Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 9 juli 2015 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie
 Maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting ten gevolge van een nucleair ongeval ***I
 Het opbouwen van een kapitaalmarktenunie
 Europese veiligheidsagenda
 De situatie in Jemen
 Veiligheidsuitdagingen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika en vooruitzichten voor politieke stabiliteit
 Toetsing van het Europees nabuurschapsbeleid
 Harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten
 Evaluatie van de activiteiten van het Europees Fonds voor Democratie (EFD)
 De situatie in Burundi
 Herdenking van Srebrenica
 De Cambodjaanse wetsontwerpen inzake ngo's en vakbonden
 De Democratische Republiek Congo (DRC), in het bijzonder de zaak van twee gedetineerde mensenrechtenactivisten, Yves Makwambala en Fred Bauma
 Bahrein, in het bijzonder de zaak van Nabeel Rajab
 De situatie van twee christelijke priesters in Sudan

Hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie
PDF 299kWORD 113k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 over hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie (2014/2208(INI))
P8_TA(2015)0266A8-0215/2015

Het Europees Parlement,

‒  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Naar een circulaire economie: Een afvalvrij programma voor Europa" (COM(2014)0398),

‒  gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Mogelijkheden voor hulpbronnen-efficiëntie in de bouwsector" (COM(2014)0445),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Groen actieplan voor het mkb: Het mkb in staat stellen om milieu-uitdagingen om te zetten in zakenkansen" (COM(2014)0440),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering" (COM(2015)0080),

‒  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Bouwen aan de eengemaakte markt voor groene producten – Bevordering van betere informatieverstrekking over de milieuprestatie van producten en organisaties" (COM(2013)0196),

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Innovatie voor duurzame groei: een bio-economie voor Europa" (COM(2012)0060),

‒  gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa" (COM(2011)0571),

‒  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Efficiënt gebruik van hulpbronnen – Vlaggenschipinitiatief in het kader van de Europa 2020-strategie" (COM(2011)0021),

‒  gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–   gezien zijn resolutie van 12 december 2013 over Eco-innovatie – Werkgelegenheid en groei via het milieubeleid(1),

–   gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over een Europese strategie voor kunststofafval in het milieu(2),

‒  gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 over het efficiënt gebruik van hulpbronnen in Europa(3),

‒  gezien zijn resolutie van 13 september 2011 over een doeltreffende grondstoffenstrategie voor Europa(4),

‒  gezien het zevende milieuactieprogramma,

–   gezien de EU-strategie voor duurzame ontwikkeling uit 2006 en de herziening daarvan uit 2009,

‒  gezien de conclusies van de Raad Milieu over "Het vergroenen van het Europees semester en de Europa 2020-strategie - Tussentijdse evaluatie" van 28 oktober 2014,

–   gezien het syntheseverslag van het Europees Milieuagentschap getiteld "Het milieu in Europa – toestand en verkenningen 2015",

‒  gezien het Verdrag inzake biologische diversiteit (VBD),

‒  gezien het onderzoek van UNEP (Milieuprogramma van de Verenigde Naties) naar de opzet van een duurzaam financieel stelsel,

‒  gezien de conclusies van het Internationale Panel van UNEP over milieurisico's en uitdagingen met betrekking tot antropogene metaalstromen en -cycli (2013),

–  gezien de petitie "Stop Food Waste in Europe!";

‒  gezien de conclusies van het Internationale Panel van UNEP over het ontkoppelen van het gebruik van hulpbronnen en de milieueffecten van economische groei (2011),

‒  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 10 december 2014(5),

‒  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 12 februari 2015(6),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0215/2015),

A.  overwegende dat het niet-duurzame gebruik van hulpbronnen de oorzaak is van diverse milieugevaren, zoals klimaatverandering, woestijnvorming, ontbossing, verlies aan biodiversiteit en verzwakking van ecosysteemdiensten; overwegende dat de wereldeconomie gebruikmaakt van het equivalent van de hulpbronnen van anderhalve planeet voor de wereldwijde productie en de verwerking van afval, en dat dit cijfer tegen 2030 naar schatting het equivalent van de hulpbronnen van twee planeten zal bereiken;

B.  overwegende dat Europa sterker afhankelijk is van geïmporteerde hulpbronnen dan welke andere regio ter wereld ook en veel hulpbronnen op relatief korte termijn uitgeput zullen zijn; overwegende dat het concurrentievermogen van Europa aanzienlijk kan worden vergroot door hulpbronnen beter te laten renderen in de economie en door een duurzame grondstoffenvoorziening uit Europese bronnen te bevorderen; overwegende dat bovendien de innovatiepartnerschappen tussen de industrie en de afvalverwerkende sector en het onderzoek naar een betere recycleerbaarheid van belangrijke grondstoffen moeten worden versterkt als bijdrage aan het veiligstellen van de grondstoffenvoorziening;

C.  overwegende dat de omschakeling naar een circulaire economie in essentie een economische kwestie is die betrekking heeft op de toegang tot, of duurzame beschikbaarheid van grondstoffen, de herindustrialisering en verdere digitalisering van Europa, het scheppen van nieuwe banen en de vraagstukken inzake klimaatverandering, energieonzekerheid en grondstoffenschaarste; overwegende dat investeren in een circulaire economie daarom volledig verenigbaar kan zijn met de Commissieagenda voor banen, groei en concurrentievermogen en het potentieel heeft om een win-winsituatie op te leveren voor alle belanghebbenden;

D.  overwegende dat hulpbronnenefficiëntie ook rekening moet houden en coherent moet zijn met duurzaamheidsaspecten in bredere zin, waaronder die van ecologische, ethische, economische en sociale orde;

E.  overwegende dat de in het zevende milieuactieprogramma vastgestelde streefdoelen en prioritaire maatregelen een bindend karakter hebben;

F.  overwegende dat in het milieuprogramma van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) wordt gesteld dat vrijwillige benaderingen vaak een twijfelachtige milieueffectiviteit hebben en in economisch opzicht doorgaans weinig doelmatig zijn(7);

G.  overwegende dat de overgang naar een circulaire economie systeemveranderingen vereist die gevolgen hebben voor alle belanghebbenden in de waardeketen, alsook aanzienlijke innovaties op het gebied van technologie, het bedrijfsleven en de samenleving als geheel;

H.  overwegende dat burgers, kleine ondernemingen en lokale overheden een bijzondere rol spelen bij het verwezenlijken van hulpbronnenefficiëntie en het bevorderen van de loskoppeling van economische groei en hulpbronnenverbruik;

I.  overwegende dat een naar behoren functionerende circulaire economie concurrerende bedrijven nodig heeft en dat de ondernemingen zelf drijvende krachten zijn achter de omschakeling naar een circulaire economie;

J.  overwegende dat kmo's centraal moeten worden gesteld in de EU-strategie inzake hulpbronnenefficiëntie, aangezien zij 99 % van alle EU-bedrijven uitmaken en werk verschaffen aan twee derde van de beroepsbevolking;

K.  overwegende dat een ambitieus Europees pakket inzake de circulaire economie zakelijke kansen biedt, de toegang tot grondstoffen zekerstelt en het productieve gebruik ervan verlengt (middels hergebruik, revisie, recycling en gebruik als reserveonderdeel), voor hoogwaardige recycling aan het eind van de levensduur zorgt en alle bijproducten en afvalstoffen verwerkt als waardevolle hulpbronnen voor verder gebruik;

L.  overwegende dat het duurzaam en verantwoord betrekken van primaire grondstoffen cruciaal is voor de verwezenlijking van hulpbronnenefficiëntie en voor het halen van de doelstellingen van de circulaire economie;

M.  overwegende dat er markten voor secundaire grondstoffen moeten worden ontwikkeld om de doelstellingen inzake hulpbronnenefficiëntie te halen en een circulaire economie tot stand te brengen;

N.  overwegende dat het Parlement de Commissie herhaaldelijk heeft verzocht indicatoren en streefcijfers voor hulpbronnenefficiëntie vast te stellen;

O.  overwegende dat de uitbanning van giftige chemische stoffen, waarvoor veiliger alternatieven bestaan of worden ontwikkeld overeenkomstig de bestaande wetgeving inzake chemische producten, een centrale rol speelt in de totstandbrenging van een circulaire economie;

P.  overwegende dat uit de gegevens van Eurostat over de verwerking van stedelijk afval in de EU-28 duidelijk blijkt dat er nog steeds geen gelijk speelveld inzake afvalbeleid bestaat en dat de uitvoering en handhaving van bestaande wetgeving aanzienlijke problemen met zich meebrengen;

Q.  overwegende dat gemiddeld slechts 40 % van de vaste afvalstoffen wordt hergebruikt of gerecycleerd en dat de rest wordt gestort of verbrand;

R.  overwegende dat de productie en consumptie van voedingsproducten uit de landbouw verantwoordelijk zijn voor een aanzienlijk deel van het hulpbronnenverbruik, met belangrijke gevolgen voor het milieu, de volksgezondheid en de gezondheid en het welzijn van dieren; overwegende dat er duurzame oplossingen nodig zijn om inefficiënt hulpbronnenverbruik in de voedselvoorziening integraal aan te pakken;

S.  overwegende dat de schrapping van subsidies die schadelijk zijn voor het milieu, met inbegrip van directe en indirecte subsidies voor fossiele brandstoffen, een aanzienlijke vermindering van de broeikasgasemissies zou opleveren, zou bijdragen tot de bestrijding van klimaatverandering, en de invoering van de circulaire economie mogelijk zou maken;

1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie getiteld "Naar een circulaire economie: Een afvalvrij programma voor Europa" (COM(2014)0398); hecht zijn goedkeuring aan de aanpak van de Commissie met betrekking tot ontwerpen en innoveren voor een circulaire economie, het opzetten van een ondersteunend beleidskader voor hulpbronnenefficiëntie en het vaststellen van een streefcijfer voor hulpbronnenefficiëntie zoals uiteengezet in de mededeling en het opzetten van een specifiek beleidskader om kmo's in staat te stellen ecologische uitdagingen om te zetten in ecologisch duurzame zakelijke kansen; benadrukt dat wetgevingsmaatregelen nodig zijn om te komen tot een meer circulaire economie en verzoekt de Commissie voor het einde van 2015 een ambitieus voorstel in te dienen inzake een circulaire economie, zoals aangekondigd in haar werkprogramma 2015;

2.  benadrukt dat voor de aanpak van hulpbronnenschaarste vermindering van de winning en het verbruik van hulpbronnen en een volledige ontkoppeling van groei en het verbruik van natuurlijke hulpbronnen noodzakelijk zijn, een systemische verandering die de vaststelling van maatregelen met het oog op een duurzaam 2050 en onmiddellijk optreden vereist;

3.  benadrukt dat productie en verbruik factoren zijn die op een zodanige manier moeten worden aangepakt dat voor samenhang met de bredere doelstellingen op het gebied van duurzame ontwikkeling gezorgd wordt;

4.  brengt in herinnering dat de reeds behaalde verbeteringen in efficiënt gebruik van hulpbronnen teniet worden gedaan door de voortdurende productiegroei, dat de winning van hulpbronnen wereldwijd drastisch blijft stijgen en bijgevolg de totale winning en het totale verbruik van hulpbronnen dringend moeten worden verminderd om het rebound-effect het hoofd te bieden; dringt er bij de Commissie op met passende maatregelen te komen;

5.  herinnert eraan dat water, een natuurlijke hulpbron die in productieprocessen wordt gebruikt en als openbaar goed, in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van het grondstoffenverbruik en efficiënt moet worden aangewend;

6.  benadrukt dat verbetering van het hulpbronnengebruik door middel van betere ontwerpvereisten en een afvalwetgeving die zorgt voor een opwaartse beweging in de afvalhiërarchie (en aldus afvalpreventie, hergebruik, voorbereiding voor hergebruik en recycling bevordert) aanzienlijke netto besparingen kan opleveren voor het bedrijfsleven, de overheden en de consumenten in de EU (naar schatting 600 miljard euro, of 8 % van de jaarlijkse omzet) en tegelijkertijd de totale jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen met 2-4 % kan doen afnemen; benadrukt dat vergroting van de hulpbronnenproductiviteit met 30 % tegen 2030 het bbp met bijna 1 % kan doen toenemen en 2 miljoen extra vaste banen (8)kan opleveren; herinnert eraan dat hulpbronnenefficiëntie een prioritaire doelstelling is van het zevende milieuactieprogramma dat de noodzaak onderstreept om de productie van en de vraag van de consument naar ecologisch duurzame producten en diensten te stimuleren door middel van beleidsmaatregelen die de beschikbaarheid, betaalbaarheid, functionaliteit en aantrekkelijkheid van die producten en diensten bevorderen;

7.  is ervan overtuigd dat zowel wettelijke maatregelen als economische impulsen, de internalisering van externe kosten en nadere financiering van onderzoek en innovatie, alsook maatschappelijke en leefstijlveranderingen vereist zijn om de hulpbronnenefficiëntie te verbeteren; wijst erop dat een mix van instrumenten op verschillende beleidsniveaus noodzakelijk is, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel;

8.  is van mening dat de invoering van een volledig circulaire economie de betrokkenheid vereist van alle relevante belanghebbenden, regio's, steden, lokale gemeenschappen, kmo's, ngo's, vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, vakbonden en burgers;

9.  verzoekt de Commissie de lokale en regionale overheden te betrekken bij de ontwikkeling van het pakket voorstellen voor een circulaire economie;

10.  benadrukt dat het besef bij het publiek, de perceptie en de betrokkenheid van de burger van cruciaal belang zijn voor een geslaagde transitie naar een circulaire economie; merkt op dat de nodige aandacht en middelen moeten worden besteed aan onderwijs en voorlichting, aan het bevorderen van duurzame consumptie- en productiemodellen en aan het benadrukken van de voordelen die voortvloeien uit de overgang naar een hulpbronnenefficiënte circulaire economie;

11.  wijst erop dat de transitie naar een circulaire economie goedopgeleide werknemers vereist en dat onderwijs en scholing rekening moeten houden met de noodzaak van groene vaardigheden;

12.  benadrukt dat op Europees niveau reeds enige financiële instrumenten in het leven zijn geroepen ter bevordering van de circulaire economie, in het bijzonder in het kader van de programma's Horizon 2020 en Life+, en dat deze instrumenten, mits goed benut, eco-innovatie en industriële ecologie in de lidstaten en de regio's van Europa kunnen bevorderen;

13.  benadrukt dat rechtszekerheid en voorspelbaarheid op de lange termijn cruciaal zijn voor het ontsluiten van het potentieel van het Europees Fonds voor strategische investeringen voor de circulaire economie om de investeringen die bijdragen tot een duurzame economie te kanaliseren;

14.  wijst erop dat een overgang naar een duurzame en circulaire economie ambitieuze milieudoelstellingen moet combineren met strenge sociale eisen, inclusief de bevordering van fatsoenlijk werk en van gezonde en veilige arbeidsomstandigheden (d.w.z. dat ervoor wordt gezorgd dat werknemers op hun werkplek niet worden blootgesteld aan schadelijke stoffen);

15.  benadrukt dat er een meer samenhangend rechtskader voor duurzame productie en duurzaam verbruik moet worden ingevoerd voor de hele productiecyclus, van duurzame winning tot terugwinning aan het einde van de levenscyclus;

Indicatoren en streefcijfers

16.  benadrukt dat in 2050 het gebruik in de EU van hulpbronnen duurzaam moet zijn en dat dit onder meer een absolute vermindering van het hulpbronnenverbruik vereist tot een duurzaam niveau, op basis van betrouwbare metingen van het verbruik dat de volledige toeleveringsketen omvat, de strikte toepassing van de afvalhiërarchie, de tenuitvoerlegging van een stapsgewijze benutting van hulpbronnen, met name biomassa, verantwoorde en duurzame winning, het creëren van een gesloten kringloop voor niet-hernieuwbare hulpbronnen, het vergroten van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen binnen de grenzen van hun hernieuwbaarheid, het geleidelijk elimineren van giftige stoffen, met name ingeval er veiliger alternatieven bestaan of worden ontwikkeld overeenkomstig de bestaande wetgeving inzake chemische producten, teneinde te zorgen voor de ontwikkeling van niet-giftige materiaalcycli en verbetering van de kwaliteit van de ecosysteemdiensten;

17.  brengt in herinnering dat het Parlement reeds in 2012 opriep tot duidelijke, degelijke en meetbare indicatoren voor economische activiteit waarbij rekening wordt gehouden met klimaatverandering, biodiversiteit en een efficiënt gebruik van hulpbronnen gedurende de hele levenscyclus en tot het gebruik van deze indicatoren als basis voor wetgevingsinitiatieven en concrete reductiedoelstellingen;

18.  dringt er bij de Commissie op aan voor het einde van 2016 een hoofdindicator en een overzicht van subindicatoren voor hulpbronnenefficiëntie, met inbegrip van ecosysteemdiensten, te ontwikkelen en in te voeren; wijst erop dat het gebruik van deze geharmoniseerde indicatoren vanaf 2018 wettelijk bindend moet zijn, en dat aan de hand van deze indicatoren het hulpbronnenverbruik, de water-, de koolstof-, de grondstoffen- en de bodemvoetafdruk, met inbegrip van invoer en uitvoer, op EU-, nationaal en sectorniveau moeten worden gemeten, waarbij rekening wordt gehouden met de gehele levenscyclus van producten en diensten;

19.  dringt er bij de Commissie op aan voor het einde van 2015 een streefcijfer voor te stellen om de hulpbronnenefficiëntie op EU-niveau tegen 2030 met 30 % te verhogen ten opzichte van het niveau in 2014, alsook afzonderlijke streefcijfers voor elke lidstaat; benadrukt dat streefcijfers voor hulpbronnenefficiëntie pas kunnen worden ingevoerd wanneer er indicatoren aan ten grondslag liggen;

20.  dringt er bij de Commissie op aan om het gebruik van indicatoren voor hulpbronnenefficiëntie te bevorderen door middel van internationale verdragen teneinde economieën en bedrijfstakken met elkaar te kunnen vergelijken en een gelijk speelveld te creëren, en om overleg en samenwerking met derde landen te steunen;

21.  benadrukt dat deze indicatoren moeten worden opgenomen in het Europees semester en in alle effectbeoordelingen;

Productbeleid en ecologisch ontwerp

22.  benadrukt het belang van een weloverwogen productbeleid dat de verwachte levensduur, de herbruikbaarheid en de recycleerbaarheid van producten verhoogt; wijst erop dat de ontwerpfase van een product grotendeels bepalend is voor de hoeveelheid hulpbronnen die gedurende de gehele levensduur van het product worden verbruikt en voor de herstelbaarheid, herbruikbaarheid en de recycleerbaarheid van het product; verzoekt de Commissie om in het productbeleid het gebruik van de levenscyclusbenadering te bevorderen, in het bijzonder door geharmoniseerde methoden voor de evaluatie van de milieuprestaties van producten in te voeren;

23.  verzoekt in dit verband de Commissie een ambitieus werkprogramma te presenteren en de voorschriften inzake ecologisch ontwerp van de bestaande ecodesign-richtlijn volledig en ambitieus ten uitvoer te leggen middels nieuwe en bijgewerkte uitvoeringsmaatregelen, te beginnen met de onmiddellijke vaststelling van reeds voorgestelde maatregelen;

24.  dringt er bij de Commissie op aan voor het einde van 2016 een herziening van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp voor te stellen gebaseerd op een effectbeoordeling, waarin de volgende belangrijke wijzigingen zijn opgenomen: uitbreiding van het toepassingsgebied van de vereisten inzake ecologisch ontwerp tot alle belangrijke productgroepen, en niet alleen energiegerelateerde producten; geleidelijke opneming van alle relevante hulpbronnenefficiënte kenmerken in de essentiële vereisten voor productontwerp; invoering van een verplicht productpaspoort op basis van deze vereisten; invoering van zelfcontrole en controle door een derde partij, teneinde te waarborgen dat producten aan deze normen voldoen; vaststelling van horizontale eisen op het gebied van onder meer duurzaamheid, repareerbaarheid, herbruikbaarheid en recycleerbaarheid;

25.  verzoekt de Commissie om aan de hand van een kosten-batenanalyse te beoordelen of er minimumwaarden voor het aandeel gerecycleerd materiaal in nieuwe producten kunnen worden gedefinieerd in het kader van de toekomstige herziening van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp;

26.  dringt er bij de Commissie op aan maatregelen te ontwikkelen tegen geplande veroudering en verder te werken aan de ontwikkeling van een reeks productnormen voor de circulaire economie die betrekking heeft op het vergemakkelijken van ontmanteling, opknappen en reparatie, en efficiënt gebruik van grondstoffen, hernieuwbare bronnen en gerecycleerde materialen in producten;

27.  herinnert eraan dat ook de beschikbaarheid van gestandaardiseerde en modulaire componenten, de planning van demontage en duurzame producten, en efficiënte productieprocessen een belangrijke rol spelen in een succesvolle circulaire economie;dringt er bij de Commissie op aan toepasselijke maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat producten duurzaam zijn en gemakkelijk kunnen worden verbeterd, hergebruikt, hersteld, gerepareerd, gerecycleerd en ontmanteld voor nieuwe hulpbronnen, en dat onderdelen die gevaarlijke stoffen bevatten duidelijk worden geïdentificeerd in de producthandleidingen teneinde de scheiding van die onderdelen vóór de recycling te vergemakkelijken;

28.  merkt op dat het cruciaal is om het besef bij de consumenten en hun proactieve rol te vergroten;

29.  verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen voor de uitbreiding van minimumgaranties voor duurzame consumptiegoederen, teneinde de verwachte levensduur van het product te verlengen, en te verduidelijken dat, overeenkomstig Richtlijn 1999/44/EG, verkopers van consumptiegoederen de eerste twee jaar van de wettelijke garantie gebreken moeten onderzoeken en de consument alleen kosten mag aanrekenen wanneer het gebrek door onjuist gebruik is veroorzaakt;

30.  verzoekt de Commissie passende maatregelen voor te stellen betreffende de beschikbaarheid van reserveonderdelen, teneinde de repareerbaarheid van producten tijdens hun levensduur te waarborgen;

31.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) meer inspanningen te leveren om zeer zorgwekkende stoffen te vervangen en om stoffen die een onacceptabel risico met zich meebrengen voor de menselijke gezondheid of het milieu te beperken in het kader van REACH, niet in de laatste plaats om te voldoen aan het vereiste van het zevende milieuactieplan om niet-giftige materiaalcycli te ontwikkelen, zodat gerecycleerd afval kan worden aangewend als een belangrijke en betrouwbare bron van grondstoffen voor de Unie; verzoekt de Commissie in dit verband haar eenzijdige moratorium op de verwerking van aanbevelingen door het ECHA onmiddellijk te beëindigen voor wat betreft de opneming van zeer zorgwekkende stoffen in bijlage XIV bij REACH en onverwijld over te gaan tot die opneming; benadrukt in overeenstemming met de afvalhiërarchie dat preventie prioriteit krijgt boven recycling en dat recycling bijgevolg niet mag dienen als rechtvaardiging voor het voortgezette gebruik van uitgefaseerde gevaarlijke stoffen;

32.  verzoekt de Commissie en de lidstaten meer inspanningen te leveren om gevaarlijke stoffen in het kader van Richtlijn 2011/65/EU betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur, te vervangen, teneinde niet-giftige materiaalcycli tot stand te brengen;

33.  spoort de lidstaten aan te zorgen voor doeltreffend markttoezicht om te waarborgen dat zowel Europese als geïmporteerde producten aan de voorschriften inzake productbeleid en ecologisch ontwerp voldoen; dringt er bij de lidstaten op aan, onverwijld voortgang te boeken in de wetgevingsprocedure betreffende de herziening van de verordening markttoezicht; merkt op dat verdere vertraging de belangen van het bedrijfsleven en de burgers schaadt;

Naar afvalvrij

34.  wijst op de analyse van de Commissie waaruit blijkt dat de vaststelling van nieuwe afvaldoelstellingen 180 000 banen zou opleveren, de EU concurrerender zou maken en de vraag naar dure, schaarse grondstoffen(9) zou doen afnemen; betreurt de intrekking van het wetgevingsvoorstel betreffende afvalstoffen(10), maar ziet in de aankondiging van vicevoorzitter Timmermans tijdens de vergaderperiode van het Parlement in december 2014 een kans voor een nieuw en ambitieuzer pakket voorstellen voor een circulaire economie;

35.  dringt er bij de Commissie op aan het aangekondigde voorstel inzake de herziening van de afvalwetgeving, met inachtneming van de afvalhiërarchie, voor het einde van 2015 in te dienen en hierin de volgende punten op te nemen:

   eenduidige en duidelijke definities;
   ontwikkeling van maatregelen ter voorkoming van afval;
   vaststelling van bindende streefcijfers voor afvalvermindering met betrekking tot stedelijk, industrieel en bedrijfsafval die tegen 2025 moeten zijn gehaald;
   vaststelling van duidelijke minimumnormen voor een meer uitgebreide verantwoordelijkheid voor producenten om de transparantie en de kosteneffectiviteit van regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid te waarborgen;
   toepassing van het beginsel "de vervuiler betaalt" voor restafval in combinatie met verplichte systemen voor gescheiden inzameling van papier, metaal, plastic en glas, ter bevordering van een hoge kwaliteit van recyclagemateriaal; invoering van verplichte gescheiden inzameling van biologisch afval tegen 2020;
   verhoging van het streefcijfer voor recyclage en voorbereiding voor hergebruik tot ten minste 70 % van het vast stedelijk afval, gebaseerd op een gedegen rapportagemethode die voorkomt dat verwijderd afval (gestort of verbrand) als gerecycleerd afval wordt opgegeven, waarbij voor alle lidstaten gebruik wordt gemaakt van dezelfde geharmoniseerde methode met extern geverifieerde statistieken; rapportageplicht voor recyclingbedrijven over de hoeveelheid afval die de scheidingsinstallatie ingaat ("input") en de hoeveelheid gerecycleerde materialen die de recyclinginstallatie verlaat ("output");
   strikte beperking van verbranding tegen 2020, met of zonder terugwinning van energie, van niet-recycleerbare en biologisch niet-afbreekbare afvalstoffen;
   een bindende, geleidelijke afname van het storten van afval in drie fasen (2020, 2025, en 2030), uitgevoerd conform de voorschriften voor recycling, hetgeen tot een volledig verbod op het storten van afval moet leiden, met uitzondering van bepaalde gevaarlijke afvalstoffen waarvoor storten de beste oplossing voor het milieu vormt;
   aanmoediging van de lidstaten tot invoering van heffingen voor het storten en verbranden van afval;

36.  beklemtoont het belang en de meerwaarde van Europese streefdoelen inzake afvalbeleid zowel voor de rechtszekerheid, voorspelbaarheid en de creatie van een gelijk speelveld in de interne markt als voor de zekerheid dat de leefomgeving van alle EU-burgers wordt beschermd en verbeterd;

37.  verzoekt de Commissie dezelfde streefcijfers voor alle lidstaten voor te stellen om in de gehele EU een even hoog niveau van milieubescherming te garanderen en de interne markt niet te ondergraven;

38.  dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat de bestaande afvalwetgeving en doelstellingen volledig en naar behoren worden uitgevoerd, met inbegrip van met name het vereiste tot invoering van regelingen voor gescheiden inzameling, ervoor te zorgen dat de lidstaten zich grotere inspanningen getroosten om de bestaande streefcijfers te halen, en maatregelen te nemen ter ondersteuning van de lidstaten bij de invoering van de geschikte instrumenten om de streefcijfers binnen de gestelde termijn te kunnen halen;

39.  wijst erop dat met het oog op een optimale benutting van de in de EU beschikbare capaciteit voor afvalverwerking, een betere planning en uitwisseling van informatie nodig is om overcapaciteit te voorkomen;

40.  verzoekt de Commissie de haalbaarheid van een voorstel voor een regelgevingskader voor "enhanced landfill mining" nader te onderzoeken om het mogelijk te maken secundaire grondstoffen te herwinnen die aanwezig zijn in bestaande stortplaatsen, en de ontwikkeling van een milieuvergunningsstelsel voor de recyclingindustrie te overwegen;

41.  verzoekt de Commissie te zorgen voor meer transparantie en betere controles ter voorkoming van afvaltransporten naar landen met minder strenge sociale en milieunormen dan de EU;

42.  verzoekt de Commissie om samen met de lidstaten de inspanningen te verhogen om de illegale export van postconsumptieafval tegen te gaan;

43.  spoort de Commissie ertoe aan om in de kaderrichtlijn afval minimumvoorschriften vast te leggen inzake de vaststelling van nationale afvalpreventieprogramma's en om een reeks doelstellingen en indicatoren uit te werken om ervoor te zorgen dat de door de afzonderlijke lidstaten behaalde resultaten met elkaar kunnen worden vergeleken;

44.  dringt er bij de Commissie op aan de specifieke uitdagingen op het gebied van afval aan te pakken en maatregelen te treffen zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie over een circulaire economie (COM(2014)0398); moedigt de lidstaten en de Commissie ertoe aan toe te zien op de beschikbaarstelling van EU-middelen om bij te dragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen inzake geïntegreerd afvalbeheer, zoals gescheiden inzameling en het opzetten van infrastructuur voor recyclage;

45.  dringt er bij de Commissie op aan de hoeveelheid zwerfvuil op zee tegen 2025 terug te dringen met 50 % ten opzichte van 2014;

46.  benadrukt de noodzaak van het formuleren van doelstellingen inzake de inzameling en recyclage van specifieke kritieke metalen met het oog op de toenemende schaarste en het verminderen van de afhankelijkheid;

47.  verzoekt de Commissie uiterlijk eind 2015 doelstellingen, maatregelen en instrumenten voor te stellen om voedselafval op doeltreffende wijze aan te pakken, met inbegrip van het vaststellen van een bindende doelstelling om voedselafval uiterlijk in 2025 met minstens 30 % te verminderen bij de productie, bij de verkoop en distributie, in grootkeukens en het horecabedrijf en in huishoudens; verzoekt de Commissie de sluiting in de lidstaten te bevorderen van conventies om voor te stellen dat de detailhandel voor voedingsmiddelen onverkochte producten verdeelt aan liefdadigheidsorganisaties; verzoekt de Commissie om bij de uitvoering van een effectbeoordeling inzake nieuwe relevante wetgevingsvoorstellen hun mogelijke impact op voedselafval te evalueren;

Duurzame gebouwen

48.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie met als titel "Mogelijkheden voor hulpbronnen-efficiëntie in de bouwsector" (COM(2014)0445); acht een aanpak voor de bouwsector, die gebaseerd is op een stappenplan en doelstellingen voor de lange termijn, noodzakelijk;

49.  verzoekt de Commissie de volledige tenuitvoerlegging van de beginselen en vereisten inzake circulaire economie in de bouwsector voor te stellen en het beleidskader voor hulpbronnenefficiëntie in gebouwen verder uit te werken – dit omvat de ontwikkeling van indicatoren, normen en methoden en kwaliteitseisen met betrekking tot ruimtelijke ordening en standsplanning, architectuur, bouwtechniek, bouw en onderhoud, aanpassingsvermogen, energie-efficiëntie, renovatie en hergebruik en recyclage; wijst erop dat de indicatoren voor duurzame gebouwen tevens groene infrastructuur, zoals groendaken, moeten omvatten; benadrukt het belang van een holistische visie voor het Europese vastgoedpatrimonium, met duidelijke en ambitieuze doelstellingen voor de middellange en lange termijn en stappenplannen voor de tenuitvoerlegging van deze visie;

50.  is van oordeel dat de binnenluchtkwaliteit en het welzijn en de sociale behoeften van gebruikers moeten worden betrokken bij de duurzaamheidsbeoordeling van gebouwen;

51.  verzoekt de Commissie om in het kader van de algemene indicatoren voor hulpbronnenefficiëntie indicatoren te ontwikkelen voor de beoordeling van de duurzaamheid van gebouwen gedurende hun gehele levenscyclus, waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande normen en methoden, uitgaande van een benadering gericht op ecologische, economische en sociale duurzaamheid;

52.  vraagt de Commissie na te gaan of de toepassing van BBT-beginselen en -normen (beste beschikbare technieken) kan worden uitgebreid naar alle materialen en gedeelten van gebouwen voor te stellen en een gebouwenpaspoort te ontwikkelen op basis van de gehele levenscyclus van een gebouw;

53.  is van mening dat er, aangezien 90 % van de gebouwde omgeving voor 2050 reeds bestaat, speciale vereisten en stimulansen voor de renovatiesector moeten worden vastgesteld, teneinde tegen 2050 de energievoetafdruk van gebouwen te verbeteren; verzoekt de Commissie derhalve een langetermijnstrategie voor de renovatie van bestaande gebouwen te ontwikkelen en de rol van de nationale renovatiestrategieën die zijn ingevoerd met Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie op te waarderen;

54.  dringt er bij de lidstaten op aan het recyclen te helpen verbeteren door infrastructuur te ontwikkelen voor gescheiden inzameling en recyclage in de bouwsector;

55.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te onderzoeken welke mogelijkheden worden geboden door een aan de sloop voorafgaande audit (een beoordeling van een gebouw vóór de afbraak of sloop om de aanwezige materialen in kaart te brengen en te bepalen welke fracties met het oog op recyclage kunnen worden gescheiden) en het ter plekke sorteren van recycleerbaar materiaal (levert gewoonlijk secundaire grondstoffen van grotere zuiverheid op dan recyclage elders en kan de milieueffecten van het vervoer helpen verminderen, bijvoorbeeld door ter plekke te vermalen/compacteren);

56.  merkt op dat beton een van de meest gebruikte bouwmaterialen is; verzoekt de Commissie de mogelijkheden te onderzoeken om meer beton in de bouw te recyclen, zoals in Duitsland en Zwitserland gebeurt;

Ontwikkeling van markten voor secundaire grondstoffen

57.  verzoekt de Commissie stimulerende maatregelen te nemen ter ondersteuning van de ontwikkeling van markten voor secundaire grondstoffen van hoge kwaliteit en de ontwikkeling van bedrijven voor hergebruik van secundaire grondstoffen;

58.  is van mening dat een voorspelbaar langetermijnbeleidskader zal bijdragen aan het stimuleren van het niveau van de investeringen en de maatregelen die nodig zijn om de markten voor groenere technologieën volledig te ontwikkelen en duurzame bedrijfsoplossingen te bevorderen; benadrukt dat indicatoren en doelstellingen voor hulpbronnenefficiëntie op basis van een degelijke gegevensverzameling openbare en particuliere beleidsmakers de nodige sturing zouden bieden bij de omvorming van de economie;

59.  onderstreept dat het belangrijk is dat de Commissie en de lidstaten de totstandbrenging van industriële symbioseprogramma's bevorderen die industriële synergieën met betrekking tot hergebruik en recycling ondersteunen, en bedrijven, met inbegrip van kmo's, helpen om te ontdekken op welke wijze hun energie, afvalstoffen en bijproducten als grondstoffen voor anderen kunnen dienen; verwijst in dit verband naar vergelijkbare concepten, zoals 'van wieg tot wieg' en industriële ecologie;

Andere maatregelen

60.  dringt er bij de Commissie op aan aanbestedingsprocedures voor te stellen waarin hergebruikte, gerepareerde, gereviseerde, gerenoveerde en andere duurzame en hulpbronnenefficiënte producten en oplossingen de voorkeur verdienen en, wanneer dit niet het geval is, het "pas toe of leg uit"-beginsel moet gelden;

61.  benadrukt het belang van een fiscaal kader dat uitgaat van het beginsel 'de vervuiler betaalt', dat de juiste signalen afgeeft voor investeringen in hulpbronnenefficiëntie, de modernisering van productieprocessen en de vervaardiging van beter recycleerbare en duurzame producten; dringt er bij de lidstaten op aan op dit vlak vooruitgang te boeken in het kader van het Europees semester(11);

62.  dringt er bij de Commissie op aan onderzoek te doen naar en met een voorstel te komen voor maatregelen in verband met de belastingheffing, zoals een verlaagd btw-tarief voor gerecycleerde, hergebruikte en hulpbronnenefficiënte producten;

63.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan dat zij volledig uitvoering geven aan het groene actieplan voor kleine en middelgrote ondernemingen;

64.  dringt er bij de Commissie op aan een beleidskader voor voedingsstoffen te ontwikkelen om recyclage en innovatie te bevorderen, de marktomstandigheden te verbeteren en het duurzaam gebruik van voedingsstoffen te integreren in de EU-wetgeving op het gebied van meststoffen, voedsel, water en afval;

65.  dringt er bij de Commissie op aan de mededeling over duurzaam voedsel, die sinds 2013 diverse malen is uitgesteld, in de eerste helft van 2016 te presenteren; benadrukt dat, aangezien de productie en consumptie van voedsel een aanzienlijk aandeel in het hulpbronnenverbruik hebben, de mededeling een holistische kijk moet geven op inefficiënt hulpbronnengebruik in de voedselketen en moet aanzetten tot het ontwikkelen van een duurzaam voedselbeleid; verzoekt de Commissie het verhogen van het gebruik van milieuvriendelijke verpakkingen van levensmiddelen te beoordelen, met inbegrip van een beoordeling van de mogelijkheid om de verpakking van levensmiddelen geleidelijk te vervangen door materialen die biologisch afbreekbaar en composteerbaar zijn volgens de Europese normen;

66.  verzoekt de Commissie een permanent platform voor hulpbronnenefficiëntie op te richten, waarbij alle relevante belanghebbenden zijn betrokken, met het oog op het bevorderen en vergemakkelijken van de toepassing van de laatste onderzoeksresultaten, de uitwisseling van optimale werkmethoden en de opkomst van nieuwe industriële synthese en industriële ecosystemen;

67.  verzoekt de Commissie een sectoroverschrijdende inter-DG-werkgroep inzake duurzame financiering in te stellen, teneinde de indicatoren voor hulpbronnenefficiëntie op te nemen in de geïntegreerde verslaglegging en boekhouding op bedrijfsniveau, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van bepaalde bedrijfsinformatie; verzoekt de Commissie voorts te onderzoeken hoe hulpbronnenefficiëntie en milieurisico's kunnen worden opgenomen in onder meer kredietratings en kapitaalvereisten van banken, en een omvattend verzekeringsstelsel voor milieugevaren te ontwikkelen en informatieverplichtingen voor beleggingsproducten in te stellen, met een gepaste effectbeoordeling; is van mening dat de Commissie in dit verband baat zou hebben bij medewerking aan het "Onderzoek naar de opzet van een duurzaam financieel stelsel" van het UNEP; verzoekt de Commissie de bestaande vrijwillige initiatieven in de lidstaten te bestuderen met het oog op een mogelijke uitwisseling van optimale werkmethoden;

68.  verzoekt de Commissie, aangezien het duurzaam en verantwoord betrekken van primaire grondstoffen cruciaal is om hulpbronnenefficiëntie te realiseren en de doelstellingen van de circulaire economie te halen, de beleidsaanbevelingen van het Europees Platform voor hulpbronnenefficiëntie te herzien met het oog op de ontwikkeling van duurzame normen voor het betrekken van prioritaire materialen en goederen; wijst in dit verband op de gezamenlijke steun van het Parlement en de Raad voor de voorstellen van de Commissie inzake het verantwoord betrekken van metalen en mineralen uit conflictgebieden;

69.  verzoekt de Commissie haar definitie van 'kritieke' grondstoffen te herzien en daarbij beter rekening te houden met de milieu-impact en de risico's in verband met de winning en verwerking ervan, alsook met de mogelijkheid om deze grondstoffen te vervangen door secundaire grondstoffen;

70.  benadrukt dat alle EU-financiering, met inbegrip van de financiering via het Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI), Horizon 2020, cohesiefondsen en de Europese Investeringsbank, moet worden gemobiliseerd om hulpbronnenefficiëntie te bevorderen, in overeenstemming met de afvalhiërarchie, en dringt bij de Commissie en de lidstaten aan op de afschaffing van alle subsidies die schadelijk zijn voor het milieu, zoals die voor de opwekking van energie uit de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval door verbranding uit hoofde van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en directe en indirecte subsidies voor fossiele brandstoffen;

71.  is van mening dat de financiering van het programma van de EU voor het concurrentievermogen van ondernemingen en kmo's (COSME), van Horizon 2020 en van de Europese Structuur- en investeringsfondsen meer gericht moet zijn op de ontwikkeling van duurzame, innovatieve en hulpbronnenefficiënte oplossingen en nieuwe bedrijfsmodellen (zoals leasingsystemen of systemen waarbij producten als dienst worden geleverd), en op de verbetering van het ontwerp van producten en de prestaties van materialen en processen;

72.  onderstreept het feit dat onderzoek en ontwikkeling van essentieel belang zijn om de overgang naar een circulaire economie in Europa te ondersteunen en het feit dat er met Horizon 2020 moet worden bijgedragen aan projecten op het gebied van onderzoek en innovatie waarmee de economische en ecologische levensvatbaarheid van een circulaire economie kan worden gedemonstreerd en getest op het terrein; benadrukt tegelijkertijd dat deze projecten, door middel van een systemische aanpak, de opstelling kunnen faciliteren van een verordening die innovatiebevorderend is en gemakkelijker ten uitvoer kan worden gelegd, door de identificering van mogelijke onzekerheden op het gebied van de regelgeving, belemmeringen en/of lacunes die de ontwikkeling van op hulpbronnenefficiëntie gebaseerde bedrijfsmodellen kunnen hinderen;

73.  verzoekt de Commissie alle mogelijkheden van de digitale agenda en de informatietechnologie te benutten om de hulpbronnenefficiëntie en de overstap naar een circulaire economie te bevorderen;

74.  wijst erop dat de EU een open economie heeft, met zowel invoer als uitvoer op een mondiale markt; wijst erop dat het probleem van de oprakende hulpbronnen ook op internationaal niveau moet worden aangepakt; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan het werk van het Internationale Panel voor hulpbronnen van het milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) actief te ondersteunen door kwesties van wereldbelang inzake hulpbronnen te onderzoeken en praktische oplossingen voor beleidsmakers, de industrie en de samenleving te ontwikkelen;

75.  verzoekt de Commissie op internationaal niveau de nodige maatregelen te nemen ter verbetering van de traceerbaarheid van producten;

76.  onderstreept dat verbetering van de energie-efficiëntie de afhankelijkheid van de EU van hulpbronnen alsook de energiearmoede waarmee maar liefst 125 miljoen Europese burgers worden geconfronteerd, kan verminderen; stelt vast dat het nuttig is om energie-efficiëntie, waarvan de verbetering in sterke mate bijdraagt aan de groei van de industrie, het aantal nieuwe banen alsmede het binnen de perken houden van de energierekening van de burgers van de EU, als een afzonderlijke energiebron te beschouwen;

77.  dringt er bij de Commissie op aan te onderzoeken of de bestaande en beoogde wetgeving een belemmering vormt voor de circulaire economie, bestaande innovatieve bedrijfsmodellen of de opkomst van nieuwe bedrijfsmodellen, zoals een lease-economie of een op delen/samenwerking gebaseerde economie, en of er in dit verband sprake is van financiële of institutionele belemmeringen; dringt er bij de Commissie op aan deze wetgeving waar nodig te verbeteren en deze belemmeringen waar nodig aan te pakken; verzoekt de Commissie aanverwante wetgeving tegen het licht te houden met het oog op het verbeteren van de milieuprestaties en de hulpbronnenefficiëntie van producten gedurende hun levenscyclus, het vergroten van de samenhang tussen bestaande instrumenten en het ontwikkelen van een koploperbenadering;

78.  verzoekt de Commissie duidelijkheid te scheppen omtrent bepaalde aspecten van het EU-mededingingsbeleid in verhouding tot de circulaire economie, in het bijzonder de afweging tussen het risico van marktcollusie en de noodzaak van intensievere samenwerking tussen fabrikanten en hun leveranciers;

79.  verzoekt de Commissie verslag uit te brengen aan het Parlement over alle bovengenoemde maatregelen en vóór 2018 volgende stappen voor te stellen;

o
o   o

80.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0584.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0016.
(3).PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 59.
(4) PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 21.
(5) Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.
(6) PB C 140 van 28.4.2015, blz. 37.
(7) Het OESO-milieuprogramma, "Voluntary approaches to environmental policy", 2003
(8) Mededeling van de Commissie van 2 juli 2014 getiteld „Naar een circulaire economie: Een afvalvrij programma voor Europa” (COM(2014)0398).
(9) Werkdocument van de diensten van de Commissie van 2 juli 2014 met een samenvatting van de effectbeoordeling bij het voorstel voor een richtlijn tot wijziging van de richtlijn betreffende afvalstoffen (SWD(2014)0208).
(10) Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2008/98/EG betreffende afvalstoffen, 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval, 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen, 2000/53/EG betreffende autowrakken, 2006/66/EG inzake batterijen en accu’s, alsook afgedankte batterijen en accu’s, en 2012/19/EU betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (COM(2014)0397).
(11) Green Budget Europe, 2015, landenspecifieke aanbevelingen ter ondersteuning van het proces van het Europees semester, bladzijde 6, http://www.foes.de/pdf/2015-02-25_CSR%20Recommendations_FINAL.pdf.


Maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting ten gevolge van een nucleair ongeval ***I
PDF 233kWORD 185k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders ten gevolge van een nucleair ongeval of ander stralingsgevaar (COM(2013)0943 – C7-0045/2014 – 2013/0451(COD))
P8_TA(2015)0267A8-0176/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2013)0943),

–  gezien de artikelen 31 en 32 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7‑0045/2014),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 294, lid 3, artikel 168, lid 4, onder b) en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 maart 2014(1),

–  gezien de artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0176/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 9 juli 2015 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2015/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders ten gevolge van een nucleair ongeval of ander stralingsgevaar [Am. 1. Dit amendement is van toepassing op de gehele tekst]

P8_TC1-COD(2013)0451


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op de artikelen 31 en 32 artikel 168, lid 4, onder b), en artikel 114, [Am. 2]

Gezien het voorstel van de Europese Commissie, opgesteld na advies van een groep personen, aangewezen door het Wetenschappelijk en Technisch Comité uit wetenschappelijke deskundigen van de lidstaten(2),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Gezien het advies van het Europees Parlement (4) Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(5), [Am. 3]

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Bij Richtlijn 96/29 2013/59/Euratom van de Raad(6) zijn basisnormen vastgesteld voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de gevaren die zijn verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling verbonden gevaren. [Am. 4]

(1 bis)  Volgens artikel 168 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) moet bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Unie een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid worden verzekerd. [Am. 5]

(2)  Bij het ongeval van de kerncentrale van Tsjernobyl op 26 april 1986 zijn aanzienlijke hoeveelheden radioactief materiaal vrijgekomen in de lucht, waardoor levensmiddelen en diervoeders in verscheidene Europese landen werden besmet tot uit gezondheidsoogpunt significante niveaus die uit gezondheidsoogpunt significant waren. Er werden toen, met levensbedreigende ziekten en gezondheidsaandoeningen als gevolg. Ook nu nog is er sprake van een hoog niveau van radioactieve besmetting. Aangezien het radioactieve materiaal terecht is gekomen in de lucht, het water, de bodem en planten, zijn er maatregelen vastgesteld om ervoor te zorgen dat bepaalde landbouwproducten slechts in de Unie mochten alleen mogen worden binnengebracht met inachtneming van gemeenschappelijke regels ter bescherming van de volksgezondheid, waarbij de eenheid van de markt niet in het gedrang wordt gebracht en verlegging van het handelsverkeer wordt voorkomen. [Am. 6]

(2 bis)  De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de in de verordening vastgelegde niveaus, met name door de veiligheidsnormen voor levensmiddelen en diervoeders te bewaken. Artikel 168, lid 4, onder b), VWEU omvat de vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen op veterinair gebied die rechtstreeks gericht zijn op de bescherming van de volksgezondheid. In artikel 114 wordt voorts een passende harmonisatie gewaarborgd voor een goede werking van de interne markt. [Am. 7]

(2 ter)  Het is bewezen dat hogere doses straling een schadelijk en destructief effect op lichaamscellen hebben en kanker kunnen veroorzaken. [Am. 8]

(2 quater)  Het is belangrijk om lage drempels vast te stellen voor de maximaal toegestane niveaus aan radioactieve besmetting van levensmiddelen om rekening te houden met de hogere cumulatieve dosis die het gevolg is van het gedurende langere tijd nuttigen van besmette levensmiddelen. [Am. 9]

(3)  Bij Verordening (Euratom) nr. 3954/87 van de Raad(7), zoals gewijzigd door Verordening (Euratom) nr. 2218/89 van de Raad(8), zijn maximaal toelaatbare niveaus vastgesteld van radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders ten gevolge van een nucleair ongeval of ander stralingsgevaar dat waarschijnlijk zal leiden of heeft geleid tot de radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders. Deze maximaal toegelaten niveaus zijn nog steeds in overeenstemming met het laatste wetenschappelijke advies als momenteel internationaal beschikbaar en moeten periodiek worden geëvalueerd en bijgewerkt om rekening te houden met nieuw wetenschappelijk bewijs. De maximaal toelaatbare niveaus uit de bijlagen I tot III zijn herzien en worden beschreven in de Publicatie Stralingsbescherming nr. 105 van de Internationale Commissie, en zijn met name gebaseerd op een referentieniveau van 1 mSv per jaar voor de toename in de individuele dosis door consumptie en in de veronderstelling dat 10 % van het jaarlijks geconsumeerde voedsel is besmet. [Am. 10]

(4)  Na het ongeval van de kerncentrale van Fukushima op 11 maart 2011 werd de Commissie ervan op de hoogte gesteld dat de radionuclideniveaus in bepaalde voedingsproducten met Japanse oorsprong de in Japan geldende activiteitsniveaus drempelniveaus voor levensmiddelen overschreden. Een dergelijke besmetting kan een bedreiging vormen voor de volksgezondheid en de gezondheid van dieren in de Unie en er werden dus maatregelen vastgesteld waarbij speciale voorwaarden werden opgelegd in verband met de invoer van diervoeders en levensmiddelen van oorsprong uit of verzonden uit Japan, overeenkomstig het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid. Ook moeten er maatregelen worden vastgesteld om het risico van consumptie van voedingsproducten uit landen die worden getroffen door de radioactieve neerslag van een nucleair ongeval in een ander land te monitoren en te minimaliseren. [Am. 11]

(5)  Er is behoefte aan een systeem dat de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie Unie in staat stelt na een nucleair ongeval of een ander geval van stralingsgevaar dat waarschijnlijk zal leiden of heeft geleid tot een significante radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders, maximaal toegelaten niveaus van radioactieve besmetting vast te stellen met het oog op een hoog niveau van de bescherming van de bevolking volksgezondheid. [Am. 12]

(6)  Er moeten maximaal toegelaten toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting gelden voor levensmiddelen en diervoeders van oorsprong uit de Unie of ingevoerd uit derde landen, naargelang van de locatie en de omstandigheden van het nucleair ongeval of het stralingsgevaar, rekening houdend met het effect van natuurlijke en cumulatieve straling naarmate deze verder doordringt in de voedselketen. Deze niveaus moeten periodiek worden herzien. [Am. 13]

(7)  De Commissie moet over een nucleair ongeval of over ongewoon hoge niveaus van radioactiviteit worden geïnformeerd op grond van Besluit 87/600/Euratom(9) of van het IAEA-Verdrag inzake vroegtijdige kennisgeving van een nucleair ongeval van 26 september 1986.

(8)  Om rekening te houden met de aanzienlijk variërende voedingspatronen van zuigelingen gedurende de eerste zes maanden van hun leven, alsmede met onzekerheden bij het metabolisme van zuigelingen gedurende die eerste zes levensmaanden, is het nuttig de toepassing van lagere maximaal toelaatbare radioactiviteitsniveaus voor levensmiddelen voor zuigelingen te verlengen tot de hele duur van de eerste twaalf levensmaanden. Voor zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven moeten lagere maximaal toelaatbare niveaus voor levensmiddelen gelden. [Am. 14]

(9)  Om de vaststelling van maximaal toelaatbare niveaus te vergemakkelijken, met name rekening houdend met de wetenschappelijke kennis, moeten de procedures voor de vaststelling van en de technische vooruitgang op internationaal niveau, moet de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een nieuw voorstel indienen om de maximaal toegelaten toelaatbare niveaus de raadpleging omvatten van de in artikel 31 van het Verdrag bedoelde groep van deskundigen aan te passen. [Am. 15]

(9 bis)  Teneinde de aanpassing van maximaal toelaatbare niveaus te vereenvoudigen, dienen procedures te worden vastgesteld voor het regelmatig raadplegen van deskundigen. De Commissie moet een groep deskundigen instellen aan de hand van wetenschappelijke en deontologische criteria. Zij moet de samenstelling van deze groep alsmede de belangenverklaringen van de leden ervan openbaar maken. Bij de aanpassing van de maximaal toelaatbare niveaus moet de Commissie ook deskundigen van internationale instanties op het gebied van stralingsbescherming raadplegen. [Am. 16]

(9 ter)  De groep van deskundigen dient ook een schatting te maken van het cumulatieve effect van de radioactieve besmetting. [Am. 17]

(9 quater)  De maximaal toelaatbare niveaus moeten openbaar zijn en regelmatig worden herzien om terdege rekening te houden met de jongste wetenschappelijke vooruitgang en gegevens die internationaal beschikbaar zijn, om de noodzaak in aanmerking te nemen de bevolking gerust te stellen en van een hoog beschermingsniveau te verzekeren, en om verschillen in de internationale regelgeving te voorkomen. [Am. 18]

(10)  Om ervoor te zorgen dat levensmiddelen en diervoeders die hogere dan de maximaal toelaatbare niveaus bevatten, niet in de EU Unie in de handel worden gebracht, moet de naleving van deze niveaus door de lidstaten en de Commissie grondig passend worden gecontroleerd; bij niet-naleving moeten sancties worden opgelegd en moet het publiek daarover worden geïnformeerd. [Am. 19]

(10 bis)  De normen voor het controleren van de naleving van de voorschriften die gericht zijn op het voorkomen, wegnemen of tot een aanvaardbaar niveau terugbrengen van de besmettingsrisico's voor mens en dier zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad(10). [Am. 20]

(11)  Teneinde uniforme voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van deze verordening te waarborgen, wat betreft het toepasselijk maken van deze van tevoren vastgestelde maximaal toegelaten niveaus, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(11).

(12)  De onderzoeksprocedure moet worden gebruikt voor de vaststelling van wetshandelingen die vooraf vastgestelde maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders toepasselijk maken. Het is echter bij ieder nucleair ongeval of bij ieder ander stralingsgevaar noodzakelijk rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van ieder ongeval, en daarom moet een procedure worden vastgesteld voor de snelle neerwaartse aanpassing van deze van tevoren vastgestelde maximaal toelaatbare niveaus en zonodig voor de vaststelling van maximaal toelaatbare niveaus voor overige radio-isotopen (met name tritium) die bij het ongeval zijn vrijgekomen, om een zo hoog mogelijk niveau van bescherming van de bevolking te garanderen. De maatregelen en de maximumniveaus moeten onverwijld aan de bevolking worden meegedeeld. [Am. 21]

(12 bis)  De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders opgericht bij Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad(12). De lidstaten moeten erop toezien dat hun vertegenwoordigers in dit comité een gedegen kennis hebben van stralingsbescherming. [Am. 22]

(13)  De Commissie moet onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen wanneer, in naar behoren gerechtvaardigde gevallen in verband met bepaalde gevallen van stralingsgevaar die waarschijnlijk zullen leiden tot of hebben geleid tot significante radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders, dwingende redenen van urgentie dergelijke handelingen noodzakelijk maken. De maatregelen en de maximumniveaus moeten onverwijld aan de bevolking worden meegedeeld. [Am. 23]

(13 bis)  Bij de vaststelling van de maximaal toelaatbare niveaus van de huidige verordening moet worden uitgegaan van de beschermingsvereisten voor de meest kritieke en kwetsbare leden van de bevolking, met name kinderen en mensen die geografisch geïsoleerd of zelfvoorzienend zijn. De maximaal toelaatbare niveaus moeten dezelfde zijn voor de gehele bevolking en moeten gebaseerd zijn op de laagste niveaus. [Am. 24]

(13 ter)  Wanneer levensmiddelen of diervoeder afkomstig uit de Unie of geïmporteerd uit derde landen, een ernstig risico vormen voor de gezondheid van mens, dier of milieu, stelt de Europese Commissie door middel van uitvoeringshandelingen aanvullende maatregelen vast in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 178/2002 om een hoog beschermingsniveau van de gezondheid van mens en dier te waarborgen. Indien mogelijk worden de maximaal toelaatbare niveaus en de aanvullende noodmaatregelen geïntegreerd in één uitvoeringsverordening. [Am. 25]

(13 quater)  De Commissie dient bij het opstellen en herzien van uitvoeringshandelingen voornamelijk met de volgende omstandigheden rekening te houden: de plaats, de aard en het bereik van het nucleaire ongeval of ander stralingsgevaar; de aard en het bereik van de lozing van radioactieve stoffen in de lucht, het water en de grond, en in levensmiddelen en diervoeders, zowel binnen als buiten de Unie; de geconstateerde of potentiële risico's op radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders en de daaruit voortkomende stralingsdoses; de soort en hoeveelheid besmette levensmiddelen en diervoeders die in de handel van de Unie terecht kunnen komen, en de maximaal toelaatbare niveaus voor besmette levensmiddelen en diervoeders in derde landen. [Am. 26]

(13 quinquies)  Het is bij een nucleair ongeval of ander stralingsgevaar waarbij de maximaal toelaatbare niveaus moeten worden toegepast, noodzakelijk de bevolking op de hoogte te stellen van de geldende niveaus, zowel door de Commissie als door iedere lidstaat. Bovendien moet aan de bevolking worden meegedeeld welke levensmiddelen en diervoeders een hogere concentratie radioactiviteit kunnen bevatten. [Am. 27]

(13 sexies)  Op het aanhouden van de maximaal toelaatbare niveaus moeten de nodige controles worden uitgevoerd en er moeten de nodige sancties worden getroffen bij de opzettelijke uitvoer, invoer of verkoop van levensmiddelen die een besmettingsniveau hebben dat hoger ligt dan de maximaal toelaatbare niveaus. [Am. 28]

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bij deze verordening worden de maximaal toelaatbare niveaus vastgesteld voor de radioactieve besmetting van levensmiddelen, als neergelegd in bijlage I, voor de radioactieve besmetting van minder belangrijke levensmiddelen, als neergelegd in bijlage II, en voor de radioactieve besmetting van diervoeders, als neergelegd in bijlage III, die in de handel mogen worden gebracht na een nucleair ongeval of een ander geval van stralingsgevaar dat waarschijnlijk kan leiden of heeft geleid tot significante radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders, gepaard aan de procedures om deze maximaal toelaatbare niveaus toepasselijk te maken. [Am. 54]

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)  "levensmiddel": alle stoffen en producten, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om door de mens te worden geconsumeerd of waarvan kan worden verwacht dat zij door de mens worden geconsumeerd, inclusief drank, kauwgom alsmede iedere stof, daaronder begrepen water, die opzettelijk tijdens de vervaardiging, de bereiding of de behandeling aan het levensmiddel is toegevoegd. Onder "levensmiddel" wordt niet verstaan: die voldoen aan de definitie die is vastgelegd in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 178/2002;

(a)  diervoeders;

(b)  levende dieren, tenzij bereid om in de handel te worden gebracht voor menselijke consumptie;

(c)  planten vóór de oogst;

(d)  geneesmiddelen in de zin van artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad(13);

(e)  cosmetische producten in de zin van artikel 2, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad(14);

(f)  tabak en tabaksproducten in de zin van Richtlijn 2001/37/EG van het Europees Parlement en de Raad(15);

(g)  verdovende middelen en psychotrope stoffen in de zin van het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties inzake verdovende middelen van 1961 en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971;

(h)  residuen en contaminanten. [Am. 29].

2)  "minder belangrijk levensmiddel": een levensmiddel met beperkt voedingsbelang, dat slechts een marginale bijdrage levert aan de consumptie van levensmiddelen door de bevolking; [Am. 55]

3)  "diervoeders": alle stoffen en producten, inclusief additieven, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om te worden gebruikt voor orale vervoedering aan dieren als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 178/2002; [Am. 30]

4)  "in de handel brengen": het voorhanden hebben van levensmiddelen of diervoeders met het oog op de verkoop, met inbegrip van het ten verkoop aanbieden, of enige andere vorm van al dan niet gratis overdracht, alsmede de eigenlijke verkoop, distributie en andere vormen van overdracht zelf alle activiteiten als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 178/2002; [Am. 31]

4 bis)  "materialen die in contact staan met levensmiddelen/diervoeders": verpakkingen en andere materialen die bestemd zijn om in contact te komen met levensmiddelen; [Am. 32]

4 ter)  "stralingsgevaar": een ongebruikelijke gebeurtenis waarbij een stralingsbron is betrokken en die onmiddellijk ingrijpen vereist om ernstige bedreigingen voor de gezondheid of de veiligheid of negatieve gevolgen voor de kwaliteit van het leven, eigendommen of het milieu te beperken, of die een gevaar vormt dat tot dergelijke negatieve gevolgen kan leiden. [Am. 33]

Artikel 2 bis

Het is niet toegestaan om levensmiddelen met hogere concentraties dan de maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders te vermengen met levensmiddelen die niet of slechts in beperkte mate zijn besmet om zo producten te verkrijgen die aan de regels vastgesteld in deze verordening, voldoen. [Am. 34]

Artikel 3

1.  Wanneer de Commissie, met name in het kader van het systeem van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voor snelle uitwisseling van informatie in het geval van stralingsgevaar dan wel krachtens het IAEA-Verdrag van 26 september 1986 inzake vroegtijdige kennisgeving van een nucleair ongeval, officiële informatie heeft ontvangen over ongevallen of ander stralingsgevaar waaruit blijkt dat de maximaal toelaatbare niveaus voor levensmiddelen, minder belangrijke levensmiddelen of diervoeders zullen worden bereikt of zijn bereikt dat tot een besmetting van levensmiddelen en diervoeders leidt, stelt zij, wanneer de omstandigheden dit nodig maken, zo spoedig mogelijk een uitvoeringsverordening uitvoeringshandeling vast waarbij deze maximaal toelaatbare niveaus worden toegepast met maximaal toelaatbare niveaus van radioactiviteit die niet hoger mogen zijn dan de in de bijlagen van deze verordening vervatte niveaus. Deze uitvoeringshandeling wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 5, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. [Am. 35]

1 bis.  De maximaal toelaatbare niveaus zijn openbaar en worden regelmatig herzien om rekening te houden met de jongste wetenschappelijke vooruitgang en gegevens die momenteel internationaal beschikbaar zijn, om de noodzaak in aanmerking te nemen de bevolking gerust te stellen en van een hoog beschermingsniveau te verzekeren, en om verschillen met de internationale regelgeving die de beste bescherming biedt, te voorkomen. [Am. 36]

2.  Om goed gerechtvaardigde dwingende redenen van urgentie in verband met de omstandigheden van het nucleair ongeval of het stralingsgevaar, stelt de Commissie een onmiddellijk toepasselijke uitvoeringsverordening uitvoeringshandeling vast overeenkomstig de in artikel 5, lid 3, bedoelde procedure. [Am. 37]

3.  Bij de opstelling van de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde ontwerpuitvoeringshandeling uitvoeringshandelingen en de bespreking daarvan met het in artikel 5 bedoelde comité houdt de Commissie rekening met de basisnormen als vastgesteld krachtens de artikelen 30 en 31 van het Verdrag Richtlijn 2013/59/Euratom, met inbegrip van het beginsel dat elke blootstelling zo beperkt moet worden gehouden als redelijkerwijs mogelijk is, met inachtneming van waarbij, bij wijze van prioriteit, rekening wordt gehouden met de bescherming van de volksgezondheid en van sociale en economische factoren in overweging worden genomen, voornamelijk ten aanzien van de meest kwetsbare bevolkingsgroepen. De Commissie wordt bij de voorbereiding van deze handeling bijgestaan door een onafhankelijke groep van deskundigen op het gebied van de volksgezondheid, die worden geselecteerd op grond van hun kennis en expertise op het gebied van stralingsbescherming en voedselveiligheid ("groep van deskundigen"). De Commissie maakt de samenstelling van de groep van deskundigen openbaar, evenals de belangenverklaringen van de comitéleden. [Am. 38]

3 bis.  De in de leden 1 en 2 omschreven uitvoeringshandelingen worden vastgesteld in overeenstemming met de aard en het bereik van de straling en kunnen zo vaak worden herzien als gezien het verloop van de besmetting noodzakelijk is. De Commissie verbindt zich ertoe de eerste herziening uiterlijk binnen een maand na het nucleair ongeval of het stralingsgevaar uit te voeren met het oog op de aanpassing, indien noodzakelijk, van de maximaal toelaatbare niveaus van radioactiviteit en van de lijst van radio-isotopen. [Am. 39]

Artikel 4

1.  Zodra de Commissie een uitvoeringsverordening uitvoeringshandeling vaststelt die maximaal toelaatbare niveaus toepasselijk maakt, worden levensmiddelen of diervoeders die niet in overeenstemming zijn met die maximaal toelaatbare niveaus, niet langer in de handel gebracht. [Am. 40]

De Commissie stelt een regeling inzake nucleaire aansprakelijkheid in om tegemoet te komen aan de zorgen van alle lidstaten die de gevolgen van een nucleair ongeval zouden kunnen ondervinden. Die regeling voorziet in een passende compensatie in geval van nucleaire ongevallen. [Am. 41]

Voor de toepassing van deze verordening worden uit derde landen ingevoerde levensmiddelen of diervoeders beschouwd als in de handel gebracht indien zij op het douanegebied van de Unie onderworpen worden aan een andere douaneprocedure dan een doorvoerprocedure. [Am. 42]

De lidstaten houden toezicht op de inachtneming van de maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting op hun grondgebied. Daartoe onderhouden de lidstaten een systeem van officiële controles op levensmiddelen en diervoeders en andere op de situatie afgestemde activiteiten, met inbegrip van de communicatie met het publiek over de veiligheid en de risico's van levensmiddelen en diervoeders, overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EG) nr. 178/2002. [Am. 43]

2.  Elke lidstaat verstrekt de Commissie alle gegevens over de toepassing van deze verordening, in het bijzonder over: gevallen van overschrijding van de maximaal toelaatbare niveaus.

a)  de periodieke planning van de controles van de maximaal toelaatbare niveaus op nationaal grondgebied;

b)  gevallen van overschrijding van de maximaal toelaatbare niveaus;

c)  de vaststelling van de nationale bevoegde diensten die belast zijn met de controles.

De Commissie doet deze gegevens zo spoedig mogelijk toekomen aan de andere lidstaten.

In gevallen van overschrijding van de maximaal toelaatbare niveaus, wordt daarvan melding gemaakt via het systeem voor snelle waarschuwing uit hoofde van Verordening (EG) nr. 178/2002.

De Commissie legt sancties op aan lidstaten die zelf geen sancties opleggen wanneer levensmiddelen of diervoeders waarvan de besmetting de maximaal toelaatbare niveaus overschrijdt, in de handel worden gebracht of uitgevoerd. [Am. 44]

3.  De lidstaten verstrekken het publiek informatie, voornamelijk via een online dienst, over de maximaal toelaatbare niveaus, noodsituaties en gevallen van overschrijding van de maximaal toelaatbare niveaus. Het publiek wordt eveneens geïnformeerd over levensmiddelen die een hogere concentratie radioactiviteit kunnen bevatten, en met name over de aard van het product, het merk, de herkomst en de datum van analyse. [Am. 45]

4.  De maximaal toelaatbare niveaus die zijn vastgelegd in de bijlagen bij deze verordening, houden rekening met het effect van het gedeeltelijke verval van radioactieve isotopen gedurende de periode waarin de geconserveerde levensmiddelen worden opgeslagen. De radioactiviteit van geconserveerde levensmiddelen afhankelijk van het soort besmetting, bijv. besmetting met jodiumisotopen, wordt voortdurend bewaakt. [Am. 46]

5.  De Commissie brengt uiterlijk op 31 maart 2017 verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de wenselijkheid van een mechanisme dat ertoe dient om schadevergoeding te betalen aan landbouwers wier levensmiddelen boven de vastgestelde maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting zijn besmet en hierdoor niet in de handel kunnen worden gebracht. Een dergelijk mechanisme moet gebaseerd zijn op het beginsel "de vervuiler betaalt". Het verslag gaat zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel ter instelling van een dergelijk mechanisme. [Am. 47]

Artikel 4 bis

1.  De Commissie brengt uiterlijk op 31 maart 2017 verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de geschiktheid van de maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting die in de bijlagen zijn vastgesteld.

2.  In dat verslag wordt nagegaan of de maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting ervoor zorgen dat de daadwerkelijke dosis voor het publiek niet hoger is dan 1 mSv/jaar en dat de dosis in de schildklier aanzienlijk lager is dan de referentiewaarde van 10 mGy die door de WHO wordt aangeraden voor de toediening van stabiel jodium aan kritieke groepen.

3.  In het verslag wordt de mogelijkheid in aanmerking genomen om de indeling van de radio-isotopen te herzien en om tritium en koolstof-14 in de bijlagen bij deze verordening op te nemen. Bij de beoordeling van deze maximaal toelaatbare niveaus richt het verslag zich op de bescherming van de meest kwetsbare bevolkingsgroepen, met name kinderen, en onderzoekt of het niet geschikt is om op die basis maximaal toelaatbare niveaus voor alle bevolkingscategorieën vast te stellen. [Am. 48]

Artikel 5

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, opgericht bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad(16). Dat comité wordt beschouwd als een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011. [Am. 49]

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011, juncto artikel 5 daarvan, van toepassing.

Artikel 6

Om te waarborgen dat bij de in de bijlagen I, II en III van deze verordening neergelegde maximaal toelaatbare niveaus rekening is gehouden met alle nieuwe of aanvullende gegevens die beschikbaar komen, met name op basis van de nieuwste wetenschappelijke kennis, worden aanpassingen van die bijlagen voorgesteld door dient de Commissie een verslag in bij het Parlement en de Raad, in voorkomend geval vergezeld van een voorstel tot aanpassing van die bijlagen en, indien noodzakelijk, tot herziening van de lijst van radio-isotopen, na raadpleging van de in artikel 31 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie artikel 3, lid 3, bedoelde groep van deskundigen. [Am. 50]

Artikel 6 bis

Bij een nucleair ongeval of ander stralingsgevaar dat leidt tot de besmetting van levensmiddelen en diervoeders dient de Commissie een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad met de overeenkomstig deze verordening aangenomen maatregelen en de op grond van artikel 4, lid 2, meegedeelde gegevens. [Am. 51]

Artikel 7

Verordening (Euratom) nr. 3954/87, zoals gewijzigd bij Verordening (Euratom) nr. 2218/1989, en Verordeningen (Euratom) nr. 944/89(17) en nr. 770/90(18) van de Commissie worden hierbij ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen worden beschouwd als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage V.

Artikel 8

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

MAXIMAAL TOEGELATEN NIVEAUS VAN RADIOACTIEVE BESMETTING VAN LEVENSMIDDELEN

De maximaal toegelaten niveaus die gelden voor levensmiddelen, zijn de volgende:

Levensmiddel (Bq/kg)(19)

 Babyvoeding(20)

Zuivelproducten(21)

Andere levensmiddelen behalve minder belangrijke levensmiddelen(22)

Vloeibare levensmiddelen(23)

Isotopen van strontium, met name

Sr-90

75

125

750

125

Isotopen van jodium, met name I-131

150

500

2 000

500

Alfastraling uitzendende isotopen van plutonium en transplutoniumelementen, met name

Pu-239 en Am-241

1

20

80

20

Alle andere nucliden met een halveringstijd van meer dan 10 dagen, met name

Cs-134 en Cs-137(24)

400

1 000

1 250

1 000

BIJLAGE II

MAXIMAAL TOEGELATEN NIVEAUS VAN RADIOACTIEVE BESMETTING VAN MINDER BELANGRIJKE LEVENSMIDDELEN

1.  Lijst van minder belangrijke levensmiddelen

GN-code

Beschrijving

0703 20 00

Knoflook (vers of gekoeld)

0709 59 50 

Truffels (vers of gekoeld)

0709 99 40

Kappers (vers of gekoeld)

0711 90 70 

Kappers (voorlopig verduurzaamd, doch als zodanig niet geschikt voor dadelijke consumptie)

ex 0712 39 00

Truffels (gedroogde, ook indien in stukken of in schijven gesneden, dan wel fijngemaakt of in poedervorm, doch niet op andere wijze bereid)

0714

Maniokwortel, arrowroot (pijlwortel), salepwortel, aardperen, bataten (zoete aardappelen) en dergelijke wortels en knollen met een hoog gehalte aan zetmeel of aan inuline, vers, gekoeld, bevroren of gedroogd, ook indien in stukken of in pellets; merg van de sagopalm

0814 00 00

Schillen van citrusvruchten en van meloenen (watermeloenen daaronder begrepen), vers, bevroren, gedroogd, dan wel in water waaraan, voor het voorlopig verduurzamen, zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd

0903 00 00

Maté

0904

Peper van het geslacht Piper; vruchten van de geslachten Capsicum en Pimenta, gedroogd, fijngemaakt of gemalen

0905 00 00

Vanille

0906

Kaneel en kaneelknoppen

0907 00 00

Kruidnagels, moernagels en kruidnagelstelen

0908

Muskaatnoten, foelie, amomen en kardemom

0909

Anijszaad, steranijszaad, venkelzaad, korianderzaad, komijnzaad en karwijzaad; jeneverbessen

0910

Gember, saffraan, kurkuma, tijm, laurierbladeren, kerrie en andere specerijen

1106 20 

Meel, gries en poeder, van sago en van wortels of knollen bedoeld bij post 0714

1108 14 00

Maniokzetmeel (cassave)

1210

Hopbellen, vers of gedroogd, ook indien fijngemaakt, gemalen of in pellets; lupuline

1211

Planten, plantendelen, zaden en vruchten, van de soort hoofdzakelijk gebruikt in de reukwerkindustrie, in de geneeskunde of voor insecten- of parasietenbestrijding of voor dergelijke doeleinden, vers of gedroogd, ook indien gesneden, gebroken of in poedervorm

1301

Gomlak (schellak); gommen, harsen, gomharsen en oleoharsen (bijvoorbeeld balsems), van natuurlijke oorsprong

1302

Plantensappen en plantenextracten; pectinestoffen, pectinaten en pectaten; agaragar en andere uit plantaardige producten verkregen plantenslijmen en bindmiddelen, ook indien gewijzigd

1504

Vetten en oliën, van vis of van zeezoogdieren, alsmede fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd

1604 31 00 

Kaviaar

1604 32 00

Kaviaarsurrogaten

1801 00 00

Cacaobonen, ook indien gebroken, al dan niet gebrand

1802 00 00

Cacaodoppen, cacaoschillen, cacaovliezen en andere afvallen van cacao

1803

Cacaopasta, ook indien ontvet

2003 90 10

Truffels, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur

2006 00 

Groenten, vruchten, vruchtenschillen en andere plantendelen, gekonfijt met suiker (uitgedropen, geglaceerd of uitgekristalliseerd)

2102

Gist, ook indien inactief; andere eencellige micro-organismen, dood (andere dan de vaccins bedoeld bij post 3002); samengesteld bakpoeder

2936

Provitaminen en vitaminen, natuurlijke of door synthese gereproduceerd (natuurlijke concentraten daaronder begrepen), alsmede derivaten daarvan, die hoofdzakelijk als vitaminen worden gebruikt, ook indien deze stoffen onderling zijn vermengd of in oplossing zijn gebracht

3301

Etherische oliën (ook indien daaruit de terpenen zijn afgesplitst), vast of vloeibaar; harsaroma’s; door extractie verkregen oleoharsen; geconcentreerde oplossingen van etherische oliën in vet, in vette oliën, in was of in dergelijke stoffen, verkregen door enfleurage of door maceratie; terpeenhoudende bijproducten, afgesplitst uit etherische oliën; gedistilleerd aromatisch water en waterige oplossingen van etherische oliën

2.  De maximaal toegestane niveaus die gelden voor de in afdeling 1 genoemde minder belangrijke levensmiddelen zijn de volgende:

(Bq/kg)

Isotopen van strontium, met name Sr-90

7 500

Isotopen van jodium, met name I-131

20 000

Alfastraling uitzendende isotopen van plutonium en transplutoniumelementen, met name Pu-239 en

Am-241

800

Alle andere nucliden met een halveringstijd van meer dan 10 dagen, met name Cs-134 en Cs-137(25)

12500

[Am. 57]

BIJLAGE III

Maximaal toegestane niveaus van radioactieve besmetting van diervoeders

De maximaal toegestane niveaus voor cesium–134 en cesium–137 zijn de volgende:

Dier

Bq/kg(26), (27)

Varkens

1 250

Pluimvee, lammeren, kalveren

2 500

Andere

5 000

BIJLAGE IV

Ingetrokken verordeningen

Verordening (Euratom) nr. 3954/87 van de Raad

(PB L 371 van 30.12.1987, blz. 11)

Verordening (Euratom) nr. 2218/89 van de Raad

(PB L 211 van 22.7.1989, blz. 1)

Verordening (Euratom) nr. 944/89 van de Commissie

(PB L 101 van 13.4.1989, blz. 17)

Verordening (Euratom) nr. 770/90 van de Commissie

(PB L 83 van 30.3.1990, blz. 78)

BIJLAGE V

CONCORDANTIETABEL

Verordening (Euratom) nr. 3954/87

Verordening (Euratom) nr. 944/89

Verordening (Euratom) nr. 770/90

Deze verordening

Artikel 1, lid 1

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 1, lid 2

Artikel 2

Artikel 2, lid 1

Artikel 3, lid 1 en lid 2

Artikel 2, lid 2

-

Artikel 3, lid 1

-

Artikel 3, lid 2

Artikel 3, lid 3

Artikel 3, lid 3 en lid 4

-

Artikel 4

-

Artikel 5, lid 1

Artikel 6

Artikel 5, lid 2

-

Artikel 6, lid 1

Artikel 4, lid 1

Artikel 6, lid 2

Artikel 4, lid 2

Artikel 2

Bijlage II, afdeling 2

---

---

Artikel 1

---

Bijlage III

Artikel 5

Artikel 7

-

---

---

---

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 8

Bijlage

Bijlage I

Bijlage

Bijlage II, afdeling 1

Bijlage

Bijlage III

---

---

---

Bijlage IV

---

---

---

Bijlage V

(1)PB C 226 van 16.7.2014, blz. 68.
(2) PB C ... , blz. .
(3)PB C … , blz. .
(4)PB C … , blz. .
(5) Standpunt van het Europees Parlement van 9 juli 2015 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt) en standpunt van de Raad van ... .
(6)Richtlijn 96/29 2013/59/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 5 december 2013 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling verbonden gevaren , en houdende intrekking van de Richtlijnen 89/618/Euratom, 90/641/Euratom, 96/29/Euratom, 97/43/Euratom en 2003/122/Euratom (PB L 13 van 17.1.2014, blz. 1).
(7)Verordening (Euratom) nr. 3954/87 van de Raad van 22 december 1987 tot vaststelling van maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders ten gevolge van een nucleair ongeval of ander stralingsgevaar (PB L 371 van 30.12.1987, blz. 11).
(8) Verordening (Euratom) nr. 2218/89 van de Raad van 18 juli 1989 tot wijziging van Verordening (Euratom) nr. 3954/87 tot vaststelling van maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders ten gevolge van een nucleair ongeval of ander stralingsgevaar (PB L 211 van 22.7.1989, blz. 1).
(9)Beschikking 87/600/Euratom van de Raad van 14 december 1987 inzake communautaire regelingen voor snelle uitwisseling van informatie in geval van stralingsgevaar (PB L 371 van 30.12.1987, blz. 76).
(10) Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1).
(11)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(12) Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
(13)Richtlijn 2001/83/EG van de het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).
(14)Verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten (PB L 342 van 22.12.2009, blz. 59).
(15)Richtlijn 2001/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten (PB L 194 van 18.7.2001, blz. 26).
(16)Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
(17) Verordening (Euratom) nr. 944/89 van de Commissie van 12 april 1989 tot vaststelling van maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting in minder belangrijke levensmiddelen na een nucleair ongeval of ander stralingsgevaar (PB L 101 van 13.4.1989, blz. 17).
(18) Verordening (Euratom) nr. 770/90 van de Commissie van 29 maart 1990 tot vaststelling van maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting van diervoeders ten gevolge van een nucleair ongeval of ander stralingsgevaar (PB L 83 van 30.3.1990, blz. 78).
(19)Het niveau voor geconcentreerde of gedroogde producten moet worden berekend op basis van het gereconstitueerde gebruiksklare product. De lidstaten kunnen aanbevelingen doen voor de wijze waarop door aanlenging kan worden gewaarborgd dat de bij deze verordening vastgestelde maximaal toelaatbare niveaus in acht worden genomen.
(20)Als babyvoeding worden aangemerkt zuigelingenvoeding, waaronder flesvoeding, opvolgzuigelingenvoeding en gelijkwaardige levensmiddelen die speciaal zijn bestemd voor zuigelingen jonger dan twaalf maanden, die op zichzelf voldoen aan de voedingsbehoeften van deze categorie personen en in de detailhandel verkrijgbaar zijn in gemakkelijk herkenbare verpakkingen voorzien van het etiket met één van de volgende benamingen: "volledige zuigelingenvoeding", "opvolgzuigelingenvoeding", "volledige zuigelingenvoeding op basis van melk" of "zuigelingenmelk" en "opvolgmelk", overeenkomstig de artikelen 11 en 12 van Richtlijn 2006/141/EG van de Commissie.
(21)Als zuivelproducten worden aangemerkt de producten die vallen onder de volgende GN-codes, en, in voorkomend geval, onder de aanpassingen die later daarin kunnen worden aangebracht: 0401, 0402 (behalve 0402 29 11).
(22)Minder belangrijke levensmiddelen en de daarop toe te passen overeenkomstige maximaal toelaatbare niveaus zijn opgenomen in bijlage II.
(23)Vloeibare levensmiddelen als gedefinieerd in GN-code 2009 en in hoofdstuk 22 van de gecombineerde nomenclatuur. De waarden worden berekend met inachtneming van het verbruik van kraanwater en dezelfde waarden moeten worden toegepast voor de drinkwatervoorziening.
(24)Koolstof-14, tritium en kalium-40 worden niet hiertoe gerekend.
(25)Koolstof-14, tritium en kalium-40 worden niet hiertoe gerekend.
(26)Met deze maximaal toelaatbare niveaus wordt beoogd bij te dragen tot de inachtneming van de maximaal toegelaten niveaus voor levensmiddelen; op zichzelf garanderen zij niet de inachtneming ervan onder alle omstandigheden, noch betekenen zij dat de noodzaak van controle op besmettingsniveaus in voor menselijke consumptie bestemde dierlijke producten geringer is.
(27)Deze niveaus gelden voor diervoeders die voor rechtstreeks verbruik zijn bestemd.


Het opbouwen van een kapitaalmarktenunie
PDF 208kWORD 101k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 over het opbouwen van een kapitaalmarktunie (2015/2634(RSP))
P8_TA(2015)0268B8-0655/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 18 februari 2015 getiteld "Het opbouwen van een kapitaalmarktunie" (COM(2015)0063),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 mei 2014 getiteld "Een hervormde financiële sector voor Europa" (COM(2014)0279),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2014 met aanbevelingen voor de Commissie over de evaluatie van het Europees systeem voor financieel toezicht (ESFS)(1),

–  gezien de verslagen van de Commissie betreffende de werking van het Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA's) en het Europees Systeem voor financieel toezicht (ESFS) (COM(2014)0509) en betreffende de taken en de organisatie van het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) (COM(2014)0508),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 maart 2014 getiteld "Langetermijnfinanciering van de Europese economie" (COM(2014)0168),

–  gezien zijn resolutie van 26 februari 2014 over langetermijnfinanciering van de Europese economie(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2014 getiteld "Een investeringsplan voor Europa" (COM(2014)0903),

–  gezien de vraag aan de Commissie over het Groenboek getiteld "Het opbouwen van een kapitaalmarktunie" (O-000075/2015 – B8-0564/2015),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 26 februari 2014 over langetermijnfinanciering van de Europese economie met klem heeft gewezen op de noodzaak van het verbeteren van de toegang tot kapitaalmarkten door middel van nieuwe financieringsbronnen en er tegelijkertijd op heeft gewezen dat commerciële banken waarschijnlijk een belangrijke bron van financiering zullen blijven en dat het voor de lidstaten van cruciaal belang is om nieuwe bronnen te creëren – naast de reeds bestaande mechanismen – en om de financieringskloof te dichten, en dat ze moeten werken aan een passend regelgevings- en toezichtskader, dat wil zeggen een kader dat toegesneden is op de behoeften van de reële economie;

B.  overwegende dat de Commissie in haar mededeling van 27 maart 2014 getiteld "Langetermijnfinanciering van de Europese economie" heeft gekeken naar mogelijkheden voor het nemen van concrete maatregelen voor het diversifiëren van financiering, het ontwikkelen van Europese kapitaalmarkten en het verbeteren van de toegang tot financiering, met name voor kmo's, bijvoorbeeld markten voor bedrijfsobligaties en aandelen, eenvoudige en transparante securitisatie, gedekte obligaties en onderhandse plaatsing;

C.  overwegende dat, zoals aangegeven door de voorzitter van de Commissie, Jean-Claude Juncker, de eerste strategische prioriteit van de Commissie is het versterken van het Europese concurrentievermogen en het aanzwengelen van investeringen met het oog op het scheppen van nieuwe werkgelegenheid;

D.  overwegende dat in onvoldoende mate gereguleerde en gecontroleerde kapitaalmarkten in belangrijke mate hebben bijgedragen tot het ontstaan van de financiële crisis; overwegende dat dit feit op adequate wijze tot uitdrukking moet komen in alle nieuwe voorstellen, met name die betreffende securitisatie;

E.  overwegende dat de EU-instellingen naar aanleiding van de financiële crisis een aantal nieuwe wetgevingsmaatregelen hebben geïntroduceerd gericht op het voorkomen van vergelijkbare crises en op het tot stand brengen van een klimaat van financiële stabiliteit, hetgeen essentieel is voor een daadwerkelijk duurzame groei; overwegende dat deze wetgevingsmaatregelen gezien moeten worden als het kader waarbinnen de kapitaalmarktunie tot ontwikkeling kan worden gebracht, en niet als een belemmering daarvoor;

F.  overwegende dat een geringere fragmentering van kapitaalmarkten tot lagere kapitaalkosten en een gelijkmatigere toewijzing van kapitaal zou kunnen leiden, hetgeen goed is voor de groei van bedrijven, met name kmo's, en het scheppen van nieuwe werkgelegenheid in de EU;

G.  overwegende dat verschillende EU-instellingen en de particuliere sector op dit moment werken aan oplossingen of aanbevelingen voor het verder ontwikkelen van de kapitaalmarkten, bijvoorbeeld ten aanzien van eenvoudige en transparante securitisatie, onderhandse plaatsing, financiering middels de uitgifte van aandelen, Europese gedekte obligaties en beursintroducties;

H.  overwegende dat eerdere inspanningen op regelgevingsgebied (de kapitaalvereistenrichtlijn, de tweede richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten en de verordening betreffende markten voor financiële instrumenten) aangevuld en verder ontwikkeld moeten worden met een kapitaalmarktunie;

De economische context

1.  wijst erop dat de investeringen in de reële economie in Europa de voorbije decennia in relatieve termen zijn afgenomen ondanks een stevige toename van de omvang van de Europese en de mondiale financiële sector gedurende dezelfde periode; wijst erop dat de reële economie onverminderd in grote mate afhankelijk is van banken, hetgeen de economie kwetsbaar maakt voor situaties waarin banken bij het verstrekken van leningen restrictiever opereren;

2.  wijst erop dat grootschalige interventies door publieke entiteiten sinds het begin van de crisis, waartoe deze zich genoodzaakt voelden door het falen van de financiële sector, hebben geresulteerd in een overvloed aan liquiditeit, zonder dat dit evenwel heeft geleid tot een grotere vraag naar financiering vanuit de reële economie;

3.  wijst erop dat er voor de crisis in Europa geen sprake was van een tekort aan grensoverschrijdende stromen, maar dat deze zich voornamelijk manifesteerden in de vorm van leningen tussen banken onderling en in schulden die hoofdzakelijk werden gehouden door beleggers met een hoge leverage, hetgeen resulteerde in een overdracht van risico's binnen de interne markt;

4.  wijst erop dat het herstellen van de stabiliteit van de banksector in de EU aan belang won ten opzichte van het financieren van langetermijninvesteringen en van de reële economie;

5.  geeft aan dat de verzekeringssector veel werkloos kapitaal in kas houdt en dat een verbetering van het regelgevingskader, bijvoorbeeld door na te denken over de kapitaalvereisten die gelden voor bepaalde investeringen door de sector in kwestie, erin zou kunnen resulteren dat dit kapitaal veel nuttiger wordt gebruikt;

6.  wijst erop dat een goeddoordachte EU-kapitaalmarkt ontegenzeggelijk van nut is, maar dat we tegelijkertijd niet mogen vergeten dat er nog grote problemen bestaan op andere gebieden, zoals belastingen, met name belastingvoordelen voor financiering met schuld ten opzichte van financiering middels de uitgifte van aandelen, insolventie en de accountancywetgeving; is van oordeel dat harmonisatie op EU-niveau hier niet automatisch tot een meerwaarde zou leiden en dat het in dit verband niet nodig is de internationale standaarden voor financiële verslaglegging in Europa uit te breiden;

7.  onderstreept dat de mate van financiële integratie sinds de crisis kleiner is geworden, in die zin dat banken en beleggers zich sterker op hun thuismarkten zijn gaan concentreren;

8.  onderstreept dat vraag en aanbod kunnen worden gestimuleerd indien de lidstaten en de Unie ondubbelzinnig zouden aangeven te zullen werken aan het herstellen van het vertrouwen in de reële economie middels de totstandbrenging van een gunstig investeringsklimaat en juridische zekerheid voor beleggers, het formuleren van langetermijndoelstellingen voor een stabiliserend, concurrerend en groeivriendelijk wettelijk kader en het stimuleren en diversifiëren van investeringen in infrastructuurvoorzieningen, hetgeen het bedrijfsleven in staat zou stellen langer vooruit te plannen;

9.  onderkent dat Europa's toekomst afhankelijk is van haar vermogen om te innoveren; is van oordeel dat voor slimme, duurzame en inclusieve groei niet alleen een innovatievriendelijk regelgevingskader nodig is, maar ook gemakkelijke, adequate en gediversifieerde toegang tot financiering voor het bedrijfsleven;

10.  is van oordeel dat de verbetering van de financieringscondities voor het Europese bedrijfsleven moet stoelen op versterkte economische en financiële stabiliteit, met inbegrip van de tenuitvoerlegging van hervormingen in alle lidstaten;

11.  beklemtoont dat tekortschietende kapitaalmarkten hebben geresulteerd in een verkeerde prijsstelling van risico's en in een kloof tussen de nagestreefde rendementen en de daadwerkelijk gelopen risico's, hetgeen erin heeft geresulteerd dat de markten entiteiten als bijvoorbeeld kmo's hebben benadeeld; vindt dat een van de doelstellingen van de kapitaalmarktunie moet zijn het verbeteren van de doeltreffendheid van de markten en het waarborgen van een billijke, adequate en financieel-economisch verantwoorde risico-rendementsratio op de kapitaalmarkten in de EU;

Een daadwerkelijk Europese benadering

12.  is van mening dat, terwijl bijvoorbeeld de VS zich sneller van de financiële crisis heeft hersteld dan de EU, hetgeen gedeeltelijk toe te schrijven is aan een meer gediversifieerd financieel systeem, de EU haar eigen versie van een daadwerkelijk kapitaalmarktunie tot stand moet brengen en daarbij terug moet grijpen op de ervaringen die in de andere delen van de wereld zijn opgedaan, zonder ze evenwel één op één over te nemen; onderstreept evenwel dat bij de erkenning van identieke of vergelijkbare normen van derde landen voor een verstandige benadering moet worden gekozen, teneinde voor vergelijkbaarheid te zorgen tussen de Europese en de internationale financiële markten;

13.  is van oordeel dat een daadwerkelijke Europese benadering van kapitaalmarkten terdege rekening moet houden met internationale ontwikkelingen zodat Europa haar aantrekkelijkheid voor internationale beleggers behoudt, en dat dit betekent dat onnodige verschillen en overlappingen op wetgevingsgebied moeten worden vermeden;

14.  onderstreept dat uitgedrukt in een percentage van het bbp in Europa weliswaar meer wordt gespaard dan in de VS (20% tegenover 17%), maar dat de spaartegoeden in beleggingsfondsen in de EU slechts 50% bedragen van de spaartegoeden in dergelijke fondsen in de VS, en de spaartegoeden in pensioenfondsen in de EU slechts 35% van de spaartegoeden in dergelijke fondsen in de VS; wijst er daarnaast op dat de aandelenmarkten, de markten voor bedrijfsobligaties en securitisatie in de EU slechts 60%, respectievelijk 35% en 20% uitmaken van de dienovereenkomstige markten in de VS;

15.  onderstreept dat de Commissie rekening moet houden met de economische en culturele verschillen tussen de kmo-sectoren van de lidstaten, teneinde onbedoelde gevolgen van de totstandbrenging van de kapitaalmarktunie, zoals een verscherping van de bestaande onevenwichtigheden bij de toegang tot financiering van lidstaat tot lidstaat, te vermijden;

16.  verzoekt de Commissie een Europese benadering te ontwikkelen voor het versterken van de diversificatie van de financieringsbronnen en investeringen in Europese ondernemingen, in de vorm van een kapitaalmarktunie die voortbouwt op de kenmerken en onderlinge verwevenheid van het Europese bank- en kapitaalmarktenlandschap, rekening houdend met de eigenheden van het Europese model voor het financieren van bedrijven en de noodzaak van het ontwikkelen van betrouwbare niet-bancaire bronnen van financiering voor groei, en deze aan te vullen met manieren voor marktdeelnemers om schuld, equity en risicokapitaal rechtstreeks op de markt aan te trekken; wijst erop dat de Commissie zich niet uitsluitend moet laten leiden door collegiale toetsingen met andere jurisdicties; wijst de Commissie erop dat culturele verschillen niet terzijde mogen worden geschoven en dat passende antwoorden moeten worden geformuleerd om deze te overbruggen; is daarnaast van oordeel dat de Commissie bij de hervormingen van de kapitaalmarkten oog moet hebben voor de recentste technologische ontwikkelingen;

17.  verzoekt de Commissie te erkennen dat de verschillende tussen de bedrijfsmodellen en de financiële markten van de lidstaten juist ook een sterk punt kunnen zijn en het verdienen te worden beschermd voor Europa als geheel;

18.  onderstreept dat de lancering van een kapitaalmarktunie en de onderliggende wetgeving gericht moet zijn op de werking van kapitaalmarkten in de hele EU, op voltooiing van de interne markt en op aanzwengeling van duurzame groei; beklemtoont dat na de crisis maatregelen zijn genomen met betrekking tot het toezicht op de banksector, maar dat die maatregelen – voorlopig althans – niet ook van toepassing zijn op de kapitaalmarkten; onderstreept dat financiële sectoren onderling verschillen, hetgeen inhoudt dat er ook verschillende oplossingen nodig zijn; onderstreept evenwel dat voor de actoren op de markten voor vergelijkbare financiële activiteiten een gelijk speelveld moet worden gecreëerd en dat het prioritaire doel voor alle sectoren moet zijn het verbeteren van de toewijzing van kapitaal aan de Europese economie en het verbeteren van de benutting van kapitaal dat op dit moment niet wordt gebruikt;

19.  onderstreept dat met het oog hierop een gedegen en alomvattende inventarisatie moet worden gemaakt van alle maatregelen die de voorbije jaren zijn genomen, waarbij ook in kaart moet worden gebracht wat het cumulatieve effect van al die maatregelen op de Europese kapitaalmarkten is geweest; is van oordeel dat hierbij als vanzelfsprekend ook gekeken moet worden of de strikte kapitaalmarktvereisten die in de bank- en verzekeringssector zijn toegepast, eventueel moeten worden herzien;

20.  beklemtoont dat de initiatieven voor de totstandbrenging van een kapitaalmarktunie er niet op gericht moeten zijn het wiel opnieuw uit te vinden, maar moeten passen in de erkenning dat financiering voor bedrijven in Europa stoelt op goed-ontwikkelde, historisch gevormde structuren die ondanks hun tekortkomingen succesvol en crisisbestendig zijn gebleken, en dat een verdere diversificatie en de ontwikkeling van nieuwe kanalen ertoe moeten bijdragen dat de verschillende soorten bedrijven toegang krijgen tot aanvullende bronnen van financiering;

21.  wijst erop dat de traditionele financieringskanalen via banken vaak van te weinig nut zijn in het geval van innovatieve plannen en voor kmo's; onderstreept dat de gebrekkige toegang tot financiering voor kmo's een van de grootste hinderpalen is voor groei in de EU; beklemtoont dat, juist omdat kmo's onverminderd moeilijk toegang hebben tot financiering door banken, naar alternatieven voor deze vorm van financiering moet worden gezocht, waarbij met name het bedrijfsklimaat voor risicokapitaal, 'peer-to-peer'-fondsen, onderhandse plaatsing, leningsecuritisatie voor kmo's en kredietunies moeten worden gestimuleerd, maar ook moet worden gewerkt aan standaardisering van de regels voor publiek-private partnerschappen (ppp's) in de hele EU;

22.  onderstreept dat een doeltreffender toewijzing van kapitaal binnen de EU niet altijd automatisch resulteert in grotere grensoverschrijdende kapitaalstromen; herinnert eraan dat het ontstaan van zeepbellen in de vastgoedsector in een aantal lidstaten voor de crisis tot op zekere hoogte toe te schrijven is aan een excessieve instroom van kapitaal;

23.  onderstreept dat het belangrijk is in kaart te brengen welke van de bestaande financiële structuren doeltreffend zijn geweest (en derhalve moeten worden gecontinueerd) en welke substantieel moeten worden verbeterd; is van oordeel dat doeltreffende structuren ook moeten worden gestimuleerd voor plaatselijke en gedecentraliseerde financiële instellingen;

24.  herinnert aan het succes van EU-brede initiatieven zoals instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's), die de groei mogelijk hebben gemaakt van EU-investeringsfondsen, dat wil zeggen fondsen die met een paspoort in alle lidstaten actief zijn, met bijna 8 biljoen EUR aan activa; beschouwt ook de richtlijn betreffende beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (abi's) is een goed voorbeeld van dit soort succesvolle initiatieven;

25.  is verheugd over de vaststelling van de verordening betreffende Europese langetermijnbeleggingsinstellingen ((Eltif's); is van oordeel dat de Eltif's tot net zoveel vooruitgang kunnen leiden als de icbe's, in die zin dat ze zouden kunnen resulteren in een grotere toewijzing van kapitaal aan langetermijnprojecten die behoefte hebben aan financiering, zoals projecten voor infrastructuurvoorzieningen en in de energiesector, in het bijzonder die met een grensoverschrijdend karakter; verzoekt de Commissie te onderzoeken op welke wijze buitengewone investeringsprogramma's, zoals het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), op de lange termijn doeltreffend gekoppeld kunnen worden aan reguliere EU-fondsen; is van mening dat institutionele beleggers gevraagd zou moeten worden middelen van hun portfolio's bij te dragen aan de Europese kapitaalmarkten; is van oordeel dat institutionele beleggers en de voorwaarden waaronder zij tot de markt kunnen toetreden een belangrijke rol toekomen bij de ontwikkeling van de kapitaalmarktunie;

26.  herinnert aan het eerdere werk dat is verricht op het gebied van het integreren van de financiële markten, zoals de actieplan voor financiële diensten uit 1999, het verslag-Giovannini en het verslag-de Larosière, en verzoekt de Commissie hierop in haar actieplan voor de kapitaalmarktunie voort te bouwen;

27.  verzoekt de Commissie de huidige situatie op de kapitaalmarkten nauwkeurig en uitgesplitst naar lidstaat te analyseren, middels een alomvattende economische analyse te onderzoeken waar en in welke mate EU-brede obstakels investeringen via de kapitaalmarkten bemoeilijken en aan te geven op welke wijze, waaronder middels niet-wetgevings- en op de markt gebaseerde benaderingen, deze obstakels kunnen worden geëlimineerd of geminimaliseerd; is van oordeel dat een kapitaalmarktunie zonder een dergelijke analyse niet kan slagen; verzoekt de Commissie dit proces te versnellen;

28.  verzoekt de Commissie te inventariseren welke institutionele, wetgevings- en regelgevingsverschillen tussen de lidstaten tot grensoverschrijdende risico's op de financiële en kapitaalmarkten in de EU leiden en daar via doeltreffende maatregelen iets aan te doen, teneinde de grensoverschrijdende kapitaalstromen soepeler te laten verlopen en beleggers ertoe te bewegen wat vaker over de landsgrenzen heen te kijken;

29.  verzoekt de Commissie ook naar de aanbodzijde te kijken en met name te onderzoeken waar het nu eigenlijk aan ligt dat kleine en institutionele beleggers er niet in slagen voldoende kapitaal aan te trekken voor het versterken van individuele financiële diensten en langetermijninvesteringen in de reële economie, en iets te doen aan die onderliggende oorzaken;

30.  spoort de Commissie aan de financiële educatie van beleggers én bedrijven, als gebruikers van kapitaalmarkten, te stimuleren en de beschikbaarheid van EU-gegevens en -onderzoek te verbeteren middels het standaardiseren en verbeteren van de systemen voor het verzamelen van gegevens, zodat beleggers en bedrijven de vergelijkende kosten en baten begrijpen van de verschillende diensten die de deelnemers aan kapitaalmarkten aanbieden;

31.  verzoekt de Commissie te bekijken op welke wijze de informatie-asymmetrieën in de kapitaalmarkten voor kmo's kunnen worden verkleind, en daarbij ook aandacht te besteden aan de markt voor kredietbeoordelaars en aan de belemmeringen voor nieuwkomers op deze markt; wijst nog eens op de idee van onafhankelijke Europese kredietbeoordelaars die beoordelingen aanbieden die ook kostenefficiënt zijn voor kleine investeringen;

32.  is verheugd over de aankondiging van de Commissie dat zij de prospectusrichtlijn gaat herzien om iets te doen aan de bestaande tekortkomingen van het kader voor prospectussen; onderstreept hoe belangrijk het is de procedures in kwestie te vereenvoudigen door de administratieve last voor emittenten en bedrijfsnoteringen, met name voor kmo's en mid-capbedrijven, proportioneel te verlichten; denkt dat het interessant zou kunnen zijn te onderzoeken op welke wijze de vereisten beter kunnen worden aangepast aan het soort activa, beleggers of emittenten; wijst erop dat het in gestandaardiseerde vorm en digitaal ter beschikking stellen van de te verstrekken informatie de transparantie ten goede zou komen en de transactiekosten zou reduceren;

33.  verzoekt de Commissie meer duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop de kapitaalmarktunie zich zal verhouden tot de twee andere pijlers van het Europees investeringsplan, te weten het Europees Fonds voor strategische investeringen en het Europees investeringsadviescentrum;

34.  onderstreept dat het belangrijk is de initiatieven met betrekking tot kapitaalmarkten te integreren met andere beleidsagenda's, zoals de ontwikkeling van een digitale interne markt en de lopende hervormingen op het gebied van het vennootschapsrecht en corporate governance, teneinde tot onderlinge coherentie en consistentie van de verschillende regelgevings- en niet-regelgevingsinitiatieven te komen en aldus de positieve neveneffecten van de diverse beleidsmaatregelen ten aanzien van economische groei en het schappen van werkgelegenheid te maximaliseren;

De onderdelen van een kapitaalmarktunie

35.  is van oordeel dat bij de totstandbrenging van de kapitaalmarktunie een stapsgewijze benadering moet worden gevolgd en dat de unie in kwestie drie prioritaire doelstellingen moet hebben: ten eerste, het stimuleren van een zo doeltreffend mogelijke toewijzing van spaartegoeden via meer en gediversifieerdere financieringsbronnen voor bedrijven en meer beleggingsmogelijkheden, grotere transparantie en portfoliodiversifiëring voor spaarders en beleggers; ten tweede, risicobeperking middels de totstandbrenging van diepere, grensoverschrijdende markten, vergroting van de weerbaarheid van het financiële systeem tegen de negatieve gevolgen van ernstige financiële crises en het opvangen van de impact van idiosyncratische schokken; ten derde, het aanbieden van een doeltreffend aanvullend kanaal voor het financieren van de reële economie;

36.  verzoekt de Commissie in voorkomend geval voorstellen te presenteren voor het herzien van de bestaande wetgeving, met name die betreffende kredietbeoordelaars en auditkantoren, teneinde de bescherming van beleggers te vergroten en te vervolledigen;

37.  onderstreept dat het een 'must' is de bestaande belemmeringen voor grensoverschrijdende financiering, met name voor kmo's, te elimineren, teneinde alle bedrijven, ongeacht hun grootte en ongeacht hun vestigingsplaats, optimaal van de kapitaalmarktunie te kunnen laten profiteren;

38.  onderstreept dat het een van de kernbeginselen van de kapitaalmarktunie moet zijn de eindgebruikers van kapitaalmarkten, d.w.z. bedrijven en beleggers, meer in het middelpunt te plaatsen, en dat de erkenning moet doordringen dat markten in dienst dienen te staan van bedrijven en beleggers; is derhalve van oordeel dat het beleid van de EU erop gericht moet zijn te waarborgen dat kapitaalmarkten bedrijven beter toegang tot financiering geven en beleggers diverse, transparante en betaalbare spaarmogelijkheden bieden;

39.  verzoekt de Commissie voorstellen voor te leggen die waarborgen dat de kapitaalmarktunie wordt gecomplementeerd met een duidelijke strategie voor het bestrijden van de contraproductieve effecten van het systeem van schaduwbankieren;

40.  onderstreept dat, om bij te dragen aan de verwezenlijking van de hierboven vermelde prioriteiten, de initiatieven voor de kapitaalmarktunie gericht moeten zijn op het beperken van de complexiteit, en tegelijkertijd het vergroten van de doeltreffendheid en het terugdringen van de kosten, van de bemiddelingsketen tussen spaarders en investeringen, het vergroten van het bewustzijn van de bemiddelingsketen en de kostenstructuur ervan bij de eindgebruikers, het verbeteren van de beleggersbescherming, het waarborgen van de stabiliteit van de bemiddelingsketen door middel van passende prudentiële regels, en het garanderen dat tussenpersonen kunnen falen en kunnen worden vervangen met een minimale verstoring van het financiële stelsel en de reële economie;

41.  verwelkomt het plan van de Commissie om in kaart te brengen wat de totale impact is van de financiële regelgeving, en in het bijzonder van de wetgeving die de afgelopen vijf jaar is geïntroduceerd; onderstreept dat bij het toetsen van de bestaande financiële regelgeving rekening moet worden gehouden met de hierboven vermelde prioriteiten;

42.  onderstreept dat financiering door banken en de rol van tussenpersoon die banken op kapitaalmarkten vervullen belangrijke pijlers zijn van het hele systeem van het verstrekken van financiering aan het bedrijfsleven; is van oordeel dat de kapitaalmarktunie moet stoelen op het complementeren van de fundamentele rol van banken en niet op het vervangen van banken, aangezien financiering door banken een significante rol moet blijven vervullen bij de financiering van de Europese economie; onderstreept de belangrijke rol van relatiebankieren bij het financieren van micro-ondernemingen en kmo's, en denkt dat dit ook gebruikt kan worden bij het aanbieden van alternatieve financieringsmethoden; herinnert aan de strategische dimensie van het beschikken over een sterke en gediversifieerde Europese banksector; verzoekt de Commissie een onderzoek te houden naar bankleningen voor kmo's in de hele Unie en iets te doen aan de eventuele ongewenste belemmeringen op dit vlak;

43.  onderstreept dat kmo's over een zo breed mogelijk scala aan financieringsstructuren moeten beschikken, zodat ze zelf kunnen kiezen tussen verschillende kostenplaatjes en complexiteitsniveaus, waaronder hypothecaire leningen en financiering op basis van securitisatie;

44.  wijst met klem op de noodzaak van het stimuleren van een klimaat waarin meer door huishoudens en bedrijven gespaard geld zijn weg vindt naar instrumenten die in kapitaalmarkten beleggen en waarin beleggers aangemoedigd worden kapitaal grensoverschrijdend toe te wijzen; onderstreept dat het belangrijk is te beschikken over geëigende garanties, met name voor huishoudens, teneinde te zorgen voor volledig inzicht in de voor- en nadelen van het beleggen in kapitaalmarkten; onderstreept dat het belangrijk is de toegang uit te breiden tot financiële educatie die gericht is op het vergroten van het vertrouwen van beleggers (en in het bijzonder kleine beleggers) in kapitaalmarkten; vindt het daarnaast belangrijk dat financiële educatie ook gericht wordt op kmo's, teneinde hen te leren hoe ze kapitaalmarkten kunnen gebruiken;

45.  beklemtoont dat de initiatieven voor de kapitaalmarktunie leningnemers in staat zouden moeten stellen toegang te hebben tot op de markt gebaseerde bronnen van financiering en ertoe zouden moeten bijdragen dat vaker gebruik wordt gemaakt van 'andere' vormen van leningen, zoals equity en bedrijfsobligaties, alsook van indirecte vormen van financiering waarbij banken en markten samenwerken;

46.  onderstreept dat het voor het tot stand brengen van een doeltreffende kapitaalmarktunie belangrijk is dat financiële actoren in staat zijn een inzichtelijke vergelijking te maken van de beleggingsopties die zij hebben; dringt in dit verband aan op het versterken van het gemeenschappelijk kader gericht op het waarborgen van vergelijkbaarheid en transparantie van de verschillende financiële instrumenten, waarbij het met name belangrijk is dat de hiertoe voorziene maatregelen in MIFID, de richtlijn verzekeringsbemiddeling en PRIIP's goed ten uitvoer worden gelegd; onderstreept het belang van wetgevingscoherentie in het algemeen en van coherentie tussen de hierboven vermelde wetgevingen in het bijzonder, teneinde regelgevingswillekeur te vermijden en te waarborgen dat op de markten de hoogst mogelijke normen inzake beleggersbescherming in acht worden genomen;

47.  is van oordeel dat de kapitaalmarktunie een passend regelgevingskader moet behelzen dat zorgt voor een betere toegang – over de grenzen heen – tot informatie over de bedrijven die op zoek zijn naar krediet, quasi-equity en equitystructuren, teneinde het gebruik van niet-bancaire financieringsmodellen, waaronder crowdfunding en 'peer-to peer'-leningen, te stimuleren; is van oordeel dat de openbaarmaking van dergelijke informatie voor kmo's een vrijwillig karakter moet hebben; onderstreept dat de regels inzake beleggersbescherming in dezelfde mate van toepassing moeten zijn op alle financieringsmodellen, d.w.z. de bancaire én de niet-bancaire; is van oordeel dat een dergelijk klimaat ook impliceert dat de financiële tussenpersonen buiten de banksector systeemweerbaar zijn en onder een toezichtsregeling vallen;

48.  is van oordeel dat de standaardisering van bepaalde financiële instrumenten en hun toegankelijkheid in de hele interne markt zouden kunnen bijdragen tot grotere liquiditeit en een beter werkende interne markt, en het mogelijk zouden maken de Europese kapitaalmarkten te overzien en te monitoren, waarbij op passende wijze rekening moet worden gehouden met de goede praktijken in de lidstaten; beklemtoont dat de mogelijkheid moet worden gehandhaafd om op-maat-gesneden financiële instrumenten aan te bieden, d.w.z. instrumenten die aansluiten bij de behoeften van individuele emittenten en individuele beleggers;

49.  is van oordeel dat naar aanleiding van de toetsing van de tenuitvoerlegging van het actieplan voor financiële diensten aandacht moet worden besteed aan twee aspecten, te weten i) de bijzondere impact van maatregelen in het kader van de interne markt op de werking van de eurozone, en ii) de noodzaak om gelijktijdig de werking van de markt én het toezicht daarop te verbeteren; verzoekt de Commissie om bij het opstellen van het actieplan lessen te trekken uit hetgeen tot nu toe is gebeurd;

50.  onderstreept dat de wettelijke en toezichtskaders een fundamentele rol toekomt bij het vermijden van situaties waarin buitensporige risico's worden genomen en van instabiliteit op de financiële markten; beklemtoont dat een goed project voor de kapitaalmarktunie moet worden aangevuld met sterk EU-breed en nationaal toezicht, met inbegrip van passende macroprudentiële instrumenten; is van oordeel dat hierbij onder andere gedacht kan worden aan een grotere rol voor de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA), teneinde te komen tot meer convergentie op het vlak van toezicht;

51.  verzoekt de Commissie een gedegen analyse te maken van de risico's van op kapitaalmarkten gebaseerde kredietfinanciering en van de ervaringen die op dit gebied zijn opgedaan aan het begin van de financiële crisis in 2007-2008, en de problemen die aan het licht komen aan te pakken;

Het vergroten van de relevantie van kapitaalmarkten voor kmo's

52.  is van oordeel dat eventuele wijzigingen van of toevoegingen aan het bestaande regelgevingskader voor financiële tussenpersonen gericht moeten zijn op het elimineren van belemmeringen voor nieuwe kleine en middelgrote tussenpersonen, op het verbeteren van de toegang tot financiering, met name voor innovatieve start-ups en kleine en middelgrote ondernemingen, alsook op het vaststellen van prudentiële normen die evenredig zijn aan het risico;

53.  is verheugd over het voorstel van de Commissie voor een richtlijn tot wijziging van Richtlijn 2007/36/EG wat het bevorderen van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders betreft en van Richtlijn 2013/34/EU wat bepaalde onderdelen van de verklaring inzake corporate governance betreft (COM(2014)0213); is met name van oordeel dat dit voorstel zou moeten bijdragen aan het tot stand brengen van een beleggersvriendelijk klimaat door middel van het verbeteren van de doeltreffendheid van de keten voor beleggingen in de vorm van equity; onderstreept dat de kapitaalmarktunie gebaat zou zijn bij een goed en bruikbaar kader voor corporate governance;

54.  onderstreept dat de steeds verdere ontwikkeling van kapitaalmarkten er niet toe moet leiden dat ze zo ingewikkeld worden dat kmo's er geen gebruik meer van maken, wetende dat het juist deze categorie bedrijven is die behoefte heeft aan toegang tot aanvullende financiering, met name in de lidstaten die economische problemen hebben/hadden; beklemtoont dat een voor de financiering van kmo's gunstig klimaat onder andere inhoudt dat er – zowel op het niveau van de EU, als op het niveau van de lidstaten – sprake is van kmo-vriendelijke economische omstandigheden en regelgeving; onderstreept in het bijzonder dat aandacht moet worden besteed aan vereenvoudiging van de procedures voor toegang tot beursintroducties voor kmo's en mid-capbedrijven, waarbij overigens moet zijn gewaarborgd dat strenge criteria blijven gelden voor het beoordelen van de veerkracht van bedrijven en van de mate waarin zij voor beursintroducties in aanmerking komen; verzoekt de Commissie te bekijken welke andere maatregelen er nog kunnen worden genomen om kmo's beter in staat te stellen beleggers aan te trekken;

55.  herinnert eraan dat een gebrek aan informatie over de financiële positie van kmo's een van de grootste obstakels is voor investeringen in deze categorie bedrijven; vindt dat goed moet worden nagedacht over de vraag hoe beleggers beter toegang kan worden geboden tot transparante en vergelijkende gegevens over kmo's, waarbij wel zo veel mogelijk moet worden vermeden dat deze bedrijven extra lasten worden opgelegd;

56.  maakt zich hard voor een gevarieerde en aantrekkelijke financieringsbasis op Europese publieke markten voor bedrijven van allerlei grootte, en vindt dat het 'denk eerst klein'-concept ingang moet vinden in de financiële regelgeving van de EU voor zogenaamde 'emerging growth companies' en dat de financiële regelgeving van de EU moet worden herzien om de administratieve kosten van een beursnotering voor bedrijven met 30%-50% te reduceren;

57.  is van oordeel dat, gezien het belang van kmo's en mid-capbedrijven voor het scheppen van nieuwe werkgelegenheid, beter gebruik moet worden gemaakt van de bestaande niet-bancaire financieringsmogelijkheden, zoals het ontwikkelen van gespecialiseerde secundaire markten (bijv. kmo-groeimarkten) en eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie; is verheugd over het initiatief gericht op het tot stand brengen van een duurzame en transparante securitisatiemarkt middels de vaststelling van een specifiek regelgevingskader met een uniforme definitie van kwalitatief hoogwaardige securitisatie, in combinatie met doeltreffende methoden voor het monitoren, meten en beheren van risico's; wijst er overigens met klem op dat kmo's een zeer heterogene groep bedrijven zijn en dat er naast securitisatie nog andere instrumenten zijn; verzoekt de Commissie derhalve een breed scala aan benaderingen te volgen en na te denken over een brede waaier aan markten om de financiering van kmo's te verbeteren;

58.  steunt suggesties gericht op het verbeteren van de mogelijkheden van toegang tot gegevens voor Europese bedrijven, in het bijzonder kmo's; vestigt in dit verband overigens de aandacht op het feit dat de kosten van marktgegevens gering zijn in vergelijking met de totale transactiekosten;

59.  verzoekt de Commissie met klem meer capaciteit te creëren voor het monitoren van de soorten bankachtige bemiddelingsactiviteiten die buiten de gereguleerde banksector plaatsvinden, alsook van de omvang van dit verschijnsel en de trends op dit gebied, en passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat hierbij het 'dezelfde risico's, dezelfde regels'-principe wordt toegepast;

60.  wijst erop dat private equity en risicokapitaal interessante alternatieve vormen van financiering zijn, met name voor start-ups; verzoekt de Commissie bij het ontwikkelen van alternatieve financieringsinstrumenten voort te bouwen op de ervaringen die met de Europese durfkapitaalfondsen en de Europese fondsen voor sociaal ondernemerschap zijn opgedaan, teneinde iets te doen aan de belangrijkste tekortkomingen van de risicokapitaalmarkten in de EU, zoals het gebrek aan informatie voor beleggers; is van mening dat een speciale databank met op vrijwillige basis bijeengebrachte informatie over kmo's en start-ups een nuttig instrument voor beleggers zou kunnen zijn, waarmee op termijn tot een verbreding van de groep marktdeelnemers kan worden gekomen en de risicokapitaalmarkten in de lidstaten verder kunnen worden uitgebouwd;

61.  verwelkomt de steun voor de ontwikkeling van markten voor onderhandse plaatsing door middel van gestandaardiseerde documenten en definities, in combinatie met maatregelen die beogen beleggers voldoende te informeren over de risico's en de voordelen van deze vorm van beleggen;

62.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat eventuele 'fund-to-fund'-voorstellen in het kader van de kapitaalmarktunie niet tot achterdeurtjes leiden bij de algehele beoordeling en het beheer van systeem- en specifieke risico's;

63.  wijst met klem op het belang van het versterken en verbeteren – in het kader van de totstandbrenging van de kapitaalmarktunie – van de coördinatie van het EU-standpunt op internationaal niveau, in het bijzonder in het kader van de G20, de Internationale Organisatie van effectentoezichthouders (IOSCO), de International Accounting Standards Board (IASB) en het Basel-comité;

Het tot stand brengen van een coherent regelgevingsklimaat in de EU voor kapitaalmarkten

64.  onderstreept verder het belang van equityfinanciering, aangezien dit kan helpen bij het reduceren van de risico's en de buitensporige schuldenniveaus en niveaus van vreemd vermogen in het financieel systeem; verzoekt derhalve de Commissie en de lidstaten de bovenmatig strenge regelgeving betreffende de financiering van particuliere ondernemingen middels equity tegen het licht te houden en aan te passen; onderstreept het belang van het aanpakken van de fiscale ongelijkheid tussen eigen vermogen en vreemd vermogen;

65.  is zich ervan bewust dat de grote verscheidenheid aan insolventieregels niet bevorderlijk is voor de totstandbrenging van grensoverschrijdende activapools en dus het proces van securitisatie; neemt in dit verband nota van de suggestie van de Commissie om grensoverschrijdende insolventie aan te pakken indien en voor zover dit nodig is voor de totstandbrenging van een goed functionerende kapitaalmarktunie; dringt aan op de ontwikkeling van een kader voor herstel en afwikkeling voor niet-banken, in het bijzonder centrale tegenpartijen;

66.  herinnert aan de rol die betalingssystemen en effectenafwikkelingsregelingen hebben voor de securitisatiemarkt en dringt erop aan hiervoor een Europese marktinfrastructuur op te zetten, alsook te zorgen voor gecoördineerd en meer geharmoniseerd toezicht op kritieke marktinfrastructuur, waarbij in het bijzonder kan worden gedacht aan een gegevensbank voor securitisatie, met daarin de namen van alle deelnemers aan securitisatie, de geaggregeerde blootstellingen en stromingen tussen marktdeelnemers, en toezicht uit te oefenen op de doeltreffendheid en relevantie van beleidsinitiatieven, te kijken waar eventueel zeepbellen ontstaan en asymmetrieën op het gebied van de verstrekking van informatie te beperken;

67.  wijst, gezien de rol van de informatie- en communicatietechnologieën, op de noodzaak van het aanpakken van het gevaar van cyberaanvallen en van het beschermen van het hele financiële systeem tegen dergelijke aanvallen;

68.  verzoekt de Commissie te werken aan het verbeteren van de vergelijkbaarheid en de kwaliteit van financiële informatie, waarbij ook het bestaande kader voor accountancystandaards onder de loep moet worden genomen, vanuit een globaal perspectief en wat betreft de conservatieve waarderingsmodellen en de proportionaliteit van de vereisten; is van oordeel dat de onlangs herziene Europese accountancywetgeving in de praktijk als eerste tegen het licht moet worden gehouden;

69.  onderstreept het belang van het uitvoeren van een effectbeoordeling en een kosten-batenanalyse van elke nieuwe wetgeving, met inbegrip van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen; wijst erop dat nieuwe wetgeving niet in alle gevallen de beste beleidsrespons is op de uitdagingen die op ons afkomen en dat derhalve ook naar niet-wetgevings- en op de markt gebaseerde benaderingen moet worden gekeken, waarbij in sommige situaties ook reeds bestaande nationale modellen kunnen volstaan; verzoekt de Commissie in de wetgeving in kwestie uit te gaan van het evenredigheidsbeginsel, teneinde de positieve effecten kmo's en mid-capbedrijven te vergroten;

70.  is van oordeel dat het bouwen aan een volledig functionele kapitaalmarktunie uiterlijk in 2018 moet zijn afgerond; herhaalt eens te meer zijn opvatting dat we behoefte hebben aan een alomvattende analyse van de huidige stand van zaken met betrekking tot de kapitaalmarkten in de EU en de problemen op die markten; verzoekt de Commissie een tandje bij te schakelen wat haar werk aan het actieplan betreft en op zo kort mogelijke termijn wetgevings- en niet-wetgevingsvoorstellen te presenteren, zodat een volledig geïntegreerde EU-kapitaalmarktunie uiterlijk eind 2018 van start kan gaan;

71.  is van oordeel dat de zich ontwikkelende digitale omgeving gezien moet worden als een kans voor het verbeteren van de prestatie en de waarde van de kapitaalmarktsector voor bedrijven, beleggers en de samenleving in zijn geheel;

o
o   o

72.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0202.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0161.


Europese veiligheidsagenda
PDF 210kWORD 104k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 over de Europese veiligheidsagenda (2015/2697(RSP))
P8_TA(2015)0269B8-0676/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 3, 6, 7 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 4, 16, 20, 67, 68, 70 t/m 72, 75, 82 t/m 87 en 88 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 6, 7, 8, 10, lid 1, 11, 12, 21, 47 t/m 50, 52 en 53,

–  gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, de verdragen, aanbevelingen, resoluties en verslagen van de Parlementaire Vergadering, het Comité van Ministers, de Commissaris voor de Rechten van de Mens en de Commissie van Venetië van de Raad van Europa,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 april 2015 over de Europese veiligheidsagenda (COM(2015)0185),

–  gezien de mededelingen van de Commissie over de strategie voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten door de Europese Unie (COM(2010)0573) en de operationele richtsnoeren voor het in aanmerking nemen van grondrechten in effectbeoordelingen door de Commissie (SEC(2011)0567),

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van 8 april 2014 in de gevoegde zaken C-293/12 en C-594/12 tot nietigverklaring van Richtlijn 2006/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken,

–  gezien Verordening (EU) nr. 513/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheersing, en tot intrekking van Besluit 2007/125/JBZ van de Raad(1),

–  gezien zijn resolutie van 14 december 2011 over het terrorismebestrijdingsbeleid van de EU: belangrijkste resultaten en nieuwe uitdagingen(2),

–  gezien zijn resolutie van 27 februari 2014 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2012)(3),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2014 over het surveillanceprogramma van de NSA in de VS, toezichthoudende instanties in verschillende lidstaten en gevolgen voor de grondrechten van EU-burgers en voor de trans-Atlantische samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken(4),

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2014 over verlenging van de interneveiligheidsstrategie voor de EU(5),

–  gezien zijn resolutie van 11 februari 2015 over terrorismebestrijdingsmaatregelen(6),

–  gezien zijn debat in de plenaire vergadering van 28 april 2015 over de Europese veiligheidsagenda,

–  gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over de Europese veiligheidsagenda (O-000064/2015 – B8-0566/2015 en O-000065/2015 – B8-0567/2015),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de bedreigingen voor de interne veiligheid van de Unie complexer, asymmetrischer, onconventioneler en internationaler zijn geworden, meerdere vormen aannemen, sneller evolueren, moeilijker te voorspellen zijn en de mogelijkheden van de afzonderlijke lidstaten overstijgen, en daarom meer dan ooit een samenhangende, alomvattende, gelaagde en gecoördineerde respons van de EU vergen waarbij ten volle rekening wordt gehouden met de eerbiediging van de grondrechten;

B.  overwegende dat de ontwikkeling van het veiligheidsbeleid van de EU een gedeelde verantwoordelijkheid is die een gecoördineerd en op elkaar afgestemd optreden van alle lidstaten, EU-instellingen en agentschappen, het maatschappelijk middenveld en rechtshandhavingsinstanties vergt, gericht is op gemeenschappelijke doelstellingen en gebaseerd is op de rechtsstaat en de eerbiediging van de grondrechten; overwegende dat met het oog op optimale resultaten, de concrete uitvoering van deze gemeenschappelijke doelstellingen en prioriteiten moet worden gecombineerd met een duidelijke verdeling van de taken tussen het EU-niveau en het nationale niveau, op basis van het subsidiariteitsbeginsel en met een uitgebreid en effectief parlementair en juridisch toezicht;

C.  overwegende dat de uitzondering betreffende de nationale veiligheid die is opgenomen in artikel 4, lid 2, van het VEU niet kan worden ingeroepen om nationale veiligheidsdiensten toe te staan de belangen, met inbegrip van economische belangen, van andere lidstaten, de rechten van hun burgers en inwoners, en het recht en het beleid van de Europese Unie en van derde landen in het algemeen te schenden;

D.  overwegende dat aandacht moet worden besteed aan de noodzaak om lessen te trekken uit de vele inbreuken op Europese en universele normen en waarden in het kader van de interne en de externe samenwerking op het gebied van veiligheid na "11 september";

E.  overwegende dat vrijheid, veiligheid en recht doelstellingen zijn die parallel aan elkaar moeten worden nagestreefd; overwegende dat, om vrijheid en recht te bewerkstelligen, veiligheidsmaatregelen dan ook altijd de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten moeten eerbiedigen overeenkomstig de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid, en moeten worden onderworpen aan een passende democratische controle en verantwoordingsplicht; overwegende dat de rechtsdimensie en het preventieaspect onvoldoende zijn uitgewerkt in de Europese veiligheidsagenda;

F.  overwegende dat een aantal van de diepere oorzaken van criminaliteit, zoals toenemende ongelijkheid, armoede, racistisch en xenofoob geweld en haatmisdrijven, niet kunnen worden aangepakt door middel van veiligheidsmaatregelen alleen, maar moeten worden benaderd vanuit een ruimere beleidscontext, met inbegrip van een verbeterd sociaal, werkgelegenheids-, onderwijs-, cultureel en extern beleid;

G.  overwegende dat het preventieve aspect van de Europese veiligheidsagenda uitermate belangrijk is in tijden van toenemende economische en sociale ongelijkheid die afbreuk doet aan het sociaal pact en aan de doelmatigheid van de grondrechten en openbare vrijheden; overwegende dat alternatieve maatregelen voor een gevangenisstraf enerzijds en re-integratiemaatregelen anderzijds, met name voor kleine misdrijven, een belangrijk element moeten zijn van een dergelijk preventiebeleid;

H.  overwegende dat, na het verstrijken van de overgangsperiode als bedoeld in Protocol nr. 36 bij de Verdragen, de Commissie en het Europees Hof van Justitie de volledige bevoegdheid hebben gekregen met betrekking tot de rechtsinstrumenten uit de voormalige derde pijler, waardoor de verantwoordingsplicht ten aanzien van democratische en grondrechten is uitgebreid tot maatregelen die een belangrijke rol hebben gespeeld bij de totstandbrenging van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht;

I.  overwegende dat cybercriminaliteit en door internet gefaciliteerde criminaliteit de veiligheid van de EU-burgers, de interne markt en de intellectuele eigendom en de welvaart van de Europese Unie aantasten; overwegende dat bijvoorbeeld "botnets" als vorm van cybercriminaliteit gevolgen hebben voor miljoenen computers en duizenden doelwitten tegelijkertijd;

J.  overwegende dat de grenzen tussen interne en externe veiligheid steeds verder vervagen, wat nauwere samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten noodzakelijk maakt en moet resulteren in een omvattende en multidimensionele aanpak;

K.  overwegende dat speciale aandacht moet worden besteed aan het ondersteunen en beschermen van alle slachtoffers van terrorisme en criminaliteit in de hele EU, als belangrijk onderdeel van de veiligheidsagenda;

1.  neemt kennis van de Europese veiligheidsagenda voor de periode 2015-2020 zoals voorgesteld door de Commissie, alsmede de daarin omschreven prioriteiten; is van mening dat, gezien de uitdagingen waarmee de Europese Unie momenteel kampt, terrorisme, gewelddadig extremisme, grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en cybercriminaliteit de ernstigste bedreigingen zijn die een gecoördineerd optreden op nationaal, Europees en mondiaal niveau vergen; wijst erop dat de agenda een flexibele structuur moet hebben om te kunnen inspelen op nieuwe uitdagingen die zich in de toekomst kunnen voordoen;

2.  herhaalt dat de diepere oorzaken van criminaliteit, met inbegrip van ongelijkheid, armoede en discriminatie, verder moeten worden aangepakt; benadrukt verder dat moet worden voorzien in passende middelen voor maatschappelijk werkers, lokale en nationale politieagenten en rechters, die hun begroting in sommige lidstaten gekortwiekt zien;

3.  verlangt dat er gestreefd wordt naar een goed evenwicht tussen preventiebeleid en repressiemaatregelen, opdat vrijheid, veiligheid en recht behouden blijven; benadrukt dat veiligheidsmaatregelen altijd moeten worden nagestreefd overeenkomstig de beginselen van de rechtsstaat en de bescherming van de grondrechten, zoals het recht op privacy en gegevensbescherming, vrijheid van meningsuiting en van vergadering en een eerlijk proces; verzoekt de Commissie bijgevolg om bij de uitvoering van de Europese veiligheidsagenda naar behoren rekening te houden met de recente uitspraak van het Hof van Justitie over de gegevensbewaringsrichtlijn (arrest in de gevoegde zaken C-293/12 en C-594/12), die inhoudt dat alle instrumenten in overeenstemming moeten zijn met de beginselen van evenredigheid, noodzakelijkheid en wettigheid en passende garanties inzake verantwoording en gerechtelijk beroep moeten bevatten; dringt er bij de Commissie op aan ten volle rekening te houden met de gevolgen van dit arrest voor alle instrumenten waarbij sprake is van de bewaring van gegevens voor rechtshandhavingsdoeleinden;

4.  herinnert eraan dat, indien de Europese Unie op geloofwaardige wijze de grondrechten zowel intern als extern wil bevorderen, zij haar veiligheidsbeleid, de strijd tegen terrorisme en de strijd tegen de georganiseerde misdaad, alsook de partnerschappen met derde landen op het gebied van veiligheid moet baseren op een geïntegreerde aanpak waarbij alle factoren die mensen tot terrorisme of georganiseerde misdaad aanzetten in aanmerking worden genomen, en zo moet komen tot de integratie van economische en sociale beleidsmaatregelen die worden ontwikkeld en uitgevoerd met volledige eerbiediging van de grondrechten en onderworpen zijn aan rechterlijke en democratische controle en grondige beoordelingen;

5.  is ingenomen met de keuze van de Commissie om de agenda te baseren op de beginselen van volledige eerbiediging van de rechtsstaat en de grondrechten die moeten worden gewaarborgd door een passend rechterlijk toezicht, van meer transparantie, verantwoording en democratische controle, van een betere toepassing en uitvoering van bestaande wettelijke instrumenten, van een betere samenwerking tussen de agentschappen en een meer overkoepelende en sectoroverschrijdende benadering, en van meer samenhang tussen de interne en de externe dimensie van veiligheid; verzoekt de Commissie en de Raad om zich bij de uitvoering van de agenda strikt aan deze beginselen te houden; wijst erop dat het Parlement deze beginselen bij het toezicht op de uitvoering van de agenda centraal zal plaatsen;

6.  is ingenomen met de bijzondere aandacht die in de agenda naar de grondrechten uitgaat, met name met de toezegging van de Commissie om elke veiligheidsmaatregel die zij voorstelt streng te beoordelen, niet alleen in welke mate de maatregel zijn doelstellingen verwezenlijkt, maar ook in hoeverre hij de grondrechten eerbiedigt; benadrukt dat de Commissie alle relevante organen en agentschappen bij haar beoordeling moet betrekken, in het bijzonder het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, Europol en Eurojust; verzoekt de Commissie om alle informatie en documentatie over deze beoordeling, zodat het Parlement zijn democratisch toezicht op doeltreffende wijze kan uitvoeren;

7.  wijst in dit verband op zijn veroordeling van maatregelen die de grootschalige, stelselmatige, allesomvattende verzameling van persoonsgegevens van onschuldige mensen inhouden, met name in het licht van de mogelijk ernstige gevolgen voor de rechten inzake een eerlijk proces, non-discriminatie, bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, de persvrijheid, de vrijheid van denken en de vrijheid van meningsuiting, en de vrijheid van vergadering en vereniging, en die tevens een aanzienlijk potentieel inhouden om de verzamelde informatie tegen politieke tegenstanders te misbruiken; uit zijn ernstige twijfels over het nut van grootschalige toezichtsmaatregelen omdat zij het net vaak te ruim uitspreiden en zo te veel valse positieve en negatieve resultaten genereren; waarschuwt voor het gevaar van grootschalige toezichtsmaatregelen die het feit verdoezelen dat moet worden geïnvesteerd in wellicht goedkopere, efficiëntere en minder ingrijpende rechtshandhavingsmaatregelen;

8.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat het beginsel van het belang van het kind wordt geëerbiedigd in alle wetgeving met betrekking tot veiligheid;

9.  merkt op dat de EU niet over een algemeen aanvaarde definitie van "nationale veiligheid" beschikt, waardoor in de rechtsinstrumenten van de EU een schemerzone ontstaat met verwijzingen naar "nationale veiligheid";

10.  is van mening dat, om ertoe te komen dat de burgers meer vertrouwen hebben in het veiligheidsbeleid, de instellingen en agentschappen van de EU en de lidstaten moeten zorgen voor transparantie, verantwoording en democratische controle in het proces van beleidsontwikkeling en -uitvoering; is ingenomen met het voornemen van de Commissie om het Parlement en de Raad regelmatig actuele informatie over de uitvoering van de agenda te verstrekken; herhaalt zijn voornemen om in samenwerking met de nationale parlementen regelmatig controles te organiseren naar de goede uitvoering en de voortgang van de agenda; neemt met belangstelling kennis van het voorstel van de Commissie om een raadgevend EU-forum voor interne veiligheid in te stellen; benadrukt dat dit forum moet zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van alle belanghebbenden en ziet uit naar meer gedetailleerde informatie, met name over de juiste rol, taken, samenstelling en bevoegdheden en de betrokkenheid van het Europees Parlement en de nationale parlementen;

11.  benadrukt dat het democratische en gerechtelijke toezicht op de inlichtingendiensten van de lidstaten moet worden verbeterd; merkt op dat het Parlement, het Hof van Justitie en de Ombudsman niet over voldoende bevoegdheden beschikken om een doeltreffende controle van het Europees veiligheidsbeleid uit te voeren;

12.  verzoekt de Commissie en de Raad zo spoedig mogelijk een stappenplan – of een gelijkaardig mechanisme – in te voeren om te zorgen voor de effectieve operationele uitvoering van de agenda, dit voor te leggen aan het Parlement en binnen de komende zes maanden met de uitvoering te beginnen; is van mening dat een benadering van het type "EU-beleidscyclus" (met identificatie en beoordeling van gemeenschappelijke bedreigingen en zwakke plekken, beleidsprioriteiten en ontwikkeling van strategische en operationele plannen, een doeltreffende uitvoering met duidelijke aansturing, tijdschema's en concrete resultaten, en evaluatie) kan zorgen voor de nodige samenhang en continuïteit bij de uitvoering van de agenda, op voorwaarde dat het Parlement naar behoren wordt betrokken bij het uitstippelen van de beleidsprioriteiten en de strategische doelstellingen; ziet ernaar uit deze kwesties verder te bespreken met de Commissie en het Permanent Comité operationele samenwerking op het gebied van de binnenlandse veiligheid (COSI);

13.  is ingenomen met het onderliggende beginsel van de agenda om de bestaande instrumenten op het gebied van veiligheid volledig toe te passen en uit te voeren alvorens er nieuwe voor te stellen; wijst opnieuw op de noodzaak van een snellere en doeltreffendere uitwisseling van relevante gegevens en informatie, met passende waarborgen inzake gegevensbescherming en privacy; betreurt evenwel dat, ondanks herhaalde oproepen van het Parlement, een evaluatie van de doeltreffendheid van de bestaande EU-instrumenten – ook in het licht van nieuwe bedreigingen voor de veiligheid van de EU – en van de resterende lacunes, nog steeds ontbreekt; is van mening dat een dergelijke oefening noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat het Europese veiligheidsbeleid efficiënt, nodig, evenredig, samenhangend en alomvattend is; verzoekt de Commissie deze operationele evaluatie van de bestaande instrumenten, middelen en financiering van de EU op het gebied van interne veiligheid als een prioritaire maatregel op te nemen in het stappenplan voor de uitvoering van de agenda; herhaalt zijn oproepen aan de Raad en de Commissie om een omvattende evaluatie te maken van de maatregelen die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op het gebied van interne veiligheid zijn genomen, en daarbij gebruik te maken van de procedure waarin artikel 70 VWEU voorziet;

14.  verwelkomt de extra aandacht van de Commissie voor grensbeheer als essentieel aspect bij het tegengaan van grensoverschrijdende criminaliteit en internationaal terrorisme; benadrukt dat de veiligheid aan de EU-grenzen versterkt moet worden door middel van systematische controles aan de hand van databanken als het SIS; verwelkomt de toezegging van de Commissie om haar herziene voorstel over slimme grenzen begin 2016 te zullen presenteren;

15.  steunt de oproep van de Commissie voor betere samenwerking tussen de agentschappen en een meer overkoepelende en sectoroverschrijdende benadering, alsook de voorgestelde maatregelen om de uitwisseling van informatie en goede praktijken te verbeteren en om de operationele samenwerking tussen de lidstaten en de agentschappen van de EU uit te breiden; herhaalt zijn oproep om meer gebruik te maken van de bestaande instrumenten en databanken zoals SIS en ECRIS, en van gezamenlijke onderzoeksteams; verzoekt de Commissie alle nodige maatregelen te nemen om de in behandeling zijnde werkregelingen tussen agentschappen sneller af te ronden; betreurt dat er in de agenda te weinig concrete maatregelen zijn opgenomen om de rechtsdimensie ervan te versterken; pleit voor de integratie en verdere ontwikkeling van alle aspecten van de justitiële samenwerking in strafzaken, onder meer door versterking van de rechten van verdachten en beklaagden, slachtoffers en getuigen en door een betere uitvoering van de bestaande EU-instrumenten voor wederzijdse erkenning;

16.  spreekt zijn volledige steun uit voor de prioriteit van de Commissie om lidstaten te helpen bij de verdere ontwikkeling van wederzijds vertrouwen, volledig gebruik te maken van bestaande instrumenten voor het delen van informatie, en grensoverschrijdende operationele samenwerking tussen bevoegde autoriteiten aan te moedigen; benadrukt het belang van dergelijke grensoverschrijdende samenwerking, met name in grensregio's;

17.  verzoekt de Commissie spoedig een voorstel in te dienen tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II)(7), teneinde de waarschuwingscriteria te harmoniseren en het verplicht te stellen om waarschuwingen af te geven over personen die veroordeeld zijn wegens of verdacht worden van terroristische daden;

18.  is ingenomen met de door de Commissie aangekondigde beoordeling van de noodzaak en de mogelijke toegevoegde waarde van een Europees Indexsysteem van politiegegevens (EPRIS) om de grensoverschrijdende toegang tot informatie in nationale politiebestanden te vergemakkelijken, en steunt ten volle de geplande lancering van een proefproject door een groep lidstaten om mechanismen op te zetten voor geautomatiseerde grensoverschrijdende opzoekingen in nationale registers op basis van "treffer/"geen treffer"; benadrukt het belang van grensoverschrijdende toegang tot informatie, met name in grensregio's;

19.  benadrukt het belang van gezamenlijke onderzoeksteams (GOT's) om onderzoek te doen naar specifieke gevallen van grensoverschrijdende aard en verzoekt de lidstaten dit succesvolle instrument regelmatiger te gebruiken; verzoekt de Commissie voorstellen te ontwikkelen voor een rechtskader dat de oprichting van permanente of semipermanente GOT's mogelijk maakt om aanhoudende dreigingen zoals drugshandel, mensenhandel en motorbendes aan te pakken, met name in grensregio's;

20.  betreurt dat instrumenten als het bevriezen en in beslag nemen van criminele tegoeden nog niet systematisch in alle daarvoor in aanmerking komende grensoverschrijdende zaken worden ingezet, en roept de lidstaten en de Commissie op om op dit terrein actiever te zijn;

21.  benadrukt dat er een kloof bestaat inzake democratisch en gerechtelijk toezicht bij grensoverschrijdende samenwerking tussen nationale inlichtingendiensten; uit zijn bezorgdheid over het feit dat democratisch en gerechtelijk toezicht ernstig wordt belemmerd door de wettelijke regeling inzake de toegang tot documenten door derden;

22.  merkt op dat de grenzen tussen externe veiligheid en interne veiligheid steeds verder vervagen en is dan ook ingenomen met de toezegging van de Commissie om ervoor te zorgen dat de interne en de externe dimensie van het veiligheidsbeleid een echte tandem vormen; roept de Commissie en de lidstaten op om de impact van de agenda op de externeveiligheidsstrategie van de EU, en vice versa, regelmatig te beoordelen, onder meer de verplichtingen betreffende de eerbiediging en bevordering van de fundamentele vrijheden, de grondrechten en de democratische waarden en beginselen zoals deze zijn vastgelegd in de internationale verdragen en overeenkomsten die zij hebben geratificeerd of ondertekend; onderstreept de noodzaak van een verdere versterking van de banden, synergieën en samenhang tussen beide elementen, met name met betrekking tot de nieuwe, horizontale en heterogene bedreigingen waarmee Europa wordt geconfronteerd, en met inachtneming van de waarden van de Unie en de grondrechten; verzoekt de Commissie regelmatig aan het Parlement verslag uit te brengen over alle verdere stappen die gericht zijn op het ontwikkelen van het verband tussen de interne en de externe dimensie van het veiligheidsbeleid en de samenwerking met derde landen op het gebied van veiligheid, opdat het Parlement samen met de nationale parlementen zijn recht van democratische controle kan uitoefenen;

23.  benadrukt het belang en de noodzaak van de huidige strategische evalutie door de vv/hv, aan haar toevertrouwd door de Europese Raad van december 2013, die moet leiden tot de goedkeuring van een nieuwe Europese veiligheidsstrategie; in een brede Europese strategie inzake vraagstukken op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid zouden de belangen, prioriteiten en doelstellingen, bestaande en nieuwe dreigingen, uitdagingen en kansen van en voor de EU in kaart kunnen worden gebracht en nader kunnen worden omschreven; dat geldt evenzeer voor de EU-instrumenten en de middelen om aan dit alles gevolg te geven;

24.  dringt aan op zeer krachtige mensenrechtenclausules in samenwerkingsovereenkomsten met derde landen, met name die in Noord-Afrika en de Golfregio, met betrekking tot samenwerking op het gebied van veiligheid; dringt erop aan de samenwerking met ondemocratische landen met een slechte score op gebied van mensenrechten opnieuw te bekijken;

25.  benadrukt dat het van cruciaal belang is de diepere oorzaken van gewapende conflicten, extremisme en armoede in derde landen te bestrijden, aangezien deze de veiligheid van de EU kunnen bedreigen; dringt er bij de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), de Commissie en de lidstaten op aan hun inspanningen op te voeren ter bevordering van inclusieve, pluralistische en goed functionerende staten met een sterk en duurzaam maatschappelijk middenveld, die kunnen instaan voor vrijheid, veiligheid, recht en werkgelegenheid voor hun burgers;

26.  dringt er bij de VV/HV op aan een ontwerp van een gemeenschappelijk standpunt over het gebruik van gewapende drones voor te stellen, in overeenstemming met de resolutie van het Parlement van 27 februari 2014 over de inzet van gewapende drones(8);

27.  steunt de dringende oproep van de Commissie om de werkzaamheden voor de goedkeuring van de richtlijn betreffende een EU-systeem voor persoonsgegevens van passagiers (PNR) af te ronden; herhaalt zijn toezegging om te streven naar de voltooiing ervan tegen het eind van het jaar; benadrukt dat de PNR-richtlijn de grondrechten en de normen inzake gegevensbescherming moet eerbiedigen, met inbegrip van de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie, en tegelijkertijd een efficiënt instrument op EU-niveau moet aanreiken; verzoekt de Commissie dit proces te blijven steunen door alle relevante aanvullende elementen te verstrekken die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de EU-PNR-richtlijn evenredig is; dringt erop aan dat elk toekomstig voorstel tot vaststelling van nieuwe instrumenten op het gebied van veiligheid, zoals PNR, stelselmatig mechanismen bevat voor de uitwisseling van informatie en samenwerking tussen de lidstaten;

28.  is het met de Commissie eens wat betreft het cruciale belang van ondersteunende acties in verband met opleiding, onderzoek en innovatie, en het belangrijke werk dat de Europese Politieacademie CEPOL op dit terrein verricht; is van mening dat opleidings- en uitwisselingsprogramma's voor rechtshandhavingsambtenaren van groot belang zijn om een Europese rechtshandhavingscultuur en goede praktijken op dit gebied verder te stimuleren; is van mening dat meer moet worden geïnvesteerd in onderzoek en innovatie op het gebied van veiligheid, met inbegrip van preventie;

29.  wijst erop dat de snel veranderende veiligheidssituatie een flexibele, adaptieve en reactieve aanpak vergt, alsook de ontwikkeling van technisch vermogen en de regelmatige evaluatie van de prioritaire acties die in de agenda zijn opgenomen; wijst er in dit verband op dat gebruik kan worden gemaakt van artikel 222 VWEU, dat bepaalt dat de Europese Raad regelmatig de dreigingen voor de Unie moet beoordelen, onder meer door voort te bouwen op bestaande dreigingsevaluaties van de lidstaten en Europol, en het Europees Parlement en de nationale parlementen op de hoogte moet stellen van de resultaten en follow-up ervan;

Terrorisme

30.  is ingenomen met de maatregelen waarin de agenda voorziet om terrorisme te bestrijden, de financiering van terrorisme aan te pakken, de dreiging tegen te gaan dat EU-burgers en ingezetenen naar het buitenland reizen met het oog op terrorisme ("buitenlandse strijders"), en radicalisering te voorkomen; neemt kennis van de voorgestelde nieuwe structuur van het op te richten Europees centrum voor terrorismebestrijding binnen Europol en verzoekt de Commissie meer duidelijkheid te verschaffen over de precieze rol, taken, bevoegdheden en toezicht, met name om te kunnen zorgen voor gedegen democratisch en gerechtelijk toezicht op de passende niveaus, onder meer in het kader van de huidige herziening van het mandaat van Europol; benadrukt dat meer uitwisseling van informatie tussen lidstaten van cruciaal belang is in de strijd tegen terrorisme en dat dit op een meer structurele basis moet gebeuren;

31.  veroordeelt elke analyse die kan leiden tot verwarring tussen terrorisme, onveiligheid, de islam en migranten;

32.  herinnert tegen de achtergrond van de recente terroristische aanslagen in Brussel, Parijs, Kopenhagen en Saint-Quentin-Fallavier aan het feit dat de EU de bedreiging voor de veiligheid in de EU dringend beter moet analyseren en zich moet richten op onmiddellijke prioriteiten voor de bestrijding van terrorisme: versterking van de veiligheid aan de EU-grenzen, de mogelijkheden voor melding van internetuitingen verbeteren, bestrijding van de illegale handel in vuurwapens en de uitwisseling van informatie en de operationele samenwerking tussen nationale rechtshandhavingsinstanties en inlichtingendiensten verbeteren;

33.  herinnert eraan dat het van cruciaal belang is de financiële stromen, waaronder financiële stromen buiten SWIFT om, op te sporen en te onderbreken bij de bestrijding van terroristische netwerken en georganiseerde criminele groeperingen; verwelkomt de inspanningen die zijn verricht om een eerlijke en evenwichtige deelname aan het Terrorist Finance Tracking Program (TFTP) te waarborgen;

34.  benadrukt dat de bedreiging van terrorisme van eigen bodem in de EU een gevaarlijk nieuw niveau heeft bereikt sinds moslimfundamentalisten in Syrië en Irak land hebben veroverd en een wereldwijde propagandacampagne zijn begonnen om hun krachten te bundelen met jihadisten en aanvallen uit te voeren binnen de EU;

35.  benadrukt dat de bedreiging die van buitenlandse strijders en terrorisme in het algemeen uitgaat een gelaagde aanpak vereist waarbij uitgebreid aandacht moet worden besteed aan onderliggende factoren zoals radicalisering, aan de ontwikkeling van sociale cohesie en inclusiviteit en het vergemakkelijken van herintegratie door de bevordering van politieke en religieuze tolerantie, het analyseren en tegengaan van het online aanzetten tot het verrichten van terroristische handelingen, het voorkomen van afreizen om zich bij terroristische groeperingen aan te sluiten, het voorkomen en indammen van ronseling voor en deelname aan gewapende conflicten, het verhinderen van financiële steun voor terroristische organisaties en personen die zich daarbij willen aansluiten, het waar nodig waarborgen van vastberaden rechtsvervolging en het voorzien in de nodige instrumenten voor rechtshandhavingsinstanties om hun taak te vervullen, met volledige eerbiediging van de grondrechten;

36.  verzoekt de Commissie samen met de lidstaten een echte strategie inzake Europese strijders te ontwikkelen – wat momenteel ontbreekt in de veiligheidsagenda – en met name ten aanzien van degenen die terugkeren uit conflictgebieden, uit de terroristische organisaties willen stappen die hen hadden gerekruteerd, en zich bereid tonen tot herintegratie in de samenleving; is van mening dat speciale aandacht moet uitgaan naar de situatie van jonge Europese strijders;

37.  herhaalt zijn voornemen ervoor zorgen dat er via openbaar en transparant onderzoek verantwoording wordt afgelegd voor ernstige schendingen van grondrechten onder het mom van de strijd tegen terrorisme, in het bijzonder in de context van het vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen in Europese landen door de CIA; dringt aan op de bescherming van personen die dergelijke schendingen aan het licht brengen, zoals journalisten en klokkenluiders;

Radicalisering

38.  is het erover eens dat het voorkomen van radicalisering een prioriteit moet zijn voor de EU; betreurt dat de agenda geen concretere maatregelen bevat om radicalisering in Europa aan te pakken, en dringt er bij de Commissie op aan onmiddellijk en alomvattend op te treden om de maatregelen te versterken die tot doel hebben radicalisering, gewelddadig extremisme en de verspreiding van extremistische ideologieën te voorkomen en integratie en inclusiviteit te bevorderen; dringt er bij de Commissie op aan het EU-netwerk voor voorlichting over radicalisering (RAN) te versterken, dat bestaat uit alle relevante actoren die betrokken zijn bij initiatieven om radicalisering op lokaal niveau te bestrijden, en duidelijkheid te scheppen omtrent het mandaat, de taken en het toepassingsgebied van het nieuw voorgestelde RAN-kenniscentrum; beveelt aan dat die structuur ook lokale en nationale besluitvormers bevat, teneinde de praktische uitvoering van de aanbevelingen van deskundigen en belanghebbenden te waarborgen; dringt aan op krachtigere maatregelen om het hoofd te bieden aan radicalisering via het internet alsook aan het op grote schaal gebruik maken van websites of sociale media om radicale ideologieën in Europa te verspreiden; verwelkomt de oprichting van een eenheid voor melding van internetuitingen bij Europol, om de lidstaten te ondersteunen bij het opsporen en verwijderen van gewelddadige extremistische online inhoud, in samenwerking met de sector, en roept de Commissie op de nodige bijkomende middelen te leveren voor het functioneren van die eenheid; betreurt het ontbreken van concrete maatregelen ter versterking van de rol van het internet als bewustmakingsmiddel tegen radicalisering, en met name voor de verspreiding online van proactieve tegenverhalen voor terroristische propaganda;

39.  wijst erop dat een succesvol veiligheidsbeleid de onderliggende oorzaken van extremisme, zoals radicalisering, intolerantie en discriminatie moet aanpakken door politieke en religieuze verdraagzaamheid te bevorderen, sociale cohesie en inclusiviteit te ontwikkelen en herintegratie te vergemakkelijken;

40.  is van mening dat met de financiële en operationele ondersteuning van de Commissie uitgebreid onderzoek en concrete maatregelen moeten worden ontwikkeld, teneinde via doeltreffende communicatiekanalen met alle Europese burgers onze gemeenschappelijke waarden van verdraagzaamheid, pluralisme, eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting en geweten, en onze grondrechten in het algemeen te bevorderen en te delen; is van oordeel dat de agenda tevens moet benadrukken dat moet worden gestreden tegen misvattingen over religies, met name de islam, die als zodanig geen rol spelen bij radicalisering en terrorisme;

41.  uit zijn bezorgdheid over de recente toename van gevallen van haatmisdrijven, ook online, jegens Europese burgers; verzoekt de lidstaten hun burgers te beschermen tegen toekomstige aanslagen, en het aanzetten tot haat en onverdraagzaamheid op grond van afkomst, godsdienst of overtuiging te voorkomen, onder meer via educatieve activiteiten die gericht zijn op jongeren en via de bevordering van een inclusieve dialoog;

Georganiseerde misdaad

42.  is het erover eens dat mensenhandel een fenomeen is dat efficiënter moet worden aangepakt op Europees niveau; is evenwel sterk gekant tegen ieder verband tussen illegale migratie en terrorisme; wijst erop dat het gebrek aan legale kanalen om in de EU bescherming te zoeken een constante vraag naar illegale kanalen genereert en zo kwetsbare migranten in gevaar brengt die internationale bescherming nodig hebben;

43.  benadrukt de grote rol van de georganiseerde misdaad op het gebied van mensenhandel; vestigt de aandacht op de extreme vormen van geweld en brutaliteit gepleegd door criminelen op deze bijzonder kwetsbare groep; is ingenomen met het bestaande kader en stemt in met de vaststelling van een strategie voor de periode na 2016, waar Europol en Eurojust gezien hun specifieke kennis op dit terrein bij betrokken moeten worden;

44.  erkent dat de strijd tegen de georganiseerde misdaad een krachtig Europees optreden vergt; steunt de Commissie in haar vastberadenheid om dit probleem aan te pakken; verzoekt de Commissie met name te zorgen voor nauwe samenwerking om de mensensmokkel aan te pakken, alsook voor samenwerking met derde landen om de smokkel van migranten te voorkomen en zo nieuwe tragedies in de Middellandse Zee te vermijden;

45.  wijst erop dat meer aandacht moet worden besteed aan ontwikkelingen inzake de grensoverschrijdende georganiseerde misdaad op het gebied van wapensmokkel, mensenhandel en de productie en verkoop van illegale drugs; stelt met tevredenheid vast dat de agenda het dynamische karakter van de drugsproblematiek erkent, en met name de band met de georganiseerde misdaad en de evoluerende dreiging van de marktinnovatie bij de productie en verkoop van zowel nieuwe als bestaande drugs; benadrukt dat het voorgestelde pakket inzake nieuwe psychoactieve stoffen dringend moet worden goedgekeurd en dringt er bij de Raad op aan hier werk van te maken;

46.  is van mening dat, naast EU-instrumenten ter bestrijding van georganiseerde misdaad en terrorisme, een Europese veiligheidsagenda mechanismen moet bevatten voor de bescherming van slachtoffers van deze ernstige vormen van criminaliteit, om verder slachtofferschap te voorkomen; wijst erop dat de bescherming van slachtoffers beschouwd moet worden als een belangrijk instrument ter bestrijding van georganiseerde misdaad en terrorisme, omdat het de plegers een duidelijk signaal geeft dat de samenleving zich niet bij geweld neerlegt en zich te allen tijde sterk maakt voor het beschermen van slachtoffers en hun waardigheid;

Cybercriminaliteit

47.  benadrukt dat terroristische organisaties en georganiseerde criminele groepen steeds vaker gebruik maken van de cyberspace om alle vormen van criminaliteit te bevorderen, en dat cybercriminaliteit en door internet gefaciliteerde criminaliteit een ernstige bedreiging vormen voor de burgers van de EU en de economie van de EU; merkt op dat cybercriminaliteit een nieuwe aanpak vergt op het gebied van de rechtshandhaving en justitiële samenwerking in het digitale tijdperk; wijst erop dat nieuwe technologische ontwikkelingen de impact van cybercriminaliteit in omvang en snelheid doen toenemen, en verzoekt de Commissie daarom een grondige analyse uit te voeren van de bevoegdheden van wetshandhavings- en gerechtelijke instanties en van hun juridische en technische mogelijkheden, zowel online als offline, opdat zij de cybercriminaliteit daadwerkelijk kunnen bestrijden, maar benadrukt hierbij dat alle handhavingsmaatregelen de grondrechten strikt moeten eerbiedigen, noodzakelijk en evenredig moeten zijn en in overeenstemming moeten zijn met de Europese en nationale wetgeving; dringt er met name bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat het recht op gebruik van versleuteling in de gehele Europese Unie intact blijft en dat het onderscheppen van communicatie in het kader van een politie-onderzoek of gerechtelijke procedure altijd mogelijk blijft met de passende justitiële toestemming, maar dat de lidstaten geen maatregelen toepassen om het recht van personen om gebruik te maken van versleuteling te beperken; verzoekt de Commissie de eenheid voor melding van internetuitingen bij Europol de extra middelen te geven die nodig zijn voor haar werking in plaats van over te gaan tot een interne herverdeling van posten, onder meer met personeel van het Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit (EC3), dat over voldoende personeel moet kunnen blijven beschikken;

48.  onderstreept het cruciale belang van onderzoek en innovatie zodat de EU kan blijven inspelen op de veranderende veiligheidsbehoeften; wijst op het belang van een concurrentiële Europese veiligheidsindustrie die moet bijdragen aan de autonomie van de EU op het gebied van veiligheid; herhaalt zijn verzoek om meer autonomie op het gebied van IT-veiligheid in de EU, en herhaalt dat moet worden overwogen veiligheidsvoorzieningen en -diensten voor kritieke infrastructuur en openbare diensten in de EU zelf te vervaardigen;

49.  verzoekt de Commissie een passende bewustmakings- en paraatheidscampagne te starten inzake de gevaren van ernstige cybercriminaliteit, om de weerbaarheid tegen cyberaanvallen te versterken;

50.  verwelkomt de door EC3 verrichte werkzaamheden ter bestrijding van ernstige transnationale cybercriminaliteit en door internet gefaciliteerde criminaliteit; benadrukt de belangrijke rol die EC3 speelt door de lidstaten te ondersteunen, in het bijzonder bij de bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen; wijst nogmaals op de aankondigingen van de Commissie dat zij EC3 zal voorzien van de nodige deskundigen en financiële middelen om Europese samenwerking te stimuleren op gebieden waar sinds de oprichting van EC3 in 2013 geen aandacht aan is besteed;

51.  verzoekt de Commissie een omvattende evaluatie uit te voeren van de bestaande maatregelen ter bestrijding van online seksuele uitbuiting van kinderen en te beoordelen of verdere wetgevingsinstrumenten nodig zijn, en na te gaan of Europol over voldoende expertise, middelen en personeel beschikt om deze afschuwelijke vorm van criminaliteit aan te pakken;

Financiering

52.  betreurt dat de Commissie in de ontwerpbegroting voor 2016 voorziet in een verhoging van de begroting van Europol met slechts ongeveer 1,5 miljoen EUR, wat niet volstaat voor de in de agenda geplande oprichting van een Europees centrum voor terrorismebestrijding en een eenheid voor melding van internetuitingen;

53.  verwelkomt de verklaring die de eerste vicevoorzitter van de Commissie, Frans Timmermans, uitsprak in het Europees Parlement en waarin hij zei dat de Commissie de beschikbare financiële middelen zal afstemmen op de prioriteiten van de veiligheidsagenda; benadrukt in dit verband eens te meer dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat de relevante EU-agentschappen worden voorzien van passende menselijke en financiële middelen om hun huidige en toekomstige taken in het kader van de veiligheidsagenda te kunnen uitvoeren; is van plan de uitvoering en de toekomstige behoeften van het Fonds voor interne veiligheid uitgebreid te onderzoeken en te evalueren op EU- en nationaal niveau;

o
o   o

54.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 150 van 20.5.2014, blz. 93.
(2) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 45.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0173.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0230.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0102.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0032.
(7) PB L 381 van 28.12.2006, blz. 4.
(8) P7_TA(2014)0172.


De situatie in Jemen
PDF 183kWORD 79k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 over de situatie in Jemen (2015/2760(RSP))
P8_TA(2015)0270RC-B8-0680/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Jemen,

–  gezien de verklaring van 26 maart 2015 van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, over de situatie in Jemen,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 1 april 2015 van de VV/HV, Federica Mogherini, en de commissaris voor Humanitaire Hulp en Crisisbeheersing, Christos Stylianides, over de gevolgen van de gevechten in Jemen,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 11 mei 2015 van de VV/HV, Federica Mogherini, en de commissaris voor Humanitaire Hulp en Crisisbeheersing, Christos Stylianides, over het voorstel voor een wapenstilstand in Jemen,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 3 juli 2015 van de VV/HV, Federica Mogherini, en de commissaris voor Humanitaire Hulp en Crisisbeheersing, Christos Stylianides, over de crisis in Jemen,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 april 2015 over Jemen,

–  gezien resoluties 2014 (2011), 2051 (2012), 2140 (2014), 2201 (2015) en 2216 (2015) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties,

–  gezien de verklaring van 24 mei 2015 van de medevoorzitters van de 24ste Gezamenlijke Raad en ministeriële bijeenkomst van de Samenwerkingsraad van de Golf en de Europese Unie (GCC-EU),

–  gezien de persverklaring van de VN-Veiligheidsraad van 25 juni 2015 over de situatie in Jemen,

–  gezien het vredesakkoord en de nationale partnerschapsovereenkomst van 21 september 2014, het document met de resultaten van de conferentie voor nationale dialoog van 25 januari 2014 en het initiatief van de Samenwerkingsraad van de Golf van 21 november 2011,

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de huidige crisis in Jemen het gevolg is van het feit dat de opeenvolgende regeringen er niet in zijn geslaagd tegemoet te komen aan het legitieme verlangen van de Jemenitische bevolking naar democratie, economische en sociale ontwikkeling, stabiliteit en veiligheid; overwegende dat hierdoor een gewelddadig conflict kon uitbreken, omdat er geen inclusieve regering werd gevormd, de macht niet eerlijk werd verdeeld en de vele tribale spanningen, de algemene onveilige situatie en de verlamde economie stelselmatig werden genegeerd;

B.  overwegende dat het conflict in Jemen zich heeft uitgebreid tot 20 van de 22 gouvernementen; overwegende dat volgens de laatste geconsolideerde cijfers van de Wereldgezondheidsorganisatie tussen 19 maart en 5 mei 2015 ten minste 1 439 doden zijn gevallen en 5 951 mensen, waaronder veel burgers, gewond zijn geraakt; overwegende dat sinds het uitbreken van de vijandelijkheden meer dan 3 000 doden zijn gevallen en meer dan 10 000 mensen gewond zijn geraakt;

C.  overwegende dat Jemen een van de armste landen van het Midden-Oosten is, met hoge werkloosheidscijfers en wijdverbreid analfabetisme en een gebrek aan basisvoorzieningen; overwegende dat thans 20 miljoen mensen humanitaire hulp nodig hebben, waaronder naar schatting 9,4 miljoen Jemenitische kinderen, meer dan 250 000 vluchtelingen en 335 000 ontheemden in eigen land;

D.  overwegende dat de recente ontwikkelingen ernstige risico's inhouden voor de stabiliteit in de regio, met name in de Hoorn van Afrika, het gebied rond de Rode Zee en het Midden-Oosten in ruimere zin;

E.  overwegende dat op 26 maart 2015 een door Saudi-Arabië geleide coalitie, waar Bahrein, Egypte, Jordanië, Koeweit, Marokko, Qatar, Sudan en de Verenigde Arabische Emiraten deel van uitmaken, op verzoek van de Jemenitische president Abd-Rabbu Mansour Hadi in Jemen een militair offensief tegen de Houthi-rebellen heeft ingezet; overwegende dat deze coalitie naar verluidt internationaal verboden clusterbommen in Jemen gebruikt en overwegende dat deze situatie momenteel onderzocht wordt door de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten;

F.  overwegende dat in Jemen talloze burgerslachtoffers zijn gemaakt door de gewapende Houthi-groepen en daarbij aangesloten strijdkrachten, onder meer door het gebruik van luchtafweermunitie die na het neerkomen in bewoonde gebieden ontploft, waardoor burgers worden gedood en verminkt;

G.  overwegende dat diverse malen bij luchtaanvallen van de door Saudi-Arabië geleide militaire coalitie burgers in Jemen zijn gedood, hetgeen in strijd is met het internationaal humanitair recht, en dat derhalve alle mogelijke stappen moeten worden ondernomen om burgerslachtoffers te voorkomen of tot een minimum te beperken;

H.  overwegende dat Saudi-Arabië niet alleen luchtaanvallen heeft uitgevoerd, maar Jemen ook een zeeblokkade heeft opgelegd, met dramatische gevolgen voor de burgerbevolking, waarvan bijna 80 % (22 miljoen mensen) dringend behoefte heeft aan voedsel, water en medische benodigdheden;

I.  overwegende dat VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon op 15 juni 2015, in het licht van de VN-vredesbesprekingen, heeft opgeroepen tot een nieuw humanitair bestand van ten minste twee weken tijdens de ramadan, zodat alle Jemenieten in nood kritieke hulp kunnen krijgen, maar dat er geen akkoord is bereikt; overwegende dat de oorlogvoerende partijen in Jemen op 19 juni 2015 geen staakt-het-vuren-overeenkomst hebben bereikt tijdens de diplomatieke besprekingen die tot stand zijn gebracht door de speciale gezant van de VN, Ismail Ould Cheikh Ahmed;

J.  overwegende dat op 30 juni 2015 naar schatting 1 200 gevangenen, waaronder personen die ervan verdacht worden tot Al Qaida te behoren, ontsnapten uit de gevangenis van de stad Taïz; overwegende dat er in april 2015 al 300 gevangenen ontsnapt waren uit een andere gevangenis in de provincie Hadramout; overwegende dat er terroristische aanslagen worden gepleegd in Jemen, zoals de aanslagen van 17 juni 2015 in Sanaa, onder meer op drie moskeeën, waarbij talrijke doden en gewonden zijn gevallen;

K.  overwegende dat de VN op 1 juli 2015 crisisniveau 3 hebben afgekondigd in Jemen, dat geldt als het allerhoogste niveau; overwegende dat de VN in het kader van haar hulpprogramma 11,7 miljoen van de meest hulpbehoevende mensen zal proberen te bereiken; overwegende dat de gezondheidszorg ineen zou dreigen te storten nu minstens 160 zorginstellingen gesloten zijn vanwege onveiligheid en een gebrek aan brandstof en voorraden;

L.  overwegende dat 15,9 miljoen mensen in Jemen humanitaire hulp nodig hebben; overwegende dat kinderen, de meest kwetsbare bevolkingsgroep, vanwege de algemeen heersende onveiligheid geen toegang hebben tot de gezondheidszorg en voeding die zij nodig hebben;

M.  overwegende dat 9,9 miljoen kinderen ernstig worden getroffen door het conflict en dat sinds maart 2015 279 kinderen zijn gedood en 402 kinderen gewond zijn geraakt; overwegende dat minstens 1,8 miljoen kinderen wegens sluitingen van scholen in verband met het conflict geen toegang tot onderwijs meer hebben, waardoor zij een groter risico lopen door gewapende groeperingen te worden gerekruteerd of gebruikt en op andere manieren te worden misbruikt; overwegende dat uit informatie van Unicef blijkt dat bijna een derde van alle strijders in Jemen kinderen zijn, waarbij alleen al tussen 26 maart en 24 april 2015 ten minste 140 kinderen zijn gerekruteerd; overwegende dat is bevestigd dat in 2014 156 kinderen zijn gerekruteerd en ingezet in gewapende groeperingen; overwegende dat dit cijfer in 2015 al is verdubbeld;

N.  overwegende dat Unicef schat dat meer dan een half miljoen kinderen jonger dan vijf jaar het risico lopen ernstige acute ondervoeding te ontwikkelen, terwijl 1,2 miljoen kinderen jonger dan vijf jaar risico lopen op gematigde acute ondervoeding – bijna een verdubbeling sinds het begin van de crisis;

O.  overwegende dat het gezondheidsstelsel op instorten staat en dat door het sluiten van de vaccinatiediensten ongeveer 2,6 miljoen kinderen jonger dan vijftien jaar het risico lopen besmet te raken met de mazelen en 2,5 miljoen kinderen met buikloop, een potentieel dodelijke ziekte die zich tijdens conflicten en volksverhuizingen snel verspreidt; overwegende dat de knokkelkoorts-epidemie snel toeneemt, dat patiënten met chronische ziekten geen behandeling krijgen en dat vitale medische benodigdheden en medisch personeel de beoogde personen niet kunnen bereiken;

P.  overwegende dat de brandstof in Jemen snel opraakt en dat dit nu al de distributie van hulpgoederen ernstig belemmert en weldra zal leiden tot een levensbedreigend watertekort, omdat het onder droogte lijdende Jemen voor zijn watervoorziening geheel afhankelijk is van gemotoriseerde pompen in diepe putten;

Q.  overwegende dat Jemen ook de rechtstreeks gevolgen ondervindt van de humanitaire crisis in de Hoorn van Afrika, aangezien meer dan 250 000 vluchtelingen, vooral uit Somalië, in het land vastzitten en er in precaire omstandigheden leven; overwegende dat Jemen bovendien volgens ramingen van de regering ongeveer een miljoen Ethiopische migranten telt;

R.  overwegende dat humanitaire organisaties het merendeel van hun buitenlands personeel uit het land hebben geëvacueerd, vanwege de verslechterende veiligheidssituatie; overwegende dat slechts weinig organisaties nog in Jemen kunnen werken en dat hun handelingsvrijheid ernstig beperkt is;

S.  overwegende dat Al Qaida op het Arabische Schiereiland (AQAP) heeft kunnen profiteren van de verslechtering van de politieke en veiligheidssituatie in Jemen om zijn aanwezigheid op te voeren en het aantal en de impact van zijn terroristische aanvallen te vergroten;

T.  overwegende dat de zogenaamde Islamitische Staat (ISIS)/Da'esh zich in Jemen heeft gevestigd en terroristische aanslagen heeft uitgevoerd op sjiitische moskeeën, waarbij honderden mensen zijn omgekomen; overwegende dat naar verwachting zowel AQAP als ISIS/Da'esh van het machtsvacuüm in Jemen zullen profiteren om hun capaciteiten te verhogen en aanslagen te beramen op Jemenitische veiligheidstroepen, Houthi's en elke westerse aanwezigheid;

U.  overwegende dat de escalatie van het gewapende conflict een bedreiging vormt voor het culturele erfgoed in Jemen; overwegende dat het Werelderfgoedcomité op 2 juli 2015 twee locaties in Jemen heeft opgenomen op de lijst van bedreigd werelderfgoed, te weten de oude stad van Sanaa en de oude ommuurde stad Shibam;

V.  overwegende dat de EU een wapenembargo en verdere gerichte sancties heeft opgelegd aan een Houthi-leider en de zoon van voormalig president Ali Abdullah Saleh; overwegende dat dezelfde beperkingen al sinds december 2014 gelden voor twee andere leden van de Houthi-beweging, alsook voor de voormalig president;

W.  overwegende dat de afdeling van de Commissie voor humanitaire hulp en civiele bescherming (ECHO) in 2015 een bedrag van 25 miljoen EUR aan humanitaire steun heeft uitgetrokken voor gemeenschappen in het land die getroffen worden door acute ondervoeding, het gewapende conflict en gedwongen verplaatsing; overwegende dat de totale EU-steun ‒ van de lidstaten en de Commissie tezamen ‒ voor humanitaire hulp in Jemen in 2014 100,8 miljoen EUR bedroeg, waarvan 33 miljoen EUR afkomstig was van ECHO;

X.  overwegende dat in de herziene humanitaire oproep van de VN sprake was van een bedrag van 1,6 miljard USD, maar dat slechts circa 10 % van dat bedrag momenteel is gefinancierd;

1.  is ernstig bezorgd over de snel verslechterende politieke, humanitaire en veiligheidssituatie in Jemen; roept alle strijdende partijen op het geweld onmiddellijk te staken; betuigt zijn medeleven met de nabestaanden van de slachtoffers; onderstreept dat de EU zich zal blijven inzetten om Jemen en de Jemenitische bevolking bij te staan;

2.  verklaart nogmaals zijn krachtige steun voor de eenheid, soevereiniteit, onafhankelijkheid en territoriale integriteit van Jemen en dat het de Jemenitische bevolking bijstaat;

3.  veroordeelt de destabiliserende en gewelddadige unilaterale acties van de Houthi's en militaire troepen die loyaal zijn aan voormalig president Saleh; veroordeelt eveneens de luchtaanvallen van de door Saudi-Arabië geleide coalitie en de zeeblokkade van Jemen, die geleid hebben tot duizenden doden, Jemen verder hebben gedestabiliseerd, omstandigheden hebben gecreëerd die bijdragen tot de verspreiding van terroristische en extremistische organisaties, zoals ISIS/Da'esh en AQAP, en de reeds kritieke humanitaire situatie hebben verslechterd;

4.  roept alle partijen in Jemen, en met name de Houthi's, op om hun geschillen op te lossen door middel van dialoog en overleg; roept tevens alle regionale actoren op om constructief met de Jemenitische partijen samen te werken met het oog op een de­escalatie van de crisis en het voorkomen van nog meer instabiliteit in de regio; roept alle partijen op zich te onthouden van beschietingen of luchtaanvallen op locaties van het cultureel erfgoed en om deze locaties niet voor militaire doeleinden te gebruiken;

5.  is verheugd over het feit dat de EU zich andermaal vastbesloten heeft verklaard om de dreiging die uitgaat van extremistische en terroristische groeperingen zoals AQAP aan te pakken en hen te beletten de huidige situatie verder uit te buiten;

6.  veroordeelt elke vorm van geweld en elke poging tot of dreiging met het gebruik van geweld tegen deelnemers aan door de VN tot stand gebrachte gesprekken; onderstreept dat de door de VN tot stand gebrachte inclusieve politieke dialoog een door de Jemenieten geleid proces moet zijn, waarbij wordt gestreefd naar een op consensus gebaseerde politieke oplossing van de crisis in Jemen, in overeenstemming met het GCC-initiatief en het bijbehorende uitvoeringsmechanisme, de resultaten van de veelomvattende conferentie voor nationale dialoog, het vredesakkoord en de nationale partnerschapsovereenkomst alsook de relevante resoluties van de VN-Veiligheidsraad;

7.  veroordeelt in de scherpste bewoordingen de terroristische aanvallen van ISIS/Da'esh op sjiitische moskeeën in Sanaa en Saada, waarbij honderden mensen zijn omgekomen en gewond zijn geraakt, alsook de verspreiding van de extreme sektarische ideologie die de basis vormt voor deze misdaden;

8.  is verontrust over het feit dat AQAP heeft kunnen profiteren van de verslechterende politieke en veiligheidssituatie in Jemen; dringt er bij alle partijen in het conflict op aan blijk te geven van hun vastberadenheid om de hoogste prioriteit toe te kennen aan de strijd tegen extremistische en terroristische groeperingen als ISIS/Da'esh en AQAP;

9.  veroordeelt het rekruteren en gebruiken van kinderen door de partijen in het conflict;

10.  betuigt zijn volledige steun aan de inspanningen van de VN en Ismail Ould Cheikh Ahmed, de speciale gezant van de secretaris-generaal van de VN voor Jemen, om te bemiddelen bij de vredesonderhandelingen tussen de partijen; steunt de inspanningen van Oman om een staakt-het-vuren tussen de Houthi's en de aan de regering van Jemen loyale troepen te bereiken als eerste stap in de richting van onderhandelingen over een politieke oplossing;

11.  benadrukt dat alleen een politieke, inclusieve en via onderhandelingen tot stand gekomen oplossing voor het conflict mogelijk is; dringt er derhalve bij alle Jemenitische partijen op aan via dialoog, compromis en het verdelen van macht te werken aan de oplossing van hun geschillen, zodat een regering van nationale eenheid kan worden gevormd teneinde de vrede te herstellen, een economische en financiële instorting van het land te voorkomen en de humanitaire crisis aan te pakken;

12.  roept op tot een humanitair bestand, zodat zo snel mogelijk levensreddende bijstand kan worden geboden aan de Jemenitische bevolking; vraagt alle partijen met klem de verstrekking van humanitaire noodhulp aan alle delen van Jemen te vereenvoudigen en voor een snelle, veilige en ongehinderde doorgang te zorgen zodat humanitaire organisaties burgers kunnen bereiken die humanitaire hulp - inclusief medische verzorging - nodig hebben, in overeenstemming met de beginselen van onpartijdigheid, neutraliteit en onafhankelijkheid; herhaalt eveneens dat de toegang tot Jemen voor commerciële leveringen daarom absoluut moet worden versoepeld;

13.  roept alle partijen op om het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten na te leven, burgers te beschermen, zich te onthouden van aanvallen op civiele infrastructuur, met name medische faciliteiten en watervoorziening, en van het gebruik van civiele gebouwen voor militaire doeleinden, en om zo spoedig mogelijk met de VN en humanitaire hulporganisaties samen te werken om bijstand te verlenen aan wie hulp nodig heeft;

14.  onderstreept dat gecoördineerd humanitair optreden onder leiding van de VN noodzakelijk is, en dringt er bij alle landen op aan bij te dragen aan het lenigen van de humanitaire noden; verzoekt de internationale gemeenschap bij te dragen tot de herziene humanitaire oproep van de VN;

15.  vraagt om een onafhankelijk internationaal onderzoek naar alle vermeende schendingen van de internationale mensenrechten en het internationaal humanitair recht;

16.  wijst op de vooruitgang die is geboekt in het constituerende comité en verzoekt om een inclusieve en transparante grondwet die tegemoet komt aan de legitieme aspiraties van de Jemenitische bevolking, waarin de resultaten van de conferentie voor nationale dialoog tot uitdrukking komen, en om het houden van een referendum over de ontwerpgrondwet alsook van tijdige algemene verkiezingen, zodat voorkomen kan worden dat de humanitaire en veiligheidssituatie in Jemen verder verslechtert;

17.  herhaalt dat vrijheid van godsdienst en overtuiging een grondrecht is, en veroordeelt met klem elke vorm van geweld of discriminatie op grond van godsdienst en overtuiging in Jemen; betuigt andermaal zijn steun voor alle initiatieven om de dialoog en het wederzijds respect tussen religieuze en andere gemeenschappen te bevorderen; verzoekt alle religieuze autoriteiten verdraagzaamheid te bevorderen en initiatieven te nemen tegen haat, sektarisme en gewelddadige en extremistische radicalisering;

18.  verzoekt de VV/HV om samen met de lidstaten binnen de VN met spoed te zoeken naar steun voor een groots internationaal plan om de watervoorziening in Jemen te garanderen, omdat een dergelijke stap essentieel kan zijn om een mogelijk vredesproces tot een succesvol einde te brengen en de bevolking het perspectief te bieden dat zij de landbouw kan verbeteren, zichzelf kan voeden en het land weer op kan bouwen;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de Samenwerkingsraad van de Golf, de secretaris-generaal van de Liga van Arabische Staten en de regering van Jemen.


Veiligheidsuitdagingen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika en vooruitzichten voor politieke stabiliteit
PDF 236kWORD 126k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 over de veiligheidsuitdagingen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika en de vooruitzichten voor politieke stabiliteit (2014/2229(INI))
P8_TA(2015)0271A8-0193/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 8 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Irak, anderzijds, en zijn standpunt van 17 januari 2013 over die overeenkomst(1),

–  gezien de Europese veiligheidsstrategie van 12 december 2003 en de verklaring van de Raad van 11 december 2008 over de versterking van vermogens,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie van 8 maart 2011 getiteld "Een partnerschap voor democratie en gedeelde welvaart met het zuidelijke Middellandse Zeegebied" (COM(2011)0200),

–  gezien het partnerschap van Deauville dat in het leven werd geroepen door de G8 tijdens de top van staatshoofden en regeringsleiders in Deauville op 21 mei 2011,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie van 25 mei 2011 getiteld "Inspelen op de veranderingen in onze buurlanden" (COM(2011)0303),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie van 6 februari 2015 over de elementen voor een regionale strategie van de EU voor Syrië en Irak en de dreiging die uitgaat van Da'esh (JOIN(2015)0002),

–  gezien de verklaring die is goedgekeurd tijdens de derde bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie en de Arabische Liga (LAS) in Athene op 11 juni 2014, evenals het memorandum van overeenstemming van 19 januari 2015 tussen de Europese Dienst voor extern optreden en het secretariaat-generaal van de Arabische Liga,

–  gezien de conclusies van de Raad over Irak en Syrië van 30 augustus 2014,

–  gezien de conclusies van de internationale conferentie over vrede en veiligheid in Irak, die op 15 september 2014 in Parijs is gehouden,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 17 november 2014 over het vredesproces in het Midden-Oosten,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 15 december 2014 over een regionale EU-strategie voor Syrië en Irak,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 9 februari 2015 over terrorismebestrijding,

–  gezien zijn resolutie van 24 maart 2011 over de betrekkingen van de Europese Unie met de Samenwerkingsraad van de Golf(2),

–  gezien zijn resolutie van 10 maart 2011 over de benadering van Iran door de EU(3),

–  gezien zijn resolutie van 14 december 2011 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid(4),

–  gezien zijn resolutie van 10 mei 2012 over "Trade for Change": het handels- en investeringsbeleid van de EU voor het zuidelijk Middellandse Zeegebied na de Arabische voorjaarsrevoluties(5),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2014 over Saoedi-Arabië, zijn betrekkingen met de EU en zijn rol in het Midden-Oosten en Noord-Afrika(6),

–  gezien zijn resolutie van 18 september 2014 over de situatie in Irak en Syrië, en het IS-offensief, inclusief de vervolging van minderheden(7),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2015 over de situatie in Libië(8),

–  gezien zijn resolutie van 12 februari 2015 over de humanitaire crisis in Irak en Syrië, met name in de context van IS(9),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over de betrekkingen tussen de EU en de Liga van Arabische Staten en samenwerking op het gebied van terrorismebestrijding(10),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over recente aanvallen en ontvoeringen door ISIS/Da'esh in het Midden-Oosten, met name van Assyriërs(11),

–  gezien de conclusies van de bijeenkomst van vertegenwoordigers van Libische gemeenten van 23 maart 2015 in Brussel, bijeengeroepen door de Ondersteuningsmissie van de Verenigde Naties in Libië, waarbij de Europese Unie als gastheer optrad,

–  gezien de vergadering van de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU en landen van het zuidelijk Middellandse Zeegebied, georganiseerd door Spanje, het Letse voorzitterschap en de EU, die op 13 april 2015 in Barcelona werd gehouden om de toekomst van het Europees nabuurschapsbeleid te bespreken,

–  gezien de resoluties 2139 (2014), 2165 (2014) en 2191 (2014) van de VN-Veiligheidsraad waarin de VN en haar partners toegang wordt verleend over grenzen en scheidingslijnen heen, om in Syrië zonder toestemming van de staat humanitaire hulp te verlenen,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0193/2015),

A.  overwegende dat de conflicten in Syrië, Irak, Jemen en Libië en de toenemende spanningen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika (MONA) belangrijke bronnen van destabilisatie in die regio zijn; overwegende dat in de strijd tegen het terrorisme de fronten in het Midden-Oosten en in de Sahel met elkaar verbonden zijn en dat zij dichtbij het kwetsbare gebied van de Hoorn van Afrika liggen; overwegende dat deze situatie rampzalige gevolgen heeft voor de veiligheid in de hele regio, aangezien zij blijvende schade toebrengen aan de politieke en economische ontwikkeling, de essentiële infrastructuur en de demografische samenhang in de regio; overwegende dat deze ontwikkelingen ernstige risico's met zich meebrengen voor de Europese veiligheid, burgers en belangen; overwegende dat het aantal burgerslachtoffers en de tegen burgers begane terreurdaden hoog is; overwegende dat ernstige schendingen van de mensenrechten en het humanitaire recht worden begaan, in het bijzonder jegens etnische en religieuze minderheden; overwegende dat deze conflicten een ernstige humanitaire crisis veroorzaken, die grootschalige volksverhuizingen met zich meebrengt en leidt tot uiterst moeilijke leefomstandigheden voor vluchtelingen en hun gastgemeenschappen; overwegende dat het moeilijk blijft om een coherente strategie voor de oplossing van de conflicten te vinden en een inclusieve dialoog op te zetten waarbij verschillende legitieme en betrouwbare spelers worden betrokken;

B.  overwegende dat het, gezien de nieuwe situatie die is ontstaan door de gevolgen van de Arabische revoluties in de betrokken landen en de complexiteit en de noodzaak van de strijd tegen ISIS en andere terroristische organisaties, nodig is het engagement van de Unie in de MONA-regio te herzien; overwegende dat het zaak is de druk op autoritaire regimes op te voeren, opdat zij inclusieve beleidsmaatregelen nemen; overwegende dat de doelstelling van stabilisatie in de regio niet alleen een kwestie is van veiligheid, maar ook een economische, politieke en sociale dimensie heeft, waardoor de Unie en haar lidstaten genoodzaakt zijn op de middellange en lange termijn strategische, globale en veelzijdige beleidsmaatregelen te ontwikkelen en volledige samenwerking met de spelers in de regio op te zetten;

C.  overwegende dat de terroristische organisatie ISIS/Da'esh in Noord-Irak en Syrië is begonnen met systematische etnische zuiveringen en daarbij oorlogsmisdaden begaat tegen etnische en religieuze minderheden, zoals massale standrechtelijke executies en ontvoeringen; overwegende dat de VN reeds hebben bericht over gerichte moorden, gedwongen bekeringen, ontvoeringen, vrouwenhandel, slavernij van vrouwen en kinderen, aanwerving van kinderen voor zelfmoordaanslagen, seksueel en lichamelijk misbruik en foltering; overwegende dat christenen, jezidi's, Turkmenen, shabak, kaka'i, Sabeeën en sjiieten het doelwit geworden zijn van ISIS/Da'esh, net als vele Arabieren en soennitische moslims;

D.  overwegende dat zich momenteel in het Midden-Oosten en Noord-Afrika ingrijpende geopolitieke veranderingen voltrekken die het regionale evenwicht grondig en op onvoorspelbare wijze kunnen verstoren; overwegende de escalerende crises en conflicten met een politieke, etnische en sektarische dimensie, de toegenomen macht van paramilitaire groepen en de zwakte en het ineenstorten van bepaalde staten of regimes in de regio; overwegende dat als gevolg hiervan talrijke schendingen van de mensenrechten worden begaan; overwegende dat de MONA-landen en de internationale gemeenschap gedeelde veiligheidsbelangen hebben wat betreft de bestrijding van terrorisme en de steun voor inclusieve, daadwerkelijke democratische hervormingen in de regio;

E.  overwegende dat de conflicten in Irak en Syrië alsook het conflict in Jemen en Libië de regionale en internationale spanningen verscherpen; overwegende dat religieuze en etnische motieven als instrument worden gebruikt voor politieke doeleinden en in machtsverhoudingen; overwegende dat aldus het risico is ontstaan van een confrontatie tussen soennieten en sjiieten die verder reikt dan de onmiddellijke geografische grenzen;

F.  overwegende dat Tunesië het meest opmerkelijke voorbeeld is van democratisering na de Arabische revolutie, maar dat het land op 18 maart 2015 werd getroffen door een door ISIS/Da'esh opgeëiste terroristische aanslag, die andermaal duidelijk maakt dat de landen in de regio, met name Tunesië, sterke en voortgezette steun nodig hebben;

G.  overwegende dat in de EU-richtsnoeren van 2008 inzake geweld tegen vrouwen en meisjes is neergelegd dat de bevordering van de rechten van de vrouw en de bevordering van gendergelijkheid een essentieel onderdeel moeten vormen van de politieke en mensenrechtendialoog tussen de EU en de MONA-landen; overwegende dat betrokkenheid en een sterke positie van vrouwen in de publieke ruimte en op politiek, economisch en cultureel gebied in MONA-landen van essentieel belang is voor de bevordering van stabiliteit, vrede en economische welvaart op de lange termijn; overwegende dat versterking van de positie van vrouwen door middel van onderwijs van wezenlijk belang is om vrouwen en meisjes op al deze gebieden een grotere rol te laten spelen; overwegende dat maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor vrouwenrechten en gendergelijkheid in belangrijke mate kunnen bijdragen aan de verbetering van de positie van vrouwen in de MONA-landen;

H.  overwegende dat de invloed van de lidstaten in de regio zeer ongelijk is; overwegende dat de invloed van de Europese Unie in de regio moet worden vergroot; overwegende dat politieke en economische stabiliteit op de lange termijn in de MONA-regio van fundamenteel strategisch belang is voor de Unie; overwegende dat de Unie in dit verband een belangrijke rol te spelen heeft bij de bevordering van conflictoplossing en democratisch bestuur in de MONA-regio;

I.  overwegende dat de hulp van de EU aan de MONA-landen in het verleden te sterk gefragmenteerd was en zich niet snel genoeg wist aan te passen aan de politieke en economische behoeften van de betrokken landen waardoor het vermogen van de EU werd ondermijnd om in de regio een belangrijke rol vervullen;

J.  overwegende dat de bijstand van de Europese Unie aan de MONA-landen, met name in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB), in het verleden te vaak dezelfde ongedifferentieerde strategische benadering heeft toegepast zonder voldoende rekening te houden met de specifieke situatie in de betrokken landen en zonder vast te stellen welke partners in het maatschappelijk middenveld steun en bijstand bij hun capaciteitsopbouw nodig hebben; overwegende dat de pogingen tot een democratische overgang na de zogenaamde Arabische lentes feitelijk en structureel ondersteund moeten worden met een langetermijnbenadering;

K.  overwegende dat de ingrijpende veranderingen in de MONA-regio gevolgen hebben voor het vermogen van de EU om haar politieke en democratische waarden te bevorderen; overwegende dat deze omwentelingen van invloed zijn op de ontwikkeling van de economische betrekkingen van de EU met de betrokken landen en haar energiezekerheid in gevaar kunnen brengen;

L.  overwegende dat de EU gedwongen is geweest noodmaatregelen te nemen in reactie op opeenvolgende crises in de MONA-regio die ze ondanks bepaalde signalen niet had voorzien, waardoor ze de fundamentele elementen niet kon analyseren, noch de complexiteit, verwachtingen en vooruitzichten die de Arabische revoluties van 2011 met zich meebrachten; overwegende dat de EU er met name niet in is geslaagd te reageren op de noodzaak van een langetermijnstrategie voor het ondersteunen en begeleiden van een echte democratische overgang, economische ontwikkeling en politieke stabiliteit; overwegende dat de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie, op basis van het mandaat dat de Europese Raad van december 2013 haar heeft toegekend, een essentieel strategisch denkproces heeft gestart; overwegende dat door de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) een uitgebreid raadplegingsproces is opgestart met het oog op een herziening ENB; overwegende dat de structuur van de EDEO het mogelijk maakt per land een politieke en strategische analyse op stellen die een sleutelfactor zou moeten vormen bij het plannen van steun aan de landen in de regio, mede in het kader van het ENB;

M.  overwegende dat de EU in staat moet zijn een positieve hefboomwerking op de MONA-landen uit te oefenen en daarom meer moet kunnen bieden dan alleen een vooruitzicht op economische samenwerking en met name moet zorgen voor een grootschalig politiek en strategisch partnerschap;

N.  overwegende dat bij de aanslagen die zich tussen 26 en 30 juni 2015 in Tunesië, Koeweit en Jemen hebben voorgedaan en die door Da'esh/ISIS zijn opgeëist, 92 mensen om het leven zijn gekomen en honderden anderen gewond zijn geraakt; overwegende dat deze aanslagen andermaal duidelijk maken dat de veiligheidsuitdagingen en het gebrek aan politieke stabiliteit in de regio efficiënt moeten worden aangepakt;

Het aanpakken van de bedreigingen en de veiligheidssituatie

1.  roept de EU en haar lidstaten op de diepere oorzaken van de snel verslechterende situatie in de MONA-regio aan te pakken middels een holistische en ambitieuze benadering; steunt de internationale campagne tegen ISIS/Da'esh en is ingenomen met de vastbeslotenheid van de coalitiepartners om in het kader van een gemeenschappelijke strategie samen te werken; is vooral ingenomen met het optreden van de EU‑lidstaten die aan de internationale coalitie tegen ISIS deelnemen hetzij in de vorm van directe aanvallen hetzij met logistieke, financiële en humanitaire acties; dringt echter aan op een verhoogde mobilisatie op alle gebieden en onderstreept de noodzaak van beter op elkaar afgestemde acties; wijst erop dat het dienstig zou zijn deze acties onder de auspiciën van de EU te coördineren, zo nodig in het kader van een operatie van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB), en verzoekt de EU met het oog hierop toereikende operationele capaciteiten te ontwikkelen en een daadwerkelijk gemeenschappelijke Europese defensie in het leven te roepen; onderstreept echter dat voor de strijd tegen ISIS/Da'esh, het al-Nusra-front en andere terroristische groeperingen een reactie moet worden gevonden die inspeelt op de politieke en regionale verschillen; verzoekt de Unie op te treden als belangrijkste facilitator van een regionale dialoog en alle betrokken regionale partijen daarin te betrekken, met name de LAS, Saoedi-Arabië, Egypte, Turkije en Iran; wijst erop dat het belangrijk is in te gaan op de gerechtvaardigde eisen van de lokale bevolking, met name de eisen die tijdens de Arabische lente van 2011 zijn geuit, teneinde te zorgen voor de stabiliteit van de regio op de lange termijn; wijst op de recente aankondiging van de LAS dat een permanente eenheid voor snelle reacties zal worden gevormd, met speciale nadruk op de bestrijding van ISIS en andere opkomende terroristische groeperingen;

2.  wijst op het belang van een constante politieke aanwezigheid van de EU op het hoogst mogelijke niveau om te zorgen voor een strategische politieke dialoog op de lange termijn en een daadwerkelijk gezamenlijk denkproces met de MONA-landen over hetgeen zij voor het bereiken van regionale stabiliteit nodig hebben; onderstreept dat de Europese Unie alleen een doeltreffende speler op het internationaal toneel kan zijn als zij gebruikmaakt van haar mogelijkheden om met één stem te spreken; verzoekt de EU bijgevolg om snel een daadwerkelijk gemeenschappelijk buitenlands beleid in het leven te roepen in nauwe coördinatie tussen het interne en externe optreden; verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger samen te werken met de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU of door de betrokkenen in de regio erkende politieke actoren teneinde onder haar gezag en namens de Unie een constante dialoog op hoog niveau met de landen in de regio te waarborgen; wijst andermaal op de noodzaak belangrijke partnerlanden te vinden en op hen te steunen bij het zorgen voor stabiliteit op politiek en veiligheidsgebied;

3.  benadrukt het belang en de noodzaak van een effectieve uitvoering, in de loop van 2015, van de volgende initiatieven: steun aan projecten en activiteiten ten behoeve van capaciteitsopbouw in MONA-landen, bestrijding van radicalisering en gewelddadig extremisme, bevordering van internationale samenwerking, aanpak van onderliggende factoren en de voortdurende crises, en versterking van partnerschappen met de belangrijkste landen, met inbegrip van een versterking van de politieke dialoog met de LAS, de Organisatie van Islamitische Samenwerking (OIS), de Afrikaanse Unie (AU) en andere relevante regionale coördinatiestructuren, zoals de G5-Sahel;

4.  benadrukt dat stabiliteit en veiligheid in de MONA-regio van fundamenteel belang zijn voor de veiligheid van de EU; onderstreept dat ISIS/Da'esh en andere terroristische organisaties jaren geleden wortel hebben geschoten in Irak en Syrië en dat zij streven naar regionale invloed; stellen vast dat de overwinningen van de groepering het gevolg zijn van institutionele, democratische en veiligheidscrises in deze landen en de doorlaatbaarheid van hun gemeenschappelijke grens; onderstreept dat de rekruteringscapaciteit en de expansie van ISIS/Da'esh en het al-Nusra-front worden gevoed door de economische, politieke, sociale en culturele crisis die de regio treft; verzoekt de EU samen met de Arabische wereld te beoordelen wat de diepere oorzaken van de radicalisering zijn en deze op algemene wijze aan te pakken op basis van veiligheid, capaciteit voor democratisch bestuur en politieke, economische, sociale en culturele ontwikkeling, met inclusiviteit als leidend beginsel; is van oordeel dat, tenzij een praktische duurzame oplossing voor deze problemen wordt gevonden, elk optreden om een einde te maken aan de bedreiging van ISIS/Da'esh en andere terroristische groeperingen steeds grotere en hardnekkigere problemen zal opleveren;

5.  neemt nota van de toekenning van één miljard euro voor de EU‑strategie getiteld "De elementen voor een regionale strategie van de EU voor Syrië en Irak en de dreiging die uitgaat van Da'esh", waarvan 400 miljoen voor humanitaire hulp is uitgetrokken; is ingenomen met de pogingen om de humanitaire bijstand van de EU af te stemmen op gender- en leeftijdspecifieke behoeften; roept op bijzondere aandacht te besteden aan Jordanië en Libanon, die in verhouding tot hun bevolking het grootste deel van de vluchtelingen opnemen; benadrukt dat het van groot belang is dat deze twee landen de vluchtelingen in staat stellen veilig naar hun grondgebied te reizen en het beginsel van non-refoulement in acht nemen; herinnert tevens aan de gevolgen van de vluchtelingencrisis voor de regionale regering van Koerdistan in Irak; is verontrust dat de vluchtelingenkampen ten gevolge van de extreme armoede en tekorten die er heersen, haarden van radicalisering kunnen worden; is van oordeel dat zij op de lange termijn destabiliserende factoren voor hun gastlanden vormen en dringt derhalve erop aan dat zowel ten behoeve van de vluchtelingen als van hun gastlanden oplossingen worden gevonden; roept de EU daarom op om samen met andere partners, met name het UNHCR en UNICEF, de aanhoudende problemen aan te pakken in kampen voor vluchtelingen en binnenlandse ontheemden in Irak, Jordanië, Libanon en Turkije, vooral met betrekking tot het gebrek aan onderwijs voor jongeren en kinderen; is verheugd over de middelen die in het kader van de nieuwe strategie en het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (ISP) aan de gastgemeenschappen worden toegekend; verzoekt alle EU-lidstaten ten aanzien van de vluchtelingencrisis meer financiële middelen te verstrekken en zich meer in te zetten voor de hervestiging van de kwetsbaarste vluchtelingen;

6.  wijst op de voortdurende stijging van het aantal asielaanvragen vanuit Syrië en Irak en verzoekt de EU-lidstaten zich sterker in te zetten voor de opvang van asielzoekers en een snelle aanpak van de toenemende hoeveelheid hangende zaken;

7.  is verheugd over de deelname van een aantal landen van de MONA-regio aan de internationale coalitie tegen ISIS/Da'esh; verzoekt hun regeringen en de internationale gemeenschap dringend hun inspanningen in de strijd tegen de financiering van het internationale terrorisme en de oorlogen in Syrië en Libië op te voeren; herhaalt zijn oproep aan alle landen van de regio om te voorkomen dat individuen en particuliere of publieke entiteiten financiële middelen verstrekken of financiering mogelijk maken ten behoeve van terroristische organisaties en Syrische individuen en bedrijven die banden met de Syrische regering hebben en vallen onder EU‑sancties die strikt genoeg moeten zijn; dringt aan op hun deelneming aan stelsels voor regionale samenwerking om het kapitaalverkeer te kunnen bewaken waarbij een samenwerking tot stand wordt gebracht tussen de Samenwerkingsraad van de Golf (GCC), de LAS, de OIS en de instellingen van de EU; onderstreept dat het dringend noodzakelijk is een doeltreffend stelsel van sancties op te zetten dat met de LAS, OIS en GCC wordt gecoördineerd om een einde te maken aan de financiering van ISIS/Da'esh door internationale actoren en de verkoop van illegaal geproduceerde olie door de terroristische organisatie; onderstreept in dit verband tevens de urgente noodzaak van meer samenwerking tussen de douaneautoriteiten aan de grens van Turkije, Irak en Syrië om te verhinderen dat ISIS/Da'esh illegale olie verkoopt;

8.  onderstreept het belang van een strategische en gestructureerde dialoog op lange termijn met de LAS, OIS en GCC; is in dit opzicht ingenomen met de op 11 juni 2014 in Athene aangenomen verklaring en het memorandum van overeenstemming van januari 2015, en roept ertoe op deze volledig ten uitvoer te leggen; wijst er met nadruk op dat het van cruciaal belang is frequente topconferenties tussen de EU en de LAS, OIS en GCC te organiseren; onderstreept de centrale rol die de LAS moet spelen bij de oplossing van crises; is ervan overtuigd dat deze crises aantonen dat de LAS door haar leden tot een daadwerkelijk besluitvormingsorgaan moet worden omgevormd dat in staat is bindende besluiten goed te keuren; herinnert aan de strategische samenwerking tussen de Europese Unie en de GCC; benadrukt dat de GCC een positieve, politieke invloed kan uitoefenen op de crisis- en conflictbeheersing in de MONA-landen;

9.  onderstreept tevens het belang van regionale dialogen met Turkije en Iran; is verheugd over de recente overeenkomst tussen de EU3+3 en Iran over het nucleaire programma van Iran en hoopt dat deze overeenkomst tegen de overeengekomen uiterste datum wordt omgezet in een uitgebreide slotovereenkomst; doet een beroep op de vicvoorzitter/hoge vertegenwoordiger en de lidstaten om bij een eventueel definitief akkoord over het nucleaire vraagstuk diepgaand overleg met Iran te plegen en tegelijkertijd te zorgen voor zijn bereidheid tot non-proliferatie totdat een bevestiging is ontvangen van de betrokken internationale instanties, met inbegrip van de IAEA; verzoekt in dit verband de EU dringend zich actief in te zetten voor het bevorderen van vertrouwenwekkende maatregelen tussen Iran en Saoedi-Arabië; benadrukt dat nauwer moet worden samengewerkt met Turkije in de strijd tegen het terrorisme; onderstreept de belangrijke rol die Turkije als lid van de NAVO kan vervullen in de strijd tegen ISIS/Da'esh en bij het stabiliseren van Irak en Syrië; doet een beroep op Turkije een einde te maken aan bepaalde dubbelzinnigheden en zijn rol van stabilisator in de regio volledig te vervullen door zijn grens met Syrië daadwerkelijk te bewaken en een actievere rol te vervullen in de strijd tegen ISIS/Da'esh in samenwerking met de EU;

10.  verzoekt de landen in de regio zich te onthouden van het exporteren van terrorisme en wapens naar buurlanden, aangezien hierdoor de situatie nog meer wordt gedestabiliseerd;

11.  herinnert eraan dat de voorwaarden moeten worden gecreëerd voor een hervatting van de vredesonderhandelingen tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit teneinde een definitieve schikking voor het conflict te bereiken op basis van een tweestatenoplossing waarbij twee staten in vrede en veiligheid naast elkaar bestaan op basis van de grenzen van 1967 en met Jeruzalem als hoofdstad van beide staten overeenkomstig het internationale recht; spreekt andermaal zijn grote bezorgdheid uit over de snel verslechterende veiligheidssituatie in de Gazastrook; is uitermate bezorgd over het Israëlische nederzettingenbeleid op de Westelijke Jordaanoever; is diep verontrust over de impasse in de dialoog en de toenemende spanningen tussen Israëliërs en Palestijnen; dringt aan op serieuze en geloofwaardige pogingen van beide kanten, de EU en de internationale gemeenschap om dit te bereiken; verwelkomt en steunt de het vaste voornemen van hoge vertegenwoordiger Mogherini om de EU haar inspanningen voor het vredesproces in het Midden-Oosten te laten opvoeren en haar rol als facilitator te laten bekrachtigen; roept alle partijen op zich te onthouden van handelingen die tot een verslechtering van de situatie zouden kunnen leiden in de vorm van opruiing, provocatie, buitensporig gebruik van geweld of vergelding; bekrachtigt zijn volledige steun voor het Arabische vredesinitiatief van 2002 en roept de lidstaten van de LAS en Israël op dit in de praktijk te brengen; benadrukt dat een bezinning over de hervatting van het vredesproces en over de bestuurlijke en politieke controle van de Gazastrook door de Palestijnse Autoriteit veel baat zou hebben bij een betrokkenheid van de LAS; wijst op de doorslaggevende rol die Egypte heeft gespeeld in de verwezenlijking van een definitief staakt-het-vuren tijdens het conflict tussen Hamas en Israël in de zomer van 2014; vraagt de internationale donoren zich te houden aan de toezeggingen die zij hebben gedaan tijdens de conferentie van Caïro in oktober 2014;

12.  spreekt zijn volledige en absolute steun uit voor de vaststelling van concrete maatregelen door de EU in het kader van een sterk GVDB dat erop gericht is de stabiliteit en veiligheid in de MONA-landen te bevorderen; betreurt het feit dat de GVDB-missies en -operaties in de regio (EUBAM Libië, EUPOL COPPS en EUBAM Rafah) te beperkt van omvang zijn en grotendeels achterlopen op de veiligheidsuitdagingen van de regio, en dringt aan op een strategische herziening van deze operaties; wijst erop dat de EU, in het kader van deze verknochtheid aan de mensenrechten en de rechtsstaat, een belangrijke rol kan vervullen bij het bieden van speciale steun en opleiding in specifieke bekwaamheden op het gebied van de hervorming van het strafrecht, SSR en DDR, grensbewaking, de strijd tegen terrorisme en radicalisering, en het voorkomen van wapen-, drugs- en mensenhandel; dringt aan op speciale aandacht voor Libië; onderstreept het belang van de dialoog en samenwerking met de LAS en de AU, opdat de partnerlanden bekwaamheden kunnen ontwikkelen en over de nodige militaire en personele middelen kunnen beschikken om het extremisme te bestrijden;

13.  is sterk gekant tegen het gebruik van onbemande vliegtuigen voor buitengerechtelijke en extraterritoriale executies van terreurverdachten, en vraagt dat het gebruik van dit soort vliegtuigen hiervoor wordt verboden;

14.  verzoekt de autoriteiten van de EU-lidstaten en de MONA-landen om het verbod op foltering na te leven, dat specifiek is vastgelegd in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering en andere vormen van wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, dat door de meeste van deze landen is ondertekend en geratificeerd; herhaalt dat door foltering verkregen bekentenissen niet rechtsgeldig zijn en veroordeelt deze praktijk;

15.  is in het bijzonder bezorgd over het feit dat verschillende politieke crises in de regio de inlichtingencapaciteit van de lidstaten hebben beknot; herinnert aan het cruciale belang van het bevorderen van een betere samenwerking tussen EU‑lidstaten en de MONA‑landen bij de strijd tegen terrorisme binnen het kader van de mensenrechten en het internationale recht; dringt aan op een systematische en doeltreffende samenwerking tussen deze landen en met Europol en Interpol teneinde hen te helpen adequate structuren en middelen op te bouwen in de strijd tegen het terrorisme en de georganiseerde misdaad, met inbegrip van de mensenhandel, door te zorgen voor geïntegreerde defensiesystemen die er hoofdzakelijk op zijn gericht om de mensenrechten van iedere betrokken persoon te beschermen, mits afdoende waarborgen voor de mensenrechten voorhanden zijn; wijst op de 5+5-dialoog die het optreden van de Unie voor het Middellandse Zeegebied aanvult en de mogelijkheid biedt om zich in te zetten voor de samenwerking op het gebied van veiligheid; onderstreept dat het noodzakelijk is een einde te maken aan de bestaande tekortkomingen in de samenwerking met de landen van herkomst, doorvoer en bestemming van buitenlandse strijders; verzoekt de EU‑lidstaten om hun middelen te bundelen, de bestaande instrumenten (Frontex, Eurosur) te versterken en een Europees PNR in te voeren om de controle aan de buitengrenzen van de EU te verbeteren; onderstreept dat de actieve samenwerking tussen de ministers van Buitenlandse Zaken en de ministers van Binnenlandse Zaken dient te worden geïntensiveerd, met name wat betreft justitiële en politiële samenwerking en informatie-uitwisseling;

16.  herinnert eraan dat het dringend noodzakelijk is een politieke oplossing te vinden voor het conflict in Syrië; is van oordeel dat met het oog op een duurzame oplossing een door Syrië geleid inclusief politiek proces vereist is dat tot een overgang leidt, op basis van het communiqué van Genève van 30 juni 2012 en overeenkomstig de desbetreffende resoluties van de VN-Veiligheidsraad, teneinde de eenheid, soevereiniteit en territoriale integriteit van het land te handhaven; is ingenomen met het streven van de Syrische Nationale Coalitie om meer mensen achter zich te krijgen en in gesprek te gaan met andere oppositiegroeperingen, onder meer door recent overleg met het Nationaal Coördinatiecomité over de vaststelling van de visie van de oppositie op de politieke overgang; steunt de inspanningen van Staffan de Mistura, speciale vertegenwoordiger van de VN, om een einde te maken aan de gewapende conflicten en de politieke dialoog weer op gang te brengen; onderstreept dat het belangrijk is de democratische Syrische oppositie te beschermen en te ondersteunen; wijst andermaal op de noodzaak van de verantwoordingsplicht voor de misdaden tegen de menselijkheid, de oorlogsmisdaden en de grove schendingen van de mensenrechten die gedurende het conflict door het regime van Bashar al-Assad worden gepleegd;

17.  eist dat elk initiatief dat erop gericht is een einde te maken aan de gevechten in Syrië, voldoet aan de voorwaarden van het internationaal humanitair recht en de internationale mensenrechtenwetgeving, waarbij laatstgenoemde in vredes- en oorlogstijd van toepassing is, alsmede het internationale strafrecht; verzoekt de Europese Unie de druk te verhogen op het regime-Assad om de resoluties 2139 (2014), 2165 (2014) en 2191 (2014) van de VN-Veiligheidsraad na te leven en zijn inspanningen op te voeren om de humanitaire hulpverlening in goede banen te leiden, ook in de door de gematigde Syrische oppositie gecontroleerde gebieden, en deze te helpen bij het ontwikkelen van haar capaciteiten; is ingenomen met de tijdens de derde Koeweit-conferentie gedane toezeggingen en roept de EU en andere internationale donoren op hun financiële verplichtingen in antwoord op de crisis in Syrië na te komen; steunt de aanbeveling van de Commissie om het herstel van het bestuur en openbare diensten in de verwoeste Koerdische gebieden van Syrië te bevorderen en verzoekt dringend om hulp bij de wederopbouw van de stad Kobanî;

18.  is zeer verontrust over de verslechterende humanitaire situatie in Syrië vier jaar later; constateert dat de humanitaire toegang gestaag afneemt als gevolg van de opzettelijke belemmering van hulp waaraan onmiddellijk een halt moet worden toegeroepen; is zeer verontrust over het feit dat het aantal mensen die wonen in voor hulporganisaties slecht of niet bereikbare regio's de afgelopen twee jaar bijna is verdubbeld;

19.  wijst erop dat oorlogsverkrachtingen van vrouwen en meisjes zijn gedocumenteerd, met name in Syrië, Irak en de gebieden die in handen van Da'esh zijn; benadrukt dat vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van verkrachting in een gewapend conflict, toegang moeten krijgen tot het volledige scala aan seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten, waaronder abortus, in door de EU gefinancierde humanitaire faciliteiten, overeenkomstig het internationale humanitaire recht, de resoluties van de VN‑Veiligheidsraad en het gemeenschappelijke artikel 3 van de Verdragen van Genève, waarin alle nodige medische zorg voor gewonden en zieken, zonder nadelig onderscheid, wordt gewaarborgd;

20.  onderstreept dat de Iraakse regering een stelsel moet blijven steunen op basis van de deling van politieke bevoegdheden, macht en winst uit oliewinning op een inclusieve manier, waarbij alle religieuze en etnische elementen van het land en met name de soennitische minderheden dienen te worden betrokken; dringt erop aan dat dit stelsel van deling als een cruciale voorwaarde geldt voor de tenuitvoerlegging van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Irak; roept de Iraakse regering op etnische en religieuze minderheden onverwijld bescherming te bieden, gewelddaden van sjiitische milities tegen soennitische minderheden te voorkomen en mensen die zijn gevlucht voor de terreur van ISIS een veilig heenkomen en essentiële hulp te verschaffen; neemt kennis van het akkoord tussen de Iraakse regering en de regionale regering van Koerdistan in Irak en dringt aan op de volledige uitvoering ervan, en roept de Iraakse regering op de in de grondwet neergelegde financiële rechten van de Koerdische regionale regering volledig te eerbiedigen; benadrukt het belang van de samenwerking tussen Bagdad en Erbil voor de veiligheid en de economische welvaart van Irak en de regio en moedigt verdere versterking ervan aan; moedigt de EU aan bij te dragen aan de versterking van de politieke, bestuurlijke en militaire capaciteit van de Iraakse regering, in het bijzonder om de uitdagingen aan te pakken die het gevolg zijn van de sociale en economische crisis en van de ontoereikende bescherming van de mensenrechten;

21.  is ervan overtuigd dat het noodzakelijk is om regio's waaruit terroristische groeperingen zoals ISIS zijn verjaagd, verder te stabiliseren teneinde duurzame veiligheid te verwezenlijken; wijst erop dat dit kan geschieden door middel van humanitaire hulp, mijnopruimingsprogramma's en rechtshandhaving;

22.  veroordeelt de door ISIS opgeëiste terroristische aanslag op het Bardo-museum in Tunis van 18 maart 2015 ten stelligste; is bezorgd over de rekruteringscapaciteit van terroristische netwerken in een land dat wordt geleid door een nationale eenheidsregering met deelneming van de gematigde islamitische partij Ennahda; is tevens bezorgd over de poreuze grenzen van Tunesië met Libië die met name worden gebruikt voor drugs- en wapenhandel, en is ingenomen met de recente samenwerking tussen Tunesië, de EU en haar lidstaten op dit terrein; blijft bezorgd over de massale toestroom van Libische vluchtelingen in Tunesië, die de stabiliteit van het land danig onder druk zet, en is ingenomen met de ontvangst waarin is voorzien door Tunesië, dat momenteel meer dan één miljoen Libische vluchtelingen telt; onderstreept dat de EU en Tunesië hun samenwerking op het gebied van veiligheid moeten voortzetten en versterken, in het bijzonder door gezamenlijke veiligheidsprogramma's op te zetten; acht het van essentieel belang dat de kwestie van Tunesië meer steun krijgt, waarbij specifieke verbintenissen, ook op economisch en investeringsvlak, worden aangegaan om de kwetsbare democratische overgang te ondersteunen, in de wetenschap dat het in het belang van de hele regio en van de EU is dat het Tunesische experiment een positief eindresultaat heeft; dringt er bij de Commissie op aan het belang van democratisering te onderstrepen en na de Arabische revoluties een symbolische boodschap te doen uitgaan door een topontmoeting tussen de EU en MONA te organiseren in Tunis;

23.  spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de verslechterende veiligheids- en humanitaire situatie in Libië; is zeer bezorgd over de expansie van terroristische groeperingen in het land, met name ISIS/Da'esh, waar zij profiteren van het politieke vacuüm en de escalatie van het geweld; onderstreept het belang van urgente maatregelen om de invloed van terroristische organisaties op Libisch grondgebied te beperken en uit te bannen; is verontrust over de zeer ernstige situatie in het zuiden van het land, dat wordt gebruikt als platform voor de georganiseerde misdaad en gewapende groeperingen; onderstreept dat de territoriale integriteit en nationale eenheid van Libië in stand moeten worden gehouden, hetgeen slechts kan worden verwezenlijkt middels een beleid waarbij alle goed geïdentificeerde actoren moeten worden betrokken; bekrachtigt zijn steun voor de onder auspiciën van de VN door de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN Bernardino Léon geleide besprekingen die tot doel hebben via onderhandelingen een oplossing te vinden die zal leiden tot de vorming van een eenheidsregering in Libië; is verheugd over de inspanningen van Algerije en Marokko om een inter-Libische dialoog te bevorderen; onderstreept dat de EU al eerder heeft verklaard bereid te zijn overeenkomstig UNSCR 2174 (2014) beperkende maatregelen op te leggen aan degenen die het proces van dialoog verstoren; wijst erop dat de EU bereid dient te zijn om steun te verlenen aan de instellingen in Libië zodra een politieke oplossing en een staakt-het-vuren tot stand zijn gebracht; benadrukt dat de EU, zodra er een eenheidsregering is geïnstalleerd en op haar verzoek, dient bij te dragen aan SSR- en DDR-maatregelen in Libië; waarschuwt er evenwel voor dat de EU in geval van een patstelling in de politieke onderhandelingen en een verergering van het gewapende conflict klaar moet staan om bij te dragen aan een door de VN-Veiligheidsraad geautoriseerde vredesmissie;

24.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de verslechterende veiligheidssituatie in Jemen; wijst erop dat de politieke crisis is uitgegroeid tot een humanitaire en veiligheidscrisis, die het hele Arabische schiereiland destabiliseert, en daarbuiten alle MONA-landen; steunt de pogingen van de VN om de onderhandelingen nieuw leven in te blazen; benadrukt dat alleen een brede politieke consensus via vreedzame onderhandelingen tussen de belangrijkste politieke groeperingen, in een atmosfeer zonder angst, een duurzame oplossing kan bieden voor de huidige crisis en de eenheid en territoriale integriteit van het land kan waarborgen; vraagt de EU en de lidstaten om alle mogelijke concrete initiatieven te nemen om de burgerbevolking te helpen en een einde te maken aan de dramatische situatie;

25.  veroordeelt ten stelligste de aanvallen op de civiele infrastructuur en de burgerbevolking in Jemen die hebben geleid tot een groot aantal slachtoffers en een ernstige verslechtering van de reeds nijpende humanitaire situatie; verzoekt de EU samen met internationale en regionale actoren te bemiddelen met het oog op een onmiddellijk staakt-het-vuren en beëindiging van het geweld tegen burgers; dringt erop aan in overleg met andere internationale donoren extra middelen ter beschikking te stellen om een humanitaire crisis af te wenden en essentiële hulp te verschaffen aan mensen die in nood verkeren;

26.  dringt er bij de Commissie op aan het probleem van de jongeren die de EU verlaten om te vechten aan de kant van ISIS/Da'esh en andere terroristische organisaties in Syrië en Irak, samen met de landen in de MONA-regio structureel aan te pakken; verzoekt de lidstaten passende maatregelen te nemen om te voorkomen dat strijders van hun grondgebied vertrekken, in overeenstemming met resolutie 2170 (2014) van de VN-Veiligheidsraad, en om een gemeenschappelijke strategie voor veiligheidsdiensten en EU-agentschappen te ontwikkelen voor het volgen en controleren van jihadisten; roept op tot samenwerking in de EU en op internationaal niveau met het oog op passende juridische stappen tegen eenieder die ervan verdacht wordt bij terroristische acties betrokken te zijn en met het oog op andere preventieve maatregelen die bedoeld zijn radicalisering op te sporen en een halt toe te roepen; roept de EU-lidstaten ertoe op hun samenwerking en de informatie-uitwisseling onderling en met EU-organen op te voeren;

27.  benadrukt dat het belangrijk is dat de Egyptische regering bij haar strijd tegen het terrorisme de fundamentele mensenrechten en politieke vrijheden eerbiedigt, een eind maakt aan de stelselmatige arrestatie van vreedzame demonstranten en activisten, en het recht op een eerlijk proces handhaaft; merkt op dat het een verbod op de doodstraf zou toejuichen aangezien dit de leden van politieke en sociale organisaties ten goede zou komen die onlangs zijn veroordeeld;

28.  is ingenomen met de voorlopige overeenkomst over het debiet van de Nijl dat op 23 maart 2015 is bereikt tussen Egypte, Soedan en Ethiopië; beklemtoont dat een gezamenlijk akkoord over het gebruik van het water van de Nijl van fundamenteel belang is voor de veiligheid van alle betrokken landen; benadrukt dat de EU bereid dient te zijn om de voortzetting van de dialoog tussen alle partijen te bespoedigen indien dit bevorderlijk wordt geacht voor de onderhandelingen;

Het versterken van de globale strategie voor de democratie en de mensenrechten

29.  is ervan overtuigd dat het gebrek aan democratie een van de dieper liggende oorzaken van de politieke instabiliteit in de regio is en dat eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele democratische beginselen op lange termijn de beste garantie biedt tegen chronische instabiliteit in de landen van de MONA-regio; doet een beroep op de EU en haar lidstaten om de MONA-regio niet slechts te bezien vanuit het oogpunt van veiligheidsrisico's op de korte termijn en de democratische aspiraties van de samenlevingen in de regio actief en blijvend te ondersteunen; onderstreept dat, in het kader van een holistische en ambitieuze benadering ten behoeve van de democratie, evenwichtige maatregelen moeten worden genomen teneinde het veiligheidsbeleid te koppelen aan het voor de EU prioritaire beleid inzake de mensenrechten; onderstreept het belang van de versterking van de stabiliteit op lange termijn in de MONA-regio middels niet-aflatende steun van de EU aan het maatschappelijk middenveld, met name via het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) en de ENI-faciliteit voor het maatschappelijk middenveld, alsmede via nieuwe instrumenten ten behoeve van de democratie, zoals het Europees Fonds voor Democratie (EFD); roept de lidstaten op om, in het kader van solidariteit en engagement, voldoende middelen uit te trekken voor de begroting van het fonds, zodat het zo flexibel en doeltreffend mogelijk steun kan verlenen aan lokale spelers op het vlak van democratische verandering in de regio; verzoekt de EDEO om nog meer inspanningen te leveren om de Europese waarden uit te dragen en toe te lichten, in het bijzonder via regelmatige contacten met overheden en, parallel daaraan, met vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld;

30.  is ingenomen met de lancering door de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger en de Commissie van een uitgebreide raadpleging over de herziening van het ENB; nodigt de Commissie, de EDEO, de Raad en de lidstaten uit om een doeltreffendere en innovatievere politieke en strategische dimensie van het ENB te ontwikkelen; is ingenomen met de bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU-lidstaten en de landen van het zuidelijke Middellandse Zeegebied; herinnert eraan dat bij deze gelegenheid de ministers van Buitenlandse Zaken voor het eerst sedert zeven jaar zijn bijeengekomen; is van mening dat de ministers jaarlijks bijeen zouden moeten komen; vraagt aan de EDEO en aan de Commissie om elke democratische hervorming te blijven aanmoedigen en actoren die zich in de MONA-regio inzetten voor de democratie te steunen, met name in de buurlanden van de EU; benadrukt het belang van de handhaving van de huidige verdeling van de middelen voor de toekenning van ENB-fondsen; wijst er andermaal op dat landen die vooruitgang boeken bij de uitvoering van hervormingen en de navolging van Europees beleid substantiëlere steun zouden moeten ontvangen, met bijzondere aandacht voor Tunesië, en onderstreept dat vrouwenrechten moeten worden bevorderd;

31.  verzoekt de EU en de lidstaten een speciaal programma op te zetten voor de ondersteuning en rehabilitatie van vrouwen en meisjes die het slachtoffer zijn geworden van seksueel geweld en slavernij in de conflictgebieden in de MONA-regio, met name in Syrië en Irak; verzoekt de regeringen van de landen in de MONA-regio, de VN, de EU en de betrokken ngo's rekening te houden met de kwetsbaarheid van gevluchte vrouwen en meisjes, en dan met name van degenen die gescheiden van hun families moeten leven, hun passende bescherming te bieden en alles in het werk te stellen om slachtoffers van seksueel geweld bij te staan, en maatregelen van sociaal beleid vast te stellen, gericht op de herintegratie in de maatschappij van deze vrouwen en meisjes. verzoekt de bij de gewapende conflicten betrokken partijen dringend om de bepalingen van Resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad te eerbiedigen, om maatregelen te nemen ter bescherming van vrouwen en meisjes, in het bijzonder tegen seksueel misbruik, mensensmokkel en mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting, alsook de straffeloosheid van de daders aan te pakken; dringt er bij de regeringen van de landen in de MONA-regio op aan dat zij het Verdrag van Istanboel ondertekenen en ratificeren, aangezien dit een krachtig instrument vormt om het geweld tegen vrouwen en meisjes, met inbegrip van huiselijk geweld en genitale verminking, integraal aan te pakken;

32.  benadrukt de mogelijkheid die onderhandelingen over associatieovereenkomsten bieden om hervormingen een impuls te geven; wijst erop dat alle dimensies moeten worden gekoppeld, wil de EU haar betrekkingen op een uitgebreide en coherente manier kunnen verdiepen; dringt erop aan om in deze overeenkomsten reële, tastbare stimulansen voor de partners op te nemen om de weg van hervormingen aantrekkelijker, doeltreffender en voor de burgerbevolking zichtbaarder te maken;

33.  beklemtoont dat de EU en de MONA-landen nauwer moeten samenwerken op basis van wederzijds aanvaardbare doelstellingen die zijn gestoeld op gemeenschappelijke belangen; benadrukt de voordelen die zouden voortvloeien uit de coördinatie van de steun van de EU aan de MONA-landen met die van de andere internationale donoren; doet een beroep op de Commissie om voorstellen te doen ter verbetering van die coördinatie en benadrukt dat het noodzakelijk is om noodhulp af te stemmen op ontwikkelingshulp voor de lange termijn;

34.  is er stellig van overtuigd dat de ontwikkeling van democratie en goed bestuur op lokaal niveau van vitaal belang is voor de stabilisering van de MONA-landen en pleit derhalve voor de institutionalisering en de ontwikkeling van de capaciteiten van verenigingen van lokale en regionale overheden in de MONA-landen;

35.  veroordeelt de aanhoudende schendingen van het recht op vrijheid van godsdienst of overtuiging in de regio en wijst nogmaals op het belang dat de EU hieraan hecht; herhaalt andermaal dat de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst een fundamenteel mensenrecht is; benadrukt derhalve dat alle vormen van discriminatie tegen religieuze minderheden op doeltreffende wijze moeten worden bestreden; vraagt de regeringen van de MONA-landen om het religieuze pluralisme te verdedigen; verzoekt de Europese Unie zich sterker in te zetten voor de actieve bescherming van religieuze minderheden en het bieden van toevluchtsoorden; is verheugd dat tijdens de verslagperiode (2013) de richtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging werden goedgekeurd en vraagt de EU-instellingen en -lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan de uitvoering van deze richtsnoeren zowel in internationale en regionale fora als in bilaterale betrekkingen met derde landen; moedigt de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger en de EDEO aan om een permanente dialoog aan te gaan met ngo's, religieuze of geloofsgroepen en religieuze leiders;

36.  is ervan overtuigd dat culturele samenwerking en diplomatie, alsmede academische samenwerking en religieuze dialoog essentieel zijn in de bestrijding van het terrorisme en alle vormen van radicalisering; wijst erop dat onderwijs en de ontwikkeling van een kritische geest zowel voor Europa als voor de MONA-regio een buffer vormen tegen radicalisering en verzoekt derhalve de EU en haar lidstaten de nodige investeringen op dit gebied te ondersteunen; benadrukt het cruciale belang van het bevorderen van culturele en academische uitwisselingen, ook met vertegenwoordigers van de gematigde islam in MONA-landen en met de moslimgemeenschappen in Europa; spoort de partnerlanden ertoe aan deel te nemen aan de culturele programma's van de EU; verzoekt de Europese Commissie om het voorstel van het Europees Parlement tot oprichting van een ambitieus Euro-meditteraan Erasmusprogramma over te nemen, verschillend van het Eramus+-programma; vraagt de Commissie om onmiddellijk bijzondere aandacht te schenken aan de Erasmus+-programma's die zijn uitgewerkt voor het zuidelijke Middellandse Zeegebied; dringt erop aan dat uitwisselingsprogramma's tevens deelnemers omvatten uit MONA-landen die niet bij het ENB zijn aangesloten;

37.  onderstreept dat het zaak is een efficiënt Europees tegendiscours te ontwikkelen, door alle lidstaten gemeenschappelijk, tegen de jihadistische propaganda en radicalisering van eigen bodem, waarbij rekening wordt gehouden met het gebruik van digitale instrumenten, het internet en sociale netwerken en waarbij alle Europese lokale autoriteiten worden betrokken en wordt samengewerkt met gemeenschappen van Europese burgers die sterke culturele banden hebben met de MONA-landen; is van mening dat dit tegendiscours moet zijn gebaseerd op de bevordering van gemeenschappelijke waarden op basis van het universele karakter van de mensenrechten en de idee moet ontzenuwen van een conflict tussen religies en beschavingen; dringt aan op de benoeming bij de EDEO van personeel dat de talen van de MONA-regio spreekt om de doeltreffendheid van de communicatie te vergroten; onderstreept de noodzaak van de verspreiding van een positief discours, vergezeld van specifieke voorbeelden over de betrekkingen tussen de Europese Unie en de MONA-landen; onderstreept de noodzaak te zorgen voor zichtbaarheid van de EU en haar lidstaten in de regio;

38.  onderstreept de mogelijkheden die het ENB biedt op het vlak van de culturele en interreligieuze dialoog; onderstreept het verband tussen enerzijds de uitwisseling en samenwerking op het gebied van cultuur en onderwijs tussen de EU en de partnerlanden van het ENB, en anderzijds de ontwikkeling en versterking van een open maatschappelijk middenveld, de democratie en de rechtsstaat, alsook de verspreiding van de fundamentele vrijheden en de mensenrechten;

39.  onderstreept het belang van de ontwikkeling van een rechtstreekse dialoog met de maatschappelijke organisaties van de MONA-landen om hun verwachtingen beter te begrijpen; betuigt zijn steun aan het opzetten van een systeem voor overleg met en versterking van de maatschappelijke organisaties en de nieuwe generaties in het kader van het ENB; onderstreept in het bijzonder hoe belangrijk het is dat jongeren in deze landen betrokken worden bij een dialoog die gebaseerd is op openhartige, directe en gelijke verhoudingen; herinnert aan het belang van verkiezingswaarnemingsmissies en verzoekt het Europees Parlement en de EDEO om deze missies in alle landen van de regio, op verzoek van de regeringen van deze landen, in te richten wanneer echte democratische verkiezingen een reële mogelijkheid zijn, en ervoor te zorgen dat deze missies niet worden aangewend om een mise‑en‑scène te legitimeren; verzoekt om te zorgen voor een regelmatige follow-up van de aanbevelingen die door deze missies worden gedaan;

40.  benadrukt de noodzaak om de centrale rol van de UMZ te waarborgen die, als uniek forum voor een dialoog over het partnerschap tussen de Europese Unie en alle landen rond de Middellandse Zee, een motor moet worden voor investeringen in de duurzame sociale en economische ontwikkeling van de regio; merkt op dat de UMZ in staat zou moeten zijn om zelf de noodzakelijke fondsen te werven voor haar projecten; steunt de dynamiek van de ministeriële bijeenkomsten; verzoekt om een ruimere verspreiding van haar programma's en haar optreden, met inbegrip van gezamenlijke verkiezingswaarnemingsmissies en gezamenlijke evaluatiemissies, en om een betere samenwerking met de Europese Unie; herinnert aan het belang van een nieuw elan en een nieuwe politieke ambitie voor de Euro-mediterrane Parlementaire Vergadering met het oog op het aanpakken van de uitdagingen inzake veiligheid en stabiliteit van het Middellandse Zeegebied waarin iedereen zich daadwerkelijk kan vinden;

41.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de schendingen van de mensenrechten, met name van kwetsbare groepen in de MONA-landen waar conflicten woeden; is van oordeel dat kinderen tot een van de kwetsbaarste groepen behoren en herhaalt derhalve de noodzaak van een versterking van de tenuitvoerlegging van de herziene uitvoeringsstrategie voor de richtsnoeren van de EU inzake kinderen en gewapende conflicten; spoort de EU aan de samenwerking met de speciale vertegenwoordiger van de VN voor door gewapende conflicten getroffen kinderen verder te verdiepen ter ondersteuning van de bijbehorende actieplannen en de toezichts- en rapporteringsmechanismen;

Het verdiepen van de economische ontwikkelingssamenwerking

42.  merkt op dat de MONA-regio bijzonder zwaar getroffen wordt door armoede en ongelijkheid; is ervan overtuigd dat de sociale en economische ontwikkeling, in combinatie met democratie en rechtspraak, noodzakelijk is om tot politieke stabiliteit te komen; is bezorgd over de situatie van jongeren en acht het onontbeerlijk om hun waardige, legitieme toekomstperspectieven te bieden; benadrukt het fundamentele belang van de bestrijding van corruptie in de MONA-landen, niet alleen om Europese investeringen aan te trekken en duurzame economische ontwikkeling mogelijk te maken, maar ook om veiligheidsuitdagingen het hoofd te bieden; onderstreept het vastgestelde verband tussen transparantie, de rechtsstaat en terrorismebestrijding, die allemaal samen moeten worden aangepakt; roept de EDEO, de Commissie en de lidstaten op om hun samenwerking op het gebied van de bestrijding van corruptie in de MONA-landen te versterken en tot een prioriteit in de strijd tegen het terrorisme te maken;

43.  meent dat de strategische dialoog van de EU met de MONA-landen aangevuld zou moeten worden door een nieuw elan voor duurzame ontwikkelingssamenwerking, geschikt om de ongelijkheden weg te nemen en mogelijkheden voor werk en onderwijs te bieden, met name voor de jeugd; onderstreept het belang van het creëren van toegangsvoorwaarden voor de MONA-landen tot de interne markt van de Unie, met alle beschermingsmaatregelen die zij nodig hebben; onderstreept het belang van de bevordering van Europese investeringen in de MONA-landen, met inbegrip van energie- en infrastructuurprojecten, met als strategische doelstelling de bevordering van duurzame ontwikkeling en democratische verantwoording;

44.  herinnert eraan dat 2015 het Europees Jaar voor ontwikkeling is dat tot doel heeft om meer Europeanen te stimuleren om zich in te zetten voor de uitbanning van de armoede in de wereld en dat samenvalt met het voornemen van de internationale gemeenschap om een reeks doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling overeen te komen; roept overheden op alle regeringsniveaus van de MONA-landen op voorrang te verlenen aan het bereiken van deze doelstellingen;

45.  benadrukt dat de versterking van de dialoog over energievraagstukken in het Middellandse Zeegebied de regionale samenwerking, de regionale stabiliteit en de milieu-integriteit ten goede kan komen; stelt derhalve voor dat de EU haar inspanningen inzake energiediplomatie in de MONA-regio opvoert, zoals wordt geschetst in de energie-unie; onderstreept het strategische en economische belang van de energievoorziening uit de zuidelijke buurlanden van de EU; is ingenomen met de totstandbrenging van het Euro-mediterraan gasplatform en wijst erop dat Euro-mediterrane verbindingen in de aardgas- en de elektriciteitssector moeten worden bevorderd;

46.  ondersteunt de financiering van academische en beroepsopleidingsparcours in de MONA-regio met oog op het creëren van een grote pool van beroepsvaardigheden; stelt vast dat het circulaire-mobiliteitsprogramma van de EU voor beroepsopleiding zoveel mogelijk zou moeten worden uitgebreid naar de MONA-landen, via flexibele, progressieve instrumenten, zoals partnerschappen voor de mobiliteit;

47.  verzoekt de EU om haar inzet in alle fasen van de economische ontwikkeling van de landen in de regio duidelijk zichtbaar te maken, via alle instrumenten waarover zij beschikt; herinnert eraan dat die instrumenten gaan van humanitaire hulp tot diepe en brede vrijhandelsovereenkomsten en dat zij het volledige proces van het herstel na een crisis tot de oprichting van stabiele instellingen kunnen beslaan;

48.  betreurt dat een minimumtermijn van één jaar noodzakelijk is om macrofinanciële steun vrij te maken voor landen met een zeer kwetsbare budgettaire situatie; dringt erop aan dat de EU de noodzakelijke fondsen zeer snel kan mobiliseren of herbestemmen; dringt erop aan om de Europese bijstand een nieuwe procedurele dimensie te geven, zowel in het kader van de bijstand die wordt verleend op basis van de financiële instrumenten van het externe optreden van de EU als op het niveau van de macrofinanciële bijstand; onderstreept in verband met de macrofinanciële steun dat het noodzakelijk is dat de EU de gevolgen op sociaal en economisch gebied en voor de mensenrechten van de van de begunstigde landen gevraagde maatregelen adequaat beoordeelt om te voorkomen dat dergelijke steun bijdraagt aan de instabiliteit, bijvoorbeeld doordat sociale diensten worden uitgehold; verzoekt de Arabische donoren hun steun te coördineren binnen de LAS en de GCC en in de mate van het mogelijke met de EU;

49.  verzoekt de Europese Investeringsbank (EIB) en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) om hun investeringsstrategieën te coördineren met de Unie voor het Middellandse Zeegebied om zo positieve synergieën tot stand te brengen;

50.  verzoekt de EU om haar partnerschappen met landen van de regio die geen deel uitmaken van haar onmiddellijke omgeving, te ontwikkelen; steunt het sluiten van een overeenkomst ter invoering van een vrijhandelszone tussen de EU en de GCC, voorzover een overeenkomst kan worden bereikt die beide partijen ten goede komt en deze de EU meer zichtbaarheid en een aanvullende hefboom biedt in de regio, in het bijzonder via de hervatting van de onderhandelingen over een nieuw gezamenlijk actieprogramma; herinnert eraan dat er sinds 1 juli 2014 een dergelijke overeenkomst geldt tussen de GCC en de EVA;

51.  spoort de EU ertoe aan om de gesprekken voort te zetten met het oog op onderhandelingen over diepe en brede vrijhandelsovereenkomsten met bepaalde landen uit de regio, overeenkomstig de verbintenissen die de EU is aangegaan naar aanleiding van het partnerschap van Deauville; herinnert eraan dat de ontwikkeling van de handelsbetrekkingen deel uitmaakt van het buitenlandse beleid van de EU en bijdraagt tot de doelstellingen van vrede, welvaart en stabiliteit;

52.  onderstreept dat de regionale integratie van de MONA-landen het mogelijk zou maken om de politieke banden aan te halen en de handel en de ontwikkeling zou bevorderen; roept de MONA-landen op hun economieën en invoer te diversifiëren; merkt op dat de meeste MONA-landen handel drijven met landen die niet tot de MONA-landen behoren betreurt de impasse waar de Unie van de Arabische Maghreb (UAM) tegenaan kijkt; nodigt de EU uit om op diplomatiek, politiek en financieel niveau alles in het werk te stellen om de totstandkoming van de regionale integratie van de landen van de Maghreb te ondersteunen, in het kader van de UAM of de geografisch bredere akkoorden van Agadir;

53.  is ingenomen met de steun van de Raad Buitenlandse zaken voor het initiatief inzake de coördinatie van de investeringen in het zuidelijke Middellandse Zeegebied (AMICI); onderstreept het belang van initiatieven die de samenhang en doeltreffendheid van het externe optreden van de Europese Unie bevorderen;

54.  ondersteunt verdere samenwerking in de vervoerssector, onder andere door de infrastructuurnetwerken van de Europese Unie en van partnerlanden nauwer met elkaar te verbinden om de uitwisseling van mensen en goederen te vereenvoudigen;

o
o   o

55.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, het Europees Comité van de Regio's, de regeringen en parlementen van alle lidstaten van de Europese Unie, de secretaris-generaal van de Liga van Arabische Staten, de secretaris-generaal van de Unie voor het Middellandse Zeegebied en de regeringen en parlementen van hun lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0023.
(2) PB C 247 E van 17.8.2012, blz. 1.
(3) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 163.
(4) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 26.
(5) PB C 261 E van 10.9.2013, blz. 21.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0207.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0027.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0010.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0040.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0077.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0071.


Toetsing van het Europees nabuurschapsbeleid
PDF 378kWORD 120k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid (2015/2002(INI))
P8_TA(2015)0272A8-0194/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2, artikel 3, lid 5, en de artikelen 8 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien het Joint consultation paper van de Commissie en de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger van 4 maart 2015, getiteld "Towards a new European Neighbourhood Policy"(1),

–  gezien de gezamenlijke mededelingen van de Commissie en de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger getiteld "Een Partnerschap voor democratie en gedeelde welvaart met het zuidelijke Middellandse-Zeegebied" (COM(2011)0200)(2), gepubliceerd op 8 maart 2011, en "Inspelen op de veranderingen in onze buurlanden" (COM(2011)0303)(3), gepubliceerd op 25 mei 2011,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 11 maart 2003 getiteld "De grotere Europese nabuurschap: een nieuw kader voor de betrekkingen met de oostelijke en zuidelijke buurlanden" (COM(2003)0104)(4),

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 februari 2008 over het Europees nabuurschapsbeleid(5) en van 20 april 2015 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid,

–  gezien de richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de uitoefening van alle mensenrechten door lesbische, homoseksuele, biseksuele, transgender en interseksuele mensen (LGBTI), die de Raad Buitenlandse Zaken op 24 juni 2013 heeft aangenomen,

–  gezien zijn eerdere resoluties over het Europees nabuurschapsbeleid, te weten van 20 november 2003 over de betrekkingen met onze oostelijke en zuidelijke buurlanden(6), van 20 april 2004 over het nieuw nabuurschapsbeleid van de EU(7), van 19 januari 2006 over het Europees nabuurschapsbeleid(8), van 15 november 2007 over de versterking van het Europees nabuurschapsbeleid(9), van 7 april 2011 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid – de oostelijke dimensie(10), van 7 april 2011 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid – de zuidelijke dimensie(11), van 14 december 2011 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid(12), van 23 oktober 2013 over het Europees nabuurschapsbeleid: naar een sterker partnerschap: standpunt van het EP ten aanzien van de verslagen van 2012(13), en van 12 maart 2014 over de beoordeling en vaststelling van prioriteiten voor de betrekkingen van de EU met de landen van het Oostelijk Partnerschap(14),

–  gezien de verklaring van Riga van de top van het Oostelijk Partnerschap op 22 mei 2015,

–  gezien het verslag van de groep op hoog niveau die nadenkt over de energiegemeenschap voor de toekomst,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0194/2015),

A.  overwegende dat het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) is gecreëerd met het oog op het verdiepen van de betrekkingen, het vergroten van de samenwerking en het verstevigen van de partnerschappen van de EU met de buurlanden, teneinde een ruimte van gedeelde stabiliteit, veiligheid en welvaart tot stand te brengen, zoals onderstreept in artikel 8 VEU; overwegende dat het doel hetzelfde blijft;

B.  overwegende dat de naburige regio momenteel voortdurend veranderingen ondergaat vanwege het toenemende aantal langslepende en nieuwe veiligheidsproblemen en minder stabiel en aanzienlijk minder veilig is en een diepere economische crisis doormaakt dan toen het ENB werd gelanceerd;

C.  overwegende dat het herziene beleid dient te berusten op wederzijdse verantwoording en gezamenlijk engagement voor de EU-waarden en -beginselen, met inbegrip van democratie, rechtsstaat, mensenrechten en efficiënte, verantwoordingsplichtige en transparante overheidsinstellingen, en dat deze net zo belangrijk zijn voor de stabiliteit, veiligheid en welvaart van de samenlevingen van de buurlanden als voor die van onze samenleving; overwegende dat de EU, ondanks de complexe en uitdagende praktijk, standvastig overgangsprocessen moet blijven ondersteunen in landen die democratisering, eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat nastreven;

D.  overwegende dat grote delen van de naburige regio gebukt blijven gaan onder gewapende of bevroren conflicten en crises; overwegende dat de partnerlanden moeten streven naar een vreedzame oplossing voor de bestaande conflicten; overwegende dat conflicten, waaronder bevroren en langslepende conflicten, de economische, sociale en politieke transformatie en de regionale samenwerking, stabiliteit en veiligheid belemmeren; overwegende dat de EU een actievere rol moet spelen in de vreedzame oplossing van de bestaande conflicten;

E.  overwegende dat deze conflicten de ontwikkeling van een echte en doeltreffende multilaterale dimensie van het ENB ondermijnen; overwegende dat vrede en stabiliteit fundamentele elementen van het ENB zijn; overwegende dat de partnerlanden zich aan deze beginselen moeten houden;

F.  overwegende dat de EU alle mensenrechtenschendingen scherp veroordeelt, met inbegrip van geweld tegen vrouwen en meisjes, verkrachting, slavernij, eerwraak, gedwongen huwelijken, kinderarbeid en vrouwelijke genitale verminking;

G.  overwegende dat de ontwikkelingen in de regio die zich sinds 2004 en met name de afgelopen jaren hebben voorgedaan, laten zien dat het ENB niet in staat is tot een snelle en adequate reactie op snel veranderende en gecompliceerde omstandigheden;

H.  overwegende dat het ENB een strategische prioriteit van het buitenlands beleid van de EU blijft; overwegende dat de herziening van het ENB gericht moet zijn op versterking ervan en moet plaatsvinden in de geest van ondersteuning van de ontwikkeling van een alomvattend en doeltreffend gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU;

I.  overwegende dat de Commissie en EDEO, samen met de Raad en het Parlement, hebben geprobeerd het ENB aan te passen om de tekortkomingen ervan op te vangen en het af te stemmen op de veranderde internationale en nationale omstandigheden, die met name na de Arabische Lente zichtbaar werden; overwegende dat dit werd vertaald naar het nieuwe financieringsinstrument voor het ENB voor de periode 2014-2020, nl. het Europees nabuurschapsinstrument (ENI); overwegende dat bij de herziening van het ENB rekening moet worden gehouden met de problemen in verband met de crisis in Oost-Oekraïne, de bezetting van de Krim en IS;

J.  overwegende dat onveiligheid, instabiliteit en ongunstige sociaal-economische omstandigheden in de buurlanden negatieve gevolgen kunnen hebben en eerdere democratische ontwikkelingen kunnen doen keren;

K.  overwegende dat sinds de invoering van de nieuwe aanpak in 2011 uit de politieke ontwikkelingen in de buurlanden is gebleken dat de EU de betrekkingen met haar buurlanden nog uitvoeriger moet overdenken en daarbij rekening moet houden met de verschillende externe en interne omstandigheden; overwegende dat de EU een antwoord moet vinden op de nieuwe uitdagingen in haar buurlanden en haar strategie daarop moet afstemmen door haar belangen en prioriteiten tegen het licht te houden en haar beleidsinstrumenten, stimulansen en beschikbare middelen en de aantrekkelijkheid daarvan voor haar partners te evalueren;

L.  overwegende dat bij de herziening van het ENB in 2011 werd vastgesteld dat de nieuwe aanpak gebaseerd moest zijn op wederzijdse verantwoordelijkheid en op een gedeelde inzet voor de universele waarden van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat;

M.  overwegende dat de EU een actievere rol moet spelen in de vreedzame oplossing van de bestaande conflicten, en met name van bevroren of langslepende conflicten, die de volledige ontwikkeling van het ENB in het oosten en in het zuiden momenteel verhinderen, waardoor de goede nabuurschapsrelaties en de regionale samenwerking worden belemmerd;

N.  overwegende dat het ENB betrekking heeft op verschillende naburige regio's, en landen bestrijkt met uiteenlopende belangen, ambities en mogelijkheden;

O.  overwegende dat een gedifferentieerde aanpak en een beleid op maat noodzakelijk zijn, met name nu de nabuurschap van de EU meer dan ooit gefragmenteerd is en de landen in velerlei opzicht van elkaar verschillen, ook wat betreft hun ambities en verwachtingen ten aanzien van de EU, de problemen waaraan het hoofd moet worden geboden en de externe omgeving; overwegende dat de bilaterale betrekkingen tussen de EU en de ENB-landen zich in uiteenlopende fasen van ontwikkeling bevinden; overwegende dat de toepassing van het "meer voor meer"-beginsel van fundamenteel belang is voor de vormgeving en differentiëring van de betrekkingen met de partnerlanden en dat de EU landen die de samenwerking met haar versterken en die vorderingen boeken ten aanzien van de Europese waarden, moet "belonen", zowel geldelijk als via andere stimuleringsmaatregelen in het kader van het ENB; overwegende dat de buurlanden van de EU hun toekomst moeten kunnen bepalen zonder druk van buitenaf;

P.  overwegende dat de vooruitgang in de oplossing van conflicten en geschillen tussen ENB-landen een criterium moet zijn dat in de jaarlijkse voortgangsverslagen moet worden beoordeeld;

Q.  overwegende dat eerbiediging van de territoriale integriteit van soevereine landen een grondbeginsel is in de betrekkingen tussen Europese buurlanden en dat bezetting van het grondgebied van het ene land door een ander land ontoelaatbaar is;

R.  overwegende dat de middelen waarover de EU binnen het meerjarig financieel kader tot 2020 beschikt voor maatregelen in haar rol als "wereldspeler", slechts 6% van de totale begroting uitmaken en alle daarmee verband houdende programma's bestrijken, met inbegrip van steun voor ontwikkeling en samenwerking;

S.  overwegende dat het ENB ertoe heeft bijgedragen dat de EU in de gehele naburige regio met één stem spreekt; overwegende dat de lidstaten een belangrijke rol dienen te spelen in de Europese nabuurschap door hun inspanningen te harmoniseren en de geloofwaardigheid en de slagkracht van de EU te verhogen door met één enkele stem te spreken;

T.  overwegende dat de raadpleging die de Commissie en EDEO uitvoeren zo uitvoerig en breed mogelijk moet zijn om te waarborgen dat alle relevante belanghebbenden worden geconsulteerd; overwegende dat moet worden benadrukt hoe belangrijk het is om organisaties op het gebied van vrouwenrechten en gendergelijkheid bij deze consultatie te betrekken; overwegende dat verdere inspanningen moeten worden geleverd om het ENB zichtbaarder en bekender te maken in het publieke debat in de partnerlanden;

U.  overwegende dat de oostelijke en zuidelijke buurlanden te maken hebben met verschillende problemen en dat het ENB flexibel moet zijn en moet kunnen inspelen op de specifieke behoeften en uitdagingen van elke regio om die problemen te kunnen oplossen;

1.  onderstreept de betekenis, de noodzaak en de opportuniteit van de herziening van het ENB; benadrukt dat het herziene ENB in staat moet zijn een snelle, flexibele en adequate respons te bieden op concrete situaties ter plaatse, maar ook een ambitieuze strategische visie moet vaststellen voor de ontwikkeling van de betrekkingen met de buurlanden, zowel bilateraal als multilateraal, overeenkomstig de verbintenis om de kernwaarden die aan het ENB ten grondslag liggen, te bevorderen;

2.  wijst erop dat het ENB een essentieel onderdeel van het buitenlands beleid van de EU is en één beleid moet blijven; is van mening dat het onderdeel uitmaakt van het externe optreden van de EU, waarvan het potentieel berust op het unieke vermogen om een groot aantal instrumenten te kunnen inzetten op het gebied van diplomatie, veiligheid, defensie, economie, handel, ontwikkeling en humanitair beleid; is van mening dat een doeltreffend ENB cruciaal is om de geloofwaardigheid van het buitenlands beleid van de EU en de positie van de EU in de wereld te versterken, en dat het ENB duidelijk moet maken dat de EU echt leiderschap toont ten opzichte van haar buurlanden en mondiale partners;

3.  gelooft in de blijvende waarde van de oorspronkelijke doelstellingen van het ENB, namelijk om een ruimte van welvaart, stabiliteit, veiligheid en goede nabuurschap tot stand te brengen, gegrondvest op de gemeenschappelijke waarden en beginselen van de Unie, door steun en prikkels te geven voor grondige structurele hervormingen in de buurlanden, die zij volgens afspraak onder eigen verantwoordelijkheid doorvoeren, zodat een sterkere betrokkenheid bij de EU mogelijk wordt; onderstreept dan ook dat het nodig is om lering te trekken uit het verleden, terug te gaan naar de basis en deze doelstellingen opnieuw bovenaan de agenda te plaatsen;

4.  onderstreept het strategische belang van het ENB als een beleid dat meerlagige betrekkingen en een sterke onderlinge afhankelijkheid tussen de EU en haar partners in de naburige regio tot stand brengt; onderstreept dat de fundamentele uitdaging van het ENB ligt in het realiseren van tastbare, concrete verbeteringen voor de burgers van de partnerlanden; is van mening dat het ENB sterker, politieker en doeltreffender moet worden, onder meer door de positieve aspecten ervan te versterken, bijvoorbeeld door de nadruk sterker te leggen op het partnerschap met de samenleving, differentiëring en de "meer voor meer"-benadering;

5.  benadrukt dat eerbiediging van de universele fundamentele waarden van mensenrechten, rechtsstaat, democratie, vrijheid, gelijkheid en eerbiediging van de menselijke waardigheid, waarop de EU is gegrondvest, de kern van het herziene beleid moet blijven vormen, zoals bepaald in artikel 2 van de associatieovereenkomsten tussen de EU en derde landen; herhaalt dat versterking van de rechtsstaat en ondersteuning van de democratie en de mensenrechten in het belang zijn van de partnerlanden, en roept ertoe op strengere voorwaarden te hanteren waar het gaat om de eerbiediging van die fundamentele waarden; onderstreept de rol die de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de mensenrechten en het Europees Fonds voor Democratie in dit verband spelen;

6.  benadrukt dat het vernieuwde beleid strategischer, gerichter, flexibeler en coherenter van opzet moet zijn en politieke drijfveren moet hebben; verzoekt de EU een heldere, ambitieuze politieke visie op het ENB te formuleren en speciale aandacht te schenken aan haar eigen politieke prioriteiten in de oostelijke en zuidelijke buurlanden, rekening houdend met de uiteenlopende problemen waar de landen in de verschillende regio's mee te maken hebben en met hun uiteenlopende wensen en politieke ambities; benadrukt dat het oostelijk partnerschap en het partnerschap met de landen in het Middellandse Zeegebied van cruciaal belang zijn; dringt aan op de benoeming van bijzondere vertegenwoordigers voor het oosten en het zuiden, die tot taak hebben het herziene beleid in politiek opzicht te coördineren en een rol te spelen in alle EU-acties in de buurlanden;

7.  onderstreept de belangrijke rol die de lidstaten, hun expertise en hun bilaterale betrekkingen met de ENB-landen spelen bij de vorming van een coherent EU-beleid; benadrukt dat er behoefte is aan een goede afstemming tussen de VV/HV, de commissaris voor Nabuurschapsbeleid en Uitbreidingsonderhandelingen, de EU-delegaties en de speciale vertegenwoordigers van de EU, om dubbele inspanningen te voorkomen; onderstreept dat de delegaties van de EU een belangrijke rol spelen bij de uitvoering van het ENB;

8.  doet een beroep op de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger om voorstellen uit te werken voor samenwerking met bereidwillige Europese buurlanden, gebaseerd op het model van de Europese Economische Ruimte, hetgeen een verdere stap vooruit zou kunnen zijn in hun Europese vooruitzichten, gebaseerd zou kunnen op een sterkere inbedding in de EU-ruimte ten aanzien van vrijheden en volledige integratie in de interne markt, en tevens een nauwere samenwerking in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) zou kunnen inhouden;

9.  dringt erop aan prioriteiten en strategische doelstellingen voor de korte, middellange en lange termijn te definiëren en daarbij te bedenken dat het ENB tussen en met de ENB-landen een gedifferentieerde benadering van samenwerking op verschillende gebieden moet zien te creëren; benadrukt dat de EU bij het bepalen van haar benadering moet kijken naar haar eigen belangen en prioriteiten en naar die van de afzonderlijke ENB-landen, alsmede naar hun ontwikkelingsniveau, met oog voor de belangen en wensen van de samenleving, politieke ambities en de geopolitieke context;

10.  benadrukt dat lokale zeggenschap, transparantie, een wederzijdse verantwoordingsplicht en inclusiviteit sleutelelementen van de nieuwe benadering zouden moeten vormen, teneinde te waarborgen dat de voordelen van het ENB doordringen tot alle lagen van de maatschappij in het hele land en niet vooral ten goede komen aan bepaalde groepen;

11.   onderstreept zijn overtuiging dat een versterking van de eigen ontwikkelingsmogelijkheden van de partnerlanden vereist dat de momenteel gangbare politieke dialoog in het kader van het ENB wordt uitgebreid naar een sociale, economische en culturele dialoog, waarbij aandacht wordt besteed aan alle politieke, sociale, etnische en culturele verschillen in de partnerlanden; onderstreept de waarde van de opgedane ervaringen met territoriale samenwerking waarbij lokale autoriteiten direct werden betrokken;

12.  betreurt het dat er slechts beperkte middelen toegewezen worden aan de samenwerking van de EU met de partners in haar omgeving, met name in vergelijking met de aanzienlijk omvangrijkere middelen die belanghebbenden uit derde landen investeren in de ENB-landen; onderstreept dat het vermogen van de EU om beleid te bevorderen en ten uitvoer te leggen dat strookt met haar strategische belangen in de naburige regio, hierdoor wordt ondermijnd; onderstreept dat de steunmaatregelen moeten worden gerationaliseerd en de middelen moeten worden verhoogd om partnerlanden die zich oprecht inzetten voor hervormingen, democratisering en eerbiediging van de mensenrechten en die op dat gebied tastbare vooruitgang boeken, doeltreffend te belonen en te ondersteunen;

13.  onderstreept dat de verantwoordings- en transparantiemechanismen in de partnerlanden moeten worden versterkt om ervoor te zorgen dat zij de capaciteit hebben om de middelen efficiënt en zinvol op te nemen en uit te geven; verzoekt daarom de Commissie te zorgen voor efficiënte mechanismen voor de monitoring van en het toezicht op de uitgaven aan EU-steun in de ENB-landen, onder meer via toetsing door het maatschappelijk middenveld;

14.  dringt er bij de EU op aan de coördinatie met andere donoren en internationale financiële instellingen te verbeteren, o.a. via het Amici-initiatief, overeenkomstig haar verbintenis om een consequentere, gerespecteerde en doeltreffende speler op het wereldtoneel te worden, en wijst op de behoefte aan gezamenlijke programmering met en tussen de lidstaten; onderstreept dat er een betere coördinatie met de lidstaten en met de regionale en lokale autoriteiten (RLA's) nodig is om een gemeenschappelijke, coherente en doeltreffende benadering na te streven en tot stand te brengen voor de doelstellingen op korte en middellange termijn voor de samenwerking tussen de EU en de buurlanden, en roept ertoe op de discussie over dit onderwerp aan te gaan met de Raad;

15.  onderstreept dat de EU het streven naar grotere betrokkenheid bij de buurlanden moet koppelen aan voldoende financiering; is van oordeel dat bij de tussentijdse evaluatie van de externe financiële instrumenten rekening moet worden gehouden met het herziene beleid en dat het ENI dan ook het streven naar een efficiënter ENB moet weerspiegelen en moet zorgen voor een voorspelbare en duurzame betrokkenheid van de EU bij haar partnerlanden en voor een passend niveau van procedurele flexibiliteit; verzoekt bovendien om meer samenhang en consistentie tussen de verschillende externe financieringsinstrumenten van de EU;

16.  onderstreept de ondersteunende rol die het Europees Fonds voor Democratie speelt door de EU-instrumenten aan te vullen met een nieuwe, flexibelere aanpak waarmee sneller kan worden gereageerd en die kloven overbrugt en financieel doeltreffend is; verzoekt de Commissie meer middelen aan dit fonds toe te wijzen;

17.  erkent dat de houding die de buurlanden aannemen ten opzichte van Europa en de EU een reële invloed heeft op conflicten, maar verwerpt iedere medeplichtigheid aan onderdrukking en mensenrechtenschendingen in de buurlanden die het gevolg zijn van een ondoordacht streven naar stabiliteit op de korte termijn;

Toegevoegde waarde van maatregelen op EU-niveau

Nieuwe vormgeving van het Europees nabuurschapsbeleid

18.  benadrukt dat het ENB een nieuwe vorm moet krijgen, zodat er krachtige, strategische en duurzame partnerschappen met de ENB-landen kunnen worden opgebouwd die gebaseerd zijn op het behoud van en die aansluiten bij de waarden en beginselen van de EU en het bevorderen van de wederzijdse belangen; dringt erop aan dat aan de technische aspecten van het beleid een heldere politieke visie ten grondslag ligt;

19.  merkt op dat het ENB een eigen methodologie en eigen instrumenten moet toepassen, die moeten aansluiten bij het ambitieniveau, de behoeften en de doelstellingen die de ENB-landen en de EU nastreven;

20.  roept de Commissie op zich te concentreren op de sectoren die samen met de partners, uitgaande van gezamenlijk belang, zijn geïdentificeerd als sectoren waar vooruitgang en een universele toegevoegde waarde kunnen worden bereikt, en de samenwerking op basis van vooruitgang en ambitie geleidelijk uit te breiden, met name om bij te dragen tot economische groei en menselijke ontwikkeling, met de nadruk op de nieuwe generaties; benadrukt dat economische hervormingen gepaard moeten gaan met politieke hervormingen en dat goed bestuur alleen tot stand kan worden gebracht door een open, op verantwoordingsplicht berustend en transparant besluitvormingsproces dat op democratische instellingen is gebaseerd;

21.  benadrukt dat het uitbreidings- en het nabuurschapsbeleid twee afzonderlijke beleidsterreinen zijn met uiteenlopende doelstellingen, herinnert er evenwel aan dat Europese landen binnen het ENB, zoals alle Europese landen, om toetreding tot de EU kunnen vragen als zij aan de toelatingscriteria en -voorwaarden overeenkomstig artikel 49 VEU voldoen; erkent dat er eerst sprake moet zijn van hervormingen en transitie en dat er geen onrealistische verwachtingen mogen worden gewekt, maar is van mening dat het vooruitzicht van een EU-lidmaatschap moet worden gehandhaafd om alle daarvoor in aanmerking komende landen die duidelijke Europese ambities hebben uitgesproken te stimuleren;

Steun voor democratie, hervorming van de rechtspraak, de rechtsstaat, goed bestuur en opbouw van institutionele capaciteit

22.  vindt dat steun voor democratie, de rechtsstaat, goed bestuur, de staatsopbouw en de mensenrechten en fundamentele vrijheden centraal moet staan in het ENB; onderstreept dat in het kader van het ENB geen beleidsmaatregelen mogen worden vastgesteld die deze kernwaarden in gevaar brengen; benadrukt dat de EU en de lidstaten stimulerende maatregelen moeten nemen en hun knowhow moeten aanbieden met het oog op de doorvoering en ondersteuning van democratische hervormingen en het overwinnen van de politieke, economische en maatschappelijke problemen;

23.  wijst op de blijvende noodzaak van concentratie op het versterken en consolideren van de democratie, de rechtsstaat, goed bestuur, de onafhankelijkheid van de rechtspraak, corruptiebestrijding en eerbiediging van diversiteit en de rechten van minderheden, met inbegrip van religieuze groeperingen, en de rechten van LGBTI-personen, personen met een handicap en personen die tot een etnische minderheid behoren; onderstreept dat capaciteitsopbouw in nationale instellingen, met inbegrip van de nationale vergaderingen, in combinatie met steun voor het maatschappelijk middenveld, prodemocratische groeperingen en politieke partijen, de politieke dialoog en het pluralisme zullen bevorderen;

24.  wijst erop dat vrouwenrechten, gendergelijkheid en het recht op non-discriminatie grondrechten en kernbeginselen van het externe optreden van de EU zijn; onderstreept hoe belangrijk het is om de rechten van kinderen en jongeren en gendergelijkheid, alsmede de economische en politieke emancipatie van vrouwen te bevorderen om een inclusieve, welvarende en stabiele samenleving op te bouwen in de buurlanden van de EU;

25.  is van mening dat het herziene ENB de bevordering van de fundamentele vrijheden in de ENB-landen moet versterken door de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering en de pers- en mediavrijheid te ondersteunen als rechten die de verwezenlijking van de economische, sociale en culturele rechten mogelijk maken;

26.  benadrukt hoe belangrijk het is om de sociale dimensie van het ENB te ontwikkelen, door samen te werken met de partners bij de bestrijding van armoede en uitsluiting, werkgelegenheid en rechtvaardige groei te stimuleren, gezonde arbeidsverhoudingen te vergemakkelijken en onderwijs en fatsoenlijke banen te bevorderen, en daarmee enkele fundamentele oorzaken van illegale migratie aan te pakken;

27.  erkent het belang van een culturele dialoog tussen de EU en de buurlanden, op gebieden zoals conflictpreventie en vredesopbouw, de ontwikkeling van creatieve industrieën, de versterking van de vrijheid van meningsuiting, de ondersteuning van sociale en economische ontwikkeling en de versterking van de dialoog met het maatschappelijk middenveld en de interculturele en interreligieuze dialogen, mede om de toenemende discriminatie en vervolging van minderheden en religieuze groeperingen tegen te gaan; roept op tot versterking van het kader voor de culturele betrekkingen, om programma's voor mobiliteit, opleiding en capaciteitsopbouw en uitwisselingen op het gebied van cultuur en onderwijs te kunnen ontwikkelen;

28.  benadrukt dat de aanpak op basis van "partnerschap met de samenleving" moet worden versterkt en bevorderd; dringt erop aan de gemeenschappelijke belangen en doelstellingen van het beleid in overleg met alle belanghebbenden uit de samenleving te definiëren, en niet alleen met de autoriteiten;

29.  benadrukt hoe belangrijk het is dat er in de loop van het transformatie- en democratiseringsproces een bloeiend en actief maatschappelijk middenveld ontstaat dat ook de sociale partners en het bedrijfsleven omvat; verzoekt om de verdere ondersteuning van het maatschappelijk middenveld, het plaatselijke mkb en andere niet-overheidsactoren, aangezien zij een drijvende kracht in het hervormingsproces zijn, en om meer engagement in de dialoog en het partnerschap tussen de verschillende actoren en sectoren van het maatschappelijk middenveld in de EU en de buurlanden in ENB-verband; onderstreept de betekenis van Europese bedrijven en hun rol bij het bevorderen en verspreiden van internationale normen voor het zakenleven, inclusief maatschappelijk verantwoord ondernemen;

Differentiatie en conditionaliteit

30.  roept ertoe op dat het ENB wordt omgewerkt tot een sterker individueel toegesneden en flexibel beleidskader dat kan worden aangepast aan de bestaande diversiteit tussen de partnerlanden, en dringt aan op consequente toepassing van de "gedifferentieerde benadering"; onderstreept dat er tussen de ENB-landen moet worden gedifferentieerd;

31.  wijst op de noodzaak om bij hervormingsprocessen conditionaliteit toe te passen, en onderstreept dat de EU moet zorgen voor samenhang tussen haar standpunten en de conditionaliteit bij financiële toewijzingen; wijst erop dat de EU haar fundamentele waarden en rechten niet mag verloochenen en zich ervoor moet hoeden om met twee maten te meten; wijst erop dat landen die vooruitgang boeken bij de uitvoering van hervormingen die leiden tot politieke, economische en sociale ontwikkeling op de lange termijn, en die streven naar nauwere politieke betrekkingen met de EU, een substantiëlere inzet en steun van de EU zouden moeten ontvangen en beoordeeld dienen te worden op hun individuele prestaties in dit hervormingsproces; onderstreept dat het belangrijk is om het "meer voor meer"-beginsel volledig toe te passen;

32.  benadrukt dat associatieovereenkomsten een zeer gevorderde, maar niet de laatste stap zijn in de betrekkingen tussen de EU en haar buurlanden;

33.  is van mening dat de EU niet-geassocieerde partnerlanden zou moeten verzoeken sectorale samenwerking aan te gaan, dat de mogelijkheid omvat om nieuwe sectorale overeenkomsten te sluiten of bestaande te versterken, zoals de energiegemeenschap, die de integratie van dergelijke landen in specifieke onderdelen van de ruimte van de vier fundamentele vrijheden van de EU zouden vergemakkelijken;

34.  is van mening dat in verband met het ENB bijzondere aandacht dient te worden geschonken aan samenwerking op het gebied van economische governance en de houdbaarheid van de overheidsfinanciën in de ENB-landen;

Het veiligheidsaspect

35.  merkt op dat de handhaving van vrede, veiligheid en stabiliteit een punt van fundamentele zorg is in de buurlanden en dat de veiligheidssituatie sterk verslechtert; dringt aan op een krachtige veiligheidscomponent in het ENB, met adequate beleidsinstrumenten, die tot dusver helaas ontbreken; wijst erop dat de EU zich moet richten op het verbeteren van de doelmatigheid en doeltreffendheid van haar bestaande instrumenten voor crisisbeheersing met het oog op het creëren van capaciteit ter verbreding van het spectrum van crisisbeheersingsmaatregelen; wijst erop dat veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling hand in hand gaan en dat een alomvattende aanpak vereist is om de veiligheidsproblemen in de regio en de fundamentele oorzaken daarvan aan te pakken;

36.  merkt op dat het stabiliteitsprobleem in de Sahel/Sahara-strook moet worden beschouwd als de centrale bron van onveiligheid in zowel noordelijk als zuidelijk Afrika en dat de instabiliteit in deze regio het gevolg is van de veelvoud van netwerken voor wapen-, drugs- en mensenhandel en dus een gevaar betekent voor de stabiliteit van Europa;

37.  roept op tot nauwere coördinatie tussen ENB-activiteiten en de bredere activiteiten van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB), naast een versterking van het verband tussen interne en externe veiligheid en aandacht voor verschillende aspecten van de veiligheid van de ENB-landen en van de EU; wijst erop dat de herziening van het ENB coherent moet zijn met en volledig afgestemd moet zijn op de herziening van de veiligheidsstrategie van de EU;

38.  onderstreept de behoefte aan een overkoepelende politieke strategie en tegelijkertijd te zorgen voor volledige naleving van het internationaal recht en internationale verplichtingen, zoals neergelegd in de slotakte van Helsinki van 1975, op basis van eerbiediging van de mensenrechten, de rechten van minderheden en de fundamentele vrijheden, onafhankelijkheid, soevereiniteit en territoriale integriteit van staten, onschendbaarheid van grenzen, gelijke rechten en zelfbeschikkingsrecht van volkeren en vreedzame oplossing van conflicten; merkt op dat de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa (OVSE), als grootste regionale organisatie voor veiligheid, in dit opzicht een belangrijke rol kan spelen, en is van mening dat zij een nieuwe impuls moet krijgen door als bemiddelaar op te treden; steunt het recht van partners op het maken van onafhankelijke en soevereine keuzes inzake buitenlands en veiligheidsbeleid, vrij van druk en dwang van buitenaf;

39.  wenst dat het herziene beleid steun biedt aan partnerlanden bij het opbouwen van een solide staatsbestel voor het omgaan met veiligheidsvraagstukken, zoals doeltreffende wetshandhaving, terrorisme en georganiseerde misdaad, inlichtingen en veiligheid, waaronder cyberveiligheid, die moet worden ontwikkeld met volledige eerbiediging van de mensenrechten en gepaard moet gaan met grondige democratische controle door het parlement; wijst erop dat de EU zich moet inzetten op gebieden als de hervorming van de veiligheidssector (SSR) en zich, in post-conflictsituaties, moet bezighouden met ontwapening, demobilisering en herintegratie (DDR); verzoekt de EU zich te richten op de opbouw van capaciteit in de partnerlanden ten behoeve van de grenscontroles; is erkentelijk voor de bijdrage die sommige van die landen nu al doorlopend leveren; vraagt de buurlanden in voorkomend geval een bijdrage te leveren aan GVDB-missies; verzoekt de EU gezamenlijke initiatieven van de buurlanden op het gebied van veiligheid te stimuleren, teneinde hen in staat te stellen meer verantwoordelijkheid te nemen en een positieve bijdrage te leveren aan de veiligheid in hun regio;

40.  herinnert de lidstaten aan hun verplichtingen in het kader van het gemeenschappelijk standpunt van de EU inzake wapenuitvoer (2008/944/GBVB), dat onder meer voorschrijft dat zij een uitvoervergunning voor militaire goederen of technologie aan een nabuurschapsland weigeren indien er een duidelijk risico bestaat dat de uit te voeren militaire goederen of technologie gebruikt worden voor binnenlandse onderdrukking of bij het begaan van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, gewapende conflicten zouden uitlokken of verlengen dan wel bestaande spanningen of conflicten in het land van eindbestemming zouden verergeren, of zouden worden gebruikt voor agressie jegens een ander land of om een territoriale aanspraak met geweld te doen gelden;

41.  wijst op de noodzaak van actieve bevordering en ondersteuning van de vreedzame oplossing van conflicten en van maatregelen gericht op verzoening na een conflict in het nabuurschap van de EU, onder gebruikmaking van uiteenlopende instrumenten, naar gelang de meerwaarde die deze kunnen leveren; is van mening dat het werk van de speciale EU-vertegenwoordigers, vertrouwenwekkende programma's, het herstel van de dialoog, bemiddeling ter bevordering van contacten tussen mensen en GVDB-missies tot de mogelijkheden moeten behoren; verzoekt de VV/HV en EDEO innovatieve maatregelen en benaderingen te ontwikkelen, waaronder strategieën voor publieke communicatie en informeel overleg ter ondersteuning van dialoog en verzoening; stelt vast dat de EU-delegaties een sleutelrol moeten vervullen bij de instelling van systemen voor vroegtijdige waarschuwing en daartoe met de diverse maatschappelijke organisaties een fijnmazig preventienetwerk tot stand moeten brengen;

42.  herhaalt dat het de soevereiniteit, territoriale integriteit en politieke onafhankelijkheid van de partnerlanden steunt; is van mening dat het ENB in de praktijk moet bijdragen tot en bevorderlijk moet zijn voor deze beginselen; benadrukt dat bevroren of langdurige conflicten een belemmering vormen voor de volledige ontwikkeling van het ENB; betreurt dienaangaande dat sinds de start van het ENB een oplossing voor de bestaande conflicten nog geen stap dichterbij is gekomen; herinnert aan zijn standpunt dat bezetting van het grondgebied van een partnerland in strijd is met de fundamentele beginselen en doelstellingen van het ENB; benadrukt de noodzaak om zo spoedig mogelijk op basis van de normen en beginselen van het internationale recht te komen tot een vreedzame oplossing van de bevroren conflicten; verzoekt de VV/HV een actievere rol te spelen en duidelijk te maken dat het vreedzaam oplossen van conflicten en de naleving van het internationale recht voorwaarden zijn voor de verdieping van de bilaterale betrekkingen; onderstreept tegen deze achtergrond dat het belangrijk is om een principieel beleid te voeren waarin de verantwoordingsplicht voor alle schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht wordt bevorderd en, in het bijzonder op dit gebied, het meten met twee maten wordt vermeden;

43.  dringt er bij de EU op aan bij regionale conflicten de geest van de Europese integratie toe te passen en voort te bouwen op de lessen die daaruit zijn geleerd, aangezien bilaterale conflicten op vreedzame wijze moeten worden opgelost en goed nabuurschap en regionale samenwerking wezenlijke aspecten van het ENB zijn; roept in dit verband op tot betrokkenheid van burgers en engagement van publieke actoren bij horizontale partnerschappen en samenwerking met hun tegenhangers in de Unie, en betrokkenheid met de maatschappij en de jongere generatie als factor voor verandering;

Bevordering van regionale integratie

44.  wijst op de betekenis van de regionale dimensie van het ENB en de noodzaak om regionale synergieën en integratie te bevorderen en hiertoe bij te dragen door middel van programma's voor regionale samenwerking; onderstreept dat een nauwere economische samenwerking tussen de ENB-landen noodzakelijk is om in het Europese nabuurschap stabiliteit en welvaart te bereiken;

45.  roept er in dit verband toe op de bilaterale betrekkingen van de EU met de ENB-landen aan te vullen met een multilaterale dimensie door het aantal activiteiten en initiatieven in dit kader op te voeren, met speciale aandacht voor de versterking van grensoverschrijdende projecten, de intensivering van programma's voor interpersoonlijke contacten, de ontwikkeling van prikkels voor regionale samenwerking en de verdere verbetering van een actieve dialoog met het maatschappelijk middenveld; is van mening dat het toekomstige ENB moet voorzien in een inclusief regionaal platform voor het bespreken van mensenrechtenkwesties, overeenkomstig de kernbeginselen van het ENB;

46.  roept op tot het systematisch beoordelen van de mensenrechteneffecten, inclusief genderperspectieven, van handelsovereenkomsten en financiële steun van de EU voor programma's en projecten in het kader van het ENB;

47.  roept ertoe op dat het herziene beleid de bestaande platforms voor samenwerking versterkt, namelijk de Unie voor het Middellandse Zeegebied en het Oostelijk Partnerschap, teneinde de regionale integratie ook verder te steunen als de door de partners gekozen prioriteiten op een bepaald beleidsterrein vergelijkbaar zijn, specifieke subregionale kwesties zoals mobiliteit, energie en veiligheid aan te pakken en partners dichter bijeen te brengen wat betreft economische normen en wetgeving; meent dat de multilaterale structuren van het ENB geconsolideerd en op een meer strategische wijze ontwikkeld moeten worden;

48.  onderstreept de betekenis van de rol van multilaterale vergaderingen, zoals Euronest en PA-UfM, als forum voor politieke discussie en als instrument voor het bevorderen van eigen inbreng in het nabuurschapsbeleid, en moedigt hen met klem aan hun betrokkenheid op passende en doeltreffende wijze te vergroten;

49.  benadrukt de toegevoegde waarde van parlementaire diplomatie en van de regelmatige bilaterale interparlementaire bijeenkomsten van het EP met de tegenhangers uit het nabuurschap als instrument voor de uitwisseling van ervaringen en de evaluatie van de status van de betrekkingen van de afzonderlijke landen met de EU; moedigt de nationale parlementen van de lidstaten aan hun bilaterale interparlementaire bijeenkomsten in het kader van het ENB te houden, als een manier om te zorgen voor een samenhangende aanpak;

50.  benadrukt de betekenis van de Conferentie van lokale en regionale overheden van het Oostelijk Partnerschap (CORLEAP) en de Vergadering van Euromediterrane lokale en regionale overheden (ARLEM), die vertegenwoordigers van lokale en regionale overheden in staat stellen een dialoog met de EU-instellingen op te zetten en economische, sociale en lokale en regionale samenwerking tot stand te brengen;

51.  benadrukt dat door de ontwikkeling van regionale platforms van het maatschappelijk middenveld, zoals het forum van het maatschappelijk middenveld van het Oostelijk Partnerschap en soortgelijke initiatieven voor het zuiden, een betrokkenheid van verschillende belanghebbenden wordt versterkt die vaart zet achter de agenda voor democratisering en economische hervorming in het nabuurschap;

Buren van buren

52.  benadrukt hoe nodig het is om krachtige partnerschappen tot stand te brengen met aangrenzende landen; wijst erop hoe belangrijk het is te waarborgen dat het ENB deel uitmaakt van het bredere externe beleid van de EU en notitie te nemen van de overige strategische spelers die invloed op de naburige regio uitoefenen – de "buren van de buren" – alsmede internationale en regionale organisaties, door onder meer vraagstukken van gemeenschappelijk en wederzijds belang, waaronder de regionale en mondiale veiligheid, aan de orde te stellen via bestaande bilaterale kaders of in een multilaterale dialoog, voor zover dit passend en relevant wordt geacht;

53.  wijst erop dat de EU realistisch moet nagaan welke beleidskeuzes haar partners hebben, hoe er op verschillende niveaus bruggen kunnen worden geslagen naar hun buren en hoe zij het buitenlands beleid van derde landen in haar directe omgeving kan benaderen, er zorg voor dragend dat het aan de EU en haar soevereine partners is om te beslissen hoe zij hun betrekkingen willen voortzetten;

54.  herhaalt zijn overtuiging dat de DCFTA-bepalingen voor de Russische Federatie geen commerciële uitdagingen met zich meebrengen en dat de associatieovereenkomsten niet als een belemmering voor goede betrekkingen tussen de oostelijke partners en hun buren moeten worden beschouwd;

55.  verzoekt de EU doeltreffende steunmechanismen te ontwikkelen ten behoeve van ENB-partnerlanden die een ambitieuze Europese agenda nastreven en, als gevolg daarvan, lijden onder vergeldingsmaatregelen, dwang op het gebied van handel of echte militaire agressie van derde landen; herhaalt dat de EU, hoewel het ENB niet tegen andere strategische spelers gericht is en het idee van een geopolitieke nul-somwedloop in de nabuurschap verwerpt, geloofwaardige toezeggingen moet doen en solide politieke steun moet bieden aan partners die een betere afstemming op de EU nastreven;

56.  verzoekt de EU gebruik te maken van de deskundigheid van de regionale organisaties waartoe de buurlanden behoren, zoals de Raad van Europa, de OVSE, de Afrikaanse Unie, de relevante regionale kantoren van de Verenigde Naties en de Arabische Liga, en met het oog op het aanpakken van regionale conflicten te zorgen voor actieve betrokkenheid en samenwerking met hen; herinnert eraan dat dit belangrijke forums zijn waarin partners kunnen worden aangezet tot hervormingen, waarin zorgen over de mensenrechten en regionale kwesties – waarvoor zij meer verantwoordelijkheid op zich moeten nemen – aan de orde kunnen worden gesteld, en waarin democratisering kan worden gestimuleerd;

Beleidsdoelstellingen en -instrumenten

Een rijkgeschakeerd aanbod: prioritaire sectoren

57.  roept de EU op tezamen met haar partners de prioriteiten voor een nauwere samenwerking en integratie op verschillende beleidsterreinen te verkennen en vast te stellen, bijvoorbeeld economische en menselijke ontwikkeling, conflict- en rampenpreventie, infrastructuur en regionale ontwikkeling, milieu, mededingingsbeleid op handelsgebied, mkb, migratie, veiligheid, energie en energie-efficiëntie, met het doel een ruimte van welvaart, stabiliteit en goed nabuurschap tot stand te brengen;

58.  is van mening dat de nagestreefde samenhang tussen het intern en het extern beleid van de EU, alsmede de sterke en toenemende verwevenheid van bepaalde interne en externe kwesties in het nieuwe ENB moeten worden weerspiegeld;

59.  is van mening dat een sterkere samenwerking op het gebied van de toekomstige digitale interne markt, steun voor hervormingen in de zin van elektronisch bestuur en oplossingen inzake open bestuur, de betrokkenheid van de burger ten goede komt;

60.  wijst op het belang van vrij verkeer van personen en steunt de verbetering van de mobiliteit binnen de naburige regio, in een veilige en goed beheerde omgeving, door visumfacilitering en -liberalisering, met name voor studenten, jongeren, kunstenaars en wetenschappers; verzoekt de Commissie om zich in samenwerking met de lidstaten sterker in te zetten voor mobiliteitspartnerschappen binnen de naburige regio en mogelijkheden te ontwikkelen voor regelingen voor circulaire migratie die veilige en legale routes voor migranten zouden bieden; verzoekt de EU een duidelijk onderscheid te maken tussen asielzoekers die voor vervolging gevlucht zijn, en illegale economische migranten; veroordeelt mensenhandel, waarvan vooral vrouwen het slachtoffer worden, en wijst op het belang van versterking van de samenwerking met partnerlanden om mensenhandel te bestrijden;

61.  verzoekt de Commissie bij de bevordering van beroepsopleiding en academische vorming aandacht te besteden aan het gendergelijkheidsperspectief, alsook in het kader van programma's voor circulaire migratie met de buurlanden, teneinde de participatie van vrouwen in hun eigen economie te versterken;

62.  merkt op dat grote werkloosheid, met name onder jongeren, gebrek aan vrij toegang tot informatie, sociale uitsluiting en armoede, alsook gebrek aan bescherming van de rechten van minderheden, in combinatie met een geringe politieke en sociaaleconomische participatie van vrouwen, slecht bestuur en een omvangrijke corruptie, aan de wortel liggen van instabiliteit, en dringt aan op een engagement dat verder gaat dan de diepe en brede vrijhandelsruimte (Deep and Comprehensive Free Trade Area (DCFTA)); merkt op dat het perspectief van louter handelsakkoorden en vrijhandel niet langer een voldoende effectief middel is ter versterking van ons partnerschap met de buurlanden, in het bijzonder met de landen bezuiden de Middellandse Zee; merkt het gebrek aan regionale economische samenwerking op tussen de buurlanden van de EU en roept ertoe op subregionale initiatieven te ontplooien met het oog op meer handelsverkeer tussen deze landen;

63.  benadrukt dat het belangrijk is om te investeren in projecten voor jongeren, vrouwen en toekomstige leidinggevenden, door ten volle gebruik te maken van de mogelijkheden van beurzen in het kader van het Erasmus+-programma ter bevordering van uitwisselingen van studenten en leraren tussen ENB-landen en de lidstaten, met het oog op de vorming van toekomstige leidinggevenden zowel uit ENB-landen als uit de lidstaten, en de verdere bevordering van academische en educatieve projecten waarvan de waarde op dit gebied al is aangetoond, zoals het Europacollege;

64.  verzoekt de Commissie na te gaan of aan de ENB-landen verschillende niveaus van participatie, samenwerking en engagement in beleidsmaatregelen, programma's en agentschappen van de EU kunnen worden aangeboden, zoals Europol, Frontex, douanebeheer, op het gebied van de bestrijding van mensenhandel, economische en grensoverschrijdende misdrijven, en bij de energiegemeenschap, die als succesvolle integratieovereenkomst een grotere rol binnen het ENB kan spelen; benadrukt het belang van energiezekerheid en van een nauwere samenwerking op energiegebied binnen het Europese nabuurschap, met het oog op de verwezenlijking van een gemeenschappelijk doel, namelijk een ononderbroken aanvoer van betaalbare, duurzame, efficiënte en schone energie; roept op tot de geleidelijke openstelling van de energie-unie voor de ENB-landen; moedigt de Commissie aan in de ENB-landen te werven voor het Verdrag van Boedapest inzake de bestrijding van cybercriminaliteit en hen te verzoeken zich bij dit verdrag aan te sluiten, voor zover zij dit nog niet hebben gedaan;

65.  is van mening dat er nadrukkelijker gebruik moet worden gemaakt van programma's voor technische ondersteuning zoals TAIEX en Twinning, en dat de partners moeten worden opgenomen in EU-programma's als Erasmus en Horizon 2020, daar deze bijdragen aan het delen van kennis en het tot stand brengen van netwerken op diverse niveaus en de basis vormen voor een gemeenschappelijke nabuurschapsruimte;

66.  is van oordeel dat de parlementaire dimensie van het beleid versterkt dient te worden door de interparlementaire ontmoetingen, de uit hoofde van akkoorden met de EU opgerichte gemengde parlementaire organen en de parlementaire vergaderingen doeltreffender te maken; is in deze context ingenomen met de nieuwe benadering die het Parlement heeft gekozen voor steun aan de parlementaire democratie; onderstreept de rol van de parlementen in de ENB-landen bij het ter verantwoording roepen van regeringen en moedigt de versterking van hun controlecapaciteit aan; dringt erop aan dat het Parlement betrokken wordt bij de uitvoering van het nieuwe ENB en dat het regelmatig wordt geïnformeerd en geraadpleegd over de vorderingen op dat terrein in de partnerlanden; is van mening dat de Europese politieke partijen en de fracties in de nationale parlementen van de lidstaten en in het Europees Parlement een belangrijke rol kunnen spelen en een cruciale verantwoordelijkheid op zich kunnen nemen ten aanzien van de bevordering van een politieke cultuur die berust op volwaardige democratische instellingen, de rechtsstaat, een democratie met een meerpartijenstelsel en volwaardige deelname van vrouwen aan de besluitvorming;

67.  benadrukt dat het ENB alleen een succesvol beleid kan worden als het ook waarborgt dat de lidstaten een eigen inbreng hebben, ook door de uitbreiding van de vlaggenschipinitiatieven; verzoekt de Commissie dan ook de beleidscoördinatie en de gezamenlijke programmering van financiële steun te intensiveren en mechanismen te bieden om de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de EU-instanties over ENB-landen, alsook de onderlinge raadpleging tussen de lidstaten, de EU-instanties en de buurlanden te bevorderen; is van mening dat de financiële en technische bijstand van de EU afhankelijk dienen te zijn van het succesvol bereiken van concrete benchmarks in het hervormingsproces, op grond waarvan meer steun zal worden toegekend;

Evaluatie en zichtbaarheid

68.  benadrukt dat de actieplannen die in nauw overleg met de autoriteiten van de partnerlanden en in overleg met de maatschappelijke organisaties worden vastgesteld, gericht moeten zijn op een beperkt aantal realistische prioriteiten en dat de uitvoering daarvan regelmatig of wanneer veranderende omstandigheden hiertoe aanleiding geven, moet worden geëvalueerd, met gezamenlijk overeen te komen beleidsopties; wijst op het belang van het ontwikkelen van een raadplegingsproces met maatschappelijke organisaties met betrekking tot de vaststelling van benchmarks;

69.  onderstreept dat de voortgangsverslagen met name moeten ingaan op de uitvoering van de in de actieplannen genoemde prioriteiten en uitsluitsel moeten geven over de omvang van het engagement van het partnerland; herhaalt zijn verzoek om de in de verslagen genoemde gegevens in het juiste perspectief te plaatsen door de nationale context en de trends van voorgaande jaren te vermelden; is van mening dat alle centrale belanghebbenden in de ENB-landen, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld, vóór de opstelling van deze verslagen moeten worden gevraagd en geraadpleegd; verzoekt essentiële documenten zoals voortgangsverslagen direct beschikbaar te stellen op de website van de respectieve EU-delegaties en in de plaatselijke taal te vertalen; verzoekt de EU meer kwalitatieve middelen te gebruiken om te meten in hoeverre in de partnerlanden vooruitgang is geboekt, en doeltreffende maatregelen te nemen om te waarborgen dat de partners voldoen aan de randvoorwaarden inzake de vorderingen op het gebied van de mensenrechten, de rechtsstaat en de democratie;

70.  is van mening dat de EU-steun zichtbaarder moet worden gemaakt, zodat de bevolking in de partnerlanden en de EU-lidstaten ziet welke voordelen EU-steun biedt; verzoekt de Commissie een speciaal mechanisme voor het verlenen van humanitaire bijstand door de EU aan de buurlanden op te zetten, dat verschilt van het model dat wereldwijd voor derde landen wordt gebruikt en dat onder meer de EU en haar politieke agenda van een grote zichtbaarheid zou verzekeren; onderstreept het belang en de noodzaak van een mechanisme dat de transparantie in verband met de financiële bijstand van de EU kan garanderen;

71.  verzoekt de EU zich sterker te wapenen om onjuiste informatie en propagandacampagnes tegen de EU en de lidstaten te bestrijden, die erop gericht zijn hun eenheid en solidariteit te verzwakken; verzoekt de EU haar zichtbaarheid te vergroten ter verduidelijking van haar steun en engagement met en in de partnerlanden; onderstreept dat het belangrijk is om in de ENB-landen een objectieve, onafhankelijke en onpartijdige informatievoorziening en de vrijheid van de media te bevorderen, alsmede dat strategische voorlichtingsinspanningen in de buurlanden van de EU nodig zijn, o.a. over de waarden en doelstellingen van de Unie, door binnen het herziene beleid een alomvattende, doeltreffende en systematische communicatiestrategie te ontwikkelen;

72.  verzoekt de EU haar aanwezigheid in de partnerlanden te vergroten met behulp van meer interactieve audiovisuele middelen en sociale media in de betreffende plaatselijke talen, om zo de gehele maatschappij te bereiken; verzoekt de Commissie een duidelijke communicatiestrategie voor de samenlevingen in de ENB-landen te ontwikkelen om hun de voordelen duidelijk te maken van een associatieovereenkomst, met inbegrip van een diepe en brede vrijhandelsruimte (DCFTA), als instrument ter modernisering van hun politieke systeem en hun economie;

o
o   o

73.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de ENB-landen, de parlementaire vergaderingen van Euronest en de de Unie voor het Middellandse Zeegebied, de Arabische Liga, de Afrikaanse Unie, de Raad van Europa en de OVSE.

(1) JOIN(2015) 0006 http://ec.europa.eu/enlargement/neighbourhood/consultation/consultation.pdf
(2) http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2011:0200:FIN:nl:PDF
(3) http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2011:0303:FIN:nl:PDF
(4) http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2003:0104:FIN:NL:PDF
(5) Conclusies van de Raad externe betrekkingen van 18 februari 2008 - http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/gena/98818.pdf
(6) PB C 87E van 7.4.2004, blz. 506.
(7) PB C 104E van 30.4.2004, blz. 127.
(8) PB C 287E van 24.11.2006, blz. 312.
(9) PB C 282E van 6.11.2008, blz. 443.
(10) PB C 296E van 2.10.2012, blz. 105.
(11) PB C 296E van 2.10.2012, blz. 114.
(12) PB C 168E van 14.6.2013, blz. 26.
(13) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0446.
(14) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0229.


Harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten
PDF 213kWORD 105k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (2014/2256(INI))
P8_TA(2015)0273A8-0209/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 4, 26, 34, 114, 118 en 167 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 27 van de Universele Verklaring inzake de rechten van de mens,

–  gezien de WTO-overeenkomst van 1994 inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (Trade-Related Aspects of Intellectual Property Rights, TRIPS),

–  gezien het Unesco-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen van 20 oktober 2005,

–  gezien de artikelen 11, 13, 14, 16, 17, 22 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij(1),

–  gezien de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst en meer bepaald de driestappentoets,

–  gezien het Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO) inzake het auteursrecht van 20 december 1996,

–  gezien het Verdrag van de WIPO inzake uitvoeringen en fonogrammen van 20 december 1996,

–  gezien het Verdrag van de WIPO inzake audiovisuele uitvoeringen dat op 24 juni 2012 in Beijing is aangenomen door de Diplomatieke Conferentie van de WIPO inzake de bescherming van audiovisuele uitvoeringen,

–  gezien de gezamenlijke studie uit september 2013 van het Europees Octrooibureau en het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (EOB/BHIM) getiteld "Intellectual Property Rights Intensive Industries: Contribution to Economic Performance and Employment in the European Union",

–  gezien het Verdrag van Marrakesh tot bevordering van de toegang tot gepubliceerde werken voor personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben,

–  gezien Richtlijn 2014/26/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor onlinegebruik op de interne markt(2),

–  gezien Richtlijn 2013/37/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot wijziging van Richtlijn 2003/98/EG inzake het hergebruik van overheidsinformatie(3),

–  gezien Richtlijn 2012/28/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 inzake bepaalde toegestane gebruikswijzen van verweesde werken(4),

–  gezien Richtlijn 2006/116/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten(5),

–  gezien Richtlijn 2011/77/EU van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2011 tot wijziging van Richtlijn 2006/116/EG betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten(6),

–  gezien Richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel(7),

–  gezien Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten(8),

–  gezien Richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom(9), tot wijziging van Richtlijn 92/100/EEG van de Raad(10),

–  gezien Richtlijn 2001/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk(11),

–  gezien zijn resolutie van 27 februari 2014 over heffingen voor kopiëren voor privégebruik(12),

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2013 over bevordering van de Europese culturele en creatieve sector als bron voor groei en banen(13),

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2012 over de onlineverspreiding van audiovisuele werken in de Europese Unie(14),

–  gezien zijn resolutie van 22 september 2010 over de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in de interne markt(15),

–  gezien de openbare raadpleging over de herziening van de EU-regels inzake auteursrecht die is gehouden door de Commissie tussen 5 december 2013 en 5 maart 2014,

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2012 over verzoekschrift 0924/2011, ingediend door Dan Pescod (Britse nationaliteit), namens de Europese Blindenunie (EBU)/Royal National Institute of Blind People (RNIB), over de toegang van blinden tot boeken en ander drukwerk(16),

–  gezien het Groenboek van de Commissie betreffende de onlinedistributie van audiovisuele werken in de Europese Unie: mogelijkheden en uitdagingen voor een digitale eengemaakte markt (COM(2011)0427),

–  gezien het Groenboek van de Commissie getiteld "Auteursrecht in de kenniseconomie" (COM(2008)0466),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een eengemaakte markt voor intellectuele-eigendomsrechten – Creativiteit en innovatie bevorderen met het oog op economische groei, kwaliteitsjobs en eersteklasproducten en -diensten in Europa" (COM(2011)0287),

–  gezien het Memorandum van overeenstemming van 20 september 2011 inzake de digitalisering en de beschikbaarstelling van werken die niet meer in de handel zijn, teneinde de digitalisering en de beschikbaarstelling van boeken en vakbladen voor Europese bibliotheken en soortgelijke instellingen te vergemakkelijken,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8–0209/2015),

A.  overwegende dat de herziening van Richtlijn 2001/29/EG essentieel is voor de bevordering van creativiteit en innovatie, culturele diversiteit, economische groei, concurrentievermogen, de digitale eengemaakte markt en toegang tot kennis en informatie, terwijl deze tegelijkertijd aan de auteurs van werken van letterkunde en kunst voldoende erkenning en bescherming van hun rechten verstrekt;

B.  overwegende dat in artikel 167 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) wordt bepaald dat de Unie bijdraagt tot de ontplooiing en diversiteit van de culturen van de lidstaten, in het bijzonder via artistieke en literaire schepping;

C.  overwegende dat Richtlijn 2001/29/EG betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij bedoeld was om de wetgeving inzake het auteursrecht en de naburige rechten aan te passen zodat die overeenstemt met de technologische ontwikkelingen;

D.  overwegende dat in Richtlijn 2001/29/EG eveneens een aantal verplichtingen van de EU overeenkomstig internationaal recht worden behandeld, waaronder de bepalingen van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, het Verdrag van de WIPO inzake het auteursrecht en het Verdrag van de WIPO inzake uitvoeringen en fonogrammen;

E.  overwegende dat de Commissie en de lidstaten grote investeringen leveren om de rijke collecties van de Europese instellingen voor cultureel erfgoed te digitaliseren en online beschikbaar te stellen zodat burgers overal en op alle soorten apparaten toegang ertoe hebben;

F.  overwegende dat de Europese culturele en creatieve sectoren een motor voor de economische groei en de werkgelegenheid in de EU zijn en een belangrijke bijdrage aan de EU-economie leveren, omdat deze sectoren werk bieden aan meer dan 7 miljoen mensen en goed zijn voor meer dan 4,2 % van het Europese bbp en overwegende dat de culturele sector ook tijdens de economische crisis van 2008-2012 banen heeft gegenereerd;

G.  overwegende dat uit de gezamenlijke studie uit september 2013 van het EOB en het BHIM blijkt dat IER-intensieve bedrijven in de EU rond de 39 % van de totale economische activiteit (ten belope van jaarlijks 4,7 triljoen EUR) en 26 % van alle werkgelegenheid (56 miljoen banen) genereren en indirect nog eens 9 % van het totale aantal banen in de EU;

H.  overwegende dat de digitale revolutie tot nieuwe technieken, communicatiemiddelen en expressievormen heeft geleid en tegelijkertijd de reeds lang bestaande driehoeksverhouding tussen makers, culturele ondernemers en gebruikers ter discussie heeft gesteld en de opkomst van een op kennis gebaseerde economie heeft aangemoedigd door nieuwe banen te scheppen en bij te dragen aan de promotie van cultuur en innovatie;

I.  overwegende dat elk politiek initiatief inzake de digitale eengemaakte markt in overeenstemming moet zijn met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en meer bepaald artikelen 11, 13, 14, 16, 17 en 22;

J.  overwegende dat culturele en taalkundige verscheidenheid geen rekening houdt met landsgrenzen en dat sommige Europese talen in verschillende landen worden gesproken;

K.  overwegende dat in het Handvest van de grondrechten de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van informatie en de vrijheid van kunsten en wetenschappen worden beschermd en de bescherming van persoonsgegevens en culturele en taalkundige verscheidenheid, het recht op eigendom en de bescherming van intellectuele eigendom, het recht op onderwijs en de vrijheid van ondernemerschap worden gewaarborgd;

L.  overwegende dat het recht van de ontwerper op de bescherming van zijn of haar creatieve werken van toepassing moet blijven in het digitale tijdperk;

M.  overwegende dat maatregelen in overweging moeten worden genomen die bijdragen tot de verdere ontwikkeling van culturele uitwisseling en de rechtszekerheid van de sector verbeteren; overwegende dat sinds de toepassing van Richtlijn 2001/29/EG veel creatieve onlinediensten werden ontwikkeld en dat consumenten nog nooit tot zoveel creatieve en culturele werken toegang hebben gehad; overwegende dat gebruikers toegang moeten hebben tot een groot en verscheiden aanbod van hoogwaardige inhoud;

N.  overwegende dat de harmonieuze en systematische ontwikkeling van de digitale bibliotheek Europeana, die in 2008 als deel van een EU-initiatief is opgericht, werken van bibliotheken van de lidstaten beschikbaar hebben gemaakt;

O.  overwegende dat creatieve werken een van de belangrijkste bronnen zijn voor actoren op het vlak van digitale economie en informatietechnologie, zoals zoekmachines, sociale media en platforms met door gebruikers gegenereerde inhoud, maar dat bijna alle door creatieve werken gegenereerde waarde wordt overgemaakt aan die digitale tussenpersonen, die de auteurs weigeren te betalen of uiterst lage vergoedingen afdwingen;

P.  overwegende dat in Richtlijn 2011/77/EU en Richtlijn 2006/116/EG de beschermingstermijn van het auteursrecht en van naburige rechten werd geharmoniseerd door in de lidstaten voor elk soort werk een complete harmonisatie van de beschermingstermijn en van alle naburige rechten in te voeren;

Q.  overwegende dat het de taak van de wetgevende autoriteiten van de EU is een duidelijk wetgevend kader voor auteursrechten en naburige rechten te bevorderen, dat door alle belanghebbenden, in het bijzonder het grote publiek, kan worden begrepen en dat rechtszekerheid biedt;

R.  overwegende dat een aantal tussenpersonen op internet een concurrentievoordeel en steeds meer macht heeft en dat deze situatie negatieve gevolgen heeft voor het creatieve potentieel van auteurs en de ontwikkeling van diensten van andere distributeurs van creatieve werken;

S.  overwegende dat bij de vaststelling van het wetgevend kader voor auteursrechten en naburige rechten rekening moet worden gehouden met het feit dat innovatieve industriële en handelsmodellen moeten worden bevorderd waarbij voordeel moet worden gehaald uit de mogelijkheden van nieuwe technologieën om het concurrentievermogen van ondernemingen in de EU te bevorderen;

T.  overwegende dat het creëren van groei en banen de prioriteit van de Commissie en de focus van haar programma voor 2014-2019 is;

1.  wijst erop dat auteursrechten een tastbaar middel zijn om ervoor te zorgen dat ontwerpers worden vergoed en dat het creatieproces wordt gefinancierd;

2.  is ingenomen met het initiatief van de Commissie, die een raadpleging over auteursrechten heeft gehouden, waarin een breed scala aan geïnteresseerde belanghebbenden hun interesse hebben getoond, waaronder de culturele sector en het maatschappelijk middenveld(17);

3.  is ingenomen met de belofte van de Commissie om de digitale agenda voor de EU, met inbegrip van de auteursrechtaangelegenheden, in de loop van het nieuwe mandaat van de Commissie verder te ontwikkelen; verwelkomt het werkprogramma van de Commissie voor 2015 voor zover het een maatregelenpakket voor de digitale interne markt belooft op te leveren dat een wetgevingsvoorstel omvat om de regels inzake het auteursrecht te moderniseren en aldus geschikt te maken voor het digitale tijdperk;

4.  herinnert eraan dat auteursrecht en de naburige rechten zowel de ontwikkeling en verkoop van nieuwe producten en diensten als de schepping en exploitatie van de creatieve inhoud van die producten en diensten beschermen en stimuleren, waardoor ze bijdragen tot meer concurrentievermogen, werkgelegenheid en innovatie in verschillende industriële sectoren in de EU;

5.  benadrukt dat de effectiviteit van het auteursrecht afhangt van de handhavingsmaatregelen die zijn ingevoerd om het te beschermen en dat het auteursrecht op robuuste wijze moet worden gehandhaafd om een florerende en innovatieve creatieve sector te kunnen waarborgen;

6.  wijst erop dat het bestaan van auteursrechten en naburige rechten automatisch verbonden is met territorialiteit; benadrukt dat er geen tegenstelling is tussen dat beginsel en maatregelen ter garantie van de overdraagbaarheid van inhoud;

7.  benadrukt dat bij elke herziening van Richtlijn 2001/29/EG het beginsel van een eerlijke beloning voor rechthebbenden gewaarborgd moet blijven; vraagt dat het territorialiteitsbeginsel opnieuw wordt bevestigd waardoor elke lidstaat in het kader van zijn eigen cultuurbeleid het beginsel van een eerlijke beloning kan waarborgen;

8.  merkt op dat de waaier aan werken die rechtmatig ter beschikking staan van de gebruikers, sinds de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2001/29/EG is gegroeid; stelt voorts vast dat voor grensoverschrijdende toegang tot de diversiteit van gebruiken die technologische vooruitgang aan consumenten biedt, op feitenmateriaal gebaseerde verbeteringen van het huidige wetgevend kader noodzakelijk zijn om het legale aanbod van gediversifieerde culturele en creatieve online-inhoud verder te ontwikkelen om toegang tot de culturele diversiteit van Europa mogelijk te maken;

9.  herinnert eraan dat consumenten al te vaak de toegang tot bepaalde inhoudsdiensten geweigerd wordt om geografische redenen, hetgeen indruist tegen de doelstelling van Richtlijn 2001/29/EG om de vier vrijheden van de interne markt ten uitvoer te leggen; verzoekt de Commissie daarom met klem om met toereikende voorstellen te komen die de toegang tot in het buitenland aangeboden diensten en auteursrechtelijk beschermde inhoud voor consumenten moeten verbeteren;

10.  is van mening dat met betrekking tot andere soorten inhoud lessen kunnen worden getrokken uit de in Richtlijn 2014/26/EU betreffende het collectieve beheer van auteursrechten gevolgde aanpak, maar dat er geen alomvattende oplossing is voor kwesties in verband met overdraagbaarheid en geoblocking en dat hiervoor enkele verschillende interventies noodzakelijk kunnen zijn, zowel wetgevend als marktgeleide;

11.  stipt aan dat de output van de creatieve sector een van meest waardevolle hulpbronnen van de EU is en dat personen die hiervan willen genieten de mogelijkheid moeten hebben om ervoor te betalen, zelfs als een bepaald product alleen in een andere lidstaat wordt aangeboden;

12.  vestigt de aandacht op het feit dat multiterritoriale licentieverlening, zoals bedoeld in Richtlijn 2014/26/EU betreffende het collectieve beheer van auteursrechten, een mogelijkheid is voor omroepen die in heel Europa bereik willen;

13.   wijst erop dat de financiering, productie en coproductie van films en televisie-inhoud grotendeels afhangen van exclusieve territoriale licenties die aan lokale distributeurs worden verleend op een aantal platforms die overeenkomen met de culturele specificiteiten van de verschillende markten in Europa; benadrukt in dit verband dat de mogelijkheid om, in het kader van het beginsel van contractvrijheid, de mate van territoriaal bereik en het soort distributieplatform te kiezen investeringen in films en televisie-inhoud aanmoedigt en culturele diversiteit bevordert; vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat voordat enig initiatief wordt genomen om auteursrechten te moderniseren, een uitvoerige studie wordt uitgevoerd over de te verwachten impact ervan op de productie, financiering en distributie van films en televisie-inhoud en ook op culturele diversiteit;

14.  benadrukt dat de geoblockingpraktijken van de industrie er niet toe mogen leiden dat culturele minderheden in de EU-lidstaten geen toegang hebben tot (gratis of te betalen) inhoud en diensten in hun taal;

15.  steunt de initiatieven om de overdraagbaarheid van onlinediensten betreffende legaal verworven en rechtmatig beschikbaar gestelde inhoud in de EU te verbeteren, met volledige inachtneming van de auteursrechten en de belangen van de rechthebbenden;

16.  wijst erop dat de Europese culturele markten van nature heterogeen zijn vanwege de culturele en taalkundige verscheidenheid in Europa; merkt op dat deze verscheidenheid als een voordeel in plaats van als een hinderpaal voor de interne markt moet worden beschouwd;

17.  wijst op het belang van territoriale licentieverlening in de EU, met name op het gebied van de audiovisuele en filmproductie, die hoofdzakelijk gebaseerd is op voorfinancieringsregelingen en vooraankoop van producties door omroepen;

18.  neemt met verontrusting kennis van het groeiende aantal illegale onlinediensten en de toename van piraterij alsmede – meer in het algemeen – van inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten, een trend die een ernstige bedreiging vormt voor de economieën van de lidstaten en voor de creativiteit in de EU;

19.  beklemtoont dat een hervorming van het auteursrechtkader moet uitgaan van een hoog niveau van bescherming, omdat rechten van cruciaal belang zijn voor intellectuele schepping en een stabiele, duidelijke en soepele rechtsgrondslag bieden waarmee investeringen en groei in de creatieve en culturele sector worden bevorderd en rechtsonzekerheid en inconsistenties die de werking van de interne markt doorkruisen, worden weggenomen;

20.  benadrukt dat er naast de belangrijke taak van het uitbreiden van goed functionerende structuren voor de digitale interne markt maatregelen moeten worden genomen om te waarborgen dat de analoge interne markt eveneens naar behoren blijft werken;

21.  wijst erop dat de auteursrecht-intensieve sectoren werk bieden aan meer dan zeven miljoen personen in de EU; verzoekt de Commissie dan ook te waarborgen dat overeenkomstig de beginselen van betere regelgeving aan elk wetgevingsinitiatief ter modernisering van het auteursrecht een uitvoerige evaluatie voorafgaat van de gevolgen hiervan in de zin van groei en werkgelegenheid, en van de potentiële kosten en voordelen ervan;

22.  benadrukt dat een herziening van de EU-wetgeving inzake het auteursrecht doelgericht moet zijn en gebaseerd op overtuigende gegevens, met het doel de aanhoudende ontwikkeling van de creatieve sector in Europa veilig te stellen;

23.  beseft dat commerciële activiteiten waarmee inbreuk wordt gemaakt op auteursrechten een ernstige bedreiging vormen voor de werking van de digitale interne markt en voor de ontwikkeling van het legale aanbod aan gediversifieerde culturele en creatieve inhoud online;

24.  acht het absoluut noodzakelijk de positie van auteurs en scheppend kunstenaars te versterken en hun beloning te verbeteren wat de digitale verspreiding en exploitatie van hun werken betreft;

Exclusieve rechten

25.  erkent dat auteurs en uitvoerend kunstenaars rechtsbescherming moet worden geboden voor hun scheppende en artistieke arbeid; erkent dat de verspreiding van cultuur en kennis in het belang van het publiek is; erkent het belang van producenten en uitgevers voor het introduceren van werken op de markt, en de noodzaak van een billijke en passende beloning voor alle categorieën rechthebbenden; verzoekt om verbetering van de contractuele positie van auteurs en uitvoerend kunstenaars in verhouding tot andere rechthebbenden en tussenpersonen, met name door te overwegen een redelijke periode in te voeren voor het gebruik van rechten die door de auteur aan derden zijn overgedragen, waarna deze rechten zouden komen te vervallen, daar bij contractuele uitwisselingen sprake kan zijn van machtsongelijkheid; benadrukt in dit verband het belang van contractuele vrijheid;

26.  stelt vast dat een evenredige bescherming van werken waarop auteursrecht rust, alsmede van ander beschermd materiaal, ook vanuit cultureel oogpunt van het grootste belang is en dat de Unie overeenkomstig artikel 167 VWEU verplicht is bij haar activiteiten culturele aspecten in aanmerking te nemen;

27.  benadrukt dat auteurs en uitvoerend kunstenaars zowel in de digitale omgeving als in de analoge wereld een billijke beloning moeten ontvangen;

28.  verzoekt de Commissie na te gaan welke gerichte en passende maatregelen er kunnen worden genomen om de rechtszekerheid te verbeteren, overeenkomstig het streven van de Commissie naar betere regelgeving; verzoekt de Commissie te onderzoeken welke gevolgen de invoering van één enkele Europese titel voor de bescherming van het auteursrecht zou hebben voor werkgelegenheid en innovatie, voor de belangen van auteurs, uitvoerend kunstenaars en andere rechthebbenden, en voor de bevordering van de toegang van consumenten tot regionale culturele diversiteit;

29.  wijst erop dat in het fragiele ecosysteem waarin creatief werk wordt geproduceerd en gefinancierd, exclusieve rechten en contractuele vrijheid essentiële elementen zijn, omdat daarmee de risico's beter worden gespreid, verschillende actoren bij gemeenschappelijke projecten voor een cultureel divers publiek worden betrokken en investeringen in de productie van professionele inhoud worden gestimuleerd;

30.  beveelt de EU-wetgever aan om ter bescherming van het algemeen belang en met inachtneming van de bescherming van persoonsgegevens na te gaan hoe de belemmeringen voor het hergebruik van overheidsinformatie verder kunnen worden teruggedrongen; merkt op dat een dergelijke aanpassing van de wetgeving met inachtneming van de bepalingen van Richtlijn 2013/37/EU, de beginselen die aan het systeem van auteursrechten ten grondslag liggen en de desbetreffende jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dient te geschieden;

31.  verzoekt de Commissie om werken uit het publieke domein, die per definitie niet onder het auteursrecht vallen, te beschermen; dringt er dan ook bij de Commissie op aan om duidelijk te maken dat een werk dat zich in het publieke domein bevindt, na een digitalisering ervan waarmee geen nieuw, transformerend werk ontstaat, in het digitale domein blijft; verzoekt de Commissie voorts na te gaan of rechthebbenden het recht kunnen verkrijgen om hun werken geheel of gedeeltelijk in dienst te stellen van het publieke domein;

32.  verzoekt de Commissie om de beschermingstermijn van het auteursrecht verder te harmoniseren zonder deze termijn verder te verlengen, overeenkomstig de internationale normen van de Berner Conventie; moedigt de lidstaten aan de omzetting en uitvoering van Richtlijn 2006/116/EC en Richtlijn 2011/77/EU op gestroomlijnde wijze af te ronden;

Uitzonderingen en beperkingen

33.  verzoekt de EU-wetgever trouw te blijven aan het streven zoals vastgelegd in Richtlijn 2001/29/EG om adequate bescherming te waarborgen voor het auteursrecht en naburige rechten als een van de belangrijkste manieren om de culturele creativiteit in Europa te waarborgen, en een billijk evenwicht te handhaven tussen de verschillende categorieën rechthebbenden en gebruikers van beschermd materiaal, alsook tussen de verschillende categorieën rechthebbenden; benadrukt verder dat wijzigingen in de regelgeving op dit gebied moeten waarborgen dat ook mensen met een handicap gebruik kunnen maken van door het auteursrecht en naburige rechten beschermde producten en diensten in om het even welk formaat;

34.  benadrukt dat de wetgeving inzake auteursrecht en naburige rechten het wetgevend kader vormt voor de Europese culturele en creatieve sectoren alsook voor de onderwijs- en onderzoekssector, en voor de sector die profiteert van de uitzonderingen op of beperkingen van deze rechten, en tevens de basis vormt voor hun activiteiten en werkgelegenheid;

35.  merkt op dat uitzonderingen en beperkingen zodanig moeten worden toegepast dat rekening wordt gehouden met het doel waarvoor zij ingevoerd zijn alsmede de specifieke kenmerken van de digitale en de analoge omgeving, terwijl het evenwicht tussen de belangen van rechthebbenden en van het publiek behouden blijft; verzoekt de Commissie daarom na te gaan of het mogelijk is een aantal van de bestaande uitzonderingen en beperkingen tegen het licht te houden teneinde deze beter toe te snijden op de digitale omgeving, waarbij rekening dient te worden gehouden met de lopende ontwikkelingen in de digitale omgeving en de noodzaak om concurrerend te zijn;

36.  onderstreept dat uitzonderingen en beperkingen ook toegankelijk moeten zijn voor personen met een handicap; noemt in dit verband de sluiting van het Verdrag van Marrakesh, dat de toegang tot boeken voor slechtzienden zal vergemakkelijken, en roept op tot spoedige ratificering ervan zonder deze ratificering afhankelijk te stellen van de herziening van het EU-rechtskader; beschouwt het verdrag als een goede stap voorwaarts, maar onderstreept dat er nog veel werk moet worden verzet om mensen met uiteenlopende handicaps toegang tot inhoud te bieden;

37.  wijst op het belang van de Europese culturele diversiteit en merkt op dat de verschillen in benadering tussen de lidstaten bij de toepassing van uitzonderingen een uitdaging vormen voor de werking van de interne markt wat betreft de ontwikkeling van grensoverschrijdende activiteiten en het wereldwijde concurrentievermogen van de EU alsmede de innovatie, en tevens kan leiden tot rechtsonzekerheid voor auteurs en gebruikers; is dan ook van mening dat bepaalde uitzonderingen en beperkingen gebaat zouden zijn bij meer algemene regels; merkt evenwel op dat verschillen gerechtvaardigd kunnen zijn om lidstaten in staat te stellen naar gelang van hun specifieke culturele en economische belangen wetten uit te vaardigen, overeenkomstig de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit;

38.  verzoekt de Commissie om de toepassing van minimumnormen op alle uitzonderingen en beperkingen te onderzoeken, en een correcte uitvoering van de uitzonderingen en beperkingen als bedoeld in Richtlijn 2001/29/EG te waarborgen, om gelijke toegang tot culturele diversiteit over de grens binnen de interne markt mogelijk te maken en om de rechtszekerheid te verbeteren;

39.  acht het noodzakelijk dat de uitzonderingen voor instellingen van algemeen belang, zoals bibliotheken, musea en archieven, worden aangescherpt, zodat er brede toegang tot het cultureel erfgoed wordt geboden, ook via online-platforms;

40.  roept de Commissie op het beschermen van grondrechten zorgvuldig te onderzoeken, met name om discriminatie te bestrijden of de persvrijheid te beschermen; herinnert er in dit verband aan dat voor deze uitzonderingen een billijke vergoeding moet worden geboden;

41.  wijst op de rol van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) in de culturele en de creatieve sector als bron van werkgelegenheid en groei in de EU; benadrukt dat de grote meerderheid van de kmo's in de culturele en de creatieve sector gebruikmaakt van de flexibiliteit van de regels inzake auteursrecht om culturele en creatieve werken te produceren, te financieren en te distribueren, maar ook om innoverende oplossingen te ontwikkelen die gebruikers toegang bieden tot creatieve werken online die zijn toegesneden op de voorkeuren en kenmerken van lokale markten;

42.  neemt met belangstelling kennis van de ontwikkeling van nieuwe vormen van gebruik van werken op digitale netwerken, met name transformerend gebruik, en wijst op de noodzaak om naar oplossingen te zoeken die een doeltreffende bescherming met adequate beloning en billijke vergoeding voor scheppend kunstenaars combineren met het publieke belang van toegang tot culturele goederen en kennis;

43.  onderstreept dat, indien er reeds een uitzondering of beperking van toepassing is, nieuwe gebruiken van inhoud die door de technologische vooruitgang of nieuwe gebruiken van technologie mogelijk worden, ter verbetering van de rechtszekerheid zoveel mogelijk moeten worden beschouwd als overeenkomend met de bestaande uitzondering of beperking, mits het nieuwe gebruik vergelijkbaar is met het bestaande gebruik, waarbij de driestappentoets moet worden toegepast; erkent dat een dergelijke flexibiliteit in de interpretatie van uitzonderingen en beperkingen het mogelijk kan maken de uitzonderingen en beperkingen aan de verschillende nationale omstandigheden en sociale behoeften aan te passen;

44.  onderstreept echter de noodzaak te zorgen voor de technologische neutraliteit en compatibiliteit met de toekomst van uitzonderingen en beperkingen door de effecten van de convergentie van de media naar behoren in aanmerking te nemen, waarbij het openbaar belang moet worden gediend door het bevorderen van stimulansen voor het creëren, financieren en verspreiden van nieuwe werken en het ter beschikking stellen van deze werken aan het publiek op nieuwe, innoverende en boeiende wijzen;

45.  stelt een herziening van de aansprakelijkheid van serviceproviders en tussenpersonen voor om hun juridische status en auteursrechtelijke aansprakelijkheid te verduidelijken, te garanderen dat in heel het creatieve proces en de toeleveringsketen zorgvuldigheid wordt betracht, en te waarborgen dat scheppende kunstenaars en rechthebbenden in de EU billijk worden beloond;

46.  verklaart dat de ontwikkeling van de digitale markt onmogelijk is, tenzij daarnaast de creatieve en culturele sectoren worden ontwikkeld;

47.  onderstreept het belang van de uitzondering voor karikaturen, parodieën en pastiches als een factor in de vitaliteit van het democratische debat; is van oordeel dat bij de uitzondering een evenwicht moet worden gevonden tussen de belangen en rechten van de scheppende kunstenaars en de oorspronkelijke karakters en de vrijheid van meningsuiting van de gebruiker van het beschermde werk die gebruikmaakt van de uitzondering voor karikaturen, parodieën en pastiches;

48.  benadrukt dat de inzet van geautomatiseerde analysetechnieken voor tekst en gegevens (bijv. "tekst- en datamining" of "contentmining") voor onderzoeksdoeleinden naar behoren moeten worden geanalyseerd, mits toestemming is verleend voor het lezen van het werk;

49.  herhaalt dat de ontwikkeling van de digitale markt nauw verbonden is en moet samengaan met de ontwikkeling van de creatieve en culturele sectoren, aangezien dit de enige manier is om duurzame welvaart te verwezenlijken;

50.  stelt vast dat het recht op privébezit een van de grondslagen van de moderne samenleving is; constateert tevens dat de facilitering van toegang tot educatief materiaal en culturele goederen van buitengewoon belang is voor de ontwikkeling van de op kennis gebaseerde samenleving en dat hiermee rekening moet worden gehouden door de wetgevers;

51.  verzoekt om een uitzondering ten aanzien van onderzoeks- en onderwijsdoeleinden, die niet alleen moet gelden voor onderwijsinstellingen, maar ook voor geaccrediteerde onderwijs- en onderzoeksactiviteiten, met inbegrip van online- en grensoverschrijdende activiteiten, die verbonden zijn aan een onderwijsinstelling die erkend is door de bevoegde nationale autoriteiten, op grond van de wetgeving of in het kader van een onderwijsprogramma;

52.  onderstreept dat nieuwe uitzonderingen en beperkingen die in het auteursrechtenstelsel van de EU worden opgenomen, naar behoren moeten worden gemotiveerd door een gedegen en objectieve economische en juridische analyse;

53.  erkent het belang van bibliotheken voor de toegang tot kennis en doet een beroep op de Commissie om de vaststelling van een uitzondering te evalueren waarmee openbare en wetenschappelijke bibliotheken in staat worden gesteld legaal werken uit te lenen aan het publiek in digitale formaten voor persoonlijk gebruik, voor een beperkte duur, via het internet of de bibliotheeknetwerken, opdat zij hun plicht ten aanzien van het openbaar belang van het verspreiden kennis op doeltreffende en actuele wijze kunnen vervullen; beveelt aan dat makers op billijke wijze worden gecompenseerd voor e‑uitleen in dezelfde mate als voor het uitlenen van fysieke boeken, overeenkomstig de nationale territoriale beperkingen;

54.  verzoekt de Commissie de vaststelling van een uitzondering te evalueren waarmee bibliotheken in staat worden gesteld inhoud te digitaliseren ten behoeve van het raadplegen, catalogiseren en archiveren;

55.  onderstreept dat het belangrijk is rekening te houden met de conclusies van talrijke experimenten van de boekensector om billijke, evenwichtige en levensvatbare bedrijfsmodellen op te zetten;

56.  constateert dat in een aantal lidstaten wettelijke vergunningen met het oog op compensatieregelingen zijn ingevoerd; onderstreept dat ervoor moet worden gezorgd dat handelingen die uit hoofde van een uitzondering zijn toegestaan, dit ook blijven; herinnert eraan dat compensatie voor de aanwending van uitzonderingen en beperkingen slechts mag worden overwogen in gevallen waarin handelingen die geacht worden onder een uitzondering te vallen, aan de rechthebbende schade berokkenen; doet voorts een beroep op het Europees Waarnemingscentrum voor inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten om een volledige wetenschappelijke evaluatie te verrichten van deze maatregelen van de lidstaten en de weerslag ervan op elke betrokken rechthebbende;

57.  herinnert aan het belang van de uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik dat technisch niet beperkt mag worden, gekoppeld aan een billijke compensatie voor scheppende kunstenaars; verzoekt de Commissie om op basis van wetenschappelijke bewijzen, de resolutie van het Parlement van 27 februari 2014 over heffingen voor kopiëren voor privégebruik(18) en de resultaten van de laatste door de Commissie uitgevoerde bemiddelingsprocedure(19), de levensvatbaarheid te analyseren van de bestaande maatregelen voor de billijke compensatie van rechthebbenden ten aanzien van reproducties door natuurlijke personen voor privégebruik, met name vanuit het oogpunt van maatregelen inzake transparantie;

58.  merkt op dat heffingen op het kopiëren voor privégebruik zo moeten worden geregeld dat de burgers worden geïnformeerd over het feitelijke bedrag, het doel en het gebruik van de heffing;

59.  benadrukt dat digitale vergoedingen transparanter gemaakt en geoptimaliseerd moeten worden, met als doel de rechten van rechthebbenden en consumenten te beschermen en rekening te houden met Richtlijn 2014/26/EU betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor onlinegebruik op de interne markt;

60.  benadrukt dat het belangrijk is de regelingen voor het auteursrecht duidelijker en transparanter te maken voor gebruikers van het auteursrecht, met name wat betreft door gebruikers gegenereerde inhoud en auteursrechtelijke heffingen, teneinde de creativiteit en de ontwikkeling van onlineplatforms te stimuleren en te waarborgen dat de rechthebbenden een passende vergoeding ontvangen;

61.  wijst op het belang van artikel 6, lid 4 van Richtlijn 2001/29/EG en onderstreept dat de doeltreffende aanwending van uitzonderingen en beperkingen, en de toegang tot inhoud die niet is onderworpen aan de bescherming van het auteursrecht of de naburige rechten, niet door contracten of contractuele voorwaarden mogen worden opgeschort;

62.  verzoekt distributeurs om alle beschikbare informatie te publiceren over de technologische maatregelen die nodig zijn om te zorgen voor de interoperabiliteit van hun inhoud;

63.  wijst erop dat er voor een grotere interoperabiliteit moet worden gezorgd, met name op het gebied van software en eindapparatuur, aangezien een gebrek hieraan innovatie belemmert, de concurrentie vermindert en de consumenten schaadt; is van mening dat een gebrek aan interoperabiliteit tot marktdominantie van één product of dienst leidt, hetgeen op zijn beurt de concurrentie beknot en de keuzemogelijkheden voor consumenten in de EU beperkt;

64.  wijst erop dat de snelle technologische ontwikkelingen op de digitale markt een technologisch neutraal wetgevingskader inzake het auteursrecht vereisen;

65.  erkent de rol van de evenredige en doeltreffende handhaving ter ondersteuning van scheppende kunstenaars, rechthebbenden en consumenten;

66.  verzoekt de Commissie en de EU-wetgevers na te denken over oplossingen voor de waardeoverdracht van inhoud naar diensten; onderstreept dat de definitie van de status van tussenpersoon in de huidige digitale omgeving moet worden aangepast;

67.  benadrukt dat consumenten vaak met verschillende beperkingen worden geconfronteerd en dat er in het kader voor het auteursrecht zelden wordt verwezen naar het begrip consumentenrechten; verzoekt de Commissie om de effectiviteit van de huidige wetgeving inzake het auteursrecht te beoordelen vanuit het perspectief van de consument en om een reeks duidelijke en alomvattende consumentenrechten op te stellen;

o
o   o

68.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de parlementen en regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10.
(2) PB L 84 van 20.3.2014, blz. 72.
(3) PB L 175 van 27.6.2013, blz. 1.
(4) PB L 299 van 27.10.2012, blz. 5.
(5) PB L 372 van 27.12.2006, blz. 12.
(6) PB L 265 van 11.10.2011, blz. 1.
(7) PB L 248 van 6.10.1993, blz. 15.
(8) PB L 157 van 30.4.2004, blz. 45.
(9) PB L 376 van 27.12.2006, blz. 28.
(10) PB L 346 van 27.11.1992, blz. 61.
(11) PB L 272 van 13.10.2001, blz. 32.
(12) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0179.
(13) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0368.
(14) PB C 353 E van 3.12.2013, blz. 64.
(15) PB C 50 E van 21.2.2012, blz. 48.
(16) PB C 249 E van 30.8.2013, blz. 49.
(17) Commissie, DG Markt, verslag inzake de reacties op de openbare raadpleging over de herziening van de EU-regels inzake auteursrecht, juli 2014.
(18) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0179.
(19) Aanbevelingen van António Vitorino van 31 januari 2013 die voortvloeien uit de laatste door de Commissie uitgevoerde bemiddelingsprocedure ten aanzien van heffingen voor kopiëren voor privégebruik en reprografie.


Evaluatie van de activiteiten van het Europees Fonds voor Democratie (EFD)
PDF 348kWORD 88k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 inzake de nieuwe benadering van de EU van mensenrechten en democratie - evaluatie van de activiteiten van het Europees Fonds voor Democratie (EFD) sinds de oprichting (2014/2231(INI))
P8_TA(2015)0274A8-0177/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 6, 8 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien zijn aanbeveling van 29 maart 2012 aan de Raad over de modaliteiten voor de mogelijke oprichting van een Europees Fonds voor Democratie (EFD)(1),

–  gezien zijn resolutie van 7 juli 2011 over het externe beleid van de EU ter bevordering van democratie(2),

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU(3),

–  gezien het jaarverslag van de EU inzake mensenrechten en democratie in de wereld in 2013, dat op 23 juni 2014 door de Raad is aangenomen,

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over het jaarverslag inzake mensenrechten en democratie in de wereld in 2013 en het beleid van de Europese Unie ter zake(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften en procedures voor de tenuitvoerlegging van de instrumenten van de Unie ter financiering van extern optreden(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 235/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot instelling van een financieringsinstrument voor democratie en mensenrechten in de wereld(6),

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 mei 2009 betreffende het steunen van democratisch bestuur - versterking van het EU-kader(7),

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 november 2009 over de ondersteuning van de democratie in de externe betrekkingen van de EU(8),

–  gezien de conclusies van de Raad van 13 december 2010 met het voortgangsverslag 2010 en een lijst van voorgestelde proeflanden(9),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 juni 2011 betreffende het Europees nabuurschapsbeleid(10),

–  gezien de conclusies van de Raad van 1 december 2011 betreffende het Europees Fonds voor Democratie(11),

–  gezien de conclusies van de Raad van 25 juni 2012 over mensenrechten en democratie(12) en het strategisch EU-kader en actieplan voor mensenrechten en democratie, dat op ook 25 juni 2012(13) door de Raad is goedgekeurd,

–  gezien de conclusies van de Raad van 31 januari 2013 over EU-steun voor duurzame verandering in samenlevingen in een overgangssituatie(14),

–  gezien het gezamenlijk raadplegingsdocument van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie van 4 maart 2015, getiteld "Naar een nieuw Europees nabuurschapsbeleid" (JOIN(2015)0006),

–  gezien de herziening van de Europese Dienst voor extern optreden in 2013(15),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie van woensdag 25 mei 2011 "Inspelen op de veranderingen in onze buurlanden - een herziening van het Europees nabuurschapsbeleid" (COM(2011)0303),

–  gezien de steunbetuiging voor de oprichting van het EFD, gericht aan de toenmalige Voorzitter van het Parlement Jerzy Buzek en de toenmalige vice-voorzitter/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid Catherine Ashton d.d. 25 november 2011,

–  gezien het besluit van de Raad van Bestuur van het EFD van 3 december 2014 om de aanvankelijke geografische beperkingen van het EFD op te heffen,

–  gezien artikel 52 en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0177/2015),

A.  overwegende dat bevordering en ondersteuning van democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van het universele en ondeelbare karakter van de mensenrechten en fundamentele vrijheden kerndoelstellingen zijn van het buitenlands beleid van de EU, als verankerd in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en in het EU-Handvest van de grondrechten;

B.  overwegende dat de EU van mening is dat het beginsel van eigen verantwoordelijkheid bij de opbouw van democratie van essentieel belang is om een werkelijk democratische cultuur te bevorderen;

C.  overwegende dat een groot aantal lidstaten in de afgelopen decennia een proces van democratische transformatie heeft doorgemaakt en op dit gebied uitgebreide ervaring heeft opgedaan die relevant kan zijn voor de activiteiten van het EFD en op deskundigen- en politiek niveau gebruikt kan en moet worden voor het werk van het EFD;

D.  overwegende dat de gebeurtenissen van de Arabische Lente en in het Oostelijk Nabuurschap aanleiding hebben gegeven tot een hervorming van de EU-beleidsinstrumenten voor de bevordering van de mensenrechten en democratieondersteuning;

E.  overwegende dat de ruimte voor legitieme acties van het maatschappelijk middenveld in een aantal landen waar het EFD opereert afneemt door toedoen van autoritaire regimes die steeds geavanceerdere middelen inzetten om het werk van ngo's en pro-democratische actoren, waaronder begunstigden van het EFD, te belemmeren;

F.  overwegende dat buurlanden van de EU in de afgelopen jaren zijn geconfronteerd met een groot aantal politieke, economische en veiligheidsproblemen die de inspanningen voor democratisering en de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden ernstig onder druk hebben gezet;

G.  overwegende dat de voorziening van objectieve en onafhankelijke informatie moet worden bevorderd en dat in landen waarin het EFD opereert het mediaklimaat moet worden verbeterd, inclusief internet en sociale media, waarbij persvrijheid en vrijheid van meningsuiting worden beschermd en elke vorm van sociale en politieke censuur wordt bestreden; overwegende dat ook de inspanningen voor democratisering in die landen moeten worden ondersteund, met inbegrip van de consolidering van de rechtsstaat en de bestrijding van corruptie;

H.  overwegende dat de oprichting van het EFD, samen met andere EU-programma's, zoals het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) en de faciliteit van het EU-nabuurschapsbeleid (ENB) voor het maatschappelijk middenveld, bijdraagt tot een verschuiving van de traditionele staatsgerichte aanpak naar een hoognodige, evenwichtigere langetermijnbenadering die meer gericht is op de samenleving, met de nadruk op directe betrokkenheid van lokale en regionale basisbewegingen en democratische politieke actoren;

I.  overwegende dat het per definitie moeilijk is om de effecten van democratieondersteunende activiteiten, zoals die welke door het EFD worden verricht, te beoordelen, met name vanwege het niet-lineaire en langetermijnkarakter van de politieke transformatie in de desbetreffende landen en de vaak vertrouwelijke aard van die activiteiten;

J.  overwegende dat informatietechnologie en sociale media belangrijke instrumenten zijn geworden in de strijd voor democratie en bijgevolg een prominente plek moeten innemen op de Europese agenda op het gebied van democratieondersteuning;

K.  overwegende dat het EFD per 30 juni 2015 186 initiatieven heeft gefinancierd, voor een bedrag van meer dan 5,2 miljoen EUR in het Zuidelijk Nabuurschap en voor een bedrag van meer dan 5,3 miljoen EUR in het Oostelijk Nabuurschap en daarbuiten;

L.  overwegende dat het EFD profiteert van een unieke vorm van cofinanciering waardoor zijn administratieve begroting ter beschikking wordt gesteld door de Commissie, terwijl de activiteiten ter plaatse worden gefinancierd uit bijdragen van de lidstaten en derde landen;

Algemene evaluatie

1.  is verheugd over de geboekte resultaten van het EFD gezien het huidige internationale klimaat, en is van mening dat het fonds zijn belangrijkste doelstelling heeft verwezenlijkt om democratisering te bevorderen en aan te moedigen, alsmede diepgewortelde en duurzame democratie in landen die een politieke transitie doormaken en in samenlevingen die streven naar democratie(16), en door mensen zonder steun te steunen door het bestrijden van corruptie, het bevorderen van de dialoog in diversiteit en geweldloosheid, het aanzetten tot maatschappelijke en politieke participatie, de bescherming van activisten en journalisten, die ter plaatse, hun best doen een democratisch proces in gang te zetten en te versnellen, waardoor rechtvaardigheid binnen handbereik komt;

2.  neemt er met tevredenheid kennis van dat het EFD, ondanks de korte periode dat het actief is, zijn beperkte middelen en het feit dat het per definitie moeilijk is om de impact van democratieondersteunende activiteiten te beoordelen, gevolg heeft gegeven aan de aanbevelingen van het Parlement en dat het waarde heeft toegevoegd aan de bestaande ondersteuning van democratie door snelle, flexibele, en vraaggedreven financiering van onderaf, die rechtstreeks aan de begunstigden wordt verstrekt op een financieel efficiënte manier in aanvulling op overige EU-middelen, dankzij de beperkte administratieve rompslomp en de eenvoudige procedures die de Raad van Bestuur van het EFD heeft vastgesteld;

3.  is van mening dat het EFD als democratieondersteunend instrument ertoe heeft bijgedragen dat zowel het politieke als het persoonlijke risico afneemt;

4.  onderstreept zijn volledige en blijvende steun voor de inspanningen die de EU op meerdere fronten levert om organisaties van het maatschappelijk middenveld, sociale bewegingen en activisten over de hele wereld te ondersteunen; wijst er nogmaals op dat overlapping moet worden vermeden en dat ervoor moet worden gezorgd dat de EFD-activiteiten ten opzichte van de bestaande externe financiële instrumenten van de EU een aanvullend karakter hebben, aangezien beide als doel hebben om democratische beginselen en eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in de buurlanden van de EU te bevorderen;

5.  is ingenomen met de niet-aflatende inzet van het EFD voor de vrijheid van meningsuiting en van vereniging, mediavrijheid, het opbouwen en versterken van de rechtsstaat en de bestrijding van corruptie en voor sociaal en politiek pluralisme, waarmee wordt beoogd de ontwikkeling van democratische regimes in het Oostelijk en het Zuidelijk Nabuurschap te ondersteunen;

6.  is van mening dat de door het EFD ondernomen initiatieven hebben aangetoond dat het bruggen kan slaan en lacunes kan opvullen in gevallen waarin financiering door EU-lidstaten en niet-EU-lidstaten niet mogelijk was;

7.  verzoekt de EU en de lidstaten om een integrale benadering te ontwikkelen voor de ondersteuning van politieke transitie en democratisering in derde landen, die betrekking heeft op eerbiediging van de mensenrechten, bevordering van rechtvaardigheid, transparantie, verantwoording, verzoening, de rechtsstaat en versterking van de democratische instellingen, met inbegrip van wetgevende organen;

Financiering

8.  dringt er bij de oprichtende leden van het EFD, en met name de EU-lidstaten en de Commissie, op aan bij te dragen aan het EFD of hun bijdrage aan het EFD te vergroten overeenkomstig de verplichtingen die zij zijn aangegaan;

9.  herinnert eraan dat de volgende landen (stand op 26 april 2015) zich hebben verbonden tot en een bijdrage hebben geleverd aan het EFD: België, Bulgarije, de Tsjechische Republiek, Denemarken, Estland, Duitsland, Hongarije, Letland, Litouwen, Luxemburg, Nederland, Polen, Roemenië, Slowakije, Spanje, Zweden en Zwitserland, terwijl de resterende twaalf lidstaten dat nog niet hebben gedaan;

10.  benadrukt dat het om de doelmatigheid van het EFD te steunen en verder te ontwikkelen van vitaal belang is te zorgen voor langetermijn-, toereikende, stabiele, transparante en voorspelbare financiering;

11.  dringt er bij de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de commissaris voor Europees nabuurschapsbeleid en uitbreidingsonderhandelingen op aan de toegevoegde waarde van het EFD in overweging te nemen bij de onlangs gestarte herziening van het ENB en om na te denken over de wijze waarop het EFD duurzaam kan worden gefinancierd;

12.  dringt er bij België op aan ten minste de mogelijkheid na te gaan om een deel van of alle belastinginkomsten die ontvangen zijn van het EFD en zijn medewerkers terug te storten in de vorm van financiering voor EFD-projecten; herinnert eraan dat het EFD functioneert als een particuliere stichting volgens Belgisch recht;

13.  is ingenomen met de financiële bijdragen van de noordelijke en Midden-Europese lidstaten en enkele zuidelijke lidstaten; dringt er bij de zuidelijke lidstaten, waarvan sommige zeer nauwe historische, economische of culturele banden hebben met het Zuidelijk Nabuurschap, op aan een bijzondere inspanning te leveren om bij te dragen aan het EFD in de vorm van een financiering of detachering;

14.  is verheugd over de financiële bijdragen die door de EFD zijn ontvangen van EU-partners als Zwitserland en Canada; moedigt overige landen, met name landen van de Europese Vrijhandelsassociatie aan het EFD te steunen;

15.  verzoekt alle EFD-donoren te waarborgen dat het dagelijks bestuur van het EFD de begunstigden volledig autonoom kan selecteren op basis van het werkplan waaraan de Raad van Bestuur zijn goedkeuring heeft gehecht, en verzoekt de donoren om de oormerking van middelen voor bepaalde landen of projecten te beëindigen;

Capaciteit personele middelen

16.  dringt aan op een versterkte capaciteit van het EFD-secretariaat, wat moet worden weerspiegeld in adequate personele middelen om opgewassen te zijn tegen de nieuwe taken;

17.  moedigt de lidstaten aan nadere invulling te geven aan hun toezegging om nationale deskundigen te detacheren naar het EFD-secretariaat;

Uitbreiding van het geografische mandaat van het EFD en Oost-Zuid-balans

18.  is verheugd over de opheffing van de aanvankelijke geografische beperkingen van het EFD, als goedgekeurd door de Raad van Bestuur op 3 december 2014;

19.  prijst het EFD voor het bewaren van de geografische balans tussen het Oostelijk en het Zuidelijk Nabuurschap bij de financiering van zijn projecten;

Subsidies en begunstigden

20.  acht het van cruciaal belang op de lange termijn te zorgen voor duurzame financiering van EFD-begunstigden door de aanvullende banden met overige bilaterale donoren en de Europese externe financieringsinstrumenten en met name het EIDHR, die in voorkomend geval de financiële steun op de middellange termijn van meer ontwikkelde EFD-begunstigden zouden kunnen overnemen, te versterken;

   a) verzoekt het EFD en de Commissie een contactgroep in te stellen met als doel om vast te stellen hoe EFD-begunstigden het best kunnen overgaan op financiële steun uit het EIDHR; en
   b) verzoekt de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) specifieke mechanismen voor te stellen voor het programmeren van raakvlakken en samenwerking met het EFD teneinde de samenhang en de duurzaamheid op de langere termijn te waarborgen;

21.  dringt er bij het EFD op aan zich verder actief in te zetten in landen waar de ruimte voor het maatschappelijk middenveld uitermate beperkt is of waar financiering discriminerend wordt verstrekt en uitsluitend bestemd is voor bepaalde organisaties of maatschappelijke organisaties; ondersteunt de inspanningen die het EFD levert om innovatieve manieren te onderzoeken waarop aanjagers van veranderingen in bijzonder moeilijke politieke omgevingen, kunnen worden ondersteund;

22.  verzoekt daarnaast de Raad van Bestuur met klem democratische politieke activisten te blijven ondersteunen en financiering te verstrekken aan inclusieve politieke processen; is van mening dat het EFD betrokken moet zijn bij en steun moet verlenen aan de opkomst en consolidatie van politieke partijen die zich duidelijk verbinden aan democratische beginselen, waar mogelijk in samenwerking met bestaande politieke stichtingen;

23.  is verheugd over de EFD-richtsnoeren voor monitoring en evaluatie; benadrukt echter dat deze uitvoeringsrichtsnoeren in verhouding moeten staan tot de omvang en de capaciteit van de personele middelen van het EFD;

24.  moedigt het EFD aan te blijven reageren op nieuwe technologieën door technologische steun in zijn subsidies te integreren;

25.  is verheugd over de EFD-subsidies die zijn verstrekt aan Oekraïense actoren, omdat zij een goed voorbeeld vormen van de snelle steun aan politieke en civiele activisten die vervolgens democratisch verkozen vertegenwoordigers worden; is ingenomen met de steun die het EFD aan alle pro-democratische activisten in het EU-Nabuurschap verleent met het oog op de ontwikkeling van geconsolideerde democratische regimes;

26.  is verheugd over de EFD-subsidies aan activisten in sommige landen van het Zuidelijk Nabuurschap, aangezien zij de toegevoegde waarde aantonen van de pro- democratische werkzaamheden van het EFD in een bijzonder vijandige omgeving;

27.  moedigt het EFD ten zeerste aan om meer nadruk te leggen op groepen die te lijden hebben onder sociale uitsluiting of politieke marginalisering door o.a. vrouwenbewegingen te steunen die zich inzetten voor vrouwenrechten en grotere deelname van vrouwen aan het publieke leven, etnische minderheden en minderheidstalen, LGBTI-mensenrechtenactivisten, vervolgde religieuze minderheden, alsmede basisbewegingen, kwetsbare of opkomende politieke bewegingen, vakbonden, bloggers en nieuwemedia-activisten;

28.  dringt er bij het EFD op aan om in voorkomend geval samenwerking met burgerrechtenactivisten die gelinkt zijn aan religieuze gemeenschappen, inclusief vervolgde religieuze minderheden, te ontwikkelen; herinnert eraan dat de kerk een cruciale rol heeft gespeeld bij het verzet tegen communistische regimes en bij de democratische overgangsprocessen in centraal en oostelijk Europa;

29.  moedigt het EFD aan zijn steun aan opkomende jonge leiders en nieuwverkozen vertegenwoordigers van vrouwen, jongeren en minderheden in landen die een politieke transitie doormaken, op te voeren;

30.  verzoekt de lidstaten het Russische maatschappelijk middenveld en de Russische media financieel te blijven steunen via het EFD; wijst erop dat recente ontwikkelingen, zoals de beperkingen die zijn opgelegd aan maatschappelijke organisaties, de onderdrukking van de politieke oppositie en de agressieve gerichte desinformatie die de door de overheid gecontroleerde media verspreiden, tot doel lijken te hebben om moedwillig een voedingsbodem te creëren voor een extreem nationalistisch politiek klimaat dat wordt gekenmerkt door antidemocratische retoriek, onderdrukking en haatzaaiende uitingen;

Samenwerking tussen het Parlement en het EFD

31.  is verheugd over de presentatie van het eerste EFD-jaarverslag in de Commissie buitenlandse zaken, overeenkomstig artikel 8, lid 4, van de statuten van het EFD; benadrukt dat het van belang is dit jaarlijks te laten plaatsvinden, en onderstreept dat het een goede gelegenheid is om de balans op te maken en nieuwe synergieën te ontwikkelen;

32.  dringt erop aan een effectieve koppeling aan te brengen tussen het EFD, de Coördinatiegroep democratieondersteuning en verkiezingen (DEG), en de relevante parlementaire commissies en vaste delegaties; moedigt zijn leden aan het EFD te steunen en te wijzen op het werk van het EFD in relevante interventies en tijdens bezoeken van delegaties van het Europees Parlement aan derde landen, inclusief gesprekken met begunstigden;

33.  dringt aan op de ontwikkeling van verdere samenwerking tussen het EFD, zijn begunstigden en het Sacharovprijs-netwerk;

34.  verzoekt het EFD zijn samenwerking met het Young Leaders Forum verder te ontwikkelen;

Coherentie en coördinatie van het beleid

35.  moedigt zowel de EU-lidstaten als de EU-instellingen aan te zorgen voor een werkelijke interne en externe coherentie met betrekking tot de democratische inspanningen en om de rol van het EFD in dit verband te erkennen;

36.  moedigt de EU-delegaties en de diplomatieke vertegenwoordigingen van de lidstaten in de landen waar het EFD actief is aan om potentiële begunstigden onder de aandacht van het EFD te brengen en potentiële begunstigden op de hoogte te stellen van het EFD; verzoekt de EFD-medewerkers op hun beurt nauw contact te onderhouden met de desbetreffende diplomatieke diensten van de EU en de lidstaten met betrekking tot potentiële begunstigden die niet kunnen worden gesteund door het EFD, waarbij wederzijds respect wordt getoond voor de gevoeligheid van informatie en de veiligheid van alle partijen;

37.  dringt er bij EU-delegaties en diplomatieke vertegenwoordigingen van de lidstaten op aan op structurele wijze samen te werken om de visumaanvraagprocedures te faciliteren voor EFD-begunstigden die worden uitgenodigd in de Europese Unie;

38.  is verheugd over de inspanningen van de EDEO en de Commissie om informatie over het EFD te verspreiden onder hun medewerkers, met name in EU-delegaties;

39.  roept op tot een driejaarlijkse bijeenkomst van de Raad van Bestuur van het EFD op ministerieel niveau om na te denken over het democratieondersteunende beleid van de EU en over de toekomstige strategische prioriteiten van het EFD;

Samenwerking met overige actoren die de mensenrechten steunen

40.  dringt er bij het EFD op aan te blijven samenwerken met in Europa gevestigde organisaties zoals de Raad van Europa, het IDEA (International Institute for Democracy and Electoral Assistance), en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, overeenkomstig de statuten van het EFD;

41.  dringt er bij het EFD op aan de samenwerking met belangrijke actoren en internationale, regionale en nationale organisaties die actief zijn op het gebied van democratieondersteuning en in de EU gevestigd zijn of werkzaam zijn in de landen waar het EFD opereert, te bevorderen;

42.  moedigt het EFD aan mogelijke samenwerkingsverbanden met internationale organisaties op het gebied van het maatschappelijk middenveld te onderzoeken, zoals het Civil Society Forum van het Oostelijk Partnerschap en de Anna Lindh Foundation;

Verdere aanbevelingen

43.  dringt er bij het EFD op aan nieuwe innoverende middelen te blijven ontwikkelen voor democratieondersteuning, ook voor politieke actoren of activisten, en om beste praktijken uit te wisselen om het steeds ongunstigere klimaat in een aantal landen met autoritaire regimes het hoofd te bieden, en daarbij bijzondere aandacht te schenken aan nieuwe media en initiatieven van onderop in deze landen; onderstreept dat het in dit verband belangrijk is om landenspecifieke strategieën te ontwikkelen;

44.  verzoekt het EFD, gelet op diens streven naar democratie, om de politieke fracties volgens de methode-D'Hondt vertegenwoordigd te laten zijn in diens Raad van Bestuur;

45.  is verheugd over de aandacht voor de resultaten van het EFD, en is van mening dat de fondsenwervingscapaciteit van het EFD zou worden vergroot door het unieke karakter en de toegevoegde waarde van het EFD verder te benadrukken en hierover op regelmatige basis breed te communiceren;

o
o   o

46.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, Europese Dienst voor extern optreden, de regeringen en parlementen van de lidstaten en aan het Europees Fonds voor Democratie.

(1) PB C 257 E van 6.9.2013, blz. 13.
(2) PB C 33 E van 5.2.2013, blz. 165.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0470.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0076.
(5) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 95.
(6) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 85.
(7) http://register.consilium.europa.eu/doc/srv?l=NL&f=ST%209908%202009%20INIT
(8) http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/gena/111250.pdf.
(9) https://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/NL/foraff/118433.pdf
(10) http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_Data/docs/pressdata/EN/foraff/122917.pdf
(11) http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/EN/foraff/126505.pdf
(12) http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/EN/foraff/131171.pdf
(13) http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/EN/foraff/131181.pdf
(14) http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/EN/foraff/135130.pdf
(15) http://eeas.europa.eu/library/publications/2013/3/2013_eeas_review_nl.pdf
(16) Artikel 2 van de statuten van het EFD kan worden geraadpleegd op: https://www.democracyendowment.eu/about-eed/


De situatie in Burundi
PDF 183kWORD 81k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 over de situatie in Burundi (2015/2723(RSP))
P8_TA(2015)0275RC-B8-0657/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Burundi,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien de verklaring van de VN-Veiligheidsraad van 10 april 2014 over de situatie in Burundi,

–  gezien de Overeenkomst van Arusha voor vrede en verzoening voor Burundi,

–  gezien de grondwet van Burundi,

–  gezien de verklaring van de staatshoofden van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap van 31 mei 2015 in Dar es Salaam, Tanzania,

–  gezien de dringende oproep die voormalige Burundese staatshoofden, politieke partijen en maatschappelijke organisaties op 28 mei 2015 in Bujumbura hebben gedaan,

–  gezien de besluiten over de situatie in Burundi van de top van de Afrikaanse Unie (AU) van 13 juni 2015,

–  gezien de conclusies van de Raad over Burundi van 22 juni 2015,

–  gezien de verklaring van vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger Federica Mogherini over de opschorting van de verkiezingswaarnemingsmissie van de EU naar Burundi van 28 mei 2015 en de verklaring van de woordvoerder van de VV/HV over de situatie in Burundi van 29 juni 2015,

–  gezien het besluit van het bureau van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU van 14 juni 2015 om de verkiezingswaarnemingsmissie van de Vergadering naar Burundi op te schorten wegens de situatie in dat land,

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers en de EU-mensenrechtenrichtsnoeren over vrijheid van meningsuiting, alsook de conclusies van de Raad van juni 2014 waarin wordt toegezegd dat de werkzaamheden met betrekking tot mensenrechtenverdedigers zullen worden geïntensiveerd,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien het Afrikaanse Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in artikel 96 van de grondwet van Burundi en artikel 7, lid 3, van de Overeenkomst van Arusha voor vrede en voorziening wordt bepaald dat een president slechts twee termijnen kan dienen; overwegende dat president Pierre Nkurunziza al sinds 2005 in functie is en in 2010 is herkozen bij verkiezingen die door de oppositie werden geboycot omdat zij de regering beschuldigde van intimidatie;

B.  overwegende dat president Nkurunziza op 26 april 2015 heeft aangekondigd dat hij zich kandidaat wil stellen voor een derde termijn omdat hij de eerste termijn werd gekozen door wetgevers, met als gevolg dat het land in een staat van beroering verkeert en er massale protesten en een mislukte militaire staatsgreep hebben plaatsgevonden in mei 2015;

C.  overwegende dat na deze aankondiging 17 officieren zijn gearresteerd op 14 mei 2015 wegens een mislukte staatsgreep onder leiding van voormalig majoor-generaal van het leger Godefroid Niyombare, die het land is ontvlucht, waarna meer dan 70 mensen om het leven zijn gekomen door het geweld en een reeks aanvallen met granaten;

D.  overwegende dat twee senior leden van de onafhankelijke nationale kiescommissie (CENI) het land zijn ontvlucht, evenals een senior rechter van het Constitutioneel Hof die belast was met de uitspraak over de wetmatigheid van de derde termijn van de president, alsmede de parlementsvoorzitter, die allen zeggen te vrezen voor hun veiligheid; overwegende dat vicepresident Gervais Rufyikiri op 25 juni 2015 het land ook is ontvlucht, omdat hij twijfel had geuit over de gepastheid van een derde termijn;

E.  overwegende dat de politie excessief geweld heeft gebruikt in haar optreden tegen vreedzame betogers, waarbij doden zijn gevallen; overwegende dat er volgens cijfers van de politie 892 mensen zijn gearresteerd in verband met de protesten tussen 26 april en 12 mei 2015 en dat er vervolgens 568 zijn vrijgelaten; overwegende dat er 280 arrestanten zijn overgedragen aan het parket;

F.  overwegende dat het geweld nog verder is opgelaaid door het optreden van de aan de autoriteiten verbonden milities; overwegende dat ngo's en mensenrechtenverdedigers de infiltratie van de politie en het leger door milities van de CNDD-FDD (Nationale Raad voor de Verdediging van de Democratie-Krachten voor de Verdediging van de Democratie) hebben veroordeeld;

G.  overwegende dat de oppositiepartijen en het maatschappelijk middenveld de verkiezingen hebben geboycot met als argument dat de staatsinstellingen op partijdige wijze worden gebruikt, dat er geweld wordt gepleegd en geïntimideerd wordt door de jongerenmilitie van de CNDD-FDD (de Imbonerakure), dat er te weinig vertrouwen in de CENI (de onafhankelijke nationale kiescommissie van Burundi) is en dat er strategieën bestaan om de inclusiviteit van het verkiezingsproces te reduceren, o.a. doordat het lastig is om je als kiezer te laten registreren en door de herindeling van de kiesdistricten in het voordeel van de heersende partij; overwegende dat de situatie er ook toe heeft geleid dat de katholieke kerk van Burundi haar priesters heeft teruggeroepen die zij had aangewezen om bij de organisatie van de verkiezingen te helpen, omdat zij "geen verkiezingen vol tekortkomingen kan steunen";

H.  overwegende dat de heersende partij van Burundi weigert mee te werken aan de hervatting van de bemiddelingsgesprekken onder aegide van de VN-coördinator Abdoulaye Bathily, op wiens aftreden zij heeft aangedrongen, en de "faciliteringsgroep" bestaande uit vertegenwoordigers van de VN, de Afrikaanse Unie (AU), de Oost-Afrikaanse Gemeenschap (OAG) en de Internationale Conferentie over het gebied van de Grote Meren (ICGLR);

I.  overwegende dat de internationale gemeenschap in de regio een belangrijke rol speelt als hoeder van de Overeenkomst van Arusha, en overwegende dat instellingen als het Internationaal Strafhof van groot belang zijn om onafhankelijk onderzoek te doen naar het geweld en de misdrijven die in Burundi worden gepleegd;

J.  overwegende dat er parlementsverkiezingen hebben plaatsgevonden op 29 juni 2015, ondanks de oproepen van de internationale gemeenschap om de verkiezingen uit te stellen en de boycot van de verkiezingen door het maatschappelijk middenveld en de oppositie, en dat er presidentsverkiezingen gepland zijn voor 15 juli 2015;

K.  overwegende dat de EU haar verkiezingswaarnemingsmissie naar Burundi op 29 juni 2015 heeft teruggetrokken, met als argument dat de crisis alleen maar kan verergeren als er parlementsverkiezingen worden gehouden zonder dat voldaan is aan de minimumvoorwaarden om de geloofwaardigheid, transparantie en inclusiviteit ervan te waarborgen;

L.  overwegende dat VN-waarnemers hebben verklaard dat de stemming van 29 juni 2015 plaatsvond tijdens een gespannen politieke crisis en in een klimaat van wijdverbreide angst en intimidatie in delen van het land, en derhalve concludeerden dat de omstandigheden zich niet leenden voor het houden van vrije, geloofwaardige en inclusieve verkiezingen;

M.  overwegende dat het verkiezingsproces nog steeds ernstig verstoord wordt door beperkingen jegens onafhankelijke media, buitensporig gebruik van geweld tegen demonstranten, een klimaat van intimidatie jegens oppositiepartijen en het maatschappelijk middenveld en een gebrek aan vertrouwen in de verkiezingsautoriteiten, hetgeen geleid heeft tot het besluit van de EU om haar verkiezingswaarnemingsmissie op te schorten;

N.  overwegende dat de Oost-Afrikaanse Gemeenschap (OAG) en de Afrikaanse Unie (AU) hebben verklaard dat de omstandigheden zich niet lenen voor het houden van verkiezingen en dat het onmogelijk is dat er binnen de in de grondwet van Burundi voorziene termijn verandering in komt;

O.  overwegende dat het VN- vluchtelingenagentschap (UNHCR) stelt dat circa 127 000 mensen uit Burundi naar buurlanden zijn gevlucht, waardoor humanitaire noodsituaties zijn ontstaan in de Democratische Republiek Congo, Rwanda en Tanzania, waar een uitbraak van cholera is gemeld;

P.  overwegende dat de politieke impasse in Burundi en de verslechterende veiligheids- en economische situatie ernstige gevolgen hebben voor de bevolking en een risico vormen voor de gehele regio, waarbij Burundi zijn ernstigste crisis doormaakt sinds de twaalf jaar durende etnisch gemotiveerde burgeroorlog waarbij in 2005 naar schatting al 300 000 mensen waren omgekomen;

Q.  overwegende dat EU-vertegenwoordigers, naar aanleiding van eerdere resoluties van het Europees Parlement en met name de verwijzing daarin naar artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou, hebben gewezen op de noodzaak van inclusieve deelname aan het verkiezingsproces van alle politieke groeperingen in het land, in overeenstemming met de routekaart en de gedragscode in verkiezingsaangelegenheden (Code de bonne conduite en matière électorale);

R.  overwegende dat de EU de uitbetaling van het uitstaande bedrag van 1,7 miljoen EUR aan verkiezingssteun aan Burundi heeft opgeschort, aangezien momenteel niet wordt voldaan aan de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor de geloofwaardigheid en het goede verloop van het verkiezingsproces, in vreedzame, inclusieve en transparante omstandigheden en met volledige eerbiediging van de politieke vrijheden, waaronder de vrijheid van meningsuiting;

S.  overwegende dat België ook heeft aangekondigd zijn verkiezingssteun te zullen opschorten door de helft van de 4 miljoen EUR in te houden die het voor de verkiezingen had gereserveerd en zich terug te trekken uit een project voor politiële samenwerking voor een bedrag van 5 miljoen EUR dat het gezamenlijk met Nederland ter beschikking had gesteld; overwegende dat Frankrijk ook de veiligheidssamenwerking met Burundi heeft opgeschort en dat Duitsland de opschorting van alle bilaterale samenwerking met de regering van Burundi heeft aangekondigd;

T.  overwegende dat de vrijheid van meningsuiting wordt gewaarborgd in de grondwet van Burundi en in internationale en regionale verdragen die door Burundi zijn geratificeerd, deel uitmaakt van de nationale strategie voor goed bestuur en corruptiebestrijding, en een essentiële voorwaarde is voor vrije, eerlijke en transparante verkiezingen; overwegende dat er desondanks sprake is van volledige mediacensuur, aangezien de commerciële omroepen half mei werden verboden, journalisten massaal het land ontvluchten en de journalisten die nog wel in Burundi zijn, voortdurend worden bedreigd;

U.  overwegende dat de EU een aanzienlijke bijdrage levert aan de jaarlijkse begroting van Burundi, waarvan circa de helft afkomstig is van internationale steun, en onlangs 432 miljoen EUR uit het Europees Ontwikkelingsfonds 2014-2020 heeft toegewezen aan Burundi, een van de armste landen ter wereld, om onder meer bestuurlijke verbeteringen en het maatschappelijk middenveld te ondersteunen;

V.  overwegende dat de huidige situatie invloed heeft op het economische en sociale leven van alle Burundezen; overwegende dat de gewelddadige protesten in de hoofdstad Bujumbura tot sluiting van de meeste scholen en universiteiten hebben geleid en dat, vanwege de sluiting van handelscentra en de afzwakking van de handel met omliggende landen, de nationale munteenheid in waarde is verminderd, de werkloosheid is toegenomen en de belastinginkomsten zijn teruggelopen;

1.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de verslechterende politieke en humanitaire situatie in Burundi en de omliggende regio; dringt aan op de onmiddellijke beëindiging van het geweld en de politieke intimidatie van tegenstanders en de onmiddellijke ontwapening van alle gewapende jeugdgroepen die banden met politieke partijen hebben; betuigt zijn steun aan de slachtoffers van het geweld en zijn medeleven in verband met de mensen die om het leven zijn gekomen, en dringt aan op onmiddellijke humanitaire bijstand voor degenen die gedwongen werden hun huizen te verlaten;

2.  veroordeelt het besluit van de Burundese regering om de verkiezingen toch doorgang te laten vinden, ondanks de kritieke politieke en veiligheidssituatie waarvan momenteel sprake is en ondanks het feit dat het verloop van de verkiezingen ernstig werd verstoord door censuur van onafhankelijke media, excessief gebruik van geweld tegen demonstranten, intimidatie jegens oppositiepartijen en het maatschappelijk middenveld, alsook een gebrek aan vertrouwen in de verkiezingsautoriteiten; dringt er bij de Burundese autoriteiten op aan de voor 15 juli 2015 geplande presidentsverkiezingen uit te stellen, zoals verzocht door de Afrikaanse Unie, en alle belanghebbenden te betrekken bij het streven naar vreedzame, geloofwaardige, vrije en eerlijke verkiezingen;

3.  dringt er bij allen die betrokken zijn bij het verkiezingsproces, waaronder de organen die verantwoordelijk zijn voor de organisatie van de verkiezingen en de veiligheidsdiensten, op aan de in de Overeenkomst van Arusha neergelegde verbintenissen na te komen, daar deze overeenkomst een einde heeft gemaakt aan de burgeroorlog en het fundament vormt van de Burundese grondwet; benadrukt het belang van een consensus over de verkiezingskalender op basis van een technische beoordeling door de VN;

4.  benadrukt eens te meer dat een duurzame politieke oplossing, in het belang van veiligheid en democratie voor alle Burundezen, alleen mogelijk is door dialoog en consensus, waarbij de regering, de oppositie en het maatschappelijk middenveld van Burundi worden betrokken, in overeenstemming met de Overeenkomst van Arusha en de grondwet van Burundi; dringt er bij alle Burundese belanghebbenden op aan de dialoog op alle gebieden waarover onenigheid bestaat, te hervatten; steunt derhalve de bemiddelingspogingen van de AU, de OAG en de VN, en is bereid om de uitvoering van de onlangs door de AU aangekondigde concrete maatregelen te ondersteunen;

5.  spreekt eens te meer zijn steun uit voor de aanhoudende inspanningen van de OAG, en benadrukt het belang van de tijdens de topbijeenkomsten in Dar es Salaam op 13 en 31 mei 2015 overeengekomen maatregelen, waaronder de oproep tot het uitstel van de verkiezingen en de onmiddellijke beëindiging van het geweld, de ontwapening van de aan politieke partijen verbonden jeugdgroepen, de opening van een dialoog tussen Burundese belanghebbenden, en de toezegging van de regio om niet werkeloos toe te zien als de situatie verslechtert, hetgeen een kader schept voor een politieke en op consensus gebaseerde oplossing voor de crisis;

6.  wijst erop dat het partnerschap van de EU met Burundi valt onder de Overeenkomst van Cotonou, en dat alle partijen verplicht zijn de bepalingen van die overeenkomst te eerbiedigen en na te leven, met name de eerbiediging van de mensenrechten; merkt op dat Burundi het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren ook heeft ondertekend en geratificeerd, en op grond daarvan verplicht is de universele rechten van de mens en de vrijheid van meningsuiting te eerbiedigen; dringt er derhalve bij de regering van Burundi op aan een echt en open politiek debat toe te staan, zonder vrees voor intimidatie, en om af te zien van misbruik van het justitieel apparaat om politieke rivalen buitenspel te zetten;

7.  neemt kennis van de dialoog die heeft plaatsgevonden tussen de EU en de Burundese autoriteiten, overeenkomstig artikel 8 van de Overeenkomst van Cotonou; is desalniettemin van mening dat essentiële en fundamentele elementen van de Overeenkomst van Cotonou voortdurend worden geschonden, met name de eerbiediging van fundamentele menselijke en democratische beginselen, en dringt er bij de Commissie op aan artikel 96-procedures in te leiden om passende maatregelen te treffen;

8.  dringt er ook bij de Commissie op aan om de EU-hulp zo spoedig mogelijk te herzien om deze een andere bestemming te geven, om meer financiële ondersteuning te geven aan het maatschappelijk middenveld en te focussen op humanitaire hulp en niet op begrotingssteun, en daarbij de zeer prijzenswaardige rol van de Burundese vredeshandhavingsmissie in Somalië in gedachten te houden;

9.  sluit zich aan bij de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 22 juni 2015 waarin er bij de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) op wordt aangedrongen een lijst op te stellen van gerichte beperkende maatregelen en visumweigeringen en reisverboden tegen personen die verantwoordelijk zijn voor daden van geweld en onderdrukking, zware schendingen van de mensenrechten, en die actief een politieke oplossing binnen het door de AU en de OAG voorgestelde kader bemoeilijken, en verzoekt de VV/HV de nodige maatregelen te treffen om de activa in de EU-lidstaten van al deze personen te bevriezen;

10.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over het aantal slachtoffers en het aantal gevallen van ernstige schendingen van de mensenrechten die sinds het begin van de crisis zijn gemeld, met name de misdrijven die worden toegeschreven aan de Imbonerakure; neemt kennis van de intimidatie en risico's waar mensenrechtenverdedigers en journalisten mee worden geconfronteerd en van de willekeurige arrestatie van leden van oppositiepartijen; dringt aan op onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle personen die gearresteerd zijn omdat zij hun recht op vreedzame vergadering en vrijheid van meningsuiting uitoefenden;

11.  eist dat het geweld en de intimidatie die worden uitgeoefend door de Imbonerakure onmiddellijk worden gestaakt; dringt er bij de CNDD-FDD op aan onmiddellijk over te gaan tot ontwapening van de jongerenmilities en zijn leden te laten ophouden met het intimideren en aanvallen van tegenstanders, en ervoor te zorgen dat de schuldigen voor de rechter worden gebracht; dringt aan op een onafhankelijk internationaal onderzoek naar de berichten dat de CNDD-FDD haar jeugdbeweging wapens en trainingen verstrekt; doet tevens een beroep op de leiders van de oppositiepartijen om geweld tegen hun tegenstanders te voorkomen;

12.  herhaalt dat er geen sprake kan zijn van straffeloosheid voor personen die ernstige mensenrechtenschendingen plegen, en die individueel aansprakelijk moeten worden gesteld en voor de rechter verantwoording moeten afleggen; hecht in dit verband bijzonder belang aan het onmiddellijk inzetten van de door de AU in het vooruitzicht gestelde mensenrechtenwaarnemers en militaire deskundigen;

13.  merkt op dat pogingen van bepaalde groeperingen om de rellen om te laten slaan in een etnisch conflict mislukken, en dat politieke scheidslijnen in Burundi niet uitdrukkelijk etnisch zijn; is van mening dat dit aantoont dat de Overeenkomst van Arusha erin geslaagd is te zorgen voor een etnisch evenwichtig samengestelde leger- en politiemacht; roept de aanklager van het Internationaal Strafhof derhalve op om zowel deze media als toespraken van politieke leiders nauwlettend in de gaten te houden, om te zien of zij aanzetten tot etnische haat;

14.  herhaalt in deze context dat het van belang is om de gedragscode in verkiezingsaangelegenheden en de via bemiddeling van de VN samengestelde routekaart, die in 2013 is ondertekend door de politieke leiders, na te leven, en steunt de pogingen op VN- en regionaal niveau om een verdere escalatie van het politieke geweld te voorkomen;

15.  dringt aan op onmiddellijke opheffing van de beperkingen van de media en de toegang tot internet, en stelt nogmaals aan de kaak dat Radio Publique Africaine, een van de belangrijkste nieuwsbronnen van het land, stelselmatig wordt aangepakt; is van mening dat er alleen legitieme verkiezingen kunnen plaatsvinden als media ongehinderd kunnen functioneren, en als journalisten zonder te worden geïntimideerd hun werk kunnen doen;

16.  prijst de rol van de humanitaire organisaties en de autoriteiten van buurlanden die voorzien in de behoeften van de mensen die de crisis ontvluchten, en die de vluchtelingen bescherming bieden; is verheugd over het feit dat de Commissie heeft toegezegd 1,5 miljoen EUR te zullen vrijmaken om de humanitaire nood te lenigen; waarschuwt er echter voor dat deze toezegging moet worden verdubbeld door zowel de EU als de lidstaten, gezien de grote stroom vluchtelingen in deze kwetsbare regio, de gemelde uitbraken van cholera en alarmerende berichten van seksueel geweld; benadrukt het belang van een langetermijnstrategie, niet alleen voor medicijnen en voedselhulp maar ook voor re-integratie en psychologische bijstand voor de vluchtelingen;

17.  dringt er bij de EU en de lidstaten op aan hun toezeggingen aan het regionale vluchtelingenplan voor Burundi van de VN gestand te doen, waarvoor tot september 2015 207 miljoen USD vereist is om de naar schatting 200 000 Burundese vluchtelingen op te vangen, o.a. door lopende subsidies aan de regio te verhogen;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten, de regering van Burundi en de regeringen van de landen van het gebied van de Grote Meren, de regeringen van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, de Afrikaanse Unie, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en het Pan-Afrikaanse Parlement.


Herdenking van Srebrenica
PDF 242kWORD 70k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 over de herdenking van Srebrenica (2015/2747(RSP))
P8_TA(2015)0276RC-B8-0716/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resoluties van 7 juli 2005(1) en 15 januari 2009(2) over Srebrenica,

–  gezien de bepalingen van de Universele Verklaring van de rechten van de mens, het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarin het recht van eenieder op leven, vrijheid en veiligheid van zijn persoon en op de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst wordt erkend,

–  gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina (BiH), anderzijds, die op 16 juni 2008 in Luxemburg is ondertekend en op 1 juni 2015 van kracht is geworden,

–  gezien de resoluties 827 van 25 mei 1993, 1551 van 9 juli 2004 en 1575 van 22 november 2004 van de VN-Veiligheidsraad,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het op 11 juli 2015 twintig jaar geleden is dat er tijdens de oorlog in Bosnië genocide en etnische zuivering plaatsvonden in en rondom Srebrenica, hetgeen kan dienen als hernieuwde herinnering aan de gevaren van extreme vormen van nationalisme en intolerantie in de samenleving, die verder worden verscherpt tijdens een oorlog;

B.  overwegende dat de Bosnische stad Srebrenica, die in resolutie 819 van 16 april 1993 van de VN-Veiligheidsraad tot veilig gebied was verklaard, op 11 juli 1995 in handen viel van Bosnisch-Servische strijdkrachten onder leiding van generaal Ratko Mladić, die opereerde onder verantwoordelijkheid van de toenmalige president van de Republika Srpska, Radovan Karadžić;

C.  overwegende dat gedurende een dagenlang bloedbad na de val van Srebrenica meer dan 8 000 moslimmannen en ‑jongens die een veilig heenkomen hadden gezocht in dit gebied, dat onder de bescherming stond van de beschermingsmacht van de Verenigde Naties (United Nations Protection Force, Unprofor), zonder enige vorm van proces werden terechtgesteld door Bosnisch-Servische strijdkrachten onder leiding van generaal Mladić en door paramilitaire eenheden, waaronder ongeregelde politie-eenheden; overwegende dat in het kader van een massale etnischezuiveringscampagne bijna 30 000 vrouwen, kinderen en bejaarden onder dwang werden gedeporteerd, waardoor dit de ernstigste oorlogsmisdaad is die sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog in Europa heeft plaatsgevonden;

D.  overwegende dat de tragische gebeurtenissen in Srebrenica diepe emotionele wonden hebben achtergelaten bij de overlevenden en blijvende obstakels hebben opgeworpen voor politieke verzoening onder etnische groeperingen in Bosnië en Herzegovina (BiH);

E.  overwegende dat de massamoord in Srebrenica als genocide is erkend, zowel door het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië (International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia, ICTY) in de uitspraak in beroep, Prosecutor v. Radislav Krstić, zaak nr. IT‑99‑33 van 19 April 2004, als door het Internationaal Gerechtshof (International Court of Justice, ICJ) in de zaak betreffende de toepassing van het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide (Bosnia and Herzegovina v. Serbia and Montenegro) van 27 februari 2007, blz. 127, paragraaf 297;

F.  overwegende dat Bosnisch-Servische strijdkrachten de Conventie van Genève talloze malen hebben geschonden bij hun optreden tegen de burgerbevolking van Srebrenica, inclusief de deportatie van duizenden vrouwen, kinderen en bejaarden en de verkrachting van een groot aantal vrouwen;

G.  overwegende dat, ondanks de inspanningen die zijn geleverd om individuele en massagraven op te sporen en de lijken op te graven, de stoffelijke resten van bijna 1 200 mannen en jongens uit Srebrenica nog niet zijn gelokaliseerd en geïdentificeerd;

H.  overwegende dat de secretaris-generaal van de VN in 1999 in zijn rapport over de val van Srebrenica verklaarde dat de VN had gefaald in zijn missie, speciaal waar het ging om de bescherming van zogenoemde "veilige gebieden", en daardoor mede verantwoordelijk is;

I.  overwegende dat de EU berust op vreedzame samenleving en oprechte samenwerking tussen haar lidstaten; overwegende dat een van de belangrijkste drijfveren voor het proces van Europese eenmaking de wens is om verdere oorlogen en misdaden tegen het internationale humanitaire recht in Europa te voorkomen;

J.  overwegende dat het ICTY op 30 januari 2015 de vonnissen van vijf hoge Bosnisch-Servische legerofficieren die voor hun aandeel in de genocide van 1995 in Srebrenica waren veroordeeld, heeft bekrachtigd; overwegende dat sommige van de veroordeelde officieren onder direct bevel stonden van voormalig Bosnisch-Servisch legerleider Ratko Mladić, die op dit moment voor het ICTY terechtstaat, onder meer voor genocide;

1.  herdenkt en eert alle slachtoffers van de genocide van Srebrenica en van alle gruweldaden tijdens de oorlogen in het voormalige Joegoslavië; betuigt zijn medeleven aan en solidariteit met de families van de slachtoffers, waarvan velen niet met zekerheid weten wat er met hun familieleden is gebeurd;

2.  veroordeelt de genocide in Srebrenica in de strengst mogelijke bewoordingen; verklaart plechtig dat dergelijke afschuwelijke misdrijven nooit meer mogen plaatsvinden en verklaart dat het alles zal doen wat in zijn vermogen ligt om te voorkomen dergelijke misdrijven opnieuw plaatshebben; verzet zich tegen elke ontkenning, relativering en verkeerde interpretatie van de genocide;

3.  benadrukt dat de politieke vertegenwoordigers in Bosnië en Herzegovina het verleden onder ogen moeten zien, om op succesvolle wijze samen te kunnen werken aan een betere toekomst voor alle burgers in het land; wijst op de belangrijke rol die buurlanden, religieuze autoriteiten, het maatschappelijk middenveld, kunst, cultuur, de media en onderwijsstelsels kunnen spelen in dit moeilijke proces;

4.  benadrukt dat het ICTY belangrijk werk heeft geleverd en dat alle nodige maatregelen moeten worden genomen om de rechtszaken en beroepsprocedures te bespoedigen en zo snel mogelijk af te werken; herhaalt dat meer aandacht moet worden besteed aan de berechting van oorlogsmisdaden op nationaal niveau;

5.  herhaalt dat de EU alles gelegen is aan het Europese perspectief en verdere toetredingsproces van Bosnië en Herzegovina en alle landen op de westelijke Balkan; is van mening dat regionale samenwerking en het Europese integratieproces de beste manier zijn om verzoening te bevorderen en haat en verdeling het hoofd te bieden;

6.  dringt erop aan dat er onderwijs- en culturele programma's worden opgezet waarmee het inzicht in de oorzaken van dergelijke wreedheden wordt bevorderd en bewustzijn wordt gekweekt over de noodzaak om vrede te stichten en de mensenrechten en tolerantie tussen geloofsgemeenschappen te bevorderen; betuigt zijn steun aan organisaties van het maatschappelijk middenveld als "Moeders van de enclaves van Srebrenica en Žepa" voor de cruciale rol die zij hebben vervuld om de aandacht hiervoor te vergroten en een bredere basis te creëren voor verzoening tussen alle burgers van het land;

7.  betreurt dat de VN-Veiligheidsraad, die de primaire verantwoordelijkheid heeft voor het behoud van internationale vrede en veiligheid, er niet in geslaagd is een resolutie aan te nemen om de genocide in Srebrenica te herdenken; dit is vooral betreurenswaardig, aangezien het Internationaal Gerechtshof, de voornaamste gerechtelijke instantie van de VN, de misdaden die in Srebrenica gepleegd werden, als genocide erkend heeft;

8.  is bijzonder ingenomen met de unanieme beslissing van de Raad van Ministers van Bosnië en Herzegovina om 11 juli uit te roepen als dag van rouw in Bosnië en Herzegovina;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de regeringen van de lidstaten, de regering en het parlement van Bosnië-Herzegovina en zijn entiteiten, en de regeringen en parlementen van de landen van de westelijke Balkan.

(1) PB C 157 E van 6.7.2006, blz. 468.
(2) PB C 46 E van 24.2.2010, blz. 111.


De Cambodjaanse wetsontwerpen inzake ngo's en vakbonden
PDF 166kWORD 69k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 over de Cambodjaanse wetsvoorstellen inzake ngo's en vakbonden (2015/2756(RSP))
P8_TA(2015)0277RC-B8-0689/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Cambodja,

–  gezien de verklaring van de speciale VN-rapporteur voor de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging van 22 juni 2015,

–  gezien de slotopmerkingen van het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties van 27 april 2015 over het tweede periodieke verslag over Cambodja,

–  gezien het verslag van 15 augustus 2014 van de speciale rapporteur van de VN over de mensenrechtensituatie in Cambodja,

–  gezien de verschillende verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), met name Verdrag nr. 87 betreffende de vakbondsvrijheid en de bescherming van het vakbondsrecht en Verdrag nr. 98 betreffende het recht om zich te organiseren en het recht om collectief te onderhandelen,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Cambodja van 1997,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het krachtige maatschappelijk middenveld - met name activisten die zich bezighouden met landrechtenkwesties, vakbondsleden, journalisten en leden van de oppositie - een belangrijke corrigerende rol heeft gespeeld;

B.  overwegende dat de regering van Cambodja op 5 juni 2015 haar goedkeuring heeft gehecht aan het wetsvoorstel inzake verenigingen en niet-gouvernementele organisaties; overwegende dat dit wetsvoorstel op 16 juni 2015 is voorgelegd aan de nationale assemblee van Cambodja;

C.  overwegende dat de EU de belangrijkste partner van Cambodja is als het gaat om ontwikkelingshulp, en dat voor de periode 2014 - 2020 een bedrag van 410 miljoen EUR aan Cambodja is toegewezen; overwegende dat de EU steun verleent aan diverse mensenrechteninitiatieven van Cambodjaanse niet-gouvernementele organisaties (ngo's) en andere maatschappelijke organisaties en tevens waarnemers heeft gestuurd naar verkiezingen op nationaal en gemeentelijk niveau en bijdragen heeft geleverd ter ondersteuning van het verkiezingsproces; overwegende dat Cambodja in hoge mate afhankelijk is van ontwikkelingshulp;

D.  overwegende dat de speciale VN-rapporteur voor de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging heeft verklaard dat het maatschappelijk middenveld in Cambodja niet betrokken is geweest bij de totstandbrenging van de nieuwe wetgeving inzake verenigingen en niet-gouvernementele organisaties;

E.  overwegende dat enkele bekende ngo's hebben aangegeven dat deze wetgeving volgt op eerdere pogingen, die naar aanleiding van binnenlandse en internationale kritiek zijn ingetrokken, om een wet te realiseren die ongerechtvaardigde beperkingen oplegt ten aanzien van het recht op vrijheid van vereniging en het recht op vrijheid van meningsuiting en die een rechtsgrond biedt om politiek ongewenste ngo's willekeurig op te heffen of de mogelijkheid te ontnemen zich te laten registreren, waaronder ngo's die mensenrechtenactivisten in dienst hebben;

F.  overwegende dat het recht op vrijheid van meningsuiting is neergelegd in artikel 41 van de grondwet van Cambodja en het recht op het ontplooien van politieke activiteiten in artikel 35 daarvan;

G.  overwegende dat het recht van vreedzame vergadering is neergelegd in de grondwet van Cambodja, in artikel 20 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens en in artikel 21 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten;

H.  overwegende dat het recht om deel te nemen aan de behandeling van openbare aangelegenheden is neergelegd in artikel 25 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en overwegende dat het recht van vreedzame vergadering, neergelegd in artikel 22 van dat verdrag, een belangrijk hulpmiddel en vaak ook een onontbeerlijke voorwaarde is voor die deelname; overwegende dat transparantie en controleerbaarheid essentiële elementen zijn voor een goed functionerende democratie;

I.  overwegende dat het land naar verwachting jaarlijks voor 600 tot 700 miljoen USD aan ontwikkelingsprojecten zal mislopen als de wet wordt aangenomen; overwegende dat de wet zal leiden tot beperktere budgetten, waardoor het voor internationale ngo's moeilijker zal worden kosteneffectieve projecten te realiseren;

J.  overwegende dat het wetsvoorstel inzake vakbonden een schending betekent van het recht zich te organiseren en een ernstige inbreuk vormt op de rechten van onafhankelijke vakbonden, waaronder de bestaande vakbonden; overwegende dat het wetsvoorstel een onredelijk hoge drempel opwerpt voor de oprichting van een vakbond (20 % van de werknemers moet lid worden); overwegende dat ambtenaren van het Ministerie van Werkgelegenheid krachtens het voorstel verregaande bevoegdheden krijgen inzake de goedkeuring van stakingen en dat zij registratie van vakbonden kunnen opschorten op ondeugdelijke gronden en zonder dat daarvoor deugdelijke procedures gelden; overwegende dat het wetsvoorstel huishoudelijk personeel het recht ontzegt om vakbonden op te richten en aan vakbondsleiders eisen stelt inzake geletterdheid die discriminerend uitpakken voor vrouwen en mensen van buitenlandse afkomst, contacten met ngo's verbiedt en veel te lage boetes stelt op overtreding van de arbeidswetgeving door werkgevers;

K.  overwegende dat de Cambodjaanse autoriteiten in mei 2014 een raadpleging hebben georganiseerd waaraan arbeidsrechtenorganisaties konden deelnemen, maar dat er in latere stadia van het wetgevingsproces geen raadplegingen meer hebben plaatsgevonden; overwegende dat uit verschillende mededelingen van ambtenaren in de media valt af te leiden dat het wetsvoorstel inzake vakbonden in 2015 zal worden aangenomen;

L.  overwegende dat er in Cambodja ongeveer 5 ngo's geregistreerd staan die actief zijn op het gebied van de mensenrechten, gezondheidszorg, het maatschappelijk middenveld en de landbouw;

M.  overwegende dat premier Hun Sen tijdens een vergadering met de EU-ambassadeur in Cambodja, Jean-François Cautain, op 16 juni 2015 heeft verklaard dat de nationale assemblee voornemens is een raadpleging te organiseren over het wetsvoorstel inzake ngo's en dat hij wenst dat daarbij het maatschappelijk middenveld en de ontwikkelingspartners betrokken zullen worden;

1.  dringt er bij de regering van Cambodja op aan het wetsvoorstel inzake verenigingen en niet-gouvernementele organisaties in te trekken;

2.  verzoekt de regering van Cambodja met klem de legitieme en nuttige rol die het maatschappelijk middenveld, de vakbonden en de politieke oppositie vervullen in de algemene economische en politieke ontwikkeling van Cambodja te erkennen; wijst erop dat het maatschappelijk middenveld een van de belangrijkste pijlers is waarop de ontwikkeling van ieder land rust; benadrukt dat de wet inzake verenigingen en niet-gouvernementele organisaties een omgeving moet creëren waarbinnen maatschappelijke organisaties een bijdrage kunnen blijven leveren aan de ontwikkeling van Cambodja;

3.  dringt er bij de regering van Cambodja op aan het wetsvoorstel inzake vakbonden in te trekken, het huidige wetsvoorstel openbaar te maken en deskundigen en vakbondsleden te raadplegen met het oog op herziening van het voorstel, om dit in overeenstemming te brengen met het internationale recht en de verdragen van de IAO, met name Verdrag nr. 87 betreffende de vakbondsvrijheid en de bescherming van het vakbondsrecht en Verdrag nr. 98 betreffende het recht om zich te organiseren en het recht om collectief te onderhandelen, alvorens het opnieuw aan de nationale assemblee voor te leggen;

4.  steunt de verklaring van de speciale VN-rapporteur dat dergelijke wetgeving uitsluitend behoort te worden vastgesteld via een proces waaraan wordt deelgenomen door een zo groot mogelijk aantal belanghebbenden, om te waarborgen dat de inhoud van de wetgeving breed wordt gedragen;

5.  wenst dat de maatschappelijke organisaties en burgers van Cambodja bij alle nieuwe wetgeving worden geraadpleegd en voldoende tijd krijgen om deze te evalueren, zodat zij hun gekozen vertegenwoordigers hun standpunten kenbaar kunnen maken voordat er over de nieuwe wetgeving gestemd wordt;

6.  dringt erop aan dat alle wetsvoorstellen in overeenstemming zijn met de internationaal erkende vrijheden van meningsuiting, vereniging en vergadering, die Cambodja dient te eerbiedigen omdat het land het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft geratificeerd, en dat die wetsvoorstellen geen onnodige beperkingen voor maatschappelijke organisaties inhouden die ten koste gaan van hun vermogen om doeltreffend en vrij te opereren;

7.  spoort de regering van Cambodja aan te blijven werken aan het versterken van de democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, met name de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging;

8.  verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid het verzoek om intrekking van het wetsvoorstel inzake verenigingen en niet-gouvernementele organisaties en het wetsvoorstel inzake vakbonden te steunen en deze kwestie onverwijld met de regering van Cambodja te bespreken;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vice-voorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, het secretariaat van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten, de VN-mensenrechtenraad en de regering en de nationale assemblee van het Koninkrijk Cambodja.


De Democratische Republiek Congo (DRC), in het bijzonder de zaak van twee gedetineerde mensenrechtenactivisten, Yves Makwambala en Fred Bauma
PDF 176kWORD 75k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 over de Democratische Republiek Congo (DRC), met name de zaak van de twee gevangengehouden mensenrechtenactivisten Yves Makwambala en Fred Bauma (2015/2757(RSP))
P8_TA(2015)0278RC-B8-0690/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn vroegere resoluties over de Democratische Republiek Congo, met name de resolutie van 12 september 2013(1), en de resolutie hierover van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU,

–  gezien de verklaringen van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden over de situatie in de Democratische Republiek Congo, met name van 21 januari 2015,

–  gezien de verklaringen van de EU-delegatie naar de Democratische Republiek Congo over de situatie van de mensenrechten in dat land, met name de verklaring van 11 februari 2015,

–  gezien het jaarverslag van de EU inzake mensenrechten en democratie dat op 22 juni 2015 door de Raad is aangenomen,

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 januari 2015 over de Democratische Republiek Congo,

–  gezien de verklaringen van 22 januari 2015 van de internationale gezanten voor het gebied van de Grote Meren over de situatie in de Democratische Republiek Congo,

–  gezien de gezamenlijke persmededeling van 12 februari 2015 van de speciale rapporteur van de Afrikaanse Unie (AU) voor de mensenrechten in Afrika en de speciale AU-rapporteur inzake gevangenissen en detentieomstandigheden in Afrika over de mensenrechtensituatie na de gebeurtenissen rond de wijziging van de kieswet in de Democratische Republiek Congo,

–  gezien de in juni 2000 ondertekende Partnerschapsovereenkomst van Cotonou,

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers en de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van1948 en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien het Afrikaanse Handvest voor mensenrechten en volkerenrechten, dat in 1982 door de Democratische Republiek Congo is geratificeerd,

–  gezien de grondwet van de Democratische Republiek Congo, en met name de artikelen 22, 23, 24 en 25,

–  gezien de oproep "Laat de Filimbi-activisten vrij" die op 15 juni 2015 gelanceerd is door meer dan 200 mensenrechtenorganisaties,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat tussen 19 en 21 januari 2015 in het hele land protest is uitgebroken aangaande een voorstel voor een kieswet waardoor de presidentiële ambtstermijn, tegen de grondwettelijke bepalingen in, zou kunnen worden verlengd en waarvoor een mogelijk zeer langdurige volkstelling zou moeten worden verricht vooraleer nationale verkiezingen konden worden gehouden;

B.  overwegende dat er volgens de autoriteiten bij het protest 27 doden zijn gevallen, ofschoon andere bronnen het hebben over 42 doden, en dat 350 mensen werden gearresteerd, waarvan er een aantal nog steeds in de gevangenis zitten zonder proces, of onder dwang verdwenen zijn;

C.  overwegende dat bij de protesten in januari 2015, de internet- en SMS-diensten door de regering zijn stilgelegd;

D.  overwegende dat de kieswet die door het parlement werd goedgekeurd uiteindelijk niet de controversiële bepaling bevatte;

E.  overwegende dat de autoriteiten van bij het begin van de protesten gewelddadig zijn optreden tegen mensenrechtenactivisten en politici van de oppositie die vreedzaam hadden betoogd tegen de bepaling, waaronder Christopher Ngoyi, Jean-Claude Muyambo, Vano Kiboko en Cyrille Dowe, die nog steeds in de gevangenis zitten om kennelijk politieke redenen;

F.  overwegende dat de nationale inlichtingendienst (ANR) van de Democratische Republiek Congo op 15 maart 2015 meer dan 30 mensen heeft gearresteerd en zonder aanklacht gevangen heeft genomen tijdens de lancering van de democratisch gezinde jongerenbeweging Filimbi, onder meer internationale deelnemers en activisten, musici, zakenmensen en journalisten uit de DRC;

G.  overwegende dat de meeste activisten en sympathisanten zijn vrijgelaten en dat de buitenlanders het land zijn uitgezet, maar dat Yves Makwambala en Fred Bauma nog steeds in de gevangenis van Makala in Kinshasa zitten, en dat zij ervan beschuldigd worden lid te zijn van een vereniging die is opgericht om mensen en eigendommen aan te vallen, die een samenzwering plant tegen het staatshoofd en die de "constitutionele regeling" wil vernietigen of wijzigen, en de mensen ertoe wil aanzetten de wapens op te nemen tegen het staatsgezag; overwegende dat de autoriteiten Fred Bauma ook hebben beschuldigd van verstoring van de orde en Yves Makwambala van de openbare belediging van het staatshoofd, terwijl zij hun recht van vrije meningsuiting en vreedzame vergadering en vereniging uitoefenden;

H.  overwegende dat Filimbi was opgericht als een platform om jongeren uit de DRC ertoe aan te sporen op vreedzame en verantwoordelijke wijze hun burgerplichten te vervullen;

I.  overwegende dat de autoriteiten in maart en april 2015 in Goma (in het oosten van de DRC) minstens 15 activisten van de jongerenbeweging LUCHA hebben opgepakt en later weer vrijgelaten, terwijl zij vreedzaam betoogden voor de vrijlating van hun collega's die in Kinshasa gevangen zaten; overwegende dat vier van deze activisten beschuldigd worden van ongehoorzaamheid tegen het openbaar gezag;

J.  overwegende dat de nationale assemblee van de DRC op 27 maart 2015 een parlementaire onderzoekscommissie heeft opgericht om informatie te verzamelen en verslag uit te brengen over de arrestaties; overwegende dat deze onderzoekscommissie in haar verslag tot de conclusie is gekomen dat er geen bewijzen waren dat de leiders en leden van Filimbi betrokken waren bij of plannen hadden gemaakt voor terroristische of andere gewelddadige misdaden, en heeft aangedrongen op een politieke oplossing voor hun onmiddellijke vrijlating;

K.  overwegende dat op 15 juni 2015 14 internationale organisaties en 220 Congolese mensenrechtenorganisaties uit de DRC hebben opgeroepen tot de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van de twee activisten;

L.  overwegende dat in deze context een massagraf met naar schatting 421 lichamen ontdekt is in Maluku, ongeveer 80km van het centrum van Kinshasa;

M.  overwegende dat de minister van Justitie onlangs heeft erkend dat het rechtssysteem in de DRC met zeer veel problemen kampt, onder meer cliëntelisme, beïnvloeding, omkoping, corruptie, straffeloosheid en ongelijkheid in rechterlijke uitspraken;

N.  overwegende dat de persvrijheid beperkt is door bedreigingen van en aanvallen tegen journalisten en dat vele mediakanalen gesloten zijn of op onwettige wijze worden gecensureerd;

O.  overwegende dat de volgende nationale verkiezingen gepland zijn voor november 2016, en dat deze op het gebied van organisatie en financiering moeizaam zullen verlopen;

P.  overwegende dat de maatschappelijke organisaties een belangrijke rol hebben gespeeld in de DRC in de context van het politieke overgangsproces van 2003, de verkiezingen van 2006 en 2011, de herziening van de mijnbouwcontracten, de schorsing van de DRC uit het initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën en de opstelling van de kieswet van 2013 en van de wetgeving ter bestrijding van seksueel geweld;

Q.  overwegende dat de reactie van de regering op het engagement van de maatschappelijke organisaties een poging vormt om activisten en belangenorganisaties te behandelen zoals de politieke oppositie, met het doel ze te ondermijnen;

R.  overwegende dat de EU in juni 2014 een verkiezingswaarnemingsmissie heeft gestuurd die heeft verklaard dat werk moest worden gemaakt van het actualiseren van de kiezerslijst en het creëren van de voorwaarden voor eerlijke concurrentie tussen de kandidaten en heeft gewezen op de noodzaak om de bescherming van de openbare vrijheden, het systeem voor verkiezingsgeschillen en de strijd tegen straffeloosheid te versterken;

S.  overwegende dat in het nationaal indicatief programma voor de DRC voor 2014-2020, dat 620 miljoen euro heeft gekregen uit het 11de Europees Ontwikkelingsfonds, voorrang wordt gegeven aan het versterken van het bestuur en de rechtsstaat, onder meer hervormingen in het gerechtelijke apparaat, de politie en het leger;

1.  betreurt het verlies van mensenlevens en het arbitrair geweld op en de arrestaties van de demonstranten tijdens de protesten van januari 2015, alsook het hardhandig optreden tegen activisten en politieke tegenstanders, met name de gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan bij de lancering van de Filimbi-beweging in maart 2015;

2.  dringt bij de autoriteiten van de DRC aan op de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van Yves Makwambala en Fred Bauma en op de intrekking van alle aanklachten tegen hen en andere Filimbi-leiders, alsook tegen alle andere activisten, gewetensgevangenen en politieke tegenstanders die willekeurig zijn opgepakt en in de gevangenis zitten enkel en alleen wegens hun politieke standpunten of hun deelname aan vreedzame activiteiten;

3.  steunt de oproepen van de nationale assemblee van de DRC om snel tot een politieke oplossing te komen waardoor de leden van Filimbi en andere vreedzame maatschappelijke organisaties hun recht op vrije meningsuiting en vrije vereniging kunnen uitoefenen zonder vrees voor aanklacht of vervolging;

4.  vraagt de autoriteiten met klem dat zij garanderen dat de gevangenen niet aan enige vorm van foltering of mishandeling zijn of worden onderworpen, en dat zij volledige bescherming en toegang tot hun familieleden en advocaten waarborgen;

5.  beschouwt het feit dat de ANR de gevangenen zonder aanklacht gedurende meer dan 48 uur heeft vastgehouden, waarbij hen toegang tot rechtshulp werd geweigerd of zonder dat zij voor een bevoegde gerechtelijke autoriteit werden gebracht, als een flagrante schending van de door de grondwet van de DRC gewaarborgde rechten;

6.  vraagt dat de regering van de DRC samen met internationale partners een volledig, diepgaand en transparant onderzoek voert naar de gebeurtenissen van januari en maart 2015, en dat wordt nagegaan of er illegale daden zijn begaan dan wel rechten of vrijheden zijn geschonden; dringt erop aan dat alle ambtenaren met een vermeende verantwoordelijkheid voor het schenden van rechten of vrijheden die door nationale en internationale teksten zijn gewaarborgd, voor de rechter worden gebracht;

7.  is ernstig bezorgd over de aanhoudende pogingen om het recht van vrije meningsuiting en vreedzaam vergaderen en verenigen te beperken en over de toenemende schendingen van deze vrijheden door de autoriteiten, aangezien een correct politiek klimaat onontbeerlijk is voor het welslagen van een verkiezingscyclus in de DRC in het komende jaar;

8.  vindt het bijzonder betreurenswaardig dat het met name de oppositieleiders en jeugdbewegingen zijn die het slachtoffer zijn van deze schendingen;

9.  vraagt de autoriteiten van de DRC dat zij de onmiddellijke en onvoorwaardelijke verdediging van de hoger genoemde vrijheden op zich nemen, met name in de verkiezingsperiode, zoals wordt gewaarborgd door de grondwet van de DRC en het internationaal recht inzake de mensenrechten;

10.  herinnert eraan dat respect voor politieke diversiteit en oppositie, een open en vreedzaam politiek debat, de volledige uitoefening van de grondwettelijke rechten van vrije meningsuiting, vreedzame vergadering en vereniging en informatie onontbeerlijk zijn voor het waarborgen van democratische verkiezingen die geloofwaardig, inclusief, en vreedzaam zijn en tijdig worden gehouden; onderstreept dat dergelijke garanties van cruciaal belang zijn in het bijzonder instabiele gebied van de Grote Meren, en ook afhangen van de geslaagde uitvoering van de overeenkomst van Addis Abeba voor vrede, veiligheid en samenwerking; steunt in dit verband de inspanningen van de internationale gezanten voor het gebied van de Grote Meren;

11.  spoort het parlement, de senaat en de president van de DRC, Joseph Kabila, aan om alle nodige maatregelen uit te voeren om de democratie te consolideren en te zorgen voor daadwerkelijke participatie in het bestuur van het land door alle politieke krachten, maatschappelijke organisaties en democratisch gezinde bewegingen die de wil van het volk van de DRC vertegenwoordigen, op basis van grondwettelijke en wettelijke bepalingen, alsmede in vrije en eerlijke verkiezingen;

12.  is voorstander van de ontwikkeling van platforms zoals Filimbi, waardoor democratischgezinde krachten hun stem kunnen laten horen en jongeren kunnen deelnemen in een verkiezingsproces waarvan zij ten onrechte uitgesloten waren;

13.  herinnert aan de toezegging die door de DRC is gedaan in het kader van de overeenkomst van Cotonou om de democratie, de rechtstaat en de mensenrechtenbeginselen te eerbiedigen, onder meer de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van de media, goed bestuur en transparantie inzake politieke functies; dringt erop aan dat de regering van de DRC deze bepalingen verdedigt overeenkomstig artikel 11,letter b, en de artikelen 96 en 97 van de overeenkomst van Cotonou, en vraagt, indien dit niet gebeurt, dat de Commissie de desbetreffende procedure overeenkomstig de artikelen 8, 9 en 96 van de overeenkomst van Cotonou inleidt;

14.  wijst er met klem op dat de aard en het bedrag van verdere EU-steun voor het verkiezingsproces in de DRC afhankelijk moet zijn van de vooruitgang die geboekt is bij de uitvoering van de aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissie van de EU van 2011 en de vervolgmissie van 2014, inzake de eerbieding van de verkiezingskalender en de presentatie van een geloofwaardige begroting;

15.  dringt er bij de EU-delegatie op aan toe te zien op de ontwikkelingen en alle passende middelen en instrumenten te gebruiken, met inbegrip van het Europees instrument voor de democratie en de mensenrechten, om mensenrechtenverdedigers en democratisch gezinde bewegingen te steunen;

16.  dringt er bij de gerechtelijke autoriteiten van de DRC op aan dat zij hun onafhankelijkheid van elke politieke instrumentalisering bevestigen en dat zij de bescherming van de door de rechtsinstrumenten erkende rechten, zoals toegang tot de rechten en het recht op een eerlijk proces, garanderen;

17.  vraagt de autoriteiten van de DRC met aandrang dat zij ophouden met het minimaliseren van de omvang van het massagraf dichtbij Kinshasa en herhaalt de oproep van de EU en de VN voor een snel, transparant en geloofwaardig onderzoek om de familieleden van de vermisten gerust te stellen en een eind te maken aan de verschillende beschuldigingen;

18.  veroordeelt het illegaal sluiten en de onterechte censuur van de media, alsook het tijdelijk stilleggen van het telecommunicatieverkeer;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Europese Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Afrikaanse Unie, de regeringen van de landen uit het Gebied van de Grote Meren, de president, de premier en het parlement van de DRC, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de VN-Mensenrechtenraad en de PPV ACS-EU.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0388.


Bahrein, in het bijzonder de zaak van Nabeel Rajab
PDF 176kWORD 74k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 over Bahrein, met name de zaak van Nabeel Rajab (2015/2758(RSP))
P8_TA(2015)0279RC-B8-0703/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Bahrein, met name die van 6 februari 2014 over Bahrein, met name de zaak van Nabeel Rajab, Abdulhadi al-Khawaja en Ibrahim Sharif(1),

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) Federica Mogherini van 17 juni 2015 over de veroordeling, in Bahrein, van Ali Salman, secretaris-generaal van al-Wefaq,

–  gezien de 24e Gezamenlijke Raad en ministeriële bijeenkomst van de Samenwerkingsraad van de Golf (Gulf Cooperation Council, GCC) en de Europese Unie van 24 mei 2015 in Doha,

–  gezien het besluit van de ministerraad van de Arabische Liga, dat is genomen tijdens de vergadering van 1 september 2013 in Caïro, om een pan-Arabische rechtbank voor mensenrechten op te richten in Manama, de hoofdstad van Bahrein,

–  gezien het rapport met gedetailleerde informatie over de uitvoering door de regering van Bahrein van de aanbevelingen van de onafhankelijke onderzoekscommissie van Bahrein van februari 2014 en de laatste informatie met betrekking tot de universele periodieke doorlichting die de regering van Bahrein heeft gepresenteerd in september 2014,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Arabisch Handvest voor de rechten van de mens, die allemaal door Bahrein zijn ondertekend,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers, die zijn aangenomen in juni 2004 en herzien in 2008,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties tot beperking der staatloosheid,

–  gezien het nieuwe het strategisch EU-kader en actieplan voor mensenrechten, dat erop is gericht de bescherming van en het toezicht op de mensenrechten centraal te plaatsen bij alle beleid van de EU en dat een specifiek onderdeel bevat over de bescherming van mensenrechtenverdedigers,

–  gezien het bezoek van Stavros Lambrinidis, speciaal vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, aan Bahrein eind mei 2015,

–  gezien de artikelen 5 en 19 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Bahrein heeft beloofd vooruitgang te boeken bij zijn hervormingen op het gebied van mensenrechten na de publicatie van het rapport van de onafhankelijke onderzoekscommissie van Bahrein op 23 november 2011 en van het vervolgrapport van 21 november 2012;

B.  overwegende dat de instelling door Bahrein van de Ombudsman van het ministerie van Binnenlandse Zaken, de Commissie voor de rechten van gevangenen en gedetineerden en de speciale onderzoekseenheid bemoedigend is; overwegende dat deze instanties onpartijdiger, transparanter en onafhankelijker van de overheidsorganen moeten worden gemaakt;

C.  overwegende dat de Bahreinse autoriteiten sinds het begin van de opstanden in 2011 het gebruik van repressieve maatregelen tegen burgeractivisten en tegen vreedzame oppositie opvoeren; overwegende dat op 10 juni 2014 tijdens de 26e zitting van de VN-Mensenrechtenraad 47 landen, inclusief alle 28 EU-lidstaten, een gezamenlijke verklaring hebben ondertekend om uiting te geven aan hun ernstige bezorgdheid over de mensenrechtensituatie in Bahrein; overwegende dat in de gezamenlijke verklaring uitdrukkelijk melding werd gemaakt van een aantal zorgwekkende kwesties, bijvoorbeeld lange straffen voor de uitoefening van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en van vereniging, het ontbreken van toereikende garanties voor een eerlijk proces, de repressie van demonstraties, de voortdurende pesterijen jegens en gevangenzetting van personen die hun recht uitoefenen op een vrije mening en meningsuiting, mishandeling en foltering in detentiefaciliteiten, de willekeurige afname van het staatsburgerschap zonder behoorlijk proces en ontoereikende aflegging van verantwoording voor schendingen van de mensenrechten;

D.  overwegende dat Nabeel Rajab, Bahreins mensenrechtenverdediger en voorzitter van het Bahreinse Centrum voor de mensenrechten, adjunct-secretaris-generaal van de Internationale Federatie voor de Mensenrechten en lid van de adviescommissie van de Afdeling Midden-Oosten van Human Rights Watch, is veroordeeld tot zes maanden gevangenis, louter voor de vreedzame uitoefening van zijn vrijheid van meningsuiting; overwegende dat Nabeel Rajab is gearresteerd op 1 oktober 2014 na zijn bezoek aan de Subcommissie mensenrechten van het Europees Parlement, op beschuldiging van de publicatie van tweets over een groep landgenoten die zouden samenwerken met IS/Da'esh; overwegende dat hem belediging van een publieke instantie en het leger ten laste werden gelegd; overwegende dat de werkgroep van de Verenigde Naties inzake willekeurige detentie de detentie van Nabeel Rajab in november 2013 heeft aangemerkt als willekeurig;

E.  overwegende dat Nabeel Rajab sinds zijn oprichting van het Bahreinse Centrum voor de mensenrechten in 2002 diverse gevangenisstraffen heeft uitgezeten; overwegende dat Nabeel Rajab bijkomende elementen ten laste zijn gelegd in verband met zijn vrijheid van meningsuiting en dat hij momenteel tot 10 jaar gevangenis riskeert omdat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan de "belediging van een wettelijk orgaan" en de "verspreiding van geruchten in oorlogstijd";

F.  overwegende dat vele mensenrechtenverdedigers, bijvoorbeeld Naji Fateel, Deens mensenrechtenverdediger Abdulhadi al-Khawaja, Zweeds politiek activist Mohammad Habib al-Muqdad en andere leden van de zogeheten 13 van Bahrein, net als Nabeel Rajab worden vastgehouden, worden onderworpen aan gerechtelijke pesterijen in Bahrein, gevangen worden genomen en lange of levenslange straffen uitzitten als directe vergelding voor hun werk ter verdediging van de mensenrechten; overwegende dat de meesten van hen zouden zijn onderworpen aan geweld, mishandeling en fysieke of psychische foltering;

G.  overwegende dat volgens het Bahreinse Centrum voor de mensenrechten meer dan 3 000 gevangenen op arbitraire wijze vast worden gehouden, velen mensenrechtenverdedigers die gevangen genomen zijn en lange of levenslange straffen uitzitten als directe vergelding voor hun activiteiten; overwegende dat de meesten van hen zouden zijn onderworpen aan geweld, mishandeling en fysieke of psychische foltering;

H.  overwegende dat op 16 juni 2015 de secretaris-generaal van Bahreins belangrijkste oppositiepartij al-Wefaq, sjeik Ali al-Salman, is veroordeeld tot vier jaar gevangenis in het kader van de protesten tegen de overheid die zijn losgebarsten in 2011, op het hoogtepunt van de opstanden van de Arabische Lente in de regio; overwegende dat zijn advocaten van de rechtbank het verbod zouden hebben gekregen om mondeling te pleiten en dat zij geen reële mogelijkheid hebben gekregen om de bewijzen te onderzoeken; overwegende dat een groep onafhankelijke experts van de Verenigde Naties, deels bekend als speciale procedures van de Mensenrechtenraad, er bij de Bahreinse autoriteiten op hebben aangedrongen om sjeik Ali Salman vrij te laten;

I.  overwegende dat Bahrein sinds 2012 de antiterrorismewetgeving misbruikt om op arbitraire wijze het staatsburgerschap van activisten en oppositieleden af te nemen als vergelding voor een afwijkende mening, inclusief bij minstens 9 minderjarigen; overwegende dat volgens diverse rapporten alleen al in 2015 het staatsburgerschap is afgenomen van meer dan 100 activisten, protestanten en politici, waardoor een groot deel van hen staatloos is geworden, met schending van het Verdrag van de Verenigde Naties tot beperking der staatloosheid;

J.  overwegende dat het gebruik van de doodstraf in politiek gemotiveerde zaken sinds 2011 is toegenomen; overwegende dat sinds 2011 minstens zeven individuen ter dood zijn veroordeeld in een politieke zaak, vier van hen in 2015 alleen;

K.  overwegende dat de onafhankelijke onderzoekscommissie van Bahrein, die op koninklijk bevel is opgericht om de gebeurtenissen van februari 2011 in Bahrein te onderzoeken en hier verslag over uit te brengen, een reeks aanbevelingen heeft geformuleerd over mensenrechten en politieke hervormingen; overwegende dat vooruitgang is geboekt met een hervorming van het rechtsstelsel en het wetshandhavingssysteem, maar dat de regering de essentiële aanbevelingen van de commissie niet volledig ten uitvoer heeft gelegd, met name de vrijlating van leiders van de protesten die zijn veroordeeld voor het uitoefenen van hun recht op vrije meningsuiting en vreedzame vergadering; overwegende dat de verzoeningsgesprekken - bekend als de nationale dialoog - zijn stilgevallen; overwegende dat sommige groepen nog steeds niet vertegenwoordigd zijn in het politieke stelsel en dat de veiligheidsdiensten nog steeds geen verantwoording hoeven af te leggen;

1.  vraagt de intrekking van de tenlastelegging en de onmiddellijke, onvoorwaardelijke vrijlating van alle mensenrechtenverdedigers, politieke activisten en andere individuen die worden vastgehouden en aan wie schendingen ten laste worden gelegd die zij zouden hebben gepleegd in verband met het recht op meningsuiting, vreedzame vergadering en vereniging, inclusief Nabeel Rajab, sjeik Ali Salman en de 13 van Bahrein;

2.  erkent de engagementen van de Bahreinse autoriteiten met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de onafhankelijke onderzoekscommissie van Bahrein van 2011 en de universele periodieke doorlichting van de VN van Bahrein, alsmede de aanbevelingen van andere VN-mechanismen, en de recente vrijlating van een aantal gevangenen aan wie misdaden ten laste waren gelegd in verband met hun politieke vereniging en meningsuiting; dringt er bij de Bahreinse regering op aan snel alle aanbevelingen in het rapport van de onafhankelijke onderzoekscommissie van Bahrein en de universele periodieke doorlichting ten uitvoer te leggen, een einde te maken aan alle mensenrechtenschendingen en de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te eerbiedigen, overeenkomstig de internationale mensenrechtenverplichtingen van Bahrein;

3.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het misbruik van de antiterrorismewetten in Bahrein voor het schenden van de mensenrechten, onder andere door het afnemen van het staatsburgerschap;

4.  veroordeelt het voortdurende gebruik van foltering en andere wrede of onterende behandeling of bestraffing van gevangenen, vreedzame protestanten en oppositieleden door de Bahreinse autoriteiten en dringt er bij de regering van Bahrein op aan haar verplichtingen en toezeggingen op grond van het VN-Verdrag tegen foltering na te komen;

5.  dringt er bij de regering van Bahrein op aan met de speciale VN-rapporteurs (met name voor foltering, vrijheid van vergadering, onafhankelijke rechters en advocaten en mensenrechtenverdedigers) samen te werken en een permanente uitnodiging aan hen te richten;

6.  merkt op dat de Bahreinse regering voortdurend inspanningen levert om het strafwetboek en de wettelijke procedures te hervormen en moedigt haar ertoe aan dit proces voort te zetten; dringt er bij de regering van Bahrein op aan alle nodige stappen te ondernemen om een onpartijdig en eerlijk rechtsstelsel te garanderen, met de garantie van een behoorlijk proces, en de onpartijdigheid te garanderen van zijn Ombudsman, de speciale onderzoekseenheid en het nationale instituut voor de mensenrechten;

7.  vraagt de onmiddellijke ratificatie van het Facultatieve Protocol bij het Verdrag tegen foltering, het Tweede Facultatieve Protocol bij het IVBPR inzake de afschaffing van de doodstraf, het Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijningen en het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden;

8.  verzoekt de Bahreinse autoriteiten de dialoog inzake een nationale consensus voort te zetten, met het oog op de totstandbrenging van een duurzame en inclusieve nationale verzoening en van duurzame politieke oplossingen voor de crisis; merkt op dat in een duurzaam politiek proces, legitieme en vreedzame kritiek vrij moet worden uitgesproken; herinnert de Bahreinse autoriteiten er in verband hiermee aan dat het betrekken bij de zaak van de sjiitische meerderheid en haar vreedzame politieke vertegenwoordigers, op basis van menselijke waardigheid, respect en billijkheid, een onontbeerlijk element moet zijn van elke geloofwaardige strategie van nationale verzoening en duurzame hervorming;

9.  is tevreden met de snelle vrijlating uit de gevangenis van oppositieleider Ibrahim Sharif in juni 2015, nadat hem koninklijke gratie was verleend; beschouwt dit besluit als een welkome, belangrijke stap in het proces ter bevordering van het vertrouwen in Bahrein;

10.  dringt er bij de VV/HV op aan er in al haar contacten met de regering van Bahrein op te blijven wijzen dat hervormingen en verzoening belangrijk zijn; moedigt krachtig de oprichting aan van een werkgroep van de EU en Bahrein voor de mensenrechten, maar merkt op dat een dialoog tussen de EU en Bahrein over de mensenrechten niet de plaats kan innemen van een algemene dialoog tussen de regering en de oppositie in Bahrein zelf;

11.  neemt kennis van de aanbevelingen van de Ombudsman, de Commissie voor de rechten van gevangenen en gedetineerden en het nationale instituut voor de mensenrechten, met name wat de rechten van gedetineerden en hun verblijfsomstandigheden in de gevangenis betreft, inclusief met betrekking tot de mishandeling en foltering waarvan sprake zou zijn; moedigt deze organen aan hun werk voort te zetten op onafhankelijke, onpartijdige en transparante wijze en verzoekt de Bahreinse autoriteiten deze aanbevelingen volledig uit te voeren;

12.  vraagt een snelle collectieve inspanning van de EU om een algemene strategie te ontwikkelen met een manier voor de EU en de Commissie om actief aan te dringen op de vrijlating van de opgesloten activisten en politieke gevangenen; verzoekt de EDEO en de lidstaten te zorgen voor een behoorlijke tenuitvoerlegging door de EU-delegatie in Riyad en de ambassades van de lidstaten in Bahrein van de EU-mensenrechtenrichtsnoeren, met name met betrekking tot mensenrechtenverdedigers en foltering, en verslag uit te brengen over de tenuitvoerlegging hiervan;

13.  vraagt een EU-verbod op de export van traangas en materiaal voor het in bedwang houden van mensenmassa's tot onderzoek is verricht naar het oneigenlijke gebruik ervan en degenen die zich aan dit oneigenlijke gebruik schuldig hebben gemaakt, ter verantwoording zijn geroepen;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van het Koninkrijk Bahrein en de leden van de GCC.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0109.


De situatie van twee christelijke priesters in Sudan
PDF 168kWORD 68k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 over de situatie van twee christelijke voorgangers in Sudan (2015/2766(RSP))
P8_TA(2015)0280RC-B8-0707/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Sudan,

–  gezien het verslag van de mensenrechtenexperts van 19 mei 2014 uitgebracht in het kader van de Speciale Procedures van de VN-mensenrechtenraad,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948 en de VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie of overtuiging,

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou van 2000,

–  gezien de EU-richtsnoeren betreffende de vrijheid van godsdienst en overtuiging van 2013,

–  gezien het in 2013 vastgestelde nationale mensenrechtenplan van Sudan, gebaseerd op de beginselen van universaliteit en gelijkheid van iedereen,

–  gezien de resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, met name de resoluties 62/149 van 18 december 2007, 63/168 van 18 december 2008, 65/206 van 21 december 2010, 67/176 van 20 december 2012 en 3/69 van 18 december 2014 betreffende een moratorium op de toepassing van de doodstraf, waarin de landen waar de doodstraf nog bestaat, wordt gevraagd een moratorium op executies in te stellen met het oog op de afschaffing van de doodstraf,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat voorganger Michael Yat van de Zuid-Sudanese Evangelisch-Presbyteriaanse Kerk op 21 december 2014, tijdens een bezoek aan Sudan, door de Soedanese geheime dienst (NISS) werd ingerekend na het houden van een preek in de Kerk van Noord-Khartoum, een afsplitsing van de Sudanese Evangelisch-Presbyteriaanse Kerk; overwegende dat hij werd gearresteerd meteen na een preek waarin hij zijn afkeuring zou hebben uitgesproken van de omstreden verkoop van kerkelijke landerijen en bezittingen en de behandeling van christenen in Sudan;

B.  overwegende dat voorganger Peter Yen Reith op 11 januari 2015 werd gearresteerd nadat hij het Sudanese Bureau voor religieuze zaken had geschreven om navraag te doen naar voorganger Michael en nadere bijzonderheden omtrent diens arrestatie te vernemen;

C.  overwegende dat beiden tot 1 maart 2015 incommunicado werden vastgehouden, maar op 4 mei 2015 werden aangeklaagd wegens meerdere delicten als omschreven in het Sudanese wetboek van strafrecht van 1991, zoals: samenspanning (artikel 21), ondermijning van het constitutionele systeem (artikel 51), oorlogvoering tegen de staat (artikel 50), spionage (artikel 53), onwettig bezit en openbaarmaken van officiële documenten (artikel 55), haatzaaien (artikel 64), ordeverstoring (artikel 69) en blasfemie (artikel 125);

D.  overwegende dat bij schuldigverklaring aan de ten laste gelegde delicten bedoeld in de artikelen 50 en 53 veroordeling tot de doodstraf mogelijk is;

E.  overwegende dat de Sudanese autoriteiten op 1 juli 2015 begonnen met de sloop van een deel van het kerkgebouw van de Evangelische Kerk van Bahri; overwegende dat de advocaat van de kerk, Mohamed Mustafa, die ook de raadsman is van de twee voorgangers, en voorganger Hafez van de Evangelische Kerk van Bahri hebben geklaagd dat de regeringsambtenaar het verkeerde deel van het gebouw aan het slopen was; overwegende dat zij daarop allebei werden gearresteerd wegens verzet tegen een ambtenaar in functie; overwegende dat de ambtenaar doorging met de sloop van het verkeerde deel van het kerkcomplex;

F.  overwegende dat bedreigingen tegen kerkleiders, intimidatie van christelijke gemeenschappen, en vernieling van kerkelijke bezittingen in Sudan in versneld tempo zijn doorgegaan na de afscheiding van Zuid-Sudan in 2011;

G.  overwegende dat twaalf jonge christelijke meisjes uit de Nubabergen op 25 juni 2015 bij het verlaten van de Baptistenkerk werden opgepakt en ervan werden beschuldigd rond te lopen in onfatsoenlijke kleding; overwegende dat twee van hen de volgende dag zonder aanklacht werden vrijgelaten en de andere 10 op borgtocht vrijkwamen;

H.  overwegende dat de christelijke meisjes voor de rechter zullen moeten verschijnen op beschuldiging van het delict bedoeld in artikel 152 van het Sudanese strafwetboek, en als volgt omschreven: "Hij die zich in het openbaar onfatsoenlijk of in strijd met de openbare zeden gedraagt of obsceen of in strijd met de openbare zeden gekleed gaat, of aanstoot geeft aan het publiek, wordt gestraft met geseling met ten hoogste veertig zweepslagen of met een boete dan wel beide straffen";

I.  overwegende dat het door de Republiek Sudan geratificeerde Afrikaanse handvest inzake de mensenrechten en de rechten van volkeren bepalingen bevat ter bescherming van het recht op leven en bepalingen die marteling en wrede, onmenselijke of vernederende bestraffing en behandeling verbieden, maar dat doodstraf, amputatie, geseling, en andere vormen van lijfstraffen in het land nog steeds voor een aantal strafbare feiten worden toegepast;

J.  overwegende dat invoering van een universeel moratorium voor totale afschaffing van de doodstraf een van de belangrijkste doelstellingen van de internationale gemeenschap moet blijven, zoals de Algemene VN-vergadering op 18 december 2014 nogmaals heeft uitgesproken;

1.  dringt bij de Sudanese autoriteiten aan op intrekking van alle aanklachten tegen voorganger Michael Yat en voorganger Peter Yen Reith en op hun onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating; roept de Sudanese regering op er intussen op toe te zien dat de twee voorgangers in afwachting van hun vrijlating geen foltering of andere mishandeling ondergaan en dat hun fysieke en mentale integriteit wordt gerespecteerd;

2.  vraagt de delegatie van de Europese Unie in Sudan de proceszittingen te blijven volgen en de voorgangers bij te staan; vraagt de EU een leidende rol op zich te nemen bij het aan de kaak stellen en veroordelen van de ernstige en wijdverbreide schendingen van de mensenrechten en het internationale humanitaire recht in het land;

3.  herinnert de Sudanese autoriteiten aan hun nationale en internationale verplichtingen uit hoofde waarvan zij gehouden zijn de vrijheid van godsdienst en geloofsovertuiging te beschermen; onderstreept dat de vrijheid van godsdienst en overtuiging een universeel mensenrecht is dat overal en voor iedereen moet worden beschermd; veroordeelt ten zeerste alle vormen geweld en intimidatie die het recht om een religie te hebben of te kiezen belemmeren, inclusief het gebruik van dreigementen, fysiek geweld of strafrechtelijke sancties om gelovigen of ongelovigen te dwingen hun geloof af te zweren of zich te bekeren;

4.  veroordeelt de aanhouding van de twaalf christelijke meisjes; roept de regering van Sudan op de vervolging te staken van de tien meisjes die ook nog van elke verdenking moeten worden gezuiverd;

5.  roept de regering van Sudan op tot intrekking van alle wetgeving die onderscheid maakt naar religie, en de identiteit van minderheden, van welke geloofsovertuiging ook, te beschermen;

6.  veroordeelt het opjagen van christenen en de inmenging in kerkelijke aangelegenheden; vraagt de regering van Sudan dringend zulk gedrag te stoppen; vraagt de regering van Sudan de apostasiewetten af te schaffen en de sluiting van kerken en andere religieuze plaatsen te staken;

7.  dringt bij de Sudanese regering aan op zodanige hervorming van het rechtsstelsel van het land dat het beantwoordt aan internationale mensenrechtennormen, om elementaire mensenrechten en vrijheden te beschermen, te zorgen voor de bescherming van de mensenrechten van ieder individu, met name waar het gaat om discriminatie van vrouwen, minderheden en achtergestelde groeperingen;

8.  spreekt nogmaals zijn veroordeling uit over de doodstraf , in welke omstandigheden dan ook, en dringt aan op een mondiaal moratorium ter afschaffing ervan; vraagt de Sudanese regering daarom de doodstraf af te schaffen en tevens ook de geseling die nog steeds praktijk is, en uitgesproken doodstraffen om te zetten;

9.  maakt zich ernstig zorgen over de toegenomen repressie ten aanzien van de leden van de oppositie, veroordeelt ten stelligste het besluit van het Tribunaal van Oumdourman van 6 juli 2015 om Mastour Ahmed Mohamed, vice-voorzitter van de Congrespartij en twee andere van zijn leiders, Assem Omar et Ibrahim Mohamed, met onmiddellijke toepassing te veroordelen tot 20 zweepslagen; betuigt zijn steun aan de inspanningen van onder meer de VN, de EU, de AU en de trojka (Noorwegen, het VK en de VS) om via onderhandelingen tot een oplossing voor de situatie in Sudan te komen en om de maatschappelijke organisaties en oppositiepartijen die zich voor een inclusief vredesproces beijveren, ondersteuning te bieden;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering van de Republiek Sudan, de Afrikaanse Unie, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en het Pan-Afrikaanse Parlement.

Juridische mededeling