Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 24 juni 2015 - BrusselDefinitieve uitgave
Verzoek om opheffing van de immuniteit van Sotirios Zarianopoulos
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Udo Voigt
 Europees Fonds voor strategische investeringen ***I
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: EGF/2015/000 TA 2015 – Technische bijstand op initiatief van de Commissie
 Evaluatie van het kader voor economische governance: balans en uitdagingen

Verzoek om opheffing van de immuniteit van Sotirios Zarianopoulos
PDF 163kWORD 64k
Besluit van het Europees Parlement van 24 juni 2015 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Sotirios Zarianopoulos (2015/2015(IMM))
P8_TA(2015)0234A8-0191/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Sotirios Zarianopoulos, in verband met de voor de enkelvoudige derde strafkamer van de rechtbank van Thessaloniki aanhangige procedure G2010/1744, welk verzoek op 8 december 2014 werd ingediend door de vice-procureur van het Hooggerechtshof van Griekenland, en van de ontvangst waarvan op 13 januari 2015 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  na Sotirios Zarianopoulos te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 62 van de grondwet van de Helleense Republiek,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0191/2015),

A.  overwegende dat de vice-procureur van het Hooggerechtshof van Griekenland heeft verzocht om opheffing van de immuniteit van Sotirios Zarianopoulos, lid van het Europees Parlement, in verband met een gerechtelijk onderzoek naar een vermeend strafbaar feit;

B.  overwegende dat krachtens artikel 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

C.  overwegende dat overeenkomstig artikel 62 van de grondwet van de Helleense Republiek leden van het parlement tijdens de parlementaire zittingsperiode niet kunnen worden vervolgd, gearresteerd, gevangen genomen of op andere wijze aan beperkingen worden onderworpen zonder voorafgaande toestemming van het parlement;

D.  overwegende dat Theodoros Zagorakis ervan wordt verdacht dat hij, dreigend met lichamelijk geweld, op 4 maart 2010 de zetel van de Griekse staatstelevisie ERT-3 op illegale wijze is binnengedrongen om het nieuws van twaalf uur 's middags te onderbreken en een bericht voor te lezen;

E.  overwegende dat het ten laste gelegde strafbare feit duidelijk geen enkel verband houdt met de positie van Sotirios Zarianopoulos als lid van het Europees Parlement, aangezien dit strafbare feit in verband kan worden gebracht met een actie van de Griekse vakbond PAME en Sotirios Zarianopoulos ten tijde van de feiten geen lid van het Europees Parlement was;

F.  overwegende dat overeenkomstig artikel 8 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, een mening die is uitgebracht in de uitoefening van het mandaat van lid van het Europees Parlement wordt gedefinieerd als een subjectieve beoordeling die een rechtstreeks en voor de hand liggend verband vertoont met de uitoefening van het parlementair ambt, maar dat de feiten die Sotirios Zarianopoulos te laste zijn gelegd niet onder deze definitie vallen;

G.  overwegende dat de strafprocedure dan ook geen verband houdt met een mening of stem uitgebracht in de uitoefening van het mandaat van lid van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 8 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;

H.  overwegende dat, overeenkomstig artikel 9, lid 7, van zijn Reglement, de Commissie juridische zaken, zich in geen enkel geval uitspreekt over de vraag of het betrokken lid al dan niet schuldig is, noch over de wenselijkheid het betrokken lid wegens de meningen of handelingen die het lid worden ten laste worden gelegd, strafrechtelijk te vervolgen, zelfs indien de commissie door de behandeling van het verzoek uitgebreide kennis van de zaak krijgt;

I.  overwegende dat, aangezien Sotirios Zarianopoulos beweert dat de beschuldiging politiek gemotiveerd is, de commissie na het verhoor van het parlementslid en de bestudering van de door hem voorgelegde documenten, ook de verklaringen heeft bestudeerd die de getuigen hebben afgelegd aan de met het onderzoek belaste autoriteiten in 2010, die de basis voor de beschuldiging vormen;

J.  overwegende dat deze verklaringen zijn afgelegd in het kader van de juridische procedure tegen Sotirios Zarianopoulos en dat deze commissie niet bevoegd is om een onderzoek in te stellen naar de materiële punten, laat staan om een besluit te nemen over de vraag of het lid van het Europees Parlement dat het onderwerp van een juridische procedure is, al dan niet schuldig is;

K.  overwegende dat, op basis van de informatie waarover de commissie beschikt, er dan ook geen reden is om aan te nemen dat de procedure is ingesteld om de politieke activiteit van het lid te verstoren (fumus persecutionis), ook gezien het feit dat de procedure een aantal jaar vóór de aanvang van het mandaat van afgevaardigde, in gang is gezet;

1.  besluit de immuniteit van Sotirios Zarianopoulos op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de procureur van het Hooggerechtshof van Griekenland en aan Sotirios Zarianopoulos.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Udo Voigt
PDF 160kWORD 64k
Besluit van het Europees Parlement van 24 juni 2015 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Udo Voigt (2015/2072(IMM))
P8_TA(2015)0235A8-0192/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Udo Voigt, dat op 9 februari 2015 werd ingediend door de voorzittende rechter van het Kammergericht Berlin (Ref. (3) 161 Ss 189/14 (14/15)) , en van de ontvangst waarvan op 25 maart 2015 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  na Udo Voigt te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 46 van de grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0192/2015),

Α.  overwegende dat de voorzittende rechter van het Kammergericht Berlin heeft verzocht om opheffing van de immuniteit van Udo Voigt in verband met een strafrechtelijke procedure wegens vermeende strafbare feiten;

Β.  overwegende dat in artikel 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is bepaald dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

C.  overwegende dat overeenkomstig artikel 46, lid 2, van de grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland een parlementslid, behalve in bepaalde specifieke omstandigheden, niet kan worden vervolgd wegens een strafbaar feit zonder voorafgaande toestemming voor die vervolging van de Bondsdag;

D.  overwegende dat Udo Voigt wordt beschuldigd van haatpropaganda en collectieve belediging in een publicatie van de Nationaldemokratische Partei Deutschlands die werd uitgegeven ter gelegenheid van het wereldkampioenschap voetbal van 2006 en waarvoor hij als partijvoorzitter verantwoordelijk was;

Ε.  overwegende dat de beschuldigingen duidelijk geen verband houden met de positie van Udo Voigt als lid van het Europees Parlement, maar voortvloeien uit zijn positie als voorzitter van de Nationaldemokratische Partei Deutschlands;

F.  overwegende dat het bij de ten laste gelegde feiten niet gaat om een mening of de stem die hij in het kader van de uitoefening van zijn taken als lid van het Europees Parlement heeft uitgebracht, als bedoeld in artikel 8 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en gezien het feit dat de beschuldiging betrekking heeft op handelingen die hebben plaatsgevonden in 2006, dus ruim voordat Udo Voigt werd verkozen tot lid van het Europees Parlement (2014);

G.  overwegende dat Udo Voigt stelt dat de lange duur van de procedure, die in 2006 werd ingesteld, aantoont dat het de bedoeling is om hem bij zijn parlementaire werkzaamheden te dwarsbomen; overwegende dat het nu voorliggende verzoek om opheffing van de immuniteit een gevolg is van nieuwe procedures in verband met door Udo Voigt zelf ingestelde rechtsmiddelen en dat daarom in casu het adagium nemo auditur propriam turpitudinem allegans van toepassing is;

H.  overwegende dat er geen vermoeden bestaat dat de procedure tegen Udo Voigt is ingeleid om zijn parlementaire werkzaamheden te belemmeren (fumus persecutionis), omdat deze procedure reeds enkele jaren voordat hij lid werd van het Europees Parlement in gang werd gezet;

1.  besluit de immuniteit van Udo Voigt op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan het Kammergericht Berlin en aan Udo Voigt.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; Arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; Arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; Arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; Arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10 ECLI: EU:C:2011:543; Arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.


Europees Fonds voor strategische investeringen ***I
PDF 257kWORD 86k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 24 juni 2015 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 (COM(2015)0010 – C8-0007/2015 – 2015/0009(COD))
P8_TA(2015)0236A8-0139/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0010),

–  gezien artikel 294, lid 2, de artikelen 172 en 173, artikel 175, derde alinea, en artikel 182, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0007/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's(2),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 9 juni 2015 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het gezamenlijk overleg van de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie constitutionele zaken (A8-0139/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd, en die samen met de definitieve wetgevingstekst in de L-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie zal worden bekendgemaakt;

3.  neemt kennis van de verklaringen van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie zijn gevoegd, en die samen met de definitieve wetgevingstekst in de L-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie zullen worden bekendgemaakt;

4.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 juni 2015 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2015/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 – het Europees Fonds voor strategische investeringen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2015/1017.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

1.  Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de verdeling van de middelen voor Horizon 2020

"Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zijn overeengekomen dat de volgende begrotingslijnen niet zullen bijdragen aan de financiering van het EFSI: "Stimuleren van grensverleggend onderzoek in de Europese Onderzoeksraad", "Marie Sklodowska-Curie-acties" en "Topkwaliteit verspreiden en deelname verbreden". Het resterende bedrag, dat voortvloeit uit het aanvullend gebruik van de marge in vergelijking met het gebruik dat was voorzien in het voorstel van de Commissie, wordt opnieuw toegewezen aan de overige Horizon 2020-begrotingslijnen evenredig met de door de Commissie voorgestelde verlaging daarvan. De indicatieve verdeling is vastgelegd in bijlage I bij de EFSI-verordening."

2.  Verklaring van de Commissie over de ontwerpbegroting 2016

"De Commissie zal een analyse maken van het mogelijke effect van de bijdragen aan het EFSI uit de verschillende begrotingslijnen van Horizon 2020 op de doeltreffende tenuitvoerlegging van de respectievelijke programma's en zal, in voorkomend geval, een nota van wijzigingen bij het ontwerp van algemene begroting van de Unie voor 2016 voorstellen om de verdeling van de Horizon 2020-begrotingslijnen aan te passen."

3.  Verklaring van de Commissie over haar beoordeling van eenmalige bijdragen in het kader van het EFSI-initiatief met het oog op de tenuitvoerlegging van het stabiliteits- en groeipact

"Onverminderd de bevoegdheden van de Raad met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het stabiliteits- en groeipact (SGP), dienen eenmalige bijdragen van de lidstaten, ofwel van een lidstaat ofwel van nationale stimuleringsbanken die zijn ingedeeld bij de sector algemene overheid of die namens een lidstaat optreden, aan het EFSI of aan thematische of meerlandeninvesteringsplatformen die zijn opgezet voor de tenuitvoerlegging van het investeringsplan, in principe te worden beschouwd als eenmalige maatregelen in de zin van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad en artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad."

(1) Advies van 19 maart 2015 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt).
(2) Advies van 16 april 2015 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt).


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: EGF/2015/000 TA 2015 – Technische bijstand op initiatief van de Commissie
PDF 345kWORD 80k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 24 juni 2015 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2015/000 TA 2015 - Technische bijstand op initiatief van de Commissie) (COM(2015)0156 – C8-0093/2015 – 2015/2076(BUD))
P8_TA(2015)0237A8-0185/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0156 – C8-0093/2015),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12 hiervan,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13 hiervan,

–  gezien zijn resolutie van 17 september 2014 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2014/000 TA 2014 – Technische bijstand op initiatief van de Commissie)(4),

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0185/2015),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd tijdens het overleg van 17 juli 2008, en met inachtneming van het IIA van 2 december 2013 met betrekking tot het nemen van besluiten om gebruik te maken van het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG);

C.  overwegende dat de vaststelling van de nieuwe EFG-verordening vorm geeft aan de overeenkomst tussen het Parlement en de Raad om het criterium "crisisafwijking" opnieuw in te voeren, de financiële bijdrage van de Unie te verhogen tot 60 % van de totale geraamde kosten van de voorgestelde maatregelen, de efficiëntie voor de behandeling van EFG-aanvragen in de Commissie en door het Parlement en de Raad te verhogen door de termijn voor beoordeling en goedkeuring te verkorten, de subsidiabele maatregelen en begunstigden uit te breiden door zelfstandigen en jongeren toe te voegen en stimuleringsmaatregelen voor de oprichting van een eigen bedrijf te financieren;

D.  overwegende dat het maximale jaarlijkse bedrag dat voor het EFG in 2015 beschikbaar is 150 miljoen EUR bedraagt (prijzen van 2011) en dat in artikel 11, lid 1, van de EFG-verordening wordt bepaald dat op initiatief van de Commissie jaarlijks maximaal 0,5 % van het EFG (d.w.z. 811 825 EUR in prijzen van 2015) kan worden gebruikt voor technische bijstand, ter financiering van de voorbereiding van, het toezicht op, de gegevensverzameling voor, het creëren van een kennisbasis, administratieve en technische bijstand, informatie- en communicatieactiviteiten alsook boekhoudkundige controle en evaluatiewerkzaamheden die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van de EFG-verordening;

E.  overwegende dat het Europees Parlement regelmatig heeft gewezen op de noodzaak om de zichtbaarheid van het EFG te verbeteren als EU-instrument voor solidariteit met werknemers die gedwongen zijn ontslagen;

F.  overwegende dat het voorgestelde bedrag van 630 000 EUR overeenkomt met circa 0,39 % van het jaarlijkse maximumbedrag voor het EFG in 2015;

1.  stemt ermee in dat de door de Commissie voorgestelde maatregelen gefinancierd worden als technische bijstand, in overeenstemming met artikel 11, leden 1 en 4, en artikel 12, leden 2, 3 en 4, van de EFG-verordening;

2.  herinnert aan het belang van netwerken en informatie-uitwisseling inzake het EFG, met name inzake de bepalingen van de nieuwe EFG-verordening; steunt daarom de financiering van de Deskundigengroep van contactpersonen van het EFG evenals de netwerkseminars over de implementatie van het EFG;

3.  benadrukt dat deze bijeenkomsten voornamelijk tot doel moeten hebben om de evaluatie achteraf van het EFG (2007-2013) te analyseren en de aanbevelingen diepgravend te bespreken; verzoekt de Commissie een volledige analyse te maken van de reeds uitgevoerde EFG-fondsen en hierover een verslag bij het Europees Parlement in te dienen;

4.  verwelkomt het voortgezette werk aan de gestandaardiseerde procedures voor EFG-aanvragen en -beheer, gebruikmakend van de functies van het systeem voor elektronische gegevensuitwisseling (SFC2014), wat een vereenvoudiging en snellere verwerking van aanvragen mogelijk maakt, alsmede betere verslaglegging;

5.  wijst erop dat het proces om het EFG in het systeem voor elektronische gegevensuitwisseling (SFC2014) te integreren reeds een aantal jaren loopt en dat de daarmee verband houdende kosten voor de EFG-begroting de komende twee of drie jaar relatief hoog zullen blijven, totdat het integratieproces is afgerond;

6.  verzoekt de Commissie een toelichting te geven op de voortgang met de integratie in SFC2014 van begin 2011 tot 2014;

7.  beveelt de Commissie en de lidstaten aan hun netwerkactiviteiten met name te richten op het volgende:

   a) het toezicht op en de evaluatie van de effecten van EFG-steun voor individuele deelnemers als volgt verbeteren:
   de begroting voor toezicht en evaluatie moet worden gebruikt om de effecten op langere termijn voor de EFG-begunstigden te beoordelen;
   het EFG-aanvraagformulier en het model voor het eindverslag van de tenuitvoerlegging van een bijdrage uit het EFG moeten duidelijk aangeven dat de EFG-coördinator en de lidstaten verplicht zijn gegevens te leveren over de werkgelegenheidsresultaten voor de begunstigden die twaalf maanden na de implementatie van de maatregelen zijn bereikt, alsook gegevens over de mate van tewerkstelling tijdens de twaalf maanden na de implementatie van het EFG op het betrokken gebied, om een ruimere kijk te hebben op de effecten van het EFG;
   er moet gedetailleerdere informatie worden vastgelegd en op duidelijke wijze worden doorgegeven inzake maatregelen waarvan gebruik is gemaakt door individuele deelnemers, om bijvoorbeeld een duidelijker kosten-batenanalyse te kunnen maken van de verschillende maatregelen;
   de goedkeuring van de eindverslagen en de definitieve afsluiting moeten worden gekoppeld aan het leveren van volledige informatie over de resultaten voor de begunstigden (op geaggregeerd niveau). In eerdere gevallen waren de gegevens inzake de begunstigden onvolledig;
   b) het aanvraagproces verder stroomlijnen als volgt:
   er moet op worden aangedrongen dat de steunverlening aan ontslagen werknemers op nationaal niveau sneller van start gaat zonder eerst op goedkeuring van de aanvraag te wachten;
   als dat niet mogelijk is, moeten de Commissie en de lidstaten overwegen de periode van uitvoering van het EFG te laten starten vanaf de datum van goedkeuring van een aanvraag. Op die manier zou de volledige steunperiode van 24 maanden kunnen worden benut;
   c) tijdens de uitvoeringsperiode als volgt zorgen meer flexibiliteit:
   de Commissie moet de lidstaten meer mogelijkheden geven voor het nemen van bijkomende maatregelen indien zich nieuwe mogelijkheden voordoen of indien behoeften ontstaan tijdens de uitvoeringsperiode waar de maatregelen zoals beschreven in de aanvraag ontoereikend voor zijn;
   de referentieperiode voor het bepalen van ontslagen voor de EFG-aanvraag wordt ervaren als te beperkend en als een aantasting van het streven naar solidariteit en het slagen van de EFG-steun, en deze periode zou kunnen worden herzien om flexibiliteit mogelijk te maken in de vorm van een addendum bij het aanvraagformulier indien kan worden aangetoond dat de ontslagen dezelfde oorzaak hebben als en verband houden met de ontslagen die in de aanvraag worden genoemd;

8.  beveelt aan dat de Commissie de redenen beoordeelt die voor sommige projecten hebben geleid tot vertraging van de goedkeuring of de uitvoering, en dat ze haar aanbevelingen openbaar maakt;

9.  onderstreept het belang van het geven van meer bekendheid en zichtbaarheid aan het EFG; herinnert de lidstaten die aanvragen indienen aan hun taak om bekendheid te geven aan de acties die met het EFG worden gefinancierd en zich daarbij te richten tot de beoogde begunstigden, de autoriteiten, de sociale partners, de media en het grote publiek, zoals bepaald in artikel 12 van de EFG-verordening;

10.  wijst erop dat de kosten voor informatieactiviteiten in 2015 aanzienlijk zijn gedaald; is van mening dat dit geen nadelige gevolgen mag hebben voor de productie en toereikende distributie van informatiemateriaal en voor het bieden van de nodige ondersteuning;

11.  benadrukt dat het nodig is het contact verder te versterken tussen alle betrokkenen bij EFG-aanvragen, waaronder met name de sociale partners en de belanghebbenden op regionaal en lokaal niveau, om zo veel mogelijk synergieën tot stand te brengen; wijst erop dat de interactie tussen de nationale contactpersoon en de regionale of lokale uitvoeringspartners moet worden versterkt en dat er duidelijke afspraken moeten worden gemaakt over communicatie, ondersteuning en informatievoorziening (interne verdeling van taken en verantwoordelijkheden), waar alle partners mee moeten instemmen;

12.  benadrukt dat de toegang tot EFG-steun voor jongeren tot 25 jaar die niet werken of een opleiding volgen (NEET's) in regio's met een hoge jeugdwerkloosheid in dezelfde mate moet worden uitgebreid als voor werknemers die steun ontvangen, indien bij de tussentijdse evaluatie wordt aangetoond dat deze maatregel na december 2017 gehandhaafd moet blijven;

13.  roept de Commissie op het Parlement uit te nodigen voor vergaderingen en seminars van de Deskundigengroep, overeenkomstig de relevante bepalingen van het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie(5); onderstreept verder het belang van meer contact tussen alle partijen die betrokken zijn bij de EFG-aanvragen, waaronder de sociale partners;

14.  roept op tot een tijdige publicatie van de definitieve evaluatie, overeenkomstig de termijn zoals vastgesteld in artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad(6);

15.  verzoekt de lidstaten en alle betrokken instellingen de nodige inspanningen te leveren om de procedurele en begrotingsregelingen te verbeteren teneinde de beschikbaarstelling van middelen uit het EFG te bespoedigen; wijst in dit verband op de wens van het Parlement om een initiatiefverslag op te stellen op basis van de evaluatie door de Commissie, om de stand van zaken vast te stellen van het functioneren van de nieuwe EFG-verordening en van de uitgevoerde aanvragen; merkt op dat de verbeterde procedure die de Commissie heeft aangenomen naar aanleiding van het verzoek van het Parlement om ervoor te zorgen dat het EFG echt een spoedinstrument is en de toekenning van subsidies te versnellen, als doel heeft het Parlement en de Raad de beoordeling door de Commissie van de subsidiabiliteit van een EFG-aanvraag voor te leggen samen met het voorstel voor de beschikbaarstelling van middelen uit het EFG; verwelkomt de aanzienlijk snellere beoordeling en goedkeuring van aanvragen dankzij de nieuwe EFG-verordening;

16.  benadrukt dat bij de tussentijdse evaluatie die in 2015 moet plaatsvinden, ook rekening moet worden gehouden met de langetermijngevolgen van de crisis en de globalisering voor kleine en middelgrote ondernemingen en dat bijgevolg de mogelijkheid moet worden onderzocht om het in artikel 4 van de EFG-verordening vastgestelde criterium van 500 ontslagen werknemers te verlagen, zoals het Parlement heeft voorgesteld in zijn resolutie van 17 september 2014;

17.  verzoekt de lidstaten de additionaliteit van de EFG-steun en het verband met andere fondsen duidelijker te benadrukken; wijst erop dat de lidstaten moeten nagaan wat de beste manieren zijn om te zorgen voor meerwaarde van het EFG en om verdringingseffecten te voorkomen;

18.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

19.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EGF/2015/000 TA 2015 - Technische bijstand op initiatief van de Commissie)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2015/1179)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0016.
(5) PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47.
(6) Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (PB L 406 van 30.12.2006, blz. 1).


Evaluatie van het kader voor economische governance: balans en uitdagingen
PDF 216kWORD 108k
Resolutie van het Europees Parlement van 24 juni 2015 over de evaluatie van het kader voor economische governance: balans en uitdagingen (2014/2145(INI))
P8_TA(2015)0238A8-0190/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 21 mei 2013 betreffende de versterking van het economische en budgettaire toezicht op lidstaten in de eurozone die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden ten aanzien van hun financiële stabiliteit(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten in de eurozone(2),

–  gezien de brief van de toenmalige vicevoorzitter van de Commissie, Olli Rehn, van 3 juli 2013 over de toepassing van artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1175/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1177/2011 van de Raad van 8 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1173/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied(5),

–  gezien Richtlijn 2011/85/EU van de Raad van 8 november 2011 tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden(7),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1174/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende handhavingsmaatregelen voor de correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied(8),

–  gezien zijn Resolutie van 13 maart 2014 betreffende het onderzoeksrapport over de rol en werkzaamheden van de trojka (de Europese Centrale Bank (ECB), de Commissie en het Internationaal Monetair Fonds) met betrekking tot de landen die vallen onder een programma voor de eurozone(9),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2013 over grondwettelijke problemen in verband met meerlagige governance in de Europese Unie(10),

–  gezien zijn resolutie van 1 december 2011 over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid(11),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2011 over de financiële, economische en sociale crisis: aanbevelingen voor te nemen maatregelen en initiatieven(12),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 november 2014 getiteld "Evaluatie van de economische governance – Verslag over de toepassing van de Verordeningen (EU) nr. 1173/2011, 1174/2011, 1175/2011, 1176/2011, 1177/2011, 472/2013 en 473/2013" (COM(2014)0905),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 januari 2015 getiteld "Het optimaal benutten van de flexibiliteit binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact" (COM(2015)0012),

–  gezien het Zesde verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie van de Commissie van 23 juli 2014 (COM(2014)0473),

–  gezien de conclusies van de bijeenkomsten van de Europese Raad in juni en december 2014,

–  gezien de conclusies van de Europese top van oktober 2014,

–  gezien de toespraak op 15 juli 2014 van de voorzitter van de Commissie Jean-Claude Juncker in het Europees Parlement,

–  gezien de toespraak van 22 augustus 2014 van de president van de ECB Mario Draghi tijdens het jaarlijkse symposium van centrale banken in Jackson Hole,

–  gezien het ECB Occasional Paper nr. 157 van november 2014 getiteld "The identification of fiscal and macroeconomic imbalances – unexploited synergies under the strengthened EU governance framework",

–  gezien OESO-werkdocument nr. 163 inzake sociale zaken, arbeid en migratie van 9 december 2014 getiteld "Trends in income inequality and its impact on economic growth",

–  gezien het werkdocument van het IMF van september 2013 getiteld "Towards a fiscal union for the euro area",

–  gezien de voorstellen van de Raad van Bestuur van de ECB van 10 juni 2010 getiteld "Reinforcing Economic Governance in the Euro Area",

–  gezien de conclusies van de Raad over het "Zesde verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie: investeren in groei en werkgelegenheid", dat is goedgekeurd door de Raad Algemene Zaken (Cohesie) van 19 november 2014,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie constitutionele zaken (A8‑0190/2015),

A.  overwegende dat de economische governance in de eurozone, die bedoeld was om onhoudbare overheidsfinanciën te voorkomen en het fiscaal beleid te coördineren, van start is gegaan met een stabiliteits- en groeipact dat bestond uit twee eenvoudige regels om negatieve gevolgen voor de EMU als geheel te voorkomen;

B.  overwegende dat er onmiddellijk na de invoering van de euro consolidatiemoeheid is ontstaan met betrekking tot de tenuitvoerlegging van deze regels, hetgeen de basis heeft gevormd voor een element van de huidige crisis in de EMU;

C.  overwegende dat het oorspronkelijke stabiliteits- en groeipact in de periode 2003‑2005 is hervormd, waarbij een aantal verfijningen en meer flexibiliteit werd ingevoerd en waarbij onvoldoende de problemen werden aangepakt van de zwakke handhavingsbepalingen en coördinatie;

D.  overwegende dat, toen diverse landen het gevaar liepen hun schuldverplichtingen niet te kunnen nakomen, wat zou hebben geleid tot een wereldwijde verspreiding van de crisis en tot een depressie, de situatie kon worden voorkomen door de instelling van ad‑hocmechanismen als de EFSF en het EFSM;

E.  overwegende dat om een herhaling van een crisis als deze te voorkomen, evenals de verspreiding van de crisis naar andere landen via de bankensector, een aantal maatregelen zijn genomen, waaronder de oprichting van de bankenunie, de instelling van het ESM, verbeterde wetgeving inzake economisch bestuur in de vorm van het sixpack en het twopack, het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire unie, en het Europees Semester, die moeten worden gezien als één pakket;

F.  overwegende dat, volgens de laatste voorjaarsprognose van de Commissie, het bruto binnenlands product (bbp) in de eurozone na twee opeenvolgende jaren van negatieve groei naar verwachting zal stijgen, hetgeen betekent dat het economisch herstel langzaam van de grond komt en verder moet worden versterkt, omdat de output gap groot zal blijven;

G.  overwegende dat er enorme verschillen blijven bestaan tussen de lidstaten op het gebied van schuldratio's, tekortratio's, werkloosheidspercentages, saldo's op de lopende rekening en niveaus van sociale bescherming, ook na de tenuitvoerlegging van de programma's, door de verschillen in de oorzaken en het startpunt van de crises en in de ambitie, de impact en de nationale verantwoordelijkheid bij het uitvoeren van de tussen de instellingen en de betrokken lidstaten overeengekomen maatregelen;

H.  overwegende dat de investeringen in de eurozone zijn afgenomen met 17 % ten opzichte van de periode voor de crisis en dat zij zwak blijven; overwegende dat zowel een gebrek aan toekomstgerichte, groeibevorderende investeringen als onhoudbare publieke en private schulden een fnuikende last vormen voor toekomstige generaties;

I.  overwegende dat een Europees investeringsplan, als een belangrijk instrument om met name particuliere investeringen te bevorderen, wordt opgezet om de komende drie jaar 315 miljard euro aan nieuwe investeringen te genereren; overwegende dat, indien de voorgestelde financiële doelstellingen worden verwezenlijkt, dit plan slechts één element is om het geaccumuleerde investeringstekort weg te werken, samen met de tenuitvoerlegging van structurele hervormingen om een investeerdersvriendelijke omgeving in de lidstaten te creëren;

Evaluatie van het huidige kader voor economische governance

1.  verwelkomt de mededeling van de Commissie van 28 november 2014 over de evaluatie van de economische governance; is van mening dat de beoordeling door de Commissie een beeld geeft van de manier waarop en de mate waarin de verschillende instrumenten en procedures zijn gebruikt en ten uitvoer gelegd;

2.  benadrukt dat in het stelsel voor economische governance het voorkomen van buitensporige tekorten en schulden en buitensporige macro-economische onevenwichtigheden, alsmede de coördinatie van het economisch beleid, centraal staat; onderstreept daarom het feit dat de centrale vraag bij de evaluatie is of het nieuwe kader voor economische governance het weerstandsvermogen van de EMU heeft vergroot, in het bijzonder het vermogen om te voorkomen dat lidstaten hun schuldverplichtingen niet nakomen en tegelijkertijd bij te dragen tot een nauwere coördinatie en convergentie van het economisch beleid van de lidstaten en een hoog niveau van transparantie, geloofwaardigheid en democratische verantwoording;

3.  neemt kennis van het feit dat in sommige lidstaten vooruitgang is geboekt met de aanpak van het schuldniveau of het verlaten van de buitensporigtekortprocedure;

4.  is het eens met de analyse van de Commissie dat delen van het nieuwe kader hebben geleid tot resultaten, maar dat in normale economische tijden slechts beperkt conclusies kunnen worden getrokken over de effectiviteit van de verordeningen;

5.  erkent dat een beoordeling van de toepassing van het sixpack en het twopack in dit stadium slechts een partiële beoordeling is en niet los kan worden gezien van het Europees Semester, het VWEU en het Begrotingspact;

6.  is verheugd dat het sixpack en het twopack het toepassingsgebied van het Stabiliteits- en Groeipact hebben verbreed door de toevoeging van procedures om macro-economische onevenwichtigheden binnen en tussen lidstaten te voorkomen en te corrigeren en de te grote nadruk op het tekortcriterium in te ruilen voor een criterium dat zowel het tekort als de totale schuld in aanmerking neemt, en zo te proberen mogelijke problemen te ontdekken en te corrigeren en het ontstaan van crises te voorkomen in een zo vroeg mogelijk stadium, alsmede flexibiliteit mogelijk te maken in de vorm van clausules voor structurele hervormingen, investeringen en nadelige conjunctuurvoorwaarden; herinnert eraan dat flexibiliteit het preventieve karakter van het pact niet in gevaar mag brengen;

7.  onderstreept het feit dat het scorebord belangrijk is om macro-economische onevenwichtigheden in een vroeg stadium vast te stellen en dat duurzame structurele hervormingen belangrijk zijn om macro-economische onevenwichtigheden weg te nemen;

8.  benadrukt het feit dat een consistente, eerlijke uitvoering van het kader in alle landen en op langdurige wijze bijdraagt tot geloofwaardigheid; verzoekt de Commissie en de Raad om de wijzigingen van het stabiliteits- en groeipact in het kader van het sixpack en het twopack toe te passen en ernaar te handelen, met name met betrekking tot de handhavingsbepalingen;

9.  is van mening dat de huidige economische situatie met haar broze groei en hoge werkloosheid dringende, veelomvattende en daadkrachtige maatregelen vergt in het kader van een holistische aanpak op basis van groeivriendelijke begrotingsconsolidatie, structurele hervormingen en een bevordering van de investeringen om te komen tot het herstel van een duurzame groei en van het concurrentievermogen, om innovatie te bevorderen en werkloosheid te bestrijden en tegelijk het risico van een voortdurende lage inflatie of een mogelijk gevaar van deflatiedruk, alsmede voortdurende macro-economische onevenwichten aan te pakken; benadrukt het feit dat het kader voor economische governance een kerncomponent van deze holistische aanpak moet zijn, om deze uitdagingen te kunnen aanpakken;

10.  stemt in met de opmerking van commissaris Thyssen dat landen die voorzien in hoogwaardige banen, betere sociale bescherming en investeringen in menselijk kapitaal beter bestand zijn tegen economische crises; verzoekt de Commissie dit standpunt naar voren te brengen in alle beleidsmaatregelen in het kader van het Europees semester en in alle landenspecifieke aanbevelingen;

11.  benadrukt dat het huidige kader voor economische governance ten uitvoer moet worden gelegd en indien nodig verbeterd om te zorgen voor fiscale stabiliteit, om een behoorlijk debat mogelijk te maken over een algemene beoordeling van de eurozone als geheel met ruimte voor groeivriendelijke begrotingsverantwoordelijkheid, om het perspectief van de eurozone op het gebied van economische convergentie te verbeteren en om de verschillende economische en begrotingssituaties van de lidstaten op gelijke voet aan te pakken; benadrukt het feit dat het huidige kader lijdt onder een gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel op nationaal niveau, beperkte aandacht voor het internationale economische perspectief en een passend mechanisme voor het afleggen van democratische verantwoording;

12.  benadrukt het feit dat de huidige situatie nauwere en inclusieve economische coördinatie vergt waarbij de eurozone wordt beschouwd als geheel en het nationale verantwoordelijkheidsgevoel en de democratische verantwoordingsplicht met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de regels wordt verbeterd (om het vertrouwen te herstellen, de convergentie tussen de lidstaten te bevorderen, de fiscale duurzaamheid te verbeteren, duurzame structurele hervormingen aan te moedigen de investeringen een impuls te geven), alsmede een snelle reactie om de meest in het oog springende weeffouten weg te werken, de effectiviteit van het kader voor economische governance te vergroten en te zorgen voor een consistente en eerlijke tenuitvoerlegging van het kader in alle landen en op langdurige wijze;

13.  benadrukt het belang van eenvoudige en transparante procedures voor economische governance en waarschuwt ervoor dat de huidige complexiteit van het kader en het gebrek aan tenuitvoerlegging ervan en aan een gevoel van verantwoordelijkheid ervoor schadelijk is voor de effectiviteit ervan en voor de aanvaarding ervan door de nationale parlementen, de lokale autoriteiten, de sociale partners en de burgers in de lidstaten;

14.  erkent dat enige voortgang is geboekt ten aanzien van de doelstelling op middellange termijn en dat een grotere betrokkenheid is bewerkstelligd bij het nationale debat in lidstaten van de eurozone, mede dankzij de bijdrage van de nationale begrotingsinstanties die optreden als onafhankelijke organen die nagaan of er overeenstemming is met de begrotingsregels en de macro-economische vooruitzichten; verzoekt de Commissie een overzicht in te dienen van de structuur en de werking van de nationale begrotingsinstanties in de lidstaten en van de manier waarop deze instanties het gevoel van verantwoordelijkheid op nationaal niveau kunnen verbeteren;

15.  beschouwt het kader voor economische governance als een essentieel politiek initiatief ter onderbouwing van de fundamenten van de Europa 2020-doelstellingen en de vlaggenschipinitiatieven die erop gericht zijn het onbenutte groeipotentieel van de interne markt volledig te benutten; is van mening dat de lidstaten door het groeipotentieel van de interne markt aan te boren gemakkelijker de doelstellingen van het kader voor economische governance zullen kunnen verwezenlijken; is voorts van mening dat consumenten en bedrijven de belangrijkste actoren op de interne markt zijn;

Beste toepassing van de flexibiliteit binnen de huidige regels

16.  erkent dat het stabiliteits- en groeipact, dat is vastgesteld om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën van de lidstaten die deelnemen aan de economische en monetaire unie te waarborgen, de lidstaten toestaat indien nodig een anticyclisch beleid te voeren, alsmede budgettaire ruimte om ervoor te zorgen dat de automatische stabilisatoren naar behoren kunnen werken; onderstreept het feit dat niet alle lidstaten overschotten realiseerden toen de economie goed draaide en dat sommige bestaande flexibiliteitsclausules waarin in de wetgeving was voorzien, de afgelopen jaren niet volledig zijn benut;

17.  is ingenomen met het feit dat de Commissie in haar interpretatieve mededeling over flexibiliteit erkent dat de manier waarop de huidige begrotingsregels worden geïnterpreteerd één element is voor het overbruggen van de investeringskloof in de EU en voor het faciliteren van de tenuitvoerlegging van groeibevorderende, duurzame en sociaal evenwichtige structurele hervormingen; merkt op dat in de mededeling geen veranderingen worden aangebracht wat de berekening van het deficit betreft, maar dat voor bepaalde investeringen wel een tijdelijke afwijking van de middellangetermijndoelstelling (MTD) van de betrokken lidstaat of van het aanpassingstraject richting MTD kan worden gerechtvaardigd;

18.  ondersteunt alle door de Commissie voorgestelde prikkels om het nieuwe Europese Fonds voor strategische investeringen (EFSI) te financieren, hoofdzakelijk door nationale bijdragen aan het fonds begrotingsneutraal te maken ten aanzien van het behalen van de MTD en van de vereiste inspanning op het gebied van begrotingsaanpassing, zonder wijziging hiervan in het preventieve of het correctieve deel van het stabiliteits- en groeipact; merkt op dat de Commissie voornemens is geen buitensporigtekortprocedure te starten, als het deficit van een lidstaat louter als gevolg van de bijkomende bijdrage aan het EFSI tijdelijk licht het maximale deficit van 3 % overschrijdt; vestigt de aandacht op de belangrijke bijdrage die het stabiliteits- en groeipact levert aan het opbouwen van vertrouwen voor het aantrekken van buitenlandse investeringen; benadrukt het feit dat de additionaliteit van de EFSI-financiering belangrijk is, omdat reeds geplande projecten in geen geval enkel mogen worden vervangen door projecten die door het EFSI worden gefinancierd en dat het netto-investeringsniveau daadwerkelijk moet worden verhoogd;

19.  is tevreden met het feit dat de mededeling van de Commissie is bedoeld om het toepassingsgebied van de investeringsclausule te verduidelijken, hetgeen in het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact ruimte biedt voor enige mate van tijdelijke flexibiliteit in de vorm van een tijdelijke afwijking van de MTD, op voorwaarde dat de afwijking niet leidt tot een overschrijding van de tekortreferentiewaarde van 3 % en een passende veiligheidsmarge wordt ingebouwd, om investeringsprogramma's door de lidstaten te faciliteren, met name wat betreft bestedingen voor projecten in het kader van het structuur- en cohesiebeleid, met inbegrip van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, trans-Europese netwerken en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, en cofinanciering in het kader van het EFSI;

20.  is van mening dat een voorwaarde voor de toepassing van de clausule inzake structurele hervormingen in het preventieve deel en de inoverwegingneming van structurele-hervormingsplannen in het correctieve deel, bestaat in de formele goedkeuring door de nationale parlementen van een hervorming en de feitelijke tenuitvoerlegging hiervan, met het oog op meer efficiëntie en een groter gevoel van verantwoordelijkheid; benadrukt het feit dat de sociale partners in alle fasen bij het hervormingsproces moeten worden betrokken;

21.  vraagt een intensievere dialoog tussen de Commissie en de lidstaten over de inhoud en de vorm van de structurele hervormingen die het geschiktst en het doeltreffendst zijn en die de Commissie in de landenspecifieke aanbevelingen moet voorstellen, welke verenigbaar moeten zijn met het Verdrag en de secundaire wetgeving, op basis van een kosten-batenanalyse, een resultaatgerichte evaluatie en een tijdsbestek, en moeten bijdragen tot het halen van de MTD;

22.  moedigt de financiële commissies van de nationale parlementen aan de voor economische governance bevoegde Europese commissarissen stelselmatig uit te nodigen voor een openbaar debat in hun kamer alvorens de ontwerpbegrotingen van de lidstaten goed te keuren;

23.  is van mening dat de structurele hervormingen die zijn vastgelegd in de nationale hervormingsprogramma's, op middellange en lange termijn een positief economisch, sociaal en ecologisch rendement moeten hebben en de effectiviteit en efficiëntie van de bestuurlijke capaciteit moeten verbeteren;

24.  merkt op dat, omdat dit had kunnen leiden tot een onderneming waarbij alle soorten van hypothesen worden gedefinieerd, met als gevaar dat diegene over het hoofd wordt gezien die zich daadwerkelijk zal voordoen, in de mededeling niet wordt ingegaan op de aard van "ongebruikelijke gebeurtenissen" waarover een lidstaat geen controle heeft en in geval waarvan een lidstaat tijdelijk zou mogen afwijken van het aanpassingstraject met het oog op de verwezenlijking van zijn MTD; onderstreept het feit dat soortgelijke situaties moeten worden behandeld op soortgelijke wijze;

25.  pleit ervoor om de economische en sociale samenhang te vergroten door het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds te versterken, teneinde banen met rechten te vrijwaren en te creëren door maatregelen te steunen ter bestrijding van de werkloosheid en armoede;

26.  onderstreept dat het voor de aanvaarding door het publiek van het kader voor economische governance belangrijk is dat de economische groei wordt gestimuleerd en nieuwe banen, vooral voor jongeren, worden gecreëerd;

27.  stelt met grote bezorgdheid vast dat de langdurige werkloosheid in de loop van de crisis is verdubbeld; merkt voorts op dat deze toename nog sterker was onder laaggeschoolde werknemers; verzoekt de Commissie in haar beleid en in haar landenspecifieke aanbevelingen aandacht te besteden aan de bestrijding van de langdurige werkloosheid;

28.  is van mening dat aan de toenemende ongelijkheid in Europa de grootst mogelijke aandacht moet worden besteed in het economisch kader van de Unie; is van mening dat verdubbeling van de inspanningen voor het scheppen van meer hoogwaardige banen in Europa een van de beste manieren is om de toenemende ongelijkheid aan te pakken;

Nauwere samenwerking, economische convergentie en stroomlijnen van het Europees Semester

29.  dringt er bij de Commissie op aan het stabiliteits- en groeipact volledig toe te passen en te zorgen voor een eerlijke tenuitvoerlegging ervan, overeenkomstig haar recente evaluatie van het sixpack en het twopack en de mededeling over flexibiliteit; is van mening dat het Europees Semester waar nodig en indien mogelijk moet worden gestroomlijnd en versterkt binnen het bestaande wetgevingskader; benadrukt het feit dat elke toekomstige stroomlijning en aanscherping in deze zin in elk geval stabiliteitsgericht moet zijn;

30.  is van mening dat de mededeling van de Commissie verduidelijkt waar er ruimte bestaat voor flexibiliteit in de huidige wetgeving; is tevreden met de inspanning meer duidelijkheid te scheppen op dit complexe gebied en verwacht dat de Commissie de in de bestaande regels ingebouwde flexibiliteit gebruikt overeenkomstig de mededeling, waarbij de voorspelbaarheid, transparantie en doeltreffendheid van het kader voor economische governance garandeert;

31.  dringt er bij de Commissie en de Raad op aan het begrotingskader en het macro-economische kader beter te definiëren, teneinde een vroeger en consistenter debat onder alle belanghebbenden mogelijk te maken, waarbij rekening moet worden gehouden met de Europese belangen die door deze kaders worden gediend, de noodzaak om de convergentie tussen lidstaten van de eurozone te vergroten, de beraadslaging in de nationale parlementen en de rol van de sociale partners of van de lokale autoriteiten ten aanzien van de verantwoordelijkheid voor duurzame en sociaal evenwichtige structurele hervormingen;

32.  benadrukt het feit dat de jaarlijkse groeianalyse en de landenspecifieke aanbevelingen beter moeten worden uitgevoerd en dat hierin rekening moet worden gehouden met een beoordeling van de begrotingssituatie en ‑vooruitzichten, zowel in de eurozone als geheel als in de afzonderlijke lidstaten; suggereert dat algemene evaluatie waarin is voorzien in Verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van de eurozone, wordt besproken tijdens een debat in de plenaire vergadering van het Europees Parlement, met deelname van de Raad, de voorzitter van de Eurogroep en de Commissie, vóór de voorjaarstop van de Raad, en dat zij in de loop van het Europees Semester naar behoren ten uitvoer wordt gelegd;

33.  merkt op dat het Europees Semester een belangrijk instrument is geworden om hervormingen uit te voeren op nationaal niveau en op het niveau van de EU, door ervoor te zorgen dat de EU en haar lidstaten hun economisch beleid coördineren; betreurt evenwel het gebrek aan een gevoel van verantwoordelijkheid, met als gevolg een onbevredigend tenuitvoerleggingspeil van de landenspecifieke aanbevelingen;

34.  is van mening dat het Europees Semester moet worden gestroomlijnd en versterkt, zonder wijziging van het bestaande wetgevingskader, en dat de documenten in verband met het Semester beter moeten worden gecoördineerd, om te zorgen voor meer focus, effectiviteit en verantwoordelijkheidsgevoel met betrekking tot het halen van de Europese doelstellingen inzake goede economische governance;

35.  vraagt dat de landenspecifieke aanbevelingen waar dit relevant is beter worden gecoördineerd met de aanbevelingen inzake de buitensporigtekortprocedure, om te zorgen voor consistentie tussen de bewaking van de begrotingspositie en de economische beleidscoördinatie;

36.  is voorstander van een versterkt proces op EU- en nationaal niveau voor de uitwerking, follow-up en monitoring van landenspecifieke aanbevelingen, mede om de daadwerkelijke uitvoering en kwaliteit ervan in de realiteit te controleren;

37.  herinnert eraan dat de Commissie op grond van de wetgeving verplicht is bij de opstelling van haar aanbevelingen onder andere rekening te houden met de 2020-doelstellingen en dat in de wetgeving het principe is vervat dat de Raad de aanbevelingen en voorstellen van de Commissie in de regel moet volgen of zijn standpunt publiek moet verklaren;

38.  maakt zich zorgen door de toename van de schuld in landen die al een hoog schuldpeil hebben, hetgeen in sterke tegenspraak is met de regel van 1/20 inzake schuldvermindering; verzoekt de Commissie uit te leggen hoe zij voornemens is deze contradictie aan te pakken en ervoor te zorgen dat de schuldratio's worden verminderd tot houdbare niveaus, overeenkomstig het stabiliteits- en groeipact;

39.  steunt de driepijlerstrategie van de Commissie (groeibevorderende investeringen, fiscale consolidatie en structurele hervormingen) die in de jaarlijkse groeianalyse 2015 wordt gepresenteerd en vraagt dat deze concreter wordt gemaakt in het kader van de algemene evaluatie van de begrotingssituatie en ‑vooruitzichten in de eurozone en in de landenspecifieke aanbevelingen;

40.  erkent dat er behoefte is aan een onafhankelijke en pluriforme analyse van de economische vooruitzichten van de lidstaten op het niveau van de EU; dringt er in verband hiermee op aan de eenheid binnen de Commissie die bekendstaat als de economisch hoofdanalist, verder te ontwikkelen, om te zorgen voor een objectieve, onafhankelijke en transparante analyse van de relevante data, die publiek moet worden gemaakt en die moet dienen als basis voor een debat en besluitvorming in de Commissie, de Raad en het Europees Parlement op basis van feiten; verlangt dat de economisch hoofdanalist tijdig alle relevante documenten krijgt toegezonden om zijn taken te kunnen uitvoeren; benadrukt het feit dat de nationale begrotingsinstanties een nuttige rol spelen, zowel op nationaal niveau als op het niveau van de EU, en moedigt de oprichting aan van een Europees netwerk;

41.  herinnert eraan dat de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden bedoeld is crises te voorkomen door een vroege identificering van schadelijke macro-economische onevenwichtigheden op basis van een objectieve beoordeling van de ontwikkeling van de belangrijkste macro-economische variabelen; is van mening dat de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden moet worden gebruikt om op doelmatige en doeltreffende wijze de ontwikkeling te beoordelen van de belangrijkste macro-economische variabelen, zowel in landen met een tekort als in landen met een overschot, met name wat de versterking betreft van het concurrentievermogen en het beter rekening houden met de eurozone als geheel, inclusief de overloopeffecten; herinnert eraan dat macro-economisch toezicht ook bestemd is voor de identificatie van landen die in de toekomst waarschijnlijk te maken zullen krijgen met een onevenwicht en om dit te voorkomen door tijdig duurzame en sociaal evenwichtige structurele hervormingen te starten, op een moment dat er nog ruimte is om in te grijpen;

42.  onderstreept het feit dat de Commissie een duidelijk onderscheid maakt tussen het preventieve en het correctieve deel van het stabiliteits- en groeipact, met name wat investeringen betreft die het mogelijk maken tijdelijk af te wijken van de MTD of van het bijbehorende aanpassingstraject, binnen de grenzen van de in het preventieve deel opgenomen veiligheidsmarge; verzoekt de Commissie en de Raad op dit gebied consistent te zijn met het resultaat wat het standpunt betreft van de medewetgever inzake de verordening betreffende het Europese Fonds voor strategische investeringen;

43.  verzoekt de Commissie in haar analyses rekening te houden met alle belangrijke factoren, inclusief reële groei, inflatie en de overheidsinvesteringen en werkloosheidscijfers op lange termijn, wanneer zij de economische en fiscale situaties van de lidstaten beoordeelt, en verzoekt haar dringend de investeringskloof in de EU aan te pakken door de uitgaven te verschuiven naar de investeringen die het productiefst zijn en het bevorderlijkst voor duurzame groei en banen;

44.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de manier waarop in de buitensporigtekortprocedure rekening wordt gehouden met effectieve maatregelen, gebaseerd is op duidelijke, numerieke criteria op het gebied van kwantiteit en kwaliteit;

45.  wijst er nogmaals op dat de focus op structurele tekorten sinds de hervorming van het SGP in 2005, in combinatie met de invoering van een uitgavenregel bij de hervorming van 2011, maar ook het concept "output gap" dat moeilijk te kwantificeren is, onzekerheid, complexiteit en flexibiliteitsmarges creëren en zo leiden tot een discretionaire tenuitvoerlegging van het stabiliteits- en groeipact; vreest dat de berekening van potentiële groei en output, die ten grondslag ligt aan de beoordeling van de structurele tekorten, en de berekening van de uitgavenregel gebaseerd zijn op diverse twijfelachtige aannamen die leiden tot aanzienlijke bijstellingen tussen de najaars- en voorjaarsprognoses van de Commissie, hetgeen leidt tot verschillende berekeningen en uiteenlopende beoordelingen wat betreft de tenuitvoerlegging van het stabiliteits- en groeipact;

46.  dringt er bij de Commissie op aan om, bij de monitoring en beoordeling van de begrotingssituaties van de lidstaten, rekening te houden met de praktische gevolgen van overeengekomen begrotingsmaatregelen en ‑hervormingen; verzoekt de Commissie te streven naar de uitstippeling van een voorspelbaar, samenhangend beleid, haar analyse te baseren op harde feiten en betrouwbare data en de grootste voorzichtigheid aan de dag te leggen bij het gebruik van ramingen met betrekking tot concepten als geschatte potentiële groei van het bbp en output gaps;

47.  onderstreept het belang van nieuwe groei en nieuwe banen voor de aanvaarding van het kader voor economische governance door het publiek en verzoekt de Commissie daarom om het ondernemersklimaat in Europa te verbeteren en daarbij bijzondere aandacht te schenken aan kmo's, het verminderen van administratieve lasten en het verbeteren van de toegang tot financiering; herinnert in dit verband aan de noodzaak om kmo's de nodige ondersteuning te geven zodat zij ook toegang kunnen krijgen tot niet-EU-markten, zoals de VS, Canada, China en India;

Democratische verantwoordingsplicht en toekomstige uitdagingen bij de verdieping van de economische governance

48.  is van mening dat een verdiepte en veerkrachtigere EMU dringend behoefte heeft aan minder complexiteit, een groter gevoel van verantwoordelijkheid en meer transparantie, in plaats van aan de loutere toevoeging van nieuwe lagen regelgeving bovenop degene die reeds bestaat; onderstreept het feit dat er, aangezien de verantwoordelijkheden op het gebied van de EMU worden gedeeld door het nationale en het Europese niveau, bijzondere aandacht aan moet worden besteed dat, wat economische governance betreft, wordt gezorgd voor coherentie en de aflegging van verantwoording, zowel op nationaal als op Europees niveau; is voorts van mening dat een grote rol moet worden gespeeld door instellingen die democratische verantwoording moeten afleggen en onderstreept het feit dat er behoefte is aan voortdurende betrokkenheid van de parlementen, waarbij de verantwoordelijkheden moeten worden opgenomen op het niveau waar de besluiten worden genomen of uitgevoerd;

49.  erkent op basis van de huidige situatie dat het kader voor economische governance moet worden vereenvoudigd, beter moet worden gehandhaafd en, waar nodig, moet worden aangevuld, zodat de EU en de eurozone kunnen beantwoorden aan de uitdagingen op het gebied van convergentie, duurzame groei, volledige werkgelegenheid, welzijn van de burgers, concurrentievermogen, gezonde en duurzame overheidsfinanciën, toekomstgerichte, duurzame investeringen met een hoog sociaaleconomisch rendement en vertrouwen;

50.  is van mening dat er, aangezien de parlementaire inbreng in de richtsnoeren voor het economisch beleid een belangrijk aspect is van ieder democratisch systeem, kan worden gezorgd voor meer legitimiteit op Europees niveau door de vaststelling van convergentierichtsnoeren met gerichte prioriteiten voor de komende jaren, in het kader van een medebeslissingsprocedure die bij de volgende verdragswijziging moet worden ingevoerd;

51.  herinnert aan de resoluties van het Europees Parlement waarin wordt gespecificeerd dat de oprichting van het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) en het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur ("begrotingspact") buiten de structuur van de instellingen van de Unie om een stap terug betekent voor de politieke integratie van de Unie, en dringt er bijgevolg op aan dat het ESM en het begrotingspact volledig in het communautaire kader worden geïntegreerd op basis van een beoordeling van de ervaring van de uitvoering ervan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de EMU en dat zij vervolgens formeel verantwoording zijn verschuldigd aan het Parlement;

52.  herinnert aan zijn verzoek om de ontwikkeling van opties inzake een nieuw rechtskader voor toekomstige macro-economische aanpassingsprogramma's, ter vervanging van de trojka, om de transparantie van deze programma's en het gevoel van verantwoordelijkheid ervoor te vergroten en ervoor te zorgen dat alle EU-besluiten indien mogelijk worden genomen volgens de communautaire methode; is van mening dat er consistentie moet zijn tussen het karakter van het gebruikte stabiliteitsmechanisme en de instelling die belast is met het in gang zetten ervan en erkent tegelijk dat, aangezien de financiële hulp wordt gegarandeerd door de lidstaten van de eurozone, deze een woordje mee te spreken hebben over de toekenning ervan;

53.  verlangt dat het besluitvormingsproces van de Eurogroep opnieuw wordt beoordeeld teneinde te zorgen voor voldoende democratische verantwoordingsplicht; is ingenomen met het feit dat de voorzitter van de Eurogroep regelmatig deelneemt aan de vergaderingen van de ECON-commissie op dezelfde manier als de voorzitter van de Ecofin-Raad, zodat wordt bijgedragen tot een vergelijkbaar niveau inzake het afleggen van democratische verantwoording;

54.  herinnert eraan dat het sixpack en het twopack gebaseerd zijn op een grotere rol voor een onafhankelijk commissaris, die moet zorgen voor een eerlijke en niet-discriminerende toepassing van de regels, is van mening dat in geval van bijkomende stappen met betrekking tot de institutionele organisatie van de economische governance, bijvoorbeeld een versterking van de rol van de commissaris voor Economische en Monetaire Zaken of de oprichting van een Europese Thesaurie, de scheiding der machten tussen de verschillende instellingen moet worden geëerbiedigd en dat deze stappen moeten worden gekoppeld aan adequate middelen op het gebied van de aflegging van democratische rekenschap en democratische legitimiteit, met betrokkenheid van het Europees Parlement;

55.  herinnert eraan dat de bankunie het resultaat was van de politieke wil om nieuwe financiële crises te voorkomen, om de vicieuze cirkel tussen staten en banken te doorbreken en om de negatieve overloopeffecten van een overheidsschuldencrisis tot een minimum te beperken en dat dezelfde wil vereist is voor de verwezenlijking van en verdiepte EMU;

56.  verzoekt de Commissie een ambitieuze routekaart in te dienen voor de totstandbrenging van een verdiepte economische en monetaire unie waarin rekening wordt gehouden met de voorstellen in deze resolutie, op basis van het door de eurozonetop verleende en de Europese Raad bevestigde mandaat om "de volgende stappen voor te bereiden met het oog op een betere economische governance in de eurozone" alsmede van eerder werk zoals de resolutie van het Parlement van 20 november 2012 met als titel "Naar een echte Economische en Monetaire Unie"(13), de mededeling van de Commissie van 28 november 2012 met als titel "Blauwdruk voor een hechte economische en monetaire unie. Aanzet tot een Europees debat" (COM(2012)0777) en het eindverslag van de vier voorzitters van 5 december 2012;

57.  verzoekt de belanghebbenden bij deze noodzakelijke volgende stap van de EMU om rekening te houden met de voorzienbare toekomstige uitbreiding van de eurozone en om alle opties te onderzoeken om de EMU te verdiepen en te versterken en om haar veerkrachtiger te maken en bevorderlijk voor groei, banen en stabiliteit, bijvoorbeeld:

   a) sterkere mechanismen voor de aflegging van democratische verantwoording, zowel op EU-niveau als op het niveau van de lidstaten, waarbij de verantwoordelijkheden moeten worden opgenomen op het niveau waar de besluiten worden genomen, op basis van volgens de medebeslissingsprocedure vastgestelde convergentierichtsnoeren, met een formalisering van de controlerende rol van het Europees Parlement in het kader van het Europees Semester in een interinstitutioneel akkoord, waarbij ervoor wordt gezorgd dat alle nationale parlementen van de eurozone alle stappen van het Europees semester volgen;
   b) een sociale dimensie die erop is gericht de socialemarkteconomie van Europa te behouden, met eerbiediging van het recht op collectieve onderhandelingen en de garantie dat het sociaal beleid van de lidstaten wordt gecoördineerd, inclusief een mechanisme voor een minimumloon of ‑inkomen dat eigen is aan en waartoe besloten wordt door elke lidstaat, ondersteuning van de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting, de re-integratie van werknemers op de arbeidsmarkt en vrijwillige mobiliteit en flexibiliteit tussen beroepen en lidstaten;
   c) een fiscale capaciteit van de eurozone op basis van specifieke eigen middelen, die de lidstaten in het kader van de begroting van de Unie met controle door het Europees Parlement moet helpen bij de tenuitvoerlegging van de overeengekomen structurele hervormingen op basis van bepaalde voorwaarden, inclusief de effectieve uitvoering van de nationale hervormingsprogramma's; is in verband hiermee tevreden met het werk van de EU-groep eigen middelen, onder het voorzitterschap van Mario Monti;
   d) een vergroting van de veerkracht van de EMU om het hoofd te bieden aan economische schokken en noodsituaties die rechtstreeks verband houden met de monetaire unie, waarbij elke vorm van permanente fiscale transfers wordt voorkomen;
   e) op het gebied van belastingen, een engagement voor maatregelen voor heel Europa tegen belastingfraude en ‑ontwijking en tegen agressieve belastingplanning door bedrijven, samenwerking tussen de nationale belastinginstanties voor de uitwisseling van informatie over belastingontwijking en belastingfraude, maatregelen om te komen tot een convergentie van het belastingbeleid van de lidstaten, een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, eenvoudigere en transparantere belastingstelsels en rapportage per land door bedrijven, met uitzondering van kmo's;
   f) stapsgewijze voltooiing van de bankunie;
   g) opname van het ESM en het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de wetgeving van de Unie, in combinatie met een verbeterde coördinatie van het economisch beleid, reële convergentie, een handhaving van gemeenschappelijke regels en een duidelijk engagement voor economisch en sociaal duurzame structurele hervormingen;
   h) aanpak van zwakke plekken in het huidige kader, dat het mogelijk maakt dat op bepaalde delen van het Verdrag wordt toegezien door het Hof, terwijl andere zijn uitgesloten;
   i) een grotere externe rol van de eurozone, onder meer door de vertegenwoordiging van de eurozone op te waarderen;

58.  dringt erop aan dat eventuele verdere maatregelen in EMU-verband worden opgesteld op basis van de "1+1 voorzitters"-benadering, inclusief de Voorzitter van het EP, die voor alle vergaderingen moet worden uitgenodigd, volledig moet worden geïnformeerd en het recht moet hebben om aan de debatten deel te nemen; merkt op dat de voorzitter van de Commissie heeft aangegeven voornemens te zijn om tijdens de voorbereiding van het rapport van de vier voorzitters de inbreng van de Voorzitter van het Europees Parlement in zijn overwegingen mee te nemen;

59.  verzoekt zijn Voorzitter vooraf overleg te plegen met de fractievoorzitters of de specifiek door hun fracties of het Parlement aangewezen leden, om het Parlement te vertegenwoordigen bij zijn toekomstige taak, op grond van het met deze resolutie verleende mandaat, onder andere met betrekking tot de kwesties in de analytische nota van de vier voorzitters met als titel "Voorbereiding van de volgende stappen met het oog op een betere economische governance in de eurozone";

o
o   o

60.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan voorzitters van de Raad, de Commissie, de Eurogroep en de ECB, alsmede aan de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 140 van 27.5.2013, blz. 1.
(2) PB L 140 van 27.5.2013, blz. 11.
(3) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 12.
(4) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 33.
(5) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 1.
(6) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 41.
(7) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.
(8) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 8.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0239.
(10) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0598.
(11) PB C 165 E van 11.6.2013, blz. 24.
(12) PB C 33 E van 5.2.2013, blz. 140.
(13) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0430,

Juridische mededeling