Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 8 september 2015 - StraatsburgDefinitieve uitgave
IAO-verdrag betreffende gedwongen arbeid: sociaal beleid ***
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Janusz Korwin-Mikke
 Juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften ***II
 Handel in zeehondenproducten ***I
 Klonen van dieren die voor landbouwdoeleinden worden gehouden en gereproduceerd ***I
 De situatie van de grondrechten in de EU (2013-2014)
 Hoorzittingen met de commissarissen: conclusies over de procedure van 2014
 Mensenrechten en technologie in derde landen
 Bescherming van de financiële belangen van de EU: naar prestatiegebaseerde controles van het GLB
 Familiebedrijven in Europa
 Onderzoek en innovatie in de blauwe economie voor het scheppen van banen en groei
 Jong ondernemerschap bevorderen door middel van onderwijs en opleiding
 Naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa
 Follow-up van het Europees burgerinitiatief "Right2Water"

IAO-verdrag betreffende gedwongen arbeid: sociaal beleid ***
PDF 242kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 8 september 2015 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad houdende machtiging van de lidstaten om in het belang van de Europese Unie het protocol van 2014 bij het Verdrag betreffende de gedwongen arbeid, 1930, van de Internationale Arbeidsorganisatie te bekrachtigen ten aanzien van kwesties van sociaal beleid (06732/2015 – C8-0079/2015 – 2014/0259(NLE))
P8_TA(2015)0281A8-0243/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (06732/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 153, lid 2, in samenhang met artikel 153, lid 1, onder a) en b), artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), en artikel 218, lid 8, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0079/2015),

–  gezien het protocol van 2014 bij het verdrag betreffende de gedwongen arbeid, 1930, van de Internationale Arbeidsorganisatie;

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0243/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van besluit van de Raad;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsook aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Janusz Korwin-Mikke
PDF 162kWORD 64k
Besluit van het Europees Parlement van 8 september 2015 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Janusz Korwin-Mikke (2015/2102(IMM))
P8_TA(2015)0282A8-0229/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Janusz Korwin-Mikke, dat de Procureur-Generaal van de Republiek Polen op 13 maart 2015 heeft ingediend in verband met een op 9 maart 2015 door de chef van de gemeentepolitie van Piotrków Trybunalski ingestelde gerechtelijke procedure (zaak SM.O.4151-F.2454/16769/2014), welk verzoek op 15 april 2015 ter plenaire vergadering werd aangekondigd,

–  na Korwin-Mikke te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 5 van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 105, lid 2, van de Grondwet van de Republiek Polen en de artikelen 7b, lid 1, en 7c, lid 1, van de Poolse wet van 9 mei 1996 betreffende de uitvoering van het mandaat van parlementslid en senator,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0229/2015),

A.  overwegende dat de procureur-generaal van de Republiek Polen een verzoek heeft doorgezonden van de chef van de gemeentepolitie van Piotrków Trybunalski om toestemming voor strafvervolging tegen Janusz Korwin-Mikke, lid van het Europees Parlement, wegens het strafbare feit bedoeld in artikel 92a van de wet van 20 mei 1971 houdende vaststelling van het Wetboek kleine overtredingen juncto artikel 20 van de wegverkeerswet van 20 juni 1997; overwegende dat het concreet gaat om een snelheidsovertreding binnen de bebouwde kom;

B.  overwegende dat ingevolge artikel 8 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie tegen de leden van het Europees Parlement geen opsporing kan plaatsvinden, en zij evenmin kunnen worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht;

C.  overwegende dat de leden van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

D.  overwegende dat ingevolge artikel 105, lid 2, van de Grondwet van de Republiek Polen leden van het parlement tijdens de parlementaire zittingsperiode strafrechtelijk niet aansprakelijk kunnen gesteld worden zonder voorafgaande toestemming van het parlement (Sejm);

E.  overwegende dat het uitsluitend aan het Parlement is te beslissen of de immuniteit in een bepaald geval al dan niet wordt opgeheven; overwegende dat het Parlement in redelijkheid rekening kan houden met het standpunt van het lid wanneer het zijn besluit neemt diens immuniteit al dan niet op te heffen(2);

F.  overwegende dat het ten laste gelegde feit noch rechtstreeks noch duidelijk verband houdt met het functioneren van Korwin-Mikke als lid van het Europees Parlement, en dat het niet gaat om een mening of stem die hij in het kader van de uitoefening van zijn taken als lid van het Europees Parlement heeft uitgebracht, als bedoeld in artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;

G.  in het onderhavige geval is het Parlement niet gebleken van fumus persecutionis, dat wil zeggen een voldoende ernstig en nauwkeurig vermoeden dat de procedure is ingeleid om het lid van het Parlement vanuit politiek oogpunt schade te berokkenen;

1.  besluit de immuniteit van Janusz Korwin-Mikke op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de Republiek Polen en aan Janusz Korwin-Mikke.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.
(2) Zaak T-345/05 Mote/Parlement (reeds aangehaald) par. 28.


Juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften ***II
PDF 245kWORD 61k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 8 september 2015 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (08257/3/2015 – C8-0159/2015 – 2013/0410(COD))
P8_TA(2015)0283A8-0234/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (08257/3/2015 – C8-0159/2015),

–  gezien het advies van de Rekenkamer van 25 februari 2014(1),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0796),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 76 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0234/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 94 van 31.3.2014, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten van 15.4.2014, P7_TA(2014)0344.


Handel in zeehondenproducten ***I
PDF 248kWORD 63k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 8 september 2015 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1007/2009 betreffende de handel in zeehondenproducten (COM(2015)0045 – C8-0037/2015 – 2015/0028(COD))
P8_TA(2015)0284A8-0186/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0045),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0037/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 mei 2015(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 30 juni 2015 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de adviezen van de Commissie internationale handel en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0186/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 8 september 2015 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2015/… van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1007/2009 betreffende de handel in zeehondenproducten en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 737/2010 van de Commissie

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2015/1775.)

(1) Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.


Klonen van dieren die voor landbouwdoeleinden worden gehouden en gereproduceerd ***I
PDF 488kWORD 107k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 8 september 2015 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het klonen van runderen, varkens, schapen, geiten en paardachtigen die voor landbouwdoeleinden worden gehouden en gereproduceerd (COM(2013)0892 – C7-0002/2014 – 2013/0433(COD))
P8_TA(2015)0285A8-0216/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0892),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0002/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 7 juli 2010 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende nieuwe voedingsmiddelen, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1331/2008 en houdende intrekking van Verordening (EG) nr. 258/97 en Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 30 april 2014(2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het gezamenlijk overleg van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en het advies van de Commissie internationale handel (A8-0216/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 8 september 2015 met het oog op de vaststelling van Richtlijn Verordening (EU) 2015/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende het klonen van runderen, varkens, schapen, geiten en paardachtigen dieren die voor landbouwdoeleinden worden gehouden en gereproduceerd [Am. 1. Het eerst deel van dit amendement, de wijziging van richtlijn in verordening, geldt voor de gehele tekst]

P8_TC1-COD(2013)0433


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het voorstel aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(-1) Bij de uitvoering van het beleid van de Unie, en gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dient een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en van consumentenbescherming, evenals een hoog niveau van dierenwelzijn en milieubescherming te worden gewaarborgd. Het in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad(5) vastgestelde voorzorgsbeginsel moet te allen tijde in acht worden genomen. [Am. 2]

(1)  Bij Het klonen van dieren strookt niet met Richtlijn 98/58/EG van de Raad(6) zijn , waarin algemene minimumnormen vastgesteld zijn voor het welzijn van dieren die voor landbouwdoeleinden worden gefokt of gehouden. Daarin In Richtlijn 98/58/EG worden de lidstaten ertoe opgeroepen te voorkomen dat landbouwhuisdieren onnodig aan pijn of leed worden blootgesteld of dat hen onnodig letsel wordt toegebracht. Als klonen onnodig tot en meer specifiek wordt in punt 20 van de bijlage bij die richtlijn bepaald: "Er mogen geen natuurlijke of kunstmatige fokmethoden worden toegepast die de betrokken dieren pijn, leed of letsel leidt, moeten de lidstaten op nationaal niveau optreden om dat te voorkomen toebrengen of kunnen toebrengen". Verschillende nationale benaderingen voor het klonen van dieren of voor het gebruik van producten die van het klonen van dieren afkomstig zijn, kunnen leiden tot marktverstoringen. Daarom moet worden gewaarborgd dat voor alle partijen die in de Unie betrokken zijn bij de productie en distributie van levende dieren in de Unie betrokken en van producten die van dieren afkomstig zijn, dezelfde voorwaarden gelden. [Am. 3]

(2)  De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies inzake het klonen van dieren van 2008(7) geconcludeerd dat gebleken is dat de gezondheid en het welzijn van een beduidend aantal klonen in ongunstige zin, en vaak ernstig en met dodelijke afloop, worden beïnvloed. Meer specifiek heeft de EFSA bevestigd dat draagmoederdieren die voor het klonen worden gebruikt, in het bijzonder lijden aan placentadisfuncties, die een verhoogd aantal miskramen(8) veroorzaken, met mogelijke negatieve effecten op hun gezondheid. Dit draagt, onder meer, bij tot de geringe efficiëntie van deze techniek (6 tot 15 % bij runderen en 6 % bij varkens) en tot de noodzaak om kloonembryo's in verscheidene draagmoederdieren te implanteren om één kloon te verkrijgen. Bovendien leiden anomalieën van de klonen en buitensporig grote jongen tot moeilijke bevallingen en neonatale sterfte. Hoge sterftecijfers in alle ontwikkelingsfasen zijn kenmerkend voor de kloontechniek(9). [Am. 4]

(2 bis)  Wat de voedselveiligheid betreft, heeft de EFSA benadrukt dat het belangrijk is te erkennen dat het gegevensbestand beperkt is en heeft zij in haar advies inzake het klonen van dieren van 2008 geconcludeerd dat er in de risicobeoordeling onzekerheden opduiken als gevolg van het beperkte aantal studies dat beschikbaar is, de kleine omvang van de onderzochte monsters en, in het algemeen, het ontbreken van een uniforme aanpak die ervoor zou zorgen dat alle kwesties die voor dit advies relevant zijn, op bevredigender wijze kunnen worden aangepakt. EFSA heeft bijvoorbeeld verklaard dat er beperkte informatie is over de immunocompetentie van klonen en zij heeft in dat advies aanbevolen, als er bewijs van verminderde immunocompetentie van klonen beschikbaar wordt, de vraag te onderzoeken of en zo ja in welke mate de consumptie van vlees en melk van gekloonde dieren of hun nakomelingen kan leiden tot een verhoogde blootstelling van mensen aan overdraagbare agentia. [Am. 5]

(2 ter)  Wat mogelijke effecten op het milieu betreft, heeft de EFSA verklaard dat er beperkte gegevens beschikbaar zijn en, wat mogelijke effecten op de genetische diversiteit betreft, heeft de EFSA de aandacht gevestigd op het feit dat er een onrechtstreeks effect kan zijn door het overdadig gebruik van een beperkt aantal dieren in kweekprogramma's en dat een toegenomen homogeniteit van een genotype binnen een dierenpopulatie de kwetsbaarheid van deze populatie voor infectie en andere risico's kan verhogen. [Am. 6]]

(2 quater)  De Europese groep Ethiek in Wetenschap en Nieuwe Technologieën (European Group on Ethics in Science and New Technologies) sprak er in zijn specifieke rapport over klonen van 2008(10) zijn twijfel over uit dat klonen van dieren voor de voedselvoorziening kan worden verantwoord, gezien de huidige hoeveelheid pijn en gezondheidsproblemen van draagmoederdieren en kloondieren ("considering the current level of suffering and health problems of surrogate dams and animal clones"). [Am. 7]

(2 quinquies)  Een van de in artikel 39 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) vastgestelde doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de Unie is "de productiviteit van de landbouw te doen toenemen door de technische vooruitgang te bevorderen en door (…) de rationele ontwikkeling van de landbouwproductie (…) te verzekeren". Deze doelstelling heeft onder andere betrekking op een verbetering van de productie en, wat de rationele ontwikkeling van de landbouwproductie betreft, omvat zij een optimaal gebruik van de productiefactoren, met name een adequate productie voor afzetdoeleinden, waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van de consumenten. [Am. 8]

(2 sexies)  Volgens de rechtspraak(11) van het Hof van Justitie van de Europese Unie is artikel 43 van het VWEU de passende rechtsgrond voor alle wetgeving op het gebied van productie en afzet van de landbouwproducten in bijlage I bij het VWEU waarmee wordt bijgedragen tot het halen van een of meer van de in artikel 39 van het VWEU vastgestelde doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Zelfs als deze wetgeving gericht kan zijn op andere doelstellingen dan die van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, die, bij gebrek aan specifieke bepalingen, worden nagestreefd op basis van artikel 114 van het VWEU, kan zij de harmonisatie omvatten van bepalingen in de nationale wet die betrekking hebben op dit gebied, zonder dat een beroep hoeft te worden gedaan op artikel 114. Voorts kunnen maatregelen die worden genomen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, ook gevolgen hebben voor de invoer van de producten in kwestie. [Am. 9]

(2 septies)  Uit consumentenonderzoek blijkt duidelijk en op consistente wijze dat een meerderheid van de burgers van de Unie klonen voor landbouwdoeleinden afkeurt, onder andere wegens het dierenwelzijn en uit algemene ethische overwegingen(12). Klonen voor landbouwdoeleinden kan ertoe leiden dat kloondieren of nakomelingen van kloondieren in de voedselketen terecht komen. De consumenten zijn sterk gekant tegen de consumptie van voedsel dat afkomstig is van kloondieren of van hun nakomelingen. [Am. 10]

(2 octies)  Het klonen van dieren voor de voedselproductie brengt de essentiële kenmerken in gevaar van het Europese landbouwmodel, dat is gebaseerd op de kwaliteit van de producten, voedselveiligheid, de gezondheid van de consument, strikte regels op het gebied van dierenwelzijn en het gebruik van milieuvriendelijke methoden. [Am. 11]

(3)  Met het oog op de doelstellingen van het landbouwbeleid van de Unie, de resultaten van de recente wetenschappelijke beoordelingen van de EFSA en die gebaseerd zijn op alle beschikbare studies, het dierenwelzijnsvereiste in artikel 13 van het Verdrag VWEU en de bezorgdheid van de burgers is het raadzaam passend om de toepassing van kloontechnieken bij de productie van dieren van bepaalde soorten voor landbouwdoeleinden en het in de handel brengen van dieren en producten die het resultaat zijn van het gebruik van de kloontechniek, voorlopig te verbieden. [Am. 12]

(3 bis)  Kloondieren worden niet geproduceerd om te dienen voor de productie van vlees of melk, maar om hun levende producten te gebruiken voor fokdoeleinden. Het zijn de door seksuele reproductie voortgebrachte nakomelingen van kloondieren die de voedselproducerende dieren worden. Hoewel overwegingen op het gebied van dierenwelzijn niet altijd duidelijk zijn in het geval van nakomelingen van gekloonde dieren, aangezien zij worden geboren als gevolg van conventionele geslachtelijke voortplanting, is er voor het loutere bestaan van een nakomeling een gekloond dier als voorzaat vereist, hetgeen aanzienlijke dierenwelzijns- en ethische aspecten met zich meebrengt. Het toepassingsgebied van de maatregelen die dienen om de bezorgdheid aan te pakken over het dierenwelzijn en de opvattingen van de consument met betrekking tot de kloontechniek, moeten daarom levende producten van kloondieren, nakomelingen van kloondieren en producten die afkomstig zijn van nakomelingen van kloondieren omvatten. [Am. 13]

(4)  Momenteel is het vooral waarschijnlijk dat runderen, varkens, schapen, geiten en paardachtigen voor landbouwdoeleinden worden gekloond. Daarom moet het toepassingsgebied van deze richtlijn worden beperkt tot het klonen van deze vijf soorten voor landbouwdoeleinden. [Am. 14]

(4 bis)  Wat het in de handel brengen van landbouwproducten betreft, moet er in verband met het verbod op het gebruik van klonen en voor een aanpak van de perceptie van klonen door de consumenten, onder andere in verband met dierenwelzijn, het ontbreken van passend onderzoek en algemene ethische overwegingen, voor worden gezorgd dat voedsel dat afkomstig is van kloondieren en hun nakomelingen, niet terechtkomt in de voedselketen. Minder restrictieve maatregelen, zoals etikettering van levensmiddelen, zouden ontoereikend zijn om de bezorgdheid van burgers geheel weg te nemen, aangezien dan nog altijd levensmiddelen in de handel mogen worden gebracht die geproduceerd zijn met een techniek die dierenleed veroorzaakt. [Am. 15]

(4 ter)  Het gebruik van klonen bij de productie van dieren voor landbouwdoeleinden heeft in bepaalde derde landen al plaats. Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 178/2002 moeten levensmiddelen die uit derde landen worden ingevoerd in de Unie om daar in de handel te worden gebracht, voldoen aan de toepasselijke voorschriften van de levensmiddelenwetgeving van de Unie dan wel aan de voorschriften die door de Unie als ten minste gelijkwaardig daaraan zijn aangemerkt. Bijgevolg moeten maatregelen worden genomen om te voorkomen dat uit derde landen kloondieren en hun nakomelingen, alsmede levensmiddelen die afkomstig zijn van kloondieren en hun nakomelingen, worden geïmporteerd in de Unie. De Commissie moet de desbetreffende zoötechnische en diergezondheidswetgeving aanvullen of voorstellen deze te wijzigen, om ervoor te zorgen dat op de invoercertificaten waarvan dieren en levende producten, alsmede levensmiddelen en diervoeder van dierlijke oorsprong vergezeld gaan, wordt aangegeven of het gaat om kloondieren of hun nakomelingen of om dieren of producten die hiervan zijn afgeleid. [Am. 16]

(4 quater)  Kloondieren, kloonembryo's, nakomelingen van kloondieren, levende producten van kloondieren en van hun nakomelingen en levensmiddelen en voeder die van kloondieren en hun nakomelingen afkomstig zijn, kunnen niet worden beschouwd als dieren, embryo's, levende producten en levensmiddelen en voeder die niet het resultaat zijn van het gebruik van de kloontechniek in de zin van artikel III, lid 4, van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (General Agreement on Tariffs and Trade, GATT). Voorts is het verbod op het klonen van dieren en op het in de handel brengen en invoeren van kloondieren, kloonembryo's, nakomelingen van kloondieren, levende producten van kloondieren en van hun nakomelingen en levensmiddelen en voeder die van kloondieren en hun nakomelingen afkomstig zijn, een maatregel die noodzakelijk is ter bescherming van de openbare zeden en de diergezondheid, in de zin van artikel XX van de GATT. [Am. 17]

(4 quinquies)  Er moeten stappen worden ondernomen om ervoor te zorgen dat de handelsovereenkomsten waarover op dit moment wordt onderhandeld, de toelating van praktijken die nadelig kunnen zijn voor de gezondheid van de consumenten en de landbouwers, het milieu of het dierenwelzijn niet bevorderen. [Am. 18]

(4 sexies)  De toepassing van deze verordening kan in het gedrang komen, als het onmogelijk is levensmiddelen die afkomstig zijn van kloondieren en hun nakomelingen, te traceren. Daarom is het overeenkomstig het voorzorgsbeginsel en ter wille van de handhaving van de verbodsbepalingen in deze verordening, nodig om, in overleg met de belanghebbenden, op het niveau van de Unie traceerbaarheidssystemen in te stellen. Met deze systemen kunnen de bevoegde autoriteiten en economische spelers in staat worden gesteld gegevens over kloondieren, nakomelingen van kloondieren en levende producten van kloondieren en van hun nakomelingen, en over levensmiddelen van kloondieren en hun nakomelingen te verzamelen. De Commissie moet er daarom in het kader van de lopende en toekomstige handelsbesprekingen, op zowel bilateraal als multilateraal niveau, naar streven hieromtrent toezeggingen te verkrijgen van handelspartners van de Unie waar dieren voor landbouwdoeleinden worden gekloond. [Am. 19]

(4 septies)  In haar verslag van 2010 aan het Europees Parlement en de Raad stelde de Commissie dat het passend is om maatregelen in te stellen om ervoor te zorgen dat de invoer van zaad en embryo's traceerbaar is, zodat gegevensbanken van nakomelingen in de EU kunnen worden opgezet. De Commissie dient derhalve dienovereenkomstig te handelen. [Am. 20]

(4 octies)  In overeenstemming met de tenuitvoerlegging van het in deze verordening vastgestelde verbod op klonen, moeten ook gerichte afzetbevorderingsacties van de Commissie ter ondersteuning van een kwalitatief hoogwaardige vleesproductie en veehouderij in de Unie worden uitgevoerd. [Am. 21]

(5)  Verwacht wordt dat de kennis over het effect van de kloontechniek op het welzijn van de gebruikte dieren zal toenemen. De kloontechniek zal waarschijnlijk mettertijd verbeteren. Daarom moeten de verboden slechts tijdelijk gelden. Deze richtlijn verordening moet daarom binnen een redelijke termijn worden geëvalueerd, waarbij rekening wordt gehouden met de ervaring die de lidstaten met de toepassing ervan hebben opgedaan, met de wetenschappelijke en technische vooruitgang, met de evolutie van de perceptie van de consumenten en met internationale ontwikkelingen, met name in de handelsstromen en de handelsbetrekkingen van de Unie. [Am. 22]

(5 bis)  Uit de laatste Eurobarometer-enquête blijkt dat het merendeel van de Europeanen van mening is dat het klonen van dieren ten behoeve van voedselproductie niet veilig is voor hun gezondheid en die van hun gezin. Daarnaast geldt dat meer landen in Europa ten aanzien van het klonen van dieren een duidelijke voorkeur hebben om de besluitvorming primair te baseren op morele en ethische overwegingen, in plaats van op wetenschappelijk bewijs. Derhalve moet de Commissie, vóór deze wetgeving wordt geëvalueerd, een officiële EU-enquête uitvoeren om de opvattingen van de consument opnieuw te beoordelen. [Am. 23]

(5 ter)  Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de vaststelling van regels voor traceerbaarheidssystemen voor kloondieren, nakomelingen van kloondieren en levende producten van kloondieren en van hun nakomelingen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad. [Am. 24]

(6)  Deze richtlijn verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de vrijheid van ondernemerschap en de vrijheid van wetenschappen. Deze richtlijn verordening moet overeenkomstig die rechten en beginselen worden toegepast. [Am. 25]

(6 bis)  Daar de doelstelling van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan, beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel 5 neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan voor de verwezenlijking van deze doelstelling nodig is. [Am. 26]

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voorwerp en toepassingsgebied

Bij deze richtlijn verordening worden voorschriften vastgesteld voor:

a)  het klonen van dieren in de Unie;

b)  het in de handel brengen brengen en het invoeren van kloondieren, kloonembryo's, nakomelingen van kloondieren, levende producten van kloondieren en van hun nakomelingen, en levensmiddelen en diervoeder van kloondieren en hun nakomelingen. [Am. 27]

Deze richtlijn verordening is van toepassing op runderen, varkens, schapen, geiten en paardachtigen ("de dieren") alle diersoorten die voor landbouwdoeleinden worden gehouden en gereproduceerd. [Am. 28]

Artikel 1 bis

Doel

Het doel van deze verordening is om kwesties aan te pakken in verband met diergezondheid en -welzijn, de opvattingen van de consument en ethische overwegingen met betrekking tot de kloontechniek. [Am. 29]

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn verordening wordt verstaan onder:

a)  "voor landbouwdoeleinden gehouden en gereproduceerde dieren" ("dieren"): dieren die voor de productie van levensmiddelen, voeder, wol, huid of pels, of voor andere landbouwdoeleinden, worden gehouden en gereproduceerd. Dieren die uitsluitend voor andere doeleinden, zoals onderzoek, de productie van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen, en de instandhouding van bedreigde soorten en van zeldzame rassen of bedreigde soorten, sport en culturele evenementen, die als dusdanig zijn geïdentificeerd door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, als geen alternatieve methoden beschikbaar zijn, worden gehouden en gereproduceerd, zijn hiervan uitgesloten; [Am. 30]

b)  "klonen": ongeslachtelijke reproductie van dieren teneinde, onder andere met een techniek waarbij de kern van een cel van een individueel dier wordt overgebracht in een eicel waaruit de kern is verwijderd, teneinde genetisch identieke individuele embryo's ("kloonembryo's") te creëren, die vervolgens in draagmoederdieren kunnen worden geïmplanteerd om populaties genetisch identieke dieren ("kloondieren") te produceren; [Am. 31]

(b bis)  "nakomelingen van kloondieren": dieren die geen kloondier zijn en waarvan minstens één van de voorzaten een kloondier is; [Am. 32]

(b ter)  "levende producten van kloondieren": sperma, eicellen en embryo’s die gewonnen zijn van dieren of die geproduceerd zijn van dieren met het oog op reproductie; [Am. 33]

(b quater)  "traceerbaarheid": mogelijkheid om een levensmiddel, diervoeder, voedselproducerend dier of stof die bestemd is om in een levensmiddel of diervoeder te worden verwerkt of waarvan kan worden verwacht dat zij daarin wordt verwerkt, door alle stadia van de productie, verwerking en distributie te traceren en te volgen; [Am. 34]

c)  "in de handel brengen": het voor het eerst op de interne markt aanbieden van een dier of product.

(c bis)  "levensmiddel": levensmiddel als gedefinieerd in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 178/2002. [Am. 35]

Artikel 3

Voorlopig Verbod [Am. 36]

De lidstaten verbieden voorlopig Er geldt een verbod op: [Am. 37]

a)  het klonen van dieren;

b)  het in de handel brengen en het invoeren van kloondieren, en kloonembryo's, nakomelingen van kloondieren, levende producten van kloondieren en van hun nakomelingen, en levensmiddelen en diervoeder van kloondieren en hun nakomelingen. [Am. 38]

Artikel 3 bis

Invoervoorschriften

Er worden geen dieren ingevoerd uit derde landen, tenzij de begeleidende invoercertificaten tonen dat het niet gaat om kloondieren of nakomelingen van kloondieren.

Er worden geen levende producten en levensmiddelen en voeder van dierlijke oorsprong ingevoerd uit derde landen, tenzij de begeleidende invoercertificaten tonen dat zij niet zijn afgeleid van kloondieren of nakomelingen van kloondieren.

Om te garanderen dat de invoercertificaten van dieren en levende producten en van levensmiddelen en voeder van dierlijke oorsprong aangeven of deze kloondieren of nakomelingen van kloondieren zijn of hiervan zijn afgeleid, stelt de Commissie uiterlijk op ...(13) specifieke invoervoorwaarden vast overeenkomstig artikel 48 of 49 van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad(14) en dient zij indien nodig een voorstel in voor de wijziging van andere wetgeving op het gebied van diergezondheid of zoötechnische of genealogische voorwaarden voor invoer. [Am. 39]

Artikel 3 ter

Traceerbaarheid

Om de bevoegde autoriteiten en de economische spelers de informatie te verschaffen die zij voor de toepassing van artikel 3, onder b), nodig hebben, worden traceerbaarheidssystemen ingesteld voor:

a)  kloondieren;

b)  nakomelingen van kloondieren;

c)  levende producten van kloondieren en van hun nakomelingen.

De Commissie wordt de bevoegdheid verleend om overeenkomstig artikel 4 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om gedetailleerde regels te bepalen voor de opname van de in de alinea 1, punten a) t/m c), genoemde informatie in de certificaten waarin is voorzien in de dierenwelzijns- en de zoötechnische wetgeving of in de certificaten die hiertoe door de Commissie worden opgesteld. Die gedelegeerde handelingen worden uiterlijk op ...(15) vastgesteld. [Am. 40]

Artikel 4

Sancties

De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen verordening en treffen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. De sancties moeten zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn en er wordt een gelijk speelveld mee gegarandeerd. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op [de omzettingsdatum (16) in kennis van deze richtlijn] van die bepalingen in kennis en delen haar eventuele onverwijld alle latere wijzigingen onverwijld mede van die bepalingen mee. [Am. 41]

Artikel 4 bis

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 3 bis bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van ….(17). De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met periodes van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden vóór het einde van elke periode tegen deze verlenging verzet.

3.  De in artikel 3 bis vermelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door de Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.  Een overeenkomstig artikel 3 bis vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking wanneer het Europees Parlement, noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar tegen de handeling heeft gemaakt of wanneer zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn aan de Commissie heeft meegedeeld geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd. [Am. 42]

Artikel 5

Rapportage en evaluatie

1.  De lidstaten brengen uiterlijk op [datum = 5 jaar na de omzettingsdatum van deze richtlijn] (18) verslag uit aan de Commissie over de ervaringen die zij met de toepassing van deze richtlijn verordening hebben opgedaan. [Am. 43]

2.  De Commissie brengt verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van deze richtlijn verordening, waarbij zij rekening houdt met:

a)  de overeenkomstig lid 1 door de lidstaten ingediende verslagen;

b)  de alle beschikbare wetenschappelijke en technische bewijzen van vooruitgang, in het bijzonder in verband met de dierenwelzijnsaspecten van klonen en de kwesties op het gebied van voedselveiligheid, en de geboekte vooruitgang bij de ontwikkeling van betrouwbare traceersystemen voor klonen en hun nakomelingen; [Am. 44]

b bis)  de evolutie van de perceptie van klonen door de consumenten; [Am. 45]

c)  internationale ontwikkelingen;

c bis)  de zorgen bij consumenten met betrekking tot volksgezondheid en dierenwelzijn; [Am. 46]

c ter)  ethische vraagstukken met betrekking tot het klonen van dieren. [Am. 47]

2 bis.  De Commissie maakt het in lid 2 genoemde verslag openbaar. [Am. 48]

2 ter.  De Commissie houdt door middel van een officiële EU-enquête een openbare raadpleging om eventuele nieuwe trends te beoordelen in de opvattingen van consumenten ten aanzien van levensmiddelen van kloondieren. [Am. 49]

Artikel 6

Omzetting

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op [datum = 12 maanden na de omzettingsdatum van deze richtlijn] aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. [Am. 50]

Artikel 7

Inwerkingtreding

Deze richtlijn verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van …(19) [Am. 52]

Artikel 8

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten. [Am. 53]

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. [Am. 54]

Gedaan te ,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) Aangenomen teksten van die datum, P7_TA(2010)0266.
(2) PB C 311 van 12.9.2014, blz. 73-81.
(3) PB C 311 van 12.9.2014, blz. 73
(4) Standpunt van het Europees Parlement van 8 september 2015.
(5) Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 031 van 1.2.2002, blz. 1).
(6)Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (PB L 221 van 8.8.1998, blz. 23).
(7) http://www.efsa.europa.eu/sites/default/files/scientific_output/files/main_documents/sc_op_ej767_animal_cloning_en.pdf
(8)Wetenschappelijk advies van het wetenschappelijk comité over Food Safety, Animal Health and Welfare and Environmental Impact of Animals derived from Cloning by Somatic Cell Nucleus Transfer (SCNT) and their Offspring and Products Obtained from those Animals,http://www.efsa.europa.eu/en/topics/topic/cloning.htm?wtrl=01
(9) http://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/doc/2794.pdf
(10) Ethical aspects of animal cloning for food supply, 16 januari 2008: http://ec.europa.eu/bepa/european-group-ethics/docs/publications/opinion23_en.pdf
(11) Arrest van het Hof van Justitie van 23 februari 1988, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tegen Raad van de Europese Gemeenschappen, C-68/86, EU:C:1988:85; Arrest van het Hof van Justitie van 16 november 1989, Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Raad van de Europese Gemeenschappen, C-131/87, EU:C:1989:581; Arrest van het Hof van Justitie van 16 november 1989, Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Raad van de Europese Gemeenschappen, C-11/88, EU:C:1989:583.
(12) Zie bijvoorbeeld de Eurobarometer-rapporten van 2008 en 2010: http://ec.europa.eu/public_opinion/flash/fl_238_en.pdf en http://ec.europa.eu/public_opinion/archives/ebs/ebs_341_en.pdf
(13) 6 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening.
(14) Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.
(15) 6 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening.
(16) 1 jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.
(17) Datum van inwerkingtreding van deze verordening.
(18) 6 jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.
(19) 1 jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.


De situatie van de grondrechten in de EU (2013-2014)
PDF 346kWORD 227k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 september 2015 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2013-2014) (2014/2254(INI))
P8_TA(2015)0286A8-0230/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de preambule van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name het tweede en het vierde tot en met zevende streepje ervan,

–  gezien onder meer artikel 2, artikel 3, lid 3, tweede alinea, en de artikelen 6, 7 en 9 VEU,

–  gezien artikel 168 VWEU, en in het bijzonder lid 7 daarvan,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000 (hierna "het Handvest"), dat op 12 december 2007 in Straatsburg is uitgevaardigd en met het Verdrag van Lissabon in december 2009 in werking is getreden,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens die in 1948 werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien de VN-verdragen tot bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de rechtspraak van de VN-verdragsorganen,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat is goedgekeurd in New York op 13 december 2006 en door de EU is geratificeerd op 23 december 2010,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, dat op 20 november 1989 te New-York werd aangenomen,

–  gezien de volgende algemene opmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van het kind: nr. 7 (2005) over de uitvoering van de rechten van jonge kinderen, nr. 9 (2006) over de rechten van kinderen met een handicap, nr. 10 (2007) over de rechten van kinderen in het jeugdstrafrecht, nr. 12 (2009) over het recht van kinderen om te worden gehoord, nr. 13 (2011) over het recht van kinderen om vrij van alle vormen van geweld te zijn, nr. 14 (2013) over het recht van kinderen om zijn of haar belangen als eerste overweging te laten nemen,

–  gezien het VN-Verdrag van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) en het actieprogramma van Peking, zijn resoluties van 25 februari 2014 met aanbevelingen aan de Commissie inzake het bestrijden van geweld tegen vrouwen(1) en van 6 februari 2014 over de mededeling van de Commissie "Naar het uitbannen van vrouwelijke genitale verminking"(2), en de conclusies van de Raad van 5 juni 2014 over de preventie en bestrijding van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes, met inbegrip van vrouwelijke genitale verminking,

–  gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, de verdragen, aanbevelingen, resoluties en verslagen van de Parlementaire Vergadering, het Comité van Ministers, de Commissaris voor de Rechten van de Mens en de Commissie van Venetië van de Raad van Europa,

–  gezien het verslag van Cephas Lumina, de onafhankelijke deskundige van de Raad voor de mensenrechten over de effecten van buitenlandse schuld en andere desbetreffende internationale financiële plichten van de staten op de volledige uitoefening van alle mensenrechten, met name economische, sociale en culturele rechten (Addendum, Mission to Greece, UN A/HRC/25/50/Add.1),

–  gezien het verslag van april 2013 van de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechten van migranten over het beheer van de buitengrenzen van de EU en de gevolgen daarvan voor de mensenrechten van migranten,

–  gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 26 juni 2014 waarin wordt opgeroepen tot de oprichting van een intergouvernementele werkgroep met een onbeperkte samenstelling met als mandaat "de ontwikkeling van een internationaal, juridisch bindend instrument voor de regulering, in het kader van het internationaal recht met betrekking tot de rechten van de mens, van de activiteiten van transnationale en andere ondernemingen",

–  gezien de strategische richtsnoeren voor de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht die de Europese Raad op 27 juni 2014 heeft vastgesteld,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Overeenkomst van Istanbul),

–  gezien het Europees Sociaal Handvest, zoals gewijzigd in 1996, en de jurisprudentie van het Europees Comité voor Sociale Rechten,

–  gezien het Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden en het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden,

–  gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(3),

–  gezien aanbeveling van de Raad van 9 december 2013 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten(4),

–  gezien het pakket richtlijnen over de procedurele verdedigingsrechten in de EU(5),

–  gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht(6),

–  gezien het strategisch kader voor mensenrechten en democratie en het bijbehorende actieplan, die door de Raad zijn aangenomen op 25 juni 2012,

–  gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(7),

–  gezien de conclusies van de Raad van de Europese Unie en de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 16 december 2014 over toezien op de eerbiediging van de rechtsstaat,

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(8),

–  gezien Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten(9),

–  gezien Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers hiervan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad(10),

–  gezien Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(11),

–  gezien Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad(12),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(13),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (COM(2008)0229),

–  gezien de uitspraken en arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de jurisprudentie van nationale constitutionele hoven, waarin het Handvest als één van de referenties voor de interpretatie van het nationaal recht wordt gebruikt,

–  gezien de politieke leidraad voor de nieuwe Europese Commissie die de voorzitter Juncker op 15 juli 2014 voor het Parlement heeft toegelicht,

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (algemene verordening gegevensbescherming) (COM(2012)0011),

–  gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (COM(2012)0010),

–  gezien de Europese strategie voor de uitroeiing van mensenhandel (2012-2016) (COM(2012)0286), in het bijzonder de bepalingen over de financiering van de uitwerking van richtsnoeren voor kinderbeschermingssystemen en over de uitwisseling van beste praktijken,

–  gezien Aanbeveling 2013/112/EU van de Commissie van 20 februari 2013 getiteld "Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken"(14),

–  gezien de richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de uitoefening van alle mensenrechten door lesbische, homoseksuele, biseksuele, transgender en interseksuele mensen (LGBTI), die de Raad Buitenlandse Zaken op 24 juni 2013 heeft aangenomen,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020" (COM(2011)0173) en de conclusies van de Europese Raad van 24 juni 2011,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Verdere stappen bij de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma" (COM(2013)0454),

–  gezien het door de Commissie opgestelde corruptiebestrijdingsverslag van de EU (COM(2014)0038),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (COM(2008)0426),

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 12 december 2013 over de geboekte vooruitgang bij de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma(15),

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 4 februari 2014 over de EU-routekaart tegen homofobie en discriminatie wegens seksuele gerichtheid of genderidentiteit(16),

–  gezien de resoluties van het Europees Parlement over gendergelijkheid,

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 14 september 2011 over een EU-strategie inzake dakloosheid(17),

–  gezien het verslag van de senaat van de Verenigde Staten over het CIA-programma voor detentie en ondervraging,

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2013 over de situatie van niet-begeleide minderjarigen in de EU(18),

–  gezien zijn resoluties over de grondrechten en de mensenrechten, met name die van 27 februari 2014 over de situatie van de grondrechten in de EU (2012)(19),

–  gezien zijn resoluties inzake migratie, met name de meest recente van 17 december 2014 over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie(20),

–  gezien zijn resolutie van 8 juni 2005 over de bescherming van minderheden en maatregelen ter bestrijding van discriminatie in een uitgebreid Europa(21),

–  gezien zijn resolutie van 27 november 2014 over het 25-jarig bestaan van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,(22)

–  gezien zijn resolutie van 4 juli 2013 over de toezichtprogramma's van de NSA in de VS, nationale intelligentiediensten en de gevolgen voor de privacy van EU-onderdanen(23), waarin het zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken opdraagt deze kwestie grondig te onderzoeken en zijn resolutie van 12 maart 2014 over het surveillanceprogramma van de NSA in de VS, toezichthoudende instanties in verschillende lidstaten en gevolgen voor de grondrechten van EU-burgers(24),

–  gezien zijn resolutie van 11 februari 2015 over het verslag van de senaat van de VS over het gebruik van foltering door de CIA(25),

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2013 over Europese talen die met uitsterven worden bedreigd en taalkundige verscheidenheid in de Europese Unie(26),

–  Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2014 over het inwinnen van het advies van het Hof van Justitie over de verenigbaarheid met de Verdragen van de Overeenkomst tussen Canada en de Europese Unie inzake de doorgifte en verwerking van gegevens uit het Passenger Name Record(27),

–  gezien zijn resoluties van 11 september 2012(28) en 10 oktober 2013(29) over het veronderstelde vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen in Europese landen door de CIA,

–  gezien zijn resoluties over het detentiecentrum van Guantanamo,

–  gezien zijn resolutie van 21 mei 2013 over het EU-Handvest: vaststelling van normen voor de vrijheid van de media in de gehele EU(30),

–  gezien het advies 2/2013 van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake de overeenkomst inzake toetreding van de EU tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden (EVRM),

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van 8 april 2014 in gevoegde zaken C-293/12 en C-594/12 Digital Rights Ireland en Seitlinger e.a., tot nietigverklaring van Richtlijn 2006/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van richtlijn 2002/58/EG,

–  gezien de hoorzittingen met Frans Timmermans voor het Parlement op 7 oktober 2014 en 11 februari 2015,

–  gezien de hoorzitting met Dimitris Avramopoulos voor het Parlement op 30 september 2014,

–  gezien de jaarlijkse conferentie van het Bureau voor de grondrechten van de Europese Unie (FRA) van 10 november 2014 met als thema "Grondrechten en immigratie in de EU", en met name het themaverslag van het FRA "Legal entry channels to the EU for persons in need of international protection: a toolbox",

–  gezien de activiteiten, de jaarverslagen en de onderzoeken van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) en het FRA en de grootschalige onderzoeken van het FRA op het gebied van discriminatie van en haatdelicten tegen Joden in de EU-lidstaten, geweld tegen vrouwen in de EU en ervaringen van LGBT-personen op het gebied van discriminatie, geweld en pesten,

–  gezien de bijdragen van de ngo's die deelnemen aan het grondrechtenplatform van het FRA voor het maatschappelijk middenveld,

–  gezien de rapporten en onderzoeken van niet-gouvernementele organisaties (ngo's) op gebied van mensenrechten en de studies op dit gebied die zijn aangevraagd door de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, met name de studie van beleidsondersteunende afdeling C over het effect van de crisis op de grondrechten in de lidstaten van de EU,

–  gezien zijn studies over het effect van de crisis op de grondrechten in de lidstaten van de EU,

–  gezien de beginselen betreffende de rechtspositie van nationale instellingen voor de bescherming en bevordering van de rechten van de mens (de "beginselen van Parijs"), aangehecht aan resolutie 48/134 van de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien zijn resolutie van 3 juli 2013 over de situatie op het gebied van de grondrechten: normen en praktijken in Hongarije (naar aanleiding van de resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012)(31),

–  gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Strategie voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten door de Europese Unie" (COM(2010)0573) en de operationele richtsnoeren voor het in aanmerking nemen van grondrechten in effectbeoordelingen door de Commissie (SEC(2011)0567),

–  gezien de mededeling van de Commissie over een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat (COM(2014)0158) en de conclusies van de Raad van 16 december 2014 over toezien op de eerbiediging van de rechtsstaat,

–  gezien het verslag-2013 van de Commissie over de toepassing van het EU-Handvest van de grondrechten in 2012 (COM(2014)0224) en de bijbehorende werkdocumenten,

–  gezien het verslag-2013 van de Commissie over het burgerschap van de Unie - EU-burgers: uw rechten, uw toekomst (COM(2013)0269),

–  gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Verdere stappen bij de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma" (COM(2014)0209) en het voorstel voor een aanbeveling van de Raad van 9 december 2013 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van Commissie constitutionele zaken, de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de Commissie verzoekschriften (A8-0230/2015),

A.  overwegende dat men gedeeltelijk is begonnen met de bouw van Europa om te vermijden dat de dramatische gevolgen van de Tweede Wereldoorlog en de vervolging en onderdrukking door het naziregime zich zouden herhalen, en om achteruitgang op het gebied van de democratie en de rechtstaat te vermijden door het bevorderen, eerbiedigen en beschermen van de mensenrechten;

B.  overwegende dat het eerbiedigen en bevorderen van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden, de democratie en de in de EU-Verdragen en internationale mensenrechteninstrumenten (Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, EVRM, Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten enz.) vastgelegde waarden en beginselen verplicht zijn voor de Unie en haar lidstaten en centraal moeten staan in de Europese structuur;

C.  overwegende dat deze rechten moeten zijn gewaarborgd voor iedereen die zich op het grondgebied van de EU bevindt, waaronder door misbruiken en schendingen door de publieke autoriteiten, ongeacht het territoriale bevoegdheidsniveau, tegen te gaan;

D.  overwegende dat eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot een minderheid behoren, de waarden zijn waarop de Unie volgens artikel 2 VEU berust, waarden die de lidstaten gemeen hebben en die de EU en iedere afzonderlijke lidstaat in al hun beleid, zowel intern als extern, moeten eerbiedigen; overwegende dat ingevolge artikel 17 VEU de Commissie moet zorgen voor de toepassing van de Verdragen;

E.  overwegende dat op de EU volgens artikel 6 VEU de verantwoordelijkheid rust om de grondrechten uit te dragen en te doen respecteren bij de aansturing van haar eigen optreden, ongeacht haar bevoegdheden; overwegende dat lidstaten ook worden aangemoedigd dit te doen;

F.  overwegende dat een herziening van de EU-Verdragen nodig is om de bescherming van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten te versterken;

G.  overwegende dat overeenkomstig de preambule van het VEU de lidstaten hun gehechtheid hebben bevestigd aan de sociale grondrechten zoals omschreven in het Europees Sociaal Handvest; overwegende dat in artikel 151 VWEU ook een expliciete verwijzing is opgenomen naar de sociale grondrechten zoals die bijvoorbeeld zijn vastgelegd in het Europees Sociaal Handvest;

H.  overwegende dat met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie volledig is geïntegreerd in de Verdragen en daardoor dus juridisch bindend is voor de instellingen, organen en agentschappen van de EU, alsook voor de lidstaten in het kader van de tenuitvoerlegging van EU-wetgeving; overwegende dat een echte grondrechtencultuur moet worden ontwikkeld, bevorderd en versterkt binnen de instellingen van de Unie, maar ook in de lidstaten, met name wanneer ze het recht van de Unie, zowel intern als in betrekkingen met derde landen, toepassen en ten uitvoer leggen;

I.  overwegende dat de artikelen 2 en 3 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het recht op leven en het recht op menselijke integriteit erkennen;

J.  overwegende dat artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie alle onmenselijke en vernederende behandelingen verbiedt;

K.  overwegende dat de artikelen 8, 9, 10, 19 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, alsook de jurisprudentie van het Hof van Justitie het belang van de sociale grondrechten erkennen en derhalve onderstrepen dat deze rechten en met name de vakbondsrechten, zoals het recht van staking, vereniging en vergadering evenzeer moeten worden beschermd als de andere door het Handvest erkende grondrechten;

L.  overwegende dat de Unie op grond van artikel 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verplicht is om de culturele, godsdienstige en taalkundige verscheidenheid te eerbiedigen, en dat artikel 21 discriminatie op grond van taal en/of het behoren tot een nationale minderheid verbiedt;

M.  overwegende dat artikel 33 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het gezin beschermt op juridisch, economisch en sociaal vlak;

N.  overwegende dat het recht op een hoog niveau van milieubescherming volgens de artikelen 37 en 38 van het Handvest intrinsiek samenhangt met de implementatie van het beleid van de Unie;

O.  overwegende dat de lidstaten het waarborgniveau dat hun eigen grondwet ten aanzien van bepaalde rechten biedt niet mogen verlagen onder het voorwendsel dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of andere instrumenten van het EU-recht op dat punt een nog lager beschermingsniveau bieden;

P.  overwegende dat erkend wordt dat de nationale (gerechtelijke, wetshandhavings- en bestuurlijke) overheden essentiële actoren zijn in de effectieve handhaving van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in het Handvest;

Q.  overwegende dat de totstandbrenging van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht overeenkomstig Titel V VWEU de volle eerbiediging van de grondrechten veronderstelt, door zowel de EU als iedere lidstaat afzonderlijk;

R.  overwegende dat de mens, als burger of ingezetene, centraal moet worden gesteld in de EU en dat de door het Handvest erkende persoonlijke, civiele, politieke, economische en sociale rechten niet alleen ten doel hebben de Europese burgers en ingezetenen te beschermen tegen inmenging, misbruik en geweld, maar voorwaarden zijn om ervoor te zorgen dat het individu zich volledig en in alle rust kan ontplooien;

S.  overwegende dat de rechtsstaat de ruggengraat van de Europese liberale democratie vormt en, als een gemeenschappelijk element van de constitutionele tradities van alle lidstaten, een van de beginselen is waarop de EU is gegrondvest;

T.  overwegende dat de manier waarop de rechtsstaat op nationaal niveau wordt ontplooid, een belangrijke rol speelt in het wederzijdse vertrouwen tussen lidstaten en hun rechtsstelsels, en dat het bijgevolg levensnoodzakelijk is om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht overeenkomstig Titel V VWEU tot stand te brengen;

U.  overwegende dat de grondrechten slechts kunnen worden beschermd als de rechtsstaat wordt geëerbiedigd en dat deze eerbiediging des te belangrijker is binnen de EU aangezien alle rechten en plichten die voortvloeien uit de Verdragen en het internationale recht hiervan volledig afhankelijk zijn;

V.  overwegende dat de EU en haar lidstaten zijn betrokken bij een mondiaal proces voor het behalen van nieuwe doelstellingen voor duurzame ontwikkeling die eraan herinneren dat de mensenrechten universeel, ondeelbaar en onvervreemdbaar zijn;

W.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van deze waarden en beginselen moet berusten op een effectieve toetsing van de naleving van de in het Handvest gewaarborgde rechten, onder meer bij de uitwerking van wetsvoorstellen;

X.  overwegende dat de EU een periode van ernstige economische en financiële crisis doormaakt en dat de impact hiervan, in combinatie met bepaalde maatregelen, o.a. de drastische besparingen op de begroting die in sommige lidstaten zijn ondernomen om de crisis aan te pakken, een negatief effect heeft op de leefomstandigheden van de EU-burgers – met een toename van de werkloosheid, het armoedepeil, de ongelijkheden en de onzekere arbeidsvoorwaarden en een beperking van de toegang tot en de kwaliteit van de diensten – en zo op het welzijn van de burgers;

Y.  overwegende dat bijna een derde van de bij het Parlement ingediende verzoekschriften betrekking heeft op veronderstelde schendingen van de grondrechten die in het Handvest worden genoemd en kwesties betreft als burgerschap, de vier vrijheden, werkgelegenheid, economische omstandigheden, milieu- en consumentenbescherming, rechtsstelsels, stemrecht en democratische participatie, transparantie van de besluitvorming, handicaps, rechten van het kind, toegang tot onderwijs of taalgerelateerde rechten; overwegende dat in sommige van deze verzoekschriften vragen worden gesteld over gezondheidskwesties en toegang tot gezondheidszorg en gezondheidsdiensten, maar ook over het recht op werk als rechtstreeks gevolg van de economische crisis; overwegende dat verzoekschriften gewoonlijk de eerste indicatoren zijn voor de situatie op het gebied van grondrechten in de lidstaten;

Z.  overwegende dat de EU uitgaat van de veronderstelling en het wederzijdse vertrouwen dat de lidstaten zich schikken naar democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, als vervat in het EVRM en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name wat betreft de ontwikkeling van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht en het beginsel van wederzijdse erkenning;

AA.  overwegende dat werklozen of personen die in armoede leven of worden uitgesloten aanzienlijk worden belemmerd in hun toegang tot en het uitoefenen van hun grondrechten; dit onderstreept dat het belangrijk is om de toegang tot basisdiensten, met name sociale en financiële diensten, te waarborgen voor deze personen in een kwetsbare situatie;

AB.  overwegende dat na de recente terreuraanslagen binnen de EU bepaalde beleidsmaatregelen en acties op het gebied van terreurbestrijding de fundamentele rechten en vrijheden ernstig in het gedrang kunnen brengen; overwegende dat het cruciaal is te waken over het evenwicht tussen bescherming van de vrijheden en de grondrechten van de Europese burgers en het versterken van de veiligheid; overwegende dat de EU en haar lidstaten de plicht hebben de Europese burgers te beschermen en er tegelijk voor te zorgen dat bij het ontwerp en de uitvoering van veiligheidsbeleid de grondrechten van de burgers worden geëerbiedigd; overwegende dat de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid in dit verband een prioriteit moeten zijn opdat het uitgevoerde beleid geen afbreuk doet aan de burgerlijke vrijheden;

AC.  overwegende dat duizenden mensen omkomen in het Middellandse Zeegebied op een nog nooit eerder geziene manier en dat de EU een zeer grote verantwoordelijkheid heeft in het nemen van maatregelen om levens te redden, mensensmokkelaars een halt toe te roepen, migranten legale toegangskanalen aan te bieden en asielzoekers en vluchtelingen bij te staan en te beschermen;

AD.  herinnert eraan dat in 2014 bijna 3 500 migranten zijn gestorven of verdwenen tijdens hun poging om het Europese grondgebied te bereiken, waardoor het aantal doden of vermisten gedurende de voorbije twintig jaar in totaal 30 000 bedraagt; overwegende dat de migratieroute naar Europa, volgens de Internationale Organisatie voor migratie de gevaarlijkste ter wereld is geworden voor migranten;

AE.  overwegende dat jaarlijks ongeveer 1 000 asielaanvragen rechtstreeks zijn verbonden aan genitale verminking;

AF.  overwegende dat het recht op asiel wordt gewaarborgd door het Verdrag inzake de status van vluchtelingen (het Verdrag van Genève) van 1951 en door het protocol van 31 januari 1967;

AG.  overwegende dat de uitingen van extreem nationalisme, racisme, vreemdelingenhaat en onverdraagzaamheid nog niet uit onze gemeenschappen zijn verdwenen; dat zij integendeel, zeker na de recente terreuraanslagen, in veel lidstaten blijken toe te nemen, waarbij zowel traditionele minderheden als nieuwe nationale minderheden worden geviseerd;

AH.  overwegende dat, krachtens artikel 49 VEU, elke Europese staat die de in artikel 2 bedoelde waarden eerbiedigt en zich ertoe verbindt deze uit te dragen, kan verzoeken lid te worden van de Unie; overwegende dat de naleving van de Kopenhagencriteria een essentiële voorwaarde is voor toetreding tot de EU; overwegende dat de verplichtingen die in het kader van de criteria van Kopenhagen op kandidaat-lidstaten rusten niet alleen maar elementaire pretoetredingsvoorwaarden zijn, maar op grond van artikel 2 VEU moeten blijven gelden nadat een land tot de EU is toegetreden; overwegende dat alle lidstaten in dit licht voortdurend moeten worden beoordeeld om te controleren of zij de basiswaarden van de EU, te weten eerbiediging van de grondrechten, democratische instellingen en de rechtsstaat, permanent naleven; alsook overwegende de noodzaak om een gefaseerd correctiemechanisme in te voeren, teneinde de leemte tussen de optie van politieke dialoog en de nucleaire optie van artikel 7 VEU op te vullen en een antwoord te bieden op het "Kopenhagendilemma" binnen het kader van de huidige Verdragen;

AI.  overwegende dat aangezien geen duidelijke gemeenschappelijke indicatoren voorhanden zijn, de situatie op het gebied van de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten in een lidstaat voortdurend opnieuw ter discussie wordt gesteld op grond van politieke en institutionele overwegingen; overwegende dat het gebrek aan bindende procedures te vaak leidt tot het uitblijven van actie of een niet-naleving van de Verdragen en de Europese waarden, waaraan de Europese instellingen medeplichtig zijn;

AJ.  overwegende dat het recht om verzoekschriften in te dienen een hechte band tussen de burgers van de EU en het Europees Parlement heeft gesmeed; overwegende dat het Europese burgerinitiatief een nieuwe, directe band tussen de burgers van de EU en de instellingen van de EU tot stand heeft gebracht en de ontwikkeling van de grondrechten en de burgerrechten kan versterken; overwegende dat artikel 44 van het Handvest en artikel 227 VWEU het petitierecht waarborgen als één van de rechten waarmee burgers hun grondrechten kunnen doen gelden;

AK.  overwegende dat vrouwen nog steeds te maken hebben met talloze vormen van discriminatie in de Unie en te vaak slachtoffer zijn van agressie en geweld, met name seksueel geweld;

AL.  overwegende dat geweld tegen vrouwen de meest voorkomende schending is van de mensenrechten in de EU en in de rest van de wereld, die alle lagen van de bevolking treft, ongeacht leeftijd, opleidingsniveau, inkomen, maatschappelijke positie en land van herkomst of verblijf, en een van de belangrijkste obstakels voor de gelijkheid van vrouwen en mannen is;

AM.  overwegende dat uit een onderzoek van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten uit 2014 blijkt dat de meeste vrouwelijke slachtoffers van geweld geen aangifte doen bij de politie;

AN.  overwegende dat seksuele en reproductieve gezondheid en rechten op fundamentele mensenrechten gebaseerd zijn en essentiële elementen van de menselijke waardigheid vormen(32); overwegende dat de ontzegging van een levensreddende abortus een ernstige schending van de mensenrechten inhoudt;

AO.  overwegende dat de handel in en de seksuele uitbuiting van vrouwen en meisjes een duidelijke schending vormen van de mensenrechten en de menselijke waardigheid en van de basisbeginselen van recht en democratie; overwegende dat vrouwen tegenwoordig nog kwetsbaarder zijn voor deze risico's door de toegenomen economische onzekerheid en het grotere risico op werkloosheid en armoede;

AP.  overwegende dat geweld tegen vrouwen niet expliciet als vorm van discriminatie op grond van geslacht is opgenomen in de Europese wetgeving, en als idee slechts in drie nationale rechtsstelsels te vinden is (die van Spanje, Zweden en Duitsland) en dat geweld tegen vrouwen daardoor niet als een belangrijk probleem voor de gelijkheid wordt beschouwd; overwegende dat de lidstaten de definitie van geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld op ad-hocbasis bekijken en dat die definitie sterk verschilt in de nationale wetgevingen, waardoor de gegevens niet kunnen worden vergeleken;

AQ.  overwegende dat de lidstaten niet vrij zijn van de verschrikking van genitale verminking, waarvan reeds 500 000 personen slachtoffer zijn geworden in de Unie en die nog 180 000 slachtoffers dreigt te eisen;

AR.  overwegende dat er in de EU en de lidstaten nog talloze inbreuken op de grondrechten plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en uit de verslagen van de Commissie, van het FRA, van ngo's, van de Raad van Europa en van de VN, zoals schendingen van het recht op vrijheid van vereniging en meningsuiting van maatschappelijke organisaties, de institutionele discriminatie van LGBTI door het verbod op trouwen en antipropagandawetgeving, en de nog steeds hoge mate van discriminatie en talrijke haatdelicten die worden aangewakkerd door racisme, vreemdelingenhaat, religieuze onverdraagzaamheid of vooroordelen over de handicap, seksuele gerichtheid of genderidentiteit van een persoon; overwegende dat de Commissie, de Raad en de lidstaten deze schendingen gezien de ernst en de frequentie ervan onvoldoende aanpakken;

AS.  overwegende dat maatschappijen waarin de grondrechten volledig worden geëerbiedigd en beschermd, gemakkelijker een dynamische, concurrerende economie kunnen ontwikkelen;

AT.  overwegende dat Roma, de grootste etnische minderheid in Europa, nog steeds het slachtoffer zijn van ernstige discriminatie, racistisch geweld, haattaal, armoede en uitsluiting;

AU.  overwegende dat het externe optreden van de EU gebaseerd is op dezelfde beginselen die aan de grondslag van de oprichting en ontwikkeling van de EU liggen, met name democratie, solidariteit, menselijke waardigheid en alle grondrechten; overwegende dat specifieke richtsnoeren inzake mensenrechten zijn opgenomen in het buitenlandse beleid van de EU, maar niet in haar binnenlandse beleid, wat zou kunnen leiden tot beschuldigingen over het hanteren van twee maten en gewichten; overwegende dat het bevorderen van de grondrechten door de Unie in het kader van haar extern optreden moet worden aangevuld met een strikt intern beleid en een systematisch toezicht op de eerbiediging van deze rechten binnen het grondgebied van de Unie zelf;

AV.  overwegende dat de bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens in overeenstemming moeten zijn met de beginselen van doelbinding, noodzakelijkheid en evenredigheid, met inbegrip van bij het onderhandelen en sluiten van overeenkomsten zoals wordt onderstreept in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 april 2014 tot nietigverklaring van Richtlijn 2006/24/EG en de adviezen van de EDPS;

AW.  overwegende dat het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, evenals de bescherming van persoonsgegevens zijn vastgelegd in het Handvest en dus deel uitmaken van het primaire recht van de EU;

AX.  overwegende dat nieuwe technologieën gevolgen kunnen hebben voor de grondrechten en met name voor het recht op eerbiediging van het privéleven en op de bescherming van persoonsgegevens, zoals is bepaald in de artikelen 7 en 8 van het Handvest;

AY.  overwegende dat de grootschalige toegang tot internet de mogelijkheden om de fysieke en morele integriteit van vrouwen te schenden, bijvoorbeeld via grooming, verder vergroot;

AZ.  overwegende dat persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer, gezien de snelle ontwikkeling van digitale technologieën (toenemend gebruik van internet, internettoepassingen en sociale netwerken), beter moeten worden beschermd, teneinde hun vertrouwelijkheid en bescherming te waarborgen;

BA.  overwegende dat fundamentele vrijheden, mensenrechten en gelijke kansen gegarandeerd moeten zijn voor alle burgers van de EU, met inbegrip van personen die tot een nationale of taalminderheid behoren;

BB.  overwegende dat volgens ngo's jaarlijks ten minste 850 kinderen jonger dan 15 jaar in Europa sterven ten gevolge van mishandeling;

BC.  overwegende dat volgens een onderzoek van het FRA over discriminatie en haatmisdrijven tegen LGBTI, naast de discriminatie en het geweld waarvan zij het slachtoffer zijn, ongeveer de helft van de ondervraagde LGBTI "van mening is dat politici in het land waar zij wonen veelvuldig kwetsend taalgebruik jegens LGBTI bezigen";

BD.  overwegende dat LGBTI het slachtoffer zijn van institutionele discriminatie, door een verbod op geregistreerd partnerschap of door het bestaan van wetten die het profileren van de seksuele voorkeur verbieden;

BE.  overwegende dat personen met een handicap slachtoffer zijn van meervoudige discriminatie waardoor ze hun grondrechten niet ten volle kunnen genieten;

BF.  overwegende dat het armoedecijfer onder mensen met een handicap 70% hoger is dan het gemiddelde, mede als gevolg van de beperkte toegang tot de arbeidsmarkt;

BG.  overwegende dat een seculiere en neutrale staat de beste waarborg is voor het voorkomen van discriminatie jegens de verschillende religieuze gemeenschappen die erin vertegenwoordigd zijn;

BH.  overwegende dat persvrijheid en de vrijheid voor maatschappelijke organisaties zoals ngo's om hun activiteiten uit te voeren, een essentieel onderdeel zijn van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten; deze vrijheid is in verschillende lidstaten ernstig aangetast door de aanneming van nationale wetten of rechtstreekse maatregelen;

BI.  overwegende dat het Handvest erkent dat ouderen het recht hebben om "een waardig en zelfstandig leven te leiden en aan het maatschappelijke en culturele leven deel te nemen";

BJ.  overwegende dat de bestraffing van daders met straffen die passen bij het misdrijf, zeker ontmoedigend werkt voor personen die de grondrechten schenden, maar dat preventie (via maatregelen op het vlak van onderwijs en cultuur) het hoofddoel blijft en de voorkeur krijgt boven ingrijpen achteraf;

BK.  overwegende dat gespecialiseerde instellingen zoals de nationale mensenrechteninstellingen of organen voor de bevordering van gelijke behandeling doeltreffend moeten zijn om burgers te kunnen helpen om hun grondrechten beter af te dwingen bij de tenuitvoerlegging van het EU-recht door de lidstaten;

BL.  overwegende dat het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en bij verkiezingen voor het Europees Parlement in de lidstaat van verblijf erkend wordt in de artikelen 39 en 40 van het Handvest; overwegende dat uitoefening van het recht op mobiliteit dat recht niet mag belemmeren;

BM.  veroordeelt de lauwe reactie van de Commissie en de lidstaten op de praktijken van massale internet- en telecomspionage die zijn blootgelegd door Edward Snowden in het kader van het NSA-Prism-programma waarbij ook Europese lidstaten betrokken zijn, teneinde de beschermingsnormen ten aanzien van de Europese burgers of onderdanen van derde landen die in Europa wonen te doen eerbiedigen;

1.  acht het essentieel dat de volle eerbiediging van de in artikel 2 VEU bedoelde gemeenschappelijke Europese waarden in de Europese en in de nationale wetgeving en het overheidsbeleid, en bij de uitvoering ervan, wordt gewaarborgd, waarbij het subsidiariteitsbeginsel ten volle moet worden geëerbiedigd;

2.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat alle EU-wetgeving, met inbegrip van de economische en financiële aanpassingsprogramma's, ten uitvoer wordt gelegd overeenkomstig het Handvest van de grondrechten en het Europees Sociaal Handvest (artikel 151 VWEU);

3.  herinnert aan de verplichting tot toetreding tot het EVRM, zoals bepaald in artikel 6 VEU; neemt kennis van het advies 2/2013 van het Hof van Justitie van de EU; vraagt de Commissie en de Raad om de nodige instrumenten in te voeren om ervoor te zorgen dat aan die verplichting als verankerd in de Verdragen onmiddellijk wordt voldaan; is van mening dat hierbij volledige transparantie in acht moet worden genomen, omdat dit een bijkomend mechanisme oplevert om te zorgen voor reële eerbiediging en om de bescherming van individuen tegen schendingen van hun grondrechten, inclusief het recht op een effectieve voorziening te handhaven, alsmede om de Europese instellingen meer rekenschap te laten afleggen voor hun handelen en nalaten ten aanzien van de grondrechten;

4.  begroet met instemming de benoeming van de eerste vicevoorzitter van de Commissie met bevoegdheden inzake de rechtsstaat en het Handvest en neemt kennis van zijn engagement voor een behoorlijke handhaving van het bestaande kader; verwacht dat op korte termijn een interne strategie wordt uitgevaardigd over de grondrechten, in nauwe samenwerking met de andere instellingen en in overleg met een ruime vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties en met andere belanghebbende partijen; is van mening dat de strategie moet worden gebaseerd op artikelen 2, 6 en 7 VEU en moeten consistent zijn met de beginselen en doelstellingen in artikelen 8 en 10 VWEU; betreurt het gebrek aan politieke wil om artikel 7 VEU in te zetten tegen lidstaten die zich schuldig maken aan schendingen van de grondrechten, om ze te straffen en als afschrikkende maatregel;

5.  benadrukt de noodzaak om bestaande mechanismen ten volle te benutten om de eerbiediging, bescherming en bevordering van de in artikel 2 VEU en in het Handvest van de grondrechten bedoelde grondrechten en waarden van de Unie te waarborgen, benadrukt het feit dat alle desbetreffende instrumenten die momenteel in de Verdragen zijn vastgesteld, dringend moeten worden toegepast en ten uitvoer moeten worden gelegd;

6.  benadrukt het feit dat ten volle gebruik moet worden gemaakt van de bestaande mechanismen, met de uitvoering van objectieve evaluaties en onderzoeken en de inleiding van inbreukprocedures, indien hiertoe voldoende redenen bestaan;

7.  onderstreept de noodzaak van mogelijke verdragswijzigingen om de bescherming van de grondrechten in de EU-Verdragen verder te versterken;

8.  neemt kennis van de mededeling van de Commissie over een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat, die een eerste poging is om de bestaande leemten in de preventie en oplossing van inbreuken op de grondrechten en de beginselen van de rechtsstaat in de lidstaten te verhelpen; neemt kennis van de intentie van de Commissie om het Europees Parlement en de Raad regelmatig op de hoogte te houden van de vooruitgang die in elke fase wordt geboekt; is evenwel van mening dat het voorgestelde kader mogelijk geen toereikend of doeltreffend afschrikmiddel is voor de voorkoming en oplossing van schendingen van de grondrechten in de lidstaten, doordat de Commissie dit kader heeft gepresenteerd in de vorm van een niet-bindende mededeling, waarin niet wordt gespecificeerd wanneer het kader moet worden geactiveerd;

9.  vraagt de Commissie dit kader ten uitvoer te leggen en verder te verbeteren, teneinde:

   a) het op te nemen in de interne strategie voor de grondrechten, aangezien de rechtsstaat een absolute voorwaarde is voor de bescherming van de grondrechten in de Europese Unie en haar lidstaten;
   b) de deskundigheid van de Raad van Europa beter te benutten en een formele samenwerking tot stand te brengen op het gebied van de rechtsstaat en grondrechten;
   c) de criteria voor de toepassing ervan duidelijk te omschrijven, en te zorgen dat door de proactieve en transparante activering van het kader concrete inbreuken op de grondrechten succesvol worden voorkomen; in het bijzonder de criteria vast te leggen voor "duidelijk gevaar voor een ernstige schending" en "ernstige en voortdurende schending" op basis van onder andere de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens; te overwegen deze criteria zo vast te stellen dat elke schending automatisch het kader activeert;
   d) indien het FRA systematische of ernstige schendingen van artikel 2 VEU vaststelt, inbreukprocedures in te leiden, die ook kunnen leiden tot financiële sancties overeenkomstig artikel 260 VWEU;
   e) te zorgen voor de automatische opstarting van de procedure overeenkomstig artikel 7 VEU, wanneer de kwestie niet met het in het kader vastgestelde driefasenproces wordt opgelost, en te specificeren welke andere rechten dan het stemrecht in de Raad die op grond van de toepassing van de Verdragen aan de betreffende lidstaat zijn verleend, kunnen worden opgeschort, en de mogelijkheid te overwegen van verdere sancties om de effectieve werking van het kader te garanderen, met inachtneming van het Europees recht en de grondrechten;
   f) te bepalen dat alle wetgevingsvoorstellen, beleidsmaatregelen en acties van de EU, ook in de economische sfeer en op het gebied van buitenlandse betrekkingen, en alle maatregelen die met Europese middelen worden gefinancierd, moeten stroken met het Handvest en vooraf en achteraf zorgvuldig moeten worden geanalyseerd op hun effecten op de grondrechten, alsmede een proactief actieplan op te nemen om de efficiënte toepassing te garanderen van de bestaande normen en de gebieden te identificeren waar hervormingen nodig zijn; is in verband hiermee van mening dat de Commissie, de Raad en het Parlement bij de opstelling van wetgeving en de ontwikkeling van beleid ten volle gebruik moeten maken van de externe onafhankelijke deskundigheid van het FRA;
   g) in samenwerking met het FRA en de nationale mensenrechteninstanties in de lidstaten en met de input van de breedst mogelijke vertegenwoordiging van het maatschappelijk middenveld een databank te ontwikkelen die alle beschikbare gegevens verzamelt en publiceert over de situatie van de grondrechten in de EU en in de afzonderlijke lidstaten;

10.  dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat bovengenoemde interne strategie vergezeld gaat van een duidelijk en gedetailleerd nieuw mechanisme, dat naar behoren gebaseerd is op het internationale en het Europese recht en waarbij alle door artikel 2 VEU beschermde waarden worden geëerbiedigd, om te zorgen voor coherentie met het strategisch kader voor mensenrechten en democratie dat in de buitenlandse betrekkingen van de EU reeds wordt gehanteerd en de Europese instellingen en de lidstaten rekenschap te laten afleggen voor hun acties en tekortkomingen, wat de grondrechten betreft; is van mening dat met dit mechanisme moet kunnen worden gecontroleerd in hoeverre alle EU-lidstaten de grondrechten eerbiedigen en een systematische en geïnstitutionaliseerde dialoog moet worden ingesteld, ingeval de grondrechten door een of meer lidstaten worden geschonden; is van mening dat de Commissie, om de bepalingen in de Verdragen volledig te benutten:

   a) een scorebord moet invoeren op basis van gemeenschappelijke en objectieve indicatoren om de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten te meten; merkt op dat deze indicatoren de politieke criteria van Kopenhagen moeten weerspiegelen die door toetredende landen moeten worden nageleefd, alsook de waarden en rechten die zijn vastgelegd in artikel 2 van de Verdragen en het Handvest van de grondrechten, en dat zij moeten worden opgesteld op basis van bestaande normen; is in verband hiermee van mening dat de Commissie moet overwegen het EU-scorebord voor justitie uit te breiden met een periodieke beoordeling per land van de eerbiediging van de grondrechten en de rechtsstaat;
   b) moet zorgen voor permanente monitoring, op basis van het ingevoerde scorebord en een in samenwerking met de Raad en het Parlement te ontwikkelen systeem van jaarlijkse landenbeoordelingen op het gebied van overeenstemming met de rechtsstaat en de situatie van de grondrechten in alle lidstaten van de Europese Unie, dat gebaseerd moet zijn op gegevens van het FRA, de Raad van Europa en zijn Commissie van Venetië en ngo's;
   c) in verband hiermee een herziening moet voorstellen van de FRA-verordening, om het FRA meer bevoegdheden te verlenen en te voorzien van meer personeel en financiële middelen, zodat het de situatie in de lidstaten kan controleren en een jaarlijks monitoringverslag kan publiceren met een gedetailleerde beoordeling van de prestatie van elke lidstaat;
   d) een formele waarschuwing moet geven, als de indicatoren, op basis van het ingevoerde scorebord en bovengenoemd jaarlijks monitoringverslag, aangeven dat de lidstaten de rechtsstaat of de grondrechten schenden; is van mening dat deze formele waarschuwing systematisch gepaard moet gaan met de opstarting van een geïnstitutionaliseerde dialoog waaraan wordt deelgenomen - naast de Commissie en de lidstaat in kwestie - door de Raad, het Europees Parlement en het parlement van de lidstaat in kwestie;
   e) moet bijdragen tot een verbetering van de coördinatie tussen de EU-instellingen en -agentschappen, de Raad van Europa, de Verenigde Naties en organisaties van het maatschappelijk middenveld; de samenwerking tussen de EU-instellingen en de lidstaten moet intensiveren, inclusief tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen;

11.  juicht het feit toe dat de Raad debatten gaat organiseren over de rechtsstaat; is echter van mening dat dergelijke debatten niet de meest doeltreffende manier zijn om gevallen van niet-naleving van de fundamentele waarden van de Europese Unie op te lossen; betreurt het feit dat het Parlement niet werd ingelicht over of betrokken bij de organisatie van deze debatten; verzoekt de Raad om haar debatten te baseren op de resultaten van de jaarlijkse en speciale rapporten van de Europese Commissie, het Europees Parlement, de maatschappelijke organisaties, de Raad van Europa en haar Commissie van Venetië en andere al dan niet institutionele belanghebbenden;

12.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om een ​​onderzoek uit te voeren naar de aantijgingen van schending van de door het Handvest gewaarborgde grondrechten en gevolg te geven aan deze aantijgingen, mochten ze bewezen worden; verzoekt de Commissie met name om inbreukprocedures in te leiden wanneer lidstaten ervan worden verdacht in strijd met deze rechten te hebben gehandeld;

13.  verzoekt de Commissie om meer voorrang te geven aan de voorbereidingen voor de toetreding van de Unie tot het op 18 oktober 1961 in Turijn ondertekende en op 3 mei 1996 in Straatsburg herziene Europees Sociaal Handvest;

14.  verzoekt de lidstaten om nationale mensenrechteninstanties in te stellen en te versterken in overeenstemming met de beginselen van Parijs zodat mensenrechten op nationaal niveau op een onafhankelijke manier worden bevorderd en beschermd;

15.  vraagt dat een grotere coördinatie en samenhang wordt gegarandeerd tussen de activiteiten van het Europees Parlement, de Raad van Europa, het FRA en het EIGE;

16.  is bezorgd over de verontrustende ontwikkelingen in de Europese Unie wat betreft schendingen van de grondrechten, met name op het gebied van immigratie en asiel, discriminatie en intolerantie jegens bepaalde bevolkingsgroepen, alsook over de aanvallen tegen of het onder druk zetten van ngo's die de rechten van deze (bevolkings-) groepen verdedigen; wijst op de terughoudendheid van de lidstaten om deze vrijheden en grondrechten te doen eerbiedigen, met name wanneer het gaat om de rechten van Roma, vrouwen, LGBTI, asielzoekers, migranten en andere kwetsbare bevolkingsgroepen;

17.  verzoekt de Raad een gemeenschappelijke basis te vinden voor de juiste inhoud van de beginselen en normen die voortvloeien uit de rechtsstaat en die van land tot land verschillen, en om, als uitgangspunt voor het debat, de reeds bestaande omschrijving van rechtsstaat van het Europees Hof van Justitie te nemen, die de volgende elementen omvat: ; legaliteit, met inbegrip van een transparant, controleerbaar, democratisch en pluriform wetgevingsproces, rechtszekerheid; een verbod op willekeur van de uitvoerende macht; onafhankelijke en onpartijdige rechters; onafhankelijke en doeltreffende rechterlijke toetsing, met inbegrip van de eerbiediging van de grondrechten; en gelijkheid voor de wet;

18.  herinnert eraan dat eerbiediging van de rechtsstaat een voorwaarde is voor de bescherming van grondrechten en dat veiligheidsmaatregelen geen afbreuk aan de grondrechten mogen doen, overeenkomstig artikel 52 van het Handvest; herinnert er eveneens aan dat krachtens artikel 6 van het Handvest eenieder recht heeft op vrijheid en veiligheid van zijn persoon;

19.  verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten ervoor te zorgen dat de grondrechten en -beginselen, zoals met name vastgelegd in de Verdragen, het Handvest en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, vanaf de ontwerpfase worden geïntegreerd in binnenlandse veiligheidsbeleidsmaatregelen, zoals wordt voorgesteld in het focusverslag van het FRA getiteld "Embedding fundamental rights in the security agenda"; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan om sociale-integratie- en non-discriminatiemaatregelen op te nemen in toekomstige interne veiligheidsstrategieën;

20.  verzoekt de Commissie om met de steun van het FRA de acties en programma's op het gebied van bewustmaking, onderwijs en opleiding met betrekking tot de grondrechten te versterken; die programma's moeten de cohesie en het vertrouwen tussen alle sociale partners bevorderen en moeten de organisaties van het maatschappelijk middenveld, de nationale mensenrechtenorganisaties en de nationale bureaus voor gelijkheid en discriminatiebestrijding betrekken;

21.  benadrukt dat de rol van de Commissie als hoedster van de Verdragen niet alleen inhoudt dat zij ervoor zorgt dat wetgeving door de lidstaten wordt omgezet maar ook betekent dat zij toeziet op de volledige en correcte toepassing van wetten, met name met het oog op de bescherming van de grondrechten van burgers; betreurt de effectieve beperking van het toepassingsgebied van het Handvest als gevolg van een al te strikte uitlegging van artikel 51 in die zin dat handhaving van het EU-recht buiten dit toepassingsgebied valt; is van mening dat deze benadering moet worden herzien om tegemoet te komen aan de verwachtingen van de EU-burgers ten aanzien van hun grondrechten; herinnert eraan dat de verwachtingen van de burgers verder reiken dan de strikte uitlegging van het Handvest en dat het doel moet zijn deze rechten zo effectief mogelijk te maken; betreurt het daarom dat de Commissie in talrijke antwoorden op verzoekschriften waarin de mogelijke schending van grondrechten wordt aangekaart, zegt niet over de nodige bevoegdheden te beschikken; dringt er in dit verband op aan een mechanisme uit te werken voor toezicht, systematische evaluatie en het opstellen van aanbevelingen, om de algemene eerbiediging van de fundamentele waarden in de lidstaten te stimuleren;

22.  herinnert aan het cruciale belang van de tijdige en correcte omzetting en tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving, in het bijzonder van wetgeving die de mensenrechten beïnvloedt en ontwikkelt;

Vrijheid en veiligheid

Vrijheid van meningsuiting en de media

23.  wijst er eens te meer op dat de vrijheid van meningsuiting, informatie en media van fundamenteel belang is voor het waarborgen van de democratie en de rechtsstaat; veroordeelt ten stelligste elke tegen journalisten en media gerichte vorm van geweld, druk of bedreiging, ook wanneer het gaat om de bekendmaking van hun bronnen en informatie over schendingen van grondrechten door overheden en staten; verzoekt de lidstaten geen maatregelen toe te passen die deze vrijheden belemmeren; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om de richtlijn inzake audiovisuele mediadiensten te herzien en te wijzigen op basis van de door het Parlement in zijn resolutie van 22 mei 2013 uiteengezette lijnen;

24.  benadrukt dat publieke, onafhankelijke, vrije, gevarieerde en pluriforme media, samen met journalisten, zowel online als offline, een basisonderdeel vormen van de democratie; is van mening dat media-eigendom en -beheer niet geconcentreerd mogen zijn; benadrukt in verband hiermee het feit dat transparantie van media-eigendom cruciaal is voor het controleren van investeringen die invloed kunnen hebben op de verstrekte informatie; vraagt de ontwikkeling van adequate en billijke economische regels, om ook online pluriformiteit van de media te garanderen; verzoekt de Commissie om een actieplan op te stellen om ervoor te zorgen dat alle media voldoen aan minimumeisen op het gebied van onafhankelijkheid en kwaliteit;

25.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de toenemende repressieve maatregelen in sommige lidstaten tegen sociale bewegingen en betogingen, de vrijheid van vergadering en de vrije meningsuiting, met name het gebruik van buitensporig geweld tegen vreedzame demonstranten en het beperkte aantal politiële en gerechtelijke onderzoeken op dit gebied; verzoekt de lidstaten de vrijheid van vergadering te beschermen en geen maatregelen te nemen die de uitoefening van de fundamentele rechten en vrijheden, zoals het recht van demonstratie, staking, vergadering, vereniging en vrije meningsuiting, in gevaar brengen of zelfs strafbaar stellen; uit zijn grote bezorgdheid over nationale wetgeving van diverse lidstaten die gevolgen heeft voor de uitoefening van grondrechten in openbare ruimten en die het recht van vergadering beperkt; verzoekt de Commissie de ernstige aantasting van de grondrechten als gevolg van nationale wetgeving die om veiligheidsredenen beperkingen stelt aan de uitoefening van grondrechten in openbare ruimten, te monitoren en aan te pakken;

26.  merkt op dat een aantal terroristische voorvallen de EU en haar lidstaten ertoe hebben gebracht hun antiterroristische en antiradicaliseringsmaatregelen te verscherpen; dringt er bij de EU en de nationale autoriteiten op aan bij de vaststelling van deze maatregelen de principes van democratie, rechtstaat en fundamentele rechten ten volle te eerbiedigen, met name het recht op verdediging in rechte, het vermoeden van onschuld, het recht op een eerlijk proces en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en op de bescherming van persoonsgegevens; vraagt de lidstaten en de Commissie om voor elk nationaal wetgevings- of regelgevingsontwerp of -voorstel in het kader van terrorismebestrijding met volledige transparantie te onderzoeken of het in overeenstemming is met artikel 2 VEU en het Handvest;

27.  erkent dat de sterke verspreiding van transnationale cybercriminaliteit en cyberterrorisme ernstige uitdagingen op het gebied van en zorgen over de bescherming van de grondrechten in de onlineomgeving met zich meebrengt; acht het van cruciaal belang dat de Unie een grondige expertise ontwikkelt op het gebied van cyberveiligheid teneinde de naleving van de artikelen 7 en 8 van het Handvest op het internet te bevorderen;

28.  feliciteert de Amerikaanse Senaat met het rapport inzake de detentie- en ondervragingsprogramma's van de CIA; roept de lidstaten op tot een beleid van nultolerantie ten aanzien van foltering of andere onmenselijke en vernederende behandelingen op hun grondgebied; herhaalt zijn verzoeken aan de lidstaten om ervoor te zorgen dat verantwoording wordt afgelegd over schendingen van de grondrechten in het kader van het vervoer en het illegaal vasthouden van gevangenen in de Europese Unie door de CIA; dringt er bij de lidstaten op aan open en transparante onderzoeken uit te voeren om de waarheid te achterhalen over het gebruik van hun grondgebied en luchtruim en hun volledige medewerking te verlenen aan het onderzoek hierover van het Europees Parlement, dat onlangs opnieuw is opgestart, en de follow-up hiervan; roept op tot de bescherming van personen die zulke schendingen aan het licht brengen, zoals journalisten en klokkenluiders;

29.  uit zijn bezorgdheid over de herhaalde berichten over schendingen van EU-grondrechten, met name van de EU-gegevensbeschermingswetgeving, die zouden zijn begaan door de inlichtingenactiviteiten van lidstaten en derde landen, waarbij de elektronische communicatiegegevens van Europese burgers kunnen worden opgeslagen en ingekeken; veroordeelt met klem de massale afluisterpraktijken zoals die sinds 2013 aan het licht zijn gekomen en betreurt het feit dat deze praktijken blijven doorgaan; verzoekt om opheldering ten aanzien van deze activiteiten, met name ten aanzien van de huidige betrokkenheid en activiteiten van de diensten van bepaalde lidstaten; verzoekt de Commissie en de lidstaten volledig rekening te houden met de eisen en aanbevelingen van het Parlement, dat deze heeft uiteengezet in zijn resolutie van 12 maart 2014 over het surveillanceprogramma van het NSA, surveillance-instanties in de verschillende lidstaten en hun impact op de grondrechten van de burgers en op de trans-Atlantische samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken; verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat de activiteiten van hun inlichtingendiensten stroken met de verplichtingen ten aanzien van de grondrechten en onderworpen zijn aan parlementaire en wettelijke controle;

30.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de vaststelling van nationale wetgeving door de lidstaten die alles en iedereen omvattende surveillance toestaat, en wijst opnieuw op de noodzaak om veiligheidsinstrumenten te gebruiken die gericht, strikt noodzakelijk en evenredig zijn in een democratische samenleving; herhaalt zijn verzoek aan de EU en haar lidstaten om een systeem van bescherming voor klokkenluiders in het leven roepen;

31.  betreurt dat de burgers onvoldoende op de hoogte zijn van hun rechten op het gebied van gegevensbescherming en de persoonlijke levenssfeer en van de gerechtelijke verhaalmechanismen; benadrukt in dit opzicht de rol van de nationale gegevensbeschermingsautoriteiten bij de bevordering en de bekendmaking van deze rechten; is van mening dat het van cruciaal belang is dat burgers en in het bijzonder kinderen leren hoe ze hun gegevens kunnen beschermen, inclusief op het internet, en vertrouwd worden gemaakt met de gevaren waaraan zij blootgesteld kunnen worden; verzoekt de lidstaten om vooral in scholen bewustmakingscampagnes op te zetten; benadrukt dat in het licht van de snelle technologische ontwikkelingen en het toenemende aantal cyberaanvallen bijzondere aandacht moet worden besteed aan de bescherming van persoonsgegevens op het internet, met een sterke focus op de beveiliging van de verwerking en opslag, onderstreept het feit dat, hoewel het recht om te worden vergeten niet absoluut is en moet worden afgewogen tegen andere grondrechten, personen het recht moeten hebben om hun onlinepersoonsgegevens te laten corrigeren; onderstreept zijn ernstige bezorgdheid over de moeilijkheden die de meerderheid van de internetgebruikers ondervindt wanneer zij hun rechten in de digitale wereld willen doen gelden; roept de Raad op snel voortgang te maken met het pakket gegevensbescherming teneinde in de hele Unie een hoog niveau van gegevensbescherming te waarborgen;

32.  herinnert eraan dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat hun inlichtingendiensten binnen de wet opereren en de Verdragen en het Handvest volledig in acht nemen; verzoekt de lidstaten in dit verband ervoor te zorgen dat nationale wetgeving de verzameling en analyse van persoonsgegevens (met inbegrip van zogeheten metadata) alleen toestaat met instemming van de betrokkene of op basis van een gerechtelijk bevel dat is afgegeven op grond van een redelijk vermoeden dat het doelwit is betrokken bij een criminele activiteit;

33.  benadrukt dat onrechtmatige verzameling en verwerking van gegevens op dezelfde wijze moet worden bestraft als schendingen van de traditionele vertrouwelijkheid van correspondentie; staat erop dat het creëren van "achterdeuren" en het gebruik van andere technieken om beveiligingsmaatregelen te verzwakken of te omzeilen of bestaande zwakke punten daarvan te exploiteren ten strengste worden verboden;

34.  is gekant tegen de druk die door zowel publieke als particuliere actoren wordt uitgeoefend op particuliere bedrijven om toegang te krijgen tot de gegevens van internetgebruikers, de inhoud op het internet te controleren of het beginsel van netneutraliteit opnieuw ter discussie te stellen;

35.  onderstreept dat het waarborgen van de grondrechten in de hedendaagse informatiemaatschappij een essentieel doel van de EU moet zijn, nu het toenemende gebruik van informatie- en communicatietechnologie (ICT) zorgt voor nieuwe dreigingen voor de uitoefening van grondrechten op internet, waarvan de bescherming moet worden versterkt door deze rechten in de onlinewereld op dezelfde manier en in dezelfde mate te beschermen en te bevorderen als in de offlinewereld;

36.  dringt er bij de Commissie op aan de toepassing van bestaande EU-wetgeving op dit gebied intensief te bewaken en is van mening dat de lidstaten de bepalingen van hun strafrecht in de praktijk moeten brengen door schendingen van deze wetgeving doeltreffend te onderzoeken en te vervolgen teneinde de eerbiediging van de grondrechten van de slachtoffers te waarborgen;

37.  roept de Commissie en de lidstaten op de grootste waakzaamheid te betrachten waar het gaat om de mogelijke effecten van bepaalde nieuwe technologieën, zoals drones, op de grondrechten van de burgers en meer in het bijzonder op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van persoonsgegevens;

38.  benadrukt de zeer belangrijke rol van het onderwijs om radicalisering en de toename van onverdraagzaamheid en extremisme onder jongeren te voorkomen;

39.  betreurt de gevallen van discriminatie en zelfs geweld door de politiediensten tegen minderheidsgroepen zoals migranten, Roma, LGBTI of mensen met een handicap in bepaalde lidstaten; spoort de lidstaten ertoe aan deze gevallen te onderzoeken en te bestraffen; is van mening dat de politiediensten sterker bewust moeten worden gemaakt en moeten worden opgeleid in het onderkennen van de discriminatie en het geweld waarvan deze minderheden het slachtoffer worden; verzoekt de lidstaten om het vertrouwen van minderheden in de politiediensten te herstellen en minderheden aan te moedigen om aangifte te doen van gevallen van discriminatie en geweld; roept de autoriteiten in de lidstaten er eveneens toe op om de discriminerende etnische profielen waarvan bepaalde politiediensten gebruikmaken te bestrijden;

Vrijheid van godsdienst en geweten

40.  verwijst naar artikel 10 van het Handvest, waar de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst wordt beschermd, inclusief de vrijheid de godsdienst te belijden van zijn keuze en om van godsdienst of overtuiging te veranderen; is van mening dat hieronder ook de vrijheid van niet-gelovigen valt; veroordeelt elke vorm van discriminatie of onverdraagzaamheid en vraagt een verbod op elke vorm van discriminatie op grond hiervan; betreurt in verband hiermee de recente voorvallen van antisemitische en anti-islamdiscriminatie en -geweld; verzoekt de lidstaten, inclusief de regionale autoriteiten, om de vrijheid van godsdienst of overtuiging met alle beschikbare middelen te beschermen en om tolerantie en interculturele dialoog door middel van effectief beleid te bevorderen, met aanscherping van het antidiscriminatiebeleid waar nodig; herinnert aan het belang van een seculiere en neutrale staat als buffer tegen elke vorm van discriminatie van deze of gene religieuze, atheïstische of agnostische gemeenschap, waarin voor alle religies en overtuigingen een gelijke behandeling is gewaarborgd; uit zijn bezorgdheid over de toepassing van wetten inzake blasfemie en belediging van religies in de Europese Unie, die ernstige gevolgen kunnen hebben voor de vrijheid van meningsuiting, en dringt er bij de lidstaten op aan deze wetten af te schaffen; veroordeelt met klem de aanvallen die zijn gericht op gebedshuizen en roept de lidstaten op deze misdaden niet onbestraft te laten;

41.  dringt aan op eerbiediging van de godsdiensts- en geloofsvrijheid in het bezette deel van Cyprus, waar meer dan vijfhonderd religieuze en culturele monumenten op instorten staan;

42.  is zeer ongerust over de opleving van het antisemitisme in Europa en de banalisering van uitspraken waarin de Holocaust wordt ontkend of gerelativeerd; is bezorgd dat veel leden van de Joodse gemeenschap Europa willen verlaten vanwege een klimaat van groeiend antisemitisme en discriminatie en geweld gericht tegen de Joodse gemeenschap;

43.  is zeer bezorgd over de toename van anti-islambetogingen, aanvallen tegen moskeeën en de veelvuldige verwarring van de islam met het religieuze fanatisme van een zeer kleine minderheid; betreurt de discriminatie en het geweld waar de moslimgemeenschap het slachtoffer van is; roept de lidstaten op deze praktijken stelselmatig te veroordelen en in dit opzicht een beleid van nultolerantie te voeren;

Gelijkheid en non-discriminatie

44.  betreurt het diep dat de Raad het voorstel voor een richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid van 2008 nog steeds niet heeft vastgesteld; is ingenomen met het feit dat de Commissie deze richtlijn prioriteit heeft gegeven, herhaalt zijn oproep aan de Raad om het voorstel zo snel mogelijk vast te stellen;

45.  herinnert eraan dat pluralisme, non-discriminatie en tolerantie volgens artikel 2 VEU behoren tot de waarden die ten grondslag liggen aan de Unie; is van mening dat alleen beleid dat gericht is op de bevordering zowel van formele als van inhoudelijke gelijkheid en op de bestrijding van alle vormen van vooringenomenheid en discriminatie, een coherente samenleving kan bevorderen, door een einde te maken aan alle vooroordelen die schadelijk zijn voor de sociale integratie; betreurt het feit dat er zelfs vandaag in de EU nog steeds gevallen zijn van discriminatie, marginalisatie en zelfs geweld en misbruik, met name op basis van gender, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of persoonlijke overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele oriëntatie;

46.  is van mening dat de Unie en de lidstaten zich krachtiger moeten inzetten voor de bestrijding van discriminatie en de bescherming van culturele, godsdienstige en taalkundige diversiteit en maatregelen moeten bevorderen voor een verbetering van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, de rechten van het kind, de rechten van ouderen, de rechten van personen met een handicap, de rechten van LGBTI en de rechten van personen die behoren tot een nationale minderheid; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan om meervoudige discriminatie op te nemen in het gelijkheidsbeleid;

47.  veroordeelt elke vorm van geweld en discriminatie op het grondgebied van de EU en maakt zich zorgen over de toename van het aantal van dergelijke incidenten; verzoekt de Commissie en de lidstaten om specifieke beleidstoezeggingen te doen inzake de bestrijding van elke vorm van racisme, waaronder antisemitisme, islamofobie, afrofobie en zigeunerhaat;

48.  verzoekt de Commissie en de Raad om te erkennen dat er behoefte is aan betrouwbare en vergelijkbare gegevens over gelijkheid voor het meten van discriminatie, uitgesplitst naar discriminatiegrond, teneinde beleidsmakers te informeren en de tenuitvoerlegging van de discriminatiebestrijdingswetgeving te evalueren en beter te kunnen handhaven; verzoekt de Commissie om consequente beginselen voor het verzamelen van gegevens over gelijkheid op basis van zelfidentificatie, EU-normen op het gebied van gegevensbescherming en het raadplegen van de relevante gemeenschappen vast te stellen; verzoekt de lidstaten gegevens te verzamelen voor alle discriminatiegronden;

49.  spoort de EU ertoe aan een richtlijn aan te nemen waarin discriminatie op grond van geslacht wordt veroordeeld en waarin de strijd wordt aangebonden met vooroordelen en clichés met betrekking tot genderidentiteit in het onderwijs en in de media;

Bescherming van minderheden

50.  verzoekt meer consistentie van de Europese Unie op het gebied van de bescherming van minderheden; is er stellig van overtuigd dat alle lidstaten en kandidaat-lidstaten aan dezelfde beginselen en criteria dienen te voldoen om het hanteren van een dubbele standaard te vermijden; vraagt daarom de instelling van een doeltreffend mechanisme voor het controleren en waarborgen van de grondrechten van alle soorten minderheden, zowel in de kandidaat-lidstaten als in de EU-lidstaten;

51.  onderstreept dat de Europese Unie een gebied moet zijn waar etnische, culturele en taalkundige diversiteit worden geëerbiedigd; verzoekt de EU-instellingen een alomvattend EU-beschermingssysteem voor nationale, etnische en taalkundige minderheden uit te werken om hun gelijke behandeling te waarborgen, rekening houdend met de toepasselijke internationale wettelijke normen en bestaande goede praktijken, en verzoekt de lidstaten te zorgen voor de effectieve gelijkheid van deze minderheden, in het bijzonder op het gebied van taal, onderwijs en cultuur; verzoekt alle lidstaten die dat nog niet hebben gedaan om het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden te ratificeren en effectief ten uitvoer te leggen; herinnert ook aan de noodzaak om de beginselen die in het kader van de OVSE zijn ontwikkeld ten uitvoer te leggen;

52.  veroordeelt alle vormen van discriminatie op grond van taalgebruik en verzoekt alle lidstaten die dat nog niet hebben gedaan om het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden te ratificeren en effectief ten uitvoer te leggen; dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan om alle noodzakelijke maatregelen te nemen om onevenredige administratieve of wettelijke belemmeringen die de taalkundige diversiteit op Europees of nationaal niveau in de weg staan aan te pakken;

53.  benadrukt dat de beginselen van menselijke waardigheid en gelijkheid voor de wet en het verbod op discriminatie op welke grond dan ook het fundament van de rechtsstaat vormen; verzoekt de lidstaten om een nationaal wetgevingskader vast te stellen voor de bestrijding van alle vormen van discriminatie en om de effectieve toepassing van het bestaande EU-rechtskader te waarborgen;

Situatie van Roma

54.  betreurt de trend van toenemende anti-Romagevoelens in de Europese Unie en uit zijn bezorgdheid over de situatie van de Roma in de EU en de talrijke gevallen van vervolging, geweld, stigmatisering, discriminatie en uitzetting, die in strijd zijn met de grondrechten en het EU-recht; dringt er bij de Commissie op aan om actie te blijven ondernemen tegen lidstaten die geïnstitutionaliseerde discriminatie en segregatie toestaan; roept de lidstaten nogmaals op tot een doeltreffende tenuitvoerlegging van strategieën om werkelijke integratie te bevorderen en tot doelgerichte integratiemaatregelen, met name op het gebied van bescherming van de grondrechten, onderwijs, werkgelegenheid, huisvesting en gezondheidszorg, alsmede om geweld, haatuitingen en discriminatie jegens de Roma te bestrijden, overeenkomstig de aanbeveling van de Raad van dinsdag 9 december 2013 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten;

55.  benadrukt dat de nationale strategieën voor integratie van de Roma adequaat ten uitvoer moeten worden gelegd door geïntegreerd beleid te ontwikkelen waarbij lokale autoriteiten, niet-gouvernementele organen en Romagemeenschappen bij de lopende dialoog worden betrokken; verzoekt de Commissie te zorgen voor monitoring en een betere coördinatie van de tenuitvoerlegging; verzoekt de lidstaten samen met vertegenwoordigers van de Romabevolking te werken aan het beheer, de bewaking en de beoordeling van projecten die hun gemeenschappen aangaan, gebruik makend van de beschikbare middelen, inclusief middelen van de EU, terwijl zij strikt toezicht houden op de eerbiediging van de grondrechten van de Roma, inclusief de vrijheid van verkeer, overeenkomstig Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden;

56.  betreurt de bestaande discriminatie van Roma in nationale onderwijsstelsels en op de arbeidsmarkt; wijst op de toenemende kwetsbaarheid in het bijzonder van Romavrouwen en -kinderen voor meervoudige gelijktijdige schendingen van hun grondrechten; wijst andermaal op het belang van bescherming en bevordering van gelijke toegang tot alle rechten voor Romakinderen;

57.  dringt er bij de lidstaten op aan om de noodzakelijke wetswijzigingen inzake sterilisatie vast te stellen en om onder dwang gesteriliseerde Romavrouwen en vrouwen met een geestelijke handicap financieel te compenseren, overeenkomstig de jurisprudentie van het EHRM;

Geweld tegen vrouwen en gelijkheid tussen vrouwen en mannen

58.  spoort de EU en de lidstaten aan elke vorm van geweld en discriminatie tegen vrouwen te bestrijden en te vervolgen; verzoekt de lidstaten met name om elke vorm van huiselijk geweld en seksuele uitbuiting, ook in het geval van vluchtelingen en migrantenkinderen, alsmede vroegtijdige of gedwongen huwelijken doeltreffend te bestrijden;

59.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de omvang en de verschijningsvormen van geweld tegen vrouwen in de EU, zoals is gedocumenteerd in de EU-brede enquête van het FRA waaruit blijkt dat een op de drie vrouwen sinds hun vijftiende te maken heeft gehad met fysiek en/of seksueel geweld en dat elk jaar naar schatting 3,7 miljoen vrouwen in de EU slachtoffer zijn van seksueel geweld; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom de bestaande wetgeving te evalueren en de kwestie van geweld tegen vrouwen hoog op de agenda te houden, aangezien gendergerelateerd geweld niet mag worden getolereerd; verzoekt de Commissie de ratificaties op nationaal niveau te stimuleren en de procedure voor de toetreding van de Unie tot de Overeenkomst van Istanbul zo snel mogelijk op te starten; onderstreept dat de onmiddellijke toetreding van alle lidstaten tot het Verdrag van Istanbul zal leiden tot de ontwikkeling van geïntegreerd beleid en de internationale samenwerking bij de bestrijding van elke vorm van geweld tegen vrouwen, inclusief seksuele intimidatie zowel online als offline, zal bevorderen;

60.  roept de lidstaten ertoe op om netwerken op te richten van opvangcentra voor vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van mensenhandel en prostitutie, waar deze vrouwen psychologische, medische, sociale en juridische bijstand kunnen krijgen, en om maatregelen in te voeren om slachtoffers een stabiele baan met daarbij horende rechten te helpen vinden;

61.  is diep verontrust over de voortzetting van de praktijk van genitale verminking, die een ernstige vorm van geweld tegen vrouwen en meisjes is en een onaanvaardbare schending van hun recht op lichamelijke integriteit; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan de grootst mogelijke waakzaamheid te betrachten en deze praktijk op hun grondgebied te bestrijden om zo snel mogelijk een einde hieraan te maken; vraagt met name dat de lidstaten een krachtige en afschrikkende aanpak hanteren door mensen die met migranten werken een opleiding te geven en de daders van genitale verminking effectief en systematisch te vervolgen en te straffen en vindt dat in dit opzicht een nultolerantiebeleid moet worden toegepast; wijst erop dat dit moet samengaan met voorlichtings- en bewustmakingscampagnes die op de betrokken groepen gericht zijn; is verheugd dat de Europese asielwetgeving slachtoffers van genitale verminking als kwetsbare personen beschouwt en genitale verminking tot de criteria rekent die bij een asielaanvraag in aanmerking moeten worden genomen;

62.  verzoekt de Commissie de continuïteit van de verzameling van gegevens over de prevalentie en aard van geweld tegen vrouwen te waarborgen als basis voor robuust beleid om geweld te voorkomen en tegemoet te komen aan de behoeften van slachtoffers, onder meer door de tenuitvoerlegging van de EU-slachtofferrichtlijn (2012/29/EU) te beoordelen en bewustmakingscampagnes te organiseren tegen seksuele intimidatie; is van mening dat bij de gegevensverzameling moet worden voortgebouwd op de eerste door het FRA uitgevoerde EU-brede enquête en dat de gegevensverzameling gebaseerd moet zijn op samenwerking tussen de Commissie (met inbegrip van Eurostat), het FRA en het Europees Instituut voor gendergelijkheid; herhaalt het in zijn resolutie van 25 februari 2014 met aanbevelingen aan de Commissie inzake het bestrijden van geweld tegen vrouwen gedane verzoek aan de Commissie om een wetgevingsvoorstel in te dienen met maatregelen om het beleid van de lidstaten inzake het voorkomen van geweld tegen vrouwen en meisjes, inclusief genitale verminking bij vrouwen, te bevorderen en ondersteunen; verzoekt de Commissie om 2016 uit te roepen tot het jaar van de bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes;

63.  verzoekt de EU en de lidstaten om elke vorm van geweld tegen vrouwen te bestrijden en te vervolgen; verzoekt de Commissie een wetgevingsinitiatief voor het verbieden van geweld tegen vrouwen in de EU te presenteren;

64.  verzoekt de Commissie de samenleving bewust te maken teneinde een cultuur van respect en tolerantie te stimuleren waarin vrouwen op geen enkele wijze worden gediscrimineerd; verzoekt de lidstaten bovendien ervoor te zorgen dat de nationale strategieën om de seksuele en reproductieve rechten van de vrouw te eerbiedigen en te beschermen worden uitgevoerd; beklemtoont dat de Unie een belangrijke rol speelt bij het vergroten van het bewustzijn en het bevorderen van beste praktijken op dit gebied, aangezien gezondheid een fundamenteel mensenrecht is dat van essentieel belang is voor de uitoefening van andere mensenrechten;

65.  acht het zeer verontrustend dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in de besluitvormingsprocessen, in ondernemingen en ondernemingsraden, in de wetenschap en de politiek, zowel op nationaal als op internationaal niveau (grote bedrijven, nationale en Europese verkiezingen), maar vooral op lokaal niveau; vraagt vrouwen te steunen bij hun professionele ontwikkeling en hun inspanningen om in leidinggevende functies te worden aangesteld en verzoekt de Europese instellingen meer aandacht te besteden aan het feit dat slechts 17,8 % van de posities in de bestuursraden van de grootste beursgenoteerde ondernemingen in de EU wordt bekleed door een vrouw;

66.  verzoekt de Raad een einde te maken aan de impasse rond de richtlijn inzake zwangerschapsverlof, daar deze kan zorgen voor echte, concrete gelijkheid van vrouwen en mannen en voor harmonisatie op EU-niveau;

67.  herinnert eraan dat meer dan de helft van de afgestudeerden met een postdoctoraal diploma vrouwen zijn en dat dit gegeven niet weerspiegeld wordt op de arbeidsmarkt, met name in hoge, leidinggevende functies; verzoekt de lidstaten daarom alle nodige stappen te ondernemen om te zorgen voor gelijke participatie van vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt en vrouwen te helpen hoge posities te verwerven en vooral om zo snel mogelijk een akkoord te bereiken over het voorstel voor een richtlijn inzake de verbetering van de man-vrouwverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen en daarmee samenhangende maatregelen; betreurt dat in de EU voor gelijk werk het inkomen van vrouwen nog steeds gemiddeld 16 % lager ligt dan dat van mannen; verzoekt de EU daarom haar inspanningen voor de gelijkheid van vrouwen en mannen op het gebied van beloningen, overeenkomstig artikel 157 VWEU, pensioenen en deelname aan de arbeidsmarkt, ook in topmanagementfuncties, voort te zetten; is van mening dat deze actie moet helpen armoede te bestrijden en ervoor te zorgen dat Europa al het beschikbare talent ten volle benut; betreurt het feit dat de werkloosheid bij vrouwen nog steeds aanzienlijk hoger ligt dan die bij mannen en benadrukt het feit dat de financiële onafhankelijkheid van vrouwen een component moet zijn van de strijd tegen armoede;

68.  verzoekt de Commissie om het toezicht op de naleving van het beginsel van gelijkheid van mannen en vrouwen, zoals opgenomen in de Europese wetgeving, te versterken; roept de lidstaten ertoe op over te gaan tot eenzelfde onderzoek met betrekking tot hun nationale wetgeving;

69.  onderkent dat seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) grondrechten zijn en een wezenlijk bestanddeel vormen van de menselijke waardigheid, gendergelijkheid en zelfbeschikking; dringt er bij de Commissie op aan om seksuele en reproductieve gezondheid en rechten als fundamentele mensenrechten in haar volgende EU-gezondheidsstrategie op te nemen, teneinde de samenhang tussen het interne en het externe beleid van de EU inzake de grondrechten te waarborgen, zoals het Parlement op 10 maart 2015 heeft gevraagd;

70.  erkent dat het weigeren van een levensreddende abortus een ernstige schending van de grondrechten betekent;

71.  roept de lidstaten ertoe op in samenwerking met de Commissie het recht te erkennen op toegang tot veilige en moderne voorbehoedsmiddelen en seksuele voorlichting op school; dringt er bij de Commissie op aan het nationale beleid aan te vullen om de volksgezondheid te verbeteren en het Europees Parlement daarvan steeds op de hoogte te houden;

Kinderrechten

72.  veroordeelt krachtig elke vorm van geweld tegen kinderen en mishandeling van kinderen; verzoekt de lidstaten, als staten die partij zijn bij het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, passende maatregelen te nemen om kinderen te beschermen tegen elke vorm van fysiek en psychisch geweld, waaronder fysiek en seksuele mishandeling, een gedwongen huwelijk, kinderarbeid en seksuele uitbuiting;

73.  veroordeelt met klem de seksuele uitbuiting van kinderen en met name het groeiende verschijnsel van kinderpornografie op het internet; dringt er bij de Unie en de lidstaten op aan hun krachten te bundelen in de strijd tegen deze zeer ernstige schendingen van de rechten van het kind en om terdege rekening te houden met de eisen van het Parlement zoals geformuleerd in zijn resolutie van 11 maart 2015 over de strijd tegen kinderpornografie op internet(33); herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan om de richtlijn betreffende seksueel misbruik, seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie om te zetten; roept tevens de Unie en de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan op om het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik te ratificeren;

74.  verzoekt de lidstaten om Richtlijn 2011/93/EU ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie ten uitvoer te leggen en de wettelijke mogelijkheden, technische vaardigheden en financiële middelen van wetshandhavingsautoriteiten te versterken zodat er meer kan worden samengewerkt, onder meer met Europol, teneinde netwerken van plegers van seksueel misbruik van kinderen doeltreffender te kunnen oprollen en daarbij de rechten en de veiligheid van de betrokken kinderen voorop te stellen;

75.  beklemtoont de rol van beroepsbeoefenaars die werken met kinderen, zoals onderwijzers, opvoeders en kinderartsen, bij het opmerken van tekenen van fysiek en psychisch geweld tegen kinderen, inclusief cyberpesten; roept de lidstaten op om deze beroepsbeoefenaars op te leiden in en bewust te maken van deze problematiek; roept de lidstaten tevens op om telefoonlijnen in te stellen waar kinderen elk geval van mishandeling, seksueel geweld, intimidatie of pesterij waarvan zij het slachtoffer zijn, kunnen aangeven;

76.  is van mening dat persoonsgegevens van kinderen op internet naar behoren moeten worden beschermd en dat kinderen op een kindvriendelijke wijze moeten worden voorgelicht over de gevaren en de gevolgen van onlinegebruik van hun persoonsgegevens; verzoekt de lidstaten om vooral in scholen bewustmakingscampagnes op te zetten; benadrukt dat onlineprofilering van kinderen verboden moet worden;

77.  veroordeelt elke vorm van discriminatie tegen kinderen en verzoekt de Commissie en de lidstaten eendrachtig op te treden om discriminatie tegen kinderen uit te bannen; verzoekt de lidstaten en de Commissie met name om kinderen expliciet als prioriteit te beschouwen bij het programmeren en uitvoeren van regionaal en cohesiebeleid;

78.  verzoekt de lidstaten om voor effectieve toegang tot justitie te zorgen voor alle kinderen, ongeacht of ze verdachte, dader, slachtoffer of partij in een procedure zijn; bevestigt het belang van het versterken van de procedurele waarborgen voor kinderen in strafzaken, met name in het kader van de lopende gesprekken over een richtlijn betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure;

79.  is bezorgd over het toenemende aantal gevallen van ontvoeringen naar het buitenland van kinderen door een ouder; benadrukt in dat opzicht het belang van de bemiddelende rol van het Europees Parlement voor kinderen die het slachtoffer zijn van ontvoering naar het buitenland door een ouder; onderstreept het belang van een gemeenschappelijke EU-benadering om vermiste kinderen terug te vinden in de EU; verzoekt de lidstaten de politiële en justitiële samenwerking in grensoverschrijdende gevallen waarbij vermiste kinderen betrokken zijn op te voeren en hotlines te ontwikkelen voor het opsporen van vermiste kinderen;

80.  herinnert eraan dat het belang van het kind, zoals opgenomen in artikel 24 van het Verdrag, altijd een eerste overweging moet zijn bij al het beleid en elke maatregel met betrekking tot kinderen; herinnert eraan dat het recht op onderwijs is opgenomen in het Handvest en dat onderwijs van wezenlijk belang is, zowel voor het welzijn en de persoonlijke ontwikkeling van het kind als voor de toekomst van de samenleving; is van mening dat onderwijs voor kinderen uit arme gezinnen een essentiële voorwaarde is om kinderen uit een situatie van armoede te halen; roept de lidstaten derhalve op kwaliteitsvol onderwijs voor iedereen te bevorderen;

81.  benadrukt dat de belangen en de rechten van kinderen van EU-burgers naar behoren moeten worden beschermd, niet alleen binnen de Unie maar ook daarbuiten, en roept daarom op tot nauwere samenwerking met de instanties die verantwoordelijk zijn voor het welzijn van kinderen in Noordse landen die niet tot de EU behoren; is van mening dat alle partners van de EU (met inbegrip van leden van de EER) het Verdrag van Den Haag van 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen zouden moeten ratificeren;

82.  erkent dat de financiële en economische crisis de verwezenlijking van de rechten en het welzijn van kinderen ernstig heeft belemmerd; verzoekt de lidstaten hun inspanningen voor de bestrijding van de armoede onder en sociale uitsluiting van kinderen op te voeren door de aanbeveling van de Commissie getiteld "Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken" effectief ten uitvoer te leggen met behulp van geïntegreerde strategieën om de toegang tot toereikende middelen, de toegang tot betaalbare, hoogwaardige diensten en de deelname van kinderen aan besluitvorming die hen aangaat te verbeteren; verzoekt de Commissie verdere maatregelen te nemen om toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van de aanbeveling;

83.  vraagt de Commissie om in 2015 een ambitieuze en alomvattende opvolger van de EU-agenda voor de rechten van het kind voor te stellen; verzoekt de Commissie om te zorgen voor de effectieve integratie van kinderrechten in alle wetgeving, beleid en financiële beslissingen van de EU; verzoekt de Commissie om jaarlijks verslag uit te brengen over de geboekte vooruitgang op het gebied van kinderrechten en om het acquis van de EU op het gebied van kinderrechten volledig ten uitvoer te leggen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het mandaat en de middelen van de coördinator voor de rechten van het kind in verhouding staan tot de toezegging van de EU dat zij die rechten stelselmatig en daadwerkelijk zal integreren in alle beleid; verzoekt de Commissie om de aangekondigde EU-richtsnoeren voor geïntegreerde kinderbeschermingssystemen vast te stellen;

84.  is ingenomen met de tendens om gedwongen huwelijken in de lidstaten strafbaar te stellen; vraagt de lidstaten om zich waakzaam te tonen en werknemers die met kinderen in aanraking komen, zoals onderwijzers en opvoeders, op te leiden en bewust te maken opdat zij kinderen die het gevaar lopen meegenomen te worden naar hun land van herkomst om daar gedwongen te trouwen, kunnen opmerken;

Rechten van LGBTI

85.  veroordeelt in de meest krachtige bewoordingen de discriminatie en het geweld binnen het EU-gebied tegen LGBTI, die worden aangewakkerd door wetten en maatregelen die de grondrechten van LGBTI inperken; vraagt de Commissie en de lidstaten wetten en maatregelen in te voeren om de homo- en transfobie tegen te gaan; verzoekt de Commissie in dit verband om te komen met een actieplan of strategie op EU-niveau tegen homofobie en voor gelijkheid op grond van seksuele geaardheid en genderidentiteit, zoals herhaaldelijk is gevraagd door het Europees Parlement en zoals beloofd door commissaris Jourová tijdens de hoorzittingen met kandidaat-commissarissen; herinnert in verband hiermee aan zijn resolutie van 4 februari 2014 over de EU-routekaart tegen homofobie en discriminatie wegens seksuele gerichtheid of genderidentiteit; benadrukt evenwel dat dit omvattende beleid de bevoegdheden van de Europese Unie, van haar agentschappen en van haar lidstaten moet eerbiedigen;

86.  is van mening dat de grondrechten van LGBTI waarschijnlijk beter zullen worden beschermd wanneer LGBTI toegang hebben tot wettelijke instituties als samenwonen, geregistreerd partnerschap en huwelijk; verheugt zich over het feit dat dit momenteel in 19 lidstaten mogelijk is, en vraagt de andere lidstaten te overwegen het voorbeeld van deze landen te volgen; herhaalt bovendien zijn verzoek aan de Commissie om een voorstel in te dienen voor een ambitieuze verordening om te zorgen voor de wederzijdse erkenning van documenten van de burgerlijke stand (inclusief wettelijke geslachtserkenning, huwelijken en geregistreerde partnerschappen) en de juridische gevolgen hiervan, met het oog op het wegnemen van discriminerende wettelijke en administratieve belemmeringen waar burgers mee te kampen hebben wanneer ze hun recht op vrij verkeer uitoefenen;

87.  spoort de lidstaten aan om zich waakzaam en standvastig te tonen en belediging en stigmatisering van LGBTI in de openbare ruimte door bekleders van een openbaar ambt te bestraffen;

88.  spoort de EU-lidstaten aan om vakbonden en werkgeversorganisaties te steunen bij hun inspanningen om diversiteits- en non-discriminatiebeleid met een focus op LGBTI vast te stellen;

89.  is van mening dat de overheden van de lidstaten de procedures voor mensen die van geslacht zijn veranderd om hun nieuwe sekse te laten erkennen in officiële documenten moeten vereenvoudigen; herhaalt zijn veroordeling van elke juridische erkenningsprocedure waarin transgenders worden gedwongen tot sterilisatie;

90.  betreurt het dat transgenders in de meeste lidstaten nog steeds als personen met een psychische aandoening worden beschouwd en roept deze lidstaten op hun nationale classificatiesystemen voor psychische aandoeningen te herzien en ervoor te zorgen dat medisch noodzakelijke behandelingen beschikbaar blijven voor alle transgenders;

91.  is ingenomen met het initiatief van de Commissie om erop aan te sturen dat transgenderidentiteiten uit de pathologische sfeer worden getrokken bij de herziening van de internationale classificatie van ziekten (ICD) van de Wereldgezondheidsorganisatie; verzoekt de Commissie meer inspanningen te verrichten om te voorkomen dat gendervariatie bij kinderen een nieuwe diagnose in de ICD wordt;

92.  betreurt het sterk dat chirurgische ingrepen met het oog op genitale "normalisering" van interseksuele kinderen veel voorkomen, terwijl die uit medisch oogpunt niet noodzakelijk zijn; is in dit verband ingenomen met de Maltese wet inzake genderidentiteit, genderexpressie en geslachtskenmerken van april 2015, die dergelijke ingrepen bij interseksuele kinderen verbiedt en het beginsel van zelfbeschikking van interseksuele personen versterkt, en verzoekt andere lidstaten het voorbeeld van Malta te volgen;

Rechten van personen met een handicap

93.  betreurt dat mensen met een handicap ook thans nog discriminatie en uitsluiting ondervinden; vraagt de Commissie, de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten uitvoering te geven aan de Europese strategie inzake handicaps en de desbetreffende Europese wetgeving te bewaken en toe te passen; roept de Commissie in dit verband op het wetgevingsinitiatief voor een Accessibility Act weer ter hand te nemen en in de vorm te gieten van een horizontaal instrument dat vooruitgang mogelijk maakt bij de bescherming van personen met een handicap en ervoor kan zorgen dat alle onder de bevoegdheid van de EU vallende beleidsgebieden in overeenstemming zijn met dit doel; vraagt de Commissie ook te zorgen voor maximale synergie tussen de Europese strategie inzake handicaps en de bepalingen van het CEDAW en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, teneinde het effectieve genot en de daadwerkelijke uitoefening van de erkende rechten te waarborgen, ook door middel van de harmonisering en tenuitvoerlegging van het rechtskader en door middel van culturele en beleidsmaatregelen;

94.  dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten richtsnoeren te verstrekken voor een optimale benutting van de Europese fondsen overeenkomstig de verplichtingen van de EU op grond van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en steun te verlenen aan en nauw samen te werken met ngo's en organisaties om ervoor te zorgen dat het verdrag naar behoren ten uitvoer wordt gelegd; verzoekt de EU en de lidstaten om de toegang van personen met een handicap, inclusief psychosociale handicaps, tot werkgelegenheid en opleiding te verbeteren en om zelfstandig wonen en deïnstitutionaliseringsprogramma's overeenkomstig artikel 26 van het Handvest te ondersteunen;

95.  benadrukt het feit dat het recht moet worden geëerbiedigd van personen met een handicap op politieke participatie bij verkiezingen; verzoekt de Commissie in verband hiermee een beoordeling van de verenigbaarheid met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap op te nemen in haar verslaglegging over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 93/109/EG en Richtlijn 94/80/EG, waarin het recht om te stemmen en zich kandidaat te stellen voor de verkiezingen voor het Europees Parlement en gemeenteraadsverkiezingen is neergelegd; betreurt dat een behoorlijk aantal personen met een handicap van wie men de rechtsbevoegdheid heeft afgenomen, ook geen stemrecht meer heeft; roept de lidstaten daarom op om hun wetgeving aan te passen teneinde personen met een handicap die geen rechtsbevoegdheid hebben, niet systematisch het stemrecht te ontzeggen, maar veeleer een onderzoek uit te voeren per geval en personen met een handicap hulp te verlenen bij het stemproces;

96.  roept de Commissie op om na te gaan of Europese wethandelingen stroken met de vereisten van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap en om elk toekomstig voorstel middels een effectbeoordeling te toetsen aan dit verdrag;

97.  veroordeelt het gebruik van fysieke dwang en de gedwongen toediening van medicijnen bij geestelijk gehandicapten en roept de Europese Unie en de lidstaten ertoe op beleid vast te stellen op het gebied van sociale integratie;

98.  betreurt het feit dat personen met een handicap nog steeds belemmeringen ondervinden bij de toegang tot de markt van goederen en diensten binnen de Europese Unie; is van mening dat deze belemmeringen van een dergelijke aard zijn dat zij de participatie van deze mensen aan de samenleving in de weg staan en een schending vormen van hun rechten, met name als Europees burger; vraagt de Commissie om snel vooruitgang te boeken met het bevorderen van de toegankelijkheid binnen de Europese Unie opdat zo snel mogelijk een wetshandeling kan worden aangenomen;

99.  verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten om personen met een handicap nauw te betrekken, onder meer via hun vertegenwoordigende organisaties, bij het besluitvormingsproces op hun respectieve bevoegdheidsgebieden, in overeenstemming met artikel 4, lid 3, van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;

100.  verzoekt de EU-lidstaten en -instellingen ervoor te zorgen dat mogelijkheden om te participeren in raadplegingsprocessen duidelijk en breed worden gepubliceerd in toegankelijke media, dat input ook in andere formaten kan worden gegeven, zoals braille of "easy-to read", en dat openbare hoorzittingen en bijeenkomsten waarin over voorgestelde wetgeving en voorgesteld beleid wordt gediscussieerd beter toegankelijk worden;

101.  verzoekt de Commissie om de gegevensverzameling over handicaps te harmoniseren door sociale enquêtes op EU-niveau uit te voeren overeenkomstig de vereisten van artikel 31 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; benadrukt dat bij deze gegevensverzameling gebruik methodologieën moeten worden gebruik die alle personen met een handicap bestrijken, onder wie ook personen met ernstige handicaps en personen die in instellingen wonen;

Discriminatie op grond van leeftijd

102.  betreurt het dat veel ouderen dagelijks te maken hebben met discriminatie en schending van hun grondrechten, met name bij de toegang tot een toereikend inkomen, arbeid, gezondheidszorg en basisgoederen en -diensten; herinnert eraan dat artikel 25 van het Handvest van de grondrechten bepaalt dat ouderen het recht hebben om een waardig en zelfstandig leven te leiden en om aan het maatschappelijke en culturele leven deel te nemen; verzoekt de Commissie om een strategie inzake demografische veranderingen te ontwikkelen voor de toepassing van artikel 25 van het Handvest van de grondrechten;

103.  is bezorgd over het feit dat mishandeling, verwaarlozing en misbruik van ouderen courant is in de lidstaten; roept de lidstaten op maatregelen te nemen om misbruik van en alle vormen van geweld tegen ouderen te bestrijden en hun onafhankelijkheid te bevorderen door de renovatie en toegankelijkheid van huisvesting te steunen; wijst er nogmaals op dat oudere vrouwen vaker onder de armoedegrens leven als gevolg van de loon- en later ook de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen;

104.  verzoekt de lidstaten de integratie van jongere werknemers op de arbeidsmarkt te garanderen, in het bijzonder van hen die zijn getroffen door de economische crisis, onder meer door de organisatie en het ter beschikking stellen van opleidingen die de sociale promotie van jongeren beogen;

105.  roept op tot eerbiediging van de menselijke waardigheid aan het levenseinde, met name door ervoor te zorgen dat in levenstestamenten vastgelegde beslissingen worden erkend en gerespecteerd;

106.  is bezorgd over het feit dat de bezuinigingen van de lidstaten op overheidsuitgaven en pensioenen er in grote mate toe bijdragen dat de armoede onder ouderen toeneemt, aangezien hun beschikbare inkomen door die bezuinigingen daalt, hun levensomstandigheden verslechteren, ongelijkheden ontstaan wat betreft de betaalbaarheid van diensten en het aantal ouderen waarvan het inkomen net boven de armoedegrens ligt toeneemt;

Haatmisdrijven en haattaal

107.  betreurt de door racisme, xenofobie, religieuze intolerantie of vooroordelen tegen personen met een handicap, geslacht, seksuele geaardheid of genderidentiteit ingegeven incidenten van haattaal en haatmisdrijven die dagelijks in de EU plaatsvinden; verzoekt de lidstaten de grondrechten te beschermen en begrip, acceptatie en tolerantie tussen de verschillende gemeenschappen op hun grondgebied te bevorderen; verzoekt de EU om de bestrijding van haatmisdrijven op de eerste plaats te stellen bij het formuleren van beleid tegen discriminatie en op het terrein van justitie, verzoekt de Commissie en de lidstaten om de strijd tegen haatmisdrijven en discriminerende houdingen en gedragingen te versterken door het ontwikkelen van een alomvattende strategie ter bestrijding van haatmisdrijven, door vooroordelen ingegeven geweld en discriminatie;

108.  is bezorgd over het steeds vaker voorkomen van haattaal op het internet en verzoekt de lidstaten een eenvoudige procedure in te voeren aan de hand waarvan burgers haatdragende inhoud op het internet kunnen melden;

109.  betoont zich bezorgd over de strafrechtelijke onderzoeken en veroordelingen die in de lidstaten worden ingesteld en uitgesproken in verband met haatmisdrijven; verzoekt de lidstaten alle gepaste maatregelen te nemen om mensen ertoe aan te moedigen om van deze misdrijven aangifte te doen, inclusief door te zorgen voor adequate bescherming, aangezien bevindingen van de grootschalige onderzoeken van het FRA consequent hebben aangetoond dat slachtoffers van misdaden aarzelen om naar voren te komen en aangifte te doen bij de politie;

110.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat diverse lidstaten de bepalingen van Kaderbesluit 2008/913/JBZ niet correct hebben omgezet en verzoekt de lidstaten de EU-normen volledig om te zetten en uit te voeren en te zorgen voor de handhaving van nationale wetgeving voor het bestraffen van alle vormen van haatmisdrijven en aanzetten tot haat en intimidatie en voor het systematisch activeren van de vervolging van deze strafbare feiten; verzoekt de Commissie om toezicht te houden op de correcte omzetting van het kaderbesluit en inbreukprocedures in te leiden tegen lidstaten die daar niet in zijn geslaagd; dringt voorts aan op herziening van het kaderbesluit teneinde alle vormen van haatmisdrijven en misdrijven die zijn ingegeven door vooroordelen of discriminatie te bestrijken en duidelijk consistente normen voor onderzoek en vervolging vast te stellen;

111.  verzoekt de Commissie om ondersteuning van opleidingsprogramma's voor rechtshandhavings- en gerechtelijke instanties, alsook van de desbetreffende EU-agentschappen, met het oog op het voorkomen en het bestrijden van discriminerende praktijken en haatmisdrijven; verzoekt de lidstaten om de voor onderzoek en vervolging bevoegde autoriteiten uit te rusten met praktische instrumenten en vaardigheden om de strafbare feiten die onder dit kaderbesluit vallen op te sporen en aan te pakken, en voor de interactie en communicatie met slachtoffers;

112.  stelt bezorgd de opkomst vast van politieke partijen die hun politieke programma's baseren op uitsluiting op grond van etnie, seksuele oriëntatie of religie;

113.  is zeer bezorgd over de toenemende banalisering van racistische en xenofobe handelingen en uitlatingen door de steeds zichtbaardere aanwezigheid van racistische en xenofobe groeperingen in de publieke ruimte, waarvan sommige het statuut van politieke partij hebben verworven of trachten te verwerven;

114.  is ten zeerste verontrust over de opkomst van racistische, xenofobe en islamofobe politieke partijen, die de huidige economische en sociale crisis als voorwendsel gebruiken;

115.  veroordeelt met klem de praktijken van intimidatie en vervolging van minderheden, met name van Roma en migranten, die worden toegepast door paramilitaire groeperingen, waarvan sommige rechtstreekse banden hebben met een politieke partij; spoort de lidstaten ertoe aan dergelijke praktijken te verbieden en te bestraffen;

Daklozen

116.  is ongerust over het aantal personen dat als gevolg van de economische crisis zijn woning heeft verloren; is van mening dat daklozen deel moeten blijven uitmaken van de maatschappij en daarom hun isolement en marginalisering moet worden bestreden; roept in dit kader de lidstaten op om een ambitieus beleid voor steunverlening aan deze personen vast te stellen; herinnert eraan dat daklozen kwetsbaar zijn en herhaalt zijn oproep aan de lidstaten om deze personen niet te stigmatiseren als misdadigers; vraagt de lidstaten elke wet of elk beleid in die zin te schrappen; verzoekt de lidstaten nationale strategieën uit te werken ter bestrijding van het fenomeen van daklozen op hun grondgebied; verzoekt de Commissie de lidstaten te steunen bij de bestrijding van het fenomeen van daklozen op hun grondgebied, en wel door middel van het bevorderen van de uitwisseling van goede praktijken en goede gegevensverzameling; verzoekt de Commissie toezicht te houden op mensenrechtenschendingen in de lidstaten die het gevolg zijn van het fenomeen van daklozen op hun grondgebied; herinnert eraan dat het recht op bijstand bij huisvesting voor de meest hulpbehoevenden is opgenomen in het Handvest van de grondrechten;

De rechten van migranten en van personen die om internationale bescherming verzoeken

117.  veroordeelt het feit dat grote aantallen asielzoekers en migranten die Europa proberen te bereiken op de Middellandse Zee het leven verliezen en de rol die wordt gespeeld door mensensmokkelaars en -handelaars, die migranten hun grondrechten ontzeggen; wijst erop dat de EU en de lidstaten snel en doeltreffend moeten optreden om bijkomende tragedies op zee te voorkomen; verzoekt de EU en haar lidstaten solidariteit en eerbiediging van de grondrechten van migranten en asielzoekers centraal te plaatsen in het EU-migratiebeleid, waarbij het met name

   het feit benadrukt dat de grondrechten moeten worden gemainstreamd in alle aspecten van het EU-migratiebeleid en dat een grondige evaluatie moet worden uitgevoerd van de impact van de maatregelen en mechanismen op het gebied van migratie, asiel en grensbeheer op de grondrechten van de migranten; de lidstaten met name verzoekt de rechten te eerbiedigen van kwetsbare migranten;
   het feit onderstreept dat de EU moet zorgen voor een holistische aanpak, die de coherentie van de interne en de externe beleidsmaatregelen van de EU zal versterken; erop aandringt om de eerbiediging van de rechten van migranten in elke bilaterale of multilaterale samenwerkingsovereenkomst met niet-EU-landen centraal te stellen, met inbegrip van overnameovereenkomsten, mobiliteitspartnerschappen en overeenkomsten inzake technische bijstand;
   de lidstaten herinnert aan hun internationale verplichting om hulp te bieden aan personen die op zee in nood verkeren;
   bij de lidstaten aandringt op wijziging of herziening van alle wetgeving die personen die hulp verlenen aan migranten in nood op zee strafbaar stelt;
   het grondrecht onderstreept om asiel te zoeken; de EU en de lidstaten ertoe aanmoedigt nieuwe, veilige en wettelijke mogelijkheden en kanalen open te stellen voor asielzoekers die de Europese Unie in willen en hiervoor voldoende middelen uit te trekken, om de aan pogingen tot illegale binnenkomst inherente risico's te verminderen en de netwerken van mensensmokkel en mensenhandel te bestrijden die profiteren van het in gevaar brengen van het leven van migranten en van hun seksuele uitbuiting en hun uitbuiting op het gebied van arbeid;
   alle lidstaten verzoekt deel te nemen aan EU-hervestigingsprogramma's en het gebruik aanmoedigt van humanitaire visa;
   er bij de lidstaten op aandringt behoorlijke onthaalvoorwaarden te garanderen overeenkomstig de bestaande grondrechten en asielwetgeving, met bijzondere aandacht voor kwetsbare groepen en voor het verminderen van het risico van sociale uitsluiting van asielzoekers; de Commissie verzoekt de tenuitvoerlegging van het Gemeenschappelijk Europees Asielsysteem (GEAS), met name Richtlijn 2013/32/EU, te controleren, met bijzondere aandacht voor asielzoekers die behoefte hebben aan bijzondere procedurele waarborgen;
   de invoering vraagt van een effectief en geharmoniseerd EU-asielstelsel, voor een billijke verdeling van de asielzoekers over de lidstaten;
   de gemelde incidenten van gewelddadige terugdringoperaties aan de EU-grenzen betreurt; de lidstaten herinnert aan hun verplichting het principe van non-refoulement, dat is erkend in het Verdrag van Genève en door het EHRM, en het verbod op collectieve uitzettingen overeenkomstig artikel 19 van het Handvest van de grondrechten te eerbiedigen; de Commissie, haar agentschappen en de lidstaten verzoekt de naleving van deze en andere internationale en EU-verplichtingen te garanderen;

118.  verzoekt de EU en de lidstaten de noodzakelijke wetgeving vast te stellen voor de toepassing van het solidariteitsbeginsel zoals bedoeld in artikel 80 VWEU;

119.  veroordeelt met klem de grensbeveiliging van de Europese Unie door middel van zelfs muren en prikkeldraad en het gebrek aan legale kanalen om de Europese Unie binnen te komen, waardoor talrijke asielzoekers en migranten worden gedwongen zich te bedienen van steeds gevaarlijkere toegangskanalen en zich over te leveren aan mensensmokkelaars en -handelaars;

120.  verzoekt bij grenscontroles de grondrechten in aanmerking te nemen en benadrukt het belang van democratisch toezicht door het Parlement op Frontex-operaties;

121.  vraagt de opschorting van alle activiteiten waarvan is vastgesteld dat zij schending inhouden van de grondrechten overeenkomstig het EU-recht of het Frontex-mandaat;

122.  benadrukt de negatieve gevolgen die de Dublinverordening heeft op de werkelijke toegang tot internationale bescherming, omdat er geen echt gemeenschappelijk Europees asielsysteem is, met name als gevolg van de jurisprudentie van het Hof van Justitie en het EVRM; veroordeelt het feit dat de herziening van de verordening niet heeft geleid tot de opschorting van deze verordening of ten minste tot het schrappen van het beginsel van terugkeer naar het eerste land van binnenkomst in de EU; veroordeelt ook het feit dat de Commissie en de lidstaten niet hebben gezocht naar een mogelijk alternatief dat gebaseerd is op solidariteit tussen de lidstaten;

123.  roept de lidstaten op de Internationale Conventie inzake de bescherming van de rechten van arbeidsmigranten en hun gezinsleden te ratificeren;

124.  veroordeelt het automatische beroep dat wordt gedaan op onwettelijke detentie voor irreguliere migranten, inclusief asielzoekers, onbegeleide minderjarigen en staatlozen; vraagt de lidstaten de bepalingen van de terugkeerrichtlijn na te leven, met inbegrip van de eerbiediging van de menselijke waardigheid en van het beginsel dat het belang van het kind voorop staat, en van het internationale en het EU-recht; brengt in herinnering dat de detentie van migranten een laatste redmiddel moet blijven en dringt er bij de lidstaten op aan om alternatieve maatregelen uit te voeren; veroordeelt de ontstellende detentievoorwaarden in sommige lidstaten en dringt er bij de Commissie op aan deze onverwijld aan te pakken; wijst er nogmaals op dat moet worden gegarandeerd dat irreguliere migranten het recht wordt verleend op een effectieve voorziening in geval van schending van hun rechten;

125.  vraagt de lidstaten en de Commissie de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat er sprake is van transparante informatie over de detentie van migranten en asielzoekers in talrijke lidstaten, en dringt er bij de Europese Commissie op aan een voorstel in te dienen tot herziening van Verordening (EG) nr. 862/2007 zodat deze ook van toepassing wordt op statistieken over de werking van detentiesystemen en -installaties;

126.  benadrukt het belang van democratische controle op elke vorm van vrijheidsberoving krachtens de desbetreffende immigratie- en asielwetten; nodigt de Europese en nationale vertegenwoordigers uit om regelmatig een bezoek te brengen aan de locaties voor opvang en detentie van migranten en asielzoekers, en nodigt de lidstaten en de Europese Commissie uit om ngo's en journalisten gemakkelijker toegang te bieden tot deze locaties;

127.  verzoekt om een betere controle van de werking van de opvang- en detentiecentra voor immigranten en de behandeling die ze in deze centra krijgen, alsook van de asielprocedures van de lidstaten; waarschuwt voor de onverwijlde uitzettingen en de gewelddadige incidenten in verschillende gebieden in het zuiden van Europa waar dergelijke uitzettingen worden uitgevoerd en spoort de Commissie daarom aan de geplande desbetreffende politieke dialoog met de staten die dergelijke praktijken uitvoeren onmiddellijk te openen om de rechtsstaat te beschermen;

128.  verzoekt de Europese Unie en haar lidstaten concrete maatregelen en beste praktijken vast te stellen om gelijke behandeling en sociale integratie te bevorderen met het oog op een betere integratie van migranten in de maatschappij; herinnert er in dit verband aan dat het essentieel is om negatieve stereotypen en verkeerde informatie over migranten te bestrijden door tegenargumenten te ontwikkelen die in de eerste plaats gericht moeten zijn op scholen en jongeren en die de positieve effecten van migratie in de kijker zetten;

129.  is van mening dat kinderen van migranten in het bijzonder kwetsbaar zijn, met name wanneer ze niet worden begeleid; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de resolutie van het Parlement van 12 september 2013 over de situatie van niet-begeleide minderjarigen in de EU ten uitvoer te leggen; verzoekt de lidstaten het GEAS-pakket onverkort toe te passen om de situatie van niet-begeleide minderjarigen in de EU te verbeteren; is verheugd over het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-648/11 waarin wordt bepaald dat de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van een asielverzoek dat door een niet-begeleide minderjarige is ingediend in verschillende lidstaten, de lidstaat is waar deze minderjarige zich bevindt nadat hij er een asielverzoek heeft ingediend; herinnert eraan dat niet-begeleide minderjarigen in de eerste plaats kinderen zijn en dat de lidstaten en de EU zich in de omgang met hen niet moeten laten leiden door het immigratiebeleid, maar door de bescherming van kinderen;

130.  vraagt een evaluatie van de manier waarop middelen die bestemd zijn en gebruikt worden voor binnenlandse zaken, worden besteed, in het bijzonder middelen die worden verleend voor het onthaal van asielzoekers; roept de EU op om actie te ondernemen, als zou blijken dat middelen zijn gebruikt voor activiteiten die niet stroken met de grondrechten;

131.  dringt aan op bijstandverlening aan de lidstaten die aan de buitengrenzen van de Unie zijn gelegen, teneinde hen in staat te stellen een oplossing te vinden voor de systemische lacunes in de opvangfaciliteiten en asielprocedures, die door het toenemende aantal asielzoekers alsmaar groter zijn geworden;

132.  verzoekt de Europese Unie erop toe te zien dat haar eigen functionarissen verantwoording afleggen voor de door hen gepleegde schendingen van de grondrechten; verzoekt in het bijzonder ervoor te zorgen dat een onderzoek wordt geopend naar aanleiding van de aantijgingen die duiden op mogelijke schendingen in het kader van de door het agentschap Frontex gecoördineerde operaties en dat passende, disciplinaire of andere maatregelen worden genomen tegen degenen die schuldig worden bevonden aan deze schendingen; pleit derhalve voor het instellen van het veiligehavenbeginsel bij Frontex, zoals vereist door de Europese Ombudsman in het kader van haar onderzoek OI/5/2012/BEH-MHZ en voor het openbaar maken van de bevindingen van de onderzoeken die zijn uitgevoerd op basis van de aantijgingen van schending van de mensenrechten; verzoekt bovendien om de activiteiten van het agentschap op te schorten als blijkt dat tijdens deze activiteiten grondrechten zijn geschonden, zoals bepaald in artikel 3, lid 1, sub a), van Verordening (EU) nr. 1168/2011;

133.  verzoekt de lidstaten het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel onverwijld te ratificeren;

134.  verzoekt de lidstaten om daadwerkelijke toegang te garanderen tot internationale bescherming voor vrouwen die het slachtoffer zijn van vervolging op grond van geslacht; verzoekt de lidstaten om de richtsnoeren van de Europese Commissie te volgen voor de toepassing van Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging, met name wat betreft de onmiddellijke toekenning van een zelfstandige verblijfstitel aan gezinsleden die in het kader van gezinshereniging het land zijn binnengekomen en in bijzonder moeilijke omstandigheden verkeren, zoals in het geval van huiselijk geweld;

135.  is verheugd dat de Europese asielwetgeving slachtoffers van genitale verminking als kwetsbare personen beschouwt en genitale verminking tot de criteria rekent die bij een asielaanvraag in aanmerking moeten worden genomen; vraagt de lidstaten om de beroepsbeoefenaren die in contact komen met migranten zodanig op te leiden dat zij erachter kunnen komen welke vrouwen en meisjes wellicht genitale verminking in hun land van herkomst hebben ondergaan;

136.  onderstreept dat het in de Verdragen neergelegde en door Richtlijn 2004/38/EG inzake vrij verkeer gewaarborgde recht op vrij verkeer en verblijf van EU-burgers en hun familieleden een van de fundamentele rechten van de Europese burgers is; wijst elke poging om aan dit verworven recht te tornen van de hand, met name de wederinvoering van grenscontroles in de Schengenzone buiten de Schengengrenscode, en dringt erop aan dat iedere inbreuk bij het Hof van Justitie aanhangig wordt gemaakt; uit zijn bezorgdheid over de toenemende trend van snelle uitzettingen van EU-burgers uit de lidstaat waar zij verblijven, wanneer zij hun baan en inkomen verliezen, met schending van het bestaande kader; is van mening dat dit indruist tegen de geest van het recht op vrij verkeer;

Solidariteit in de economische crisis

137.  betreurt de manier waarop de financiële, economische en overheidsschuldcrisis, samen met de opgelegde budgettaire beperkingen, een negatief effect heeft op de economische, civiele, sociale en culturele rechten, vaak met als gevolg toenemende werkloosheid, armoede en onzekere arbeids- en levensomstandigheden, alsmede uitsluiting en isolement, met name in de lidstaten waar economische aanpassingsprogramma's zijn goedgekeurd, en onderstreept het feit dat er in een recente nota van Eurostat op is gewezen dat een op vier Europeanen tegenwoordig het risico loopt van armoede en uitsluiting;

138.  merkt op dat de economische crisis en de maatregelen die zijn genomen om deze aan te pakken, een effect hebben op het recht van toegang tot basisvoorzieningen als onderwijs, huisvesting, gezondheidszorg en sociale zekerheid, alsmede negatieve gevolgen voor de algemene gezondheidstoestand van de bevolking in sommige lidstaten; wijst erop dat het recht op bescherming tegen armoede en sociale uitsluiting, als vastgelegd in artikel 30 van het Europees Sociaal Handvest, moet worden geëerbiedigd; roept alle lidstaten op tot de invoering van steunmaatregelen, overeenkomstig de nationale praktijken, om hun burgers behoorlijke levensomstandigheden te bezorgen en sociale uitsluiting te bestrijden;

139.  benadrukt het feit dat de EU-instellingen, alsmede de lidstaten die structurele hervormingen van hun sociale en economische stelsels ten uitvoer leggen, steeds verplicht zijn het Handvest na te leven en hun internationale verplichtingen na te komen en dus aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de genomen besluiten; herhaalt zijn oproep om de economische aanpassingsprogramma's af te stemmen op de in artikel 151 VWEU aangegeven doelstellingen van de Unie, met inbegrip van de bevordering van de werkgelegenheid en de verbetering van de levensomstandigheden en de arbeidsvoorwaarden; herhaalt dat volledige democratische controle moet worden gegarandeerd, via de effectieve betrokkenheid van de parlementen, op de door de EU-instellingen en de lidstaten als reactie op de crisis genomen maatregelen;

140.  verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten om de effecten van voorgestelde of uitgevoerde bezuinigingsmaatregelen op de grondrechten te bekijken en daarbij aandacht te schenken aan genderkwesties, rekening houdend met de onevenredige gevolgen van bezuinigingen voor vrouwen; verzoekt de EU-instellingen om meteen remediërende maatregelen te treffen wanneer bezuinigingsmaatregelen tot nadelige gevolgen hebben geleid voor de economische, sociale en culturele rechten van vrouwen;

141.  vraagt de EU-instellingen en de lidstaten na te gaan welk effect de voorgestelde of toegepaste maatregelen tegen de crisis op de fundamentele rechten en vrijheden, inclusief sociale en arbeidsrechten, hebben, en zulk effect indien nodig onmiddellijk weg te nemen wanneer situaties aan het licht komen waarin de bescherming van de rechten achteruit is gegaan of het internationaal recht, met inbegrip van de verdragen en aanbevelingen van de IAO, is geschonden;

142.  vraagt de EU-instellingen en de lidstaten om bij de invoering en tenuitvoerlegging van corrigerende maatregelen en besparingen op de begroting een beoordeling uit te voeren van het effect op de grondrechten en te garanderen dat er nog steeds voldoende middelen ter beschikking worden gesteld om de eerbiediging van de grondrechten te waarborgen en te zorgen voor een essentieel minimumniveau van de civiele, economische, culturele en sociale rechten, met bijzondere aandacht voor de meest kwetsbare en sociaal achtergestelde groepen;

143.  verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten om te erkennen dat langetermijninvesteringen in sociale integratie vruchten afwerpen, aangezien ze de hoge kostprijs van discriminatie en ongelijkheid wegnemen; verzoekt de lidstaten om passende overheidsinvesteringen om onderwijs en gezondheidszorg te ondersteunen en ervoor te zorgen dat de toegang tot de rechter en het halen van verhaal in gevallen van discriminatie niet worden aangetast door drastische bezuinigingen op de financiering van de begrotingen van organen voor gelijke behandeling; verzoekt de EU en de nationale instellingen de sociale integratie niet te ondermijnen door begrotingsmaatregelen die gevolgen hebben voor de werking van gemeenschapsorganisaties die zich inzetten voor gelijkheid;

144.  verzoekt de Commissie te overwegen om de toetreding tot het Europees Sociaal Handvest voor te stellen teneinde de sociale rechten van de Europese burgers effectief te beschermen; verzoekt de lidstaten de uitbreiding te bevorderen van de sociale rechten in het Handvest van de EU naar andere, in het herziene Sociaal Handvest van de Raad van Europa opgenomen sociale rechten, zoals het recht op arbeid, het recht op een billijke beloning en het recht op bescherming tegen armoede en sociale uitsluiting;

Criminaliteit en corruptiebestrijding

145.  herhaalt dat corruptiecriminaliteit, met name georganiseerde criminaliteit, een ernstige schending is van de grondrechten, alsmede de democratie en de rechtsstaat in gevaar brengt; onderstreept dat corruptie, waarbij publieke middelen aan andere publieke doeleinden worden toegekend dan waarvoor zij zijn bestemd, het niveau en de kwaliteit van de openbare diensten ondermijnt, zodat de billijke behandeling van alle burgers ernstig wordt geschaad; verzoekt de lidstaten en de Europese instellingen met klem om doelmatige instrumenten in te zetten voor het voorkomen, bestrijden en bestraffen van corruptie en misdaad en de besteding van Europese en nationale openbare middelen, regelmatig te blijven toetsen; roept de lidstaten en de instellingen derhalve op om de instelling van de Europese officier van justitie te vergemakkelijken en te versnellen en daarbij voldoende waarborgen voor onafhankelijkheid en efficiëntie te bieden;

146.  onderstreept dat corruptie sterke afbreuk doet aan de grondrechten; vraagt de lidstaten en de instellingen om doelmatige instrumenten in te zetten tegen de corruptie en de besteding van Europese en nationale openbare middelen, regelmatig te toetsen; onderstreept dat meer transparantie en een bredere toegang tot openbare documenten voor burgers en journalisten efficiënte manieren zijn om corruptie bloot te leggen en te bestrijden;

147.  dringt er bij de Commissie op aan een strategie voor corruptiebestrijding vast te stellen die wordt aangevuld met effectieve instrumenten; vraagt alle lidstaten en de EU om zich bij het "Open Government Partnership" te voegen en concrete strategieën uit te denken om transparantie te bevorderen, burgers te emanciperen en corruptie te bestrijden; verzoekt de lidstaten om gevolg te geven aan de aanbevelingen in het Commissieverslag over de bestrijding van corruptie en aan zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven(34) en om de politiële en justitiële samenwerking ter bestrijding van corruptie te versterken;

148.  dringt er bij de lidstaten op aan meer inspanningen te leveren in de strijd tegen alle vormen van ernstige georganiseerde criminaliteit, waaronder mensenhandel, seksueel misbruik en seksuele uitbuiting, foltering en dwangarbeid, met name tegen vrouwen en kinderen;

149.  roept de Commissie op een lijst met strafbare feiten op te stellen ter bestrijding van door individuen of georganiseerde criminele groeperingen begane milieumisdrijven, die van invloed zijn op het recht van mens, de gezondheid, het leven en het genot van een gezonde leefomgeving, alsmede op de economie en op het gebruik van publieke middelen; dringt er bij de Commissie op aan de doeltreffende tenuitvoerlegging in de EU van het recht op toegang tot de rechter te evalueren in het licht van het recht van alle mensen, zowel huidige als komende generaties, om te leven in een voor hun gezondheid en welzijn bevorderlijke omgeving;

150.  stelt voor een Europese code ter preventie van corruptie in te stellen, evenals een transparant indicatorensysteem voor de aanwezigheid van corruptie in de lidstaten en de geboekte vooruitgang bij het uitbannen van corruptie en een jaarlijks vergelijkend verslag over de toestand van deze smet op Europees niveau;

151.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om een einde te maken aan belastingconcurrentie en om schadelijke fiscale praktijken, belastingontduiking en belastingontwijking in de EU, die afbreuk doen aan het vermogen van de lidstaten om hun beschikbare middelen maximaal te benutten teneinde hun economische, sociale en culturele rechten ten volle te verwezenlijken, effectief te bestrijden;

152.  veroordeelt het groeiende verschijnsel van mensenhandel, in het bijzonder mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting, en verzoekt de EU en de lidstaten om maatregelen te nemen in overeenstemming met de EU-richtlijn om de vraag, die de voedingsbodem is voor alle vormen van uitbuiting en mensenhandel, te doen afnemen;

Omstandigheden in gevangenissen en andere justitiële inrichtingen

153.  herinnert eraan dat de nationale overheden de grondrechten van gevangenen moeten waarborgen; betreurt de omstandigheden in de gevangenissen en andere justitiële inrichtingen in tal van lidstaten, zoals overbevolkte cellen en slechte behandeling van gevangenen; acht het ten zeerste geboden dat door de EU een instrument wordt ingevoerd dat de uitvoering van de aanbevelingen van het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen (CPT) en van de uitspraken van het EHRM moet waarborgen;

154.  herinnert eraan dat het misbruik van vrijheidsberovende maatregelen leidt tot overbevolkte gevangenissen in heel Europa, wat ingaat tegen de grondrechten van personen en schadelijk is voor het wederzijdse vertrouwen dat nodig is als grondslag voor justitiële samenwerking in Europa; herhaalt dat de lidstaten hun op internationale en Europese fora aangegane verplichtingen moeten nakomen om vaker gebruik te maken van proeftijdmaatregelen en van sancties als alternatief voor gevangenisstraffen en om van maatschappelijke re-integratie het uiteindelijke doel van een periode van opsluiting te maken; verzoekt dan ook de lidstaten strategieën vast te stellen die opleidingen en arbeid voor gevangenen tijdens hun detentie bevorderen;

155.  herhaalt de aanbevelingen van de resolutie van de Commissie van 27 februari 2014 betreffende de herziening van het Europees aanhoudingsbevel(35), met name wat betreft de invoering van een evenredigheidscontrole en een uitzondering voor de grondrechten in het Europees aanhoudingsbevel of maatregelen voor wederzijdse erkenning in het algemeen;

156.  betreurt dat de drie kaderbesluiten betreffende de overdracht van gevangenen, proefperiodes en alternatieve straffen en het Europees toezichtbevel, die een groot potentieel hebben om de overbevolking in gevangenissen te verminderen, slechts door enkele lidstaten zijn uitgevoerd;

157.  verzoekt de Commissie te onderzoeken welke gevolgen detentiebeleid en strafrechtelijke stelsels hebben voor kinderen; wijst erop dat in de hele EU de rechten van kinderen rechtstreeks in het geding komen wanneer zij met hun ouders in detentiecentra wonen; benadrukt dat naar schatting jaarlijks 800 000 kinderen in de EU van een gedetineerde ouder gescheiden worden, wat meervoudige gevolgen heeft voor de rechten van het kind;

Justitie

158.  wijst erop dat de ontwikkeling van een Europese rechtsruimte die is gebaseerd op wederzijdse erkenning en juridische waarborgen en die de verschillende rechtsstelsels in de lidstaten op elkaar afstemt, met name op het gebied van strafrecht, een van de voornaamste prioriteiten van de Europese instellingen op de agenda voor justitie van de EU voor 2020 moet blijven; is van mening dat de bevordering van de effectieve en voorbeeldige toepassing van het Handvest en de secundaire EU-wetgeving inzake de grondrechten cruciaal is voor het vertrouwen van de burgers in de goede werking van de Europese rechtsruimte;

159.  wijst erop dat het recht van toegang tot de rechter en tot een onafhankelijke en onpartijdige rechtbank van wezenlijk belang is voor de bescherming van de grondrechten, die alleen effectief zijn, als zij afdwingbaar zijn, voor de democratie en voor de rechtsstaat; wijst er andermaal op dat het belangrijk is te garanderen dat zowel het civiele als het strafrechtelijke rechtsstelsel efficiënt is en dat de onafhankelijkheid van het gerecht gegarandeerd is;

160.  is ingenomen met het Europese e-justitieportaal, dat wordt beheerd door de Commissie en beroepsbeoefenaars en het publiek informatie biedt over rechtssystemen en dat een handig instrument is om de toegang tot de rechter te verbeteren, met een afzonderlijk onderdeel over de grondrechten, waarin burgers informatie krijgen over waar zij terechtkunnen als hun grondrechten worden geschonden;

161.  is ingenomen met de stappen die op Europees niveau al zijn ondernomen om de waarborgen in strafzaken van de lidstaten te harmoniseren en met de positieve gevolgen hiervan voor de burgers; herhaalt het feit dat het belangrijk is EU-wetgeving inzake procedurele rechten goed te keuren die in overeenstemming is met de hoogste normen op het gebied van bescherming die zijn opgenomen in het Handvest, de internationale mensenrechtenverdragen en het constitutioneel recht van de lidstaten;

162.  betreurt het gebrek aan toegang tot juridische bijstand in veel lidstaten en het feit dat dit gevolgen heeft voor het recht van toegang tot het gerecht van personen die beschikken over onvoldoende middelen; is van mening dat het essentieel is dat de EU een sterke en alomvattende richtlijn inzake rechtsbijstand vaststelt;

163.  roept de Europese Unie en de lidstaten op om maatregelen te nemen ter ondersteuning en bescherming van klokkenluiders die illegale acties aan de kaak stellen;

Burgerschap

164.  is van mening dat actief en participerend EU-burgerschap dient te worden aangemoedigd door middel van toegang tot documenten en informatie, transparantie, goed bestuur en beheer en democratische participatie en vertegenwoordiging, waarbij beslissingen zo dicht mogelijk bij de burgers van de Unie moeten worden genomen; wijst op de noodzaak ervoor te zorgen dat het maatschappelijk middenveld als volwaardige partij deelneemt aan de besluitvorming op Europees niveau, als gewaarborgd door artikel 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en benadrukt in dit verband het belang van de beginselen van transparantie en dialoog; merkt op dat het recht van burgers op toegang tot documenten die in het bezit zijn van overheidsinstellingen burgers emancipeert en tin staat stelt om de openbare autoriteiten te controleren, te evalueren en verantwoording te laten afleggen; betreurt in verband hiermee het feit dat de herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001 is vastgelopen en herhaalt zijn verzoek aan de Commissie en de Raad om de werkzaamheden te hervatten, rekening houdend met de voorstellen van het Parlement;

165.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat er informatiecampagnes worden gehouden over Europees burgerschap en de daaraan verbonden rechten: het recht op diplomatieke en consulaire bescherming, het recht een verzoekschrift in te dienen, het recht een klacht in te dienen bij de Europese Ombudsman, het recht zijn stem uit te brengen en kandidaat te zijn bij de Europese verkiezingen en het recht een burgerinitiatief in te dienen;

166.  is ingenomen met de rol van de Europese ombudsman in het streven naar goed bestuur en transparantie van de instellingen en organen van de Unie;

167.  veroordeelt het feit dat meer dan 15 miljoen onderdanen van derde landen en 500 000 staatlozen in de Europese Unie het slachtoffer zijn van discriminatie omdat hun burgerschap niet wordt erkend; eist dat de Unie en haar lidstaten het grondrecht op burgerschap eerbiedigen en roept met name de lidstaten op het Verdrag van 1961 tot beperking der staatloosheid, alsook het Europese Verdrag van 1997 inzake nationaliteit te ratificeren en volledig uit te voeren;

168.  herinnert eraan dat het informeren van de burgers over hun grondrechten integraal deel uitmaakt van het recht op goed bestuur, als vastgesteld in het Handvest; verzoekt de lidstaten er in het bijzonder voor te zorgen dat de meest hulpbehoevenden weten wat hun rechten zijn en hulp krijgen bij het afdwingen ervan;

169.  verzoekt de Commissie om stappen te ondernemen om het recht op goed bestuur te bestendigen door de code van goed administratief gedrag van de EU om te vormen tot een juridisch bindende verordening;

170.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om er via hun beleid voor te zorgen dat de grondrechten binnen de Europese Unie naar behoren worden nageleefd, gewaarborgd, beschermd en verder ontwikkeld; roept de lidstaten op hernieuwde inspanningen te ondernemen om het petitierecht en het recht om zich tot de ombudsman te wenden, te erkennen als een middel om burgers in staat te stellen hun rechten te doen gelden;

171.  uit, op basis van de honderden verzoekschriften die elk jaar worden ingediend, zijn bezorgdheid over de tekortkomingen bij de feitelijke tenuitvoerlegging in de lidstaten, zowel naar de letter als naar de geest, van de bepalingen van de Europese milieuwetgeving, zoals de richtlijnen inzake de milieueffectbeoordeling en de strategische milieubeoordeling; verzoekt de Commissie om nauwlettender toezicht te houden op de inhoud van zulke procedures, in het bijzonder wanneer er over specifieke gevallen verzoekschriften worden ingediend;

172.  wijst nogmaals op het belang van het Europese burgerinitiatief, als nieuw burgerrecht dat is ingevoerd met het Verdrag van Lissabon en dat de participatieve democratie in de EU moet versterken; merkt op dat het burgerinitiatief een krachtig instrument is dat de Europese burgers een rechtstreeks democratisch recht verleent om bij te dragen aan het besluitvormingsproces van de EU, als aanvulling op het recht van Europese burgers om verzoekschriften in te dienen bij het Europees Parlement en om verhaal te halen bij de Europese ombudsman;

173.  verzoekt de Commissie om de rol van de Europese burgerinitiatieven te versterken door een burgervriendelijke aanpak te hanteren om alle tekortkomingen van dit instrument weg te werken bij de komende herziening van Verordening (EU) nr. 211/2011, en om tegelijkertijd de voorlichtingscampagnes voor de burgers over het gebruik van het burgerinitiatief en de invloed die ermee kan worden uitgeoefend op het beleidsvormingsproces van de EU te verbeteren;

Slachtoffers van misdrijven

174.  beschouwt de bescherming van de slachtoffers van een misdaad als een prioriteit; verzoekt de lidstaten de slachtofferrichtlijn van de EU (Richtlijn 2012/29/EU) onverwijld naar behoren ten uitvoer te leggen, om de uiterste termijn voor de omzetting, 16 november 2015, te halen en verzoekt de Commissie en de lidstaten overeenkomstig artikel 28 van de richtlijn te zorgen voor de verzameling van vergelijkbare gegevens over de omzetting ervan, met name de manier waarop slachtoffers, inclusief slachtoffers van misdrijven die zijn gepleegd met een motief van discriminatie, toegang hebben gehad tot hun rechten; is van mening dat er nog veel moet worden gedaan om de slachtoffers van een misdaad te ondersteunen, door hen te informeren over hun rechten en te zorgen voor effectieve verwijzingssystemen en voor opleiding voor politieagenten en rechtsbeoefenaars over het opbouwen van een vertrouwensrelatie met de slachtoffers, zoals onderzoek van het FRA inzake slachtofferhulp heeft aangetoond; is ingenomen met de aanneming in 2013 van een verordening betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken;

175.  verzoekt de Commissie en de lidstaten van de EU om te zorgen voor de meest kwalitatieve verzameling van vergelijkbare gegevens over de omzetting van de slachtofferrichtlijn van de EU (Richtlijn 2012/29/EU) en over hoe slachtoffers, met inbegrip van slachtoffers van misdrijven die zijn ingegeven door vooroordelen en discriminatie, toegang hebben tot hun rechten ingevolge artikel 28 van de richtlijn;

176.  verzoekt de Commissie en de lidstaten bij het ontwerpen van hun beleid rekening te houden met demografische ontwikkelingen en veranderingen in de omvang en de samenstelling van huishoudens; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat hun sociaal en werkgelegenheidsbeleid niet discriminerend zijn op grond van de omvang en de samenstelling van huishoudens;

177.  wijst op het rechtsvacuüm dat met betrekking tot de toegang van burgers tot rechtsmiddelen kan ontstaan wanneer lidstaten EU-wetgeving die rechtstreeks betrekking op hen heeft niet of te laat omzetten; wijst op de noodzaak van coördinatie van maatregelen op alle niveaus om de grondrechten te beschermen en te bevorderen, waarbij de EU-instellingen, de lidstaten, de regionale en lokale overheden, ngo's en het maatschappelijk middenveld moeten worden betrokken;

178.  beklemtoont dat de institutionele transparantie, democratische verantwoording en openheid in de EU moeten worden bevorderd en verzoekt de bevoegde EU-instellingen en alle lidstaten met klem om:

   meer hun best te doen voor een spoedige herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie om te zorgen voor een zo groot mogelijke transparantie en vereenvoudigde procedures voor toegang van het publiek tot informatie en documenten; roept de Commissie in dit verband op het wetgevingsinitiatief voor een Accessibility Act weer ter hand te nemen en in de vorm te gieten van een horizontaal instrument dat vooruitgang mogelijk maakt bij de bescherming van personen met een handicap en ervoor kan zorgen dat alle onder de bevoegdheid van de EU vallende beleidsgebieden in overeenstemming zijn met dit doel;
   gedurende deze zittingsperiode een herziening van de verordening over het Europees burgerinitiatief (Verordening (EU) nr. 211/2011) voor te leggen, teneinde de werking ervan te verbeteren en de administratieve, organisatorische en financiële hinderpalen uit de weg te ruimen die erin resulteren dat niet alle Europese burgers hun democratische invloed kunnen doen gelden door middel van burgerinitiatieven zoals bedoeld in de Verdragen; spoort de Commissie ook aan in haar voorstel de nodige bepalingen op te nemen om uit te sluiten dat bepaalde groepen burgers, zoals blinden of zij die in het buitenland wonen, het recht wordt ontnomen om burgerinitiatieven te ondersteunen, aangezien een dergelijke uitsluiting de gelijkheid tussen en de betrokkenheid van burgers beperkt;
   te komen met een herziening van Richtlijn 93/109/EG tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement ten behoeve van burgers van de Unie die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn, teneinde deze specifieke groep burgers in staat te stellen om in hun land van verblijf deel te nemen aan de Europese verkiezingen; verzoekt de lidstaten om al hun burgers de mogelijkheid te bieden hun stem uit te brengen bij de Europese verkiezingen, ook wanneer ze niet in de EU wonen, met name aan de hand van een tijdige voorlichtingscampagne;
   aandacht te besteden aan het groeiende bevolkingssegment dat volledig uit zijn rechten is ontzet bij nationale verkiezingen, omdat het noch in het thuisland noch in het land van verblijf kan stemmen;

o
o   o

179.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0126.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0105.
(3) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
(4) PB C 378 van 24.12.2013, blz. 1.
(5) Richtlijn 2010/64/EU van 20 oktober 2010, Richtlijn 2012/13/EU van 22 mei 2012, Richtlijn 2013/48/EU van 22 oktober 2013.
(6) PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.
(7) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(8) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(9) PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37.
(10) PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1.
(11) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.
(12) PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1.
(13) PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.
(14) PB L 59 van 2.3.2013, blz. 5.
(15) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0594.
(16) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0062.
(17) PB C 51E van 22.2.2013, blz. 101.
(18) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0387.
(19) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0173.
(20) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0105.
(21) PB C 124E van 25.5.2006, blz. 405.
(22) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0070.
(23) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0322.
(24) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0230.
(25) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0031.
(26) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0350.
(27) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0058.
(28) PB C 353E van 3.12.2013, blz. 1
(29) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0418.
(30) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0203.
(31) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0315.
(32) Paragrafen 7.2 en 7.3 van het ICPD-actieprogramma.
(33) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0070.
(34) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0444.
(35) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0174.


Hoorzittingen met de commissarissen: conclusies over de procedure van 2014
PDF 357kWORD 73k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 september 2015 over de procedures en praktijken met betrekking tot de hoorzittingen met de commissarissen, conclusies over de procedure van 2014 (2015/2040(INI))
P8_TA(2015)0287A8-0197/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 17, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien artikel 246 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien zijn resolutie van 1 december 2005 over de richtsnoeren voor de goedkeuring van de Europese Commissie(1),

–  gezien zijn besluit van 20 oktober 2010 over de herziening van de kaderovereenkomst over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Commissie(2),

–  gezien zijn besluit van 14 september 2011 tot wijziging van de artikelen 106 en 192 van en bijlage XVII bij het Reglement van het Europees Parlement(3),

–  gezien de gedragscode van de Europese commissarissen, met name de punten 1.3 t/m 1.6 hiervan,

–  gezien de artikelen 52 en 118 van en bijlage XVI bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme en de Commissie juridische zaken (A8-0197/2015),

Overwegende dat:

A.  hoorzittingen met kandidaat-commissarissen, die voor het eerst in 1994 werden georganiseerd, nu een vast gebruik vormen, waardoor de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie versterkt wordt en deze instellingen dichter bij de burger gebracht worden;

B.  de hoorzittingen het Parlement in staat stellen met kennis van zaken een oordeel te vormen over de Commissie in het kader van zijn vertrouwensvotum vooraleer de Commissie kan aantreden;

C.  de hoorzittingen het Parlement en de EU-burgers de mogelijkheid bieden de persoonlijkheden, kwalificaties, paraatheid en prioriteiten van de kandidaten te ontdekken en te beoordelen, evenals hun kennis van de aan hen toegewezen portefeuille;

D.  de hoorzittingen de transparantie vergroten en de democratische legitimiteit van de Commissie als geheel verhogen;

E.  de gelijkheid van mannen en vrouwen moet worden gewaarborgd op alle gebieden, met inbegrip van werkgelegenheid; overwegende dat aan deze vereiste ook moet zijn voldaan in de samenstelling van de Commissie; overwegende dat de regeringen, ondanks herhaald aandringen van Jean-Claude Juncker, in 2014 een veel groter aantal mannelijke dan vrouwelijke kandidaten hebben voorgesteld; overwegende dat de voorgestelde vrouwen vooral afkomstig waren uit lidstaten met een kleiner bevolkingsaantal en dat de grotere lidstaten de vereiste grotendeels naast zich hebben neergelegd; overwegende dat de enige billijke oplossing is elke lidstaat te vragen om twee kandidaten voor te stellen, één man en één vrouw, zodat de kandidaat-voorzitter een college van hoge kwaliteit kan voorstellen, met een gelijk aantal mannen en vrouwen;

F.  de hoorzittingen, hoewel ze doeltreffend zijn gebleken, steeds kunnen worden verbeterd, met name door de confrontatie tussen de commissaris en de leden van de voor de hoorzitting bevoegde commissie minder strikt en meer dynamisch te maken;

G.  de hoorzitting met kandidaat-commissaris voor de post van vicevoorzitter Frans Timmermans duidelijk heeft gemaakt dat de procedures van het Parlement moeten worden aangepast om rekening te houden met het geval dat bij toekomstige Commissies is voorzien in een speciale status voor een of meer vicevoorzitters;

H.  in artikel 3, lid 3, van het VEU wordt bepaald dat de "Unie […] de gelijkheid van vrouwen en mannen [bevordert]" en dat in artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt bepaald dat de "gelijkheid van mannen en vrouwen moet worden gewaarborgd op alle gebieden, met inbegrip van werkgelegenheid, beroep en beloning";

1.  is van mening dat openbare hoorzittingen met kandidaat-commissarissen het Parlement en de EU-burgers een belangrijke kans bieden de prioriteiten van elk der kandidaten en hun geschiktheid voor de functie te beoordelen;

2.  is van mening dat het nuttig kan zijn een termijn vast te stellen voor alle lidstaten om kandidaten aan te wijzen, zodat de gekozen voorzitter van de Commissie over voldoende tijd beschikt om de portefeuilles toe te wijzen, rekening houdend met de werkervaring en de achtergrond van de kandidaat, en het Parlement zijn hoorzittingen en evaluaties kan houden, en vraagt zijn Voorzitter in dialoog te treden met de andere instellingen om dit doel te bereiken;

3.  is eveneens van oordeel dat het wenselijk zou zijn moest iedere lidstaat ten minste twee kandidaten, één man en één vrouw, op voet van gelijkheid, voorstellen om te worden overwogen door de gekozen voorzitter van de Commissie; acht het van belang dat de Unie haar doelstellingen op het vlak van gendergelijkheid ook in haar eigen instellingen verwezenlijkt;

4.  is van mening dat de controle die de Commissie juridische zaken uitvoert van de door de kandidaat-commissarissen ingediende opgave van financiële belangen, moet worden verbeterd; is van mening dat de opgave van financiële belangen ook de in punt 1.6. van de gedragscode van commissarissen bedoelde familiale belangen moet omvatten; is van mening dat een bevestiging door de Commissie juridische zaken dat er geen sprake is van belangenconflicten, op basis van een grondige analyse van de opgave van financiële belangen, een absolute voorwaarde is voor het houden van de hoorzitting door de bevoegde commissie;

5.  herinnert eraan dat de commissies verantwoordelijk zijn voor het houden van de hoorzittingen; is echter van mening dat wanneer een vicevoorzitter van de Commissie hoofdzakelijk horizontale verantwoordelijkheden heeft, de hoorzitting bij wijze van uitzondering een andere opzet kan hebben, zoals een vergadering van de Conferentie van voorzitters of een vergadering van de Conferentie van commissievoorzitters, voor zover dergelijke vergadering dialoog mogelijk maakt en de relevante bevoegde commissies erbij betrokken zijn zodat ze een hoorzitting kunnen houden met hun kandidaat-commissaris;

6.  is van mening dat in de schriftelijke vragenlijst die vóór elke hoorzitting wordt toegezonden, 7 vragen moeten kunnen worden opgenomen in plaats van 5, maar dat niet aan elke vraag diverse subvragen mogen worden gekoppeld;

7.  is van oordeel dat het beter zou zijn om circa 25 vragen te stellen, maar iedere vraagsteller de kans te bieden een onmiddellijke vervolgvraag te stellen, om zo de doeltreffendheid en de inquisitoire aard van de hoorzittingen te verbeteren;

8.  vindt dat procedures voor het monitoren van antwoorden door kandidaat-commissarissen tijdens hoorzittingen kunnen bijdragen aan de verbetering van de controle, en de verantwoordelijkheid van de Commissie als geheel kunnen verhogen; pleit dan ook voor een periodieke evaluatie van de prioriteiten die de kandidaat-commissarissen hebben genoemd, aan het begin van hun ambtsperiode;

9.  is van mening dat de volgende richtsnoeren zouden moeten gelden voor de evaluatiebijeenkomsten van de coördinatoren na de hoorzittingen:

   indien de coördinatoren een kandidaat unaniem goedkeuren – schriftelijke goedkeuring;
   indien de coördinatoren een kandidaat unaniem afkeuren – schriftelijke afkeuring;
   indien een duidelijke meerderheid van de coördinatoren een kandidaat goedkeurt – schriftelijke mededeling dat een overgrote meerderheid haar goedkeuring heeft gegeven (van minderheidsfracties kan op verzoek worden vermeld dat zij het meerderheidsstandpunt niet delen);
   indien er geen duidelijke meerderheid is, of een meerderheid (maar geen consensus) tegen de kandidaat, en indien de coördinatoren het nodig achten:
   eerst om aanvullende informatie verzoeken via aanvullende schriftelijke vragen;
   bij aanhoudende ontevredenheid – een verzoek om een aanvullende hoorzitting van 1,5 uur, na goedkeuring van de Conferentie van voorzitters;
   bij het uitblijven van consensus of een doorslaggevende meerderheid bij de coördinatoren – stemming in de commissie;
   een duidelijke meerderheid bestaat in deze context uit coördinatoren die ten minste een tweederdemeerderheid van de commissieleden vormen;

10.  merkt op dat de hoorzittingen in 2014 op meer belangstelling van de media en het grote publiek konden rekenen dan eerdere hoorzittingen, deels vanwege de opkomst van de sociale media; is van mening dat het effect en de invloed van de sociale media in de toekomst waarschijnlijk zullen toenemen; wenst dat voorzieningen worden getroffen voor het gebruik van sociale media en sociale netwerken om de EU-burgers effectiever bij de hoorzittingen te betrekken;

11.  is van mening dat:

   er een speciaal onderdeel van de website van het Parlement moet zijn waar de cv's van de kandidaat-commissarissen en hun antwoorden op schriftelijke vragen beschikbaar zijn vóór de openbare hoorzittingen, in alle officiële talen van de Unie;
   er een specifieke en zichtbare plek zou moeten zijn op de website van het Parlement waar de evaluaties binnen 24 uur worden geplaatst;
   het artikel van het Reglement zou moeten worden aangepast zodat wordt verwezen naar 24 uur na de evaluatie, gezien het feit dat sommige evaluaties pas na aanvullende procedures worden afgerond;

12.  is van oordeel dat horizontale kwesties die de samenstelling, de structuur en de werkmethoden van de Commissie als geheel beïnvloeden, en die niet voldoende kunnen worden aangepakt door een afzonderlijke kandidaat-commissaris, moeten worden behandeld door de gekozen voorzitter van de Commissie; is van mening dat dergelijke kwesties moeten worden aangepakt in het kader van vergaderingen tussen de gekozen voorzitter van de Commissie en de Conferentie van voorzitters (één vóór de hoorzittingen en één erna);

13.  is van mening dat de toetsing van de belangenverklaringen van de voorgedragen kandidaten tot de bevoegdheden van de Commissie juridische zaken moet blijven behoren; is echter van mening dat de huidige reikwijdte van de belangenverklaringen van de voorgedragen kandidaten te beperkt is en verzoekt de Commissie haar regels zo spoedig mogelijk te herzien; acht het daarom belangrijk dat de Commissie juridische zaken de komende maanden een aantal richtsnoeren bekendmaakt, in de form van een aanbeveling of een initiatiefverslag, om het proces inzake de hervorming van de procedures betreffende de belangenverklaringen van de commissarissen te vereenvoudigen; is van mening dat de belangen- en vermogensverklaringen van de commissarissen ook moet worden ingevuld voor de gezinsleden die met hen één huishouden vormen;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 285 E van 22.11.2006, blz. 137.
(2) PB C 70 E van 8.3.2012, blz. 98.
(3) PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 152.


Mensenrechten en technologie in derde landen
PDF 223kWORD 108k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 september 2015 over mensenrechten en technologie: het effect van inbreuk- en bewakingssystemen op de mensenrechten in derde landen (2014/2232(INI))
P8_TA(2015)0288A8-0178/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met name artikel 19,

–  gezien het strategisch EU-kader voor mensenrechten en democratie, aangenomen door de Raad op 25 juni 2012(1),

–  gezien de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline, die op 12 mei 2014(2) door de Raad Buitenlandse Zaken zijn vastgesteld,

–  gezien de door de Commissie in juni 2013 gepubliceerde Gids voor de ICT-sector betreffende de toepassing van de leidende beginselen van de VN op het gebied van zakendoen en mensenrechten ("ICT Sector Guide on Implementing the UN Guiding Principles on Business and Human Rights"),

–  gezien het verslag van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) van 15 december 2011 over de vrijheid van meningsuiting op het internet(3) en het regelmatige verslag van de speciale vertegenwoordiger van de OVSE voor de vrijheid van de media aan de Permanente Raad van de OVSE van 27 november 2014(4),

–  gezien het verslag van de speciale rapporteur van de VN van 23 september 2014 over het bevorderen en beschermen van mensenrechten en fundamentele vrijheden bij terrorismebestrijding (A/69/397)(5),

–  gezien het verslag van het Bureau van de hoge commissaris van de VN voor de mensenrechten van 30 juni 2014 met als titel "Het recht op privacy in het digitale tijdperk"(6),

–  gezien het verslag van de speciale rapporteur inzake de bevordering en bescherming van het recht op vrijheid van mening en meningsuiting van 17 april 2013 (A/HRC/23/40) met een analyse van de gevolgen van het aftappen van communicatie door staten voor de uitoefening van de rechten van de mens op privacy en op vrijheid van mening en meningsuiting,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en mensenrechten van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 26 januari 2015 over grootschalig toezicht(7),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2014 over het surveillanceprogramma van de NSA in de VS, toezichthoudende instanties in verschillende lidstaten en gevolgen voor de grondrechten van EU-burgers en voor de trans-Atlantische samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken(8),

–  gezien het verslag van 21 maart 2011 van de bijzondere rapporteur van de VN over mensenrechten en transnationale ondernemingen en andere bedrijven, met als titel "Guiding Principles on Business and Human Rights: Implementing the United Nations 'Protect, Respect and Remedy' Framework"(9),

–  gezien de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen(10) en het jaarverslag 2014 over de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen(11),

–  gezien het jaarverslag 2013 van de Internet Corporation for Assigned Names and Numbers(12),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 12 februari 2014 met als titel "Internetbeleid en -governance: De rol van Europa bij het vormgeven van de toekomst van internetgovernance"(13),

–  gezien de verklaring van de multistakeholderbijeenkomst van NetMundial, aangenomen op 24 april 2014(14),

–  gezien de samenvatting van de voorzitter van het 9e Forum voor internetbeheer, dat van 2 tot 5 september 2014 in Istanbul werd gehouden,

–  gezien de beperkende maatregelen van de Europese Unie, waarvan sommige embargo's op telecommunicatieapparatuur, informatie- en communicatietechnologieën (ICT's) en toezichtsinstrumenten bevatten,

–  gezien Verordening (EU) nr. 599/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik(15),

–  gezien de Gemeenschappelijke verklaring van 16 april 2014 van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de toetsing van het controlesysteem voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik(16),

–  gezien de besluiten van de 19e plenaire vergadering in het kader van de Overeenkomst van Wassenaar betreffende exportcontrole voor conventionele wapens en goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik, gehouden te Wenen op 3 en 4 december 2013,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 24 april 2014 met als titel "De herziening van het uitvoercontrolebeleid: waarborgen van veiligheid en concurrentievermogen in een veranderende wereld"(17),

–  gezien de conclusies van de Raad van 21 november 2014 over de herziening van het uitvoercontrolebeleid,

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU(18),

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2013 over de vrijheid van pers en media in de wereld(19),

–  gezien zijn spoedresoluties over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtstaat waarin kwesties met betrekking tot digitale vrijheden worden aangekaart,

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over de prioriteiten van de EU voor de VN-Mensenrechtenraad in 2015(20),

–  gezien zijn resolutie van 11 februari 2015 over de verlenging van het mandaat van het Forum voor internetbeheer(21),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over het jaarverslag over de mensenrechten in de wereld in 2013 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie(22),

–  gezien de schriftelijke verklaring van Edward Snowden voor de LIBE-commissie in maart 2014(23),

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de lopende onderhandelingen over de toetreding van de EU tot dat verdrag,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0178/2015),

A.  overwegende dat technologische ontwikkelingen en toegang tot het open internet een steeds belangrijkere rol spelen voor het mogelijk maken en het waarborgen van de naleving en de volledige eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden, en een positief effect hebben door de reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting, de toegang tot informatie, het recht op privacy en de vrijheid van vergadering en vereniging in de hele wereld te vergroten;

B.  overwegende dat technologische systemen kunnen worden misbruikt als middel voor mensenrechtenschendingen door middel van censuur, toezicht, onwettige toegang tot apparaten, blokkeren, onderscheppen en het volgen en opsporen van informatie en personen;

C.  overwegende dat publieke en private actoren, met inbegrip van regeringen en rechtshandhavingsorganen, en criminele organisaties en terroristische netwerken deze middelen gebruiken om de mensenrechten te schenden;

D.  overwegende dat de context waarbinnen ICT's worden ontworpen en gebruikt, in grote mate bepaalt welk effect ze kunnen hebben als middel om de mensenrechten te bevorderen of te schenden; overwegende dat informatietechnologie, met name software, gewoonlijk geschikt is voor tweeërlei gebruik wat hun potentieel voor mensenrechtenschendingen betreft en dat software ook een vorm van meningsuiting is;

E.  overwegende dat ICT's belangrijke instrumenten zijn geweest om mensen te helpen bij de organisatie van sociale bewegingen en protesten in tal van, vooral autoritair geregeerde, landen;

F.  overwegende dat de beoordeling van de gevolgen voor mensenrechten van de context waarin technologieën worden gebruikt, bepaald wordt door de mate waarin het gebruik van technologieën door nationale en regionale wetgevingskaders wordt gereguleerd en de politieke en justitiële autoriteiten toezicht kunnen houden op dat gebruik;

G.  overwegende dat private actoren een steeds belangrijkere rol spelen in het digitale domein op alle gebieden van maatschappelijke activiteiten, maar dat nog steeds niet in waarborgen is voorzien om te voorkomen dat zij de grondenrechten en fundamentele rechten te zeer inperken; overwegende dat private actoren daarom een actievere rol spelen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van inhoud en bij de ontwikkeling van systemen voor cyberveiligheid en bewakingssystemen, die overal ter wereld een nadelig effect kunnen hebben voor de mensenrechten;

H.  overwegende dat het internet een ware revolutie van de mogelijkheden voor de uitwisseling van gegevens, informatie en allerhande kennis heeft teweeggebracht;

I.  overwegende dat versleuteling een belangrijke methode is die ertoe bijdraagt communicatie te beveiligen en de mensen die van communicatiemiddelen gebruik maken te beschermen;

J.  overwegende dat internetbeheer gebaat is bij een besluitvormingsmodel waarbij een groot aantal stakeholders is betrokken, een proces dat een zinvolle, inclusieve en verantwoordelijke participatie van alle stakeholders, regeringen, maatschappelijke organisaties, technische en academische gemeenschappen, de particuliere sector en gebruikers waarborgt;

K.  overwegende dat inlichtingendiensten cryptografische protocollen en -producten systematisch hebben ondermijnd om communicatie en gegevens te kunnen onderscheppen; overwegende dat de National Security Agency (NSA) van de VS in groten getale "zero-day exploits" heeft verzameld – zwakke punten in de IT-beveiliging die het publiek of de verkoper van het product nog niet bekend zijn; overwegende dat dergelijke activiteiten de mondiale inspanningen ter verbetering van de IT-beveiliging ondermijnen;

L.  overwegende dat in de EU gevestigde inlichtingendiensten activiteiten hebben ontplooid die indruisen tegen de mensenrechten;

M.  overwegende dat juridische en democratische controles en waarborgen sterk onderontwikkeld zijn in vergelijking tot de snelle ontwikkelingen die plaatsvinden op technologisch gebied;

N.  overwegende dat maatregelen voor (cyber)beveiliging of terrorismebestrijding op het vlak van ICT en monitoring van het internet grote negatieve gevolgen kunnen hebben voor de mensenrechten in de hele wereld, met inbegrip van EU-burgers die in het buitenland wonen of naar het buitenland reizen, en in het bijzonder bij gebrek aan rechtsgrondslag, noodzaak, proportionaliteit en democratisch en juridisch toezicht;

O.  overwegende dat internetfilters en de bewaking van communicatie het mensenrechtenverdedigers moeilijker maken het internet voor hun doeleinden te gebruiken en gevoelige informatie te communiceren, en dat zij indruisen tegen verschillende artikelen van de Universele verklaring van de rechten van de mens, die het recht van eenieder op privacy en vrije meningsuiting garandeert;

P.  overwegende dat zowel digitale veiligheid als digitale vrijheid essentieel zijn en dat ze elkaars plaats niet kunnen innemen, maar elkaar moeten versterken;

Q.  overwegende dat de Europese Unie op het vlak van digitale vrijheden alleen het voortouw kan nemen als deze vrijheden in de EU zelf worden gewaarborgd; overwegende dat het EU-gegevensbeschermingspakket daarom van cruciaal belang is;

R.  overwegende dat verstrekkende maatschappelijke belangen op het spel staan, zoals de bescherming van de grondrechten, die niet enkel aan de markt moeten worden overgelaten, maar die gereguleerd moeten worden;

S.  overwegende dat de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat en een doeltreffende parlementaire controle op inlichtingendiensten die gebruik maken van digitale bewakingstechnologie belangrijke elementen van internationale samenwerking vormen;

T.  overwegende dat in de EU gevestigde ondernemingen een belangrijk deel van de mondiale markt voor ICT's in handen hebben, met name wanneer het gaat om de uitvoer van bewakings-, tracerings-, inbreuk- en monitoringtechnologie;

U.  overwegende dat de invoering van uitvoercontroles geen afbreuk mag doen aan legitiem onderzoek op het gebied van IT-beveiliging en de ontwikkeling van IT-beveiligingsinstrumenten wanneer criminele bedoelingen ontbreken;

1.  erkent dat mensenrechten en fundamentele vrijheden universeel zijn en in alle uitingsvormen wereldwijd moeten worden verdedigd; benadrukt dat de bewaking van communicatie als zodanig in strijd is met het recht op privacy en vrije meningsuiting indien zij buiten een passend wetgevingskader om plaatsvindt;

2.  roept de Commissie op te zorgen voor samenhang tussen het externe optreden van de EU en de eigen beleidslijnen met betrekking tot ICT's;

3.  is van mening dat de actieve medeplichtigheid van bepaalde EU-lidstaten aan de grootschalige bewaking van burgers door de NSA en de spionage tegen politieke leiders, zoals door Edward Snowden onthuld werd, de geloofwaardigheid van het mensenrechtenbeleid van de EU ernstige schade hebben berokkend en het wereldwijde vertrouwen in de voordelen van ICT's hebben ondermijnd;

4.  herinnert de lidstaten en de betrokken EU-agentschappen, waaronder Europol en Eurojust, aan hun verplichtingen uit hoofde van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in lijn met internationale mensenrechtenwetgeving en de EU-doelstellingen voor extern beleid, die hun verbieden inlichtingen te delen die schendingen van de mensenrechten in een derde land tot gevolg zouden kunnen hebben of informatie te gebruiken die verkregen is als gevolg van een schending van de mensenrechten, zoals illegale surveillance, buiten de EU;

5.  benadrukt dat de impact van technologieën op de verbetering van de mensenrechten in alle EU-beleidsdomeinen en -programma's moet worden geïntegreerd om de bescherming van de mensenrechten en de promotie van de democratie, de rechtsstaat, goed beheer en vreedzame conflictoplossing te bevorderen;

6.  vraagt technologieën die bijdragen tot de bescherming van de mensenrechten en de digitale rechten en vrijheden en de veiligheid van mensen vergemakkelijken, actief te ontwikkelen en te verspreiden, en goede praktijken en geschikte wetgevingskaders te bevorderen en tegelijk de veiligheid en integriteit van persoonlijke gegevens te waarborgen; dringt er bij de EU en haar lidstaten met name op aan het wereldwijde gebruik en de ontwikkeling van open standaarden en vrije en opensourcesoftware en cryptografische technologieën te bevorderen;

7.  roept de EU op haar steun op te voeren voor actoren die werken aan de verscherping van de standaarden voor veiligheid en bescherming van de privacy in ICT's op alle niveaus, waaronder hardware, software en communicatiestandaarden evenals de ontwikkeling van de hardware en software in structuren met "ingebouwde privacy";

8.  vraagt dat een fonds voor mensenrechten en technologie wordt opgericht uit hoofde van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten;

9.  dringt er bij de EU zelf en met name bij de EDEO op aan versleuteling te gebruiken in de communicatie met mensenrechtenverdedigers, om hen niet in gevaar te brengen en om de communicatie met buitenstaanders te beschermen tegen bewaking;

10.  roept de EU op vrije en opensourcesoftware in gebruik te nemen en andere actoren aan te moedigen hetzelfde te doen, daar zulke software zorgt voor verbeterde veiligheid en een betere eerbiediging van de mensenrechten;

11.  vestigt de aandacht op het belang van de ontwikkeling van ICT's in conflictgebieden ter bevordering van vredesopbouwactiviteiten, om veilige communicatie mogelijk te maken tussen partijen die betrokken zijn bij vreedzame conflictresolutie;

12.  vraagt dat voorwaarden, maatstaven en verslagprocedures worden ingevoerd om te waarborgen dat de financiële en technische EU-steun voor de ontwikkeling van nieuwe technologieën in derde landen niet gebruikt wordt op een manier die de mensenrechten schendt;

13.  roept de Commissie en de Raad op actief met regeringen van derde landen te communiceren en mensenrechtenverdedigers, activisten uit het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke journalisten die bij hun activiteiten veilig gebruik maken van ICT's, met de bestaande Europese ondersteuningsmechanismen en beleidsinstrumenten verder te steunen, op te leiden en hen in staat te stellen een actievere rol te spelen, en de daaraan gerelateerde fundamentele privacyrechten te bevorderen, zoals de ongehinderde toegang tot de informatiestromen op het internet, het recht op privacy en gegevensbescherming, vrije meningsuiting, vrijheid van vergadering en vrijheid van vereniging en de vrijheid van pers en publicatie op het internet;

14.  vestigt de aandacht op het lot van klokkenluiders en hun medestanders, waaronder journalisten, na hun onthullingen over misbruik van surveillancepraktijken in derde landen; is van mening dat deze personen moeten worden beschouwd als mensenrechtenverdedigers en als dusdanig aanspraak moeten kunnen maken op bescherming door de EU zoals vereist door de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers; roept de Commissie en de lidstaten nogmaals op tot een grondig onderzoek van de mogelijkheid om klokkenluiders internationale bescherming tegen vervolging te bieden;

15.  betreurt het dat veiligheidsmaatregelen, waaronder maatregelen voor terrorismebestrijding, steeds vaker gebruikt worden als excuus voor de schending van het recht op privacy en de beteugeling van legitieme activiteiten van mensenrechtenverdedigers, journalisten en politieke activisten; spreekt nogmaals zijn sterke overtuiging uit dat de nationale veiligheid nooit als rechtvaardiging mag dienen voor niet-gerichte, geheime of grootschalige toezichtsprogramma's; staat erop dat zulke maatregelen uitsluitend toegepast worden volgens de regels van de rechtsstaat en de mensenrechtennormen, waaronder het recht op privacy en gegevensbescherming;

16.  roept de EDEO en de Commissie op om in de politieke dialoog met derde landen en in de programma's voor ontwikkelingssamenwerking op te komen voor het democratisch toezicht op veiligheids- en inlichtingendiensten; dringt er bij de Commissie op aan organisaties uit het maatschappelijk middenveld en wetgevende organen in derde landen die ernaar streven het toezicht op en de transparantie en verantwoordingsplicht van binnenlandse veiligheidsdiensten te verscherpen, te ondersteunen; vraagt dat specifieke verbintenissen daaromtrent opgenomen worden in het toekomstige EU-actieplan over mensenrechten en democratisering;

17.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan in alle vormen van betrekkingen met derde landen (ook toetredingsonderhandelingen, handelsonderhandelingen, mensenrechtendialogen en diplomatieke contacten) op te komen voor digitale vrijheden en de onbeperkte toegang tot het internet;

18.  erkent dat internet zowel een openbare ruimte is geworden als een marktplaats, waarvoor een vrije informatiestroom en de toegang tot ICT's onmisbaar zijn; benadrukt derhalve dat digitale vrijheid en vrije handel gelijktijdig moeten worden bevorderd en beschermd;

19.  vraagt dat in alle overeenkomsten met derde landen clausules worden opgenomen waarin expliciet wordt verwezen naar de noodzaak om digitale vrijheden, netneutraliteit, ongecensureerde en onbeperkte toegang tot het internet, privacyrechten en gegevensbescherming te bevorderen, waarborgen en eerbiedigen;

20.  dringt er bij de EU op aan in te gaan tegen de criminalisering van het gebruik door mensenrechtenverdedigers van versleuteling, censuurontduiking en privacyinstrumenten, door te weigeren het gebruik van versleuteling in de EU te beperken, en overheden van derde landen die mensenrechtenverdedigers hiervan beschuldigen daarop aan te spreken;

21.  dringt er bij de EU op aan in te gaan tegen de criminalisering van het gebruik van versleuteling, anticensuur- en privacyinstrumenten, door te weigeren het gebruik van versleuteling in de EU te beperken en door overheden van derde landen die deze instrumenten criminaliseren daarop aan te spreken;

22.  benadrukt dat voor een effectief EU-beleid inzake ontwikkeling en mensenrechten ICT's moeten worden gemainstreamd en de digitale kloof moet worden overbrugd, door te zorgen voor technologische basisinfrastructuur en door de toegang tot kennis en informatie te vereenvoudigen teneinde digitale geletterdheid te bevorderen en door het gebruik van open standaarden en vrije en opensourcesoftware, waar gepast, te bevorderen, teneinde openheid en transparantie te waarborgen (vooral door openbare instellingen) – met inbegrip van het waarborgen van gegevensbescherming op het digitale vlak in heel de wereld – alsook te zorgen voor een beter inzicht in de potentiële risico's en voordelen van ICT;

23.  roept de Commissie op initiatieven te ondersteunen om digitale hindernissen voor mensen met een handicap weg te nemen; is van mening dat het zeer belangrijk is dat het beleid van de EU ten aanzien van de ontwikkeling en bevordering van mensenrechten in de wereld is gericht op het dichten van de digitale kloof voor mensen met een handicap en op het bieden van een ruimer rechtskader, met name wat betreft de toegang tot kennis, de digitale participatie en de ontsluiting van de nieuwe economische en sociale mogelijkheden die het internet biedt;

24.  benadrukt dat de legale digitale verzameling en verspreiding van bewijsmateriaal van schendingen van de mensenrechten kan helpen om straffeloosheid en terrorisme te bestrijden; is van mening dat dit materiaal in naar behoren gemotiveerde gevallen ontvankelijk moet zijn als bewijsmateriaal in rechtszaken in het kader van het internationaal (straf)recht overeenkomstig internationale, regionale en grondwettelijke waarborgen; beveelt aan om op het gebied van internationaal strafrecht mechanismen te creëren voor de invoering van procedures via welke deze gegevens als bewijsmateriaal in rechtszaken voor echt worden verklaard en verzameld;

25.  betreurt het dat sommige in de EU ontwikkelde informatie- en communicatietechnologieën en -diensten in derde landen worden verkocht en door privépersonen, bedrijven en overheden kunnen worden gebruikt met als specifiek doel de mensenrechten te schenden door censuur, grootschalig toezicht, blokkeren, onderscheppen, controles, en het traceren en opsporen van burgers en hun activiteiten op (mobiele) telefoonnetwerken en het internet; is bezorgd over het feit dat sommige in de EU gevestigde bedrijven technologieën en diensten leveren die deze mensenrechtenschendingen mogelijk maken;

26.  merkt op dat bedreigingen voor de veiligheid van de Europese Unie, haar lidstaten en derde landen vaak afkomstig zijn van individuele personen of kleine groeperingen die digitale communicatienetwerken gebruiken voor het plannen en uitvoeren van aanvallen, en dat de instrumenten en strategieën die nodig zijn voor het wegnemen van dergelijke bedreigingen continu moeten worden herzien en bijgewerkt;

27.  is van mening dat grootschalig toezicht dat niet wordt verantwoord door een verhoogd risico van terroristische aanvallen en dreiging in strijd is met de beginselen van noodzaak en proportionaliteit en daarom een schending van de mensenrechten;

28.  dringt er bij de lidstaten op aan om volledige democratische controle over de verrichtingen van inlichtingendiensten in derde landen te bevorderen, alsmede te verifiëren dat deze diensten met volledig respect voor de wet handelen, en om de diensten en personen verantwoordelijk voor onwettige verrichtingen rekenschap te laten afleggen;

29.  moedigt de lidstaten aan om in het licht van de toegenomen samenwerking en informatie-uitwisseling tussen lidstaten en derde landen – met inbegrip van het gebruik van digitaal toezicht – democratische controle van deze diensten en hun verrichtingen te waarborgen door middel van toepasselijk intern, uitvoerend, gerechtelijk en onafhankelijk parlementair toezicht;

30.  benadrukt dat de beginselen van maatschappelijk verantwoord ondernemerschap en de criteria van mensenrechten "by design" (die technologische oplossingen en innovaties ter bescherming van de mensenrechten zijn) in EU-wetgeving moeten worden opgenomen om ervoor te zorgen dat aanbieders van internetdiensten, softwareontwikkelaars, hardwareproducenten, socialenetwerkdiensten/media, aanbieders van mobiele telefonie en andere rekening houden met de mensenrechten van eindgebruikers wereldwijd;

31.  dringt er bij de EU op aan om grotere transparantie te waarborgen in de relatie tussen aanbieders van mobiele telefonie of internetaanbieders en overheden, en om hiertoe in haar relatie met derde landen op te roepen door van aanbieders van mobiele telefonie en internetaanbieders te eisen dat zij jaarlijks gedetailleerde transparantieverslagen publiceren, waaronder verslagen over door overheden aangevraagde handelingen, alsmede in de financiële banden tussen de overheid en aanbieders van mobiele telefonie/internetaanbieders;

32.  herinnert bedrijven aan hun verantwoordelijkheid de mensenrechten te respecteren bij hun wereldwijde activiteiten, ongeacht de woonplaats van hun gebruikers en onafhankelijk van de vraag of de ontvangende staat voldoet aan zijn verplichting tot het respecteren van de mensenrechten; roept ICT-bedrijven, in het bijzonder bedrijven die in de EU zijn gevestigd, op om de richtsnoeren van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten toe te passen, onder andere door het instellen van een beleid van gepaste zorgvuldigheid en voorzorgsmaatregelen voor risicobeheer, en door voor doeltreffende rechtsmiddelen te zorgen als hun activiteiten een negatief effect op de mensenrechten hebben gecreëerd of hiertoe hebben bijgedragen;

33.  benadrukt dat EU-regelgeving en -sancties met betrekking tot ICT's, met inbegrip van vangnetregelingen, doeltreffender moeten worden toegepast en gemonitord, om ervoor te zorgen dat alle partijen, met inbegrip van de lidstaten, de wetgeving naleven en een gelijk speelveld wordt behouden;

34.  benadrukt dat respect voor fundamentele rechten een essentieel onderdeel is van een geslaagd beleid inzake terrorismebestrijding, waaronder het gebruik van technologieën voor digitaal toezicht;

35.  is verheugd over het besluit van de Overeenkomst van Wassenaar van december 2013 over de controle op uitvoer op het gebied van toezicht, ordehandhaving en instrumenten voor het verzamelen van informatie en systemen voor netwerkbewaking; herinnert aan de grote onvolledigheid van de EU-regeling voor producten voor tweeërlei gebruik, te weten de EU-verordening voor tweeërlei gebruik, als het gaat om de effectieve en systematische controle op uitvoer van schadelijke ICT-technologieën naar niet-democratische landen;

36.  dringt er bij de Commissie op aan in de context van de toekomstige herziening en vernieuwing van het beleid inzake producten voor tweeërlei gebruik spoedig een voorstel te doen voor intelligente en doeltreffende beleidslijnen om de commerciële uitvoer van diensten op het gebied van de toepassing en het gebruik van zogenaamde technologieën voor tweeërlei gebruik te beperken en te reguleren, waarbij de mogelijk schadelijke gevolgen van de uitvoer van ICT-producten en -diensten naar derde landen worden aangepakt, zoals overeengekomen in de Gemeenschappelijke verklaring van april 2014 van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie; roept de Commissie op om doeltreffende waarborgen op te nemen om te voorkomen dat deze controle op de uitvoer op enige wijze schade kan toebrengen aan onderzoek, met inbegrip van wetenschappelijk onderzoek en onderzoek op het gebied van IT-veiligheid;

37.  benadrukt dat de Commissie bedrijven die erover twijfelen of ze een uitvoervergunning moeten aanvragen nauwkeurige en bijgewerkte informatie moet kunnen aanbieden over de wettigheid of de mogelijk schadelijke gevolgen van potentiële transacties;

38.  vraagt de Commissie voorstellen te doen om te toetsen hoe EU-normen in verband met ICT's kunnen worden gebruikt om de mogelijk schadelijke gevolgen te voorkomen van de uitvoer van deze technologieën of diensten naar derde landen waar concepten als "legale interceptie" niet kunnen worden gezien als gelijkwaardig aan die van de Europese Unie, of die een slechte reputatie op het gebied van mensenrechten hebben of waar bijvoorbeeld de rechtsstaat niet bestaat;

39.  bevestigt opnieuw dat EU-normen, in het bijzonder het Handvest van de grondrechten van de EU, moeten prevaleren bij de beoordeling van incidenten als er technologieën voor tweeërlei gebruik op zo’n manier worden ingezet dat zij de mensenrechten zouden kunnen beperken;

40.  vraagt dat beleid wordt ontwikkeld om de verkoop van "zero-day exploits" en kwetsbaarheden te reglementeren om te vermijden dat deze worden gebruikt voor cyberaanvallen of voor onwettige toegang tot apparaten, waardoor mensenrechten kunnen worden geschonden zonder dat dergelijke verordeningen een effect hebben dat van grote betekenis is voor academisch en in ander opzicht betrouwbaar veiligheidsonderzoek;

41.  betreurt het dat bepaalde Europese ondernemingen en internationale ondernemingen die handel drijven in technologieën voor tweeërlei gebruik met potentiële negatieve gevolgen voor de mensenrechten terwijl zij in de EU actief zijn, actief samenwerken met landen waarvan de activiteiten de mensenrechten schenden;

42.  dringt er publiekelijk bij de Commissie op aan ondernemingen die bij dergelijke activiteiten betrokken zijn, uit te sluiten van EU-aanbestedingsprocedures, onderzoeks- en ontwikkelingsfinanciering en van elke andere financiële steun;

43.  vraagt de Commissie om extra aandacht te schenken aan mensenrechtenaspecten in de publieke aanbestedingsprocessen voor technologische apparatuur, met name in landen met onbetrouwbare praktijken op dit gebied;

44.  vraagt de Commissie en de Raad het open internet, besluitvormingsprocedures waarbij veel belanghebbenden betrokken zijn, netneutraliteit, digitale vrijheden en gegevensbeschermingswaarborgen in derde landen actief te verdedigen in fora voor internetbeheer;

45.  veroordeelt het verzwakken en ondermijnen van versleutelingsprotocollen en -producten, in het bijzonder door inlichtingendiensten die versleutelde communicatie willen onderscheppen;

46.  waarschuwt voor de privatisering van wetshandhaving door internetbedrijven en internetserviceproviders;

47.  vraagt om opheldering van normen en standaarden die private actoren gebruiken om hun systemen te ontwikkelen;

48.  herinnert eraan om de context te beoordelen waarin technologieën worden gebruikt om hun effect op mensenrechten volledig te begrijpen;

49.  vraagt expliciet om bij voorkeur middelen te promoten die het mogelijk maken om anoniem en/of pseudoniem internet te gebruiken en de strijd aan te gaan met de eenzijdige zienswijze dat zulke middelen criminele activiteiten toestaan, in plaats van het mondiger maken van mensenrechtenactivisten buiten en binnen de EU;

50.  dringt er bij de Commissie en de EDEO op aan om intelligente en doeltreffende beleidslijnen te ontwikkelen om de uitvoer van technologieën voor tweeërlei gebruik te reguleren, waarbij de mogelijk schadelijke gevolgen van de uitvoer van ICT-producten en -diensten worden aangepakt, op internationaal niveau binnen multilaterale uitvoerregelingen en andere internationale instanties;

51.  benadrukt dat wijzigingen in regelgeving om de effectiviteit van uitvoercontroles van immateriële technologieoverdracht te verhogen legitiem onderzoek en toegang tot en uitwisseling van informatie niet mogen verhinderen, en dat potentiële maatregelen zoals het gebruik van algemene uitvoertoelatingen van de EU voor onderzoek op het gebied van tweeërlei gebruik geen afschrikwekkend effect mogen hebben op individuen en kmo's;

52.  vraagt de lidstaten om ervoor te zorgen dat het bestaande en toekomstige uitvoercontrolebeleid de activiteiten van legitieme veiligheidsonderzoekers niet beperkt en dat uitvoercontroles worden toegepast in goed vertrouwen en slechts op duidelijk gedefinieerde technologieën die bestemd zijn voor grootschalig toezicht, censuur, blokkeren, onderscheppen, controles en het opsporen van burgers en hun activiteiten op (mobiele) telefoonnetwerken;

53.  herinnert eraan dat meshgebaseerde ad hoc draadloze technologieën een groot potentieel bieden voor het onderhoud van back-upnetwerken in gebieden waar internet niet beschikbaar of geblokkeerd is, en de mensenrechten kunnen bevorderen;

54.  vraagt de Commissie een onafhankelijke groep deskundigen aan te stellen die een mensenrechteneffectiviteitsbeoordeling kan uitvoeren op bestaande EU-normen voor ICT's, met als doel het doen van aanbevelingen voor aanpassingen die de bescherming van de mensenrechten zullen verhogen, in het bijzonder als systemen worden uitgevoerd;

55.  erkent dat technologische ontwikkeling een uitdaging vormt voor rechtssystemen die zich aan nieuwe omstandigheden moeten aanpassen; onderstreept het belang van wetgevers die meer aandacht moeten schenken aan de digitale economie;

56.  vraagt de Commissie het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke deskundigen, inclusief veiligheidsonderzoekers, op het vlak van ICT in derde landen te betrekken om voor actuele expertise te zorgen die moet leiden tot toekomstvaste beleidsvorming;

57.  benadrukt dat ongewenste gevolgen moeten worden vermeden, zoals beperkingen of afschrikwekkende effecten op wetenschappelijk en andere soorten betrouwbaar onderzoek en ontwikkeling, op de uitwisseling van en toegang tot informatie, op de ontwikkeling van kennis op het gebied van veiligheid of op de uitvoer van technologieën die kunnen bijdragen tot het verwerven van de noodzakelijke digitale competenties en de bevordering van de mensenrechten;

58.  is van mening dat de samenwerking tussen overheden en private actoren wereldwijd in het digitale domein, ook binnen het forum voor internetbeheer, onderhevig moet zijn aan controlemechanismen en niet mag leiden tot de ondermijning van democratisch en juridisch toezicht;

59.  blijft bij zijn standpunt dat vrijwilligheid niet toereikend is, maar dat er bindende voorschriften nodig zijn om ondernemingen ertoe te brengen dat zij de staat van dienst van landen op het gebied van mensenrechten in overweging nemen voordat zij hun producten aan de desbetreffende landen verkopen, en dat zij een beoordeling van de gevolgen uitvoeren ten aanzien van het effect van hun technologieën op verdedigers van de mensenrechten en critici van regeringen;

60.  is van mening dat de uitvoer van zeer gevoelige producten moet worden gecontroleerd, voordat deze producten de EU verlaten, en dat sancties bij overtredingen noodzakelijk zijn;

61.  vraagt dat aan ieder individu het recht op encryptie wordt verleend en tevens dat de nodige voorwaarden worden geschapen om encryptie te kunnen uitvoeren; is van mening dat de controle bij de eindgebruiker moet liggen, die ook de vaardigheden nodig heeft om de controle op een zinvolle wijze uit te voeren;

62.  vraagt om de invoering van "end-to-end" encryptiestandaarden als vanzelfsprekendheid bij alle communicatiediensten om het meelezen van inhoud door regeringen, geheime diensten en bewakingsdiensten te bemoeilijken;

63.  benadrukt de bijzondere verantwoordelijkheid van de geheime diensten van staten om voor vertrouwen te zorgen en vraagt dat aan grootschalig toezicht een einde wordt gemaakt; is van mening dat het toezicht op Europese burgers door binnen- en buitenlandse geheime diensten moet worden aangepakt en gestaakt;

64.  wijst de verkoop en verspreiding van Europese monitoringtechnologie en censuurhulpmiddelen aan autoritaire regimes zonder rechtsstaat af;

65.  vraagt dat de internationale bescherming van klokkenluiders wordt uitgebreid en roept de lidstaten op om het initiatief te nemen tot wetgeving ter bescherming van klokkenluiders;

66.  vraagt om een VN-gezant voor digitale vrijheden en gegevensbescherming en vraagt dat het werkgebied van de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten dusdanig wordt uitgebreid dat ook technologie onder het mensenrechtenaspect valt;

67.  vraagt om maatregelen die waarborgen dat de privacy van activisten, journalisten en burgers overal ter wereld wordt beschermd en dat zij via het internet onderlinge netwerken kunnen vormen;

68.  benadrukt dat toegang tot het internet moet worden erkend als een mensenrecht en vraagt om maatregelen die een einde maken aan de digitale kloof;

69.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de EDEO.

(1) http://eeas.europa.eu/delegations/un_geneva/press_corner/focus/events/2012/20120625_en.htm
(2)http://eeas.europa.eu/delegations/documents/eu_human_rights_guidelines_on_freedom_of_expression_online_and_offline_en.pdf
(3) http://www.osce.org/fom/80723?download=true
(4) http://www.osce.org/fom/127656?download=true
(5) http://daccess-dds-ny.un.org/doc/UNDOC/GEN/N14/545/19/PDF/N1454519.pdf?OpenElement.
(6) http://www.ohchr.org/EN/HRBodies/HRC/RegularSessions/Session27/Documents/A-HRC-27-37_en.doc
(7) http://website-pace.net/documents/19838/1085720/20150126-MassSurveillance-EN.pdf/df5aae25-6cfe-450a-92a6-e903af10b7a2
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0230.
(9) http://www.ohchr.org/Documents/Publications/GuidingPrinciplesBusinessHR_EN.pdf?v=1392752313000/_/jcr:system/jcr:versionstorage/12/52/13/125213a0-e4bc-4a15-bb96-9930bb8fb6a1/1.3/jcr:frozennode
(10) http://www.oecd.org/daf/inv/mne/48004323.pdf
(11) http://www.oecd-ilibrary.org/docserver/download/2014091e.pdf?expires=1423160236&id=id&accname=ocid194994&checksum=D1FC664FBCEA28FC856AE63932715B3C
(12) https://www.icann.org/en/system/files/files/annual-report-2013-en.pdf
(13) COM(2014)0072.
(14) http://netmundial.br/wp-content/uploads/2014/04/NETmundial-Multistakeholder-Document.pdf
(15) PB L 173 van 12.6.2014, blz. 79.
(16) PB L 173 van 12.6.2014, blz. 82.
(17) COM(2014)0244.
(18) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0470.
(19) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0274.
(20) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0079.
(21) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0033.
(22) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0076.
(23) http://www.europarl.europa.eu/document/activities/cont/201403/20140307ATT80674/20140307ATT80674EN.pdf


Bescherming van de financiële belangen van de EU: naar prestatiegebaseerde controles van het GLB
PDF 185kWORD 83k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 september 2015 over bescherming van de financiële belangen van de Unie: naar prestatiegebaseerde controles van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (2014/2234(INI))
P8_TA(2015)0289A8-0240/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Advies nr. 1/2012 van de Europese Rekenkamer over bepaalde voorstellen voor verordeningen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2014-2020,

–  gezien Advies nr. 2/2004 van de Europese Rekenkamer over het model "single audit",

–  gezien Speciaal verslag nr. 16/2013 van de Europese Rekenkamer getiteld "Evaluatie van de "single audit" en van het vertrouwen van de Commissie in het werk van de nationale auditautoriteiten op het gebied van cohesie",

–  gezien het jaarlijks activiteitenverslag 2013 van het directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0240/2015),

A.  overwegende dat de regelgeving in de loop van twee hervormingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is gediversifieerd en complexer is geworden;

B.  overwegende dat complexere regels tot meer fouten bij de uitvoering ter plaatse leiden;

C.  overwegende dat de doelstellingen van het GLB moeten worden verwezenlijkt, terwijl tevens het wederzijdse begrip en vertrouwen tussen alle EU-instellingen en nationale en regionale organen moet worden gewaarborgd voor de doeltreffende tenuitvoerlegging van het GLB;

D.  overwegende dat vereenvoudiging en minder bureaucratie vereist zijn om het GLB op meer doeltreffende en efficiënte wijze te hervormen en de doelstellingen van het GLB te halen;

E.  overwegende dat de kosten voor controles en adviesverlening aan belanghebbenden en landbouwers op het niveau van de lidstaten momenteel geraamd worden op vier miljard EUR per jaar, en dat deze kosten en het foutenpercentage waarschijnlijk nog zullen stijgen bij de tenuitvoerlegging van de laatste hervorming van het GLB, vooral de invoering van "vergroeningsmaatregelen";

F.  overwegende dat de hervorming van 2013 heeft geleid tot aanzienlijke wijzigingen in de gegevens die landbouwers moeten verschaffen bij aanvragen en verzoeken om schadevergoeding, waarbij sprake is van nieuwe eisen met het risico op een hoger foutenpercentage in de leer- en aanpassingsfase;

G.  overwegende dat exploitanten niet mogen worden opgezadeld met een onevenredig aantal inspecties;

H.  overwegende dat de doelstellingen van het GLB moeten worden gehaald, terwijl tevens het wederzijdse begrip en vertrouwen tussen alle EU-instellingen en nationale en regionale organen moet worden gewaarborgd voor de doeltreffende tenuitvoerlegging van het GLB;

I.  overwegende dat landbouwers door middel van stimulansen worden aangemoedigd om aan dienstverlening te doen op gebieden als landschapsonderhoud, biodiversiteit op landbouwgrond en stabiliteit van het klimaat, ook al hebben deze activiteiten geen marktwaarde;

J.  overwegende dat de kosten voor controles en het verlenen van advies aan belanghebbenden en landbouwers op het niveau van de lidstaten momenteel geraamd kunnen worden op vier miljard EUR; benadrukt dat de kosten voor controles en de bureaucratische rompslomp die daarmee gemoeid is, tot een minimum beperkt moeten worden;

K.  overwegende dat controles op basis van prestaties een nuttige methode kunnen worden, terwijl bij de bestuursorganen stabiliteit en een positieve benadering vereist zijn om een vertrouwensband op te bouwen met de eindbegunstigden; wijst er echter op dat er geen universele aanpak kan worden gehanteerd voor de uiteenlopende soorten en maten landbouwbedrijven in de EU;

L.  overwegende dat de vergroeningsmaatregelen die bij de laatste hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn ingevoerd tot doel hebben om de duurzaamheid van de landbouw te vergroten met behulp van verschillende instrumenten:

   eenvoudigere en gerichtere randvoorwaarden;
   groene rechtstreekse betalingen en vrijwillige maatregelen op het gebied van plattelandsontwikkeling die gunstig zijn voor milieu en klimaatverandering;

M.  overwegende dat het directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling(1) het nodig heeft geacht 51 voorbehouden te maken met betrekking tot het niveau van de betaalorganen;

1.  deelt de mening van de Europese Rekenkamer dat de regelingen voor uitgaven in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2014-2020 complex blijven(2); herinnert er niettemin aan dat de complexiteit van het GLB te wijten is aan de diversiteit van de landbouw in Europa en dat vereenvoudiging niet mag leiden tot de ontmanteling van de aangenomen instrumenten;

2.  roept op tot een minder bureaucratisch GLB teneinde het foutenpercentage te reduceren en tot de invoering van instrumenten waarmee onderscheid kan worden gemaakt tussen fout en fraude;

3.  pleit ervoor om bij de analyse van de controles en bij eventuele sancties een onderscheid te maken tussen onopzettelijke nalatigheid en gevallen van fraude, aangezien nalatigheid normaal gesproken geen financiële schade voor de belastingbetaler met zich meebrengt;

4.  pleit voor een minder bureaucratisch GLB dat op heldere wijze kan worden uitgevoerd en uitgelegd, om het foutenpercentage terug te dringen en instrumenten in te voeren waarmee fouten kunnen worden onderscheiden van fraude, en waarmee tegelijkertijd wordt gegarandeerd dat landbouwers nog steeds kunnen zorgen voor de essentiële voedselproductie die centraal staat in het beleid; is van mening dat doorgaan met het aanpakken van de complexiteit en het stroomlijnen van het GLB cruciaal is om nieuwkomers in de landbouw aan te trekken en hen en hun vaardigheden te behouden met het oog op een bloeiende EU-landbouwsector in de toekomst; verwacht dat het programma voor betere regelgeving in dit verband solide maatregelen oplevert; is verheugd over het besluit van de Commissie om de termijn voor het indienen van verzoeken om directe betaling met een maand te verlengen, en beschouwt dit als een stap in de richting van een lager foutenpercentage van het GLB;

5.  dringt erop aan dat zowel nationale instanties als landbouwers beter worden begeleid bij het terugdringen van het foutenpercentage;

6.  ondersteunt het initiatief van de Commissie om het GLB te vereenvoudigen door de maatregelen die snel kunnen worden uitgevoerd meteen te bestuderen, aangezien landbouwers, betaalorganen, EU-instellingen en belastingbetalers daarvan kunnen profiteren; pleit er tevens voor om bij de tussentijdse evaluatie voorstellen voor wijzigingen van de basiswetgeving in te dienen, die bij de hervorming voor de volgende financieringsperiode in overweging moeten worden genomen;

7.  vreest dat het meest waarschijnlijke foutenpercentage zoals vastgesteld door de Rekenkamer op het terrein van de rechtstreekse betalingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de periode 2014-2020 zal stijgen, in het bijzonder vanwege het feit dat het volgende kader voor randvoorwaarden er nog niet voor zorgt dat de regelgeving voor de beheersautoriteiten of de begunstigden minder onnodig complex wordt;

8.  herinnert eraan dat het Parlement en de Rekenkamer vaak hebben benadrukt dat een juist evenwicht moet worden gevonden tussen een lagere administratieve last en een doeltreffende financiële controle;

9.  wijst erop dat de kosten voor de controles van het gemeenschappelijk landbouwbeleid nu reeds neerkomen op 4 miljard EUR per jaar en dat ze betrekking hebben op 50 miljoen transacties, terwijl de landbouwbegroting circa 58 miljard EUR omvat;

10.  is tevreden dat de Commissie voorrang geeft aan een nieuwe vereenvoudiging van het GLB en dat zij voorstelt eerst een aantal gedelegeerde en uitvoeringshandelingen te vereenvoudigen;

11.  is sterk voorstander van het verhogen van de kwaliteit en samenhang van de inspecties in plaats van het verhogen van het aantal controles in de landbouw door alle lidstaten, de Commissie en de Rekenkamer;

12.  benadrukt eveneens dat controles een garantie vormen voor betrouwbare besteding van voor de financiering van instrumenten van het GLB bestemde middelen van de EU-begroting;

13.  wijst erop dat het doel van het model "single audit" is om een enkele reeks controles in te voeren van de uiteindelijke begunstigden tot aan de Europese instellingen;

14.  betreurt het feit dat het model "single audit" nog niet doeltreffend is en dat de door de lidstaten ingevoerde controlesystemen hun volledige potentieel nog niet hebben waargemaakt; wijst de lidstaten op hun plicht om te zorgen voor een doeltreffend eerste controleniveau met een minimale last voor de landbouwers, en op de bestaande mogelijkheden voor het toepassen van flexibiliteit bij de opzet van controles;

15.  moedigt de Commissie en de lidstaten bij wijze van richtsnoer aan manieren te zoeken om inspecties in verband met het GLB te optimaliseren en deze inspecties zo te combineren dat de gekozen begunstigden, indien mogelijk, jaarlijks slechts aan één ronde van controles worden onderworpen;

16.  benadrukt dat volgens het jaarverslag van de Europese Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2013:

   a) het meest waarschijnlijke foutenpercentage bij de rechtstreekse betalingen 1,1% lager zou zijn geweest, en daarmee relatief dicht bij de materialiteitsdrempel van 2% zou hebben gelegen, indien de nationale autoriteiten de beschikbare informatie hadden gebruikt om de fouten in ieder geval voor een deel te voorkomen, op te sporen en te corrigeren(3);
   b) het meest waarschijnlijke foutenpercentage op het gebied van plattelandsontwikkeling zou zijn verlaagd tot 2% indien de nationale autoriteiten alle beschikbare informatie hadden gebruikt om fouten te voorkomen, op te sporen en te corrigeren(4);

17.  betreurt het feit dat de Commissie de foutenpercentages opgegeven door 42 van de 68 betaalorganen met een restfoutenpercentage hoger dan 2% naar boven moest bijstellen, ondanks het feit dat bijna alle betaalorganen voor de rechtstreekse betalingen waren erkend en gecertificeerd door de certificerende instanties, en ondanks het feit dat 79 van de 82 betrouwbaarheidsverklaringen van de betaalorganen in 2013 een goedkeurend oordeel ontvingen van de certificerende instanties;

18.  verwacht dat de nieuwe taken die de certificerende instanties zijn toebedeeld met Verordeningen (EU, Euratom) nr. 966/2012 en (EU) nr. 1306/2013 zullen zorgen voor een hogere betrouwbaarheid van de door de lidstaten gemelde gegevens inzake hun beheer van de landbouwfondsen van de EU;

19.  vraagt de Commissie de richtsnoeren voor de certificerende instanties te wijzigen om de samenstelling van statistische verslagen nauwkeuriger te verifiëren;

20.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om voorstellen in te dienen inzake het opleggen van sancties voor valse of onjuiste informatie van betaalorganen, onder meer met betrekking tot de volgende drie aspecten: de inspectiestatistieken, de verklaringen van de betaalorganen en de werkzaamheden van de certificerende instanties; verzoekt de Commissie de bevoegdheid te verlenen om de erkenning van betaalorganen in te trekken in ernstige gevallen van onjuiste weergave van de feiten;

21.  verwacht dat de Commissie zo snel mogelijk ten volle gebruik zal maken van het proces van vereenvoudiging van het GLB, in het bijzonder met betrekking tot de belastende en complexe regelgeving inzake randvoorwaarden en vergroening, hetgeen uiteindelijk gevolgen heeft voor landbouwers in heel Europa;

22.  ondersteunt het initiatief van de Commissie om het GLB te vereenvoudigen door snel uitvoerbare maatregelen meteen in behandeling te nemen, aangezien landbouwers, betaalorganen, EU-instellingen en belastingbetalers daarvan kunnen profiteren; dringt er tevens op aan voorstellen voor amendementen op de basiswetgeving in te dienen; verzoekt de Commissie concrete voorstellen in te dienen voor de vereenvoudiging van het GLB en daarbij rekening te houden met de feedback van belanghebbenden in de agrarische sector;

23.  is voorstander van de verbetering en de striktere uitvoering van de eenmalige controle van de rekeningen door de controleactiviteiten van de verschillende instellingen te coördineren, en pleit voor een vermindering van de administratieve rompslomp als gevolg van de controles zodat landbouwers niet in hetzelfde jaar meermaals en afzonderlijk door de bevoegde organen bezocht worden of door zowel de Commissie als de Europese Rekenkamer te uitvoerig of meermalen gecontroleerd worden uit hoofde van enige vorm van regelgeving, zodat landbouwers dankzij een verlaging van het aantal inspecties minder belast worden; pleit voor een bundeling van de controletaken en controles die worden uitgevoerd door certificerende instanties en andere organen in de lidstaten; wijst erop dat het advies dat door zowel de nationale autoriteiten als de Commissie in de vorm van richtsnoeren aan landbouwers wordt gegeven voor de tenuitvoerlegging van het GLB vaak in tegenspraak is met de beoordelingscriteria die worden gehanteerd door de Rekenkamer, wat resulteert in onevenredige en onverwachte boetes;

24.  spreekt zich uit voor een geïntegreerde aanpak bij de controles, zodat alle controleverplichtingen op een landbouwbedrijf zo mogelijk op hetzelfde tijdstip plaatsvinden om het aantal inspecties ter plaatse laag te houden en de financiële lasten en tijd die dit instanties en landbouwers kost te beperken;

25.  wijst de Commissie erop dat de risico's van onopzettelijke fouten vanwege de complexe regelgeving uiteindelijk gedragen worden door de begunstigde; vraagt om een redelijk, proportioneel en doeltreffend sanctiebeleid om deze aanpak te ondersteunen, bijvoorbeeld door te voorkomen dat dubbele sancties worden opgelegd voor dezelfde fout in het kader van zowel de betalingsregeling als de randvoorwaarden;

26.  is van mening dat met het oog op de soepele tenuitvoerlegging van projecten betalingen niet mogen worden opgeschort als er sprake is van onbeduidende en/of administratieve fouten;

27.  vraagt de Commissie, de lidstaten en de Rekenkamer verder te werken aan de ontwikkeling van risicogebaseerde controlestrategieën waarin alle relevante gegevens worden verwerkt, met inbegrip van vaststelling vooraf van de beste/slechtste presteerders per beleidsterrein;

28.  benadrukt dat criteria moeten worden ontwikkeld om te bepalen welke lidstaten als beste/slechtste presteerders worden beschouwd;

29.  herinnert eraan dat een groot aantal lidstaten aangemerkt kan worden als "slechtst presterend" wat betreft het beheer van EU-middelen, al naargelang het desbetreffende beleidsterrein;

30.  benadrukt dat de definitie van resultaten in verband met controles op een controlelijst moet zijn gebaseerd en voornamelijk betrekking moet hebben op de kwaliteit van de controles en administratieve systemen van de lidstaten, d.w.z. de efficiency, consistentie en betrouwbaarheid van de beheersautoriteiten en certificerende instanties;

31.  is van mening dat de per beleidsterrein best presterende lidstaten beloond moeten worden met een vermindering van het aantal controles door de Unie;

32.  is van mening dat de totstandbrenging en administratieve verwerking van controles op basis van prestaties in geen geval een bron van extra onzekerheid mag gaan vormen voor de voedselvoorzieningszekerheid van de EU;

33.  verzoekt de best presterende lidstaten hun ervaring te delen met de slechtst presterende lidstaten;

34.  verzoekt de Commissie de uitwisseling van optimale werkmethoden te stimuleren om de controles zo soepel mogelijk te laten verlopen en landbouwers zo min mogelijk last te bezorgen;

35.  wijst erop dat artikel 59, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid luidt: "De lidstaten zien erop toe dat het minimumniveau van de controles ter plaatse voldoet aan wat nodig is voor een doeltreffend beheer van de risico's en zij verhogen dat niveau waar nodig. De lidstaten kunnen dat minimumniveau verlagen indien de beheers- en controlesystemen goed functioneren en de foutpercentages op een aanvaardbaar niveau blijven";

36.  verzoekt de Commissie een nadere definitie te formuleren voor aanvaardbaar niveau als bedoeld in artikel 59, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 en hierover een dialoog te starten met het Parlement en de Europese Rekenkamer;

37.  moedigt de lidstaten aan verdere initiatieven te ontplooien voor e-overheid, met het oog op een verlaging van het foutenpercentage door fouten in de aanvraagfase te voorkomen, als doelstelling op de middellange tot lange termijn; verzoekt de Commissie en de lidstaten de in artikel 122, lid 3, van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen bedoelde streefdatum aan te houden bij het overstappen naar e-cohesie voor de toepassing, het beheer en de controle van projecten; is van mening dat de gegevens volledig transparant en toegankelijk moeten zijn om elk misbruik te voorkomen en te bestrijden; vraagt de Commissie in dit verband de publicatie van de door alle begunstigden verstrekte documentatie verplicht te maken;

38.  is van mening dat een volledige dekking van plattelandsgebieden met snel breedbandinternet, in combinatie met de nodige bewustmakingscampagnes en trainingen over het gebruik ervan, een essentieel hulpmiddel zal zijn om alle landbouwers te laten profiteren van de nieuwste GLB-systemen voor aanvragen en betalingsverzoeken;

39.  pleit voor verdere inspanningen om de complexiteit van aanvraagsystemen en formulieren voor landbouwers te beperken, en is voorstander van het breder inzetten van e-governmenttechnologie door de lidstaten om meteen al in het stadium van de aanvraag fouten te voorkomen, waarvoor toegang tot breedbandinternet voor de begunstigden vereist is; dringt er bij de Commissie op aan een opleidingsprogramma op te zetten voor oudere landbouwers; benadrukt dat er aanzienlijke investeringen nodig zijn voor breedbandnetwerken in plattelandsgebieden, en verzoekt de lidstaten zich in te zetten voor de digitalisering van de aanvraagprocedure; herinnert eraan dat de betrouwbare tenuitvoerlegging van e-governmenttechnologie van de lidstaten vergt dat ze dergelijke technologie ontwikkelen en (mede)financieren;

40.  verzoekt de lidstaten digitaliseringsprogramma's op te zetten voor de contacten tussen de overheid en landbouwbedrijven om de beschikking te hebben over één bedrijfsdossier met geïntegreerd en gelijktijdig beheer van de gewasgegevens; is van mening dat met deze vereenvoudiging de onderdelen die nu nog afzonderlijk worden beheerd (gewasplanning, individuele verzekeringsplannen en logboeken) kunnen worden samengebracht, aangezien landbouwbedrijven dan één verklaring indienen die vervolgens verdeeld wordt onder de overheidsafdelingen, zodat die afdelingen efficiëntere controles kunnen uitvoeren, het risico op verkeerde betalingen afneemt en de controles kunnen worden gestroomlijnd;

41.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat de regerings- resp. regionale organen die zich bezighouden met de tenuitvoerlegging van het nieuwe GLB doeltreffend met elkaar communiceren en samenwerken ten gunste van de landbouwers die het beleid ter plaatse uitvoeren;

42.  is van mening dat er op de lange termijn veel potentiële voordelen zijn verbonden aan het ontwikkelen en toepassen van industriële, op het internet gebaseerde oplossingen voor zowel landbouw als controles, in het bijzonder met betrekking tot geïntegreerde oplossingen voor begunstigden en betaalorganen; verwacht dat dit positieve gevolgen heeft voor de efficiëntie, consistentie en betrouwbaarheid van controles; dringt er bij de Commissie op aan op dit vlak pilootprojecten goed te keuren en uit te voeren; herinnert eraan dat deze aanpak afhangt van het voornemen van de lidstaten om snelle breedbandverbindingen in plattelandsgebieden in de hele EU te leveren;

43.  vraagt de Commissie samen te werken met alle relevante belanghebbenden, met inbegrip van, maar niet uitsluitend, de Rekenkamer, de lidstaten en de organisaties van begunstigden, voor de voorbereiding van een langetermijnstrategie waarin niet met het beleid verbonden manieren worden behandeld die ervoor zorgen dat de last voor de begunstigden en de inspecteurs niet verder toeneemt na volgende herzieningen van het GLB en wijzigingen van de basiswetgeving;

44.  verzoekt de Commissie het beginsel van controleerbaarheid, dat reeds wordt toegepast op het gebied van plattelandsontwikkeling, toe te passen bij het formuleren van een voorstel voor een wetgevingshandeling betreffende het ecologisch aandachtsgebied, overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

45.  vraagt de Commissie de kwestie van vermindering van het minimumniveau van de controles als voorzien in artikel 59 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 te behandelen in het evaluatieverslag over de monitoring en evaluatie van het GLB als voorzien in artikel 110 van dezelfde verordening;

46.  verzoekt de Commissie een mededeling op te stellen over de mogelijkheid van invoering van een op prestaties gebaseerd beheerssysteem op alle terreinen van het GLB, in het bijzonder investeringen in plattelandsontwikkeling, als uitgangspunt voor een debat met alle belanghebbenden met het oog op de opname van dit beginsel in de EU-wetgeving;

47.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de Europese Raad en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Jaarlijks activiteitenverslag 2013 van het directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling.
(2) Advies nr. 1/2012 van de Europese Rekenkamer over bepaalde voorstellen voor verordeningen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2014-2020.
(3) Zie het jaarverslag over 2013 van de Rekenkamer, paragraaf 3.8.
(4) Zie het jaarverslag over 2013 van de Rekenkamer, paragraaf 4.8.


Familiebedrijven in Europa
PDF 258kWORD 89k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 september 2015 over familiebedrijven in Europa (2014/2210(INI))
P8_TA(2015)0290A8-0223/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de in 2003 door de Europese Commissie vastgestelde criteria voor de definitie van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's),

–  gezien het "Actieplan ondernemerschap 2020" van de Europese Commissie (COM(2012)0795),

–  gezien het verslag van de deskundigengroep voor de Europese Commissie van 2009 getiteld "Overview of family-business-relevant issues: research, policy measures and existing studies",

–  gezien zijn resolutie van 5 februari 2013 over betere toegang tot financiering voor kmo's(1),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2014 over de herindustrialisering van Europa ter bevordering van concurrentievermogen en duurzaamheid(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie "Denk eerst klein" Een "Small Business Act" voor Europa" (COM(2008)0394),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0223/2015),

A.  overwegende dat eigendom overeenkomstig artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt beschermd;

B.  overwegende dat familiebedrijven in het algemeen altijd een groot aandeel hebben gehad in bloeiperioden van de Europese economie en een beduidende rol spelen bij economische groei en een belangrijke factor zijn voor sociale ontwikkeling, terugdringing van werkloosheid met name onder jongeren, en investering in menselijk kapitaal; overwegende dat de multigenerationele aard van familiebedrijven de stabiliteit van de economie versterkt; overwegende dat familiebedrijven een essentiële rol spelen in de ontwikkeling van gebieden met betrekking tot werkgelegenheid, kennisoverdracht en regionale organisatie; overwegende dat gericht beleid ten behoeve van het familiebedrijf ondernemerschap kan stimuleren en Europese families kan motiveren om hun eigen familiebedrijf te starten;

C.  overwegende dat volgens het Ernst and Young Family Business Yearbook 2014 85 % van alle Europese ondernemingen familiebedrijven zijn die zorgen voor 60 % van de banen in de particuliere sector;

D.  overwegende dat familiebedrijven verschillend in omvang zijn, waardoor zij met uiteenlopende moeilijkheden en problemen worden geconfronteerd;

E.  overwegende dat familiebedrijven kleine, middelgrote of grote ondernemingen, en beursgenoteerde of niet-beursgenoteerde ondernemingen kunnen zijn; overwegende dat zij min of meer gelijkgesteld worden met kmo's, daargelaten dat er ook zeer grote multinationals bestaan die familiebedrijven zijn; overwegende dat in sommige EU-lidstaten een groot deel van de totale omzet van alle ondernemingen voor rekening komt van enkele weinige familiebedrijven die zodoende een belangrijke bijdrage leveren aan de instandhouding, ook in tijden van crisis, en het scheppen van werkgelegenheid en groei en het economische succes van die landen; overwegende dat veel familiebedrijven die niet meer onder de kmo-definitie vallen, maar ook verre van een groot concern zijn, niet in aanmerking komen voor bepaalde financieringsmogelijkheden en administratieve vrijstellingen; overwegende dat dit onvermijdelijk onnodige bureaucratie in de hand werkt, ook voor middelgrote familiebedrijven een zware belasting;

F.  overwegende dat een aanzienlijk aantal familiebedrijven actief is in meer dan één land, hetgeen betekent dat het familiebedrijf als ondernemingsvorm een transnationale dimensie heeft;

G.  overwegende dat directe belastingen en erfrecht onder de bevoegdheden van de lidstaten vallen en dat sommige lidstaten maatregelen hebben getroffen om familiebedrijven te steunen en hun problemen te verlichten;

H.  overwegende dat familiebedrijven blijk geven van een hoge integriteit ten aanzien van de waarden die ten grondslag liggen aan hun bedrijfsactiviteiten en hoge normen hanteren waar het gaat om hun verantwoordelijkheid jegens hun werknemers en het milieu, wat ook een gunstig klimaat schept voor het werk/levensevenwicht; overwegende dat familiebedrijven ervoor zorgen dat knowhow en vaardigheden worden overgedragen en overwegende dat zij in bepaalde regio's ontegenzeggelijk een maatschappelijk bindmiddel vormen;

I.  overwegende dat het familiebedrijf in de landbouw het meest gangbare bedrijfsmodel is en familiebedrijven in sterke mate bijdragen aan het voorkomen van de ontvolking van plattelandsgebieden en in veel gevallen de enige bron van werkgelegenheid vormen in achtergebleven regio's van Europa, met name in minder sterk geïndustrialiseerde regio's; overwegende dat familieboerderijen een succesvol model zijn gebleken, omdat daar het beginsel van de ecologisch-sociale kringloopeconomie actief in praktijk wordt gebracht en vrouwen als bedrijfsleidsters in landbouwbedrijven niet alleen een ondernemende geest meebrengen, maar ook beschikken over specifieke communicatieve en sociale vaardigheden;

J.  overwegende dat het werk van de deskundigengroep van de Commissie inzake familiebedrijven al meer dan vijf jaar geleden werd afgerond en sindsdien op EU-niveau geen nieuw initiatief werd ontplooid; overwegende dat er nog altijd een gebrek is aan onderzoek en gegevens op nationaal en Europees niveau om meer inzicht te krijgen in de specifieke behoeften en structuren van familiebedrijven;

K.  overwegende dat er geen Europawijde juridisch bindende, concrete, eenvoudige en uniforme definitie voor familiebedrijf bestaat;

L.  overwegende dat het door het ontbreken van een definitie niet mogelijk is om vergelijkbare gegevens te verzamelen in de EU-lidstaten en aldus de aandacht te vestigen op de bijzondere situatie en economische prestaties van familiebedrijven; overwegende dat dit gemis van betrouwbare en vergelijkbare gegevens de beleidsvorming kan belemmeren en verhinderen dat aan de behoeften van familiebedrijven wordt tegemoetgekomen;

M.  overwegende dat familiebedrijven, naast hun economische beduiding, ook een belangrijke rol in sociale zin spelen;

N.  overwegende dat niet in alle 28 EU-lidstaten verenigingen of andere structuren voor belangenvertegenwoordiging bestaan die zich nadrukkelijk inzetten voor de belangen van familiebedrijven;

O.  overwegende dat de inspanningen op EU-niveau met betrekking tot het stimuleren van ondernemerschap en startende bedrijven moeten worden versterkt en gepaard moeten gaan met meer aandacht voor het faciliteren en stimuleren van het voortbestaan op de lange termijn van familiebedrijven;

P.  overwegende dat het familiebedrijfsmodel ongelijk is verspreid over de lidstaten van de EU; overwegende dat een aanzienlijk deel van de familiebedrijven in Europa een transnationale dimensie heeft waarbij activiteiten worden ontplooid in verschillende lidstaten;

Q.  overwegende dat vrouwen in de EU per uur gemiddeld 16 % minder verdienen dan mannen, dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in leidinggevende posities en topfuncties en dat voor vrouwen en mannen niet dezelfde arbeidspraktijken en beloningsstelsels gelden, hetgeen hun financiële onafhankelijkheid, hun volwaardige participatie op de arbeidsmarkt en het evenwicht tussen werk en privéleven in de weg staat;

R.  overwegende dat vrouwen veelal een onderbelichte rol spelen of alleen in naam een belangrijke functie vervullen, en dat er onvoldoende recht wordt gedaan aan hun functie- en salarisniveau, met alle gevolgen van dien op het vlak van afdrachten, pensioenen en sociale rechten, alsmede wat betreft erkenning van kwalificaties, zoals blijkt uit gegevens over de loonkloof en de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen(3);

Belang voor de economie

1.  benadrukt dat familiebedrijven blijk geven van een grote sociale verantwoordelijkheid jegens hun personeel en van een actief en verantwoord beheer van hulpbronnen, en zich bij de bezinning op de economische toekomst van hun onderneming in principe laten leiden door een duurzame langetermijnvisie (door zich te gedragen als "eervolle ondernemer" of verantwoordelijke eigenaar), en derhalve een belangrijke bijdrage leveren aan hun lokale gemeenschap en het concurrentievermogen van Europa en hoogwaardige werkgelegenheid scheppen en in stand houden;

2.  benadrukt dat familiebedrijven een eigen geschiedenis hebben en op grond daarvan zeer nauw verbonden zijn met hun plaats van vestiging en derhalve ook in landelijke en minder aantrekkelijke gebieden werkgelegenheid scheppen en in stand houden, waardoor ze de vergrijzing en ontvolking waarmee grote gebieden in de Europese Unie te kampen hebben, helpen bestrijden; verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor de noodzakelijke kostenefficiënte infrastructuur om concurrentievermogen, innovatie, groei en duurzaamheid van de ondernemingen, en dan met name micro-ondernemingen en startende ondernemingen, te waarborgen en sectoroverschrijdende en grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen en aldus deze ondernemingen te helpen groeien en internationaliseren;

3.  erkent dat familiebedrijven de grootste bron van werkgelegenheid in de particuliere sector zijn; stelt in dit verband dat wat gunstig is voor de continuïteit, de vernieuwing en de groei van familiebedrijven ook gunstig is voor de continuïteit, de vernieuwing en de bloei van de Europese economie;

4.  stelt vast dat met name zeer gespecialiseerde familiebedrijven een belangrijke rol spelen als innovator en toeleverancier van grotere ondernemingen en de ondernemingen waaraan zij leveren materiële zekerheid bieden vanwege de langetermijn- en intergenerationele aanpak van hun economische activiteiten en dat zij zodoende een niet onaanzienlijke bijdrage leveren aan de economische groei;

5.  wijst de Commissie erop dat de meeste familiebedrijven kmo's zijn(4) en dat het daarom van cruciaal belang is dat het beginsel "Denk eerst klein" wordt toegepast teneinde de Europese wetgeving beter aan te passen aan de reële omstandigheden en behoeften van deze bedrijven en hen in staat te stellen te profiteren van de steunprogramma's en de maatregelen ter verlichting van de administratieve lasten;

6.  stelt vast dat familiebedrijven een belangrijke rol kunnen spelen bij het aanmoedigen van minderheden en ondervertegenwoordigde groepen om deel te nemen aan hun plaatselijke economie;

7.  wijst erop dat de grotere mate van vertrouwen tussen familieleden ervoor zorgt dat familiebedrijven zeer flexibel zijn en zich snel kunnen aanpassen aan veranderingen in de ecosociale omgeving; stelt tegelijkertijd vast dat het voor geruime tijd opereren in een nichemarkt familiebedrijven in staat stelt te excelleren in het vaststellen van nieuwe mogelijkheden en innovatie;

Financiering

8.  stelt vast dat familiebedrijven vaak een duidelijk hoger eigenvermogensaandeel hebben dan niet-familiebedrijven, dat dit hogere eigenvermogensaandeel bijdraagt tot de economische stabiliteit van de onderneming en de gehele economie en tegelijkertijd ruimte creëert voor verdere investeringen in de onderneming, die daarom niet verder moet worden beperkt;

9.  verzoekt de lidstaten in deze context ervoor te zorgen dat nationale regelingen inzake erf-, schenkings- en ondernemingsbelasting eerder een ondersteunend dan discriminerend effect hebben op de voor familiebedrijven zo belangrijke financiering met eigen vermogen; herinnert eraan dat directe belastingen en erfrecht onder de bevoegdheden van de lidstaten vallen; roept de lidstaten dan ook op om de bevoordeling van schulden binnen hun fiscale stelsels te onderzoeken, en daarbij het effect op de financieringsstructuur van bedrijven en het investeringspeil te beoordelen en te zorgen voor gelijke behandeling van aandelenfinanciering ten opzichte van schuldfinanciering, zodat de bedrijfsopvolging en het langetermijnperspectief van familiebedrijven niet worden belemmerd; vraagt de Commissie en de lidstaten alle fiscale discriminatie van financiering met eigen vermogen te beoordelen tegen een achtergrond van eerlijke concurrentie;

10.  benadrukt dat het waarborgen van de bedrijfsfinanciering op lange termijn een cruciale concurrentiefactor is geworden; benadrukt in dit verband het belang van internationaal stabiele financiële marktstructuren; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de regulering van de financiële markten niet leidt tot onnodige lasten voor ondernemingen;

11.  vraagt de Commissie te overwegen de begunstigden van alle bestaande instrumenten voor kmo's en/of ondernemers, met name het Cosme-programma, uit te breiden naar middelgrote familiebedrijven;

12.  onderstreept dat vanwege de financiële crisis en de ongunstige conjunctuur een groot deel van de functies van familiebedrijven ondergefinancierd zijn en dat het van belang is dat familiebedrijven open en eenvoudige toegang hebben tot alternatieve bronnen van financiering;

13.  wijst in dit kader op het belang van het stimuleren van alternatieve vormen van kredietverlening, zoals kredietunies, aan familiebedrijven;

Uitdagingen

14.  stelt vast dat 35 % van de ondernemingen die niet in buitenlandse markten investeren, dit doet vanwege een gebrek aan kennis van die markten en gemis aan ervaring met internationalisering; verzoekt de Commissie en de lidstaten derhalve met name kleinere familiebedrijven informatie te verschaffen over de mogelijkheden van internationalisering via het internationaliseringsportaal voor kmo's en het Europese platform voor clustersamenwerking en te zorgen voor een betere uitwisseling van ervaringen en goede praktijken, zoals mogelijkheden voor internationalisering per internet; verzoekt de lidstaten bovendien ondersteunende diensten voor geplande internationaliseringen aan te bieden, bijvoorbeeld in de vorm van informatie voor ondernemingen of exportkredietgaranties, handelsbelemmeringen weg te nemen en specifiek onderwijs te bevorderen voor een ondernemerschapscultuur binnen het familiebedrijf;

15.  constateert dat de toegenomen internationalisering van familiebedrijven meer kansen biedt voor economische groei en het creëren van meer werkgelegenheid; vraagt de Commissie en de lidstaten daarom kleinere familiebedrijven hulp te bieden om beter gebruik te kunnen maken van de digitale infrastructuur;

16.  erkent dat de fiscale, wettelijke en administratieve omgeving waarin familiebedrijven (en door de eigenaar geleide ondernemingen) opereren, wordt bepaald door het gecombineerde effect van vennootschaps- en privaatrecht;

17.  stelt vast dat 87 % van de familieondernemers ervan overtuigd is dat het behoud van de zeggenschap over het bedrijf een van de belangrijkste succesfactoren is(5); stelt vast dat volgens het "Actieplan ondernemerschap 2020"(6) van de Commissie de overdracht van het eigendom van een onderneming en de overdracht van het beheer daarvan aan de volgende generatie de grootste uitdaging is die een familiebedrijf kan tegenkomen;

18.  merkt op dat innoveren en mensen aantrekken met de juiste vaardigheden en aanleg voor kleine en middelgrote familiebedrijven steeds weer een opgave is; roept de Commissie en de lidstaten dan ook op kleinere familiebedrijven de nodige stimulansen te bieden om risico's aan te gaan voor groei, en hen te motiveren hun personeel op te leiden en gebruik te maken van externe kennis;

19.  vraagt de lidstaten om de administratieve procedures en fiscale stelsels te vereenvoudigen, met name rekening houdende met de specifieke uitdagingen van kleine en middelgrote ondernemingen en familiebedrijven;

20.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan actie te ondernemen om digitaal ondernemerschap en digitale vaardigheden te ontwikkelen, zodat familiebedrijven volledig kunnen profiteren van het gebruik van digitale technologieën;

21.  vraagt de lidstaten het rechtskader voor de overdracht van familiebedrijven te verbeteren alsook speciale financieringsinstrumenten voor overdrachten in het leven te roepen en zodoende liquiditeitsproblemen te voorkomen, zodat het voortbestaan van familiebedrijven wordt gewaarborgd en gedwongen verkoop wordt vermeden; vraagt de Commissie en de lidstaten specifieke opleidingen voor familiebedrijven te bevorderen op het gebied van de overdracht van ondernemingen, bestuursstructuren, eigendomsstrategieën en innovatiestrategie, met name in landen waar het concept familiebedrijf historisch gezien nog niet zo gevestigd is, die zouden bijdragen aan succes op langere termijn, vooral op het punt van bedrijfsoverdracht;

22.  onderstreept dat het belangrijk is dat familiebedrijven een directe koppeling hebben met educatieve activiteiten die hen continu informeren over de meest geavanceerde praktijken van goed bedrijfsbeheer; benadrukt dat familiebedrijven een belangrijke bijdrage leveren aan het succes van hervormingen in het beroepsonderwijs en de stijging van het aantal stageplaatsen; stelt vast dat goed werkende stelsels voor beroepsopleiding op de lange termijn kunnen bijdragen tot het aanpakken van het tekort aan vakmensen en de bestrijding van de jeugdwerkloosheid; merkt op dat de Commissie en de lidstaten beste praktijken moeten uitwisselen voor de wijze waarop beroepsopleidingsstelsels de best mogelijke kadervoorwaarden kunnen bieden om te investeren in stageplaatsen;

23.  wijst voorts op de noodzaak om andere problemen waar familiebedrijven mee kampen aan te pakken, zoals problemen bij het vinden en behouden van goed opgeleide arbeidskrachten, en op het belang van beter onderwijs in ondernemerschap en familiebedrijf-specifieke managementopleidingen;

24.  benadrukt het belang van de door de EU gefinancierde opleidingsprogramma's voor kleine ondernemers, die eigenaren van familiebedrijven in staat stellen hun bedrijven aan te passen aan een snel veranderende omgeving als gevolg van de toenemende wereldwijde economische integratie, de opkomst van nieuwe technologieën en de focus op een koolstofarme en groenere economie;

25.  merkt op dat het bevorderen van ondernemerschap op scholen en in andere educatieve contexten van cruciaal belang is voor de ontwikkeling van meer ondernemingsgeest; merkt verder op dat onderwijs ook ruimte zou moeten bieden aan specifieke kwesties met betrekking tot familiebedrijven, zoals eigendom, opvolging en familiebestuur, tezamen met meer algemene informatie zoals het belang van innovatie als middel om het bedrijf opnieuw uit te vinden;

26.  vraagt de lidstaten met klem rekening te houden met de informele en onzichtbare werkzaamheden die worden verricht door familieleden, ook binnen familiebedrijven, en spoort de lidstaten aan in een duidelijk wettelijk kader te voorzien;

27.  benadrukt dat de bijdrage van familiebedrijven aan innovatie kan worden vergroot door hun deelname aan privaat-publieke partnerschappen en clusters te bevorderen en door hun samenwerking met onderzoeksinstellingen aan te moedigen;

Vooruitzichten

28.  vraagt de Commissie om in het kader van betere regelgeving een analyse te verrichten van de bestaande wetgeving die van invloed is op familiebedrijven teneinde problemen en barrières voor groei vast te stellen;

29.  verzoekt de Commissie opdracht te geven tot het uitvoeren van periodieke en voldoende gefinancierde studies waarin het belang van eigendom voor het welslagen en het voortbestaan van een onderneming wordt geanalyseerd en wordt aangetoond met welke specifieke uitdagingen familiebedrijven te maken krijgen, en het Europees Parlement een in samenwerking met Eurostat uit te werken statistisch werkbare definitie van het begrip "familiebedrijf" voor te stellen, rekening houdende met de verschillende omstandigheden in de respectieve lidstaten; verzoekt de Commissie bovendien om gebruik te maken van de bestaande "task force small and medium-sized enterprise data" om voldoende gegevens te verkrijgen over familiebedrijven in de afzonderlijke lidstaten, aan de hand waarvan de situatie en noden van familiebedrijven van verschillende omvang onderling en die van familiebedrijven ten opzichte van niet-familiebedrijven zich laten vergelijken en de uitwisseling van kennis en goede praktijken over de gehele EU kan worden bevorderd, bijvoorbeeld door opzetten van een centraal aanspreekpunt voor familiebedrijven bij de Commissie en door een zo goed mogelijk gebruik van programma's als "Erasmus voor jonge ondernemers", en door voorzieningen te treffen voor meer gerichte bijstand;

30.  verzoekt de Commissie om aan de hand van een effectbeoordeling na te gaan of het mogelijk is de Europese definitie van kmo's uit 2003 uit te breiden en daarbij naast louter kwantitatieve criteria ook kwalitatieve criteria te hanteren waarin ook rekening wordt gehouden met de eigendom van de onderneming en de verwevenheid tussen eigendom, zeggenschap en leiding, alsook met het feit dat het risico en de aansprakelijkheid in één hand zijn, de sociale verantwoordelijkheid van een onderneming en meer algemeen met het persoonlijke karakter van de bedrijfsvoering, ook met het oog op de inspraak van werknemers in de bedrijfsactiviteiten, alsmede na te gaan welke gevolgen een dergelijke wijziging kan hebben voor familiebedrijven, bijvoorbeeld bij overheidssteun of subsidiabiliteit;

31.  verzoekt de Commissie in de tussentijd als onderdeel van haar effectbeoordeling, een haalbaarheidsstudie te laten verrichten naar een "familiebedrijf-test" (bijvoorbeeld voor het beleid ten aanzien van eigendom, bestuursstructuur en privacy), naar voorbeeld van de kmo-test, en deze test bij gebleken haalbaarheid zo spoedig mogelijk in te voeren, om de gevolgen van bepaalde rechtshandelingen voor familiebedrijven reeds bij de voorbereiding ervan te kunnen vaststellen, onder vermijding van onnodige bureaucratie en lastige obstakels voor familiebedrijven, en zich daarbij te richten op de gecombineerde effecten van het ondernemings- en het privaatrecht;

32.  wijst erop dat verschillen in bijvoorbeeld fiscale regelgeving, subsidieregelingen of implementatie van Europese wetgeving in aan elkaar grenzende landen problemen kunnen veroorzaken in de grensstreek voor ondernemers zoals familiebedrijven; verzoekt de lidstaten daarom voorgenomen nationale regelgeving en de voorgenomen wijze van implementatie van Europese wetgeving te toetsen op de effecten op ondernemers zoals familiebedrijven in grensregio's;

33.  verzoekt de Commissie een interne permanente werkgroep op te richten die zich specifiek bezighoudt met de behoeften en bijzondere kenmerken van familiebedrijven, regelmatig verslag uitbrengt aan het Parlement en de lidstaten, de uitwisseling van goede praktijken tussen organisaties van familiebedrijven in de lidstaten aanmoedigt en richtsnoeren en standaardteksten en ‑oplossingen voor familiebedrijven verspreidt om specifieke problemen te overwinnen; vraagt de Commissie ook een one‑stop shop te openen voor bedrijven die op Europees niveau als aanspreekpunt kan dienen voor familiebedrijven en hun belangenorganisaties en behulpzaam kan zijn bij specifieke kwesties in verband met vooral Europese wetgeving en toegang tot EU-financiering;

34.  onderstreept de rol van de vrouw als manager en leidinggevende in het familiebedrijf; vraagt de Commissie onderzoek te laten verrichten naar de aanwezigheid van vrouwen in familiebedrijven in Europa en de mogelijkheden te evalueren die door familiebedrijven worden geboden voor empowerment van vrouwen, gelijke kansen en evenwicht tussen werk en privéleven; stelt dat vrouwen evenveel recht als mannen hebben om een familiebedrijf over te nemen, waarvoor vereist is dat er een gelijkheidscultuur heerst die recht doet aan het vrouwelijk ondernemerschap en de rol van de vrouw als manager en leidinggevende in het familiebedrijf; benadrukt dat familiebedrijven moeten voldoen aan de wettelijke bepalingen met betrekking tot de sociale zekerheid, pensioenbijdragen en normen voor veilige arbeidsomstandigheden voor werknemers;

35.  wijst de lidstaten en de lokale en regionale overheden andermaal op het belang van voldoende hoogwaardige en betaalbare zorg voor kinderen, ouderen en andere hulpbehoevenden en van fiscale prikkels voor ondernemingen en andere compenserende maatregelen om vrouwen en mannen die als werknemer, zelfstandige of leidinggevende in een familiebedrijf werken, te helpen om werk en gezin te combineren;

36.  wijst op de noodzaak van afzonderlijk en behoorlijk betaald moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof, afgestemd op de behoeften van werknemers, zelfstandigen en ondernemers;

37.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het Europees ambassadeursnetwerk voor vrouwelijk ondernemerschap en het Europees netwerk van mentoren voor vrouwelijke ondernemers te steunen om er meer bekendheid aan te geven;

38.  stelt vast dat de familieboerderijen, vanwege het grondbezit gebonden zijn aan een bepaalde locatie; verzoekt de Commissie en de lidstaten derhalve ervoor te zorgen dat het voortbestaan van deze familiebedrijven met name niet door buitensporige bureaucratie in gevaar wordt gebracht; wijst op de belangrijke rol van vrouwen in familieboerderijen en dringt er bij de lidstaten op aan steun te bieden voor beroepsopleiding en na- en bijscholing, met name voor boerinnen, zodat de directe inbreng van vrouwen in familieboerderijen verder wordt bevorderd;

39.  verzoekt de Commissie de ondernemingsgeest in de gehele EU sterker te bevorderen, met in het achterhoofd het belang van familiebedrijven binnen de EU-economie, en een omgeving te creëren voor economische topprestaties;

40.  verzoekt de Commissie met spoed een mededeling uit te brengen met een analyse van de rol van het familiebedrijf, met het oog op verbetering van het concurrentievermogen van de Europese economie tegen 2020, en op een uit te stippelen stappenplan met daarin de geëigende maatregelen voor versterking van de economische positie en ontwikkeling van het familiebedrijf in de EU, bewustmaking van de specifieke uitdagingen die het familiebedrijf wachten, en vergroting van hun concurrentiekracht, internationale vooruitzichten en werkgelegenheidspotentieel;

o
o   o

41.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0036.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0032.
(3) http://ec.europa.eu/justice/gender-equality/files/gender_pay_gap/140319_gpg_nl.pdf
(4) Eindverslag van de deskundigengroep "Overview of Family Business Relevant Issues", november 2009.
(5) European Family Business Barometer, juni 2014.
(6) COM(2012)0795.


Onderzoek en innovatie in de blauwe economie voor het scheppen van banen en groei
PDF 225kWORD 111k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 september 2015 over het aanboren van het potentieel van onderzoek en innovatie in de blauwe economie voor de schepping van banen en groei (2014/2240(INI))
P8_TA(2015)0291A8-0214/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 mei 2014 getiteld "Innovatie in de blauwe economie: het werkgelegenheids- en groeipotentieel van onze zeeën en oceanen benutten" (COM(2014)0254),

–  gezien Richtlijn 2014/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning(1),

–  gezien Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie)(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 oktober 2010 getiteld "Europa 2020-kerninitiatief Innovatie-Unie" (COM(2010)0546),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 oktober 2007 getiteld "Een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie" (COM(2007)0575),

–  gezien de Verklaring van Limassol van 8 oktober 2012 over een mariene en maritieme agenda voor groei en werkgelegenheid,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 september 2012 getiteld als titel "Blauwe groei – kansen voor duurzame mariene en maritieme groei" (COM(2012)0494),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 mei 2013 getiteld "Actieplan voor een maritieme strategie in het Atlantische gebied. Totstandbrenging van slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2013)0279),

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 29 augustus 2012 getiteld "Mariene kennis 2020 – van zeebodemkaarten tot oceaanprognoses" (COM(2012)0473),

–  gezien zijn resolutie van 2 juli 2013 over Blauwe groei: bevordering van de duurzame ontwikkeling in de mariene, maritieme en toeristische sectoren in de EU(3),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over mariene kennis 2020: zeebodemkaarten ter bevordering van duurzame visserij(4),

–  gezien zijn resolutie van 27 februari 2014 over specifieke maatregelen in het gemeenschappelijk visserijbeleid ter versterking van de rol van vrouwen(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1292/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 294/2008 tot oprichting van het Europees Instituut voor innovatie en technologie(7),

–  gezien Besluit nr. 1312/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende de strategische innovatieagenda van het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT): de bijdrage van het EIT aan een meer innoverend Europa(8),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 oktober 2014 getiteld "Innovatie in de blauwe economie: het werkgelegenheids- en groeipotentieel van onze zeeën en oceanen benutten"(9),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 3 december 2014 getiteld "Innovatie in de blauwe economie: het werkgelegenheids- en groeipotentieel van onze zeeën en oceanen benutten"(10),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 februari 2014 getiteld "Een Europese strategie voor meer groei en werkgelegenheid in kust- en maritiem toerisme" (COM(2014)0086),

–  gezien de conclusies van de Raad Concurrentievermogen van 4 december 2014 getiteld "Strengthening tourism by leveraging Europe's cultural, natural and maritime heritage",

–  gezien de slotverklaring die is aangenomen tijdens de VN-conferentie over duurzame ontwikkeling (Rio+20), gehouden in Rio de Janeiro, Brazilië, van 20 t/m 22 juni 2012,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie, en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie visserij (A8-0214/2015),

A.  overwegende dat het begrip "blauwe economie" een brede waaier van traditionele of bestaande en ook opkomende economische sectoren bestrijkt, die verbonden zijn met zeeën en oceanen, waaronder: visserij, aquacultuur, zee- en binnenscheepvaart, havens en logistiek, toerisme en pleziervaart, scheepsbouw en -herstelling, maritieme werken en bescherming van de kustwateren, prospectie en ontginning van (offshore) bodemschatten, ontginning van (offshore) windenergie en energie uit de zee, en biotechnologie;

B.  overwegende dat de ontwikkeling van de blauwe economie gericht moet zijn op duurzame economische activiteiten die aan de behoeften van de huidige en toekomstige generaties voldoen en welvaart voor de samenleving creëren;

C.  overwegende dat de ontwikkeling van de blauwe economie nood heeft aan de inbreng van wetenschappelijke kennis, die de grondslag is voor onderzoek en innovatie, en dat de wetenschap en technologie die met de blauwe economie samenhangen, grote verscheidenheid vertonen;

D.  overwegende dat de bescherming en instandhouding van het natuurlijke mariene milieu een essentiële voorwaarde is voor de instandhouding, ondersteuning en ontwikkeling van de blauwe economie, en dat levensvatbare mariene ecosystemen een voorwaarde zijn voor de exploitatie van de hulpbronnen van de zeeën en oceanen; overwegende dat innovatie en duurzaamheid de belangrijkste pijlers van de blauwe economie moeten zijn om groei en banen te scheppen;

E.  overwegende dat er een aanzienlijk gebrek aan gegevens, informatie en kennis bestaat over zeeën en oceanen, hun rijkdommen en biodiversiteit, evenals de wisselwerking met bestaande of toekomstige menselijke activiteiten en de cumulatieve milieu-impact daarvan, en dat dit het duurzame gebruik van deze rijkdommen sterk beknot, een hinderpaal betekent voor innovatie en de benutting van het volledige potentieel van de zeeën en oceanen belemmert in de context van een groeiende wereldbevolking waarbij onze zeeën en oceanen steeds intensiever worden gebruikt voor voedsel, ruimte, energie en mineralen, waardoor bijgevolg een meer systematische benadering voor het duurzame gebruik ervan is vereist;

F.  overwegende dat mariene ecosystemen kwetsbare hotspots zijn wat biodiversiteit betreft die gevoelig zijn voor menselijke activiteiten en dat het steeds belangrijker wordt nauwkeurige informatie over de locatie en de omvang van habitattypen te verkrijgen en te delen, teneinde kwetsbare gebieden gemakkelijker op de juiste wijze te beheren, te ontwikkelen en te beschermen;

G.  overwegende dat succesvolle innovatie in de blauwe economie niet alleen door de leemte in de wetenschappelijke kennis – die universiteiten, bedrijven en onderzoeksinstellingen trachten aan te pakken door middel van geavanceerd onderzoek – wordt belemmerd, maar ook en vooral door een gebrek aan financiering uit publieke en private bronnen;

H.  overwegende dat de mogelijkheden voor de exploitatie van mariene hulpbronnen om duurzame hernieuwbare energiebronnen te ontwikkelen in belangrijke mate aan de Europese energiezekerheidsstrategie zouden kunnen bijdragen door de afhankelijkheid van de lidstaten van energiebronnen van buiten de EU te verminderen;

I.  overwegende dat de duurzame ontwikkeling van de blauwe economie een sterke impuls kan betekenen voor de economische groei en ontwikkeling en bovendien banen kan scheppen, in het bijzonder voor de gebieden aan zee, de ultraperifere gebieden en de insulaire landen, met inachtneming van de specifieke en diverse behoeften en verschillen van elk geografisch gebied;

J.  overwegende dat meer investeringen in onderzoek en innovatie in verband met de zeeën en oceanen van nut zou kunnen zijn voor het verwezenlijken van de doelstellingen ten aanzien van economische, sociale en territoriale cohesie, het aanpakken van de asymmetrieën en de groter wordende verschillen tussen de lidstaten, alsook het versterken van de mondiale positie van de EU op het gebied van maritiem beleid en de blauwe economie (bijvoorbeeld door de export van milieutechnologie), rekening houdend met het belang van kleine en middelgrote bedrijven (kmo's) en familiebedrijven voor innovatie en werkgelegenheid;

K.  overwegende dat verschillende adequate bevoegdheidsniveaus in de activiteiten van de blauwe economie in aanmerking moeten worden genomen, namelijk het internationale, Europese en nationale niveau; overwegende dat de sectorale prioriteiten voor de ontwikkeling van de blauwe economie van lidstaat tot lidstaat kunnen verschillen, naargelang van de respectieve ontwikkeling van de traditionele of gevestigde sectoren in het verleden, enerzijds, en de beschikbare middelen en het ontwikkelingspotentieel van opkomende sectoren in elke lidstaat, anderzijds;

L.  overwegende dat voor de benutting van innovatiemogelijkheden in de blauwe economie bekwame, geschoolde en goed opgeleide arbeidskrachten zijn vereist; overwegende dat momenteel sprake is van een vaardigheidskloof die moet worden gedicht;

M.  overwegende dat voor de benutting van het potentieel van de blauwe economie niet teruggegrepen mag worden naar methodes en groeimodellen die niet-duurzaam gebleken zijn voor zeeën en oceanen, en dat de exploitatie van de rijkdommen in zeeën en oceanen absoluut rekening dient te houden met de noodzaak om deze hulpbronnen op de juiste wijze te beheren en in stand te houden, met oog voor de evenwichten binnen de mariene ecosystemen, en de vervuiling van de zee, met name de steeds grotere hoeveelheid plastic afval, "plastiglomeraten" en uiteenvallende plastic microdeeltjes, met innovatieve methoden op hulpbronnenefficiënte wijze aan te pakken en de innovatieve recycling hiervan als kans te zien;

N.  overwegende dat tal van instrumenten voor beheer van het kust- en mariene milieu door zeebodemkaarten worden ondersteund, waaronder verslagen voor monitoring van de planning middels de identificatie van gebieden die waarschijnlijk een bepaald habitat van belang in stand houden of de verstrekking van informatie ter ondersteuning van de vestiging en planning van offshore projecten, zoals de ontwikkeling van pieren en jachthavens, werkzaamheden ter bescherming van de kust, windmolens in zee en landaanwinning, op een milieuvriendelijke manier;

O.  overwegende dat, in overeenstemming met artikel 190 van het Verdrag van Lissabon en de Verklaring van Rio+20, het voorzorgsbeginsel en de ecosysteemgerichte benadering centraal moeten staan in het beheer van activiteiten die een impact hebben op het mariene milieu;

P.  overwegende dat de Europese Unie reeds verscheidene programma's en beleidslijnen heeft uitgestippeld als omkadering voor de activiteiten die samenhangen met de blauwe economie evenals de innovatie die zij met zich meebrengt en dat de concrete resultaten van deze omkadering in de vorm van steun aan de inspanningen van de lidstaten en regionale en lokale autoriteiten ter ontwikkeling van de blauwe economie, dient te worden afgetoetst;

Q.  overwegende dat de bevordering en ontwikkeling van een nieuwe, duurzame blauwe economie ook deel moet uitmaken van het ontwikkelingsbeleid van de EU, het buitenlands beleid en de Unie voor het Middellandse Zeegebied (Euromed) en dat de Afrikaanse landen aan de Middellandse Zee, de Oost-Afrikaanse insulaire staten, alsook de insulaire staten die partij zijn bij de economische partnerschapsovereenkomst (EPO) EU-ACS moeten worden gezien als partners bij de totstandbrenging van een duurzame maritieme economie ("blauwe economie");

R.  overwegende dat de lokale en regionale autoriteiten van de kust- en eilandgemeenschappen niet weg te denken zijn als belanghebbenden in de discussie over het potentieel van de blauwe economie en de verwezenlijking ervan;

S.  overwegende dat kustgebieden specifieke onderscheidende kenmerken vertonen die bepalend zijn voor hun ontwikkelingsmogelijkheden op middellange en lange termijn;

T.  overwegende dat de Europese oceanen en zeeën zeer divers zijn, variërend van de diepten van de Atlantische Oceaan bij Ierland tot de diepten van de Zwarte Zee bij Roemenië en van de koude zeeën in het Noordpoolgebied tot de warme wateren in het Middellandse Zeegebied;

U.  overwegende dat toerisme goed is voor 5 % van het bbp van de EU, 12 miljoen banen en 2,2 miljoen bedrijven; overwegende dat cultureel toerisme bijna 40 % van het pan-Europese toerisme vertegenwoordigt; overwegende dat maritiem en kusttoerisme goed is voor een derde van alle toeristische activiteiten in Europa, waarbij deze sector werk biedt aan 3,2 miljoen werknemers;

V.  overwegende dat op grond van actuele schattingen 3 à 5 % van het bbp in de EU afkomstig is van de maritieme sector als geheel, die werk biedt aan 5,6 miljoen mensen en 495 miljard EUR bijdraagt aan de Europese economie;

W.  overwegende dat het aantal moleculen in zee tegenwoordig aanzienlijk hoger wordt geraamd dan op het land en dat dit een ongezien potentieel biedt voor onderzoek op het gebied van gezondheid, cosmetica en biotechnologie;

X.  overwegende dat het geïntegreerd maritiem beleid fungeert als krachtige hefboom voor de activiteiten van de blauwe economie, vooral met betrekking tot een geïntegreerd antwoord op alle uitdagingen waarmee de zeeën van Europa momenteel worden geconfronteerd;

Y.  overwegende dat de organisaties voor de ontwikkeling van de visserij in het kader van het vorige gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) zeer nuttig zijn gebleken als instrument voor het scheppen van banen en welvaart en van sociale en territoriale cohesie, alsmede bij het nemen van besluiten en het spelen van een actieve rol met betrekking tot hun eigen ontwikkeling;

1.  neemt kennis van de mededeling van de Europese Commissie getiteld "Innovatie in de blauwe economie: het werkgelegenheids- en groeipotentieel van onze zeeën en oceanen benutten"; wijst erop dat deze mededeling een beperkt doel heeft en niet alle sectoren die deel uitmaken van de blauwe economie, bestrijkt; verzoekt de Commissie een geïntegreerde en meer omvattende aanpak te hanteren op het stuk van innovatie en het scheppen van banen binnen de sterk uiteenlopende en elkaar onderling beïnvloedende sectoren die deel uitmaken van de blauwe economie;

2.  is voorstander van een specifieke en inclusieve definitie van het begrip "blauwe economie", waarbij rekening wordt gehouden met alle sectorgebonden en sectoroverschrijdende activiteiten die verband houden met oceanen, zeeën, ecosystemen in kustgebieden, het daarmee verbonden achterland en kustgebieden, met inbegrip van rechtstreekse en onrechtstreekse ondersteuningsactiviteiten; vestigt de aandacht op het transversale belang van innovatie in al deze activiteiten, zowel de traditionele als de opkomende;

3.  pleit ervoor om werk te maken van een strategische planning voor de activiteiten van de blauwe economie, directe financieringswijzen, de vaststelling van prioriteiten en een actieplan, om deze sector tegen 2020 dynamischer te maken, inclusief specifieke ideeën met betrekking tot samenwerkingsmechanismen en investeringen in infrastructuur;

4.  verzoekt de lidstaten met klem hun bestaande activiteiten ten aanzien van de blauwe economie in kaart te brengen en te kwantificeren, en dringt aan op de ontwikkeling van een strategie waarin de initiatieven voor alle hieraan gerelateerde sectoren bijeen worden gebracht; roept de Commissie op een overzicht op te stellen van de talrijke, in het verleden door haar gefinancierde projecten die betrekking hadden op de blauwe economie en een gedetailleerde studie te verrichten naar het belang en het gewicht van de blauwe economie;

5.  beklemtoont dat de zeeën en oceanen al aanzienlijke antropogene druk en de bijbehorende gevolgen ondervinden (vervuiling, milieu- en klimaatverandering, overexploitatie van hulpbronnen, overbevissing enzovoorts), maar dat de zeeën en oceanen nog steeds over belangrijke ecosysteemreserves beschikken die ontoegankelijk en dus intact zijn; meent daarom dat de blauwe economie moet overwegen de ecosystemen, biodiversiteit, veerkracht en productiviteit van de zeeën en oceanen, inclusief de diensten die verband houden met de mariene biodiversiteit en de werking van de ecosystemen, te beschermen, te herstellen en in stand te houden; is van oordeel dat het voorzorgsbeginsel en de ecosysteembenadering centraal moeten staan in de blauwe economie;

6.  benadrukt de belangrijke rol van nieuwe technologieën bij het aanpakken van de achteruitgang van de mariene ecosystemen en onderstreept dat de blauwe en de groene economie nauw verweven zijn, met name waar het gaat om de innovatieve reiniging van de zeeën, inclusief de kostenefficiënte recycling van milieuvervuilend plastic;

7.  wijst erop dat een betere kennis van zeeën en oceanen, inclusief de zeebodem en het zeeleven, samen met milieueffectbeoordelingen het mogelijk zullen maken de mariene hulpbronnen op duurzame wijze te exploiteren, met een verbetering van de wetenschappelijke fundamenten waarop de diverse maatregelen in het kader van het maritiem beleid van de EU zijn gebaseerd;

8.  verzoekt de Commissie de financieringsbehoeften van de blauwe economie (op sectoraal, regionaal, nationaal en Europees niveau) te onderzoeken in nauwe samenwerking met de lidstaten (na de afronding van de hierboven bedoelde wetenschappelijke analyse en het overzicht), met het oog op de benutting van haar groeipotentieel, ontwikkelings- en banenscheppend vermogen, en daarbij bijzondere aandacht te besteden aan regio's die sterk afhankelijk zijn van de visserij en in het bijzonder oog te hebben voor start-ups, kmo's en familiebedrijven;

9.  onderstreept dat de duurzame ontwikkeling van de blauwe economie meer investering in kennis en onderzoek vergt; betreurt de korte- en langetermijngevolgen van de lagere overheidsinvesteringen in O&O voor de nationale onderzoeksprogramma's; is van mening dat de EU en de lidstaten - ter verbetering van de kennis van het mariene milieu en van het economische potentieel daarvan - dienen te voorzien in een gedegen financiering met oog op continuïteit en voorspelbaarheid op lange termijn, zonder overigens te tornen aan de financiering voor bestaande en reeds gestarte programma's;

10.  dringt er bij de Commissie op aan de vergaring van actuele en periodieke wetenschappelijke gegevens over de toestand van de mariene populaties te bevorderen, zowel in als buiten de Europese wateren, in samenwerking met andere internationale instanties; wijst nog eens op het multidisciplinaire karakter van marien en maritiem onderzoek, en benadrukt dat het belangrijk is een transversale wetenschappelijke benadering te steunen die de verschillende sectoren en disciplines van marien en maritiem onderzoek omvat;

11.  dringt aan op de vaststelling van duidelijke doelstellingen en termijnen om gegevens, hetzij met betrekking tot de zeebodem en de waterkolom, hetzij de biologische rijkdommen, transparant, beter toegankelijk en volledig interoperabel en geharmoniseerd te maken; dringt erop aan de informatie over zeeën en oceanen ter beschikking te stellen van het publiek, ter bevordering van innovatie, waarbij er echter voor moet worden gewaakt dat er middelen worden verspild en projecten tweemaal worden uitgevoerd; is van oordeel dat investeringen in projecten voor gegevensverwerving ook zullen bijdragen tot productiviteit en meer innovatie;

12.  dringt erop aan de resultaten van onderzoek dat met overheidsmiddelen gefinancierd wordt openbaar te maken voor niet-commercieel gebruik (waarbij strategisch belangrijke gegevens alleen voor de lidstaten toegankelijk zijn) en stelt dat dit principe ook verplicht dient te worden toegepast wanneer verscheidene EU-onderzoeksprogramma's samengaan; moedigt ertoe aan de open toegang tot de gegevens die de resultaten van deze onderzoeken ondersteunen, te bevorderen; roept op tot een EU-initiatief om particuliere ondernemingen uit de maritieme sector aan te moedigen economisch ongevoelige gegevens voor onderzoeksdoeleinden te delen en verzoekt de Commissie het onderzoek-informatieplatform van Horizon 2020 zo snel mogelijk op te richten;;

13.  verzoekt het Europees Netwerk voor mariene data en waarneming (EMODnet) het onderzoek van gegevens ten aanzien van cumulatieve effecten, zwerfvuil op zee, onderwaterlawaai en oplosbare hormoonontregelende stoffen uitdrukkelijk op te namen in het gedeelte over de menselijke invloed;

14.  verwerpt de door de Commissie voorgestelde besparingen in de begroting van Horizon 2020, het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie;

15.  verzoekt de Commissie periodieke beoordelingen uit te voeren met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het programma Horizon 2020 in de domeinen die samenhangen met de blauwe economie, en de resultaten ervan kenbaar te maken; is voorstander van de totstandbrenging van een specifiek partnerschap voor de maritieme sector in het kader van Horizon 2020 en verzoekt het in het werkprogramma van Horizon 2020 voor 2016-2017 op te nemen; meent dat meer inspanningen moeten worden geleverd om de koppeling tussen onderzoek en het bedrijfsleven bij de ontwikkeling van nieuwe producten en processen, en de totstandbrenging van groei en nieuwe werkgelegenheid, te verbeteren;

16.  vestigt de aandacht op de centrale verantwoordelijkheid die de lidstaten en regionale autoriteiten dragen in de ontwikkeling van de blauwe economie en moedigt de Commissie aan alle vormen van samenwerking tussen de lidstaten en regionale autoriteiten, waaronder ook de gezamenlijke programmeringsinitiatieven, te ondersteunen en te bevorderen (en iets te doen aan de tekortkomingen op dit vlak), en daar de maritieme clusters, de visserijsector en de plaatselijke gemeenschappen bij te betrekken; onderstreept het belang van regio-overschrijdende strategieën voor het aanpakken van gedeelde uitdagingen en het samen benutten van mogelijkheden (bijv. de strategie voor de Adriatische en de Ionische Zee), en verzoekt de Commissie en de lidstaten voort te bouwen op succesvolle regionale onderzoeksprojecten (bijv. BONUS);

17.  dringt aan op samenwerking en partnerschappen tussen de lidstaten, teneinde bij te dragen tot een doelgerichtere toewijzing van de via EU- en nationale instrumenten beschikbare financiering; benadrukt dat bij het vaststellen van prioiriteiten rekening moet worden gehouden met de directe invloed van de financiering op en de directe input in de blauwe economie;

18.  wijst er eens te meer op dat de lidstaten belang hebben bij het uitbreiden van de samenwerking met de landen op de zuidelijke oever van de Middellandse Zee en verzoekt de lidstaten de blauwe economie te beschouwen als een nieuw gebied waarop kan worden samengewerkt; stimuleert samenwerking met niet-EU-landen (Unie voor het Middellandse Zeegebied, Organisatie voor Economische Samenwerking in het Zwarte Zeegebied) en verzoekt de Commissie steun te geven voor de totstandbrenging van een duurzame blauwe economie, als een doelstelling van het EU-ontwikkelingsbeleid;

19.  verzoekt de Commissie gunstige regelgevings- en wettelijke voorwaarden te scheppen voor investeringen in hernieuwbare energie in de blauwe economie en te komen met een duidelijk en stabiel ondersteunend kader voor onderzoek, het bedrijfsleven en de overheid ten behoeve van meer investeringen in innovatieve projecten voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie;

20.  benadrukt dat de Europese zeeën en oceanen zeer divers zijn en dat het daarom van cruciaal belang is dat de Europese Commissie geen standaardbenadering hanteert; wijst erop dat een geïntegreerde aanpak van de verschillende sectoren van de blauwe economie noodzakelijk is, op basis van gemeenschappelijke beginselen zoals duurzaamheid, waarin de specifieke kenmerken en behoeften van de verschillende regio's en de prioriteiten van de verschillende lidstaten worden erkend en geëerbiedigd, en zij worden geholpen bij de ontwikkeling van die prioriteiten;

21.  roept de Commissie en haar agentschappen ertoe op om de lidstaten te ondersteunen bij de uitwerking en tenuitvoerlegging van nationale en regionale strategieën voor de ontwikkeling van de maritieme economie;

22.  vestigt de aandacht op de negatieve evolutie en de duidelijke achteruitgang van een aantal meer traditionele sectoren van de blauwe economie (zoals visserij en scheepsbouw en -herstelling), in het bijzonder in regio's waar deze sectoren als verankerde activiteiten fungeerden, die zowel stroomopwaarts als stroomafwaarts economische activiteiten aantrekken en zo werkgelegenheid scheppen en de ontwikkeling bevorderen; is van mening dat deze activiteiten en regio's niet mogen worden vergeten in een eventuele EU-strategie inzake de blauwe economie en dat het potentieel van innovatie om deze neerwaartse tendens om te keren, moet worden benadrukt en dat gebruik moet worden gemaakt van de Europese kennis (bijv. op het vlak van het scheepsaanpassingen);

23.  benadrukt het feit dat maritiem en zeeonderzoek en een sterkere samenwerking op deze gebieden tussen onderzoekers, tussen lidstaten en tussen regio's belangrijk zijn om de bestaande kloof tussen de lidstaten te dichten, een einde te maken aan de geografische concentratie in bepaalde gebieden en het concurrentievermogen van de kustgebieden en de schepping van kwaliteits- en duurzame banen te stimuleren;

24.  stelt dat het gebrek aan gekwalificeerde beroepsbeoefenaren in verscheidene disciplines en sectoren – onder meer onderzoekers, ingenieurs, technici en arbeiders – een onoverkomelijke hindernis vormt om het potentieel van de blauwe economie ten volle te kunnen benutten; benadrukt dat dit gebrek niet los kan worden gezien van het feit dat de lidstaten hun verantwoordelijkheid uit de weg gaan en steeds minder investeren in wetenschap en onderwijs, en van het gegeven dat bepaalde beroepen, met name in de lidstaten die het meest onder de economische crisis hebben geleden, aan aanzien hebben verloren, en pleit er daarom voor deze beide trends op korte termijn om te keren; dringt er bij de lidstaten en regionale autoriteiten op aan te investeren in een ambitieuze sociale dimensie van blauwe groei en onderlegdheid op maritiem gebied, teneinde opleiding en toegang voor jongeren tot maritieme beroepen te bevorderen; verzoekt de Commissie en de lidstaten zowel het hoger onderwijs als de programma's voor beroepsopleiding en bij- en nascholing te ondersteunen bij de opname van het perspectief van de blauwe economie in hun leerprogramma's;

25.  dringt er bij de lidstaten, regionale autoriteiten, onderwijsinstellingen en de sector op aan synergieën te coördineren en te creëren, en transversale onderzoeksvragen te identificeren op het gebied van de blauwe economie, teneinde opleiding en toegang voor jongeren tot aan blauwe groei gerelateerde beroepen te bevorderen;

26.  is van mening dat om de blauwe economie op een passende manier te ontwikkelen de beroepen die ermee samenhangen moeten worden opgewaardeerd en stabiele banen met rechten, met inbegrip van rechten op het gebied van de gezondheid en de veiligheid voor de werknemers in de maritieme sectoren, moeten worden gecreëerd, en dat meer bewustzijn van deze rechten moet worden tot stand gebracht om ervoor te zorgen dat de sector aantrekkelijk blijft; is daarnaast van mening dat het, aangezien de blauwe economie van oudsher en nog steeds vooral door mannen wordt gedomineerd, nu tijd is voor de EU om te erkennen dat dit het ideale moment is om vrouwen ertoe te bewegen tot deze economische niche toe te treden; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om tijdens alle ontwikkelingsfasen van de blauwe economie rekening te houden met het genderperspectief en de daadwerkelijke deelname van vrouwen aan de blauwe economie te stimuleren en te versterken;

27.  dringt er bij de Commissie op aan de rechten van werknemers te bevorderen en veilige arbeidsomstandigheden te waarborgen in alle sectoren binnen de blauwe economie, zowel in de reeds bestaande als in de opkomende;

28.  verzoekt de Commissie gegevens ten aanzien van maritieme beroepen op alle niveaus (van juristen tot ingenieurs en milieumanagers, en van duikinstructeurs tot matrozen en technici op maritiem gebied) te verzamelen en te analyseren en deze gegevens te gebruiken voor het onderzoeken van de arbeidsmogelijkheden op diverse niveaus – traditionele, opkomende en compleet nieuwe beroepen die in het leven kunnen worden geroepen;

29.  spoort de Commissie ertoe aan alle Europese middelen te specificeren die beschikbaar zijn voor de financiering van activiteiten in het kader van de blauwe economie en deze onder te brengen in één platform waartoe burgers toegang hebben; spoort de Commissie er ook toe aan middelen toe te wijzen aan innovatie en blauwe groei, voor de financiering van fundamenteel onderzoek, O&O, opleiding, de schepping van banen, de oprichting van bedrijven, kmo's, sociale ondernemingen, coöperaties, onderwijs en stages, terugdringing van de armoede in kustgebieden, biotechnologische ontwikkeling, transportverbindingen, interconnectiviteit op het gebied van energie, scheepsbouw en -herstel, toegang tot breedband in kustgebieden, milieubescherming en de verkoop van innoverende producten, diensten en procedés;

30.  is van oordeel dat de investeringen in de blauwe economie vooral gericht moeten zijn op milieu-innovatie die niet op eindige hulpbronnen berust, doeltreffend gebruik van rijkdommen, kringloopeconomie, natuurbehoud, mariene en kustbescherming, bestrijding van en aanpassing aan de klimaatveranderingen, en duurzaam gebruik van hulpbronnen (waarbij het gebruik van de hulpbronnen hun natuurlijke regeneratie op lange termijn niet overschrijdt); verzoekt de Commissie deze principes op te nemen in de bestaande en toekomstige ondersteuningsprogramma's;

31.  dringt aan op een gepast financieel kader dat gericht is op het bevorderen van innovatie, de duurzame ontwikkeling van de blauwe economie en het scheppen van banen, en dat de reeds beschikbare financiële instrumenten – structuur- en investeringsfondsen (het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV), het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkelling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Cohesiefonds), het kaderprogramma voor onderzoek, de mogelijkerwijs op te richten toekomstige kennis- en innovatiegemeenschap (KIG) voor de blauwe economie, het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en andere – omvat en coördineert, en gemakkelijker toegankelijk maakt; vestigt de aandacht op de noodzaak om de verschillende instrumenten beter te laten aansluiten bij de behoeften van de verschillende actoren – onder meer overheidsinstellingen, lokale instanties, ondernemingen, in het bijzonder kmo's, en niet-gouvernementele organisaties – en om de bestaande mogelijkheden op ruime schaal te verspreiden;

32.  betreurt ten zeerste de vertragingen in de programmering van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) in bepaalde lidstaten;

33.  is van mening dat overheidsinvesteringen, in het bijzonder in sommige lidstaten, een bepalende rol spelen bij de bevordering van de ontwikkeling en de optimale benutting van het potentieel van de blauwe economie, zonder overigens de rol van private investeringen te vergeten; benadrukt dat investeringen in de blauwe economie op verschillende projecten moeten worden gericht, van infrastructurele projecten tot uiteenlopende, kleinschalige investeringen in kmo's, waarvoor extra steun voor de toegang tot financiering is vereist;

34.  benadrukt dat de onshore sectoren die de offshore blauwe economie steunen cruciaal zijn voor het waarborgen van mariene innovatie en roept de Commissie op meer steun te verlenen voor deze onshore sectoren;

35.  verzoekt de Commissie de inspanningen van de lidstaten inzake bevordering van slimme specialisatiestrategieën te ondersteunen, met het oog op de totstandkoming en benutting van waardeketens die samenhangen met de vele activiteiten binnen de blauwe economie; is van mening dat de ontwikkeling van clusters of hyperclusters een actieve bijdrage van de lidstaten vereist en wil hiertoe sectorspecifieke en sectoroverschrijdende synergieën bereiken; meent dat strategieën voor maritiem onderzoek en technologische ontwikkeling een voortrekkersrol zouden kunnen vervullen om vervolgens als voorbeeld van goede praktijken voor de bredere blauwe economie te dienen;

36.  is van mening dat de tenuitvoerlegging van strategieën, plannen en programma's en van specifieke nationale wetgeving een beleids- en institutioneel kader kan helpen tot stand brengen dat de ontwikkeling van de blauwe economie in de verschillende lidstaten bevordert; wijst erop dat die strategieën, plannen en programma's en specifieke nationale wetgeving moeten bijdragen tot een harmonieuze, duurzame wisselwerking tussen de menselijke activiteiten en het mariene en het kustmilieu; onderstreept het belang van maritieme ruimtelijke ordening voor de duurzame en gecoördineerde ontwikkeling van maritieme activiteiten, waarbij op billijke wijze rekening wordt gehouden met de belangen van alle betrokken sectoren, alsook van wisselwerkingen tussen land en zee en het geïntegreerde beheer van kustgebieden; herinnert aan de richtlijn maritieme ruimtelijke ordening, de kaderrichtlijn mariene strategie en het geïntegreerd maritiem beleid op EU- en zeebekkenniveau;

37.  wijst op het belang van overheidsondernemingen of ondernemingen waarvan het kapitaal overwegend in handen is van de overheid voor onder meer de koopvaardij, het havenbeheer, de scheepsbouw en maritieme werken en werken om de kust te beschermen; verwerpt een visie waarin voorrang wordt gegeven aan de privésector en is van mening dat het versterken en moderniseren van de overheidssector een belangrijke stimulans kan bieden om de blauwe economie aan te wakkeren;

38.  is van oordeel dat een duurzame ontwikkeling van de blauwe economie alleen mogelijk is indien op het niveau van de EU de inspanningen en bevoegdheden beter worden geïntegreerd en gecoördineerd, met coherent optreden; dringt erop aan de relevante agentschappen en de reeds bestaande maar versnipperde bevoegdheden bijeen te brengen in één bestaand agentschap met maritieme bevoegdheden, als maatregel om de coördinatie, de samenwerking en de steun aan de lidstaten bij de ontwikkeling en optimale benutting van het potentieel van de blauwe economie te versterken;

39.  is van mening dat de kust- en eilandgemeenschappen ten volle betrokken dienen te worden bij alle fasen in de ontwikkeling van de blauwe economie, wat een essentiële vereiste is om haar potentieel inzake innovatie, werkgelegenheid, welvaart en duurzame ontwikkeling maximaal te benutten; erkent het potentieel van en de behoefte aan innovatieve oplossingen ten aanzien van de uitbreiding van drijvende steden;

40.  erkent de diversiteit en specificiteit van kust- en eilandgemeenschappen en vraagt dat uitzonderlijke maatregelen worden genomen om de ontwikkeling van de blauwe economie in die gebieden efficiënt te bevorderen door belemmeringen voor investeringen weg te nemen en gunstige voorwaarden voor groei te scheppen;

Sectorale aanpak

41.  pleit voor krachtiger steun aan de modernisering en duurzame ontwikkeling van de visserijsector en de verwerking van visserijproducten, gericht op het scheppen van een grotere meerwaarde, met voorkeur voor kleinschalige visserij, grotere selectiviteit inzake vistuig, vermindering van het energieverbruik en van het milieueffect, naast de verbetering van de strijd tegen de illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij; herinnert eraan dat het in kaart brengen en classificeren van habitats met rijkdommen essentieel is voor de verwezenlijking van een levensvatbare, duurzame en goed beheerde visserijsector; onderstreept dat de wetenschappelijke gegevens op grond waarvan politieke beslissingen worden genomen, volledig openbaar dienen te worden gemaakt;

42.  vraagt de Commissie de nodige maatregelen te nemen om de rol van de organisaties voor de ontwikkeling van de visserij in het kader van het nieuwe GVB te versterken, door hun meer middelen toe te wijzen, zodat zij hun rol verder kunnen ontwikkelen en de voornoemde interterritoriale samenwerking bevorderen;

43.  pleit ervoor om culturele bezienswaardigheden en natuurschoon te identificeren en te promoten; onderstreept het belang van "no go"-zones om ongerepte gebieden te helpen voortbestaan en overgeëxploiteerde zeebodem te helpen herstellen en aldus bij te dragen tot de toekomstige duurzaamheid van onze zeeën;

44.  stelt dat de duurzame ontwikkeling van aquacultuur in Europa meer ondersteuning vereist voor wetenschappelijk onderzoek en technologische ontwikkeling op het gebied van de teelt van nieuwe en in het bijzonder inheemse soorten, het waarborgen van duurzame visserij, het vermijden van 'teruggooi', het minimaliseren van de gevolgen voor de biodiversiteit en het reduceren van de gevolgen van het gebruik van chemicaliën en geneesmiddelen, alsook op het gebied van de ontwikkeling van nieuwe of aanzienlijk verbeterde producten, waaronder afvalbehandeling, met het oog op een grotere verscheidenheid van de productie en de voedselvoorziening en een betere voedselkwaliteit, waarbij tegelijk ook de strijd wordt aangebonden met de gevaren voor het milieu; beklemtoont dat nauwkeurige kennis van dieptemetingen en van de samenstelling van de zeebodem cruciaal is voor het selecteren van de meest geschikte locaties voor de uitbreiding van de lokale aquacultuursector, het ramen van de draagkracht ervan en het modelleren van de uit aquacultuuractiviteiten voortvloeiende verontreiniging;

45.  pleit ervoor om milieu- en andere duurzaamheidscriteria in productienormen en etikettering te integreren, verantwoordelijke producenten te belonen en consumenten te helpen betere keuzes te maken terwijl deze sector verder groeit; dringt aan op goede regelgeving voor de aquacultuursector en op maatregelen die de achteruitgang van de waterkwaliteit beperken; vraagt om steun voor de overgang van conventionele aquacultuurproductiemethoden naar biologische aquacultuurmethoden;

46.  is van oordeel dat de koopvaardij en riviervaart binnen de verschillende vormen van goederenvervoer om redenen van energieverbruik en gemakkelijke technische omschakeling naar (vloeibaar aardgas) lpg een steeds strategischer plek innemen; pleit voor de vrijmaking van middelen ter ondersteuning van innovatie in deze sector, met het oog op een verbetering van de energie-efficiëntie, diversificatie van de primaire energie en verlaging van de uitstoot van verontreinigende stoffen;

47.  herinnert eraan dat qua zeevervoer onmiddellijk maatregelen moeten worden genomen ten aanzien van een betere efficiëntie en het sneller koolstofvrij maken van de sector, en dat de ontwikkeling en het gebruik van vloeibaar aardgas (lng) als een schonere transitiebrandstof voor deze sector moeten worden aangemoedigd;

48.  beklemtoont het strategische belang van scheepsbouw en -herstelling, evenals hun wisselwerking met verscheidene andere sectoren, zoals staalindustrie, koopvaardij, visserij en cruisetoerisme; stelt dat het streven naar technologische innovatie en verregaande specialisatie heel wat toegevoegde waarde kan creëren en kan helpen om beter het hoofd te bieden aan de internationale concurrentie in de verwachting dat de achteruitgang van de sector een halt wordt toegeroepen; pleit voor het uittrekken van specifieke steun voor de heropleving en modernisering van de gehele scheepsbouw en speciaalstaalsector in Europa;

49.  verzoekt de Commissie haar beleid ten aanzien van de Europese scheepsbouwindustrie volledig te herzien en is sterk voorstander van specifieke hulp bestemd voor de doorstart en modernisering van de scheepsbouw in Europa;

50.  is van oordeel dat sterkere nadruk moet worden gelegd op de rol van de zee wat betreft toerisme en op de duurzaamheid ervan; merkt op dat het Europese zee- en kusttoerisme te kampen heeft met concurrentie van derde landen; wijst erop dat de EU moet inspelen op haar culturele rijkdom om duurzame en hoogwaardige diensten op het gebied van maritiem en kusttoerisme aan te bieden; is van mening dat cultureel erfgoed en maritiem en kusttoerisme een bijzondere rol kunnen spelen in het aantrekken van meer consumenten en bedrijven middels diversificatie van het toeristische aanbod; legt de nadruk op de positieve bijdrage van cultureel erfgoed en zee- en kusttoerisme aan de doelstellingen van Europa wat betreft duurzame economische groei en het scheppen van banen; roept op tot meer steun voor kmo's, die het overgrote deel van de sector van het toerisme in en op het water vormen, om ervoor te zorgen dat bestaande en nieuwe banen duurzaam en hoogwaardig zijn en het hele jaar door beschikbaar zijn;

51.  wijst op het belang van het bevorderen van sociaal, economisch en ecologisch duurzame vormen van toerisme die een belangrijke bron van meerwaarde voor maritieme gebieden kunnen opleveren;

52.  is van oordeel dat binnen de blauwe economie voldoende belang moet worden gehecht aan het onderzeese cultureel erfgoed, aangezien het huidige samenlevingen kennis kan bijbrengen over de exploitatie van de zee in het verleden en over menselijke reacties op onder meer de klimaatverandering en de stijgende zeespiegel, en ook aangezien het onderzeese cultureel erfgoed een hulpbron voor het toerisme vormt;

53.  benadrukt het feit dat, hoewel de EU een wereldleider in de blauwe economie blijft, de internationale mededinging in deze sector hevig is en dat alleen een gelijk speelveld op wereldniveau kan zorgen voor een verdere duurzame groei en nieuwe Europese banen in deze complexe sector;

54.  is van mening dat de studies met betrekking tot de achteruitgang van de kusten (verontreiniging en verlies van biodiversiteit), ecosysteemveerkracht en -herstel, kusterosie, de mitigatie van de oorzaken daarvan, en de verwezenlijking van maritieme werken om de kustlijn te beschermen (met inbegrip van natuurlijke oplossingen zoals 'groene infrastructuurvoorzieningen') een wezenlijk deel uitmaken van de blauwe economie en steeds belangrijker worden in de context van klimaatverandering; pleit voor meer steun van de EU aan deze sectoren en voor flexibiliteit ten aanzien van gebieden met een duidelijke kustlijn waar zich vanwege kusterosie regelmatig rampen voordoen;

55.  vestigt de aandacht op het energiepotentieel van zeeën en oceanen, in het bijzonder wat het gebruik en de diversificatie van inheemse energiebronnen betreft, en ook wat het leveren van een bijdrage aan de klimaat- en energiedoelstellingen aangaat; onderstreept dat hernieuwbare mariene energieën een industriesector voor de toekomst zijn en wijst in dit opzicht op het belang van de ontwikkeling van innovatieve bronnen van schone en 'blauwe' energie, zoals getijdenstroomenergie, golfslagenergie of osmose-energie, die de Commissie ook noemt in haar mededeling van 20 januari 2014 over blauwe energie; wijst erop dat offshore netwerken tussen de lidstaten van groot belang zijn; onderstreept dat rekening gehouden moet worden met en dat verder onderzoek moet worden gedaan naar het potentieel voor CO2-afvang en -opslag;

56.  onderstreept dat de prospectie en exploitatie van de zeeën en oceanen als energiebronnen boven op de strenge criteria op het stuk van milieuduurzaamheid ook rekening dienen te houden met de behoefte aan technologieoverdracht, met name inzake opleiding van gekwalificeerde en hooggekwalificeerde arbeidskrachten; wijst op het mogelijke multiplicatie-effect van deze activiteiten in de vorm van nieuwe banen en verwante activiteiten, zowel in toeleverende als in afnemende sectoren;

57.  wijst op de belangrijke rol van nieuwe technologieën, bijvoorbeeld bij het bestrijden van de aantasting van mariene ecosystemen of het afvangen en opslaan van CO2-emissies; verzoekt de Commissie te onderzoeken op welke wijze de technologieën en de begeleidende infrastructuurvoorzieningen voor het transporteren van CO2 op een kosten-efficiënte en financieel zinvolle wijze kunnen worden gebruikt;

58.  wijst erop dat voor de optimale ligging van stroomgeneratoren voor de benutting van blauwe energie, zoals wind-, golf- of zonne-energie, oceaanstromingen, osmotische energie en omzetting van thermische energie, een aantal factoren van belang kunnen zijn, waaronder waterdiepte, gesteldheid van de zeebodem, oceanografische kenmerken en afstand vanaf de kust; meent daarom dat harmonisatie van de gegevens die zijn verzameld in de verschillende nationale programma's over dieptemeting, zeebodemkenmerken of verticale oceaanprofielen kan helpen bij het kiezen van de locatie en bij beleid inzake licentieverlening voor ontwikkelingen op het gebied van hernieuwbare energie; benadrukt ook dat verder onderzoek naar oplossingen voor mariene energie absoluut noodzakelijk is om betaalbare, rendabele en hulpbronnenefficiënte energietechnologieoplossingen te ontwikkelen;

59.  is van oordeel dat de prospectie en exploitatie van minerale rijkdommen op het continentaal plat een permanente aanwezigheid vergen van de lidstaten, met name op het stuk van informatie, de identificatie van voor exploitatie verboden gebieden, milieueffectbeoordelingen, risicoanalyse en -minimalisatie, en de uitoefening van hun soevereiniteit; verzoekt de Commissie een niet-uitputtende lijst van maritieme activiteiten (bijvoorbeeld offshore energieproductie, diepzeemijnbouw, winning van zand en grind op zee) waarvoor voorafgaande evaluaties van de milieu- en de sociaal-economische effecten zijn vereist, voor te stellen en bij te werken; dringt aan op meer aandacht voor het hergebruik en de recycling van mineralen als alternatief voor diepzeemijnbouw en voor het potentieel dat wetenschappelijke kennis en de ontwikkeling en overdracht van technologie binnen deze activiteiten in zich dragen;

60.  pleit voor een gecoördineerde en sterke betrokkenheid van de EU ten aanzien van de Internationale Zeebodemautoriteit om te zorgen voor een effectief en op het voorzorgsbeginsel gebaseerd milieuregelgevingskader ter voorkoming van nadelige gevolgen van diepzeemijnbouwexploratie en -exploitatie, waaronder gebieden met een bijzondere natuurwaarde, alsook van maatschappelijke gevolgen van diepzeemijnbouw en bioprospectie voor lokale gemeenschappen en om volledige gegevenstransparantie te waarborgen;

61.  is van mening dat de biotechnologie die verband houdt met zeeën en oceanen, een sector is die wordt gekenmerkt door grote diversiteit en die in zijn geheel een enorm potentieel biedt als bron en toepassingsgebied van nieuwe kennis en als voedingsbodem voor nieuwe processen en producten met grote toegevoegde waarde (nieuwe materialen, voedingsstoffen, farmaceutische bestanddelen, enz.); vestigt de aandacht op de noodzaak van onderwijs en opleiding in deze sector en eist dat de lidstaten, los van de reeds bestaande internationale samenwerking, in dit verband ook hun eigen verantwoordelijkheid opnemen in samenwerking met de particuliere sector;

62.  onderstreept het feit dat sociale dialoog belangrijk is en is van mening dat alle sociale partners die bij de blauwe economie betrokken zijn, vertegenwoordigd moeten zijn; onderstreept dat het belangrijk is over de ontwikkeling van de blauwe economie in het algemeen raadplegingen te houden met de belanghebbenden, inclusief het maatschappelijk middenveld en de regionale en lokale autoriteiten;

63.  geeft zijn volledige steun aan het initiatief van de Commissie - in haar mededeling - ter bevordering van een alliantie voor vaardigheden en een kennisinnovatiecentrum op het gebied van de blauwe economie;

64.  is van oordeel dat een "Erika IV"-pakket inzake maritieme veiligheid moet worden ingevoerd om nieuwe grote zeerampen te voorkomen; is van mening dat dit pakket de ecologische schade aan mariene wateren in de Europese wetgeving moet erkennen;

65.  benadrukt het feit dat het maatschappelijk middenveld bewuster moet worden gemaakt van het feit dat de zee belangrijk is als economische, culturele en sociale hulpbron en van de rol die wordt gespeeld door onderzoek en dialoog om te komen tot een geïntegreerde duurzaamheid tussen belanghebbenden en burgers;

66.  is van mening dat zeeën en kustlijnen een kostbare hulpbron zijn die een van de pijlers moet zijn van het EU-beleid voor industriële heropleving; wijst erop dat stappen moeten worden ondernomen om de blauwe industrie nieuw leven in te blazen, met tegelijk een ondersteuning van de cohesie van de Europese economie en van duurzame ontwikkeling, met name in gebieden waar dit potentieel in verdrukking is geraakt door de mondialiseringsprocessen;

67.  is van mening dat de uitwisseling van informatie en beste praktijken kan bijdragen tot de snelle en duurzame ontwikkeling van de sector;

o
o   o

68.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, en aan de lidstaten.

(1) PB L 257 van 28.8.2014, blz. 135.
(2) PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0300.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0438.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0178.
(6) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104.
(7) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 174.
(8) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 892.
(9) PB C 12 van 15.1.2015, blz. 93.
(10) PB C 19 van 21.1.2015, blz. 24.


Jong ondernemerschap bevorderen door middel van onderwijs en opleiding
PDF 296kWORD 109k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 september 2015 over het bevorderen van jong ondernemerschap door middel van onderwijs en opleiding (2015/2006(INI))
P8_TA(2015)0292A8-0239/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 165 en 166 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met name artikel 14,

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 december 2014 betreffende ondernemerschap door middel van onderwijs en opleiding(1),

–  gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over het stimuleren van ondernemerschap bij jongeren om de sociale inclusie van jongeren te bevorderen(2),

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 mei 2009 betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding ("ET 2020")(3),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 22 april 2013 over de invoering van een jongerengarantie(4),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van donderdag 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren (2012/C 398/01)(5),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 28 juni 2011 getiteld "Jeugd in beweging – de leermobiliteit van jongeren bevorderen"(6),

–  gezien de resolutie van de Raad van 27 november 2009 over een nieuw kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (2010-2018)(7),

–  gezien Aanbeveling 2006/962/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren(8),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 juni 2013, getiteld "Samen aan de slag voor de jongeren in Europa - Een oproep tot actie ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid" (COM(2013)0447),

–  gezien de mededeling van de Commissie van woensdag 9 januari 2013 getiteld "Actieplan ondernemerschap 2020 - De ondernemingsgeest in Europa nieuw leven inblazen" (COM(2012)0795),

–  gezien de mededeling van de Commissie van dinsdag 20 november 2012 getiteld: "Een andere kijk op onderwijs: investeren in vaardigheden voor betere sociaal-economische resultaten" (COM(2012)0669),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 december 2011 getiteld "Onderwijs en opleiding in een slim, duurzaam en inclusief Europa" (COM(2011)0902),

–  gezien het verslag van de Commissie van woensdag 28 januari 2015 getiteld "Entrepreneurship Education: A road to success",

–  gezien de Social Europe guide van de Commissie van maart 2013 getiteld "Social Economy and Social Enterprises" (ISBN: 978-92-79-26866-3),

–  gezien zijn resolutie van 28 april 2015 over de follow-up van de tenuitvoerlegging van het Bologna-proces(9),

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2012 over onderwijs, opleiding en Europa 2020(10),

–  gezien zijn resolutie van 1 december 2011 over de bestrijding van voortijdig schoolverlaten(11),

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 over voorschools leren in de Europese Unie(12),

–  gezien zijn resolutie van 18 mei 2010 over sleutelcompetenties voor een veranderende wereld: uitvoering van het werkprogramma onderwijs en opleiding 2010(13),

–  gezien zijn resolutie van 18 december 2008 over kennis, creativiteit en innovatie dankzij een leven lang leren – uitvoering van het werkprogramma "Onderwijs en opleiding 2010"(14),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0239/2015),

A.  overwegende dat jong ondernemerschap een belangrijk integraal deel moet zijn van de politieke strategie ter ondersteuning van de huidige generatie jongeren op het gebied van de EU-doelstellingen voor groei, werkgelegenheid, onderwijs en sociale inclusie en voor het terugdringen van de jeugdwerkloosheid in de EU;

B.  overwegende dat ondernemerschap in een ruimere zin moet worden opgevat, namelijk als het vermogen om ideeën om te zetten in daden;

C.  overwegende dat in februari 2015 4,85 miljoen jongeren in de EU-28 werkloos waren, hetgeen onaanvaardbaar hoog is; overwegende dat de jeugdwerkloosheid weliswaar afneemt – met 494 000 ten opzichte van februari 2014 – maar dat dit te langzaam gaat;

D.  overwegende dat de begrotingsconsolidatie van de lidstaten die het meest getroffen zijn door de crisis niet ten koste moet gaan van door jongeren bezette banen, aangezien de jeugdwerkloosheid hoog is; overwegende dat de hoge jeugdwerkloosheid ertoe leidt dat jongeren in op grotere schaal te maken krijgen met armoede en sociale uitsluiting, vooral jongeren uit kansarme en kwetsbare kringen; onderkent evenwel dat de toezegging is gedaan om de verstrekking van de middelen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief aan de lidstaten te versnellen en is hiermee ingenomen, maar verlangt hardere toezeggingen van de Commissie om dit ernstige probleem aan te pakken;

E.  overwegende dat de kloof tussen onderwijs en opleiding en de arbeidsmarkt een van de oorzaken is van jeugdwerkloosheid en van het hoge aantal onvervulde vacatures in de EU; overwegende dat deze kloof mede kan worden aangepakt door jongeren toe te rusten met sleutelcompetenties, waaronder zin voor initiatief en ondernemerschap, die noodzakelijk voor hen zijn om met vertrouwen te kunnen participeren in de hedendaagse, op kennis gebaseerde economie en maatschappij;

F.  overwegende dat de Europese Unie met de Europa 2020-Strategie en de bijbehorende vlaggenschipinitiatieven "Nieuwe vaardigheden en banen", "Een digitale agenda voor Europa", de "Innovatie-Unie" en "Jeugd in beweging", alsmede met haar gerichte steun aan vrouwelijke ondernemers en aan kansarme en gehandicapte mensen, initiatiefzin en het ondernemerschap bevordert door het stimuleren van de ondernemingsgeest en de daarbij behorende kennis, vaardigheden en competenties die het concurrentievermogen en slimme, duurzame en inclusieve groei een impuls kunnen geven;

G.  overwegende dat ondernemerschap in belangrijke mate zorgt voor nieuwe bedrijven en banen, nieuwe markten opent, het concurrentievermogen verbetert, de productiviteit en innovatie stimuleert, het Europese concurrentievermogen verbetert en rijkdom creëert, en daarom een belangrijke drijvende kracht is achter economische groei en het scheppen van werkgelegenheid die voor iedereen in gelijke mate toegankelijk moet zijn;

H.  overwegende dat ondernemerschap, en in het bijzonder sociaal ondernemerschap, belangrijke drijvende krachten achter sociale cohesie en duurzaamheid zijn die de economie een impuls kunnen geven en gelijktijdig deprivatie, sociale uitsluiting en andere maatschappelijke problemen kunnen verlichten;

I.  overwegende dat ondernemerschap, en in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), de ruggengraat vormen van de Europese economie en de belangrijkste en primaire bron van nieuwe werkgelegenheid zijn; overwegende dat het ondernemingspotentieel van vrouwen een bron van economische groei en werkgelegenheid is die onvoldoende wordt aangeboord;

J.  overwegende dat culturen waarin ondernemingsvaardigheden en ondernemend gedrag, zoals creativiteit, innovatie, initiatief, het durven nemen van berekende risico's, onafhankelijk denken en het zien van kansen, alsmede leiderschapskwaliteiten, worden gewaardeerd en beloond, een stimulerend kader bieden voor de ontwikkeling van nieuwe oplossingen voor economische, sociale en ecologische uitdagingen door kenniscomponenten te integreren in het onderwijs die theorie en praktijk samenbrengen en de grenzen tussen bedrijfservaring en onderwijs doen vervagen; overwegende dat het daarom van groot belang is dat deze persoonlijke competenties zijn ingebed in het onderwijssysteem en deel uitmaken van het dagelijks leven op alle niveaus;

K.  overwegende dat in bepaalde lidstaten het starten van een onderneming (elk type ondernemingen, ook sociaal ondernemerschap of op persoonlijke winst gerichte bedrijven) onvoldoende wordt erkend als onderdeel van een carrière, en dat het onderwijssysteem weinig steun biedt aan aankomende ondernemers;

L.  overwegende dat jonge ondernemers worden geconfronteerd met tal van uitdagingen en moeilijkheden, zoals gebrek aan ervaring, aan de juiste vaardigheden, en aan toegang tot financiering en infrastructuur;

M.  overwegende dat recente studies suggereren dat ondernemingsvaardigheden te leren zijn en dat onderwijs in ondernemerschap, mits goed opgezet en gegeven en toegankelijk voor iedereen, een zeer positief effect kan hebben op het leven en de inzetbaarheid van mensen en op starters- en overlevingspercentages van ondernemingen;

N.  overwegende dat alleen betrouwbare conclusies kunnen worden getrokken wanneer de effecten van onderwijs in ondernemerschap op kritische wijze gemeten worden op basis van betrouwbare gegevens en beproefde statistische instrumenten en technieken;

O.  overwegende dat onderwijs in ondernemerschap een sociale dimensie moet hebben, onder meer onderwijs over eerlijke handel, sociale ondernemingen en alternatieve ondernemingsmodellen zoals coöperaties, teneinde een sociale, inclusieve en duurzame economie tot stand te brengen;

P.  overwegende dat een ondernemingsgeest de inzetbaarheid van een jongere vergroot, kwaliteiten in deze persoon naar voren brengt die essentieel zijn om uitdagingen in het beroeps- en privéleven aan te gaan en helpt voorkomen dat armoede en sociale uitsluiting toenemen; overwegende dat beter toegankelijke mechanismen voor microfinanciering deze doelen kunnen helpen verwezenlijken;

Q.  overwegende dat onderwijs en beroepsopleiding als geheel van cruciaal belang zijn voor de persoonlijke ontwikkeling van ieder mens en daarom voldoende breed moeten zijn, zodat een basis wordt gelegd voor ontwikkeling gedurende het hele leven, voor de verdieping van kennis en vaardigheden en voor de verwerving van horizontale vaardigheden; overwegende dat onderwijs tevens voldoende praktijkgericht moet zijn, zodat mensen echt carrière kunnen maken en een waardevol privé- en beroepsleven kunnen leiden; overwegende dat een rechtstreeks verband bestaat tussen de succesvolle combinatie van deze twee aspecten van onderwijs en het terugdringen van het risico op jeugdwerkloosheid;

R.  overwegende dat een ondernemingsgeest en -vaardigheden door iedereen verworven, aangeleerd en ontwikkeld kunnen worden; overwegende dat elk onderwijstype en -niveau een specifieke kans biedt om in het kader van de algehele verwerving van sleutelcompetenties bepaalde vaardigheden en capaciteiten voor ondernemerschap op te doen;

S.  overwegende dat ondernemingsvaardigheden in verband staan met andere vaardigheden, bijvoorbeeld op het gebied van ICT, probleemoplossend denken en financiële geletterdheid, die bevorderd moeten worden;

T.  overwegende dat onderwijs en opleiding van cruciaal belang zijn om jongeren te motiveren hun eigen ondernemingsprojecten te starten en daartoe de mogelijkheden te scheppen;

U.  overwegende dat onderwijs, als een publiek goed, volledig inclusief en geïntegreerd moet zijn, en speciaal de nadruk moet leggen op gelijke toegang voor studenten met een uiteenlopende sociaal-economische achtergrond;

V.  overwegende dat jongeren beter toegerust zijn om te ondernemen op transnationaal niveau wanneer zij vreemde talen beheersen;

W.  overwegende dat ondervertegenwoordigde en kansarme groepen speciale aandacht en ondersteuning tijdens hun onderwijsloopbaan nodig hebben, onder meer door het betrekken van ouders en gemeenschappen bij het onderwijsproces, alsook het vragen van hulp bij het starten, voeren en uitbreiden van een bedrijf of onderneming;

X.  overwegende dat jongeren profiteren van opleidingen en onderwijs in ondernemen, alsmede van praktische ervaring, waarmee ze hun vaardigheden en talent kunnen ontwikkelen en meer zelfvertrouwen krijgen, en bij kunnen dragen aan de oprichting van nieuwe bedrijven, inzetbaarheid voor werk en innovatie; overwegende dat ondernemerschap een zeer onderbenutte optie is voor veel jongeren met een handicap;

Y.  overwegende dat sociale en inclusieve ondernemingen een actieve rol spelen bij innovatieve en duurzame groei, een grotere samenhang binnen de maatschappij en lokale gemeenschappen stimuleren, en arbeidsmogelijkheden kunnen creëren voor jongeren, met inbegrip van sociaal kwetsbare jongeren en degenen die het verst van de arbeidsmarkt af staan;

Z.  overwegende dat onvoldoende mensen hun idee om een eigen bedrijf op te richten doorzetten en overwegende dat er naar verhouding zelfs minder vrouwelijke dan mannelijke ondernemers zijn (wat eens te meer geldt voor vrouwen met een kwetsbare sociale achtergrond die dubbel gediscrimineerd worden); overwegende dat vrouwelijke ondernemers weliswaar gemiddeld hoger opgeleid zijn dan mannelijke ondernemers, maar vaker actief zijn in minder innovatieve en minder snel groeiende sectoren en kleinere bedrijven hebben dan mannelijke ondernemers; overwegende dat actief gezocht moet worden naar manieren om de oorzaken te ondervangen die vrouwen er in het bijzonder van weerhouden om zich toe te leggen op het ondernemerschap of er meer van te profiteren(15);

AA.  overwegende dat kamers van ambachtsnijverheid, industrie en koophandel in sommige lidstaten gerichte programma's aanbieden ter ondersteuning van startende ondernemingen;

AB.  overwegende dat onderwijs en opleiding hoofdzakelijk nationale bevoegdheden zijn en dat bepaalde lidstaten nog horizontaal beleid of een strategische benadering moeten ontwikkelen voor onderwijs in ondernemerschap of ondernemingsgerichte curricula en onderwijsmethoden; overwegende dat niet alle docenten en leidinggevenden in het onderwijs in Europa voldoende zijn opgeleid op het gebied van onderwijs in ondernemerschap, noch via bij- of nascholing noch via hun oorspronkelijke opleiding, hetgeen van invloed kan zijn op de mogelijkheid om ondernemerschap voldoende in te bedden in de opleidingssystemen(16);

AC.  overwegende dat docenten in staat gesteld moeten worden contacten te leggen met ondernemers en in samenwerking met hen leerdoelen vast te stellen, en de juiste ondersteuning en middelen moeten ontvangen, zodat zij strategieën kunnen volgen waarin de leerling of student centraal staat en hun onderwijsmethoden kunnen aanpassen aan de behoeften van hun kwetsbare studenten;

AD.  overwegende dat niet-formele en informele leeractiviteiten formeel leren aanvullen en verrijken doordat zij diverse soorten leerervaringen bieden die leerlingen en studenten mondig maken, en daarom erkend moeten worden als geprivilegieerde bronnen voor het verwerven en ontwikkelen van ondernemingsvaardigheden;

AE.  overwegende dat formeel en informeel leren een cruciale rol kan spelen bij het ontwikkelen en onderhouden van ondernemingsvaardigheden, in het bijzonder onder gemarginaliseerde groepen;

AF.  overwegende dat niet-formele en informele leeractiviteiten in het bijzonder relevant zijn voor jongeren met minder kansen, en hun een extra bron van kennis bieden en een mogelijke route naar formeel onderwijs of een formele opleiding;

AG.  overwegende dat met ervaren ondernemers als docenten er een positief beeld van het ondernemerschap ontstaat en het gemakkelijker wordt om de stap richting ondernemerschap te zetten;

AH.  overwegende dat ondernemerschap, met inbegrip van sociaal ondernemerschap, geïntegreerd moet worden in de opleiding van docenten en loopbaanadviseurs;

AI.  overwegende dat nationale onderwijssystemen zich in reactie op een veranderende arbeidsmarkt in een verschillend tempo hebben ontwikkeld;

AJ.  overwegende dat het Erasmus+-programma, dat loopt van 2014 tot 2020, erop gericht is het onderwijs, de opleiding en het werk voor jongeren in heel Europa te moderniseren; overwegende dat het programma openstaat voor op onderwijs, opleiding, jongeren en sport gerichte organisaties uit alle sectoren die zijn betrokken bij een leven lang leren; overwegende dat het programma meer dan 4 miljoen Europeanen de kans geeft in het buitenland te studeren, een opleiding te volgen, werkervaring op te doen en vrijwilligerswerk te doen;

AK.  overwegende dat ondernemerschap nu al een rol speelt in het Erasmus+-programma, en dat dit één van de verwachte resultaten van mobiliteitsacties is;

AL.  overwegende dat het belangrijk is de mobiliteit van jonge ondernemers te bevorderen en aan te moedigen door middel van programma's als Erasmus voor jonge ondernemers (2009-2015), die jonge ondernemers in staat stellen deel te nemen aan grensoverschrijdende uitwisselingen en te leren van ervaren ondernemers met kleine bedrijven, en dat het tevens belangrijk is kansen te creëren om de ongelijke verhouding tussen mannen en vrouwen in het ondernemerschap aan te pakken; overwegende dat meer middelen moeten worden toegewezen aan dergelijke programma's, zodat jongeren meer kunnen participeren;

AM.  overwegende dat jongeren neigen naar een voorkeur voor werken als zelfstandige en dat wel 45% van de jongeren tussen de 15 en 24 jaar zegt het liefst zelfstandig ondernemer te zijn(17);

AN.  overwegende dat het bedrijfsleven op lokaal, nationaal en Europees niveau grotere bijdragen kan leveren in de vorm van op vaardigheden gericht vrijwilligerswerk, partnerschappen met onderwijsinstellingen en samenwerking met beleidsmakers;

AO.  overwegende dat organisaties van het maatschappelijk middenveld aanzienlijke bijdragen leveren (non-gouvernementele organisaties zoals vakbonden, werkgeversverenigingen en andere sociale groepen), waaronder het initiatief "Junior Achievement – Young Enterprise Europe", dat onderwijs en opleiding biedt gericht op informeel ondernemerschap voor het hele leven; overwegende dat er meer erkenning moet komen voor deze bijdragen, ook al leiden ze wellicht niet tot een gecertificeerd, formeel diploma; overwegende dat ook ondernemingen die opleidingen verzorgen voor hun eigen personeel dergelijke bijdragen leveren;

De nadruk op ondernemingsvaardigheden en -competenties

1.  onderkent dat een leven lang leren en internationale mobiliteit een cruciaal aspect is van Europa's antwoord op globalisering en de verschuiving naar kenniseconomieën; erkent met name het belang van 'zin voor initiatief en ondernemerschap', één van de acht 'sleutelcompetenties voor een leven lang leren - een Europees referentiekader', waarover alle mensen moeten beschikken met het oog op persoonlijke voldoening en ontwikkeling, actief Europees burgerschap en participatie, sociale integratie en werkgelegenheid;

2.  verzoekt de lidstaten ondernemingsvaardigheden voor jongeren te bevorderen door middel van wetgeving gericht op waarborging van kwaliteitsstages waarbij hoogwaardig leren en adequate arbeidsomstandigheden centraal staan, als instrumenten ter bevordering van de inzetbaarheid, zoals uiteengezet in de aanbeveling van de Raad inzake een kwaliteitskader voor stageplaatsen;

3.  benadrukt dat de sleutelcompetentie 'zin voor initiatief en ondernemerschap' breed en duidelijk gedefinieerd moet worden en dat deze competentie ook de bevordering van een proactieve ondernemingsgeest, creativiteit, innovatievermogen en het nemen van risico's omvat, alsmede de vaardigheid om projecten te plannen, te beheren en zo doelen te halen, en zelfs het idee dat het individu zich bewust is van de context van zijn of haar werk en in staat is kansen te grijpen die zich voordoen op het gebied van zowel ondernemerschap als beroepsactiviteiten ('intrapreneurship'); heeft vertrouwen in de creatieve bedrijfstakken en op cultuur gerichte ondernemingen die met name jongeren zakelijke mogelijkheden kunnen bieden;

4.  wijst er andermaal op dat de creatieve bedrijfstakken tot de ondernemendste sectoren behoren en overdraagbare vaardigheden ontwikkelen zoals creatief denken, het oplossen van problemen, teamwerk en vindingrijkheid;

5.  benadrukt dat ondernemerschap breed benaderd moet worden als een reeks horizontale sleutelcompetenties die persoonlijke en professionele doelen dienen;

6.  benadrukt hoe belangrijk organisatorisch toezicht en auditvaardigheden zijn; moedigt in het bijzonder de ontwikkeling van milieu- en sociale audits aan als een innovatief instrument voor het houden van toezicht;

7.  is ervan overtuigd dat ondernemingsvaardigheden en competenties, alsook horizontale, sectoroverschrijdende, beroeps- en baanspecifieke vaardigheden en competenties, bevorderd moeten worden, zodat meer jongeren als zelfstandige gaan werken en de jonge generatie een reële kans geboden wordt om eigen bedrijven op te starten en zowel zichzelf als de maatschappij in het algemeen te helpen;

8.  is ervan overtuigd dat nu gedetailleerd moet worden aangegeven hoe het kader voor sleutelcompetenties op de juiste manier uitgevoerd kan worden op elk onderwijsniveau voor ondernemingsvaardigheden door kennis van het ondernemerschap, vaardigheden en attitudes op te nemen als leerdoel van ieder afzonderlijk onderwijs- en stageprogramma;

9.  benadrukt dat alle onderwijsniveaus en -typen, onderwijs moeten aanbieden op het gebied van praktische ondernemersvaardigheden en motivatie, zin voor initiatief en bereidheid moeten stimuleren, alsmede een besef van maatschappelijke verantwoordelijkheid; is van mening dat modules op het gebied van elementaire financiën, economie en het ondernemersklimaat van nu geïntegreerd moeten worden in schoolcurricula, en hand in hand moeten gaan met mentor- en tutorsystemen en loopbaanadvies voor studenten, ook voor kansarme leerlingen en studenten, zodat hun begrip van het ondernemingsproces mogelijk gemaakt wordt en ondersteund, en zij een ondernemingsgeest kunnen ontwikkelen; onderstreept dat informeel en onafhankelijk leren, waaronder vrijwilligerswerk, een belangrijke rol speelt bij het ontwikkelen van een ondernemingsgeest en -vaardigheden bij jongeren;

10.  verzoekt de Commissie het belang en de rol van verschillende vormen van sociaal ondernemerschap te benadrukken, die dikwijls een goede manier zijn om jonge Europeanen hun eerste ervaring in het bedrijfsleven te laten opdoen;

11.  benadrukt dat innovatieve leermethoden ontwikkeld moeten worden die meer gericht zijn op participatie en waarin de leerling of student centraal staat, zodat het verwerven van een reeks horizontale vaardigheden wordt gestimuleerd, die immers nodig zijn om een ondernemingsgeest te kunnen ontwikkelen;

12.  adviseert het ondernemerschap, waaronder tevens modellen voor sociaal ondernemerschap, in het kader van hoger onderwijs en in projecten voor alumni aan te moedigen;

13.  wijst erop dat het bevorderen van ondernemerschap door middel van onderwijs alleen kan slagen en van betekenis kan zijn wanneer economische en sociale aspecten in de onderwijsstrategieën op een evenwichtige wijze aan bod komen;

14.  benadrukt dat sociale inclusie en de bestrijding van armoede met name succesvol kan zijn via sociaal ondernemerschap waarmee de werkgelegenheid wordt gestimuleerd, en door een ondernemingsgeest te kweken die kansarme mensen in grote mate ten goede zal komen;

15.  benadrukt dat duale opleidingen en door bedrijven gesponsorde studieprogramma's van cruciaal belang blijken te zijn voor het bijbrengen van commerciële kerncompetenties in de lidstaten waar deze programma's lopen;

16.  moedigt alle belanghebbenden aan volledige betrokkenheid en partnerschap te tonen, in het bijzonder lokale organisaties van ondernemers, bedrijven en onderwijsinstellingen, teneinde beste praktijken en ervaringen te delen en de ondernemingsvaardigheden van jongeren en het onderwijs in de lidstaten te verbeteren;

17.  benadrukt dat een nauwe band tussen door bedrijven aangeboden opleidingen en regulier onderwijs een succesvol model is dat in heel Europa en daarbuiten moet worden uitgewerkt en bevorderd;

18.  pleit voor nauwere samenwerking met de private sector en de sociale partners om een innovatieve, ondernemende durfcultuur aan te moedigen (bijv. door middel van structurele toezeggingen als voorzieningen voor innovatie en de uitwisseling van ideeën);

19.  is ervan overtuigd dat een succesvolle inzet van ondernemingsvaardigheden steeds meer afhangt van de media- en digitale vaardigheden die hiermee gepaard gaan, en dat het onderwijs en de opleidingen meer aandacht moeten schenken aan dit onderlinge verband; benadrukt hoe belangrijk het is om alle jongeren toe te rusten met ICT-vaardigheden en met horizontale en ondernemingsvaardigheden, waarmee zij de mogelijkheden van de digitale wereld ten volle kunnen benutten, zodat zij geholpen worden bij het vinden van nieuwe manieren om ondernemerschap te ontwikkelen, over te brengen en te bevorderen, zodat zij beter in staat zijn te concurreren om banen en een zelfstandige onderneming te starten, en leren het gedrag en de behoeften van hun toekomstige werkgever beter te begrijpen en bij te dragen aan het innovatief en concurrerend vermogen van de organisatie van de werkgever;

20.  benadrukt dat ondernemingsvaardigheden moeten worden ontwikkeld en verbeterd door middel van een benadering die het hele leven bestrijkt, onder meer via werkervaring en niet-formeel en informeel leren, en dat de validatie van ondernemingsvaardigheden op ruimere schaal moet plaatsvinden en ondersteund moet worden, aangezien zij bijdragen aan loopbaanontwikkeling;

21.  onderkent dat een goede voorbereiding van docenten een cruciaal onderdeel is van het doceren van ondernemerschap, en onderkent in het bijzonder dat er dringend vraag is naar kwalitatief hoogwaardige opleidingen, zodat de authenticiteit van het onderwijsproces kan worden gewaarborgd;

22.  roept de lidstaten op om de belemmeringen voor gehandicapte jonge ondernemers op te heffen door opleidingen aan te bieden aan dienstverleners die onder meer verantwoordelijk zijn voor de ondersteuning van gehandicapten, en door de ruimten waar de ondersteuning wordt geboden aan te passen om ze toegankelijk te maken voor mensen met een mobiliteitsbeperking;

23.  merkt op dat de bevordering van de samenwerking tussen het voortgezet en hoger onderwijs de dialoog tussen jongeren zou stimuleren en innovatie in de hand zou werken;

24.  onderstreept dat de ondernemerscultuur binnen het hoger onderwijs moet worden verbeterd door de oprichting van nieuwe bedrijven door jongeren op basis van academisch onderzoek (spin-offs) te steunen en te vergemakkelijken, waardoor de administratieve rompslomp die komt kijken bij het oprichten van dergelijke bedrijven wordt verminderd en er een duidelijk en ondersteunend regelgevingskader voor student-ondernemers tot stand wordt gebracht; is van mening dat scholen en universiteiten in dit verband tijd, ruimte en erkenning moeten bieden voor initiatieven van jongeren om hun het vertrouwen te schenken dat nodig is om te beginnen met nieuwe projecten die nuttig kunnen blijken bij de oprichting van onafhankelijke bedrijven; is ingenomen met initiatieven die jongeren belonen voor geslaagde bedrijfsprojecten (bijv. beste studentenbedrijf van het jaar); benadrukt daarnaast dat bedrijven jongeren in de gelegenheid moeten stellen om daar hun eerste werkervaring op te doen; en herhaalt dat met het oog daarop bedrijfsbezoeken en stageregelingen moeten worden bevorderd, zodat jongeren inzicht kunnen verwerven over het bedrijfsleven;

25.  onderstreept dat het bedrijfsleven een cruciale rol moet spelen in op ondernemerschap gericht onderwijs en opleiding, aangezien het bedrijfsleven op ervaring gebaseerd leren kan bieden dat het theoretisch onderwijs van jongeren aanvult;

26.  benadrukt de cruciale rol van diverse verenigingen van jonge ondernemers die het ondernemerschap onder jongeren aanmoedigen door ze de mogelijkheid te bieden innovatieve projecten te ontwikkelen en bedrijfservaring op te doen en hun de instrumenten aan te reiken en het nodige vertrouwen te geven om een eigen bedrijf op te zetten;

Rol van de EU-instellingen – coördinatie, methodologie en financiële instrumenten

27.  verzoekt de Raad en de Commissie om binnen hun respectieve bevoegdheden en met volledige eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel methodologische steun te ontwikkelen en instrumenten op het gebied van onderwijs en opleiding in ondernemerschap beschikbaar te stellen aan nationale onderwijsstelsels, met inbegrip van sociaal ondernemerschap, en een gecoördineerde aanpak te volgen waarbij het openbaar bestuur van de lidstaten wordt verzocht nauwer samen te werken met bedrijven zodat de sleutelfactoren ter verbetering van het ondernemerschap verbreid raken; verzoekt de Commissie om in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen jonge ondernemers meer steun te bieden;

28.  verzoekt de Raad en de Commissie om een genderperspectief op methodologie, communicatie en financiële instrumenten aan te nemen en zo meer betrokkenheid bij ondernemerschap onder meisjes en jonge vrouwen te stimuleren;

29.  verzoekt de Commissie om op ondernemerschap gerichte stages en uitwisselingsprogramma's in te stellen en te stimuleren, zodat jongeren de kans krijgen om praktische ervaring op te doen en de uitwisseling van kennis en ervaring wordt gestimuleerd;

30.  verzoekt de Commissie een omvattende strategie te ontwikkelen voor de ontwikkeling van horizontale vaardigheden zoals kritisch denken, het oplossen van problemen, initiatief, samenwerking, zelfstandigheid, plannen, leiderschap en teambuilding, op alle niveaus en in alle typen onderwijs en opleiding, en er daarbij rekening mee te houden dat deze vaardigheden nuttig zijn voor een breed scala aan banen en sectoren;

31.  verzoekt de Commissie om binnen het Erasmus+-programma meer nadruk te leggen op een betere ontwikkeling en waardering van horizontale vaardigheden, waaronder ondernemerschap en digitale vaardigheden, en daarbij te onderstrepen dat dit programma niet eenzijdig gericht moet zijn op inzetbaarheid en dat de laagdrempeligheid van ondernemingsgerichte activiteiten behouden moet blijven, in het bijzonder op het gebied van niet-formeel en informeel leren; verzoekt de Commissie tevens hervormingen van het onderwijsbeleid in de lidstaten te bevorderen waarmee in dit opzicht voor de lidstaten en de EU een coherent beleidskader tot stand kan worden gebracht;

32.  verzoekt de Commissie om ondersteuning te bieden bij het monitoren van ICT-vaardigheden, probleemoplossend vermogen en financiële kennis; verzoekt de Commissie longitudinaal onderzoek op dit gebied te doen;

33.  verzoekt de Commissie partnerschappen tussen onderwijsinstellingen en bedrijven te ondersteunen door het Europees Fonds voor strategische investeringen en in het bijzonder van het Europees Sociaal Fonds aan te wenden, zodat leren tijdens het werken in bedrijven wordt aangemoedigd en de ontwikkeling van ondernemingsvaardigheden op nationaal en lokaal niveau wordt gestimuleerd;

34.  verzoekt de Commissie een Europees netwerk voor opleiding in ondernemerschap op te zetten, gemodelleerd naar het in mei 2015 opgezette European Entrepreneurship Education NETwork (EE-HUB), dat op Europees, nationaal en lokaal niveau wordt ondersteund door Europese organisaties en andere belanghebbenden, alsook door nationale onderwijsautoriteiten, waarbij dit netwerk beste praktijken vergaart en uitwisselt tussen onderwijsinstellingen en -organisaties, instellingen voor beroepsopleiding, bedrijven, autoriteiten en sociale partners;

35.  verlangt van de Commissie dat zij toeziet op coherente en effectieve coördinatie op het gebied van onderwijs in ondernemerschap in de context van haar bredere EU-strategie voor een leven lang leren, van de wereldwijde strategieën van de EU en van het plan van de Commissie-Juncker;

36.  stelt de Commissie voor in al haar activiteiten in de volgende financieringsperiode (na 2020), met inbegrip van mobiliteit, ondernemerschap in onderwijs en opleiding te handhaven als één van de doelstellingen van een nieuw Erasmus+-programma, waarbij de volgende aspecten aan bod komen:

   (i) een zorgvuldige beoordeling van het effect van de huidige maatregelen ter bevordering van ondernemerschap door middel van onderwijs en opleiding, en een eventuele aanpassing ervan, waarbij speciale aandacht wordt besteed aan de effecten voor ondervertegenwoordigde en kansarme groepen;
   (ii) bevordering van beter gedefinieerde leerprogramma's en instrumenten voor formeel en informeel onderwijs dat op alle studenten is gericht – theoretische modules, praktische modules en ondernemingsprojecten van studenten;
   (iii) ondersteuning van docenten, leerkrachten, jongerenwerkers, coaches en leidinggevenden in het onderwijs bij het behalen van kwalificaties en bij hun voortdurende professionele ontwikkeling en toerusting op het gebied van onderwijs in ondernemerschap;
   (iv) bevordering van partnerschappen tussen onderwijsinstellingen, ondernemingen, non-profitorganisaties, regionale en lokale autoriteiten en niet-formele aanbieders van onderwijs, zodat geschikte cursussen ontwikkeld kunnen worden en studenten de vereiste praktische ervaring en modellen wordt geboden;
   (v) ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van ondernemingsprocessen, financiële kennis, ICT-kennis en -vaardigheden, creatief denken, creativiteit, creatief nut, probleemoplossend denken en een innovatieve geest, zelfvertrouwen, vertrouwen in de eigen ideeën, aanpassingsvermogen, teambuilding, projectmanagement, het inschatten en nemen van risico's, alsmede specifieke commerciële kennis en vaardigheden;
   (vi) het wegnemen van alle fysieke en digitale barrières waar mensen met een handicap nog steeds tegenaan lopen, aangezien hun volledige integratie in de banenmarkt van cruciaal belang kan zijn voor de bevordering van een duurzame bedrijfscultuur die samenhang vertoont;
   (vii) onderstrepen dat niet-formeel en informeel leren een geprivilegieerde omgeving biedt voor het verwerven van ondernemingsvaardigheden;

37.  verzoekt de Commissie de factoren te onderzoeken en aan te pakken die vrouwen ervan weerhouden een eigen onderneming te beginnen, en daarbij in het bijzonder de toegang tot financiering, opleiding en ondersteunende diensten voor vrouwelijke ondernemers te verbeteren;

38.  roept de Commissie op de uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten te coördineren en te bevorderen;

39.  roept de Commissie op tot aanmoediging van betere samenwerking en uitwisseling van beste praktijken tussen lidstaten die onderwijs in ondernemerschap al hebben geïntegreerd in hun curricula en meer vooruitgang hebben geboekt bij de bevordering van jong ondernemerschap en lidstaten die nog aan het begin van dit proces staan;

40.  verzoekt de Commissie uiterlijk eind 2017 een 'beste praktijk' op te zetten voor de verspreiding van de ondernemingsgeest en de bevordering van jong ondernemerschap in de lidstaten, het Parlement een verslag hierover te doen toekomen en de resultaten van dit werk te laten meewegen bij de beoordeling van haar eigen financieringsprocedures;

41.  verzoekt de lidstaten onderwijs in ondernemerschap te bevorderen als een manier om horizontale competenties te stimuleren waarmee leerlingen en studenten hun persoonlijke en beroepsleven beter kunnen hanteren;

42.  verzoekt de Commissie goed toezicht uit te oefenen op de concrete maatregelen die de lidstaten hebben genomen om ondernemerschap onder jongeren aan te wakkeren, speciale aandacht te schenken aan de bevordering en publicatie van informatie over de resultaten, en instellingen en organisaties te stimuleren en te helpen bij de uitwisseling van optimale werkmethoden, het delen van ideeën, kennis en ervaring, en het aangaan van sectoroverschrijdende strategische partnerschappen; spoort de Commissie en de lidstaten aan benchmarks, modellen en gemeenschappelijke instrumenten en projecten te ontwikkelen om ondernemerschap onder jongeren te bevorderen;

43.  dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat geen enkele door de lidstaten genomen maatregel het vrije verkeer van werknemers belemmert, zodat jongeren die voor het ondernemerschap hebben gekozen hun activiteiten overal in de Europese Unie kunnen ontplooien;

De rol van de lidstaten

44.  verzoekt de lidstaten, alsmede de regionale en lokale autoriteiten, te trachten de ontwikkeling van opleidingen op het gebied van het starten van een onderneming en het beheer van een startende onderneming te bevorderen, met inbegrip van mentorschappen van deskundigen, starterscentra, centra voor groeiende bedrijven, op sociaal ondernemen gerichte projecten waarbij samengewerkt wordt met lokale gemeenschappen, alsook alle ondernemersvriendelijke omgevingen te bevorderen waar het opstarten van ondernemingen door jongeren gemakkelijker wordt gemaakt en het mogelijk is om snel te herstellen van beginnersfouten of van schoolverlaten, waar de totstandbrenging van een positieve bedrijfscultuur ondersteund kan worden, een negatief beeld van faillissementen wordt tegengegaan en het doen van een hernieuwde poging wordt aangemoedigd, en waar tevens speciale aandacht is voor het bereiken van kansarme jongeren;

45.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat onze jonge ondernemers toegang hebben tot de financiering die zij nodig hebben en dat zij in elk stadium worden ondersteund;

46.  verzoekt de lidstaten, alsmede de regionale en lokale autoriteiten, ten volle gebruik te maken van de middelen uit de structuurfondsen van de EU, in het bijzonder het Europees Sociaal Fonds, om onderwijs en opleiding in ondernemerschap en de ontwikkeling van digitale vaardigheden op nationaal, regionaal en lokaal niveau te bevorderen;

47.  verzoekt de lidstaten om samen met regionale en lokale autoriteiten gebruik te maken van alle bestaande financieringsmiddelen op EU-niveau, zoals het Europees Sociaal Fonds, het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, het EU-programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI), Erasmus voor jonge ondernemers en het EU-programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen (COSME), om initiatieven aan te moedigen en te steunen waarmee wordt beoogd meer doeltreffende en gerichte contacten te leggen tussen bedrijven en de onderwijssector;

48.  verzoekt de lidstaten het uitwisselen van beste praktijken te bevorderen, nationale en internationale partnerschappen aan te moedigen en jonge ondernemingen te steunen, alsmede het werk van relevante netwerken van kleine en middelgrote ondernemingen en ontwikkelingsinstanties;

49.  roept de lidstaten op specifiek innovatieve methoden te verschaffen voor het opleiden van docenten en mentoren op het gebied van ondernemerschap, zodat zij in staat zijn ondernemingsvaardigheden te stimuleren en aan te moedigen, en te overwegen om ondernemerschap op te nemen in het onderwijscurriculum;

50.  verzoekt de lidstaten hun stelsels voor de erkenning en validering van competenties die op niet-formele en informele wijze zijn vergaard verder te ontwikkelen zodat hun toezegging voor 2018 gestand kan worden gedaan en personen zich kunnen heroriënteren en een tweede kans krijgen, en zelferkenning en verder leren worden gestimuleerd;

51.  verzoekt de lidstaten het betrekken van private partners bij onderwijs in ondernemerschap aan te moedigen door de middelen daartoe te verstrekken of opleidingen te bieden, als aspect van maatschappelijk verantwoord ondernemen;

52.  verzoekt de lidstaten de bureaucratie rondom het uitvoeren van bedrijfsplannen door jongeren weg te nemen en belastingvoordelen te overwegen, alsmede maatregelen om jongeren te stimuleren hun eigen zakelijke ideeën te ontwikkelen; benadrukt dat vangnetten nodig zijn voor startende ondernemingen die failliet gaan;

53.  onderstreept de noodzaak om de financiële moeilijkheden aan te pakken waarmee jonge ondernemers worstelen, om hun toegang tot kredieten en speciale beurzen te vergemakkelijken, bestaande administratieve lasten te verminderen en om een regelgevingsklimaat en fiscale stimulansen in het leven te roepen waarmee de ontwikkeling van ondernemersinitiatieven voor jongeren en het scheppen van banen wordt bevorderd, teneinde het opzetten en de consolidatie van zakelijke projecten door jonge ondernemers te vergemakkelijken;

54.  verzoekt de lidstaten proactief op te treden door de regelgevingskaders te verbeteren en de administratieve procedures voor ondernemingen te stroomlijnen, met name voor kmo's en sociale ondernemingen, en de kwaliteit van de arbeidspraktijken van dergelijke bedrijven te bevorderen en te bewaken; wijst erop dat sociale en inclusieve ondernemingen zorgen voor het scheppen van duurzame banen, het bijdragen aan de ontwikkeling van gemeenschappen, het bevorderen van een duurzaam milieu en het waarborgen van sociale veerkracht in tijden van crisis;

55.  verlangt dat de openbare diensten voor arbeidsvoorziening een proactieve rol vervullen op het vlak van steun en advies aan bedrijven, maar vooral aan jonge ondernemers;

56.  verzoekt de lidstaten en regionale en lokale autoriteiten de toegang tot beurzen en microleenstelsels voor innovatieve studenten te verbeteren, samen met ondersteuning, informatie, een mentorsysteem, multidisciplinaire bijstand en platformen voor wederzijdse evaluatie, zodat zij een eigen bedrijfje of project op poten kunnen zetten, zoals degene die in het kader van de pijler microfinanciering en sociaal ondernemerschap van het EaSI worden ondersteund; verzoekt de lidstaten de toegang tot en het rendement van leningen te vergemakkelijken, het gebruik van crowdfunding te bevorderen, partnerschappen tussen de lokale economie, bedrijven en universiteiten te ontwikkelen, de rol van bedrijven bij de integratie van jongeren op de arbeidsmarkt te bevorderen, en de Entrepreneurial Skills Pass (ESP) op verschillende schoolniveaus en universitaire studies te versterken, vooral in samenwerking met kmo's; verzoekt de lidstaten met klem de oprichting van starterscentra binnen universiteiten aan te moedigen, die zijn toegespitst op duurzame ontwikkeling en op de toekomst georiënteerde studierichtingen;

57.  roept de lidstaten op de procedures voor niet-frauduleuze faillissementen te vereenvoudigen en een ondersteunende omgeving voor faillissementen op te zetten om jongeren duidelijk te maken dat een faillissement geen tegenslag met levenslange gevolgen betekent;

58.  roept de lidstaten op jongeren aan te sporen ondernemer te worden door binnen het onderwijsstelsel studies op projectbasis aan te bieden die zich over meerdere disciplines uitstrekken en worden opgezet in samenwerking met bedrijven;

59.  roept de lidstaten op het ondernemerschap in het kader van loopbaanadvies in het voortgezet en hoger onderwijs onder de aandacht te brengen als een positieve loopbaankeuze en het negatieve imago dat in sommige lidstaten aan ondernemerschap als loopbaankeuze kleeft aan te pakken;

60.  roept de lidstaten op meer bekendheid te geven aan zelfstandige beroepen en het opzetten van nieuwe bedrijven voor jongeren met een handicap door middel van acties als het bevorderen van loopbaantrajecten voor gehandicapten die al geïntegreerd zijn op de arbeidsmarkt en het betuigen van openlijke waardering voor gehandicapte ondernemers;

Vervolgmaatregelen

61.  dringt erop aan dat de Commissie haar werk in het kader van Entrepreneurship360 (scholen en beroepsopleidingen) en HEInnovate (hoger onderwijs) voortzet en verder ontwikkelt;

62.  verzoekt de Commissie in de evaluatie-indicatoren van het Europees semester, waarmee in 2016 begonnen wordt, maatregelen op te nemen met betrekking tot onderwijs in ondernemerschap;

63.  verzoekt de Commissie aan het einde van haar mandaatsperiode een evaluatieverslag in te dienen bij het Parlement over de voortgang die is geboekt bij de bevordering van jong ondernemerschap door middel van onderwijs en opleiding en in hoeverre zij erin geslaagd leden van kwetsbare sociale groepen te bereiken;

64.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de systematische evaluatie van de op ondernemerschap gerichte programma's en activiteiten gecoördineerd verloopt en dat er samengewerkt wordt zodat de resultaten vergelijkbaar zijn en bijvoorbeeld verschillende patronen van jong ondernemerschap in de lidstaten vergeleken kunnen worden, alsmede de kenmerken van jonge ondernemers in termen van sociaal-demografische variabelen zoals leeftijd, geslacht en opleiding;

65.  verzoekt de Commissie samenwerking bij het ontwikkelen van beleid in de hele EU te stimuleren en de lidstaten aan te moedigen beste praktijken uit te wisselen;

o
o   o

66.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de regeringen van de lidstaten en de EER-landen, en de Raad van Europa.

(1) PB C 17 van 20.1.2015, blz. 2.
(2) PB C 183 van 14.6.2014, blz. 18.
(3) PB C 119 van 28.5.2009, blz. 2.
(4) PB C 120 van 26.4.2013, blz. 1.
(5) PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.
(6) PB C 199 van 7.7.2011, blz. 1.
(7) PB C 311 van 19.12.2009, blz. 1.
(8) PB L 394 van 30.12.2006, blz. 10.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0107.
(10) PB C 353 E van 3.12.2013, blz. 56.
(11) PB C 165 E van 11.6.2013, blz. 7.
(12) PB C 377 E van 7.12.2012, blz. 89.
(13) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 8.
(14) PB C 45 E van 23.2.2010, blz. 33.
(15) Verslag over de vooruitgang op het gebied van de gelijkheid van vrouwen en mannen in 2013 (SWD(2014)0142); publicatie van de Commissie: "Statistical Data on Women Entrepreneurs in Europe", september 2014.
(16) Conclusies van de symposia van de European Training Foundation in Boedapest en Istanbul.
(17) Commissie: Eurobarometer FL354 "Entrepreneurship in the EU and beyond", 9 januari 2013.


Naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa
PDF 229kWORD 109k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 september 2015 naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa (2014/2149(INI))
P8_TA(2015)0293A8-0207/2015

Het Europees Parlement,

—  gezien de preambule van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) waarin wordt gesteld dat de ondertekenende partijen worden "geïnspireerd door de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa" en artikel 3, lid 3, VEU,

—  gezien artikel 167 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

—  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met name artikel 22,

—  gezien het Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen dat door Unesco werd aangenomen op 20 oktober 2005,

—  gezien Verordening (EU) nr. 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2014-2020) en tot intrekking van de Besluiten nr. 1718/2006/EG, nr. 1855/2006/EG en nr. 1041/2009/EG(1),

—  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad,(2)

—  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(3),

—  gezien Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG(4),

—  gezien Richtlijn 2014/60/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht, en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012(5),

—  gezien Richtlijn 2013/37/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot wijziging van Richtlijn 2003/98/EG inzake het hergebruik van overheidsinformatie(6),

—  gezien de Kaderconventie van de Raad van Europa over de waarde van cultureel erfgoed voor de samenleving (Conventie van Faro van 13 oktober 2005)(7),

—  gezien de conclusies van de Raad van 21 mei 2014 over cultureel erfgoed als strategische hulpbron voor een duurzaam Europa(8),

–  gezien de conclusies van de Raad van 25 november 2014 over participatief beheer van cultureel erfgoed(9) en het werkplan voor cultuur voor de periode 2015-2018(10), en over het Europees Jaar van het culturele erfgoed in de conclusies vermeld,

—  gezien Aanbeveling 2011/711/EG van de Commissie van 27 oktober 2011 betreffende de digitalisering en onlinetoegankelijkheid van cultureel materiaal en digitale bewaring(11),

—  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2014 getiteld "Een investeringsplan voor Europa" (COM(2014)0903),

—  gezien de mededeling van de Commissie van 22 juli 2014 getiteld "Naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa" (COM(2014)0477),

—  gezien het advies van het Comité van de Regio's van november 2014 naar aanleiding van de mededeling van de Commissie getiteld "Naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa",

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

—  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie vervoer en toerisme en de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0207/2015),

A.  overwegende dat cultuur en cultureel erfgoed collectieve rijkdommen en gemeenschappelijke goederen en waarden zijn die niet voor exclusief gebruik mogen dienen, en dat hun volle potentieel voor duurzame menselijke, sociale en economische ontwikkeling nog niet volledig onderkend en op de juiste wijze benut wordt, noch op het niveau van EU-strategieën, noch in de ontwikkelingsdoeleinden van de VN voor de periode na 2015;

B.  overwegende dat de uiteenlopende effecten die cultuur op de samenleving heeft, moeten worden meegewogen in het besluitvormingsproces;

C.  overwegende dat het cultureel erfgoed van nature heterogeen is, culturele en taalkundige verscheidenheid en pluralisme weerspiegelt en een impact heeft op de regionale ontwikkeling, sociale cohesie, landbouw, maritieme zaken, milieu, toerisme, onderwijs, de digitale agenda, externe betrekkingen, douanesamenwerking en onderzoek en innovatie;

D.  overwegende dat de bevordering van cultuur, culturele verscheidenheid en de interculturele dialoog een drijvende kracht vormen achter de samenwerking tussen de lidstaten;

E.  overwegende dat het stimuleren van de Europese culturele en taalkundige verscheidenheid, het bevorderen van het Europees cultureel erfgoed en het versterken van het concurrentievermogen van de culturele en creatieve sectoren in Europa erop gericht zijn om de slimme, duurzame en inclusieve groei aan te wakkeren;

F.  overwegende dat cultuurgoederen duurzame rijkdommen zijn die waarde creëren en bijdragen tot de ontwikkeling van vaardigheden en economische groei, door het toerisme te bevorderen, en nieuwe banen opleveren;

G.  overwegende dat de projecten ter opwaardering van het cultureel erfgoed vaak voorbeelden van innoverende en duurzame economische activiteiten zijn waarmee de ondernemings- en onderzoekscapaciteit van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) kan worden ontwikkeld;

H.  overwegende dat zowel het materiële als immateriële culturele erfgoed een belangrijke rol speelt bij het creëren, in stand houden en bevorderen van de Europese cultuur en waarden en een nationale, lokale en individuele identiteit, alsmede de hedendaagse identiteit van de Europeanen;

I.  overwegende dat het beleid inzake onderhoud, restauratie, behoud, toegankelijkheid en exploitatie van het culturele erfgoed in de eerste plaats onder de nationale, regionale of lokale bevoegdheid valt, maar dat het cultureel erfgoed ook een duidelijke Europese dimensie kent en rechtstreeks in het EU-beleid aan de orde komt, onder meer op terreinen als landbouw en onderzoek en innovatie;

J.  overwegende dat in artikel 167 VWEU wordt bepaald dat de Unie bijdraagt tot de ontplooiing van de culturen van de lidstaten onder eerbiediging van de nationale en regionale verscheidenheid van die culturen, en tevens de nadruk legt op het gemeenschappelijk cultureel erfgoed;

K.  overwegende dat in artikel 167 VWEU voorts wordt bepaald dat het optreden van de Unie erop gericht is de kennis en de verspreiding van de cultuur en de geschiedenis van de Europeanen te verbeteren, de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig hun activiteiten op het gebied van de instandhouding en bescherming van het cultureel erfgoed van Europees belang te ondersteunen en aan te vullen;

L.  overwegende dat het cultureel erfgoed in het werkplan voor cultuur waaraan de Raad op 25 november 2014 zijn goedkeuring heeft gehecht, als een van de vier prioriteiten voor het EU-cultuurbeleid voor de periode 2105-2018 is bestempeld;

M.  overwegende dat het gebrek aan naar sekse opgesplitste culturele gegevens, onder meer op het vlak van cultureel erfgoed, een van de factoren is die de bestaande genderkloven en -uitdagingen verhullen voor beleidsmakers en besluitvormers;

N.  overwegende dat de informatie over financieringsmogelijkheden via EU-programma's op terreinen in verband met cultureel erfgoed, zoals plaatselijke en regionale ontwikkeling, culturele samenwerking, onderzoek, onderwijs, steun aan kmo's, het maatschappelijk middenveld en toerisme, wel beschikbaar is maar nogal versnipperd is;

O.  overwegende dat de culturele en toeristische waarde van de Europese culturele routes van de Raad van Europa voor de bevordering van een gemeenschappelijk Europees cultureel erfgoed en voor de ontwikkeling van duurzaam cultuurtoerisme sterker benadrukt moet worden;

P.  overwegende dat de Prijs voor Cultureel Erfgoed van de Europese Unie/de "Europa Nostra"-prijzen van de Europese Unie topkwaliteit bevorderen, vanwege hun voorbeeldfunctie als inspiratiebron dienen en de uitwisseling van optimale werkmethoden op het vlak van erfgoed in heel Europa stimuleren;

Q.  overwegende dat in het Handvest van Venetië voor behoud en restauratie van monumenten en locaties, de Overeenkomst van Granada inzake de bescherming van het architectonische erfgoed van Europa en de Overeenkomst van Valletta inzake de bescherming van het archeologische erfgoed internationaal erkende normen voor herstel van cultureel erfgoed en archeologische werkzaamheden duidelijk geformuleerd zijn(12);

Geïntegreerde aanpak

1.  acht het van het grootste belang dat gebruik wordt gemaakt van de beschikbare middelen voor ondersteuning en bevordering van het cultureel erfgoed aan de hand van een geïntegreerde benadering, met inachtneming van de culturele, economische, sociale, historische, educatieve, ecologische en wetenschappelijke facetten;

2.  is van mening dat cultureel erfgoed een geïntegreerde aanpak vergt om een culturele dialoog op gang te brengen en wederzijds begrip te kweken; is ervan overtuigd dat een dergelijke aanpak kan leiden tot meer sociale, economische en territoriale samenhang, terwijl daarmee tevens wordt bijgedragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen die zijn geformuleerd in de Europa 2020-strategie;

3.  richt in het kader van de ontwikkeling van de nieuwe geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed de onderstaande specifieke aanbevelingen tot de Commissie:

   a) de totstandbrenging, overeenkomstig de gangbare sectoroverschrijdende en flexibele werkmethoden van de Commissie, van een gemeenschappelijke aanpak binnen de Commissie door verbeterde samenwerking tussen de diverse beleidssectoren die zich met cultureel erfgoed bezighouden, en verslaglegging aan het Parlement over de resultaten van deze nauwere samenwerking;
   b) de bekendmaking aan de potentiële begunstigden, op een directe en toegankelijke manier, bijvoorbeeld via een centraal informatieplatform en de uitwisseling van optimale werkmethoden in de EU, van de bestaande Europese financieringsmogelijkheden voor cultureel erfgoed;
   c) de aanwijzing van, bij voorkeur, 2018 als Europees Jaar van het culturele erfgoed, met een toereikende begroting en met onder andere als doel om toekomstige generaties beter en in bredere kring bewust te maken van en voor te lichten over de waarden van het Europees cultureel erfgoed en de bescherming daarvan, en de indiening van een ontwerpprogramma voor het Europees Jaar bij het Parlement, uiterlijk in 2016;
   d) de onderkenning binnen haar politieke en horizontale benadering van cultureel erfgoed als een zowel roerend als onroerend en zowel materieel als immaterieel goed dat niet te reproduceren is en waarvan de authenticiteit dus moet worden bewaard;

4.  pleit voor een beleidskader dat in de nabije toekomst moet worden uitgestippeld voor de historische omgeving – die ook wel bekendstaat als onroerend erfgoed – en dat in overeenstemming met artikel 4 VWEU een regelgevingskader omvat voor monumenten, archeologie en historische landschappen;

5.  bevordert creatieve hedendaagse innovatie in architectuur en design op basis van de eerbiediging van zowel het verleden als het heden, waarbij echter wel een hoge kwaliteit en samenhang wordt gewaarborgd;

Europese financieringsmogelijkheden voor cultureel erfgoed

6.  wijst erop dat de Unie zich inzet voor het behoud en de bevordering van het Europees cultureel erfgoed met verscheidene programma's (Creatief Europa, Horizon 2020, Erasmus+, Europa voor de burger), financiële steun (de Europees structuur- en investeringsfondsen) en activiteiten als de Europese culturele hoofdsteden, de Open Monumentendag en het Europees erfgoedlabel; is voorstander van nog grotere betrokkenheid van de EU en de lidstaten bij de bevordering van onderzoek;

7.  verzoekt de Commissie

   a) één EU-portaalsite voor materieel en immaterieel cultureel erfgoed te creëren, waarin informatie van alle EU-programma's voor steunverlening voor het cultureel erfgoed gebundeld wordt, ingedeeld aan de hand van drie aspecten: een database van materiële en immateriële culturele objecten, met onder andere voorbeelden van optimale werkmethoden op het vlak van behoud en bevordering, met alle relevantie referenties; financieringsmogelijkheden voor cultureel erfgoed en gegevens over de stand van zaken van het Europees cultureel erfgoed en cruciale gegevens met het oog op behoud, zoals klimatologische gegevens en details van al uitgevoerde restauratieprojecten; en nieuws en links over beleidsontwikkelingen, acties en evenementen op het gebied van het cultureel erfgoed;
   b) met gerichte financiering studies, onderzoek en proefmaatregelen te ondersteunen die specifiek ontworpen zijn om de effecten van processen ter bevordering van het cultureel erfgoed te analyseren, speciale indicatoren en benchmarks te ontwikkelen voor de directe en indirecte bijdrage van dat erfgoed aan processen voor economische en sociale ontwikkeling, en rechtstreekse steun te verlenen voor culturele en sociale innovatie ter plaatse waar cultureel erfgoed de ontwikkeling kan aanzwengelen en bijdraagt aan een betere levenskwaliteit van de mensen;
   c) werk te maken van het recente beginsel "multifinanciering", waarmee de complementaire inzet van verschillende Europese fondsen binnen één grootschalig project mogelijk wordt;
   d) publiek-private partnerschappen aan te moedigen;
   e) de projectbeheerstermijnen voor de structuurfondsen bij te stellen omwille van een betere afstemming met de specifieke vereisten van projecten voor bewaring, restauratie en behoud;
   f) het maximum van 5 miljoen euro voor erfgoedprojecten in het kader van kleinschalige-infrastructuurmaatregelen te herzien(13), waarmee dit ten minste op hetzelfde niveau wordt gebracht als Unesco-projecten, d.w.z. 10 miljoen euro;

8.  onderstreept dat de gedachte achter de herziening van de EFRO-verordening en in het bijzonder het beginsel van geïntegreerde financiering in bepaalde concrete gevallen ook via steun voor grootschalige projecten in praktijk kan worden gebracht; onderkent echter dat kleinschalige culturele initiatieven die van bijzonder belang zijn voor de ontwikkeling ter plaatse en kunnen bijdragen tot het behoud van het cultureel erfgoed en de bevordering van de lokale en regionale ontwikkeling en sociaal-economische groei in het algemeen, moeten worden gestimuleerd en gesteund;

9.  verzoekt de Commissie in de richtsnoeren voor de nieuwe lichting structuurfondsen voor cultureel erfgoed een verplicht kwaliteitscontrolesysteem op te nemen, dat in alle fasen van een project moet worden toegepast;

10.  benadrukt de rol van de lidstaten bij het waarborgen van een hoog niveau van vaardigheden en professionele kennis onder marktdeelnemers en een bedrijfsstructuur waarmee optimale werkmethoden kunnen worden gehanteerd bij de bescherming van cultureel erfgoed, onder andere door gebruik te maken van de juiste kwaliteitscontrolesystemen, als voorgeschreven in de internationale handvesten;

11.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat innovatieve maatregelen voor de instandhouding van erfgoed en energie-efficiënte oplossingen met een lage impact voor historische gebouwen in aanmerking komen voor gedelegeerde handelingen, en pleit voor blijken van belangstelling en initiatieven om verordeningen in het kader van het cohesiebeleid op te stellen in de periode 2014-2020;

12.  verzoekt de lidstaten hun gedachten te laten gaan over mogelijke belastingprikkels voor restauratie-, behouds- en conserveringswerkzaamheden, zoals een verlaagd btw-tarief of andere belastingverlagingen, aangezien het Europees cultureel erfgoed ook wordt beheerd door particuliere organen;

13.  dringt er bij de Commissie op aan de balans op te maken van beproefde fiscale maatregelen in Europa en de beste aan te bevelen aan de lidstaten; verzoekt de lidstaten deze aanbevelingen op te volgen en onderling beste praktijken uit te wisselen om particuliere steunverlening voor materiële en immateriële erfgoedprojecten zo veel mogelijk te bevorderen en de gevolgen van economische ontwikkeling en sociale cohesie optimaal te benutten in de desbetreffende lokale omgeving;

Nieuwe bestuursmodellen

14.  verheugt zich erover dat de Raad het initiatief heeft genomen om richtsnoeren voor de nieuwe participatiegerichte bestuursmodellen op erfgoedgebied op te stellen, door het aspect van "collectieve rijkdom" te bevorderen en lokale, regionale, nationale en Europese plannen beter aan elkaar te koppelen;

15.  verzoekt de lidstaten zorg te dragen voor de ontwikkeling van juridische instrumenten om alternatieve financierings- en beheersmodellen mogelijk te maken, zoals gemeenschapsparticipatie, participatie van maatschappelijke organisaties en publiek-private partnerschappen, teneinde maatregelen in het kader van erfgoedprojecten (restauratie, behoud en bevordering) te kunnen uitvoeren;

16.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de dialoog aan te gaan met beleidsmakers op alle bestuursniveaus in heel Europa, samen met de culturele en creatieve bedrijfstakken, netwerken van reisorganisaties, partnerschappen tussen bedrijven en overheidsinstanties en ngo's;

17.  spoort alle belanghebbenden die deel hebben aan het beheer van cultureel erfgoed een evenwicht te vinden tussen duurzame conservering en de ontwikkeling van het economische en sociale potentieel van cultureel erfgoed;

18.  onderstreept dat de EFRO-projecten op het vlak van cultureel erfgoed een praktisch voorbeeld zijn van meerlagig bestuur en de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel, en een belangrijk onderdeel van de EFRO-uitgaven vormen; onderstreept het belang van grensoverschrijdende culturele projecten die bijdragen tot de versterking van de economische en sociale samenhang en inclusie bevorderen; pleit in dit verband voor maatregelen om de steun voor de financiering via publiek-private samenwerkingen te versterken en uit te breiden;

19.  pleit ervoor dat de nieuwe bestuursmodellen vergezeld gaan van een kwaliteitscontrolesysteem bij alle alternatieve vormen van financiering en beheer van cultureel erfgoed;

20.  dringt er bij de lidstaten op aan de controles op de uitgaven in verband met cultureel erfgoed op te voeren en de samenwerking bij de bestrijding van fraude, corruptie en andere illegale activiteiten op dit vlak te stimuleren;

21.  stelt voor dat de Europese wetgevingsvoorstellen moeten worden aangevuld met een effectbeoordeling over cultureel erfgoed, en dat als er in de effectbeoordeling gewag wordt gemaakt van een negatieve impact, cultureel erfgoed bij wijze van uitzondering moet worden uitgesloten van het toepassingsgebied van het wetgevingsvoorstel;

Het economisch en strategisch potentieel van cultureel erfgoed

22.  wijst erop dat het cultureel erfgoed ten goede komt aan innovatieve banen, producten, diensten en processen en een bron kan zijn van creatieve ideeën, waar de nieuwe economie wel bij vaart terwijl het milieu, met passend beheer, zo veel mogelijk ontzien wordt;

23.  beseft dat cultureel erfgoed een essentiële rol speelt bij een aantal van de vlaggenschipinitiatieven in het kader van Europa 2020, te weten de Digitale Agenda, de Innovatie-unie, de Agenda voor nieuwe vaardigheden en banen en het industriebeleid in een tijd van mondialisering; pleit dan ook voor een grotere erkenning van de rol van het Europees cultureel erfgoed als een strategische troef voor slimme, duurzame en inclusieve groei bij de tussentijdse evaluatie van de Europa 2020-strategie;

24.  wijst erop dat het cultureel erfgoed tot het scheppen van hoogwaardige werkgelegenheid kan leiden; dringt er bij de lidstaten op aan initiatieven uit te wisselen voor het ontwikkelen van trainingen op het gebied van beheer en behoud voor werknemers en onderzoekers op het vlak van cultureel erfgoed; is in het bijzonder ingenomen met financieringsperspectieven voor onderzoekersnetwerken voor de lange termijn, zoals in het geval van de Marie Sklodowska Curie-beurzen;

25.  benadrukt het belang voor het Europese toerisme van door de Unesco aangewezen materieel of immaterieel cultureel erfgoed en natuurlijk erfgoed;

26.  wijst op de mogelijkheid om bij de ontwikkeling van macroregionale strategieën meer nadruk te leggen op cultureel toerisme en dit sterker te verankeren in het strategische kader voor de Europese samenwerking;

27.  roept de Europese instellingen en de lidstaten op reizen met een lage milieu-impact (wandel-, paardrij- en fietstochten) te bevorderen en te ondersteunen als een manier om nieuwe mogelijkheden te creëren voor cultureel en natuurtoerisme;

28.  dringt aan op samenwerking tussen de nationale overheid en lagere overheden met het oog op opwaardering van het cultureel erfgoed in onze samenlevingen en een maximale bijdrage ervan tot groei en werkgelegenheid in de EU;

29.  wijst erop dat cultureel toerisme, dat goed is voor 40 % van het Europese toerisme, een cruciale economische sector is als het gaat om het potentieel voor groei en werkgelegenheid waarvan de ontwikkeling verder moet worden aangewakkerd door het gebruik van nieuwe technologieën; benadrukt echter dat het cultureel en natuurlijk erfgoed in tact moet worden gehouden door duurzame, minder belastende vormen van toerisme met een grotere meerwaarde in het leven te roepen, waarbij de toeristische sector wordt ingebed in strategieën voor lokale ontwikkeling;

30.  uit zijn bezorgdheid over de huidige stand van zaken bij het beleid voor de instandhouding, restauratie en bevordering van cultureel erfgoed, dat essentieel is voor de Europese identiteit; benadrukt dat de financiering voor de bescherming van cultureel erfgoed in sommige lidstaten drastisch is teruggedrongen als gevolg van de economische en financiële crisis; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook er zorg voor te dragen dat er toereikende middelen worden uitgetrokken en passende initiatieven worden ontplooid voor de opwaardering van het cultureel erfgoed van Europa;

31.  verzoekt de Commissie topkwaliteit, innovatie en concurrentievermogen in de culturele en creatieve sector te bevorderen door het werk van kunstenaars, ontwerpers en professionals uit de cultuursector te ondersteunen;

32.  acht het dringend geboden dat het cultureel erfgoed een duidelijke plaats krijgt in het door de Commissie voorgestelde investeringsplan voor Europa;

33.  wijst op de noodzaak van een beter methodologisch kader omwille van betere statistieken op het vlak van het cultureel erfgoed; roept de Commissie op een reeks indicatoren voor te stellen die kan worden gebruikt om de situatie van het cultureel erfgoed op de voet te volgen en te evalueren en die voor alle lidstaten identiek zou zijn; onderstreept dat er meer onderzoeksresultaten over alle aspecten van het cultureel erfgoed moeten worden verkregen en aan elkaar worden gekoppeld om versnippering op dit gebied tegen te gaan; wijst in dit verband op de mogelijkheden van "big data" om meer kennis uit onderzoeksprojecten te vergaren; benadrukt dat statistieken systematischer moeten worden verzameld om de werkelijke en mogelijke economische waarde van het cultureel erfgoed te kunnen bepalen;

34.  is van mening dat de Commissie bedrijven en entiteiten die betrokken zijn bij de verschillende aspecten van de instandhouding van erfgoed moet classificeren als een aparte sector die gebruikmaakt van traditionele methoden met meerwaarde die ecologische en duurzame bescherming mogelijk maken;

35.  beseft dat de jeugdwerkloosheid dringend aangepakt moet worden en wijst erop dat het cultureel erfgoed een terrein met een potentieel voor meer en betere werkgelegenheid is en een brug tussen onderwijs en beroepsleven kan slaan, bijvoorbeeld via hoogwaardige leer- en stageplaatsen en start-ups in het mkb en de sociale economie; spoort de lidstaten in dit verband aan om nieuwe en innovatieve financieringsmogelijkheden te ontwikkelen ter ondersteuning van trainingen op het gebied van beheer en behoud en bijscholing en mobiliteit voor werknemers en onderzoekers in deze sector;

36.  dringt er bij de Commissie op aan gezamenlijke programma's voor cultureel erfgoed en toerisme te bevorderen vanuit een geïntegreerde en wetenschappelijke invalshoek, die kunnen dienen als ijkpunt en als voorbeeld van optimale werkmethode;

37.  verzoekt de lidstaten vanuit een strategische invalshoek erfgoedprojecten te plannen die kunnen leiden tot brede regionale en lokale ontwikkeling, programma's voor internationale en interregionale samenwerking, nieuwe banen, duurzame rehabilitatie van het platteland en steden en het behoud en de bevordering van traditioneel vakmanschap dat verband houdt met de restauratie van cultureel erfgoed;

38.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan een economisch en statistisch onderzoek in te stellen naar bedrijven, beheersentiteiten en specialistische professionele activiteiten op het vlak van de bescherming en de bevordering van cultureel erfgoed en naar hun specifieke bijdrage in termen van productie en het scheppen van nieuwe banen;

39.  wijst erop dat er mogelijkheden moeten worden gecreëerd, ontwikkeld en bevorderd voor de mobiliteit en de uitwisseling van ervaringen voor de mensen die werkzaam zijn in de erfgoedsector, door te zorgen voor echte professionele wederkerigheid, in overeenstemming met Richtlijn 2005/36/EC betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, door de minimale competenties (vaardigheden en kennis) vast te stellen en te delen met de lidstaten, met name voor het beroep van restaurateur-curator; verzoekt de Commissie in dit verband een voorstel in te dienen om in de desbetreffende programma's de mobiliteit van beheerders en werknemers (bijv. kasteelbeheerders) op te nemen met het oog op de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken;

40.  verzoekt de lidstaten de waarde van hun erfgoed te benadrukken door studies aan te moedigen om de culturele en economische waarde van het cultureel erfgoed te bepalen en daarmee de "kosten" van behoud om te buigen in een "investering" in de waarde van het erfgoed;

41.  verzoekt de Commissie de mogelijkheid te overwegen dat het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT) in het kader van zijn volgende strategische innovatieagenda kennis- en innovatiegemeenschappen (KIG's) opricht op het vlak van de sector cultureel erfgoed en de creatieve bedrijfstak, zodat rechtstreeks wordt toegewerkt naar een holistische visie op onderzoek en innovatie;

42.  herhaalt hoe belangrijk het is om lessen in kunst, muziek, theater en film op te nemen in het lesprogramma van scholen om kennis te vergaren over het cultureel erfgoed, artistieke ontplooiing en expressie en zogenaamde zachte vaardigheden die gericht zijn op creativiteit en innovatie;

43.  spoort de lidstaten aan transdisciplinaire onderwerpen op het vlak van cultureel erfgoed in te voeren op verschillende onderwijsniveaus;

44.  benadrukt het belangrijke potentieel van de ontwikkeling van ondernemerschap en een participatieve benadering in de toeristische sector, vooral bij kmo's maar ook bij startende ondernemingen, de non-profitsector en andere organisaties die bijdragen tot de instandhouding, bescherming en bevordering van het Europees cultureel erfgoed; beklemtoont dat naast culturele rijkdommen ook kwalitatief hoogwaardige dienstverlening, een grote mate van beroepsdeskundigheid, het bestaan van goed opgeleide specialisten en online aanwezigheid sleutelfactoren zijn voor het aanzwengelen van het welslagen en het concurrentievermogen van de Europese toeristische sector; onderstreept dat onderzoek, innovatie en nieuwe technologieën, met name op het vlak van telecommunicatie, van cruciaal belang zijn om het cultureel erfgoed dichter bij de bevolking te brengen; is eveneens van oordeel dat onnodige lasten voor kmo's moeten worden weggenomen zodat hun concurrentiepositie verbetert, en dat wetgeving met nadelige gevolgen voor kmo's in de toeristische industrie moet worden herzien;

Kansen en uitdagingen

45.  onderstreept het potentieel van digitalisatie van cultureel erfgoed, zowel ten behoeve van de instandhouding van het verleden als bij wijze van bron voor onderzoekskansen op het vlak van onderwijs, het genereren van hoogwaardige banen, betere sociale inclusie, betere toegang voor gehandicapten of mensen in afgelegen gebieden, en duurzame economische ontwikkeling; benadrukt dat de digitalisatie van erfgoed constante financiële inspanningen vergt van kleine en middelgrote of geïsoleerde culturele instellingen, en dat toereikende financiering cruciaal is om een groter publiek te bereiken en de verspreiding van dit erfgoed in bredere kring te bewerkstelligen; benadrukt dat de mogelijkheden van digitalisatie en nieuwe technologieën die nooit ter vervanging kunnen dienen van het oorspronkelijke erfgoed of de sociale voordelen die gepaard gaan met traditionele vormen van deelname aan cultuur, niet mogen leiden tot onoplettendheid bij de bewaring van originelen of minachting voor traditionele manieren om cultuur aan de man te brengen, hetzij tijdens hetzij na digitalisatie;

46.  is voorstander van digitale innovatie in de kunst- en erfgoedsector, en merkt op dat het gebruik van e-infrastructuur nieuw publiek kan aantrekken en kan zorgen voor een betere toegang tot en een betere benutting van het digitaal cultureel erfgoed; benadrukt het belang van bestaande hulpmiddelen zoals de website Europeana, en roept op tot de verbetering van de zoekcriteria op die site met het oog op een grotere gebruiksvriendelijkheid;

47.  onderstreept dat de mate van digitalisatie, instandhouding en onlinebeschikbaarheid van cultureel erfgoed moet worden verhoogd, vooral voor het Europese filmerfgoed;

48.  benadrukt dat de democratische en participatieve kant van Europees erfgoed moet worden belicht, zo ook van religieuze en etnische minderheden; vestigt de aandacht op erfgoedlocaties waar afwijkende of omstreden belevingen van het verleden plaatsvinden, en benadrukt dat verzoeningsprocessen niet mogen leiden tot een onderdrukking van het historisch bewustzijn van gemeenschappen; verzoekt de lidstaten na te denken over de ethiek en de presentatiemethoden van het cultureel erfgoed en daarbij rekening te houden met uiteenlopende interpretaties;

49.  bekrachtigt dat religieus erfgoed een immaterieel onderdeel vormt van het Europees cultureel erfgoed; benadrukt dat het belang van plaatsen, gewoonten en voorwerpen die verband houden met religieuze riten niet mag worden genegeerd in de dialoog over Europees cultureel erfgoed noch op discriminerende wijze behandeld mag worden;

50.  is van mening dat historisch religieus erfgoed, met inbegrip van architectuur en muziek, in tact moet worden gehouden vanwege zijn culturele waarde, ongeacht de religieuze oorsprong ervan;

51.  benadrukt het belang van een interculturele dialoog, zowel in als buiten Europa, en vindt dat de Unie deze dialoog moet stimuleren als een probaat middel tegen radicalisering uit welke hoek dan ook;

52.  wijst op de specifieke kenmerken van nationale minderheden in de lidstaten op het vlak van cultureel erfgoed; pleit dan ook voor het behoud van hun cultureel erfgoed en voor de bevordering en de bescherming van culturele verscheidenheid;

53.  benadrukt dat culturele discriminatie van religieuze en etnische minderheden moet worden voorkomen;

54.  benadrukt dat culturele activiteiten van migrantengemeenschappen moeten worden gesteund;

55.  wijst andermaal op de belangrijke bijdrage van het cultureel erfgoed aan de culturele en creatieve bedrijfstakken en aan sociale inclusie via cultuur;

56.  benadrukt dat de toegankelijkheid van erfgoedlocaties voor mensen met een handicap moet worden verbeterd;

57.  wijst erop dat culturele landschappen en dan met name immaterieel cultureel erfgoed dat een levende cultuur vertegenwoordigt en traditionele ambachten een nieuwe impuls geeft, in stand moeten worden gehouden, en roept de Commissie op dit aspect in grotere mate op te nemen in de desbetreffende programma's;

58.  onderstreept het belang van het gastronomisch erfgoed, dat moet worden beschermd en gesteund; is van mening dat de wisselwerking met ander beleid van de EU, zoals het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het beleid voor consumentenbescherming, het mogelijk zal maken de hieraan toegewezen middelen te optimaliseren;

59.  wijst erop dat cultureel erfgoed en toerisme een positieve uitwerking op elkaar hebben, aangezien enerzijds het cultureel erfgoed de toeristische sector aanzienlijke inkomsten oplevert en anderzijds het toerisme, via onder meer de promotie en instandhouding van cultuurgoederen, de cultuur gunstig beïnvloedt en inkomsten genereert die kunnen worden gebruikt voor het behoud van deze goederen;

60.  beklemtoont dat cultureel toerisme een belangrijke rol te spelen heeft bij het behoud en het realiseren van de waarde van ons cultureel erfgoed, dat niet alleen materieel erfgoed en landschap omvat maar ook immaterieel erfgoed zoals talen en religieuze en culinaire tradities;

61.  verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten te blijven samenwerken om de initiatieven tot stimulering van cultureel erfgoed en cultureel toerisme, opgenomen in de mededeling van de Commissie van 30 juni 2010 getiteld "Europa, toeristische topbestemming in de wereld - een nieuw beleidskader voor het toerisme in Europa" (COM(2010)0352), op alle niveaus in praktijk te brengen;

62.  wijst, gezien de verregaande demografische en maatschappelijke veranderingen die plaatsvinden op het belang van ons gemeenschappelijke Europese cultureel erfgoed en van het geplande Europese Jaar voor de vereenzelviging van burgers met de Europese Unie, en op de versterking van de gemeenschapszin binnen de Unie;

63.  is van mening dat vooral voor de volgende generaties de waardering van het gemeenschappelijke culturele erfgoed van Europa richting en invulling geeft aan het ontwikkelen van een Europese identiteit, en waarden biedt zoals een goede onderlinge verstandhouding en respect voor elkaar, ook buiten de grenzen van de lidstaten; doet dan ook de aanbeveling dat, onder andere bij de vormgeving van het Europees Jaar van het culturele erfgoed, er vooral rekening wordt gehouden met de jongere generatie;

64.  is ingenomen met het grote succes van de Europese culturele hoofdsteden; dringt aan op de totstandbrenging van een netwerk tussen deze steden om de focus op de betrokken gebieden langer vast te houden, de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken mogelijk te maken (onder meer om toekomstige kandidaten bij te staan) en de organisatie van evenementen en specifieke circuits te vergemakkelijken;

65.  stimuleert het gebruik van cultureel erfgoed als een educatief instrument om maatschappelijke kwesties aan te pakken en zo mensen in Europa nader tot elkaar te brengen;

66.  vestigt de aandacht op milieufactoren die een bedreiging vormen voor een groot aantal erfgoedlocaties binnen de EU, en dringt erop aan dat de lidstaten in hun financieringsstrategieën voor de instandhouding en restauratiemethoden van erfgoed voor de lange termijn rekening moeten houden met de gevolgen van klimaatverandering en menselijke belasting; beveelt daarnaast aan dat de lidstaten en de EU onderzoek op dit terrein verder moeten stimuleren, onder andere om de meervoudige effecten van klimaatverandering op het cultureel erfgoed in meer detail te onderzoeken en tegenmaatregelen te ontwikkelen;

67.  verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten het door Europa Nostra ontwikkelde initiatief "De 7 meest bedreigde erfgoedsites" uit te diepen in samenwerking met de Europese Investeringsbank door nog meer voorbeelden van bedreigd Europees erfgoed te identificeren, actieplannen op te stellen en mogelijke financieringsbronnen aan te boren; benadrukt dat de uitdieping van dat initiatief een manier is om particuliere investeringen voor de opwaardering van het erfgoed aan te trekken;

68.  verzoekt de Commissie de inspanningen van lidstaten om de roof en smokkel van en de illegale handel in culturele erfgoederen in en buiten de EU tegen te gaan, beter te coördineren en te ondersteunen; verzoekt om de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht;

69.  wijst nogmaals op het belang van het behoud en de bescherming van het cultureel erfgoed tegen aantasting door het verstrijken van de tijd en tegen vandalisme en plundering; vraagt aandacht voor de plundering van natuurschatten die op talrijke archeologische locaties nog altijd georganiseerd plaatsvindt, met name in onder water gelegen gebieden die moeilijk toegankelijk zijn en lastig te controleren zijn door de autoriteiten; roept in dit verband op tot meer doeltreffende samenwerking tussen de lidstaten met betrekking tot de identificatie en het onderscheppen van cultuurgoederen en de strijd tegen de illegale handel hierin;

70.  beklemtoont de rol die het cultureel erfgoed in de externe betrekkingen van de Unie speelt via beleidsdialoog en samenwerking met derde landen, en verzoekt de lidstaten, de Commissie en de Raad de culturele diplomatie nieuw leven in te blazen; wijst daarnaast op het potentieel van interdisciplinaire onderzoeksprojecten om cultureel erfgoed van lidstaten en landen buiten de EU in stand te houden;

71.  pleit voor een grote inzet bij de lidstaten, de EU en de internationale gemeenschap op het vlak van preventie, bescherming, documentatie en restauratie in gevallen waarin cultureel erfgoed in de EU of niet-lidstaten opzettelijk in gevaar gebracht of beschadigd is als oorlogsdaad en schending van de culturele en religieuze identiteit, onder andere door samen te werken met internationale organisaties zoals Iccrom, ICBS (het Internationaal Blauwe Schild Comité), civiele en militaire autoriteiten, culturele instellingen en beroepsverenigingen;

72.  stimuleert de aanneming van internationale overeenkomsten om de illegale handel in cultureel erfgoed te voorkomen; benadrukt dat de EU samen met de VN en de Unesco bedreigd erfgoed moet verdedigen en de plundering en vernieling van culturele objecten in conflictgebieden moet tegengaan;

73.  wijst op het potentieel van de kennis waarover de EU beschikt op het vlak van het behoud van kunstwerken die zijn beschadigd of vernield als gevolg van terrorisme en oorlog;

74.  steunt het bedenken van transnationale culturele toeristische producten die de gemeenschappelijke waarden en het gedeelde erfgoed van Europa uitdragen; verzoekt de Commissie te komen tot een nauwere samenwerking met de lidstaten en de organisaties die cultuur- en toerismebeleid opstellen, zoals de Wereldorganisatie voor Toerisme van de VN (UNWTO) en de Unesco, en om netwerken, grensoverschrijdende regionale projecten en, in nauwe samenwerking met de Raad van Europa, de Europese culturele routes te blijven medefinancieren en stimuleren omdat dat de beste voorbeelden zijn van transnationale pan-Europese projecten voor thematisch toerisme;

o
o   o

75.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 221.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104.
(5) PB L 159 van 28.5.2014, blz. 1.
(6) PB L 175 van 27.6.2013, blz. 1.
(7) Op 13 oktober 2005 goedgekeurd door het Comité van ministers van de Raad van Europa; op 27 oktober van hetzelfde jaar opengesteld voor ondertekening in Faro (Portugal); in werking getreden op 1 juni 2011.
(8) PB C 183 van 14.6.2014, blz. 36.
(9) PB C 463 van 23.12.2014, blz. 1.
(10) PB C 463 van 23.12.2014, blz. 4.
(11) PB L 283 van 29.10.2011, blz. 39.
(12) Handvest van Venetië, in 1965 vastgesteld door Icomos (International Council on Monuments and Sites); Overeenkomst van Granada, in 1985 goedgekeurd door de Raad van Europa; Overeenkomst van Valletta, in 1992 goedgekeurd door de Raad van Europa.
(13) Zie artikel 3, lid 1, onder e), van Verordening (EU) nr. 1301/2013.


Follow-up van het Europees burgerinitiatief "Right2Water"
PDF 237kWORD 125k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 september 2015 over de follow-up van het burgerinitiatief "Right2Water" (2014/2239(INI))
P8_TA(2015)0294A8-0228/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water(1) (hierna "drinkwaterrichtlijn" genoemd),

–  gezien Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid(2) (hierna "de KRW" genoemd),

–  gezien Verordening (EU) nr. 211/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 over het burgerinitiatief(3),

–  gezien Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 november 2012 getiteld "Een blauwdruk voor het behoud van de Europese wateren" (COM(2012)0673),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 maart 2014 betreffende het Europees burgerinitiatief "Water en sanitaire voorzieningen zijn een mensenrecht! Water is een publiek goed, niet een product!" (COM(2014)0177) (hierna "de mededeling" genoemd),

–  gezien het "Samenvattend verslag over de kwaliteit van drinkwater in de EU op basis van de verslagen van de lidstaten voor de periode 2008-2010 uit hoofde van Richtlijn 98/83/EG" van de Commissie (COM(2014)0363),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité met betrekking tot de hiervoor aangehaalde mededeling van de Commissie van 19 maart 2014(5),

–  gezien het verslag van het Europees Milieuagentschap (EEA) getiteld "Het milieu in Europa – toestand en verkenningen 2015",

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 28 juli 2010 getiteld "The human right to water and sanitation"(6), en de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 18 december 2013 getiteld "The human right to safe drinking water and sanitation"(7),

–  gezien alle door de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties aangenomen resoluties over het mensenrecht op veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen,

–  gezien zijn resolutie van 9 oktober 2008 over de aanpak van waterschaarste en droogte in de Europese Unie(8),

–  gezien zijn resolutie van 3 juli 2012 inzake de uitvoering van de EU-waterwetgeving, in afwachting van een noodzakelijke algemene aanpak van de Europese uitdagingen op het gebied van water(9),

–  gezien zijn resolutie van dinsdag 25 november 2014 over de EU en het mondiaal ontwikkelingskader voor de periode na 2015(10),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie verzoekschriften (A8-0228/2015),

A.  overwegende dat "Right2Water" het eerste Europees burgerinitiatief (EBI) is dat voldoet aan de voorwaarden van Verordening (EU) nr. 211/2011 over het burgerinitiatief en dat door het Parlement is gehoord nadat bijna 1,9 miljoen burgers hun steun eraan hadden betuigd;

B.  overwegende dat het mensenrecht op water en sanitaire voorzieningen ook de aspecten beschikbaarheid, toegankelijkheid, aanvaardbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit omvat;

C.  overwegende dat de volledige toepassing van het mensenrecht op water en sanitaire voorzieningen, zoals erkend door de VN en gesteund door de lidstaten van de EU, van essentieel belang is om te leven, en overwegende dat het deugdelijk beheer van watervoorraden een cruciale rol speelt in het garanderen van duurzaam watergebruik en het beschermen van het natuurlijk kapitaal van de wereld; overwegende dat door de gecombineerde effecten van menselijke activiteit en klimaatverandering het hele EU-deel van het Middellandse Zeegebied en sommige Centraal-Europese regio's nu als waterarm halfwoestijngebied worden bestempeld;

D.  overwegende dat – zoals vermeld in het rapport van het EEA over de toestand van het milieu 2015 – de verliespercentages als gevolg van lekkages uit pijpleidingen in Europa momenteel tussen 10 % en 40 % bedragen;

E.  overwegende dat toegang tot water een van de belangrijkste voorwaarden is voor duurzame ontwikkeling; overwegende dat het toespitsen van ontwikkelingshulp op de verbetering van de drinkwatervoorziening en sanitaire voorzieningen een efficiënte manier is om doelstellingen inzake fundamentele armoedebestrijding na te streven, alsook om sociale gelijkheid, volksgezondheid, voedselveiligheid en economische groei te bevorderen;

F.  overwegende dat ten minste 748 miljoen mensen geen duurzame toegang tot veilig drinkwater hebben, terwijl een derde van de wereldbevolking niet beschikt over sanitaire basisvoorzieningen; overwegende dat, als gevolg hiervan, het recht op gezondheid gevaar loopt en ziekten zich verspreiden, waarbij zij leed en sterfte veroorzaken, terwijl zij een van de belangrijkste belemmeringen voor ontwikkeling vormen; overwegende dat circa 4 000 kinderen dagelijks overlijden aan ziekten die door vervuild water worden veroorzaakt of door ontoereikende sanitaire en watervoorzieningen en een gebrek aan hygiëne; overwegende dat door de gebrekkige toegang tot drinkwater meer kinderen sterven dan door AIDS, malaria en de pokken samen; overwegende dat evenwel met betrekking tot deze cijfers een duidelijk dalende trend is waar te nemen en dat deze daling kan en moet worden versneld;

G.  overwegende dat aan water ook een veiligheidsaspect is verbonden dat vraagt om betere regionale samenwerking;

H.  overwegende dat de gebrekkige toegang tot water en sanitaire voorzieningen gevolgen heeft voor de verwezenlijking van andere mensenrechten; overwegende dat vrouwen onevenredig hard worden geraakt door watertekorten, aangezien zij in veel ontwikkelingslanden traditioneel verantwoordelijk zijn voor de watervoorziening voor huishoudelijk gebruik; overwegende dat vrouwen en meisjes het sterkst lijden onder de gebrekkige toegang tot toereikende en behoorlijke sanitaire voorzieningen, waardoor hun toegang tot onderwijs wordt beperkt en zij kwetsbaarder worden voor ziekten;

I.  overwegende dat elk jaar 3,5 miljoen mensen sterven aan ziekten die veroorzaakt worden door vervuild water;

J.  overwegende dat bij het facultatief protocol bij het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, dat in 2013 in werking is getreden, een klachtenmechanisme is ingesteld dat personen of groepen in staat stelt formele klachten in te dienen betreffende schendingen van het mensenrecht op water en sanitaire voorzieningen, evenals van andere rechten;

K.  overwegende dat in ontwikkelingslanden en opkomende economieën de vraag naar water in alle sectoren toeneemt, in het bijzonder in de energiesector en de landbouw; overwegende dat klimaatverandering, verstedelijking en demografische ontwikkelingen een serieuze dreiging kunnen vormen voor de beschikbaarheid van water in veel ontwikkelingslanden, en dat volgens verwachtingen naar schatting twee derde van de wereldbevolking in 2025 in landen met een watertekort zal wonen;

L.  overwegende dat de EU de belangrijkste donor is op het gebied van water, sanitaire voorzieningen en hygiëne (WASH), en dat 25 % van haar jaarlijkse financiering voor wereldwijde humanitaire doeleinden uitsluitend bestemd is voor de ondersteuning van haar ontwikkelingspartners op dit gebied; overwegende dat in een speciaal verslag van de Europese Rekenkamer uit 2012 over ontwikkelingssteun van de Europese Unie voor drinkwater- en sanitaire basisvoorzieningen in landen ten zuiden van de Sahara echter wordt gewezen op de noodzaak om de doeltreffendheid van de steun en de duurzaamheid van de door de EU ondersteunde projecten te verbeteren;

M.  overwegende dat de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa heeft verklaard dat "de toegang tot water moet worden erkend als een fundamenteel mensenrecht omdat water essentieel is voor het leven op aarde en een hulpbron is die de mensheid moet delen";

N.  overwegende dat de privatisering van basisvoorzieningen in Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara in de jaren negentig van de vorige eeuw onder meer de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG´s) op het gebied van water en sanitaire voorzieningen heeft belemmerd, aangezien de focus van beleggers op kostendekking onder andere de ongelijkheden bij de verstrekking van dergelijke diensten heeft versterkt, ten koste van huishoudens met lage inkomsten; overwegende dat het overdragen van diensten op het gebied van water van particuliere ondernemingen aan plaatselijke autoriteiten in het licht van het mislukken van de privatisering van deze diensten, over de hele wereld steeds vaker voorkomt in de watersector;

O.  overwegende dat watervoorziening een natuurlijk monopolie is en dat inkomsten uit de waterbeheercyclus de kosten en de bescherming van waterdiensten alsmede de verbetering van de waterbeheercyclus zouden moeten dekken en hier te allen tijde voor bestemd dienen te worden, op voorwaarde dat het publiek belang gewaarborgd wordt;

P.  overwegende dat het ontbreken van adequate water- en sanitaire voorzieningen ernstige gevolgen heeft voor de gezondheid en de sociale ontwikkeling, met name bij kinderen; overwegende dat vervuiling van watervoorraden een van de belangrijkste oorzaken is van diarree, de op één na belangrijkste doodsoorzaak van kinderen in ontwikkelingslanden, en andere ernstige ziekten kan veroorzaken zoals cholera, schistosomiasis en trachoom;

Q.  overwegende dat water sociale, economische en ecologische functies heeft en dat een deugdelijke en solidaire waterbeheercyclus, in de huidige context van klimaatverandering, garant zal staan voor de beschikbaarheid en stabiliteit van deze hulpbron;

R.  overwegende dat Europa bijzonder kwetsbaar is voor klimaatverandering en dat water een van de eerst getroffen sectoren is;

S.  overwegende dat het EBI is opgezet als mechanisme van participatieve democratie met als doel het debat op EU-niveau en de directe betrokkenheid van burgers in besluitvormingsprocessen van de EU te bevorderen, en overwegende dat het de instellingen van de EU een uitgelezen kans biedt om opnieuw in gesprek te gaan met burgers;

T.  overwegende dat uit Eurobarometer-enquêtes steeds blijkt dat het vertrouwen van EU-burgers in de EU de laatste jaren bijzonder gering is;

Het EBI als instrument voor participatieve democratie

1.  is van mening dat het EBI een uniek democratisch mechanisme is met een aanzienlijke potentie om de kloof te overbruggen tussen Europese en nationale sociale en maatschappelijke organisaties, en om de participerende democratie op EU-niveau te stimuleren; is evenwel van mening dat, om het democratische mechanisme verder te kunnen ontwikkelen, een evaluatie van ervaringen uit het verleden en een herziening van het burgerinitiatief noodzakelijk zijn, en dat de maatregelen van de Commissie – die in voorkomend geval tevens de mogelijkheid kunnen omvatten om passende elementen op te nemen in wetgevingsherzieningen of nieuwe wetgevingsvoorstellen – de eisen van het EBI beter moeten weerspiegelen, wanneer deze eisen binnen haar bevoegdheid vallen en met name wanneer zij betrekking hebben op zorgen op het vlak van mensenrechten;

2.  beklemtoont dat de Commissie gedurende de analysefase van twee maanden ultieme transparantie moet waarborgen, dat een geslaagd burgerinitiatief moet kunnen rekenen op deugdelijke juridische ondersteuning en begeleiding van de Commissie en naar behoren moet worden gepubliceerd, en dat de initiatiefnemers en medestanders gedurende de gehele procedure van het burgerinitiatief volledig op de hoogte moeten worden gehouden;

3.  verlangt dat de Commissie daadwerkelijke uitvoering geeft aan de verordening Europees burgerinitiatief en aanstalten maakt met het wegnemen van alle administratieve horden die de burger moet nemen om een Europees burgerinitiatief in te dienen en te steunen, en vraagt de Commissie met klem na te denken over een gemeenschappelijk burgerinitiatiefregistratiesysteem voor alle lidstaten;

4.  is ingenomen met het feit dat de steun van bijna 1,9 miljoen EU-burgers uit alle lidstaten voor dit EBI invloed heeft gehad op het besluit van de Commissie om diensten op het gebied van water en sanitaire voorzieningen van de concessierichtlijn uit te sluiten;

5.  roept de Commissie op bij een eventuele herziening van de concessierichtlijn vast te houden aan het besluit om water- en sanitaire voorzieningen van de richtlijn uit te sluiten, en dit voornemen te bevestigen;

6.  vindt het betreurenswaardig dat uit de mededeling geen ambitie spreekt, dat deze geen concrete reactie omvat op de specifieke verzoeken uit het EBI en beperkt blijft tot een herhaling van bestaande toezeggingen; benadrukt dat het antwoord van de Commissie op het Right2Water-burgerinitiatief onvoldoende is, aangezien het geen nieuwe bijdrage bevat noch alle maatregelen die tot de verwezenlijking van de doelstellingen zouden kunnen bijdragen; verzoekt de Commissie in verband met dit specifieke EBI een serieuze voorlichtingscampagne op te zetten over de maatregelen die tot dusver zijn genomen op het gebied van water en de vraag hoe die maatregelen kunnen helpen om de doelstellingen van het Right2Water- EBI te bereiken;

7.  meent dat veel verzoekschriften over waterkwaliteit en waterbeheer afkomstig zijn uit lidstaten die niet goed waren vertegenwoordigd bij de op EU-niveau uitgevoerde openbare raadpleging van juni 2014, en benadrukt dat de uitkomsten van die raadpleging daarom inconsistent kunnen zijn met de feitelijke situatie zoals die uit de verzoekschriften naar voren komt;

8.  hoopt dat de Commissie en de met duurzaamheid belaste vicevoorzitter zich er uitdrukkelijk politiek toe zullen verbinden adequate actie te ondernemen ten aanzien van de punten van zorg die door dit Europees burgerinitiatief worden belicht;

9.  wijst er andermaal op dat de Commissie verzoekschriften ernaar streeft indieners van verzoekschriften een stem te geven in kwesties die betrekking hebben op de grondrechten, en brengt in herinnering dat de indieners van het Right2Water-burgerinitiatief hebben onderschreven dat water moet worden verklaard tot een op EU-niveau te waarborgen mensenrecht;

10.  verzoekt de Commissie om, in overeenstemming met de belangrijkste doelstelling van het Right2Water-EBI, met voorstellen voor wetgeving te komen, evenals, indien van toepassing, een herziening van de kaderrichtlijn water, waarin de universele toegang tot en het mensenrecht op water worden erkend; pleit er voorts voor dat de universele toegang tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen wordt opgenomen in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

11.  benadrukt dat indien de Commissie succesvolle en breed gesteunde EBI's in het kader van het democratisch mechanisme dat bij het Verdrag van Lissabon is ingesteld, negeert, de EU als zodanig in de ogen van de burgers aan geloofwaardigheid zal inboeten;

12.  verzoekt de Commissie op EU-niveau informatie- en onderwijsmaatregelen te introduceren om de watercultuur als gemeenschappelijk goed te bevorderen, evenals maatregelen om het bewustzijn en bewuster individueel gedrag (waterbesparing) te bevorderen, maatregelen om het beleid met betrekking tot het beheer van natuurlijke hulpbronnen bewust te ontwikkelen, en steun voor een openbaar, participatief en transparant beheer;

13.  acht het noodzakelijk waterbeleid te ontwikkelen waarin rationeel gebruik, recycling en hergebruik van waterhulpbronnen worden aangemoedigd, aangezien dit essentiële elementen voor een geïntegreerd beheer zijn; is ervan overtuigd dat de kosten op deze manier kunnen worden verminderd, er kan worden bespaard op de natuurlijke hulpbronnen en kan worden gewaarborgd dat het milieu deugdelijk wordt beheerd;

14.  verzoekt de Commissie praktijken als waterroof ("water grabbing") en hydraulische fracturering ("fracking") te ontmoedigen en ten aanzien hiervan milieueffectbeoordelingen uit te voeren;

Het recht op water en sanitaire voorzieningen

15.  herinnert eraan dat de VN bevestigt dat het mensenrecht op water en sanitaire voorzieningen inhoudt dat iedereen recht heeft op water voor persoonlijk en huishoudelijk gebruik dat van goede kwaliteit, veilig, fysiek toegankelijk, betaalbaar, toereikend en aanvaardbaar is; wijst erop dat overeenkomstig een nadere aanbeveling van de VN maximaal 3 % van de inkomsten van een huishouden zou mogen worden besteed aan water, indien hiervoor betaald moet worden;

16.  steunt de speciale rapporteur van de VN voor het mensenrecht op veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen en onderstreept dat zijn werk en dat van zijn voorganger van groot belang is voor de erkenning van dit recht;

17.  betreurt dat er volgens gegevens van het World Water Assessment Programme (WWAP) in de EU-28 nog meer dan een miljoen mensen niet over toegang tot veilig en schoon drinkwater beschikken en dat bijna 2 % van de bevolking geen toegang heeft tot sanitaire voorzieningen; dringt er derhalve bij de Commissie op aan onmiddellijk actie te ondernemen;

18.  verzoekt de Commissie het belang van het mensenrecht op water en sanitaire voorzieningen en van water als een publiek goed en een fundamentele waarde voor alle EU-burgers te erkennen, evenals het feit dat water geen handelswaar is; uit zijn bezorgdheid over het feit dat sinds 2008, als gevolg van de financiële en economische crisis en het bezuinigingsbeleid, dat de armoede in Europa en het aantal huishoudens met een laag inkomen heeft doen toenemen, steeds meer mensen moeite hebben om hun waterrekening te betalen en dat betaalbaarheid een punt van toenemende zorg is; keert zich tegen de (gedwongen) afsluiting van de watertoevoer, en verzoekt de lidstaten om onmiddellijk een einde aan dergelijke toestanden te maken, wanneer deze te wijten zijn aan sociaaleconomische factoren bij huishoudens met een laag inkomen; is verheugd over het feit dat in sommige lidstaten "waterbanken" of minimumwaterquota's worden gebruikt om de meest kwetsbare burgers te helpen met hun gebruikskosten, teneinde water als onvervreemdbaar element van de grondrechten te waarborgen;

19.  verzoekt de Commissie om, gezien de effecten van de recente economische crisis, in samenwerking met de lidstaten en regionale en lokale autoriteiten, een onderzoek uit te voeren naar waterschaarste, met inbegrip van gegevens over toegang en betaalbaarheid; dringt er bij de Commissie op aan om samenwerking tussen waterbedrijven te blijven steunen en bevorderen om bedrijven in minder ontwikkelde en plattelandsgebieden te helpen, teneinde de toegang tot water van goede kwaliteit voor alle burgers in die gebieden te ondersteunen;

20.  verzoekt de Commissie gebieden aan te wijzen waar het probleem van watertekort zich voordoet of zich mogelijkerwijs kan voordoen, en de desbetreffende lidstaten, regio's en gebieden – met name plattelandsgebieden en achtergebleven stedelijke gebieden – te helpen dit probleem adequaat aan te pakken;

21.  benadrukt dat de vermeende neutraliteit van de Commissie ten aanzien van eigendom en beheer van water in tegenspraak is met de privatiseringsprogramma's die de trojka aan sommige lidstaten oplegt;

22.  erkent dat, zoals bepaald in de kaderrichtlijn water, water geen verhandelbaar product is, maar een publiek goed dat essentieel is voor het menselijk leven en de menselijke waardigheid, en herinnert de Commissie eraan dat EU, overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag, neutraal moet opstellen ten aanzien van nationale besluiten over het bezit van waterbedrijven en dat zij bijgevolg in geen geval de privatisering van waterbedrijven mag bevorderen in de context van economische aanpassingsprogramma's of andere EU-procedures met het oog op economische beleidscoördinatie; dringt er, gezien het feit dat het hier diensten van algemeen belang en daarom overwegend diensten van openbaar belang betreft, bij de Commissie op aan om water, sanitaire voorzieningen en afvalwaterbehandeling blijvend uit te sluiten van internemarktregels en handelsovereenkomsten en deze voorzieningen tegen betaalbare prijzen te leveren; dringt er voorts bij zowel de Commissie als de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat deze voorzieningen uit technisch, financieel en administratief oogpunt op efficiënte, doeltreffende en transparante wijze worden beheerd;

23.  verzoekt de lidstaten en de Commissie om het waterbeleid te heroverwegen en te baseren op actieve deelname, teneinde te zorgen voor een transparant besluitvormingsproces dat openstaat voor de burgers;

24.  is van mening dat het, op het gebied van regelgeving en controle, noodzakelijk is ervoor te zorgen dat water in publieke handen blijft door publieke, transparante en participatieve beheermodellen te bevorderen, waarbij de bevoegde overheidsinstantie slechts in bepaalde gevallen onderdelen van het beheer kan uitbesteden aan private ondernemingen, en dit steeds in het kader van strikte regels en met een volledige garantie van het recht op water en toereikende sanitaire voorzieningen;

25.  roept de Commissie en de lidstaten op te zorgen voor een alomvattende watervoorziening met betaalbare prijzen, een hoge kwaliteit en eerlijke arbeidsomstandigheden te waarborgen, waarbij democratische controles gewaarborgd zijn;

26.  roept de lidstaten op steun te verlenen aan het bevorderen van onderwijs- en bewustmakingscampagnes voor burgers met het doel de watervoorraden te behouden en te beschermen en grotere publieke betrokkenheid te bewerkstelligen;

27.  roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat er geen discriminatie plaatsvindt met betrekking tot de toegang tot waterdiensten en te waarborgen dat deze diensten aan iedereen, met inbegrip van gemarginaliseerde gebruikersgroepen, worden verstrekt;

28.  verzoekt de Commissie, de Europese Investeringsbank en de lidstaten om steun te verlenen aan gemeenten binnen de EU die wegens gebrek aan kapitaal geen toegang hebben tot technische bijstand, beschikbare EU-fondsen en langetermijnleningen tegen een preferentieel rentetarief, met name om waterinfrastructuur te behouden en te vernieuwen teneinde kwalitatief hoogstaande watervoorzieningen te waarborgen en water- en sanitaire voorzieningen ook beschikbaar te maken voor de meest kwetsbare bevolkingsgroepen, met inbegrip van de armen en inwoners van ultraperifere en afgelegen regio's; benadrukt het belang van open, democratisch en participatief bestuur om te waarborgen dat wordt gekozen voor de meest kosten-efficiënte oplossingen voor het beheer van watervoorraden die de hele samenleving ten goede komen; roept de Commissie en de lidstaten op transparantie te waarborgen van financiële middelen die door de waterbeheercyclus worden gegenereerd;

29.  erkent dat water- en sanitaire voorzieningen diensten van algemeen belang zijn en dat water geen verhandelbaar product, maar een publiek goed is, dat daarom moet worden verstrekt tegen betaalbare prijzen die stroken met het recht op een minimumkwaliteit van water en waarbij een progressief tarief wordt gehanteerd; verzoekt de lidstaten toe te zien op de toepassing van een eerlijke, rechtvaardige en transparante tariefstructuur voor water- en sanitaire voorzieningen, die volstaat om de toegang tot kwalitatief hoogwaardige diensten voor alle burgers te waarborgen, ongeacht hun inkomen;

30.  merkt op dat water moet worden beschouwd als een eco-sociaal goed en niet als een gewoon productiemiddel;

31.  brengt in herinnering dat toegang tot water van wezenlijk belang is voor de landbouw, om het recht op toereikend voedsel te kunnen verwezenlijken;

32.  verzoekt de Commissie om de inspanningen van de lidstaten voor het ontwikkelen en verbeteren van de infrastructuur voor irrigatie, riolering en drinkwatervoorziening krachtig te ondersteunen;

33.  is van mening dat de drinkwaterrichtlijn in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de beschikbaarheid van drinkwater van goede kwaliteit in de hele EU en dringt aan op doortastende maatregelen van de Commissie en de lidstaten om de milieu- en gezondheidsvoordelen die voortvloeien uit de bevordering van kraanwatergebruik te verwezenlijken;

34.  herinnert de lidstaten aan de verantwoordelijkheid die zij hebben om het EU-recht ten uitvoer te leggen; spoort hen aan om volledige uitvoering te geven aan de drinkwaterrichtlijn en alle daarmee verband houdende wetgeving; spoort de lidstaten aan hun uitgavenprioriteiten te bepalen en ten volle gebruik te maken van de in de nieuwe financiële programmeringsperiode (2014-2020) geboden mogelijkheden voor financiële steun van de EU in de watersector, met name in het kader van investeringsprioriteiten die zijn toegespitst op waterbeheer;

35.  herinnert aan de conclusies van het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer over de integratie van de doelstellingen van het EU-waterbeleid in het gemeenschappelijk landbouwbeleid, waarin wordt gesteld dat "de instrumenten die thans in het kader van het GLB worden gebruikt om watervraagstukken aan te pakken, tot dusverre niet voldoende vooruitgang [hebben] kunnen bewerkstelligen bij de verwezenlijking van de ambitieuze beleidsdoelstellingen ten aanzien van water"; is van mening dat een betere integratie van het waterbeleid in andere beleidsterreinen zoals het landbouwbeleid, van essentieel belang is om de waterkwaliteit in heel Europa te verbeteren;

36.  benadrukt het belang van de volledige en doeltreffende tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn water, de grondwaterrichtlijn, de drinkwaterrichtlijn en de richtlijn betreffende stedelijk afvalwater, en meent dat het absoluut noodzakelijk is de tenuitvoerlegging van deze richtlijnen af te stemmen op die van de richtlijnen betreffende het mariene milieu, biodiversiteit en bescherming tegen overstromingen; is bezorgd over het feit dat de instrumenten van de Unie voor sectoraal beleid niet voldoende bijdragen aan het bereiken van de milieukwaliteitsnormen voor prioritaire stoffen en de doelstelling van geleidelijke uitbanning van lozingen, emissies en verliezen van prioritaire gevaarlijke stoffen overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), en artikel 16, lid 6, van de kaderrichtlijn water; verzoekt de Commissie en de lidstaten er rekening mee te houden dat waterbeheer als een horizontaal element moet worden opgenomen in wetgeving op het gebied van andere beleidsterreinen die nauw verband houden met deze hulpbron, zoals energie, landbouw, visserij, toerisme enz, teneinde verontreiniging, bijvoorbeeld door illegale en niet-gereguleerde stortplaatsen of oliewinning of -exploratie, te voorkomen; herinnert eraan dat de randvoorwaarden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid verplichte eisen ten aanzien van beheer bevatten die gebaseerd zijn op bestaande, voor boeren relevante EU-wetgeving en op regels voor goede landbouw- en milieuomstandigheden, onder meer betreffende water; herinnert eraan dat boeren zich aan deze regels moeten houden om voor volledige GLB-betalingen in aanmerking te komen;

37.  verzoekt de lidstaten om:

   waterleveranciers de verplichting op te leggen om de fysisch-chemische eigenschappen van het water te vermelden op de waterfactuur;
   stedelijke plannen op te stellen aan de hand van de beschikbaarheid van watervoorraden;
   de controles van en het toezicht op verontreinigende stoffen te intensiveren en onmiddellijke maatregelen te plannen om giftige stoffen te verwijderen en te saneren;
   maatregelen te nemen om de aanzienlijke lekken uit leidingen in Europa te verminderen en de gebrekkige watervoorzieningsnetten te vernieuwen;

38.  acht het noodzakelijk om een prioriteitenlijst of hiërarchie vast te stellen voor duurzaam watergebruik; verzoekt de Commissie hiertoe met analyses en voorstellen te komen;

39.  benadrukt dat lidstaten het mensenrecht op water hebben onderschreven door de verklaring van de VN te steunen, en dat dit mensenrecht door het merendeel van de burgers en marktdeelnemers in de EU wordt ondersteund;

40.  benadrukt dat steun voor het Right2Water-EIB en de doelstellingen ervan voorts is aangetoond door de grote aantallen burgers in landen als Duitsland, Oostenrijk, België, Slowakije, Slovenië, Griekenland, Finland, Spanje, Luxemburg, Italië en Ierland die zich hebben uitgesproken over de kwestie water en het eigendom en de levering ervan;

41.  merkt op dat de Commissie verzoekschriften sinds 1988 ieder jaar een aanzienlijk aantal verzoekschriften ontvangt van EU-burgers uit vele lidstaten die uiting geven aan hun zorgen over de watervoorziening, de kwaliteit van drinkwater en afvalwaterbeheer; vestigt de aandacht op een aantal ongunstige factoren waar indieners zich over beklagen – zoals afvalstortplaatsen, verzuim van de autoriteiten om de waterkwaliteit te controleren, irreguliere of onwettige agrarische of industriële praktijken – die slechte waterkwaliteit veroorzaken en dus gevolgen hebben voor het milieu en voor de gezondheid van mens en dier; is van oordeel dat deze verzoekschriften blijk geven van een oprechte belangstelling van burgers voor krachtige handhaving en verdere ontwikkeling van duurzame EU-wetgeving op het gebied van water;

42.  dringt er bij de Commissie op aan dat zij de door burgers geuite zorgen en waarschuwingen in dergelijke verzoekschriften serieus neemt en daarnaar handelt, met name gezien de dringende noodzaak iets te doen aan de slinkende watervoorraad als gevolg van overmatig verbruik en klimaatverandering, op het moment dat vervuiling en wanbeheer nog kunnen worden voorkomen; maakt zich zorgen over het aantal inbreukprocedures die betrekking hebben op waterkwaliteit en waterbeheer;

43.  roept de lidstaten op hun stroomgebiedbeheerplannen, een cruciaal element voor de handhaving van de kaderrichtlijn water, met spoed te voltooien en naar behoren uit te voeren, met volledige inachtneming van de doorslaggevende ecologische criteria; brengt onder de aandacht dat sommige lidstaten steeds vaker te maken krijgen met verwoestende overstromingen die ernstige gevolgen hebben voor de plaatselijke bevolking; wijst erop dat de stroomgebiedbeheerplannen uit hoofde van de kaderrichtlijn water en de plannen voor het beheer van overstromingsrisico's uit hoofde van de overstromingsrichtlijn de ideale gelegenheid bieden om gebruik te maken van synergieën tussen deze instrumenten, die kunnen bijdragen aan de voorziening van schoon water in voldoende hoeveelheden en aan de verkleining van overstromingsrisico's; herinnert er voorts aan dat iedere lidstaat een centrale website moet inrichten met informatie over de uitvoering van de kaderrichtlijn water om een beter overzicht te bieden van het waterbeheer en de waterkwaliteit;

Waterdiensten en de interne markt

44.  merkt op dat in de gehele EU, met inbegrip van landen als Spanje, Portugal, Griekenland, Ierland, Duitsland en Italië, burgers in toenemende mate bezorgd zijn over het feit of de mogelijkheid dat waterdiensten niet langer in handen van de overheid zijn; herinnert eraan dat keuze van de methode van waterbeheer gebaseerd is op het subsidiariteitsbeginsel, als vastgelegd in artikel 14 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en Protocol nr. 26 inzake diensten van algemeen belang, waarin met nadruk wordt gewezen op het bijzondere belang van openbare voorzieningen voor de sociale en territoriale samenhang in de Unie; herinnert eraan dat watervoorzienings- en rioleringsbedrijven diensten van algemeen belang zijn, belast met de algemene taak om de gehele bevolking te voorzien van water van goede kwaliteit tegen maatschappelijk aanvaardbare prijzen en om de negatieve gevolgen van afvalwater voor het milieu tot het minimum te beperken;

45.  benadrukt dat de Commissie zich, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, neutraal moet blijven opstellen ten aanzien van besluiten van de lidstaten in verband met het bezit van waterdiensten, en dat zij de privatisering van waterdiensten niet via wetgeving of andere middelen mag bevorderen;

46.  herinnert eraan dat de optie om waterdiensten opnieuw onder gemeentelijk beheer te brengen ook in de toekomst zonder enige beperking geboden moet worden, en dat deze diensten onder lokaal beheer kunnen blijven indien de bevoegde overheidsinstanties hiervoor kiezen; herinnert eraan dat water een elementair mensenrecht is en voor eenieder toegankelijk en betaalbaar moet zijn; wijst erop dat de lidstaten verplicht zijn ervoor te zorgen dat eenieder van water verzekerd is, ongeacht de aanbieder, waarbij zij er ook op moeten toezien dat de aanbieders voorzien in veilig drinkwater en verbeterde sanitaire voorzieningen;

47.  benadrukt dat diensten op het gebied van water- en sanitaire voorzieningen, zoals productie, distributie en waterzuivering, vanwege hun bijzondere aard moeten worden uitgesloten van handelsovereenkomsten waarover de EU onderhandelt of die zij overweegt te sluiten; dringt bij de Commissie aan op een wettelijk bindende uitsluiting van diensten op het gebied van water, sanitaire voorzieningen en afvalwaterverwerking in de lopende onderhandelingen over het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP) en de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten; benadrukt dat alle toekomstige handels- en investeringsovereenkomsten clausules zouden moeten bevatten inzake daadwerkelijke toegang tot drinkwater voor de bevolking van het derde land waarop de overeenkomst betrekking heeft, overeenkomstig de waarde die de Unie van oudsher hecht aan duurzame ontwikkeling en mensenrechten; onderstreept voorts dat daadwerkelijke toegang tot drinkwater voor de bevolking van het derde land waarop de overeenkomst betrekking heeft een voorwaarde moet zijn voor toekomstige vrijhandelsovereenkomsten;

48.  brengt in herinnering dat er in een aanzienlijk aantal verzoekschriften wordt gepleit tegen opname van essentiële openbare diensten, zoals de watervoorziening en sanitaire voorzieningen, in de onderhandelingen over TTIP; vraagt de Commissie om de verantwoordingsplicht voor waterleveranciers te vergroten;

49.  dringt er bij de Commissie op aan als facilitator op te treden om de samenwerking tussen waterbedrijven te bevorderen via de uitwisseling van beste praktijken en gemeenschappelijke ervaringen, en door vrijwillige benchmarkingexercities te ondersteunen; is ingenomen met het feit dat de Commissie in haar mededeling oproept tot meer transparantie in de watersector; erkent de inspanningen die tot dusver gedaan zijn en wijst er tegelijkertijd op dat benchmarkingexercities vrijwillig van aard dienen te zijn, gezien de grote verschillen tussen waterdiensten en de regionale en lokale bijzonderheden in heel Europa; wijst er voorts op dat dergelijke exercities die uitsluitend financiële indicatoren omvatten niet als equivalent van transparantiemaatregelen mogen worden beschouwd, en dat ook andere voor burgers cruciale criteria moeten worden opgenomen, zoals de kwaliteit van water, maatregelen om betaalbaarheidsproblemen te verlichten, informatie over het percentage van de bevolking dat toegang heeft tot adequate watervoorziening en het niveau van publieke participatie in waterbeheer, op een manier die zowel voor burgers als wetgevers begrijpelijk is;

50.  benadrukt het belang van nationale toezichthoudende instanties om te zorgen voor eerlijke, open mededinging tussen dienstverleners, een snellere implementatie van innovatieve oplossingen en technische vooruitgang te vergemakkelijken, doeltreffende en kwaliteitsvolle waterdiensten te bevorderen en de bescherming van de belangen van de consument te verzekeren; verzoekt de Commissie om initiatieven voor samenwerking op regelgevingsgebied in de EU te steunen om benchmarking, wederzijds leren en de uitwisseling van beste praktijken te versnellen;

51.  meent dat er behoefte is aan een evaluatie van de Europese projecten en programma´s op het gebied van water en sanitaire voorzieningen vanuit mensenrechtelijk oogpunt, zodat aan de hand daarvan de juiste beleidsmaatregelen, richtsnoeren en praktijken kunnen worden uitgewerkt; verzoekt de Commissie een benchmarkingsysteem (voor het meten van de waterkwaliteit, betaalbaarheid, duurzaamheid, het dekkingsgebied, enz.) op te zetten ter verbetering van de kwaliteit van de openbare watervoorziening en de sanitaire voorzieningen in de gehele EU, en ter versterking van de positie van de burgers;

52.  herinnert eraan dat de concessies voor diensten op het gebied van water en sanitaire voorzieningen zijn onderworpen aan de beginselen van het Verdrag en derhalve met inachtneming van de beginselen van transparantie, gelijke behandeling en non-discriminatie moeten worden gegund;

53.  benadrukt dat de productie, distributie en zuivering van water en sanitaire voorzieningen uitgesloten moeten blijven van de concessierichtlijn, ook bij toekomstige herzieningen daarvan;

54.  herinnert eraan dat Richtlijn 2006/123/EG betreffende diensten op de interne markt op veel punten al krachtige tegenstand heeft ondervonden van maatschappelijke organisaties, onder meer ten aanzien van diensten van algemeen economisch belang zoals waterdistributie en -voorziening en afvalwaterbeheer;

55.  benadrukt het belang van publiek-publieke en publiek-private partnerschappen bij het uitwisselen van beste praktijken op het gebied van samenwerking zonder winstoogmerk tussen waterbedrijven, en is ingenomen met het feit dat de Commissie in de mededeling voor de eerste maal het belang van publiek-publieke partnerschappen erkent;

56.  is verheugd over de succesvolle inspanningen van enkele stadsbesturen om de publieke participatie bij het verbeteren van waterdiensten en de bescherming van watervoorraden te vergroten en herinnert eraan dat plaatselijke instanties een belangrijke rol spelen in het besluitvormingsproces aangaande waterbeheer;

57.  verzoekt het Comité van de Regio's zich meer bezig te houden met dit Europees burgerinitiatief, en er zo toe bij te dragen dat regionale autoriteiten sterker bij deze kwestie worden betrokken;

58.  herinnert aan de verplichting om toegang tot de rechter en tot informatie inzake milieuaangelegenheden te waarborgen, evenals publieke inspraak bij besluitvorming, zoals bepaald in het Verdrag van Aarhus; dringt er daarom bij de Commissie, de lidstaten en hun regionale en plaatselijke overheden op aan om de in het Verdrag van Aarhus neergelegde beginselen en rechten te eerbiedigen; herinnert eraan dat bekendheid van de burgers met hun rechten van cruciaal belang is voor een zo breed mogelijke inspraak in de besluitvorming; verzoekt de Commissie daarom dringend om proactief een campagne op te zetten om EU-burgers te informeren over de resultaten van het Verdrag van Aarhus op het gebied van transparantie en over de instrumenten die zij reeds tot hun beschikking hebben, en om te voldoen aan de bepalingen met betrekking tot de EU-instellingen; verzoekt de Commissie om criteria uit te werken met betrekking tot transparantie, verantwoordingsplicht en participatie, met het oog op de verbetering van het functioneren, de duurzaamheid en de kostenefficiëntie van de watervoorziening;

59.  dringt er bij de lidstaten en regionale en lokale autoriteiten op aan stappen te zetten richting een echt Sociaal Waterakkoord teneinde de beschikbaarheid, de stabiele voorziening en het veilige beheer van deze hulpbron te garanderen, in het bijzonder door in te stemmen met beleid zoals het oprichten van een watersolidariteitsfonds of andere vormen van sociale actie ter ondersteuning van mensen die zich de toegang tot diensten op het gebied van water en sanitaire voorzieningen niet kunnen permitteren, zodat wordt voldaan aan de eisen op het gebied van voorzieningszekerheid en het mensenrecht op water niet in gevaar wordt gebracht; spoort alle lidstaten aan mechanismen voor sociale actie op te zetten naar het voorbeeld van de systemen die al in enkele EU-lidstaten bestaan en waarmee wordt gewaarborgd dat ook burgers die in precaire omstandigheden leven toegang tot drinkwater hebben;

60.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de lidstaten ervaringen kunnen uitwisselen over het sociale onderdeel van het waterbeleid;

61.  veroordeelt het feit dat uitsluiting van de toegang tot water en sanitaire voorzieningen van achtergestelde en kwetsbare groepen in sommige lidstaten als dwangmiddel wordt gebruikt; herinnert eraan dat in sommige lidstaten de autoriteiten door sluiting van collectieve waterputten de toegang tot drinkwater van de kwetsbaarste groepen hebben bemoeilijkt;

62.  merkt op dat de lidstaten speciale aandacht zouden moeten schenken aan de behoeften van kwetsbare groepen in de samenleving en er tevens op toe zouden moeten zien dat behoeftigen toegang hebben tot betaalbaar water van goede kwaliteit;

63.  verzoekt alle lidstaten een Ombudsman voor waterdiensten aan te stellen om ervoor te zorgen dat problemen met betrekking tot water, zoals klachten en suggesties aangaande de kwaliteit van en de toegang tot waterdiensten kunnen worden verwerkt door een onafhankelijk orgaan;

64.  stimuleert waterbedrijven om baten uit de waterbeheercyclus te investeren in het behoud en de verbetering van waterdiensten en de bescherming van watervoorraden; herinnert eraan dat het beginsel van terugwinning van de kosten van waterdiensten tevens betrekking heeft op de milieukosten en de kosten van hulpbronnen, met eerbiediging van zowel de beginselen van eerlijkheid, transparantie en het mensenrecht op water als de verplichting van de lidstaten om hun verplichting tot terugwinning van de kosten op de best mogelijke wijze ten uitvoer te leggen, op voorwaarde dat dit niet in strijd is met het doel en de verwezenlijking van de doelstellingen van de kaderrichtlijn water; dringt erop aan een einde te maken aan de praktijken waarbij financiële middelen bestemd voor de watersector worden gebruikt voor de financiering van ander beleid, bijvoorbeeld wanneer er op de waterfactuur heffingen voor concessies in rekening worden gebracht die niet bestemd zijn voor de waterinfrastructuur; herinnert aan de zorgwekkende staat van de infrastructuur in enkele lidstaten waar water wordt verspild als gevolg van lekken in ongeschikte en verouderde waterdistributiesystemen, en dringt er bij de lidstaten op aan om investeringen in infrastructuur en andere waterdiensten te versterken als uitgangspunt om het mensenrecht op water in de toekomst te waarborgen;

65.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten alle informatie over waterkwaliteit en waterbeheer op een gemakkelijk toegankelijke en begrijpelijke manier aan de desbetreffende burgers presenteren, en dat burgers tijdig en volledig worden geïnformeerd en geraadpleegd over alle waterbeheerprojecten; stelt bovendien vast dat in de door de Commissie uitgevoerde openbare raadpleging 80 % van de respondenten een verbetering van de transparantie van de waterkwaliteitsbewaking essentieel noemde;

66.  verzoekt de Commissie nauwlettend toe te zien op het gebruik van directe en indirecte EU-financiering voor waterbeheerprojecten en ervoor te zorgen dat dergelijke financiering alleen wordt gebruikt voor de projecten waarvoor zij bedoeld was, rekening houdende met het feit dat de toegang tot water cruciaal is voor de vermindering van ongelijkheden tussen EU-burgers en voor de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang in de EU; verzoekt de Rekenkamer in dit verband te controleren of de criteria van doelmatigheid en duurzaamheid voldoende in acht worden genomen;

67.  verzoekt de Commissie om het huidige gebrek aan investeringen in evenwichtig waterbeheer in aanmerking te nemen, rekening houdende met het feit dat water een van de gemeenschappelijke goederen is van de EU-burgers;

68.  roept daarom op tot meer transparantie bij waterbedrijven, met name door middel van de ontwikkeling van een governancecode voor particuliere en openbare waterbedrijven in de EU; is van mening dat een dergelijke code gebaseerd moet zijn op het beginsel van efficiëntie en volledig in overeenstemming moet zijn met de bepalingen uit de Kaderrichtlijn Water met betrekking tot milieu, financiële aangelegenheden, infrastructuur en publieke participatie; dringt tevens aan op de oprichting van een nationale regelgevende instantie;

69.  verzoekt de Commissie het subsidiariteitsbeginsel en de bevoegdheden met betrekking tot water te respecteren waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende overheidsniveaus en de lokale waterbedrijven die de watervoorziening beheren (bronnen en onderhoud);

70.  betreurt dat de richtlijn inzake de zuivering van stedelijk afvalwater nog steeds niet volledig ten uitvoer is gelegd in de lidstaten; dringt erop aan prioriteit te geven aan de besteding van financiële middelen van de Unie in gebieden waar de EU-milieuwetgeving niet wordt geëerbiedigd, bijvoorbeeld wat de zuivering van afvalwater betreft; merkt op dat is aangetoond dat de nalevingspercentages hoger waren, wanneer de kosten werden teruggewonnen en het beginsel van "de vervuiler betaalt" werd toegepast, en verzoekt de Commissie om te evalueren of de huidige instrumenten toereikend zijn om een hoge mate van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu te bewerkstelligen;

71.  benadrukt dat de dienstensector in het geval van water een enorm potentieel heeft om banen te creëren door de integratie van milieuaspecten, alsook om innovatie te bevorderen door middel van de overdracht van technologie tussen sectoren en door onderzoek, ontwikkeling en innovatie in de volledige watercyclus; dringt er derhalve op aan dat er in het bijzonder wordt ingezet op duurzaam watergebruik als hernieuwbare energiebron;

72.  moedigt de Commissie aan een Europees wetgevingskader te ontwikkelen met betrekking tot het hergebruik van behandeld afvalwater om met name kwetsbare activiteiten en gebieden te beschermen; roept de Commissie voorts op om de uitwisseling van ervaringen tussen de gezondheidsinstanties van de verschillende lidstaten te bevorderen;

73.  dringt er bij de Commissie op aan om er in een eventuele herziening van de kaderrichtlijn water voor te zorgen dat kwantitatieve beoordelingen van problemen rond de betaalbaarheid van water een verplichte vereiste worden voor de verslaglegging door de lidstaten over de tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn water;

74.  verzoekt de Commissie de mogelijkheid te verkennen om de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound) toezicht te laten houden op en verslag te laten uitbrengen over eventuele problemen rond de betaalbaarheid van water in de 28 lidstaten;

75.  herinnert eraan dat goed waterbeheer de komende decennia steeds meer een prioriteit zal vormen, vanuit zowel ecologisch als milieuoogpunt, aangezien daarmee tegemoet wordt gekomen aan vereisten op energie- en landbouwgebied en aan dwingende economische en sociale verplichtingen;

De internalisering van de vervuilingskosten

76.  herinnert eraan dat EU-burgers, via hun waterrekening, de kosten dragen voor de zuivering en behandeling van water, en benadrukt dat beleid waarbij doelstellingen op het gebied van de bescherming van watervoorraden wordt gecombineerd en in overeenstemming wordt gebracht met kostenbesparingen, zoals een aanpak gericht op "controles bij de bron", efficiënter en in financieel opzicht wenselijker is; herinnert eraan dat, volgens het rapport van het EEA over de toestand van het milieu 2015, meer dan 40 % van alle rivieren en kustwateren te lijden heeft van diffuse vervuiling die wordt veroorzaakt door de landbouw, terwijl tussen 20 % en 25 % ervan vervuild raakt door puntbronnen zoals industrieën, rioleringssystemen en netwerken voor het beheer van afvalwater; herinnert aan het belang van een effectieve tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn water en de drinkwaterrichtlijn, betere coördinatie ten aanzien van deze tenuitvoerlegging, meer coherentie bij de opstelling van wetgeving en meer proactieve maatregelen voor de bescherming van watervoorraden en een aanzienlijke verbetering van de efficiëntie in het watergebruik in alle sectoren (industrie, huishoudens, landbouw, distributienetwerken); herinnert eraan dat het verzekeren van een duurzame bescherming van natuurgebieden, zoals zoetwaterecosystemen, eveneens van essentieel belang is voor de ontwikkeling en een bepalende rol speelt in de voorziening van drinkwatervoorraden, en de kosten voor burgers en marktdeelnemers vermindert;

Europees extern en ontwikkelingsbeleid betreffende water

77.  benadrukt dat de universele toegang tot water en sanitaire voorzieningen volledig onderdeel moet worden van het EU-ontwikkelingsbeleid via de bevordering van publiek-publieke en publiek-private partnerschappen die zijn gebaseerd op solidariteit tussen waterbedrijven en werknemers in verschillende landen, en onderstreept dat hierbij gebruik gemaakt moet worden van een reeks instrumenten om beste praktijken te bevorderen via kennisoverdracht en ontwikkelings- en samenwerkingsprogramma's in deze sector; wijst er nogmaals op dat in het ontwikkelingsbeleid van de lidstaten wat betreft de toegang tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen de mensenrechtendimensie moet worden erkend en dat een op rechten gebaseerde aanpak steun vereist voor regelgevingskaders, financiering en de versterking van het maatschappelijk middenveld om deze rechten in de praktijk af te dwingen;

78.  bevestigt nogmaals dat toegang tot voldoende drinkwater van toereikende kwaliteit een fundamenteel mensenrecht is, en meent dat het de taak van nationale regeringen is om deze verplichting na te leven;

79.  wijst in overeenstemming met de huidige EU-wetgeving en de voorschriften die erin zijn vastgelegd, op het belang van een regelmatige evaluatie van de kwaliteit, zuiverheid en veiligheid van water en watervoorraden binnen de EU en daarbuiten;

80.  onderstreept dat hulp bij het voorzien in veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen een hoge prioriteit moet krijgen bij de toewijzing van financiële middelen van de EU en bij de programmering van hulp; verzoekt de Commissie om te voorzien in voldoende financiële steun voor maatregelen met het oog op capaciteitsopbouw op het gebied van water, door een beroep te doen op en samen te werken met bestaande internationale platforms en initiatieven;

81.  benadrukt nogmaals dat water, sanitaire voorzieningen en hygiëne in ontwikkelingslanden een hoge prioriteit moeten krijgen zowel in de officiële ontwikkelingshulp als in nationale begrotingen; herinnert eraan dat waterbeheer een collectieve verantwoordelijkheid is; pleit voor een open houding ten aanzien van verschillende vormen van hulpverlening, maar voor strikte naleving van de beginselen inzake doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, voor samenhang van het ontwikkelingsbeleid, alsook voor een onverminderde nadruk op armoedebestrijding en de optimalisering van het ontwikkelingseffect; ondersteunt in dit verband de betrokkenheid van lokale gemeenschappen bij de verwezenlijking van projecten in ontwikkelingslanden, evenals het beginsel van collectief eigenaarschap;

82.  benadrukt dat, hoewel de vooruitgang op het gebied van veilig drinkwater ten opzichte van de millenniumdoelstellingen op schema ligt, wereldwijd 748 miljoen mensen geen toegang hebben tot verbeterde watervoorzieningen, dat naar schatting ten minste 1,8 miljard mensen water drinken dat is verontreinigd met fecaliën, en dat ook de doelstelling op het gebied van sanitaire voorzieningen nog lang niet is gehaald;

83.  herinnert eraan dat het waarborgen van duurzaam grondwaterbeheer van essentieel belang is voor armoedebestrijding en gedeelde welvaart, aangezien grondwater het potentieel heeft om miljoenen arme mensen in steden en plattelandsgebieden van beter drinkwater te voorzien;

84.  verzoekt de Commissie water als punt in de "Agenda voor verandering" op te nemen, samen met duurzame landbouw;

85.  meent dat water centraal moet staan in de werkzaamheden ter voorbereiding van twee belangrijke internationale evenementen in 2015, namelijk de topontmoeting over de agenda voor de periode na 2015 en de COP21 over klimaatverandering; is er in dit verband een krachtig voorstander van dat in september 2015 ambitieuze en verstrekkende doelstellingen op het gebied van water en sanitaire voorzieningen worden vastgesteld, zoals doelstelling 6 inzake duurzame ontwikkeling (SDG) om voor 2030 de toegankelijkheid en het duurzaam beheer van water en sanitaire voorzieningen voor iedereen te waarborgen; wijst er nogmaals op dat armoede enkel kan worden uitgebannen via het proces voor de periode na 2015, indien we ervoor zorgen dat iedereen, waar dan ook, toegang heeft tot schoon water, elementaire sanitaire voorzieningen en hygiëne; benadrukt dat de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling de terbeschikkingstelling van veel meer financiële middelen vereist dan momenteel het geval is, van zowel ontwikkelde als ontwikkelingslanden; roept op tot de invoering van een mondiaal toezichtsmechanisme om de vooruitgang vast te kunnen stellen die wordt geboekt bij de verwezenlijking van universele toegang tot veilig drinkwater, het duurzaam gebruik en de ontwikkeling van watervoorraden, en de versterking van rechtvaardig, op participatie gebaseerd waterbeheer met verantwoordingsplicht van alle betrokkenen in alle landen; spoort de Commissie aan ervoor te zorgen dat hulpmiddelen doeltreffend worden besteed en beter worden toegespitst op water, sanitaire voorzieningen en hygiëne, met het oog op de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015;

86.  onderstreept het toenemende risico van waterschaarste vanwege klimaatverandering; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om het strategische beheer van watervoorraden en aanpassingsplannen voor de lange termijn op te nemen in de thema's van de COP21, teneinde een klimaatbestendige wateraanpak te verzekeren in de toekomstige mondiale klimaatovereenkomst; benadrukt dat klimaatbestendige waterinfrastructuur van essentieel belang is voor ontwikkeling en voor het terugdringen van de armoede; wijst er nogmaals op dat de vorderingen met betrekking tot de streefdoelen voor armoedebestrijding, de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en duurzame ontwikkeling in al haar economische, sociale en milieudimensies in het gedrang kunnen komen, tenzij er ononderbroken wordt voortgewerkt om de gevolgen van klimaatverandering te beperken en de watervoorraden beter te beheren;

87.  merkt met bezorgdheid op dat het gebrek aan toegang tot water en sanitaire voorzieningen in ontwikkelingslanden een onevenredig effect kan hebben op meisjes en vrouwen, en in het bijzonder op meisjes van schoolgaande leeftijd, aangezien is aangetoond dat de cijfers voor ziekteverzuim en schooluitval samenhangen met het gebrek aan schone, veilige en toegankelijke sanitaire voorzieningen;

88.  dringt erop aan middelen van de Unie en de lidstaten vrij te maken als reactie op de aanbevelingen van de speciale rapporteur van de VN voor het mensenrecht op veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen, in het bijzonder voor kleinschalige infrastructuur, en om meer middelen toe te wijzen aan exploitatie en onderhoud, capaciteitsopbouw en bewustmaking;

89.  merkt met bezorgdheid op dat volgens de speciale rapporteur van de VN voor het mensenrecht op veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen, mensen in sloppenwijken in het algemeen meer betalen dan mensen op formele verblijfsplaatsen voor ongereguleerde diensten van lage kwaliteit; roept ontwikkelingslanden op om in de eerste plaats begrotingsmiddelen toe te wijzen aan diensten voor achtergestelde en geïsoleerde personen;

90.  herinnert eraan dat volgens de Wereldgezondheidsorganisatie, in de uitgangssituatie zonder aanwezigheid van de laatste innovatieve waterzuiverings- en besparingstechnologieën, tussen 100 en 200 liter water per persoon per dag optimaal is, terwijl tussen 50 en 100 liter water vereist is om te voldoen aan de basisbehoeften en te voorkomen dat grote gezondheidsproblemen ontstaan; wijst erop dat overeenkomstig de erkende fundamentele mensenrechten een minimumquota per persoon absoluut noodzakelijk is om in de basisbehoeften aan water van bevolkingen te voorzien;

91.  benadrukt dat toegang tot basiswatervoorzieningen een onbetwistbaar fundamenteel mensenrecht zou moeten zijn dat impliciet en expliciet wordt ondersteund door het internationaal recht, verklaringen en nationale praktijken;

92.  dringt er bij regeringen, internationale hulporganisaties, niet-gouvernementele organisaties en plaatselijke gemeenschappen op aan ertoe bij te dragen dat eenieder toegang krijgt tot basiswatervoorzieningen en te waarborgen dat water een mensenrecht is;

93.  verzoekt de lidstaten om op basis van de richtsnoeren van de Wereldgezondheidsorganisatie een prijsbeleid in te voeren dat het recht van personen op de minimale benodigde hoeveelheid water eerbiedigt en dat verspilling bestraft door een tarief in te voeren dat oploopt naar rato van de gebruikte hoeveelheid water;

94.  pleit ervoor maatregelen vast te stellen om een rationeel gebruik van water te garanderen, teneinde verspilling tegen te gaan;

95.  prijst de waterbedrijven die een percentage van hun jaaromzet schenken aan waterpartnerschappen in ontwikkelingslanden en moedigt de lidstaten en de EU aan het benodigde rechtskader te creëren om dergelijke partnerschappen op te zetten;

96.  roept op tot doeltreffend toezicht op projecten die worden uitgevoerd met externe steun; benadrukt de noodzaak om toezicht te houden op financieringsstrategieën en begrotingen om te waarborgen dat met toegewezen middelen bestaande ongelijkheden in de toegang tot water worden aangepakt en de mensenrechtenbeginselen van non-discriminatie, toegang tot informatie en betrokkenheid, worden geëerbiedigd;

97.  verzoekt de Commissie om de vernieuwing van verouderde drinkwaternetten tot een prioriteit in het investeringsplan voor Europa te maken, door deze projecten op te nemen in de lijst van projecten van de Unie; wijst erop dat deze projecten een hefboomeffect op niet-verplaatsbare werkgelegenheid kunnen hebben en aldus kunnen bijdragen tot het stimuleren van de groene economie in Europa;

98.  roept de Commissie op om de uitwisseling van kennis te bevorderen zodat de lidstaten de staat van de netwerken kunnen controleren en op grond daarvan renovatiewerkzaamheden kunnen uitvoeren om een einde te maken aan verspilling;

99.  dringt aan op meer transparantie teneinde consumenten beter voor te lichten over water en bij te dragen aan een zuiniger beheer van de watervoorraden; moedigt de Commissie in dit verband aan met de lidstaten te blijven samenwerken met het oog op de uitwisseling van nationale ervaringen bij de invoering van waterinformatiesystemen;

100.  roept de Commissie op te bekijken of het mogelijk is de instrumenten voor financiële steun in de sector van internationale samenwerking op het gebied van water en sanitaire voorzieningen tot het Europees niveau uit te breiden;

101.  onderstreept dat het doeltreffend en eerlijk beheer van watervoorraden afhankelijk is van de capaciteit van plaatselijke overheden om diensten te verlenen; roept de EU dan ook op om de versterking van het waterbeheer en de waterinfrastructuur in ontwikkelingslanden verder te ondersteunen, met bijzondere aandacht voor de behoeften van kwetsbare plattelandsbevolkingen;

102.  ondersteunt het Global Water Solidarity Platform dat door het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) is opgezet om plaatselijke autoriteiten te betrekken bij het vinden van oplossingen voor watervraagstukken; is eveneens ingenomen met het initiatief "1 % solidariteit voor water en sanitaire voorzieningen" en andere initiatieven van burgers en autoriteiten in enkele lidstaten die ten doel hebben hulpprojecten in ontwikkelingslanden te ondersteunen met geld afkomstig van consumptieheffingen; merkt op dat dergelijke initiatieven in de praktijk zijn gebracht door verschillende waterbedrijven; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om solidariteitsregelingen op dit gebied en op andere gebieden aan te moedigen, bijvoorbeeld door de verspreiding van informatie, de bevordering van partnerschappen en de uitwisseling van ervaring, onder andere door middel van mogelijke partnerschappen tussen de Commissie en de lidstaten, waarbij wordt voorzien in aanvullende EU-steun voor projecten die via dit initiatief worden uitgevoerd; moedigt in het bijzonder de bevordering van publiek-publieke partnerschappen in waterfaciliteiten in ontwikkelingslanden aan, overeenkomstig de door het VN-Habitatprogramma gecoördineerde Global Water Operators' Partnerships Alliance (GWOPA);

103.  dringt bij de Commissie aan op herinvoering van het waterfaciliteitsinstrument, dat doeltreffend is gebleken bij de verbetering van de toegang tot waterdiensten in ontwikkelingslanden door maatregelen voor capaciteitsopbouw van plaatselijke gemeenschappen te bevorderen;

104.  is ermee ingenomen dat de VN-resolutie betreffende de erkenning van toegang tot schoon water en sanitaire voorzieningen als mensenrecht in Europa op aanzienlijke steun kan rekenen;

o
o   o

105.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32.
(2) PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.
(3) PB L 65 van 11.3.2011, blz. 1.
(4) PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1.
(5) PB C 12 van 15.1.2015, blz. 33.
(6) A/RES/64/292.
(7) A/RES/68/157.
(8) PB C 9 E van 15.1.2010, blz. 33.
(9) PB C 349 E van 29.11.2013, blz. 9.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0059.

Juridische mededeling