Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 8 juli 2015 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Onderhandelingen over het transatlantisch handels- en investeringspartnerschap (TTIP)
 Stabilisatie- en associatieovereenkomst met de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (protocol om rekening te houden met de toetreding van Kroatië) ***
 Stabilisatie- en associatieovereenkomst met Servië (protocol om rekening te houden met de toetreding van Kroatië) ***
 Wetenschappelijke en technologische samenwerking met India: verlenging van de overeenkomst ***
 Wetenschappelijke en technologische samenwerking met de Faeröer: Horizon 2020 ***
 Langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders en de verklaring inzake corporate governance ***I
 Marktstabiliteitsreserve voor de EU-regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten ***I
 Zeevarenden ***I
 Wetenschappelijke en technologische samenwerking met Zwitserland: Horizon 2020 en ITER-activiteiten ***
 Richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten *
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2015/001 FI/Broadcom – Finland
 Begroting 2016 - mandaat voor de trialoog
 Initiatief voor groene werkgelegenheid
 Belastingontwijking en belastingontduiking als problemen in ontwikkelingslanden

Onderhandelingen over het transatlantisch handels- en investeringspartnerschap (TTIP)
PDF 246kWORD 128k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 juli 2015 met de aanbevelingen van het Europees Parlement aan de Commissie betreffende de onderhandelingen over het trans-Atlantisch handels- en investeringspartnerschap (TTIP) (2014/2228(INI))
P8_TA(2015)0252A8-0175/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de richtsnoeren van de EU voor de onderhandelingen over het trans-Atlantisch handels- en investeringspartnerschap (TTIP) tussen de EU en de VS, die op 14 juni 2013(1) door de Raad zijn goedgekeurd en op 9 oktober 2014 door de Raad zijn gederubriceerd en openbaar gemaakt,

–  gezien de artikelen 168 tot en met 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en in het bijzonder het voorzorgsbeginsel zoals vastgesteld in artikel 191, lid 2,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de Topontmoeting EU-VS van 26 maart 2014(2),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van commissaris Cecilia Malmström en de handelsvertegenwoordiger van de VS Michael Froman van 20 maart 2015 over het niet opnemen van overheidsdiensten in handelsovereenkomsten tussen de EU en de VS,

–  gezien de conclusie van de Raad over TTIP van 20 maart 2015,

–  gezien de conclusies van de Raad over TTIP van 21 november 2014(3),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 16 november 2014 van de Amerikaanse president Barack Obama, Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker, voorzitter van de Europese Raad Herman Van Rompuy, de Britse premier David Cameron, Bondskanselier Angela Merkel, de Franse president François Hollande, de Italiaanse premier Matteo Renzi en de Spaanse premier Mariano Rajoy, na hun ontmoeting in de marge van de G20-top in Brisbane, Australië(4),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 26 en 27 juni 2014(5),

–  gezien de politieke beleidslijnen van voorzitter Juncker van 15 juli 2014 voor de volgende Europese Commissie getiteld "Een nieuwe start voor Europa: mijn agenda voor banen, groei, billijkheid en democratische verandering"(6),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het commissiecollege van 25 november 2014 over transparantie in de TTIP-onderhandelingen (C(2014)9052)(7) en de besluiten van de Commissie van 25 november 2014 over de publicatie van informatie over vergaderingen tussen leden van de Commissie en organisaties of zelfstandigen (C(2014)9051) en over de publicatie van informatie over vergaderingen tussen directeuren-generaal van de Commissie en organisaties of zelfstandigen (C(2014)9048), en gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (C-350/12 P, 2/13, 1/09) inzake toegang tot documenten van de instellingen en het besluit van de Europese Ombudsman van 6 januari 2015 ter afsluiting van haar op eigen initiatief ingestelde onderzoek (OI/10/2014/RA) naar de behandeling van verzoeken om informatie door de Europese Commissie en de toegang tot documenten (transparantie),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de Energieraad EU-VS van 3 december 2014(8),

–  gezien de geïntegreerde EU-aanpak op het gebied van voedselveiligheid ("van boer tot bord"), ingevoerd in 2004(9),

–  gezien het verslag van de Commissie van 13 januari 2015 over de openbare raadpleging online over investeringsbescherming en de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten (ISDS) in het TTIP (SWD(2015)0003),

–  gezien de tekstvoorstellen die de EU voor bespreking met de VS in de TTIP-onderhandelingsronden heeft ingediend, met name de voorstellen die gederubriceerd zijn en door de Commissie openbaar zijn gemaakt, o.a. de EU-documenten "TTIP regulatory issues - engineering industries"(10) (Regelgevingskwesties in TTIP - machinebouw), "Test–case on functional equivalence: proposed methodology for automotive regulatory equivalence"(11) (Proefmodel functionele equivalentie: voorstel voor een methodologie voor gelijkwaardigheid regelgeving automobielsector) , en "Trade and sustainable development chapter/labour and environment: EU paper outlining key issues and elements for provisions in the TTIP’"(12) (handel en duurzame ontwikkeling/arbeid en milieu: EU-document met beschrijving van centrale vraagstukken en bouwstenen voor bepalingen in het TTIP), en de tekstvoorstellen over technische handelsbelemmeringen (TBT)(13), sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SPS)(14), facilitering van douane en handel(15), kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's)(16), mogelijke mededingingsbepalingen(17), mogelijke bepalingen over staatsondernemingen en ondernemingen met bijzondere of exclusieve rechten(18), mogelijke bepalingen over subsidies(19), geschillenbeslechting(20) en initiële bepalingen inzake samenwerking op regelgevingsgebied(21),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's over "Het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP)" (ECOS-V-063), dat is aangenomen tijdens de 110e zitting (11-13 februari 2015), en gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 4 juni 2014 over de "Trans-Atlantische handelsbetrekkingen en standpunten van het EESC over nauwere samenwerking en een mogelijk vrijhandelsakkoord tussen de EU en de VS",

–  gezien het definitieve opstartverslag van ECORYS voor de Commissie van 28 april 2014 getiteld "Duurzaamheidseffectbeoordeling van de handel ter ondersteuning van de onderhandelingen over een globale handels- en investeringsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika"(22),

–  gezien het verslag van de Commissie over handels- en investeringsbelemmeringen 2015 (COM(2015)0127)(23),

–  gezien de gedetailleerde analyse van de effectbeoordeling van de Europese Commissie met betrekking tot het trans-Atlantisch handels- en investeringspartnerschap tussen de EU en de VS, die CEPC in april 2014 voor het Parlement heeft gepubliceerd,

–  gezien zijn eerdere resoluties, in het bijzonder die van 23 oktober 2012 over de economische en handelsbetrekkingen met de Verenigde Staten(24), van 23 mei 2013 over de handels- en investeringsbesprekingen van de EU met de Verenigde Staten van Amerika(25), en van 15 januari 2015 over het jaarverslag over de activiteiten van de Ombudsman in 2013(26),

–  gezien artikel 108, lid 4, en artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie juridische zaken, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie constitutionele zaken en de Commissie verzoekschriften (A8-0175/2015),

A.  overwegende dat export via handel en groei via investeringen essentiële bevorderende factoren voor werkgelegenheid en economische groei zijn, waarvoor geen overheidsinvesteringen nodig zijn;

B.  overwegende dat het bbp van de EU sterk afhankelijk is van handel en export en wel vaart bij regelgebaseerd handels- en investeringsverkeer, en dat een ambitieuze en evenwichtige overeenkomst met de VS de herindustrialisering van Europa moet ondersteunen en moet bijdragen tot realisering van de voor 2020 ten doel gestelde verhoging van het door de industrie gegenereerde bbp van de EU van 15% naar 20%, dankzij versterking van de trans-Atlantische handel in zowel goederen als diensten; overwegende dat dergelijke overeenkomst met name kansen kan creëren voor kmo's, micro-ondernemingen (volgens de definitie in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie), clusters en netwerken van ondernemingen, die onevenredig meer nadelen ondervinden van non-tarifaire handelsbelemmeringen dan grotere bedrijven, aangezien deze laatste schaalvoordelen hebben waardoor ze gemakkelijk toegang hebben tot markten aan weerszijden van de Atlantische Oceaan; overwegende dat een overeenkomst tussen de twee grootste economische blokken ter wereld potentieel biedt voor de vaststelling van standaarden, normen en voorschriften die wereldwijd ingang vinden, hetgeen ook voor derde landen van voordeel zou zijn en een verdere fragmentatie van de wereldhandel zou voorkomen; overwegende dat het niet bereiken van een overeenkomst andere derde landen met andere normen en waarden de gelegenheid zal geven om deze rol op zich te nemen;

C.  overwegende dat negen lidstaten van de Europese Unie al een bilaterale overeenkomst met de VS hebben getekend en dat het TTIP kan uitgaan van de goede praktijken en beter kan inspelen op de door deze lidstaten ondervonden hindernissen;

D.  overwegende dat de recente crises langs de grenzen van de EU en de ontwikkelingen wereldwijd aantonen dat het noodzakelijk is om te investeren in mondiale governance en een op regels en waarden gebaseerd systeem;

E.  overwegende dat het gezien de toenemende verwevenheid van de wereldmarkten van cruciaal belang is dat beleidsmakers de interactie tussen deze markten vormgeven en bevorderen; overwegende dat behoorlijke handelsregels en opheffing van onnodige belemmeringen essentieel zijn voor het scheppen van toegevoegde waarde, met behoud en verdere uitbouw van een sterke, concurrerende en gediversifieerde industriële basis in Europa;

F.  overwegende dat de pogingen van de EU om de problemen in verband met de klimaatverandering, milieubescherming en consumentenveiligheid aan te pakken hebben geleid tot hoge administratieve kosten voor bedrijven in de EU, gevoegd bij de hoge prijzen voor grondstoffen en elektriciteit, die - indien zij niet als onderdeel van het TTIP worden behandeld - de productieverplaatsing, de deïndustrialisering en het verlies van werkgelegenheid kunnen versnellen en daarmee de doelstellingen van de EU op het gebied van de reïndustrialisering en werkgelegenheid in gevaar brengen, en de doodsteek zullen betekenen voor uitgerekend de beleidsdoelstellingen van de EU-regelgeving;

G.  overwegende dat een hecht doortimmerde handelsovereenkomst ertoe zou kunnen bijdragen optimaal gebruik te maken van de mogelijkheden die worden geboden door globalisering; overwegende dat een sterke en ambitieuze handelsovereenkomst niet alleen gericht mag zijn op de verlaging van tarieven en non-tarifaire handelsbelemmeringen, maar ook een instrument moet zijn voor de bescherming van werknemers, consumenten en het milieu; overwegende dat een sterke en ambitieuze handelsovereenkomst een kans biedt om een kader tot stand te brengen door de regelgeving op het hoogste niveau te versterken, overeenkomstig onze gedeelde waarden, teneinde sociale en milieudumping te voorkomen en hoogwaardige consumentenbescherming te waarborgen, gelet op de gemeenschappelijke doelstelling te zorgen voor vrije en open concurrentie onder gelijke voorwaarden;

H.  overwegende dat gemeenschappelijke strenge normen in het belang van de consument zijn, maar dat convergentie ook voor ondernemingen zinvol is, omdat de hogere kosten als gevolg van strengere normen beter kunnen worden gecompenseerd door grotere schaalvoordelen op een potentiële markt met 850 miljoen consumenten;

I.  overwegende dat eerdere handelsovereenkomsten weliswaar aantoonbaar grote voordelen hebben opgeleverd voor de Europese economie, maar dat het werkelijke effect van het TTIP op de economieën van de EU en de VS moeilijk te beoordelen en te voorspellen is zolang de onderhandeling nog niet zijn voltooid en de resultaten van studies elkaar tegenspreken; overwegende dat het TTIP alleen de aanhoudende structurele economische problemen en de hieraan ten grondslag liggende oorzaken in de EU niet zal oplossen, maar dient te worden gezien als een onderdeel van een bredere Europese strategie voor het scheppen van werkgelegenheid en groei, en overwegende dat de verwachtingen ten aanzien van het TTIP in verhouding dienen te staan tot het ambitieniveau tijdens de onderhandelingen;

J.  overwegende dat de gevolgen van het Russische embargo het blijvende geopolitieke belang van de landbouw duidelijk hebben aangetoond, evenals het belang van toegang tot een hele reeks verschillende landbouwmarkten en de behoefte aan sterke, strategische handelspartnerschappen met betrouwbare handelspartners;

K.  overwegende dat het voor de Europese landbouw belangrijk is om met de VS een tot wederzijds voordeel strekkende handelsovereenkomst te sluiten opdat Europa haar positie als belangrijke speler op de wereldmarkt kan verbeteren, zonder dat de huidige kwaliteitsnormen van de Europese landbouwproducten en de toekomstige verbetering van deze normen in gevaar worden gebracht, terwijl het Europees landbouwmodel wordt gehandhaafd en de economische en sociale levensvatbaarheid van de Europese landbouw wordt gewaarborgd;

L.  overwegende dat handel en investeringen op zich geen doelstellingen zijn en dat het welzijn van de gewone burger, werknemer en consument, alsook ruimere kansen voor bedrijven als aanjager van groei en werkgelegenheid, de maatstaf zijn waaraan een handelsovereenkomst moet worden getoetst; overwegende dat het TTIP moet worden beschouwd als model voor een goede handelsovereenkomst die aan deze vereisten voldoet teneinde als voorbeeld te dienen voor onze toekomstige onderhandelingen met andere partnerlanden;

M.  overwegende dat enige mate van vertrouwelijkheid nodig is bij onderhandelingen om een kwalitatief hoogstaand resultaat te kunnen bereiken, en dat de geringe transparantie van de onderhandelingen die in het verleden zijn gevoerd tot een tekort aan democratische controle op het onderhandelingsproces heeft geleid;

N.  overwegende dat voorzitter Juncker in zijn politieke beleidslijnen duidelijk heeft herhaald dat hij een evenwichtige en redelijke handelsovereenkomst met de Verenigde Staten wil en dat de EU en de VS wel een forse stap verder kunnen gaan bij de erkenning van elkaars productnormen en het streven naar trans-Atlantische normen, maar dat de EU haar sociale, (voedsel)veiligheids-, gezondheids-, diergezondheids-, sociale, milieu- en gegevensbeschermingsnormen en onze culturele verscheidenheid niet zal opofferen; overwegende dat hij erop wees dat over de veiligheid van het voedsel dat we eten, de bescherming van de persoonsgegevens van Europeanen en de diensten van openbaar belang niet kan worden onderhandeld, behalve met als doel een hoger niveau van bescherming te bereiken;

O.  overwegende dat het zaak is te zorgen voor een bevredigende afronding van de onderhandelingen over veilige haven ("Safe Harbor") en de raamovereenkomst betreffende gegevensbescherming;

P.  overwegende dat voorzitter Juncker in zijn politieke beleidslijnen ook duidelijk heeft verklaard niet te zullen aanvaarden dat de jurisdictie van rechtbanken in de lidstaten wordt ingeperkt door speciale regelingen voor geschillen over investeringen; overwegende dat, nu de resultaten van de openbare raadpleging over investeringsbescherming en ISDS in het TTIP beschikbaar zijn, binnen en tussen de drie Europese instellingen, met deelname van het maatschappelijk middenveld en ondernemingen, een proces van reflectie waarin rekening wordt gehouden met de bijdragen aan de gang is over de vraag hoe investeringsbescherming en gelijke behandeling van investeerders het best kunnen worden gerealiseerd, waarbij de staten het recht behouden een en ander te reguleren;

Q.  overwegende dat het Parlement volledig achter het besluit van de Raad staat om de onderhandelingsrichtsnoeren te derubriceren, alsook achter het transparantie-initiatief van de Commissie; overwegende dat het geanimeerde publieke debat over het TTIP in heel Europa heeft aangetoond dat het nodig is de onderhandelingen over het TTIP op transparantere en inclusievere wijze te voeren, rekening houdend met de zorgen van de Europese burgers, en dat de resultaten van de onderhandelingen moeten worden meegedeeld aan het publiek;

R.  overwegende dat het overleg tussen de VS en de EU sinds juli 2013 gaande is, maar dat er tot dusverre geen overeenstemming is over een gemeenschappelijke tekst;

S.  overwegende dat het TTIP naar verwachting een gemengde overeenkomst zal zijn, die door het Europees Parlement en alle 28 EU-lidstaten moet worden geratificeerd;

1.  is van mening dat de EU en de Verenigde Staten (VS) belangrijke strategische partners zijn; benadrukt dat het trans-Atlantisch handels- en investeringspartnerschap (TTIP) het belangrijkste recente project van de EU en de VS is en dat het, naast de handelsaspecten, het trans-Atlantisch partnerschap als geheel zou moeten versterken; beklemtoont dat een succesvolle afronding ervan van groot politiek belang is;

2.  beveelt de Commissie, in de context van de lopende TTIP-onderhandelingen, het volgende aan:

   (a) met betrekking tot het toepassingsgebied en de bredere context:
   (i) ervoor te zorgen dat de transparante TTIP-onderhandelingen leiden tot een ambitieuze, alomvattende, evenwichtige en hoogwaardige handels- en investeringsovereenkomst die duurzame groei bevordert met gedeelde voordelen in alle EU-lidstaten en met wederzijdse en wederkerige voordelen voor beide partners, het internationale concurrentievermogen vergroot en nieuwe kansen biedt aan bedrijven in de EU, met name kmo's, het scheppen van hoogwaardige werkgelegenheid voor Europese burgers ondersteunt, en rechtstreekse voordelen oplevert voor de Europese consument; de inhoud en de uitvoering van de overeenkomst zijn belangrijker dan de snelheid van de onderhandelingen;
   (ii) te benadrukken dat de TTIP-onderhandelingen betrekking hebben op drie hoofdterreinen - een ambitieuze verbetering van de markttoegang (voor goederen, diensten, investeringen en overheidsopdrachten op alle bestuursniveaus), het terugdringen van non-tarifaire handelsbelemmeringen en compatibeler maken van de regelgevingsstelsels, en de ontwikkeling van gemeenschappelijke regels voor de omgang met gezamenlijke mondiale handelsproblemen en -kansen - en dat al deze terreinen even belangrijk zijn en een plaats moeten krijgen in een globaal pakket; het TTIP moet ambitieus zijn en moet aan beide zijden van de Atlantische Oceaan bindend zijn op alle overheidsniveaus, de overeenkomst moet ertoe leiden dat de markten daadwerkelijk, duurzaam en op basis van wederkerigheid worden opengesteld en dat de handel in de praktijk wordt vergemakkelijkt, en er dient bijzondere aandacht uit te gaan naar structurele maatregelen om een grotere trans-Atlantische samenwerking te bewerkstelligen, met instandhouding van regelgevingsnormen en consumentenbescherming en onder voorkoming van sociale, fiscale en ecologische dumping;
   (iii) het strategische belang van de economische relatie EU-VS in het algemeen en van het TTIP in het bijzonder voor ogen te houden, o.a. als kans om de door de EU en de VS gedeelde en gekoesterde beginselen en waarden, verankerd in een op regels gebaseerd kader, te bevorderen en tegelijk een gemeenschappelijke benadering en visie uit te stippelen met het oog op mondiale handels- en investeringsvraagstukken en met de handel samenhangende kwesties, zoals strenge standaarden, normen en regelgeving, teneinde een bredere trans-Atlantische visie en gezamenlijke strategische doelstellingen te ontwikkelen; zich voor ogen te houden dat het TTIP, gezien de omvang van de trans-Atlantische markt, een kans biedt om de internationale handelsorde vorm te geven en te reguleren teneinde beide blokken in een verbonden wereld te laten gedijen;
   (iv) er op toe te zien, vooral gezien de recente positieve ontwikkelingen in de Wereldhandelsorganisatie (WTO), dat een overeenkomst met de VS als opstap naar breder handelsoverleg fungeert en het WTO-proces niet doorkruist of tegengaat; bilaterale en plurilaterale overeenkomsten moeten algemeen genomen worden beschouwd als de op één na beste optie en mogen inspanningen met het oog op aanzienlijke verbeteringen op multilateraal niveau niet in de weg staan; het TTIP moet zorgen voor synergieën met andere handelsovereenkomsten waarover momenteel wordt onderhandeld;
   (v) zich voor ogen te houden dat de handelspolitiek van de EU volgens het VWEU een wezenlijk onderdeel uitmaakt van het algemene externe optreden van de Unie en bijgevolg de implicaties van de definitieve overeenkomst te evalueren, rekening houdend met kansen, zoals eenvoudigere markttoegang dankzij gemeenschappelijke trans-Atlantische normen, en risico's, zoals afsnijding van het handelsverkeer met ontwikkelingslanden door uitholling van de tariefpreferenties;
   (vi) ervoor te zorgen dat de overeenkomst de garantie biedt dat de EU-normen inzake grondrechten ten volle geëerbiedigd worden door middel van de opname van een juridisch bindende en opschortende mensenrechtenclausule, die standaard moet worden opgenomen in EU-handelsovereenkomsten met derde landen;
   (b) met betrekking tot markttoegang:
   (i) ervoor te zorgen dat de geboden markttoegang op de verschillende gebieden wederkerig en even ambitieus is en aan de verwachtingen van beide partijen beantwoordt, en dat er een evenwicht bestaat tussen de verschillende voorstellen voor deze gebieden;
   (ii) te mikken op afschaffing van alle tarieven, maar er daarbij rekening mee te houden dat er een aantal gevoelige agrarische en industriële producten aan beide zijden zijn waarvoor tijdens het onderhandelingsproces volledige lijsten overeengekomen dienen te worden; om voor de meest gevoelige producten geschikte overgangstermijnen en quota's, en in enkele gevallen een uitsluiting te regelen, rekening houdend met het feit dat het in veel gevallen wegens EU-regels meer kost om deze producten te produceren in de EU;
   (iii) een vrijwaringsclausule in de overeenkomst te zien opgenomen, zoals duidelijk in het onderhandelingsmandaat gestipuleerd, die kan worden ingeroepen als de binnenlandse productie ernstige schade dreigt te lijden door de toegenomen invoer van een bepaald product, met een specifieke verwijzing naar de voedselproductie en de energie-intensieve bedrijfstakken en koolstoflekkagesectoren, de chemische industrie en de grondstoffen- en staalindustrie in de EU;
   (iv) zich voor ogen te houden dat de EU het grootste handelsblok ter wereld is, en er daarom belangrijke strategische belangen voor de EU zijn gemoeid met de zeer gespecialiseerde dienstensector, bijvoorbeeld op het gebied van machinebouw en andere professionele diensten, telecommunicatie, financiële diensten en vervoer;
   (v) de markttoegang voor diensten uit te breiden volgens de aanpak van een "hybride lijst", waarbij voor markttoegang een "positieve lijst" geldt waarop de diensten die voor buitenlandse bedrijven worden opengesteld uitdrukkelijk worden vermeld en nieuwe diensten worden uitgesloten, met garantie dat eventuele standstill- en aanpassingsclausules alleen gelden voor non-discriminatiebepalingen en voldoende flexibiliteit bieden om diensten van algemeen economisch belang weer onder overheidscontrole te brengen alsook om rekening te houden met de opkomst van nieuwe en innovatieve diensten; voor nationale behandeling wordt daarentegen de aanpak van een "negatieve lijst" gevolgd;
   (vi) tijdens de onderhandelingen moet terdege aandacht besteed worden aan de huidige Amerikaanse beperkingen op de door Europese bedrijven aangeboden zee- en luchtvervoersdiensten, die worden veroorzaakt door Amerikaanse wetgeving zoals de Jones Act, de Foreign Dredging Act, de Federal Aviation Act en de US Air Cabotage Law, en in verband met kapitaalbeperkingen ten aanzien van buitenlandse zeggenschap over luchtvaartmaatschappijen, welke beperkingen een ernstige belemmering vormen voor de markttoegang van bedrijven uit de EU en voor innovatie in de VS zelf, en dus moeten worden weggenomen;
   (vii) voort te bouwen op de gezamenlijke verklaring waarin de onderhandelaars duidelijk toezeggen de huidige en toekomstige diensten van algemeen belang alsook van algemeen economisch belang uit te sluiten van de werkingssfeer van het TTIP (met inbegrip van, maar niet beperkt tot, watervoorziening, gezondheidszorg, sociale diensten, socialezekerheidsstelsels en onderwijs), om ervoor te zorgen dat de nationale en eventueel lokale overheden hun volledige recht behouden om iedere maatregel betreffende het opdragen, organiseren, financieren en aanbieden van openbare diensten, zoals bepaald in de Verdragen en in het onderhandelingsmandaat van de EU, in te voeren, goed te keuren, te behouden of in te trekken; deze uitsluiting moet van toepassing zijn ongeacht de vraag hoe deze diensten worden verleend en hoe zij worden gefinancierd;
   (viii) intensief te streven naar de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties, met name door het creëren van een rechtskader met deelstaten die op dit gebied regelgevingsbevoegdheden hebben, om mogelijk te maken dat vakmensen uit de EU en de VS aan beide zijden van de Atlantische Oceaan hun beroep kunnen uitoefenen en dat mobiliteit tussen de EU en de VS wordt bevorderd onder investeerders, vakmensen, hooggeschoolde werknemers en technici in de onder het TTIP vallende sectoren;
   (ix) zich voor ogen te houden dat visumfacilitering voor Europese aanbieders van goederen en diensten behoort tot de belangrijkste onderdelen waarmee optimaal voordeel uit de overeenkomst kan worden gehaald en waarmee in de onderhandelingen druk op de VS kan worden uitgeoefend om volledige visumwederkerigheid voor alle burgers van de EU-lidstaten te bereiken, zonder discriminatie wat betreft hun toegang tot de VS;
   (x) de onderhandelingen over markttoegang voor financiële diensten te combineren met overleg over de convergentie van financiële regelgeving op het hoogste niveau, ter ondersteuning van de invoering en verenigbaarheid van de nodige regelgeving ter versterking van de financiële stabiliteit, ten behoeve van een adequate bescherming van consumenten van financiële producten en diensten en ter ondersteuning van het streven naar samenwerking in andere internationale fora, zoals het Bazelcomité voor bankentoezicht en de Raad voor financiële stabiliteit; te waarborgen dat deze inspanningen tot samenwerking niet leiden tot inperking van de soevereiniteit van de EU en haar lidstaten om regelgeving op te stellen en toezicht uit te oefenen, met inbegrip van hun vermogen om bepaalde activiteiten en financiële producten te verbieden;
   (xi) versterkte samenwerking tot stand te brengen tussen de EU, de lidstaten en de VS, met inbegrip van mechanismen voor doeltreffender internationale samenwerking, met als doel strengere mondiale normen tegen financiële en fiscale criminaliteit en corruptie vast te stellen;
   (xii) te waarborgen dat het acquis van de EU inzake gegevensbescherming niet wordt aangetast door de liberalisering van gegevensstromen, met name op het gebied van e-handel en financiële diensten, maar daarbij te erkennen dat gegevensstromen de hoeksteen vormen van de trans-Atlantische handel en de digitale economie; een omvattende en ondubbelzinnige horizontale autonome bepaling op te nemen als belangrijk punt, op basis van artikel XIV van de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten (GATS), waarmee de EU-regels inzake de bescherming van persoonsgegevens volledig onverlet worden gelaten door de overeenkomst, zonder voorwaarde dat deze clausule consistent moet zijn met andere delen van het TTIP; enkel te onderhandelen over bepalingen die te maken hebben met het verkeer van persoonsgegevens indien de volledige toepassing van de regels inzake gegevensbescherming aan beide zijden van de Atlantische Oceaan gewaarborgd en geëerbiedigd is; samen te werken met de Verenigde Staten om derde landen aan te moedigen vergelijkbare hoge gegevensbeschermingsnormen aan te nemen in de hele wereld;
   (xiii) in gedachten te houden dat de instemming van het Europees Parlement met de definitieve TTIP-overeenkomst op de helling kan komen te staan indien de alomvattende, massale observatieactiviteiten in de VS niet volledig worden gestaakt en er geen passende oplossing wordt gevonden voor de rechten van EU-burgers inzake gegevensbescherming, met inbegrip van administratieve en gerechtelijke rechtsmiddelen, zoals gesteld in paragraaf 74 van de resolutie van het Parlement van 12 maart 2014(27);
   (xiv) erop toe te zien dat het vertrouwen tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten dat is geschaad ten gevolge van massale afluisterschandalen snel en volledig wordt hersteld;
   (xv) een ambitieus hoofdstuk over mededinging op te nemen waarin wordt gewaarborgd dat het Europese mededingingsrecht behoorlijk wordt nageleefd, in het bijzonder in de digitale wereld; te waarborgen dat particuliere bedrijven op eerlijke voet kunnen concurreren met staatsondernemingen en ondernemingen die onder zeggenschap van de staat staan; te waarborgen dat overheidssubsidies aan particuliere bedrijven gereguleerd worden en worden onderworpen aan een transparant controlestelsel;
   (xvi) op te roepen tot open mededinging in en ontwikkeling van de digitale economie, die van nature mondiaal is maar haar belangrijkste bases in de EU en de VS heeft; te onderstrepen dat de digitale economie een centrale plaats moet innemen op de trans-Atlantische markt, met een hefboomeffect in de wereldeconomie en bij de verdere openbreking van de wereldmarkten;
   (xvii) zich voor wat betreft diensten op gebied van informatiemaatschappij en telecommunicatie voor ogen te houden dat het bijzonder belangrijk is dat het TTIP een gelijk speelveld verzekert waarbij dienstverlenende bedrijven in de EU op basis van het wederkerigheidsbeginsel gelijke en transparante toegang tot de Amerikaanse markt hebben en waarbij Amerikaanse dienstverleners die diensten verlenen in Europa of aan Europese klanten, verplicht zijn om alle toepasselijke sector- en productgebonden veiligheidsnormen alsook de consumentenrechten te eerbiedigen;
   (xviii) via een juridisch bindende algemene clausule die op de gehele overeenkomst van toepassing is, en in volledige overeenstemming met het UNESCO-Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen te waarborgen dat de partijen het recht behouden om maatregelen (met name van regelgevende en/of financiële aard) te nemen of te handhaven met betrekking tot de bescherming of bevordering van culturele en taalkundige verscheidenheid, in overeenstemming met de relevante artikelen van het VWEU, alsook van de persvrijheid en de mediapluriformiteit, ongeacht de gebruikte technologie of het gebruikte distributieplatform, en rekening te houden met het feit dat de audiovisuele sector uitdrukkelijk buiten het door de lidstaten aan de Europese Commissie verleende mandaat valt;
   (xix) te specificeren dat niets in de overeenkomst de mogelijkheid van de EU of de EU-lidstaten aantast om subsidies te verstrekken en financiële steun te bieden aan de culturele sector en culturele, onderwijs-, audiovisuele en persdiensten;
   (xx) te bevestigen dat het systeem voor vaste boekenprijzen en het bepalen van vaste prijzen voor kranten en tijdschriften niet in het gedrang komen door de verplichtingen uit hoofde van de TTIP-overeenkomst;
   (xxi) met een algemene clausule het recht van de EU-lidstaten te garanderen om maatregelen in verband met de verstrekking van alle onderwijs- en culturele diensten die zonder winstoogmerk worden geleverd en/of waarvoor (gedeeltelijk) overheidsfinanciering of enige vorm van staatssteun wordt ontvangen, vast te stellen of te handhaven, en erop toe te zien dat met particuliere middelen gefinancierde buitenlandse dienstverleners aan dezelfde kwaliteits- en accrediteringseisen voldoen als binnenlandse dienstverleners;
   (xxii) gelet op het enorme belang dat Europese bedrijven, in het bijzonder kmo's, erbij hebben om zonder discriminatie toegang te krijgen tot overheidsopdrachten in de VS, zowel op federaal als op subfederaal niveau, bijvoorbeeld voor bouwdiensten, civiele techniek, vervoers- en energie-infrastructuur en goederen en diensten, het hoofdstuk over overheidsopdrachten op ambitieuze wijze aan te pakken, ervoor zorgend dat het hoofdstuk strookt met de nieuwe aanbestedings- en concessierichtlijnen van de EU, om in overeenstemming met het wederkerigheidsbeginsel de grote verschillen weg te nemen die thans bestaan met betrekking tot de mate waarin de twee markten voor overheidsopdrachten aan beide zijden van de Atlantische Oceaan zijn opengesteld, door de VS-markt (die nog steeds wordt gereguleerd door de Buy American Act van 1933) aanzienlijk meer open te stellen op zowel federaal als subfederaal niveau op basis van de verbintenissen die zijn aangegaan in het kader van de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (GPA) en door de opheffing van de beperkingen die thans op federaal niveau en op dat van de deelstaten alsook op regeringsniveau bestaan in de Verenigde Staten; mechanismen in te voeren om te waarborgen dat de door de federale autoriteiten van de VS aangegane verplichtingen op alle politieke en bestuurlijke niveaus worden nagekomen;
   (xxiii) ervoor te zorgen dat de VS de heersende aanbestedingsprocedure op hun grondgebied transparanter maken, met als doel open, niet-discriminerende en voorspelbare procedurele voorwaarden te creëren die een gelijke toegang verzekeren voor ondernemingen uit de EU en de VS, en met name voor kmo's, die inschrijven op overheidsaanbestedingen;
   (xxiv) de samenwerking tussen de EU en de VS op internationaal niveau te bevorderen ten behoeve van gemeenschappelijke duurzaamheidsnormen voor overheidsopdrachten op alle federale en subfederale administratieve niveaus, o.a. bij de uitvoering van de onlangs herziene Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, en zich te beijveren voor invoering en inachtneming van regels voor maatschappelijk verantwoord ondernemen, aan de hand van de richtsnoeren voor multinationale ondernemingen van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (OESO);
   (xxv) ervoor te zorgen dat de Amerikaanse staten bij het onderhandelingsproces worden betrokken om bij de openstelling van aanbestedingen van Amerikaanse overheden voor EU-bedrijven tot betekenisvolle resultaten te komen;
   (xxvi) zich wat openbare aanbestedingen betreft, bewust te blijven van de gevoelige aard van de beleidsterreinen defensie en veiligheid, en om de doelstellingen die tijdens de Raad Defensie van 2013 door de staatshoofden en regeringen werden vastgesteld in ogenschouw te nemen om de totstandbrenging van een Europese veiligheids- en defensiemarkt en een Europese technologische en industriële defensiebasis (EDTIB) te bevorderen;
   (xxvii) ervoor te zorgen dat de onderhandelingen over oorsprongsregels erop gericht zijn de benaderingen van de EU en de VS met elkaar te verenigen en doeltreffende oorsprongsregels op te stellen, en tegelijkertijd te vermijden dat de oorsprongsregels worden ondermijnd door andere overeenkomsten, de onderhandelingen aan te grijpen als gelegenheid om gemeenschappelijke normen tot stand te brengen met betrekking tot verplichte oorsprongsaanduidingen op producten; gezien de afsluiting van de onderhandelingen over de brede economische en handelsovereenkomst tussen de EU en Canada (CETA) en de mogelijke opwaardering van de vrijhandelsovereenkomst EU-Mexico, moet worden gekeken naar de mogelijkheid en reikwijdte van cumulatie; daarbij echter rekening te houden met het doel van het TTIP, namelijk de handel in producten die werkelijk in de VS en de EU worden gevaardigd, te vergemakkelijken en de invoer uit derde landen te weren; uitzonderingen voor bepaalde producten per geval te beoordelen, waarbij gevoelige sectoren moeten worden gevrijwaard voor elke vorm van cumulatie;
   (xxviii) ervoor te zorgen dat het TTIP een open overeenkomst is en te bekijken hoe gewaardeerde partners die op grond van overeenkomsten over een douane-unie met de EU of de VS belang hebben bij de onderhandelingen over het TTIP, op actievere wijze kunnen worden geïnformeerd over de ontwikkelingen;
   (c) met betrekking tot samenwerking op regelgevingsgebied en het coherentieaspect en niet-tarifaire handelsbelemmeringen:
   (i) ervoor te zorgen dat via het hoofdstuk inzake samenwerking op regelgevingsgebied transparante, effectieve en concurrentiebevorderende economische randvoorwaarden worden gestimuleerd door de identificatie en preventie van mogelijke toekomstige niet-tarifaire handelsbelemmeringen, waardoor kmo's onevenredig zwaar worden getroffen, door handel en investeringen te vergemakkelijken en door tegelijk te verzekeren, overeenkomstig het in artikel 191 VWEU erkende voorzorgsbeginsel, dat de wetgeving inzake gezondheid en veiligheid, consumenten, arbeid, milieu en dierenwelzijn het hoogste beschermingsniveau biedt en dat de in de EU bestaande culturele verscheidenheid behouden blijft; de instelling van een verplichte structurele dialoog en samenwerking tussen de regelgevers te steunen op de meest transparante manier en met de betrokkenheid van belanghebbenden, waarbij de autonomie op regelgevingsgebied volledig wordt gerespecteerd; transversale disciplines op te nemen over coherentie en transparantie van regelgeving ten behoeve van de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van efficiënte, kosteneffectieve en meer compatibele regels voor goederen en diensten; de onderhandelaars van beide partijen moeten, uitgaande van de ervaring die is opgedaan tijdens het jarenlange overleg via verschillende fora, zoals de trans-Atlantische Economische Raad en het forum op hoog niveau over samenwerking, in alle duidelijkheid vaststellen welke technische procedures en normen fundamenteel zijn en niet voor compromissen vatbaar zijn, voor welke een gemeenschappelijke benadering kan worden gevonden, en op welke gebieden wederzijdse erkenning op basis van gemeenschappelijke strenge normen en een sterk stelsel voor markttoezicht wenselijk is dan wel met een verbeterde informatie-uitwisseling kan worden volstaan, en er tevens voor zorgen dat overeenkomsten niet van invloed zijn op normen die moeten worden vastgesteld op gebieden waarop de wetgeving of de normen zeer verschillend zijn in de VS en de EU, zoals bijvoorbeeld de tenuitvoerlegging van bestaande (kader)wetgeving (bijv. REACH), of de aanneming van nieuwe wetten (bijv. betreffende klonen), of toekomstige definities van invloed op het beschermingsniveau (bijv. betreffende hormoonontregelende stoffen); ervoor te zorgen dat eventuele TIPP-bepalingen inzake samenwerking op regelgevingsgebied niet als procedureel vereiste de uitvaardiging van desbetreffende EU-rechtshandelingen verlangen en geen afdwingbare rechten ter zake in het leven roepen;
   (ii) bij de onderhandelingen over sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SFS) en maatregelen tegen technische handelsbelemmeringen (THB) uit te gaan van de centrale beginselen van de multilaterale overeenkomsten ter zake en de Europese sanitaire en fytosanitaire normen en procedures te beschermen; zich in de eerste plaats te richten op de eliminatie of aanzienlijke terugdringing van buitensporig belastende SFS-maatregelen met inbegrip van verwante invoerprocedures; in het bijzonder ervoor te zorgen dat goedkeuringen vooraf, verplichte protocollen of inspecties voor de inklaring niet als permanente invoermaatregel worden toegepast; meer transparantie en openheid te bereiken, wederzijdse erkenning van equivalente normen, de uitwisseling van beproefde methoden, een intensievere dialoog tussen de regelgevers en belanghebbenden en het versterken van de samenwerking in de internationale normalisatie-instellingen; in de onderhandelingen over SFS- en THB-maatregelen te verzekeren dat de strenge normen die in de EU zijn ingesteld ter waarborging van de voedselveiligheid, het leven en de gezondheid van mens, dier en plant op geen enkele manier worden afgezwakt;
   (iii) te erkennen dat er op de gebieden waarop de voorschriften van de EU en de VS sterk van elkaar verschillen, geen overeenstemming zal worden bereikt, zoals op het gebied van de openbare gezondheidszorg, ggo's, het gebruik van hormonen in de rundvleessector, REACH en de tenuitvoerlegging ervan, en het klonen van dieren voor landbouwdoeleinden, en dan ook niet over deze onderwerpen te onderhandelen;
   (iv) de VS ertoe te bewegen het importverbod op rundvlees uit de EU op te heffen;
   (v) met betrekking tot het hoofdstuk inzake samenwerking op het gebied van horizontale regelgeving, prioriteit toe te kennen aan de versterking van de bilaterale samenwerking tussen reguleringsinstanties om onnodige divergenties te vermijden, met name als het gaat om nieuwe technologieën en diensten, om het concurrentievermogen van Europa en de VS te verhogen en de keuze voor de consument te vergroten; een en ander te realiseren door middel van een betere informatie-uitwisseling, en de goedkeuring en tenuitvoerlegging van internationale instrumenten te verbeteren, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, aan de hand van succesvolle precedenten, bijvoorbeeld met ISO-normen of met het onder de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (UNECE) ressorterende Wereldforum voor de harmonisering van voertuigvoorschriften (WP.29); te bedenken dat de erkenning van de gelijkwaardigheid van zoveel mogelijk veiligheidsvoorschriften voor voertuigen, op basis van een gecontroleerd gelijkwaardig beschermingsniveau, een van de belangrijkste verwezenlijkingen zou zijn van de overeenkomst; ervoor te zorgen dat met de aan de regelgevingshandeling voorafgaande effectbeoordeling naast het effect op handel en investeringen ook het effect op de consumenten en het milieu gemeten moet worden; de compatibiliteit van regelgevingen te bevorderen zonder de legitieme regelgevings- en beleidsdoelstellingen en de bevoegdheden van de wetgevers van de EU en de VS in gevaar te brengen;
   (vi) ernaar te streven dat een hoogwaardige productveiligheid binnen de Unie gegarandeerd blijft, onder afschaffing van onnodige dubbele keuringen, met alle verspilling van dien, vooral bij producten met gering risico;
   (vii) douanekwesties aan te pakken die buiten de regels van het handelsfacilitatieakkoord van de WTO (Trade Facilitation Agreement - TFA) vallen, en te benadrukken dat er, teneinde een daadwerkelijke verlichting van de administratieve lasten te bewerkstelligen, moet worden toegewerkt naar een maximale afstemming op regelgevingsgebied wat betreft de beleidsmaatregelen en praktijken die zijn gerelateerd aan grens- en douanekwesties;
   (viii) in het kader van de toekomstige samenwerking op regelgevingsgebied duidelijk te bepalen welke maatregelen betrekking hebben op THB's en gedupliceerde of overbodige administratieve rompslomp en formaliteiten, en welke verband houden met fundamentele normen en voorschriften of procedures ter verwezenlijking van beleidsdoelstellingen van de overheid;
   (ix) bij de totstandbrenging van het kader voor de toekomstige samenwerking de gevestigde regelgevingsstelsels aan beide kanten van de Atlantische Oceaan volledig te respecteren, alsook de rol van het Europees Parlement in het besluitvormingsproces van de EU en zijn democratische toezicht op de regelgevingsprocessen in de EU, en tegelijk te zorgen voor de grootst mogelijke transparantie en toe te zien op een evenwichtige betrokkenheid van de belanghebbenden bij de beraadslagingen die deel uitmaken van de ontwikkeling van een regelgevingsvoorstel, en het Europese wetgevingsproces niet te vertragen; de rol, de samenstelling en de juridische status van de Raad voor samenwerking op regelgevingsgebied te specificeren, waarbij rekening moet worden gehouden met het feit dat de rechtstreekse en verplichte toepassing van zijn aanbevelingen zou neerkomen op een schending van de wetgevingsprocedures zoals vastgelegd in het Verdrag; er voorts op toe te zien dat het vermogen van de Europese, nationale en plaatselijke autoriteiten om hun eigen beleid, met name het sociaal en milieubeleid, bij wet te regelen volledig in stand blijft;
   (d) met betrekking tot de voorschriften:
   (i) de onderhandelingen over markttoegang en samenwerking op regelgevingsgebied te koppelen aan de vaststelling van ambitieuze voorschriften en beginselen, rekening houdend met het feit dat elke pijler specifieke gevoeligheden kent, op gebieden zoals, maar niet uitsluitend, duurzame ontwikkeling, energie, kmo's, investeringen en staatsbedrijven;
   (ii) ervoor te zorgen dat het hoofdstuk inzake duurzame ontwikkeling bindend en afdwingbaar is en gericht is op volledige en doeltreffende ratificatie, uitvoering en handhaving van de acht fundamentele verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en hun inhoud, de IAO-Agenda voor waardig werk en de centrale internationale milieuovereenkomsten; de bepalingen van dit hoofdstuk moeten zijn gericht op de verdere verhoging van het beschermingsniveau dat de arbeids- en milieunormen bieden; in een ambitieus hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling moeten ook regels staan voor maatschappelijk verantwoord ondernemen, op basis van de Richtsnoeren voor multinationale ondernemingen van de OESO, en een duidelijk gestructureerde dialoog met het maatschappelijk middenveld;
   (iii) ervoor te zorgen dat de arbeids- en milieunormen niet beperkt blijven tot het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling, maar ook worden geïntegreerd in andere delen van de overeenkomst, zoals die over investeringen, de handel in diensten, samenwerking op regelgevingsgebied en overheidsopdrachten;
   (iv) ervoor te zorgen dat de arbeids- en milieunormen afdwingbaar worden door voort te bouwen op de positieve ervaring die de EU en de VS met andere vrijhandelsovereenkomsten en hun nationale wetgeving hebben opgedaan; ervoor te zorgen dat de toepassing en naleving van arbeidsbepalingen onderworpen zijn aan doeltreffend toezicht door de sociale partners en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, en aan de algemene geschillenregeling die voor de hele overeenkomst geldt;
   (v) ervoor te zorgen dat werknemers van trans-Atlantische ondernemingen die naar de wetgeving van een EU-lidstaat zijn geregistreerd, recht hebben op informatie en inspraak overeenkomstig de richtlijn inzake de Europese ondernemingsraad, met volledige inachtneming van nationale wetgeving;
   (vi) ervoor te zorgen dat het economische, sociale en ecologische effect van het TTIP ook wordt getoetst aan de hand van een gedegen duurzaamheidseffectbeoordeling (DEB), met volledige inachtneming van de DEB-richtlijn van de EU en duidelijke en gestructureerde betrokkenheid van alle belanghebbenden en maatschappelijke organisaties;. vraagt de Commissie voor elke lidstaat vergelijkende effectstudies te laten uitvoeren en een evaluatie van het concurrentievermogen van EU-sectoren en hun tegenhangers in de VS om voorspellingen te kunnen doen omtrent het verlies en de aanwinst van banen in de betroffen sectoren in elke lidstaat, waarbij de aanpassingskosten voor een deel zouden kunnen worden opgebracht met financiering door de EU en de lidstaten;
   (vii) vast te houden aan de bedoeling om in het TTIP een specifiek hoofdstuk te wijden aan energie, met inbegrip van industriële grondstoffen; te zorgen dat de twee zijden tijdens de onderhandelingen nagaan hoe de energie-uitvoer kan worden gefaciliteerd, zodat de bestaande exportbeperkingen tussen beide handelspartners voor energiebrandstoffen, inclusief aardgas en ruwe olie, met het TTIP kunnen worden afgeschaft, met het oog op een concurrerende, transparante en niet-discriminerende energiemarkt en op diversifiëring van de energiebronnen, hetgeen alles bijdraagt aan de voorzieningszekerheid en aan lagere energieprijzen; benadrukt dat dit energiehoofdstuk duidelijke garanties moet omvatten dat de milieunormen en klimaatdoelstellingen van de EU niet worden ondergraven;  EU en VS aan te sporen tot samenwerking om een einde te maken aan de accijnsvrijstellingen op brandstof voor de commerciële luchtvaart in overeenstemming met de G-20-verbintenissen om subsidies voor fossiele brandstoffen geleidelijk af te bouwen;
   (viii) ervoor te zorgen dat het recht van de respectieve partners om de exploratie en exploitatie van energiebronnen aan te sturen en te reguleren niet wordt aangetast door een eventuele overeenkomst, maar dat het beginsel van non-discriminatie geldt wanneer eenmaal tot exploitatie is besloten; zich voor ogen houden dat niets in de overeenkomst mag afdoen aan legitieme niet-discriminerende democratische besluiten ten aanzien van de energieproductie, overeenkomstig het voorzorgsbeginsel; te zorgen dat de toegang tot grondstoffen en energie op niet-discriminerende basis aan ondernemingen uit de EU of de VS kan worden verleend, en dat de kwaliteitsnormen voor energieproducten in acht worden genomen, ook de normen voor energieproducten in relatie tot hun bijdrage aan CO2-emissies zoals die worden genoemd in de richtlijn inzake brandstofkwaliteit;
   (ix) ervoor te zorgen dat het TTIP het gebruik en de promotie van groene goederen en diensten bevordert, mede door de ontwikkeling daarvan te begunstigen, en de uit- en invoer daarvan vereenvoudigt, en zo de aanzienlijke kans op economische en milieuwinst benut die de trans-Atlantische economie biedt, in aanvulling op de lopende onderhandelingen over de overeenkomst inzake groene goederen, met het oogmerk om de opwarming van de aarde te helpen tegengaan en nieuwe banen te scheppen in de "groene economie";
   (x) ervoor te zorgen dat het TTIP als forum kan dienen voor de ontwikkeling van gemeenschappelijke, ambitieuze en bindende energie-efficiëntienormen en duurzaamheidsnormen voor de energieproductie, waarbij de aan beide zijden bestaande normen steeds in aanmerking en in acht moeten worden genomen, en te onderzoeken hoe de samenwerking op het vlak van onderzoek, ontwikkeling en innovatie inzake energie kan worden verbeterd en koolstofarme en milieuvriendelijke technologie kan worden bevorderd;
   (xi) ervoor te zorgen dat het TTIP bijdraagt tot de instandhouding en het duurzame beheer van de visbestanden, in het bijzonder wat de samenwerking tussen beide partijen in de strijd tegen illegale, ongemelde en niet-gereglementeerde visserij (IOO-visserij) betreft;
   (xii) ervoor te zorgen dat het TTIP een specifiek hoofdstuk over kmo's bevat conform de toezeggingen van beide onderhandelingspartners en mikt op het creëren van nieuwe kansen voor Europese kmo's (ook micro-ondernemingen) in de VS op basis van de gedocumenteerde ervaringen van exporterende kmo's, bijvoorbeeld door eisen betreffende dubbele certificering af te schaffen, op internet een informatiesysteem over de verschillende voorschriften op te zetten, toegang tot subsidieregelingen voor kmo's te versoepelen, versnelde procedures aan de grens in te voeren of bepaalde, nog steeds bestaande piektarieven af te schaffen; er moeten mechanismen komen zodat beide zijden eraan meewerken dat kmo's deel kunnen hebben aan trans-Atlantische handel en investering, bijvoorbeeld via één gemeenschappelijk kmo-loket, in de oprichting waarvan de kmo-belanghebbenden een belangrijk aandeel moeten hebben, en dat specifieke informatie moet bieden over invoeren, uitvoeren of investeren uit, naar of in de VS, met alles over invoerrechten, belastingen, voorschriften, douaneprocedures en marktkansen;
   (xiii) ervoor te zorgen dat het TTIP een uitgebreid hoofdstuk over investeringen bevat, met bepalingen over zowel markttoegang als investeringsbescherming, vanuit de gedachte dat toegang tot kapitaal de werkgelegenheid en de groei kan stimuleren; het hoofdstuk over investeringen moet erop gericht zijn een niet-discriminerende behandeling te waarborgen bij vestiging van Europese bedrijven op Amerikaans grondgebied, waarbij wel rekening moet worden gehouden met het gevoelige karakter van bepaalde sectoren; zulke bepalingen moeten Europa aantrekkelijker maken als doel voor investeringen, het vertrouwen voor investeringen vanuit de EU in de VS vergroten, en ook om de verplichtingen en verantwoordelijkheden van investeerders te regelen, onder meer door verwijzing naar de beginselen van de OESO voor multinationale ondernemingen, en naar de beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten als referentiepunten;
   (xiv) ervoor te zorgen dat de bepalingen inzake investeringsbescherming beperkt blijven tot de fase na de vestiging en gericht zijn op nationale behandeling, meestbegunstigingsbehandeling, non-discriminatie, een eerlijke en billijke behandeling, en bescherming tegen directe en indirecte onteigening, inclusief het recht op snelle, passende en doeltreffende schadevergoeding; de beschermingsnormen en de definities van investeerder en investering moeten juridisch nauwkeurig worden geformuleerd, waarbij het recht van regulering in het algemeen belang moet worden beschermd, de betekenis van directe of indirecte onteigening worden verduidelijkt, en onterechte of lichtvaardige litigatie wordt voorkomen; het vrije kapitaalverkeer moet in overeenstemming zijn met de bepalingen van het EU-Verdrag en moet vergezeld gaan van een prudentiële uitzonderingsbepaling zonder termijnbeperking voor het geval van een financiële crisis;
   (xv) ervoor te zorgen dat buitenlandse investeerders op niet-discriminerende wijze worden behandeld maar ook geen betere rechten genieten dan binnenlandse investeerders, en het ISDS-mechanisme te vervangen door een nieuw stelsel voor de afdoening van geschillen tussen investeerders en staten dat onderworpen is aan democratische beginselen en toetsing, waarbij potentiële geschillen op transparante wijze worden behandeld door van overheidswege benoemde beroepsrechters in openbare zittingen, in een hoger-beroepsinstantie is voorzien, gezorgd is voor consistentie in de uitspraken de rechtsmacht van de rechters van de EU en van de lidstaten wordt gerespecteerd en particuliere belangen doelstellingen van overheidsbeleid niet kunnen ondermijnen;
   (xvi) ervoor te zorgen dat in het TTIP een ambitieus en modern hoofdstuk wordt opgenomen over welomschreven gebieden van intellectueel eigendomsrecht, waaronder erkenning en sterkere bescherming van geografische aanduidingen, dat beantwoordt aan een fair en efficiënt beschermingsniveau, zonder dat dit de EU afhoudt van de noodzakelijke hervorming van haar auteursrechtstelsel, en dat een eerlijk evenwicht oplevert tussen intellectuele eigendom en algemeen belang, met name waar het gaat om behoud van toegang tot betaalbare geneesmiddelen, door voortgezette steun aan de TRIPS-flexibiliteiten;
   (xvii) er groot belang aan te hechten dat de EU en de VS blijven vasthouden aan een mondiale, multilaterale harmonisatie op het gebied van octrooien via bestaande organen en dat zij zich bij de besprekingen hierover actief blijven inzetten, en staat dan ook afwijzend tegenover pogingen om in TTIP bepalingen van materieel octrooirecht in te voeren, met name bepalingen inzake octrooieerbaarheid en looptijden;
   (xviii) ervoor te zorgen dat het IPR-hoofdstuk geen bepalingen omvat over de aansprakelijkheid van tussenpersonen op internet of over strafrechtelijke sancties als handhavingsinstrument, omdat het Parlement deze oplossing - zoals ook vervat in het voorgestelde ACTA-verdrag - al eerder heeft verworpen;
   (xix) te zorgen voor volledige erkenning en sterke juridische bescherming van geografische EU-aanduidingen en voor maatregelen tegen oneigenlijk gebruik en misleidende informatie en praktijken; de etikettering, traceerbaarheid en daadwerkelijke oorsprong van de betrokken producten te garanderen ten behoeve van de consument, evenals de bescherming van de know-how van producenten, als essentieel onderdeel van een evenwichtige overeenkomst;
   (e) met betrekking tot transparantie, betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, en de voeling met het publiek en de politiek:
   (i) door te gaan met de inspanningen om de transparantie bij de onderhandelingen te vergroten door meer onderhandelingsvoorstellen beschikbaar te maken voor het algemene publiek, en de aanbevelingen van de Europese Ombudsman over te nemen, met name ten aanzien van de regels inzake publieke toegang tot documenten;
   (ii) deze op transparantie gerichte inspanningen te vertalen in serieuze praktische resultaten, o.a. door met de Amerikaanse zijde afspraken te maken over verbetering van transparantie, waaronder inzage in alle onderhandelingsstukken voor de leden van het Europees Parlement, onder meer ook geconsolideerde teksten, onder bewaring van de nodige vertrouwelijkheid, zodat parlementsleden en de lidstaten een constructieve discussie met de belanghebbenden en het publiek kunnen aangaan; erop toe te zien dat beide onderhandelingspartijen een weigering om een onderhandelingsvoorstel openbaar te maken, zullen motiveren;
   (iii) een nog nauwere dialoog aan te gaan met de lidstaten, die verantwoordelijk waren voor het onderhandelingsmandaat aan de Commissie voor onderhandelingen met de VS, om deze actief te betrekken bij het beter communiceren van de werkingssfeer en de mogelijke voordelen van de overeenkomst voor de Europese burger, zoals vastgelegd in de op 20 maart 2015 goedgekeurde conclusies van de Raad, om voor een breed, objectief openbaar debat over TTIP in Europa te zorgen, teneinde in te gaan op de echte zorgen die rond de overeenkomst leven;
   (iv) gedurende het gehele onderhandelingsproces nog intensiever te streven naar voortdurende, transparante contacten met een breed scala aan belanghebbenden; moedigt alle belanghebbenden aan actief deel te nemen en initiatieven te ontplooien en informatie te verstrekken die relevant zijn voor de onderhandelingen;
   (v) de lidstaten aan te moedigen zich door hun nationale parlementen overeenkomstig hun respectieve constitutionele taken alle nodige steun te laten bieden om deze taak te vervullen, en om meer voeling te houden met de nationale parlementen zodat deze adequaat omtrent de lopende onderhandelingen worden geïnformeerd ;
   (vi) in nauwe verstandhouding en nog intensievere, gestructureerde dialoog te blijven met het Parlement, dat het onderhandelingsproces nauwlettend zal blijven volgen en van zijn kant in contact zal blijven met de Commissie, de lidstaten, het Congres en de regering van de VS en belanghebbenden aan beide zijden van de Atlantische Oceaan om een resultaat te verzekeren dat goed is voor de burgers in de EU, de VS en daarbuiten;
   (vii) te zorgen dat TTIP en de toekomstige uitvoering daarvan gepaard gaat met een nauwere trans-Atlantische parlementaire samenwerking, voortbouwend op de ervaring met de transatlantische parlementaire dialoog, die in de toekomst zou moeten leiden tot een breder en versterkt politiek kader om een gemeenschappelijke aanpak te ontwikkelen, het strategisch partnerschap te consolideren en de samenwerking tussen de EU en de VS op wereldvlak te verbeteren;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie met de aanbevelingen van het Europees Parlement te doen toekomen aan de Commissie en ter informatie aan de Raad, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Amerikaanse regering en het Congres.

(1) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-11103-2013-DCL-1/nl/pdf
(2) http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/enl/ec/141920.pdf
(3) http://www.consilium.europa.eu/press/press-releases/latest-press-releases/newsroomrelated?bid=145906&grp=24790&lang=nl
(4) http://europa.eu/rapid/press-release_STATEMENT-14-1820_en.htm
(5) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-79-2014-INIT/nl/pdf
(6) http://ec.europa.eu/priorities/docs/pg_nl.pdf
(7) http://ec.europa.eu/news/2014/docs/c_2014_9052_en.pdf
(8) http://europa.eu/rapid/press-release_IP-14-2341_nl.htm
(9) http://ec.europa.eu/dgs/health_consumer/information_sources/docs/from_farm_to_fork_2004_en.pdf
(10) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/januari/tradoc_153022.pdf
(11) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/januari/tradoc_153023.pdf
(12) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/januari/tradoc_153024.pdf
(13) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/januari/tradoc_153025.pdf
(14) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/januari/tradoc_153026.pdf
(15) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/januari/tradoc_153027.pdf
(16) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/januari/tradoc_153028.pdf
(17) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/januari/tradoc_153029.pdf
(18) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/januari/tradoc_153030.pdf
(19) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/januari/tradoc_153031.pdf
(20) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/januari/tradoc_153032.pdf
(21) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/february/tradoc_153120.pdf
(22) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2014/mei/tradoc_152512.pdf.
(23) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/maart/tradoc_153259.pdf
(24) PB C 68 E van 7.3.2014, blz. 53.
(25) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0227.
(26) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0009.
(27) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0230.


Stabilisatie- en associatieovereenkomst met de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (protocol om rekening te houden met de toetreding van Kroatië) ***
PDF 244kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 8 juli 2015 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie en haar lidstaten, van het protocol bij de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (05548/2014 – C8-0127/2014 – 2013/0386(NLE))
P8_TA(2015)0253A8-0188/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (05548/2014),

–  gezien het ontwerpprotocol bij de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (05547/2014),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 217 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a) i), en lid 8, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0127/2014),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0188/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.


Stabilisatie- en associatieovereenkomst met Servië (protocol om rekening te houden met de toetreding van Kroatië) ***
PDF 244kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 8 juli 2015 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie en haar lidstaten, van het protocol bij de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Servië, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (06682/2014 – C8-0098/2014 – 2014/0039(NLE))
P8_TA(2015)0254A8-0189/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (06682/2014),

–  gezien het ontwerpprotocol bij de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (06681/2014),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 217 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a) i), en lid 8, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0098/2014),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0189/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Servië.


Wetenschappelijke en technologische samenwerking met India: verlenging van de overeenkomst ***
PDF 242kWORD 59k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 8 juli 2015 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de verlenging van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Republiek India (05872/2015 – C8-0074/2015 – 2014/0293(NLE))
P8_TA(2015)0255A8-0179/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de verlenging van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Republiek India (05872/2015),

–  gezien Besluit 2002/648/EG van de Raad van 25 juni 2002 tot sluiting van de overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Republiek India(1),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 186 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a) v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0074/2015),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, artikel 108, lid 7, en artikel 50, lid 1 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0179/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de verlenging van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek India.

(1) PB L 213 van 9.8.2002, blz. 29.


Wetenschappelijke en technologische samenwerking met de Faeröer: Horizon 2020 ***
PDF 243kWORD 59k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 8 juli 2015 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de ondertekening en de voorlopige toepassing van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en de Faeröer, waarbij de Faeröer geassocieerd worden met Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) (05660/2015 – C8-0057/2015 – 2014/0228(NLE))
P8_TA(2015)0256A8-0180/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (05660/2015),

–  gezien het ontwerp van Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en de Faeröer, waarbij de Faeröer geassocieerd worden met Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) (14014/2014),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 186 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en lid 8, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0057/2015),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, artikel 108, lid 7, en artikel 50, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0180/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Faeröereilanden.


Langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders en de verklaring inzake corporate governance ***I
PDF 741kWORD 165k
Tekst
Geconsolideerde tekst
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 8 juli 2015 op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2007/36/EG wat het bevorderen van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders betreft en van Richtlijn 2013/34/EU wat bepaalde onderdelen van de verklaring inzake corporate governance betreft (COM(2014)0213 – C7-0147/2014 – 2014/0121(COD))(1)
P8_TA(2015)0257A8-0158/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

[Amendement nr. 1 tenzij anders aangeduid]

AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT(2)
P8_TA(2015)0257A8-0158/2015
op het voorstel van de Commissie
P8_TA(2015)0257A8-0158/2015

RICHTLIJN (EU) 2015/...
VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot wijziging van Richtlijn 2007/36/EG wat het bevorderen van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders betreft, van Richtlijn 2013/34/EU wat bepaalde onderdelen van de verklaring inzake corporate governance betreft, en van Richtlijn 2004/109/EG

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 50 en 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van de wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Na raadpleging van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Bij Richtlijn 2007/36/EG van het Europees Parlement en de Raad(4) zijn voorschriften vastgesteld voor de uitoefening van bepaalde aan aandelen met stemrecht verbonden rechten van aandeelhouders in verband met algemene vergaderingen van vennootschappen die hun statutaire zetel in een lidstaat hebben en waarvan de aandelen tot de handel op een in een lidstaat gelegen of werkzame gereglementeerde markt zijn toegelaten.

(2)  Hoewel zij geen eigenaar zijn van vennootschappen, die afzonderlijke rechtspersonen zijn waarover zij niet de volledige controle hebben, spelen aandeelhouders wel een belangrijke rol in de governance van die vennootschappen. Door de financiële crisis is duidelijk geworden dat aandeelhouders het nemen van buitensporige kortetermijnrisico's door bestuurders in veel gevallen hebben ondersteund. Bovendien is het huidige niveau van "toezicht" op en betrokkenheid van institutionele beleggers en vermogensbeheerders bij vennootschappen waarin is belegd, vaak onvoldoende en te sterk gericht op kortetermijnrendementen is, hetgeen leidt tot minder optimale corporate governance en prestaties van beursgenoteerde vennootschappen.

(2 bis)  Een grotere betrokkenheid van de aandeelhouders bij de corporate governance van vennootschappen is een van de middelen die kunnen bijdragen tot een verbetering van de financiële en niet-financiële prestaties van die vennootschappen. Aangezien de aandeelhoudersrechten evenwel niet de enige langetermijnfactor vormen die bij de corporate governance in aanmerking moeten worden genomen, dienen er daarnaast aanvullende maatregelen te worden getroffen om een grotere betrokkenheid van alle belanghebbenden, in het bijzonder de werknemers, lokale overheden en het maatschappelijk middenveld, te verzekeren.

(3)  In het actieplan betreffende Europees vennootschapsrecht en corporate governance heeft de Commissie een aantal acties op het gebied van corporate governance aangekondigd, die met name zijn gericht op het bevorderen van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders en het creëren van meer transparantie tussen vennootschappen en beleggers.

(4)  Teneinde de uitoefening van aandeelhoudersrechten verder te bevorderen en de betrokkenheid van aandeelhouders bij beursgenoteerde vennootschappen te vergroten, dienen beursgenoteerde vennootschappen het recht hebben om hun aandeelhouders te identificeren en rechtstreeks met hen te communiceren. Deze richtlijn dient derhalve te voorzien in een kader dat de identificatie van aandeelhouders mogelijk maakt om de transparantie en de dialoog te verbeteren. [Am. 29]

(5)  De vraag of aandeelhouders hun rechten daadwerkelijk kunnen uitoefenen, is voor een groot deel afhankelijk van de efficiëntie van de keten van tussenpersonen die de effectenrekeningen voor de aandeelhouders aanhouden, vooral in een grensoverschrijdende context. Deze richtlijn is gericht op verbetering van de doorgifte van informatie door tussenpersonen via de aandeelhouderschapsketen om de uitoefening van aandeelhoudersrechten te bevorderen.

(6)  Gezien hun belangrijke rol moeten tussenpersonen ertoe verplicht worden om de uitoefening van rechten door de aandeelhouder te bevorderen, wanneer de aandeelhouders deze ▌rechten zelf willen uitoefenen of daarvoor een derde willen aanwijzen. Wanneer aandeelhouders hun rechten niet zelf willen uitoefenen maar daarvoor de tussenpersoon als derde hebben aangewezen, moet laatstgenoemde gehouden zijn om die rechten uit te oefenen met de uitdrukkelijke machtiging en in opdracht van de aandeelhouders en ten behoeve van hen.

(7)  Teneinde overal in de Unie beleggingen in aandelen en de uitoefening van de daaraan verbonden rechten te bevorderen, dient te worden gezorgd voor een hoge mate van transparantie met betrekking tot de kosten van de door tussenpersonen verstrekte diensten. Teneinde prijsdiscriminatie tussen grensoverschrijdende en zuiver binnenlandse participaties te ▌voorkomen, moeten verschillen in aangerekende kosten voor binnenlandse en grensoverschrijdende uitoefening van rechten naar behoren worden gemotiveerd en een weerspiegeling zijn van de variaties in de daadwerkelijke kosten die ontstaan zijn door de verlening van de door tussenpersonen verstrekte diensten. De voorschriften inzake de identificatie van aandeelhouders, de doorgifte van informatie, de bevordering van de uitoefening van aandeelhoudersrechten en de transparantie van kosten dienen ook van toepassing te zijn op tussenpersonen in derde landen die een bijkantoor in de EU hebben, zodat de bepalingen inzake aandelen die via dergelijke tussenpersonen worden aangehouden, effectief kunnen worden toegepast.

(8)  Een effectieve en duurzame aandeelhoudersbetrokkenheid is een belangrijk aspect van het corporategovernancemodel van beursgenoteerde vennootschappen, dat is gebaseerd op controlemechanismen tussen de verschillende organen en belanghebbenden. Echte betrokkenheid van belanghebbenden, met name werknemers, moet als zeer belangrijk worden beschouwd voor de ontwikkeling van een evenwichtig Europees kader inzake corporate governance.

(9)  Institutionele beleggers en vermogensbeheerders zijn vaak belangrijke aandeelhouders van beursgenoteerde vennootschappen in de EU en kunnen daarom een betekenisvolle rol vervullen in de corporate governance van deze vennootschappen, maar ook meer in het algemeen met betrekking tot de strategie en de langetermijnprestaties van deze vennootschappen. De ervaring van de afgelopen jaren leert echter dat institutionele beleggers en vermogensbeheerders vaak niet daadwerkelijk betrokken zijn bij de vennootschappen waarvan zij aandelen bezitten, en dat vennootschappen ▌zich onder druk van de kapitaalmarkten vaak op de korte termijn ▌richten, hetgeen de financiële en niet-financiële langetermijnprestaties van vennootschappen in gevaar brengt en, naast diverse andere nadelige gevolgen, tot een minder optimaal investeringsniveau leidt, bijvoorbeeld voor onderzoek en ontwikkeling, wat ▌de langetermijnprestatie van de vennootschappen ▌schaadt.

(10)  Institutionele beleggers en vermogensbeheerders zijn vaak niet transparant over hun beleggingsstrategie en betrokkenheidsbeleid en de uitvoering en de resultaten daarvan. Openbaarmaking van dergelijke informatie zou een positief effect hebben op het bewustzijn van beleggers, de uiteindelijke begunstigden, zoals toekomstige gepensioneerden, in staat stellen om de beste beleggingsbeslissingen te nemen, de dialoog tussen vennootschappen en aandeelhouders bevorderen, de betrokkenheid van aandeelhouders vergroten en de verantwoordingsplicht van vennootschappen jegens belanghebbenden en het maatschappelijk middenveld uitbreiden.

(11)  Derhalve moeten institutionele beleggers en vermogensbeheerders een beleid inzake aandeelhoudersbetrokkenheid ontwikkelen waarin onder meer wordt vastgelegd hoe deze in hun beleggingsstrategie is geïntegreerd, hoe toezicht wordt gehouden op de vennootschappen waarin is belegd, met inbegrip van hun risico's voor milieu en maatschappij, hoe een dialoog wordt gevoerd met die vennootschappen en hun belanghebbenden, en hoe stemrechten worden uitgeoefend. Het betrokkenheidsbeleid dient ook een beleid te omvatten voor het beheersen van feitelijke of potentiële belangenconflicten, zoals wanneer de institutionele belegger of de vermogensbeheerder of een vennootschap die daarmee verbonden is, financiële diensten verricht voor de vennootschap waarin is belegd. De inhoud, de uitvoering en de resultaten van dit beleid dienen jaarlijks openbaar te worden gemaakt en naar de cliënten van de institutionele beleggers te worden gestuurd. Wanneer institutionele beleggers of vermogensbeheerders besluiten om een dergelijk beleid niet te ontwikkelen en/of de wijze van uitvoering of resultaten ervan niet openbaar te maken, dienen zij dat duidelijk te motiveren.

(12)  Institutionele beleggers dienen jaarlijks openbaar te maken hoe hun beleggingsstrategie is afgestemd op het profiel en de looptijd van hun verplichtingen en hoe deze bijdraagt aan de middellange- en langetermijnprestatie van hun portefeuille. Wanneer zij gebruikmaken van vermogensbeheerders, hetzij door middel van een discretionair mandaat waarbij een individuele portefeuille wordt beheerd of via gepoolde fondsen, dienen de voornaamste onderdelen van de overeenkomst met de vermogensbeheerder die betrekking hebben op een aantal specifieke kwesties, openbaar te worden gemaakt. Daarbij gaat het onder meer om de vraag of de vermogensbeheerder ertoe wordt aangezet om zijn beleggingsstrategie en -beslissingen aan te passen aan het profiel en de looptijd van de verplichtingen van de institutionele belegger, en om zijn beleggingsbeslissingen te nemen op basis van de middellange- tot langetermijnprestatie van vennootschappen en betrokken te zijn bij vennootschappen, alsook om de wijze waarop de prestatie van de vermogensbeheerder wordt beoordeeld, de opbouw van de vergoeding voor de vermogensbeheerdiensten en de beoogde omloopsnelheid van de portefeuille. Openbaarmaking van informatie hierover draagt ertoe bij dat de belangen van de eindbegunstigden van de institutionele beleggers, de vermogensbeheerders en de vennootschappen waarin is belegd, beter op elkaar worden afgestemd, en kan ook bevorderlijk zijn voor de ontwikkeling van strategieën voor langetermijnbelegging en langetermijnrelaties met de vennootschappen waarin is belegd, waarbij de aandeelhouders dan betrokken worden.

(13)  Vermogensbeheerders moeten worden verplicht om openbaar te maken hoe hun beleggingsstrategie en de uitvoering daarvan in overeenstemming zijn met de vermogensbeheerovereenkomst en hoe de beleggingsstrategie en -besluiten bijdragen aan de middellange- tot langetermijnprestatie van de portefeuille van de institutionele belegger. Verder dienen vermogensbeheerders openbaar te maken wat de omloopsnelheid van de portefeuille is, of hun beleggingsbeslissingen zijn gebaseerd op een beoordeling van de middellange- tot langetermijnprestatie van de vennootschap waarin wordt belegd ▌en of zij voor hun betrokkenheidsactiviteiten gebruik maken van volmachtadviseurs. De vermogensbeheerders moeten nadere informatie rechtstreeks bekendmaken aan de institutionele beleggers, zoals informatie over de samenstelling van de portefeuille, over de aan de omloopsnelheid van de portefeuille verbonden kosten, over de ontstane belangenconflicten en hoe daarmee is omgegaan. Aan de hand van deze informatie kunnen institutionele belegger beter toezicht houden op vermogensbeheerders en hen ertoe aanzetten de belangen onderling af te stemmen en de betrokkenheid van de aandeelhouders te vergroten.

(14)  Teneinde de informatie binnen de participatieketen te verbeteren, dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat volmachtadviseurs adequate maatregelen vaststellen en uitvoeren om binnen de grenzen van hun mogelijkheden te waarborgen dat hun stemadviezen juist en betrouwbaar zijn, op een gedegen analyse van alle beschikbare informatie zijn gebaseerd en niet door bestaande of potentiële belangenconflicten of zakelijke relaties zijn beïnvloed. Volmachtadviseurs moeten een gedragscode vaststellen en naleven. Afwijkingen van de code moeten worden bekendgemaakt en toegelicht, samen met alle alternatieve oplossingen die zijn gekozen. Volmachtadviseurs dienen jaarlijks verslag uit te brengen over de toepassing van hun gedragscode. Zij dienen bepaalde essentiële informatie over de totstandkoming van hun stemadviezen openbaar te maken, alsook feitelijke of potentiële belangenconflicten of zakelijke relaties die daarop van invloed kunnen zijn.

(15)  Aangezien het beleid inzake beloningen voor vennootschappen een van de sleutelinstrumenten is om hun belangen in overeenstemming te brengen met die van haar bestuurders en gezien de cruciale rol van bestuurders in vennootschappen, is het belangrijk dat dit beleid op passende wijze wordt vastgesteld, onverlet de bepalingen inzake beloning van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad(5) en rekening houdend met de verschillen in bestuursstructuren die vennootschappen in de diverse lidstaten kennen. De prestatie van bestuurders dient te worden beoordeeld aan de hand van zowel financiële als niet-financiële prestatiecriteria, waaronder milieu-, sociale en governancefactoren.

(15 bis)  Het beleid inzake de beloning van de bestuurders van een vennootschap moet er tevens toe bijdragen dat de vennootschap zich op de lange termijn kan ontwikkelen, zodat een efficiëntere corporate governance in de praktijk kan worden gebracht en het beloningsbeleid niet geheel of grotendeels gekoppeld is aan investeringsdoelstellingen voor de korte termijn.

(16)  Teneinde te waarborgen dat aandeelhouders daadwerkelijk zeggenschap verkrijgen over het beloningsbeleid, dient hun het recht te worden verleend om over het beloningsbeleid te stemmen op basis van een duidelijk, begrijpelijk en allesomvattend overzicht van het beleid, dat in overeenstemming moet zijn met de ondernemingsstrategie, de doelstellingen, de waarden en de langetermijnbelangen van de vennootschap en maatregelen voor de preventie van belangenconflicten moet bevatten. De beloning die door de vennootschap aan de bestuurders wordt betaald, moet steeds in overeenstemming zijn met het beloningsbeleid dat door de aandeelhouders bij stemming is goedgekeurd. Het bij stemming goedgekeurde beloningsbeleid moet onverwijld openbaar worden gemaakt. [Am. 30]

(17)  Teneinde te waarborgen dat het beloningsbeleid wordt uitgevoerd overeenkomstig het goedgekeurde beleid, dient de aandeelhouders het recht te worden verleend om over het beloningsverslag van de vennootschap een adviserende stemming te houden. Teneinde bestuurders te dwingen om rekenschap af te leggen, dient te worden voorgeschreven dat het beloningsverslag duidelijk en begrijpelijk is en een uitgebreid overzicht bevat van de beloningen die het afgelopen boekjaar aan individuele bestuurders zijn toegekend. Wanneer de aandeelhouders tegen het beloningsverslag stemmen, dient de vennootschap, indien nodig, een dialoog met de aandeelhouders aan te gaan om de redenen voor de verwerping te achterhalen. De vennootschap dient in het eerstvolgende beloningsverslag uit te leggen op welke wijze met de stemming van de aandeelhouders rekening is gehouden. [Am. 31]

(17 bis)  Meer transparantie met betrekking tot de werkzaamheden van grote vennootschappen en in het bijzonder met betrekking tot geboekte winsten, betaalde winstbelastingen en ontvangen subsidies, is van essentieel belang om het vertrouwen van aandeelhouders en andere burgers van de Unie in vennootschappen te waarborgen en hun betrokkenheid bij vennootschappen te bevorderen. Een rapportageplicht op dit gebied kan dan ook worden beschouwd als een belangrijk element van verantwoord ondernemerschap jegens aandeelhouders en de maatschappij.

(18)  Teneinde belanghebbenden, aandeelhouders en het maatschappelijk middenveld gemakkelijk toegang te verschaffen tot alle relevante informatie met betrekking tot corporate governance, dient het beloningsverslag onderdeel te zijn van de verklaring inzake corporate governance die beursgenoteerde vennootschappen ingevolge artikel 20 van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013(6) moeten publiceren.

(18 bis)  Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de procedures voor het bepalen van de beloning van bestuurders en de systemen van loonvorming voor werknemers. De bepalingen inzake beloningen mogen bijgevolg geen afbreuk doen aan de volledige handhaving van de door artikel 153, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) gewaarborgde grondrechten, de algemene beginselen van nationaal overeenkomstenrecht en arbeidsrecht en, in voorkomend geval, het recht van de sociale partners om collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten en de naleving hiervan af te dwingen, in overeenstemming met het nationale recht en gewoonten.

(18 ter)  De bepalingen inzake beloningen mogen, in voorkomend geval, evenmin afbreuk doen aan de in het nationale recht vastgestelde bepalingen inzake de vertegenwoordiging van werknemers in het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan.

(19)  Transacties met verbonden partijen kunnen een vennootschap ▌schade toebrengen omdat de verbonden partij mogelijk de gelegenheid krijgt om zich aan de vennootschap toebehorende waarde toe te eigenen. Vandaar dat adequate waarborgen voor de bescherming van de belangen van vennootschappen belangrijk zijn. De lidstaten dienen er derhalve voor te zorgen dat materiële transacties met verbonden partijen door de aandeelhouders of door het bestuurs- of toezichthoudend orgaan van de vennootschappen worden goedgekeurd volgens procedures die voorkomen dat een verbonden partij misbruik maakt van zijn positie en die adequate bescherming bieden voor de belangen van de vennootschap of de aandeelhouders die geen verbonden partijen zijn, met inbegrip van minderheidsaandeelhouders. Materiële transacties met verbonden partijen ▌moeten uiterlijk op het moment dat deze worden aangegaan door de vennootschap openbaar worden gemaakt. De mededeling dient vergezeld te gaan van een verslag ▌waarin wordt beoordeeld of de transactie volgens marktvoorwaarden verloopt en wordt bevestigd dat de transactie uit het oogpunt van de vennootschap, waaronder begrepen minderheidsaandeelhouders, eerlijk en redelijk is. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben transacties tussen de vennootschap en joint ventures en een of meer leden van zijn groep uit te sluiten, op voorwaarde dat die groepsleden of joint ventures volledig eigendom van de vennootschap zijn of dat geen andere met de vennootschap verbonden partij een belang in die leden of joint ventures heeft, evenals transacties die in het kader van de normale bedrijfsvoering en volgens normale marktvoorwaarden worden gesloten.

(20)  Gezien Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995(7) is het noodzakelijk om een evenwicht te bereiken tussen het bevorderen van de uitoefening van rechten van aandeelhouders en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van persoonsgegevens. De identificatiegegevens over aandeelhouders dienen beperkt te blijven tot hun naam en contactgegevens, waaronder volledig adres, telefoonnummer en, indien relevant, e-mailadres, en het aantal aandelen en stemrechten waarover zij beschikken. Deze informatie moet juist en up-to-date zijn en tussenpersonen en vennootschappen dienen de mogelijkheid te bieden om onvolledige of onjuiste gegevens te corrigeren of te wissen. De identificatiegegevens mogen uitsluitend worden gebruikt om de uitoefening van aandeelhoudersrechten, de aandeelhoudersbetrokkenheid en de dialoog tussen de vennootschap en de aandeelhouder te bevorderen.

(21)  Teneinde een eenvormige toepassing van de artikelen inzake de identificatie van aandeelhouders, de doorgifte van informatie, het bevorderen van de uitoefening van aandeelhoudersrechten en de beloningsverslagen te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de vaststelling van de specifieke voorschriften inzake de doorgifte van informatie over de identiteit van aandeelhouders, de doorgifte van informatie tussen de vennootschap en de aandeelhouders, het bevorderen door de tussenpersoon van de uitoefening van rechten door aandeelhouders en de gestandaardiseerde presentatie van het beloningsverslag. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(22)  Teneinde te waarborgen dat de in deze richtlijn vervatte voorschriften en de maatregelen tot uitvoering van deze richtlijn in de praktijk worden toegepast, dienen bij overtreding van deze voorschriften sancties te worden opgelegd. Deze sancties moeten voldoende ontmoedigend en evenredig zijn.

(23)  Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt vanwege het internationale karakter van de aandelenmarkt van de EU en omdat maatregelen van de lidstaten alleen waarschijnlijk resulteren in onderling verschillende voorschriften, hetgeen een ondermijnend effect kan hebben op of nieuwe hinderpalen kan opwerpen voor de werking van de interne markt, en deze doelstellingen op grond van hun omvang en effecten beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(24)  Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken(8) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Richtlijn 2007/36/EG

Richtlijn 2007/36/EG wordt als volgt gewijzigd:

(1)  Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

(a)  In lid 1 wordt de volgende zin toegevoegd:"

"Tevens stelt deze richtlijn specifieke voorschriften vast om de betrokkenheid van aandeelhouders op de lange termijn te bevorderen, met inbegrip van de identificatie van aandeelhouders, de doorgifte van informatie en de vergemakkelijking van de uitoefening van rechten door aandeelhouders. Daarnaast zorgt deze richtlijn voor transparantie over het betrokkenheidsbeleid van institutionele beleggers en vermogensbeheerders en over de activiteiten van volmachtadviseurs, en stelt zij bepaalde voorschriften vast met betrekking tot de beloning van bestuurders en transacties met verbonden partijen."

"

(a bis)  Na lid 3 wordt het volgende lid toegevoegd:"

"3 bis. De ondernemingen als bedoeld in lid 3 zijn in geen geval vrijgesteld van de in hoofdstuk I ter neergelegde bepalingen."

"

(b)  Na lid 3 bis wordt het volgende lid toegevoegd:"

"3 ter. Hoofdstuk I ter is van toepassing op institutionele beleggers en vermogensbeheerders, laatstgenoemde voor zover zij direct of via een instelling voor collectieve belegging namens institutionele beleggers beleggen, voor zover zij in aandelen beleggen. Het is eveneens van toepassing op volmachtadviseurs.

"

(b bis)  Na lid 3 ter wordt het volgende lid toegevoegd:"

"3 quater. De bepalingen van deze richtlijn doen geen afbreuk aan de bepalingen die zijn vastgelegd in sectorale EU-wetgeving betreffende specifieke typen beursgenoteerde vennootschappen of entiteiten. De bepalingen van sectorale EU-wetgeving hebben voorrang op deze richtlijn voor zover de in deze richtlijn vervatte vereisten in tegenspraak zijn met de vereisten in sectorale EU-wetgeving. Waar deze richtlijn voorziet in specifiekere regels of vereisten toevoegt ten opzichte van de in sectorale EU-wetgeving vastgelegde bepalingen, worden deze bepalingen toegepast in samenhang met de bepalingen van deze richtlijn".

"

(2)  In artikel 2 worden de volgende punten d) tot en met j quater) toegevoegd:"

"d) "tussenpersoon": rechtspersoon die zijn statutaire zetel, hoofdbestuur of hoofdvestiging in the Europese Unie heeft en voor zijn cliënten effectenrekeningen aanhoudt;

   d bis) "grote onderneming": een onderneming die voldoet aan de in artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2013/34/EU vastgelegde criteria;
   d ter) "grote groep": een groep die voldoet aan de in artikel 3, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU vastgelegde criteria;
   e) "tussenpersoon in een derde land": rechtspersoon die zijn statutaire zetel, hoofdbestuur of hoofdvestiging niet in de Europese Unie heeft en voor zijn cliënten effectenrekeningen aanhoudt;
   f) "institutionele belegger": een onderneming die werkzaamheden verricht op het gebied van levensverzekering in de zin van artikel 2, lid 3, onder a), b) en c), en werkzaamheden op het gebied van herverzekering ter dekking van levensverzekeringsverplichtingen en die niet is uitgesloten ingevolge de artikelen 3, 4, 9, 10, 11 of 12 van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad(9) , of een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad(10), ingevolge artikel 2 daarvan valt, tenzij de lidstaat er overeenkomstig artikel 5 van deze richtlijn voor heeft gekozen om de richtlijn geheel of gedeeltelijk niet toe te passen op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
   g) "vermogensbeheerder": een beleggingsonderneming, zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad(11), die voor institutionele beleggers vermogensbeheerdiensten verricht, een beheerder van alternatieve beleggingsinstellingen, zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, onder b), van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad(12), die niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 3 van die richtlijn om in aanmerking te komen voor vrijstelling, een beheermaatschappij, zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, onder b), van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad(13), of een beleggingsmaatschappij waaraan overeenkomstig Richtlijn 2009/65/EG een vergunning is verleend, mits deze beleggingsmaatschappij voor het vermogensbeheer geen beheermaatschappij heeft aangewezen waaraan overeenkomstig die richtlijn een vergunning is verleend;
   h) "aandeelhoudersbetrokkenheid": het uitoefenen van toezicht door een aandeelhouder, alleen of samen met andere aandeelhouders, op vennootschappen met betrekking tot relevante aspecten met inbegrip van strategie, financiële en niet-financiële prestaties, risico, vermogensstructuur, personeelsbeleid, maatschappelijke en milieugevolgen en corporate governance, het voeren van een dialoog met vennootschappen en hun belanghebbenden over deze aspecten en het uitoefenen van stem- en andere rechten die verbonden zijn aan aandelen;
   i) "volmachtadviseur": rechtspersoon die aandeelhouders beroepshalve adviseert over de uitoefening van hun stemrechten;
   l) "bestuurder":
   lid van een bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van een vennootschap;
   president-directeur en adjunct-president-directeur, indien zij geen lid zijn van een bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan;
   j) "verbonden partij": heeft dezelfde betekenis als in de internationale standaarden voor jaarrekeningen die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad(14) zijn goedgekeurd."
   j bis) "activa": de totale activawaarde die wordt vermeld op de geconsolideerde balans van de vennootschap, opgesteld in overeenstemming met de internationale standaarden voor financiële verslaglegging;
   j ter) "belanghebbende": persoon, groep, organisatie of lokale gemeenschap die gevolgen ondervindt van of anderszins belang heeft bij de werking en de prestaties van een vennootschap;
   j quater) "gegevens betreffende de identiteit van de aandeelhouders": gegevens die het mogelijk maken de identiteit van een aandeelhouder vast te stellen met inbegrip van ten minste:
   de namen en contactgegevens van aandeelhouders (met inbegrip van het volledige adres, telefoonnummer en emailadres), en, indien het rechtspersonen betreft, hun unieke identificatiecode of, wanneer deze niet beschikbaar is, andere identificatiegegevens;
   het aantal aandelen dat zij in hun bezit hebben en de hiermee verbonden stemrechten.

"

(2 bis)  Aan artikel 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:"

"De lidstaten kunnen, voor de toepassing van deze richtlijn, in de definitie van bestuurder als bedoeld in punt l) van de eerste alinea andere personen met soortgelijke functies opnemen."

"

(2 ter)  Na artikel 2 wordt het volgende artikel ingevoegd:"

"Artikel 2 bis

Gegevensbescherming

De lidstaten zien erop toe dat de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn gebeurt in overeenstemming met het nationale recht tot omzetting van Richtlijn 95/46/EG."

"

(3)  Na artikel 3 worden de volgende hoofdstukken I bis en I ter ingevoegd:"

"HOOFDSTUK I BIS

IDENTIFICATIE VAN AANDEELHOUDERS, DOORGIFTE VAN INFORMATIE EN BEVORDERING VAN DE UITOEFENING VAN AANDEELHOUDERSRECHTEN

Artikel 3 bis

Identificatie van aandeelhouders

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat vennootschappen het recht hebben om hun aandeelhouders te identificeren, waarbij rekening wordt gehouden met bestaande nationale systemen.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat een tussenpersoon een vennootschap op haar verzoek onverwijld de gegevens betreffende de identiteit van de aandeelhouders meedeelt. Wanneer zich in de houderschapsketen meer dan één tussenpersoon bevindt, geven de tussenpersonen het verzoek van de vennootschap onverwijld aan elkaar door. De tussenpersoon die over gegevens betreffende de identiteit van de aandeelhouders beschikt geeft deze onverwijld aan de vennootschap door.

Lidstaten kunnen bepalen dat centrale effectenbewaarinstellingen (CSD´s) de tussenpersonen vormen die verantwoordelijk zijn voor de verzameling van gegevens betreffende de identiteit van de aandeelhouders en de onverwijlde doorgifte ervan aan de vennootschap.

3.   Aandeelhouders worden er door hun tussenpersonen naar behoren van in kennis gesteld dat overeenkomstig dit artikel gegevens betreffende hun identiteit kunnen worden verwerkt en, indien van toepassing, dat deze gegevens daadwerkelijk zijn doorgegeven aan de vennootschap. Deze gegevens mogen alleen worden gebruikt om de uitoefening van de rechten van de aandeelhouders, hun betrokkenheid en de dialoog tussen de vennootschap en de aandeelhouder met betrekking tot aan de vennootschap gerelateerde kwesties te bevorderen. Het is vennootschappen in ieder geval toegestaan derden een overzicht van de aandeelhouderstructuur van de vennootschap te verstrekken door de verschillende categorieën aandeelhouders openbaar te maken. De vennootschap en de tussenpersoon zorgen ervoor dat natuurlijke en rechtspersonen de mogelijkheid hebben om onvolledige of onjuiste gegevens te corrigeren of te wissen. De lidstaten zorgen ervoor dat de vennootschappen en de tussenpersonen aan hen overeenkomstig dit artikel verstrekte gegevens betreffende de identiteit van de aandeelhouders niet langer opslaan dan noodzakelijk en in ieder geval niet langer dan 24 maanden nadat de vennootschap of de tussenpersoon ervan op de hoogte is gebracht dat de betrokkene niet langer aandeelhouder is.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat een tussenpersoon die de gegevens betreffende de identiteit van de aandeelhouders overeenkomstig lid 2 doorgeeft aan de vennootschap, niet wordt geacht enige bij overeenkomst of bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling opgelegde beperking inzake openbaarmaking te overtreden.

5.   Om de uniforme toepassing van dit artikel te waarborgen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 14 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen ter nadere bepaling van de in de leden 2 en 3 neergelegde minimumvoorschriften betreffende de doorgifte van informatie die moet worden doorgegeven, de vorm van het verzoek, met inbegrip van de voorgeschreven beveiligde formats, en de termijnen die in acht moeten worden genomen. [Am. 24]

Artikel 3 ter

Doorgifte van informatie

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer een vennootschap niet rechtstreeks met haar aandeelhouders communiceert, de aan hun aandelen gerelateerde informatie via de website van de vennootschap bekend wordt gemaakt en onverwijld aan hen of, overeenkomstig de aanwijzingen van de aandeelhouder, door de tussenpersoon aan een derde wordt meegedeeld, in de volgende gevallen:

   (a) de informatie is nodig voor het uitoefenen van een recht van de aandeelhouder dat voortvloeit uit zijn aandelen;
   (b) de informatie is gericht aan alle houders van aandelen van een bepaalde categorie.

2.  De lidstaten verplichten vennootschappen om informatie in verband met de uitoefening van rechten die uit aandelen voortvloeien, overeenkomstig lid 1 tijdig en op gestandaardiseerde wijze aan de tussenpersoon te verstrekken.

3.  De lidstaten verplichten tussenpersonen om informatie die zij van aandeelhouders hebben ontvangen met betrekking tot de uitoefening van rechten die voortvloeien uit hun aandelen, overeenkomstig de aanbevelingen van de aandeelhouders onverwijld aan de vennootschap door te geven.

4.  Wanneer zich in de houderschapsketen meer dan één tussenpersoon bevindt, geven de tussenpersonen de in de leden 1 en 3 bedoelde informatie onverwijld aan elkaar door.

5.  Om de uniforme toepassing van dit artikel te waarborgen is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 14 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen ter nadere bepaling van de in de leden 1 tot en met 4 neergelegde minimumvoorschriften betreffende de doorgifte van informatie, onder meer met betrekking tot de inhoud van die informatie, het type informatie dat moet worden doorgegeven, de vorm waarin die informatie moet worden doorgeven, met inbegrip van de voorgeschreven beveiligde formats, en de termijnen die in acht moeten worden genomen.

Artikel 3 quater

Bevordering van de uitoefening van aandeelhoudersrechten

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de tussenpersonen de uitoefening bevorderen van de aandeelhoudersrechten, waaronder begrepen het recht om deel te nemen aan en te stemmen op de algemene vergaderingen, ten minste in een van de volgende gevallen:

   (a) de tussenpersoon treft de nodige regelingen om te zorgen dat de aandeelhouder of een door hem aangewezen derde in staat is om deze rechten zelf uit te oefenen;
   (b) de tussenpersoon oefent de rechten in verband met de aandelen met de uitdrukkelijke machtiging en in opdracht van de aandeelhouder ten behoeve van die laatste uit.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat vennootschappen de notulen van de algemene vergaderingen en de uitslag van de stemmingen via hun website openbaar maken. De lidstaten zorgen ervoor dat vennootschappen de stemmen bevestigen die op een algemene vergadering door of namens een aandeelhouder zijn uitgebracht, indien zij op elektronische wijze zijn uitgebracht. In het geval dat de tussenpersoon de stem uitbrengt, stuurt hij de aandeelhouder de stembevestiging. Wanneer zich in de houderschapsketen meer dan één tussenpersoon bevindt, geven de tussenpersonen de stembevestiging onverwijld aan elkaar door.

3.  Om de uniforme toepassing van dit artikel te waarborgen is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 14 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen ter nadere bepaling van de in de leden 1 en 2 neergelegde minimumvoorschriften voor het bevorderen van de uitoefening van aandeelhoudersrechten, onder meer met betrekking tot het soort maatregel en wijze waarop de uitoefening van rechten wordt bevorderd, de vorm waarin de stembevestiging wordt gegeven en de termijnen die in acht moeten worden genomen.

Artikel 3 quinquies

Transparantie inzake kosten

1.  De lidstaten kunnen tussenpersonen de mogelijkheid bieden om de kosten in rekening te brengen van de dienst die ingevolge dit hoofdstuk door de vennootschappen moet worden verricht. De tussenpersonen maken voor elke in dit hoofdstuk genoemde dienst bekend welke afzonderlijke prijs of vergoeding zij daarvoor in rekening brengen.

2.  Indien tussenpersonen overeenkomstig lid 1 kosten in rekening mogen brengen, zorgen de lidstaten ervoor dat tussenpersonen voor elke in dit hoofdstuk genoemde dienst bekend maken welke afzonderlijke kosten zij daarvoor in rekening brengen.

De lidstaten zorgen ervoor dat kosten die door een tussenpersoon bij aandeelhouders, vennootschappen of andere tussenpersonen in rekening worden gebracht, niet-discriminatoir, redelijk en evenredig zijn. Verschillen in aangerekende kosten voor binnenlandse en grensoverschrijdende uitoefening van rechten zijn alleen toegestaan indien zij naar behoren worden gemotiveerd en zijn de weerspiegeling van de variaties in de daadwerkelijk voor de dienstverlening gemaakte kosten.

Artikel 3 sexies

Tussenpersonen in derde landen

Een tussenpersoon in een derde land die een bijkantoor in de EU heeft, is onderworpen aan de bepalingen van dit hoofdstuk.

HOOFDSTUK I TER

TRANSPARANTIE VAN INSTITUTIONELE BELEGGERS, VERMOGENSBEHEERDERS EN VOLMACHTADVISEURS

Artikel 3 septies

Betrokkenheidsbeleid

1.   Onverminderd artikel 3 septies, lid 4, zorgen de lidstaten ervoor dat institutionele beleggers en vermogensbeheerders een beleid inzake aandeelhoudersbetrokkenheid (hierna: "betrokkenheidsbeleid") ontwikkelen. Hierin leggen beleggers en vermogensbeheerders vast hoe zij de volgende acties uitvoeren:

   (a) integreren van aandeelhoudersbetrokkenheid in de beleggingsstrategie;
   (b) uitoefenen van toezicht op de vennootschappen waarin is belegd, waaronder toezicht op niet-financiële prestaties en vermindering van sociale en milieurisico´s;
   (c) voeren van een dialoog met de vennootschappen waarin is belegd;
   (d) uitoefenen van stemrechten;
   (e) gebruikmaken van de diensten van volmachtadviseurs;
   (f) samenwerken met andere aandeelhouders;
   (f bis) voeren van een dialoog en samenwerken met andere belanghebbenden van de vennootschappen waarin is belegd.

2.   Onverminderd artikel 3 septies, lid 4, zorgen de lidstaten ervoor dat het betrokkenheidsbeleid ook beleid voor de beheersing van feitelijke en potentiële belangenconflicten in verband met aandeelhoudersbetrokkenheid omvat. Dit beleid wordt in het bijzonder ontwikkeld voor de volgende situaties:

   (a) de institutionele belegger c.q. vermogensbeheerder of daaraan verbonden vennootschappen bieden de vennootschap waarin is belegd financiële producten aan of hebben andere zakelijke relaties met deze vennootschap;
   (b) een bestuurder van de institutionele belegger of de vermogensbeheerder is ook bestuurder van de vennootschap waarin is belegd;
   (c) een vermogensbeheerder die het vermogen van een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening beheert, belegt in een vennootschap die premies aan die instelling betaalt;
   (d) de institutionele belegger of de vermogensbeheerder is verbonden aan een vennootschap, terwijl er een overnamebod is gedaan op de aandelen van die vennootschap.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat institutionele beleggers en vermogensbeheerders hun betrokkenheidsbeleid, de wijze waarop dit wordt uitgevoerd en de resultaten ervan jaarlijks openbaar maken. De in de eerste zin bedoelde informatie is ten minste gratis beschikbaar op de website van de institutionele beleggers of vermogensbeheerders. Institutionele beleggers verstrekken die informatie jaarlijks aan hun cliënten.

Institutionele beleggers en vermogensbeheerders maken openbaar voor elke vennootschap waarvan zij aandelen bezitten, of en hoe zij op de algemene vergaderingen van die vennootschap stemmen en geven een toelichting op hun stemgedrag. Wanneer een vermogensbeheerder namens een institutionele belegger stemt, verwijst laatstgenoemde naar de plaats waar de vermogensbeheerder bedoelde steminformatie heeft gepubliceerd. De in dit lid bedoelde informatie is ten minste gratis beschikbaar op de website van de vennootschap.

4.   Wanneer institutionele beleggers of vermogensbeheerders besluiten om geen betrokkenheidsbeleid op te stellen of de wijze van uitvoering of resultaten ervan niet openbaar te maken, geven zij een duidelijke en gemotiveerde toelichting waarom zij dit niet doen. [Am. 25]

Artikel 3 octies

Beleggingsstrategie van institutionele beleggers en overeenkomsten met vermogensbeheerders

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat institutionele beleggers openbaar maken hoe hun beleggingsstrategie (hierna: "beleggingsstrategie") is afgestemd op het profiel en de looptijd van hun verplichtingen en bijdraagt aan de middellange- tot langetermijnprestatie van hun portefeuille. De in de eerste zin bedoelde informatie is ten minste gratis beschikbaar op de website van de vennootschap zolang als die informatie van toepassing is en wordt jaarlijks naar de cliënten van de vennootschap gestuurd, samen met de informatie over hun betrokkenheidsbeleid.

2.   Wanneer een vermogensbeheerder namens een institutionele belegger belegt, hetzij op basis van een discretionair mandaat waarbij een individuele portefeuille wordt beheerd hetzij via een instelling voor collectieve belegging, maakt de institutionele belegger jaarlijks de voornaamste onderdelen van de overeenkomst met de vermogensbeheerder openbaar, die betrekking hebben op het volgende:

   (a) de vraag of en in hoeverre de vermogensbeheerder ertoe wordt aangezet zijn beleggingsstrategie en -beslissingen aan te passen aan het profiel en de looptijd van de verplichtingen van de institutionele belegger;
   (b) de vraag of en in hoeverre de vermogensbeheerder ertoe wordt aangezet zijn beleggingsbeslissingen te nemen op basis van de middellange- tot langetermijnprestaties, waaronder de niet-financiële prestaties, van vennootschappen en wordt aangezet tot betrokkenheid bij vennootschappen als middel om de prestaties van vennootschappen te verbeteren ter verhoging van het beleggingsrendement;
   (c) de methode en tijdshorizon die voor de evaluatie van de prestaties van de vermogensbeheerder wordt gebruikt, en in het bijzonder de vraag of en in hoeverre bij deze evaluatie absolute langetermijnprestaties in aanmerking worden genomen, in tegenstelling tot prestaties die voortspruiten uit een benchmarkindex of prestaties van andere vermogensbeheerders die soortgelijke beleggingsstrategieën volgen;
   (d) de vraag hoe de opbouw van de vergoeding voor de vermogensbeheerdiensten ertoe bijdraagt dat de vermogensbeheerder zijn beleggingsbeslissingen afstemt op het profiel en de looptijd van de verplichtingen van de institutionele belegger;
   (e) de beoogde omloopsnelheid van de portefeuille, de wijze waarop de omloopsnelheid wordt berekend en de vraag of een procedure is vastgesteld voor het geval dat de beoogde omloopsnelheid wordt overschreden;
   (f) de looptijd van de overeenkomst.

Wanneer de overeenkomst met de vermogensbeheerder een of meer van de onder a) tot en met f) genoemde elementen niet bevat, geeft de institutionele belegger een duidelijke en gemotiveerde toelichting waarom dit het geval is. [Am. 26]

Artikel 3 nonies

Transparantie van vermogensbeheerders

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat vermogensbeheerders overeenkomstig de bepalingen van de leden 2 en 2 bis bekendmaken hoe hun beleggingsstrategie en de uitvoering daarvan in overeenstemming zijn met de in artikel 3 octies, lid 2, bedoelde overeenkomst.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat vermogensbeheerders jaarlijks de volgende informatie aan het publiek bekendmaken:

   (a) of en hoe de beleggingsbeslissingen zijn genomen op basis van een beoordeling van de middellange- tot langetermijnprestaties, waaronder de niet-financiële prestaties, van de vennootschappen waarin is belegd;

   (b) de omloopsnelheid van de portefeuille en de voor de berekening daarvan gebruikte methode en, indien de beoogde omloopsnelheid werd overschreden, de redenen daarvoor;

   (c) of en welke feitelijke of potentiële belangenconflicten in verband met betrokkenheidsactiviteiten zijn ontstaan en hoe daarmee is omgegaan;
   (d) of en hoe de vermogensbeheerder voor betrokkenheidsactiviteiten gebruik maakt van volmachtadviseurs;
   (e) hoe de beleggingsstrategie en de uitvoering daarvan in het algemeen bijdragen aan de middellange- tot langetermijnprestaties van de portefeuille van de institutionele belegger.

2 bis.  De lidstaten zorgen ervoor dat vermogensbeheerders aan de institutionele belegger waarmee zij de in artikel 3 octies, lid 2, bedoelde overeenkomst zijn aangegaan, jaarlijks de volgende informatie bekendmaken:

   (a) hoe de portefeuille werd samengesteld en, indien in de voorgaande periode enige aanzienlijke wijziging in de portefeuille is aangebracht, een uitleg daarvoor;
   (b) de aan de omloopsnelheid van de portefeuille verbonden kosten;
   (c) het beleid inzake effectenleningen en de uitvoering daarvan.

3.  De ingevolge lid 2 bekendgemaakte informatie is ten minste gratis beschikbaar op de website van de vermogensbeheerder. De ingevolge lid 2 bis bekendgemaakte informatie wordt gratis verstrekt en wordt indien de vermogensbeheerder de portefeuille niet op basis van een discretionair mandaat beheert, op verzoek ook aan andere beleggers verstrekt.

3 bis.  De lidstaten kunnen bepalen dat in uitzonderlijke gevallen het aan een vermogensbeheerder kan worden toegestaan, indien de bevoegde autoriteit dit goedkeurt, van openbaarmaking van een bepaald deel van de uit hoofde van dit artikel openbaar te maken informatie af te zien als dat deel betrekking heeft op ophanden zijnde ontwikkelingen of zaken waarover onderhandelingen gaande zijn, en openbaarmaking daarvan bijzonder schadelijk zou zijn voor de commerciële positie van de vermogensbeheerder.

Artikel 3 decies

Transparantie van volmachtadviseurs

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat volmachtadviseurs adequate maatregelen vaststellen en uitvoeren om zo goed mogelijk te waarborgen dat hun onderzoeks- en stemadviezen juist en betrouwbaar zijn, op een gedegen analyse van alle beschikbare informatie zijn gebaseerd en uitsluitend in het belang van hun cliënten worden opgesteld.

1 bis.  De lidstaten waarborgen dat volmachtadviseurs verwijzen naar de gedragscode die zij toepassen. Indien zij afwijken van een van de aanbevelingen van deze gedragscode, maken zij hier melding van, zetten zij de redenen hiervoor uiteen en omschrijven zij de alternatieve vastgestelde maatregelen. Deze informatie wordt, samen met de verwijzing naar de gedragscode die zij toepassen, gepubliceerd op de website van de volmachtadviseurs.

Volmachtadviseurs brengen jaarlijks verslag uit van de toepassing van deze gedragscode. Jaarverslagen worden op de website van de volmachtadviseurs gepubliceerd en blijven ten minste drie jaar gratis beschikbaar, te rekenen vanaf de dag van publicatie.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat volmachtadviseurs jaarlijks de volgende informatie over de totstandkoming van hun onderzoeks- en stemadviezen openbaar maken:

   (a) de hoofdkenmerken van de gebruikte methoden en modellen;
   (b) de belangrijkste informatiebronnen;
   (c) of en hoe met nationale marktomstandigheden, wet- en regelgeving en voor de vennootschap kenmerkende omstandigheden rekening wordt gehouden;
   (c bis) de hoofdkenmerken van het verrichte onderzoek en het toegepaste stembeleid voor iedere markt;
   (d) of wordt gecommuniceerd en of een dialoog wordt gevoerd met de vennootschappen waarop de onderzoeks- en stemadviezen betrekking hebben en hun belanghebbenden, en zo ja, de omvang en aard van die communicatie of dialoog;
   (d bis) het beleid ter voorkoming en het beheer van mogelijke belangenconflicten;
   (e) het totale aantal medewerkers dat bij de totstandkoming van de stemadviezen is betrokken en hun kwalificaties;
   (f) het totale aantal stemadviezen dat het afgelopen jaar is gegeven.

Deze informatie wordt op de website van de volmachtadviseurs gepubliceerd en blijft ten minste drie jaar gratis beschikbaar, te rekenen vanaf de dag van publicatie.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat volmachtadviseurs feitelijke of potentiële belangenconflicten of zakelijke relaties die het onderzoek en de totstandkoming van de stemadviezen kunnen beïnvloeden, onverwijld vaststellen en aan hun cliënten bekendmaken, onder vermelding van de maatregelen die zijn genomen om de vastgestelde feitelijke of potentiële belangenconflicten weg te nemen of te beperken."

"

(4)  De volgende artikelen 9 bis, 9 ter en 9 quater worden ingevoegd:"

“Artikel 9 bis

Recht om te stemmen over het beloningsbeleid

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat vennootschappen een beloningsbeleid met betrekking tot bestuurders vaststellen en dit in een bindende stemming aan de algemene vergadering van aandeelhouders voorleggen. De beloning van bestuurders is steeds in overeenstemming met het door de algemene vergadering van aandeelhouders goedgekeurde beloningsbeleid. Alle wijzigingen in het beleid worden door de algemene vergadering van aandeelhouders goedgekeurd en het beleid wordt hoe dan ook ten minste om de drie jaar ter goedkeuring aan de algemene vergadering voorgelegd.

De lidstaten kunnen echter bepalen dat de stemming van de algemene vergadering over het beloningsbeleid een adviserend karakter heeft

In gevallen waarin voorheen geen beloningsbeleid werd gehanteerd en de aandeelhouders het aan hen voorgelegde ontwerpbeleid afwijzen, kan een vennootschap haar bestuurders tijdens de herziening van het ontwerp gedurende een periode van maximaal één jaar voor de goedkeuring van het ontwerp belonen in overeenstemming met de bestaande praktijken.

In gevallen waarin er een beloningsbeleid bestaat en de aandeelhouders het overeenkomstig de eerste alinea aan hen voorgelegde ontwerpbeleid afwijzen, kan de vennootschap haar bestuurders tijdens de herziening van het ontwerp gedurende een periode van maximaal één jaar tot de goedkeuring van het ontwerp, belonen in overeenstemming met het bestaande beleid.

2.   Het beleid moet duidelijk en begrijpelijk zijn en in overeenstemming met de ondernemingsstrategie, doelstellingen, waarden en langetermijnbelangen van de vennootschap, en maatregelen ter preventie van belangenconflicten bevatten.

3.   In het beleid wordt toegelicht hoe hiermee wordt bijgedragen aan de langetermijnbelangen en de duurzaamheid van de vennootschap. Het voorziet in duidelijke criteria voor de toekenning van vaste en variabele beloningen, met inbegrip van alle bonussen en alle voordelen in ongeacht welke vorm.

Het beleid bevat het passende relatieve aandeel van de verschillende componenten van vaste en variabele beloning. Het verklaart hoe rekening is gehouden met de loon- en arbeidsvoorwaarden van de werknemers van de onderneming bij de vaststelling van het beleid of de beloning van de bestuurders.

Voor de variabele beloning bevat het beleid de te gebruiken financiële en niet-financiële prestatiecriteria, waarin in voorkomend geval ook aandacht wordt besteed aan programma's voor maatschappelijk verantwoord ondernemen, en een toelichting over de wijze waarop deze criteria bijdragen aan de langetermijnbelangen en de duurzaamheid van de vennootschap, alsmede de te gebruiken methoden om te bepalen in hoeverre de prestatiecriteria zijn vervuld; het beschrijft de uitstelperioden, de wachtperioden voor op aandelen gebaseerde beloning en het aanhouden van onvoorwaardelijk geworden aandelen en bevat informatie over de mogelijkheid voor de vennootschap om een variabele beloning terug te vorderen.

De lidstaten zien erop toe dat de waarde van aandelen geen dominante rol speelt in de financiële prestatiecriteria.

De lidstaten zorgen ervoor dat de op aandelen gebaseerde beloning niet het grootste deel van de variabele beloning van bestuurders vertegenwoordigt. De lidstaten kunnen in uitzonderingen op de bepalingen van deze alinea voorzien, op voorwaarde dat in het beloningsbeleid duidelijk wordt gemotiveerd hoe een dergelijke uitzondering bijdraagt aan de langetermijnbelangen en de duurzaamheid van de vennootschap.

Het beleid omschrijft de voornaamste voorwaarden van de contracten met bestuurders, waaronder de looptijd en toepasselijke opzegtermijnen, de voorwaarden voor beëindiging en de betalingen met betrekking tot de beëindiging van contracten, en de kenmerken van aanvullende pensioen- en vervroegde-uittredingsregelingen. Indien de nationale wetgeving toelaat dat vennootschappen met bestuurders regelingen zonder contract treffen, omschrijft het beleid in dit geval de voornaamste voorwaarden van de contracten met bestuurders, waaronder de looptijd en toepasselijke opzegtermijnen, de voorwaarden voor beëindiging en de betalingen met betrekking tot de beëindiging van contracten, en de kenmerken van aanvullende pensioen- en vervroegde-uittredingsregelingen.

In het beleid worden de procedures gespecificeerd die de vennootschap volgt om de beloning van bestuurders vast te stellen, alsook de functie en werking van de beloningscommissie.

Het beleid omschrijft het specifieke besluitvormingsproces dat tot de vaststelling ervan leidt. In geval van herziening van het beleid wordt toegelicht welke belangrijke veranderingen zich hebben voorgedaan en hoe rekening is gehouden met de stemmingen en de standpunten van de aandeelhouders over het beloningsbeleid en met het beloningsverslag in op zijn minst de voorgaande drie opeenvolgende jaren.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat het beleid na goedkeuring door de aandeelhouders onverwijld op de website van de vennootschap openbaar wordt gemaakt en daar gratis beschikbaar blijft zolang het van toepassing is. [Am. 27 rev.]

Artikel 9 ter

Informatie die in het beloningsverslag moet worden opgenomen en het recht om te stemmen over het beloningsverslag

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de vennootschap een duidelijk en begrijpelijk beloningsverslag opstelt met een uitgebreid overzicht van de beloningen, met inbegrip van bonussen in ongeacht welke vorm, die het afgelopen boekjaar overeenkomstig het in artikel 9 bis bedoelde beloningsbeleid aan individuele bestuurders en aan nieuw aangeworven of vroegere bestuurders zijn toegekend. Het bevat, voor zover van toepassing, de volgende elementen:

   (a) het totale bedrag aan toegekende, uitgekeerde of verschuldigde beloningen, uitgesplitst naar onderdeel, het relatieve aandeel van vaste en variabele beloningen, een toelichting van de relatie tussen het totale bedrag aan beloningen en de langetermijnprestaties alsmede informatie over de wijze van toepassing van de financiële en niet-financiële prestatiecriteria;
   (b) de relatieve verandering in de beloning van uitvoerende bestuurders over de laatste drie boekjaren, de relatie met de ontwikkeling van de algemene prestatie van de vennootschap en met de verandering in de gemiddelde beloning van werknemers in dezelfde periode;
   (c) de beloning die bestuurders van de vennootschap van andere ondernemingen die deel uitmaken van hetzelfde concern, hebben ontvangen of die hun nog verschuldigd is;
   (d) het aantal toegekende en aangeboden aandelen en aandelenopties en de belangrijkste voorwaarden voor de uitoefening van de rechten, met inbegrip van de prijs en datum van uitoefening en eventuele verandering daarvan;
   (e) informatie over het gebruik van de mogelijkheid om een variabele beloning terug te vorderen;
   (f) informatie over de wijze waarop de beloning van bestuurders is vastgesteld, waaronder informatie over de functie van de beloningscommissie.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat bij de verwerking van de persoonsgegevens van bestuurders het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer wordt beschermd overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat aandeelhouders het recht hebben om op de jaarlijkse algemene vergadering over het beloningsverslag voor het afgelopen boekjaar een adviserende stemming te houden. Wanneer de aandeelhouders tegen het beloningsverslag stemmen, gaat de vennootschap indien nodig een dialoog met de aandeelhouders aan om de redenen voor de verwerping te achterhalen. De vennootschap legt in het volgende beloningsverslag uit hoe rekening is gehouden met de stemming van de aandeelhouders.

3 bis.  De bepalingen over beloning in dit artikel en in artikel 9 bis doen geen afbreuk aan de nationale systemen van loonvorming voor werknemers, noch, indien toepasselijk, aan de nationale voorschriften inzake de vertegenwoordiging van werknemers in directies.

4.   Om de uniforme toepassing van dit artikel te waarborgen, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 14 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen ter nadere bepaling van de gestandaardiseerde presentatie van de in lid 1 van dit artikel genoemde informatie.[Am. 28]

Artikel 9 quater

Het recht om te stemmen over transacties met verbonden partijen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat vennootschappen materiële transacties met verbonden partijen ▌openbaar maken uiterlijk op het moment dat zij deze aangaan, en laten de mededeling vergezeld gaan van een verslag ▌waarin wordt beoordeeld of de transactie volgens marktvoorwaarden verloopt en wordt bevestigd dat zij uit het oogpunt van de vennootschap, waaronder minderheidsaandeelhouders, eerlijk en redelijk is, en waarin een toelichting wordt gegeven bij de evaluaties waarop de beoordeling is gebaseerd. De mededeling bevat informatie over de aard van de relatie met de verbonden partij, de naam van de verbonden partij, het bedrag van de transactie en alle andere informatie die nodig is om de economische billijkheid van de transactie uit het oogpunt van de vennootschap, waaronder minderheidsaandeelhouders, te beoordelen.

De lidstaten stellen specifieke voorschriften vast met betrekking tot het overeenkomstig de eerste alinea goed te keuren verslag, met inbegrip van wie verantwoordelijk is om dit verslag op te stellen, namelijk een van de volgende actoren:

   een onafhankelijke derde;
   het toezichthoudend orgaan van de vennootschap; of
   een commissie van onafhankelijke bestuurders.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat materiële transacties met verbonden partijen door de aandeelhouders of door het bestuurs- of toezichthoudend orgaan van de vennootschappen worden goedgekeurd volgens procedures die voorkomen dat een verbonden partij misbruik maakt van haar positie en die adequate bescherming bieden voor de belangen van de vennootschap en de aandeelhouders die geen verbonden partijen zijn, met inbegrip van minderheidsaandeelhouders.

De lidstaten kunnen bepalen dat de aandeelhouders het recht hebben te stemmen over materiële transacties die het bestuurs- of toezichthoudend orgaan van de vennootschap heeft goedgekeurd.

Het is immers de bedoeling te voorkomen dat verbonden partijen misbruik maken van een speciale positie, en degelijke bescherming te bieden voor de belangen van de vennootschap.

2 bis.  De lidstaten zorgen ervoor dat verbonden partijen en hun vertegenwoordigers niet betrokken worden bij de opstelling van het in lid 1 bedoelde verslag en bij de stemmingen en besluiten overeenkomstig lid 2. Indien bij de transactie met een verbonden partij een aandeelhouder betrokken is, wordt deze aandeelhouder uitgesloten van alle stemmingen over deze transactie. De lidstaten kunnen toestaan dat de aandeelhouder die een verbonden partij is aan de stemming deelneemt, op voorwaarde dat het nationale recht adequate garanties biedt die ervoor zorgen dat tijdens de stemmingsprocedure de belangen van aandeelhouders die geen verbonden partijen zijn, met inbegrip van minderheidsaandeelhouders, worden beschermd door te voorkomen dat de verbonden partij de transactie toch goedkeurt indien de meerderheid van aandeelhouders die geen verbonden partijen zijn of indien de meerderheid van de onafhankelijke bestuurders een andere mening is toegedaan.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat transacties die in een periode van 12 maanden of in hetzelfde boekjaar met dezelfde verbonden partij zijn aangegaan en niet onder de in de leden 1, 2 en 3 genoemde voorschriften vallen, voor de toepassing van deze leden worden samengevoegd.

4.  De lidstaten kunnen de volgende transacties ▌vrijstellen van de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde voorschriften:

   transacties tussen de vennootschap en een of meer leden van de groep of de joint venture, indien deze leden van de groep of de joint venture volledige eigendom van de vennootschap zijn of indien geen andere met de vennootschap verbonden partij een belang in die leden of joint ventures heeft;
   transacties die in het kader van de normale bedrijfsvoering en volgens normale marktvoorwaarden worden verricht.

4 bis.  De lidstaten stellen materiële transacties met verbonden partijen vast. Bij de vaststelling van materiële transacties met verbonden partijen wordt rekening gehouden met:

   (a) de invloed die de informatie over de transactie kan hebben op de beslissingen van degenen die bij het goedkeuringsproces betrokken zijn;
   (b) de gevolgen van de transactie voor de resultaten, de activa, de kapitaalvorming of de omzet van de vennootschap en voor de positie van de verbonden partij;
   (c) de risico's die de transactie inhoudt voor de vennootschap en haar minderheidsaandeelhouders.

Bij de vaststelling van materiële transacties met verbonden partijen kunnen de lidstaten een of meer kwantitatieve ratio's hanteren die gebaseerd zijn op de gevolgen van de transactie voor de inkomsten, de activa, de kapitaalvorming of de omzet van de vennootschap, of rekening houden met de aard van de transactie en de positie van de verbonden partij."

"

(5)  Na artikel 14 wordt het volgende hoofdstuk II bis ingevoegd:"

"HOOFDSTUK II bis

GEDELEGEERDE HANDELINGEN EN SANCTIES

Artikel 14 bis

Uitoefening van gedelegeerde bevoegdheden

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 3 bis, lid 5,artikel 3 ter, lid 5, artikel 3 quater, lid 3, en artikel 9 ter bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde duur met ingang van …*.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3 bis, lid 5,artikel 3 ter, lid 5, artikel 3 quater, lid 3, en artikel 9 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit treedt in werking op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een latere, daarin vermelde datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.  Elke handeling die in overeenstemming met artikel 3 bis, lid 5,artikel 3 ter, lid 5, artikel 3 quater, lid 3, en artikel 9 is vastgesteld treedt pas in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van drie maanden na de bekendmaking van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie ervan in kennis hebben gesteld dat zij geen bezwaar zullen maken. Deze termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.

Artikel 14 ter

Sancties

De lidstaten stellen de regels vast voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de ingevolge deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en ontmoedigend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op [datum van omzetting] van deze bepalingen in kennis en delen haar onverwijld alle latere wijzigingen in die bepalingen mee."

"

Artikel 2

Wijzigingen in Richtlijn 2013/34/EU

Richtlijn 2013/34/EU wordt als gewijzigd:

(-1) In artikel 2 wordt het volgende punt toegevoegd:"

"(17) "fiscale ruling": een voorafgaande uitlegging of toepassing van een wettelijke bepaling van een grensoverschrijdende situatie of transactie van een vennootschap die kan leiden tot een vermindering van belasting in de lidstaten of die kan leiden tot fiscale besparingen van de onderneming als gevolg van de kunstmatige verschuiving van winsten binnen groepen."

"

(-1 bis) In Artikel 18 wordt na lid 2 het volgende lid toegevoegd:"

"2 bis. Grote ondernemingen en organisaties van openbaar belang maken in de toelichting bij de financiële overzichten tevens de volgende informatie bekend, uitgesplitst naar lidstaat en naar derde land waarin zij een vestiging hebben, en op geconsolideerde basis voor het boekjaar:

   a) naam/namen, aard van de activiteiten en geografische locatie;
   b) omzet;
   c) aantal werknemers in voltijdequivalenten;
   d) waarde van de activa en de kosten van onderhoud van die activa op jaarbasis;
   e) verkopen en aankopen;
   f) winst of verlies vóór belasting;
   g) belasting over winst of verlies;
   h) ontvangen overheidssubsidies;
   i) moederondernemingen verstrekken naast de relevante informatie een lijst van dochterondernemingen per lidstaat of derde land waar deze actief zijn."

"

(-1 ter) In artikel 18 wordt lid 3 vervangen door:"

"3. De lidstaten kunnen bepalen dat lid 1, punt b), en lid 2 bis niet van toepassing zijn op de jaarlijkse financiële overzichten van een onderneming indien die onderneming in de uit hoofde van artikel 22 op te stellen geconsolideerde financiële overzichten is opgenomen, op voorwaarde dat die informatie in de toelichting bij de geconsolideerde financiële overzichten staat."

"

(-1 quater) Het volgende artikel wordt toegevoegd:"

"Artikel 18 bis

Bijkomende openbaarmakingsverplichting voor grote ondernemingen

1.  Naast de informatie die in de artikelen 16, 17 en 18 en alle andere bepalingen van deze richtlijn wordt vereist, maakt elke grote onderneming in de toelichting bij de financiële overzichten essentiële elementen en informatie over fiscale rulings openbaar, uitgesplitst naar lidstaat en naar derde land waarin deze grote onderneming een dochteronderneming heeft. De Commissie is bevoegd om via gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 49 de vorm en inhoud van de openbaarmaking vast te stellen.

2.  Ondernemingen met een gemiddeld aantal werknemers op geconsolideerde basis gedurende het boekjaar van maximaal 500 en waarvan, op de balansdata, op geconsolideerde basis het balanstotaal niet hoger is dan 86 miljoen EUR of de netto-omzet niet hoger is dan 100 miljoen EUR, worden vrijgesteld van de verplichting in lid 1 van dit artikel.

3.  De in lid 1 van dit artikel beschreven verplichting is niet van toepassing op ondernemingen die onder het recht van een lidstaat vallen wier moederonderneming ook onder het recht van een lidstaat valt en wier informatie is opgenomen in de informatie die de moederonderneming overeenkomstig lid 1 van dit artikel bekend heeft gemaakt.

4.  De in lid 1 bedoelde informatie wordt gecontroleerd overeenkomstig Richtlijn 2006/43/EG."

"

(1)  Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

(a)  In lid 1 wordt het volgende punt h) toegevoegd:"

"h) het in artikel 9 ter van Richtlijn 2007/36/EG beschreven beloningsverslag."

"

(b)  Lid 3 wordt vervangen door het volgende:"

"3. De wettelijke auditor of het auditkantoor geeft overeenkomstig artikel 34, lid 1, tweede alinea, een oordeel over de krachtens lid 1, punten c) en d), van het onderhavige artikel opgestelde informatie en controleert of de in lid 1, punten a), b), e), f), g) en h), van het onderhavige artikel bedoelde informatie is verstrekt."

"

(c)  Lid 4 wordt vervangen door:"

"4. De lidstaten kunnen in lid 1 bedoelde ondernemingen die alleen effecten, andere dan aandelen, hebben uitgegeven die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 4, lid 1, punt 14), van Richtlijn 2004/39/EG, vrijstelling verlenen van de toepassing van lid 1, punten a), b), e), f), g) en h), van het onderhavige artikel, tenzij die ondernemingen aandelen hebben uitgegeven die worden verhandeld in een multilaterale handelsfaciliteit in de zin van artikel 4, lid 1, punt 15), van Richtlijn 2004/39/EG."

"

Artikel 2 bis

Wijzigingen in Richtlijn 2004/109/EG

Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad(15) wordt als volgt gewijzigd:

(1)  In artikel 2, lid 1, wordt het volgende punt  toegevoegd:"

"r) "fiscale ruling": een voorafgaande uitlegging of toepassing van een wettelijke bepaling van een grensoverschrijdende situatie of transactie van een vennootschap die kan leiden tot een vermindering van belasting in de lidstaten of die kan leiden tot fiscale besparingen van de onderneming als gevolg van de kunstmatige verschuiving van winsten binnen groepen."

"

(2)  De volgende artikelen worden ingevoegd:"

"Artikel 16 bis

Bijkomende openbaarmakingsverplichting voor uitgevende instellingen

1.  De lidstaten bepalen dat elke uitgevende instelling jaarlijks de volgende informatie, uitgesplitst naar lidstaat en naar derde land waarin zij een dochteronderneming heeft, op geconsolideerde basis voor het boekjaar openbaar maakt:

   a) naam/namen, aard van de activiteiten en geografische locatie;
   b) omzet;
   c) aantal werknemers in voltijdequivalenten;
   d) winst of verlies vóór belasting;
   e) belasting over winst of verlies;
   f) ontvangen overheidssubsidies.

2.  De in lid 1 beschreven verplichting is niet van toepassing op uitgevende instellingen die onder het recht van een lidstaat vallen wier moederonderneming ook onder het recht van een lidstaat valt en wier informatie is opgenomen in de informatie die de moederonderneming overeenkomstig lid 1 van dit artikel bekend heeft gemaakt.

3.  De in lid 1 bedoelde informatie wordt gecontroleerd overeenkomstig Richtlijn 2006/43/EG en wordt, indien mogelijk, als bijlage bij de jaarlijkse financiële overzichten of, voor zover van toepassing, bij de geconsolideerde financiële overzichten van de betrokken uitgevende instelling bekendgemaakt.

Artikel 16 ter

Bijkomende openbaarmakingsverplichting voor uitgevende instellingen

1.  De lidstaten bepalen dat elke uitgevende instelling jaarlijks essentiële elementen en informatie over fiscale rulings, uitgesplitst naar lidstaat en naar derde land waarin zij een dochteronderneming heeft, op geconsolideerde basis voor het boekjaar openbaar maakt. De Commissie is bevoegd om via gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 27, leden 2 bis, 2 ter en 2 quater, de vorm en inhoud van de openbaarmaking vast te stellen.

2.  De in lid 1 van dit artikel beschreven verplichting is niet van toepassing op uitgevende instellingen die onder het recht van een lidstaat vallen wier moederonderneming ook onder het recht van een lidstaat valt en wier informatie is opgenomen in de informatie die de moederonderneming overeenkomstig lid 1 van dit artikel bekend heeft gemaakt.

3.  De in lid 1 bedoelde informatie wordt gecontroleerd overeenkomstig Richtlijn 2006/43/EG en wordt, indien mogelijk, als bijlage bij de jaarlijkse financiële overzichten of, voor zover van toepassing, bij de geconsolideerde financiële overzichten van de betrokken uitgevende instelling bekendgemaakt."

"

(3)  Artikel 27, lid 2 bis, wordt vervangen door:"

"2 bis. De in artikel 2, lid 3, artikel 5, lid 6, artikel 9, lid 7, artikel 12, lid 8, artikel 13, lid 2, artikel 14, lid 2, artikel 16 bis, lid 1, artikel 17, lid 4, artikel 18, lid 5, artikel 19, lid 4, artikel 21, lid 4, artikel 23, leden 4, 5 en 7, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend voor een termijn van vier jaar met ingang van januari 2011. De Commissie stelt uiterlijk zes maanden voor het einde van de termijn van vier jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad deze overeenkomstig artikel 27 bis intrekt."

"

Artikel 3

Omzetting

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op [18 maanden na inwerkingtreding] aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 4

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 5

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

(1) De zaak werd voor een nieuwe behandeling terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 61, lid 2, tweede alinea, van het Reglement (A8-0158/2015).
(2) Amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.
(3) PB C 451 van 16.12.2014, blz. 87.
(4) Richtlijn 2007/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende de uitoefening van bepaalde rechten van aandeelhouders in beursgenoteerde vennootschappen (PB L 184 van 14.7.2007, blz. 17).
(5) Richtlijn 2013/36/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).
(6) Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).
(7) Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).
(8) PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.
(9) Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1).
(10) Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (PB L 235 van 23.9.2003, blz. 10).
(11) Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (herschikking) (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).
(12) Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).
(13) Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).
(14) Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1).
(15) Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 390 van 31.12.2004, blz. 38).


Marktstabiliteitsreserve voor de EU-regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten ***I
PDF 246kWORD 61k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 8 juli 2015 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de instelling en de werking van een marktstabiliteitsreserve voor de EU-regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG (COM(2014)0020 – C8-0016/2014 – 2014/0011(COD))
P8_TA(2015)0258A8-0029/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0020),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0016/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 4 juni 2014(1),

–  na raadpleging van het Comité van de regio's,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 13 mei 2015 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0029/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 8 juli 2015 met het oog op de vaststelling van Besluit (EU) 2015/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de instelling en de werking van een marktstabiliteitsreserve voor de EU-regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit (EU) 2015/1814.)

(1) PB C 424 van 26.11.2014, blz. 46.


Zeevarenden ***I
PDF 302kWORD 61k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 8 juli 2015 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende zeevarenden, tot wijziging van de Richtlijnen 2008/94/EG, 2009/38/EG, 2002/14/EG, 98/59/EG en 2001/23/EG (COM(2013)0798 – C7-0409/2013 – 2013/0390(COD))
P8_TA(2015)0259A8-0127/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0798),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 153, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0409/2013),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 maart 2014(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 3 april 2014(2),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 13 mei 2015 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie visserij (A8-0127/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 8 juli 2015 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2015/van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2008/94/EG, 2009/38/EG en 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Richtlijnen 98/59/EG en 2001/23/EG van de Raad wat zeevarenden betreft

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2015/1794.)

(1) PB C 226 van 16.7.2014, blz. 35.
(2) PB C 174 van 7.6.2014, blz. 50.


Wetenschappelijke en technologische samenwerking met Zwitserland: Horizon 2020 en ITER-activiteiten ***
PDF 249kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 8 juli 2015 over het ontwerp van besluit van de Raad inzake de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, teneinde de Zwitserse Bondsstaat te associëren met Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie en het programma voor onderzoek en opleiding van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ter aanvulling van Horizon 2020, en teneinde een regeling uit te werken voor de deelname van Zwitserland aan de door Fusion for Energy uitgevoerde ITER-activiteiten (05662/2015 – C8-0056/2015 – 2014/0304(NLE))
P8_TA(2015)0260A8-0181/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (05662/2015),

–  gezien het ontwerp van Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, teneinde de Zwitserse Bondsstaat te associëren met Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie en het programma voor onderzoek en opleiding van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ter aanvulling van Horizon 2020, en teneinde een regeling uit te werken voor de deelname van Zwitserland aan door Fusion for Energy uitgevoerde ITER-activiteiten (15369/2014),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 186 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), lid 7 en lid 8, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0056/2015),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, artikel 108, lid 7, en artikel 50, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0181/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Zwitserse Bondsstaat.


Richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten *
PDF 529kWORD 185k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 8 juli 2015 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (COM(2015)0098 – C8-0075/2015 – 2015/0051(NLE))
P8_TA(2015)0261A8-0205/2015

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2015)0098),

–  gezien artikel 148, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0075/2015),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0205/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een besluit
Overweging 1
(1)   De lidstaten en de Unie moeten streven naar de ontwikkeling van een gecoördineerde strategie voor werkgelegenheid en in het bijzonder voor de bevordering van scholing, opleiding en aanpassingsvermogen van werknemers, alsmede arbeidsmarkten die soepel reageren op economische veranderingen, teneinde de doelstellingen inzake volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang van artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie te bereiken. Rekening houdend met nationale gebruiken op het gebied van de verantwoordelijkheden van de sociale partners beschouwen de lidstaten het bevorderen van de werkgelegenheid als een aangelegenheid van gemeenschappelijke zorg en coördineren zij hun maatregelen op dit gebied binnen de Raad.
(1)   De lidstaten en de Unie moeten streven naar de ontwikkeling van een doeltreffende en gecoördineerde strategie voor werkgelegenheid, die erop gericht is de ernstige gevolgen van werkloosheid op te vangen, voor de bevordering van een geschoolde, goed opgeleide beroepsbevolking en arbeidsmarkten die soepel reageren op economische, sociale en ecologische veranderingen, met name door middel van een doelgerichte bevordering van opleiding in de wetenschappelijke, technologische, technische en wiskundige sector en door middel van aanpassing van de onderwijsstelsels, teneinde de doelstellingen inzake volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang van artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie te bereiken. Er dienen met name inspanningen te worden verricht om meer werkgelegenheid te scheppen voor werknemers die zeer laag geschoold zijn of niet snel kunnen worden geschoold of opgeleid, en om de alsmaar groeiende grootscheepse en langdurige werkloosheid terug te dringen, met bijzondere aandacht voor achtergebleven gebieden. Rekening houdend met nationale gebruiken op het gebied van de verantwoordelijkheden van de sociale partners moeten de lidstaten het bevorderen van de werkgelegenheid als een prioriteit en een aangelegenheid van gemeenschappelijke zorg beschouwen en moeten zij hun maatregelen op dit gebied binnen de Raad coördineren. De Unie moet deze inspanningen begeleiden met beleidsvoorstellen om de doelstellingen van het Verdrag te verwezenlijken en te zorgen voor een inclusieve, geïntegreerde arbeidsmarkt, alsook voor behoorlijke arbeidsomstandigheden in de gehele Unie, inclusief passende lonen, die ook bedongen worden via collectieve onderhandelingen.
Amendement 2
Voorstel voor een besluit
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)  Volgens ramingen van Eurostat telde de Unie in januari 2015 23 815 000 werklozen, van wie ruim 18 059 000 in de eurozone.
Amendement 3
Voorstel voor een besluit
Overweging 1 ter (nieuw)
(1 ter)  Nu is het zaak betrouwbare indicatoren vast te stellen voor de staat van armoede waarin vele EU-burgers leven, met betrekking tot de eerdere cijfers in Besluit 2010/707/EU van de Raad1 bis waarin gesproken werd van ten minste 20 miljoen personen die moeten worden bevrijd van het risico op armoede en uitsluiting.
____________
1 bis Besluit 2010/707/EU van de Raad van 21 oktober 2010 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (PB L 308 van 24.11.2010, blz. 46).
Amendement 4
Voorstel voor een besluit
Overweging 2
(2)   De Unie moet sociale uitsluiting en discriminatie bestrijden, gelijke toegang tot grondrechten waarborgen en sociale rechtvaardigheid en bescherming bevorderen. De Unie moet bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden rekening houden met de eisen in verband met de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting, alsmede een hoog niveau van onderwijs en opleiding.
(2)   De Unie moet sociale uitsluiting, elke vorm van armoede en discriminatie bestrijden, gelijke toegang tot grondrechten waarborgen en sociale rechtvaardigheid en bescherming bevorderen. Dit algemene doel mag niet in het gedrang komen als gevolg van neveneffecten van andere wetgeving of ander beleid. De Unie moet bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden rekening houden met de eisen in verband met de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting, alsmede een hoog niveau van onderwijs en opleiding.
Amendement 6
Voorstel voor een besluit
Overweging 4
(4)   De lidstaten moeten hun economisch beleid beschouwen als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang en het in het kader van de Raad coördineren. De Raad moet werkgelegenheidsrichtsnoeren en globale richtsnoeren voor het economisch beleid vaststellen teneinde het beleid van de lidstaten en de Unie aan te sturen.
(4)   De lidstaten moeten hun economisch beleid, samen met hun sociaal beleid, beschouwen als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang en het in het kader van de Raad coördineren. De Raad moet werkgelegenheidsrichtsnoeren en globale richtsnoeren voor het economisch beleid vaststellen teneinde het beleid van de lidstaten en de Unie aan te sturen.
Amendement 7
Voorstel voor een besluit
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  Om te zorgen voor een democratischere besluitvorming over de geïntegreerde richtsnoeren, die gevolgen hebben voor de burgers en de arbeidsmarkten in de gehele Unie, is het van belang dat de besluiten over zowel de werkgelegenheidsrichtsnoeren als de globale richtsnoeren voor het economisch beleid worden genomen door het Europees Parlement en de Raad. Met de geïntegreerde richtsnoeren moeten de lidstaten als prioriteit duurzame, geïntegreerde economische modellen op EU-, nationaal en lokaal niveau kunnen vaststellen.
Amendement 8
Voorstel voor een besluit
Overweging 5
(5)   In overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag heeft de Unie coördinatie-instrumenten ontwikkeld en ingevoerd voor het begrotingsbeleid en het macrostructurele beleid. In het Europees semester worden de verschillende instrumenten gecombineerd in een overkoepelend kader voor een geïntegreerd, multilateraal economisch en budgettair toezicht. De stroomlijning en versterking van het Europees semester, zoals uiteengezet in de jaarlijkse groeianalyse 2015 van de Commissie, zal de werking ervan verder verbeteren.
(5)   In overeenstemming met het Verdrag heeft de Unie coördinatie-instrumenten ontwikkeld en ingevoerd voor het begrotingsbeleid en het macrostructurele beleid, die een grote impact hebben op de sociale en werkgelegenheidssituatie in de Unie. Dit beleid kan tot gevolg hebben dat er sommige delen van de Unie een tendens tot stagnatie en deflatie ontstaat die groei en werkgelegenheid zou kunnen remmen. In dat opzicht is het onontbeerlijk rekening te houden met de nieuwe sociale indicatoren en de asymmetrische schokken die bepaalde lidstaten hebben ervaren als gevolg van de financiële en economische crisis. In het Europees semester, dat beter moet worden afgestemd op het verwezenlijken van de doelen van de Europa 2020-strategie, worden de verschillende instrumenten gecombineerd in een overkoepelend kader voor een geïntegreerd, multilateraal toezicht op het economisch, budgettair, werkgelegenheids- en sociaal beleid. Met de stroomlijning en versterking van het Europees semester, zoals uiteengezet in de jaarlijkse groeianalyse 2015 van de Commissie, kan de werking van dat instrument verder verbeteren, maar het instrument heeft nog geen verbetering gebracht in de economische situatie van de lidstaten die het zwaarst getroffen zijn door de crisis.
Amendement 9
Voorstel voor een besluit
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)  Volgens het Europees Sociaal Waarnemingscentrum kennen 26 lidstaten reeds vormen van inkomenssteun en sociale bescherming1bis. Commissaris Thyssen voor Werkgelegenheid, Sociale Zaken, Vaardigheden en Arbeidsmobiliteit heeft verklaard dat, als zij het voor het zeggen had in alle lidstaten in Europa, er in alle landen van Europa een minimumloon zou zijn.
____________
1 bis http://www.eesc.europa.eu/resources/docs/revenu-minimum_-etude-ose_-vfinale_en--2.pdf
Amendement 10
Voorstel voor een besluit
Overweging 5 ter (nieuw)
(5 ter)  Op Unieniveau bestaat er geen regelgevingsbevoegdheid voor de totstandbrenging van een regelgevingskader inzake een EU-minimumloon.
Amendement 47
Voorstel voor een besluit
Overweging 6
(6)   Door de financiële en economische crisis zijn belangrijke tekortkomingen in de economie van de Unie en haar lidstaten aan het licht gekomen en uitvergroot. De crisis heeft ook laten zien dat de economieën en arbeidsmarkten van de lidstaten onderling nauw vervlochten zijn. Het stimuleren van sterke, duurzame en inclusieve groei en het scheppen van banen in de Unie is de belangrijkste uitdaging van vandaag. Dit vereist gecoördineerde en ambitieuze beleidsmaatregelen op zowel EU-niveau als nationaal niveau, in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag en het economisch bestuur van de Unie. Door combinatie van activiteiten aan de vraag- en aanbodzijde moeten deze maatregelen ervoor zorgen dat investeringen worden gestimuleerd, opnieuw wordt ingezet op structurele hervormingen en budgettaire verantwoordelijkheid wordt genomen.
(6)   Door de financiële en economische crisis zijn ernstige tekortkomingen in de economieën van de lidstaten en de coördinatiemechanismen van de Unie aan het licht gekomen en uitvergroot. De crisis heeft ook laten zien dat de economieën en arbeidsmarkten van de lidstaten onderling nauw vervlochten zijn. Het stimuleren van sterke, duurzame en inclusieve groei en het scheppen van banen in de Unie, hetgeen inhoudt dat er een einde moet worden gemaakt aan de grote concentraties van werkloosheid in sommige delen van haar grondgebied, is de belangrijkste uitdaging van vandaag. Dit vereist vastberaden, gecoördineerde, ambitieuze maar vooral doeltreffende beleidsmaatregelen op zowel EU-niveau als nationaal niveau, in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag en het economisch bestuur van de Unie. Door combinatie van activiteiten aan de vraag- en aanbodzijde moeten deze maatregelen ervoor zorgen dat investeringen worden gestimuleerd, vooral investeringen die gericht zijn op de ontwikkeling van de kleine en middelgrote ondernemingen, micro-ondernemingen, innoverende start-ups en bedrijven die groene werkgelegenheid bevorderen, dat opnieuw wordt ingezet op structurele hervormingen en dat budgettaire verantwoordelijkheid wordt genomen Deze maatregelen moeten ook de totstandbrenging behelzen van een meer inclusieve, op rechten gebaseerde arbeidsmarkt, die geflankeerd wordt door passende sociale bescherming. Zij moeten tevens socialebeschermingsmaatregelen omvatten, zoals een overeenkomstig de nationale gebruiken in te voeren gegarandeerd minimuminkomen, met als doel extreme armoede en sociale uitsluiting tegen te gaan.
Amendement 12
Voorstel voor een besluit
Overweging 7
(7)   Daarnaast moeten de lidstaten en de Unie de sociale gevolgen van de crisis aanpakken en ernaar streven een hechte samenleving te ontwikkelen waarin mensen de kans krijgen om zich voor te bereiden op en om te gaan met veranderingen, en actief kunnen deelnemen aan de samenleving en de economie. Iedereen moet kansen en mogelijkheden krijgen, en armoede en sociale uitsluiting moeten worden verminderd, met name door ervoor te zorgen dat de arbeidsmarkten en de socialezekerheidsstelsels doeltreffend functioneren en door belemmeringen voor arbeidsparticipatie weg te nemen. Ook moeten de lidstaten verzekeren dat economische groei ten goede komt aan alle burgers en alle regio’s.
(7)   Daarnaast moeten de lidstaten en de Unie de sociale gevolgen van de crisis aanpakken door meer betrouwbare cijfers te verstrekken over extreme armoede, en ernaar streven een inclusieve, eerlijkere samenleving op te bouwen waarin mensen de kans krijgen om zich voor te bereiden op en om te gaan met veranderingen, en actief kunnen deelnemen aan de samenleving en de economie. Iedereen moet, zonder discriminatie, kansen en mogelijkheden krijgen, en armoede en sociale uitsluiting moeten ingrijpend worden verminderd, met name door ervoor te zorgen dat de arbeidsmarkten en de socialezekerheidsstelsels doeltreffend functioneren en door onnodige administratieve obstakels en belemmeringen voor arbeidsparticipatie, met name voor personen met een handicap, weg te nemen. Ook moeten de lidstaten verzekeren dat economische groei ten goede komt aan alle burgers en alle regionale en lokale entiteiten. Het scorebord van kernindicatoren op sociaal en werkgelegenheidsgebied in het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid is in dit kader een bijzonder nuttig instrument om de belangrijkste problemen en verschillen op sociaal en werkgelegenheidsgebied tijdig te signaleren en vast te stellen op welke gebieden beleidsmaatregelen het hardst nodig zijn. In toekomstige edities van het scorebord moeten echter ook naar gender uitgesplitste gegevens worden opgenomen.
Amendement 13
Voorstel voor een besluit
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  De Europese Rekenkamer heeft drie problemen bij de uitvoering van de Europese Jeugdgarantie geconstateerd: de adequaatheid van de totale financiering, de definitie van "deugdelijk aanbod" en de wijze waarop de Commissie de resultaten van de regeling monitort en daarover verslag uitbrengt.
Amendement 14
Voorstel voor een besluit
Overweging 7 ter (nieuw)
(7 ter)  In Besluit 2010/707/EU van de Raad worden de volgende doelstellingen opgesomd: de arbeidsparticipatiegraad van vrouwen en mannen in de leeftijdsgroep 20-64 jaar uiterlijk in 2020 op 75 % brengen, de schooluitval onder 10 % brengen en het aandeel van de bevolking in de leeftijdsgroep 30-34 jaar dat tertiair of gelijkwaardig onderwijs heeft voltooid optrekken tot ten minste 40 %, de sociale integratie bevorderen, met name via armoedereductie, door ernaar te streven ten minste 20 miljoen mensen te bevrijden van het risico op armoede en uitsluiting. De verwezenlijking van de Europa 2020-strategie op werkgelegenheids- en sociaal gebied blijft een kerndoelstelling van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten.
________________
1 bis Besluit 2010/707/EU van de Raad van 21 oktober 2010 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (PB L 308 van 24.11.2010, blz. 46).
Amendement 15
Voorstel voor een besluit
Overweging 8
(8)   Maatregelen overeenkomstig de richtsnoeren vormen een belangrijke bijdrage tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie. De richtsnoeren vormen een geïntegreerde reeks Europese en nationale beleidslijnen, die de lidstaten en de Unie ten uitvoer dienen te leggen ter verwezenlijking van de positieve overloopeffecten van gecoördineerde structurele hervormingen, een geschikte algehele mix van economisch beleid en een consistentere bijdrage van het Europees beleid aan de doelstellingen van de Europa 2020-strategie.
(8)   Maatregelen overeenkomstig de richtsnoeren vormen een belangrijke bijdrage tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie, die tot op heden grotendeels niet zijn verwezenlijkt. De uitkomst van de openbare raadpleging van 2014 over de Europa 2020-strategie laat duidelijk zien dat de doelstellingen op het gebied van werkgelegenheid, armoede, sociale uitsluiting en onderwijs van de strategie nog steeds uiterst relevant zijn, dat zij alle even belangrijk en onderling afhankelijk zijn en dat zij elkaar wederzijds versterken. De richtsnoeren vormen een geïntegreerde reeks Europese en nationale beleidslijnen, die de lidstaten en de Unie ten uitvoer dienen te leggen ter verwezenlijking van de positieve overloopeffecten van gecoördineerde hervormingen gericht op het terugdringen van ongelijkheden en het verhogen van het welzijn van burgers, een geschikte algehele mix van economisch beleid en een consistentere bijdrage van het Europees beleid aan de doelstellingen van de Europa 2020-strategie.
Amendement 16
Voorstel voor een besluit
Overweging 9
(9)   Hoewel deze richtsnoeren gericht zijn tot de lidstaten en de Unie, moeten zij ten uitvoer worden gelegd in partnerschap met alle nationale, regionale en lokale autoriteiten, in nauwe samenwerking met de parlementen, de sociale partners en de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld.
(9)   Bij het ontwerpen en ten uitvoer leggen van nationaal beleid moeten de lidstaten een doeltreffend bestuur waarborgen. Hoewel deze richtsnoeren gericht zijn tot de lidstaten en de Unie, moeten zij ten uitvoer gelegd, gecontroleerd en geëvalueerd worden in partnerschap met alle nationale, regionale en lokale autoriteiten, de parlementen, de sociale partners en de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld.
Amendement 17
Voorstel voor een besluit
Overweging 10
(10)   De lidstaten kunnen aan de hand van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid hervormingen doorvoeren, als afspiegeling van hun onderlinge afhankelijkheid. De richtsnoeren zijn in overeenstemming met het stabiliteits- en groeipact. De richtsnoeren moeten de basis vormen voor landenspecifieke aanbevelingen die de Raad tot de lidstaten kan richten,
(10)   De globale richtsnoeren voor het economisch beleid en de werkgelegenheidsrichtsnoeren sturen de lidstaten bij het doorvoeren van hervormingen en moeten de basis vormen voor landenspecifieke aanbevelingen die de Raad tot de lidstaten kan richten. Gezien de nauwe onderlinge afhankelijkheid van de economieën en arbeidsmarkten van de lidstaten, dient de Raad bij het vaststellen van landenspecifieke aanbevelingen rekening te houden met de stand van zaken in de buurlanden en landen waarmee de betrokken lidstaat duidelijke banden heeft op grond van een trend op het gebied van migratie van werknemers of een andere relevante indicator. In verband daarmee moet de Commissie beschikken over nauwkeurige en bijgewerkte statistieken voor het geval dat de landenspecifieke aanbevelingen moeten worden aangepast.
Amendement 18
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 5 – alinea 1
De lidstaten moeten het scheppen van werkgelegenheid vergemakkelijken, de belemmeringen voor ondernemingen om mensen in dienst te nemen verminderen, ondernemerschap bevorderen en met name de oprichting en groei van kleine ondernemingen ondersteunen, teneinde de arbeidsparticipatie van vrouwen en mannen te bevorderen. Ook dienen de lidstaten de sociale economie en sociale innovatie actief te bevorderen.
In samenwerking met de regionale en lokale autoriteiten moeten de lidstaten het ernstige probleem van de werkloosheid doeltreffend en voortvarend aanpakken en het scheppen van duurzame kwaliteitsbanen faciliteren en daarin investeren, werken aan de toegankelijkheid voor risicogroepen en de belemmeringen voor ondernemingen om mensen in dienst te nemen verminderen voor alle vaardigheidsniveaus en in alle marktsectoren, onder meer door onnodige bureaucratie af te schaffen, een en ander met inachtneming van sociale en arbeidsnormen, ondernemerschap onder jongeren bevorderen en met name de oprichting en groei van zeer kleine, kleine en middelgrote ondernemingen ondersteunen, teneinde de arbeidsparticipatiegraad van vrouwen en mannen te bevorderen. De lidstaten moeten onder andere banen in de groene, witte en blauwe sector en de sociale economie actief bevorderen en sociale innovatie stimuleren.
Amendement 19
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 5 – alinea 2
De belastingdruk moet worden verschoven van arbeid naar andere bronnen van belasting die minder nadelig zijn voor werkgelegenheid en groei, waarbij tegelijkertijd de inkomsten voor een adequate sociale bescherming en groeibevorderende uitgaven gewaarborgd worden. De verlaging van de belasting op arbeid moet gericht zijn op de relevante onderdelen van de belastingdruk en op het wegnemen van belemmeringen en negatieve prikkels voor de arbeidsparticipatie, met name voor degenen die het verst van de arbeidsmarkt af staan.
De belastingdruk moet worden verschoven van arbeid naar andere bronnen van belasting die minder nadelig zijn voor werkgelegenheid en groei, waarbij tegelijkertijd de inkomsten gewaarborgd worden voor een adequate sociale bescherming en uitgaven die gericht zijn op overheidsinvesteringen, innovatie en het scheppen van werkgelegenheid. De verlaging van de belasting op arbeid moet gericht zijn op de relevante onderdelen van de belastingdruk, op het aanpakken van discriminatie en op het wegnemen van belemmeringen en negatieve prikkels voor de arbeidsmarktparticipatie, met name voor personen met een handicap en degenen die het verst van de arbeidsmarkt af staan, een en ander met inachtneming van bestaande arbeidsnormen.
Amendement 20
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 5 – alinea 3
De lidstaten moeten samen met de sociale partners de ontwikkeling aanmoedigen van loonvormingsmechanismen waarmee lonen kunnen worden aangepast aan ontwikkelingen van de productiviteit. In dit verband moet rekening worden gehouden met verschillen in vaardigheden en lokale arbeidsmarktomstandigheden en de verschillen in economische prestaties tussen de regio’s, sectoren en ondernemingen. Bij het vaststellen van minimumlonen moeten de lidstaten en de sociale partners nagaan welke gevolgen dit zal hebben voor de armoede onder werkenden, het scheppen van werkgelegenheid en het concurrentievermogen.
Beleidsmaatregelen om ervoor te zorgen dat lonen een behoorlijk bestaansinkomen mogelijk maken, blijven belangrijk voor het scheppen van werkgelegenheid en het terugdringen van de armoede in de Unie. Daarom moeten de lidstaten samen met de sociale partners de ontwikkeling respecteren en aanmoedigen van loonvormingsmechanismen waarmee de reële lonen kunnen worden aangepast aan ontwikkelingen van de productiviteit en waarmee eerdere verschillen in loonkosten kunnen worden gecorrigeerd, zonder de deflatoire druk te vergroten. Deze mechanismen moeten zorgen voor voldoende middelen om in de basisbehoeften te voorzien, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke armoede-indicatoren van elke lidstaat. In dit verband moeten verschillen in vaardigheden en lokale arbeidsmarktomstandigheden naar behoren geëvalueerd worden met als doel leefbare lonen in de hele Unie mogelijk te maken. Bij het vaststellen van minimumlonen overeenkomstig de nationale wetten en gebruiken moeten de lidstaten en de sociale partners erop toezien dat die minimumlonen adequaat zijn en nagaan welke gevolgen dit zal hebben voor de armoede onder werkenden, de gezinsinkomens, de geaggregeerde vraag, het scheppen van werkgelegenheid en het concurrentievermogen.
Amendement 21
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 5 – alinea 3 bis (nieuw)
De lidstaten moeten de bureaucratische rompslomp verminderen om de lasten van kleine en middelgrote ondernemingen te verlichten, aangezien deze een aanzienlijke bijdrage leveren aan het scheppen van werkgelegenheid.
Amendement 22
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 6 – alinea 1
De lidstaten dienen de productiviteit en de inzetbaarheid te bevorderen door te zorgen voor voldoende relevante kennis en vaardigheden. De lidstaten moeten de noodzakelijke investeringen in onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels doen, en de doeltreffendheid en de efficiëntie ervan verbeteren om het vaardigheidsniveau van de beroepsbevolking te verhogen, zodat die beter kan anticiperen en inspelen op de snel veranderende behoeften van de dynamische arbeidsmarkten in een in toenemende mate digitale economie. De lidstaten moeten hun inspanningen opvoeren om de toegang te verbeteren tot kwalitatief hoogwaardig volwassenenonderwijs voor iedereen en strategieën uitvoeren voor actief ouder worden om langer werken mogelijk te maken.
De lidstaten dienen duurzame productiviteit en deugdelijke inzetbaarheid te bevorderen door te zorgen voor voldoende relevante kennis en vaardigheden, die voor iedereen beschikbaar en toegankelijk moeten worden gemaakt. Bijzondere aandacht moet uitgaan naar de gezondheidszorg, de sociale dienstverlening en de vervoersdiensten die te maken hebben, of op de middellange termijn te maken zullen krijgen, met een tekort aan personeel. De lidstaten moeten doeltreffend investeren in kwalitatief hoogwaardig en inclusief onderwijs vanaf jonge leeftijd en in beroepsopleidingsstelsels, en de doeltreffendheid en de efficiëntie ervan verbeteren om de kennis en het vaardigheidsniveau te verhogen en de diversiteit van de vaardigheden van de beroepsbevolking te vergroten, zodat die beter kan anticiperen en inspelen op de snel veranderende behoeften van de dynamische arbeidsmarkten in een in toenemende mate digitale economie. Met het oog hierop moet rekening worden gehouden met het feit dat "zachte vaardigheden" zoals communicatie steeds belangrijker worden voor een groot aantal beroepen.
Amendement 23
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 6 – alinea 1 bis (nieuw)
De lidstaten moeten ondernemerschap onder jongeren bevorderen door onder meer facultatieve ondernemerschapscursussen in te voeren en de oprichting van ondernemingen door scholieren en studenten op middelbare scholen en universiteiten aan te moedigen. De lidstaten moeten, in samenwerking met de lokale en regionale autoriteiten, hun inspanningen opvoeren om het voortijdig schoolverlaten van jongeren te voorkomen, de overgang van onderwijs en opleiding naar het beroepsleven soepeler te laten verlopen, de toegang te verbeteren tot en de belemmeringen weg te nemen voor hoogwaardig volwassenenonderwijs voor iedereen, met speciale nadruk op risicogroepen en hun behoeften, en omscholing aan te bieden wanneer banenverlies en veranderingen op de arbeidsmarkt actieve herintegratie vergen. Tegelijkertijd moeten de lidstaten strategieën uitvoeren voor actief ouder worden om gezond werken tot de werkelijke pensioenleeftijd mogelijk te maken.
Amendement 24
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 6 – alinea 1 ter (nieuw)
De lidstaten moeten het noodzakelijke vaardigheidsniveau waarborgen dat vereist is door een steeds veranderende arbeidsmarkt en moeten onderwijs- en opleiding ondersteunen, alsmede programma's voor volwassenenonderwijs, en er daarbij rekening mee houden dat er ook laaggekwalificeerde banen nodig zijn en dat hoogopgeleiden betere kansen op de arbeidsmarkt hebben dan gemiddeld en laagopgeleiden.
Amendement 25
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 6 – alinea 1 quater (nieuw)
De toegang tot betaalbare hoogwaardige voorschoolse educatie moet een prioriteit zijn voor alomvattend beleid en investeringen, in combinatie met gezins- en opvoedingsondersteuning en maatregelen om ouders te helpen werk en gezinsleven te combineren, waarmee wordt bijgedragen tot het voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten en het vergroten van de kansen van jongeren op de arbeidsmarkt.
Amendement 26
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 6 – alinea 2
De hoge werkloosheid moet worden aangepakt en langdurige werkloosheid moet worden voorkomen. Het aantal langdurig werklozen moet aanzienlijk worden verlaagd door middel van uitgebreide en elkaar versterkende strategieën, met inbegrip van voorzieningen voor specifieke actieve steun om langdurig werklozen op de arbeidsmarkt terug te laten keren. De jeugdwerkloosheid moet uitgebreid worden aangepakt, onder meer door de betrokken instellingen de nodige middelen te verstrekken om hun nationale uitvoeringsplannen voor de jongerengarantie volledig en consequent uit te voeren.
Het werkloosheidsprobleem, en met name langdurige werkloosheid en regionale hoge werkloosheid, moet doeltreffend en snel worden opgelost en worden voorkomen door een mix van maatregelen aan vraag- en aanbodzijde. Het aantal langdurig werklozen en het probleem van discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden en de verouderde vaardigheden moet worden aangepakt met uitgebreide en elkaar versterkende strategieën, met inbegrip van gepersonaliseerde actieve ondersteuning en passende socialebeschermingsregelingen om langdurig werklozen op een weloverwogen en verantwoorde wijze terug te laten keren op de arbeidsmarkt. De jeugdwerkloosheid moet uitgebreid worden aangepakt door middel van een algemene jeugdwerkgelegenheidsstrategie. Dit betekent onder meer investeren in sectoren die kwalitatief hoogwaardige banen voor jongeren kunnen creëren, enerzijds door de betrokken actoren, zoals ondersteunende diensten voor jongeren, onderwijs- en opleidingsinstellingen, jongerenorganisaties en openbare diensten voor arbeidsvoorziening, de nodige middelen te verstrekken om hun nationale uitvoeringsplannen voor de jongerengarantie volledig en consequent uit te voeren, maar anderzijds ook door het snel inzetten van middelen door de lidstaten. De toegang tot financiering voor wie een bedrijf wil starten moet worden vergemakkelijkt door middel van meer voorlichting, vermindering van de bureaucratische rompslomp en het scheppen van mogelijkheden om meerdere maanden werkloosheidsuitkeringen na indiening van een ondernemingsplan om te zetten in een subsidie van bij de start, overeenkomstig de nationale wetgeving.
Amendement 27
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 6 – alinea 2 bis (nieuw)
De lidstaten moeten bij de uitwerking en uitvoering van maatregelen ter bestrijding van de werkloosheid rekening houden met lokale en regionale verschillen en samenwerken met lokale diensten voor arbeidsvoorziening.
Amendement 28
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 6 – alinea 3
De structurele tekortkomingen in de onderwijs- en opleidingsstelsels moeten worden aangepakt om te zorgen voor hoogwaardige leerresultaten en vroegtijdig schoolverlaten te voorkomen en tegen te gaan. De lidstaten moeten het opleidingsniveau verhogen alsmede stelsels voor duaal leren en de verbetering van beroepsopleidingen overwegen, terwijl tegelijkertijd de mogelijkheden voor de erkenning van vaardigheden die buiten het formele onderwijssysteem zijn verworven, moeten worden uitgebreid.
De structurele tekortkomingen in de onderwijs- en opleidingsstelsels moeten worden aangepakt om te zorgen voor hoogwaardige leerresultaten, vroegtijdig schoolverlaten te voorkomen en tegen te gaan en alomvattend, kwalitatief hoogwaardig onderwijs vanaf het laagste niveau te bevorderen. Dit vereist flexibele onderwijsstelsels waarbij de nadruk op de praktijk ligt. De lidstaten moeten, in samenwerking met de lokale en regionale autoriteiten, de kwaliteit van leerresultaten verhogen door het onderwijs voor iedereen toegankelijk te maken, aan hun behoeften aangepaste stelsels voor duaal leren opzetten en verbeteren door de beroepsopleidingen en bestaande kaders zoals europass te verbeteren, en waar nodig voor passende omscholing te zorgen en ervoor te zorgen dat vaardigheden die buiten het formele onderwijssysteem zijn verworven, worden erkend. De banden tussen onderwijs en arbeidsmarkt moeten worden aangehaald, waarbij erop moet worden toegezien dat het onderwijs breed genoeg is om een solide basis voor levenslange inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te bieden.
Amendement 29
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 6 – alinea 3 bis (nieuw)
De lidstaten moeten hun opleidingssystemen beter afstemmen op de arbeidsmarkt om de overgang van opleiding naar beroepsleven te verbeteren. Vooral in de context van de digitalisering en op het gebied van nieuwe technologieën zijn groene banen en gezondheidszorg essentieel.
Amendement 30
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 6 – alinea 4
De belemmeringen voor arbeidsparticipatie moeten worden verminderd, met name voor vrouwen, oudere werknemers, jongeren, gehandicapten en legale migranten. Gendergelijkheid, met inbegrip van gelijke beloning, moet worden verzekerd op de arbeidsmarkt, net zoals de toegang tot betaalbare kwalitatief hoogwaardige voorschoolse educatie en opvang.
Discriminatie op de arbeidsmarkt en bij de toegang tot de arbeidsmarkt moet verder worden teruggedrongen, met name voor groepen die met discriminatie of uitsluiting worden geconfronteerd, zoals vrouwen, oudere werknemers, jongeren, personen met een handicap en legale migranten. Gendergelijkheid, met inbegrip van gelijke beloning, moet worden verzekerd op de arbeidsmarkt, net zoals de toegang tot betaalbare kwalitatief hoogwaardige voorschoolse educatie, en de flexibiliteit die nodig is om uitsluiting te voorkomen van mensen die hun loopbaan hebben onderbroken in verband met verantwoordelijkheden in de persoonlijke sfeer, zoals mantelzorgers. In dit verband moeten de lidstaten de richtlijn inzake vrouwen in raden van bestuur deblokkeren.
Amendement 31
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 6 – alinea 4 bis (nieuw)
In dit verband moet rekening worden gehouden met het feit dat het percentage jongeren dat niet werkt en evenmin onderwijs of een opleiding volgt (NEET's) voor vrouwen hoger is dan voor mannen en dat het NEET-fenomeen in de eerste plaats wordt veroorzaakt door een stijgende jeugdwerkloosheid, maar ook door met gebrek aan onderwijs samenhangende inactiviteit.
Amendement 32
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 6 – alinea 5
De lidstaten moeten optimaal gebruikmaken van steunverlening door het Europees Sociaal Fonds en andere fondsen van de Unie om de werkgelegenheid, de sociale integratie, het onderwijs en de overheidsdiensten te verbeteren.
De lidstaten moeten optimaal en op doeltreffende en efficiënte wijze gebruikmaken van steunverlening door het Europees Sociaal Fonds en andere fondsen van de Unie om armoede te bestrijden en hoogwaardige werkgelegenheid, de sociale integratie, het openbaar bestuur en de openbare dienstverlening te verbeteren. Het Europees Fonds voor strategische investeringen en de investeringsplatformen daarvan moeten ook worden gemobiliseerd om ervoor te zorgen dat kwalitatief hoogwaardige banen worden gecreëerd en werknemers de vaardigheden kunnen verwerven die nodig zijn voor de overgang van de Unie naar een model voor duurzame groei.
Amendement 33
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 7 – alinea 1
De lidstaten moeten de compartimentering van de arbeidsmarkt verminderen. Wetgeving en instellingen voor arbeidsbescherming moeten zorgen voor een passend klimaat om aanwervingen te bevorderen en moeten voldoende bescherming bieden voor werknemers, werkzoekenden en degenen met een tijdelijk contract of een contract voor zelfstandig werk. Kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid moet worden gewaarborgd op het gebied van sociaaleconomische zekerheid, mogelijkheden voor onderwijs en opleiding, arbeidsomstandigheden (inclusief gezondheid en veiligheid) en het evenwicht tussen werk en privéleven.
De lidstaten moeten de compartimentering van de arbeidsmarkt verminderen door onzeker werk, verborgen werkloosheid, zwartwerk en nul-uren-contracten aan te pakken. Wetgeving en instellingen voor arbeidsbescherming moeten zorgen voor een passend klimaat om aanwervingen te bevorderen en moeten voldoende bescherming bieden voor werknemers, werkzoekenden en degenen met een tijdelijk contract, een deeltijdcontract, een atypisch contract of een contract voor zelfstandig werk, door de sociale partners actief te betrekken en collectieve arbeidsonderhandelingen te bevorderen. Kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid moet voor iedereen worden gewaarborgd in de zin van sociaaleconomische zekerheid, duurzaamheid, passende lonen, rechten op het werk, behoorlijke werkomstandigheden (inclusief gezondheid en veiligheid), sociale zekerheid, gendergelijkheid, en mogelijkheden voor onderwijs en opleiding. Daarom moeten de intreding van jongeren en de herintreding van langdurig werklozen op de arbeidsmarkt worden bevorderd en moet het evenwicht tussen werk en privéleven worden verbeterd door te zorgen voor betaalbare opvang en door de organisatie van het werk te moderniseren. Opwaartse convergentie van arbeidsomstandigheden moet in de gehele Unie worden bevorderd.
Amendement 34
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 7 – alinea 1 bis (nieuw)
De toegang tot de arbeidsmarkt moet het ondernemerschap, het scheppen van duurzame banen in alle sectoren, waaronder groene werkgelegenheid, alsook de sociale zorg en innovatie vergemakkelijken, zodat de vaardigheden van personen optimaal kunnen worden benut, hun levenslange ontwikkeling wordt gestimuleerd en van de werknemer uitgaande innovatie wordt aangemoedigd.
Amendement 35
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 7 – alinea 2
De lidstaten moeten de nationale parlementen en de sociale partners nauw betrekken bij het ontwerp en de uitvoering van relevante hervormingen en beleidslijnen, in overeenstemming met de nationale praktijken, en de verbetering van de werking en de doeltreffendheid van de sociale dialoog op nationaal niveau ondersteunen.
De lidstaten moeten de nationale parlementen, de sociale partners, de maatschappelijke organisaties en de regionale en lokale autoriteiten nauw betrekken bij het ontwerp en de uitvoering van relevante hervormingen en beleidslijnen, in overeenstemming met het partnerschapsbeginsel en de nationale praktijken, en de werking en de doeltreffendheid van de sociale dialoog op nationaal niveau ondersteunen, met name in die landen waar grote problemen bestaan met loondevaluaties als gevolg van de recente deregulering van de arbeidsmarkten en de zwakke positie van collectieve onderhandelingen.
Amendement 36
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 7 – alinea 3
De lidstaten moeten het actief arbeidsmarktbeleid versterken door vergroting van de doelgerichtheid, de reikwijdte, het toepassingsgebied en de wisselwerking met passieve maatregelen. Dit beleid moet gericht zijn op verbetering van de afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en duurzame overgangen op de arbeidsmarkt ondersteunen, waarbij de openbare diensten voor arbeidsvoorziening geïndividualiseerde ondersteuning bieden en prestatiemeetsystemen invoeren. De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat hun socialebeschermingsstelsels mensen die kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt daadwerkelijk stimuleren en kansen bieden, bescherming bieden aan mensen die (tijdelijk) zijn uitgesloten van de arbeidsmarkt en/of niet in staat zijn om daaraan deel te nemen, en mensen voorbereiden op potentiële risico’s door te investeren in menselijk kapitaal; de lidstaten moeten voor iedereen openstaande inclusieve arbeidsmarkten bevorderen en voorzien in doeltreffende antidiscriminatiemaatregelen.
De lidstaten moeten zorgen voor basiskwaliteitsnormen voor arbeidsmarktbeleid door de doelgerichtheid, de reikwijdte, het toepassingsgebied en de wisselwerking met ondersteunende maatregelen, zoals de sociale zekerheid, te verbeteren. Dit beleid moet gericht zijn op verbetering van de toegang tot de arbeidsmarkt en versterking van de collectieve onderhandelingen en de sociale dialoog, en duurzame overgangen op de arbeidsmarkt ondersteunen, waarbij hooggekwalificeerde openbare diensten voor arbeidsvoorziening geïndividualiseerde ondersteuning bieden en prestatiemeetsystemen invoeren. De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat hun socialebeschermingsstelsels mensen die kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt daadwerkelijk stimuleren en kansen bieden, bescherming bieden aan mensen die (tijdelijk) zijn uitgesloten van de arbeidsmarkt en/of niet in staat zijn om daaraan deel te nemen, en mensen voorbereiden op potentiële risico’s en veranderende economische en sociale omstandigheden door te investeren in menselijk kapitaal. De lidstaten moeten, als een van de mogelijke maatregelen om armoede terug te dringen, overeenkomstig de nationale gebruiken een minimuminkomen invoeren dat in verhouding staat tot hun specifieke sociaaleconomische situatie. De lidstaten moeten voor iedereen openstaande inclusieve arbeidsmarkten bevorderen en voorzien in doeltreffende antidiscriminatiemaatregelen.
Amendement 37
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 7 – alinea 4
De mobiliteit van werknemers moet worden verzekerd met het oog op de benutting van het volledige potentieel van de Europese arbeidsmarkt, onder meer door de overdraagbaarheid van pensioenrechten en de erkenning van beroepskwalificaties te verbeteren. De lidstaten moeten tegelijkertijd maatregelen nemen om misbruik van de geldende regels te voorkomen.
De mobiliteit van werknemers moet worden verzekerd, als een grondrecht en een kwestie van vrije keuze, met het oog op de benutting van het volledige potentieel van de Europese arbeidsmarkt, onder meer door de overdraagbaarheid van pensioenrechten en de daadwerkelijke erkenning van beroepskwalificaties en vaardigheden te verbeteren en bestaande bureaucratische en andere obstakels weg te nemen. De lidstaten moeten tegelijkertijd taalbarrières aanpakken door opleidingsstelsels in dit opzicht te verbeteren. De lidstaten moeten ook naar behoren gebruikmaken van het Eures-netwerk om de mobiliteit van werknemers te bevorderen. Investeringen in regio's die te maken hebben met de uitstroom van arbeidskrachten moeten worden bevorderd om braindrain te beperken en mobiele werknemers aan te moedigen terug te keren.
Amendement 38
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 7 bis (nieuw) – titel
Verbeteren van de kwaliteit en prestaties van onderwijs- en opleidingsstelsels op alle niveaus
Amendement 39
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 7 bis (nieuw)
De lidstaten moeten de toegang tot zorg en betaalbare kwalitatief hoogwaardige voorschoolse educatie tot prioriteit verheffen, aangezien beide belangrijke ondersteunende maatregelen zijn voor actoren op de arbeidsmarkt, bijdragen tot een toenemende algemene arbeidsparticipatie en mensen ondersteunen bij hun verantwoordelijkheden. De lidstaten moeten zorgen voor de alomvattende beleidsmaatregelen en investeringen die nodig zijn om de gezins- en ouderschapsondersteuning te verbeteren, en maatregelen vaststellen die ouders helpen werk en gezinsleven te combineren, om bij te dragen tot het voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten en de kansen van jongeren op de arbeidsmarkt te verhogen.
Amendement 40
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 8 – titel
Waarborgen van billijkheid, bestrijden van armoede en bevorderen van gelijke kansen
Waarborgen van sociale rechtvaardigheid, bestrijden van armoede en bevorderen van gelijke kansen
Amendement 41
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 8 – alinea 1
De lidstaten moeten hun socialebeschermingsstelsels moderniseren om te voorzien in een doeltreffende, efficiënte en passende bescherming gedurende alle levensstadia, billijkheid te waarborgen en ongelijkheden aan te pakken. Er is behoefte aan een vereenvoudigd en gerichter sociaal beleid, aangevuld met betaalbare en kwalitatief hoogwaardige kinderopvang en betaalbaar en kwalitatief hoogwaardig onderwijs, opleiding en werkondersteuning, huisvestingssteun, toegankelijke gezondheidszorg, toegang tot basisdiensten zoals een bankrekening en internet, preventie van vroegtijdig schoolverlaten en bestrijding van sociale uitsluiting.
De lidstaten moeten in samenwerking met de lokale en regionale autoriteiten hun socialebeschermingsstelsels verbeteren door basisnormen vast te stellen om te voorzien in een doeltreffende, efficiënte en duurzame bescherming gedurende alle levensstadia, een leven in waardigheid, solidariteit, toegang tot sociale bescherming, volledige eerbiediging van sociale rechten en billijkheid, ongelijkheden aan te pakken en inclusie te waarborgen om de armoede uit te roeien, met name onder degenen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten en bij de meest kwetsbare groepen. Er is behoefte aan een vereenvoudigd, gerichter en ambitieuzer sociaal beleid, met onder meer betaalbare en kwalitatief hoogwaardige kinderopvang en betaalbaar en kwalitatief hoogwaardig onderwijs, doeltreffende opleiding en werkondersteuning, huisvestingssteun, hoogwaardige, voor iedereen toegankelijke gezondheidszorg, toegang tot basisdiensten zoals bankrekeningen en internet, preventie van vroegtijdig schoolverlaten en bestrijding van extreme armoede, sociale uitsluiting en meer in het algemeen elke vorm van armoede. Met name armoede onder kinderen moet vastberaden worden aangepakt.
Amendement 42
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 8 – alinea 2
Hiertoe moeten uiteenlopende instrumenten op complementaire wijze worden gebruikt, met inbegrip van diensten voor activering van de arbeidsmarkt en inkomenssteun die afgestemd is op individuele behoeften. De socialebeschermingsstelsels moeten zodanig worden opgezet dat alle rechthebbenden erdoor worden bestreken, dat investeringen in menselijk kapitaal worden ondersteund, en dat armoede wordt voorkomen, verminderd en bestreden.
Hiertoe moeten uiteenlopende instrumenten op complementaire wijze worden gebruikt, met inbegrip van diensten voor activering van de arbeidsmarkt en inkomenssteun die afgestemd is op individuele behoeften. In dit verband is het aan elke lidstaat om de hoogte van een gegarandeerd minimumloon vast te stellen in overeenstemming met de nationale gebruiken en in verhouding tot de specifieke sociaaleconomische situatie van de lidstaat in kwestie. De socialebeschermingsstelsels moeten zodanig worden opgezet dat de toegang en deelname van iedereen zonder discriminatie wordt gefaciliteerd, dat investeringen in menselijk kapitaal worden ondersteund, dat armoede wordt voorkomen en verminderd en dat de mensen beschermd worden tegen armoede en sociale uitsluiting, alsook tegen andere risico's, zoals gezondheidsproblemen of baanverlies. Speciale aandacht moet uitgaan naar kinderen die in armoede leven omdat hun ouders langdurig werkloos zijn.
Amendement 43
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 8 – alinea 3
De pensioenstelsels moeten worden hervormd om de duurzaamheid en geschiktheid ervan voor vrouwen en mannen te verzekeren in de context van de stijgende levensverwachting en demografische veranderingen, onder meer door de wettelijke pensioenleeftijd aan de levensverwachting te koppelen, de effectieve pensioenleeftijd te verhogen, en aanvullende pensioenspaarregelingen te ontwikkelen.
De pensioenstelsels moeten zo gestructureerd worden dat hun duurzaamheid, zekerheid en geschiktheid voor vrouwen en mannen gewaarborgd worden doordat de pensioenregelingen versterkt worden en mikken op een behoorlijk pensioeninkomen dat ten minste boven de armoedegrens ligt. De pensioenstelsels moeten zorgen voor consolidatie, verdere ontwikkeling en verbetering van de drie pijlers van pensioenspaarregelingen. De pensioengerechtigde leeftijd verbinden aan de levensverwachting is niet de enige manier om de vergrijzing aan te pakken. Pensioenstelselhervormingen moeten onder meer ook de tendensen op de arbeidsmarkt, de geboortecijfers, de demografische situatie, de situatie op het gebied van gezondheid en rijkdom, de arbeidsomstandigheden en de economische afhankelijkheidsratio weerspiegelen. De beste wijze om het vergrijzingsprobleem aan te pakken is het vergroten van de totale arbeidsparticipatie, onder meer door te bouwen op sociale investeringen in actief ouder worden.
Amendement 44
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 8 – alinea 4
De lidstaten moeten de toegankelijkheid, efficiëntie en doeltreffendheid van de stelsels voor gezondheidszorg en langdurige zorg verbeteren en tegelijkertijd de budgettaire houdbaarheid ervan te waarborgen.
De lidstaten moeten de kwaliteit, betaalbaarheid, toegankelijkheid, efficiëntie en doeltreffendheid van stelsels voor gezondheidszorg en langdurige zorg en de sociale diensten verbeteren en zorgen voor behoorlijke arbeidsomstandigheden in de desbetreffende sectoren, en tegelijkertijd de financiële houdbaarheid van die stelsels waarborgen door de op solidariteit gebaseerde financiering te verbeteren.
Amendement 45
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 8 – alinea 4 bis (nieuw)
De lidstaten moeten volledig gebruik maken van het Europees Sociaal Fonds en andere fondsen van de Unie om armoede, sociale uitsluiting en discriminatie te bestrijden, de toegankelijkheid voor personen met een handicap te verbeteren, gelijkheid tussen vrouwen en mannen te bevorderen en het openbaar bestuur te verbeteren.
Amendement 46
Voorstel voor een besluit
Bijlage – Richtsnoer 8 – alinea 4 ter (nieuw)
De kerndoelen van de Europa 2020-strategie, op basis waarvan de lidstaten, met inachtneming van hun desbetreffende uitgangsposities en nationale omstandigheden, hun nationale doelen vaststellen, behelzen het streven de arbeidsparticipatiegraad voor vrouwen en mannen in de leeftijdscategorie 20-64 jaar voor 2020 op 75 % te brengen, de schooluitval onder de 10% te brengen, het deel van de bevolking in de leeftijdsgroep 30-34 jaar dat tertiair of gelijkwaardig onderwijs heeft voltooid op te trekken tot ten minste 40%, en sociale insluiting te bevorderen, met name door armoedevermindering, door ernaar te streven ten minste 20 miljoen mensen te bevrijden van het risico op armoede en uitsluiting1bis.
__________________
1 bis De populatie wordt gedefinieerd als het aantal personen met een risico op armoede of uitsluiting volgens drie indicatoren (armoederisico; materiële ontbering; huishouden zonder baan), waarbij de lidstaten hun nationale doelen aan de hand van de meest geschikte van deze indicatoren vrijelijk kunnen bepalen, rekening houdend met hun nationale omstandigheden en prioriteiten.

Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2015/001 FI/Broadcom – Finland
PDF 265kWORD 73k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 8 juli 2015 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2015/001 FI/Broadcom, ingediend door Finland) (COM(2015)0232 – C8-0135/2015 – 2015/2125(BUD))
P8_TA(2015)0262A8-0210/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0232 – C8-0135/2015),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12 hiervan,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13 hiervan,

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0210/2015),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd op het overleg van 17 juli 2008, en met eerbiediging van het IIA van 2 december 2013 wat betreft het nemen van besluiten om middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) beschikbaar te maken;

C.  overwegende dat de vaststelling van de nieuwe EFG-verordening vorm geeft aan de overeenkomst tussen het Parlement en de Raad om het criterium "crisisafwijking" opnieuw in te voeren, de financiële bijdrage van de Unie te verhogen tot 60% van de totale geraamde kosten van de voorgestelde maatregelen, de efficiëntie voor de behandeling van EFG-aanvragen in de Commissie en door het Parlement en de Raad te verhogen door de termijn voor beoordeling en goedkeuring te verkorten, de subsidiabele maatregelen en begunstigden uit te breiden door zelfstandigen en jongeren toe te voegen en stimuleringsmaatregelen voor de oprichting van een eigen bedrijf te financieren;

D.  overwegende dat Finland aanvraag EGF/2015/001 FI/Broadcom heeft ingediend voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van 568 ontslagen bij Broadcom Communications Finland, actief in de NACE Rev. 2-afdeling 46 ("Groothandel, met uitzondering van de handel in auto's en motorfietsen")(4), en twee leveranciers, respectievelijk downstreamproducenten;

E.  overwegende dat de aanvraag voldoet aan de criteria voor subsidiabiliteit van de EFG-verordening;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening en dat Finland bijgevolg recht heeft op een financiële bijdrage ter hoogte van 1 365 000 EUR op grond van die verordening;

2.  merkt op dat de Finse autoriteiten de aanvraag voor een financiële bijdrage uit het EFG op 30 januari 2015 hebben ingediend en dat de beoordeling daarvan door de Commissie op 2 juni 2015 is gepubliceerd; is ingenomen met het feit dat de beoordeling in minder dan vijf maanden is afgerond;

3.  wijst erop dat in de jaren 2000 het aantal personeelsleden in Finse dochterondernemingen op alle continenten is toegenomen, maar dat vanaf 2004 Azië duidelijk de grootste werkgever in de elektronica- en elektrosector werd, en het aantal personeelsleden in Europa begon te dalen; is van mening dat de ontslagen bij Broadcom ten dele verband houden met de trend in de hele Finse elektronicasector, die een triest dieptepunt bereikte met de aankondiging van massa-ontslagen door Nokia in 2011; is evenwel van mening dat deze gebeurtenissen in hoge mate verband houden met door de globalisering veroorzaakte grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen;

4.  wijst erop dat deze ontslagen de werkloosheidssituatie verder verergeren, in het bijzonder in de regionale economie in Noord-Ostrobothnia (een deel van regio FI1A van NUTS-niveau 2(5)), waar 424 van de 568 ontslagen zijn gevallen; wijst erop dat in deze regio de werkloosheidscijfers steeds een paar procentpunten boven het nationale gemiddelde liggen; wijst erop dat in augustus 2014 de nationale werkloosheid 12,2% bedroeg, terwijl dit voor Noord-Ostrobothnia 14,1% en voor de meest getroffen stad, Oulu, 16,1% was, en dat dezelfde regio zwaar werd getroffen door de grootschalige ontslagen bij Nokia vanaf 2011;

5.  is van mening dat de bedrijfsenquêtes en -bezoeken niet alleen nuttig kunnen zijn voor de ontslagen werknemers die onder deze aanvraag vallen, maar ook kunnen bijdragen tot het vergaren van kennis over werkgelegenheidskwesties in deze sector met het oog op toekomstige ontslagen; merkt op dat deze specifieke acties al een vervolg zijn op een soortgelijke maatregel in het kader van een eerdere Finse EFG-aanvraag (EGF/2013/001 FI/Nokia);

6.  wijst erop dat tot op heden voor de sector "Groothandel, met uitzondering van de handel in auto's en motorfietsen" nog één andere EFG-aanvraag is ingediend (EGF/2010/012 NL/Noord Holland ICT), die ook was gebaseerd op het criterium van globalisering;

7.  stelt met tevredenheid vast dat de Finse autoriteiten op 11 augustus 2014 hebben besloten met de uitvoering van de individuele diensten voor de getroffen werknemers te beginnen om de werknemers snel bijstand te verlenen, ruimschoots vooruitlopend op het besluit over en de aanvraag voor toekenning van EFG-steun voor het voorgestelde gecoördineerde pakket;

8.  wijst erop dat Finland drie soorten maatregelen plant voor de ontslagen werknemers voor wie in deze aanvraag steun wordt aangevraagd: i) de ontslagen werknemers helpen een nieuwe baan te vinden, ii) de ontslagen werknemers helpen een eigen bedrijf op te richten, en iii) onderwijs en opleiding verstrekken;

9.  merkt op dat de autoriteiten voornemens zijn 17,46% van alle kosten te gebruiken voor toelagen en stimulansen in de vorm van loonsubsidies (als deel van het loon voor elke arbeidsverhouding die tot stand wordt gebracht voor een werknemer voor wie steun wordt aangevraagd) en vergoedingen voor reis-, verblijfs- en verhuiskosten, wat neerkomt op de helft van de maximaal toegestane 35% voor dergelijke maatregelen;

10.  is verheugd over de procedures die de Finse autoriteiten hebben gevolgd voor het overleg met de beoogde begunstigden, hun vertegenwoordigers of de sociale partners, alsook plaatselijke en regionale autoriteiten;

11.  herinnert eraan dat de inzetbaarheid van alle werknemers verbeterd moet worden door middel van aangepaste opleidingen en de erkenning van de in de loop van het beroepsleven opgedane vaardigheden en bekwaamheden; verwacht dat de opleiding die in het gecoördineerde pakket wordt aangeboden, niet alleen is afgestemd op de behoeften van de ontslagen werknemers, maar ook op het huidige ondernemingsklimaat;

12.  herinnert eraan dat in artikel 7 van de EFG-verordening is bepaald dat het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening zo moet worden samengesteld dat rekening wordt gehouden met de toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden, en dat het pakket verenigbaar is met de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie;

13.  is ingenomen met de complementariteit van de EFG-maatregelen met andere acties die nationaal of door de Unie worden gefinancierd;

14.  merkt op dat de informatie die is verstrekt over het gecoördineerde pakket van individuele diensten dat uit het EFG moet worden gefinancierd, gegevens bevat over de complementariteit met maatregelen die worden gefinancierd uit de structuurfondsen; wijst er met nadruk op dat de Finse autoriteiten bevestigen dat voor de subsidiabele maatregelen geen steun uit andere financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om in haar jaarverslagen een vergelijkende evaluatie van deze gegevens op te nemen, om er zeker van te zijn dat de bestaande verordeningen volledig in acht worden genomen en om te voorkomen dat door de Unie gefinancierde diensten dubbel worden aangeboden;

15.  waardeert de verbeterde procedure die de Commissie op verzoek van het Parlement in het leven heeft geroepen om de toekenning van subsidies te versnellen; neemt nota van de tijdsdruk die het nieuwe tijdschema met zich meebrengt, en van de mogelijke gevolgen voor de doeltreffendheid van de afhandeling van het dossier;

16.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

17.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag EGF/2015/001 FI/Broadcom, ingediend door Finland)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2015/1477.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3037/90 en enkele EG-verordeningen op specifieke statistische gebieden (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1).
(5) Verordening (EU) nr. 1046/2012 van de Commissie van 8 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS), wat de indiening van tijdreeksen voor de nieuwe regionale indeling betreft (PB L 310 van 9.11.2012, blz. 34).


Begroting 2016 - mandaat voor de trialoog
PDF 1633kWORD 807k
Resolutie
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 8 juli 2015 over het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2016 (2015/2074(BUD))
P8_TA(2015)0263A8-0217/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 312 en 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, goedgekeurd door de Commissie op 24 juni 2015 (COM(2015)0300),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over de algemene richtsnoeren voor het opstellen van de begroting voor 2016, afdeling III – Commissie(4),

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 februari 2015 betreffende de begrotingsrichtsnoeren voor 2016,

–  gezien titel II, hoofdstuk 8, van zijn Reglement,

–  gezien de brieven van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie internationale handel, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie constitutionele zaken,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0217/2015),

Ontwerpbegroting 2016: eerbiediging van de toezeggingen en de financieringsprioriteiten

1.  herinnert eraan dat het Parlement in zijn hierboven bedoelde resolutie van 11 maart 2015 de schepping van degelijke en kwaliteitsvolle werkgelegenheid en de ontwikkeling van ondernemingen en ondernemerschap voor slimme, duurzame en inclusieve groei in de gehele Unie, samen met interne en externe solidariteit binnen een veilig Europa, als zijn kernprioriteiten voor de begroting 2016 heeft vastgesteld; herhaalt zijn gehechtheid aan de eerbiediging van zowel juridische als politieke toezeggingen en zijn verzoek aan de instellingen om hun beloften na te komen;

2.  onderstreept in dit verband dat in het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2014-2020 niet alleen maxima voor alle rubrieken zijn vastgesteld, maar dat er ook is voorzien in specifieke en maximale flexibiliteit om de Unie in staat te stellen haar juridische verplichtingen na te komen, alsook in speciale instrumenten om de Unie in staat te stellen op specifieke onvoorziene omstandigheden te reageren of om duidelijk omschreven uitgaven boven de maxima te financieren;

3.  is ingenomen met het feit dat de Commissie in haar ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 de bovengenoemde prioriteiten bekrachtigt en meer EU-steun voorstelt voor investeringen, kennis, banen en op groei gerichte programma's, en met name voor een symbolisch mobiliteitsprogramma zoals Erasmus+; is van mening dat de ontwerpbegroting 2016 een welkome stap is om de lidstaten te helpen structurele problemen aan te pakken, met name het teruglopende concurrentievermogen; is tevreden dat, naast terecht verwachte verhogingen in rubriek 3 (Veiligheid en burgerschap) en rubriek 4 (Europa als wereldspeler), de Commissie de uitdaging aangaat in te spelen op nieuwe ontwikkelingen zoals de crisis in Oekraïne, Syrië en de Middellandse Zee, door te reageren op behoeften van de EU en de lidstaten op het gebied van veiligheid en migratie en door blijk te geven van een sterke politieke wil op het gebied van extern optreden en van begrotingstoezeggingen ten aanzien van landen van oorsprong en doorvoer;

4.  is ingenomen met de opname van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) in de ontwerpbegroting 2016, en in het bijzonder met de beschikbaarstelling van de overkoepelende marge voor vastleggingen, om een deel van de vereiste uitgaven voor het EFSI-Garantiefonds van 8 miljard EUR te dekken, in plaats van enkel middelen weg te snoeien bij Horizon 2020 en de Connecting Europe Facility (CEF); benadrukt dat het Parlement ernaar gestreefd heeft de maximale omvang van de gevolgen voor deze twee programma's tot een minimum te herleiden en dat het door de cowetgevers bereikte akkoord deze besnoeiingen verder met in totaal 1 miljard EUR vermindert, waarbij onder meer fundamenteel onderzoek buiten schot is gebleven; verwacht dat de definitieve EFSI-overeenkomst zo spoedig mogelijk in de begroting 2016 tot uiting komt, op basis van een nota van wijzigingen;

5.  herinnert er echter aan dat het besluit over de jaarlijkse kredieten die worden toegestaan voor de oprichting van het EFSI-Garantiefonds alleen door de begrotingsautoriteit zullen worden genomen in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure; verbindt zich er in deze context toe de bezuinigingen die Horizon 2020 en de CEF treffen en nog steeds aanzienlijk blijven, verder te compenseren zodat deze programma's volledig de doelstellingen kunnen verwezenlijken die pas twee jaar geleden naar aanleiding van de onderhandelingen over hun respectieve rechtsgronden zijn overeengekomen; is tevens van plan nauwlettend te onderzoeken of deze besparingen moeten worden geconcentreerd in de jaren 2016-2018, zoals voorgesteld door de Commissie, of verder moeten worden gespreid over de jaren 2019-2020 om zo de gevolgen voor deze programma’s te beperken;

6.  betreurt dat het programma voor het concurrentievermogen van bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen (COSME) in 2016 een nominale verlaging van de vastleggingskredieten ondergaat ten opzichte van 2015; wijst op het uiterst negatieve signaal dat van een dergelijke verlaging zou uitgaan op een ogenblik dat het potentieel van kmo's om te innoveren en banen te creëren hard nodig is om het herstel in de EU te bevorderen, de investeringskloof te verkleinen en bij te dragen aan de toekomstige welvaart van de Unie; herinnert eraan dat de bevordering van ondernemerschap, de verbetering van het concurrentievermogen en van de toegang tot markten van ondernemingen in de Unie, met inbegrip van sociale ondernemingen, en de verbetering van de toegang tot financiering voor kmo's die in aanzienlijke mate bijdragen aan de economie en het concurrentievermogen van Europa, prioriteiten zijn die duidelijk worden gedeeld door alle instellingen en die de rechtvaardiging vormden om de kredieten voor COSME de afgelopen twee jaar vervroegd beschikbaar te stellen en te verhogen, waarbij rekening werd gehouden met het hoge uitvoeringspercentage van het programma; is daarom van plan erop toe te zien dat dit programma in 2016 een positieve ontwikkeling kent;

7.  herhaalt zijn bezorgdheid over de financiering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI) als een essentieel instrument voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid in de Unie, wat een topprioriteit is voor alle Europese besluitvormers; wijst op de vervroegde financiering van het YEI en de aanvullende toewijzing in 2014 en 2015; betreurt dat er voor 2016 geen nieuwe vastleggingen worden voorgesteld; herinnert eraan dat het MFK voorziet in een overkoepelende marge voor vastleggingen die vanaf 2016 boven de maxima beschikbaar worden gesteld voor beleidsdoelstellingen met betrekking tot groei en werkgelegenheid, en in het bijzonder werkgelegenheid voor jongeren; herinnert er bijgevolg aan dat in de verordening betreffende het Europees Sociaal Fonds is bepaald dat de middelen voor het YEI voor de jaren 2016-2020 in het kader van de begrotingsprocedure naar boven kunnen worden herzien; pleit daarom voor de voortzetting van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en daarbij gebruik te maken van alle flexibiliteit waarin het MFK voorziet, en is van plan ervoor te zorgen dat de begroting 2016 in de nodige bedragen voorziet;

8.  merkt op dat, dankzij een tijdig akkoord over de herprogrammering van de vastleggingen onder gedeeld beheer in het kader van het MFK 2014-2020 als gevolg van de laattijdige goedkeuring van de relevante regels en programma's, de Commissie in haar ontwerpbegroting 2016 (rubriek 2 en 3) 4,5 miljard EUR aan vastleggingskredieten heeft opgenomen die in 2014 niet konden worden gebruikt; herinnert eraan dat de gewijzigde begroting nr. 1/2015 al een overdracht van 16,5 miljard EUR van 2014 naar 2015 in rubriek 1b, 2 en 3 mogelijk heeft gemaakt; benadrukt dat dit echter zuivere overdrachten zijn van reeds voor 2014 overeengekomen kredieten en daarom, met het oog op vergelijking, in mindering moeten worden gebracht bij de beoordeling van de ontwikkeling van de begroting 2016 ten opzichte van de begroting 2015; wijst er daarom op dat de betrokken programma's in feite profiteren van meer vastleggingskredieten in de ontwerpbegroting 2016;

9.  is bezorgd over de vertraging bij de start van nieuwe programma's uit hoofde van het MFK 2014-2020 als gevolg van de late goedkeuring van de rechtsgronden en de operationele programma's, alsook van het tekort aan betalingskredieten in 2014; verbindt zich ertoe na te gaan of de gevraagde vastleggings- en betalingskredieten deze nieuwe programma's echt in staat zullen stellen op kruissnelheid te komen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan alle noodzakelijke maatregelen te nemen om de vertraging bij de uitvoering weg te werken;

10.  merkt op dat de ontwerpbegroting van de EU voor 2016 voorziet in 153,5 miljard EUR aan vastleggingskredieten (inclusief 4,5 miljard EUR geherprogrammeerd van 2014) en 143,5 miljard EUR aan betalingskredieten; wijst erop dat, zonder rekening te houden met de herprogrammering in 2015 en 2016, dit overeenkomt met een stijging van +2,4 % voor de vastleggingskredieten en van +1,6 % voor de betalingskredieten ten opzichte van de begroting 2015; benadrukt dat deze globaal genomen lichte verhogingen, overeenkomstig de krijtlijnen van het MFK en met inflatiecorrectie, in reële cijfers nauwelijks een verhoging inhouden, wat betekent dat doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitgaven uitermate belangrijk zijn;

11.  onderstreept dat de Commissie een marge laat van 2,2 miljard EUR aan vastleggingskredieten (waarvan 1,2 miljard EUR in rubriek 2) en van 1,6 miljard EUR aan betalingskredieten onder de maxima van het MFK; herinnert eraan dat de beschikbare marges aan vastleggings- en betalingskredieten alsook niet-uitgevoerde betalingen worden opgenomen in de totale marges die de daaropvolgende jaren kunnen worden gebruikt, mocht dit nodig zijn; merkt op dat de overkoepelende marge voor vastleggingen voor de eerste maal beschikbaar wordt gesteld en dat een deel ervan zal worden gebruikt voor het EFSI; is in beginsel ingenomen met het voorgestelde gebruik van het flexibiliteitsinstrument voor duidelijk geïdentificeerde uitgaven in het kader van nieuwe EU-initiatieven op het gebied van asiel en migratie, die niet kunnen worden gefinancierd binnen de grenzen van rubriek 3; is van plan gebruik te maken van een deel van de resterende marges en van de desbetreffende flexibiliteitsbepalingen van het MFK om cruciale prioriteiten te versterken;

Betalingen: het vertrouwen herstellen

12.  herinnert eraan dat de gebrekkige betalingen, die grotendeels het gevolg zijn van te lage maxima en te weinig betalingskredieten, in 2014 een ongekend hoog niveau hebben bereikt en in 2015 nog steeds een pijnpunt zijn; vreest dat dit nog steeds een bedreiging zal zijn voor de adequate uitvoering van de nieuwe programma's van het MFK 2014-2020 en de begunstigden zal bestraffen, met name lokale, regionale en nationale autoriteiten, die worden geconfronteerd met economische en sociale beperkingen; is, hoewel het een actief beheer van de betalingen door de Commissie steunt, bezorgd over het uitstellen van de oproep tot het indienen van voorstellen, de vermindering van de voorfinanciering en de te late betalingen, wat nadelig kan zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van economische, sociale en territoriale samenhang; herhaalt zijn bezorgdheid over de ad-hocverlagingen van de betalingskredieten die de Raad in zijn lezing van de jaarlijkse begroting heeft doorgevoerd, onder meer bij programma's voor concurrentievermogen voor groei en banen in rubriek 1a; verzoekt de Commissie tegen uiterlijk 31 maart 2016 een verslag op te stellen over de gevolgen voor de begunstigden wier betalingen van de Unie in de periode 2013-2015 werden uitgesteld, alsook over de gevolgen voor de uitvoering van de programma's;

13.  is verheugd over het feit dat de ontwerpbegroting van de EU de gemeenschappelijke verklaring betreffende een betalingsplan 2015-2016 weerspiegelt die tussen het Parlement, de Raad en de Commissie is overeengekomen na de gezamenlijke diagnose en verbintenis van de drie instellingen om deze achterstand te verminderen; herinnert eraan dat artikel 310 VWEU voorschrijft dat de ontvangsten en uitgaven op de EU-begroting in evenwicht moeten zijn; merkt op dat volgens de ramingen van de Commissie de in de ontwerpbegroting gevraagde betalingskredieten de betalingsachterstand zouden terugbrengen tot een draaglijk niveau van ongeveer 2 miljard EUR; verbindt zich er bijgevolg toe het voorstel van de Commissie volledig te steunen en verwacht dat de Raad zijn toezeggingen op dit gebied nakomt;

14.  benadrukt dat het Parlement, de Raad en de Commissie zich ertoe hebben verbonden te voorkomen dat er zich in de toekomst aan het eind van het jaar een onhoudbare betalingsachterstand opstapelt, waarbij de afspraken die in het kader van het meerjarig financieel kader en de jaarlijkse begrotingsprocedures zijn gemaakt, volledig worden geëerbiedigd en uitgevoerd; wijst in dit verband nogmaals op de noodzaak om strikt en actief toe te zien op de ontwikkeling van deze achterstand; herhaalt zijn bezorgdheid over het feit dat de specifieke kenmerken van de betalingscycli het peil van de betalingskredieten extra onder druk zetten, met name aan het eind van het MFK; herinnert de Commissie aan haar toezegging in de gemeenschappelijke verklaring betreffende een betalingsplan om haar prognose-instrumenten voor de middellange en lange termijn verder te ontwikkelen en een systeem voor vroegtijdige waarschuwing in te voeren, zodat de eerste betalingsprognoses in juli kunnen worden gedaan en de begrotingsautoriteit in de toekomst naar behoren onderbouwde beslissingen kan nemen;

15.  is verheugd over het feit dat de balans binnen de totale betalingskredieten uiteindelijk merkbaar verschuift van de voltooiing van de eerdere programma's 2007-2013 naar de uitvoering van de nieuwe programma's 2014-2020; benadrukt evenwel dat het bedrag aan betalingskredieten in de ontwerpbegroting 2016, met name voor rubriek 1b, laag is in vergelijking met het niveau van de vastleggingen, wat het risico inhoudt op een soortgelijke betalingsachterstand aan het eind van het huidige MFK; vraagt zich bijgevolg af in hoeverre dit in overeenstemming is met het langetermijnperspectief van het betalingsplan;

Rubriek 1a – Concurrentievermogen voor groei en banen

16.  merkt op dat in vergelijking met 2015 het voorstel van de Commissie voor 2016 overeenkomt met een verhoging van de vastleggingskredieten onder rubriek 1a van +6,1 % tot 18,6 miljard EUR; wijst erop dat de verhoging van de vastleggingskredieten grotendeels toe te schrijven is aan de integratie van EFSI en verhogingen voor Erasmus+ en de Connecting Europe Facility (CEF) en, in mindere mate, aan verhogingen voor douane, Fiscalis en fraudebestrijding, alsook voor werkgelegenheid en sociale innovatie; is van plan bijzondere aandacht te besteden aan het verminderen van de ongelijkheden tussen het stelsel van leercontracten en het hoger onderwijs in Europa, met name door te zorgen voor gelijke toegang tot mobiliteit;

17.  betreurt evenwel de verlaging van de kredieten voor grote infrastructuurprojecten, Horizon 2020 en COSME, alsook de tragere voortgang van CEF vervoer als gevolg van de herindeling in het EFSI; herinnert eraan dat het oorspronkelijke voorstel van de Commissie voor het EFSI zou hebben geleid tot een besnoeiing van 170 miljoen EUR voor Horizon 2020 in 2016 ten opzichte van 2015, en dat daarmee een tegenstrijdig signaal zou zijn gegeven voor een programma dat op ruime schaal wordt erkend als een prioritair vlaggenschip in het kader van het huidige MFK; betreurt het domino-effect op de financiering van onderzoek, met name op het gebied van energie, kmo's, klimaat en milieu, sociale wetenschappen en maatschappelijke wetenschappen; verbindt zich ertoe de voorgestelde verlagingen voor deze programma's verder te compenseren via verhogingen in de loop van de begrotingsprocedure door gebruik te maken van de nog beschikbare marge van 200 miljoen EUR onder het maximum voor rubriek 1a; onderstreept dat middelen voor investeringen, onderzoek, ontwikkeling en innovatie bij uitstek moeten worden ingezet op gebieden waar de grootste toegevoegde waarde kan worden gecreëerd, zoals verbetering van de energie-efficiëntie, ICT, subsidie voor fundamenteel onderzoek alsmede technologie voor koolstofarme en hernieuwbare energie;

18.  herhaalt zijn steun voor het ITER-programma en is vastbesloten te zorgen voor passende financiering; is evenwel bezorgd over het feit dat door de in november 2015 geplande presentatie van een herzien tijdschema en een herziene financiële planning voor ITER, de begrotingsautoriteit niet in staat zal zijn rekening te houden met de nieuwe informatie in de jaarlijkse begrotingsprocedure voor 2016; dringt er bovendien bij ITER en de Europese gemeenschappelijke onderneming "Fusion for Energy" op aan onverwijld de verlangde verslagen over de kwijting 2013 in te dienen en gevolg te geven aan de desbetreffende aanbevelingen van het Parlement;

19.  onderstreept dat het beschikbaar stellen van te weinig betalingskredieten in het verleden de kloof tussen de vastleggingen en betalingen in meerdere programma's onder rubriek 1a heeft vergroot, wat heeft bijgedragen aan de sterke stijging van de RAL ten opzichte van de andere rubrieken; is bezorgd over het feit dat de Commissie het bedrag van de voorfinanciering heeft moeten verlagen, en, erger nog, nieuwe oproepen tot het indienen van voorstellen en de ondertekening van contracten heeft moeten uitstellen; merkt bijvoorbeeld op dat de Commissie voor Horizon 2020 raamt dat "in een normaal uitvoeringsscenario zonder beperkingen voor de betalingskredieten, tegen eind 2014 ongeveer 1 miljard EUR meer zou zijn uitgegeven"; herhaalt, hoewel het ingenomen is met de inspanningen van de Commissie om de situatie van de betalingen onder controle te houden, dat het in geen geval een vertraging van de programma's voor de periode 2014-2020 zal dulden die wordt gezien als een manier om de betalingsproblemen op te lossen;

20.  is daarom verheugd over de verhoging van de betalingskredieten met +11,4 % tot 17,5 miljard EUR ten opzichte van 2015, en over de verhoging van de verhouding betalingen/vastleggingen voor 2016; merkt met name op dat voor meerdere programma's (Copernicus, Erasmus+, Horizon 2020, CEF vervoer, nucleaire veiligheid en ontmanteling) de betalingskredieten hoger zijn dan de vastleggingskredieten;

Rubriek 1b – Economische, sociale en territoriale samenhang

21.  neemt kennis van de voorgestelde 50,8 miljard EUR aan vastleggingskredieten (+3,2 % ten opzichte van 2015, waarbij de gevolgen van de herprogrammering geneutraliseerd zijn) en 49,1 miljard EUR aan betalingskredieten (-4 %) voor rubriek 1b, waarbij een kleine marge van 15,3 miljoen EUR onder het maximum voor vastleggingen wordt gelaten; herinnert eraan dat het cohesiebeleid het voornaamste investeringsbeleid van de EU is dat gericht is op het terugdringen van de ongelijkheden tussen Europese regio's door de economische, sociale en territoriale samenhang te vergroten; benadrukt dat instrumenten zoals het ESF, het EFRO, het Cohesiefonds of het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief van fundamenteel belang zijn om convergentie, verkleining van de ontwikkelingskloof en het ondersteunen van de creatie van hoogwaardige en duurzame banen te bevorderen; wijst op de cruciale rol van het cohesiebeleid van de EU bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

22.  benadrukt het feit dat 44 % van de voor 2016 voorgestelde betalingskredieten bestemd zijn voor nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen uit vorige programmeringsperioden, waardoor slechts 26,8 miljard EUR aan betalingskredieten overblijft voor de lancering van de nieuwe cohesieprogramma's 2014-2020; beschouwt de voorgestelde betalingskredieten bijgevolg als het absolute minimum dat nodig is in deze rubriek;

23.  herinnert eraan dat er in de begroting 2016 een bedrag van 21,6 miljard EUR nodig is om de betalingsachterstand voor de cohesieprogramma's 2007-2013 te herleiden van 24,7 miljard EUR eind 2014 en 20 miljard EUR eind 2015 tot ongeveer 2 miljard EUR eind 2016, zoals beschreven in de beoordeling door de Commissie die is gevoegd bij de gemeenschappelijke verklaring betreffende een betalingsplan 2015-2016; dringt erop aan dat een dergelijke "abnormale" accumulatie van onbetaalde rekeningen in de toekomst wordt voorkomen om de geloofwaardigheid van de EU niet in het gedrang te brengen;

24.  benadrukt dat, naast zijn pleidooi om het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voort te zetten, een efficiëntere en snellere uitvoering ervan in de lidstaten van cruciaal belang is; moedigt de lidstaten en de Commissie aan alle nodige maatregelen te nemen om de nationale jongerengarantieregelingen prioritair uit te voeren, indien van toepassing met inachtneming van de aanbevelingen van speciaal verslag nr. 3/2015 van de Europese Rekenkamer; herhaalt dat de onlangs goedgekeurde verhoging van de voorfinanciering tot 30 %, die sterk wordt gesteund door het Parlement, afhankelijk is van een snelle indiening van de tussentijdse betalingsaanvragen door de lidstaten binnen een jaar, wat in 2016 concrete vorm moeten aannemen; benadrukt dat de hogere voorfinanciering voor het YEI geen negatieve gevolgen mag hebben voor de uitvoering van andere onderdelen van het ESF;

Rubriek 2 – Duurzame groei: natuurlijke hulpbronnen

25.  neemt kennis van de voorgestelde 63,1 miljard EUR aan vastleggingskredieten (-0,1 % ten opzichte van 2015, waarbij de gevolgen van de herprogrammering geneutraliseerd zijn) en 55,9 miljard EUR aan betalingskredieten (-0,2 %) voor rubriek 2, waarbij een marge van 1,2 miljard EUR onder het maximum voor vastleggingen wordt gelaten, en een marge van 1,1 miljard EUR onder het maximum voor het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF); wijst erop dat het mechanisme voor financiële discipline uitsluitend wordt toegepast om de reserve voor crisissituaties in de landbouwsector aan te leggen; kijkt uit naar de nota van wijzigingen van de Commissie, die in oktober 2015 wordt verwacht en gebaseerd moet zijn op geactualiseerde informatie over de financiering van het ELGF; benadrukt dat overdrachten tussen de twee pijlers van het GLB leiden tot een totale verhoging van het bedrag dat voor plattelandsontwikkeling beschikbaar is;

26.  onderstreept dat de ontwerpbegroting 2016 een daling van de behoeften voor interventies op de landbouwmarkten vertoont ten opzichte van de begroting 2015, die hoofdzakelijk toe te schrijven is aan het effect in 2015 van noodmaatregelen met betrekking tot het Russische embargo op de invoer van bepaalde landbouwproducten uit de EU; merkt op dat er volgens de Commissie geen verdere maatregelen nodig zijn in het kader van de begroting 2016; vestigt de aandacht op de doelstellingen inzake verbetering van het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de Europese landbouw en wenst dat er middelen worden uitgetrokken om deze doelstellingen te verwezenlijken;

27.  onderstreept het feit dat het hervormde gemeenschappelijk visserijbeleid wordt gekenmerkt door een ambitieus rechtskader om de uitdagingen van verantwoorde visserij het hoofd te bieden, onder meer via de verzameling van gegevens, en is verheugd dat het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij een overdracht van ongebruikte kredieten van 2014 naar 2015 heeft gekend en dat, met neutralisering van de gevolgen van deze herprogrammering, de vastleggingskredieten voor dit Fonds in 2016 verder stijgen; merkt evenwel op dat de geleidelijke afhandeling van de betalingen voor het vorige programma slechts gedeeltelijk wordt gecompenseerd door de opname van het nieuwe programma, wat dus resulteert in lagere kredieten voor 2016;

28.  is ingenomen met de stijging van de kredieten voor het LIFE-programma voor milieu en klimaatverandering, zowel bij de vastleggingen als bij de betalingen; is ingenomen met de eerste stappen voor de vergroening van de EU-begroting, en wijst op de noodzaak om het tempo ervan op te drijven;

Rubriek 3 – Veiligheid en burgerschap

29.  is ingenomen met het feit dat in de ontwerpbegroting 2016 de steun voor alle programma's in rubriek 3 wordt verhoogd en zo uitkomt op 2,5 miljard EUR aan vastleggingskredieten (+12,6 % ten opzichte van de begroting 2015, waarbij de gevolgen van de herprogrammering geneutraliseerd zijn) en 2,3 miljard EUR aan betalingskredieten (+9,7 %); wijst erop dat dit geen enkele marge laat voor verdere verhogingen of proefprojecten en voorbereidende acties in rubriek 3; is van mening dat, in de huidige geopolitieke situatie en met name als gevolg van de toenemende druk van migratiestromen, het niveau van de maxima voor wat veruit de kleinste rubriek van het MFK is, wel eens achterhaald zou kunnen zijn en moet worden aangepakt in het kader van de herziening van het MFK na de verkiezingen;

30.  is ingenomen met de door de Commissie voorgestelde Europese agenda inzake migratie en herhaalt zijn steun voor de verhoging van de middelen van de EU en de ontwikkeling van een cultuur van eerlijke lastenverdeling en solidariteit op het gebied van asiel, migratie en het beheer van de buitengrenzen; looft daarom de verhoging van de vastleggingskredieten voor het Fonds voor interne veiligheid en het Fonds voor asiel, migratie en integratie, met inbegrip van de ontwikkeling van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (CEAS); is ingenomen met het voorstel van de Commissie om 124 miljoen EUR uit het flexibiliteitsinstrument beschikbaar te stellen om het hoofd te bieden aan de huidige migratiegolven in het Middellandse Zeegebied; vraagt zich af of de voorgestelde middelen toereikend zullen zijn; onderstreept dat het noodzakelijk is de bestemming van deze middelen strikt te controleren;

31.  wijst er nadrukkelijk op dat het voorstel om EASO slechts zes nieuwe personeelsleden te geven duidelijk onvoldoende is, gezien het grote aantal migranten dat op de zuidkusten van de Unie arriveert en de steeds grotere rol die EASO moet vervullen bij het beheer van asiel; verzoekt derhalve om EASO voor 2016 voldoende personele en financiële middelen te geven zodat dit agentschap zijn taken en werkzaamheden effectief kan verrichten;

32.  is van mening dat de begrotingsimpact en de extra taken als gevolg van de maatregelen die als onderdeel van de Europese agenda voor migratie en de Europese agenda voor veiligheid met betrekking tot Europol zijn gepresenteerd, in detail door de Commissie moeten worden beoordeeld om de begrotingsautoriteit in staat te stellen de budgettaire en personele behoeften van het agentschap naar behoren bij te stellen; wijst nadrukkelijk op de rol van Europol in de grensoverschrijdende ondersteuning van de lidstaten en in de informatie-uitwisseling; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat het agentschap in 2016 over voldoende financiële en personele middelen beschikt om zijn taken en werkzaamheden effectief te kunnen verrichten;

33.  is van mening dat het personeel van de betrokken agentschappen niet mag worden verminderd of herschikt, en dat ze hun personeel behoorlijk moeten toewijzen om tegemoet te komen aan hun toenemende verantwoordelijkheden;

34.  herinnert tevens aan de krachtige steun die het Parlement blijft uitspreken voor adequate financiering van programma's op het gebied van cultuur en media; is daarom verheugd over de verhoging van de kredieten voor het programma Creatief Europa, met inbegrip van multimedia-acties, ten opzichte van de begroting 2015, maar maakt voorbehoud bij de administratieve scheiding tussen de onderdelen cultuur en media; steunt ook de voorgestelde verhoging voor het programma "Europa voor de burger" omdat dit programma van cruciaal belang is voor de participatie van de burger aan het democratisch proces in Europa; is van mening dat het Europees burgerinitiatief (EBI) een centraal instrument is voor participerende democratie in de EU en dringt erop aan dat de zichtbaarheid en toegankelijkheid ervan wordt verbeterd; benadrukt de positieve rol van pan-Europese netwerken van lokale en nationale media, zoals EuranetPlus;

35.  benadrukt dat de veiligheid van levensmiddelen en diervoeders, de bescherming van de consument en gezondheid gebieden zijn die van cruciaal belang zijn voor de burgers van de EU; waardeert daarom de verhoging van de vastleggingskredieten voor de programma's levensmiddelen en diervoeders, gezondheid en consumenten ten opzichte van de begroting 2015;

Rubriek 4 – Europa als wereldspeler

36.  is ingenomen met de globale verhoging van de financiering voor rubriek 4, die uitkomt op 8,9 miljard EUR aan vastleggingskredieten (+5,6 % ten opzichte van de begroting 2015), waarbij een marge wordt gelaten van 261,3 miljoen EUR onder het maximum; merkt op dat hieruit een hoge mate van solidariteit met derde landen blijkt; is van mening dat de Europese begroting van fundamenteel belang is om mensen in nood te bereiken en de fundamentele Europese waarden te bevorderen; is ingenomen met het feit dat de economische en sociale problemen die de EU de afgelopen jaren heeft gekend, geen afbreuk hebben gedaan aan de aandacht voor de rest van de wereld; is evenwel van oordeel dat er hoogstwaarschijnlijk nog extra middelen zullen moeten worden uitgetrokken voor bepaalde prioritaire gebieden, zoals het Europees nabuurschapsinstrument, met inbegrip van de steun aan het vredesproces in het Midden-Oosten, Palestina en de UNRWA, vanwege de aanhoudende humanitaire en politieke crisis in deze regio en daarbuiten;

37.  is ingenomen met de door de Commissie gevraagde verhoging van de kredieten voor alle programma's in rubriek 4 (+28,5 % tot 9,5 miljard EUR), waarbij de betalingskredieten hoger zijn dan de vastleggingskredieten, met name op het gebied van ontwikkeling, humanitaire hulp en bijstand van de EU voor Palestina en de UNRWA; is van mening dat deze verhogingen volledig gerechtvaardigd zijn om de gevolgen te herstellen van de dramatische betalingstekorten in deze rubriek in 2014 en 2015, waardoor de Commissie de voorfinancieringen moest verlagen en juridische verbintenissen moest uitstellen; herinnert eraan dat in 2015 in rubriek 4, 1,7 miljoen EUR aan rente voor te late betalingen moest worden betaald; verwacht dat de kloof tussen vastleggings- en betalingskredieten geleidelijk zal verkleinen en de betalingsachterstand tot een normaal niveau zal worden teruggebracht; benadrukt dat een dergelijke stap onontbeerlijk is voor de financiële gezondheid van de kwetsbare begunstigden en voor de betrouwbaarheid van de EU als partner van internationale organisaties;

38.  is van mening dat externe financieringsinstrumenten middelen aanreiken om, op een veelzijdige manier en in combinatie met de respectieve doelstellingen, de onderliggende oorzaken van deze interne veiligheids- en migratie-uitdagingen aan te pakken die in de begroting van volgend jaar centraal staan, waarbij met name aandacht moet worden besteed aan de zuidelijke en oostelijke buitengrenzen van de Unie en meer in het algemeen aan door conflicten getroffen gebieden; wijst in het bijzonder op het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en het Europees nabuurschapsinstrument, maar ook op beleidsmaatregelen die een beperktere stijging kennen zoals humanitaire hulp, het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede, het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en het Europees instrument voor democratie en mensenrechten; verzoekt de Commissie duidelijk vast te stellen welke gebieden kunnen helpen bij de aanpak van deze actuele problemen en waar mogelijke verhogingen op efficiënte wijze kunnen worden opgenomen; herinnert er in dit verband aan dat het belangrijk is bijstand te verlenen om armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te bannen, en mensenrechten, gendergelijkheid, sociale samenhang en bestrijding van ongelijkheid centraal te plaatsen in de externe steun van de EU;

39.  onderstreept de aanzienlijke toename van het bedrag dat in de begroting 2016 als voorziening moet worden opgenomen voor het garantiefonds voor operaties ten behoeve van derde landen dat wordt beheerd door de Europese Investeringsbank, en merkt op dat dit het gevolg is van onder meer de start van leningen voor macrofinanciële bijstand aan Oekraïne;

40.  verzoekt de Commissie en de EDEO ervoor te zorgen dat een holistische benadering wordt toegepast ten aanzien van strategische landen die relatief veel financiering uit diverse EU-bronnen ontvangen, zoals Oekraïne en Tunesië; is van mening dat de EU meer politieke en economische invloed kan bereiken door te zorgen voor meer samenhang en coördinatie tussen de belangrijkste actoren in de EU en op het terrein, door procedures te vereenvoudigen en te verkorten en door een duidelijker beeld te schetsen van het optreden van de EU;

Rubriek 5 – Administratie

41.  merkt op dat de uitgaven van rubriek 5 ten opzichte van de begroting 2015 stijgen met 2,9 % tot 8 908,7 miljoen EUR, en dat deze stijging globaal genomen bestemd is voor de administratieve uitgaven van de instellingen (+2,2 %) en voor de pensioenen en de Europese scholen (+5,4 %); merkt op dat er een marge van 574,3 miljoen EUR onder het maximum wordt gelaten; onderstreept dat het aandeel van rubriek 5 in de EU-begroting stabiel blijft op 5,8 %; herinnert er evenwel aan dat dit cijfer geen rekening houdt met technische bijstand die als operationele uitgaven wordt beschouwd;

Speciale instrumenten

42.  herhaalt dat speciale instrumenten van cruciaal belang zijn voor de volledige eerbiediging en uitvoering van het MFK en dat ze door hun specifieke karakter buiten en bovenop de maxima moeten worden geteld, zowel voor de vastleggingen als voor de betalingen, met name bij de berekening van de totale marge voor betalingen; is ingenomen met de voorgestelde pariteit tussen de vastleggings- en de betalingskredieten voor de reserve voor noodhulp; merkt op dat de bedragen die in de ontwerpbegroting 2016 zijn gereserveerd voor de reserve voor noodhulp (EAR), het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) en het Solidariteitsfonds van de EU (SFEU) grotendeels stabiel zijn gebleven of lichtjes zijn gestegen;

Proefprojecten – voorbereidende acties

43.  onderstreept hoe essentieel proefprojecten en voorbereidende acties zijn om politieke prioriteiten te formuleren en nieuwe initiatieven in te voeren die kunnen uitmonden in permanente EU-acties en -programma's, met inbegrip van initiatieven die willen inspelen op de economische, ecologische en sociale veranderingen binnen de EU; stelt met bezorgdheid vast dat de Commissie niet heeft voorzien in kredieten voor de voortzetting van zeer succesvolle proefprojecten en voorbereidende acties, met name in rubriek 3; is van plan een evenwichtig pakket van proefprojecten en voorbereidende acties vast te stellen; merkt op dat in het huidige voorstel de marge voor sommige rubrieken vrij beperkt is of er zelfs helemaal geen marge is, en is van plan mogelijkheden te onderzoeken om ruimte te maken voor eventuele proefprojecten en voorbereidende acties;

Gedecentraliseerde agentschappen

44.  onderstreept de cruciale rol die gedecentraliseerde agentschappen spelen bij de beleidsvorming van de EU en is vastbesloten geval per geval de budgettaire en personeelsbehoeften van alle agentschappen te beoordelen om te zorgen voor adequate kredieten en personeel voor alle agentschappen, met name voor de agentschappen die onlangs nieuwe taken hebben gekregen of omwille van beleidsprioriteiten of andere redenen met een hogere werkdruk kampen; is met name vastbesloten de agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken de nodige middelen te verstrekken om het hoofd te kunnen bieden aan de huidige migratieproblematiek; benadrukt eens te meer zijn verzet tegen de herindelingspool en verwacht tijdens de begrotingsprocedure een oplossing te vinden om een einde te maken aan de bijkomende personeelsinkrimping bij de gedecentraliseerde agentschappen; herhaalt verder zijn voornemen gebruik te maken van de interinstitutionele werkgroep over gedecentraliseerde agentschappen om overeenstemming te bereiken tussen de instellingen over de behandeling van de agentschappen in begrotingstermen, ook met het oog op het overleg over de begroting 2016;

o
o   o

45.  roept op tot langdurige inspanningen om begrotingssteun te leveren voor passende opleidingen en omscholing in sectoren waar een tekort aan werknemers heerst en in belangrijke sectoren met een hoog banenscheppend potentieel, zoals de groene economie, de kringloopeconomie, de gezondheidszorg en de ict-sector; benadrukt dat in het kader van de begroting 2016 passende steun moet worden verleend aan de bevordering van sociale inclusie en aan maatregelen die tot doel hebben armoede uit te bannen en de positie te verstevigen van personen die in armoede en sociale uitsluiting leven; herinnert eraan dat gendergelijkheid deel moet uitmaken van het EU-beleid en aan de orde moet worden gesteld in het begrotingsproces; dringt aan op financiële ondersteuning van programma's ter bevordering van werkgelegenheid en sociale inclusie voor personen met een meervoudige benadeelde positie, zoals langdurig werklozen, personen met een handicap, personen van een minderheid en niet-actieve en ontmoedigde personen;

46.  herinnert eraan dat, met programma's die naar verwachting op kruissnelheid zullen komen, met de integratie van nieuwe belangrijke initiatieven op het gebied van investeringen en migratie, met de mogelijkheid om een regeling te treffen voor kwesties uit het verleden zoals betalingen en speciale instrumenten, en met de eerste toepassing van nieuwe MFK-bepalingen zoals de overkoepelende marge voor vastleggingen, de begrotingsprocedure 2016 een testcase vormt voor de houding van de Raad ten aanzien van het betalingsplan alsook voor de beoordeling van het huidige MFK; herinnert de Commissie aan haar wettelijke verplichting om uiterlijk eind 2016 een herziening van het MFK voor te stellen en deze begrotingsherziening te laten samenvallen met een wetgevingsvoorstel voor de herziening van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020; herinnert eraan dat de Commissie parallel met dit proces ook nieuwe initiatieven voor eigen middelen moet beoordelen op basis van de resultaten van de werkgroep op hoog niveau inzake eigen middelen, die in 2016 moeten worden voorgesteld;

47.  erkent de brede consensus tot dusver bij de behandeling van de ontwerpen van gewijzigde begroting 2015 en bij de onderhandelingen over het betalingsplan, waaruit een gemeenschappelijke wil blijkt om het MFK na te leven, de rechtsgronden waarover zorgvuldig onderhandeld is toe te passen en te zorgen voor de financiering van nieuwe programma's; dringt aan op voortzetting van de geest van samenwerking tussen de Commissie en de twee takken van de begrotingsautoriteit van de EU, en hoopt dat dit uiteindelijk zal leiden tot het aanpakken van de oorzaken van de zich opstapelende betalingsachterstand die zijn ingebed in de begrotingsprocedure; verwacht dat dezelfde geest alom tegenwoordig zal zijn in de onderhandelingen over de begroting 2016 en bij het vinden van middelen om het hoofd te bieden aan nieuwe en onvoorziene toekomstige uitdagingen;

48.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE I: GEZAMENLIJKE VERKLARING OVER DE DATA VOOR DE BEGROTINGSPROCEDURE EN REGELS VOOR DE WERKING VAN HET BEMIDDELINGSCOMITÉ IN 2015

A.  Overeenkomstig deel A van de bijlage bij het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie voor de begrotingsprocedure voor 2016 de volgende belangrijke data overeen:

1.  op 14 juli wordt een trialoog belegd vóór de vaststelling van het standpunt van de Raad;

2.  de Raad tracht voor week 38 (derde week van september) zijn standpunt vast te stellen en aan het Europees Parlement toe te zenden, opdat tijdig een akkoord met het Europees Parlement kan worden bereikt;

3.  de Begrotingscommissie van het Europees Parlement tracht uiterlijk aan het eind van week 42 (medio oktober) amendementen op het standpunt van de Raad aan te nemen;

4.  op 19 oktober wordt, voorafgaand aan de lezing door het Europees Parlement, een trialoog belegd;

5.  het Europees Parlement stelt in week 44 (plenaire vergadering van 26-29 oktober) zijn lezing vast;

6.  de bemiddelingsperiode begint op 29 oktober. Overeenkomstig artikel 314, punt 4, letter c), van het VWEU verstrijkt de voor bemiddeling voorziene periode op 18 november 2015;

7.  het bemiddelingscomité vergadert op 9 november in het Europees Parlement, op 13 november in de Raad en kan, indien nodig, ook nadien nog bijeenkomen; de bijeenkomsten van het bemiddelingscomité worden voorbereid tijdens trialogen. Een eerste trialoog staat gepland op 11 november. Tijdens de bemiddelingsperiode van 21 dagen kunnen nog andere trialogen worden belegd.

B.  De regels voor de werking van het bemiddelingscomité staan in deel E van de bijlage bij bovengenoemd Interinstitutioneel Akkoord.

BIJLAGE II: GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE EEN BETALINGSPLAN 2015-2016

Voortbouwend op de in december 2014 overeengekomen gezamenlijke verklaring over een betalingsplan, als onderdeel van het akkoord over de begrotingen voor 2014 en 2015, hebben de drie instellingen gezamenlijk een beoordeling gemaakt van de stand van zaken en de vooruitzichten voor de betalingen in de EU-begroting op basis van het document dat op 23 maart 2015 door de Commissie is toegezonden.

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zijn het eens over de onderstaande punten:

1.  Stand van zaken

Het Europees Parlement en de Raad nemen nota van de grondige beoordeling die de Commissie maakt in haar document "Elementen voor een betalingsplan om de EU-begroting terug op een duurzaam spoor te brengen" (bijlage) als analytische basis voor het bepalen van de belangrijkste oorzaken van het groeiende aantal uitstaande betalingsaanvragen op het eind van het jaar, en voor het bereiken van de beoogde vermindering van het aantal onbetaalde rekeningen, met bijzondere aandacht voor de uitvoering van de cohesiebeleidsprogramma's in de periode 2007-2013.

a)  De beperking op de in de voorbije begrotingen toegestane betalingskredieten heeft, samen met de uitvoeringscyclus van de cohesieprogramma's, geresulteerd in de geleidelijke opbouw van een onhoudbare achterstand van uitstaande betalingsaanvragen op het eind van het jaar, die eind 2014 een recordpeil van 24,7 miljard EUR bereikte. De instellingen erkennen evenwel dat de moeilijke beslissingen in verband met de begrotingen voor 2014 en 2015 de achterstand grotendeels gestabiliseerd hebben.

b)  Bovendien heeft het betalingstekort geleid tot een vertraging in de uitvoering van de programma's voor de periode 2014-2020 in andere begrotingsonderdelen, met name om contractuele verplichtingen uit vroegere vastleggingen na te komen, en zodoende het risico op nalatigheidsinteresten te vermijden; en dit net op het moment dat essentiële programma's worden verondersteld bij te dragen aan groei en banen in Europa en de rol van de Unie op het internationale toneel veilig te stellen.

2.  Vooruitzichten

c)  Het Europees Parlement en de Raad nemen nota van de door de Commissie voorgestelde vooruitzichten voor 2015 en 2016: de analyse geeft aan dat het mogelijk zou kunnen zijn om de achterstand op het eind van het jaar wat betreft uitstaande betalingsaanvragen voor de cohesieprogramma's voor 2007-2013 tegen eind 2016 terug te brengen tot een niveau van ongeveer 2 miljard EUR, er in het bijzonder rekening mee houdend dat de cohesieprogramma's de afsluitingsfase naderen, en mits voldoende betalingskredieten worden toegekend in de begroting voor 2016. Dit zou negatieve gevolgen en onnodige vertragingen voor de uitvoering van de programma's voor 2014‑2020 moeten helpen voorkomen.

d)  Het Europees Parlement en de Raad onderstrepen dat zij ernaar streven de onhoudbare achterstand van uitstaande betalingsaanvragen voor de cohesieprogramma's voor 2007-2013 geleidelijk aan weg te werken. Zij nemen zich voor ten volle samen te werken om in de begroting voor 2016 een niveau van betalingskredieten toe te kennen dat toelaat deze doelstelling te bereiken. Zij zullen in hun beraadslagingen rekening houden met de huidige vooruitzichten, die door de Commissie moeten worden meegenomen en verder verfijnd in haar ramingen voor de ontwerpbegroting voor 2016.

e)  De Commissie zal nauwlettend blijven toezien op de ontwikkeling van de achterstand en indien nodig passende maatregelen voorstellen om te zorgen voor een geordende ontwikkeling van betalingskredieten die verenigbaar is met de toegekende vastleggingskredieten.

f)  De drie instellingen herinneren aan hun belofte om de staat van uitvoering van de betalingen gedurende heel 2015 actief te monitoren. Zij bevestigen hun bereidheid om in het kader van hun regelmatige gedachtewisselingen specifieke interinstitutionele vergaderingen te organiseren op 26 mei, 14 juli en 19 oktober, om een duurzaam begrotingsproces te waarborgen. In dit opzicht moet op die interinstitutionele vergaderingen ook worden gesproken over de prognoses op langere termijn inzake de verwachte evolutie van de betalingen tot het einde van het huidige MFK; de Commissie wordt verzocht om hiervoor zo nodig alternatieve scenario's voor te leggen.

g)  De Commissie zal, om de monitoring van de stand van zaken voor de programma's voor 2007-2013 te vergemakkelijken, in juli en oktober verslagen voorleggen over de uitvoering van de begroting, zowel in vergelijking met de maandelijkse vooruitzichten voor het huidige jaar als in vergelijking met de vooruitzichten voor het voorgaande jaar, alsmede over de evolutie van de achterstand wat betreft uitstaande betalingsaanvragen in rubriek 1b.

h)  Het Europees Parlement en de Raad streven ernaar een dergelijke opbouw van betalingsachterstand in de toekomst te vermijden, en roepen de Commissie daarom op om de uitvoering van de programma's voor 2014-2020 nauwlettend in de gaten te houden en een systeem voor vroegtijdige waarschuwing op te zetten. Om dit resultaat te bereiken zal de Commissie passende instrumenten ontwikkelen om in de loop van de begrotingsprocedure lopende betalingsprognoses te verstrekken, per onderdeel en per rubriek voor rubriek 1b, en onderdelen 2 en 5, en per programma voor rubriek 1a en onderdelen 3 en 4, waarbij wordt gefocust op de jaren N en N+1, met inbegrip van de evolutie van onbetaalde rekeningen en uitstaande verplichtingen (RALs); deze prognoses zullen regelmatig worden bijgewerkt op basis van begrotingsbeslissingen en eventuele relevante ontwikkelingen die van invloed zijn op het betalingsprofiel van de programma's; in juli zullen betalingsprognoses worden voorgesteld in het kader van de voorziene interinstitutionele vergaderingen, als bedoeld in de derde alinea van punt 36 van de bijlage bij het IIA.

i)  Hierdoor zou de begrotingsautoriteit tijdig de nodige beslissingen moeten kunnen nemen, teneinde de toekomstige opbouw van een onhoudbare achterstand aan uitstaande betalingsaanvragen op het einde van het jaar te voorkomen, zonder daarbij afbreuk te doen aan de uitvoering van de akkoorden die zijn bereikt als onderdeel van het meerjarig financieel kader en van de jaarlijkse begrotingsprocedures.

BIJLAGE BIJ BIJLAGE II: Elementen voor een betalingsplan om de EU-begroting weer op een duurzaam spoor te brengen

Inhoud

SAMENVATTING

1.   Achtergrond

2.   Stand van zaken eind 2014

2.1.  Uitvoering aan het einde van 2014

2.2.  Beperkende maatregelen in 2014

3.   Terminologie

3.1.  Projectcyclus

3.2.  Nog betaalbaar te stellen vastleggingen (RAL)

3.3.  Kasstroomproblemen versus tekorten aan betalingskredieten

3.4.  Achterstand bij de nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen aan het einde van het jaar

4.   Rubriek 1b: Ontwikkeling van de achterstand en vooruitzichten

4.1.  Tenuitvoerlegging van de structuurfondsen 2007-2013

4.2.  Profiel van de betalingsaanvragen voor de programmeringsperiode 2007-2013

4.3.  Onderdelen en soorten achterstand

4.4.  Vooruitzichten voor betalingen 2007-2013 (verzoeken) in 2015 en 2016

4.5.  Betalingsaanvragen verwacht voor 2016

4.6.  Samenvatting van de informatie die wordt gebruikt voor de berekening van de betalingsaanvraag en de achterstanden

4.7.  Betaling bij afsluiting

5.   Andere rubrieken: vooruitzichten voor de programma's 2007-2013

5.1.  Overzicht

5.2.  Programma's in gedeeld beheer van rubriek 2 en 3

5.2.1.   Rubriek 2

5.2.2.   Rubriek 3

5.3.  Programma's in direct beheer van rubriek 1a en 4

5.3.1.   Rubriek 1a

5.3.2.   Rubriek 4

6.   Vooruitzichten voor de programma’s 2014-2020

7.   Conclusies

Bijlage 1: Informatie toegezonden door de Commissie op 15 december 2014

Bijlage 2: Rubriek 1b: De laatste prognoses van de lidstaten

Samenvatting

De toenemende kloof tussen de goedgekeurde betalingskredieten en eerder door de Europese instellingen aangegane verbintenissen is een van de belangrijkste ontwikkelingen met betrekking tot de uitvoering van de EU-begroting, met name sinds 2012. Deze betalingskloof heeft geleid tot een aantal negatieve gevolgen op de verschillende terreinen van uitgaven, in het bijzonder een groeiende achterstand van nog af te handelen betalingsverzoeken voor de programma’s van het cohesiebeleid in 2007-2013 (rubriek 1b), die eind 2014 een ongekende piek bereikte.

Deze groeiende achterstand van nog af te wikkelen betalingsverzoeken is het gevolg van het samenkomen van de piek in de programmacyclus ´2007.2013 en de verlaging van het betalingsplafond in 2014 van het meerjarig financieel kader (MFK) in een algemeen klimaat van begrotingsconsolidatie op nationaal niveau. Om deze ontwikkeling te begrijpen zijn twee factoren van wezenlijk belang.

Ten eerste de cyclische toename van de betalingsverzoeken naar aanleiding van de langdurige tenuitvoerlegging van de programma’s van het cohesiebeleid in 2007-2013, af te handelen in de eerste jaren van het MFK 2014-2020. Na een langzame start van de programma’s in 2007-2009, onder meer ten gevolge van de financiële crisis en de daartegen genomen maatregelen, is de uitvoering sinds 2012 versneld, waarbij de betalingsverzoeken jaarlijks zijn toegenomen tot een historisch record van 61 miljard EUR in 2013 op het gebied van het cohesiebeleid, aangejaagd door termijnen voor implementatie en de bepalingen inzake automatische doorhaling van vastleggingen, vastgelegd in de wetgeving inzake het cohesiebeleid(5).

Het was moeilijk om voor een zo sterke stijging van betalingsverzoeken voor het cohesiebeleid 2007-2013 ruimte te maken op de EU-begroting, omdat andere programma's op kruissnelheid lagen en het plafond voor betalingen in 2014 was verlaagd, een en ander tegen de achtergrond van voortdurende begrotingsconsolidatie in de lidstaten.

De tweede factor ter verklaring van deze ontwikkeling is de aanzienlijke verlaging van de plafonds voor betalingen in het nieuwe MFK, die in 2014 bijzonder sterk is (8 miljard EUR lager). Het resulterende tekort aan betalingskredieten heeft niet alleen gevolgen voor de cohesie (rubriek 1b) maar ook voor andere terreinen, met name de beleidsterreinen groei en werkgelegenheid (rubriek 1a), Europa als wereldspeler (rubriek 4) en veiligheid (rubriek 3).

Om deze uitdaging aan te kunnen gaan heeft de Commissie maatregelen getroffen om een actief beheer van de schaarse betalingskredieten te waarborgen, te weten: versnelde actie om onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen; beperken van ongebruikte bedragen op trustrekeningen; vermindering van voorfinancieringspercentages; optimale gebruikmaking van maximaal toegestane betalingstermijnen; uitstel van oproepen tot het indienen van voorstellen/aanbestedingen en daarmee samenhangende overeenkomsten en het verlenen van hogere prioriteit aan landen die financiële bijstand ontvangen.

Bovendien was de begrotingsautoriteit tijdig in kennis gesteld van de verschillende uitdagingen en ontwikkelingen, werden andere gewijzigde begrotingen voorgesteld om de goedgekeurde betalingskredieten te verhogen.

Ondanks de verhogingen van de betalingskredieten door middel van gewijzigde begrotingen goedgekeurd door Parlement en Raad(6), en ondanks het actieve beheer van de beschikbare betalingskredieten door de Commissie, is de achterstand van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen blijven groeien: voor het cohesiebeleid 2007-2013 alleen al bedroeg de achterstand 24,7 miljard EUR aan het einde van 2014(7).

Dankzij de beperkende maatregelen van de Commissie is het opbouwen van een achterstand grotendeels beperkt tot andere beleidsterreinen die rechtstreeks door de Commissie worden beheerd. De meeste van de betalingskredieten werden in 2014 gebruikt ter uitvoering van contractuele verplichtingen die voortvloeien uit de vorige programmeringsperiode, ter minimalisering van de boetes voor te late betalingen, die desalniettemin een vijfvoudige jaarlijkse stijging (tot 3 miljoen EUR) vertoonden(8). Hoewel met deze maatregelen ernstiger negatieve financiële gevolgen voor de EU-begroting werden vermeden, hielden ze in dat een aantal betalingstermijnen zijn verschoven naar 2015, met gevolgen voor het gerechtvaardigde vertrouwen van belanghebbenden die de start van hun project moesten uitstellen en/of tijdelijk voor meer medefinanciering moesten zorgen.

De afrondingsfase van programma’s van het cohesiebeleid voor de periode 2007-2013 komt dichterbij. In 2014 is de totale omvang aan betalingsverzoeken gedaald tot 53 miljard EUR (tegen 61 miljard EUR in 2013). In hun laatste prognoses van januari 2015 verwachten de lidstaten dat zij in 2015 ongeveer 48 miljard EUR en in 2016 ongeveer 18 miljard aan betalingsaanvragen zullen dienen. Deze cijfers kunnen echter niet zonder meer worden aangenomen, aangezien er in 2015-2016 een plafonnering van de betaalbare aanvragen van 95% van de totale financiële middelen van het programma zal plaatsvinden, zoals vastgesteld in de desbetreffende wetgeving(9). De resulterende verschuldigde vorderingen voor 2015 worden door de Commissie geraamd op ongeveer 35 miljard EUR en maximaal 3,5 miljard EUR voor 2016.

De begroting 2015 bevat bijna EUR 40 miljard EUR aan betalingskredieten voor het cohesiebeleid voor de periode 2007-2013. Deze begroting zal betrekking hebben zowel op achterstallige betalingen (24,7 miljard EUR oftewel 62% van de begroting voor het cohesiebeleid 2007-13) en nieuwe verzoeken die op tijd zijn gekomen om uit te betalen (geraamd op 35 miljard EUR). Als gevolg daarvan zal de achterstand eind 2015 naar verwachting dalen tot een niveau van 20 miljard EUR.

In dit stadium schat de Commissie dat tot 23,5 miljard EUR nodig zal zijn ter dekking van de resterende betalingsverzoeken vóór de afsluiting, en voor het geleidelijk verminderen van de achterstand. In het ontwerp van begroting 2016 zal de Commissie de betalingskredieten voor rubriek 1b verfijnen, om ervoor te zorgen dat dit wordt verwezenlijkt en een goede uitvoering van de programma’s voor 2014-2020 wordt bewerkstelligd.

Begroting 2015 voor het cohesiebeleid (miljard EUR)

Betalingskredieten op de begroting 2015

(1)

39,5

—  waarvan achterstand eind 2014

(2)

24,7

—  waarvan prognoses 2015 afgetopt op drempel van 95%

(3)

~35

Verwachte achterstand eind 2015

(4)=(1)-(2)-(3)

~20

Begroting 2016 voor het cohesiebeleid (miljard EUR)

Verwachte achterstand eind 2015

(1)

~20

Maximale resterende betalingsverzoeken die in 2016 worden ontvangen vóór de sluiting

(2)

~3,5

Maximale betalingsverzoeken gedekt op de begroting 2016

(3)=(1)+(2)

~23,5

Ook moet het niveau van de betalingskredieten voor de andere beleidsterreinen zoals voorgesteld op de begroting 2016 het mogelijk maken te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit in het verleden aangegane verplichtingen, en het risico van te late rentebetalingen minimaliseren, maar ook moet daarmee gezorgd worden voor een adequaat niveau van uitvoering van en het sluiten van contracten voor de programma’s van de periode 2014-2020.

Het meerjarige karakter van grote delen van de EU-begroting verklaart dat er sprake is van een tijdsverschil tussen het moment waarop de verbintenis is vastgelegd en de eigenlijke betalingen op grond van deze vastlegging. Het opbouwen van een structureel volume van uitstaande verplichtingen (de zogeheten "RAL", het Franse acroniem van "reste à liquider") is dus normaal en te verwachten. Gezien de wettelijke termijn voor de betaling van vorderingen aan het einde van het jaar door de Commissie(10), en de concentratie van vorderingen in verband met het vereiste dat vrijmaking en eventuele onderbrekingen vermeden moeten worden, kan een bepaald bedrag aan onbetaalde vorderingen aan het einde van het jaar worden beschouwd als "normaal". De toenemende omvang van de achterstand heeft de voorbije jaren echter "abnormale" niveaus bereikt(11), die drukken op een groot en toenemende deel van de begroting van het volgende jaar en niet duurzaam zijn in termen van gezond financieel beheer.

De Commissie schat dat ongeveer de helft van de achterstand op het gebied van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen in het kader van het cohesiebeleid aan het einde van 2013 en in 2014 "abnormaal" was, oftewel verband houdend met het tekort aan goedgekeurde kredieten op de begroting, leidend tot een "sneeuwbaleffect". Met het naderen van de afsluitingsfase zullen minder uitbetalingen nodig zijn in 2015 en 2016 en zal de achterstand automatisch dalen.

Het niveau van onderbrekingen en opschortingen zal naar verwachting ook afnemen naarmate de programma’s de afsluiting bereiken. Met betalingskredieten van circa 21,5 miljard EUR voor de programma’s van 2007-2013 in 2016, wordt de achterstand geraamd op ongeveer 2 miljard EUR aan het eind van 2016.

De programma’s van het cohesiebeleid 2007-2013: ontwikkeling van de achterstand op het gebied van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen aan het einde van het jaar 2007-2016

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000002.png

De noodzaak van de geleidelijke afschaffing van de "abnormale" achterstand is inmiddels erkend door de twee takken van de begrotingsautoriteit, de Raad en het Europees Parlement, die tijdens de onderhandelingen over de begroting 2015 gezamenlijk hebben besloten tot "het terugdringen van de waarde van onbetaalde rekeningen, met speciale aandacht voor het cohesiebeleid, aan het einde van het jaar tot het structurele niveau in de loop van het huidige MFK" en tot het uitvoeren van een plan "tot verlaging van de waarde van onbetaalde rekeningen in verband met de uitvoering van de programma’s voor de periode 2007-2013 tot het gezamenlijk overeengekomen niveau tegen de tijd van de tussentijdse evaluatie van het huidige meerjarig financieel kader".

Dit document biedt een degelijke basis voor een gemeenschappelijk akkoord tussen de twee takken van de begrotingsautoriteit, die naar verwachting besluiten zullen nemen met het oog op de geleidelijke afschaffing van de "abnormale" achterstand van onbetaalde rekeningen tegen eind 2016 voor de programma’s van 2007-2013.

Dit betalingsplan biedt ook de mogelijkheid om lering te trekken inzake het begrotingsbeheer voor de toekomst:

1.  Het eind 2014 gesloten akkoord over gewijzigde begroting 2/2014(12) was zeer belangrijk om de achterstand op het gebied van nog te honoreren betalingen grotendeels te stabiliseren op een niveau dat kan afgebouwd over een periode van twee jaar. De instellingen hebben hun verantwoordelijkheid genomen tegenover een zeer moeilijke begrotingssituatie in vele lidstaten.

2.  Maatregelen voor een actief beheer van de begrotingsmiddelen die de Commissie heeft genomen zijn essentieel gebleken om een tekort aan betalingskredieten op een groot aantal beleidsterreinen aan te pakken. Deze maatregelen moeten worden gehandhaafd zo lang als noodzakelijk is om te onevenredige verstoringen voor de begunstigden en/of de betaling van boeterente te voorkomen.

3.  Hoewel er een terugkerende cyclus is in de uitvoering van de programma’s van het cohesiebeleid, kan de omvang van pieken en dalen worden versoepeld door de programma’s zo snel mogelijk in een vroeg stadium van de programmeringsperiode uit te voeren. Dit is vooral wenselijk in de huidige economische omstandigheden waarin investeringen hard nodig zijn om het economische herstel te bevorderen en het concurrentievermogen te versterken.

4.  Regelmatige indiening van vorderingen is nodig. De lidstaten moeten onnodige administratieve vertraging bij het verzenden van de betalingsaanvragen in de loop van jaar voorkomen. Regelmatige indiening van vorderingen verbetert het begrotingsbeheer en draagt bij tot het minimaliseren van de achterstand aan het einde van het jaar.

5.  Daarnaast zijn toereikende betalingskredieten een noodzakelijke voorwaarde om een correcte uitvoering van de begroting te waarborgen en te voorkomen dat de opeenstapeling van onbetaalde vorderingen aan het einde van het jaar een onhoudbaar niveau bereikt. Bovendien zal de "specifieke en maximale flexibiliteit", genoemd in de conclusies van de Europese Raad en de verklaring van Commissievoorzitter Barroso in februari 2013, moeten worden toegepast om te voldoen aan de wettelijke verplichtingen van de Unie. Tevens moeten besluiten van de begrotingsautoriteit zoveel mogelijk zorgen voor een soepel betalingsprofiel gedurende de looptijd van het MFK.

6.  De capaciteit voor het opstellen van prognoses moet worden versterkt. Naast de verschillende reeds verstrekte analyses(13) zal de Commissie haar prognoses voor de middellange en lange termijn verder verbeteren, teneinde te verwachten problemen in een vroeg stadium en voor zover mogelijk te kunnen identificeren. Met name stelt zij de twee takken van de begrotingsautoriteit op de hoogte, zodra zij ontwikkelingen in de uitvoering van de programma’s van 2014-2020 vaststelt die een risico vormen voor een soepel betalingsprofiel.

1.  Achtergrond

Sinds 2011 wordt de Commissie geconfronteerd met een toenemend aantal uitstaande betalingsverplichtingen aan het eind van het jaar, ondanks de volledige benutting van de maxima voor de betalingskredieten in 2013 en 2014 en de gebruikmaking van de marge voor onvoorziene uitgaven voor betalingen in 2014. Hoewel nagenoeg alle de goedgekeurde betalingskredieten op de jaarlijkse begrotingen zijn opgebruikt, is de achterstand van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen aan het einde van het jaar voor het cohesiebeleid (rubriek 1b) en specifieke programma’s in andere rubrieken (rubriek 4 "Europa als wereldspeler") gestaag toegenomen.

De Commissie heeft gehoor gegeven aan het verzoek van het Parlement en de Raad om gedurende het gehele jaar toezicht te houden op de situatie, en de afgelopen jaren zijn interinstitutionele vergaderingen ad hoc gehouden om een evaluatie van de stand van zaken te delen. Sinds 2011 moest de Commissie ontwerpen van gewijzigde begroting (OGB) presenteren voor een aanzienlijke verhoging van het niveau van de betalingskredieten, om de betalingstekorten aan te pakken. Aanvankelijke lagere niveaus van goedgekeurde betalingskredieten hebben geleid tot terugkerende OGB’s die het besluitvormingsproces over de ontwerpbegroting ingewikkelder hebben gemaakt, hetgeen het voornaamste voorwerp voor bemiddeling zou moeten zijn. Gewijzigde begrotingen zijn in een laat stadium goedgekeurd, wat de problemen met het beheer van het betalingsproces verergerde.

Tegen de achtergrond van een steeds hoger niveau van vastleggingskredieten, illustreert onderstaande grafiek de steeds krappere jaarlijkse begrotingen voor betalingen en jaarlijkse maxima, alsmede de geleidelijke vermindering van de kloof tussen het maximum van de betalingen en de goedgekeurde kredieten, hetgeen heeft geleid tot de noodzaak om gebruik te maken van de marge voor onvoorziene uitgaven in 2014.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000003.png

In december 2014 hebben het Europees Parlement en de Raad, in het kader van het akkoord dat is bereikt over de begrotingen voor 2014 en 2015, de volgende gemeenschappelijke verklaring opgesteld:

De instellingen zijn het eens met de doelstelling, te weten het terugdringen van de waarde van onbetaalde rekeningen, met speciale aandacht voor het cohesiebeleid, aan het einde van het jaar tot het structurele niveau in de loop van het huidige MFK.

Om dit doel te bereiken:

—  stemt de Commissie ermee in om, samen met de gemeenschappelijke conclusies over de begroting 2015, de meest actuele prognose van het niveau van onbetaalde rekeningen eind 2014 te presenteren; De Commissie zal deze cijfers in maart 2015 actualiseren en alternatieve scenario’s voorstellen wanneer er een algemeen beeld voorhanden zal zijn van de waarde van onbetaalde rekeningen eind 2014, voor de belangrijkste beleidsterreinen;

—  op basis daarvan zullen de drie instellingen naar overeenstemming zoeken over een maximale streefwaarde van onbetaalde rekeningen aan het einde van het jaar die als duurzaam beschouwd kan worden;

—  op basis hiervan en met inachtneming van de MFK-verordening, de overeengekomen financiële middelen van de programma’s en elke andere bindende overeenkomst, zullen de drie instellingen vanaf 2015 een plan uitvoeren tot verlaging van de waarde van onbetaalde rekeningen in verband met de uitvoering van de programma’s voor de periode 2007-2013 tot het gezamenlijk overeengekomen niveau tegen de tijd van de tussentijdse evaluatie van het huidige meerjarig financieel kader. Een dergelijk plan moet worden goedgekeurd door de drie instellingen, en wel vóór de indiening van het ontwerp van begroting 2016. Gelet op de uitzonderlijk hoge waarde van onbetaalde rekeningen komen de drie instellingen overeen na te denken over mogelijke manieren om de waarde van die rekeningen te verlagen.

Elk jaar stemt de Commissie ermee in haar ontwerpbegroting vergezeld te doen gaan van een document met een evaluatie van de waarde van onbetaalde rekeningen en waarin wordt uitgelegd hoe de ontwerpbegroting zal leiden tot de daling van die waarde en in welke mate. In dit jaarlijkse document zal de balans worden opgemaakt van de vorderingen en zullen aanpassingen aan het plan in overeenstemming met de geactualiseerde cijfers worden voorgesteld.

In rechtstreekse aansluiting op de gezamenlijke verklaring, publiceerde de Commissie op 15 december 2014 een geactualiseerde prognose van het niveau van onbetaalde vorderingen aan het eind van 2014, die is opgenomen in bijlage 1.

Dit document bevat een overzicht van de stand van de uitvoering aan het einde van 2014, waarin nadruk wordt gelegd op de achterstand van de programma’s van 2007-2013 van het cohesiebeleid, teneinde het te beperken tot een bepaald overeenkomen niveau tegen de tijd van de tussentijdse evaluatie van het huidige meerjarig financieel kader in 2016. In het document wordt ook ingegaan op de ontwikkeling van de achterstand bij de andere rubrieken, hoewel het probleem van de achterstand veel minder acuut is in termen van absolute omvang dan in rubriek 1b: de achterstand van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen in andere rubrieken aan het eind van 2014 bedroeg ongeveer 1,8 miljard EUR.

2.  Stand van zaken eind 2014

2.1.  Uitvoering aan het einde van 2014

Aan het einde van 2014 bedroeg de uitvoering van de betalingskredieten (exclusief overdrachten) 134,6 miljard EUR (99% van de uiteindelijk toegestane kredieten op de begroting 2014). De onderbesteding van betalingen (na overdrachten) is de laagste ooit geregistreerd met 32 miljoen EUR, tegenover 107 miljoen EUR in 2013 en 66 miljoen EUR in 2012. Een dergelijk hoog niveau van uitvoering, ondanks de late goedkeuring van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2014, vormt een bevestiging van de strenge beperkingen opgelegd aan betalingskredieten, met name voor de voltooiing van de programma’s van de periode 2007-2013. In veel gevallen zijn ook de overeenkomstige begrotingsonderdelen versterkt met kredieten die oorspronkelijk waren bedoeld voor de betaling van de voorfinanciering van goedgekeurde nieuwe programma’s voor 2014-2020.

In 2014 werden de betalingskredieten voor de cohesieprogramma’s in de periode 2007-2013 verhoogd met 4,6 miljard EUR, waarvan 2,5 miljard EUR via het ontwerp van gewijzigde begroting 3/2014, 0,6 miljard EUR via de overschrijving aan het einde van het begrotingsjaar(14) en 1,5 miljard EUR door middel van interne overplaatsingen van de programma’s voor de periode 2014-2020. Deze verhogingen hebben bijgedragen aan de stabilisatie aan het einde van 2014 van de achterstand van de cohesieprogramma’s in de periode 2007-2013.

Een grote hoeveel ongebruikte vastleggingskredieten is overgedragen of geherprogrammeerd naar 2015, niet alleen voor het cohesiebeleid, maar ook voor de programma’s voor plattelandsontwikkeling (rubriek 2) en de fondsen voor migratie en veiligheid (rubriek 3). Als gevolg hiervan is het bedrag van de uitstaande verplichtingen (RAL) gedaald tot 189 miljard EUR aan het einde van 2014, dat wil zeggen een verlaging van 32 miljard EUR ten opzichte van de RAL aan het eind van 2013. Deze daling is echter enigszins kunstmatig, aangezien het grotendeels het resultaat is van de onderbesteding van de vastleggingskredieten voor programma’s van 2014-2020 die zijn overgedragen en geprogrammeerd naar 2015 en latere jaren, waar het "opnieuw zal verschijnen". Indien alle kredieten voor de nieuwe programma’s waren vastgelegd in 2014, zou de RAL veel dichter bij het niveau van 2013 (224 miljard EUR) zijn gebleven.

Onderstaande grafiek toont de ontwikkeling van de omvang van de RAL in de periode 2007-2014 en de prognose voor het niveau van de RAL eind 2015 voor de begroting als geheel, maar ook voor programma’s onder gedeeld beheer in de rubrieken 1b, 2 en 3 en de andere programma’s/rubrieken. Zoals blijkt uit de grafiek zal het totale niveau van de RAL eind 2015 naar verwachting opnieuw een niveau bereiken dat vergelijkbaar is met dat van eind 2013. De grafiek toont echter ook het verschil tussen de programma’s onder gedeeld beheer in de rubrieken 1b, 2 en 3, waarvoor de RAL aan het einde van 2015 naar verwachting zal dalen ten opzichte van 2013, en de andere programma’s/rubrieken waarvoor de RAL eind 2015 naar verwachting zal stijgen.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000004.png

2.2.  Beperkende maatregelen in 2014

Op 28 mei 2014 presenteerde de Commissie haar ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2014, waarin zij om aanvullende betalingskredieten voor 2014 verzocht. Na een langdurig goedkeuringsproces is OGB 3/2014 uiteindelijk goedgekeurd op 17 december 2014. In afwachting van de goedkeuring van de gewijzigde begroting in de loop van het jaar 2014 heeft de Commissie een aantal beperkende maatregelen genomen om te voldoen aan wettelijke verplichtingen die voortvloeien uit eerder gedane vastleggingen bij de lancering van de nieuwe generatie programma’s, binnen een uitzonderlijk strak budgettair kader.

Om uitvoering te geven aan de overeengekomen beleidsmaatregelen met de in de begroting toegestane kredieten, volgde de Commissie een aanpak van actief beheer van de begroting, rekening houdend met drie belangrijke beginselen:

—  Minimalisering van de financiële gevolgen voor de EU-begroting van rente voor late betalingen en potentiële risico’s;

—  Maximalisering van de uitvoering van de programma’s;

—  Minimalisering van de potentieel negatieve gevolgen van beslissingen voor derde partijen en de economie als geheel.

Met het oog hierop zijn onder meer de volgende maatregelen genomen om een actief beheer van de schaarse betalingskredieten te waarborgen: proactieve terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen; beperking van ongebruikte bedragen op trustrekeningen; verlaging van voorfinancieringspercentages; optimaal gebruik van maximaal toegestane betalingstermijnen; uitstel van oproepen tot het indienen van voorstellen/aanbestedingen en daarmee samenhangende contracten.

Deze beperkende maatregelen stelden de Commissie in staat haar status als investeerder van topklasse en haar reputatie als betrouwbare en veilige partner te beschermen. De Commissie is erin geslaagd om de negatieve effecten van tekorten bij te betalingen zoveel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld op het gebied van het beperken van de achterstandsrente. Ondanks een bijna vijfvoudige verhoging is in vergelijking met 2013 het bedrag aan betaalde rente aan het einde van 2014 nog steeds beperkt (3 miljoen EUR). De relatief sterkere stijging voor rubriek 1a (Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid) en rubriek 4 (Europa als wereldspeler), zoals weergegeven in onderstaande tabel, illustreert de druk op de betalingskredieten.

Betaalde rente op te late betalingen (in EUR)

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Rubriek 1a

294 855

157 950

173 748

329 615

137 906

243 748

1 047 488

Rubriek 1b

1 440

5 324

6 220

11 255

31 726

71 620

103 960

Rubriek 2

27 819

1 807

9 576

15 713

61 879

30 991

61 985

Rubriek 3

13 417

59 852

48 673

50 397

29 375

13 060

7 252

Rubriek 4

250 204

178 468

257 818

1 266 425

335 820

247 786

1 797 825

Rubriek 5

43 915

442 678

237 367

60 825

142 254

46 187

8 614

Totaal

631 651

846 079

733 403

1 734 230

738 960

653 392

3 027 124

Achterstandsrente voor te late betalingen in het kader van het cohesiebeleid (rubriek 1b) is niet noemenswaardig aangezien gedeeld beheer het grootste deel van deze post vertegenwoordigt en gedeeld beheer niet leidt tot achterstandsrente. Voor de geloofwaardigheid is de niet-inachtneming van de wettelijke termijnen voor gedeelde beheersmaatregelen echter uiterst nadelig.

3.  Terminologie

In dit onderdeel wordt een aantal definities gegeven die in dit document worden gebruikt.

3.1.  Projectcyclus

Alvorens een operationeel programma of een project goed te keuren, reserveert de Commissie de kredieten door middel van een vastlegging op een begrotingslijn ter hoogte van een bepaald bedrag. Deze transactie verbruikt een deel van de goedgekeurde vastleggingskredieten.

Vaak leidt de ondertekening van het contract voor het project of de goedkeuring van het operationele programma tot een bepaald niveau van voorfinanciering, waarmee de begunstigde het project kan starten zonder geld te hoeven lenen. Het bereiken van vastgestelde mijlpalen geeft de begunstigde de mogelijkheid om tussentijdse betalingsaanvragen in te dienen en kosten in verband met het programma vergoed te krijgen.

In het geval van grote programma’s, zoals onderzoek (Horizon 2020), de structuurfondsen, het Europese Visserijfonds en plattelandsontwikkeling, leiden tussentijdse betalingsaanvragen echter niet meer tot betalingen zodra een bepaald stadium van tenuitvoerlegging is bereikt, omdat ze dan gedekt zijn door de voorfinanciering. Bovendien wordt een percentage van het totaal van de vastgelegde middelen van het project of het programma alleen betaald aan het einde daarvan, nadat de Commissie zich ervan heeft vergewist dat alle werkzaamheden zijn uitgevoerd in overeenstemming met de oorspronkelijke overeenkomst. Indien dat niet het geval is, worden de middelen slechts voor een deel vrijgemaakt. In sommige gevallen kan de Commissie ook een inningsopdracht doen uitgaan voor het terugvorderen van betalingen die niet gerechtvaardigd waren.

3.2.  Nog betaalbaar te stellen vastleggingen (RAL)

Nog betaalbaar te stellen vastleggingen worden gewoonlijk aangeduid als "RAL" naar het Franse acroniem voor "reste à liquider". Het is het gedeelte van een vastlegging dat op een bepaald tijdstip nog niet is gebruikt voor een betaling. In meerjarige projecten worden vastleggingen gedaan bij de aanvang van het project met een beperkte voorfinanciering, terwijl tussentijdse betalingen in een later stadium worden verricht wanneer het project wordt uitgevoerd, en de laatste betaling wordt verricht bij de afsluiting van het programma.

Een groot deel van de EU-begroting betreft investeringen, waarvan de uitvoering wordt gespreid over een aantal jaren. Het verschil tussen vastleggings- en betalingskredieten die zijn goedgekeurd op de jaarlijkse begroting bepaalt de veranderingen in het totale niveau van de RAL. Daarnaast bepalen de snelheid waarmee verbintenissen groeien en het tempo van de uitvoering van het programma de normale ontwikkeling van de RAL. De RAL nemen echter verder toe wanneer onvoldoende betalingskredieten worden begroot, ongeacht het tempo van de uitvoering. Het laatste geval leidt tot een toename van de nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen aan het einde van het jaar.

De verhouding tussen de RAL en de vastleggingen in het jaar is een goede indicator voor het vergelijken van de omvang van de RAL van specifieke programma’s met hun financiële middelen. Zo hebben programma’s en acties met een jaarlijks karakter, zoals Erasmus of humanitaire steun, een verhouding RAL/vastleggingen van minder dan één, wat aangeeft dat de meeste vastleggingen binnen een jaar worden betaald. Daarentegen hebben de cohesieprogramma’s doorgaans een verhouding RAL/vastleggingen die tussen 2½ en 3 ligt, wat te wijten aan het effect van de automatische vrijmakingsregels die in de wetgeving zijn vastgelegd (de zogenaamde "N + 2" / "N + 3" regels, zie punt 4.1 hieronder). Bepaalde programma’s onder rubriek 4 hebben een hogere verhouding, vanwege de complexe cyclus van onderhandelingen die aan de uitvoering zijn verbonden. In haar betalingsverzoeken houdt de Commissie rekening met deze indicatoren.

3.3.  Kasstroomproblemen versus tekorten aan betalingskredieten

De kasstroom van de Commissie wordt grotendeels bepaald door de bedragen die op maandelijkse basis worden ontvangen van de lidstaten, overeenkomstig de voorschriften inzake eigen middelen. De Commissie mag geen geld te lenen ter dekking van kasstroomtekorten. Kasstroomproblemen kunnen leiden tot tijdelijke vertragingen bij betalingen van EU-middelen aan begunstigden, ondanks het feit dat er voldoende betalingskredieten zijn goedgekeurd op de begroting voor dat jaar. Dit kan zich voordoen, meestal in het eerste deel van het jaar, omdat het totaal van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen aan het einde van het voorgaande jaar en die welke moeten worden betaald in de eerste maanden van het lopende jaar (bijvoorbeeld voor het Europees Landbouwgarantiefonds) groter zijn dan de maximale maandelijkse instroom aan eigen middelen waar de Commissie over kan beschikken. Naarmate de achterstand van het vorige jaar geleidelijk wordt afgebouwd en de maandelijkse instroom van middelen tijdens het jaar voortduurt zijn de kasstroomproblemen in de resterende maanden van het jaar niet langer blokkerend.

De kasstroomproblemen aan het begin van het jaar worden nog vergroot door het tekort aan betalingskredieten, aangezien de maandelijkse vraag naar middelen is gebaseerd op de opbrengsten waarin wordt voorzien op de goedgekeurde begroting vóór de vaststelling van gewijzigde begrotingen ter verhoging van het niveau van de betalingen, wat meestal plaatsvindt aan het einde van het jaar.

Afhankelijk van de precieze datum van vaststelling (d.w.z. vóór of na 16 november van het desbetreffende jaar) is het mogelijk dat het overeenkomstige verzoek om aanvullende eigen middelen ter financiering van de aanvullende betalingskredieten die zijn goedgekeurd met gewijzigde begrotingen die het einde van het jaar zijn vastgesteld pas kasmiddelen oplevert aan het begin van het volgende begrotingsjaar, hetgeen problemen kan opleveren met de uitvoering van de gewijzigde begrotingen in hetzelfde jaar.

3.4.  Achterstand bij de nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen aan het einde van het jaar

Aan het einde van elk jaar is er een achterstand bij de nog uitstaande betalingsverzoeken, d.w.z. vorderingen die zijn verzonden door de begunstigden van EU-middelen, en moeten worden betaald binnen een bepaalde termijn (over het algemeen binnen 2 maanden), maar die nog niet zijn betaald(15). Dat komt door een van de volgende drie redenen:

Lopende onderbrekingen/opschortingen: Betalingen zijn onderbroken of geschorst voor een aantal begunstigden/programma’s. Onderbreking van betalingen is gewoonlijk een kortdurende formele handeling waarmee de Commissie de betaling uitstelt in afwachting van ontbrekende informatie of controles van het beheers- en controlesysteem.

b)  Termijnen: Niet-honorering van betalingsaanvragen omdat ze zijn ingediend tijdens de allerlaatste dagen van het jaar, waardoor er onvoldoende tijd is voor verwerking vóór het einde van het jaar.

c)  Gebrek aan kredieten: Niet-honorering van betalingsaanvragen omdat de toegestane betalingskredieten voor het desbetreffende begrotingsonderdeel zijn uitgeput.

Een deel van de achterstand wordt als "normaal" beschouwd (zie de punten a en b). De groei van de "abnormale" achterstand aan onbetaalde betalingsaanvragen, waarvan de meeste in het kader van het cohesiebeleid, houdt verband met het tekort aan betalingskredieten (punt c), terwijl ook de kasstroomproblemen in het begin van het jaar (zie punt 3.3 hierboven) van invloed zijn. In afdeling 4 wordt nader ingegaan op het cohesiebeleid.

4.  Rubriek 1b: Ontwikkeling van de achterstand en vooruitzichten

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het specifieke geval van het cohesiebeleid (rubriek 1b). In de eerste plaats worden de belangrijkste kenmerken uiteengezet van de structuurfondsen en wordt uitgelegd hoe specifieke gebeurtenissen in het verleden of in verband met de wetgeving hebben geleid tot de huidige problematische situatie. Vervolgens wordt nagegaan hoe een "normale" achterstand kan worden gedefinieerd en wordt een gedetailleerde analyse gegeven van de situatie aan het einde van 2014.

4.1.  Tenuitvoerlegging van de structuurfondsen 2007-2013

Structuurfondsen 2007-2013: hoofdkenmerken

Projecten gefinancierd uit rubriek 1b zijn georganiseerd in operationele programma’s. Deze operationele programma’s worden voorgesteld door de lidstaten en door de Commissie onderhandeld en vastgesteld aan het begin van de periode, en voor de volledige duur van de periode. Elk operationeel programma wordt ten uitvoer gelegd in gedeeld beheer via individuele projecten. Dit betekent dat de lidstaten de fondsen uitvoeren. De Commissie neemt deel aan comités van toezicht, waar zij een adviserende rol heeft bij de selectie van projecten en toezicht houdt op de tenuitvoerlegging daarvan via jaarlijkse uitvoeringsverslagen.

Programma’s worden medegefinancierd uit de EU-begroting; dit betekent dat de Commissie niet de totale kosten van het programma draagt. De lidstaten moeten "medefinanciering" vinden voor de financiering van een deel van de programma’s.

Met de goedkeuring van een programma gaat de Europese Unie een wettelijke verplichting aan voor de gehele periode. De Commissie heeft de kredieten automatisch jaarlijks vóór eind april van 2007 tot 2013 vastgelegd op basis van het financieringsplan van het programma en niet op de feitelijke uitvoering van de projecten van het programma. Hoewel de betalingen door de EU nooit hoger kunnen zijn dan de vastleggingen op de EU-begroting, komen uitgaven voor steun in aanmerking vanaf het begin van de periode (d.w.z. vóór de goedkeuring van het programma), tot het verstrijken van de subsidiabiliteitsperiode.

Na de goedkeuring van het programma betaalt de Commissie voorfinanciering. Deze betalingen worden automatisch aan de lidstaat gedaan en blijven tot zijn beschikking tot de verrekening bij de afsluiting.

Zolang de uitvoering van de verschillende projecten nog aan de gang is dienen de lidstaten tussentijdse betalingsverzoeken in via hun certificeringsautoriteit. De tussentijdse betalingsverzoeken worden door de Commissie betaald op basis van het geldende medefinancieringspercentage en op voorwaarde dat niet tot onderbreking of schorsing wordt besloten.

Dit systeem werkt zolang het totaal aan door de Commissie betaalde voorfinanciering en door de lidstaten ingediende tussentijdse betalingsaanvragen voor de programma’s minder bedraagt dan 95% van de toewijzing van de programma’s. Zodra deze drempel wordt bereikt, kan de lidstaat de betalingsaanvragen nog altijd opsturen, maar deze worden dan gebruikt om eventuele openstaande voorfinanciering af te handelen. Het resterende bedrag wordt afgewikkeld bij de afsluiting van het programma. De lidstaten moeten subsidiabele uitgaven rechtvaardigen ter dekking van het bedrag aan ontvangen voorfinanciering aan het begin van de periode en het bedrag dat is aangehouden voor de afsluiting (5% van de totale toewijzing).

Na het einde van de subsidiabiliteitsperiode is er een periode van 15 maanden voor het opstellen en indienen van de afsluitingsdocumenten bij de Commissie en het aanvragen van de saldobetaling. Voordat de saldobetaling kan worden gedaan, onderzoekt de Commissie het afsluitingspakket (d.w.z. de verklaring van afsluiting, het laatste uitvoeringsverslag en het laatste betalingsverzoek). Aangezien deze documenten uiterlijk op 31 maart 2017 worden verwacht, zal het besluit betreffende de sluiting (en de bijbehorende saldobetalingen) tussen 2017 en 2019 worden genomen. Op basis van het resultaat van deze procedure wordt de 5% ingehouden voor de afsluiting worden gebruikt voor de betaling van nog uitstaande betalingsverzoeken. Indien dat niet het geval is betaalt de Commissie niet het volledige bedrag bij de afsluiting. Het niet betaalde bedrag wordt vrijgemaakt. Indien de correcties hoger zijn dan 5%, zal de Commissie het onverschuldigd betaalde bedrag terugvorderen.

De N+2/N+3-regel

De N+2/N+3-regel is voor het eerst ingevoerd voor de programmeringsperiode 2000-2006. De regel bepaalt dat een vastlegging gedaan in het jaar N moet worden gedekt door hetzelfde bedrag aan voorfinanciering en tussentijdse betalingsverzoeken, ingediend vóór 31 december van het jaar N+2 (N+2-regel). Zo moet bijvoorbeeld een in 2012 aangegane verplichting volledig worden gedekt door betalingsaanvragen vóór 31 december 2014. Het niet gedekte bedrag wordt vrijgemaakt, wat betekent dat de lidstaat de steun verliest. Op dit moment zijn er echter geen gevallen van aanzienlijke N+2/N+3 vrijmakingen in de hele geschiedenis van de structuurfondsen.

Doel van de regeling is om te zorgen voor financiële discipline bij het beheer van EU-middelen. Omdat vastleggingen automatisch plaatsvinden zodra het programma is goedgekeurd, verplicht de regel de lidstaten de projecten uit te voeren op een dynamische wijze en problemen helemaal aan het einde van de cyclus te voorkomen. Het bestaan ervan maakt ook een soepeler profiel van betalingen mogelijk door de lidstaten te verplichten op geregelde tijdstippen betalingsaanvragen indienen. Zoals echter toegelicht in het volgende hoofdstuk, verminderde het "versoepelen" van de regel, met name in de nasleep van de financiële crisis van 2008, de regulerende werking ervan.

Deze regel is de bron van de concentratie van betalingsaanvragen aan het einde van het jaar: De lidstaten dienen hun betalingsaanvragen toe te zenden vóór 31 december middernacht, via een specifiek IT-systeem. Hoewel zij wettelijk verplicht zijn om hun vorderingen gedurende het jaar regelmatig in te zenden, blijkt uit ervaring dat veel lidstaten tot de laatste weken wachten met het sturen van een grote hoeveelheid aanvragen.

4.2.  Profiel van de betalingsaanvragen voor de programmeringsperiode 2007-2013

De belangrijkste aanjagers van de betalingscyclus

Aan het begin van de periode worden aanzienlijke bedragen aan voorfinanciering betaald, in sommige jaren gevolgd door een relatief laag niveau van tussentijdse betalingen wanneer programma’s hun structuren opzetten en beginnen met de tenuitvoerlegging van de projecten. Omdat de N+2/N+3-regel pas op zijn vroegst aan het einde van het derde jaar van de programmeringsperiode in werking begint te treden, is er geen druk op het begin van het kader voor het indienen van vorderingen. Bovendien dekt de voorfinanciering nog steeds een groot deel van de vastleggingen die aan het begin van de programmeringsperiode zijn gedaan. Ongeveer 2-3 jaar vóór het einde van de programmeringsperiode begint het jaarlijkse niveau van tussentijdse betalingen te stijgen naarmate de programma’s zich volledig ontwikkelen en de betalingsaanvragen op kruissnelheid liggen. Een piek doet zich voor aan het eind van de periode/het begin van de volgende programmeringsperiode, gevolgd door een daling tot bijna nul in de volgende jaren wanneer programma’s de drempel van 95% bereiken. Een piek doet zich voor aan het eind van de periode/het begin van de volgende programmeringsperiode, gevolgd door een daling tot bijna nul in de volgende jaren wanneer programma’s de drempel van 95% bereiken.

Afwijkingen

Drie ontwikkelingen in het wetgevingskader van toepassing op de programmeringsperiode 2007-2013 versterkten het cyclische karakter van tussentijdse betalingen:

1.  De omschakeling van N+3 naar N+2. Als onderdeel van het algemeen compromis tot vaststelling van het MFK voor de periode 2007-2013, werden de nieuwe lidstaten en Griekenland en Portugal onderworpen aan een N+3-regel voor de vastleggingstranches 2007-2010 en vervolgens aan een N+2-regel tot het einde van de periode. Dit betekent dat deze lidstaten vóór eind 2013 twee vastleggingstranches moesten dekken: de tranche van 2010 en die van 2011. Het spreekt voor zich dat de lidstaten niet noodzakelijkerwijs wachtten tot de termijn voor doorhaling met het uitvoeren van de programma’s en het indienen van de betalingsaanvragen, zodat er geen sprake was van verdubbeling van betalingsaanvragen in 2013. Niettemin versterkte deze regel in hoge mate de piek van 2013 met een overloopeffect op de daaropvolgende jaren door de accumulatie van een groeiende achterstand.

2.  De lidstaten moesten een conformiteitscontrole verrichten met betrekking tot op hun controlesystemen voor de fondsen. De resultaten van de conformiteitscontrole moesten door de Commissie worden goedgekeurd. Tussentijdse betalingsaanvragen konden worden ingediend, maar werden alleen door de Commissie vergoed na goedkeuring van de conformiteitsbeoordeling. Hoewel de meeste programma’s in 2007 waren goedgekeurd, werd de indiening van vorderingen (of in ieder geval de terugbetaling door de Commissie) uitgesteld, en er waren bijna geen tussentijdse betalingen in 2008.

3.  Als reactie op de financiële crisis waren er krachtige oproepen van de lidstaten om de vastleggingstranche voor 2007 voor de N+2/N+3-regel te neutraliseren. Dit werd door de Commissie aanvaard, maar in plaats van uitstel van de vrijmakingsdrempel van de tranche 2007 met een jaar, werden de N+2/N+3-regels afgezwakt door een unanieme besluit van de Raad om de verplichting met betrekking tot de tranche 2007 in zes zesden te spreiden over de gehele periode. Deze zogeheten "Griekse regeling" maakte het mogelijk minder betalingsaanvragen in te dienen in het begin van de periode, gecompenseerd door meer betalingsverzoeken aan het eind van de periode.

Bovendien werd, ook als reactie op de crisis, de subsidiabiliteitsperiode van de uitgaven voor de programma’s 2000-2006 verlengd van eind 2008 tot 2009 (door een wijziging van het besluit van de Commissie tot goedkeuring van het programma) en bleven de lidstaten zich derhalve richten op de uitvoering van de programma’s voor 2000-2006. Dientengevolge heeft de tenuitvoerlegging van de programma’s voor 2007-2013 en de daaraan gekoppelde indiening van tussentijdse betalingsaanvragen voor 2007-2013 vertraging opgelopen.

Vergelijking van de programma’s 2000-2006 met de programma’s 2007-2013

Terwijl in de programmeringsperiode 2007-2013 is overgeschakeld van N+3 naar N+2 aan het einde van het vierde jaar, gold in de programmeringsperiode 2000-2006 alleen de N+2-regel, zij het met enkele aanpassingen in 2004 als gevolg van de toetreding van 10 lidstaten.

Onderstaande tabel vergelijkt de gecumuleerde tussentijdse betalingen voor de periode 2000-2006, die werden uitgevoerd in de periode 2001-2007 als percentage van het totaalbedrag, met de gecumuleerde tussentijdse betalingen voor de programma’s van 2007-2013, die plaatsvond van 2008 tot en met 2014, eveneens als percentage van het totaalbedrag.

Grafiek 1: Jaarlijkse patroon van de cumulatieve tussentijdse betalingen (met 1 jaar vertraging): 2000-2006 (EU- 15) tegenover de periode 2007-2013 (% van totale toewijzing exclusief voorfinanciering)

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000005.png

Zoals blijkt uit de tabel bleven de gecumuleerde betalingen voor de programma’s 2007-2013 onder het niveau van de periode 2000-2006, zij het dat de achterstand tegen het einde van die periode werd ingelopen. Dit uitgestelde profiel voor de programma’s 2007-2013 vloeide voort uit de combinatie van factoren die hierboven zijn uiteengezet. Het verklaart de onderbesteding van betalingskredieten en het maximum van de betalingen aan het begin van de periode, omdat het betalingsprofiel voor de programma’s 2000-2006 als referentie was genomen voor de vaststelling van de plafonds.

Toen echter de betalingsaanvragen de achterstand in een later stadium begonnen in te halen, werden de betalingen sterk beperkt door het niveau van de goedgekeurde betalingskredieten en/of door het maximumbedrag dat leidde tot de opbouw van de achterstand.

Ontwikkeling van de achterstand 2007-2014

De volgende grafiek(16) toont de ontwikkeling van de achterstand voor de programma’s 2007-2013 in de periode 2007-2016.

Grafiek 2: De programma’s van het cohesiebeleid 2007-2013: ontwikkeling van de nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen aan het einde van het jaar (in miljard EUR)

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000006.png

Zoals blijkt uit de tabel begon de achterstand voor de programma’s 2007-2013 weer te stijgen in 2011 en bereikte in dat jaar een niveau van 11 miljard EUR, om in 2014 een piek te bereiken van 24,7 miljard EUR. Zoals hieronder uiteengezet, voorspellen de prognoses nog altijd een omvangrijke achterstand aan het eind van 2015, alvorens weer te dalen tot een "normale" en houdbare achterstand aan het eind van 2016.

4.3.  Onderdelen en soorten achterstand

In de loop van het jaar ontvangt de Commissie de volgende betalingsaanvragen voor de structuurfondsen:

a)  In aanmerking komende betalingsaanvragen die worden gedekt door betalingen in de loop van het jaar.

b)  Betalingsaanvragen die reeds zijn behandeld in het kader van de voorfinanciering aan het begin van de programmeringsperiode en die bijgevolg niet worden gevolgd door extra betalingen.

c)  Betalingsaanvragen die slechts kunnen worden uitbetaald na de afsluiting zullen moeten wachten tot de Commissie en de begunstigde een overeenkomst over de sluiting bereiken.

d)  Betalingsaanvragen die niet zijn gehonoreerd omdat ze zijn ingediend tijdens de allerlaatste dagen van het jaar, waardoor er onvoldoende tijd is voor verwerking vóór het einde van het jaar.

e)  Betalingsaanvragen die worden onderbroken of opgeschort voor bepaalde begunstigden. Onderbreking of schorsing van betalingen is gewoonlijk een kortdurende formele handeling waarmee de Commissie de betaling uitstelt in afwachting van ontbrekende informatie of controles van het beheers- en controlesysteem.

f)  Betalingsaanvragen die niet zijn gehonoreerd aan het einde van het jaar omdat de toegestane betalingskredieten voor het desbetreffende begrotingsonderdeel zijn uitgeput.

De laatste vier categorieën (c tot en met f) blijven uitstaande vorderingen aan het einde van het jaar, maar de achterstand omvat nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen overeenkomstig d, e en f. Een zeker niveau van onbetaalde vorderingen aan het einde van het jaar wordt beschouwd als "normaal" indien zij overeenkomen met de punten d en e. De "abnormale" achterstand omvat alleen nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen volgens punt f.

De volgende grafiek illustreert de stroom van betalingsverzoeken voor rubriek 1b, van de indiening door de lidstaten via de identificatie van "uit te betalen vorderingen" tot de "normale" en "abnormale" achterstand.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000007.png

Concentratie van vorderingen en betalingstermijn aan het einde van het jaar

In de maand december doet zich een zeer hoge concentratie voor van door de lidstaten ingediende betalingsaanvragen, variërend van 27% tot 35% van het jaarlijks totaal in de periode 2011-2014. Voor elk ontvangen betalingsverzoek moet de Commissie controles uitvoeren alvorens tot uitbetaling over te gaan. Hoe groter het aantal ontvangen aanvragen in de laatste weken van het jaar, hoe hoger het risico van aanspraken die niet worden vergoed voor het einde van het jaar.

Om deze reden moedigt de Commissie de lidstaten vaak aan hun vorderingen regelmatiger en in de loop van het jaar in te dienen.

Onderstaande grafiek toont de maandelijkse ontwikkeling van de indiening van betalingsverzoeken voor de programma’s 2007-2013 tussen 2011 en 2014.

Grafiek 3a: Maandelijks patroon van de cumulatieve ingediende tussentijdse betalingsaanvragen voor de periode 2007-2013 (in % van het totaal)

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000008.png

Bovenstaande grafiek laat duidelijk een terugkerende zeer sterke stijging van betalingsaanvragen aan het einde van het jaar zien.

Grafiek 3b: Concentratie van ingediende betalingsverzoeken tijdens de laatste twee maanden van het jaar (ontvangen percentage in november en december) tussen 2011 en 2014

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000009.png

De grafieken illustreren dat meer en meer betalingsverzoeken laat in het jaar binnenkomen, als gevolg van de toenemende druk van de N+2-regel. De opheffing van de N+3-regel in 2013 betekende dat voor alle lidstaten een N+2-regel gold, behalve voor Roemenië, Slowakije en Kroatië. Het was van grote invloed op de omvang van de in dat jaar ontvangen betalingsverzoeken. Het bedrag van de verzoeken die te laat in het jaar worden betaald hangt af van het totaalbedrag van de ontvangen betalingsverzoeken tijdens het jaar en het profiel gedurende het jaar.

Gevolgen van onderbrekingen en opschortingen

De Commissie maakt gebruik van een aantal preventieve mechanismen om de EU-begroting te beschermen voordat zij betalingen doet aan de lidstaten wanneer zij op de hoogte is van eventuele tekortkomingen. Deze mechanismen zijn van grote waarde voor de verbetering van de controlesystemen in de lidstaten en het verminderen van de noodzaak van toekomstige financiële correcties door de Commissie.

Als gevolg daarvan kan aan sommige betalingsaanvragen niet onmiddellijk voldaan worden, aangezien zij door de Commissie onderbroken of geschorst zijn in afwachting van door te voeren verbeteringen van de controlesystemen. Hoewel de meeste van deze betalingsverzoeken uiteindelijk niet zullen worden afgewezen, kunnen zij ook niet onmiddellijk worden betaald.

Overeenkomstig de verordening(17) kan de Commissie:

—  de betalingstermijn voor maximaal 6 maanden onderbreken voor programma’s van 2007-13 indien er aanwijzingen zijn voor significante tekortkomingen in de werking van de beheers- en controlesystemen van de betrokken lidstaat; of indien de diensten van de Commissie aanvullende verificaties moeten verrichten naar aanleiding van informatie dat uitgaven in een gecertificeerde uitgavenstaat verband houden met een ernstige onregelmatigheid ten aanzien waarvan geen corrigerende maatregelen zijn genomen.

—  alle of een deel van een tussentijdse betaling aan een lidstaat uit hoofde van programma’s van 2007-13 schorsen indien er sprake is van ernstige tekortkomingen in de beheers- en controlesystemen van het programma en de lidstaat niet de nodige corrigerende maatregelen heeft genomen; of indien uitgaven in een gecertificeerde uitgavendeclaratie verband houden met een ernstige onregelmatigheid ten aanzien waarvan geen corrigerende maatregelen zijn genomen; of in geval van ernstige inbreuk door een lidstaat op zijn beheers- en controleplichten. Wanneer de lidstaat niet de nodige maatregelen treft, kan de Commissie een financiële correctie opleggen.

De raming van de "normale" achterstand

Zoals eerder uitgelegd, is de "normale" achterstand het totaal van de betalingsverzoeken die worden onderbroken of geschorst en de verzoeken die te laat binnenkomen om nog tijdens het jaar te worden gehonoreerd. Betalingsverzoeken die tijdens de laatste tien dagen van het jaar binnenkomen kunnen worden beschouwd als te laat om gehonoreerd te worden, omdat de Commissie voldoende zekerheid moet hebben dat zij in staat zal zijn de beschikbare kredieten op de begroting volledig uit te voeren. Niettemin maken sommige van de onderbroken of geschorst betalingsverzoeken ook deel uit van de verzoeken die te laat komen om gehonoreerd te worden en mogen niet tweemaal worden geteld.

Daarom zal de "normale" achterstand nog toenemen met het totale aantal in de loop van het jaar ontvangen verzoeken en de relatieve concentratie daarvan tijdens de laatste dagen van het begrotingsjaar.

Voor de periode 2010-2014 geeft onderstaande grafiek een overzicht van de ontvangen betalingsverzoeken, de achterstand aan het eind van het jaar en de verzoeken die te laat zijn binnengekomen om te worden gehonoreerd of die zijn opgeschort.

Grafiek 4 rubriek 1b: Betalingsverzoeken, achterstand, schorsingen 2010-2014

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000010.png

Voor de afgelopen drie jaar (2012-2014) kan de "gewone" achterstand (d.w.z. betalingsaanvragen die zijn ontvangen in de laatste tien dagen van het jaar of zijn onderbroken of geschorst, ook al zijn ze ontvangen vóór de laatste tien dagen) worden geraamd op ongeveer de helft van de waarde van de totale achterstand bereikt aan het eind van elk jaar. De andere helft hield verband met de schaarste van de goedgekeurde betalingskredieten op de begroting, wat heeft geleid tot een "sneeuwbaleffect"(18).

Met het dalende niveau van betalingsverzoeken die worden verwacht in 2015 en 2016, de verwachte daling van het aantal onderbroken of opgeschorte gevallen en de afwezigheid van druk van de N+2-regel eind 2015(19), zal de "normale" achterstand naar verwachting ook sterk zal dalen.

4.4.  Vooruitzichten voor betalingen 2007-2013 (verzoeken) in 2015 en 2016

Raming voor 2015 en 2016 op basis van de prognoses van de lidstaten

Overeenkomstig de verordening inzake de structuurfondsen 2007-2013(20) moeten de lidstaten bij de Commissie uiterlijk op 30 april van het jaar N een voorlopige raming indienen van hun verwachte tussentijdse betalingsaanvragen voor het jaar N en het jaar N+1. In de afgelopen jaren zijn de lidstaten overeengekomen om deze informatie in september van het jaar N te actualiseren, teneinde de toename van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen (achterstand) en de grote concentratie van de betalingsverzoeken ingediend in de laatste maanden van het jaar nauwkeuriger te kunnen beoordelen.

Overeenkomstig de nieuwe verordening voor de structuurfondsen 2014-2020(21) moeten de lidstaten hun raming van verwachte tussentijdse betalingsaanvragen voor het jaar N en het jaar N+1 echter uiterlijk op 31 januari van het jaar N indienen (met een actualisering tegen 31 juli). Deze nieuwe termijn is door de lidstaten in 2015 op vrijwillige basis toegepast voor de programma’s 2007-13, naar aanleiding van een verzoek van de Commissie, bevestigd in december 2014. Volgens de gegevens die de Commissie op 3 maart 2015 heeft ontvangen, verwachten de lidstaten momenteel naar schatting ongeveer 48 miljard EUR aan betalingsaanvragen (zowel betaalbaar als niet betaalbaar) te zullen indienen in 2015 en voor circa 18 miljard EUR in 2016(22).

Zoals reeds is uiteengezet, zullen niet alle betalingsverzoeken rechtstreeks leiden tot betalingen, omdat rekening moet worden gehouden met het "95% plafond" voor de betalingen als vastgesteld in artikel 79 van verordening 1083/2006(23). Naarmate meer programma’s het "95% plafond" bereiken, zal deze correctie in 2015 en latere jaren veel groter worden. Bijgevolg zijn de werkelijke cijfers van de verwachte te honoreren verzoeken lager dan de ramingen van de lidstaten, omdat de verzoeken boven het plafond van 95% alleen bij de afsluiting worden beschouwd. Op basis van deze afgetopte prognoses verwacht de Commissie in 2015 te honoreren betalingsaanvragen te zullen ontvangen ter hoogte van circa 35 miljard EUR. Het overeenkomstige cijfer voor 2016 bedraagt momenteel ongeveer 3 miljard EUR. Dit bedrag voor 2016 zal worden gepreciseerd (en zou enigszins hoger kunnen uitvallen) zodra de lidstaten ontbrekende gegevens indienen of ingediende gegevens wijzigen voor sommige operationele programma’s.

Bijlage 2 bevat meer details over de ramingen van de lidstaten van in te dienen betalingsaanvragen in 2015 en 2016 voor de cohesieprogramma’s in de periode 2007-2013.

Raming van de Commissie gebaseerd op uitvoering

Eind 2014 bedroeg het totale bedrag van de voorfinanciering en de tussentijdse betalingen 266,1 miljard EUR. Het totale budget voor de programma’s van het cohesiebeleid 2007-2013 bedraagt 347,3 miljard EUR. Rekening houdend met de reeds uitgevoerde annuleringen en het gevaar van annulering als gevolg van de toepassing van de N+2/N+3-regel aan het einde van 2014, die nog moet worden bevestigd (in totaal een maximumbedrag van ongeveer 0,9 miljard EUR sinds het begin van de periode), bedraagt het nog te betalen bedrag maximaal ongeveer 80,3 miljard EUR. 5% van de bedragen voor elk programma moeten echter pas worden betaald bij de afsluiting (17.3 miljard EUR).

Derhalve is het verwachte niveau van tussentijdse betalingsaanvragen die nog moeten worden betaald in 2015 of de daaropvolgende jaren circa 63 miljard EUR, of 18% van het totale budget, inclusief de achterstand van eind 2014 (24,7 miljard EUR). Het maximale niveau van te honoreren nieuwe betalingsverzoeken die in 2015 of in de daaropvolgende jaren worden ontvangen vóór de afsluiting, bedraagt 38,3 miljard EUR. Indien een bedrag van maximaal 35 miljard EUR aan betalingsverzoeken zal worden ontvangen in 2015, wordt het resterende bedrag van maximaal 3.5 miljard EUR ontvangen in 2016.

Geraamde achterstand eind 2015 op basis van gecorrigeerde prognoses van de lidstaten

Het niveau van op de begroting 2015 goedgekeurde betalingskredieten bedraagt 39,5 miljard EUR. Dit bedrag omvat zowel de achterstand van voor 2015 (24,7 miljard EUR) als de nieuwe aanvragen (geraamd op 35 miljard EUR). Derhalve zal de verwachte achterstand eind 2015 neerkomen op 20 miljard EUR, waarvan ten minste ongeveer de helft, of ongeveer 10 miljard EUR, zal overblijven als abnormale achterstand.

In miljard EUR

Achterstand eind 2014 (gecorrigeerd)

Ramingen van de lidstaten van aanvragen 2015 met gecorrigeerde 95% drempel

Goedgekeurde betalingskredieten begroting 2015

Geraamde achterstand eind 2015

24.7

~35

39.5

~20

4.5.  Betalingsaanvragen verwacht voor 2016

Zoals hierboven uiteengezet bedraagt de achterstand van eind 2015 naar verwachting ongeveer 20 miljard EUR, mits de ramingen van de lidstaten juist blijken. Voorts kan nog maximaal 3.5 miljard EUR aan te honoreren verzoeken worden verwacht voor de afsluiting van de programma’s. Gezien dit relatief beperkte bedrag van betalingsaanvragen, en aangezien er geen N+2-druk meer zal zijn, is er geen reden om aan te nemen dat een groot deel van deze betalingsverzoeken te laat zal komen om nog in 2016 te kunnen worden uitbetaald.

De Commissie zal haar verzoek nader preciseren in de ontwerpbegroting 2016, waarbij zij rekening houdt met de "normale" achterstand van eind 2016. Deze "normale" achterstand – die zeer laattijdige indiening van verzoeken en de resterende onderbrekingen/opschortingen omvat – zal echter zeer gering zijn in vergelijking met eerdere jaren, aangezien het bedrag van de nieuwe verzoeken die in 2016 zullen worden ontvangen ook zeer laag zal zijn, en de Commissie verwacht dat de lidstaten eventuele tekortkomingen zullen corrigeren en "schone" betalingsverzoeken zullen indienen. Het in de orde van grootte van 2 miljard EUR kunnen zijn. Deze "normale" achterstand aan het einde van het jaar 2016 zal derhalve moeten worden opgenomen in de begroting 2017. Het bedrag dat moet worden opgenomen in de begroting 2016 zou derhalve ongeveer 21,5 miljard EUR bedragen.

4.6.  Samenvatting van de informatie die wordt gebruikt voor de berekening van de betalingsaanvraag en de achterstanden

De volgende tabel geeft een overzicht van informatie over het totaalbedrag voor het programma, het verwachte gebruik van de kredieten op de begroting 2015 en de maximale betalingsaanvragen verwacht in 2016.

Uitstaande tussentijdse betalingen 2015-2017 (miljard EUR)

Totaalbedrag van het programma

(1)

347,3

Waarvan voorfinanciering en de tussentijdse betalingen gedaan tot eind 2014

(2)

266,1

Waarvan geserveerd voor de afsluiting (5%) en verrichte annuleringen

(3)

18,2

Maximumbedrag van tussentijdse betalingen (2015-2017)

(4)=(1)-(2)-(3)

~63,0

Waarvan achterstand eind 2014 (nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen)

(5)

24,7

Waarvan maximumbedrag tussentijdse betalingen (2015-2017)

(6)=(4)-(5)

38,3

Begrotingsjaar 2015 (miljard EUR)

Op de begroting 2015 beschikbare kredieten

(1)

39,5

Waarvan achterstand eind 2014

(2)

24,7

Waarvan prognoses 2015 gecorrigeerd met drempel van 95%

(3)

~35

Verwachte achterstand eind 2015

(4)=(1)-(2)-(3)

~20

Begrotingsjaar 2016, miljard EUR

Verwachte achterstand eind 2015

(1)

~20

Maximale resterende betalingsverzoeken die in 2016 worden ontvangen vóór de sluiting

(2)

~3,5

Maximale betalingsverzoeken gedekt op de begroting 2016

(3)=(1)+(2)

~23,5

4.7.  Betaling bij afsluiting

De afsluiting van de structuurfondsen heeft haar eigen dynamiek wat betalingen betreft. Elke lidstaat stuurt de afsluitingsdocumenten per programma uiterlijk op 31 maart 2017 in. De Commissie stelt de lidstaat in kennis van haar advies over de inhoud van de verklaring van afsluiting binnen de vijf maanden na ontvangst ervan, op voorwaarde dat alle informatie is ingediend in het oorspronkelijke afsluitingsdocument(24). Als regel geldt dat de betalingen voor de afsluiting pas zullen plaatsvinden na 2016. Het totale gereserveerde bedrag voor de afsluiting (5 % van de totale toewijzing) bedraagt 17,3 miljard EUR, maar de hoogte van de betalingen zal worden beïnvloed door de kwaliteit van de uitvoering van het programma gedurende de hele periode. Mogelijke annuleringen na afsluiting binnen het cohesiebeleid kunnen de benodigde betalingen verminderen.

Als indicatieve raming voor de periode 2000-2006 bedroeg het annuleringspercentage bij de afsluiting 2,6% van de totale toewijzing voor het Europees Sociaal Fonds (ESF) en 0,9% voor het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO). Voor het ESF is er echter nog ongeveer 0,5 miljard EUR aan RAL die verband houdt met problematische gevallen van onregelmatigheden, en daarom schat de Commissie dat het definitieve percentage van de annuleringen bij de afsluiting ongeveer 3% zal zijn voor dat fonds. De Commissie sluit niet uit dat de annuleringen bij de afsluiting hoger zijn dan in de afgelopen periode waarmee de bovengenoemde raming moet worden beschouwd als een voorzichtige indicatie.

Afsluitingsverzoeken worden niet in aanmerking genomen bij de analyse van de daling van het normale een deel van de achterstand, aangezien de meeste daarvan zijn betaald in de periode 2017-2019 of daaropvolgende jaren en in ieder geval niet zullen leiden tot betalingen, omdat alle onverschuldigd betaalde bedragen eerst zullen worden hersteld voordat de definitieve betaling zal plaatsvinden.

5.  Andere rubrieken: vooruitzichten voor de programma's 2007-2013

5.1.  Overzicht

Na de grondige analyse van het specifieke geval van het cohesiebeleid (rubriek 1b) in punt 4 hierboven, wordt in dit deel ingegaan op de situatie in de andere rubrieken, die als volgt kunnen worden samengevat:

–  De kredieten voor het Europees Garantiefonds voor de landbouw (rubriek 2) zijn niet gesplitst, waarbij betalingen en vastleggingen zijn vastgesteld op hetzelfde niveau. Daarom is er geen achterstand aan het eind van het jaar;

–  Het beheer van het fonds voor plattelandsontwikkeling, het Europees Visserijfonds (post 2) en de fondsen voor asiel, migratie, grenzen en veiligheid (rubriek 3) wordt gedeeld met de lidstaten, op dezelfde manier als het cohesiebeleid. Terwijl plattelandsontwikkeling tot dusver geen achterstand had, is dit niet het geval voor de andere fondsen;

–  De meeste andere programma’s (de rubrieken 1a en 4) worden beheerd door de Commissie. Gezien de betalingstekorten zijn vele van deze programma’s onderworpen aan de beperkende maatregelen die de Commissie in de loop van 2014 (en in sommige gevallen reeds in 2013) heeft genomen, uiteenlopend van vermindering van de voorfinanciering (met inachtneming van de aard en de financiële soliditeit van uitvoerende partners, ontvangers en begunstigden), tot uitstel van de definitieve betalingen of betalingen voor begrotingssteun, en het zich onthouden van het doen van nieuwe vastleggingen, en het uitstellen van de sluiting van contracten. Met de meeste van deze maatregelen wordt echter alleen het tijdstip van de betalingen uitgesteld, terwijl de verplichtingen nog altijd moeten worden nagekomen.

De onderstaande tabel geeft een overzicht van de ontwikkeling van de achterstand voor de rubrieken 1a en 4. Terwijl de achterstand voor rubriek 4 een duidelijke opwaartse tendens vertoont, en in 2014 het hoogste niveau in jaren bereikte, is de ontwikkeling voor rubriek 1a minder duidelijk.

Achterstand aan het einde van het jaar (in miljoen EUR)

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Rubriek 1a

1 679

507

291

628

604

567

551

541

Rubriek 4

172

178

284

226

387

367

389

630

5.2.  Programma's in gedeeld beheer van rubriek 2 en 3

5.2.1.  Rubriek 2

Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)

Er is geen achterstand voor het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) omdat het fonds gebaseerd is op niet-gesplitste kredieten.

Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)

Tot dusver is er geen achterstand voor plattelandsontwikkeling: De Commissie heeft alle betalingsverzoeken steeds op tijd kunnen betalen. Rekening houdend met de omvang van het programma voor plattelandsontwikkeling en de 95%-regel die ook van toepassing is, bedraagt het maximale niveau van tussentijdse betalingen die eventueel nog moeten worden betaald vóór de afsluiting ongeveer 8,7 miljard EUR voor de periode 2007-2013. De goedgekeurde betalingskredieten op de begroting 2015 voor de programma’s van 2007-2013 bedragen 5,9 miljard EUR. Het resterende bedrag van 2,8 miljard EUR zal worden betaald in 2016, na de toezending door de lidstaten van de laatste driemaandelijkse verklaring, die in januari 2016 moeten worden ingediend.

Het totale voor de afsluiting gereserveerde bedrag is circa 4,8 miljard EUR. Het daadwerkelijk te betalen bedrag zal afhangen van de annuleringen. Ter illustratie zou door toepassing van een niveau van 1,5% van annuleringen tijdens de afgesloten periode 2000-2006 ongeveer 1,5 miljard EUR zijn vrijgemaakt. Naar verwachting zullen de afsluitende betalingen plaatsvinden tussen 2016 en 2019.

Europees Visserijfonds (EVF)

De beheersvorm van het EVF is vergelijkbaar met die van het cohesiebeleid (rubriek 1b). Aangezien er echter geen N+3-regel geldt, kent het EVF niet het specifieke probleem van de overgang van de N+3-regel op de N+2-regel tussen de vastleggingstranche voor 2010 en de vastleggingstranche voor 2011. Bovendien gold evenmin de "Griekse regel", hoewel de start van de programma’s is ook licht vertraagd was door de verplichtingen met betrekking tot de beheers- en controlesystemen. De afgelopen jaren was de achterstand voor het EVF echter zeer omvangrijk. Begin 2014 was het niveau van de achterstand op het niveau van de goedgekeurde betalingskredieten voor de programma’s 2007-2013.

Wat betreft het tijdstip van indiening van betalingsverzoeken in de loop van het jaar, werd in de periode 2010-2014 twee derde van de jaarlijkse betalingsaanvragen ontvangen in de maanden november en december. De onderstaande grafiek toont de omvang van de achterstand van 2011 tot 2014 voor de programma’s 2007-2013 van het EVF, samen met de oorspronkelijke betalingskredieten van het volgende jaar.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000011.png

De belangrijkste reden voor de vermindering van de achterstand voor het EVF van eind 2014 was de herschikking van alle beschikbare betalingskredieten op de begroting (met inbegrip van alle betalingskredieten voor het EFMZV in gedeeld beheer - als gevolg van de vertraging bij de goedkeuring van de nieuwe rechtsgrondslag) en de verhogingen ontvangen dankzij het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2014 (vastgesteld als gewijzigde begroting nr. 2/2014) en de overschrijving aan het einde van het begrotingsjaar.

Het hogere niveau van de betalingen die zijn goedgekeurd op de begroting 2015 moet een vermindering van de achterstand mogelijk maken tot het normale niveau van circa 0,1 miljard EUR.

5.2.2.  Rubriek 3

Asiel, migratie, grenzen en veiligheid

Het gemeenschappelijk asiel- en immigratiebeleid in de periode 2007-2013 werd voornamelijk uitgevoerd via het algemene programma "Solidariteit en beheer van de migratiestromen" (SOLID). Dit algemene programma bestond uit vier instrumenten: Buitengrenzenfonds (EBF), het Europees Terugkeerfonds (ETF), het Europees Vluchtelingenfonds en het Europees Fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen (EIF).

Uit de volgende grafiek blijkt het stijgende niveau van de openstaande betalingsaanvragen aan het einde van het jaar voor de programma’s op het gebied van asiel, migratie, grenzen en veiligheid.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000012.png

De RAL is gestegen van 150 miljoen EUR begin 2007 tot 2,6 miljard EUR in 2014, ondanks 300 miljoen EUR aan annuleringen in de periode 2007-2014. Ongeveer 1,9 miljard EUR moet worden betaald voor de programma’s 2007-2013. De goedgekeurde betalingskredieten voor de programma’s op de begroting 2015 zijn iets hoger dan 600 miljoen EUR, met inbegrip van de kredieten voor de initiële en jaarlijkse voorfinanciering van de nieuwe programma’s voor de periode 2014-2020.

Rekening houdend met het bedrag dat wordt betaald bij de afsluiting (geraamd op ongeveer 1 miljard EUR) en het feit dat tweede voorfinancieringen niet konden worden betaald in 2013 en 2014 door een gebrek aan betalingskredieten, worden de benodigde betalingen om de achterstand voor de programma’s 2007-2013 te verminderen tot een normaal peil aan het einde van 2016 geraamd op ongeveer 235 miljoen EUR.

5.3.  Programma's in direct beheer van rubriek 1a en 4

5.3.1.  Rubriek 1a

In dit deel wordt een overzicht gegeven van de situatie van de betalingen voor de programma’s van rubriek 1a aan het einde van 2014.

Uitstaande betalingsverzoeken aan het eind van het jaar

De onderstaande grafiek toont de ontwikkeling van de nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen aan het einde van het jaar voor de belangrijkste programma’s van rubriek 1a.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000013.png

Het hoge niveau van uitstaande betalingsverzoeken aan het eind van 2007 is grotendeels het gevolg van de projectcyclus van het 6e kaderprogramma voor onderzoek (KP6), en het bijzonder grote aantal openstaande vastleggingen op dat moment. Bovendien werd in de onderzoekscontracten bepaald dat controlecertificaten vereist waren voordat kostendeclaraties konden worden betaald.

De beperkende maatregelen die de Commissie in 2014 nam (zie punt 2.2 hierboven) om het tekort aan betalingskredieten aan te pakken voorkwamen een toename van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen aan het einde van 2014. De maatregelen omvatten de verlaging van het niveau van voorfinanciering en uitstel van de ondertekening van nieuwe contracten/subsidieovereenkomsten, zodat een deel van de betalingen naar het volgende jaar werd verschoven. Terwijl het niveau van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen is beperkt, was een neveneffect van de maatregelen dat de uitvoering van de programma’s voor 2014-2020 werd vertraagd. In sommige gevallen moesten er drastische maatregelen worden genomen om voorrang te geven aan betalingen aan de meer kwetsbare begunstigden.

Ontwikkeling van nog betaalbaar te stellen vastleggingen (RAL)

Het min of meer stabiele niveau van onbetaalde betalingsverzoeken aan het einde van het jaar voor programma’s onder rubriek 1a staat in schril contrast met de duidelijk opwaartse trend van het niveau van nog betaalbaar te stellen bedragen (RAL), zoals blijkt uit de onderstaande grafiek:

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000014.png

De stijgende RAL in rubriek 1a is voor een groot deel het gevolg van de groeiende kloof tussen de vastleggings- en betalingskredieten voor onderzoek, het grootste programma van deze rubriek. Dit wordt geïllustreerd door onderstaande grafiek, die het dalende patroon laat zien van de verhouding tussen betalingen en vastleggingen.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000015.png

Als voorbeeld van de wijze waarop de projecten in rubriek 1a worden uitgevoerd, wordt hieronder de projectcyclus voor de onderzoekprogramma’s beschreven.

Projectcyclus voor onderzoek

Onderzoeksprogramma’s worden uitgevoerd door middel van meerjarige werkprogramma’s die ook oproepen tot het indienen van voorstellen, openbare aanbestedingen, onderzoeken, deskundigengroepen, deelneming aan internationale organisaties, studiebijeenkomsten en workshops, evaluatie en toezicht omvatten. Ongeveer 90% van de onderzoeksprogramma’s houden verband met uitnodigingen tot het indienen van voorstellen, de overige 10% met andere activiteiten.

Het jaarlijkse werkprogramma voor het jaar N wordt door de Commissie goedgekeurd halverwege het jaar N-1. Vanaf de tweede helft van het jaar N-1 worden oproepen tot het indienen van voorstellen gelanceerd. In de meeste gevallen vindt het indienen van voorstellen gewoonlijk plaats binnen drie maanden na de publicatie van de oproep tot het indienen van voorstellen. Globale vastleggingen worden gedaan na de goedkeuring van het werkprogramma in jaar N en uiterlijk vóór de onderhandelingen over het contract (gewoonlijk ten tijde van de uiterste indieningsdatum van de oproep). De evaluatie van voorstellen (drie maanden) en selectie (een tot twee maanden) worden gevolgd door de onderhandelingen over het contract (één tot zes maanden) en de ondertekening (tot enkele maanden). De Commissie/het uitvoerend agentschap heeft acht maanden tussen de uiterste indieningsdatum van de oproep en de ondertekening van de subsidietoekenning (de zogeheten "time to grant"), waarvan vijf maanden om de aanvragers te informeren over het resultaat van de wetenschappelijke beoordeling en drie maanden voor de voorbereiding van de subsidieovereenkomst. Zodra de individuele vastlegging is gedaan en het contract is ondertekend moet de voorfinanciering worden betaald binnen 30 dagen na de ondertekening van het contract of vanaf 10 dagen voor de begindatum van de actie, al naargelang welke datum het laatst valt. Na de structurele maatregelen van DG Onderzoek in 2014 wordt de voorfinanciering van de vastlegging van het jaar N nu in veel gevallen betaald in het jaar N+1 in plaats van het jaar N. Tussentijdse betalingen zijn gebaseerd op financiële staten en zijn gekoppeld aan periodieke verslagen, gewoonlijk om de 18 maanden Het saldo van 10% wordt betaald na goedkeuring van het eindrapport.

Voor alle andere acties van het werkprogramma worden de voorlopige vastleggingen gedaan in jaar N en worden de voorschotten uitbetaald in hetzelfde jaar. De rest wordt betaald in jaar N+1.

Betalingstekorten onderzoek: Gevolgen in de praktijk

Met het oog op het beheer van het tekort aan betalingskredieten in de onderzoeksprogramma’s, is in 2014 een bedrag van in totaal 236,5 miljoen EUR overschreven van "Horizon 2020" 2014-2020 naar de begrotingsonderdelen voor 2007-2013 voor die programma's, waardoor de voorfinanciering van oproepen voor Horizon 2020 voor 2014 is uitgesteld tot 2015. Dit was niet het geval in voorgaande jaren, en leidt tot een vertraging bij de tenuitvoerlegging van nieuwe programma’s.

Onderzoek vergt tijd, en het uitstellen van de ondertekening van contracten en subsidies is niet in overeenstemming met de doelstelling van grotere onderzoeksinspanningen om economische groei te ondersteunen. De verhoging van het niveau van de goedgekeurde betalingskredieten voor Horizon 2020 op de begroting 2015 zal naar verwachting een gedeeltelijke inhaalslag van dit cruciale programma mogelijk maken.

Erasmus+

Erasmus+ is een goed voorbeeld van een jaarlijks programma waarvoor het betalingsniveau nauw aansluit bij het niveau van de vastleggingen, aangezien de levenscyclus van de meeste activiteiten verband houden met de academische kalender.

Wegens het tekort aan betalingen viel de stijging van de betalingskredieten in 2014 echter niet samen met de stijging van de vastleggingskredieten, die waarschijnlijk zal aanhouden in de periode 2014-2020. Dit tekort aan betalingen in 2014 kan ook worden gezien in de verhouding tussen betalingen en vastleggingen in onderstaande grafiek.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000016.png

Als gevolg hiervan was het in 2014 niet mogelijk om een deel van de tweede voorfinanciering aan nationale agentschappen te betalen, bestemd voor de financiering van mobiliteitsacties. Hoewel de situatie enigszins moet verbeteren, zal Erasmus+ naar verwachting nog steeds geconfronteerd worden met vergelijkbare beperkingen in 2015.

Vervoer en energie

De onderstaande tabel toont het toenemende verschil tussen de niveaus van de vastleggingen en betalingen voor de beleidsterreinen vervoer en energie.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000017.png

De toegestane betalingskredieten op de begroting 2015 zullen volstaan voor de eerste voorfinanciering van de projecten voor de periode 2014-2020 en deels voor het aanpakken van de RAL van de periode 2007-2013, die geschat wordt op meer dan 2 miljard EUR.

Europees economisch herstelplan (EEHP)

Vergeleken met het hoge niveau van vastleggingen in 2009 en 2010, kwam de uitvoering van de betalingen voor dit programma traag op gang, aangezien de EEHP-projecten voornamelijk bestaan uit grootschalige infrastructuurprojecten.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000018.png

Met name in 2014 waren de betalingskredieten ontoereikend voor alle ontvangen betalingsverzoeken in de loop van het jaar, zelfs na de late goedkeuring van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2014, waarmee aanvullende betalingskredieten werden geleverd. Aan het einde van 2014 bedroeg de RAL nog altijd 2 miljard EUR, de helft van het bedrag dat oorspronkelijk was vastgelegd voor het EEHP. Het niveau van de goedgekeurde betalingskredieten in 2015 bedraagt 407 miljoen EUR, wat naar verwachting de geraamde behoeften voor het jaar zal dekken.

5.3.2.  Rubriek 4

Onderstaande grafiek geeft het niveau van nog betaalbaar te stellen bedragen (RAL) sinds 2007 voor programma’s van rubriek 4.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000019.png

Rubriek 4 omvat instrumenten voor crisisrespons op korte termijn, instrumenten voor de langere termijn die gebruik maken van meerjarige programmering en ad hoc instrumenten zoals macrofinanciële bijstand in de vorm van leningen en subsidies. De drie grote instrumenten (het instrument voor pretoetredingssteun II (IPA), het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) en het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI)), met gebruikmaking van meerjarenprogrammering, zijn goed zijn voor 73% van de uitgaven van deze rubriek. De steun aan derde landen die wordt gefinancierd uit hoofde van deze programma’s heeft doorgaans een levenscyclus van 6-8 jaar. Anderzijds kennen de instrumenten voor crisisrespons (het instrument voor humanitaire hulp, het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede, het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid) en de macrofinanciële bijstand veel kortere betalingscycli van 12-18 maanden.

Sinds 2013 hebben de meeste instrumenten van rubriek 4 te maken gehad met ernstige tekorten aan betalingskredieten, waarbij eerst de humanitaire en crisisgerelateerde instrumenten met snelle uitbetalingscycli getroffen werden, en vervolgens instrumenten als het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en het Europees nabuurschapsinstrument, waar de betalingen hoofdzakelijk verband houden met bestaande contracten en verbintenissen. In 2014 is de situatie nog verslechterd als gevolg van de algemene verlaging van de beschikbare betalingen ten opzichte van 2013. Voor een aantal programma’s, kwam de versterking via het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2014 (en andere maatregelen zoals overdracht)(25) zeer laat, en was ontoereikend om de achterstand weg te werken.

De ingezette middelen (zie punt 2.2 hierboven) konden de gevolgen van het tekort aan betalingen slechts deels beperken door het uitstellen van het tijdstip van uitbetaling, terwijl eerdere toezeggingen nog altijd moesten worden nagekomen.

Uitstaande betalingsverzoeken aan het eind van het jaar

Over het algemeen namen de nog uitstaande verplichtingen eind 2014 voor rubriek 4 aanzienlijk toe. Dit is grotendeels toe te schrijven aan een sterke stijging van de verzoeken en het gebrek aan bijbehorende betalingskredieten, zoals in het geval van het Europees nabuurschapsinstrument en het instrument voor ontwikkelingssamenwerking, zoals blijkt uit de onderstaande grafiek.

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000020.png

Anderzijds maakte de verhoging van goedgekeurde betalingskredieten op de begrotingen 2013 en 2014 het mogelijk om het niveau van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen voor humanitaire hulp(26) aan te pakken:

20150708-P8_TA(2015)0263_NL-p0000021.png

Zoals hierboven uiteengezet, zijn de RAL van rubriek 4 en met name van de drie grote langetermijninstrumenten gedurende de afgelopen vijf jaar gestaag toegenomen, overeenkomstig de vastleggingsniveaus van het vorige MFK. Zo zullen bijvoorbeeld de programma's die oorspronkelijk in 2010 zijn vastgelegd, formeel zijn vastgesteld met het ontvangende derde land in de loop van 2011, waarna tot 2014 contracten worden gesloten. Hieruit volgt dat veel van deze grotere programma’s, vastgelegd in een tijd waarin vastleggingen sterk stegen, nu moeten worden betaald. Het niveau van op de begroting 2015 goedgekeurde betalingskredieten zal de kloof naar verwachting verminderen, wat moet bijdragen aan het stabiliseren van de situatie. De situatie zal echter gespannen blijven, en zowel de kloof als de RAL zullen naar verwachting nog verder stijgen voor veel instrumenten, zoals het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking.

6.  Vooruitzichten voor de programma’s 2014-2020

De begroting 2016 zal voldoende betalingskredieten moet bevatten, niet alleen voor het afbouwen van het abnormale niveau van uitstaande betalingsverzoeken die voortvloeien uit vastleggingen met betrekking tot de programma’s voor 2007-2013, maar ook voor de programma’s 2014-2020 in rubriek 1a en 4, waarvan de uitvoering is belemmerd door de betalingstekorten. De begroting 2016 moet ook de nodige betalingskredieten bevatten voor andere fondsen, zoals plattelandsontwikkeling (rubriek 2), om te voorkomen dat er een nieuwe achterstand ontstaat die nog niet eerder bestond.

De Commissie zal de behoefte aan betalingen in 2016 voor de programma’s van 2014-2020 beoordelen in de ontwerpbegroting 2016.

7.  Conclusies

De afgelopen jaren, en met name in 2014, waren de betalingskredieten ontoereikend voor de ontvangen betalingsaanvragen. Op zijn beurt heeft dit geleid tot een groeiende achterstand van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen aan het einde van het jaar, in het bijzonder voor de programma’s van 2007-2013 van het cohesiebeleid. De Commissie heeft een aantal beperkende maatregelen getroffen om de negatieve effecten van betalingstekorten te minimaliseren, door de verplichtingen die voortvloeien uit eerdere vastleggingen zoveel mogelijk na te komen. Als neveneffect werd de uitvoering van de programma’s voor 2014-2020 echter belemmerd.

De betalingskredieten op de begroting 2015 zullen naar verwachting leiden tot een vermindering van de achterstand aan nog uitstaande betalingsverzoeken voor de programma’s 2007-2013. De Commissie heeft het betalingsniveau bepaald dat nodig is voor het afbouwen van het abnormale niveau van de nog uitstaande betalingsverzoeken voor de programma’s 2007-2013 tegen het einde van 2016. In haar ontwerpbegroting voor 2016 zal de Commissie dienovereenkomstige betalingskredieten voorstellen.

De Commissie is van oordeel dat de drie instellingen op die grondslag een plan kunnen uitvoeren om het niveau van onbetaalde rekeningen in verband met de uitvoering van de programma’s voor de periode 2007-2013 te verlagen tot een houdbaar niveau tegen eind 2016.

Bijlage 1: Informatie toegezonden door de Commissie op 15 december 2014

De Commissie presenteerde op 15 december 2014 de verwachte achterstand cohesieprogramma’s voor 2007-2013 eind 2014 en 2015, en wel als volgt:

2010

2011

2012

2013

2014 (*)

2015 (*)

Achterstand onbetaalde rekeningen einde van het jaar

(miljard EUR)

6.1

10.8

16.2

23.4

Tot25 (1)

19 (2)

(*) Ramingen van de Commissie op basis van gecorrigeerde ramingen van de lidstaten

(1)  Rekening houdend met de aanvullende betalingskredieten in het ontwerp van gewijzigde begroting 3/2014, zoals definitief goedgekeurd

(2) Rekening houdend met de aanvullende betalingskredieten in ontwerp van gewijzigde begroting 3/2014 definitief goedgekeurd en met de goedgekeurde betalingskredieten op de begroting 2015.

De Commissie heeft ook een uitsplitsing gegeven van de verwachte achterstand aan het einde van 2014 bij de cohesieprogramma’s voor 2007-2013. Zoals weergegeven in de onderstaande tabel is het totale niveau van ontvangen betalingsverzoeken tegen het einde van 2014 ongeveer 1,5 miljard EUR minder dan de ramingen van de lidstaten, en ongeveer 2,5 miljard EUR boven de bovengrens zoals geraamd door de Commissie.

VERWACHTE ACHTERSTAND EIND 2014

miljard EUR

(1)

Ontvangen en nog niet betaalde betalingsaanvragen eind 2013(achterstand)

23,4

(2)

Eind november 2014 ontvangen betalingsaanvragen

31,4

(3)  = (1) + (2)

Betalingsaanvragen eind november, betaling gevraagd in 2014

54,8

(4)

Goedgekeurde betalingskredieten (na gewijzigde begroting 3/2014)

49,4

(5)  = (3) – (4)

Achterstand eind november 2014, betaling gevraagd tegen eind 2014

5,4

Prognose

Feitelijk

Prognose lidstaten van betalingsaanvragen in te dienen in december 2014

23

21,5

Prognose Commissie van betalingsaanvragen in te dienen in december 2014

18 - 19

21,5

Prognose achterstand van onbetaalde rekeningen aan het einde van 2014: tot 25 miljard EUR.

Tot slot presenteerde de Commissie per land de prognoses van de lidstaten van betalingsaanvragen voor het cohesiebeleid in 2014 (54,33 miljard EUR), de betalingsverzoeken ingediend tot 31 oktober 2014 (31,36 miljard EUR) en, daaruit voortvloeiend, de betalingsaanvragen in te dienen in november en december (22,97 miljard EUR).

De Commissie voegde hieraan toe: "Rekening houdend met de gemiddelde foutenpercentages in de "bruto" prognoses van de lidstaten in de afgelopen jaren en het plafond van 95% voor de betalingen vóór afsluiting, zoals vereist in art. 79 van Verordening 1083/2006, raamt de Commissie de in december te ontvangen verzoeken op 18 à 19 miljard EUR". Dit is in overeenstemming met de tabellen hierboven.

Bijlage 2: Rubriek 1b: De laatste prognoses van de lidstaten

Deze bijlage bevat de meest recente prognoses van de lidstaten met betrekking tot de indiening van betalingsaanvragen in het kader van het cohesiebeleid voor de periode 2007-2013 voor programma’s in 2015 en 2016, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen bruto ramingen (verstrekt door de lidstaten) en afgetopte prognoses (zie toelichting in punt 4.4).

Ramingen van de lidstaten (in miljard EUR)

Periode

2007-2013

2015*

2016

Bruto prognoses

Bruto prognoses

AT

Oostenrijk

0,09

0,00

BE

België

0,24

0,06

BG

Bulgarije

1,35

0,00

CY

Cyprus

0,06

0,00

CZ

Tsjechië

4,01

3,75

DE

Duitsland

2,43

0,95

DK

Denemarken

0,04

0,03

EE

Estland

0,09

0,00

ES

Spanje

4,65

1,74

FI

Finland

0,21

0,02

FR

Frankrijk

1,92

0,34

GR

Griekenland

0,75

0,00

HR

Kroatië

0,22

0,31

HU

Hongarije

3,86

1,24

IE

Ierland

0,03

0,01

IT

Italië

5,07

1,44

LT

Litouwen

0,09

0,00

LU

Luxemburg

0,01

0,00

LV

Letland

0,54

0,09

MT

Malta

0,14

0,04

NL

Nederland

0,21

0,10

PL

Polen

8,92

3,99

PT

Portugal

0,52

0,06

RO

Roemenië

6,64

2,81

SE

Zweden

0,11

0,00

SI

Slovenië

0,38

0,18

SK

Slowakije

2,68

0,64

UK

Verenigd Koninkrijk

1,52

0,25

Territoriale samenwerking

1,16

0,25

TOTAAL

 

47,93

18,32

Totale afgetopte prognoses * * *

34,74

2,95**

* De cijfers van de ramingen voor 2015 zijn, voor de operationele programma’s waarvoor de lidstaten geen ramingen hebben gestuurd in 2015, berekend aan de hand van de in september 2014 verstrekte ramingen.

* * Het maximaal te betalen bedrag in 2016 bedraagt 3,5 miljard EUR, waarvan 3 miljard EUR in dit stadium reeds is bevestigd door de lidstaten.

*** De aftopping bestaat uit de toepassing van de regel van 95% die bepaalt dat tussentijdse betalingen kunnen slechts worden betaald vóór de afsluiting zolang de som van de betalingen lager is dan 95% van de toewijzing van de programma’s.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0061.
(5) Dit vloeit voort uit de zogeheten "N+2" / "N+3"- regels waarbij betalingen moeten worden gedaan binnen twee (N+2) of drie (N+3) jaar nadat de corresponderende vastleggingen zijn gedaan. Eind 2013 waren de twee bepalingen inzake doorhaling tegelijkertijd van kracht.
(6) De totale aanvullende betalingskredieten die zijn goedgekeurd door middel van gewijzigde begrotingen bedroegen 6,7 miljard EUR in 2012, 11,6 miljard EUR in 2013 en 3,5 miljard EUR in 2014.
(7) De achterstand van nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen voor de cohesieprogramma’s in de periode 2007-2013 aan het einde van het jaar steeg van 11 miljard EUR in 2011 tot 16 miljard EUR in 2012, 23,4 miljard EUR in 2013 en 24,7 miljard EUR in 2014.
(8) Er zij op gewezen dat voor beleidsterreinen met gedeeld beheer, zoals het cohesiebeleid (waar de Commissie de uitgaven van de lidstaten vergoedt), geen rente voor te late betalingen wordt opgelegd.
(9)De resterende 5% wordt betaald bij de afsluiting van het programma, die zal plaatsvinden in 2017-2019, nadat de Commissie heeft bepaald dat het programma met succes ten uitvoer is gelegd en dat er geen correctie hoeft plaats te vinden.
(10) De wetgeving inzake het cohesiebeleid voorziet in een wettelijke termijn van 60 dagen.
(11) Definitie van de normale en abnormale achterstand is te vinden onder 3.4 en 4.3.
(12) De gewijzigde begroting 2/2014 werd oorspronkelijk gepresenteerd als het ontwerp van gewijzigde begroting 3/2014.
(13) Maandelijkse verslagen over de tussentijdse betalingen en uitstaande vorderingen, Budget Forecast Alert (tweemaal per jaar)
(14) DEC 54/2014.
(15) De onbetaalde bedragen voortvloeiend uit de verlaging van de voorfinancieringspercentages tot een niveau beneden het wettelijke/normale minimum vallen niet onder de huidige definitie van "nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen": voor een aantal programma’s is echter in 2014 een verlaging van de voorfinancieringspercentages toegepast (in sommige gevallen reeds in 2013) om betalingen uit te stellen tot een latere datum.
(16) Identiek aan grafiek in de samenvatting.
(17) De artikelen 91 en 92 van verordening 1083/2006 voor de programmeringsperiode 2007-2013.
(18) Vanwege de kasstroomproblemen in de eerste maanden van het jaar (zie punt 3.3 hierboven), kan een deel van de achterstand mogelijk niet betaald te worden binnen de wettelijke termijnen in het begin van het jaar.
(19) Behalve voor Kroatië, Roemenië en Slowakije.
(20) Artikel 76 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25).
(21) Artikel 112 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, en tot intrekking van Verordening van de Raad (EG) nr. 1083/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).
(22) De ramingen die de lidstaten in januari 2015 hebben ingediend dekten niet alle operationele programma’s. Voor deze gevallen heeft de Commissie gebruik gemaakt van de prognoses die afgelopen september zijn ontvangen. Een dergelijke extrapolatie van ontbrekende prognoses van de lidstaten is niet mogelijk voor 2016, aangezien de in september 2014 ingediende prognoses alleen betrekking hebben op 2014 en 2015 (en nog niet op 2016). Dit betekent dat de prognose voor 2016 alleen de operationele programma’s omvat waarvoor de lidstaten de informatie hebben toegezonden, en wellicht naar boven bijgesteld zal moeten worden wanneer de ontbrekende informatie is ontvangen.
(23) In artikel 79 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad wordt bepaald: "Het gecumuleerde totaal van de voorfinanciering en de tussentijdse betalingen bedraagt ten hoogste 95% van de bijdrage van de fondsen aan het operationele programma; De resterende 5% wordt pas uitbetaald bij de afsluiting van het operationele programma.”
(24) Artikel 89 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25).
(25) + 406 miljoen EUR (nettoverhoging van de betalingskredieten) voor humanitaire hulp, + 30 miljoen EUR voor het DCI en + 250 miljoen EUR voor het ENI.
(26) In de grafiek is echter geen rekening gehouden met de gevolgen van het verlaagde niveau van voorfinanciering.


Initiatief voor groene werkgelegenheid
PDF 297kWORD 111k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 juli 2015 over het initiatief voor groene werkgelegenheid: het banenpotentieel van de groene economie benutten (2014/2238(INI))
P8_TA(2015)0264A8-0204/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Initiatief voor groene werkgelegenheid: het banenpotentieel van de groene economie benutten" (COM(2014)0446),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Groen actieplan voor het mkb" (COM(2014)0440),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Naar een circulaire economie: Een afvalvrij programma voor Europa" (COM(2014)0398),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Het werkgelegenheidspotentieel van groene groei benutten" (SWD(2012)0092),

–  gezien de conclusies van de Raad van 6 december 2010 over "Werkgelegenheidsbeleid voor een concurrerende, koolstofarme, hulpbronnenefficiënte en groene economie",

–  gezien Beschikking 2010/707/EG van de Raad van 21 oktober 2010 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten,

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's getiteld "Groen actieplan voor de kmo's en Initiatief voor groene werkgelegenheid",

–  gezien de studie uit 2014 van de OESO en het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding getiteld "Greener Skills and Jobs, OECD Green Growth Studies",

–  gezien het verslag van de Europese Waarnemingspost voor de werkgelegenheid van april 2013 getiteld "Promoting green jobs throughout the crisis: a handbook of best practices in Europe 2013",

–  gezien het verslag uit 2011 van de Internationale Arbeidsorganisatie en het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding getiteld "Skills for green jobs: a global view", een samengesteld verslag gebaseerd op studies uit 21 landen,

–  gezien het verslag uit 2010 van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding getiteld "Skills for green jobs – European synthesis report",

–  gezien de verslagen van Eurofound getiteld "Arbeidsverhoudingen en duurzaamheid: de rol van sociale partners in de overgang naar een groene economie" (2011), "Vergroening van de Europese economie: reacties en initiatieven van lidstaten en sociale partners" (2009), "Een groener bedrijfsleven in de EU: inspelen op en beheren van de effecten op de werkgelegenheid en arbeidskwaliteit" (2013),

–  gezien het werkdocument van de OESO en het CFE-LEED-forum van 8 februari 2010 getiteld "Green jobs and skills: the local labour market implications of addressing climate change",

–  gezien de door de IAO en het UNEP gehanteerde definitie van een groene baan als een fatsoenlijke baan die bijdraagt aan het behoud of het herstel van de milieukwaliteit, ongeacht of dat in de landbouw, de industrie, de dienstensector of bij de overheid is,

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2013 over de ontwikkeling van het werkgelegenheidspotentieel van een nieuwe duurzame economie(1),

–  gezien zijn resolutie van 15 maart 2012 over een Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050(2),

–  gezien zijn resolutie van 7 september 2010 over de ontwikkeling van het werkgelegenheidspotentieel van een nieuwe duurzame economie(3),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0204/2015),

A.  overwegende dat mondiale tendensen zoals het inefficiënt gebruik van hulpbronnen, de onhoudbare druk op het milieu en de klimaatverandering de grenzen naderen waar voorbij onomkeerbare effecten op onze samenlevingen en de natuurlijke omgeving niet kunnen worden voorkomen, en overwegende het feit dat toenemende sociale uitsluiting en ongelijkheden een uitdaging vormen voor de samenleving;

B.  overwegende dat het verslag 2015 van het Europees Milieuagentschap heeft aangetoond dat de bestaande maatregelen ontoereikend zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van de bescherming van de biodiversiteit, de vermindering van het gebruik van fossiele brandstoffen, de bestrijding van de klimaatverandering en de preventie van de gevolgen daarvan voor de volksgezondheid en de milieukwaliteit;

C.  overwegende dat een coherente beleidsrespons om deze gemeenschappelijke problemen aan te pakken ontbreekt en dat derhalve een aanzienlijk deel van het duurzame potentieel van de groene en sociaal inclusieve transitie om nieuwe werkgelegenheid te creëren onbenut blijft;

D.  overwegende dat we, in reactie op deze bedreigingen, de ontwikkeling van nieuwe sectoren en veranderingen in vele andere zien, evenals de neergang van enkele sectoren, zoals de zwaar vervuilende; overwegende dat innovatie en manieren om de vervuiling terug te dringen centraal moeten staan; overwegende dat de werknemers van een aantal verzwakte sectoren bijzondere aandacht verdienen door hun herscholing en alternatief werk aan te bieden; overwegende dat investeringen in de gebieden die voorrang krijgen in de agenda voor groene banen van de Commissie, waaronder recyclage, biodiversiteit, energie-efficiëntie, luchtkwaliteit en alle technologieën op het gebied van hernieuwbare energie, zoals offshore hernieuwbare energiebronnen, potentieel bieden om ook in dunbevolkte gebieden de werkgelegenheid te bevorderen;

E.  overwegende dat de groene goederen- en dienstensector volgens het Europees Milieuagentschap tussen 2001 en 2011 met meer dan 50 % is gegroeid en gezorgd heeft voor meer dan 1,3 miljoen banen; overwegende dat de hernieuwbare energie-economie volgens berekeningen van de Commissie tegen 2020 twintig miljoen nieuwe banen zal schappen in Europa; overwegende dat een ambitieus en coherent EU-beleid inzake hernieuwbare energie, bosbeheer, duurzame landbouw en bodembescherming (ter voorkoming en bestrijding van hydrologische instabiliteit) het potentieel heeft om tegen 2020 drie miljoen banen te scheppen in de sector hernieuwbare energie;

F.  overwegende dat de doelstelling 'duurzame ontwikkeling' verankerd is in het Verdrag van Lissabon en dat het voor de verwezenlijking van deze doelstelling noodzakelijk is om milieukwesties op hetzelfde niveau te behandelen als economische en sociale kwesties;

G.  overwegende dat binnen de Europa 2020-strategie ter bevordering van slimme, duurzame en inclusieve economieën de overgang naar een groene en sociaal rechtvaardige economie een centrale rol krijgt toebedeeld;

H.  overwegende dat starre arbeidsmarkten het scheppen van banen belemmeren, terwijl een concurrerende Europese arbeidsmarkt kan bijdragen tot de verwezenlijking van de werkgelegenheidsdoelstellingen van de Europa 2020-strategie;

I.  overwegende dat de EU en haar lidstaten zich er tijdens de Conferentie van de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering in Cancun in 2010 toe hebben verplicht een "rechtvaardige transitie voor de werknemers te waarborgen, waarbij fatsoenlijk werk en kwalitatief hoogwaardige banen worden gecreëerd"; overwegende dat een deugdelijke transitie voor iedereen naar een vanuit milieuoogpunt duurzame economie goed gereguleerd moet worden om te kunnen bijdragen tot verwezenlijking van de doelstelling van duurzame werkgelegenheid op lange termijn voor iedereen – met inbegrip van, maar niet beperkt tot, hoogwaardige banen –, sociale integratie en de uitbanning van armoede;

J.  overwegende dat een 'rechtvaardige transitie' gestoeld is op de volgende vijf pijlers: overleg en het spreken met één Europese stem; investeringen in groene en fatsoenlijke banen; groene vaardigheden; de eerbiediging van arbeids- en mensenrechten; en sociale bescherming van werknemers en gemeenschappen bij de overgang naar een koolstofarme economie;

K.  overwegende dat een sterke participatie van werknemers in de transitie van essentieel belang is om het milieubewustzijn te vergroten, meer begrip te kweken voor de noodzaak van efficiënt hulpbronnengebruik en de aantasting van het milieu door de mens te verminderen;

L.  overwegende dat het potentieel voor expansie in groene banen wordt belemmerd door een gebrek aan vaardigheden en een discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden als gevolg van een aantal factoren, waaronder uiteenlopende opleidingsprogramma's met betrekking tot duurzaamheid, vastgestelde tekortkomingen in bepaalde sectoren, het gebrek aan studenten met de noodzakelijke vaardigheden op het gebied van natuurwetenschappen, technologie, techniek en wiskunde en IT, en oververtegenwoordiging van mannen of vrouwen in plaats van gendergelijkheid in bepaalde sectoren;

M.  overwegende dat is aangetoond dat het investeren in energie- en hulpbronnenefficiëntie, de ontwikkeling van de toeleveringsketen door middel van een duidelijke industriestrategie en het verschuiven van de belasting van arbeid naar de belasting van andere bronnen, mogelijk een positief effect hebben op het creëren van banen;

N.  overwegende dat Europa zich in een wereldwijde concurrentieslag bevindt en dat betaalbare energiekosten, de voltooiing van de interne markt van de EU en een beter investeringsklimaat voor duurzame groei en het scheppen van werkgelegenheid een doorslaggevende rol spelen;

O.  overwegende dat bepaalde sectoren, zoals energie-efficiënte renovatie van gebouwen, locatiegebonden zijn en niet geoffshored of naar lagelonenlanden verplaatst kunnen worden;

P.  overwegende dat een onzekere en inconsequente beleidsoriëntatie en het ontbreken van duidelijke doelstellingen belemmeringen vormen voor investeringen, de ontwikkeling van vaardigheden en O&O, en bijgevolg het scheppen van werkgelegenheid dwarsbomen;

Q.  overwegende dat een groter maatschappelijk besef van de noodzaak van een groene economie voor meer werkgelegenheid zou zorgen;

R.  overwegende dat duidelijke, vastomlijnde doelstellingen voor de middellange en lange termijn, waaronder de EU-doelstellingen op het gebied van energie-efficiëntie en milieuvervuiling, belangrijke drijfveren van verandering kunnen zijn, en overwegende dat er in dit verband tevens een belangrijke rol is weggelegd voor de EU-wetgeving; overwegende dat gerichte investeringen, onder meer in de ontwikkeling van toeleveringsketens binnen de EU, die leiden tot het creëren van banen moeten voortvloeien uit en in overeenstemming moeten zijn met een duidelijk beleidskader;

S.  overwegende dat de publieke sector en lokale en regionale overheden een centrale rol kunnen spelen bij de bevordering van de overgang naar een groene economie en de totstandbrenging van inclusieve arbeidsmarkten;

T.  overwegende dat instrumenten zoals Ecolabel, EMAS en GPP bijdragen aan de totstandbrenging van groene arbeidsplaatsen;

U.  overwegende dat micro-, kleine en middelgrote ondernemingen tot de belangrijkste scheppers van werkgelegenheid in de EU behoren, goed zijn voor meer dan 80 % van alle banen en in veel "groene" sectoren een voortrekkersrol hebben vervuld, maar dat zij wellicht moeilijkheden zullen ondervinden bij het anticiperen op de benodigde vaardigheden en het benutten van het banenpotentieel;

V.  overwegende dat de geïntegreerde richtsnoeren een centrale rol spelen bij de coördinatie van het economisch en werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten en de basis vormen voor landenspecifieke aanbevelingen, en overwegende dat zij ten grondslag moeten liggen aan de Europa 2020-doelstellingen, met name de werkgelegenheidsdoelstelling, onder meer wat betreft de bevordering van hoogwaardige banen, ook in de vorm van groen werk;

W.  overwegende dat vrouwen evenveel moeten profiteren van de creatie van fatsoenlijke groene arbeidsplaatsen en dat het glazen plafond doorbroken moet worden;

X.  overwegende dat vrouwen disproportioneel hard worden getroffen door de crisis en overwegende dat groene banen beter tegen crises bestand blijken te zijn dan andere banen;

Y.  overwegende dat koolstofarme sectoren een hogere arbeidsproductiviteit hebben en dat de loonquote in deze sectoren minder sterk is gedaald dan in de 15 bedrijfstakken met de grootste koolstofuitstoot;

Z.  herinnert eraan dat de Eurobarometergegevens over groene banen in kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) aantonen dat energiebesparing, afvalvermindering en efficiënt gebruik van grondstoffen geschikte, economisch voordelige maatregelen zijn;

Naar een groene economie – kansen voor de arbeidsmarkt

1.  benadrukt dat een transitie naar duurzame samenlevingen en economieën, met inbegrip van duurzame consumptie- en productiepatronen, de mogelijkheid biedt om in vrijwel alle sectoren en in de gehele waardeketen zowel nieuwe hoogwaardige banen te scheppen als bestaande werkgelegenheid om te vormen tot groene banen; van onderzoek tot productie, distributie en serviceverlening, en in nieuwe groene high-tech-sectoren, zoals de sector hernieuwbare energie, in traditionele bedrijfstakken, zoals de verwerkende industrie en de bouw, in de landbouw en de visserij of in dienstensectoren als toerisme, horeca, vervoer en onderwijs; onderstreept tegelijkertijd dat investeringen in verband met hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie niet alleen zullen bijdragen tot het scheppen van een groot aantal banen, maar ook zullen leiden tot behoud van de concurrentiepositie van de Europese economie en industrie, alsook vermindering van de energieafhankelijkheid van Europa;

2.  wijst erop dat tweederdevan de diensten die door de natuur worden geleverd, waaronder vruchtbare grond, zuiver water en schone lucht, in verval is en dat de opwarming van de aarde en het verlies aan biodiversiteit bijna het punt bereiken waarop onherstelbare gevolgen voor onze samenlevingen en de natuurlijke omgeving onvermijdelijk zijn;

3.  wijst erop dat voortdurende economische groei uitsluitend mogelijk is indien daarbij rekening wordt gehouden met de beperkingen van het milieu; benadrukt in dit verband dat een groene en circulaire economie oplossingen kan bieden voor het milieu en voor de economie en samenleving in het algemeen;

4.  benadrukt dat de volledige tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving, evenals de verbetering van de integratie van het milieu en beleidscoherentie op verschillende sectorale beleidsterreinen van de EU, van wezenlijk belang zijn om het potentieel van de groene economie volledig te kunnen benutten en dus om groene banen tot stand te brengen;

5.  merkt op dat het Europees Milieuagentschap in zijn verslag 2015 erop wijst dat de bestaande maatregelen ontoereikend zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van de bescherming van de biodiversiteit, de vermindering van het gebruik van fossiele brandstoffen, de bestrijding van de klimaatverandering en de preventie van de gevolgen daarvan voor de volksgezondheid en de milieukwaliteit;

6.  wijst erop dat de transitie aanzienlijke mogelijkheden biedt om lokale banen te scheppen die niet naar lagelonenlanden kunnen worden verplaatst en in bedrijfstakken die niet voor offshoring in aanmerking komen, alsook in sectoren die door de crisis zijn getroffen, zoals de bouw; merkt op dat er sterke aanwijzingen zijn dat de groene transitie per saldo een positief effect zal hebben op de werkgelegenheid doordat duurzame economische activiteiten zoals energiebesparing en biologische landbouw arbeidsintensiever zijn dan de activiteiten waarvoor zij in de plaats komen;

7.  spreekt zich uit voor de vaststelling van een gemeenschappelijk overeengekomen definitie van "groene banen" die is gebaseerd op die van de IAO en de internationale conferentie van arbeidsstatistici (ICLS);

Rechtvaardige transitie en het creëren van hoogwaardige en duurzame banen

8.  is ingenomen met de verklaring van de Commissie dat herstructurering op een maatschappelijk verantwoorde wijze dient te gebeuren en onderkent tegelijkertijd dat ondernemingen moeten innoveren en herstructureren;

9.  is van mening dat het van cruciaal belang is om de bestaande beroepsbevolking in de EU passende kansen voor het verwerven van nieuwe, voor de circulaire economie noodzakelijke vaardigheden te bieden, teneinde het netto banenpotentieel van de groene economie te maximaliseren;

10.  roept de lidstaten op beleid te stimuleren dat is gericht op de veiligstelling en herkwalificatie van openbare gebouwen om de energie-efficiëntie te verhogen en het energieverbruik te verlagen;

11.  dringt er bij de lidstaten en, waar nodig, bij de Commissie op aan zich te verbinden tot een "routekaart voor een rechtvaardige transitie" en zo ambitieuze milieudoelstellingen na te streven, waarbij de volgende aspecten worden bevorderd: adequate sociale bescherming en dito bezoldiging, werkgelegenheid op de lange termijn, gezonde en veilige arbeidsomstandigheden, door de overheid geïnitieerde investeringen in onderwijs-, opleidings- en vaardigheidsprogramma's, de eerbiediging van het arbeidsrecht en de versterking van rechten op het gebied van informatie, raadpleging en medezeggenschap inzake kwesties die raken aan duurzame ontwikkeling en effectieve werknemersvertegenwoordiging; verzoekt de lidstaten deze doelstellingen na te streven;

12.  herinnert eraan dat in de herziene EU-strategie voor gezondheid en veiligheid in voorkomende gevallen rekening moet worden gehouden met specifieke ontwikkelingen in nieuwe sectoren;

13.  benadrukt dat voor het anticiperen op de veranderingen in de werkgelegenheid een proactief transformatiebeheer en een verbeterde vergaring van hoogwaardige gegevens over de huidige en toekomstige behoeften van de arbeidsmarkt nodig zijn, waarbij Europese hogeronderwijsinstellingen betrokken zijn, en dat langetermijnplanning van essentieel belang is om een effectieve transitie en meer werkgelegenheid te waarborgen; benadrukt dat lokale en regionale overheden bij de overgang naar een groenere economie een belangrijke rol spelen op het gebied van onderwijs, infrastructuur, ondersteuning van lokale bedrijven en het creëren van stabiele werkgelegenheid met salarissen die zijn vastgesteld op basis van collectieve overeenkomsten of op basis van andere, overeenkomstig de nationale wetgeving toegestane middelen; benadrukt dat de sociale dialoog een essentieel onderdeel van het transformatiebeheer is; verzoekt de Commissie, de lidstaten, de regionale en lokale overheden en de sociale partners hun verantwoordelijkheid te nemen en deze uitdaging gezamenlijk aan te gaan, waarbij zij rekening houden met het subsidiariteitsprincipe;

14.  merkt op dat de rol van de sociale partners bij de overgang naar groen werk in de afgelopen jaren steeds groter is geworden, maar herinnert eraan dat meer inspanningen nodig zijn om een blijvende en duurzame sociale dialoog op te bouwen die kan helpen om de uitdagingen die de overgang naar een concurrerende, koolstofarme, hulpbronnenefficiënte economie met zich brengt het hoofd te bieden;

15.  benadrukt dat nationale regeringen een belangrijke rol spelen als het erom gaat de sectorale sociale dialoog, met name in de nieuwe groene bedrijfstakken, te bevorderen en te waarborgen dat kmo's daarbij worden betrokken;

16.  wijst erop dat sommige regio's als gevolg van de geografische concentratie van energie- en hulpbronnenintensieve en vervuilende industrie of hogere armoede- of werkloosheidspercentages met meer problemen kampen dan andere; dringt er bij lokale en regionale overheden en bij de sociale partners op aan gezamenlijk routekaarten voor een rechtvaardige transitie ten uitvoer te leggen, met inbegrip van solidariteitsmechanismen voor een vanuit sociaal oogpunt billijke groene transitie van lokale en regionale economieën, waarbij de door veranderingen getroffen samenlevingen en werknemers worden ondersteund, zodat de onzekerheid als gevolg van de verplaatsing van banen wordt verminderd en er zorg voor wordt gedragen dat aan de vraag naar nieuwe beroepsvaardigheden wordt voldaan;

17.  benadrukt dat lokale overheden een sleutelrol kunnen spelen bij de bevordering van de werkgelegenheidsgroei in de groene economie en het scheppen van fatsoenlijkere en meer integratiegerichte banen door:

   groene investeringen;
   de mogelijkheden van overheidsopdrachten te benutten, met inbegrip van de toepassing van sociale en milieuclausules bij aanbestedingen;
   het creëren van partnerschappen, ook met opleidingsinstellingen, teneinde ervoor te zorgen dat beroepsvaardigheden beter aansluiten op lokale arbeidsmarkten;
   ondersteuning voor groene kmo's en de vergroening van kmo's te bieden;
   het opzetten van groene programma's voor integratie op de arbeidsmarkt om te waarborgen dat ook kwetsbare groepen van de samenleving profiteren van groene groei;

18.  wijst op gegevens waarin benadrukt wordt hoe belangrijk het is dat het management betrokkenheid bij de werknemers toont, zodat zij door middel van het sociaal partnerschap een substantieel aandeel in deze veranderingen hebben; beveelt aan dat "groene vertegenwoordigers" van vakbonden samen met werkgevers werken aan een sterkere vergroening van de economie en de verbetering van de duurzaamheid van hun werkomgeving; roept de lidstaten op gerichte steun te verlenen aan gezamenlijke initiatieven van werknemers en werkgevers voor de vergroening van het bedrijfsleven;

19.  is van oordeel dat proefprojecten ter bevordering van een aantal van deze doelstellingen moeten worden ontwikkeld;

20.  is verheugd dat de Commissie zich ertoe heeft verbonden de gerichte mobiliteitsregelingen in het kader van het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI) te gebruiken om de arbeidsmobiliteit van werkzoekenden te bevorderen;

Vaardigheden voor groene werkgelegenheid

21.  is ingenomen met de instrumenten voor de ontwikkeling van vaardigheden en de door de Commissie geraamde behoeften op het gebied van vaardigheden; benadrukt dat in het kader van de ontwikkeling van vaardigheden de ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van natuurwetenschappen, technologie, techniek en wiskunde, die breed toepasbaar zijn in de economie, moet worden aangemoedigd; benadrukt niettemin dat ambitieuzere maatregelen en investeringen nodig zijn; is van mening dat alle belanghebbenden op de arbeidsmarkt daarbij nauw moeten worden betrokken op alle niveaus om te kunnen anticiperen op toekomstige behoeften aan vaardigheden;

22.  verzoekt de lidstaten samen te werken met de Commissie en een databank op te zetten voor cursussen en aan groene werkgelegenheid gerelateerde vacatures, met het oog op verbetering van de kwaliteit van de informatie, het advies en de begeleiding die beschikbaar zijn op het gebied van loopbanen, en van de vaardigheden die vereist zijn om te kunnen profiteren van de kansen op het gebied van werkgelegenheid die door de vergroening van de economie worden geboden;

23.  vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat gegevens worden verzameld in alle groene sectoren, ook de sectoren waaraan op dit moment geen aandacht wordt besteed, zoals de openbaarvervoersector en de detailhandel; vraagt de Commissie om enerzijds steun te geven aan de nationale statistiekbureaus en overheidsdiensten voor arbeidsbemiddeling en het gebruik van instrumenten voor kwantitatieve modellering aan te moedigen om een genderperspectief op te nemen in het verzamelen van gegevens over alle groene sectoren op de arbeidsmarkt;

24.  vraagt de Commissie een genderperspectief op te nemen in de ontwikkeling van de verzameling, opsplitsing en analyse van nieuwe gegevens, zoals het werk dat wordt uitgevoerd met het econometrische instrument Fidelio of met belanghebbenden zoals de internationale conferentie van arbeidsstatistici;

25.  beklemtoont dat meer nadruk moet worden gelegd op het dichten van de vaardigheidskloof door de ontwikkeling van vaardigheden te stimuleren;

26.  verzoekt de Commissie de ontwikkeling van vaardigheden te helpen stimuleren door kwalificaties en de overeenkomstige leerplannen in onderwijs en opleiding op EU-niveau te actualiseren;

27.  verzoekt de Commissie nadruk te leggen op een intensiever gebruik van kwalificatiesystemen als ESCO, die kunnen worden gebruikt om vaardigheidskloven te identificeren;

28.  benadrukt het belang van een grotere synergie tussen onderwijsstelsels en de nieuwe groene banen door middel van een betere coördinatie tussen onderwijsinstellingen en werkgevers- en andere relevante organisaties;

29.  dringt er bij de lidstaten en bij regionale en lokale overheden op aan om samen met sociale partners en aanbieders van opleidingen strategieën voor de ontwikkeling van en anticipatie op vaardigheden aan te nemen en uit te voeren, zodat algemene, sector-gebonden en beroeps-specifieke vaardigheden worden vergroot; benadrukt voorts het belang van partnerschappen en vertrouwen tussen onderwijsinstellingen, bedrijven, de sociale partners en overheidsinstanties;

30.  wijst erop dat deze strategieën een grondige evaluatie moeten bevatten van het type en het niveau van de te creëren groene banen en van de vereiste vaardigheden en kennis, die resulteert in anticipatie op en identificatie van vaardigheidskloven, alsook in gerichte beroepsopleidingen en "een leven lang leren"-programma's die zijn gericht op het samenbrengen van vaardigheden en banen met het oog op vergroting van de werkgelegenheid; benadrukt dat het noodzakelijk is om in de strategieën zowel ontslagen werknemers op te nemen als laaggeschoolde werknemers die het risico lopen om van de arbeidsmarkt te worden uitgesloten, door ervoor te zorgen dat opleidingen voor deze werknemers doelgericht, toegankelijk en kosteloos zijn;

31.  merkt op dat het Cedefop stelt dat aanpassing van curricula om daarin milieubewustzijn en kennis over duurzame ontwikkeling en bedrijfsefficiëntie te integreren beter is dan het voorstellen van nieuwe opleidingsprogramma's;

32.  moedigt de lidstaten en de lokale en regionale overheden aan om duurzame ontwikkeling en competenties en vaardigheden op het gebied van milieu te integreren in opleidings- en onderwijsstelsels, met name door versterking van het beroepsonderwijs en de beroepsopleidingen, en door het stimuleren van onderzoekscentra om in samenwerking met nieuwe groene ondernemingen technologieën en projecten uit te werken en octrooien te verkrijgen voor groene producten; moedigt onderzoekscentra en netwerken van bedrijven en professionals aan om ideeën uit te wisselen; herinnert aan het belang van vaardigheden op het gebied van natuurwetenschappen, technologie, techniek en wiskunde en aan de noodzaak om ervoor te zorgen dat meer vrouwen studies volgen op het gebied van natuurwetenschappen, technologie, techniek en wiskunde;

33.  dringt aan op de ontwikkeling van een ambitieuze strategie voor het scheppen van duurzame banen in het kader waarvan ook de discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden wordt aangepakt en waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de vaardigheden die nodig zijn voor een groenere economie;

34.  dringt er bij de lidstaten op aan de ontwikkeling van deze sector te benutten, om stageplaatsen voor hooggekwalificeerd werk te creëren teneinde jongeren gespecialiseerde kennis en opleidingen te bieden, en om het hoge jeugdwerkloosheidspercentage te helpen aanpakken;

35.  roept de Commissie en de lidstaten ertoe op bij de overgang naar een groene economie rekening te houden met de behoeften van vrouwen en meisjes aan betere kansen om "een leven lang te leren", vooral in sectoren die veel potentie hebben om een groot aantal nieuwe groene banen te scheppen, zoals wetenschap, onderzoek, techniek of nieuwe en digitale technologieën, met het oog op versterking van de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt, bestrijding van genderstereotypen en het scheppen van banen die volledig aansluiten op de bijzondere behoeften en vaardigheden van vrouwen;

36.  vraagt de Commissie, de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten om het aspect van gendergelijkheid stelselmatig op te nemen in de vaststelling, de uitvoering en de bewaking van beleid voor het scheppen van groene banen op alle niveaus en zo gelijke kansen te waarborgen, en daarbij rekening te houden met de uitdagingen van het scheppen van groene banen in plattelandsgebieden; spoort de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten aan tot verdere inspanningen om vrouwen in staat te stellen volledig deel te hebben aan het formuleren van beleid, de besluitvorming en de uitvoering van een groene werkgelegenheidsstrategie die groene vaardigheden omvat;

37.  vraagt de Commissie een openbaar debat te starten over het concept "onderwijs voor duurzame ontwikkeling", en dit concept te bevorderen met een speciale focus op onderwijs voor meisjes en vrouwen; vraagt de lidstaten en de Commissie beleid te bevorderen dat meer deelname van vrouwen aan onderwijs in de natuurwetenschappen, technologie, techniek, wiskunde en ondernemerschap aanmoedigt, en de agenda voor groene banen aan de emancipatie van vrouwen via het onderwijs verbindt; dringt aan op maatregelen ter bevordering van de deelname van vrouwen aan beroepsonderwijs en -opleiding en aan mogelijkheden in het kader van een leven lang leren;

38.  vraagt de Commissie een EU-strategie voor gendergelijkheid 2015-2020 aan te nemen, waarin rekening wordt gehouden met de werkgelegenheidsdoelstellingen voor slimme, duurzame en inclusieve groei in de Europa 2020-strategie;

39.  benadrukt dat overheidsautoriteiten en -diensten gerichte acties ter overbrugging van de vaardigheidskloof moeten ondernemen waarbij alle belanghebbenden op de arbeidsmarkt, met inbegrip van werkgevers- en werknemersorganisaties, worden betrokken; dringt er bij de lidstaten en bij regionale en lokale overheden op aan mechanismen paraat te hebben voor het opleiden van personeel van arbeidsinstanties en -diensten, zodat zij vaardigheden voor groene werkgelegenheid kunnen integreren in het algemene arbeidsmarktbeleid en instrumenten kunnen ontwikkelen voor de evaluatie van het effect van dergelijke opleidingen; benadrukt hoe belangrijk het is dat Europese onderwijsinstellingen hun programma's zodanig aanpassen dat zij beantwoorden aan de behoeften van de groen economie en de arbeidsmarkt in het algemeen;

40.  verzoekt de lidstaten een regelgevingskader in te voeren dat innovatie in de groene economie stimuleert;

Beleidscoherentie om het banenpotentieel van duurzame economieën volledig te benutten

41.  roept de Commissie en de lidstaten op om ambitieuze, langetermijngerichte en geïntegreerde regelgevende, begrotings- en financiële kaders voor duurzame investeringen en innovatie vast te stellen en innovatie aan te moedigen, met volledige benutting van het werkgelegenheidspotentieel van deze veranderingen; benadrukt dat beleid moet worden ontwikkeld binnen een langetermijnkader dat doelstellingen omvat evenals indicatoren om de vooruitgang bij de verwezenlijking ervan te meten;

42.  benadrukt dat coördinatie binnen de Commissie en tussen de relevante ministeries op nationaal niveau van belang is voor de totstandbrenging van een omvattend kader voor veranderingen waarbij alle overheidsdiensten zijn betrokken en waarin de nodige aandacht kan worden besteed aan de distributie-effecten van de transitie;

43.  merkt op dat het succes of het mislukken van het initiatief voor groene werkgelegenheid afhankelijk is van het ambitieniveau van de bindende doelstellingen van de Commissie inzake hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, en van investeringen in programma's voor hernieuwbare energie, technologie en energie-efficiëntie, waarop de lidstaten zich vastleggen;

44.  benadrukt dat de Commissie en de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de vaststelling van consistent beleid om de productie van hernieuwbare energie en meer energie-efficiëntie te bevorderen, teneinde lokale en regionale ontwikkeling en het scheppen van hoogwaardige, lokale banen op gang te brengen; beklemtoont dat investeringen in hernieuwbare energie en energie-efficiëntie de komende jaren kunnen uitgroeien tot één van de belangrijkste bronnen van werkverschaffing in Europa;

45.  herinnert eraan dat regionale zelfvoorziening op het gebied van energie één van de langetermijndoelstellingen van het economische en energiebeleid van de Unie blijft; wijst er voorts op dat absoluut rekening moet worden gehouden met de territoriale dimensie van investeringen, aangezien zij bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het EU-beleid voor territoriale samenhang om platteland en stad met elkaar te verbinden;

46.  is verheugd dat de Commissie de kwestie van fatsoenlijke banen heeft opgenomen in het EU-mandaat voor de onderhandelingen tijdens de COP 21 in Parijs, die voortbouwen op de overeenkomst van Cancún van 2010 en daaropvolgende initiatieven; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat de agenda voor een "rechtvaardige transitie" deel blijft uitmaken van haar standpunt bij de onderhandelingen;

47.  verzoekt de EU en de lidstaten bindende doelen vast te stellen betreffende energiebesparing en energie-efficiëntie, en witte certificaten te ondersteunen als instrument dat de EU-doelen betreffende energiebesparing moet helpen verwezenlijken; verzoekt de lidstaten de richtlijn betreffende energie-efficiëntie volledig ten uitvoer te leggen en te handhaven en ernaar te blijven streven om ten minste de energie-efficiëntiedoelstellingen voor 2030 te verwezenlijken;

48.  spreekt zich ervoor uit dat de EU zich verbindt tot de bevordering van een rechtvaardige mondiale transitie naar een inclusieve groene economie in samenwerking met andere internationale partners;

49.  dringt er bij de lidstaten op aan de nieuwe bepalingen van de herziene EU-wetgeving inzake overheidsopdrachten volledig te eerbiedigen en ten uitvoer te leggen, en te overwegen een onderzoek te doen naar de vraag of het opnemen van milieu- en sociale criteria in hun beleid inzake overheidsopdrachten een impuls kan geven aan het scheppen van duurzame banen; benadrukt dat de resterende rechtsonzekerheid bij de toepassing van sociale en milieuclausules bij overheidsaanbestedingen moet worden weggenomen;

50.  roept de Commissie op om stappen te ondernemen ter ondersteuning van een wederopbloei van de reparatiesector, waarbij nieuwe en, gezien de aard van het werk, milieuvriendelijke banen ontstaan;

51.  verzoekt de lidstaten steun te verlenen voor de bijdrage van overheidsdiensten aan de rechtvaardige overgang naar een duurzame economie, met name door er proactief voor te zorgen dat diensten als communicatie, energie, vervoer, afval- en waterbeheer op duurzame wijze worden geleverd;

52.  spreekt zijn sterke teleurstelling uit over de intrekking van het wetgevingspakket voor de circulaire economie, dat alleen al in de sector afvalbeheer in de EU naar verwachting wel 180 000 banen had kunnen scheppen; roept de Commissie derhalve op haar belofte na te komen en onverwijld een voorstel te doen voor ambitieuze afvalstoffenwetgeving die gericht is op stroomopwaartse afvalvermindering, de vaststelling van nieuwe streefdoelen voor recycling en de herziening van de criteria voor de berekening van het daadwerkelijk gerecycled materiaal, en daarbij tevens de verantwoordelijkheden van de lidstaten te eerbiedigen;

53.  verzoekt de Commissie tevens de invoering van criteria te overwegen die zijn gericht op de stimulering van ondernemingen met een voor het milieu gunstige en duurzame afvalverwerkingscyclus;

54.  erkent dat het koppelen van duurzame landbouwproductie met bewaking en bescherming van de biodiversiteit op landbouwbedrijven en vervolgens het gebruik van slimme etikettering voor landbouwproducten om het milieueffect ervan te benoemen, om de vraag van de consument naar producten die bijdragen aan biologische diversiteit te stimuleren, een aanzienlijk potentieel voor groene werkgelegenheid in plattelandsgebieden in de EU vertegenwoordigt;

55.  merkt op dat duurzaam bosbeheer reële mogelijkheden biedt om nieuwe banen te creëren en actief bijdraagt aan de beperking van de klimaatverandering en de bescherming van de biodiversiteit;

56.  dringt er bij de Commissie op aan het EU-semester en de herziening van de Europa 2020-strategie te benutten om het creëren van groene banen te ondersteunen; verzoekt de Commissie landenspecifieke aanbevelingen te doen die kunnen bijdragen tot meer werkgelegenheid en kleinere ecologische voetafdrukken en verzoekt om gedetailleerde en onafhankelijke studies naar de kosten en baten van een verschuiving van belasting (bijv. van belasting op arbeid naar milieubelasting), alsook de afschaffing van subsidies vóór 2020;

57.  benadrukt dat een verschuiving van arbeid naar andere bronnen deel kan uitmaken van deze aanbevelingen, en dat een dergelijke verschuiving van belasting gericht moet zijn op de ombuiging van vervuilend gedrag, maar geen ongewenste gevolgen mag hebben voor de socialezekerheidsstelsels, noch onevenredige uitwerkingen mag hebben op personen met een laag inkomen;

58.  verzoekt de Commissie en de lidstaten directe en indirecte milieuonvriendelijke subsidies af te schaffen, met inbegrip van - maar niet beperkt tot - subsidies voor fossiele brandstoffen; verzoekt de Commissie modellen te ontwikkelen die door de lidstaten kunnen worden toegepast om belastingen te verschuiven van arbeid naar milieuvervuiling, en rekening te houden met het milieueffect van goederen en diensten volgens het beginsel 'de vervuiler betaalt'; verzoekt de Commissie de lidstaten landenspecifieke aanbevelingen te doen die kunnen bijdragen aan de inspanningen voor meer groene werkgelegenheid en kleinere ecologische voetafdrukken; verzoekt de Commissie bovendien op proactieve wijze milieu- en klimaatgerelateerde overwegingen een plaats te geven in het Europees semester om de schepping van groene banen te ondersteunen;

59.  verzoekt de lidstaten gerichte subsidies en/of belastingvrijstellingen in te voeren voor start-ups, en voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen in producten en diensten met een hoge toegevoegde waarde in milieu-opzicht, onder andere met een verminderd koolstofgehalte;

60.  roept de Commissie en de lidstaten op tot een consistenter en coherenter beleid en versterking van de politieke verbintenissen op het hoogste niveau op andere aanverwante gebieden, zoals belasting op financiële transacties en de strijd tegen belastingfraude en -ontduiking;

61.  dringt er bij de Commissie op aan de door haar aangegane verplichting ten aanzien van de Europa 2020-strategie te hernieuwen en onverwijld en uiterlijk in 2015 met de tussentijdse evaluatie te komen; verzoekt de Commissie de doelstellingen in het Europees semester opnieuw te bevestigen en daarbij het scorebord voor macro-economische onevenwichtigheden en de herziening van de Europa 2020-strategie in aanmerking te nemen; dringt er bij de Commissie op aan ambitieuzere sociale en milieudoelstellingen voor 2030 en 2050 voor te stellen; benadrukt dat een nauwlettende, methodologisch onderbouwde en gemeenschappelijke monitoring van groene banen de lidstaten ook zou kunnen helpen de effectiviteit van hun milieu- en arbeidsmarktbeleid te evalueren en de instrumenten zou kunnen versterken die op Europees niveau zijn ontwikkeld om de vorderingen te volgen en de werkgelegenheidsrichtsnoeren van de Europa 2020-strategie te monitoren;

62.  wijst op de kansen die het klimaat- en energiepakket 2030 biedt voor het scheppen van nieuwe banen en de rol die de milieuwetgeving in de toekomst zal spelen bij de verwezenlijking van de milieudoelstellingen van de EU voor de lange termijn en bij het creëren van banen en groene groei;

63.  dringt er bij de Commissie op aan innovatie als hoeksteen van de Europese industrie te beschouwen en actieve strategieën te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat de sociale overgangsprocessen goed worden beheerd en de vruchten ervan over alle delen Europa worden verdeeld; roept de Commissie en de lidstaten op de totstandbrenging van nieuwe toeleveringsketens en industriële netwerken op het gebied van hulpbronnenefficiëntie, goederen en diensten te steunen door middel van een duurzaam industriebeleid en prikkels ter bevordering van de markttransformatie;

64.  onderstreept dat de lidstaten hun economieën moeten voorbereiden op een koolstofarme, hulpbronnen- en energie-efficiënte toekomst, waarbij zij rekening moeten houden met het mogelijke risico op verplaatsing van banen en koolstoflekkage als gevolg van klimaatbeleid;

65.  roept de Commissie en de lidstaten op tot intensievere internationale samenwerking met het oog op de totstandbrenging van een wereldwijd milieubeleid dat de schade kan beperken die ontstaat door verplaatsing van industriële productie naar landen buiten de EU en door koolstoflekkage;

66.  verzoekt de Commissie haar voorstel tot hervorming van het EU-emissiehandelssysteem (ETS) zo spoedig mogelijk te presenteren en daarbij rekening te houden met de noodzaak industrieën te beschermen die een significant risico op koolstoflekkage lopen;

67.  verzoekt de Commissie bij de totstandbrenging van de energie-unie aandacht te besteden aan groene werkgelegenheid;

Investeren in duurzame werkgelegenheid

68.  benadrukt dat de juiste mix van interventies aan de aanbod- en vraagzijde moet worden toegepast, die bestaat uit een combinatie van het scheppen van banen en een bijbehorend actief arbeidsmarktbeleid dat inspeelt op de specifieke behoeften van verschillende lokale arbeidsmarkten;

69.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om, onder meer in het kader van het Europees Fonds voor strategische investeringen, kwalitatief hoogwaardige investeringen te stimuleren die zijn gericht op het genereren van maatschappelijke voordelen, zoals duurzame hoogwaardige banen, onderwijs van hoge kwaliteit en innovatie om de groene transitie te bevorderen en energiearmoede te bestrijden; verzoekt de Commissie en de lidstaten om investeringen te concentreren op gebieden met een positief effect op de arbeidsmarkt, teneinde duurzame banen met volledige sociale bescherming te scheppen en werkloosheid te bestrijden; beklemtoont dat de gefinancierde projecten op meetbare wijze moeten bijdragen tot de uitvoering van de EU 2020-strategie; wijst er in dit verband op dat de ontwikkeling met betrekking tot het scheppen van banen in groene sectoren ook tijdens de recessie een positief beeld laat zien;

70.  benadrukt dat investeringen in energie-efficiëntie het creëren van lokale banen en lokale economische ontwikkeling kunnen ondersteunen en energiearmoede kunnen terugdringen, en dat het waarborgen van energie-efficiëntie in gebouwen de meest kosteneffectieve manier is om langetermijnoplossingen voor energiearmoede te bieden, een probleem waarvan maar liefst 125 miljoen mensen in Europa de gevolgen ondervinden; onderstreept tevens dat deze investeringen in belangrijke mate kunnen waarborgen dat efficiënter gebruik wordt gemaakt van Europese energie en groene banen worden gecreëerd; onderstreept andermaal dat ook de waarborging van de veiligheid van gebouwen in dit verband van cruciaal belang is; vraagt de Commissie zo spoedig mogelijk haar initiatief "Slimme financiering voor slimme gebouwen" te presenteren;

71.  pleit ervoor om doelstellingen op het gebied van klimaat, hernieuwbare energie en energie-efficiëntie te beschouwen als belangrijke investeringsdoelstellingen en als uitgangspunten voor politiek optreden;

72.  waarschuwt voor steunactiviteiten die nadelige milieu- en sociale effecten sorteren, aangezien zij de beleidscoherentie ondermijnen die vereist is om het werkgelegenheidspotentieel van groene banen te maximaliseren;

73.  beveelt aan hoogwaardige investeringen in centrale openbare diensten zoals communicatie, energie, vervoer en afval- en waterbeheer te richten op de bevordering van duurzame procedures voor overheidsaanbestedingen en het mainstreamen van groene vaardigheden;

74.  dringt er bij de lidstaten op aan volledig gebruik te maken van de mogelijkheden die worden geboden door het rechtskader voor de Europese structuur- en investeringsfondsen en andere bronnen van EU-financiering, teneinde duurzame projecten die groene werkgelegenheid stimuleren, te bevorderen en EU-financiering en financiële instrumenten van de EU zo toegankelijk mogelijk te maken voor lokale overheden met duidelijke, ondubbelzinnige regels en haalbare minimale subsidiedrempels;

75.  spoort de Commissie en de lidstaten aan de postelectorale herziening in 2016 van het meerjarig financieel kader (MFK) aan te grijpen als een gelegenheid om de groenere transitie van onze economieën te bevorderen;

76.  merkt op dat ESF-steun beschikbaar is voor de bevordering van groene economische en werkgelegenheidsgroei en spoort de nationale regeringen en de relevante nationale diensten aan te overwegen actiever gebruik te maken van deze financiering teneinde het scheppen van economisch zinvolle en economisch duurzame groene banen te stimuleren;

77.  merkt op dat bepaalde lidstaten aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt bij de vergroening van de economie en spoort de Unie en de lidstaten aan de uitwisseling van ideeën, kennis, ervaring en goede praktijken tussen de lidstaten te stimuleren teneinde te zorgen voor een soepele overgang;

78.  dringt er bij de lidstaten en de particuliere sector op aan instrumenten zoals Ecodesign, Ecolabel, EMAS en Groene overheidsopdrachten (GPP) te gebruiken, omdat deze de groene economie kunnen ondersteunen en dus kunnen bijdragen aan de totstandbrenging van groene banen; verzoekt de Commissie te komen met voorlichtingsinstrumenten om gunstige marktomstandigheden tot stand te brengen voor de volledige uitvoering van deze vrijwillige instrumenten;

79.  verzoekt de lidstaten meer aandacht te besteden aan de invoering van systemen voor milieubeheer en milieuaudits op basis van de Europese norm (ISO 14000);

Kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's)

80.  ondersteunt de doelstellingen van het groene actieplan voor kmo's en de kmo-georiënteerde maatregelen die erop gericht zijn groen ondernemerschap te ondersteunen, mogelijkheden voor groenere waardeketens te benutten en de toegang tot de markt voor groene kmo's en micro-ondernemingen te faciliteren, met inbegrip van de oprichting van het Europees kenniscentrum inzake hulpbronnenefficiëntie, dat kmo's adviseert en ondersteunt die hun prestaties op het gebied van hulpbronnenefficiëntie willen verbeteren; is van oordeel dat bewustmakingsactiviteiten en technische bijstand van cruciaal belang zijn voor een actieve deelname van kmo's aan de circulaire economie;

81.  herinnert eraan dat kmo's over een enorm potentieel beschikken om werkgelegenheid te creëren, met name voor jongeren, en om een tweeledig stelsel van beroepsopleidingen en stageplaatsen te bevorderen;

82.  erkent dat het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) micro-, kleine en middelgrote ondernemingen kan ondersteunen bij het ontplooien van activiteiten met een hoog niveau van ecologische en sociale innovatie;

83.  merkt op dat Eurobarometergegevens over groene banen in kmo's aantonen dat energiebesparing, afvalvermindering en efficiënt gebruik van grondstoffen economische voordelen zijn gaan opleveren;

84.  verzoekt de Commissie nieuwe bedrijfsmodellen, zoals coöperatieve ondernemingen, te stimuleren, om de efficiëntie van productie- en distributieprocessen te verhogen, innovatieve oplossingen om grondstoffen te besparen toe te passen en duurzamere producten en diensten aan te bieden;

85.  wijst erop dat kmo's alleen groei en banen kunnen creëren indien de groene economie daarvoor de nodige mogelijkheden in de vorm van stimulansen biedt;

86.  dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat doeltreffende groene prikkels voor kmo's worden geboden op gebieden waar deze het hardst nodig zijn;

87.  wijst erop dat kmo's en micro-ondernemingen de belangrijkste drijvende kracht vormen voor het scheppen van banen in Europa; benadrukt dat kmo's en micro-ondernemingen met name voor uitdagingen staan bij de benutting van de arbeidskansen van een groene transitie, in het bijzonder wat betreft de toegang tot financiering, opleiding en overbrugging van de vaardigheidskloven; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ambitieuze maatregelen te treffen om te voorzien in steun om het creëren van groene banen bij kmo's en micro-ondernemingen te faciliteren, met inbegrip van maatregelen op het gebied van gerichte voorlichting, bewustmaking, technische bijstand en toegang tot financiering en opleiding;

88.  wijst erop dat een groenere waardeketen, bestaande uit herfabricage, reparatie, onderhoud, recyclage en ecodesign, tal van kmo's aanzienlijke commerciële mogelijkheden kan bieden;

o
o   o

89.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0584.
(2) PB C 251 E van 31.8.2013, blz. 75.
(3) PB C 308 E van 20.10.2011, blz. 6.


Belastingontwijking en belastingontduiking als problemen in ontwikkelingslanden
PDF 304kWORD 90k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 juli 2015 inzake belastingontwijking en belastingontduiking als uitdagingen voor bestuur, sociale bescherming en ontwikkeling in ontwikkelingslanden (2015/2058(INI))
P8_TA(2015)0265A8-0184/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de verklaring van Monterrey (2002), de conferentie inzake ontwikkelingsfinanciering van Doha (2008), de verklaring van Parijs (2005) en de agenda voor verandering van Accra (2008),

–  gezien de resoluties 68/204 en 68/279 van de Algemene Vergadering van de VN over de Derde internationale conferentie over financiële middelen voor ontwikkeling die van 13 tot 16 juli 2015 in Addis Abeba (Ethiopië) zal worden gehouden,

–  gezien het werk van het VN-deskundigencomité inzake internationale samenwerking in belastingaangelegenheden(1),

–  gezien het VN-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden(2),

–  gezien de Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 april 2010 getiteld "Belastingen en ontwikkeling – Samenwerking met ontwikkelingslanden met het oog op goed bestuur in belastingaangelegenheden" (COM(2010)0163),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 februari 2015 getiteld "Een mondiaal partnerschap voor de uitroeiing van armoede en duurzame ontwikkeling na 2015" (COM(2015)0044),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 maart 2015 over fiscale transparantie ter bestrijding van belastingontduiking en -ontwijking (COM(2015)0136),

–  gezien zijn resolutie van 21 mei 2013 over de strijd tegen belastingfraude, belastingontduiking en belastingparadijzen(4),

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2011 over belastingen en ontwikkeling – samenwerking met ontwikkelingslanden met het oog op goed bestuur in belastingaangelegenheden(5),

–  gezien zijn resolutie van 10 februari 2010 over de bevordering van goed bestuur in belastingaangelegenheden(6),

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2013 over corruptie in de publieke en de private sector: het effect op de mensenrechten in derde landen(7),

–  gezien zijn resolutie van 26 februari 2014 over de bevordering van ontwikkeling met verantwoordelijke bedrijfspraktijken, met inbegrip van de rol van extractieve bedrijven in ontwikkelingslanden(8),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2014 over de EU en het mondiaal ontwikkelingskader voor de periode na 2015(9),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2014 over het verslag 2013 van de EU over de coherentie van het ontwikkelingsbeleid(10),

–  gezien artikel 208 VWEU waarin wordt bepaald dat het uitbannen van armoede de primaire doelstelling is van het ontwikkelingsbeleid van de EU, en het beginsel van samenhang in het ontwikkelingsbeleid;

–  gezien artikel 52 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en het advies van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0184/2015),

A.  overwegende dat illegale geldstromen, d.w.z. alle ongeregistreerde particuliere geldstromen waarbij het kapitaal illegaal is verkregen, overgeboekt of gebruikt, doorgaans voortvloeien uit belastingontduikings- en -ontwijkingsactiviteiten, zoals foutieve facturering van goederen en diensten en oneigenlijke interne verrekenprijzen, tegen het beginsel dat de belasting moet worden betaald waar de winst wordt gegenereerd, en overwegende dat belastingontduiking en -ontwijking in alle belangrijke internationale publicaties en conferenties over ontwikkelingsfinanciering als de belangrijkste obstakels worden aangewezen voor het mobiliseren van binnenlandse inkomsten voor ontwikkeling;

B.  overwegende dat volgens het verslag van Global Financial Integrity over 2014, de buitenlandse directe investeringen (BDI) en de officiële ontwikkelingshulp (OOH) tezamen genomen in de periode van 2003 tot 2012 een iets lager bedrag vertegenwoordigen dan de clandestien wegvloeiende geldstromen; overwegende dat het bedrag dat met illegale geldstromen gemoeid is ruwweg tien keer zo groot is als het bedrag aan steungelden dat ontwikkelingslanden ontvangen en dat bestemd zou moeten zijn voor armoede-uitroeiing, welzijn en duurzame ontwikkeling, wat neerkomt op een jaarlijkse clandestiene kapitaalvlucht vanuit ontwikkelingslanden van naar schatting 1 biljoen USD;

C.  overwegende dat het genereren van overheidsinkomsten uit de mijnbouwindustrie essentieel is voor de ontwikkelingsstrategieën van veel ontwikkelingslanden, met name van MOL's, maar dat het potentieel dat de mijnbouwindustrie biedt om de belastinginkomsten in de ontwikkelingslanden op te schroeven nog lang niet voldoende wordt benut, hetgeen te wijten is aan de ontoereikende belastingregelingen of de problematische uitvoering daarvan, aangezien regeringen van ontwikkelingslanden gewoonlijk ad hoc regelingen met mijnbouwondernemingen treffen na onderhandelingen die zonder enige transparantie of duidelijke richtsnoeren worden gevoerd;

D.  overwegende dat het bestaan van grote informele sectoren in de economie van ontwikkelingslanden belastingheffing over een brede grondslag nagenoeg onmogelijk maakt, en overwegende dat in landen waar een groot deel van de bevolking in armoede leeft een aanzienlijk aandeel van het BBP niet belastbaar is;

E.  overwegende dat eerlijke, evenwichtige, efficiënte en transparante belastingstelsels overheden van essentiële financiële middelen voorzien ter dekking van het recht van burgers op elementaire openbare voorzieningen, zoals gezondheidszorg en onderwijs voor iedereen, en overwegende dat een doeltreffend fiscaal herverdelingsbeleid ertoe bijdraagt dat de gevolgen van groeiende ongelijkheid voor de meest behoeftigen worden verminderd;

F.  overwegende dat volgens UNCTAD zo'n 30 % van grensoverschrijdende investeringsdeelnemingen door ondernemingen eerst langs een doorsluisland zijn omgeleid alvorens ter bestemming als productieve activa te worden opgevoerd;

G.  overwegende dat inkomsten uit de vennootschapsbelasting in het nationale inkomen van ontwikkelingslanden een beduidend aandeel hebben, waardoor zij veel last hebben van ontduiking van die belasting, en dat de ontwikkelingslanden de laatste jaren de tarieven van de vennootschapsbelasting steeds hebben verlaagd;

H.  overwegende dat belastingparadijzen en bankgeheimjurisdicties waar informatie omtrent banktegoeden en financiële situatie kan worden afgeschermd, in combinatie met "nultarief"-regelingen, bedoeld om kapitaal en inkomsten aan te trekken waarover in andere landen belasting had moeten worden geheven, tot schadelijke belastingconcurrentie leiden, de eerlijkheid van het belastingstelsel ondermijnen, handel en investeringen verstoren, en met name de ontwikkelingslanden duperen, die naar schatting jaarlijks 189 miljard USD aan belastinginkomsten mislopen;

I.  overwegende dat belastingen in ontwikkelingslanden een betrouwbare en duurzame inkomstenbron kunnen zijn en het voordeel bieden van stabiliteit in vergelijking met traditionele ontwikkelingsfinanciering zoals concessionele leningen, alleen als er sprake is van een eerlijk, evenwichtig, efficiënt en transparant belastingstelsel, een doeltreffende en efficiënte belastingadministratie ter bevordering van de belastingdiscipline en een transparant en verantwoord gebruik van overheidsinkomsten;

J.  overwegende dat de potentiële voordelen van doeltreffende en transparante belastingheffing verder gaan dan de toename van de beschikbare middelen ter bevordering van ontwikkeling, en een direct positief effect hebben op goed bestuur en staatsopbouw door het versterken van de democratische instellingen, de rechtsstaat, en het sociale contract tussen regering en burgers, zodat er een wederzijdse band tot stand komt tussen belasting, openbare en sociale diensten, en inspanningen om de stabiliteit van overheidsbegrotingen te bevorderen, om de onafhankelijkheid van buitenlandse hulp op de lange termijn te bevorderen en ontwikkelingslanden in staat te stellen om zich voor nationale doelstellingen te beijveren en te verantwoorden en om de verantwoordelijkheid voor hun beleidskeuzes op zich te nemen;

K.  overwegende dat de behoefte aan meer binnenlandse inkomsten door de financiële en economische crisis nog nijpender is geworden;

L.  overwegende dat het bedrag aan middelen dat de ontwikkelingslanden door binnenlandse mobilisering van inkomsten weten te verwerven gestaag toeneemt en dat met de hulp van internationale donors belangrijke vooruitgang op dit gebied is geboekt;

M.  overwegende dat ontwikkelingslanden kampen met grote politieke, administratieve en technische beperkingen bij het verhogen van de belastinginkomsten als gevolg van ontoereikende menselijke en financiële middelen om belastingen te innen, zwakke administratieve capaciteit om de complexiteit van het innen van belasting van transnationale bedrijven het hoofd te bieden, het ontbreken van de capaciteit en de infrastructuur om belasting te innen, een braindrain van vakkundig personeel bij de belastingdiensten, corruptie, gebrek aan legitimiteit van het politieke stelsel, gebrekkige deelname aan internationale samenwerking op belastinggebied, een ongelijke verdeling van inkomsten en slecht bestuur op belastinggebied;

N.  overwegende dat in de huidige mondiale context van handelsliberalisering en geleidelijke opheffing van handelsbelemmeringen in de laatste decennia de hoeveelheid goederen en diensten die over de grens worden verhandeld is toegenomen, er ook problemen zijn ontstaan voor ontwikkelingslanden die zwaar leunen op belastinginkomsten uit de handel, met name MOL's, om de teruglopende belastinginkomsten uit de handel te compenseren en over te schakelen naar andere vormen van binnenlandse inkomsten, met name door een evenwichtige belastingmix;

O.  overwegende dat het aantal belastingverdragen tussen ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden in de afgelopen jaren is toegenomen om de belasting op grensoverschrijdende financiële overboekingen te verlagen, waardoor hun capaciteit tot mobilisering van binnenlandse inkomsten tot een minimum wordt teruggebracht en waardoor potentiële sluiproutes worden gecreëerd via welke multinationale ondernemingen belasting kunnen ontwijken; overwegende dat een recente effectbeoordeling door de autoriteiten in Nederland uitwees dat het Nederlandse belastingstelsel ontwijking van de bronbelasting faciliteert, waardoor jaarlijks een bedrag van ca. 150-550 miljoen EUR aan dividend en aan rente over bronbelastingontvangsten voor de ontwikkelingslanden verloren gaat(11);

P.  overwegende dat ontwikkelingslanden, relatief gezien, substantieel minder belastinginkomsten genereren dan geavanceerde economieën (met een belastingquote tussen de 10 en 20 %, terwijl deze in de OESO-economieën 30 tot 40 % bedraagt) en worden gekenmerkt door een zeer smalle belastinggrondslag; overwegende dat er een aanzienlijk potentieel is voor verbreding van de belastinggrondslag en voor verhoging van de belastingopbrengsten, die de nodige middelen moeten verschaffen voor essentiële overheidstaken;

Q.  overwegende dat ontwikkelingslanden hebben geprobeerd investeringen aan te trekken door diverse belastingprikkels en -vrijstellingen aan te bieden die niet transparant zijn en niet worden onderbouwd door een deugdelijke kosten-batenanalyse en vaak geen echte en duurzame investeringen kunnen aantrekken, waardoor ontwikkelingseconomieën zich in een onderlinge concurrentiestrijd begeven om de meest gunstige fiscale behandeling te kunnen aanbieden, wat leidt tot onbevredigende resultaten als het gaat om een effectief en efficiënt belastingstelsel en tot schadelijke belastingconcurrentie;

R.  overwegende dat de lidstaten zich er al toe hebben verbonden 0,7% van hun bbp te besteden aan officiële ontwikkelingshulp (OOH), en overwegende dat het bedrag aan steun bij het mobiliseren van binnenlandse inkomsten nog laag is – in 2011 minder dan 1 % van de totale OOH – en dat er in 2012 naar schatting slechts 0,1% (118,4 miljoen USD) van de OOH werd bestemd voor capaciteitsopbouw op belastinggebied;

S.  overwegende dat veel ontwikkelingslanden niet eens het minimumbelastingniveau kunnen bereiken dat nodig is ter financiering van hun basisactiviteiten, hun overheidsdiensten en hun inspanningen om de armoede te bestrijden;

T.  overwegende dat de Europese Investeringsbank (EIB), de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) en de instellingen voor ontwikkelingsfinanciering in de lidstaten rechtstreekse steun verlenen aan particuliere ondernemingen in ontwikkelingslanden met leningen, of indirect door steun aan financiële tussenpartijen zoals commerciële banken en private equity funds, die op hun beurt weer doorlenen aan of investeren in ondernemingen;

U.  overwegende dat ontwikkelingslanden beter moeten worden vertegenwoordigd binnen de bestaande structuren en procedures van internationale samenwerking op belastinggebied, zodat zij op mondiaal niveau op voet van gelijkheid kunnen deelnemen aan de formulering en hervorming van het beleid op belastinggebied;

V.  overwegende dat het deskundigencomité inzake internationale samenwerking in belastingaangelegenheden een suborgaan is van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties, dat zich speciaal bezighoudt met ontwikkelingslanden en landen met een overgangseconomie;

W.  overwegende dat de inning van voldoende openbare middelen een beslissende rol kan spelen bij het bevorderen van een eerlijker samenleving zonder discriminatie tussen mannen en vrouwen en waarin speciale steun wordt geboden aan kinderen en kwetsbare groepen;

1.  verzoekt de Commissie snel een ambitieus actieplan voor te stellen, in de vorm van een mededeling, om ontwikkelingslanden te ondersteunen bij de bestrijding van belastingontduiking en -ontwijking en om hen te helpen bij het opzetten van eerlijke, evenwichtige, efficiënte en transparante belastingstelsels, rekening houdend met de werkzaamheden die zijn verricht door het Ontwikkelingshulpcomité van de OESO voorafgaand aan de van 13 t/m 16 juli 2015 te houden conferentie inzake ontwikkelingsfinanciering in Addis Ababa, Ethiopië, en de impact van internationale belastingverdragen op ontwikkelingslanden;

2.  benadrukt met klem dat doeltreffende mobilisering van binnenlandse middelen en een versterking van de belastingstelsels onontbeerlijke factoren zijn voor het realiseren van het post-2015 kader dat de millenniumontwikkelingsdoelen zal vervangen, en dat een levensvatbare strategie vormt om de langdurige afhankelijkheid van buitenlandse hulp terug te dringen, en dat efficiënte en eerlijke belastingstelsels essentieel zijn voor de uitroeiing van armoede, de bestrijding van ongelijkheden, voor goed bestuur en voor staatsopbouw; herinnert eraan dat bepaalde transnationale economische activiteiten ten koste gaan van de mogelijkheden van nationale staten om binnenlandse overheidsinkomsten te genereren en hun eigen belastingstructuur te kiezen, terwijl de toegenomen mobiliteit van kapitaal, in combinatie met het gebruik van belastingparadijzen de voorwaarden voor belastingheffing aanzienlijk hebben gewijzigd; uit ook zijn bezorgdheid over de omvang van de corruptie en de mate van ondoorzichtigheid van overheden in veel ontwikkelingslanden, die verhinderen dat belastinginkomsten worden geïnvesteerd in de opbouw van de staat, overheidsdiensten en openbare infrastructuur;

3.  stelt bezorgd vast dat de belastinginkomsten in de meeste ontwikkelingslanden laag blijven in verhouding tot het bbp, zodat zij buitengewoon kwetsbaar zijn voor activiteiten op het gebied van belastingontduiking en -ontwijking door particulieren en ondernemingen; benadrukt dat dit een aanzienlijk financieel verlies betekent voor ontwikkelingslanden, en dat het corruptie aanmoedigt en het EU-ontwikkelingsbeleid schaadt, en dat het nemen van passende maatregelen tegen deze praktijken op nationaal, EU- en internationaal niveau een topprioriteit voor de EU en haar lidstaten dient te zijn, rekening houdend met de behoeften en beperkingen van ontwikkelingslanden om toegang te krijgen tot hun belastinginkomsten; meent dat de EU een leidende rol op zich moet nemen om de internationale inspanningen aan te moedigen tegen belastingparadijzen, belastingfraude en belastingontduiking, en daarbij zelf het goede voorbeeld moet geven, en dat de EU moet samenwerken met de ontwikkelingslanden bij het tegengaan van agressieve methoden van belastingontwijking door sommige transnationale ondernemingen, en bij het vinden van manieren om de druk te weerstaan om zich in een fiscale concurrentiestrijd te begeven;

Actieplan ter bestrijding van belastingontwijking en belastingontduiking in ontwikkelingslanden

4.  dringt er bij de Commissie op aan om concrete en doeltreffende maatregelen te treffen om ontwikkelingslanden en regionale samenwerkingsverbanden van belastingdiensten, zoals het Afrikaanse forum voor belastingbeheer en het inter-Amerikaanse centrum van belastingdiensten, te ondersteunen in de strijd tegen belastingontwijking en belastingontduiking, bij het ontwikkelen van een eerlijk, evenwichtig, efficiënt en transparant beleid op belastinggebied, bij het bevorderen van administratieve hervormingen, en om op het gebied van hulp en ontwikkeling meer financiële en technische bijstand te verlenen aan de nationale belastingdiensten van ontwikkelingslanden; is van mening dat deze steun moet worden geboden om de rechterlijke macht en instanties voor corruptiebestrijding in deze landen te versterken; pleit ervoor om de deskundigheid omtrent de overheidssector in de EU-lidstaten en in de begunstigde landen te bundelen, om de samenwerkingsactiviteiten te intensiveren en tevens te komen tot concrete, van tevoren afgesproken resultaten voor de begunstigde landen; pleit voor het organiseren van workshops, trainingsbijeenkomsten, uitzending van deskundigen, studiebezoeken, advisering en begeleiding;

5.  vraagt de Commissie om goed bestuur inzake belastingaangelegenheden en eerlijke, evenwichtige, efficiënte en transparante belastinginning een hoge plaats te geven op de agenda in haar beleidsdialoog (op politiek, ontwikkelings- en handelsgebied) en in alle ontwikkelingssamenwerkingsovereenkomsten met partnerlanden, en daarbij zeggenschap en binnenlandse verantwoordingsplicht te versterken door een klimaat te stimuleren waarin nationale parlementen zinvol kunnen bijdragen aan de opstelling van en toezicht op de nationale begroting, met inbegrip van binnenlandse inkomsten en belastingaangelegenheden, en door steun te geven aan de rol van maatschappelijke organisaties bij publieke controle op het bestuur in belastingaangelegenheden en het volgen van belastingfraudezaken, onder meer door invoering van effectieve regelingen voor de bescherming van klokkenluiders en journalistieke bronnen;

6.  dringt erop aan dat informatie over de uiteindelijke gerechtigden van vennootschappen, trusts en andere instellingen openbaar wordt gemaakt in open data-formats, om te voorkomen dat anonieme postbusondernemingen en vergelijkbare juridische structuren worden gebruikt voor witwassen, financiering van illegale of terroristische activiteiten, en om de identiteit van corrupte en criminele personen te maskeren en diefstal van overheidsgeld en winsten uit sluikhandel en illegale belastingontduiking verborgen te houden; meent daarnaast dat alle landen ten minste de anti-witwasaanbevelingen van de Financiële Actiegroep (FAG) moeten overnemen en er volledig gevolg aan moeten geven;

7.  roept de EU en haar lidstaten op toe te zien op naleving van het beginsel dat multinationale ondernemingen, al dan niet beursgenoteerd, uit alle landen en sectoren, en met name de ondernemingen die natuurlijke rijkdommen delven, de rapportage per land als norm gaan hanteren, hetgeen betekent dat zij in hun jaarverslag per land en voor elk gebied waar ze actief zijn alle dochterondernemingen, hun respectieve financiële prestaties, relevante belastinginformatie, activa en aantal werknemers openbaar moeten maken, en ervoor moeten zorgen dat deze informatie publiek toegankelijk wordt gemaakt, en tegelijkertijd de administratieve lasten te minimaliseren door micro-ondernemingen vrijstelling te verlenen; vraagt de Commissie met een wetgevingsvoorstel te komen voor wijziging in deze zin van de jaarrekeningrichtlijn; herinnert eraan dat openbare transparantie een essentiële stap is op weg naar reparatie van het huidige belastingstelsel en het kweken van vertrouwen bij het publiek; vraagt de OESO de aanbeveling te doen uitgaan dat alle multinationale ondernemingen hun model voor rapportage per land openbaar maken, om te zorgen dat de belastingdiensten in alle landen gedegen informatie krijgen om de verrekenprijsrisico's te kunnen beoordelen en de meest effectieve manier voor de inzet van auditmiddelen te kunnen bepalen; onderstreept dat belastingvrijstellingen en -voordelen voor buitenlandse investeerders ingevolge bilaterale belastingverdragen de MNO's een oneerlijk concurrentievoordeel geven ten opzichte van binnenlandse ondernemingen, met name kleine en middelgrote ondernemingen;

8.  dringt erop aan dat de fiscale voorwaarden en regelingen waaronder de mijnbouwindustrie opereert, worden herzien; dringt er bij de EU op aan haar bijstand aan de ontwikkelingslanden te verhogen teneinde deze landen te helpen om het delven van natuurlijke rijkdommen op adequate wijze te belasten, de onderhandelingspositie van gastregeringen te versterken zodat deze hogere opbrengsten uit hun natuurlijke rijkdommen kunnen realiseren en diversificatie van hun economie kunnen stimuleren; steunt het initiatief voor transparantie in de mijnbouwwinning (Extractive Industries Transparency Initiative, EITI) en de uitbreiding tot producerende bedrijven en ondernemingen die handelen in grondstoffen;

9.  is verheugd over de goedkeuring van een systeem voor automatische gegevensuitwisseling, een essentieel instrument voor het bevorderen van wereldwijde transparantie en samenwerking in de strijd tegen belastingontwijking en -ontduiking; erkent echter dat ontwikkelingslanden nog steeds ondersteuning in de vorm van financiële middelen, technische expertise en tijd nodig hebben om de capaciteit op te kunnen bouwen die nodig is voor het verzenden en verwerken van informatie; onderstreept daarom dat het belangrijk is dat in de nieuwe mondiale OESO-standaard voor automatische informatie-uitwisseling een overgangstermijn wordt opgenomen voor ontwikkelingslanden, waarmee wordt erkend dat wanneer deze standaard wederkerig wordt, de landen die niet de middelen en capaciteit hebben voor het inrichten van de nodige infrastructuur om de verlangde informatie te verzamelen, te beheren en door te geven, inderdaad kunnen worden uitgezonderd; meent bovendien dat er over één enkele standaard voor vertrouwelijkheid moet worden nagedacht;

10.  dringt erop aan dat er tegen eind 2015 een mondiaal aanvaarde definitie wordt vastgesteld van het begrip "belastingparadijs", dat er sancties worden vastgesteld voor degenen die hiervan gebruik maken en dat er een zwarte lijst wordt opgesteld met landen die belastingontduiking niet bestrijden maar gedogen; dringt er bij de EU op aan de ontwikkelingslanden die nu nog als belastingparadijzen fungeren te ondersteunen bij hun economische omschakeling; verzoekt de lidstaten met onderhorigheden en gebiedsdelen die geen deel uitmaken van de Unie om samen met de regeringen van deze gebieden te werken aan de vaststelling van beginselen van fiscale transparantie en ervoor te zorgen dat geen van deze gebieden als belastingparadijs fungeert;

11.  dringt er bij de Europese Unie en haar lidstaten op aan dat bij het uitonderhandelen van belasting- en investeringsverdragen met ontwikkelingslanden, de inkomsten of winsten uit grensoverschrijdende activiteiten in het bronland moeten worden belast waar waarde wordt onttrokken of gecreëerd; benadrukt in dit opzicht dat het modelverdrag van de VN inzake belastingheffing zorgt voor een eerlijke verdeling van belastingrechten tussen het bronland en het vestigingsland; onderstreept dat de EU en de lidstaten bij onderhandelingen over belastingverdragen moeten vasthouden aan het beginsel van samenhang in het ontwikkelingsbeleid zoals vastgelegd in artikel 208 VWEU;

12.  dringt er bij de Commissie en alle lidstaten op aan om, naar het voorbeeld van een aantal lidstaten, effectbeoordelingen uit te voeren van Europees belastingbeleid op ontwikkelingslanden, en "beste praktijken" uit te wisselen ter versterking van de samenhang in het ontwikkelingsbeleid en ter verbetering van de huidige praktijken, en meer rekening te houden met de negatieve overloopeffecten voor ontwikkelingslanden en de speciale behoeften van die landen; is in dit verband verheugd over het herziene actieplan van de Commissie inzake belastingontduiking en ‑ontwijking, dat in 2015 zal worden gepresenteerd, en verzoekt de lidstaten om snel overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB);

13.  betuigt krachtig zijn steun voor de reeks bestaande internationale initiatieven tot hervorming van het mondiale systeem, inclusief het initiatief inzake grondslaguitholling en winstverschuiving van de OESO (BEPS), die zich richten op grotere deelname door de ontwikkelingslanden aan de internationale samenwerkingsstructuren en -procedures op belastinggebied; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan om ervoor te zorgen dat de VN-belastingcommissie wordt getransformeerd tot een echt intergouvernementeel orgaan, beter toegerust en met voldoende extra middelen, binnen het kader van de Economische en Sociale Raad van de VN, opdat ontwikkelingslanden op mondiaal niveau op voet van gelijkheid kunnen deelnemen aan de formulering en hervorming van beleid op belastinggebied; benadrukt dat er sancties moeten worden overwogen voor niet-coöperatieve rechtsgebieden en voor financiële instellingen die opereren in belastingparadijzen;

14.  benadrukt dat toereikende openbare financiën kunnen bijdragen tot een minder onevenwichtige genderongelijkheid en betere ondersteuning van kinderen en kwetsbare groepen in de samenleving, en erkent dat belastingontduiking overal ter wereld een nadelig effect heeft op de welvaart van mensen, maar vooral schadelijk is voor huishoudens met een laag of modaal inkomen, in welke groep vrouwen veelal oververtegenwoordigd zijn;

15.  merkt met bezorgdheid op dat veel ontwikkelingslanden zich in een zeer zwakke onderhandelingspositie bevinden ten opzichte van buitenlandse directe investeerders; is van mening dat ondernemingen zich nauwkeurig moeten vastleggen in termen van de positieve doorwerkingseffecten van hun investering op de lokale en/of nationale sociaal-economische ontwikkeling van het gastland; vraagt de Commissie, de Raad en de regeringen in onze partnerlanden erop toe te zien dat fiscale gedragsprikkels geen extra opties bieden voor belastingontwijking; onderstreept dat fiscale gedragsprikkels transparanter moeten zijn en idealiter op investering in duurzame ontwikkeling moeten zijn gericht;

16.  roept de EIB, de EBWO en de instellingen voor ontwikkelingsfinanciering in de lidstaten op erop toe te zien en ervoor te zorgen dat ondernemingen en andere rechtspersonen die EIB-steun ontvangen niet meedoen aan belastingontduiking en -ontwijking door samen te werken met financiële tussenpersonen in offshorecentra en belastingparadijzen, of door clandestiene geldstromen te faciliteren, en hun transparantiebeleid aan te scherpen, bijvoorbeeld door al hun rapporten en onderzoeken openbaar te maken; dringt er bij de EIB op aan passende zorgvuldigheid te betrachten, door jaarlijkse verslagen per land te verlangen, de uiteindelijke gerechtigden te traceren en de verrekenprijzen te controleren om de transparantie van haar investeringen te waarborgen en belastingontduiking en belastingontwijking te voorkomen;

o
o   o

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) http://www.un.org/esa/ffd/tax/
(2) http://www.un.org/esa/ffd/tax/unmodel.htm
(3) PB L 309 van 25.11.2005, blz. 15.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0205.
(5) PB C 199E van 7.7.2012, blz. 37.
(6) PB C 341 E van 16.12.2010, blz. 29.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0394.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0163.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0059.
(10) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0251.
(11) "Evaluation issues in financing for development Analysing effects of Dutch corporate tax policy on developing countries", een evaluatierapport waarvoor opdracht is gegeven door de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB) van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken, november 2013.

Juridische mededeling