerde misdaadnetwerken en mensenhandel en een obstakel is voor gelijkheid tussen mannen en vrouwen;

L.  overwegende dat vrouwen als gevolg van traditionele structuren en verkeerde fiscale prikkels veroordeeld worden tot de status van persoon met bijkomende inkomsten, hetgeen tot uiting komt in zowel de verticale als de horizontale segregatie van de arbeidsmarkt, carrièreonderbrekingen en ongelijke beloning van vrouwen en mannen, en dat voorts onbetaalde zorg (voor kinderen), verpleging van ouderen en andere afhankelijke personen en huishoudelijk werk aanzienlijk vaker door vrouwen worden verricht, waardoor zij minder tijd hebben om betaald werk te doen, wat weer tot een veel lager pensioen leidt; dat er daarom nog steeds concrete maatregelen nodig zijn om het combineren van beroep en gezin gemakkelijker te maken, o.a. om de doelstellingen van de Europa 2020-strategie te kunnen halen, waarbij vooral mannen een grotere rol moeten gaan spelen;

M.  overwegende dat de arbeidsparticipatie onder vrouwen 63 % is en uitgedrukt in voltijdsequivalenten 53,5 %(29); overwegende dat de genderspecifieke loonkloof 16,4 % bedraagt en de genderspecifieke pensioenkloof gemiddeld 39 %; overwegende dat de arbeidsparticipatie van vrouwen niet altijd wordt omgezet in invloed doordat functies met macht en beslisbevoegdheid overwegend door mannen worden bekleed, hetgeen vrouwen beperkt in hun mogelijkheden om invloed uit te oefenen en een gebrek aan democratische legitimiteit van de besluitvorming met zich meebrengt, aangezien vrouwen de helft van de bevolking uitmaken; overwegende dat bevordering van gendergelijkheid meer inhoudt dan een verbod op discriminatie op grond van geslacht en dat positieve acties gericht op vrouwen van essentieel belang zijn gebleken voor de volledige integratie van vrouwen in de arbeidsmarkt, in het politieke en economische besluitvormingsproces en in de samenleving in het algemeen; overwegende dat de uitsluiting van vrouwen van functies met macht en beslisbevoegdheid een nadelig effect heeft op hun vermogen om invloed uit te oefenen niet alleen op hun eigen ontwikkeling en emancipatie, maar ook op de ontwikkeling van de samenleving;

N.  overwegende dat genderquota en om-en-omlijsten bij de politieke besluitvorming het doeltreffendst zijn gebleken bij het aanpakken van discriminatie en genderspecifieke machtsongelijkheid alsook het verbeteren van de democratische vertegenwoordiging in politieke besluitvormingsorganen;

O.  overwegende dat het niet bevorderen van beleidsmaatregelen om werk, gezin en privéleven beter te combineren, het onvoldoende bevorderen van flexibele werkuren, met name onder mannen, en het geringe aantal mannen dat gebruikmaakt van ouder- en vaderschapsverlof belangrijke obstakels vormen voor de economische onafhankelijkheid van vrouwen en de gelijke verdeling van verzorgende en huishoudelijke taken;

P.  overwegende dat het gezicht van de armoede in Europa onevenredig vrouwelijk is, en dat in het bijzonder alleenstaande moeders, vrouwen met een handicap, jonge vrouwen, oudere vrouwen, migrantenvrouwen en vrouwen uit etnische minderheden te lijden hebben onder armoede en maatschappelijke uitsluiting, hetgeen nog wordt versterkt door de economische crisis en specifieke bezuinigingsmaatregelen - wat geen rechtvaardiging mag zijn om minder voor gelijkheid te doen -, onzeker werk, deeltijdwerk, lage lonen en pensioenen, een moeilijke toegang tot sociale en basisgezondheidsdiensten en het schrappen van banen, vooral bij de overheid en bij voorzieningen op het gebied van verpleging en opvang, waardoor het gendergelijkheidsperspectief nog belangrijker wordt;

Q.  overwegende dat vrouwen in plattelandsgebieden vaker het slachtoffer worden van meervoudige discriminatie en genderstereotypen dan vrouwen in steden; overwegende dat de werkgelegenheidsgraad van deze vrouwen veel lager ligt dan die van vrouwen in steden; overwegende dat de plattelandsgebieden onder het gebrek aan vacatures van goede kwaliteit te lijden hebben; overwegende bovendien dat een groot aantal vrouwen nooit actief is op de officiële arbeidsmarkt en daardoor noch als werkloos staat geregistreerd, noch in de werkloosheidsstatistieken wordt opgenomen, hetgeen zorgt voor financiële en juridische problemen met betrekking tot het recht op moederschaps- en ziekteverlof, de opbouw van pensioenrechten en de toegang tot sociale zekerheid, alsook voor problemen bij echtscheiding;

R.  overwegende dat de traditionele rollen van man en vrouw en stereotypen nog steeds van grote invloed zijn op de taakverdeling tussen vrouwen en mannen in het huishouden, het onderwijs, de loopbaanontwikkeling, het werk en de samenleving in het algemeen;

S.  overwegende dat genderstereotypen en traditionele structuren zich negatief uitwerken op de gezondheid en op de algemene toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg met de bijbehorende rechten, wat fundamentele mensenrechten zijn die daarom nooit mogen worden beperkt; overwegende dat zeggenschap over het eigen lichaam en zelfbeschikking basisvoorwaarden zijn voor de gelijkheid van alle mensen;

T.  overwegende dat mondiaal een op de zes stellen te maken heeft met een vorm van onvruchtbaarheid; overwegende dat de Commissie een nieuwe vergelijkende analyse van de voortplanting onder medische begeleiding in de EU dient te publiceren, aangezien het onderzoek van 2008 (SANCO/2008/C6/051), waaruit bleek dat er sprake was van een aanzienlijke ongelijkheid op het gebied van de toegang tot vruchtbaarheidsbehandelingen, verouderd is;

U.  overwegende dat er nog steeds onderwijsinstellingen bestaan waar meisjes en jongens van elkaar gescheiden worden, en dat lesmateriaal vaak stereotypen bevat die bijdragen tot de instandhouding van de traditioneel aan meisjes en jongens toegeschreven rollen, wat een negatief effect heeft op hun keuzemogelijkheden; overwegende dat deze rolpatronen vooral door het beeld dat van de vrouw wordt geschetst in de media, de informatie op internet en de reclame nog worden versterkt;

V.  overwegende dat transgenders in de hele EU vandaag de dag vaak het slachtoffer zijn van discriminatie, intimidatie en geweld vanwege hun genderidentiteit of genderexpressie;

W.  overwegende dat de EU een zekere verantwoordelijkheid draagt en een voorbeeldfunctie heeft met betrekking tot gendergelijkheid en vrouwenrechten, die een kernpunt van haar externe optreden moeten worden; overwegende dat gendergelijkheid, de bestrijding van op gender gebaseerd geweld en empowerment van vrouwen noodzakelijk zijn met het oog op de verwezenlijking van de internationale ontwikkelingsdoelstellingen en om de EU een succesvol beleid te laten voeren op het gebied van buitenlandse zaken, ontwikkelingssamenwerking en internationale handel; overwegende dat vrouwen niet alleen kwetsbaarder zijn voor de gevolgen van energie-, milieu- en klimaatverandering, maar ook doeltreffend meewerken aan bestrijdings- en aanpassingsstrategieën, en zich sterk inzetten voor een billijk en duurzaam groeimodel;

X.  overwegende dat de institutionele mechanismen noodzakelijk zijn als basis voor het realiseren van gendergelijkheid; overwegende dat voorts gendergelijkheid - samen met de concepten gendermainstreaming, genderbudgettering en gendereffectbeoordeling - moet worden behandeld als belangrijk horizontaal aspect van alle beleidsterreinen in de EU en haar lidstaten;

Y.  overwegende dat het gebruik van genderspecifieke gegevens een essentieel instrument is om reële vooruitgang te kunnen boeken en de bereikte resultaten effectief te kunnen beoordelen;

Z.  overwegende dat in een aantal lidstaten tegen gendergelijkheid gerichte bewegingen de afgelopen jaren in de publieke opinie terrein hebben gewonnen en proberen traditionele genderrollen te versterken en zich verzetten tegen bestaande verworvenheden op het gebied van gendergelijkheid;

AA.  overwegende dat de bestaande problematiek en de opgedane ervaring aantonen dat het gebrek aan beleidsmatige samenhang tussen de verschillende domeinen de verwezenlijking van gendergelijkheid in het verleden in de weg heeft gestaan en dat er behoefte is aan een behoorlijke financiering en een betere coördinatie, verspreiding en bevordering van de rechten van de vrouw, rekening houdend met verschillende realiteiten;

Algemene aanbevelingen

1.  verzoekt de Commissie, uitgaande van de prioritaire gebieden van de vorige strategie, een nieuwe aparte strategie voor de rechten van de vrouw en gendergelijkheid in Europa uit te stippelen en goed te keuren, teneinde gelijke kansen te creëren, een eind te maken aan alle vormen van discriminatie van vrouwen op de arbeidsmarkt, op het gebied van salarissen en pensioenen, de besluitvorming, toegang tot goederen en diensten, het combineren van gezin en werk, evenals aan alle vormen van geweld tegen vrouwen, en discriminerende structuren en praktijken op grond van geslacht op te heffen; onderstreept dat in de nieuwe strategie voor de rechten van de vrouw en gendergelijkheid terdege rekening moet gehouden met de vele en elkaar overlappende vormen van discriminatie, zoals vermeld in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten, die gemeenschappelijke onderliggende elementen hebben, maar vrouwen op een andere manier treffen, en concrete maatregelen moeten worden ontwikkeld ter versterking van de rechten van verschillende groepen vrouwen, waaronder vrouwen met een handicap, vrouwen die tot minderheden behoren of van migrantenafkomst zijn, Romavrouwen, oudere vrouwen, alleenstaande moeders en LGBTI;

2.  verzoekt de Commissie ook maatregelen te ontwikkelen om in het kader van een bredere antidiscriminatiestrategie een einde te maken aan alle discriminatie van vrouwen in hun diversiteit, en een aparte, op LGBTI toegesneden routekaart op te stellen; dringt er in dit verband bij de Raad op aan om zo spoedig mogelijk tot een gemeenschappelijk standpunt te komen over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd, geslacht of seksuele geaardheid, dat sinds de aanneming door het Parlement in april 2009 wordt geblokkeerd;

3.  betreurt het dat de strategie voor gelijkheid tussen mannen en vrouwen 2010-2015 niet specifiek ingaat op de kwestie van mensen met een handicap, ondanks het feit dat vrouwen met een handicap vaak sterker worden benadeeld dan mannen met een handicap en dat zij vaker geconfronteerd worden met armoede en maatschappelijke uitsluiting; dringt er daarom bij de Commissie op aan aandacht te besteden aan de behoeften van vrouwen met een handicap, opdat zij in sterkere mate kunnen participeren in het arbeidsproces; betreurt het in die zin ook dat in de Europese Strategie inzake handicaps 2010-2020 geen geïntegreerde gendergebaseerde benadering of een apart hoofdstuk over genderspecifieke beleidsmaatregelen voor mensen met een handicap is opgenomen;

4.  verzoekt de Commissie het maatschappelijk middenveld en de sociale partners op gestructureerde wijze te betrekken bij de ontwikkeling en permanente evaluatie van de strategie;

5.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de collectieve onderhandelingen in de publieke en de privésector worden versterkt en volledig worden geëerbiedigd, aangezien zij een onmisbaar instrument vormen voor de regeling van de arbeidsverhoudingen, de bestrijding van loondiscriminatie en de bevordering van gelijkheid;

6.  verzoekt de Commissie bij de evaluatie van de toepassing van Richtlijn 2004/113/EG houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten, rekening te houden met gevallen van discriminatie;

7.  verzoekt de Commissie duidelijk te maken welke rol zij wil dat de EU in de wereld en in de samenwerking met de lidstaten, met inbegrip van hun bevoegde autoriteiten, speelt als het gaat om de bevordering van gendergelijkheid, zowel binnen als buiten de grenzen van de Unie, en deze doelen na te streven zowel door toepassing van het beginsel van gendermainstreaming op alle terreinen als door middel van afzonderlijke, gerichte en concrete maatregelen; benadrukt dat het genderperspectief en de bestrijding van gendergeweld moeten worden geïntegreerd in het buitenlands beleid, het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid en het handelsbeleid van de Europese Unie en dat daarvoor de nodige financiële instrumenten en personele middelen moeten worden uitgetrokken;

8.  betreurt eens te meer dat in de Europa 2020-strategie het genderperspectief niet naar tevredenheid is opgenomen, en verzoekt de Commissie en de Raad daarom ervoor te zorgen dat gendergelijkheid wordt geïntegreerd in alle programma's, acties en initiatieven die in het kader van deze strategie worden ondernomen, een specifieke paragraaf over gendergelijkheid in de strategie op te nemen, de doelstellingen van de toekomstige strategie te beschouwen als een onderdeel van het Europese semester en een genderperspectief toe te voegen aan de landenspecifieke aanbevelingen en de jaarlijkse groeianalyse;

9.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om op alle beleidsterreinen en op alle bestuursniveaus betrouwbare, naar geslacht uitgesplitste gegevens en indicatoren voor gendergelijkheid te verzamelen, te analyseren en te publiceren, daarbij voortbordurend op het werk van het Europees Instituut voor gendergelijkheid en het Bureau van de Europese Unie voor grondrechten, om het ontwerp en de toepassing van de strategieën voor gendergelijkheid in de EU en de lidstaten te kunnen analyseren, deze strategieën te actualiseren en de integratie van de genderdimensie op alle relevante communautaire en nationale beleidsterreinen te evalueren en, waar mogelijk, de gegevens verder uit te splitsen naar ras of etnische herkomst, godsdienst of overtuiging, en handicap, zodat een intersectionele analyse voor alle beleidsterreinen mogelijk wordt en op die manier de meervoudige discriminatie die bepaalde groepen vrouwen ondervinden wordt gedocumenteerd; moedigt de Commissie en de lidstaten aan om het initiatief te nemen tot genderspecifieke effectbeoordelingen van het beleid van de lidstaten, met name wanneer er hervormingen van de arbeidsmarkt en het pensioenstelsel worden voorgesteld;

10.  verzoekt de Commissie de strategie in de vorm van een concreet actieplan te gieten, waarbij de verantwoordelijke belanghebbenden duidelijk worden benoemd en met name rekening dient te worden gehouden met onderstaande specifieke suggesties met betrekking tot geweld tegen vrouwen, werk en tijd, vrouwen in functies met macht en beslisbevoegdheid, financiële middelen, gezondheid, kennis, onderwijs en media, globale visie alsmede institutionele mechanismen en gendermainstreaming; wijst nadrukkelijk op de noodzaak om zo nodig en met volledige inachtneming van de bevoegdheden van de EU wetgevingsvoorstellen te doen ter versterking van het rechtskader voor gendergelijkheid;

Geweld tegen vrouwen en seksueel geweld

11.  verzoekt de Commissie, zoals reeds eerder in zijn resolutie van 25 februari 2014 met aanbevelingen voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen, een wetgevingsvoorstel in te dienen dat zowel een coherent systeem voor de vergaring van statistische gegevens als een sterker optreden van de lidstaten bij de preventie en vervolging van geweld tegen vrouwen en meisjes alsmede seksueel geweld garandeert en een laagdrempelige toegang tot de rechter mogelijk maakt;

12.  verzoekt de Commissie om in de toekomstige strategie een definitie van gendergeweld op te nemen die aansluit bij de bepalingen van Richtlijn 2012/29/EU, en zo snel mogelijk te komen met een integrale strategie inzake geweld tegen vrouwen en meisjes en gendergeweld, met een bindende wetgevingshandeling; verzoekt de Raad om de passerelle-clausule toe te passen en een unaniem besluit te nemen waarmee gendergeweld wordt toegevoegd aan de vormen van criminaliteit die zijn vastgelegd in artikel 83, lid 1, VWEU;

13.  verzoekt de Commissie om de mogelijkheid van toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul te onderzoeken en zo spoedig mogelijk aan die procedure te beginnen, en voorts met behulp van de nieuwe strategie de ratificatie van het Verdrag van Istanbul door de lidstaten te stimuleren en zich actief in te zetten voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes; verzoekt de lidstaten om het Verdrag van Istanbul zo spoedig mogelijk te ondertekenen en te ratificeren;

14.  verzoekt de Commissie opnieuw om 2016 uit te roepen tot Europees Jaar van de bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes en tijdens dat jaar prioriteit te geven aan het opstellen van vergaande, slagvaardige strategieën om een aanzienlijke vermindering van het geweld tegen vrouwen en meisjes te bereiken;

15.  verzoekt de EU de lidstaten te steunen bij het uitwerken van campagnes en strategieën tegen het dagelijkse lastigvallen van vrouwen in de openbare ruimte en daarbij de beste praktijken aan de lidstaten door te geven;

16.  acht het dringend noodzakelijk dat er in 2015 en ook daarna wordt toegezien op de omzetting en uitvoering van de richtlijn inzake minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, van de verordening betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken en van de richtlijn betreffende het Europees beschermingsbevel;

17.  verzoekt de Commissie in de strategie plaats in te ruimen voor "zero tolerance"-campagnes en de lidstaten te helpen om de bevolking sterker bewust te maken van het probleem van geweld tegen vrouwen en jaarlijkse voorlichtingscampagnes aan te moedigen over de oorzaken van geweld en misbruik en over preventie, toegang tot de rechter en steun voor slachtoffers; onderstreept hoe belangrijk het is om de gehele samenleving, en in het bijzonder mannen en jongens, een concretere rol te geven bij de bestrijding van geweld tegen vrouwen; verzoekt de Commissie bovendien om een vervolg te geven aan haar initiatieven ter bestrijding van genitale verminking bij vrouwen;

18.  onderstreept dat een doeltreffende bestrijding van geweld tegen vrouwen en van de straffeloosheid van dit geweld vraagt om een gedragswijziging in de samenleving ten opzichte van vrouwen en meisjes, omdat vrouwen al te vaak in een ondergeschikte rol worden voorgesteld en geweld tegen vrouwen te vaak wordt getolereerd of geringschat; dringt er bij de Commissie op aan om de lidstaten te steunen bij maatregelen ter voorkoming en bestrijding van geweld in al zijn vormen en van de diepgewortelde oorzaken van geweld en ter bescherming van misbruikte vrouwen, en specifieke maatregelen te nemen ten aanzien van de verschillende aspecten, waaronder meer steun aan opvanghuizen voor vrouwen en organisaties die vrouwen ondersteunen die het slachtoffer zijn van gendergeweld, en preventieve maatregelen zoals bestrijding, van kinds af aan, van genderstereotypen en discriminerende sociaalculturele attitudes, alsmede bestraffing van de daders;

19.  merkt op dat de feminisering van de armoede kan leiden tot een toename van vrouwenhandel, seksuele uitbuiting en gedwongen prostitutie, en daarmee tot een grotere financiële afhankelijkheid van vrouwen; verzoekt de Commissie en de lidstaten een analyse te maken van de redenen van vrouwen om de prostitutie in te gaan en van manieren om de vraag te ontmoedigen; benadrukt het belang van programma's voor de uittreding uit de prostitutie;

20.  wijst op het belang van een systematische opleiding van geschoold personeel dat zich moet ontfermen over vrouwen die het slachtoffer zijn van fysiek, seksueel of psychologisch geweld; acht deze opleiding onmisbaar voor eerstelijns en tweedelijns hulpverleners, waaronder de sociale en medische nooddiensten, de civiele bescherming en politiediensten;

21.  verzoekt de lidstaten om volledige uitvoering van Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel, en de Commissie om evaluatie van en controle op de tenuitvoerlegging en om vaststelling van de beste praktijken die de lidstaten kunnen delen met het oog op de goedkeuring van een nieuwe strategie voor de bestrijding van mensenhandel, wanneer de huidige strategie in 2016 afloopt, waarin een genderperspectief dient te zijn opgenomen, prioriteit dient te worden gegeven aan de rechten van slachtoffers van mensenhandel, met een specifieke paragraaf over mensenhandel voor seksuele uitbuiting en met bijzondere aandacht voor nieuwe vormen van mensenhandel die worden ontwikkeld nu andere, gangbaardere kanalen worden afgesloten, alsmede dient te worden gewaarborgd dat alle beleidsmaatregelen, begrotingen en resultaten van de lidstaten in het kader van de ontwikkeling van de strategie transparant en toegankelijk zijn;

22.  verzoekt de Commissie de lidstaten te helpen door ervoor te zorgen dat slachtoffers van belaging kunnen profiteren van de bescherming die wordt geboden door bestaande maatregelen als het Europese beschermingsbevel, de verordening betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken en de EU-richtlijn inzake slachtoffers bij verplaatsing van de ene EU-lidstaat naar een andere, en aanvullende maatregelen te overwegen om de bescherming van slachtoffers van belaging te verbeteren, aangezien uit gegevens blijkt dat 18 % van de vrouwen in de EU na hun 15e te maken krijgt met belaging en een op de vijf slachtoffers van belaging verklaart dat het misbruik twee jaar of langer heeft geduurd(30);

23.  verzoekt de Commissie om de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij de opstelling van hun actieprogramma's voor gendergelijkheid te ondersteunen en bijzondere aandacht te besteden aan nieuwe vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes, zoals cyberstalking(31) en intimidatie en pesten via internet, en doorlopend evaluaties uit te voeren; benadrukt in dit verband ook het belang van een nauwe samenwerking met het maatschappelijk middenveld om problemen eerder te onderkennen en effectiever te bestrijden;

24.  verzoekt de Commissie erop toe zien dat de lidstaten de volledige wettelijke erkenning van het gekozen geslacht mogelijk maken, met inbegrip van verandering van de voornaam, het socialeverzekeringsnummer en andere genderspecifieke aanduidingen op identiteitsbewijzen;

25.  verzoekt de Commissie eens te meer om zo snel mogelijk een Europees Waarnemingscentrum voor geweld tegen vrouwen op te zetten binnen het kader van het Europees Instituut voor gendergelijkheid, met aan het hoofd een EU-coördinator bestrijding geweld tegen vrouwen en meisjes;

Werk en tijd

26.  verzoekt de Commissie om in de nieuwe strategie bijzondere aandacht te besteden aan de verschillende mogelijkheden om gezin en beroep te combineren; betreurt in dit verband de impasse in de onderhandelingen over de goedkeuring van de richtlijn betreffende moederschapsverlof en bevestigt nogmaals dat het Parlement volledig bereid is tot samenwerking; verzoekt de lidstaten in de tussentijd hun moederschapsregelingen te waarborgen, maatregelen te nemen om onredelijk ontslag van werkneemsters tijdens de zwangerschap te voorkomen en vrouwen en mannen met zorgtaken te beschermen tegen onredelijk ontslag;

27.  wijst erop dat ondanks de beschikbare EU-financiering sommige lidstaten bezuinigingen op de begroting hebben doorgevoerd die van invloed zijn op de beschikbaarheid, de kwaliteit en de kosten van de voorzieningen voor kinderopvang, met alle negatieve gevolgen van dien voor het combineren van gezin en beroep, waar met name vrouwen de dupe van zijn; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de Barcelonadoelen worden gehaald, en de lidstaten te blijven ondersteunen bij het opzetten van een kwalitatief hoogwaardige en betaalbare kinderopvang met adequate openingstijden, alsook met succes nieuwe doelen op het gebied van kinderopvangstructuren te ontwikkelen; onderstreept hierbij het belang van het vergroten van de beschikbaarheid, kwaliteit en toegankelijkheid van betaalbare diensten op het gebied van opvang en zorg voor kinderen, ouderen en mensen die bijzondere verpleging behoeven, met inbegrip van bijstand aan hulpbehoevende familieleden, waarbij moet worden gegarandeerd dat de beschikbaarheid van die diensten aansluit bij de werktijden van voltijds werkende vrouwen en mannen; merkt op dat de totstandbrenging van uitgebreidere faciliteiten voor crèches en kleuterscholen niet alleen afhangt van overheidsbeleid, maar ook van stimuli voor bedrijven om dergelijke oplossingen aan te bieden;

28.  benadrukt dat voor vrouwen en mannen flexibele arbeidsregelingen met het oog op het combineren van beroep en gezin van groot belang zijn, mits de werknemer hierin de vrije keuze heeft, en geeft de Commissie opdracht om de uitwisseling van best practices te coördineren en te stimuleren; onderstreept in dit verband de noodzaak van bewustmakingscampagnes ten behoeve van het gelijkelijk verdelen van huishoudelijke, opvang- en zorgtaken, betere investeringen in zorginfrastructuur, het stimuleren van de inbreng van mannen en de invoering van een vaderschapsverlof van ten minste 10 dagen en ouderschapsverlof voor beide ouders, evenwel met sterke prikkels voor de vader, zoals niet-overdraagbaar ouderschapsverlof; benadrukt dat gelijkheid wat betreft het ouderschapsverlof gunstig is voor alle gezinsleden en kan fungeren als een stimulans voor de vermindering van discriminatie die verband houdt met ouderschapsverlof;

29.  verlangt dat de nodige maatregelen worden getroffen ter bevordering van een hogere werkgelegenheid onder vrouwen, zoals betaalbare zorg en kinderopvang, passende regelingen voor moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof en flexibele arbeidstijden en werklocaties; benadrukt het belang van goede arbeidsvoorwaarden en zekere banen die zowel vrouwen als mannen in staat stellen werk en privéleven te combineren, en verzoekt de Commissie de versterking van de arbeidsrechten met het oog op een grotere gelijkheid tussen vrouwen en mannen te coördineren en te bevorderen; benadrukt dat het verbeteren van het evenwicht tussen gezinsleven, privéleven en werk belangrijk is voor het economisch herstel, een duurzame demografie en het persoonlijk en maatschappelijk welzijn, en merkt op dat een gelijke arbeidsparticipatie van mannen en vrouwen het economisch potentieel van de EU aanzienlijk zou kunnen verhogen en tegelijkertijd een bevestiging zou vormen van het eerlijke en inclusieve karakter van de arbeidsmarkt; wijst erop dat een volledige convergentie van de arbeidsparticipatiecijfers zich, volgens prognoses van de OESO, zou vertalen in een stijging van het bbp per inwoner met 12,4 % tot 2030; merkt op dat deeltijdwerk, dat grotendeels door vrouwen wordt verricht, het combineren van gezin en beroep weliswaar kan vergemakkelijken, maar ook duidelijk leidt tot minder kans op het maken van carrière, lagere salarissen en pensioenen, onderbenutting van het menselijk kapitaal en, bijgevolg, minder economische groei en welvaart;

30.  benadrukt dat het van belang is het EIGE te verzoeken om betrouwbare, naar geslacht uitgesplitste cijfers te vergaren over de verhouding tussen de tijd die aan zorg, opvang en huishoudelijk werk wordt besteed en vrije tijd, en deze regelmatig te evalueren;

31.  beveelt aan dat, aangezien de samenstelling en de definitie van gezinnen in de loop van de tijd veranderen, de wetgeving inzake familie en werk uitvoeriger moet ingaan op eenoudergezinnen en LGBT-ouderschap;

32.  verzoekt de Commissie de stem van vrouwen in de sociale dialoog gehoor te verschaffen en de vertegenwoordiging van vrouwen in vakbonden in alle sectoren van de economie te bevorderen;

33.  verzoekt de Commissie in het kader van de strategie de lidstaten aan te zetten tot het ratificeren van Verdrag 189 van de Internationale Arbeidsorganisatie, om de rechten van de Europese werknemers in huishoudens en in de verpleging te schragen;

34.  verzoekt de Commissie om de bevoegde autoriteiten van de lidstaten te ondersteunen bij het creëren van prikkels voor werkgevers om informeel werk om te zetten in formeel werk; wijst erop dat er met name in door vrouwen gedomineerde sectoren, zoals werk in particuliere huishoudens, op grote schaal zwart wordt gewerkt; verzoekt de lidstaten onzekere vormen van arbeid en zwartwerk door vrouwen tegen te gaan, die bijdragen tot een volledige deregulering van de loonstructuren voor vrouwen, hetgeen leidt tot meer armoede onder vrouwen, vooral op latere leeftijd, en negatieve gevolgen heeft voor de sociale zekerheid van vrouwen en het bbp van de EU, en een adequate sociale bescherming van de werknemers te garanderen; dringt aan op de snelle instelling van het Europees platform om zwartwerk beter te kunnen voorkomen en tegengaan;

35.  benadrukt dat armoede onder vrouwen wordt veroorzaakt door, onder meer, loopbaanonderbrekingen, de loonkloof (16,4 %) en de pensioenkloof (39 %) tussen mannen en vrouwen, genderongelijkheden in de loopbaanprogressie, het feit dat vrouwen vaak werkzaam zijn op basis van een atypische arbeidsovereenkomst (zoals onvrijwillig deeltijdwerk, tijdelijke contracten en nulurencontracten), het ontbreken van sociale zekerheid voor de meewerkende echtgenote van een zelfstandige, en armoede in huishoudens van alleenstaande moeders; onderstreept dat het armoedepeil tegen 2020 met 20 miljoen mensen kan worden verlaagd met op gendermainstreaming gebaseerde beleidsmaatregelen voor armoede- en discriminatiebestrijding, met actieprogramma's waarin speciale aandacht uitgaat naar benadeelde vrouwen en die geflankeerd worden door acties tegen armoede onder vrouwen, en via de verbetering van de arbeidsomstandigheden in lagelonensectoren waarin vrouwen oververtegenwoordigd zijn; onderstreept dat de vele vormen van discriminatie waarmee vrouwen worden geconfronteerd, op grond van handicap, ras en etnische afkomst, sociaaleconomische status, genderidentiteit en andere factoren, de vervrouwelijking van de armoede in de hand werken; benadrukt hoe belangrijk het is om de gendereffecten van belastingstelsels en arbeidstijdregelingen op vrouwen en gezinnen te evalueren;

36.  verwacht dat de Commissie alle haar ter beschikking staande maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de EU-richtlijnen inzake gelijke behandeling van vrouwen en mannen op alle punten worden nageleefd, onder meer door de sociale partners die onderhandelen over de collectieve arbeidsovereenkomsten, en dat de Commissie er naartoe werkt dat in de dialoog met de sociale partners aandacht wordt besteed aan kwesties als loontransparantie en arbeidsvoorwaarden voor vrouwen met een deeltijdcontract of een arbeidscontract voor bepaalde tijd, terwijl ook de arbeidsparticipatie van vrouwen in "groene" en innovatieve sectoren moet worden gestimuleerd; benadrukt dat pensioenen een belangrijke factor zijn voor de economische onafhankelijkheid van de pensioengerechtigden en dat een pensioenkloof het gevolg is van het geheel van nadelen die vrouwen ondervinden tijdens hun loopbaan in een naar geslacht discriminerende arbeidsmarkt; roept de Commissie en de lidstaten op passende maatregelen te nemen om de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen, die een rechtstreeks gevolg is van de loonkloof tussen mannen en vrouwen, te verkleinen en de gevolgen van de pensioenstelsels voor vrouwen te evalueren, met bijzondere aandacht voor atypische en deeltijdcontracten;

37.  onderstreept dat het van belang is op EU-niveau meer bekendheid te geven aan het concept van gezamenlijk eigendomsrecht, om ervoor te zorgen dat de rechten van vrouwen in de landbouwsector volledig worden erkend; spoort de Commissie en de lidstaten aan een bijdrage te leveren aan het bevorderen van een strategie die nieuwe banen voor vrouwen op het platteland oplevert en, impliciet, behoorlijke pensioenen garandeert voor gepensioneerde vrouwen in de EU die in onzekere omstandigheden leven, en vraagt om steun voor politieke inspanningen om de rol van de vrouw in de landbouw te versterken en voor een gepaste vertegenwoordiging van vrouwen in alle politieke, economische en sociale fora van de landbouwsector;

38.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om rekening te houden met de sociaaleconomische hinderpalen waarmee vrouwen in bepaalde omstandigheden, zoals op het platteland, in door mannen gedomineerde sectoren en op oudere leeftijd, en vrouwen met een handicap worden geconfronteerd; benadrukt dat de banen van vrouwen nog steeds onzekerder zijn dan die van mannen en dat die onzekerheid als gevolg van de crisis nog groter is geworden, en uit zijn bezorgdheid over het aantal en het aandeel vrouwen dat ondanks een baan in armoede leeft; is van mening dat, om de re-integratie van vrouwen op de arbeidsmarkt te bevorderen, veelzijdige beleidsoplossingen nodig zijn, met aandacht voor levenslang leren, het tegengaan van onzekere arbeidsomstandigheden en het bevorderen van banen met rechten, evenals verschillende manieren om het werk te organiseren; verzoekt de Commissie en de lidstaten het genderperspectief in alle werkgelegenheidsprogramma's te versterken, teneinde kwalitatief hoogwaardige banen te scheppen in overeenstemming met de agenda van de IAO voor waardig werk;

39.  benadrukt dat de kloof tussen het opleidingsniveau van vrouwen (60 % van de afgestudeerden in Europa is vrouw) en hun participatie en positie op de arbeidsmarkt moet worden gedicht om economische groei en concurrentievermogen in de EU te bevorderen; onderstreept dat een eind moet worden gemaakt aan alle aspecten van horizontale en verticale segregatie, aangezien deze segregatie de werkgelegenheid onder vrouwen in bepaalde sectoren beperkt en vrouwen uitsluit van de hoogste rangen van de ondernemingsstructuur; benadrukt dat de huidige wetgeving voor positieve discriminatie, met name in de publieke sector van bepaalde lidstaten, de gendergelijkheid op instapniveau heeft verbeterd, maar dat dit moet worden uitgebreid tot alle loopbaanniveaus;

Participatie in besluitvormingsprocessen en vrouwelijk ondernemerschap

40.  merkt op dat verreweg de grootste toename van het aandeel vrouwen in raden van bestuur is vastgesteld in landen waarin al wetgeving met betrekking tot verplichte quota is aangenomen, en dat in de lidstaten waar nog geen verplichte maatregelen zijn genomen bedrijven nog ver verwijderd zijn van een acceptabele man-vrouwverhouding; is voorstander van de invoering van transparante procedures voor de benoeming van vrouwen als niet-uitvoerende leden in raden van bestuur van beursgenoteerde bedrijven; moedigt de publieke en de private sector aan om na te denken over vrijwillige regelingen ter bevordering van vrouwen in leidinggevende posities; verzoekt de Commissie concrete maatregelen in verband met de paritaire vertegenwoordiging van vrouwen en mannen in leidinggevende posities op te nemen in de strategie en de Raad te steunen in de onderhandelingen over de goedkeuring van de richtlijn over een evenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen en mannen in raden van toezicht; verzoekt de Raad zo snel mogelijk tot een gezamenlijk standpunt te komen met betrekking tot dit voorstel voor een richtlijn;

41.  verzoekt de Commissie stimulansen voor de lidstaten te creëren die tot een evenwichtigere vertegenwoordiging van vrouwen en mannen in gemeenteraden, regionale en nationale parlementen en het Europees Parlement leiden, en onderstreept daarbij dat het van belang is dat mannen en vrouwen op kieslijsten gelijkelijk vertegenwoordigd zijn, met om en om een vrouw en een man als lijsttrekker; benadrukt het belang van quota om meer vrouwen aan het politieke besluitvormingsproces te laten deelnemen; verzoekt alle EU-instellingen om interne maatregelen te treffen met het oog op het vergroten van de gelijkheid binnen de eigen besluitvormingsorganen, door voor hoge functies bij de EU zowel een vrouwelijke als een mannelijke kandidaat voor te dragen; is van mening dat voor de Commissie gelijkheid als eis moet gelden en dat de aanstelling van een op basis van gelijkheid samengestelde Commissie een belangrijk signaal is voor de toekomstige werkzaamheden ter bevordering van gelijkheid;

42.  wijst erop dat de deelname aan besluitvormingsprocessen op politiek, bestuurlijk en economisch vlak onevenwichtig is verdeeld tussen mannen en vrouwen en dat de struikelblokken die de participatie van vrouwen in de weg staan, worden gevormd door een combinatie van discriminatie op grond van sekse en stereotiepe gedragspatronen die in het bedrijfsleven, de politiek en de samenleving nog steeds bestaan; wijst erop dat vrouwen 60 % van de nieuwe universitaire diploma's behalen, maar bijvoorbeeld in wetenschap en onderzoek ondervertegenwoordigd zijn; verzoekt de Commissie en de lidstaten vrouwen meer bewust te maken van de opleidingsmogelijkheden op die gebieden en ervoor te zorgen dat zij dezelfde kansen hebben als mannen om daarin een baan te krijgen en een carrière op te bouwen; merkt op dat vrouwen doorgaans een loopbaan zonder bijzondere progressie hebben; roept de lidstaten op vrouwen aan te moedigen en te ondersteunen zodat zij een succesvolle loopbaan kunnen opbouwen, onder meer via positieve acties zoals netwerk- en mentorprogramma's, en gepaste omstandigheden te creëren en voor gelijke kansen met mannen te zorgen op elke leeftijd wat betreft opleiding, promotie, bijscholing en omscholing; benadrukt dat in het beleid dat gericht is op gelijke kansen voor vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt rekening moet worden gehouden met de potentiële kwetsbaarheid van vrouwen in topfuncties; onderstreept dat met name de Commissie maatregelen tegen ongewenste intimiteiten op het werk moet bevorderen(32);

43.  beklemtoont het feit dat vrouwen 52 % van de totale Europese bevolking uitmaken, maar slechts een derde van de zelfstandige ondernemers of van alle bedrijfsoprichters in de EU; benadrukt het belang van steunprogramma's voor vrouwelijke ondernemers en vrouwen in de wetenschap en de academische wereld, en dringt bij de EU aan op concretere steun hiervoor; verzoekt de Commissie te analyseren hoe vrouwen kunnen worden gewonnen voor het oprichten van een onderneming en voorstellen hiertoe uit te werken; onderstreept dat potentiële vrouwelijke ondernemers, wetenschappers en academici moeten worden gewezen op de bestaande steunprogramma's en financieringsmogelijkheden; spoort de lidstaten aan om maatregelen en acties voor de ondersteuning van en het verstrekken van advies aan vrouwen die een onderneming willen opstarten te bevorderen, en vrouwelijk ondernemerschap aan te moedigen, de toegang tot financiering te faciliteren en te vereenvoudigen en de bureaucratische rompslomp en andere belemmeringen voor startende vrouwelijke ondernemers terug te dringen;

Financiële middelen

44.  wijst er nogmaals op dat er nog altijd sprake is van een salariskloof tussen mannen en vrouwen die de afgelopen jaren nauwelijks kleiner is geworden; benadrukt dat deze salariskloof een gevolg is van een ontoereikende arbeidsparticipatie van vrouwen, verticale en horizontale segregatie en het feit dat binnen sectoren waar vrouwen oververtegenwoordigd zijn, vaak lagere lonen worden betaald; verzoekt de Commissie toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2006/54/EG en met het oog op de structurele loonverschillen specifieke maatregelen van wetgevende en niet-wetgevende aard in te dienen om de lonen transparant te maken en sancties op te leggen om zo de beloningsverschillen te verkleinen, en daarover jaarlijks een voortgangsverslag in te dienen; spoort de lidstaten aan de nieuwe richtlijn inzake overheidsopdrachten te zien als een waardevol instrument voor de bevordering en versterking van het gendermainstreamingbeleid, door na te denken over de mogelijkheid om waar nodig voorwaarden aan de gunning van overheidsopdrachten te stellen op basis van de bestaande nationale wetgeving inzake gelijke behandeling en gendergelijkheid; verzoekt de Commissie en de lidstaten te onderzoeken of sociale clausules bij openbare aanbestedingsprocedures kunnen worden gebruikt als potentieel instrument ter versterking van het beleid voor sociale integratie; erkent dat de mededingingswetgeving van de EU bij de ontwikkeling van deze benadering in acht moet worden genomen;

45.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om bij de vormgeving van hun belastingbeleid, socialezekerheidsstelsels en openbare diensten rekening te houden met de demografische ontwikkelingen en veranderingen met betrekking tot de omvang en de samenstelling van huishoudens;

46.  verzoekt de Commissie de lidstaten te ondersteunen bij de bestrijding van de armoede, die vooral alleenstaande moeders treft en die door de crisis verder is verergerd en leidt tot een toenemende maatschappelijke uitsluiting;

47.  verzoekt de Commissie de lidstaten te ondersteunen in het toenemende gebruik van de structuurfondsen voor investeringen in openbare kinderopvang en ouderenzorg, als kernstrategie ter verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen;

48.  herhaalt dat Richtlijn 2006/54/EG in haar huidige vorm niet doeltreffend genoeg is om de loonkloof tussen mannen en vrouwen aan te pakken en om de doelstelling van gendergelijkheid in arbeid en beroep te verwezenlijken; dringt er bij de Commissie op aan deze richtlijn onverwijld te herzien;

49.  is van mening dat de beleidsmaatregelen en instrumenten ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid, zoals de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, moet voldoen aan de specifieke behoeften van jonge mannen en vrouwen, zodat zij de arbeidsmarkt kunnen betreden; herinnert eraan dat er meer jonge vrouwen zijn die geen onderwijs of een opleiding volgen en niet aan het werk zijn (zogeheten NEET's) dan jonge mannen; dringt eveneens aan op de verzameling van naar geslacht uitgesplitste gegevens op het gebied van jeugdwerkloosheid, met het oog op de ontwikkeling van een op maat gemaakt en op feiten stoelend beleid;

50.  verzoekt de Commissie om zowel bij het in 2014 goedgekeurde investeringspakket als bij de jongerengarantieregeling duidelijker de specifieke situatie en de specifieke behoeften van meisjes en vrouwen als uitgangspunt te nemen;

51.  benadrukt hoe belangrijk het is om voorbeelden van best practices en initiatieven uit te wisselen, teneinde het verlies van vaardigheden bij vrouwen tegen te gaan en hun vaardigheden juist verder te ontwikkelen of hun een opleiding te bieden waarmee ze de arbeidsmarkt weer op kunnen, nadat ze zich een tijdlang exclusief hebben gewijd aan de zorg voor kinderen of andere familieleden; benadrukt ook hoe belangrijk het is de erkenning van diploma's en kwalificaties te verbeteren en te vergemakkelijken, om te voorkomen dat de capaciteiten van vrouwen die ruimschoots gekwalificeerd zijn onderbenut blijven, hetgeen vaak gebeurt bij vrouwelijke migranten;

Gezondheid

52.  verzoekt de Commissie de lidstaten steun te verlenen bij het garanderen van kwalitatief hoogwaardige, geografisch goed gespreide en laagdrempelige voorzieningen op het gebied van de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, veilige en legale abortus en voorbehoedmiddelen en algemene gezondheidszorg;

53.  dringt er bij de Commissie op aan seksuele en reproductieve gezondheid en rechten op te nemen in haar volgende EU-gezondheidsstrategie ter waarborging van de gelijkheid tussen vrouwen en mannen en ter aanvulling van het nationale beleid inzake seksuele en reproductieve gezondheid;

54.  verzoekt de lidstaten zich te richten op de preventie van seksueel overdraagbare aandoeningen en preventiemethoden, alsmede op preventie en onderzoek, om ziektes zoals vrouwelijke vormen van kanker (borst-, baarmoederhals- en eierstokkanker) vroegtijdig te ontdekken door regelmatige gynaecologische controles;

55.  verzoekt de Commissie en de Wereldgezondheidsorganisatie nogmaals genderidentiteitsstoornissen van de lijst van mentale en gedragsstoornissen te schrappen, ervoor te zorgen dat in de onderhandelingen over de elfde versie van de Internationale classificatie van ziekten (ICD-11) een niet-pathologiserende herclassificatie wordt overeengekomen, en te waarborgen dat genderdiversiteit in de kinderjaren niet wordt gepathologiseerd;

56.  erkent het belang van seksuele en reproductieve rechten en verzoekt de Commissie modellen voor goede praktijken inzake seksuele en relationele opvoeding voor jongeren in heel Europa te ontwikkelen;

57.  benadrukt dat de Commissie een genderaudit dient uit te voeren om ervoor te zorgen dat in het gezondheidsbeleid van de EU en het door de EU gefinancierde onderzoek meer aandacht wordt besteed aan de gezondheidstoestand van vrouwen en diagnostiek bij vrouwen;

58.  onderstreept het belang van bewustmakingscampagnes over genderspecifieke ziektesymptomen en vrouwelijke en mannelijke rollen en stereotypen die van invloed zijn op de gezondheid, en verzoekt de Commissie financiële steun te verlenen voor gendergevoelige onderzoeksprogramma's;

59.  verzoekt de Commissie de lidstaten aan te moedigen om de (medische) ondersteuning van de persoonlijke vruchtbaarheid te bevorderen en een eind te maken aan discriminatie bij de toegang tot vruchtbaarheidsbehandelingen en geassisteerde voortplanting; wijst in dit verband ook op het belang van de ondersteuning van adoptie;

60.  verzoekt de Commissie en de lidstaten programma's voor seksuele voorlichting op scholen in te voeren en ervoor te zorgen dat jongeren consultatie kunnen krijgen en toegang hebben tot anticonceptiemiddelen;

Kennis, onderwijs en media

61.  verzoekt de Commissie in de lidstaten voor prikkels te zorgen die leiden tot degelijk onderwijs in de kritische omgang met de media, zodat er kritische vragen over stereotypen en structuren worden gesteld, en goede praktijken te delen voor het nalopen van het tot dusverre gebruikte lesmateriaal op de stereotiepe invulling van rollen; verzoekt de Commissie in dit verband steun te verlenen aan programma's waarmee mensen bewust worden gemaakt van stereotypen, seksisme en de traditionele rol van man en vrouw in het onderwijs en in de media, alsook campagnes te voeren voor positieve vrouwelijke en mannelijke rolmodellen; benadrukt in dit verband dat de inspanningen van de EU ter bestrijding van genderstereotypen ook gericht moeten zijn op de uitbanning van het pesten van en vooroordelen jegens LGBTI-personen op scholen, ongeacht of het om scholieren, ouders of leerkrachten gaat; onderstreept daarbij dat het van belang is dat het onderwijzend personeel kan profiteren van een pedagogiek die beide geslachten recht doet en leerkrachten in staat stelt de voordelen van gendergelijkheid en een diverse samenleving duidelijk te maken;

62.  roept de lidstaten, en met name de regelgevingsinstanties voor de media, op aandacht te besteden aan de plaats van vrouwen, zowel kwantitatief als kwalitatief, en een evenwichtige, niet-stereotiepe voorstelling van vrouwen te bevorderen die de waardigheid van vrouwen, hun verschillende rollen en hun identiteit eerbiedigt, en te garanderen dat de commerciële audiovisuele media gevrijwaard blijven van discriminatie op grond van sekse en van vernederende beelden van vrouwen, in het bijzonder internetmedia die vaak op vrouwen en meisjes gericht zijn; onderstreept dat de lidstaten ook banen bij de media en in het bijzonder functies met beslisbevoegdheid voor vrouwen toegankelijker moeten maken; verzoekt de Commissie de lidstaten ervan bewust te maken dat de publieke media en justitie een voorbeeldfunctie moeten vervullen bij het presenteren van diversiteit; verzoekt de Commissie en de lidstaten vastberadener actie te ondernemen om korte metten te maken met seksistische stereotypen die via de media worden verspreid, en vestigt de aandacht op belangrijke maatregelen in het in 2013 aangenomen verslag van het Parlement over de uitbanning van genderstereotypen;

63.  onderstreept dat het onderwijs en empowerment een beslissende rol spelen in de strijd tegen genderstereotypen en bij de uitbanning van discriminatie op grond van geslacht, en een positief effect hebben voor de vrouwen en voor de samenleving en de economie in het algemeen; benadrukt dat het van groot belang is dat die waarden al op jonge leeftijd worden overgebracht en dat er op het werk en in de media bewustmakingscampagnes worden georganiseerd waarin wordt ingegaan op de rol van mannen bij de bevordering van gelijkheid, de eerlijke verdeling van gezinstaken en het combineren van werk en privéleven;

64.  onderstreept dat de inachtneming van het beginsel van gendergelijkheid een criterium moet zijn voor alle door de EU gefinancierde cultuur-, onderwijs- en onderzoeksprogramma's, en verzoekt de Commissie een specifiek gebied "genderonderzoek" op te nemen in het Horizon 2020-programma;

65.  geeft de Commissie opdracht tot een onderzoek naar de gevolgen in het dagelijkse leven van de wijze waarop vrouwen en mannen in de publieke opinie, de media en onderwijsinstellingen worden afgebeeld, waarbij de aandacht met name dient uit te gaan naar pesten op school, haatuitingen en gendergerelateerd geweld;

66.  verzoekt de Commissie om vooral op vrouwen en vrouwelijke migranten gerichte campagnes en initiatieven ter bevordering van de actieve maatschappelijke participatie van burgers te steunen;

Globale visie

67.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat in de Europese ontwikkelingssamenwerking een op de mensenrechten gebaseerde aanpak wordt gevolgd, met name wat betreft gendergelijkheid, scholing van vrouwen, bestrijding van alle vormen van geweld tegen vrouwen en uitbanning van kinderarbeid; wijst er uitdrukkelijk op dat de algemene toegang tot gezondheidszorg, met name de seksuele en reproductieve gezondheidszorg met de bijbehorende rechten, een fundamenteel mensenrecht is, en benadrukt het recht op vrijwillige toegang tot diensten voor gezinsplanning, met inbegrip van veilige en legale zorg rond abortus, en informatie en voorlichting om de moeder- en zuigelingensterfte te verminderen en om een eind te maken aan alle vormen van gendergeweld, waaronder genitale verminking bij vrouwen, uithuwelijking op jonge leeftijd of onder dwang, gendercide, gedwongen sterilisatie en verkrachting in het huwelijk;

68.  benadrukt dat het absoluut noodzakelijk is het genderperspectief deel uit te laten maken van alle programmaonderdelen met betrekking tot voedselveiligheid, aangezien vrouwen in Afrika verantwoordelijk zijn voor 80 % van de landbouw;

69.  verzoekt de Commissie zich in het kader van het uitbreidings- en nabuurschapsbeleid, de ontwikkelingssamenwerking, de handelsbetrekkingen en het diplomatieke verkeer in te zetten voor de invoering van een standaard waarin de rechten van de vrouw als mensenrecht worden gedefinieerd en de verplichting is opgenomen om dit recht te eerbiedigen en de inachtneming van dit recht tot voorwerp te maken van de structurele dialoog in het kader van alle partnerschappen en bilaterale onderhandelingen van de EU; benadrukt het belang van een op participatie berustende samenwerking met alle partijen, vooral met vrouwenrechtenorganisaties, maatschappelijke organisaties en verenigingen van lokale en regionale overheden in het kader van de ontwikkelingssamenwerking; dringt er bij de Commissie op aan te erkennen dat door aan meisjes een voortrekkersrol toe te kennen in de mondiale ontwikkeling, een kader wordt geschapen om te waarborgen dat de mensenrechten van meisjes worden geëerbiedigd, bevorderd en verwezenlijkt, en wenst dat de "Verklaring inzake meisjes" en de doelstellingen ervan centraal worden gesteld in de gendergelijkheidsstrategie voor de periode na 2015; onderstreept het belang van voorlichtings- en bewustmakingscampagnes in gemeenschappen waar gendergerelateerde schendingen van de mensenrechten gangbaar zijn;

70.  verzoekt de Commissie te bevorderen dat de lidstaten een actieplan opstellen uitgaande van de resoluties 1325 en 1820 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid; herinnert de internationale gemeenschap aan de noodzakelijke bescherming voor vrouwen en meisjes, met name bescherming tegen verkrachting als oorlogswapen en gedwongen prostitutie; spreekt zijn krachtige veroordeling uit over het voortdurend gebruik van seksueel geweld tegen vrouwen als oorlogswapen; benadrukt dat er meer moet worden gedaan om het internationaal recht te handhaven, slachtoffers te beschermen en toegang te waarborgen tot medische en psychologische steun voor vrouwen en meisjes die in conflicten zijn misbruikt;

71.  hamert erop dat het verlenen van humanitaire hulp door de EU en haar lidstaten niet mag worden onderworpen aan door andere partnerdonoren opgelegde beperkingen met betrekking tot noodzakelijke medische behandelingen, waaronder de mogelijkheid van een veilige abortus voor vrouwen en meisjes die het slachtoffer zijn geworden van verkrachting in gewapende conflicten;

72.  benadrukt het belang van een gendergevoelig asiel- en migratiebeleid, de erkenning van de bedreiging met genitale verminking als grond voor asielverlening en de ontwikkeling van desbetreffende richtsnoeren en de coördinatie van goede praktijken; onderstreept hierbij dat een individueel verblijfsrecht beslist noodzakelijk is, aangezien er anders ongelijke machtsverhoudingen ontstaan, in het bijzonder met betrekking tot vrouwelijke migranten die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld; verzoekt de Commissie specifieke maatregelen te evalueren en aan te wijzen die kunnen waarborgen dat de rechten van vrouwelijke asielzoekers worden versterkt en volledig in acht worden genomen gedurende de gehele asielprocedure;

73.  verzoekt de Commissie naar geslacht uitgesplitste gegevens te verzamelen met het oog op de beoordeling van de gevolgen van het klimaat-, milieu- en energiebeleid voor vrouwen;

74.  merkt op dat hoewel bij alle missies op het gebied van crisisbeheer, zowel militair als civiel, waaraan de Europese Unie deelneemt adviseurs op het gebied van gendervraagstukken betrokken zijn, er nog gewerkt moet worden aan het vergroten van de deelname van vrouwen aan operaties en missies op alle niveaus van besluitvorming en aan de onderhandelingen over vrede en wederopbouw; stelt dat er voor elke missie een op die missie afgestemde strategie inzake de rechten van de vrouw en gendergelijkheid moet worden ontwikkeld; is voorts van mening dat er een specifiek hoofdstuk inzake gendergelijkheid moet worden verankerd in het volgende EDEO-actieplan inzake mensenrechten; onderstreept in dit verband het belang van de voortdurende en intensieve samenwerking tussen de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de EDEO;

Institutionele mechanismen en gendermainstreaming

75.  verzoekt de Commissie de toepassing van gendermainstreaming, genderbudgettering en gendereffectbeoordeling te bevorderen op alle terreinen en voor elk wetgevingsvoorstel in alle bestuurslagen, en daarmee tot concrete doelstellingen op het gebied van gendergelijkheid te komen; verzoekt ook de Rekenkamer het genderperspectief te betrekken bij haar beoordeling van de tenuitvoerlegging van de begroting van de Unie; verzoekt eveneens de lidstaten genderbudgettering in te voeren om overheidsprogramma's en –beleid te analyseren, te onderzoeken wat de gevolgen hiervan zijn voor de toewijzing van middelen en welke bijdrage ze leveren aan de gelijkheid van vrouwen en mannen;

76.  verzoekt de Commissie voorts de samenwerking tussen de lidstaten, vrouwenrechtenorganisaties en de sociale partners te bevorderen;

77.  wijst op het belang van een adequate financiering van de nationale organen voor gendergelijkheid en antidiscriminatiebureaus; dringt er bij de Commissie op aan om nauwlettend toezicht te houden op de doeltreffendheid van nationale klachteninstanties en -procedures in het kader van de tenuitvoerlegging van de richtlijnen inzake gendergelijkheid; verzoekt de Commissie in dit verband ook de tenuitvoerlegging van het Europees Handvest voor gelijkheid van vrouwen en mannen op lokaal niveau en de continuïteit van ngo's, met name vrouwenrechtenorganisaties en andere organisaties op het gebied van gendergelijkheidskwesties, te ondersteunen door middel van een adequate, voorspelbare subsidiëring; spreekt op deze plaats tevens de wens uit dat de financiële steun voor het Daphne-programma wordt voortgezet en het profiel van dit programma ongewijzigd blijft, zodat vooral plaatselijke vrouwenrechtenorganisaties in de lidstaten zich kunnen blijven wijden aan de bestrijding van geweld tegen vrouwen;

78.  benadrukt dat het van belang is dat Commissie en Parlement als partners samenwerken, en stelt daarom voor dat de commissaris voor Justitie, Consumentenrechten en Gendergelijkheid jaarlijks mondeling en schriftelijk aan de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid een voortgangsverslag presenteert - zowel vanuit de invalshoek van de Commissie als vanuit de invalshoek van de lidstaten op basis van een landenspecifieke verslaglegging met specifieke informatie per lidstaat - over de in de strategie geformuleerde doelstellingen;

79.  verzoekt de Commissie samen te werken met Parlement en Raad en een jaarlijkse EU-top inzake gendergelijkheid en vrouwenrechten te organiseren, om na te gaan welke vorderingen er zijn gemaakt en om nieuwe verbintenissen aan te gaan;

o
o   o

80.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 181 van 29.6.2013, blz. 4.
(2) PB L 224 van 6.9.2003, blz. 1.
(3) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.
(4) PB L 338 van 21.12.2011, blz. 2.
(5) PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1.
(6) PB L 180 van 15.7.2010, blz. 1.
(7) PB L 68 van 18.3.2010, blz. 13.
(8) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(9) PB L 348 van 28.11.1992, blz. 1.
(10) PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37.
(11) PB C 130 van 30.4.2011, blz. 4.
(12) Bijlage bij de conclusies van de Raad van 7 maart 2011.
(13) PB C 166 van 3.7.1995, blz. 92.
(14) PB C 320 E van 15.12.2005, blz. 247.
(15) PB C 348 E van 21.12.2010, blz. 11.
(16) PB C 341 E van 16.12.2010, blz. 35.
(17) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 65.
(18) PB C 251 E van 31.8.2013, blz. 1.
(19) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0050.
(20) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0375.
(21) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0074.
(22) PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 79.
(23) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0073.
(24) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0045.
(25) PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 75.
(26) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0488.
(27) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0126.
(28) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0128.
(29) Verslag van de Commissie over vooruitgang op het gebied van de gelijkheid tussen vrouwen en mannen 2012 (SWD(2013)0171), blz. 8.
(30) Geweld tegen vrouwen: een EU-breed onderzoek. Belangrijkste resultaten - verslag van het FRA, blz. 83-84 en 92-93.
(31) Geweld tegen vrouwen: een EU-breed onderzoek. Belangrijkste resultaten - verslag van het FRA, blz. 87.
(32) Geweld tegen vrouwen: een EU-breed onderzoek. Belangrijkste resultaten - verslag van het FRA, blz. 96.


Intellectuele-eigendomsrechten in derde landen
PDF 199kWORD 90k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 juni 2015 over de strategie voor de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in derde landen (2014/2206(INI))
P8_TA(2015)0219A8-0161/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité van 1 juli 2014 getiteld "Handel, groei en intellectuele eigendom – Strategie voor de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in derde landen" (COM(2014)0389),

–  gezien de strategie van de Commissie voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in derde landen(1) en haar onafhankelijke evaluatie van november 2010,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name artikel 11, lid 1 en artikel 17, lid 2,

–  gezien de Europa 2020-strategie (COM(2010)2020),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 21 maart 2014,

–  gezien het verslag van 2008 van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) getiteld "The Economic Impact of Counterfeiting and Piracy" zoals bijgewerkt in 2009,

–  gezien het verslag van 2009 van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) getiteld "Piracy of Digital Content",

–  gezien de gezamenlijke studie uit 2013 van het Europees Octrooibureau en het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (EOB/BHIM) getiteld "Intellectual Property Rights Intensive Industries: Contribution to Economic Performance and Employment in the European Union",

–  gezien het OESO-werkdocument van 2010 betreffende het handelsbeleid getiteld "Policy Complements to the Strengthening of IPRS in Developing Countries",

–  gezien de studie uit 2013 van de Wereldhandelsorganisatie, de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom en de Wereldgezondheidsorganisatie getiteld "Promoting Access to Medical Technologies and Innovation",

–  gezien Verordening (EG) nr. 3286/94 van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van communautaire procedures op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek met het oog op de handhaving van de rechten die de Gemeenschap ontleent aan internationale regelingen voor het handelsverkeer, in het bijzonder die welke onder auspiciën van de Wereldhandelsorganisatie werden vastgesteld(2) (verordening inzake handelsbelemmeringen),

–  gezien Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten(3),

–  gezien Verordening (EG) nr. 816/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de verlening van dwanglicenties voor octrooien inzake de vervaardiging van farmaceutische producten voor uitvoer naar landen met volksgezondheidsproblemen(4),

–  gezien Verordening (EG) nr. 953/2003 van de Raad van 26 mei 2003 ter voorkoming van verlegging van het handelsverkeer in bepaalde belangrijke geneesmiddelen naar de Europese Unie(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 608/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douane en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad(7),

–  gezien de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPS) en de Verklaring van Doha inzake de TRIPS-overeenkomst en de volksgezondheid die op 14 november 2001 is goedgekeurd tijdens de ministeriële conferentie van de Wereldhandelsorganisatie,

–  gezien zijn resolutie van 12 juli 2007 over de TRIPS-overeenkomst en de beschikbaarheid van medicijnen(8),

—  gezien zijn resolutie van 18 december 2008 over de impact van namaak op de internationale handel(9),

–  gezien zijn resolutie van 22 september 2010 over versterkte handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in de interne markt(10),

–  gezien het verslag van de Commissie van 31 juli 2014 getiteld "EU Customs Enforcement of Intellectual Property Rights – Results at the EU Border 2013"(11),

–  gezien de resolutie van de Raad over het EU-douaneactieplan tegen inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten (IER) voor de jaren 2013-2017(12),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 10 december 2014,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A8-0161/2015),

A.  overwegende dat het concurrentievermogen van de EU is gebaseerd en steeds meer zal worden gebaseerd op creativiteit en innovatie, en overwegende dat "slimme groei" - het ontwikkelen van een economie op basis van kennis en innovatie - één van de drie prioriteiten van de Europa 2020-strategie is;

B.  overwegende dat de intellectuele-eigendomsrechten (IER) bijdragen tot de ontwikkeling van innovatie en creativiteit, dat de bescherming daarvan een belangrijke uitdaging is voor het concurrentievermogen van Europa en overwegende dat de Unie in dat opzicht een ambitieuzere strategie betreffende de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten moet ontwikkelen ten aanzien van haar handelspartners;

C.  overwegende dat het van essentieel belang is om de versterking van de banden tussen het onderwijs, het bedrijfsleven, onderzoek en innovatie en intellectueel eigendom te versterken; overwegende dat de procedures ter bestrijding van inbreuken op IER duur en tijdrovend zijn, met name voor kmo's, met inbegrip van individuele houders van rechten;

D.  overwegende dat de EU en haar lidstaten als leden van de Wereldhandelsorganisatie gebonden zijn door de Overeenkomst inzake de handelsgerelateerde aspecten van de intellectuele eigendom (TRIPS) en zich derhalve hebben verbonden tot de vaststelling en uitvoering van minimumnormen voor doeltreffende maatregelen tegen alle inbreuken op IER;

E.  overwegende dat in het debat over IER naar behoren moet worden nagedacht over de opgedane ervaringen en over toekomstige technologische trends, waarbij de samenhang tussen de interne en externe aspecten wordt gehandhaafd, waar nodig een onderscheid wordt gemaakt tussen de fysieke en digitale omgeving, rekening wordt gehouden met de bedenkingen van alle betrokkenen, met inbegrip van de kmo's en consumentenorganisaties, en wordt gestreefd naar het zorgen voor volledige transparantie van de belangen en adequate legitimiteit bij het nastreven van een billijk evenwicht tussen alle belangen ter zake;

F.  overwegende dat namaak niet langer beperkt blijft tot luxeproducten, maar tevens algemeen gebruikte goederen treft, zoals speelgoed, geneesmiddelen, cosmetica en levensmiddelen, die, indien nagemaakt, letsel kunnen veroorzaken of ernstige gezondheidsrisico's voor de consument kunnen vormen;

G.  overwegende dat de douaneautoriteiten in de EU in 2013 bijna 36 miljoen artikelen in beslag hebben genomen waarvan werd aangenomen dat zij een inbreuk op de IER vormden, met een waarde van meer dan 760 miljoen EUR;

H.  overwegende dat 72% van alle in beslag genomen goederen in 2013 kleine hoeveelheden betrof; overwegende dat geneesmiddelen voor het vierde opeenvolgende jaar tot de topcategorie behoorden met 19 % van deze inbeslagnemingen en 10 % van alle inbeslagnemingen;

I.  overwegende dat het nodig is om de inbreuken op IER te bestrijden om de daarmee verbonden mogelijke risico's voor de gezondheid en veiligheid van de consumenten en het milieu terug te dringen, waardecreatie in de EU en in derde landen te beschermen, de economische en sociale gevolgen voor de bedrijven en scheppers in de Unie te voorkomen en risico's voor de culturele diversiteit in Europa en derde landen te voorkomen; overwegende dat speciale aandacht moet worden besteed aan de strijd tegen de georganiseerde misdaad die van de handel in nagemaakte en door piraterij verkregen goederen profiteert;

J.  overwegende dat een allesomvattend rechtskader voor EIR moet worden gecombineerd met doeltreffende handhaving, met, in voorkomend geval, verwijzing naar handhavingsmaatregelen en straffen, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat de maatregelen ter handhaving van EIR de legitieme handel niet te zeer belasten;

K.  overwegende dat de bescherming van IER voor een groot gedeelte afhangt van de correcte toepassing van de bestaande wetgeving en internationale afspraken, waaronder strafbepalingen;

Algemene opmerkingen

1.  waardeert de benadering van de Commissie met name de oproep tot het handhaven van het evenwicht tussen de diverse uiteenlopende belangen;

2.  is van oordeel dat het debat over een billijk evenwicht tussen de belangen van de rechthebbenden en die van de eindgebruikers rijk geschakeerd en zeer complex is met economische belangen voor alle partijen; is van oordeel dat de Commissie moet nagaan hoe er een geïnformeerd en transparant publiek debat kan worden gehouden over de bescherming en handhaving van IE en wat dit voor consumenten betekent; is van oordeel dat de oproep voor een betere betrokkenheid van de belanghebbenden in het debat over IER vergezeld moet gaan van stappen die zorgen voor de transparantie en legitimiteit voor alle deelnemers; is van oordeel dat in geen enkele evaluatie van de mededeling rekening wordt gehouden met de Strategie voor de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in derde landen uit 2004 noch met de verwerping van de Handelsovereenkomst ter bestrijding van namaak (ACTA);

3.  onderstreept dat niet duidelijk genoeg is met welke middelen en methoden de resultaten waarnaar in de mededeling wordt verwezen, kunnen worden bereikt, met name welke financiële middelen zullen worden gebruikt en waar zij vandaan zullen komen, ook gezien de beperkte middelen die beschikbaar gemaakt zijn ten behoeve van de ondersteuning van rechthebbenden in de EU die uitvoeren of die zich in derde markten vestigen;

4.  is van mening dat niet duidelijk wordt aangegeven hoe de coördinatie tussen het intern en extern beleid inzake de bescherming van de EIR moet verlopen, en onderstreept het belang van interne verbetering dienaangaande; erkent dat samenhang tussen intern en extern beleid niets afdoet aan de noodzaak van een aanpak op maat, die de specifieke feiten en omstandigheden erkent die op een markt van een derde land in kwestie bestaan;

5.  onderstreept dat de bescherming van IER moet worden gezien als een eerste noodzakelijke, maar niet afdoende stap op weg naar toegang tot de markt van een derde land en dat het vermogen om erkende IER doeltreffend uit te oefenen afhankelijk is van de substantiële bescherming, met inbegrip van de doeltreffende handhaving en rechtsmiddelen, in het betrokken land;

6.  onderstreept dat de commerciële aard van veel inbreuken op IER en de toenemende betrokkenheid van de georganiseerde misdaad hierbij een groot probleem zijn geworden; betreurt het feit dat het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (Verdrag van Palermo) nog steeds geen protocol ter bestrijding van namaak omvat en verzoekt de Europese Commissie en de lidstaten om hun inspanningen in dit verband aanmerkelijk te vergroten;

7.  waardeert en steunt het streven naar meer samenhang tussen de bescherming en handhaving van IER en andere beleidsterreinen, alsmede tussen de Commissie en de lidstaten bij het verwezenlijken van dit doel; is van oordeel dat de bescherming van IER alsook adequate maatregelen ter bestrijding van inbreuken op IER kunnen bijdragen tot de strijd tegen de georganiseerde misdaad, het witwassen van geld en belastingontduiking en tot de ontwikkeling van een billijke, duurzame en toekomstbestendige digitale markt die bevorderlijk is voor innovatie;

8.  steunt de Commissie in haar werkzaamheden inzake het afbakenen van geografische prioriteiten met als uitgangsbasis haar halfjaarlijkse verslagen over de bescherming en handhaving van IER in derde landen;

9.  is van mening dat de strategie niet voldoende waarde hecht aan het onderscheid tussen de fysieke namaak van handelsmerken en octrooien enerzijds en de schendingen van het auteursrecht, vooral in de digitale omgeving, anderzijds; merkt op dat met het steeds snellere tempo van de digitalisering de kwestie van IER-bescherming en -handhaving in de digitale wereld werelwijd steeds belangrijker zal worden;

10.  is van oordeel dat de strategie beter aangepast moet worden aan de digitale omgeving en een hechte samenwerking met de douaneautoriteiten en markttoezichtautoriteiten dient te omvatten met het oog op de horizontale samenhang;

11.  onderstreept dat geografische aanduidingen en de bescherming ervan even belangrijk zijn als andere vormen van intellectuele eigendom doordat ze de traceerbaarheid van goederen tot het moment van consumptie waarborgen en de knowhow van producenten beschermen;

12.  is van oordeel dat de Commissie moet zorgen voor de erkenning en effectieve bescherming van geografische aanduidingen tijdens onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten met derde landen, in het bijzonder in het kader van onderhandelingen over het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP);

13.  is van oordeel dat de overeenkomst over TRIPS waar nodig op evenwichtige en doeltreffende wijze ten uitvoer moet worden gelegd en dat eventuele flexibiliteit in de formulering ervan het fundamentele beginsel van de niet-discriminerende behandeling voor alle technologiegebieden, zoals vastgelegd in artikel 27, lid 1, volledig moet respecteren; meent dat er tevens rekening gehouden moet worden met de Verklaring van Doha waarbij wordt onderstreept dat een versterkte bescherming en handhaving van IE niet alleen aan de EU-landen ten goede komt, maar ook de ontwikkelingslanden helpt om noodzakelijke binnenlandse kaders op te bouwen en te ontwikkelen om innovatie en onderzoek aan te moedigen en te beschermen, een kwestie die steeds belangrijker wordt naarmate ze zich in de internationale handelswaardeketens opwerken;

Handhaving en bewustmaking van het publiek

14.  onderstreept de noodzaak van een geïnformeerd, evenwichtig en transparanter publiek debat over de handhaving tussen alle betrokken partijen waarbij het evenwicht tussen alle particuliere en openbare belangen wordt gehandhaafd;

15.  erkent dat de bewustwording onder consumenten moet worden vergroot van de nadelen voor de economie en innovatie, en in sommige gevallen van de gevaren voor de gezondheid en de veiligheid van de aanschaf van of de toegang tot goederen die inbreuk maken op de IER; wijst erop dat met een striktere handhaving als zodanig bestaande en toekomstige kwesties met betrekking tot IE-bescherming en -handhaving niet worden opgelost, maar dat deze een aanvulling moet vormen op een grotere bewustwording bij consumenten; onderstreept de rol van het bedrijfsleven in dit verband;

16.  acht het duidelijk dat publieke steun voor de bescherming van IER moet worden verkregen; wijst in dit verband op het werk van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM), waaronder bewustmakingscampagnes onder burgers over de gevolgen van IE-inbreuken op commerciële schaal;

Internet en IER

17.  is verheugd over het op 4 mei 2011 ondertekende memorandum van overeenstemming tussen de houders van rechten en internetplatforms in het kader van een gezamenlijke inspanning om de verkoop van nagemaakte goederen via platforms voor elektronische handel te verminderen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om met online platforms een gestructureerde dialoog aan te gaan over hoe de verkoop van nagemaakte goederen het beste kan worden opgespoord en aangepakt;

18.  is van oordeel dat het probleem van IER-inbreuken de laatste jaren is toegenomen ten gevolge van de digitalisering en het groeiende aantal digitale verkoopplatforms, waar nagemaakte goederen wereldwijd worden verkocht en gedistribueerd zonder enige effectieve manier van controle; dringt er in dit verband op aan dieper na te denken over de invoering van efficiëntere instrumenten voor controle van de onlineverkoop van fysieke producten;

19.  is van mening dat de formulering van de strategie inzake de bevordering van de gedegen bescherming van geografische aanduidingen op het internet specifieker zou moeten zijn om concrete doelstellingen te kunnen voorstellen;

20.  doet een beroep op de Commissie om samen te werken met de Internet Corporation for Assigned Names and Numbers (ICANN) en de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO) om een beschermingsmechanisme voor geografische aanduidingen op het internet in het leven te roepen;

21.  is van mening dat de verantwoordelijkheid van tussenpersonen zorgvuldig moet worden beoordeeld; zou in dit verband graag een verfijndere strategie zien waarbij wordt erkend dat deze kwestie aan een afzonderlijk debat moet worden onderworpen;

Ontwikkeling en opkomende economieën

22.  doet een beroep op de Commissie om ertoe bij te dragen een omgeving te creëren waarin de belangen van de lidstaten en derde landen naar elkaar toegroeien en waarin een wederzijds belang bestaat om hoogwaardige beschermingskaders samen met doelmatige rechtsmiddelen te scheppen om de lacunes in de bescherming van de IER te dichten; wijst op de noodzaak om een zorgvuldig onderscheid te maken tussen de omstandigheden van de verschillende "ontwikkelingslanden" en de betrokken handelskwesties met inachtneming van de specifieke toestand in de afzonderlijke ontwikkelingslanden;

23.  is verheugd over het door de Commissie per geval verrichte werk ter ondersteuning van de ontwikkelingslanden die hun IER-systemen wensen te verbeteren, en doet een beroep op de Commissie om deze inspanningen voort te zetten en te intensiveren door ononderbroken gepaste technische bijstand te verlenen in de vorm van bewustmakingsprogramma's, rechtsbijstand en de opleiding van ambtenaren, met aandacht voor het ontwikkelingsniveau van elk land;

Toegang tot medicijnen

24.  stemt in met de oproep tot een brede reactie op het ingewikkelde en rijk geschakeerde probleem van de relatie tussen IER en de universele toegang tot betaalbare geneesmiddelen waarbij in dit verband het belang voor een patiëntgerichte aanpak van IER in de farmaceutische sector wordt onderstreept;

25.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om zich te blijven inzetten voor een constructieve dialoog over de toegang tot geneesmiddelen met alle betrokkenen en om middelen te vinden waarmee deze toegang kan worden vergemakkelijkt voor de bevolking in de armste landen die niet in staat zijn om te profiteren van de beste behandelingen die momenteel beschikbaar zijn;

26.  is van mening dat, hoewel de belangen en de concurrentiepositie van de farmaceutische bedrijven in de EU bescherming behoeven door hun innoverend vermogen te vrijwaren, en rekening houdend met het feit dat sommige EU-bedrijven toegang tot geneesmiddelen verschaffen door middel van hulpprogramma's en gereduceerde of gedifferentieerde prijzen, de prijzen van geneesmiddelen betaalbaar moeten zijn voor de inwoners van het land waarin zij worden verkocht, zodat steun voor het gebruik van de flexibiliteit zoals vastgesteld in de TRIPS-overeenkomst en erkend in de Verklaring van Doha, van essentieel belang is, waarbij tevens rekening moet worden gehouden met marktverstoringen ten gevolge van de doorverkoop van geneesmiddelen in derde landen; verzoekt de Commissie en de lidstaten zich te blijven inspannen om ervoor te zorgen dat grensmaatregelen die zijn bedoeld om de invoer van nagemaakte geneesmiddelen te blokkeren, de doorvoer van generieke geneesmiddelen niet negatief beïnvloeden;

27.  onderstreept dat bedrijven moeten worden aangemoedigd om in hun concurrentie-omgeving beter samen te werken en met overheidsinstanties samen te werken met als doel het garanderen van een betere en bredere toegang tot geneesmiddelen in de lidstaten en derde landen; verzoekt de Commissie het ondersteunen van innovatieve mechanismen zoals octrooigemeenschappen te overwegen om onderzoek te stimuleren en tegelijkertijd generieke productie te waarborgen;

28.  is van mening dat de Unie zich in het bredere debat moet mengen over het vooruithelpen van de gezondheidszorg wereldwijd, met inbegrip van strategieën ter schraging van stelsels voor de gezondheidszorg;

29.  verzoekt de Commissie de vroege uitvoer van door de EU geproduceerde generieke en biosimilaire geneesmiddelen te bevorderen zodra zij niet meer worden beschermd door een octrooi in derde landen;

Zorgen voor betere gegevens

30.  is van mening dat sommige van de in de mededeling geciteerde statistische gegevens zijn verzameld aan de hand van een controversiële en reeds bekritiseerde methode en dat de statistische gegevens moeten worden verbeterd om een betere afspiegeling te vormen van de werkelijke situatie met betrekking tot de centrale plaats van de IER en de bescherming en handhaving ervan voor de EU-economie, niet alleen om bestaand beleid te informeren en te verbeteren, maar ook om het beginsel van empirisch onderbouwde beleidsvorming verder te ondersteunen;

31.  stemt in met de argumenten van de Commissie voor de oprichting van een Waarnemingscentrum voor inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten van de EU, en dringt erop aan dat hiervoor specifieke middelen worden uitgetrokken;

32.  wijst erop dat het Waarnemingscentrum breed moet worden opgezet en geen kopie mag zijn van reeds bestaande organen;

33.  doet een beroep op de Commissie om zich ervoor in te zetten dat het Waarnemingscentrum zijn onafhankelijkheid behoudt om ervoor te zorgen dat zijn werkzaamheden niet worden ondermijnd door reële of vermeende partijdigheden;

EU-recht en samenwerking binnen de EU

34.  erkent dat een beter, naar behoren geharmoniseerd intern beleid inzake IER van nut kan zijn om de mate van bescherming en handhaving van IER in de wereld te verbeteren;

35.  verzoekt de Commissie om samen met de lidstaten te werken aan de ratificatie van het Verdrag inzake het merkenrecht van WIPO, de Akte van Genève van de Overeenkomst van 's-Gravenhage en de Overeenkomst van Lissabon betreffende de bescherming van herkomstbenamingen en hun internationale inschrijving, en andere aan de IER gerelateerde internationale overeenkomsten;

36.  doet een beroep op de Commissie om verdere stappen te nemen in overeenstemming met het resultaat van de recente openbare raadpleging over haar Groenboek "Optimale benutting van Europa's traditionele kennis: mogelijke uitbreiding van de bescherming van geografische aanduidingen door de Europese Unie tot niet-landbouwproducten" (COM(2014)0469;

Bescherming en handhaving van IER in derde landen

37.  steunt de toezegging van de Commissie om voorrang te geven aan de bevordering van een betere bescherming van IER en de handhaving ervan binnen de WTO en in andere internationale fora en zo nieuwe markten voor de Europese exportsector te ontsluiten respectievelijk de bestaande markttoegang te verbeteren;

38.  merkt op dat de toekenning van de status van markteconomie in een context van handelsbeschermingsinstrumenten afhankelijk is van, onder andere, IE-bescherming in het betrokken land;

39.  doet een beroep op de Commissie en de lidstaten om de IER beter te beschermen in alle betrokken multilaterale organisaties (de Wereldhandelsorganisatie, de Wereldgezondheidsorganisatie en de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom) en om te streven naar de opneming in het WTO-stelsel van met IER verband houdende internationale overeenkomsten die daarvan nog geen deel uitmaken, zoals het WIPO-verdrag inzake het merkenrecht, het WIPO-verdrag inzake uitvoeringen en fonogrammen, het WIPO-verdrag inzake auteursrecht, de Akte van Genève van de Overeenkomst van 's-Gravenhage en de Overeenkomst van Lissabon betreffende de bescherming van herkomstbenamingen en hun internationale inschrijving;

40.  is van oordeel dat in onderhandelingen over bilaterale vrijhandelsovereenkomsten naar behoren aandacht moet worden besteed aan de hoofdstukken over intellectueel eigendom, en dat de onderhandelende partijen moeten erkennen dat in het recht om een bedrijf te voeren rekening moet worden gehouden met de eerbiediging van IER en de naleving van de bestaande wettelijke kaders; is verheugd over het tot dusverre door de Commissie verrichte werk bij het succesvol integreren van hoofdstukken over de bescherming en handhaving van IE in de bilaterale vrijhandelsovereenkomsten;

41.  is van mening dat de ratificatie van de WIPO-verdragen die hierboven worden genoemd voor opname in het WTO-systeem, moet worden opgenomen in de bilaterale vrijhandelsovereenkomsten die door de Unie worden gesloten;

42.  steunt de benadering van de Commissie om dialogen over IE en werkgroepen met prioritaire landen op te zetten waarmee geen allesomvattende onderhandelingen worden gevoerd, ten einde specifieke toezeggingen inzake de bescherming en handhaving van IE te verkrijgen en te versterken; benadrukt de noodzaak om IER op de agenda van politieke vergaderingen op hoger niveau te zetten wanneer er geen vooruitgang wordt geboekt tijdens IE-dialogen en gezamenlijke vergaderingen van verschillende instanties;

43.  onderstreept dat de samenwerking inzake IER tussen de Unie en andere regionale organisaties telkens waar mogelijk moet worden versterkt;

44.  verzoekt de Commissie om regelmatiger een beroep te doen op desbetreffende mechanismen voor geschillenbeslechting, met inbegrip van het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO, wanneer inbreuk wordt gemaakt op de rechten van ondernemers van de Unie, met inbegrip van IER-houders;

45.  doet een beroep op de Commissie om derde landen aan te moedigen wederzijdse erkenning te verlenen aan het recht van juridische experts inzake IE om hun beroep uit te oefenen;

46.  roept de Commissie en de lidstaten op tot nauwere douanesamenwerking in de Unie en met derde landen bij de inbeslagname van nagemaakte goederen en tot vereenvoudiging van de douaneprocedures;

47.  vraagt de Commissie en de lidstaten nauwer met derde landen samen te werken in verband met vraagstukken rond auteursrechten en het verlenen van licenties;

48.  is ervan overtuigd dat een betere bescherming van de IER en een doeltreffende toepassing van de bijbehorende regels in derde landen voor investeerders uit de Europese Unie en daarbuiten een sterke stimulans zouden vormen om er te investeren, nieuwe technologische deskundigheid te delen en de in die landen bestaande technologieën te moderniseren;

Bijstand in derde landen en geografische focus

49.  merkt op dat sommige lidstaten IE-attachés in hun delegaties in belangrijke landen hebben; meent dat betere coördinatie en informatie-uitwisseling onder de lidstaten nieuwe mogelijkheden kunnen bieden om gedeelde doelstellingen inzake IE-bescherming in derde landen te halen;

50.  is van mening dat ondernemers en consumenten van de EU in derde landen waar inbreuken op IER vaker voorkomen, speciale bescherming moeten genieten via een uitbreiding van de IER-helpdesk;

o
o   o

51.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 129 van 26.5.2005, blz. 3.
(2) PB L 349 van 31.12.1994, blz. 71.
(3) PB L 157 van 30.4.2004, blz. 45.
(4) PB L 157 van 9.6.2006, blz. 1.
(5) PB L 135 van 3.6.2003, blz. 5.
(6) PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1.
(7) PB L 181 van 29.6.2013, blz. 15.
(8) PB C 175E van 10.7.2008, blz. 591.
(9) PB C 45E van 23.2.2010, blz. 47.
(10) PB C 50E van 21.2.2012, blz. 48.
(11)  http://ec.europa.eu/taxation_customs/resources/documents/customs/customs_controls/counterfeit_piracy/statistics/2014_ipr_statistics_en.pdf.
(12) PB C 80 van 19.3.2013, blz. 1.


Intellectuele-eigendomsrechten: een EU-actieplan
PDF 212kWORD 102k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 juni 2015 over "Naar een hernieuwde consensus over de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten: een EU-actieplan" (2014/2151(INI))
P8_TA(2015)0220A8-0169/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten(1) ("de richtlijn IER-handhaving"),

–  gezien artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 386/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 19 april 2012 tot toewijzing aan het Harmonisatiebureau voor de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van taken die verband houden met de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, met inbegrip van de vergadering van vertegenwoordigers van de publieke en private sector als Europees Waarnemingscentrum voor inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 608/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douane en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad,

–  gezien het verslag dat in september 2013 is ingediend door het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) en het Europees Octrooibureau (EOB), getiteld "Intellectual property rights intensive industries: contribution to economic performance and employment in the European Union",

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 25 juni 2008, getiteld: "Denk eerst klein, een 'Small Business Act' voor Europa" (COM(2008)0394),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 september 2009, getiteld "Versterkte handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in de interne markt" (COM(2009)0467),

–  gezien het verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 22 december 2010, getiteld "Toepassing van Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten" (COM(2010)0779) en het begeleidende werkdocument(3),

–  gezien de samenvatting die de Commissie heeft gemaakt van de reacties op de openbare raadpleging "Civielrechtelijke handhaving van intellectuele eigendomsrechten: openbare raadpleging betreffende de efficiëntie van de procedure en de toegankelijkheid van de maatregelen" van juli 2013(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité van 1 juli 2014, getiteld "Naar een hernieuwde consensus over de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten: een EU-actieplan" (COM(2014)0392),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité van 1 juli 2014, getiteld "Handel, groei en intellectuele eigendom – Strategie voor de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in derde landen" (COM(2014)0389),

–  gezien het plan van de Commissie om een interne digitale EU-markt tot stand te brengen en gezien zijn resolutie van 20 april 2012 over een concurrerende digitale interne markt(5),

–  gezien de conclusies van de Raad van 4-5 december 2014 over IER-handhaving(6),

–  gezien de resolutie van de Raad over het EU-douaneactieplan tegen inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten (IER) voor de jaren 2013-2017(7),

–  gezien zijn resolutie van 22 september 2010 over de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in de interne markt(8),

–  gezien de brief van de Commissie juridische zaken van 24 maart 2011 betreffende het verslag over de toepassing van Richtlijn 2004/48/EG,

–  gezien artikel 27 van de Universele verklaring van de rechten van de mens, waarin bepaald wordt dat een ieder het recht heeft op de bescherming van de geestelijke en materiële belangen, voortspruitende uit een wetenschappelijk, letterkundig of artistiek werk, dat hij heeft voortgebracht,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0169/2015),

A.  overwegende dat in artikel 118 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en in artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bijzondere nadruk wordt gelegd op intellectuele eigendom;

B.  overwegende dat intellectuele-eigendomsrechten behoren tot de drijvende krachten achter innovatie en creativiteit en in grote mate bijdragen aan de werkgelegenheid en de culturele diversiteit; overwegende dat de kwestie van de authenticiteit van producten niet altijd mag worden samengevoegd met kwesties van productveiligheid en -kwaliteit, en dat de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten een belangrijke rol vervult in het garanderen van de veiligheid en gezondheid van de consumenten; overwegende dat inkomsten uit namaak doorgaans in de zwarte economie en de georganiseerde misdaad terechtkomen;

C.  overwegende dat de EU geconfronteerd wordt met een groot aantal inbreuken op de intellectuele-eigendomsrechten en overwegende dat de omvang en de financiële waarde van deze inbreuken alarmerend zijn, aldus de opmerking van de Commissie in haar verslag over de toepassing van de richtlijn betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (COM(2010)0779); overwegende dat deze cijfers ook een beeld geven van de toegevoegde waarde van IER voor de Europese economie in de wereldwijde concurrentie;

D.  overwegende dat IER-inbreuken, waaronder namaak, ontmoedigend werken voor groei, jobcreatie, innovatie en creativiteit;

E.  overwegende dat IER-inbreuken zowel niet-materiële als economische schade toebrengen aan Europese ondernemingen en leiden tot zware economische en fiscale verliezen voor staten;

F.  overwegende dat een toereikende bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten een noodzakelijke voorwaarde is voor de ontwikkeling van de digitale economie en van de digitale interne markt;

G.  overwegende dat de manier waarop IER-handhaving in de digitale omgeving moet worden aangepakt, veranderd is als gevolg van de snel groeiende ontwikkeling van de elektronische handel en onlineactiviteiten, vooral omdat er daardoor nieuwe mogelijkheden voor inbreuken zijn ontstaan, niet in het minst als gevolg van de nieuwe sociale gedragspatronen bij de gebruikers;

H.  overwegende dat het Parlement met bezorgdheid kennis neemt van de opmerking in het BHIM-verslag dat er bij een significante minderheid van de Europeanen een zeker mate van tolerantie bestaat voor het idee dat IER-inbreuken als aanvaardbaar kunnen worden beschouwd(9); overwegende dat er een gebrek is aan voldoende kennis van het sociale en culturele belang van IER en van de handelingen die als IER-inbreuken worden beschouwd, en dat met name de jonge Europeanen zich niet bewust zijn van de mogelijke gevolgen van IER-inbreuken voor de economie en de maatschappij van de EU en voor de algemene veiligheid van de burgers; overwegende dat het noodzakelijk en ook mogelijk is passende bewustmakings- en voorlichtingscampagnes voor gebruikers te organiseren;

I.  overwegende dat de inspanningen om de illegale handel in namaakproducten te bestrijden, verdubbeld moeten worden en overwegende dat niemand winst mag halen uit IER-inbreuken;

J.  overwegende dat rechtshandhaving essentieel is voor de rechtszekerheid en overwegende dat het uiterst belangrijk is om doeltreffende, evenredige en afschrikkende middelen te vinden voor IER-handhaving;

K.  overwegende dat IER-inbreuken een bijzonder effect hebben op kmo's, onder meer in dienstverlening tussen bedrijven onderling, en tot het verlies van markten en tot faillissementen kunnen leiden;

L.  overwegende dat het voor IER-handhaving van fundamenteel belang is om rekening te houden met internationale aspecten, aangezien IER-inbreuken een mondiaal verschijnsel zijn;

M.  overwegende dat er in de beleidsmaatregelen ter bestrijding van IER-inbreuken zowel met online- als met offline-inbreuken rekening dient te worden gehouden;

1.  verwelkomt de mededeling van de Commissie van 1 juli 2014, waarin zij een actieplan voor de handhaving van de intellectuele-eigendomsrechten voorstelt; steunt de Commissieaanpak van IER-handhaving, die gebaseerd is op preventieve acties en beleidsinstrumenten die commerciële inbreukmakers van hun inkomsten moeten beroven en die het moeilijker moeten maken om inbreukmakende goederen op de markt te brengen;

2.  onderstreept dat de primaire verantwoordelijkheid voor IER-handhaving bij de overheidsinstanties van de lidstaten ligt;

3.  benadrukt dat het actieplan in de eerste plaats tot doel moet hebben een doeltreffende, op feiten gebaseerde handhaving van IER te waarborgen, omdat een dergelijke handhaving essentieel is voor het stimuleren van innovatie, creativiteit, concurrentievermogen, groei en culturele diversiteit; merkt op dat maatregelen op het gebied van de handhaving van IER gebaseerd moeten zijn op nauwkeurige, betrouwbare gegevens;

4.  wijst erop dat in tijden van financiële crisis, waarin fors wordt bezuinigd op de financiële steun aan de culturele sector, IER vaak de belangrijkste inkomstenbron zijn van de individuele ontwerpers; wijst er daarom op dat het waarborgen van een eerlijke beloning voor ontwerpers en houders van rechten een essentiële doelstelling van het EU-actieplan moet zijn;

5.  meent dat het, met het oog op innovatie, creativiteit en concurrentievermogen, essentieel is dat de maatregelen voor de bescherming van IER transparant zijn en dat burgers en alle andere betrokken actoren kunnen beschikken over volledige informatie;

6.  beseft dat de handhaving van IER niet alleen groei en werkgelegenheid in de gehele Unie zal bevorderen, maar ook van wezenlijk belang is voor het functioneren van de interne markt, met name gelet op factoren als aandeel in het bbp en de werkgelegenheid in de EU, en het scala aan bedrijfstakken dat van die rechten profiteert en gebruik maakt en een sleutelrol speelt bij het stimuleren van innovatie, creativiteit, het concurrentievermogen en culturele diversiteit;

7.  wijst erop dat IER garant staan voor de creativiteit, de innovatie en het concurrentievermogen van de culturele en creatieve sectoren in het bijzonder, maar ook van andere bedrijfssectoren, zoals de Commissie benadrukt in haar mededeling "Voor een heropleving van de Europese industrie"; verzoekt de Commissie IER in aanmerking te blijven nemen als een factor in het concurrentievermogen van de Europese economie;

8.  onderstreept dat IER niet alleen auteursrechten omvatten, maar onder andere ook merken en octrooien, en dat elk van deze rechten cruciaal is voor de waarde van Europese goederen en diensten;

9.  wijst erop dat de culturele en de creatieve sector, beide IER-intensieve sectoren, volgens de Commissie reeds tot 4,5 % van het bbp leveren en goed zijn voor ongeveer 8,5 miljoen banen in de EU en benadrukt dat deze sectoren niet alleen belangrijk zijn voor de culturele diversiteit, maar ook een aanzienlijke bijdrage leveren aan de sociale en economische ontwikkeling;

Samenwerken met alle actoren in de toeleveringsketen, zowel online als offline

10.  meent dat alle actoren in de toeleveringsketen een rol moeten spelen in de bestrijding van IER-inbreuken en bij dit proces moeten worden betrokken; benadrukt dat er zowel in de online- als in de offlineomgeving een aanpak moet worden ontwikkeld waarbij alle actoren betrokken zijn; meent dat, om deze aanpak te doen slagen, de fundamentele rechten in evenwicht moeten zijn, aangezien maatregelen die gevolgen hebben voor de fundamentele rechten niet uit eigen keuze kunnen worden genomen door commerciële operatoren, maar een juridische basis en gerechtelijk toezicht vergen;

11.  wijst erop dat het opnemen van onlineactoren in de maatregelen ter bestrijding van IER-inbreuken in overeenstemming moet zijn met de beginselen van Richtlijn 2000/31/EC (de richtlijn elektronische handel) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

12.  merkt op dat fysieke namaakproducten die door middel van IER-inbreuken vervaardigd zijn, steeds vaker worden verhandeld en verkocht op onlinemarktplaatsen, waar de autoriteiten van de lidstaten slechts beperkte middelen hebben om controle op de transacties uit te oefenen; benadrukt dat de eigenaren van marktplaatsplatforms moeten worden betrokken bij alle inspanningen om IER te handhaven, met inbegrip van maatregelen om namaakproducten van hun websites te verwijderen en verkopers ervan te weren;

13.  onderstreept dat ervoor moet worden gezorgd dat het zorgvuldigheidsbeginsel wordt toegepast in de gehele toeleveringsketen, onder meer in de digitale toeleveringsketen, en met betrekking tot alle belangrijke actoren en marktdeelnemers, zoals ontwerpers, kunstenaars en houders van rechten, producers, tussenpersonen, internetproviders, platforms voor onlineverkoop, eindgebruikers en overheden;

14.  meent dat de toepassing van de zorgvuldigheidsplicht in de hele toeleveringsketen en van meer markttoezicht en betere informatiedeling tussen douaneautoriteiten het ondernemingsklimaat zou verbeteren en zou helpen voorkomen dat inbreukmakende goederen en diensten op de markt komen; benadrukt dat de kosten-batenverhouding en de doeltreffendheid van kwalitatieve controleregelingen goed geëvalueerd moeten worden voordat ze worden toegepast en dat in dat verband grondig moet worden gedacht over het verlenen van steun aan kmo's;

15.  neemt voorts kennis van de voorgenomen omvattende raadpleging van belanghebbenden inzake de toepassing van zorgvuldigheidscontroles in de gehele toeleveringsketen, onder meer op betalingsdienstaanbieders, ter voorkoming van IER-inbreuken, en verlangt dat de resultaten van die raadpleging en het vrijwillige EU-zorgvuldigheidsprogramma jaarlijks aan het Parlement worden gepresenteerd, in plaats van eens in de twee jaar;

16.  dringt bij de Commissie aan op een tijdige en transparante raadpleging van de belanghebbenden en verzoekt haar de resultaten van de raadplegingen zowel kwalitatief als kwantitatief te analyseren en aan de belanghebbenden, waaronder het Parlement en de andere EU-instellingen, door te geven;

17.  wijst erop dat ook sectorale overeenkomsten en gidsen voor goede praktijken belangrijk zijn in de strijd tegen IER-inbreuken; dringt er bij de actoren in deze sector op aan om informatie uit te wisselen over platforms die toegang bieden tot inhoud die inbreuk maakt op IER en om hiertegen gecoördineerde en evenredige maatregelen te nemen, zoals het initiëren van een "notice and takedown"-procedure, om het financieel voordeel dat met dergelijke inhoud en platforms te behalen valt, zo klein mogelijk te maken; merkt op dat het bij dergelijke maatregelen niet mag gaan om het zonder juridische basis blokkeren van websites;

18.  wijst erop dat "cyberlocker"-platforms behoren tot de belangrijkste veroorzakers van IER-inbreuken en dat deze platforms inkomsten genereren via advertenties en/of abonnementen;

19.  verwelkomt de methode om IER-inbreukmakers van hun inkomsten te beroven door middel van overeenkomsten tussen houders van rechten en hun partners; is voorstander van het uitwerken van memoranda van overeenstemming als zachte-wetgevingsmaatregelen om namaak en piraterij te bestrijden en steunt het idee om deze maatregelen verder te ontwikkelen samen met de belanghebbenden; beveelt in dit verband de Commissie aan een studie te laten uitvoeren over de manier waarop deze namaakoperaties hun activiteiten kruisfinancieren (verkoop van namaakproducten en aanbieden van illegale inhoud);

20.  herinnert eraan dat er sinds mei 2011 een vrijwillig memorandum van overeenstemming over de internetverkoop van namaakproducten bestaat en vraagt de Commissie de resultaten van de tenuitvoerlegging van dit memorandum te evalueren en hierover verslag uit te brengen aan het Parlement;

21.  is van mening dat de Commissie ook rekening moet houden met de effectiviteit van bestaande initiatieven en mogelijke toekomstige activiteiten met betrekking tot de rol van tussenpersonen bij de aanpak van IER-inbreuken;

22.  merkt op dat in de culturele en creatieve sector in het bijzonder samenwerking – onder meer op basis van zelfregulering – tussen houders van rechten, auteurs, platformbeheerders , tussenpersonen en eindgebruikers moet worden gestimuleerd om IER-inbreuken in een vroeg stadium op te sporen; benadrukt dat de doeltreffendheid van deze zelfregulering in de nabije toekomst door de Commissie moet worden geëvalueerd en dat verdere wetgevingsmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn;

23.  wijst erop dat in de culturele en creatieve sector betalingsdienstaanbieders in de dialoog moeten worden betrokken om ervoor te zorgen dat er minder winsten gegenereerd worden door IER-inbreuken in de onlineomgeving;

24.  wijst er nogmaals op dat de georganiseerde misdaad zich ook op het gebied van de internationale IER-inbreuken begeeft en dat er daarom op Europees niveau gewerkt moet worden aan een gecoördineerde oplossing, dat de bestaande auditmaatregelen aangescherpt moeten worden en dat het "follow the money"-beginsel toegepast moet worden, om de belangen van de consumenten te beschermen en de integriteit van de voorzieningsketen te waarborgen;

Bewustmaking en voorlichting van de consumenten

25.  verwelkomt de aanpak van de Commissie om gerichte bewustmakingscampagnes op te zetten; vindt het essentieel dat iedereen begrijpt wat de concrete gevolgen van IER-inbreuken zijn voor de maatschappij als geheel en voor de consumenten en burgers individueel; meent dat de consumenten beter geïnformeerd moeten worden over wat IER zijn, en wat wel en niet kan worden gedaan met beschermde goederen en inhoud; vraagt de Commissie en de lidstaten verder te gaan met het ontwikkelen van bewustmakingscampagnes die gericht zijn op specifieke doelgroepen en relevante markten;

26.  dringt aan op een bredere informatiecampagne over het platform van IER-houders en IER-handhavingsautoriteiten, zodat houders van rechten een actievere rol krijgen in het verdedigen van hun rechten in de hele Europese Unie via de gegevensbank voor rechtshandhaving die geïntegreerd is in het beveiligd netwerk van het directoraat-generaal Belastingen en Douane-unie; roept op tot een verdere en snellere integratie met politiediensten en andere douaneautoriteiten van over de hele wereld met het oog op een betere IER-handhaving;

27.  wijst erop dat meer bepaald de jongere generatie moet worden aangesproken door middel van passende campagnes om hen meer bewust te maken, aangezien uit een recente studie over de perceptie van IER is gebleken dat precies deze generatie het minst IER respecteert;

28.  wijst op het belang van initiatieven om te evalueren en te volgen hoe het inzicht in en de perceptie van IER bij jongeren zich ontwikkelen, teneinde hun behoeften beter in te schatten en te bepalen wat de best geschikte actie is;

29.  is met name verheugd over de activiteiten van het Europees Waarnemingscentrum voor inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten binnen het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM), die tot doel hebben de consumenten bewust te maken van de voordelen van een keuze voor producten die met inachtneming van de IER verkregen zijn, en deze producten gemakkelijker verkrijgbaar te maken;

30.  meent tegelijk dat de consumenten beter in staat moeten zijn om inbreukmakende aanbiedingen te herkennen, zodat zij kunnen besluiten niet door te gaan met een bepaalde aankoop; betreurt het dat het actieplan van de Commissie geen maatregelen omvat die erop gericht zijn de consumenten beter in staat te stellen inbreukmakende producten en inhoud te herkennen; roept de Commissie op verder na te denken over de ontwikkeling van specifieke instrumenten en richtsnoeren en over te gaan tot een op feiten gebaseerd onderzoek en de eventuele ontwikkeling van een geharmoniseerd systeem van procedures voor kennisgeving/intrekking van inbreukmakende goederen en inhoud, zodat consumenten en ondernemingen actie kunnen ondernemen wanneer zij misleid zijn, net zoals zij kunnen optreden om aandacht te vestigen op ongewenste inhoud, op basis van de ervaring die is opgedaan door de Commissie en het Europees Waarnemingscentrum voor inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, met name met betrekking tot het uitwisselen van beste praktijken;

31.  merkt op dat het systeem voor het melden en per URL verwijderen van inhoud die inbreuk op IER maakt, praktische beperkingen meebrengt wat betreft de tijd die er nodig is voordat de desbetreffende inhoud weer beschikbaar kan worden gesteld; verzoekt daarom de actoren in deze sector na te denken over manieren om het systeem voor melding en verwijdering op termijn doeltreffender te maken;

32.  is van mening dat alle bij de distributieketen betrokken actoren moeten meewerken aan de ontwikkeling van voorlichtingscampagnes die consumenten duidelijkheid verschaffen over hun rechten en plichten bij het opzoeken en gebruiken van creatieve inhoud;

33.  meent dat alleen met de samenwerking van de grote internetspelers die door IER beschermde inhoud aanbieden, mogelijk zal zijn om te komen tot grotere transparantie en betere informatie op doeltreffende wijze en acht het dus wenselijk hen te betrekken bij deze inspanningen voor transparantie en informatiedoorstroming;

34.  onderstreept dat initiatieven en campagnes in alle lidstaten gecoördineerd moeten worden, om dubbel werk te vermijden en voor samenhang en efficiëntie te zorgen;

35.  verzoekt de autoriteiten van de lidstaten ervoor te zorgen dat producten die via inbreuken op de IER vervaardigd zijn en een veiligheidsrisico vormen, worden opgenomen in de Rapex-meldingen, ongeacht of deze producten in de desbetreffende lidstaat legaal of illegaal verkocht worden;

Ontwikkeling van nieuwe bedrijfsmodellen

36.  meent dat in bepaalde sectoren het gebrek aan kennis bij de consument over wettelijke aanbiedingen en de soms moeilijk toegankelijke of dure toelevering van niet-inbreukmakende goederen en inhoud het moeilijk kan maken om de consumenten te weerhouden van de aankoop van onrechtmatige goederen of het gebruik van onrechtmatige inhoud; is van oordeel dat er op dit gebied nog meer vooruitgang moet worden geboekt en vraagt nogmaals aan de Commissie en de lidstaten om meer druk uit te oefenen op het bedrijfsleven om in alle lidstaten een legaal aanbod te ontwikkelen dat tegelijk gediversifieerd en aantrekkelijk is, zodat de consumenten daadwerkelijk alle gelegenheid hebben om legale goederen te kopen of legale inhoud te gebruiken;

37.  benadrukt dat er behoefte is aan een meer holistische aanpak die erop gericht is aan de wensen van de consument tegemoet te komen, door verruiming van het aanbod en het gebruik van innovatieve en betaalbare legale inhoud, op basis van bedrijfsmodellen die zijn toegesneden op internet en die het mogelijk maken de belemmeringen voor de verwezenlijking van een werkelijke digitale interne markt op te heffen, waarbij het evenwicht wordt bewaard tussen de rechten van consumenten en de bescherming van innovatoren en ontwerpers;

38.  meent dat de ontwikkeling van innovatieve bedrijfsmodellen een manier kan zijn om IER te versterken; wijst er voorts op dat de verbetering en constante aanpassing van deze modellen aan de technologische vooruitgang opnieuw moet worden overwogen voor bepaalde industriële sectoren;

Nadruk op kmo's

39.  benadrukt het belang van verbetering van de civiele handhavingsprocedures voor kmo's en individuele ontwerpers voor de bescherming van IER, aangezien kmo's en ontwerpers een belangrijke rol spelen binnen de creatieve en de culturele sector, maar vanwege de complexiteit, kosten en lange duur van dergelijke procedures, vaak niet in staat zijn hun rechten af te dwingen;

40.  is ingenomen met de aankondiging van de Commissie dat zij kmo's zal steunen om hun IER te versterken door te zorgen voor betere toegankelijke civiele verhaalmogelijkheden, zodat zij beter marktmisbruik van grote concurrenten kunnen bestrijden, en dat zij met name verder zal nagaan welke behoeften de kmo's hebben inzake toekomstige EU-maatregelen;

41.  is ingenomen met het besluit uit de mededeling van de Commissie van 1 juli 2014 over een actieplan van de EU, en met name actie 4, die tot doel heeft civielrechtelijke IER-handhavingsprocedures voor kmo's te verbeteren, in het bijzonder met betrekking tot vorderingen met een zeer lage waarde en mogelijke actie op dit gebied;

42.  benadrukt dat voor kmo's duidelijke en hanteerbare structuren voor de handhaving van hun IER cruciaal zijn;

43.  vraagt de Commissie dat zij ervoor zorgt dat de genomen maatregelen een beperkte impact hebben wat betreft de lasten en kosten voor de kmo's; verzoekt met name de Commissie verder na te gaan hoe kmo's kunnen deelnemen aan kwalitatief goede auditregelingen en welke specifieke maatregelen er met het oog hierop kunnen worden genomen ten behoeve van kmo's;

44.  wijst erop dat bij het opstellen van wetgeving rekening moet worden gehouden met kmo's en herhaalt dat het "denk eerst klein"-principe te allen tijde moet worden toegepast;

45.  benadrukt het belang van toegang tot de rechter en de kosteneffectiviteit van gerechtelijke procedures, vooral voor kmo's, en dringt aan op de ontwikkeling van bemiddeling en andere regelingen van alternatieve geschillenbeslechting tussen ondernemingen in het gebied van IER;

46.  benadrukt dat regelmatig onderzoek moet worden gedaan naar de factoren die een beslissende invloed hebben op besluiten van kmo's om al dan niet gebruik te maken van hun IER, teneinde na te gaan waar verbeteringen kunnen worden aangebracht, hetzij in het geval van innovatieve kmo's hetzij in het geval van kmo's die met name bij de uitoefening van hun IER problemen ondervinden;

47.  hoopt uiterlijk eind 2015 informatie te krijgen over lopende nationale initiatieven voor civielrechtelijke IER-handhaving ten behoeve van kmo's; is verheugd over het komende groenboek over de noodzaak van toekomstig EU-optreden, uitgaande van de beste praktijken in de nationaal gefinancierde regelingen ter ondersteuning van kmo's bij de handhaving van hun IER;

Europees Waarnemingscentrum voor inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten

48.  drukt zijn voldoening uit over de ontwikkeling van de activiteiten van het Europees Waarnemingscentrum voor inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten als een nuttig hulpmiddel bij de beraadslagingen van politieke besluitvormers en als een instrument voor het verzamelen en uitwisselen van gegevens en informatie over alle vormen van IER-inbreuken;

49.  benadrukt dat de taak van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) om van de sector gegevens te verkrijgen over IER-inbreuken en om betrouwbare gegevens over en een analyse van de daadwerkelijke gevolgen van dergelijke inbreuken voor de economische actoren te genereren, opgenomen moet worden in het tienpuntenactieplan en de basis moet vormen voor verder optreden in de verschillende sectoren die de grootste problemen ondervinden; verzoekt in dit verband de Commissie het door het BHIM ontwikkelde instrument ter ondersteuning van de inlichtingen omtrent de bestrijding van namaakdatabank (de ACIST-databank) te verbeteren teneinde toegang tot informatie over de inbreukmakers te krijgen en aldus de aankoop van namaakproducten door aanbestedende diensten te voorkomen;

50.  benadrukt dat met het oog op een zinvolle IER-handhaving alle informatie over het type van de IER (bijvoorbeeld octrooi, merk of auteursrecht) die in elke situatie relevant zijn, beschikbaar en toegankelijk moet zijn, alsook de geldigheidsstatus van de rechten en de identiteit van de houders van de rechten, in het geval van digitale bestanden ook in de vorm van metadata;

51.  vraagt de Commissie ten volle gebruik te maken van de door het Waarnemingscentrum verzamelde gegevens en van de resultaten van de activiteiten van het Waarnemingscentrum, om conclusies te trekken en oplossingen voor te stellen voor betere IER-handhaving die door beleidsmakers kan worden toegepast; verzoekt de Commissie regelmatig hierover verslag uit te brengen aan het Parlement;

52.  wijst erop dat training voor de ontwikkeling van bedrijfstaksgewijze IER-handhaving op nationaal niveau van wezenlijk belang is en dat hetzelfde geldt voor de bijdrage die het Waarnemingscentrum kan leveren aan de opleiding van overheidsfunctionarissen en de uitwisseling van beste praktijken, met name door bevordering van digitaal toegankelijke, kostenefficiënte campagnes, in samenspraak met de betrokken instanties en organen;

Deskundigengroep van de Commissie inzake de handhaving van IER

53.  verwelkomt de instelling door de Commissie van een deskundigengroep inzake de handhaving van IER en vraagt de Commissie dat zij ervoor zorgt dat het Parlement en, indien nodig, het Europees Waarnemingscentrum voor inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, nauwer betrokken worden bij de werkzaamheden van de groep en dat het Parlement met name verzocht wordt deskundigen te sturen om de vergaderingen van deze groep bij te wonen;

Ontwikkeling van het rechtskader

54.  is ingenomen met de publicatie van het verslag van de Commissie over de toepassing van de richtlijn IER-handhaving(10), maar merkt op dat slechts beperkte conclusies kunnen worden getrokken in bepaalde aspecten gezien de late omzetting van de richtlijn door sommige lidstaten; vraagt de Commissie dat zij verder onderzoek verricht naar de effecten van de richtlijn, met name voor innovatie en de ontwikkeling van de informatiemaatschappij, zoals vereist door artikel 18, lid 1, van de richtlijn en zoals gevraagd door het Parlement in zijn bovenvermelde resolutie van 22 september 2010; herinnert er evenwel aan dat een aantal andere aspecten van IER-handhaving door de Commissie zijn aangestipt, zoals de rol van tussenpersonen bij de aanpak van inbreuken, die ook nuttig zouden kunnen zijn in de strijd tegen misbruik;

55.  stelt vast dat in het verslag van de Commissie wordt opgemerkt dat de richtlijn IER-handhaving in bepaalde opzichten geen gelijke tred houdt met het digitale tijdperk en ontoereikend is om online-inbreuken te bestrijden; verzoekt de Commissie een uitvoerige evaluatie te maken van de beperkingen van het huidige rechtskader met betrekking tot onlineactiviteiten en eventueel voorstellen in te dienen voor een aanpassing van het wetgevingskader van de EU aan de internetomgeving; wijst erop dat aan deze voorstellen een gedetailleerde effectbeoordeling moet voorafgaan;

56.  neemt kennis van de bevinding dat uiteenlopende interpretaties van een aantal bepalingen van de richtlijn als gevolg hebben dat zij verschillend wordt toegepast in de lidstaten en vraagt de Commissie actie te ondernemen voor het oplossen van de problemen die in het verslag worden aangestipt, onder meer door de richtlijn verder te verduidelijken;

57.  pleit andermaal voor een IER-strategie, met inbegrip van een algemee rechtskader ter bestrijding van IER-inbreuken dat aan de internetomgeving is aangepast, waarbij ten volle rekening wordt gehouden met de fundamentele rechten en vrijheden, eerlijke rechtsgang, proportionaliteit en gegevensbescherming; meent dat er dringend behoefte is aan wettelijke bescherming voor nieuwe creaties, aangezien dit investeringen zal aanmoedigen en leiden tot verdere innovatie;

58.  benadrukt dat iedere vorm van wetgeving inzake IER dient te worden afgestemd op de ontwikkelingen in het digitale tijdperk, rekening houdend met de onlineomgeving en de verschillende distributiemethoden, teneinde een evenwichtige aanpak te waarborgen waarin de belangen van alle betrokken partijen tot hun recht komen, met name die van de consument en zijn recht op toegang tot inhoud, terwijl tegelijkertijd kunstenaars, ontwerpers en vernieuwing moeten worden gestimuleerd;

59.  herhaalt dat er behoefte is aan een modern, op mededinging gericht en consumentvriendelijk kader voor auteursrechten, dat een passende en veilige omgeving biedt voor uitvinders en ontwerpers en daardoor ook een stimulans vormt voor creativiteit en innovatie;

60.  benadrukt dat de culturele en creatieve sectoren van de Europese Unie een drijvende kracht zijn voor de sociale en economische ontwikkeling en de jobcreatie in Europa, en herinnert eraan dat kunstenaars, ontwerpers en instellingen die gebruik maken van de uitzonderingen en beperkingen op het auteursrecht, een belangrijke bijdrage leveren aan de economische groei, innovatie en werkgelegenheid in de Unie; onderstreept dat elk wetgevingsinitiatief om het auteursrecht te moderniseren gebaseerd moet zijn op onafhankelijke gegevens inzake groei en banen (met name met betrekking tot kmo's in de culturele en creatieve sector), toegang tot kennis en cultuur, alsook de potentiële kosten en baten;

Internationale toeleveringsketens en de rol van internationale en douanesamenwerking

61.  wijst op de belangrijke rol die de douane-autoriteiten en de internationale samenwerking op douanegebied vervullen in de strijd tegen IER-inbreuken in de grensoverschrijdende handel en wijst erop dat de werkzaamheden van de douanediensten in onderlinge samenwerking ondersteund en vergemakkelijkt moeten worden, door de werkingsvoorschriften te verduidelijken, met name opdat de effectieve uitvoering van inspecties op transitgoederen binnen EU-grondgebied mogelijk wordt;

62.  vraagt de Commissie dat zij bij de uitvoering van het actieplan voor IER-handhaving rekening houdt met daarmee samenhangende initiatieven, met name het EU-douaneactieplan tegen IER-inbreuken en de strategie voor de bescherming en handhaving van IER in derde landen;

63.  dringt aan op meer markttoezicht, risicobeheer en informatie-uitwisseling tussen de douaneautoriteiten over kwesties die aan de orde zijn in de context van IER-handhaving door douanediensten, bijvoorbeeld met betrekking tot de opslag en vernietiging van inbreukmakende goederen;

64.  benadrukt het belang van nauwe samenwerking en informatie-uitwisseling en een passende opleiding van douane-, markttoezicht- en gerechtelijke autoriteiten;

Overige vraagstukken

65.  wijst op de sleutelrol die overheidsdiensten op elk niveau, waaronder plaatselijk, regionaal en nationaal, via hun aanbestedings- en aankoopbeleid spelen en onderschrijft het streven van de Commissie om een leidraad inzake beste praktijken te ontwikkelen, te promoten en te publiceren teneinde de aankoop van namaakproducten door overheidsdiensten op elk niveau te voorkomen;

66.  is verheugd over het door de Commissie aangekondigde groenboek met het oog op raadpleging van belanghebbenden over het effect van "chargeback" (terugboeking) en daarmee verband houdende regelingen voor de aanpak van IER-inbreuken op commerciële schaal en een evaluatie van de noodzaak van concretere maatregelen op dit terrein, zowel in verband met de online- als de offlinemarkt; is van mening dat invoering van een EU-breed recht op "chargeback" bij onvrijwillig aangeschafte namaakproducten voor de consument van voordeel zou kunnen zijn en handelaren ertoe zou kunnen aanzetten hun producten te controleren voordat ze deze in de handel brengen;

67.  onderschrijft het actieplan waar het gaat om het belang van samenwerking met de lidstaten, uitwisseling van informatie en beproefde werkmethoden, en coördinatie van de activiteiten met het oog op grensoverschrijdende handhaving;

68.  benadrukt dat het noodzakelijk is om open onderzoek en kennisuitwisseling, twee kernpunten in de strategie "Europa als wereldspeler" en de Europa 2020-strategie, te bevorderen, teneinde innovatie en concurrentievermogen in kennissectoren in de Unie te stimuleren op een manier die verenigbaar is met IER;

69.  benadrukt dat er behoefte is aan nauwkeurige detectiesystemen, zodat IER-inbreuken op commerciële schaal snel kunnen worden beëindigd;

70.  wijst erop dat inkomsten uit IER voor onderzoeksprojecten een belangrijke bron van externe financiering vormen en dus fungeren als motor voor innovatie en ontwikkeling en als stimulans voor samenwerking tussen universiteiten en ondernemingen;

71.  vraagt dat het actieplan snel ten uitvoer wordt gebracht zodat in voorkomend geval de voor IER-handhaving noodzakelijke maatregelen, met name in de culturele en creatieve sector, in de nabije toekomst kunnen worden herzien om rekening te houden met de reële behoeften;

72.  vraagt de Commissie de uitvoering te evalueren van elk van de acties die in het actieplan gepresenteerd zijn en hierover uiterlijk in juli 2016 verslag uit te brengen bij het Parlement;

o
o   o

73.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de parlementen en regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 157 van 30.4.2004, blz. 45.
(2) PB L 129 van 16.5.2012, blz. 1.
(3) " Analyse van de toepassing van Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in de lidstaten", (SEC(2010)1589).
(4) http://ec.europa.eu/internal_market/consultations/docs/2012/intellectual-property-rights/summary-of-responses_en.pdf.
(5) PB C 258 E van 7.9.2013, blz. 64.
(6) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-15321-2014-INIT/nl/pdf.
(7) PB C 80 van 19.3.2013, blz. 1.
(8) PB C 50 E van 21.2.2012, blz. 48.
(9) Zie het verslag van BHIM "Europese burgers en intellectuele eigendom: perceptie, bewustwording en gedrag", november 2013.
(10) COM(2010)0779.

Juridische mededeling