Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 9 september 2015 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Vragen met verzoek om schriftelijk antwoord (interpretatie van artikel 130, lid 3, van het Reglement)
 Onderbreking of sluiting van de vergadering (interpretatie van artikel 191 van het Reglement)
 Benaming van een interparlementaire delegatie
 Partnerschapsovereenkomst inzake visserij met Guinee-Bissau: vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie (goedkeuring) ***
 Partnerschapsovereenkomst inzake visserij met Guinee-Bissau: vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie (resolutie)
 Partnerschapsovereenkomst inzake visserij met Kaapverdië: vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie (goedkeuring) ***
 Partnerschapsovereenkomst inzake visserij met Kaapverdië: vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie (resolutie)
 Partnerschapsovereenkomst inzake visserij met Madagaskar: vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie ***
 Protocol tot wijziging van de Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (goedkeuring) ***
 Protocol tot wijziging van de Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (resolutie)
 Machtiging van België, Oostenrijk en Polen om het Verdrag inzake de overeenkomst voor het vervoer van goederen over de binnenwateren (CMNI) te ratificeren of ertoe toe te treden***
 Voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en Griekenland *
 De stedelijke dimensie van EU-beleid
 Investeringen ter bevordering van banen en groei: bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie
 Beoordeling van het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties 2012
 Tenuitvoerlegging van het Witboek over vervoer uit 2011
 Loopbanen van vrouwen in de wetenschap en aan de universiteit
 Meisjes mondig maken door middel van onderwijs in de EU
 EER-Zwitserland: belemmeringen voor de volledige tenuitvoerlegging van de interne markt

Vragen met verzoek om schriftelijk antwoord (interpretatie van artikel 130, lid 3, van het Reglement)
PDF 145kWORD 60k
Besluit van het Europees Parlement van 9 september 2015 inzake de vragen met verzoek om schriftelijk antwoord (interpretatie van artikel 130, lid 3, van het Reglement) (2015/2152(REG)))
P8_TA(2015)0295

Het Europees Parlement,

–  gezien de brief van 4 september 2015 van de voorzitter van de Commissie constitutionele zaken,

–  gezien artikel 226 van zijn Reglement,

1.  besluit de volgende interpretatie op te nemen in artikel 130, lid 3 van het Reglement:

"De uitdrukking "bij uitzondering" wordt in die zin geïnterpreteerd dat de aanvullende vraag een dringende aangelegenheid betreft en de indiening ervan niet kan wachten tot de daaropvolgende maand. Daarnaast moet het aantal van de uit hoofde van artikel 130, lid 3, tweede alinea, ingediende vragen onder de norm van vijf vragen per maand liggen."

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.


Onderbreking of sluiting van de vergadering (interpretatie van artikel 191 van het Reglement)
PDF 148kWORD 60k
Besluit van het Europees Parlement van 9 september 2015 inzake onderbreking of sluiting van de vergadering (interpretatie van artikel 191 van het Reglement) (2015/2153(REG))
P8_TA(2015)0296

Het Europees Parlement,

–  gezien de brief van 4 september 2015 van de voorzitter van de Commissie constitutionele zaken,

–  gezien artikel 226 van zijn Reglement,

1.  besluit de volgende interpretatie op te nemen in artikel 191 van het Reglement:" "Wanneer een motie tot onderbreking of sluiting van de vergadering wordt ingediend, wordt de procedure om hierover te stemmen zonder onnodige vertraging in gang gezet. Om de stemming aan te kondigen wordt van de gebruikelijke middelen gebruikgemaakt en overeenkomstig de gangbare praktijk krijgen de leden voldoende tijd om zich naar de plenaire vergaderzaal te begeven.Naar analogie van het bepaalde in artikel 152, lid 2, tweede alinea, kan een dergelijke motie, wanneer deze is verworpen, niet nogmaals op dezelfde dag worden ingediend. Overeenkomstig de interpretatie bij artikel 22, lid 1, heeft de Voorzitter de bevoegdheid om een halt toe te roepen aan de excessieve indiening van moties uit hoofde van dit artikel.""

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.


Benaming van een interparlementaire delegatie
PDF 147kWORD 59k
Besluit van het Europees Parlement van 9 september 2015 over de benaming van een interparlementaire delegatie (2015/2842(RSO)
P8_TA(2015)0297

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Conferentie van voorzitters,

–  gezien zijn besluit van 12 maart 2014 over het aantal interparlementaire delegaties, delegaties in gemengde parlementaire commissies, delegaties in parlementaire samenwerkingscommissies en multilaterale parlementaire vergaderingen(1),

–  gezien artikel 212 van zijn Reglement,

1.  besluit de naam van zijn delegatie voor de betrekkingen met de Palestijnse Wetgevende Raad te wijzigen in de "Delegatie voor de betrekkingen met Palestina";

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten van die datum, P7_TA(2014)0217.


Partnerschapsovereenkomst inzake visserij met Guinee-Bissau: vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie (goedkeuring) ***
PDF 246kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 9 september 2015 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van het Protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Unie en de Republiek Guinee Bissau (11667/2012 – C8-0278/2014 – 2012/0134(NLE))
P8_TA(2015)0298A8-0233/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (11667/2012),

–  gezien het ontwerp van protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Guinee-Bissau (11671/2012),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0278/2014),

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 9 september 2015(1) over het ontwerp van besluit van de Raad,

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie visserij en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Begrotingscommissie (A8-0233/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Guinee-Bissau.

(1) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2015)0299.


Partnerschapsovereenkomst inzake visserij met Guinee-Bissau: vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie (resolutie)
PDF 265kWORD 74k
Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 9 september 2015 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van het Protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Guinee-Bissau (11667/2012 – C8-0278/2014 – 2012/0134(NLE)2015/2119(INI))
P8_TA(2015)0299A8-0236/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (11667/2012),

–  gezien het ontwerp van protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Guinee-Bissau (11671/2012),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0278/2014),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2012 over het verslag 2011 van de EU over de coherentie van het ontwikkelingsbeleid(1),

–  gezien het verslag over de evaluatie achteraf van het protocol betreffende de toepassing van de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Unie en de Republiek Guinee-Bissau (kaderovereenkomst FISH/2006/20, specifieke overeenkomst nr. 27, september 2010),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 9 september 2015(2) over het ontwerp van besluit van de Raad,

–  gezien artikel 99, lid 1, tweede alinea, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0236/2015),

A.  overwegende dat het protocol als algemeen doel heeft de samenwerking inzake visserij tussen de Europese Unie en de Republiek Guinee-Bissau in het belang van beide partijen te versterken door een partnerschapskader in te stellen dat de ontwikkeling van een duurzaam visserijbeleid en een duurzame exploitatie van de visbestanden in de exclusieve economische zone van de Republiek Guinee-Bissau mogelijk maakt, en om een passend aandeel van het beschikbare overschot te verkrijgen, dat in verhouding staat tot het belang van de vloten van de EU;

B.  overwegende dat de Europese Unie al het mogelijke moet doen om te waarborgen dat duurzame visserijakkoorden met derde landen in het gedeelde belang zijn van zowel de EU als de betrokken derde landen, met inbegrip van de lokale bevolking en de visserijsector van die landen;

C.  overwegende dat de eerste visserijovereenkomst tussen de EEG en de Republiek Guinee-Bissau uit 1980 dateert en dat de vloten van de lidstaten van de EEG/EU sindsdien tot en met 15 juni 2012 toegang hadden tot vangstmogelijkheden in de wateren van dat land, middels protocollen betreffende de toepassing van de overeenkomst die achtereenvolgens van kracht waren;

D.  overwegende dat de vangstmogelijkheden toegekend aan EU-vloten uit hoofde van het huidige protocol als volgt zijn: 3 700 brt (brutoregisterton) voor vriestrawlers (garnalen) en 3 500 brt voor vriestrawlers (demersale soorten en koppotigen), 28 vriesschepen voor de tonijnvisserij met de zegen en beugschepen en 12 vaartuigen voor de tonijnvisserij met de hengel; overwegende dat de visserijovereenkomst tussen de EU en Guinee-Bissau van groot belang is omdat het een van de weinige visserijovereenkomsten van de EU is die toegang geven tot gemengde visserij;

E.  overwegende dat de uit hoofde van deze overeenkomst aan de Republiek Guinee-Bissau overgemaakte middelen, met name bij wijze van compensaties voor de toegang tot de bestanden, een aanzienlijk deel van de overheidsbegroting van het land uitmaken; overwegende dat de overdrachten in het kader van sectorale samenwerking in het verleden echter zijn opgeschort vanwege vermeende problemen met de opnamecapaciteit van Guinee-Bissau;

F.  overwegende dat Guinee-Bissau met betrekking tot de socio-economische ontwikkeling in het algemeen en de visserijsector in het bijzonder, tekortkomingen kent op belangrijke terreinen, waaronder beroepsonderwijs, de structuur van de sector en de erkenning van de rol die vrouwen in de sector spelen;

G.  overwegende dat de sectorale samenwerking tot nu toe niet algemeen bevredigend was; overwegende dat niettemin vooruitgang is gemeld bij de monitoring, controle en bewaking van de visserij, de capaciteit voor sanitaire inspecties en de deelname van Guinee-Bissau aan regionale visserij-instanties; overwegende dat er nog ruimte voor verbetering is wat betreft het waarborgen dat de overeenkomst meer bijdraagt aan het bevorderen van de transparantie en controleerbaarheid van de sectorale samenwerking en het stimuleren van duurzame ontwikkeling in de visserijsector van Guinee-Bissau en van daaraan gerelateerde sectoren en activiteiten, om te waarborgen dat een groter deel van de meerwaarde geleverd door de exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen van het land in Guinee-Bissau zelf blijft;

H.  overwegende dat industriële reders hun vangst buiten het land overladen of aanlanden (bijvoorbeeld in Dakar of op de Canarische Eilanden), wat ertoe bijdraagt dat de economische voordelen van de industriële visserij schamel uitvallen en beperkt blijven tot de schepping van een handvol banen (148 lokale bemanningsleden in het kader van het vorige protocol); overwegende dat er in 2010 slechts één operationeel visverwerkingsbedrijf in het land bestond;

I.  overwegende dat, hoewel er op dit vlak sinds kort enige vooruitgang op te tekenen valt, de handel in visserijproducten met de EU wordt belemmerd doordat Guinee-Bissau niet in staat is de door de EU verlangde gezondheidsmaatregelen na te leven;

J.  overwegende dat IOO-visserij (illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij) in de wateren van de Republiek Guinee-Bissau een oud probleem vormt; overwegende dat de nationale autoriteiten in 2008 en 2009 58 in overtreding zijnde schepen aantroffen, waarvan er elf zonder vergunning en zeven in verboden gebieden aan het vissen waren; overwegende dat ondanks de door Guinee-Bissau geboekte vooruitgang en ingezette middelen inzake toezicht op visserijactiviteiten – waaronder een waarnemerskorps en snelle patrouilleboten – het toezichts- en controlesysteem inzake de visserij in de territoriale wateren van het land leemten blijft vertonen;

K.  overwegende dat het vastgestelde gebrek aan kennis wat betreft de gevolgen van deze overeenkomst voor het mariene ecosysteem en de garantie dat toegang beperkt blijft tot het overschot van de visbestanden dat niet gevangen kan worden door lokale vloten, alsmede problemen vanwege het gebrek aan actuele biologische gegevens (met name nadat de EU-vloot het land in 2012 verlaten heeft), reden tot bezorgdheid geven en zo vlug mogelijk opgelost moeten worden;

L.  overwegende dat het Parlement onmiddellijk en volledig moet worden geïnformeerd over alle fasen van de procedures betreffende het protocol en de verlenging ervan;

1.  acht deze overeenkomst van groot belang, zowel voor Guinee-Bissau als voor de EU-vloten die in de wateren van dat land actief zijn; is echter van mening dat de tot dusver geboekte resultaten inzake sectorale samenwerking onbevredigend zijn, en verzoekt de Europese Commissie alle nodige maatregelen te treffen, door mechanismen in te stellen voor grotere transparantie, controleerbaarheid en deelname van begunstigden aan specifieke kleinschalige ambachtelijke visserijgemeenschappen en waar nodig door herziening en verhoging van het onderdeel sectorale steun van de overeenkomst en het creëren van nieuwe en betere voorwaarden om het opnemingsvermogen te vergroten, om te garanderen dat daadwerkelijk een andere weg wordt ingeslagen dan de afgelopen decennia;

2.  herhaalt dat de overeenkomst een meer doelmatige en duurzame ontwikkeling van de visserij en aanverwante bedrijfstakken en activiteiten, met name kleinschalige visserij die een belangrijke bijdrage levert aan de voedselveiligheid en lokale bestaansmiddelen in Guinee-Bissau moet bevorderen en ervoor moet zorgen dat de exploitatie van zijn natuurlijke rijkdommen het land meer toegevoegde waarde oplevert; neemt kennis van de positieve ontwikkelingen die de afgelopen jaren zijn opgetekend, maar meent dat er aanhoudende en langdurige inspanningen nodig zijn om duidelijke resultaten op te leveren; is van mening dat steun verleend kan worden, niet in de laatste plaats met technische bijstand, op terreinen als institutionele capaciteitsopbouw, opleiding van beroepsvissers, partnerschappen met ambachtelijke kleinschalige visserijen, een grotere nadruk op genderbeleid om de rol van vrouwen te erkennen en te benutten (distributie en afzet van vis, opslag, eerste graad van verwerking, enz.);

3.  is van mening dat de in het protocol opgenomen mogelijkheden inzake werk voor lokale vissers aan boord van EU-vaartuigen ten volle moeten worden benut;

4.  is van mening dat de maatregelen ter bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij in de exclusieve economische zone van Guinee-Bissau moeten worden aangescherpt, onder meer door betere monitoring, controle en bewaking door middel van een extensief gebruik van het satellietvolgsysteem voor vaartuigen, logboeken, inspecteurs en de tenuitvoerlegging van de besluiten van de regionale visserijorganisaties;

5.  pleit voor een betere koppeling tussen de sectorale steun die in het kader van de visserijovereenkomst wordt verleend, en de instrumenten die in het kader van ontwikkelingssamenwerking beschikbaar zijn, met name het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF);

6.  roept de Commissie op om, ongeacht de reeds verrichte inspanningen, de autoriteiten van de Republiek Guinee-Bissau te ondersteunen bij het verbeteren van het toezichts- en controlesysteem inzake de visserij in de territoriale wateren van het land, om IOO-visserij intensiever te bestrijden;

7.  benadrukt dat deze overeenkomst een niet-discriminatieclausule bevat; is verheugd te kunnen vaststellen dat Guinee-Bissau in het kader van de onderhandelingen de visserijovereenkomsten met derde landen openbaar heeft gemaakt; verzoekt de Commissie de ontwikkelingen met deze overeenkomsten en de visserijactiviteiten in de wateren van Guinee-Bissau nauwlettend te volgen;

8.  acht het wenselijk meer en betrouwbaarder te rapporteren over alle vangsten (doelsoorten en bijvangsten) en over de instandhouding van de visbestanden in het algemeen, om de impact van de overeenkomst op het mariene ecosysteem en de visserijgemeenschappen beter te kunnen inschatten; is van mening dat Guinee-Bissau geholpen moet worden met het ontwikkelen van eigen manieren voor het vergaren van dergelijke gegevens; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de organen die toezien op de tenuitvoerlegging van de overeenkomst, met name het gemengd wetenschappelijk comité, regelmatiger en transparanter werken;

9.  verzoekt de Commissie het Parlement de notulen en de conclusies van de vergaderingen van de in artikel 9 van de overeenkomst bedoelde gemengde commissie te doen toekomen, alsook het in artikel 3 van het nieuwe protocol bedoelde meerjarige sectorale programma en de resultaten van de desbetreffende jaarlijkse beoordelingen en de notulen en conclusies van de vergaderingen als bedoeld in artikel 4 van het nieuwe protocol; verzoekt de Commissie voorts de deelname van vertegenwoordigers van het Parlement als waarnemer op de bijeenkomsten van de gemengde commissie te vergemakkelijken en de deelname van de visserijgemeenschappen van Guinee-Bissau te stimuleren; verzoekt de Commissie om in het laatste jaar waarin het nieuwe protocol geldt en voordat er onderhandelingen over de verlenging ervan worden geopend, aan het Parlement en de Raad een volledig verslag over de uitvoering ervan voor te leggen, zonder onnodige beperkingen op de toegang tot dit document;

10.  is van mening dat de Commissie ernaar moet streven in het meerjarig sectoraal programma van artikel 3 van het protocol doelstellingen op te nemen voor een reële ontwikkeling van de lokale visserij, met name de ambachtelijke visserij en de visverwerkende industrie, bijvoorbeeld door meer aanlandingen in Guinee-Bissau, alsook andere economische activiteiten en partnerschappen in de visserijsector;

11.  is van mening dat de gemengde commissie waarin door de partnerschapsovereenkomst wordt voorzien er in het licht van het corruptieprobleem voor moet zorgen dat de soliditeit van de mechanismen van het protocol boven alle twijfel verheven is;

12.  verzoekt de Commissie en de Raad om het Parlement binnen de grenzen van hun bevoegdheden onmiddellijk en volledig te informeren over alle fasen van de procedures betreffende het nieuwe protocol en de verlenging ervan, overeenkomstig artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 218, lid 10, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Guinee-Bissau.

(1) PB C 72 E van 11.3.2014, blz. 21.
(2) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2015)0298.


Partnerschapsovereenkomst inzake visserij met Kaapverdië: vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie (goedkeuring) ***
PDF 246kWORD 61k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 9 september 2015 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van het protocol tussen de Europese Unie en de Republiek Kaapverdië tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Kaapverdië (15848/2014 – C8-0003/2015 – 2014/0329(NLE))
P8_TA(2015)0300A8-0201/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (15848/2014),

–  gezien het ontwerpprotocol tussen de Europese Unie en de Republiek Kaapverdië tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Kaapverdië (15849/2014),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0003/2015),

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 9 september 2015(1) over het ontwerp van besluit van de Raad,

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie visserij en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Begrotingscommissie (A8-0201/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Kaapverdië.

(1) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2015)0301.


Partnerschapsovereenkomst inzake visserij met Kaapverdië: vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie (resolutie)
PDF 256kWORD 67k
Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 9 september 2015 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van het protocol tussen de Europese Unie en de Republiek Kaapverdië tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Kaapverdië (15848/2014 – C8-0003/2015 – 2014/0329(NLE)2015/2100(INI))
P8_TA(2015)0301A8-0200/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (15848/2014),

–  gezien het ontwerpprotocol tussen de Europese Unie en de Republiek Kaapverdië tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Kaapverdië (15849/2014),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0003/2015),

–  gezien Besluit 2014/948/EU van de Raad van 15 december 2014 betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie, en de voorlopige toepassing van het protocol tussen de Europese Unie en de Republiek Kaapverdië tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Kaapverdië(1),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 9 september 2015(2) over het ontwerp van besluit,

–  gezien de evaluatie en analyse van het vorige protocol,

–  gezien artikel 99, lid 1, tweede alinea , van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A8-0200/2015),

A.  overwegende dat het algemene doel van het protocol erin bestaat om in het belang van beide partijen de samenwerking tussen de Europese Unie en de Republiek Kaapverdië te verstevigen met het oog op de instelling van een partnerschapskader voor de ontwikkeling van een duurzaam visserijbeleid en de verantwoorde exploitatie van de visbestanden in de visserijzone van de Republiek Kaapverdië;

B.  overwegende dat de partijen in het protocol een strikt monitoringmechanisme overeengekomen zijn om de duurzame exploitatie van het bestand te garanderen; overwegende dat dit mechanisme met name gebaseerd is op een trimestriële uitwisseling van de gegevens over de haaienvangsten;

C.  overwegende dat beide partijen zich ertoe hebben verplicht alle aanbevelingen van de Internationale Commissie voor de instandhouding van tonijnachtigen in de Atlantische Oceaan (International Commission for the Conservation of Atlantic Tunas, ICCAT) volledig te zullen opvolgen;

D.  overwegende dat zowel de ICCAT als het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) haaiensoorten hebben gedefinieerd als een gezond bestand, hetgeen wordt bevestigd door de wetenschappelijke vergadering van beide partijen bij dit protocol;

E.  overwegende dat het nieuwe monitoringmechanisme, waarbij drempels van 30 % en 40 % haaienvangsten aanleiding geven tot bijkomende maatregelen, een stap in de juiste richting is;

F.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van de sectorale steun heeft vertraging opgelopen; dat de resultaten bevredigend zijn, hoewel het ook moeilijk is vast te stellen is welke de impact van de Europese sectorale steun is in vergelijking tot andere maatregelen die worden uitgevoerd in de context van steunprogramma's van andere ontwikkelingspartners;

G.  overwegende dat er een logisch interventiekader moet worden vastgesteld om de beoordelingen van het protocol beter te kanaliseren en standaardiseren; dat dit vooral met betrekking tot de sectorale steun moet gebeuren;

1.  is ingenomen met dit nieuwe visserijprotocol tussen de Europese Unie en de Republiek Kaapverdië, dat is goedgekeurd overeenkomstig de duurzaamheidsmaatregelen van het nieuwe gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), zowel uit ecologisch als uit sociaaleconomisch oogpunt;

2.  verzoekt de Commissie het Parlement de notulen en de conclusies te doen toekomen van de vergaderingen van de gemengde commissie als bedoeld in artikel 9 van de partnerschapsovereenkomst in de visserijsector, alsook het meerjarige sectorale programma als vermeld in artikel 3 van het nieuwe protocol;

3.  verzoekt de Commissie om in het laatste jaar van toepassing van het protocol en voorafgaand aan de onderhandelingen over de verlenging ervan een uitvoerig verslag over de toepassing van het protocol aan het Parlement en de Raad voor te leggen;

4.  spreekt er zijn bezorgdheid over uit dat de vangst van haaiensoorten in de laatste jaren van de looptijd van het protocol significant is toegenomen; verzoekt de Commissie bij het Parlement verslag uit te brengen over de acties die door de gemengde commissie zijn ondernomen als reactie op de wetenschappelijke studie die zal worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 4, lid 6, van de bijlage bij het protocol, om garanties te hebben dat deze visserij wordt bedreven op duurzame en verantwoorde wijze; benadrukt dat het Parlement ook geïnformeerd moet worden over de gegevens die worden verkregen met betrekking tot haaienbestanden;

5.  verzoekt de Commissie en de Raad om het Parlement binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden in alle fasen van de procedures in verband met het protocol en de verlenging ervan onmiddellijk en volledig te informeren, overeenkomstig artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 218, lid 10, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

6.  wenst dat de Commissie beoordeelt of de vaartuigen die opereren in het kader van de bepalingen van dit protocol, hebben voldaan aan de daarin opgenomen rapportageverplichtingen;

7.  verzoekt de Commissie jaarlijks met het Parlement te communiceren over de andere internationale overeenkomsten die Kaapverdië heeft gesloten, zodat het Parlement alle visserijactiviteiten in de regio kan volgen, inclusief die welke eventueel strijdig zijn met het Europees visserijbeleid, zoals bijvoorbeeld het vinnen van haaien;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Kaapverdië.

(1) PB L 369 van 24.12.2014, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2015)0300.


Partnerschapsovereenkomst inzake visserij met Madagaskar: vangstmogelijkheden en financiële tegenprestatie ***
PDF 243kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 9 september 2015 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst in de visserijsector tussen de Republiek Madagaskar en de Europese Gemeenschap (15225/2014 – C8-0002/2015 – 2014/0319(NLE))
P8_TA(2015)0302A8-0196/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (15225/2014),

–  gezien het ontwerpprotocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst in de visserijsector tussen de Republiek Madagaskar en de Europese Gemeenschap (15226/2014),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens de artikelen 43, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0002/2015),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, artikel 99, lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie visserij en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Begrotingscommissie (A8-0196/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het Protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Madagaskar.


Protocol tot wijziging van de Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (goedkeuring) ***
PDF 244kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 9 september 2015 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het Protocol tot wijziging van de Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (06040/2015 – C8-0077/2015 – 2015/0029(NLE))
P8_TA(2015)0303A8-0237/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (06040/2015),

–  gezien het ontwerpprotocol tot wijziging van de overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (06041/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, lid 4 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), punt v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0077/2015),

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 9 september 2015(1) over het ontwerp van besluit.

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0237/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten, alsmede aan de Wereldhandelsorganisatie.

(1) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2015)0304.


Protocol tot wijziging van de Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (resolutie)
PDF 267kWORD 74k
Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 9 september 2015 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het Protocol tot wijziging van de Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (06040/2015 – C8-0077/2015 – 2015/0029(NLE)2015/2067(INI))
P8_TA(2015)0304A8-0238/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (06040/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, lid 4 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0077/2015),

–  gezien zijn resolutie van 21 november 2013 over de stand van zaken van de Doha-ontwikkelingsagenda (DDA) en de voorbereidingen voor de negende Ministeriële Conferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO)(1),

–  gezien de resolutie van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU over regionale integratie en modernisering van de douane met het oog op duurzame ontwikkeling in de ACS-landen, in samenwerking met de EU(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een wereldwijd partnerschap voor armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling na 2015"(3),

–  gezien de resultaten van de negende WTO-ministerconferentie in Indonesië in december 2013 en de overeenkomst inzake handelsfacilitatie die daar is bereikt(4),

–  gezien de verklaring van de Algemene Raad van de Wereldhandelsorganisatie van 27 november 2014(5),

–  gezien het OESO-verslag van februari 2014 getiteld "De WTO-Overeenkomst inzake handelsfacilitatie - Mogelijke impact op de handelskosten",

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 9 september 2015(6) over het ontwerp van besluit van de Raad,

–  gezien artikel 99, lid 1, tweede alinea, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0238/2015),

A.  overwegende dat het faciliteren van de handel primair de taak van de nationale autoriteiten is, maar dat multilaterale samenwerking op veel gebieden voor winst kan zorgen en kosten kan verminderen;

B.  overwegende dat de handelsfacilitatieovereenkomst (TFA/overeenkomst) pas in werking kan treden als zij door twee derde van de WTO-leden is geratificeerd; overwegende dat het alle WTO-leden in dit verband verzoekt ervoor te zorgen dat de overeenkomst zo spoedig mogelijk en vóór de tiende WTO-ministerconferentie (MC10) in Nairobi in december 2015 in werking kan treden;

C.  overwegende dat sommige van de grote opkomende economieën zoals China, Brazilië en India niet om technische bijstand zullen verzoeken; overwegende dat dit moet worden toegejuicht omdat het toont dat de beschikbare bijstand zal gaan naar wie die het meest nodig heeft;

D.  overwegende dat de EU actief streeft naar samenhang tussen haar verschillende beleidsterreinen (handel, samenwerking, humanitaire hulp enz.) en dat deze beleidsterreinen horizontaal moeten zijn en geëvalueerd moeten worden op basis van effectbeoordelingen;

E.  overwegende dat de EU gecommitteerd is aan de bevordering van vrije, eerlijke en open handel, die evenwichtig is en aan iedereen ten goede komt; overwegende dat de WTO het voor de hand liggende kader is om deze principes voort te zetten en opnieuw te bevestigen;

F.  overwegende dat de EU en haar lidstaten de grootste donoren van ontwikkelingshulp ter wereld zijn; overwegende dat financiële bijstand voor de tenuitvoerlegging van de TFA deel uitmaakt van het "hulp voor handel"-initiatief en geen invloed mag hebben op het aandeel van het meerjarig financieel kader (MFK) voor officiële ontwikkelingshulp (ODA);

1.  verwelkomt de resultaten van de negende WTO-ministerconferentie in december 2013, waar de onderhandelingen tussen de 160 WTO-leden over de TFA werden afgerond; beschouwt de TFA als een belangrijke mijlpaal, aangezien het de eerste multilaterale overeenkomst is sinds de oprichting van de WTO in 1995 en model zal staan voor de modernisering van de douane onder de 161 WTO-leden;

2.  onderstreept dat de EU erop blijft aandringen dat alle WTO-leden de besluiten van het Balipakket volledig en nauwgezet uitvoeren, zodat de aandacht kan worden verschoven naar de succesvolle afronding van de onderhandelingen in het kader van de Doha-ontwikkelingsagenda;

3.  erkent de voordelen die de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst zal brengen voor ontwikkelingslanden door bij te dragen tot een bedrijfsvriendelijker klimaat, met name voor kmo's; onderstreept met name dat de overeenkomst, indien volledig uitgevoerd, de onzekerheid over de voorwaarden voor markttoegang en de kosten van de handel (volgens ramingen zoals die van de OESO) met 12,5 tot 17,5 % zou doen afnemen, waardoor consumenten toegang zouden krijgen tot een ruimer en goedkoper aanbod aan producten en bedrijven toegang zouden krijgen tot nieuwe markten en hun concurrentiepositie zouden kunnen versterken door de efficiëntie te verhogen en onnodige administratieve beslommeringen en de daarbij horende kosten te verminderen;

4.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst, vooral wat de ontwikkelingslanden betreft, tot een harmonisering en vereenvoudiging van de met handel verbonden procedures zal leiden; wijst erop dat de overeenkomst nieuwe mogelijkheden voor het gebruik van innoverende technologieën en elektronische systemen kan verspreiden, zoals elektronische betalingssystemen, nationale handelsportals en éénloketsystemen;

5.  verzoekt alle WTO-leden met klem onverwijld een oplossing te vinden om het Balipakket in al zijn aspecten, inclusief de beperking van handelsverstorende subsidies, ten uitvoer te leggen, zodat de DDA op de tiende WTO-ministerconferentie kan worden afgesloten;

6.  wijst op het belang dat deze overeenkomst heeft voor de ontwikkeling, rekening houdend met het feit dat de ontwikkelingslanden en de minst ontwikkelde landen kunnen rekenen op een specifieke en gedifferentieerde behandeling, waarbij zij zelf kunnen beslissen wanneer de verschillende bepalingen ten uitvoer worden gelegd, en voor welke daarvan technische bijstand noodzakelijk is;

7.  benadrukt dat de mate en de termijnen van tenuitvoerlegging van de overeenkomst bepalend zullen zijn voor de voordelen die eruit voortvloeien; meent dat een volledige en nauwgezette tenuitvoerlegging, waarin de prioriteiten en bezorgdheden van ontwikkelingslanden in het kader van de DDA naar behoren worden weerspiegeld, zeer gunstig zal zijn voor alle ondertekenaars;

8.  benadrukt dat de overeenkomst dwingende bepalingen en niet-dwingende richtsnoeren bevat; vraagt alle leden van de WTO het mogelijke te doen om beide soorten bepalingen ten uitvoer te leggen om de handelskosten zoveel mogelijk te verminderen;

9.  wijst erop dat een aantal vereisten op grond van de overeenkomst, met name betreffende transparantie en de automatische boeking en betaling van rechten, krachtige middelen kunnen vormen ter bestrijding van grenscorruptie; pleit voor betere samenwerking tussen douaneautoriteiten en benadrukt dat meer transparantie zal bijdragen tot verhoogde veiligheid en een sterke stimulans zal zijn om de handel te intensiveren, alsook voor efficiëntere douanecontroles zal zorgen;

10.  ondersteunt ten volle het initiatief van de EU om over een periode van vijf jaar 400 miljoen euro uit te trekken voor de ondersteuning van handelsfacilitatiehervormingen en projecten zoals de verbetering van het douanestelsel van de ontwikkelingslanden en de minst ontwikkelde landen; herinnert eraan dat deze financiering, die grotendeels via de toewijzingen van de regionale indicatieve programma's voor regionale economische integratie zal worden verstrekt, deel uitmaakt van het veel ruimere "hulp voor handel"-initiatief (3,5 miljard euro EU-steun in 2013) en wenst dat het Europees Parlement en de lidstaten hierover regelmatig worden geïnformeerd;

11.  wijst er echter op dat deze steun naar behoren moet worden gecoördineerd met de financiering van andere internationale donors zoals de UNCTAD, de WTO en de Wereldbank; onderstreept dat overlappingen moeten worden voorkomen, net als buitensporige bureaucratische beslommeringen voor de verzoekende landen, omdat dit ontmoedigend zou kunnen zijn voor wie bijstand nodig heeft;

12.  pleit tevens voor nauwe samenwerking met gespecialiseerde organisaties zoals de Werelddouaneorganisatie (WDO), die in concrete gevallen nuttige praktische en technische expertise kunnen aandragen voor de ontwikkeling en versterking van de capaciteiten op dit vlak; onderstreept dat met name de minst ontwikkelde landen ten volle kunnen profiteren van de door de TFA geboden handelsmogelijkheden;

13.  onderstreept de sleutelrol die EU-delegaties overal ter wereld kunnen spelen door op het terrein samen te werken met de ontwikkelingslanden en minst ontwikkelde landen en vraagt dat deze delegaties zo nauw mogelijk bij het verlenen van technische bijstand worden betrokken;

14.  verzoekt de Commissie al het mogelijke te doen om de ontwikkelingslanden en minst ontwikkelde landen te helpen hun verplichtingen na te komen, rekening houdend met de nodige flexibiliteit bij het toepassen van de verplichtingen in het kader van de overeenkomst; benadrukt dat de financiële middelen voor capaciteitsopbouw op de ontvanger moeten worden afgestemd en gebaseerd moeten zijn op behoorlijke behoefteanalyses;

15.  wenst dat internationale organisaties en partners van de ontwikkelingslanden en minst ontwikkelde landen nauw samenwerken bij de uitvoering van de bepalingen van categorie C, zodat deze zo spoedig mogelijk worden toegepast;

16.  erkent de brede kloof die nog altijd bestaat tussen de grensprocedures in industrie- en in ontwikkelingslanden, en dat slechte infrastructuur, ondoeltreffend douanebeheer, gevallen van corruptie en overmatige bureaucratie de handel vertragen; erkent dat de TFA en het proces van liberalisering van de handel beide ten doel hebben de handelskosten te beperken teneinde de economische activiteit te bevorderen;

17.  herinnert eraan dat handelsfacilitatie voor veel ontwikkelingslanden de voornaamste bron van winst in de DDA zal zijn; is verheugd over de uitgebreide bepalingen over speciale en gedifferentieerde behandeling van ontwikkelingslanden en minst ontwikkelde landen; stelt voor om de nieuwe aanpak waarbij verbintenissen en het tijdschema voor de naleving ervan worden afgestemd op de capaciteiten van de landen in kwestie, tot criterium voor toekomstige overeenkomsten te maken;

18.  erkent dat de kennis van de particuliere sector een centrale rol kan spelen bij de bevordering van handelsfacilitatiemaatregelen en de verlening van bijstand en ondersteuning voor de tenuitvoerlegging van de overeenkomst in ontwikkelingslanden; neemt kennis van een gepland initiatief van USAID voor een partnerschap tussen de publieke en de particuliere sector hiertoe; verzoekt de Commissie de deelname van de particuliere sector te bevorderen en de mogelijkheden voor partnerschappen met Europese ondernemingen te onderzoeken ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de overeenkomst;

19.  erkent dat de tenuitvoerlegging van de handelsfacilitatiehervormingen bredere ontwikkelingsvoordelen heeft; wijst in dit verband op de sleutelrol die de douane kan spelen bij de facilitatie van vlotte verplaatsingen van zendingen van goederen voor rampenbestrijding; benadrukt dat humanitaire noodhulp het onderwerp moet zijn van vereenvoudigde douaneprocedures om de hulpverstrekking te versnellen, en verder vrij moet zijn van invoerrechten en belastingen;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten, alsmede aan de Wereldhandelsorganisatie.

(1) Aangenomen teksten van die datum, P7_TA(2013)0511.
(2) PB C 345 van 2.10.2014, blz. 28.
(3) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van donderdag 5 februari 2015 (COM(2015)0044).
(4) Ministeriële verklaring van Bali (WT/MIN(13)/DEC); ministerieel besluit van Bali over de Overeenkomst inzake handelsfacilitatie (WT/MIN(13)/36 of WT/L/911 van 11 december 2013). https://www.wto.org/english/thewto_e/minist_e/mc9_e/balipackage_e.htm
(5) Protocol tot wijziging van de Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, WT/L/940 van 28 november 2014.
(6) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2015)0303.


Machtiging van België, Oostenrijk en Polen om het Verdrag inzake de overeenkomst voor het vervoer van goederen over de binnenwateren (CMNI) te ratificeren of ertoe toe te treden***
PDF 246kWORD 59k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 9 september 2015 over het ontwerp van besluit van de Raad tot machtiging van het Koninkrijk België en de Republiek Polen om het Verdrag van Boedapest inzake de overeenkomst voor het vervoer van goederen over de binnenwateren (CMNI) te ratificeren en tot machtiging van de Republiek Oostenrijk om ertoe toe te treden (08223/2015 – C8-0173/2015 – 2014/0345(NLE))
P8_TA(2015)0305A8-0231/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (08223/2015),

–  gezien het Verdrag van Boedapest inzake de overeenkomst voor het vervoer van goederen over de binnenwateren (CMNI) (08223/15/ADD1),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 81, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0173/2015),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie juridische zaken (A8-0231/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van besluit van de Raad tot machtiging van het Koninkrijk België en de Republiek Polen om het Verdrag van Boedapest inzake de overeenkomst voor het vervoer van goederen over de binnenwateren (CMNI) te ratificeren en tot machtiging van de Republiek Oostenrijk om ertoe toe te treden;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.


Voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en Griekenland *
PDF 471kWORD 190k
Resolutie
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 9 september 2015 over het voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en Griekenland (COM(2015)0286 – C8-0156/2015 – 2015/0125(NLE))
P8_TA(2015)0306A8-0245/2015

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2015)0286),

–  gezien artikel 78, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0156/2015),

–  gezien het schrijven van de Raad van 30 juli 2015 houdende zijn mededeling aan het Parlement van zijn algemene aanpak,

–  gezien de brief van de Begrotingscommissie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0245/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de verklaring die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

4.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

5.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

6.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een besluit
Visum 3 bis (nieuw)
Gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name hoofdstuk I en de artikelen 18 en 19,
Amendement 2
Voorstel voor een besluit
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)  In overeenstemming met artikel 78, lid 3, en artikel 80 van het Verdrag zijn de in dit besluit beoogde solidariteitsmaatregelen bindend.
Amendement 3
Voorstel voor een besluit
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  De tijdelijke maatregelen voor noodherplaatsing zijn slechts een onderdeel van de alomvattende benadering van migratie zoals die is uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 13 mei 2015 met de titel "Een Europese agenda voor migratie" en het komende initiatiefverslag van het Europees Parlement. Het Europees Parlement onderstreept dat alle dimensies van de integrale aanpak van belang zijn en parallel moeten worden ontwikkeld. Op zijn vergadering van 25 en 26 juni 2015 kwam de Europese Raad met name overeen om, gelet op de huidige noodsituatie en de toezegging om de solidariteit en verantwoordelijkheid te versterken, over een periode van twee jaar 40 000 mensen die duidelijk internationale bescherming nodig hebben tijdelijk en uitzonderlijk te herplaatsen van Italië en Griekenland naar andere lidstaten. De lidstaten moeten het eens worden over bindende quota voor de verdeling van deze personen.
Amendement 4
Voorstel voor een besluit
Overweging 5
(5)  Het Europees Parlement herhaalde in zijn resolutie van 29 april 2015 dat het antwoord van de Unie op de meest recente tragedies in het Middellandse Zee gebaseerd moet zijn op solidariteit en een billijke verdeling van de verantwoordelijkheid en dat de Unie meer solidariteit moet tonen jegens de lidstaten die, absoluut of naar verhouding, de grootste aantallen vluchtelingen en asielzoekers opnemen.
(5)  Het Europees Parlement herhaalde in zijn resolutie van 29 april 2015 dat het antwoord van de Unie op de meest recente tragedies in het Middellandse Zee gebaseerd moet zijn op solidariteit en een billijke verdeling van de verantwoordelijkheid en dat de Unie meer solidariteit moet tonen jegens de lidstaten die, absoluut of naar verhouding, de grootste aantallen vluchtelingen en asielzoekers opnemen, aan de hand van de criteria om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming overeenkomstig Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad1bis. Het Europees Parlement verzocht om bindende quota vast te stellen voor de verdeling van de asielzoekers over alle lidstaten.
______________
1 bis Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 31).
Amendement 5
Voorstel voor een besluit
Overweging 7
(7)  Bij de recente tragische gebeurtenissen in het Middellandse Zeegebied is gebleken dat, van de lidstaten die geconfronteerd worden met situaties van bijzondere druk, met name Italië en Griekenland te kampen hebben met ongekende stromen migranten die hun grondgebied binnenkomen, onder wie ook verzoekers om internationale bescherming die een dergelijke bescherming duidelijk nodig hebben, en dat daardoor hun migratie- en asielstelsels onder aanzienlijke druk staan.
(7)  Bij de recente tragische gebeurtenissen in het Middellandse Zeegebied is gebleken dat, van de lidstaten die geconfronteerd worden met situaties van bijzondere druk, met name Italië en Griekenland te kampen hebben met ongekende stromen migranten die hun grondgebied binnenkomen, onder wie ook verzoekers om internationale bescherming die een dergelijke bescherming duidelijk nodig hebben, en dat daardoor hun migratie- en asielstelsels onder aanzienlijke druk staan, hetgeen aantoont dat Verordening (EU) nr. 604/2013 een negatieve impact heeft op het eerste land van binnenkomst in de Unie, wat jammer genoeg nog niet heeft geleid tot de opschorting van deze verordening of ten minste tot de schrapping van de verwijzing naar het eerste land van binnenkomst in de Unie. Ook andere lidstaten van de Unie ervaren echter een sterke stijging van het aantal asielzoekers die zij ontvangen.
Amendement 6
Voorstel voor een besluit
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  Deskundigen voorspellen op korte en middellange termijn een toename van de migratiedruk op de externe zee- en landgrenzen van de Unie.
Amendement 7
Voorstel voor een besluit
Overweging 8
(8)  Volgens gegevens van het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen (Frontex) kwamen onregelmatige grensoverschrijdingen naar de Unie in 2014 vooral voor via het centrale en oostelijke Middellandse Zeegebied. In 2014 kwamen alleen al in Italië ruim 170 000 onregelmatige migranten aan, een stijging van 277% ten opzichte van 2013. Ook in Griekenland nam het aantal onregelmatige binnenkomsten gestaag toe en kwamen ruim 50 000 migranten het land binnen, een stijging van 153% ten opzichte van 2013. De statistieken voor de eerste maanden van 2015 wijzen uit dat deze duidelijke tendens zich met betrekking tot Italië voortzet. Bovendien is het aantal onregelmatige overschrijdingen van de Griekse grens in de eerste maanden van 2015 sterk toegenomen; het bedraagt nu al ruim de helft van het totale aantal in 2014 (in 2014 vonden in totaal bijna 55 000 onregelmatige grensoverschrijdingen plaats; de eerste vier maanden van 2015 waren dat er al 28 000). Een groot deel van de onregelmatige migranten die in deze twee regio's werden aangetroffen, had een nationaliteit waarvoor volgens de gegevens van Eurostat in de Unie een hoge erkenningsgraad geldt (in 2014 maakten Syriërs en Eritreeërs, voor wie de erkenningsgraad in de Unie meer dan 75% bedraagt, ruim 40% en 50% uit van het aantal onregelmatige migranten in respectievelijk Italië en Griekenland). Volgens Eurostat werden in Griekenland in 2014 30 505 onregelmatig verblijvende Syriërs aangetroffen, terwijl dat er 8 220 waren in 2013.
(8)  Volgens gegevens van het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen (Frontex) kwamen onregelmatige grensoverschrijdingen naar de Unie in 2014 vooral voor via het centrale en oostelijke Middellandse Zeegebied. In 2014 kwamen alleen al in Italië ruim 170 000 onregelmatige migranten aan, een stijging van 277% ten opzichte van 2013, waaronder meer dan 26 100 kinderen, waarvan ongeveer 13 000 niet-begeleide minderjarigen, die daarmee 7,6% van het totale aantal migranten uitmaken. Ook in Griekenland nam het aantal onregelmatige binnenkomsten gestaag toe en kwamen ruim 50 000 migranten het land binnen, een stijging van 153% ten opzichte van 2013. De statistieken voor de eerste maanden van 2015 wijzen uit dat deze duidelijke tendens zich met betrekking tot Italië voortzet. Van januari tot juni 2015 namen de onregelmatige grensoverschrijdingen in Italië met 5% toe in vergelijking met dezelfde periode het jaar ervoor. Bovendien is het aantal onregelmatige overschrijdingen van de Griekse grens in de eerste maanden van 2015 sterk toegenomen; er is nu al sprake van een ruim zesvoudige toename in vergelijking met dezelfde periode het jaar ervoor en een toename van bijna 140% in vergelijking met het hele voorgaande jaar (76 293 onregelmatige grensoverschrijdingen van januari tot juni 2015, volgens gegevens van Frontex, in vergelijking met in totaal bijna 55 000 in 2014). Een groot deel van de onregelmatige migranten die in deze twee regio's werden aangetroffen, had een nationaliteit waarvoor volgens de gegevens van Eurostat in de Unie een hoge erkenningsgraad geldt (in 2014 maakten Syriërs en Eritreeërs, voor wie de erkenningsgraad in de Unie meer dan 75% bedraagt, ruim 40% en 50% uit van het aantal onregelmatige migranten in respectievelijk Italië en Griekenland; van januari tot juni 2015 maakten Syriërs en Eritreeërs 30% uit van de aankomsten in Italië en bijna 60% in Griekenland). Volgens Eurostat werden in Griekenland in 2014 30 505 onregelmatig verblijvende Syriërs aangetroffen, terwijl dat er 8 220 waren in 2013.
Amendement 8
Voorstel voor een besluit
Overweging 10
(10)  Uit gegevens van Frontex blijkt dat ook de route over de Westelijke Balkan in 2014 van groot belang was voor migratie naar de EU en dat via deze route 43 357 onregelmatige grensoverschrijdingen plaatsvonden. Voor de meeste migranten die de Balkanroute volgen, ligt het echter niet voor de hand dat zij internationale bescherming nodig hebben; 51% van de migranten komt namelijk uit Kosovo.
(10)  Uit gegevens van Frontex blijkt dat ook de route over de Westelijke Balkan in 2014 van groot belang was voor migratie naar de EU en dat via deze route 43 357 onregelmatige grensoverschrijdingen plaatsvonden. Het aantal onregelmatige grensoverschrijdingen is in 2015 dramatisch toegenomen. Van januari tot juni 2015 gebruikten 67 444 migranten en vluchtelingen de route via de Turkse grenzen met Griekenland en Bulgarije en via de landgrenzen van Hongarije. Dit is een stijging met 962% in vergelijking met dezelfde periode het vorig jaar. De route wordt nu ook vaker gebruikt door mensen die op de vlucht zijn voor oorlog en vervolging. Van januari tot juni 2015 kwamen 17 955 vluchtelingen uit Afghanistan, 13 225 vluchtelingen uit Syrië, 3 021 vluchtelingen uit Irak en 196 vluchtelingen uit Eritrea via deze route de Unie binnen.
Amendement 9
Voorstel voor een besluit
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)  Er moet een spoedige en volledige omzetting en doeltreffende uitvoering komen van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel door alle deelnemende lidstaten, om aldus te zorgen voor gemeenschappelijke Europese normen, ook wat de opvangvoorwaarden voor asielzoekers en de eerbiediging van de grondrechten betreft, zoals voorzien in het huidige Unierecht.
Amendement 10
Voorstel voor een besluit
Overweging 15
(15)  Als een andere lidstaat dan Italië of Griekenland ten gevolge van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen in een soortgelijke noodsituatie terechtkomt, kan de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 78, lid 3, van het Verdrag voorlopige maatregelen ten gunste van de betrokken lidstaat vaststellen. Dergelijke maatregelen kunnen inhouden dat in voorkomend geval de verplichtingen van die lidstaat uit hoofde van onderhavig besluit worden opgeschort.
(15)  Rekening houdend met de aanhoudende instabiliteit en de conflicten in de onmiddellijke nabijheid van de Unie, alsook met de veranderende migratiestromen kan de Raad, als een andere lidstaat dan Italië of Griekenland ten gevolge van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen in een soortgelijke noodsituatie terechtkomt, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 78, lid 3, van het Verdrag voorlopige maatregelen ten gunste van de betrokken lidstaat vaststellen. Dergelijke maatregelen kunnen inhouden dat in voorkomend geval de verplichtingen van die lidstaat uit hoofde van onderhavig besluit worden opgeschort.
Amendement 11
Voorstel voor een besluit
Overweging 17
(17)  De maatregelen van dit besluit houden een tijdelijke afwijking in van de criteria die zijn vastgesteld in artikel 13, lid 1, van Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad1 en van de procedurele stappen, zoals de termijnen, die zijn vastgesteld in de artikelen 21, 22 en 29 van die verordening.
(17)  De maatregelen van dit besluit houden een tijdelijke afwijking in van de criteria die zijn vastgesteld in artikel 13, lid 1, van Verordening (EU) nr. 604/2013 en van de procedurele stappen, zoals de termijnen, die zijn vastgesteld in de artikelen 21, 22 en 29 van die verordening. De herplaatsingsmaatregelen mogen niet beletten dat de lidstaten Verordening (EU) nr. 604/2013 ten volle benutten, met inbegrip van een proactief en efficiënt gebruik van alle criteria, zoals gezinshereniging, bijzondere bescherming van niet-begeleide minderjarigen en de uitzonderingsclausule op basis van humanitaire redenen.
____________________
____________________
1 Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 31).
Amendement 12
Voorstel voor een besluit
Overweging 18
(18)  Er moest een keuze worden gemaakt wat de criteria betreft op grond waarvan dient te worden besloten welke verzoekers en hoeveel verzoekers uit Italië en Griekenland moeten worden herplaatst. Het is de bedoeling een duidelijk en werkbaar systeem in te voeren, dat uitgaat van een drempelwaarde die overeenstemt met het gemiddelde percentage, over de Unie genomen, dat beslissingen tot verlening van internationale bescherming in procedures in eerste aanleg, zoals door Eurostat gedefinieerd, uitmaken van het totale aantal beslissingen in eerste aanleg over verzoeken om internationale bescherming in de Unie, op basis van de meest recente beschikbare statistieken. Aan de ene kant zou de drempelwaarde zo veel mogelijk moeten waarborgen dat alle verzoekers die het meest waarschijnlijk internationale bescherming nodig hebben, in staat worden gesteld om hun rechten op bescherming snel en volledig uit te oefenen in de lidstaat van herplaatsing. Aan de andere kant zou de drempelwaarde zo veel mogelijk moeten voorkomen dat verzoekers die waarschijnlijk een negatieve beslissing op hun verzoek zullen krijgen, worden herplaatst in een andere lidstaat en zo hun verblijf in de Unie onterecht kunnen verlengen. Op basis van de gegevens van Eurostat over beslissingen in eerste aanleg in 2014 zou in dit besluit moeten worden uitgegaan van een drempelwaarde van 75%, overeenkomstig het percentage beslissingen over verzoeken ingediend door Syriërs en Eritreeërs.
(18)  Er moest een keuze worden gemaakt wat de criteria betreft op grond waarvan dient te worden besloten welke verzoekers en hoeveel verzoekers uit Italië en Griekenland moeten worden herplaatst. Het is de bedoeling een duidelijk en werkbaar systeem in te voeren, dat uitgaat van een drempelwaarde die overeenstemt met het gemiddelde percentage, over de Unie genomen, dat beslissingen tot verlening van internationale bescherming in procedures in eerste aanleg, zoals door Eurostat gedefinieerd, uitmaken van het totale aantal beslissingen in eerste aanleg over verzoeken om internationale bescherming in de Unie, op basis van de meest recente beschikbare statistieken. Aan de ene kant zou de drempelwaarde zo veel mogelijk moeten waarborgen dat alle verzoekers die het meest waarschijnlijk internationale bescherming nodig hebben, in staat worden gesteld om hun rechten op bescherming snel en volledig uit te oefenen in de lidstaat van herplaatsing. Aan de andere kant zou de drempelwaarde zo veel mogelijk moeten voorkomen dat verzoekers die waarschijnlijk een negatieve beslissing op hun verzoek zullen krijgen, worden herplaatst in een andere lidstaat en zo hun verblijf in de Unie onterecht kunnen verlengen. Op basis van de gegevens van Eurostat over beslissingen in eerste aanleg in 2014 zou in dit besluit moeten worden uitgegaan van een drempelwaarde van 75%, overeenkomstig het percentage beslissingen over verzoeken ingediend door Syriërs en Eritreeërs. Om rekening te houden met de veranderende migratiestromen, moet elk kwartaal worden bepaald welke doelgroep voor herplaatsing in aanmerking komt.
Amendement 13
Voorstel voor een besluit
Overweging 19
(19)  De voorlopige maatregelen zijn bedoeld om de aanzienlijke asieldruk op Italië en Griekenland te verlichten, met name door herplaatsing van een zinvol aantal verzoekers die duidelijk internationale bescherming nodig hebben en die op het grondgebied van Italië en Griekenland zijn aangekomen na de datum waarop dit besluit van toepassing wordt. Op basis van het totale aantal onderdanen van derde landen dat in 2014 onregelmatig in Italië en Griekenland is aangekomen en het aantal van deze personen dat duidelijk internationale bescherming nodig heeft, zouden vanuit Italië en Griekenland in totaal 40 000 verzoekers die duidelijk internationale bescherming nodig hebben, moeten worden herplaatst. Dat is ongeveer 40% van het totale aantal onderdanen van derde landen dat duidelijk internationale bescherming nodig heeft en in 2014 onregelmatig in Italië en Griekenland is aangekomen. De herplaatsingsmaatregel die in dit besluit wordt voorgesteld, zorgt derhalve voor een billijke verdeling van de lasten tussen Italië en Griekenland enerzijds en de andere lidstaten anderzijds. Op basis van dezelfde totaalcijfers over 2014 en de eerste vier maanden van 2015 betreffende de getalsmatige verhouding tussen Italië en Griekenland, zou 60% van de verzoekers uit Italië moeten worden herplaatst en 40% uit Griekenland.
(19)  De voorlopige noodmaatregelen zijn bedoeld om een eerlijk en billijk herplaatsingsmechanisme op te zetten en zo de aanzienlijke asieldruk op Italië en Griekenland te verlichten, met name door herplaatsing van een zinvol aantal verzoekers die duidelijk internationale bescherming nodig hebben en die op het grondgebied van Italië en Griekenland zijn aangekomen na de datum waarop dit besluit van toepassing wordt. Op basis van het totale aantal onderdanen van derde landen dat in 2014 onregelmatig in Italië en Griekenland is aangekomen en het aantal van deze personen dat duidelijk internationale bescherming nodig heeft, zouden vanuit Italië en Griekenland in totaal 40 000 verzoekers die duidelijk internationale bescherming nodig hebben, moeten worden herplaatst. Dat is ongeveer 40% van het totale aantal onderdanen van derde landen dat duidelijk internationale bescherming nodig heeft en in 2014 onregelmatig in Italië en Griekenland is aangekomen. De herplaatsingsmaatregel die in dit besluit wordt voorgesteld, zorgt derhalve voor een billijke verdeling van de verantwoordelijkheid tussen Italië en Griekenland enerzijds en de andere lidstaten anderzijds. Op basis van dezelfde totaalcijfers over 2014 en de eerste vier maanden van 2015 betreffende de getalsmatige verhouding tussen Italië en Griekenland, zou 60% van de verzoekers uit Italië moeten worden herplaatst en 40% uit Griekenland. Binnen zes maanden na de inwerkingtreding van dit besluit evalueert de Commissie, op basis van de meest recente beschikbare gegevens, het aandeel van de verzoekers die uit Italië en Griekenland moeten worden herplaatst, om dit aan te passen aan de veranderende vluchtelingenstromen. Het noodmechanisme voor herplaatsing is geen oplossing voor de uitdaging die de asieldruk op de Uniegrenzen op lange termijn stelt, maar veeleer een testcase voor een toekomstig wetsvoorstel inzake een permanent herplaatsingsmechanisme op grond van artikel 78, lid 2, van het Verdrag, en blijft derhalve initieel beperkt tot in totaal 40 000 verzoekers. Indien nodig wordt een uitbreiding van het aantal hervestigingsplaatsen overwogen, om een aanpassing aan de snel veranderende vluchtelingenstromen en tendensen in de loop van de toepassingsperiode van dit besluit mogelijk te maken. Een voorstel voor een permanent noodherplaatsingsmechanisme moet gebaseerd zijn op een meer substantiële bijdrage tot solidariteit en gedeelde verantwoordelijkheid tussen de lidstaten, met een aanzienlijk hoger aantal beschikbare hervestigingsplaatsen, om aanpassing aan de snel veranderende migratiestromen en tendensen mogelijk te maken. Een dergelijk voorstel moet gebaseerd zijn op duidelijk omschreven criteria, onder meer wat de plotse instroom van onderdanen uit derde landen en uitzonderlijke asieldruk betreft, zodat het mechanisme op grond van transparante en objectieve indicatoren in werking kan worden gesteld.
Amendement 14
Voorstel voor een besluit
Overweging 20 bis (nieuw)
(20 bis)  Bij de uitwerking van het permanente noodherplaatsingsmechanisme op grond van artikel 78, lid 2, van het Verdrag, houdt de Commissie rekening met het grondgebied van een lidstaat als criterium voor de vaststelling van de verdeelsleutel voor migranten.
Amendement 15
Voorstel voor een besluit
Overweging 21
(21)  Het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), dat bij Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad is opgericht1, voorziet in bijstand voor door de lidstaten overeengekomen lastenverdelingsinitiatieven en staat open voor nieuwe beleidsontwikkelingen op dit gebied. Artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) nr. 516/2014 voorziet in de mogelijkheid dat lidstaten in het kader van hun nationale programma's acties uitvoeren op het gebied van het overbrengen van personen die om internationale bescherming verzoeken, en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 516/2014 voorziet in de mogelijkheid om een vast bedrag uit te keren van 6 000 EUR per uit een andere lidstaat overgebrachte persoon die internationale bescherming geniet.
(21)  Het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), dat bij Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad is opgericht1, voorziet in bijstand voor door de lidstaten overeengekomen initiatieven voor het eerlijk delen van verantwoordelijkheid en staat open voor nieuwe beleidsontwikkelingen op dit gebied. Artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) nr. 516/2014 voorziet in de mogelijkheid dat lidstaten in het kader van hun nationale programma's acties uitvoeren op het gebied van het overbrengen van personen die om internationale bescherming verzoeken, en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 516/2014 voorziet in de mogelijkheid om een vast bedrag uit te keren van 6 000 EUR per uit een andere lidstaat overgebrachte persoon die internationale bescherming geniet.
______________
___________________
1 Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie, tot wijziging van Beschikking 2008/381/EG van de Raad en tot intrekking van Beschikkingen nr. 573/2007/EG en nr. 575/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking 2007/435/EG van de Raad (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 168).
1 Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie, tot wijziging van Beschikking 2008/381/EG van de Raad en tot intrekking van Beschikkingen nr. 573/2007/EG en nr. 575/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking 2007/435/EG van de Raad (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 168).
Amendement 16
Voorstel voor een besluit
Overweging 21 bis (nieuw)
(21 bis)  De Commissie houdt toezicht op de besteding van het bedrag van 6 000 EUR voor de herplaatsing van elke verzoeker.
Amendement 17
Voorstel voor een besluit
Overweging 25
(25)  Wanneer wordt beslist welke verzoekers die duidelijk internationale bescherming nodig hebben, worden herplaatst uit Italië en Griekenland, moet voorrang worden gegeven aan kwetsbare verzoekers, zoals bedoeld in artikel 22 van Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad10. De bijzondere behoeften van verzoekers, waaronder die op gezondheidsgebied, dienen daarbij primair in overweging te worden genomen. Het belang van het kind dient altijd voorop te staan.
(25)  Wanneer wordt beslist welke verzoekers die duidelijk internationale bescherming nodig hebben, worden herplaatst uit Italië en Griekenland, moet voorrang worden gegeven aan kwetsbare verzoekers, waarbij bijzondere aandacht moet uitgaan naar niet-begeleide minderjarigen, zoals bedoeld in de artikelen 21 en 22 van Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad10. Om rekening te houden met de specifieke situatie van kwetsbare personen dienen de lidstaten krachtens Richtlijn 2013/33/EU en Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad1bis een individuele beoordeling te verrichten van de kwetsbaarheid van verzoekers wat hun bijzondere behoeften inzake opvang en procedure betreft. Lidstaten moeten derhalve actief stappen ondernemen om de individuele behoeften van asielzoekers te beoordelen, en kunnen niet volstaan met zelfidentificatie om de rechten die asielzoekers op grond van het Unierecht genieten te waarborgen. De bijzondere behoeften van verzoekers, waaronder die op gezondheidsgebied, dienen daarbij primair in overweging te worden genomen. Het belang van het kind dient voorop te staan in alle procedures die ingevolge dit besluit worden ingesteld en de basisprincipes die zijn ontwikkeld in het arrest van het Hof van Justitie van 6 juni 2013 in Zaak C-648/111ter moeten steeds worden geëerbiedigd.
______________
___________________
10 Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 96).
10 Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 96).
1 bis Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning of intrekking van internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 60).
1ter Arrest van het Hof van Justitie van 6 juni 2013, MA en anderen, C-648/11, ECLI:EU:C:2013:367.
Amendement 18
Voorstel voor een besluit
Overweging 26
(26)  Bij de beslissing in welke specifieke lidstaat verzoekers worden herplaatst, dient bovendien in het bijzonder rekening te worden gehouden met specifieke kwalificaties van de betrokken verzoekers die hun integratie in de lidstaat van herplaatsing zouden kunnen vergemakkelijken, zoals hun talenkennis. Bij bijzonder kwetsbare verzoekers moet in overweging worden genomen of de lidstaat van herplaatsing die verzoekers passende steun kan bieden.
(26)  Bij de beslissing in welke specifieke lidstaat verzoekers worden herplaatst, dient bovendien in het bijzonder rekening te worden gehouden met de voorkeuren en specifieke kwalificaties van de betrokken verzoekers die hun integratie in de lidstaat van herplaatsing zouden kunnen vergemakkelijken, zoals hun talenkennis, familiebanden in ruimere zin dan de definitie van gezinsleden in Verordening (EU) nr. 604/2013, sociale banden, culturele banden, eerder verblijf in een lidstaat, eerdere studie en eerdere werkervaring bij een bedrijf of organisatie in een bepaalde lidstaat, alsook specifieke kwalificaties die de integratie van verzoekers in de arbeidsmarkt van de lidstaat van herplaatsing zouden kunnen vergemakkelijken. Lidstaten dienen daartoe de daadwerkelijke erkenning van diploma's, kwalificaties en vaardigheden van verzoekers te bevorderen. Daarnaast kunnen lidstaten verzoekers over hun kansen op de arbeidsmarkt informeren. Bij bijzonder kwetsbare verzoekers moet in overweging worden genomen of de lidstaat van herplaatsing die verzoekers passende steun kan bieden. Hoewel verzoekers niet het recht hebben om de lidstaat van herplaatsing te kiezen, dient er voor zover mogelijk rekening gehouden te worden met hun noden, voorkeuren en specifieke kwalificaties.
Amendement 19
Voorstel voor een besluit
Overweging 26 bis (nieuw)
(26 bis)  Op grond van de lessen die zijn getrokken uit het proefproject inzake de herplaatsing vanuit Malta (EUREMA), moet voor zover mogelijk rekening worden gehouden met de verwachtingen en voorkeuren van verzoekers. In een eerste stap dienen de verzoekers de mogelijkheid te krijgen om hun voorkeuren uit te drukken. Ze dienen de lidstaten te rangschikken in volgorde van voorkeur en hun voorkeuren te ondersteunen met elementen zoals familiebanden, sociale banden en culturele banden, zoals taalvaardigheid, eerder verblijf, eerdere studies en eerdere werkervaring. Dit dient in de loop van de eerste verwerking te gebeuren. In een tweede stap dienen de respectieve lidstaten te worden ingelicht over de voorkeuren van de verzoekers. Daarna dienen de lidstaten de mogelijkheid te krijgen om hun voorkeuren uit te drukken voor bepaalde van de verzoekers die de betrokken lidstaat verkozen. De lidstaten dienen hun voorkeuren te ondersteunen met elementen zoals familiebanden, sociale contacten en culturele banden. Door de lidstaten aangeduide verbindingsofficieren kunnen de procedure vergemakkelijken door een onderhoud met de respectieve verzoekers te hebben. Verzoekers dienen ook de mogelijkheid te krijgen om te overleggen met andere actoren, zoals niet-gouvernementele organisaties, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen (UNHCR) en de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Tot slot dienen Italië en Griekenland, bijgestaan door het EASO, een beslissing te nemen om iedere verzoeker te herplaatsen naar een specifieke lidstaat door voor zover mogelijk rekening te houden met de voorkeuren. De UNHCR dient te worden geraadpleegd in verband met zijn optimale werkwijzen inzake herplaatsing, waaronder het beheer van voorkeuren en specifieke kwalificaties.
Amendement 20
Voorstel voor een besluit
Overweging 26 ter (nieuw)
(26 ter)  Het beginsel van non-discriminatie zoals neergelegd in artikel 10 van het Verdrag moet tijdens de volledige herplaatsingsprocedure worden geëerbiedigd. Discriminatie op basis van geslacht, leeftijd, etnische afkomst, handicap en religieuze overtuiging is een duidelijke inbreuk op het Verdrag.
Amendement 21
Voorstel voor een besluit
Overweging 28
(28)  De wettelijke en procedurele waarborgen waarin Verordening (EU) nr. 604/2013 voorziet, blijven van toepassing op de verzoekers op wie dit besluit betrekking heeft. Bovendien moeten de verzoekers worden ingelicht over de bij dit besluit ingestelde herplaatsingsprocedure en in kennis worden gesteld van het herplaatsingsbesluit. Aangezien een verzoeker krachtens het Unierecht niet het recht heeft om te kiezen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek, dient de verzoeker overeenkomstig Verordening (EU) nr. 604/2013 recht te hebben op een doeltreffende voorziening in rechte tegen het herplaatsingsbesluit, doch slechts om de eerbiediging van zijn grondrechten te waarborgen.
(28)  De wettelijke en procedurele waarborgen waarin Verordening (EU) nr. 604/2013 voorziet, blijven van toepassing op de verzoekers op wie dit besluit betrekking heeft. Bovendien moeten de verzoekers worden ingelicht over de bij dit besluit ingestelde herplaatsingsprocedure en in kennis worden gesteld van het herplaatsingsbesluit. De verzoeker dient overeenkomstig Verordening (EU) nr. 604/2013 en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie recht te hebben op een doeltreffende voorziening in rechte tegen het herplaatsingsbesluit.
Amendement 22
Voorstel voor een besluit
Overweging 30
(30)  Er dienen maatregelen te worden getroffen ter voorkoming van secundaire stromen van herplaatste personen vanuit de lidstaat van herplaatsing naar andere lidstaten. Met name dienen de verzoekers te worden gewezen op de gevolgen van verder reizen binnen de lidstaten en op het feit dat als de lidstaat van herplaatsing hun internationale bescherming verleent, zij uitsluitend in die lidstaat de rechten hebben die verbonden zijn aan de internationale bescherming.
(30)  Er dienen maatregelen te worden getroffen ter voorkoming van secundaire stromen van herplaatste personen vanuit de lidstaat van herplaatsing naar andere lidstaten. Dat zo veel mogelijk rekening gehouden wordt met de voorkeuren van de verzoekers, waaronder familiebanden in ruimere zin dan in de bepalingen inzake gezinnen in Verordening (EU) nr. 604/2013, sociale en culturele banden, is een duidelijke maatregel waardoor verzoekers het gevoel krijgen deel uit te maken van de lidstaat van herplaatsing. De verzoekers dienen alle nodige informatie te krijgen over hun bestemming en, in geval niet volledig rekening kan worden gehouden met hun voorkeur, de redenen daarvoor, in een taal die zij begrijpen of redelijkerwijs kunnen worden geacht te begrijpen. Om verdere nevenstromen te vermijden, dienen de verzoekers te worden gewezen op de gevolgen van verder reizen binnen de lidstaten zoals bepaald in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 604/2013 en op het feit dat als de lidstaat van herplaatsing hun internationale bescherming verleent, zij uitsluitend in die lidstaat de rechten hebben die verbonden zijn aan de internationale bescherming.
Amendement 23
Voorstel voor een besluit
Overweging 30 bis (nieuw)
(30 bis)  De instemming van verzoekers of personen die internationale bescherming genieten is een algemeen aanvaard beginsel in het afgeleide Unierecht, dat is neergelegd in artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) nr. 516/2014 en, naar analogie, in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 439/2010 van het Europees Parlement en de Raad1bis en in artikel 17, lid 2, van Verordening (EU) nr. 604/2013. Krachtens artikel 78, lid 3, van het Verdrag, zijn onder zeer strikte voorwaarden afwijkingen van het Unierecht toegestaan. De doeltreffende tenuitvoerlegging van het noodherplaatsingsmechanisme moet worden verzekerd, maar instemming is van bijzonder belang om nevenstromen te vermijden en moet derhalve – in principe – vóór herplaatsing worden verkregen. Indien een verzoeker niet instemt, moet hij in principe niet worden herplaatst, maar moet een andere persoon de kans op herplaatsing krijgen.
_________
1bis Verordening (EU) nr. 439/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 tot oprichting van een Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (PB L 132 van 29.5.2010, blz. 11).
Amendement 24
Voorstel voor een besluit
Artikel 1
Bij dit besluit worden voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ingesteld ten gunste van Italië en Griekenland, teneinde deze lidstaten in staat te stellen het hoofd te bieden aan een noodsituatie die het gevolg is van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen in deze lidstaten.
Bij dit besluit worden bindende voorlopige noodmaatregelen op het gebied van internationale bescherming ingesteld ten gunste van Italië en Griekenland, teneinde deze lidstaten in staat te stellen het hoofd te bieden aan een noodsituatie die het gevolg is van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen en staatlozen in deze lidstaten.
Amendement 25
Voorstel voor een besluit
Artikel 2 – alinea 1 – letter b
b)  "verzoeker": een onderdaan van een derde land of een staatloze die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen;
b)  "verzoeker": een onderdaan van een derde land of een staatloze die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen, zoals bepaald in artikel 2, punt i), van Richtlijn 2011/95/EU;
Amendement 26
Voorstel voor een besluit
Artikel 2 – alinea 1 – letter d
d)   "gezinsleden": gezinsleden in de zin van artikel 2, onder g), van Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad;
d)   "naaste verwanten": de echtgenoot, kinderen, ouders, personen die het ouderlijk gezag uitoefenen, grootouders en kleinkinderen;
(Horizontaal amendement, is van toepassing op de gehele tekst van het Commissievoorstel.)
Amendement 27
Voorstel voor een besluit
Artikel 2 – alinea 1 – letter f bis (nieuw)
f bis)  "voorkeur": de voorkeur van een verzoeker voor een bepaalde lidstaat of de voorkeur van een lidstaat voor een bepaalde verzoeker, die wordt onderbouwd met elementen zoals familiebanden in ruimere zin dan de definitie van gezinsleden zoals omschreven in punt g), van artikel 2, van Verordening (EU) nr. 604/2013, sociale banden zoals banden met etnische en cultuurgemeenschappen en culturele banden met de lidstaat van voorkeur, zoals talenkennis, eerder verblijf in een lidstaat of eerdere studie of arbeidsverhoudingen met bedrijven of organisaties van die lidstaat.
Amendement 28
Voorstel voor een besluit
Artikel 3 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Gezien de veranderende migratiestromen, moet elk kwartaal worden beoordeeld welke doelgroep voor herplaatsing in aanmerking komt.
Amendement 47
Voorstel voor een besluit
Artikel 4
-1. Teneinde de aanzienlijke asieldruk op Italië en Griekenland te verlichten, en als belangrijke testcase met het oog op het toekomstige wetgevingsvoorstel voor een permanent noodherplaatsingsmechanisme overeenkomstig artikel 78, lid 2, van het Verdrag, zullen aanvankelijk in totaal 110 000 verzoekers uit Italië en Griekenland worden herplaatst. Een uitbreiding van het aantal herplaatsingen wordt overwogen, om een aanpassing aan de snel veranderende vluchtelingenstromen en trends in de loop van de toepassingsperiode van dit besluit mogelijk te maken.
1.   Vanuit Italië worden 24 000 verzoekers herplaatst op het grondgebied van de andere lidstaten, zoals aangeduid in bijlage I.
1.   Aanvankelijk zullen 40 000 verzoekers vanuit Italië worden herplaatst op het grondgebied van de andere lidstaten.
2.   Vanuit Griekenland worden 16 000 verzoekers herplaatst op het grondgebied van de andere lidstaten, zoals aangeduid in bijlage II.
2.   Aanvankelijk zullen 70 000 verzoekers vanuit Griekenland worden herplaatst op het grondgebied van de andere lidstaten.
2 bis.  Binnen [zes maanden na de inwerkingtreding van dit besluit] evalueert de Commissie, op basis van de meest recente gegevens van Frontex, het aandeel van de verzoekers die uit respectievelijk Italië en Griekenland moeten worden herplaatst, om dit aan te passen aan de veranderende vluchtelingenstromen.
Amendement 30
Voorstel voor een besluit
Artikel 4 bis (nieuw)
Artikel 4 bis
Instemming
In principe is de instemming van de verzoeker met zijn herplaatsing vereist.
Amendement 31
Voorstel voor een besluit
Artikel 5 – lid 2
2.  Gedurende de toepassingsperiode van dit besluit stellen Italië en Griekenland, bijgestaan door het EASO en, waar van toepassing, de in lid 8 bedoelde verbindingsfunctionarissen van de lidstaten, op gezette tijden vast welke afzonderlijke verzoekers kunnen worden herplaatst in de andere lidstaten en delen zij aan de contactpunten van die lidstaten en aan het EASO mee hoeveel verzoekers kunnen worden herplaatst. Hierbij wordt voorrang gegeven aan kwetsbare verzoekers in de zin van artikel 22 van Richtlijn 2013/33/EU.
2.  Gedurende de toepassingsperiode van dit besluit stellen Italië en Griekenland, bijgestaan door het EASO en andere betrokken agentschappen, op gezette tijden vast welke afzonderlijke verzoekers kunnen worden herplaatst in de andere lidstaten en delen zij aan de contactpunten van die lidstaten en aan het EASO mee hoeveel verzoekers kunnen worden herplaatst. Hierbij wordt voorrang gegeven aan kwetsbare verzoekers in de zin van de artikelen 21 en 22 van Richtlijn 2013/33/EU, en gaat bijzondere aandacht uit naar niet-begeleide minderjarigen.
Amendement 32
Voorstel voor een besluit
Artikel 5 – lid 3
3.  Na de ontvangst van de in lid 2 bedoelde informatie delen de lidstaten zo spoedig mogelijk mee hoeveel verzoekers onmiddellijk op hun grondgebied kunnen worden herplaatst en verstrekken zij alle andere relevante informatie, met inachtneming van de in respectievelijk bijlage I en II vermelde aantallen.
3.  Na de ontvangst van de in lid 2 bedoelde informatie delen de lidstaten zo spoedig mogelijk mee wat hun beschikbare opvangcapaciteit voor migranten is en hoeveel verzoekers onmiddellijk op hun grondgebied kunnen worden herplaatst en verstrekken zij alle andere relevante informatie, met inachtneming van de in respectievelijk bijlage I en II vermelde aantallen.
Amendement 33
Voorstel voor een besluit
Artikel 5 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Italië en Griekenland voorzien de verzoekers met de hulp van het EASO van informatie over de bij de noodherplaatsing betrokken lidstaat in een taal die zij begrijpen of redelijkerwijs worden geacht te begrijpen. De verzoekers dienen bovendien toegang te hebben tot informatie die verstrekt wordt door andere actoren zoals de niet-gouvernementele organisaties, de UNHCR en de IOM. In de loop van de eerste verwerking wordt de verzoekers gevraagd om de lidstaten te rangschikken in volgorde van voorkeur en om hun voorkeuren te ondersteunen.
Amendementen 34 en 48
Voorstel voor een besluit
Artikel 5 – lid 5
5.  Verzoekers van wie op grond van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 603/2013 vingerafdrukken moeten worden genomen, mogen uitsluitend worden herplaatst indien de vingerafdrukken zijn genomen.
5.  Verzoekers van wie op grond van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 603/2013 vingerafdrukken moeten worden genomen en toegezonden, mogen uitsluitend worden herplaatst indien de vingerafdrukken zijn genomen met volledige eerbiediging van hun grondrechten en zonder het gebruik van dwang of detentiemaatregelen.
Amendement 35
Voorstel voor een besluit
Artikel 5 – lid 8
8.  Met het oog op de uitvoering van alle aspecten van de in dit artikel beschreven herplaatsingsprocedure kunnen de lidstaten beslissen een verbindingsfunctionaris naar Italië en Griekenland uit te zenden.
Schrappen
Amendement 36
Voorstel voor een besluit
Artikel 6 – lid 4
4.  Nadat het besluit tot herplaatsing van een verzoeker is genomen, maar voordat de herplaatsing plaatsvindt, lichten Italië en Griekenland de betrokkene schriftelijk in over het besluit tot herplaatsing. In het besluit tot herplaatsing wordt de lidstaat van herplaatsing vermeld.
4.  Nadat het besluit tot herplaatsing van een verzoeker is genomen, maar voordat de herplaatsing plaatsvindt, lichten Italië en Griekenland, met de hulp van het EASO en andere actoren zoals verbindingsofficieren, indien beschikbaar, de betrokkene op een uitvoerige manier en in een taal die de verzoeker begrijpt of redelijkerwijs wordt geacht te begrijpen, in over de lidstaat van herplaatsing of, als geen rekening werd gehouden met de voorkeuren van de verzoeker, over de redenen van deze beslissing. Italië en Griekenland lichten bovendien de betrokkene schriftelijk in over het besluit tot herplaatsing. In het besluit tot herplaatsing wordt de lidstaat van herplaatsing vermeld.
Amendement 37
Voorstel voor een besluit
Artikel 7 – alinea 1 – letter b
b)  de eerste verwerking van de verzoeken;
b)  de eerste verwerking van de verzoeken, waaronder het in kaart brengen van kwetsbaarheden en voorkeuren, om potentiële verzoekers om herplaatsing te identificeren en verzoekers te screenen, met inbegrip van het duidelijk vaststellen van hun identiteit, het nemen van hun vingerafdrukken en het registreren van hun aanvraag om internationale bescherming;
Amendement 38
Voorstel voor een besluit
Artikel 7 – alinea 1 – letter d
d)  de overbrenging van de verzoekers naar de lidstaat van herplaatsing.
d)  de overbrenging van de verzoekers naar de lidstaat van herplaatsing. De kosten van de overbrenging naar de lidstaat van herplaatsing mogen geen bijkomende last betekenen voor Griekenland en Italië.
Amendement 39
Voorstel voor een besluit
Artikel 8 – lid 2
2.  Indien Italië of Griekenland niet aan de verplichtingen van lid 1 voldoet, kan de Commissie beslissen de toepassing van dit besluit ten aanzien van de desbetreffende lidstaat voor ten hoogste drie maanden op te schorten. Deze opschorting kan door de Commissie éénmaal worden verlengd met een periode van ten hoogste drie maanden.
2.  Indien Italië of Griekenland niet aan de verplichtingen van lid 1 voldoet, kan de Commissie, na de betrokken lidstaat de gelegenheid te hebben gegeven zijn standpunten toe te lichten, beslissen de toepassing van dit besluit ten aanzien van de desbetreffende lidstaat voor ten hoogste drie maanden op te schorten. Deze opschorting kan door de Commissie éénmaal worden verlengd met een periode van ten hoogste drie maanden.
Amendement 40
Voorstel voor een besluit
Artikel 9
Mocht een lidstaat van herplaatsing ten gevolge van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen in een noodsituatie terechtkomen, dan kan de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement ten gunste van de betrokken lidstaat voorlopige maatregelen vaststellen overeenkomstig artikel 78, lid 3, van het Verdrag. Dergelijke maatregelen kunnen inhouden dat in voorkomend geval de verplichtingen van die lidstaat uit hoofde van onderhavig besluit worden opgeschort.
Mocht een lidstaat van herplaatsing ten gevolge van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen in een noodsituatie terechtkomen, dan kan de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement ten gunste van de betrokken lidstaat voorlopige maatregelen vaststellen overeenkomstig artikel 78, lid 3, van het Verdrag. Dergelijke maatregelen kunnen ook inhouden dat in voorkomend geval de verplichtingen van die lidstaat uit hoofde van onderhavig besluit worden opgeschort.
Amendement 41
Voorstel voor een besluit
Artikel 11
Italië en Griekenland brengen iedere drie maanden verslag uit aan de Raad en de Commissie over de tenuitvoerlegging van dit besluit en de in artikel 8 bedoelde stappenplannen.
Italië en Griekenland brengen iedere drie maanden verslag uit aan de Raad en de Commissie over de tenuitvoerlegging van dit besluit en de juiste besteding van de in het kader daarvan ontvangen bedragen, alsook over de in artikel 8 bedoelde stappenplannen.
Amendement 42
Voorstel voor een besluit
Artikel 11 bis (nieuw)
Artikel 11 bis
Evaluatie
De Commissie legt uiterlijk in juli 2016 een tussentijdse evaluatie voor aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van dit besluit en doet in voorkomend geval de nodige aanbevelingen voor een permanent herplaatsingsmechanisme, ook met het oog op de aangekondigde Dublin-geschiktheidscontrole.
De Commissie dient uiterlijk op ...* een eindevaluatieverslag over de toepassing van dit besluit in bij het Europees Parlement en de Raad.
De lidstaten zenden de Commissie tijdig alle informatie toe die nodig is voor de voorbereiding van dat verslag.
____________
* PB: gelieve de datum in te voegen: 30 maanden na de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
Amendement 43
Voorstel voor een besluit
Bijlage II bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Bijlage II bis

De herplaatsingsprocedure

In het Commissievoorstel bedoelde procedure; aanvullende stappen die door het Europees Parlement werden toegevoegd zijn onderstreept

1 - Eerste verwerking voor personen die om internationale bescherming verzoeken

—  Vaststelling van personen voor wie een andere lidstaat bevoegd is (of zou moeten zijn) volgens de Dublinverordening

→ Dublinoverdrachten

—  Vaststelling van kwetsbare verzoekers

—  Vaststelling van naaste verwanten voor gezamenlijke herplaatsing

—  Vaststelling van de voorkeuren van de verzoekers voor bepaalde lidstaten

2 - Selectie van de verzoekers om herplaatsing

—  Italië/Griekenland bepalen welke verzoekers herplaatst worden

—  Zij lichten de lidstaten in over het aantal nodige plaatsen en over de voorkeuren van de verzoekers

3 - Medewerking van de lidstaten

—  De lidstaten lichten Italië/Griekenland in over het aantal beschikbare plaatsen voor herplaatsing

—  De verbindingsofficieren kunnen een gesprek voeren met de verzoekers die een voorkeur voor hun lidstaat hebben uitgedrukt

—  De lidstaten drukken hun voorkeur uit voor bepaalde verzoekers

4 - Herplaatsingsbeslissing

—  Italië/Griekenland beslissen welke verzoekers naar welke lidstaat herplaatst worden door rekening te houden met de voorkeuren van de verzoekers en de lidstaten

5 - Informatie en instemming

—  Verzoekers worden uitvoerig ingelicht over hun lidstaat van herplaatsing

—  In beginsel moeten verzoekers instemmen met de herplaatsing naar die lidstaat

6 - Overdracht

Overdracht van de verzoekers naar de lidstaat van herplaatsing binnen één maand

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

VERKLARING VAN HET EUROPEES PARLEMENT

Vanuit de noodzaak om onmiddellijke maatregelen te treffen ten gunste van lidstaten die door een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen in een noodsituatie terechtkomen, heeft het Europees Parlement ingestemd met de door de Commissie voorgestelde rechtsgrond van artikel 78, lid 3, VWEU voor het besluit van de Raad tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten behoeve van Italië en Griekenland. Het Europees Parlement kan artikel 78, lid 3, VWEU echter alleen als rechtsgrond aanvaarden als een noodmaatregel, waarna een echt wetgevingsvoorstel zal worden gedaan om in de toekomst noodsituaties op een gestructureerde manier het hoofd te bieden. Het benadrukt dat artikel 78, lid 2, VWEU, dat de gewone wetgevingsprocedure vaststelt om te bepalen welke lidstaat bevoegd is om een aanvraag voor internationale bescherming in overweging te nemen, en artikel 80, tweede zin, VWEU, waarmee uitvoering wordt gegeven aan het solidariteitsbeginsel zoals vastgesteld in artikel 80, eerste zin, de juiste rechtsgrond is. Het Europees Parlement beklemtoont bovendien dat de vaststelling van dit besluit het scala aan rechtsgronden waaruit de medewetgever in de toekomst zijn keuze kan bepalen, in het bijzonder met betrekking tot de artikelen 78 en 80 VWEU, volstrekt onverlet laat. Het Europees Parlement dringt er bij de Commissie op aan tegen het einde van 2015 een wetgevingsvoorstel in te dienen met betrekking tot een permanent herplaatsingsmechanisme op grond van artikel 78, lid 2, en artikel 80, zoals werd aangekondigd door de Commissie in haar Europese migratieagenda. Het Europees Parlement behoudt zich het recht voor om een initiatiefverslag van wetgevende aard voor te bereiden in het geval dat de Commissie een dergelijk wetgevingsvoorstel niet op tijd indient.


De stedelijke dimensie van EU-beleid
PDF 282kWORD 96k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 september 2015 over de stedelijke dimensie van EU-beleid (2014/2213(INI))
P8_TA(2015)0307A8-0218/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name titel XVIII,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(3),

–  gezien zijn resolutie van 23 juni 2011 over de Europese stedelijke agenda en de toekomst hiervan binnen het cohesiebeleid(4),

–  gezien zijn resolutie van 21 februari 2008 over een follow-up van de Territoriale Agenda en het Handvest van Leipzig - Naar een Europees actieprogramma voor ruimtelijke ontwikkeling en territoriale samenhang(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 juli 2014 over de stedelijke dimensie van het Europees beleid – Hoofdkenmerken van een Europese stedelijke agenda (COM(2014)0490),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 juni 2014 over het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT): stand van zaken en vooruitzichten (COM(2014)0368),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juli 2012 getiteld "Slimme steden en gemeenschappen - Europees Innovatiepartnerschap" (C(2012)4701),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 oktober 1998 getiteld "Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie" (COM(1998)0605),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 mei 1997 getiteld "Aanzet tot een actieve benadering van de steden in de Europese Unie" (COM(1997)0197),

–  gezien het zesde verslag van de Commissie inzake economische, sociale en territoriale cohesie: "Investeren in groei en werkgelegenheid – Bevorderen van ontwikkeling en goed bestuur in regio's en steden van de EU", juli 2014,

–  gezien het verslag van de Commissie getiteld "Steden van morgen: investeren in Europa", Brussel, 17 en 18 februari 2014,

–  gezien het verslag van de Commissie getiteld "Digital Futures – a journey into 2050 visions and policy challenges, cities, villages and communities" (Digitale toekomstvooruitzichten – een verkenning van de visies en beleidsuitdagingen, steden, dorpen en gemeenschappen in 2050), 2014,

–  gezien het verslag van de Commissie getiteld "Cities of tomorrow, challenges, visions, way forward" (Steden van morgen: uitdagingen, visies en de te volgen koers), Brussel, oktober 2011,

–  gezien de ministeriële verklaring over de stedelijke agenda van de EU, die op 10 juni 2015 werd aangenomen tijdens de informele vergadering van de voor territoriale samenhang en stedelijke aangelegenheden bevoegde ministers in Riga,

–  gezien de conclusies van de Raad die op 19 november 2014 in Brussel werden aangenomen naar aanleiding van het zesde verslag van de Commissie getiteld "Economische, sociale en territoriale cohesie: Investeren in groei en werkgelegenheid",

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap die op 24 en 25 april 2014 werden aangenomen tijdens de informele bijeenkomst van de voor het cohesiebeleid bevoegde ministers in Athene,

–  gezien de conclusies van het Poolse voorzitterschap over de territoriale dimensie van het EU-beleid en het toekomstige cohesiebeleid, die op 24 en 25 november 2011 werden aangenomen tijdens de informele bijeenkomst van de voor het EU-cohesiebeleid bevoegde ministers in Poznan,

–  gezien de Territoriale agenda van de EU-2020 waarover op 19 mei 2011 overeenstemming werd bereikt tijdens de informele bijeenkomst van de voor ruimtelijke ordening en territoriale ontwikkeling bevoegde ministers in Gödöllő,

–  gezien de verklaring van Toledo die op 22 juni 2010 werd aangenomen tijdens de informele Raad van de voor stedelijke ontwikkeling bevoegde ministers in Toledo,

–  gezien het Handvest van Leipzig over duurzame Europese steden, dat op 24 en 25 mei 2007 werd aangenomen tijdens de informele Raad van de voor stedelijke ontwikkeling bevoegde ministers in Leipzig,

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 25 juni 2014 getiteld "Naar een integrale benadering van de steden in de Europese Unie",

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) van 23 april 2015 over de mededeling van de Commissie getiteld "De stedelijke dimensie van het Europees beleid – Hoofdkenmerken van een Europese stedelijke agenda" (COM(2014)0490),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0218/2015),

A.  overwegende dat in 2014 de helft van de wereldbevolking(6) en 72 % van de Europese bevolking in stedelijke gebieden woonde(7), en dat in 2050 bijna 80 % van de wereldbevolking in stedelijke gebieden zal wonen(8);

B.  overwegende dat "functionele stedelijke gebieden" in de EU een unieke polycentrische structuur rond grote, middelgrote en kleine dorpen, steden en de omliggende gebieden omvatten, die zodoende de van oudsher bestaande bestuurlijke grenzen overschrijden en diverse gebieden behelzen die aan elkaar gekoppeld zijn vanwege hun economische, sociale, ecologische en demografische moeilijkheden;

C.  overwegende dat steden, dorpen en functionele stedelijke gebieden, zoals metropolitane gebieden, niet alleen een belangrijke rol vervullen voor de participatiedemocratie, maar ook essentiële economische pijlers en motoren voor banen zijn in de EU, aangezien innovatie en nieuwe economische activiteiten vaak ontspringen in steden; overwegende dat ze daarom een belangrijke troef zijn voor de EU in haar betrekkingen met andere delen van de wereld, maar dat dit ook de plaatsen zijn waar belemmeringen voor groei en werkgelegenheid moeten worden bestreden en sociale uitsluiting (bijvoorbeeld laagopgeleide jongeren op de arbeidsmarkt), slechte toegankelijkheid en de achteruitgang van het milieu moeten worden aangepakt;

D.  overwegende dat steden, dorpen en functionele stedelijke gebieden en regio's het grootste aandeel in het energieverbruik en de broeikasgasemmisies in de EU voor hun rekening nemen; overwegende dat ze anderzijds een essentiële rol spelen bij het bereiken van een grotere energie-efficiëntie en zelfvoorziening op het gebied van energie, evenals bij de ontwikkeling van nieuwe initiatieven (zoals nieuwe vormen van economische bedrijvigheid) om de stedelijke mobiliteit aan te wakkeren en concurrerende en milieuvriendelijke vervoerssystemen te stimuleren zodat de groei, werkgelegenheid, sociale en territoriale cohesie, gezondheid en veiligheid bevorderd worden;

E.  overwegende dat sommige steden hun bevolking zien slinken en vergrijzen en met problemen kampen vanwege de grootschalige faciliteiten en overheidsdiensten die ze verstrekken, terwijl in andere steden de bevolking groeit, waardoor de druk op bestaande faciliteiten en overheidsdiensten (bijvoorbeeld onderwijs) toeneemt en andere problemen verergeren, zoals (jeugd)werkloosheid, sociale uitsluiting, verkeersopstoppingen, stedelijke expansie en verontreiniging, waardoor de pendeltijd fors toeneemt en de levenskwaliteit van veel Europeanen verslechtert;

F.  overwegende dat sommige van de grootste uitdagingen waarvoor steden zich gesteld zien in verband met economische en sociale ontwikkeling, klimaatverandering, vervoer en demografische verandering, alleen kunnen worden aangepakt via partnerschappen tussen de steden en de omliggende gebieden; overwegende dat vanwege de uitbreiding van met elkaar verbonden gebieden de afgelopen jaren als gevolg van de ontwikkelingen vooral op het gebied van vervoer en communicatie de behoefte ontstaat aan de ontwikkeling van instrumenten ter bevordering van de connectiviteit;

G.  overwegende dat Europese beleidsinitiatieven een directe of indirecte impact hebben op de duurzame ontwikkeling van steden en het stedelijk beleid;

H.  overwegende dat ongeveer 70 % van het Europese beleid en de Europese wetgeving ten uitvoer wordt gelegd op lokaal en regionaal niveau;

I.  overwegende dat er op EU-niveau voor meer consistentie moet worden gezorgd tussen de verschillende beleidsinitiatieven en subsidieprogramma's van de EU door het gemeenschappelijk strategisch kader ten volle te benutten (titel II, hoofdstuk I, artikel 10 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen) en door een betere politieke coördinatie tussen en met belanghebbenden en overheidsniveaus, aangezien de sectorale benadering van het EU-beleid kan leiden tot contraproductieve beleidsvormen en wetgeving voor stedelijke gebieden;

J.  overwegende dat de Commissie in 1997 een mededeling uitbracht over een stedelijke agenda voor de EU(9), maar dat de rol van Europese steden in de beleidsvoering van de EU nog ter discussie staat;

K.  overwegende dat het Parlement in het verleden het voorstel van de Commissie steunde om een "stedelijke agenda" te presenteren als kader voor toekomstig stedelijk beleid op Europees niveau;

L.  overwegende dat subsidiariteit, zoals gedefinieerd in VWEU, evenals het meerlagig bestuur, op basis van gecoördineerde actie van de EU, de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten, en het partnerschapsbeginsel, essentiële elementen zijn voor de correcte tenuitvoerlegging van al het EU-beleid, en overwegende dat de middelen en bevoegdheden van lokale en regionale autoriteiten dienovereenkomstig beter moeten worden ingezet;

M.  overwegende dat de Verordening betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (Verordening (EU) nr. 1301/2013) de stedelijke dimensie van de Europese structuur- en investeringsfondsen versterkt door ten minste 5 % van haar financiële steun toe te wijzen aan geïntegreerde maatregelen voor duurzame stedelijke ontwikkeling via het delegeren van beheerstaken aan stedelijke autoriteiten, voornamelijk door ze meer verantwoordelijkheid te geven bij taken die ten minste verband houden met de selectie van projecten via nieuwe instrumenten als geïntegreerde territoriale investeringen (ITI's), vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkeling (CLLD) en "innovatieve maatregelen", en door een netwerk voor stedelijke ontwikkeling op te zetten;

N.  overwegende dat het partnerschapsbeginsel zoals vastgelegd in de Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (Verordening (EU) nr. 1303/2013) en de Europese gedragscode de lidstaten ertoe verplichten om te zorgen voor de vroegtijdige betrokkenheid van stedelijke autoriteiten in het beleidsvormingsproces van de EU;

De stedelijke dimensie van EU-beleid

1.  is van mening dat dorpen, steden en functionele stedelijke gebieden met EU-beleid moeten worden gesteund en in staat worden gesteld om tot volle wasdom te komen als motors van economische groei, werkgelegenheid, sociale inclusie en duurzame ontwikkeling; vindt dan ook dat deze dorpen, steden en functionele stedelijke gebieden nauwer moeten worden betrokken bij de hele cyclus van Europese beleidsvorming;

2.  verzoekt de Commissie en, in voorkomend geval, de lidstaten met voorstellen te komen voor manieren om een mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing in te voeren, overeenkomstig artikel 6 van het protocol over de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel, zodat de decentrale overheden kunnen bepalen of de subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginselen in acht zijn genomen, de decentrale overheden in een vroeg stadium bij de beleidsprocessen kunnen worden betrokken en goed onderbouwde territoriale ontwikkelingsstrategieën en een efficiëntere uitvoering van toekomstige wetgeving mogelijk worden gemaakt;

Naar een geïntegreerde Europese stedelijke agenda

3.  is ingenomen met het initiatief van de Commissie om te komen tot een Europese stedelijke agenda; is voorstander van het opzetten van een coherent kader voor EU-beleid met een stedelijke dimensie, dat erop gericht is om lokale stedelijke oplossingen beter te laten aansluiten op EU-behoeften, sectoraal beleid en bestuursniveaus beter aan elkaar aan te passen, de steun van de EU beter af te stemmen op de stedelijke uitdagingen in kwestie en de beoordeling van de territoriale impact van het sectorale beleid te verbeteren; is van mening dat de Europese stedelijke agenda vooral de ontwikkeling van bestuurlijke oplossingen moet bevorderen teneinde optimaal te kunnen inspelen op de problemen en doelstellingen van een duurzame, economische en sociaal inclusieve ontwikkeling van dorpen, steden en functionele stedelijke gebieden in Europa;

4.  erkent dat, ofschoon de EU geen expliciete bevoegdheid heeft op het vlak van stedelijke ontwikkeling, een breed scala aan EU-initiatieven een directe of indirecte impact heeft op dorpen, steden en stedelijke gebieden; is dan ook van mening dat goed doordacht en reeds langer bestaand stedelijk beleid op nationaal en regionaal niveau een voorwaarde is voor een Europese stedelijke agenda; is van oordeel dat die agenda een strategie dient op te leveren voor dorpen, steden en functionele stedelijke gebieden in de EU, die zich op lange termijn zal ontwikkelen tot een stedelijk beleid op EU-niveau; onderstreept in dit verband dat de territoriale ontwikkeling van stedelijke gebieden gestoeld moet zijn op een evenwichtige territoriale organisatie met een polycentrische stedelijke structuur in overeenstemming met de Territoriale Agenda van de EU 2020;

5.  is ervan overtuigd dat de Europese stedelijke agenda een gezamenlijke inspanning moet zijn van de Commissie, de lidstaten, de lokale autoriteiten en andere belanghebbenden om EU-beleid met een stedelijke dimensie te rationaliseren, te coördineren en ten uitvoer te leggen door middel van een praktische, geïntegreerde en gecoördineerde maar toch flexibele aanpak "in en met" de dorpen, steden en functionele stedelijke gebieden, waarbij rekening gehouden wordt met de specifieke lokale territoriale kenmerken en de institutionele opbouw van elke lidstaat geëerbiedigd wordt;

6.  vindt dat een Europese stedelijke agenda volledig moet aansluiten bij de algemene doelstellingen en strategie van de EU, in het bijzonder Europa 2020, en de doelstellingen van territoriale samenhang; benadrukt dat bestuurlijke grenzen steeds minder vastomlijnd worden bij het aanpakken van de ontwikkelingsproblematiek op regionaal en lokaal niveau; is dan ook van mening dat de Europese stedelijke agenda inclusief moet zijn, waarbij terdege rekening moet worden gehouden met de diversiteit van territoriale entiteiten in de EU en met grensoverschrijdende verbanden en de koppelingen tussen stad en platteland, met inbegrip van de diensten die functionele stedelijke gebieden leveren aan het omliggende platteland;

7.  dringt er bij de Commissie op aan een mededeling uit te brengen waarin de details van de toekomstige Europese stedelijke agenda uiteen worden gezet, op basis van het "urban acquis" en uitvoerig overleg met diverse belanghebbenden, met inbegrip van economische en sociale partners, en maatschappelijke organisaties; verzoekt de Commissie de Europese stedelijke agenda op te nemen in haar jaarlijkse werkprogramma;

Mainstreaming van een geïntegreerde aanpak van territoriale ontwikkeling in de EU-beleidsvorming en -wetgeving

8.  verzoekt de Commissie bij het opstellen van nieuwe beleidsinitiatieven voor stedelijke gebieden een geïntegreerde territoriale benadering te hanteren die meer plaatsgebonden is, om consistentie te waarborgen en dorpen, steden en functionele stedelijke gebieden meer eigen verantwoordelijkheid te geven om de doelstellingen van slimme, duurzame en inclusieve groei te halen, onder andere met een geïntegreerde EU-aanpak ter ondersteuning van slimme en duurzame projecten in de Europese steden, waarmee wordt bijgedragen aan de bevordering van de sociaal-economische ontwikkeling;

9.  verzoekt de Commissie bij wijze van algemene regel een territoriale effectbeoordeling in te voeren over de stedelijke dimensie om de praktische haalbaarheid van alle relevante EU-beleidsinitiatieven op regionaal en lokaal niveau te garanderen, zich welwillend op te stellen ten aanzien van inbreng van gedecentraliseerde overheidsniveaus bij het opstellen van effectbeoordelingen en nieuw beleid ("bottom-upbenadering") en erop toe te zien dat in al het sectorale EU-beleid op dit vlak de uitdagingen waarmee dorpen, steden en stedelijke gebieden kampen op de juiste wijze worden aangepakt; verzoekt de Commissie zich bij deze territoriale effectbeoordelingen te richten op de volgende onderwerpen: evenwichtige territoriale ontwikkeling, territoriale integratie, aspecten van bestuur, regelgeving en tenuitvoerlegging op lokaal niveau en de samenhang met andere beleidsdoelstellingen;

10.  dringt er bij de Commissie op aan alle beschikbare gegevens en gezamenlijke conceptuele kaders ("urban acquis") te systematiseren en te analyseren om dubbel werk en inconsistenties te voorkomen en een duidelijke definitie te formuleren van geïntegreerde duurzame stedelijke ontwikkeling, om zodoende de gemeenschappelijke coherente en transparante EU-doelstellingen op dit vlak vast te kunnen stellen;

11.  is ervan overtuigd dat er voldoende gegevens beschikbaar moeten zijn om stedelijke gebieden accurater te kunnen beoordelen dan alleen met de bbp-indicator; is dan ook van mening dat Eurostat meer gedetailleerde gegevens op lokaal niveau moet vergaren en verstrekken, en dat er verder moet worden gewerkt aan de Urban Audit en vergelijkbare onderzoeken; verzoekt de Commissie tevens instrumenten te ontwikkelen waarmee de voortgang en de impact van een geïntegreerde stedelijke agenda op EU-niveau kan worden gemeten;

12.  spoort de Commissie aan de administratieve rompslomp die gepaard gaat met de tenuitvoerlegging van de huidige EU-wetgeving op lokaal niveau te beperken, en erop toe te zien dat voor alle toekomstige regelgeving de gevolgen van de tenuitvoerlegging op lokaal niveau grondig worden geanalyseerd;

De stedelijke dimensie van EU-beleidsinstrumenten en financiering

13.  herinnert eraan dat het cohesiebeleid van de EU en de bijbehorende financieringsinstrumenten beter toegerust zijn om complexe geïntegreerde territoriale strategieën voor functionele stedelijke gebieden te steunen door middel van gezamenlijke strategische planning en regels; spoort de lidstaten aan ten volle gebruik te maken van de beschikbare nieuwe instrumenten, zoals geïntegreerde territoriale investeringen (ITI's), vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkeling (CLLD) en de nieuwe flexibele operationele programma's (OP's), om de tenuitvoerlegging van geïntegreerde plannen voor stedelijke ontwikkeling met succes te kunnen steunen; spoort de lidstaten en de Commissie aan een coherente reeks passende indicatoren op te stellen die een betere beoordeling van de stedelijke dimensie van de met steun van de Europese structuur- en investeringsfondsen uitgevoerde acties en initiatieven mogelijk maken;

14.  vindt het belangrijk dat het potentieel van de macroregionale strategieën voor het welslagen van de geïntegreerde benadering van steden ten volle wordt benut; verzoekt de Commissie aspecten van de Europese stedelijke agenda naar behoren op te nemen en te integreren, en in de macroregionale strategieën van de EU die een model vormen voor de planning en het meerlagig bestuur, de stedelijke dimensie te benadrukken;

15.  betreurt het dat, ofschoon het nieuwe cohesiebeleid wettelijk bindende stedelijke aspecten kent, vooral wat betreft de betrokkenheid van steden in de programmeringsfase, de werkelijke deelname van vertegenwoordigers van steden en stedelijke gebieden bij de beleidsvorming tegenvalt, en denkt dat deze kan worden verbeterd door hen in een vroeg stadium bij de beleidsprocessen te betrekken, bijvoorbeeld door middel van overleg, evaluatie en de uitwisseling van optimale werkmethoden en ervaringen; verzoekt de Commissie en de lidstaten bij de uitvoering van door de EU gefinancierde programma's en projecten de toepassing van het partnerschapsbeginsel te garanderen (waarbij tevens rekening wordt gehouden met de gedragscode inzake partnerschap (artikel 5, lid 3 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen), met speciale aandacht voor de betrokkenheid van steden, dorpen en functionele stedelijke gebieden bij de voorbereiding, het beheer en het bestuur van de programma's, onder meer op grensoverschrijdend niveau;

16.  pleit voor meer betrokkenheid van dorpen en steden bij de programma's van de structuur- en investeringsfondsen; is van oordeel dat de hieruit geleerde lessen van pas kunnen komen bij de vaststelling van een belangrijke beleidsaanbeveling voor de ontwikkeling van het cohesiebeleid voor de periode na 2020; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan de tenuitvoerlegging van de Europese stedelijke agenda te testen op specifieke thematische terreinen die een afspiegeling vormen van de uitdagingen waarmee stedelijke gebieden worstelen ("stedelijke proefprojecten"), met name door zorg te dragen voor de sectoroverschrijdende coördinatie van de verschillende beleidsmaatregelen van de EU, bestaande overlappingen weg te werken, het model van meerlagig bestuur toe te passen en territoriale effectbeoordelingen uit te voeren; verzoekt de Commissie regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over de voortgang en de geboekte resultaten;

17.  pleit voor een betere coördinatie en integratie van het investeringsbeleid van de EU dat mogelijkheden biedt om te zorgen voor duurzame, geïntegreerde en sociaal inclusieve stedelijke ontwikkeling; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan het regelgevingskader volledig te benutten om synergieën tot stand te brengen tussen het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), de door de EU gesubsidieerde programma's (zoals LIFE, Horizon 2020, Intelligente Energie voor Europa, enz.) en middelen voor het cohesiebeleid, alsook publieke (d.w.z. nationale) investeringen, particuliere kapitaal- en financieringsinstrumenten om het maximale hefboomeffect van de investeringen te genereren; onderstreept dat de complementariteit van al het investeringsbeleid en een grotere synergie moeten worden gewaarborgd en dat dubbele financiering en overlapping moeten worden voorkomen;

Een nieuw model van meerlagig bestuur (multi-level governance)

18.  wijst erop dat de belangrijkste economische, sociale en ecologische uitdagingen van onze tijd de van oudsher bestaande bestuurlijke grenzen overstijgen, en dat de toenemende discrepantie tussen bestuurlijke en territoriale structuren (samenwerking tussen steden, stedelijke agglomeraties en tussen stad en platteland, enz.) nieuwe vormen van flexibel bestuur vergen om de geïntegreerde territoriale ontwikkeling van functionele gebieden voort te kunnen zetten;

19.  is van mening dat de Europese stedelijke agenda gebaseerd moet zijn op een nieuwe vorm van meerlagig bestuur, waarbij het lokale niveau nauwer wordt betrokken bij alle stadia van de politieke cyclus, zodat het beleid nauwer wordt afgestemd op de werkelijke situatie en consistenter wordt met en beter inspeelt op de constante veranderingen die functionele stedelijke gebieden doormaken; is in dit verband van mening dat het Comité van de Regio's als vertegenwoordiger van de regionale en lokale territoriale eenheden ook een rol in dat proces moet spelen;

20.  dringt er bij de Commissie op aan elementen voor een nieuw model van meerlagig bestuur voor te stellen dat is gebaseerd op partnerschappen en echte samenwerking en verder gaat dan het eenvoudigweg raadplegen van de belanghebbenden, een model waarbij formele overheidsstructuren worden gecombineerd met informele flexibele bestuursstructuren die overeenstemmen met de nieuwe realiteit van de gedigitaliseerde "netwerksamenleving" – een model dat is aangepast aan de schaal waarop de uitdagingen voorkomen en waarmee de samenwerking op meerdere niveaus betert wordt, zowel verticaal als horizontaal, met overheids- en non-gouvernementele spelers op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau, waardoor de overheid dichter bij de burgers komt te staan en de democratische legitimiteit van het Europese project wordt vergroot; stelt voor dat dit unieke, pasklare model de werkmethode wordt voor de toekomstige Europese stedelijke agenda, nadat de partners hiermee akkoord zijn gegaan en er met alle relevante belanghebbenden overleg is gevoerd;

Kennisbeheer en gegevensuitwisseling

21.  is van mening dat stedelijke platformen en netwerken (zoals URBACT en het netwerk voor stedelijke ontwikkeling) en andere programma's voor kennisuitwisseling tussen steden (zoals Civitas, het burgemeestersconvenant, Mayors Adapt, het initiatief Slimme steden en gemeenten, het Referentiekader voor duurzame Europese steden en ManagEnery) een uitstekende mogelijkheid hebben geboden om lokale, regionale en grensoverschrijdende spelers te betrekken bij stedelijke ontwikkeling en onderlinge kennisuitwisseling; dringt er bij de Commissie op aan een betere coördinatie tussen deze platformen te bestendigen en te waarborgen zodat lokale spelers ze beter kunnen begrijpen en er efficiënter gebruik van kunnen maken;

22.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan optimaal gebruik te maken van de activiteiten op het vlak van gegevensuitwisseling en capaciteitsopbouw, die tot stand worden gebracht dankzij door de EU gefinancierde projecten en andere netwerkactiviteiten tussen steden; spoort de Commissie aan mechanismen te ontwikkelen voor een betere uitwisseling van projectresultaten tussen al haar diensten, en ervoor te zorgen dat de resultaten worden ingepast in zowel nationale als EU-beleidsontwikkelingen;

23.  vindt dat de database van Urban Audit geactualiseerd en verbeterd moet worden om beter op maat gemaakt beleid te kunnen formuleren; spoort Eurostat en de Commissie aan gedetailleerdere gegevens te verstrekken die zijn verzameld waar het beleid wordt uitgevoerd, veelal op lokaal niveau; onderstreept dat ook het verzamelen van stroomgegevens – waarmee de relatie tussen steden en de omliggende gebieden, alsook binnen de functionele stedelijke gebieden, wordt gemeten – steeds belangrijker wordt om deze complexe functionele gebieden beter te kunnen begrijpen, en dringt er daarom bij de Commissie op aan deze gegevens te vergaren en te analyseren en ze te gebruiken om beleidsontwikkelingen legitimiteit te geven;

De tenuitvoerlegging van de toekomstige Europese stedelijke agenda

24.  vindt dat de Europese stedelijke agenda, om een doeltreffend hulpmiddel te kunnen zijn, een gezamenlijk en regelmatig bijgewerkt conceptueel kader moet zijn met een thematisch zwaartepunt dat ligt bij een beperkt aantal uitdagingen in de bredere context van de Europa 2020-doelstellingen van slimme, inclusieve en duurzame groei;

25.  is sterk van mening dat deze uitdagingen moeten voldoen aan de volgende criteria: 1) ze moeten in overeenstemming zijn met het gezamenlijke conceptuele kader; 2) het gaat om grote stedelijke uitdagingen met een aanzienlijke impact op steden, dorpen en functionele stedelijke gebieden in en tussen de lidstaten; 3) ze kunnen niet door lidstaten alleen worden aangepakt; 4) een EU-aanpak biedt meerwaarde; verzoekt de Commissie deze uitdagingen in kaart te brengen, de overgebleven knelpunten, onsamenhangende elementen in het beleid of leemten in de capaciteit en kennis op te sporen, in nauwe samenwerking met alle belanghebbenden, vooral op lokaal niveau;

26.  verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem toe te zien op meer sectoroverschrijdende coördinatie op alle overheidsniveaus van beleid met een stedelijke dimensie, en zo een betere mainstreaming van geïntegreerde stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken; verzoekt het directoraat-generaal voor Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling (DG REGIO), dat belast is met het stedelijk beleid van de EU, in nauwe samenwerking met de interdepartementale Commissiewerkgroep voor stedelijke ontwikkeling, dit proces in gang te zetten en ervoor te zorgen dat de stedelijke dimensie in acht wordt genomen bij alle relevante nieuwe initiatieven; verzoekt de voorzitter van de Europese Commissie binnen het college van commissarissen een politiek leidsman te benoemen die de strategische koers uitzet voor de stedelijke agenda van het Europese beleid en jaarlijks verslag uitbrengt aan het Parlement;

27.  verzoekt de Commissie om in het kader van reeds bestaande diensten of organen van de Commissie een speciale EU-coördinator voor stedelijk beleid aan te wijzen om de praktische invulling van deze coördinatie te controleren en te evalueren, zowel horizontaal (door alle belangrijke beleidssectoren erbij te betrekken) als verticaal (op alle overheidsniveaus); is van mening dat de speciale EU-coördinator voor stedelijk beleid met de hulp van de interdepartementale Commissiewerkgroep voor stedelijke ontwikkeling, binnen de Commissie een centraal loket moet opzetten voor stedelijk beleid en ervoor moet zorgen dat gegevens over stedelijk beleid binnen en tussen de diensten van de Commissie en diverse belanghebbenden naar behoren worden verzameld, beheerd en verspreid met als doel om een bewustmakingsmechanisme in het leven te roepen met het oog op vroegtijdige waarschuwing waarbij lokale en regionale autoriteiten in een vroeg stadium worden betrokken bij beleidsprocessen die gevolgen hebben voor dorpen, steden en functionele stedelijke gebieden;

28.  spoort de Commissie aan om, gebruikmakend van de bestaande structuren en bijvoorbeeld als onderdeel van het stedelijk proefproject, in de lidstaten centrale loketten op te zetten waar men terecht kan voor informatie over de stedelijke dimensie van het EU-beleid (stedelijk éénloketsysteem) met name om uitgebreide informatie te verschaffen over verschillende EU-initiatieven, richtsnoeren en financiële mogelijkheden in verband met stedelijke ontwikkeling;

29.  verzoekt de Commissie regelmatig een stedentop te houden naar het voorbeeld van het forum "Steden van morgen", waar belanghebbenden van alle bestuursniveaus en uit verschillende sectoren bijeengebracht worden; vindt dat zulke topbijeenkomsten steden een uitgelezen mogelijkheid moeten bieden om een constructieve dialoog aan te gaan met beleidsmakers op alle relevante beleidsterreinen en moeten bijdragen aan de beoordeling van de impact van EU-beleid op dorpen, steden en functionele stedelijke gebieden en aan de manier waarop ze het best kunnen worden betrokken bij op stapel staande initiatieven;

30.  dringt er bij de lidstaten op aan steden en functionele stedelijke gebieden volledig en op bindende wijze te koppelen aan en te betrekken bij strategische beleidsontwikkeling en -programmering (zoals nationale hervormingsprogramma's, partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's); verzoekt de lidstaten meer ervaringen uit te wisselen over nationale programma's voor stedelijke ontwikkeling, zodat steden de doelstellingen van Europa 2020 kunnen halen, door regelmatig informele bijeenkomsten te beleggen van de Raad van ministers die belast zijn met stedelijke ontwikkeling;

Externe dimensie van de Europese stedelijke agenda

31.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan terdege rekening te houden met de lopende voorbereidende werkzaamheden voor de Habitat III-agenda, en erop toe te zien dat de toekomstige Europese stedelijke agenda volledig in overeenstemming is met en afgestemd wordt op de doelstellingen van deze mondiale stedelijke agenda; verzoekt de Commissie het Parlement op regelmatige basis te informeren over de externe dimensie van de Europese stedelijke agenda, en is van mening dat deze agenda de bijdrage van de EU kan gaan vormen aan het internationale debat over de "Nieuwe Stedelijke Agenda" van de Verenigde Naties en de Habitat III-conferentie over huisvesting en duurzame stedelijke ontwikkeling in 2016;

32.  is van oordeel dat het noodzakelijk is om de EU en de lidstaten, met raadpleging en bijdragen van lokale en regionale autoriteiten, op een transparante, samenhangende en open manier te betrekken bij de Internationale Organisatie voor normalisatie (ISO) met betrekking tot de ontwikkeling van nieuwe normen voor duurzame stedelijke ontwikkeling, met inachtneming van de universele leidende beginselen voor ruimtelijke ordening en territoriale ontwikkeling die in VN-verband zijn uitgewerkt; beklemtoont dat de nieuwe ISO-normen moet worden beschouwd als een nuttig en niet als een normatief instrument;

o
o   o

33.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz.320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.
(4) PB C 390E van 18.12.2012, blz. 10.
(5) PB C 184E van 6.8.2009, blz. 95.
(6) Parag Khanna, Beyond City Limits, Foreign Policy, 6 augustus 2010.
(7) Eurostat - City Statistics, 2014.
(8) The Vertical Farm, www.verticalfarm.com.
(9) Mededeling van de Commissie van 6 mei 1997 getiteld "Aanzet tot een actieve benadering van de steden in de Europese Unie" (COM(1997)0197).


Investeringen ter bevordering van banen en groei: bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie
PDF 238kWORD 123k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 september 2015 over investeringen ter bevordering van banen en groei: bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie (2014/2245(INI))
P8_TA(2015)0308A8-0173/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het zesde verslag van de Commissie inzake economische, sociale en territoriale cohesie getiteld "Investeren in groei en werkgelegenheid: bevorderen van ontwikkeling en goed bestuur in regio's en steden van de EU" van 23 juli 2014 (hierna: "het zesde cohesieverslag"),

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en met name de artikelen 4, 162, 174 tot en met 178 en 349,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (hierna: "de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen")(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1302/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1082/2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), wat de verduidelijking, vereenvoudiging en verbetering van de oprichting en werking van dergelijke groeperingen betreft(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1300/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1084/2006 van de Raad(6),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(7),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(8),

–  gezien de "Territoriale Agenda van de Europese Unie 2020: voor een geïntegreerd, intelligent en duurzaam Europa van diverse regio's", zoals overeengekomen tijdens de informele bijeenkomst van de voor ruimtelijke ordening en territoriale ontwikkeling bevoegde ministers te Gödöllő, Hongarije, op 19 mei 2011,

–  gezien het achtste voortgangsverslag van de Commissie over economische, sociale en territoriale cohesie getiteld "De regionale en stedelijke dimensie van de crisis" van 26 juni 2013,

–  gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over slimme specialisatie: netwerken van kenniscentra voor een doeltreffend cohesiebeleid(9),

–  gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over de gereedheid van de EU-lidstaten voor een doeltreffende en tijdige aanvang van de nieuwe programmeringsperiode van het cohesiebeleid(10),

–  gezien zijn resolutie van 26 februari 2014 over het zevende en achtste voortgangsverslag van de Europese Commissie over het cohesiebeleid van de EU en het strategisch verslag 2013 over de uitvoering van de programma's 2007-2013(11),

–  gezien zijn resolutie van 26 februari 2014 over de optimalisering van het potentieel van ultraperifere gebieden door middel van het scheppen van synergieën tussen de EU-structuurfondsen en andere EU-programma's(12),

–  gezien zijn resolutie van 27 november 2014 over vertraging bij de start van het cohesiebeleid 2014-2020(13),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 oktober 2011 getiteld "Een kader voor de volgende generatie innovatieve financiële instrumenten – de EU-platforms voor eigen en vreemd vermogen" (COM(2011)0662),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2014 getiteld "Een investeringsplan voor Europa" (COM(2014)0903),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 januari 2015 getiteld "Optimaal benutten van de flexibiliteit binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact" (COM(2015)0012),

–  gezien het speciale verslag van de Europese Rekenkamer getiteld "Door het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling gecofinancierde financiële instrumenten voor het midden- en kleinbedrijf" (speciaal verslag nr. 2/2012),

–  gezien de conclusies van de Raad over het zesde verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie: investeren in groei en werkgelegenheid, goedgekeurd door de Raad Algemene Zaken (Cohesie) op 19 november 2014,

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 3 december 2014 over het zesde verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie(14),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 januari 2015 over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s – Zesde verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie: investeren in groei en werkgelegenheid(15),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 9 maart 2015 over het EU-scorebord voor Justitie 2015 (COM(2015)0116),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 januari 2015 getiteld "Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2 op de algemene begroting 2015" (COM(2015)0016),

–  gezien het jaarverslag 2013 over de bescherming van de financiële belangen van de EU - Fraudebestrijding,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0173/2015),

A.  overwegende dat de doorslaggevende rol van het EU-cohesiebeleid bij het verkleinen van regionale verschillen, het bevorderen van economische, sociale en territoriale cohesie van de regio's van de lidstaten en het ondersteunen van het scheppen van banen onbetwistbaar is; overwegende dat het cohesiebeleid, met een begroting van meer dan 350 miljard EUR tot 2020, het belangrijkste EU-brede beleidsterrein op het gebied van investeringen in de reële economie is, alsook een belangrijk instrument voor groei en werkgelegenheid in de EU; overwegende dat tijdens de economische crisis het cohesiebeleid het instrument bij uitstek is om het investeringsniveau in de diverse lidstaten te behouden; overwegende dat financiering in het kader van het cohesiebeleid voor een aantal lidstaten de belangrijkste bron van overheidsinvesteringen vormt; overwegende dat de concrete, zichtbare aard van de resultaten van het cohesiebeleid is bevestigd door vele verschillende evaluatiemethodes;

B.  overwegende dat uit de meest recente cijfers over 2013 blijkt dat de langdurige werkloosheid in de Unie zich met 5,1 % van de beroepsbevolking op een historisch hoog peil bevindt; overwegende dat langdurige werkloosheid cruciale gevolgen heeft voor iemands levensloop en een structureel karakter kan krijgen, vooral in perifere regio's;

C.  overwegende dat de overheidsinvesteringen in de Unie recentelijk in reële termen zijn afgenomen met 15 %, en overwegende dat vele regio's, met name de regio's die kampen met een demografische problematiek, geen passende bijdrage hebben kunnen leveren aan de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen, met name de kerndoelstelling van een werkgelegenheidspercentage van 75 % tegen 2020, de doelstelling om het aantal mensen in armoede met 20 miljoen te verminderen, en de doelstelling om voortijdig schoolverlaten terug te dringen;

D.  overwegende dat het te rechtvaardigen is dat de doelstellingen van het cohesiebeleid in de loop der tijd veranderd zijn als reactie op de nieuwe uitdagingen en problemen waarmee de Unie wordt geconfronteerd en dat het beleid zelf nauwer verweven is geraakt met de algemene beleidsagenda van de EU; overwegende dat de oorspronkelijke rol van het cohesiebeleid - het versterken van de economische, sociale en territoriale cohesie in alle EU-regio's, en in het bijzonder van minder ontwikkelde en de minst begunstigde regio's - evenwel moet worden bevorderd; overwegende dat het cohesiebeleid niet louter mag worden gezien als een instrument voor het bereiken van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie en andere EU-ontwikkelingsstrategieën, maar ook als investeringsbeleid in de gebieden;

E.  overwegende dat de economische crisis volgens het zesde cohesieverslag negatieve gevolgen heeft gehad voor de langetermijntrend in de richting van een verkleining van regionale verschillen en dat, ondanks enkele positieve ontwikkelingen, aan het begin van de nieuwe programmeringsperiode de uiteenlopende regionale verschillen nog steeds groot zijn;

F.  overwegende dat de middelen voor het cohesiebeleid middels een thematische concentratie worden toegespitst op een beperkt aantal strategische doelstellingen met groeipotentieel en met mogelijkheden op het gebied van het scheppen van banen, sociale inclusie, het milieu en de klimaatverandering;

G.  overwegende dat hoge groeicijfers en een sterke regionale economische convergentie niet mogelijk zijn zonder goed bestuur, daar er overeenkomstig het beginsel van meerlagig bestuur gezorgd moet worden voor een doeltreffendere betrokkenheid van alle partners op nationaal, regionaal en lokaal niveau, alsmede van de sociale partners en maatschappelijke organisaties;

H.  overwegende dat de partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's strategische instrumenten zijn die de investeringen in de lidstaten en de regio's sturen, zoals bedoeld in de artikelen 14, 16 en 29 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen met een tijdschema voor de indiening en vaststelling ervan, op grond waarvan de partnerschapsovereenkomsten eind augustus 2014 moeten zijn vastgesteld en de operationele programma's uiterlijk eind januari 2015;

I.  overwegende dat de opeenvolgende Raadsvoorzitters van 2015 en 2016 tijdens de informele Raadsvergadering in Gödöllő, Hongarije, in 2011 gevraagd zijn om te evalueren en te overwegen of de Territoriale Agenda van de EU 2020 moet worden herzien, waarbij rekening wordt gehouden met hoe deze in de praktijk werkt, en vervolgens eventueel een dergelijke herziening uit te voeren;

J.  overwegende dat de lidstaten, overeenkomstig artikel 175 VWEU, hun economische beleid voeren en coördineren met het oog op het verwezenlijken van de doelstellingen van harmonische ontwikkeling en versterking van de economische, sociale en territoriale cohesie, en overwegende dat het nieuwe investeringsplan daarom ook tot deze doelstellingen bijdraagt;

Resultaten en uitdagingen van het cohesiebeleid in de context van de economische en financiële crisis (programmeringsperiode 2007-2013)

1.  onderstreept dat het cohesiebeleid het belangrijkste instrument van de Europese Unie is dat is gericht op het verminderen van de economische, sociale en territoriale verschillen in de Europese regio's, in het kader waarvan hun concurrentievermogen wordt bevorderd en de klimaatverandering en energieafhankelijkheid worden aangepakt, terwijl tegelijkertijd een bijdrage wordt geleverd aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie; onderstreept dat de investeringen in het kader van het cohesiebeleid, ondanks de problemen van een aantal lidstaten en regio's om deze investeringen te cofinancieren, de negatieve gevolgen van de economische en financiële crisis voor een belangrijk deel hebben opgevangen en stabiliteit aan de regio's hebben gebracht door de fondsenstroom te waarborgen toen de nationale en regionale publieke en private investeringen sterk terugliepen; onderstreept dat de financiering uit hoofde van het cohesiebeleid gelijk was aan 21 % van de overheidsinvesteringen in de EU als geheel en aan 57 % in de cohesielanden tezamen;

2.  benadrukt dat bewezen is dat het cohesiebeleid snel kan reageren met flexibele maatregelen om de investeringskloof voor de lidstaten en de regio's aan te pakken, zoals het beperken van de nationale cofinanciering en het verstrekken van aanvullende vooruitbetalingen, alsook het opnieuw toewijzen van 13 % van de totale fondsen (45 miljard EUR) ter ondersteuning van de economische activiteit en de werkgelegenheid met directe gevolgen; is derhalve van mening dat een substantiële, grondige tussentijdse herziening van de doelstellingen en financieringsniveaus van fundamenteel belang is, indien mocht blijken dat de sociaaleconomische omstandigheden in de lidstaten of in een aantal van hun regio's zijn veranderd;

3.  onderstreept dat in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie het doel om de economische, sociale en territoriale cohesie en de solidariteit tussen de lidstaten te bevorderen, is vastgelegd;

4.  is ingenomen met de recente hervorming van het cohesiebeleid gericht op de aanpak van deze uitdagingen, op basis van een samenhangend strategisch kader voor 2014-2020 met duidelijke doelstellingen en stimulansen voor alle operationele programma's; verzoekt alle betrokkenen, en met name de belangrijkste betrokken autoriteiten, de effectiviteit en efficiëntie van de tenuitvoerlegging van het nieuwe wetgevingskader voor het cohesiebeleid te waarborgen door sterk de nadruk te leggen op het behalen van betere prestaties en resultaten; verzoekt alle betrokkenen goed functionerende mechanismen voor multilevel governance en coördinatie in te stellen om te zorgen voor samenhang tussen de programma's en ondersteuning bij de Europa 2020-strategie en landenspecifieke aanbevelingen;

5.  benadrukt dat een stabiel fiscaal en economisch – en regelgevings-, administratief en institutioneel – klimaat van essentieel belang is voor de effectiviteit van het cohesiebeleid, maar geen afbreuk mag doen aan het streven naar de doelstellingen en de verwezenlijking ervan; benadrukt in dit verband nogmaals dat een opschorting van betalingen, zoals bedoeld in artikel 23 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen, het de nationale, regionale en lokale autoriteiten moeilijker kan maken om te zorgen voor een doeltreffende planning en tenuitvoerlegging van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) voor de periode 2014-2020; benadrukt dat het beleid nauw moet worden afgestemd op de sectorale beleidsmaatregelen en dat er synergieën tot stand moeten worden gebracht met andere EU-investeringsregelingen, teneinde zowel de cohesie- als de Europa 2020-doelstellingen te verwezenlijken; herinnert er echter aan dat overeenkomstig artikel 175 VWEU alle economische beleidsmaatregelen gericht moeten zijn op de verwezenlijking van de doelstellingen inzake economische, sociale en territoriale cohesie;

6.  onderstreept dat het vergroten van de administratieve capaciteit voor programmering, uitvoering en evaluatie in de lidstaten van essentieel belang is voor een tijdige en succesvolle tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid;

7.  wijst erop dat er, hoewel het cohesiebeleid de gevolgen van de crisis heeft verzacht, nog steeds grote regionale verschillen bestaan, en dat de doelstelling van het cohesiebeleid om economische, sociale en territoriale verschillen te verkleinen, waarbij specifieke steun aan minder ontwikkelde regio's wordt verstrekt, nog niet overal is bereikt;

8.  wijst erop dat de lokale en regionale autoriteiten, ondanks de crisis en het feit dat de lokale financiën ernstig onder druk kwamen te staan, moesten blijven voldoen aan de vraag van burgers naar beter toegankelijke overheidsdiensten van hogere kwaliteit;

9.  onderstreept dat de herindustrialisering van de EU van groot belang is om te kunnen waarborgen dat de industriële productie tegen 2020 goed is voor een aandeel van ten minste 20 % van het bbp van de lidstaten; wijst er derhalve op dat het van groot belang is dat de beginselen inzake concurrentievermogen, duurzaamheid en betrouwbaarheid van de regelgeving proactief worden gesteund en versterkt om de werkgelegenheid en groei in Europa te stimuleren;

Tenuitvoerlegging en betalingsproblemen

10.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de aanzienlijke structurele vertraging bij de start van de programmeringsperiodes van het cohesiebeleid, als gevolg van vertraging bij de goedkeuring van de operationele programma's, onder meer via de overdrachtsprocedure; merkt op dat de druk op de betalingen kan oplopen door deze vertraging, met name in 2017 en 2018, die bovenop de bezorgdheden komt over de betreurenswaardige betalingsachterstand van circa 25 miljard EUR voor de programmeringsperiode 2007-2013; merkt op dat er, hoewel de situatie op het gebied van het cohesiebeleid -in een ruimere context bezien- beter is dan die op het gebied van plattelandsontwikkeling en visserij, bezorgdheid blijft bestaan over het feit dat een aanzienlijk aantal programma's van diverse lidstaten nog moet worden aangenomen; benadrukt dat deze vertragingen de geloofwaardigheid van de EU-begroting en de geloofwaardigheid, effectiviteit en duurzaamheid van het cohesiebeleid kunnen ondermijnen, waardoor het voor de nationale, regionale en lokale autoriteiten moeilijker wordt om de uitvoering van de periode 2007-2013 af te sluiten en om te zorgen voor een doeltreffende planning en tenuitvoerlegging van de ESIF voor de periode 2014-2020; is ingenomen met de recente inspanningen van de lidstaten en de Commissie op dit gebied, maar roept de Commissie op alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat alle resterende operationele programma's zonder verdere vertraging worden goedgekeurd, aangezien de voor het gebruik van niet-toegewezen middelen in 2014 vereiste herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) en het bijbehorende ontwerp van gewijzigde begroting reeds door het Parlement zijn goedgekeurd;

11.  wijst er nogmaals op dat het probleem van aanhoudende betalingsachterstanden vaker voorkomt bij het cohesiebeleid dan op enig ander beleidsterrein van de EU, waarbij eind 2014 24,8 miljard EUR aan facturen openstond voor het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het Cohesiefonds (CF) voor de periode 2007-2013, wat neerkomt op een stijging van 5,6 % ten opzichte van 2013; spoort de Commissie aan alle beschikbare middelen aan te wenden om deze openstaande facturen te betalen; onderstreept dat hierdoor eerst en vooral de kleinste en kwetsbaarste begunstigden van het cohesiebeleid, zoals kmo's, ngo's en verenigingen, worden getroffen omdat hun mogelijkheden om uitgaven voor te financieren beperkt zijn;

12.  is verheugd over het feit dat de Raad, de Commissie en het Parlement zijn overeengekomen het aantal openstaande facturen, met name in verband met het cohesiebeleid, terug te brengen tot het structurele niveau in de loop van het huidige MFK, zoals is vastgesteld in de gezamenlijke verklaring bij het begrotingsakkoord van 2015, en neemt kennis van het op 23 maart 2015 ontvangen "Elementen voor een betalingsplan om de EU-begroting op een houdbaar niveau te brengen" van de Commissie; herinnert de Commissie aan haar toezegging om zo snel mogelijk met een betalingsplan te komen, en in elk geval vóór de indiening van de ontwerpbegroting voor 2016; herinnert alle instellingen voorts aan hun toezegging om in te stemmen met een dergelijk plan en om dit met ingang van 2015 en vóór de tussentijdse herziening van het MFK uit te voeren;

13.  onderstreept het feit dat de voorgestelde herziening van de MFK-maxima(16) waarbij 11,2 miljard EUR aan vastleggingen voor het subtotaal in rubriek 1b wordt overgedragen uit hoofde van artikel 19, lid 2, van de MFK-verordening, en de overdracht(17) van 8,5 miljard EUR aan vastleggingen uit hoofde van artikel 13, lid 2, onder a), van het Financieel Reglement van 2014 naar 2015, weliswaar voorkomen dat deze betalingskredieten in rubriek 1b worden geannuleerd, maar het onderliggende probleem van de vertragingen in verband met de programmering niet werkelijk oplossen en evenmin afdoen aan het feit dat de chronisch vertraagde tenuitvoerlegging en de stelselmatige achterstallige betalingen ernstige problemen kunnen opleveren voor de uiteindelijke begunstigden;

14.  onderstreept dat bovengenoemde achterstand binnen rubriek 1b van de EU-begroting in feite de belangrijkste onmiddellijke factor is die de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid in gevaar brengt, zowel in de vorige als naar verwachting in de huidige programmeringsperiode 2014-2020; wijst er nogmaals op dat de gevolgen van deze achterstand sterk voelbaar zijn voor de actoren van het cohesiebeleid in het veld, soms zelfs in extreme mate; verzoekt de Commissie derhalve een routekaart op te stellen met daarin een specifiek tijdschema voor concrete, stapsgewijze beleidsmaatregelen, ondersteund door geselecteerde begrotingsmiddelen, teneinde de achterstand te beperken en uiteindelijk weg te werken; hoopt dat de Raad de ernst en onhoudbaarheid van de situatie eindelijk zal inzien en bereid zal zijn een actieve bijdrage te leveren aan een duurzame oplossing voor het probleem; is ervan overtuigd dat met deze maatregelen allereerst moet worden beoogd om van 2015 het jaar te maken waarin de beperking van deze achterstand duidelijk voelbaar wordt;

15.  benadrukt dat het absoluut noodzakelijk is om de operationele programma's zo snel mogelijk na de vaststelling ervan ten uitvoer te leggen, teneinde de resultaten van de investeringen te maximaliseren, banengroei te stimuleren, de groei van de productiviteit verder te vergroten en bij te dragen tot de verwezenlijking van de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie, en dat de Commissie en de lidstaten alles in het werk moeten stellen om de vaststelling ervan te versnellen, zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit ervan; vraagt de Commissie onderzoek te doen naar alle mogelijkheden om haar interne procedures te stroomlijnen, en daarbij oog te blijven houden voor de noodzaak fraude te blijven bestrijden, teneinde de procedures op basis van de twee scenario's die worden overwogen voor de vaststelling van de operationele programma's te versnellen om verdere vertragingen van de start van de uitvoering te voorkomen;

16.  verzoekt de Commissie, met het oog op het bovengenoemde: het Parlement zo snel mogelijk de geplande maatregelen ter bevordering van de tenuitvoerlegging van de operationele programma's voor te leggen, met name teneinde de decommittering van middelen in 2017 te vermijden, samen met een voorstel voor een tijdschema; toe te lichten welke gevolgen de betalingsachterstand zal hebben voor de start van de tenuitvoerlegging van de nieuwe operationele programma's; oplossingen voor te stellen om de schade zoveel mogelijk te beperken; verzoekt de Commissie voorts om in het kader van het verslag over de uitkomst van de onderhandelingen als bedoeld in artikel 16, lid 3, van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen onderzoek te doen naar de mogelijke gevolgen van de vertraging bij de aanvang van het cohesiebeleid 2014-2020 voor de groei en werkgelegenheid en tevens aanbevelingen te doen op basis van de hieruit getrokken lessen;

17.  is van mening dat het financieel profiel van het MFK 2014-2020 zoals dit naar voren komt in het door de Commissie ingediende voorstel tot wijziging van de MFK-verordening, waarmee alle niet toegewezen middelen uit 2014 worden overgeheveld naar één enkel jaar, 2015, gepaard gaat met het grote risico dat middelen voor programma's die niet in 2014 werden goedgekeurd, in 2018 worden geannuleerd en dat daarmee dus geen stimulans wordt geboden voor een volledig gebruik van de EU-middelen en een daadwerkelijke ondersteuning van investeringen in de EU ten gunste van groei en werkgelegenheid; verzoekt de Commissie om in het kader van de opstelling van het strategisch verslag 2017 overeenkomstig artikel 53 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen tijdig geschikte maatregelen, waaronder wetgevende maatregelen, voor te stellen om een dergelijk annuleringsrisico te vermijden;

18.  is bezorgd over de lage absorptie van financiële middelen in de programmeringsperiode 2007-2013 in bepaalde lidstaten en waarschuwt ervoor dat de onderliggende redenen moeten worden aangepakt om te voorkomen dat dezelfde problemen zich in de volgende periode weer voordoen; benadrukt dat administratieve capaciteit essentieel is voor de doeltreffende en efficiënte tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid; benadrukt dat instabiliteit in het overheidsapparaat, in combinatie met een zwakke beleidscoördinatie, de succesvolle tenuitvoerlegging van de ESIF kan ondermijnen en een bedreiging kan vormen voor een doeltreffend beheer van het beleid in het algemeen;

19.  stelt voor om, voor de voorbereiding van de volgende programmeringsperiode, regelgeving met betrekking tot de programmering gescheiden van en voorafgaande aan begrotingsvoorstellen in te voeren, om op die manier afzonderlijke debatten te kunnen voeren over inhoud en geld en voldoende tijd over te houden voor een grondige voorbereiding van de programma's; herinnert eraan dat, hoewel de regelgeving zeer uitgebreid is, deze de lidstaten en regio's geen volledige zekerheid zou bieden en een bron van uiteenlopende interpretaties kan zijn; wijst erop dat er nog steeds ruimte is om de regelgeving te vereenvoudigen;

20.  verzoekt de Commissie om de gevallen waarin sprake is van financiële bijstellingen of opschorting van betalingen, aandachtig te onderzoeken, waarbij rekening wordt gehouden met de eventuele gevolgen voor werkgelegenheid en groei;

Cohesiebeleid als kernelement van slimme, duurzame en inclusieve investeringen 2014-2020

21.  wijst opnieuw op de oorspronkelijke rol van het cohesiebeleid om economische, sociale en territoriale cohesie te bevorderen en regionale verschillen te beperken door met name steun te verlenen aan minder ontwikkelde regio's; onderstreept dat het beleid, gezien de aard en oorspronkelijke opzet ervan zoals uiteengezet in het Verdrag, vanzelfsprekend een bijdrage levert aan de doelstellingen van de Unie, met name aan de Europa 2020-doelstellingen van slimme, duurzame en inclusieve groei, alsook aan de fundamentele doelstelling van het Verdrag om de territoriale cohesie te versterken;

22.  is ingenomen met het nieuwe Europese Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en het mogelijke hefboomeffect ervan; benadrukt dat de hoofddoelstelling van het EFSI het waarborgen van de economische, sociale en territoriale cohesie moet zijn en dat alle regio's van de EU er derhalve van moeten kunnen profiteren; wijst erop dat de middelen van het EFSI een additioneel karakter moeten hebben en dat er derhalve sprake moet zijn van complementariteit en synergie tussen dit fonds en de ESIF, waarbij ze wel financieel volledig gescheiden van elkaar blijven, en raadt de betrokken partijen aan om, in het verlengde hiervan, voort te bouwen op de ervaring die is opgedaan bij de tenuitvoerlegging van het Europese economische herstelplan in 2008, met name wat slimme investeringen betreft;

23.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om te zorgen voor een nauwere coördinatie en samenhang tussen alle EU-maatregelen op het gebied van investerings- en ontwikkelingsbeleid, met name het cohesiebeleid, alsook tussen de ESIF, andere EU-fondsen en de nationale en regionale financieringsinstrumenten, om te zorgen voor complementariteit en een grotere synergie en om overlap en verdubbeling van steun te voorkomen, alsook om een hoge Europese meerwaarde van de EU-financiering te waarborgen; nodigt de Commissie uit om verslag uit te brengen over synergieën in de komende cohesieverslagen; stelt voor om bij de tenuitvoerlegging van dit nieuwe EU-investeringsplan voort te bouwen op de ervaring die is opgedaan bij de drie gezamenlijke initiatieven JEREMIE, JESSICA en JASMINE, in het kader waarvan meer Structuurfondsen ter beschikking konden worden gesteld (van 1,2 miljard EUR in 2000-2006 naar 8,4 miljard EUR in 2007-2012); dringt aan op een brede, gedetailleerde analyse, met betrokkenheid van de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europees Investeringsfonds (EIF);

24.  onderstreept dat de wetgeving inzake cohesiebeleid voorziet in een ruimer gebruik van de financiële instrumenten, teneinde hun bijdrage te verdubbelen tot circa 25-30 miljard EUR in 2014-2020, door hun toepassingsgebied uit te breiden en de lidstaten en de regio's meer flexibiliteit te bieden; benadrukt de rol van financiële instrumenten bij het mobiliseren van publieke of particuliere co-investeringen om marktfalen aan te pakken overeenkomstig de Europa 2020-strategie en de prioriteiten van het cohesiebeleid; ondersteunt met name het risicodelende "kmo-initiatief", en verzoekt de Commissie alles in het werk te stellen om de financiële instrumenten gemakkelijk bruikbaar en aantrekkelijk te maken voor de lidstaten en de regio's, zodat de verdubbeling van de bijdragen aan de financiële instrumenten op eigen kracht wordt bereikt en de belanghebbenden instaan voor dit doel; onderstreept de noodzaak te zorgen voor transparantie, verantwoording en toezicht voor financiële instrumenten waarbij EU-middelen betrokken zijn;

25.  waarschuwt er echter voor dat het EFSI de strategische samenhang en het langetermijnperspectief van de programmeringsperiode van het cohesiebeleid niet mag ondermijnen; benadrukt dat een herschikking van de Structuurfondsen een averechts effect zou hebben en daarom niet kan worden aanvaard, aangezien het de doeltreffendheid ervan -en de ontwikkeling van de regio's- in gevaar zou brengen; benadrukt dat de financiële toewijzingen aan de lidstaten zoals overeengekomen in het kader van rubriek 1b van het MFK voor 2014-2020 niet kunnen worden gewijzigd ten behoeve van het EFSI; benadrukt dat de vervanging van subsidies door leningen, kapitaalinbreng of garanties, hetgeen weliswaar bepaalde voordelen biedt, met voorzichtigheid en met inachtneming van regionale verschillen en de diversiteit van praktijken en ervaringen tussen regio's betreffende het gebruik van financiële instrumenten ten uitvoer moet worden gelegd; wijst erop dat de regio's met de dringendste behoefte aan stimulansen voor investeringen vaak over weinig administratieve capaciteit en absorptievermogen beschikken;

26.  waarschuwt ervoor dat de flexibiliteit die wordt toegestaan bij de selectie van projecten voor EFSI-financiering het risico met zich meebrengt dat investeringen naar meer ontwikkelde lidstaten worden gekanaliseerd, zodat de economische, sociale en territoriale cohesie wordt ondermijnd; vraagt de Commissie om de relatie tussen het EFSI en de ESIF nauwlettend in de gaten te houden;

Doeltreffendheid, efficiëntie en prestatiegerichtheid van het cohesiebeleid 2014-2020

27.  benadrukt het belang van alle maatregelen gericht op het vergroten van de doeltreffendheid, vereenvoudiging, efficiëntie en resultaat- en prestatiegerichtheid van het cohesiebeleid die moeten zorgen voor een verschuiving van absorptiecriteria van fondsen naar kwaliteit van uitgaven en hoge toegevoegde waarde van de medegefinancierde verrichtingen; suggereert in dit verband om technische aanpassingen van de betreffende ESIF-verordeningen voor te stellen;

28.  is ingenomen met de thematische concentratie ter ondersteuning van investeringen in slimme, duurzame en inclusieve groei, gericht op het creëren van groei en banen, het aanpakken van klimaatverandering en energieafhankelijkheid en het bestrijden van armoede en sociale uitsluiting, alsook met de verscherpte aandacht voor resultaten en meetbaarheid in de programma's voor de periode 2014-2020, die moeten bijdragen aan een verdere vergroting van de doelmatigheid en doeltreffendheid van het cohesiebeleid; wijst tegelijkertijd op de noodzaak van meer flexibiliteit voor de regio's, afhankelijk van de lokale en regionale specifieke kenmerken, met name in de context van de ernstige crisis, teneinde de kloof tussen de ontwikkelingsniveaus van de diverse regio's van de Unie te verkleinen; verzoekt om een werkelijk geïntegreerde en territoriale aanpak van doelprogramma's en -projecten die gericht zijn op de behoeften in het veld;

29.  dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan te zorgen voor coherentie tussen de nationale hervormingsprogramma's en de operationele programma's, teneinde de landenspecifieke aanbevelingen adequaat ten uitvoer te kunnen leggen en overeenstemming te garanderen met de procedures inzake economisch bestuur en zodoende het risico op vroege herprogrammering te beperken;

30.  wijst in dit verband nogmaals op het initiële verzet van het Parlement, en benadrukt zijn verantwoordelijkheid om volledig betrokken te zijn en om toezicht te houden en nauwkeurig onderzoek te doen; vraagt de Commissie en de Raad om tijdig volledige, transparante informatie te verstrekken over de criteria voor en de volledige procedure die kan leiden tot een herbestemming of een opschorting van de vastleggingen of betalingen van de ESIF in overeenstemming met artikel 23, lid 15, van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen; wijst erop dat de beslissing over de opschorting van vastleggingen of betalingen als laatste redmiddel moet worden gebruikt, als alle andere opties uitgeput zijn en na beoordeling van mogelijke gevolgen voor groei en banen, omdat het opschorten van vastleggingen of betalingen ernstige gevolgen kan hebben voor nationale, regionale en lokale autoriteiten, alsook voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het cohesiebeleid als geheel; is van mening dat het duurzamer en efficiënter maken van het cohesiebeleid het doel van macro-economische conditionaliteit moet zijn, en verwerpt het idee dat regio's, gemeenten of burgers moeten worden benadeeld vanwege door nationale regeringen genomen macro-economische besluiten; vestigt de aandacht op de aanzienlijke administratieve lasten die een herbestemming van middelen met zich mee kan brengen; herinnert eraan dat voor een voorstel voor herprogrammering ingediend overeenkomstig artikel 23, lid 4, van die verordening de voorafgaande raadpleging van het betrokken toezichtcomité als bedoeld in artikel 49, lid 3, van diezelfde verordening is vereist;

31.  wijst erop dat een groot deel van de onregelmatigheden te wijten is aan complexe eisen en regelgeving; benadrukt dat het aantal onregelmatigheden bij de tenuitvoerlegging van cohesieprogramma's kan worden teruggebracht door het beheer en de procedures te vereenvoudigen, door de onlangs aangenomen betreffende richtlijnen snel om te zetten, en door de administratieve capaciteit, met name in de minder ontwikkelde regio's, te versterken; benadrukt derhalve dat de administratieve lasten voor begunstigden, bij het waarborgen van de noodzakelijke controles op de rechtmatigheid van de besteding van ESIF-middelen, zo beperkt mogelijk moeten worden gehouden, alsook dat gestreefd moet worden naar optimalisering en verbetering van de flexibiliteit van de beheers- en controlesystemen en dat er behoefte is aan een sterkere focus op risicobeoordeling en correcte toekenning van verantwoordelijkheden van alle autoriteiten, terwijl er tegelijkertijd geen sprake is van ondermijning van het vaststellen van sterkere controleprocedures om onregelmatigheden efficiënter te voorkomen en, bijgevolg, om financiële correcties, alsook onderbrekingen en opschortingen van betalingen te vermijden; maakt zich zorgen over de lage uitbetalingspercentages uit de financiële instrumenten aan de begunstigden, met name met het oog op de doelstelling om het gebruik van deze instrumenten te verhogen; vraagt in dit verband de lidstaten, de beheersautoriteiten en andere relevante belanghebbenden die met deze financiële instrumenten werken om volledig gebruik te maken van de technische bijstand die wordt verleend via het Technisch adviesplatform voor financiële instrumenten (Financial Instruments - Technical Advisory Platform (FI-TAP)) en het fi-compass;

Werkgelegenheid, kmo's, jongeren en onderwijs

32.  benadrukt dat de ESIF een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren aan het omkeren van de negatieve sociale gevolgen van de crisis, en dat hiertoe een geïntegreerde aanpak in het kader van meerfondsenprogrammering moet worden gestimuleerd en vereenvoudigd, met een efficiëntere coördinatie van en meer flexibiliteit tussen de fondsen, zodat met name de synergieën tussen het ESF en het EFRO beter kunnen worden benut; benadrukt dat de door het ESF gefinancierde investeringen geen optimale resultaten kunnen opleveren wanneer de relevante infrastructuur en de passende instellingen ontbreken; wijst op het feit dat de ESIF op doeltreffende wijze steun kunnen bieden aan sociale inclusie, en derhalve moeten worden aangewend om een bijdrage te leveren aan de integratie van kansarme en kwetsbare groepen, zoals Roma en mensen met een handicap, alsook om de overgang van institutionele naar gemeenschapsgerichte diensten voor kinderen en volwassenen te ondersteunen;

33.  dringt er bij de Commissie op aan bijzondere aandacht te schenken aan de situatie van minderheidsgroepen in de Unie, omdat zij te lijden hebben onder alle vormen van sociale uitsluiting, waardoor zij eerder worden getroffen door structurele werkloosheid; is van mening dat bij iedere ontwikkeling van het beleid dat gericht is op sociale cohesie in de Unie rekening moet worden gehouden met de integratie van minderheden;

34.  benadrukt de belangrijke rol van kmo's bij het scheppen van werkgelegenheid en wijst op hun potentieel om slimme groei en de digitale en koolstofarme economie te bevorderen; verzoekt om een gunstig regelgevingsklimaat dat bevorderlijk is voor de oprichting en exploitatie van dergelijke ondernemingen, met name van door jonge mensen opgerichte ondernemingen en van ondernemingen op het platteland; onderstreept het belang van het verminderen van de bureaucratische lasten voor kmo's en van het verbeteren van de toegang van deze ondernemingen tot financiering, en de noodzaak om steun te verlenen aan programma's en opleidingen ter bevordering van de ontwikkeling van ondernemersvaardigheden;

35.  onderstreept dat kmo's 99 % van de bedrijfsstructuur in de EU uitmaken en goed zijn voor 80 % van de banen in de EU;

36.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het door de Commissie vastgestelde te lage maximumbedrag (5 miljoen EUR) aan EFRO-steun voor kleinschalige, culturele en duurzame toeristische infrastructuren, dat bovendien wordt gedefinieerd als totale kosten in plaats van subsidiabele kosten, en benadrukt het sterke positieve effect dat dergelijke projecten kunnen hebben op regionale ontwikkeling, en meer specifiek in sociaaleconomisch opzicht en wat betreft sociale inclusie en aantrekkelijkheid;

37.  is het eens met de analyse van de Commissie dat het evenwicht tussen economische en sociale prioriteiten, met name met betrekking tot economische groei enerzijds, en sociale integratie, onderwijs en duurzame ontwikkeling anderzijds, in sommige lidstaten kan worden verbeterd, geschraagd door een zinvolle dialoog met partners en belanghebbenden; benadrukt dat een duidelijke strategie ter verbetering van het institutionele kader wat betreft de administratieve capaciteit en de kwaliteit van de rechtspraak van doorslaggevend belang is voor de verwezenlijking van deze prioriteiten;

38.  benadrukt het belang van het ESF, met de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, waarmee steun moet worden gegeven aan een zo groot mogelijk aantal levensvatbare projecten voor het scheppen van banen, bijvoorbeeld in de vorm van bedrijfsinitiatieven;

39.  waarschuwt ervoor dat door de alarmerende jeugdwerkloosheidscijfers het verlies van een hele generatie dreigt, in het bijzonder in minder ontwikkelde regio's en de regio's die het zwaarst getroffen zijn door de crisis en de werkloosheid; hamert erop dat het bevorderen van de integratie van jongeren op de arbeidsmarkt een topprioriteit moet blijven, waarbij de actieve bijdrage van de EU onontbeerlijk is en waaraan het geïntegreerde gebruik van het ESF, het EFRO, het Cohesiefonds en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief een belangrijke bijdrage kan leveren; is van mening dat in dit verband een meer resultaatgerichte aanpak moet worden gevolgd om een optimaal gebruik van de beschikbare middelen te waarborgen, waardoor de werkgelegenheid en het concurrentievermogen worden bevorderd, er meer inkomsten worden gegenereerd en de hele EU-economie wordt begunstigd; onderstreept in dit opzicht de essentiële rol van de jongerengarantie om jongeren tot 25 jaar te helpen een hoogwaardige baan te vinden of de opleiding te volgen en de vaardigheden en ervaring te verwerven die zij nodig hebben om een baan te vinden; benadrukt dat alle middelen die nodig zijn om de jongerengarantie en de overige maatregelen van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ten uitvoer te leggen, zo snel mogelijk moeten worden vrijgemaakt; is van mening dat gebruik moet worden gemaakt van duidelijke, direct begrijpelijke effectindicatoren, waarmee de bijdrage van EU-fondsen aan groei en werkgelegenheid goed kan worden gemeten;

40.  wijst erop dat voort moet worden geijverd om nog andere manieren te vinden om de resultaten op het gebied van jeugdwerkgelegenheid te verbeteren, aangezien die resultaten ondanks de aanneming van de ESF-verordening en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief niet goed waren; onderstreept de politieke toezegging van de EU om onmiddellijke steun te verlenen aan de integratie van jongeren op de arbeidsmarkt;

41.  benadrukt dat, vanwege wijzigingen in de productiepatronen en de vergrijzing van de bevolking, de rol van het ESF en van de investeringen in de aanpassing van de vaardigheden van werknemers aanzienlijk is toegenomen; is er in dit verband stellig van overtuigd dat het ESF een aanvulling moet vormen op het nationaal beleid van de lidstaten; dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan ervoor te zorgen dat de beschikbare middelen zo doelmatig en efficiënt mogelijk worden aangewend om de inzetbaarheid van de werknemers, sociale integratie en gendergelijkheid te waarborgen; onderstreept tegelijkertijd dat uit hoofde van het ESF gefinancierde opleidingsprogramma's ook afgestemd moeten worden op de behoeften van ondernemers en personeel op leidinggevend niveau, teneinde een duurzame ontwikkeling van bedrijven te waarborgen, met name van kmo's, die de meeste banen in de Unie genereren;

42.  roept de lidstaten en de Commissie op te blijven werken aan de verbetering en verdieping van het Eures-platform als doeltreffend hulpmiddel om de mobiliteit van werknemers in Europa, in het bijzonder de grensoverschrijdende mobiliteit, te bevorderen door hun kennis van de arbeidsmarkt van de Unie te verbeteren, hen te informeren over de arbeidskansen en hen te helpen met de formaliteiten; moedigt de lidstaten aan Eures-netwerken te ontwikkelen en te ondersteunen, niet in de laatste plaats omdat grensarbeiders de eersten zijn die te maken hebben met problemen en moeilijkheden om hun beroepskwalificaties erkend te krijgen; stelt vast dat deze netwerken, doordat zij de openbare diensten voor arbeidsvoorziening, sociale partners, lokale en regionale overheden en overige particuliere belanghebbenden verenigen, de grensoverschrijdende mobiliteit vergemakkelijken en ondersteunen;

43.  beklemtoont de noodzaak om bij het scheppen van hoogwaardige banen gebruik te maken van nieuwe technologieën; is van oordeel dat de Commissie een verband moet leggen tussen de terugdringing van de werkloosheid en de instrumenten van de Digitale Agenda en Horizon 2020;

44.  merkt op dat het aantal voortijdige schoolverlaters in de Unie nog steeds hoog is, hetgeen van invloed is op de jeugdwerkloosheid; benadrukt dat dit probleem moet worden opgelost door onderwijsprogramma's en curricula te moderniseren en daarbij gebruik te maken van het ESF;

45.  wijst erop dat het zonder effectieve samenwerking tussen onderwijsinstellingen en spelers op de arbeidsmarkt onmogelijk zal zijn om de hoge werkloosheid onder jonge afgestudeerden in de EU te verhelpen; benadrukt met name dat door het bijbrengen van de kennis en vaardigheden die op de arbeidsmarkt nodig zijn, de arbeidsparticipatie van jongeren gestegen is en de sociale verschillen verkleind zijn;

46.  onderstreept het belang van de genderdimensie voor banengroei; dringt er bij de Commissie op aan voldoende financiering toe te wijzen voor de aanpak van werkloosheid onder vrouwen; is van oordeel dat vrouwen kunnen profiteren van technologische vooruitgang waardoor ze flexibelere werktijden kunnen krijgen, en dringt er bij de Commissie op aan hierin te investeren;

47.  herhaalt dat er opvang voor jonge kinderen moet worden gecreëerd om de aanwezigheid van vrouwen op de arbeidsmarkt te bevorderen, en vraagt de Commissie derhalve om innovatieve projecten in dit verband te ondersteunen; wijst erop dat investeringen in de openbare infrastructuur, zoals voorzieningen voor kinderopvang, de kansen verhogen voor vrouwen om actief deel te nemen aan de economie en de arbeidsmarkt;

48.  verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten om, met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen met betrekking tot werkgelegenheid en sociale integratie, rekening te houden met de behoeften van vrouwen die terugkeren van zwangerschapsverlof, werkgevers te motiveren om vrouwen aan te werven na hun zwangerschapsverlof, flexibele werkregelingen te vergemakkelijken en bijscholing (voor een leven lang leren) te bevorderen om vrouwen in staat te stellen hun professionele carrière op soepele wijze te hervatten;

Governance van het beleid

49.  benadrukt dat het cohesiebeleid moet worden gevoerd in een geest van een goed functionerend systeem van multilevel governance en doeltreffend moet zijn gestructureerd om aan de behoeften van burgers en bedrijven te voldoen, alsook voorzien moet zijn van een transparant en innovatief stelsel van overheidsaanbestedingen, hetgeen allemaal van cruciaal belang is om de impact van het beleid te vergroten; benadrukt in dit verband dat, niettegenstaande het belang van op het niveau van de EU en de lidstaten genomen besluiten, de lokale en regionale autoriteiten vaak de hoofdverantwoordelijkheid hebben voor overheidsinvesteringen, en dat het cohesiebeleid een essentieel instrument is aan de hand waarvan deze autoriteiten een belangrijke rol in de EU kunnen vervullen; wijst in dit verband nogmaals op de noodzaak van een brede tenuitvoerlegging van het partnerschapsbeginsel zoals omschreven in de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen en de gedragscode inzake partnerschap;

50.  beveelt aan om de middelen en kennis van het cohesiebeleid aan te wenden om de administratieve capaciteit van overheidsautoriteiten aanzienlijk te versterken, met name op lokaal en regionaal niveau, onder meer door meer gebruik te maken van nieuwe technologieën en te streven naar beter gestroomlijnde procedures, zodat zij beter in staat worden gesteld om de burgers kwaliteitsdiensten te verlenen; verzoekt de Commissie te omschrijven welke vormen van administratieve bijstand kunnen worden verleend bij belangrijke kwesties, zoals de formulering van doelstellingen van initiatieven, de beoordeling van de resultaten hiervan aan de hand van geschikte indicatoren, en de vaststelling van vervolgmaatregelen, teneinde bij te dragen aan de totstandbrenging van een administratieve cultuur op basis van toezicht en evaluatie in de gehele EU; acht het belangrijk dat de lokale en regionale autoriteiten worden bijgestaan op het gebied van innovatieve financiële instrumenten, die van cruciaal belang zijn om tot meer middelen en investeringen te komen, en op het gebied van overheidsaanbestedingen, die steeds meer moeten dienen als een overheidsinstrument om innovatie en creativiteit te stimuleren;

51.  betreurt dat het zesde cohesieverslag geen uitgebreide beoordeling omvat van de resultaten van Jaspers, de faciliteit voor technische bijstand, waarmee de lidstaten in de periode 2007-2013 van de nodige technische bijstand werden voorzien om hoogwaardige, grote projecten voor te bereiden die in aanmerking kwamen voor medefinanciering met EU-middelen; is ingenomen met de oprichting van het netwerkplatform Jaspers voor activiteiten voor capaciteitsopbouw in 2013 en de oprichting in 2014 van het netwerk- en competentiecentrum voor de levering van gespecialiseerde expertise bij de voorbereiding van projecten in de programmeringsperiode 2014-2020; verwelkomt de oprichting van een competentiecentrum voor de opbouw van bestuurlijke capaciteit betreffende de ESIF, dat moet bijdragen aan de versterking van de capaciteit van alle autoriteiten in de lidstaten die betrokken zijn bij het beheer en de tenuitvoerlegging van de ESIF;

52.  is ingenomen met het feit dat de Commissie steeds meer aandacht besteedt aan de rol van bestuur en is het ermee eens dat goed bestuur en hoogwaardige overheidsdiensten, die onder meer vrij zijn van corruptie, van essentieel belang zijn voor een stabiel investeringsklimaat; vraagt om grote ambities om uitgaven in het kader van het cohesiebeleid minder gevoelig te maken voor frauduleus gebruik en om fraudebestrijdingsmaatregelen strikt toe te passen;

53.  is ervan overtuigd dat de gedragscode inzake partnerschap de deelname aan alle stadia in de regio's qua vorm en inhoud ten goede komt, en ten volle moet worden toegepast, aangezien deze van fundamenteel belang is om het cohesiebeleid meer effect te laten sorteren en de impact ervan in het veld te consolideren; feliciteert de lidstaten en de regio's die erin zijn geslaagd hun partners in overeenstemming met de gedragscode inzake partnerschap bij de voorbereiding van de partnerschapsovereenkomsten en de operationele programma's te betrekken; spreekt echter diepe bezorgdheid uit over de talrijke gevallen van gebrekkige toepassing van het partnerschapsbeginsel, en roept de Commissie op geen programma's goed te keuren waarbij de partners onvoldoende zijn betrokken; onderstreept het belang om ruchtbaarheid te geven aan voorbeelden van goede werkwijzen bij de organisatie van partnerschappen, zoals beschreven in de gedragscode; roept de Commissie bovendien op het Parlement regelmatig een verslag voor te leggen met een beoordeling van de stand van zaken van de tenuitvoerlegging van het partnerschapsbeginsel;

Territoriale dimensie

54.  wijst met bezorgdheid op het relatieve gebrek aan verwijzingen naar de territoriale benadering, met name naar grensoverschrijdende samenwerking, in het zesde cohesieverslag, ondanks het feit dat dit een essentieel instrument is om de economische, sociale en territoriale cohesie te versterken; wijst erop dat de opneming van alle grensoverschrijdende en macro-regionale aspecten een verrijkend effect zou hebben gehad, bijv. voor wat infrastructuur, arbeidsmarkten en mobiliteit, het milieu (inclusief een gemeenschappelijk rampenbestrijdingsplan), watergebruik en afvoer van afvalwater, afvalbeheer, gezondheidszorg, onderzoek en ontwikkeling, toerisme, openbare dienstverlening en bestuur betreft, aangezien al deze gebieden opvallende grensoverschrijdende elementen en mogelijkheden bevatten; is van mening dat de Europese grens- en grensoverschrijdende regio's in de programmeringsperiode 2014-2020 aanzienlijke vooruitgang zullen boeken voor wat het doorbreken van de crisis betreft, door slimmer, inclusiever en duurzamer op te treden;

55.  onderstreept dat de geïntegreerde en territoriale aanpak van essentieel belang is, met name voor milieu- en energieaangelegenheden;

56.  is ingenomen met de invoering van nieuwe instrumenten voor de coördinatie van belanghebbenden en de integratie van EU-beleid, en voor de toespitsing van investeringen op de werkelijke behoeften in het veld, zoals de geïntegreerde territoriale investeringen en de vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkelingsinstrumenten, waarmee evenwichtige territoriale ontwikkeling wordt nagestreefd; wijst op het belang van de goedkeuring van instrumenten om de territoriale impact van beleidsmaatregelen te beoordelen, met als belangrijkste doelstelling de territoriale impact van EU-beleidsmaatregelen op lokale en regionale autoriteiten te onderzoeken en meer aandacht te besteden aan die impact in het wetgevingsproces, en erkent de bestaande uitdagingen voor de tenuitvoerlegging van geïntegreerd territoriaal beleid, gezien de resterende regelgevingsverschillen binnen de EU-fondsen en de sterk uiteenlopende omvang van de bevoegdheden van regionale en lokale gemeenschappen binnen de lidstaten en de beheersautoriteiten; verzoekt om een algemene, geïntegreerde EU-investeringsstrategie, waarvan de Europese stedelijke agenda een deel uitmaakt, en een versterking van de Territoriale Agenda van de EU 2020 die werd goedgekeurd tijdens het Hongaarse voorzitterschap in 2011 en naar verwachting door de voorzitterschappen van 2015 zal worden geëvalueerd; is van mening dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan het versterken van de rol van kleine en middelgrote stedelijke gebieden;

57.  stelt met bezorgdheid vast dat er te weinig aanwijzingen zijn over de wijze waarop de beginselen en prioriteiten van de Territoriale Agenda van de EU 2020 in aanmerking zijn genomen bij de tenuitvoerlegging van de programma's van het cohesiebeleid in de periode 2007-2013; dringt erop aan in de periode 2014-2020 adequate evaluatiemechanismen in te zetten om een beoordeling te kunnen maken van de territoriale dimensie van het cohesiebeleid;

58.  keurt desalniettemin goed dat stadsbeleid in het verslag wordt benadrukt, gezien het belang van steden in de gemondialiseerde economie en hun potentiële impact op het gebied van duurzaamheid; wijst erop dat de Europese regio's en steden zich inzetten voor de overgang naar een groenere groei, zoals verankerd in het Burgemeestersconvenant; beveelt aan om de grootste verschillen in ontwikkeling tussen plattelandsgebieden en stedelijke gebieden ook naar behoren aan te pakken, evenals de problematiek in grootstedelijke regio's, die zowel veerkrachtig als kwetsbaar zijn;

59.  betreurt dat polycentrische territoriale ontwikkeling in het zesde cohesieverslag niet wordt genoemd als essentieel element voor het bereiken van territoriale cohesie en territoriaal concurrentievermogen in overeenstemming met de Territoriale Agenda van de EU 2020 en het ESPON-verslag 2013 getiteld "Making Europe Open and Polycentric" (Europa open en polycentrisch maken); benadrukt de rol van kleine en middelgrote steden en het belang om de functionele banden van stedelijke centra met de omliggende gebieden te versterken om evenwichtige territoriale ontwikkeling te bereiken;

60.  verzoekt om een striktere naleving van artikel 174 VWEU inzake territoriale cohesie, met name ten aanzien van plattelandsgebieden, waarbij passende aandacht wordt besteed aan het belangrijke verband tussen cohesiebeleid en plattelandsontwikkeling, in het bijzonder met betrekking tot gebieden die een industriële overgang doormaken en regio's die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, zoals ultraperifere regio's, de meest noordelijke regio's met een geringe bevolkingsdichtheid, alsmede insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden; beveelt aan om tevens aandacht te besteden aan andere demografische problemen met grote gevolgen op regionaal niveau, zoals ontvolking, vergrijzing en een zeer verspreid wonende bevolking; verzoekt de Commissie om bij de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid bijzondere aandacht te besteden aan de regio's die het in geografisch en demografisch opzicht het moeilijkst hebben;

61.  is van mening dat in het zesde cohesieverslag onvoldoende aandacht wordt besteed aan Europese territoriale samenwerking, aangezien dit sinds de programmeringsperiode 2007-2013 een volwaardige doelstelling van het cohesiebeleid is; herinnert aan het potentieel van de Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), niet alleen als een instrument voor het beheer van grensoverschrijdende governance, maar ook als een manier om bij te dragen aan een volledig geïntegreerde territoriale ontwikkeling;

62.  verzoekt om nauwere coördinatie tussen het cohesiebeleid, het pretoetredingsinstrument en het EU-nabuurschapsbeleid, evenals om een betere beoordeling en verspreiding van de projectresultaten;

Het cohesiebeleid op de lange termijn

63.  herinnert eraan, met het oog op al het bovengenoemde, dat het debat inzake het EU-cohesiebeleid een nieuwe impuls moet krijgen; stelt dat 2019, het jaar waarin verkiezingen van het Europees Parlement zullen worden gehouden, van doorslaggevend belang zal zijn, aangezien het nieuw verkozen Parlement en de nieuwe Commissie dan te maken krijgen met de beëindiging van de Europa 2020-strategie en een nieuw MFK, alsook met de waarborging van de toekomst van het cohesiebeleid na 2020 met een passende begroting en de opstelling van nieuwe wetgeving voor het cohesiebeleid; merkt op dat in het debat over het cohesiebeleid rekening moet worden gehouden met de ernstige tijdsdruk en vertraging aan het begin van de huidige programmeringsperiode;

64.  benadrukt het cruciale belang van administratieve capaciteit; verzoekt de beleidsmakers op alle bestuursniveaus gerichte technische bijstand voor de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid in het algemeen te bevorderen, en in het bijzonder voor een ruimer gebruik van de financiële instrumenten in combinatie met de ESIF;

65.  is van mening dat cohesiebeleidsmaatregelen een essentiële rol moeten spelen om de interne verschillen in concurrentievermogen en de structurele onevenwichtigheden te verkleinen in de regio's die daar het meest behoefte aan hebben; dringt er bij de Commissie op aan voorfinanciering te overwegen om in de periode 2014-2020 voor de betrokken lidstaten maximale benutting van fondsen te vergemakkelijken en daarbij altijd te waarborgen dat het beginsel van budgettaire verantwoordelijkheid wordt geëerbiedigd;

66.  verzoekt de lidstaten om in hun nationale parlementen regelmatig politieke debatten op hoog niveau te voeren over de doeltreffendheid, efficiëntie en tijdige tenuitvoerlegging van de ESIF en over de bijdrage van het cohesiebeleid aan de verwezenlijking van de macro-economische doelstellingen;

67.  verzoekt om regelmatige Raadsvergaderingen met de ministers voor cohesiebeleid, teneinde te voorzien in de behoefte om toezicht te houden op en het hoofd te bieden aan de voortdurende uitdagingen voor de economische, sociale en territoriale cohesie van de EU;

o
o   o

68.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 303.
(6) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 281.
(7) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(8) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0002.
(10) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0015.
(11) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0132.
(12) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0133.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0068.
(14) PB C 19 van 21.1.2015, blz. 9.
(15) PB C 242 van 23.7.2015, blz. 43.
(16)Voorstel voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020, (COM(2015)0015, 20.1.2015).
(17) Besluit van de Commissie inzake de niet-automatische overdracht van 2014 naar 2015 en inzake de wederopvoering van vastleggingskredieten in 2015, C(2015)0827, 11.2.2015.


Beoordeling van het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties 2012
PDF 210kWORD 98k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 september 2015 over het verslag over de uitvoering, resultaten en algehele beoordeling van het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties 2012 (2014/2255(INI))
P8_TA(2015)0309A8-0241/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien Besluit nr. 940/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2011 betreffende het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties (2012)(1),

–  gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(2),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name artikel 25 betreffende de rechten van ouderen,

–  gezien het eindverslag van de Commissie over de Europese topbijeenkomst van 9-10 maart 2015 over innovatie voor actief en gezond ouder worden,

–  gezien de achtergrondnota van de Commissie van 23 februari 2015 getiteld "Growing the Silver Economy in Europe",

–  gezien het verslag van de Commissie van 15 september 2014 over de uitvoering, resultaten en algehele beoordeling van het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties (COM(2014)0562),

–  gezien het verslag van de Commissie met als titel "The 2015 Ageing Report. Economic and budgetary projections for the 28 EU Member States (2013-2060)" (European Economy 3|2015),

–  gezien het verslag van de Commissie van 17 januari 2014 met als titel "Gezamenlijk verslag inzake de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming ("richtlijn rassengelijkheid") en van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep ("richtlijn gelijke behandeling in arbeid en beroep")" (COM(2014)0002),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 februari 2013 getiteld "Naar sociale investering voor groei en cohesie – inclusief de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds 2014-2020" (COM(2013)0083),

–  gezien het stappenplan van de Commissie voor de uitvoering van het sociale-investeringenpakket in 2014,

–  gezien het witboek van de Commissie van 16 februari 2012 getiteld "Een agenda voor adequate, veilige en duurzame pensioenen" (COM(2012)0055),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 februari 2012 getiteld "Verdere ontwikkeling van het strategische uitvoeringsplan van het Europees innovatiepartnerschap voor actief en gezond ouder worden" (COM(2012)0083),

–  gezien de verklaring van de Raad van 7 december 2012 betreffende het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties (2012): de toekomst,

–  gezien het gezamenlijke verslag van het Comité voor sociale bescherming en de Commissie van 10 oktober 2014 getiteld "Adequate sociale bescherming voor behoeften aan langdurige zorg in een vergrijzende samenleving",

–  gezien het verslag van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound) van 31 oktober 2014 inzake toegang tot gezondheidszorg in tijden van crisis,

–  gezien de werkzaamheden die momenteel worden verricht door de Werkgroep Vergrijzing van de VN ten behoeve van een Verdrag voor de bescherming van de rechten van ouderen,

–  gezien het bevindingenverslag van Eurofound met als titel "Work preferences after 50" (2014),

–  gezien het Eurofound-document met als titel "Sustainable work: Toward better and longer working lives" (december 2014),

–  gezien de diepgaande analyse van het onderzoekscentrum van het Europees Parlement van maart 2015 met als titel "Het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties (2012)",

–  gezien het eindverslag van Ecorys van 15 april 2014 met als titel "Beoordeling van het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties",

–  gezien het stappenplan van 10 december 2012 van het Samenwerkingsverband voor het Europees Jaar 2012 in aanloop naar en na afloop van het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties 2012 (EJ2012),

–  gezien de speciale Eurobarometer met nr. 378 van januari 2012 over actief ouder worden,

–  gezien zijn resolutie van 4 juli 2013 over het effect van de crisis op de toegang tot zorg voor kwetsbare groepen(3),

–  gezien zijn resolutie van 21 mei 2013 over een agenda voor adequate, veilige en duurzame pensioenen(4),

–  gezien zijn resolutie van 11 november 2010 over demografische vraagstukken en de solidariteit tussen de generaties(5),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0241/2015),

A.  overwegende dat het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties 2012 (EJ2012) tot doel had het bewustzijn van de waarde van actief ouder worden te vergroten, de uitwisseling van informatie te stimuleren, beleidsmaatregelen inzake actief ouder worden te bevorderen en een kader op te zetten voor concrete actie door de Unie en haar lidstaten en door alle belanghebbenden uit de publieke en private sector;

B.  overwegende dat uit de vooruitzichten voor 2050 blijkt dat de gemiddelde leeftijd van de EU-bevolking boven de vijftig zal liggen;

C.  overwegende dat de EU geconfronteerd wordt met geheel nieuwe demografische, sociale en structurele veranderingen, die een onmiddellijke reactie vereisen; overwegende dat naast de algemene vergrijzing van de bevolking ook de behoeften aan sociale hulp en gezondheidszorg onder ouderen en hun families toenemen, en dat de kwaliteit en de duurzaamheid van de openbare diensten in de EU op lange termijn in grote mate afhangen van de actie die de komende jaren zal worden ondernomen;

D.  overwegende dat de toename van de gemiddelde levensverwachting moet worden beschouwd als een overwinning van de beschaving en een factor van sociale vooruitgang;

E.  overwegende dat in het jaar 2006 het Demographic Change Regions Network (DCRN) is opgericht, waarvan zo'n 40 Europese regio's deel uitmaken en dat als doel heeft aandacht te vragen voor belangrijke ontwikkelingen voor de EU en haar sociale en economische samenhang, zoals vergrijzing en een krimpende bevolking;

F.  overwegende dat het gemiddelde aantal kinderen per vrouw in de Europese Unie niet toereikend is voor de vernieuwing van de generaties, dat het geboortecijfer als gevolg van de economische crisis nog sterker is gedaald en dat de levensverwachting tot 2050 met vijf jaar zou kunnen stijgen;

G.  overwegende dat actief ouder worden een van de grote uitdagingen van de 21e eeuw is;

H.  overwegende dat er in Europa naast gebieden met vergrijzing steeds meer regio's bijkomen die een sterke daling van het inwonertal vertonen, door een lager geboortecijfer, een afname van het bevolkingsaantal, een toenemende vergrijzing en een hoge mate van afhankelijkheid van de actieve bevolking en een afname van deze actieve bevolking; overwegende dat de plattelandsgebieden van deze regio's heviger door deze verschijnselen worden getroffen, aangezien mensen vaker het platteland verruilen voor een grote of middelgrote stad;

I.  overwegende dat actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties van essentieel belang zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen en streefdoelen van Europa 2020 en de totstandbrenging van een competitief, welvarend en inclusief Europa;

J.  overwegende dat het welslagen van het beleid inzake actief ouder worden nauw samenhangt met de doeltreffendheid van een reeks beleidsmaatregelen inzake non-discriminatie, sociale bescherming, sociale inclusie en volksgezondheid die tijdens de levenscyclus van de burgers en werknemers van de EU worden uitgevoerd;

K.  overwegende dat het begrip "actief" volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) verwijst naar het blijven deelnemen aan de samenleving en aan economische, culturele, spirituele en burgerlijke aangelegenheden en niet alleen naar de capaciteit om fysiek actief te zijn of deel te nemen aan de arbeidsmarkt, en overwegende dat ouderen die met pensioen gaan en personen die vanwege invaliditeit of ziekte stoppen met werken bijgevolg actief kunnen blijven samenwerken met hun gezin, hun leeftijdsgenoten, hun gemeenschap en hun land;

L.  overwegende dat een holistische benadering nodig is, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende elementen die ertoe bijdragen dat werk vol te houden blijft gedurende de levensloop voor alle individuen en voor de samenleving als geheel;

M.  overwegende dat verschillende groepen werknemers met verschillende werkomstandigheden te maken hebben, wat leidt tot ongelijke situaties betreffende gezondheid op het werk;

N.  overwegende dat er enorme zichtbare verschillen bestaan tussen lidstaten en regionale en plaatselijke autoriteiten op het vlak van het beleid inzake actief ouder worden en sociale bescherming op latere leeftijd, ondersteunende infrastructuur en begrotingsmiddelen;

O.  overwegende dat actief en gezond ouder worden nieuwe sociale behoeften creëert en bijvoorbeeld investeringen in een diversifiëring van bestaande en nieuwe openbare diensten vereist, vanzelfsprekend ook op het gebied van gezondheidszorg en ouderenzorg, en dat het nieuwe mogelijkheden schept om langer van onze vrije tijd en rust te genieten;

P.  overwegende dat de financiële en economische crisis heeft geleid tot een stijging van de armoedeniveaus onder de ouderen, en overwegende dat armoede, of het risico op armoede en sociale uitsluiting, niet alleen gezondheidsrisico's inhoudt, maar ook de mogelijkheden voor actief ouder worden belemmert;

Q.  overwegende dat er in de EU ongeveer 125 000 bedrijfspensioenfondsen actief zijn, die een vermogen onder beheer hebben van 2 500 miljard EUR ten behoeve van circa 75 miljoen Europeanen, wat neerkomt op 20 % van de EU-bevolking in de werkende leeftijd;

R.  overwegende dat solidariteit tussen generaties één van de basisbeginselen vormt van een menswaardige samenleving; overwegende dat de stijging van de gemiddelde levensverwachting het belang van de verhoudingen tussen de generaties doet toenemen; overwegende dat economie en samenleving de levenservaring, inzet en ideeën van alle generaties nodig hebben om hun doelen te verwezenlijken;

S.  overwegende dat actieve deelname aan permanente educatie en sportprogramma's een belangrijke bijdrage levert aan het creëren van een daadwerkelijke cultuur van actief ouder worden, waardoor de burger niet alleen in staat is zijn vaardigheden in de loop van het leven aan te passen aan de veranderende eisen van de arbeidsmarkt, maar ook in algemenere zin gezond, actief en maatschappelijk betrokken kan blijven;

T.  overwegende dat oudere vrouwen 20 % van de bevolking van de EU uitmaken en dat dit percentage volgens de huidige demografische trends zal blijven stijgen; overwegende dat oudere vrouwen in de meeste EU-landen meer risico op armoede lopen dan oudere mannen, gemiddeld 21 % voor vrouwen en 16 % voor mannen; overwegende dat de genderkloof op het gebied van pensioenen in de EU 39% bedraagt;

U.  overwegende dat toegankelijke technologieën burgers in staat stellen toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt, een zelfstandig leven te leiden en deel te nemen aan alle aspecten van de samenleving, maar dat vandaag de dag ruim 69 % van de mensen die niet over elementaire digitale vaardigheden beschikken ouder is dan 55 jaar; overwegende dat door een gebrek aan toegankelijkheid, de razendsnelle ontwikkeling van de ICT en slechte digitale vaardigheden veel ouderen en mensen met een handicap het gevaar lopen de toekomstige Digitale Eengemaakte Markt niet ten volle te kunnen benutten;

1.  erkent dat het EJ 2012 voor een belangrijke politieke impuls heeft gezorgd die heeft bijgedragen tot de opening van een debat over de uitdagingen op het vlak van actief ouder worden en intergenerationele solidariteit in Europa;

2.  definieert intergenerationele rechtvaardigheid als de gelijkmatige verdeling van voordelen en lasten tussen generaties; is van mening dat een werkbare samenwerking tussen generaties gebaseerd moet zijn op solidariteit en gekenmerkt dient te worden door wederzijds respect, gedeelde verantwoordelijkheid en de bereidheid elkaar te ondersteunen;

3.  stelt vast dat de specifieke doelstellingen van het EJ2012 deels bereikt zijn, met de beste resultaten op het vlak van bewustmakingsinitiatieven en -evenementen;

4.  stelt met tevredenheid vast dat dankzij de evenementen en initiatieven van het EJ2012 duidelijk werd dat oudere mensen vanwege hun ervaring, prestaties en kennis geen last, maar een hulpbron voor de economie en samenleving zijn;

5.  wijst erop dat ook de doelstelling van het EJ2012 om relevante spelers rond het thema actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties te mobiliseren, met succes verwezenlijkt is; vindt het echter jammer dat het doel van de oprichting van nieuwe netwerken voor de verdeling van de middelen, projecten en ideeën tussen de overheidssector, de private sector en het maatschappelijk middenveld maar in enkele zeldzame gevallen is behaald; betreurt het feit dat de betrokkenheid van de sociale partners wisselde en dat privébedrijven niet in noemenswaardig grote mate werden bereikt; onderstreept de behoefte aan verdere capaciteitsopbouw ter bevordering van de actieve participatie van ouderen in de samenleving;

6.  is ingenomen met het feit dat het EJ2012 bijgedragen heeft tot het bijschaven van de nationale beleidsagenda's inzake actief ouder worden, de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten heeft bevorderd en voor een toename van het aantal initiatieven ter bevordering van actief ouder worden evenals een vergroting van de kennis en vaardigheden van de belanghebbenden heeft gezorgd;

7.  benadrukt de behoefte aan betrouwbare statistieken over de situatie van ouderen en de demografische veranderingen teneinde doeltreffender en effectieve strategieën te ontwikkelen voor het actief ouder worden; roept de Commissie op te zorgen voor een alomvattende verzameling van kwalitatief goede gegevens over de maatschappelijke positie van ouderen en hun gezondheid, rechten en levensstandaard;

8.  acht het uiterst belangrijk dat de initiatieven die in het kader van het EJ 2012 gelanceerd zijn, worden opgevolgd en omgezet in een krachtig politiek engagement en concrete maatregelen voor de sociale inclusie, actieve participatie en het welzijn van alle generaties, met inachtneming van het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel; herhaalt dat de EU-wetgeving betreffende het beleid inzake actief ouder worden effectief moet worden uitgevoerd om discriminatie van zowel jongeren als oudere mensen in alle aspecten van het leven te bestrijden en te voorkomen;

9.  benadrukt de noodzaak om de coördinatiedriehoek te versterken tussen beleidsvormers (op Europees, nationaal, regionaal en plaatselijk niveau), het maatschappelijk middenveld en de privésector, waaronder ook bedrijfstakken die innovatieve producten en diensten ter ondersteuning van zelfstandig leven verlenen;

10.  verzoekt de Europese Commissie een onderzoek in te stellen naar de sterke daling van het inwonertal waar een toenemend aantal regio's van verschillende lidstaten van de Europese Unie zich voor gesteld ziet, en een mededeling over dit probleem uit te werken, alsook over de maatregelen die op Europees niveau en op het niveau van de lidstaten en de getroffen regio's kunnen worden genomen om de uitdaging die de bevolkingsafname vormt, het hoofd te bieden;

11.  benadrukt dat met name regio's met nadelige natuurlijke omstandigheden of met ernstige en permanente demografische problemen, zoals regio's met een zeer lage bevolkingsdichtheid, eilandregio's en bergregio's, kampen met problemen die te maken hebben met vergrijzing, en over minder middelen en infrastructuur beschikken om het actief ouder worden te bevorderen; vraagt of het nut kan worden onderzocht van dynamiseringsplannen om het proces van vergrijzing, dat meestal wordt verergerd door parallelle processen, zoals ontvolking, waar veel regio's mee kampen en dat een bedreiging kan gaan vormen voor het voortbestaan van deze gebieden, te keren;

12.  betreurt dat de relatief late goedkeuring van het EJ 2012 tot vertraging bij de afsluiting en uitvoering van contracten heeft geleid, met als gevolg dat het potentieel van bepaalde evenementen, zoals het initiatief "Seniorforce Day", niet ten volle is benut; neemt nota van het kleinere budget dat aan het EJ2012 is toegewezen in vergelijking met voorgaande EJ's, en de daardoor schaarser geworden middelen om de EJ2012-doelstellingen te verwezenlijken;

13.  brengt in herinnering dat actief ouder worden ook inhoudt dat perspectieven inzake gezondheid en deelname aan de samenleving geoptimaliseerd worden zodat ouder wordende mensen een goede levensstandaard en levenskwaliteit kunnen behouden; is van mening dat het beleid inzake actief ouder worden de mogelijkheden voor personen inzake lichamelijk, sociaal en geestelijk welzijn in de loop van hun leven moet vergroten zodat hun maatschappelijke inclusie verbetert en hun deelname aan de samenleving toeneemt; beklemtoont het feit dat actief ouder worden ook verband houdt met een betere toegang tot gezondheidszorg, langdurige zorg en sociale diensten, die tijdens de crisis in sommige gevallen onder druk zijn komen te staan, evenals met een leven lang leren, deelname aan de samenleving en culturele activiteiten, bevordering van bestaande sociale infrastructuur zoals woon- en zorgcentra, de uitroeiing van op leeftijd gestoelde discriminatie en clichés, maatregelen ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting en bewustmaking van de waarde van actief en gezond ouder worden;

14.  beveelt alle lidstaten aan om via hun sociale zekerheidsstelsels openbare, kwaliteitsvolle infrastructuur voor ouderen (tehuizen, centra voor dagopvang en thuishulp) te bevorderen en te versterken waarbij ouderen worden gezien als actieve en niet als passieve speler in de initiatieven waaraan zij deelnemen;

15.  is van mening dat een Europese strategie voor dementie moet worden ontwikkeld, die maatregelen ter ondersteuning van de familie van de patiënten, voorlichtingscampagnes, bewustmakingsacties en uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten moet omvatten;

16.  verzoekt de Commissie zich te buigen over het verontrustende fenomeen van werkloosheid bij mensen ouder dan 50 en de gestage toename van het aantal langdurig werklozen, en samen met de lidstaten, regionale en plaatselijke autoriteiten en sociale partners de omstandigheden en levenssituatie van oudere werklozen te onderzoeken en doeltreffende instrumenten uit te werken om deze kwetsbare groep van werknemers aan het werk te houden, mogelijkheden te bieden voor een leven lang leren, bijscholing, opleiding op de werkplek en toegankelijke en betaalbare leerprogramma's, en intergenerationele trainingen en kennisoverdracht op het werk te bevorderen voor iedereen;

17.  benadrukt dat hierbij voornamelijk moet worden gedacht aan programma's zoals een "generatie-mentorschap", waarbij de uitwisseling tussen oudere deskundigen en jongere generaties op de werkplek en tijdens de opleiding wordt bevorderd; wijst erop dat teams van mensen met verschillende leeftijden in het arbeidsproces moeten worden ondersteund en dat uitstekende projecten moeten worden beloond; is van mening dat de lidstaten maatregelen kunnen nemen om ondernemingen ertoe aan te sporen meer oudere werknemers in dienst te nemen, en dat oudere werknemers op het gebied van beroepsopleidingen en bij- en nascholing binnen ondernemingen in beginsel niet mogen worden benadeeld ten opzichte van jongere werknemers; benadrukt in het bijzonder dat werkplekken moeten worden aangepast aan de noden van oudere werknemers, dat oudere werknemers meer mogelijkheden moeten krijgen voor deeltijdwerk, overeenkomstig hun voorkeuren, en dat de nodige voorwaarden moeten worden gecreëerd om degenen die langer willen en kunnen werken, in staat te stellen dat te doen; is van mening dat er bijzondere pensioenplannen voor oudere langdurig werklozen moeten worden ingevoerd, om zowel deze mensen als de sociale zekerheidsstelsels de nodige stabiliteit te bieden;

18.  betreurt dat oudere personen nog altijd vaak te lijden hebben onder discriminatie op grond van leeftijd, vooroordelen en obstakels; vraagt de lidstaten daarom richtlijn 2000/78/EG van de Raad betreffende gelijke behandeling in arbeid en beroep correct en onverwijld uit te voeren; stelt vast dat het voorstel voor de horizontale richtlijn betreffende gelijke behandeling(6) sinds 2008 vastzit bij de Raad en vraagt de lidstaten om de situatie zo snel mogelijk te deblokkeren;

19.  weigert evenwel categorisch om het beleid inzake actief ouder worden enkel en alleen te beschouwen als een instrument om oudere werknemers aan het werk te houden, en vraagt de lidstaten met klem alle nodige evaluaties uit te voeren en alle nodige inspanningen te doen om op een levensloopbenadering over te stappen en waar nodig hun pensioenstelsels te hervormen, en tegelijk alles in het werk te stellen om de pensioenwetgeving te stabiliseren en rekening te houden met de feitelijke werkloosheidscijfers onder de bevolking ouder dan 50 alvorens de verplichte pensioenleeftijd op te trekken; is van mening dat wanneer de pensioengerechtigde leeftijd uitsluitend aan de levensverwachting wordt gekoppeld, er geen rekening wordt gehouden met de betekenis van de arbeidsmarktontwikkeling en dat een dergelijke koppeling bijgevolg niet het enige instrument mag zijn om de uitdaging van de vergrijzing aan te pakken; is van mening dat de lidstaten in plaats daarvan met behulp van hun arbeidsbeschermingswetten en loonvormingssystemen de rekrutering van oudere werknemers met name vóór hun wettelijke pensioenleeftijd moeten aanmoedigen, aangezien werkloosheid nog meer negatieve gevolgen zou hebben voor hun pensioeninkomen, en dat de lidstaten duurzame socialebeschermingsstelsels moeten garanderen;

20.  roept de lidstaten ertoe op de duurzaamheid van overheidspensioenstelsels te garanderen en te waarborgen dat iedereen over een eigen en adequaat pensioeninkomen en eigen en adequate pensioenrechten beschikt ter verzekering van een waardig leven op hun oude dag - met inbegrip van degenen, voornamelijk vrouwen, die hun loopbaan op goede gronden hebben onderbroken; onderstreept het belang van voldoende toezicht op en onafhankelijke audits van bedrijfspensioenfondsen voor veilige en duurzame pensioenen;

21.  benadrukt dat oudere mensen de mogelijkheid moeten krijgen om een belangrijke rol te spelen bij de ondersteuning van familieleden, en vestigt de aandacht op het waardevolle vrijwilligerswerk dat oudere mensen verrichten;

22.  benadrukt het belang van toegankelijke technologieën voor vergrijzende Europese samenlevingen en verzoekt de Commissie om een alomvattende strategie voor de Digitale Eengemaakte Markt te ontwikkelen door ervoor te zorgen dat de toegankelijkheid wordt geïntegreerd in de hele strategie en wordt gekoppeld aan het bevorderen van de 'zilveren economie' in Europa;

23.  verheugt zich over het feit dat actief en gezond ouder worden deel uitmaakt van de investeringsprioriteiten van het Europees Sociaal Fonds voor de programmeringsperiode 2014-2020, zoals vermeld in Verordening (EU) nr. 1304/2013; vraagt de lidstaten de hiervoor toegewezen middelen efficiënt te gebruiken; wijst erop dat financiering voor projecten ter bevordering van actief ouder worden ook beschikbaar is in het kader van onder meer de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF), Horizon 2020, het programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI) en het Gezondheidsprogramma; vraagt om een betere coördinatie van de programma's en diverse instrumenten die de EU beschikbaar stelt ter bevordering van actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties, en pleit conform de prioriteiten van Horizon 2020 om de invoering van een Europese onderzoeksprioriteit onder de naam 'Applied Health and Active-Aging Sciences' (toegepaste wetenschappen inzake gezondheid en actief ouder worden);

24.  roept de lidstaten ertoe op gebruik te maken van de beschikbare financiering van het Europees Sociaal Fonds (ESF), de ESIF's en het EaSI voor de financiële ondersteuning van zelfhulpprogramma's van ouderenorganisaties die hun energie, kennis, ervaring en wijsheid met elkaar delen en mensen in nood bijstaan, en daarmee een bijdrage leveren aan actief en gezond ouder worden en aan langer zelfstandig wonen;

25.  herinnert aan de evaluatie van de begroting 2010 door de Commissie, waarin werd vastgesteld dat "Europese meerwaarde" een van de kernbeginselen hiervan was; dringt erop aan dat dit beginsel de hoeksteen moet vormen van alle uitgaven en dat EU-financiering, met name die in het kader van het ESF, niet mag worden gebruikt om nationale methoden van aanpak te subsidiëren, maar moet worden ingezet om extra ondersteuning te bieden aan de programma's inzake actief ouder worden van de lidstaten;

26.  roept de Commissie en de lidstaten ertoe op de bestemming en daadwerkelijke benutting van middelen voor actief ouder worden te verbeteren; verzoekt de Commissie voorts met klem zich te buigen over de haalbaarheid en toegevoegde waarde van een nieuw Europees financieel instrument voor de terugkeer van ontslagen werknemers van middelbare leeftijd op de arbeidsmarkt;

27.  roept de Commissie en de lidstaten ertoe op volledige en betrouwbare gegevens te verzamelen waarmee de effectiviteit van de ESF-uitgaven aan oudere werknemers kan worden beoordeeld;

28.  verzoekt de Commissie de haalbaarheid en de toegevoegde waarde te beoordelen van een nieuw Europees financieringsinstrument dat voorziet in een minimuminkomen voor alle Europese burgers die onder de armoedegrens leven;

29.  beveelt de lidstaten aan om beleidsmaatregelen en overheidsprogramma's op te stellen en uit te voeren die niet alleen de fysieke gezondheid ten goede komen, maar ook de psychische gezondheid en sociale contacten bevorderen;

30.  acht het essentieel oudere mensen te helpen om zo lang mogelijk zelfstandig en actief te leven, zoals vastgelegd in artikel 25 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, door en mensgerichte en vraaggestuurde steun en verzorging op te zetten en in stand te houden en door deze openbare diensten beter met elkaar te verbinden; verzoekt de lidstaten dan ook om te zorgen voor betaalbare, toegankelijke en niet-discriminerende gezondheidszorg en om in hun gezondheidszorgbeleid prioriteit te geven aan preventie; vraagt de Europese Commissie dan ook om het pakket sociale-investeringsmaatregelen uit te voeren, gezond ouder worden en de toereikendheid en kwaliteit van langdurige zorg hoog op de politieke agenda te houden, en de betaalbaarheid van gezondheidszorg voor ouderen te analyseren, gegevens te verzamelen over wachttijden in gezondheidszorgstelsels in de hele EU en richtsnoeren voor maximale wachttijden voor te stellen; acht het essentieel om de persoonlijke verantwoordelijkheid van individuen voor hun eigen gezondheid te vergroten, met een duidelijke uitbreiding van de beschikbare informatie over gezondheidszorg en nationale motiveringscampagnes, en om samenwerking op het gebied van gezondheidsalfabetisme te stimuleren met als doel ouderen in staat stellen op hun gezondheid te letten; herhaalt dat we meer aandacht moeten besteden aan innovatieve technologische oplossingen en instrumenten; erkent het belang van de effectieve verspreiding van informatie met betrekking tot plaatselijke diensten en rechten om dit doel te bereiken;

31.  verzoekt de Commissie om gevolg te geven aan de conclusies van het Gezamenlijk verslag over adequate sociale bescherming voor langdurige-zorgbehoeften in een vergrijzende samenleving en onverwijld concrete voorstellen te doen;

32.  pleit ervoor om een prioriteit te maken van de integratie van ouderen in hun eigen familie; stelt voor dat de Commissie de mogelijkheden verkent die familiebedrijven en de activiteiten van dergelijke bedrijven op het vlak van ouderenzorg;

33.  wijst erop dat ouderen een efficiënter openbaar vervoer als een topprioriteit beschouwen voor de totstandkoming van een leeftijdsvriendelijke omgeving(7), die een zelfstandig leven en de toegang tot basisvoorzieningen vergemakkelijkt; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de toegankelijkheid en interoperabiliteit van vervoerssystemen te verbeteren;

34.  is ingenomen met de achtergrondnota van de Commissie met als titel "Growing the Silver Economy in Europe" en herhaalt de noodzaak om de 'zilveren economie' uit te bouwen, die inspeelt op de behoeften van de vergrijzende bevolking op basis van de economische kansen die voortvloeien uit de overheids- en privé-uitgaven met betrekking tot de vergrijzing en uit specifieke producten, diensten en nieuwe oplossingen en behoeften, en die tot nieuwe banen en groei leidt, rekening houdend met de behoeften van de meest kwetsbare sociaal-economische groepen;

35.  is van mening dat eenzijdige maatregelen tot verjonging van personeelsbestanden niet meer innovatie tot gevolg zullen hebben, maar ertoe leiden dat ervaring, kennis en vaardigheden verdwijnen;

36.  is van mening dat oudere mensen een volwaardige bevolkingsgroep moeten vormen en dat hun deelname aan het dagelijkse en openbare leven moet worden aangemoedigd; vindt bovendien dat een actieve dialoog en de uitwisseling van ervaringen tussen jonge en oudere mensen moeten worden aangemoedigd; onderstreept de rol van intergenerationele projecten in deze context; steunt voorts het recht van ouderen om een waardig en zelfstandig leven te leiden zoals vastgelegd in artikel 25 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; is bovendien van mening dat de actieve politieke participatie van vertegenwoordigers van de jongere en oudere generaties op alle EU-niveaus, overal waar de belangen van de generaties op het spel kunnen staan, moet worden gewaarborgd;

37.  onderstreept dat oudere mensen ook een belangrijke maatschappelijke rol vervullen door waarden en ervaringen door te geven aan doorgeven en hen wegwijs te maken in de samenleving;

38.  roept de Commissie, de Raad en de lidstaten ertoe op een positief standpunt in te nemen in de Open Werkgroep van de VN inzake vergrijzing om ervoor te zorgen dat ouderen hun mensenrechten ten volle kunnen genieten; verzoekt de Commissie om nauw samen te werken met de onafhankelijke deskundige van de VN inzake de rechten van ouderen en met de representatieve organisaties voor ouderen in de EU;

39.  betreurt het dat loopbanen vanwege tijdelijk werk, de toename van tijdelijke contracten, beperkte dienstverbanden of werkloosheid steeds onregelmatiger en onzekerder worden;

40.  beschouwt het geplande EU-Convenant rond demografische veranderingen als een belangrijk positief resultaat van het EJ2012 en het Europees innovatiepartnerschap inzake actief en gezond ouder worden; vraagt de Commissie om terreinen binnen de EU-begroting vast te stellen waar besparingen en efficiencyslagen mogelijk zijn om voor financiering te zorgen voor het convenant, dat een open, uitgebreid en onafhankelijk netwerk van plaatselijke en regionale belanghebbenden in het leven roept dat tot doel heeft de demografische veranderingen in Europa op te vangen door in nauwe samenwerking met de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) ouderenvriendelijke omgevingen te creëren;

41.  verzoekt de Commissie om vaststelling van een EU-strategie inzake demografische veranderingen om het EU-optreden op verschillende gebieden te coördineren teneinde voor synergie te zorgen en de positieve invloed ervan op de Europese burger, de economie en banencreatie te maximaliseren, en de mensenrechten van ouderen te beschermen op alle beleidsterreinen van de EU;

42.  is van mening dat demografische uitdagingen niet adequaat op Europees niveau worden aangepakt; doet daarom een beroep op de komende voorzitterschappen van de Raad van de EU om dit punt weer op de EU-agenda te zetten en krachtige beleidsmaatregelen uit te werken;

43.  wijst erop dat de verandering in bevolkingssamenstelling niet mag worden aangegrepen als reden voor de afbraak van sociale rechten en uitkeringen;

44.  is ingenomen met de 'Guiding Principles for Active Ageing and Solidarity between Generations' (richtsnoeren inzake actief ouder worden en solidariteit tussen generaties), vastgesteld door het Comité voor sociale bescherming en het Comité voor de werkgelegenheid; verheugt zich in het bijzonder over de rol van het Comité voor sociale bescherming bij de rechtstreekse uitwisseling van ervaringen tussen de lidstaten, onder meer voor wat langdurige zorg en pensioenen betreft;

45.  is ingenomen met de index voor actief ouder worden, die erop gericht is het onbenutte potentieel van oudere mensen voor een actievere deelname aan het professionele en maatschappelijke leven en voor zelfstandig wonen te benutten, en met het lopende vervolgproject van de Commissie en de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties; spoort de lidstaten ertoe aan op basis van de index voor actief ouder worden doelstellingen vast te leggen alsook omvattende strategieën voor actief ouder worden om deze doelstellingen te bereiken, en toezicht te houden op de vorderingen ter zake;

46.  wijst erop dat het stimuleren van een ouderenvriendelijke omgeving essentieel is om oudere werknemers en werkzoekenden te ondersteunen en inclusieve samenlevingen te bevorderen waar iedereen evenveel kansen krijgt; verheugt zich in dit verband over het gezamenlijke beheerproject van de Commissie en de WGO ter aanpassing van de WGO-gids met 'Global Age-Friendly Cities' aan de Europese context;

47.  is van oordeel dat een VN-Verdrag ter bescherming van de rechten van ouderen het leven van ouderen zal verbeteren doordat het hen van gelijke toegang tot politieke, economische en culturele rechten en rechten op gezondheidszorg verzekert, en een belangrijk platform biedt om op mondiaal niveau tot een andere houding tegenover veroudering te komen;

48.  verzoekt de Commissie om een actieplan inzake ouderenmishandeling vast te stellen ten behoeve van het inventariseren van het door het WeDO-partnerschap ontwikkelde Europese kwaliteitskader voor langdurige zorg en het aanpakken van de kwestie van de rechten van ouderen die behoefte hebben aan zorg en ondersteuning;

49.  betreurt dat de Commissie bij de tenuitvoerlegging van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) en de strategie inzake handicaps nog geen actie heeft ondernomen om leeftijdsongelijkheid aan te pakken; verzoekt de Europese Commissie dan ook om de rechten van ouderen met een handicap en de leeftijdsdiscriminatie waarvan zij het slachtoffer zijn, onder de aandacht te brengen en aan te pakken, en ervoor te zorgen dat ouderen niet worden vergeten bij de toepassing van het UNCRPD;

50.  verzoekt de Commissie de langverwachte Europese toegankelijkheidsakte bekend te maken om ervoor te zorgen dat vervoer, huisvesting en op ICT gebaseerde producten en diensten, waaronder die welke worden aangeboden in het kader van de 'zilveren economie', toegankelijk zijn voor ouderen;

51.  roept de Commissie ertoe op om binnen het kader van het Europees semester landenspecifieke aanbevelingen te doen met betrekking tot de toereikendheid, duurzaamheid en rechtvaardigheid van economische hervormingen op het gebied van werkgelegenheid, pensioenen, sociale inclusie en langdurige zorg; verzoekt de Commissie om een betere beoordeling uit te voeren van de sociale gevolgen van economische hervormingen, met name in de context van de vergrijzing;

52.  onderstreept het belang van vrijwilligerswerk, dat niet als vanzelfsprekend mag worden beschouwd en waarvan de maatschappelijke meerwaarde méér naar waarde moet worden geschat, en dat bevorderlijk is voor intercultureel leren, intergenerationele solidariteit, actief ouder worden en burgerparticipatie gedurende het hele leven en oudere mensen in staat stelt zich in te zetten voor de samenleving, wat hun levenskwaliteit, welbevinden en algemene gezondheidstoestand ten goede komt; moedigt de ontwikkeling aan van flexibelere en inclusievere benaderingen van de deelname aan vrijwilligersprogramma's; betreurt in dit verband de beëindiging van het Grundtvig-programma, dat oudere vrijwilligers ondersteunde; wijst nogmaals op het belang van de Europese en transnationale netwerken van verenigingen en publieke en particuliere instellingen die zich inzetten voor de integratie van ouderen, die bijzondere steun moeten krijgen, en vraagt de Commissie met klem de waarde te onderkennen van succesvolle EU-programma's die burgerparticipatie combineerden met EU-brede groepsuitwisselingen waar ouderen bij betrokken waren;

53.  benadrukt dat een aan generaties aangepast beleid ernaar moet streven instrumenten te scheppen om een open en eerlijke dialoog tussen de generaties te voeren met een win-winsituatie als resultaat; verzoekt de Europese Commissie en de lidstaten intensief te werken aan dergelijke instrumenten om te zorgen voor solidariteit;

54.  onderstreept het belang van sociale ondernemingen die bijdragen tot de dienstverlening aan ouderen, de ouderenzorg en de deelname van ouderen aan het maatschappelijk leven;

55.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.

(1) PB L 246 van 23.9.2011, blz. 5.
(2) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0328.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0204.
(5) PB C 74 E van 13.3.2012, blz. 19.
(6) Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (COM(2008)0426).
(7) Europese Commissie (2012). Speciale Eurobarometer 378 over actief ouder worden.


Tenuitvoerlegging van het Witboek over vervoer uit 2011
PDF 262kWORD 142k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 september 2015 over de tenuitvoerlegging van het Witboek over vervoer uit 2011; inventarisatie en te nemen maatregelen voor duurzame mobiliteit (2015/2005(INI))
P8_TA(2015)0310A8-0246/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het Witboek van de Commissie getiteld "Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte – werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem" (COM(2011)0144),

–  gezien de openbare hoorzitting getiteld "Witboek Vervoer: inventarisatie en de weg vooruit naar duurzame mobiliteit", georganiseerd door de Commissie vervoer en toerisme op 17 maart 2015,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 april 2015 getiteld "Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte — vooruitgang en uitdagingen",

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2011 over het stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte – werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem(1),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2010 over een duurzame toekomst voor het vervoer(2),

–  gezien zijn resolutie van 12 juli 2007 over Europa duurzaam in beweging: duurzame mobiliteit voor ons continent(3),

–  gezien zijn resolutie van 12 februari 2003 over het Witboek van de Commissie "Het Europese vervoersbeleid tot het jaar 2010: tijd om te kiezen"(4),

–  gezien het Witboek van de Commissie getiteld "Het Europese vervoersbeleid tot het jaar 2010: tijd om te kiezen" (COM(2001)0370),

–  gezien de aanstaande COP21-klimaatconferentie van december 2015 in Parijs,

–  gezien het energie-uniepakket en de bijbehorende mededeling "Een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering" (COM(2015)0080),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014 over het klimaat- en energiebeleidskader 2030,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa" (COM(2015)0192),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Samen naar een concurrerend en zuinig stedelijk mobiliteitssysteem" (COM(2013)0913),

–  gezien zijn resolutie van 27 september 2011 over de verkeersveiligheid in Europa 2011-2020(5),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0246/2015),

A.  overwegende dat in het Witboek Vervoer een ambitieuze agenda wordt geformuleerd voor de hervorming van het Europees vervoerssysteem en de invoering van een werkelijke interne Europese vervoersruimte;

B.  overwegende dat de vervoerssector een stuwende kracht vormt voor de economie in de EU, werk biedt aan circa 10 miljoen mensen en goed is voor zo'n 5% van het BBP, waarmee deze sector de koploper moet blijven bij het genereren van economische groei en werkgelegenheid en het bevorderen van concurrentievermogen, duurzame ontwikkeling en territoriale samenhang;

C.  overwegende dat Europa wereldleider is op vervoersgebied, zowel wat betreft productie- als vervoersactiviteiten, en overwegende dat het van essentieel belang is dat de duurzame ontwikkeling en vernieuwing van en de investeringen in het Europese vervoer blijven voortduren, teneinde zijn technologische leiderspositie op wereldniveau te handhaven, zijn normen over de wereld te blijven uitvoeren en zijn concurrerende positie in alle vormen van vervoer te handhaven in een wereldwijde economie die steeds meer wordt gekenmerkt door de opkomst van sterke nieuwe actoren en nieuwe bedrijfsmodellen;

D.  overwegende dat de omstandigheden van onze maatschappij evolueren door de digitalisering, urbanisatie, mondialisering en demografische veranderingen en dat een paradigmaverschuiving in het huidige vervoersbeleid noodzakelijk is als we de uitdagingen van de toekomst het hoofd willen bieden;

E.  overwegende dat vervoer van fundamenteel belang is voor het vrije verkeer van personen, goederen en diensten waar de interne markt op is gegrondvest en dat dit vrije verkeer zowel een krachtige integratiefactor van de Unie als een sleutelfactor voor de prestaties van Europese bedrijven en handel is;

F.  overwegende dat het vervoer haast volledig afhankelijk blijft van fossiele brandstoffen en de enige sector is waarvan de broeikasgasemissies de afgelopen 25 jaar zijn gestegen, en dat deze uitstoot nog meer had kunnen stijgen als de economie niet was ingestort;

G.  overwegende dat het dringend noodzakelijk is de energie-efficiëntie en duurzaamheid van het vervoersstelsel te verbeteren en de afhankelijkheid van olie en fossiele energiebronnen op kostenefficiënte manier te verminderen, zonder het concurrentievermogen en de mobiliteit aan te tasten, overeenkomstig de doelstellingen van het Witboek;

H.  overwegende dat geavanceerde duurzame biobrandstoffen, met name biobrandstoffen uit afval en reststoffen, overeenkomstig de afvalhiërarchie(6), een nog niet aangesproken potentieel vormen waarmee het Europese vervoerssysteem minder afhankelijk kan worden gemaakt van olie en de uitstoot van broeikasgassen door de vervoerssector kan worden ingeperkt;

I.  overwegende dat het, om de ontwikkeling van een succesvol trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T) binnen de overeengekomen termijnen te waarborgen, noodzakelijk is de vervoersnetwerken van alle EU-regio's op efficiënte wijze met elkaar te verbinden en de geografisch afgelegen regio's te verbinden met het centrum van de EU, en de vervoersinfrastructuren op eenzelfde niveau van ontwikkeling en onderhoud te brengen, vooral die van de oostelijke en westelijke delen van de Unie;

J.  overwegende dat investeringen in de vervoersinfrastructuur positieve gevolgen hebben voor de economische groei, het creëren van banen en de handel, en dat het daarom nodig is belemmeringen uit de weg te ruimen die particuliere investeringen in vervoersinfrastructuur hinderen;

K.  overwegende dat voor de vervoersinfrastructuren in het algemeen een langetermijnfinanciering nodig is en dat het investeringsniveau onlangs is gedaald als gevolg van een gebrek aan vertrouwen bij wetgevers, initiatiefnemers van projecten en de financiële sector;

L.  overwegende dat er vele jaren in de hele EU veel te weinig is geïnvesteerd in infrastructuur voor het openbaar vervoer en dat betere voorzieningen voor voetgangers, ouderen en passagiers met een beperkte mobiliteit deel uitmaken van de doelstellingen van de Unie en extra middelen vereisen;

M.  overwegende dat een van de hoofddoelen van het Witboek zou moeten zijn om mensen en hun rechten als passagier centraal te stellen in het vervoersbeleid;

N.  overwegende dat innovatie en intelligente vervoerssystemen een belangrijke rol moeten spelen bij de ontwikkeling van een modern, efficiënt, duurzaam en interoperabel Europees vervoerssysteem dat voor iedereen toegankelijk is;

O.  overwegende dat multimodale netwerken en de integratie van de verschillende vervoerswijzen en -diensten gunstig kunnen zijn voor de verbetering van de verbindingen in het passagiers- en vrachtvervoer en de efficiëntie daarvan, zodat koolstofemissies en andere schadelijke uitstoot worden verminderd;

P.  overwegende dat de invoering van een werkelijke interne Europese vervoersruimte niet mogelijk is zonder een doeltreffende tenuitvoerlegging van EU-wetgeving door de lidstaten en, waar nodig, van een vereenvoudiging van het huidige regelgevingskader, die moet zorgen voor rechtszekerheid en een betere handhaving van de wetgeving;

Q.  overwegende dat het van groot belang is om alle resterende barrières, technische onverenigbaarheden en belastende administratieve procedures die de verwezenlijking van een volledig geïntegreerd vervoerssysteem belemmeren uit de weg te ruimen en de strijd aan te binden met nieuwe maatregelen van lidstaten die obstakels opwerpen voor het vrije verkeer van goederen en diensten;

R.  overwegende dat een verdere vrijmaking van de markt gepaard moet gaan met hoogwaardige banen en goede werkomstandigheden, en hoogwaardige dienstverlening en eerlijke mededinging in alle lidstaten;

S.  overwegende dat uit het laatste verslag van de Commissie over verkeersveiligheid in de Europese Unie(7) blijkt dat het aantal dodelijke verkeersslachtoffers in Europa in 2014 met 1 % is gedaald, een veel geringere daling ten opzichte van de gemiddelde daling van 8 % in de voorgaande jaren;

Tenuitvoerlegging en tussentijdse evaluatie van het Witboek

1.  verwelkomt het voornemen van de Commissie om een tussentijdse evaluatie van het Witboek uit te voeren, waarbij de geboekte vooruitgang beoordeeld wordt en verdere acties worden voorgesteld om de doelstellingen te verwezenlijken; is van mening dat het nog te vroeg is om de effecten te beoordelen van een aantal van de beleidsmaatregelen die getroffen zijn sinds de goedkeuring van het Witboek, maar dat het wel nodig is de tot nu toe bereikte resultaten te inventariseren, om een overzicht te krijgen van de stand van zaken met de tenuitvoerlegging van de 40 initiatieven en 131 actiepunten die in de bijlage bij het Witboek zijn opgenomen;

2.  herhaalt zijn steun voor de doelstellingen die in het Witboek worden genoemd, alsmede voor de 10 doelstellingen voor een concurrerend vervoerssystemen met een efficiënt gebruik van hulpbronnen (stappen op weg naar een reductie van de broeikasgasemissies met 60%); benadrukt dat bij de tussentijdse evaluatie ten minste het niveau van de doelstellingen van 2011 aangehouden moet worden en stelt concrete, realistische en empirisch onderbouwde maatregelen en initiatieven voor ter versterking, versnelling en stroomlijning van de inspanningen om die doelstellingen te behalen; verzoekt de Commissie te evalueren in hoeverre de lijst van acties in het Witboek toereikend is om de overkoepelende doelstellingen te bereiken, en bijkomende wetgevende maatregelen voor te stellen;

3.  vraagt de Commissie om de emissiedoelstellingen in het Witboek te actualiseren in overeenstemming met de resolutie van het Parlement van 5 februari 2014 over een kader voor klimaat- en energiebeleid voor 2030(8) en de conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014 betreffende het beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030, en maatregelen voor te stellen om de lidstaten te helpen met het verwezenlijken van een algemeen "bindend EU-streefcijfer van ten minste 40% reductie van in de EU uitgestoten broeikasgassen in 2030 ten opzichte van 1990" (daarbij "zal de ETS-sector in 2030 een emissiereductie met 43% ten opzichte van 2005 tot stand brengen en de niet-ETS-sector een reductie met 30%");

4.  benadrukt dat het streefcijfer voor de reductie van broeikasgasemissies door het vervoer vastgesteld moet worden op een niveau dat het mogelijk maakt de langetermijndoelstelling van het Witboek van een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met minstens 60 % in 2050 te behalen; verzoekt de Commissie in dit verband een omvattende strategie voor te stellen voor het koolstofarm maken van het vervoer;

Algemene beginselen: overschakeling naar andere wijzen van vervoer (modal shift) en co-modaliteit

5.  benadrukt dat een duurzaam Europees vervoersbeleid gebaseerd moet zijn op een breed scala aan beleidsinstrumenten gericht op de kostenefficiënte overschakeling naar de minst vervuilende en energiezuinigste wijzen van vervoer; wijst erop dat het verplaatsen van het zwaartepunt tussen verschillende wijzen van vervoer niet een doel op zich is, maar noodzakelijk is om mobiliteit los te koppelen van de negatieve effecten van het huidige vervoerssysteem, zoals verkeersdrukte, luchtvervuiling, lawaai, ongevallen en klimaatverandering; erkent dat het modal shift-beleid tot nu toe geen bevredigende resultaten heeft opgeleverd; benadrukt daarom dat elke vervoerswijze moet worden geoptimaliseerd en milieuvriendelijker, veiliger en energie-efficiënter moet worden om een hoog niveau van zowel mobiliteit als milieubescherming te verwezenlijken;

6.  is van mening dat de ontwikkeling van het passagiers- en vrachtvervoer in hoge mate samenhangt met een doeltreffend gebruik van de verschillende wijzen van vervoer, en dat het Europees vervoersbeleid daarom gebaseerd moet zijn op een efficiënte co-modaliteit, waarbij het gebruik van de energiezuinigste en duurzaamste vervoerswijzen waar mogelijk de voorkeur moet krijgen; is van mening dat hiermee een optimale herverdeling van het gebruik van de verschillende wijzen van vervoer bereikt kan worden en interoperabiliteit mogelijk wordt binnen en tussen de verschillende wijzen van vervoer, en dat tevens een duurzamere vervoers- en logistieke keten wordt bevorderd en een soepele verkeersstroom mogelijk wordt gemaakt die gebruik maakt van verschillende vervoerswijzen en knooppunten;

Moderne infrastructuur en slimme financiering

7.  verzoekt de Commissie voorstellen in te dienen om op basis van een gemeenschappelijke, samenhangende en transparante EU-methodiek te voorzien in de internalisering van de externe kosten voor alle wijzen van vracht- en passagiersvervoer, rekening houdend met de specifieke kenmerken van elke vervoerswijze, en een coherente analyse uit te voeren van de externe effecten die reeds geïnternaliseerd zijn om dubbele belastingheffing te voorkomen; roept op tot het nemen van concrete maatregelen om te zorgen voor een bredere toepassing van de principes "de gebruiker betaalt" en "de vervuiler betaalt", met inbegrip van richtsnoeren en beste praktijken, en gelijke voorwaarden voor de verschillende vervoerswijzen te waarborgen en belastingsubsidies die het milieu schaden waar passend af te schaffen, maar intussen ook de concurrentiekracht van alle EU-regio's te handhaven;

8.  verzoekt de Commissie een algemeen kader voor te stellen voor nationale stelsels voor rekeningrijden voor personenauto's en lichte commerciële voertuigen, die niet-discriminerend moeten zijn voor inwoners van derde landen en voorrang moeten geven aan op afstand gebaseerde tolheffing; nodigt de lidstaten uit de inkomsten van infrastructuurheffingen te reserveren voor de bouw en het onderhoud van veilige vervoersinfrastructuur en de beperking van met het vervoer verband houdende milieuproblemen;

9.  benadrukt dat de voltooiing van het Trans-Europees Vervoersnetwerk een van de voorwaarden blijft voor een duurzamer, doeltreffend, naadloos en multimodaal vervoerssysteem, alsmede voor een evenwichtiger verdeling van vracht en passagiers tussen de verschillende vervoerswijzen; benadrukt dat bij de selectie van projecten die in aanmerking komen voor EU-steun nadruk moet worden gelegd op de negen corridors van het kernnetwerk, de voltooiing van ontbrekende verbindingen, en met name op grensoverschrijdende trajecten, de opheffing van knelpunten, de modernisering van bestaande infrastructuur, innovatieve vervoersoplossingen, interoperabiliteit en de ontwikkeling van multimodale terminals en stedelijke knooppunten; tevens moet hierbij meer nadruk worden gelegd op Europese meerwaarde, de ontwikkeling van infrastructuur voor de connectiviteit van afgelegen, eiland-, berg- en ultraperifere regio's, en op steun voor projecten voor de koppeling van het trans-Europees vervoersnetwerk aan infrastructuurnetwerken van buur- en kandidaatlanden;

10.  is van mening dat de EU-financiering de werkelijke investeringsbehoeften voor de afronding van het TEN-T kernnetwerk in 2030 moet weerspiegelen, en dat de Connecting Europe Facility (CEF) en andere vormen van financiering de investeringen in vervoersinfrastructuur moeten stimuleren overeenkomstig de criteria in de TEN-T richtsnoeren en de CEF, met voorrang voor duurzame vormen van vervoer zoals spoorwegen, binnenwateren en de korte vaart; benadrukt dat medegefinancierde projecten tegemoet moeten komen aan de behoefte aan infrastructuur die ten goede komt aan het concurrentievermogen en de economische, sociale en territoriale cohesie van de Unie, die de effecten op het milieu zoveel mogelijk beperkt, die bestand is tegen de mogelijke effecten van de klimaatverandering en die de gezondheid en veiligheid van gebruikers garandeert;

11.  dringt erop aan de financiering van de CEF fors te verhogen en de Europese bevoegdheden voor de voorbereiding, tenuitvoerlegging en financiering van transnationale vervoersplannen en infrastructuurprojecten uit te breiden;

12.  benadrukt dat de kwaliteit van de wegeninfrastructuur, die van directe invloed is op de verkeersveiligheid, in de verschillende EU-lidstaten sterk uiteenloopt en dat meer dan 90 % van de ongevallen op de weg met dodelijke afloop in de lidstaten zich voordoen op stedelijke en plattelandswegen; benadrukt dat doeltreffende financiering voor dit soort infrastructuur verder moet worden bevorderd door middel van verschillende EU-beleidsmaatregelen en -instrumenten, met name in de cohesielanden; benadrukt tevens dat de bestaande infrastructuur goed onderhouden moet worden, ook die van het secundaire wegennet;

13.  benadrukt dat het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), voorgesteld door de Commissie als onderdeel van het Juncker-Investeringsplan voor Europa, vooral gericht moet zijn op duurzame vervoers- en infrastructuurprojecten van vitaal belang met een hoge maatschappelijke, economische en ecologische meerwaarde, alsmede op projecten ter bevordering van hoogwaardige werkgelegenheid, groei op lange termijn, concurrentievermogen, innovatie en territoriale samenhang, met inbegrip van duurzame stedelijke projecten en spoorprojecten, overeenkomstig de beleidsdoelstellingen en wetgeving van de EU op vervoersgebied (TEN-T richtsnoeren, CEF); is in dat verband van mening dat nieuwe financieringswijzen zoals publiek-private partnerschappen en concessies meer aandacht en een ruimere toepassing verdienen; benadrukt dat de selectieprocedure voor door het EFSI te financieren projecten transparant moet zijn en dat er relevante belanghebbenden uit de openbare en particuliere sector bij moeten worden betrokken;

14.  is van mening dat het EFSI bij voorkeur gefinancierd moet worden uit niet-toegewezen bronnen binnen de EU-begroting en pas in het uiterste geval uit niet-gebruikte middelen van programma's in rubriek 1a van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2014-2020; benadrukt dat de financiering van het garantiefonds moet worden geëvalueerd in het kader van de tussentijdse herziening in 2016 van het MFK en dat op basis van de analyse van de resultaten en het uitvoeringspercentage van de verschillende programma's alternatieve financieringsmogelijkheden moeten worden gevonden om herschikking van middelen van rubriek 1a voor de periode 2016-2020 zoveel mogelijk te voorkomen; benadrukt dat het Europees Parlement en de Raad ook manieren moeten bestuderen om te zorgen voor zoveel mogelijk compensatie voor herschikkingen van EU-programma's die zijn overeengekomen tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedure, als financieringsbron voor het EFSI in de jaren voorafgaand aan de tussentijdse MFK-herziening;

15.  drukt opnieuw zijn steun uit voor de innovatieve financiële instrumenten, die zorgen voor een optimalisering van de overheidsuitgaven door meer particuliere middelen aan te trekken, maar brengt in herinnering dat talrijke vervoersprojecten niet de nodige inkomsten opleveren om uitsluitend van dit type instrumenten te kunnen gebruikmaken en dat ze dus gepaard dienen te gaan van steun in de vorm van subsidies;

16.  benadrukt dat de snelle invoering en toepassing van intelligente vervoerssystemen een doeltreffender, duurzamer en veiliger gebruik van vervoermiddelen en de bestaande infrastructuur mogelijk maakt en zorgt voor bijkomende capaciteit, en bovendien met minder tijd, kosten en onteigening van grond gemoeid gaat dan de aanleg van nieuwe infrastructuur; benadrukt het belang van een doeltreffend gebruik van frequentie en interoperabiliteit tussen intelligente vervoerssystemen om naadloze verkeersstromen mogelijk te maken tussen vormen van vervoer en knooppunten; roept op tot de tijdige tenuitvoerlegging van de invoerings- en exploitatiefases van de EU-programma's voor satellietnavigatie, en van de ontwikkeling van vervoerstoepassingen binnen de systemen Galileo en EGNOS;

Duurzaam vervoer en stedelijke mobiliteit

17.  benadrukt dat verbetering van de energie-efficiëntie tot de topprioriteiten van het Europees vervoersbeleid moet behoren; stelt vast dat er een acute behoefte bestaat aan verbetering van de bronnenefficiëntie van het vervoerssysteem in zijn geheel, met het oog op een doeltreffender gebruik van de bestaande capaciteit, een hoger gebruikspercentage van voertuigen en de garantie dat overheidsfinanciering op nationaal en Europees niveau wordt toegewezen aan maatregelen met het grootste effect;

18.  benadrukt dat het belangrijk is mobiliteit op basis van elektrisch vervoer en elektrische openbaarvervoerssystemen te stimuleren, parallel aan de invoering van hernieuwbare energiebronnen in de energiesector, waarbij voorrang wordt gegeven aan de verdere elektrificering van spoornetwerken en het stimuleren van het gebruik van tramlijnen, elektrische bussen (trolleybussen), elektrische auto's, elektrische twee-, drie- en vierwielige voertuigen, elektrische fietsen en kleine elektrische vaartuigen; wijst op het potentieel van moderne cabinebanen (kabelbanen) als goedkoop en eenvoudig aan te leggen vorm van vervoer, om de capaciteit van stedelijke openbaarvervoerssystemen te vergroten;

19.  benadrukt het belang van de invoering van alternatieve brandstoffen en aandrijfsystemen, met name die waarbij Europa een grote technische voorsprong heeft, teneinde de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen van het vervoer te verminderen, de luchtkwaliteit te verbeteren en de uitstoot van broeikasgassen te beperken; betreurt dat deze technologieën nog onvoldoende worden ingezet, met name voor het openbaar vervoer;

20.  wijst erop dat het gebruik van openbaar vervoer in stedelijke gebieden niet duidelijk is opgenomen als een van de tien doelstellingen in het Witboek; is van mening dat een nieuw streefdoel moet worden vastgelegd om het gebruik van het openbaar vervoer in stedelijke gebieden tegen 2030 te verdubbelen; benadrukt in dit verband dat maatregelen genomen moeten worden om te zorgen voor faciliteiten en infrastructuur ten behoeve van de mobiliteit van deur tot deur voor gebruikers van openbaar vervoer, met inbegrip van ouderen en gehandicapten en fietsers die het openbaar vervoer gebruiken voor een deel van hun reis; onderstreept dat de verwezenlijking van deze doelstelling passende investeringen vereist, vooral om een consistent onderhoud en een verdere uitbreiding van de infrastructuur voor het openbaar vervoer te garanderen; dringt er daarom bij de lidstaten op aan om te zorgen voor passende, langlopende en betrouwbare financiering die speciaal bedoeld is voor infrastructuurprojecten voor het stedelijke openbaar vervoer;

21.  verzoekt de Commissie de lokale, regionale en nationale autoriteiten en belanghebbenden te helpen bij het onderzoeken van bestaande en nieuwe EU-financieringsmogelijkheden voor het openbaar vervoer en innovatieve publiek-private partnerschapsregelingen te ontwikkelen; wijst op de lering die getrokken kan worden uit het speciale verslag van de Europese Rekenkamer (nr. 1/2014) getiteld "Doeltreffendheid van door de EU gesteunde projecten voor openbaar stadsvervoer", waarin de implementatie en doeltreffendheid wordt beoordeeld van stedelijke openbaarvervoersprojecten met medefinanciering van de structuurfondsen van de EU en waarin wordt nagegaan in welke mate deze projecten tegemoetkomen aan de behoeften van gebruikers en hun doelstellingen wat betreft de benutting ervan bereiken;

22.  benadrukt het belang van "plannen voor duurzame stedelijke mobiliteit" (SUMP's) als instrument om steden te helpen doeltreffender gebruik te maken van vervoersinfrastructuur en -diensten en de integratie in de stedelijke ruimte van de verschillende vormen van mobiliteit op duurzame wijze te verbeteren, om bij te dragen aan de vermindering van lucht- en lawaaivervuiling, CO2-uitstoot, verkeersopstoppingen en verkeersongevallen; verzoekt de Commissie de ontwikkeling en bevordering van SUMP's te blijven ondersteunen; benadrukt dat de Europese structuur- en investeringsfondsen op systematischer wijze ingezet moeten worden voor steden die een geïntegreerd lokaal vervoersplan hebben ontwikkeld, zoals een SUMP, en de juiste acties zijn gestart overeenkomstig de criteria vastgesteld in de relevante wetgeving;

23.  verzoekt de Commissie samen te werken met exploitanten van het openbaar vervoer en autoriteiten om gebruikers reisinformatie te verstrekken via verschillende media, waaronder informatie voor mensen met een handicap, en een grotere rol te spelen bij de vaststelling van beste praktijken voor de hele EU en van voorwaarden voor de verbetering van stedelijke openbaarvervoerssystemen; verzoekt de Commissie en de lidstaten tevens om vast te houden aan de verplichting voor stedelijke vervoerssystemen om stadscentra te verbinden met buitengebieden;

24.  benadrukt dat stedelijke gebieden een zekere mate van soepelheid moet worden gegund om hun verplichtingen uit hoofde van het EU-recht na te komen, met volledige eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel en om ervoor te zorgen dat de mobiliteitsoplossingen aan hun specifieke omstandigheden worden aangepast;

25.  benadrukt dat het gedrag van gebruikers van het vervoer van wezenlijk belang is voor de ontwikkeling van een duurzamer vervoerssysteem; roept op tot het ontplooien van initiatieven die gebruikers, vooral jongeren, motiveren en in staat stellen om veiliger en duurzamer vormen van vervoer te gebruiken (lopen, fietsen, inclusief delen en huren van fietsen, openbaar vervoer, autodelen, carpoolen), die ingezet kunnen worden binnen een veilige infrastructuur, en tot het beschikbaar stellen van reisplanners en real-time informatie om het intermodaal gebruik van verschillende vormen van vervoer mogelijk te maken door middel van intelligente vervoerssystemen; roept de Commissie op om voorbeelden van beste praktijken voor de combinatie van diverse vervoerswijzen die in andere stedelijke agglomeraties kunnen worden toegepast vast te stellen;

26.  onderstreept de noodzaak van betere nationale en Europese vervoersgegevens over het gedrag van vervoersgebruikers, in het bijzonder wat betreft lopen, fietsen en genderverschillen bij reispatronen, die door lokale autoriteiten gebruikt kunnen bij het vormgeven van hun stedelijke mobiliteitsbeleid;

27.  benadrukt dat het belangrijk is maatregelen te treffen ten gunste van regionale plannen voor de inrichting en uitbreiding van fietsnetwerken in de grote Europese regio's, om de burgers bewust te maken van de milieu-uitdagingen, het fietsgebruik te populariseren en lawaaioverlast, verkeersopstoppingen en milieuverontreiniging in steden te beperken;

28.  wijst erop dat de positieve effecten op de samenleving van nieuwe vormen van mobiliteit die uitgaan van het model van de deeleconomie, en in het bijzonder van autodelen (ride-sharing), moeten worden onderzocht; acht het belangrijk om beste praktijken uit te wisselen tussen de lidstaten om tot een aanpassing van de regelgeving te komen waarin rekening wordt gehouden met deze platformen voor innovatie van mobiliteit van deur tot deur;

29.  roept de Commissie op de situatie in de verschillende lidstaten wat betreft vervoersbedrijven die chauffeurs en passagiers met elkaar in contact brengen (met als belangrijkste voorbeeld Uber) in het oog te houden, en een beoordeling uit te voeren van de legale, sociale, economische en milieugevolgen van de werkzaamheden van dergelijke bedrijven, waarbij indien nodig relevante maatregelen of aanbevelingen voor de ontwikkeling van innovatieve nieuwe diensten in Europa kunnen worden opgesteld, rekening houdend met de bestaande taxidiensten;

30.  verzoekt de Commissie om van de lidstaten te eisen dat ze eerlijke concurrentievoorwaarden scheppen voor bedrijven voor gedeeld vervoer en traditionele taxi- en streekvervoersbedrijven wat betreft de eerbiediging van fiscale wetgeving, de naleving van veiligheidsvoorschriften, de verplichting om openbare diensten te verrichten en arbeidsvoorwaarden;

31.  benadrukt dat gemotoriseerde tweewielige (motorfietsen, scooters en brommers) en, in toenemende mate, elektrische twee- en driewielige voertuigen een belangrijke rol spelen bij duurzame mobiliteit, met name in stedelijke gebieden, waar ze bijdragen aan het verminderen van verkeersdrukte en parkeerproblemen en een oplossing bieden voor kleinschalige logistieke problemen; dringt er daarom op aan dat in de vervoerswetgeving en -richtsnoeren van de EU afdoende aandacht wordt besteed aan de specifieke kenmerken en voordelen van deze voertuigen;

32.  roept op tot een betere optimalisatie van de toeleveringsketen in stedelijke gebieden; voertuigen die worden gebruikt voor vrachtvervoer in stedelijke gebieden dragen disproportioneel bij tot de luchtvervuiling en geluidsoverlast en hebben negatieve gevolgen voor de verkeersdrukte; de stedelijke logistiek dient de optimalisatie van het vervoer en de kostenefficiënte invoering van nieuwe werkwijzen, technologieën en bedrijfsmodellen te bevorderen; een betere selectie van vervoerswijzen en voertuigen kan ervoor zorgen dat een vervoersoplossing optimaal is afgestemd op de specifieke eisen van de vracht en de stad in kwestie;

33.  benadrukt dat het belangrijk is om logistieke opslagplaatsen aan de rand van stedelijke gebieden te vestigen, zodat goederen op gecoördineerde wijze naar hun bestemming kunnen worden vervoerd met behulp van de energiezuinigste vervoerswijzen;

Mensen centraal stellen in het vervoersbeleid

34.  roept met betrekking tot de verkeersveiligheid op tot:

   de snelle goedkeuring van een doelstelling voor 2020 van de vermindering van het aantal ernstig gewonden in het verkeer met 40 %, waarvoor een volwaardige EU-strategie moet worden ontwikkeld; roept de lidstaten op zonder uitstel alle relevante statistische gegevens te leveren om de Commissie in staat te stellen deze doelstelling en strategie vast te stellen;
   de versterking van maatregelen die ten doel hebben om het aantal dodelijke slachtoffers en gewonden in het verkeer te verminderen, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan de hoofdoorzaken daarvan (zoals rijden onder invloed van alcohol of drugs, te snel rijden en geen gordel dragen);
   actie om het verkeersveiligheidsstreefcijfer voor 2020 van minder dan 15 000 dodelijke ongevallen te behalen, met behulp van de invoering en toepassing van kostenefficiënte verkeersveiligheidsmaatregelen op nationaal en EU-niveau;
   maatregelen om het aantal ongevallen onder kwetsbare gebruikers te verminderen, in het bijzonder onder gebruikers van tweewielige voertuigen, voetgangers in stedelijke gebieden en oudere bestuurders;
   verkeersveiligheidsmaatregelen in het komende wegenpakket en een tussentijdse evaluatie van het verkeersveiligheidsprogramma 2011-2020 van de Commissie;
   een herziening van Richtlijn (EU) 2015/413 ter vergemakkelijking van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertredingen, en inspanningen om de toepassing daarvan uit te strekken tot de buurlanden van de EU;
   de uitbreiding van de vier belangrijkste maatregelen van Richtlijn 2008/96/EG betreffende het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur tot andere delen van het wegennet, met inbegrip van alle delen van snelwegen en wegen op het platteland en in steden; deze uitbreiding kan plaatsvinden bij de herziening van de richtlijn;
   de vaststelling van prioritaire maatregelen voor kwetsbare verkeersdeelnemers, zoals voorgesteld in het actieplan en omschreven in Richtlijn 2010/40/EU betreffende intelligente vervoerssystemen;
   een herziening van de richtlijn betreffende opleiding en kwalificaties van beroepschauffeurs, met als doel om de bepalingen ervan te verduidelijken, en de bevordering en ontwikkeling van nascholingsprogramma's voor alle voertuiggebruikers die hun rijbewijs reeds hebben behaald;
   een voorstel om de verordening betreffende de algemene veiligheid (EG) nr. 661/2009) en de verordening betreffende bescherming van voetgangers (EG) nr. 78/2009) uiterlijk in 2016 te herzien om verplichte voorschriften vast te stellen inzake het ontwerp en de veiligheid van vrachtwagencabines, pilootvensters, botsresultaten en voetgangersbescherming, teneinde kwetsbare weggebruikers extra te beschermen;
   bredere toepassing in personenauto's en bedrijfsvoertuigen van op veiligheid gerichte rijhulpsystemen, zoals automatische noodremsystemen (AEA), automatische afstandscontrole, waarschuwingssystemen voor het onbedoeld verlaten van de rijstrook (LDW), bandenslijtagemeters, uitschakelbare systemen voor intelligente snelheidsaanpassing (ISA) en eCall, gekoppeld aan coöperatieve intelligente vervoerssystemen;
   een herziening van de derde rijbewijsrichtlijn, met het oog op de invoering van:
   een verplichte rijopleiding die is aangepast aan nieuwe voertuigfuncties (rijhulpsystemen),
   een tweede fase van het halen van het rijbewijs,
   een levenslange verkeerseducatie,
   een geschiktheidstest voor de rijvaardigheid, en
   een medisch-psychologische test voor personen die overtredingen in het verkeer hebben begaan die bijvoorbeeld verband houden met alcohol, drugs of agressie;
   een voor de gehele EU geharmoniseerde limiet voor de alcoholconcentratie in het bloed, die voor beginnende bestuurders gedurende de eerste twee jaar en voor beroepsmatige bestuurders te allen tijde 0,0‰ moet bedragen;

35.  benadrukt dat hoewel de afgelopen jaren flinke verbeteringen zijn verwezenlijkt in de verkeersveiligheid, nog altijd verschillen bestaan tussen de lidstaten en verdere maatregelen nodig zijn om de langetermijndoelstelling van Vision Zero te bereiken; wijst erop dat de verkeersveiligheid baat heeft bij respectvol gedrag van alle weggebruikers, en dat verkeersopvoeding thuis en op school daarbij een grotere rol moet spelen;

36.  benadrukt dat het bestaande juridisch kader voor rechten van passagiers uitgebreid moet worden met maatregelen voor het wegwerken van alle mogelijke lacunes in de wetgeving voor passagiers die multimodale reizen maken, en om eerlijke intermodale concurrentie te waarborgen, rekening houdend met de specifieke verschillen tussen vormen van vervoer, de juridische verantwoordelijkheid voor de afzonderlijke delen van de reis en de wisselwerking tussen de verschillende vormen van vervoer; herhaalt zijn oproep voor een handvest voor passagiersrechten, met de fundamentele rechten van passagiers die gelden voor alle vormen van vervoer, rekening houdend met de specifieke kenmerken van elke vorm van vervoer, en met een afzonderlijke afdeling inzake multimodale reizen, om de zichtbaarheid van EU-regelgeving te vergroten en een betere handhaving te waarborgen; roept op tot het ontwikkelen van initiatieven voor EU-brede multimodale reisinformatie-, reisplanning- en ticketverkoopdiensten, die aangeboden moeten worden aan reizigers; roept tevens op tot het nemen van maatregelen ter verbetering van de kwaliteit van het vervoer en ter vergemakkelijking van een onbelemmerde toegankelijkheid voor ouderen, passagiers met beperkte mobiliteit en gehandicapte passagiers, en tot het geven van meer aandacht aan speciale behoeften van passagiers, zoals fietsers die hun fiets in de trein willen meenemen;

37.  pleit met het oog op het universele grondrecht van individuele mobiliteit, met name voor personen met een handicap en ouderen, voor meer investeringen in onderzoek en ontwikkeling op het gebied van geschikte rijhulpsystemen;

38.  merkt op dat verbetering van de beschikbaarheid van gratis of goedkope breedband- en mobiele netwerken, wifidiensten en andere digitale diensten in het openbaar vervoer en op stations de persoonlijke mobiliteit ten goede zou komen;

39.  roept op tot de opstelling van een EU-stappenplan voor de invoering van een kader voor een Europees naadloos multimodaal passagiervervoerssysteem; in dit stappenplan moeten de belangrijkste Europese multimodale passagierscorridors van het bestaande TEN-T-netwerk worden aangewezen, publieke en particuliere middelen worden samengebracht, bestaande initiatieven op elkaar worden afgestemd en de EU-financiering worden geconcentreerd;

40.  roept de Commissie en de lidstaten op de arbeidskwaliteit in alle vormen van vervoer te verbeteren, met name wat betreft opleiding, certificering, arbeidsomstandigheden en loopbaanperspectieven, teneinde hoogwaardige banen te creëren, de nodige vaardigheden te ontwikkelen en de concurrentiepositie en mobiliteit van de vervoerssector in de EU te versterken; benadrukt dat een oplossing gevonden moet worden voor het probleem van het personeelsverloop en het vergrijzende personeelsbestand in de vervoerssector, en dat het werken in de sector aantrekkelijk moet worden gemaakt voor nieuwe generaties;

41.  benadrukt het cruciale belang van de waarborging van een gelijkwaardige en eerlijke behandeling, goede arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden en een veilige werkomgeving voor werknemers in de sector; verzoekt de Commissie daarom concrete en onmiddellijke maatregelen/initiatieven te presenteren met betrekking tot de sociale aspecten in de verschillende vervoersvormen, met als doel het bevorderen van hoogwaardige banen en arbeidsomstandigheden voor werknemers in het vervoer en het waarborgen van een eerlijke en onverstoorde mededinging tussen vervoersexploitanten; dringt er bij de Commissie op aan nauwlettend toezicht te houden op de tenuitvoerlegging en handhaving van sociale EU-wetgeving door de lidstaten bij alle vormen van vervoer;

42.  benadrukt dat ook maatregelen nodig zijn om de deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt in de vervoerssector te stimuleren, eventuele belemmeringen uit de weg te ruimen en gelijke behandeling van vrouwen en mannen te waarborgen door de loon- en carrièrekloof aan te pakken;

43.  dringt er bij de Commissie op aan er in haar voorstellen betreffende de openstelling van de diensten op alle vervoersmarkten voor te zorgen dat zij gepaard gaan met een juiste handhaving van sociale EU-wetgeving en waar nodig met begeleidende maatregelen teneinde ongelijke sociale omstandigheden in de verschillende lidstaten te voorkomen; benadrukt dat de openstelling van de diensten op alle vervoersmarkten niet mag resulteren in sociale dumping, een verslechtering van de kwaliteit van de dienstverlening, een mindere openbare dienstverlening, onnodige administratieve lasten, oneerlijke handelspraktijken of verstoring van een eerlijke mededinging; tevens moet een einde worden gemaakt aan de versnippering van de interne markt en moet de totstandkoming van monopolies of een steeds verdere verslechtering van de sociale bescherming van vervoersmedewerkers voorkomen worden;

Een concurrerend, efficiënt, veilig, geïntegreerd en interoperabel vervoerssysteem

44.  benadrukt dat digitalisering van vitaal belang is voor het verbeteren van de efficiëntie en productiviteit van de vervoerssector; benadrukt dat beter gebruik gemaakt moet worden van de mogelijkheden geboden door digitale technologieën, en dat nieuwe vervoersdiensten gestimuleerd moeten worden, alsmede nieuwe zakelijke en distributiemodellen, ter bevordering van groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid; benadrukt tevens dat er een regelgevingskader voor proefprojecten voor de invoering van intelligent geautomatiseerd vervoer in Europa moet worden ontwikkeld; wijst in dit verband op de centrale rol van kmo's en startende ondernemingen voor het stimuleren van innovaties in de vervoerssector;

45.  verzoekt de Commissie de geïntegreerde benadering (interoperabiliteit, interconnectiviteit en intermodaliteit), met inbegrip van ICT-systemen, bij de evaluatie van het Witboek centraal te stellen; herinnert de Commissie er bovendien aan dat technologische vooruitgang gecombineerd moet worden met verandering van gedrag, met het oog op een ambitieuze overschakeling naar andere vormen van vervoer, alsmede het vermijden van vervoer door middel van groene logistiek, goede instrumenten voor mobiliteitsbeheer en de toepassing van digitalisering;

46.  benadrukt dat een Europees duurzaam mobiliteitsbeleid moet streven naar synergieën tussen alle vervoersvormen, corridors en netwerken, en gericht moet zijn op de behoeften van belangrijke knooppunten, stedelijke gebieden, interconnectiviteitspunten, doorvoerplatforms en havens; benadrukt dat mobiliteit moet worden beschouwd als een systeem, en niet als een verzameling van afzonderlijke vervoerswijzen;

47.  roept op tot de standaardisering van intermodale laadeenheden, rekening houdend met de laadeenheden in het wereldwijd vervoer en de voertuigafmetingen, alsook tot de invoering van uniforme voorschriften voor het vastzetten van lading, teneinde het multimodaal vervoer te optimaliseren en de veiligheid te verbeteren;

48.  dringt erop aan dat de bureaucratische obstakels voor alle vormen van vervoer moeten worden teruggedrongen; roept op tot verdergaande vereenvoudiging en harmonisering van documenten en administratieve en douaneprocedures, die voor alle partijen in de logistieke keten praktisch, efficiënt en uitvoerbaar moeten zijn; verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen voor de vaststelling van een elektronisch kader voor multimodaal vervoer van goederen (e-Freight), gekenmerkt door papierloze, naadloze informatiestromen in de gehele logistieke vervoersketen, rekening houdend met bestaande goed werkende instrumenten en synergieën, mondiale ontwikkelingen en beste praktijken;

49.  roept op tot de invoering van een nieuwe doelstelling, gepaard met de nodige maatregelen, om tegen 2030 voor 50 % van het huidige vervoer van gevaarlijke goederen in de EU over te gaan op duurzamere vormen van vervoer, zoals vervoer over spoorwegen en binnenwateren, met volledige inachtneming van Richtlijn 2008/68/EG inzake binnenlands vervoer van gevaarlijke goederen;

50.  roept de Commissie op de regels inzake het intermodaal vervoer van gevaarlijke goederen te stroomlijnen om de interoperabiliteit tussen de verschillende vervoerswijzen te waarborgen;

51.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan het potentieel te onderzoeken en de invoering te steunen van vrachtvervoer door buizen en cyclische logistiek, als veelbelovende concepten voor een duurzaam vervoerssysteem;

52.  wijst op de fundamentele rol die de vervoerssector speelt bij de ontwikkeling van het toerisme, met name bij de ontsluiting van de ultraperifere gebieden in de EU die afgelegen en zeer moeilijk toegankelijk zijn;

53.  onderstreept dat Europese hubs Europa verbinden met de rest van de wereld en dat Europa zijn directe verbindingen met alle delen van de wereld moet handhaven door Europese luchtvaartmaatschappijen rechtstreekse vluchten van hun Europese hubs naar bestemmingen overzee te laten aanbieden en door banen en groei in de Europese luchtvaartsector te behouden; benadrukt dat vluchten binnen de EU niet alleen mobiliteit verschaffen aan de interne markt, maar ook een cruciale rol vervullen als aanvoervluchten die de connectiviteit van de EU-hubs in stand houden; is van mening dat het EU-beleid moet zorgen voor een doeltreffend en concurrerend aanvoernet om de Europese hubs te versterken, door de kosten te laten dalen tot een wereldwijd concurrerend niveau en eerlijke concurrentie met luchtvaartmaatschappijen uit derde landen te garanderen; is van mening dat de EU-lidstaten een samenhangend en gemeenschappelijk beleid nodig hebben om de directe verbindingen tussen Europa, Azië en Afrika met de hubs in de Golfstaten en Turkije niet verder kwijt te raken; verzoekt de Commissie daarom om deze doelstellingen uit te voeren in alle EU-wetgeving inzake luchtvaart en ze toe te passen in haar onderhandelingen met derde landen;

54.  dringt aan op een omvattend onderzoeks- en technologiebeleid met als doel het stimuleren van innovatie in de vervoersector; is van oordeel dat dit beleid, vergezeld van de nodige financiering, moet worden vastgesteld in samenwerking met alle relevante belanghebbende partijen, waaronder burgers en vertegenwoordigers van gebruikers, om een goed inzicht te krijgen in de behoeften van de sector en de verdeling van de met name in het kader van het Horizon 2020-programma beschikbare EU-financiering in dat verband te kunnen bijstellen; vindt dat de prioriteit moet liggen bij projecten met een duidelijke Europese meerwaarde die bedoeld zijn om het vervoer koolstofarmer te maken en energiezuinige vormen van vervoer te stimuleren (waaronder lopen en fietsen), de efficiëntie en de transparantie van de aanvoerketen te vergroten, de toegankelijkheid en veiligheid van het vervoer te verhogen, het verkeersbeheer te verbeteren en de administratieve lasten te verlagen; is van mening dat ook specifieke aandacht moet worden besteed aan disruptieve technologieën op vervoersgebied, waaronder automatische of op afstand bestuurbare voertuigen zoals drones of voertuigen zonder bestuurder;

55.  vraagt dezelfde inzet op het gebied van onderwijs om de ontwikkeling van nieuwe studierichtingen en opleidingsstelsels te bevorderen, met name in het beroeps- en het hoger onderwijs, die gewijd zijn aan de nieuwe expertises en beroepen die in de context van de intelligente mobiliteit zullen ontstaan;

56.  benadrukt het belang van steun voor EU-kaderprogramma's voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie met het oog op schonere brandstoffen en een sterke technologische vooruitgang, bijvoorbeeld met betrekking tot geraffineerde biobrandstoffen;

57.  verzoekt in het kader van het Refit-programma en effectbeoordelingen van Europese wetgeving om een algemene evaluatie van de voorwaarden van het Europese rijbewijs en de veiligheidsvoorwaarden en van aan vervoer gerelateerde rapportageverplichtingen, met het oog op een aanzienlijke vermindering van de bureaucratie;

58.  wijst op het belang van interferentievrije radiofrequenties, in het bijzonder in verband met de handhaving van rijtijden en rustperiodes van chauffeurs en de invoering van intelligente vervoerssystemen; verzoekt de Commissie waar nodig het relevante regelgevingskader hiervoor te ontwikkelen;

De wereldwijde dimensie van vervoer

59.  onderstreept dat de invoering van een Europese vervoersruimte een belangrijke prioriteit is en met name afhankelijk is van internationale acceptatie in het kader van te sluiten overeenkomsten voor alle vervoerswijzen, in het bijzonder in verband met het lucht- en scheepvaartverkeer, waarbij de EU in de desbetreffende internationale organen in toenemende mate het voortouw moet nemen;

60.  is van mening dat de EU een vooraanstaande rol moet blijven spelen bij de wereldwijde inspanningen om de uitstoot in het vervoer te verminderen, in het kader van de klimaatconferentie van Parijs in 2015 (COP21), door op wereldwijd niveau het koolstofarm maken van het vervoer en de ontwikkeling van duurzame vormen van vervoer te stimuleren, om zo bij te dragen aan de internationaal overeengekomen doelstelling om de opwarming van het klimaat beneden de 2°C te houden;

61.  roept op tot een meer geïntegreerde benadering tussen de lidstaten met betrekking tot de mogelijkheid om een wederkerigheidsbeginsel toe te passen in onze commerciële betrekkingen met derde landen en om te onderzoeken of in het EU-financieringsbeleid voor vervoer aanvullende financiering uit derde landen gepast is;

62.  benadrukt dat bij de exploitatie van internationale grondstoffen voor de ontwikkeling van ons vervoerssysteem (olie, lithium, edelmetaal, biobrandstoffen) rekening moet worden gehouden met de legitieme belangen van de bevolking van het gebied waar deze grondstoffen worden verhandeld en van waaruit ze worden ingevoerd;

Integratie van alle vormen van vervoer in het kader van een doeltreffender, duurzamer, concurrerender, toegankelijker en gebruikers- en burgervriendelijker vervoerssysteem

63.  roept met betrekking tot het luchtvervoer op tot:

   het aanpakken van de belangrijke uitdagingen voor de mededinging in de Europese luchtvaartsector die worden gevormd door de afname van directe verbindingen tussen Europa en de rest van de wereld, de beperkte luchthavencapaciteit ten aanzien van de komende toename van het luchtverkeer en de verbreding van het aanbod van luchtvaartdiensten door bedrijven van buiten de EU;
   herziening van Richtlijn (EG) nr. 868/2004 om eerlijke mededinging in de externe luchtvaartbetrekkingen van de EU te waarborgen en de concurrentiepositie van de luchtvaartsector in de EU te versterken, wederkerigheid te waarborgen en oneerlijke praktijken uit te bannen, waaronder marktverstorende subsidies;
   een luchtvaardialoog met de Golfstaten en Turkije, om de financiële transparantie te verbeteren en een eerlijke mededinging te waarborgen; opname van clausules inzake eerlijke mededinging in luchtvervoersovereenkomsten en gedetailleerde bepalingen inzake subsidies, oneerlijke praktijken en mededinging, alsmede doeltreffende maatregelen die genomen kunnen worden indien deze bepalingen niet worden nageleefd;
   versnelling van het proces voor het sluiten, waar nodig, van nieuwe luchtvaartakkoorden met de belangrijkste handelspartners van de EU, zoals de buurlanden, BRIC's, ASEAN-landen en Mexico, met inbegrip van bepalingen voor een verbeterde markttoegang voor luchtvrachtdiensten;
   een evaluatie van het regulerend en fiscaal beleid van de EU en de lidstaten om het concurrentievermogen van de Europese luchtvaartsector te versterken en eerlijke concurrentie met luchtvaartmaatschappijen van derde landen te waarborgen; roept de Commissie daarom op unilaterale EU-bepalingen te herzien of in te trekken die de concurrentie verstoren en er bij de lidstaten op aan te dringen hetzelfde te doen ten aanzien van soortgelijke nationale bepalingen;
   totstandbrenging van de interne markt voor de luchtvaart door het wegnemen van door lidstaten ingevoerde barrières wanneer luchtvaartmaatschappijen uit de EU vanuit de lidstaat waar ze geregistreerd zijn vluchten willen uitvoeren naar een derde land via een andere lidstaat;
   een coherente en doeltreffende planning van het luchthavennetwerk, dat ten eerste grote luchthavens ("hubs") moet omvatten en ten tweede een goed bediend, levensvatbaar en ondersteund netwerk van lokale, provinciale en regionale luchthavens, die van wezenlijk belang zijn voor de groei en ontwikkeling van de betreffende regio's, in het bijzonder afgelegen en perifere regio's, die vaak alleen door de lucht te bereiken zijn; het opstellen van een regelgevingskader voor de ontwikkeling en maximale gebruikmaking van het onbenutte potentieel van regionale luchthavens en een nieuwe infrastructuur voor drukke luchthavens;
   het prioritair goedkeuren van EU-gefinancierde projecten die deel uitmaken van het TEN-T-kernnetwerk;
   een grondige voorbereiding en snelle goedkeuring van een omvattend luchtvaartpakket, met inbegrip van: een nieuw regelgevingskader voor civiele drones dat veiligheid, zekerheid en fundamentele rechten waarborgt, terwijl ook de economische mogelijkheden die civiele drones Europese bedrijven, met name kmo-bedrijven en start-ups, bieden worden bevorderd; herziening van de EASA-verordening ter verduidelijking van de rol van de EASA ten aanzien van nationale luchtvaartautoriteiten en uitbreiding van zijn mogelijkheden om toezicht te houden op de veiligheid in de luchtvaart in alle lidstaten, met inbegrip van de perifere regio's, en bevordering van de wereldwijde toepassing van EU-regels en -normen;
   het nemen van de nodige maatregelen door de lidstaten om de invoering van een gemeenschappelijk Europees luchtruim te versnellen, door middel van de goedkeuring van het SES2+-pakket, om de functionele luchtruimblokken (FAB's) ten uitvoer te kunnen leggen, en de invoering van het nieuwe luchtverkeersbeheersysteem (SESAR), teneinde vertragingen van vluchten te verminderen, de veiligheidsnormen te verbeteren en de gevolgen voor het milieu van het luchtvervoer te beperken;
   snelle goedkeuring door de Raad van zijn standpunt over de herziening van Verordening (EG) nr. 261/2004 en Verordening (EG) nr. 2027/97 betreffende rechten van luchtreizigers en Verordening (EEG) nr. 95/93 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van "slots";
   intensivering van de onderhandelingen binnen de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) over de ontwikkeling van een wereldwijd toe te passen marktgebaseerd mechanisme voor de aanpak van emissies van de internationale luchtvaart;
   invoering van internationale duurzaamheidscriteria voor hernieuwbare vliegtuigbrandstof;
   verlening van steun voor luchtvaartonderzoek en -ontwikkeling door middel van de programma's Horizon 2020 en Clean Sky, met het oog op de ontwikkeling van nieuwe en schonere technologieën, leidend tot stillere en zuinigere vliegtuigen, ter bevordering van nieuwe soorten luchtvaartuigen, zoals drones, en groei en banen in de Europese luchtvaartsector;
   een grondige evaluatie door de Commissie en de lidstaten van hun strategie en beleid voor de veiligheid en beveiliging van de luchtvaart, om geleidelijk over te schakelen naar een op risico gebaseerde benadering ten behoeve van de passagiers;
   verbetering van de luchtvaartveiligheidsprestaties in de hele EU op het gebied van de vervaardiging van vliegtuigen, opleiding en het afgeven van vergunningen voor bemanningen, vluchtuitvoeringen, luchtverkeerbeheer en luchtvaartnavigatiediensten;
   een beoordeling van mogelijke veiligheidsmaatregelen die nodig zijn om luchtvaartrampen als het neerstorten van vlucht 9525 van Germanwings in de Alpen in maart 2015 te voorkomen;
   een voorstel van de Commissie met maatregelen ter verbetering van de veiligheids- en sociale regels, met name vlieg- en rusttijden, om vermoeidheid te voorkomen en de kwaliteit van de lucht in de cabine te verbeteren;
   de ontwikkeling van een gecoördineerde reeks regels voor vliegscholen en registratie van vlieguren voor piloten die in de EU actief zijn, om een effectievere controle en evaluatie van de arbeidsvoorwaarden in de luchtvaartsector te waarborgen;
   het door de lidstaten delen van hun gegevens over de algemene luchtvaart met Eurostat, met name ten aanzien van het aantal vliegtuigen, piloten en vlieguren, teneinde de regelgeving ter zake te verbeteren, in het bijzonder wat de veiligheid in de luchtvaart betreft;
   een constructieve sociale dialoog tussen belanghebbenden in de luchtvaart over de aanpak van de nieuwe uitdagingen ten gevolge van de invoering van nieuwe technologieën, waar banen in de luchtvaartsector aan aangepast moeten worden;
   maatregelen tegen het toenemen van sociaal twijfelachtige bedrijfspraktijken zoals "goedkope vlaggen", het gebruik van verschillende vormen van flexibele arbeid en uitbesteding; herziening van Verordening nr. (EG) nr. 1008/2008 om een juiste naleving en toepassing te waarborgen van nationale sociale wetgeving en collectieve overeenkomsten voor luchtvaartmaatschappijen met een operationele vestiging in de EU; een herziene definitie van de "hoofdvestiging van een onderneming", op grond waarvan vliegtuigmaatschappijen moeten aantonen dat ze een groot aantal luchtvaartactiviteiten in dat land uitvoeren; EASA-aanbevelingen om verplicht te stellen dat ten minste 50 procent van het technisch onderhoudspersoneel rechtstreeks in dienst wordt genomen, waaronder alle categorieën grondpersoneel, piloten en cabinepersoneel vallen;

64.  roept met betrekking tot het wegvervoer op tot:

   doeltreffende nationale beleidskaders voor de ontwikkeling van de markt voor het gebruik van elektrische voertuigen en alternatieve brandstoffen (elektriciteit, waterstof, aardgas (aardgas onder druk (CNG) en vloeibaar aardgas (LNG)), vloeibaar autogas (LPG), synthetische en paraffinehoudende brandstoffen, en duurzame biobrandstoffen, met name geproduceerd bij afval- en restverwerking, waaronder ethanol op basis van melasse) en de snelle ontwikkeling van de nodige infrastructuur voor bijtanken/opladen; uitwisseling van beste praktijken tussen bestaande projecten in de verschillende lidstaten op het gebied van de markt voor alternatieve brandstoffen en stadsdistributie; een actieplan van de EU voor de tenuitvoerlegging van de strategie omschreven in de mededeling van de Commissie "Schone energie voor het vervoer: een Europese strategie voor alternatieve brandstoffen", om een zo breed mogelijk gebruik van alternatieve brandstoffen voor het vervoer te verwezenlijken en duurzame elektrische mobiliteit in de hele Unie te bevorderen;
   uitbreiding van het aantal beveiligde parkeerplaatsen voor vrachtwagens op het trans-Europese vervoersnet tegen 2020 met in totaal 40 % ten opzichte van 2010 en verbetering van de kwaliteit en hygiëne daarvan;
   initiatieven voor interoperabiliteit van de elektronische tolsystemen;
   een evaluatie door de Commissie van de verschillende soorten tolheffingssystemen en de verenigbaarheid daarvan met de EU-verdragen, in het bijzonder met het beginsel van niet-discriminatie op basis van woonplaats;
   het prioritair goedkeuren van EU-gefinancierde infrastructuurprojecten die het wegennet dat deel uitmaakt van het TEN-T-kernnetwerk vervolledigen;
   een EU-stappenplan voor fietsen in het werkprogramma 2016 van de Commissie;
   een wetsvoorstel voor de vaststelling van bindende maxima voor gemiddelde CO2-emissies door nieuwe personenauto's en bestelwagens voor de periode na 2020, met een duidelijk pad naar emissiereductie op lange termijn;
   de tijdige voltooiing van een simulatie-instrument waarmee op een nauwkeurige, betrouwbare en kostenefficiënte manier het brandstofverbruik en de CO2-emissies van zware voertuigen (vrachtwagens, bussen en touringcars) kunnen worden gemeten, zo nodig gevolgd door een wetsvoorstel voor de vaststelling van bindende maxima voor gemiddelde CO2-emissies door nieuw geregistreerde zware voertuigen (vrachtwagens, bussen en touringcars), zoals die reeds gelden voor auto's en busjes; verdere maatregelen om het in de handel brengen van de efficiëntste voertuigen te doen toenemen en om beste praktijken voor een lager brandstofverbruik te bevorderen;
   maatregelen ter bevordering van de brandstofefficiëntie en vermindering van CO2-emissies van zware voertuigen, met inbegrip van verdere training in milieuvriendelijk rijden, verbeterde vervoerslogistiek en intelligentere infrastructuur en meer gebruik van alternatieve brandstoffen;
   een aangepaste testcyclus met striktere voorschriften inzake conformiteitscontrole, voor het meten van CO2- en vervuilende emissies door voertuigen, ter vervanging van de momenteel gehanteerde "nieuwe Europese rijcyclus", om te waarborgen dat de emissies en het brandstofverbruik van voertuigen worden gemeten door middel van een testprocedure die reële verkeersomstandigheden weerspiegelt;
   het onverwijld starten van werkzaamheden door de Commissie in verband met de herziening van Richtlijn (EU) 2015/719 betreffende maximaal toegestane gewichten en afmetingen, zodat uiterlijk in 2020 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag kan worden ingediend waarbij rekening wordt gehouden met specifieke kenmerken van bepaalde marktsegmenten, zoals speciale autotransportvoertuigen die worden gebruikt in de logistiek van afgewerkte voertuigen;
   goedkeuring van een sociale code voor mobiele werknemers in het wegvervoer, om het probleem van schijnzelfstandigen aan te pakken, en een betere inachtneming van de specifieke kenmerken van werknemers in het internationale wegvervoer, en waarborging van eerlijke mededinging;
   betere handhaving, evaluatie en, waar nodig, verduidelijking of herziening van de gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (Verordening (EG) nr. 1072/2009);
   maatregelen om ervoor te zorgen dat nationale bepalingen in overeenstemming zijn met het EU-recht op het gebied van grensoverschrijdend vervoer;
   het overwegen van de oprichting van een Europees agentschap voor het wegvervoer om een juiste tenuitvoerlegging van EU-wetgeving te waarborgen en standaardisering in alle lidstaten te bevorderen;
   maatregelen om juridische duidelijkheid en een betere tenuitvoerlegging van regels inzake arbeidsvoorwaarden, sociale en welzijnsrechten, lonen en sociale verantwoordelijkheid te waarborgen, teneinde hoge sociale normen in het goederenvervoer over de weg in de hele EU te waarborgen; verzoekt de Commissie maatregelen te nemen tegen illegale praktijken die tot oneerlijke concurrentie leiden en sociale dumping in de hand werken; de sector goederenvervoer over de weg moet worden beschouwd als specifieke sector, gezien de grote mobiliteit van de werknemers en de noodzaak voor chauffeurs om wekelijkse rusttijden thuis door te brengen;
   een herziening van de toepassing van de beginselen van de interne markt, waarbij de vrijheid van dienstverlening doeltreffend wordt afgebakend van de vrijheid van vestiging, met als doel dat de activiteiten van een onderneming in een EU-lidstaat waarin deze niet is gevestigd, duidelijk tijdelijk van aard zijn;

65.  roept met betrekking tot het spoorvervoer op tot:

   de afronding van de interne Europese spoorwegruimte door de snelle goedkeuring van het vierde spoorwegpakket, ter waarborging van een evenwichtige openstelling van de binnenlandse markt voor het vervoer van passagiers per spoor, de onafhankelijkheid van infrastructuurbeheerders, de openbare aanbesteding van openbaredienstcontracten, het hoogst mogelijke niveau van veiligheid en interoperabiliteit van het spoorwegvervoer en afdoende menselijke en financiële hulpbronnen voor het Europese spoorwegbureau, om te waarborgen dat het volledig operationeel is en zijn taak als één loket voor vergunningen voor voertuigen en veiligheidscertificaten kan vervullen; het vierde spoorwegpakket moet een hoog niveau van kwaliteit en efficiëntie van spoorwegdiensten en het economisch evenwicht van openbaredienstverplichtingen waarborgen en hoge normen voor arbeidsomstandigheden en territoriale samenhang bevorderen; de goedkeuring ervan moet worden gevolgd door een snelle omzetting en tenuitvoerlegging door de lidstaten;
   goedkeuring door de Commissie van een spoorwegstrategie om nieuwe maatregelen voor te stellen die nodig zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen voor de overschakeling naar andere vormen van vervoer tegen 2030 en 2050, zoals vastgelegd in de "10 doelstellingen voor een concurrerend vervoerssystemen met een efficiënt gebruik van hulpbronnen" van het Witboek;
   substantiële, afdoende, transparante en voorspelbare langetermijnfinanciering, met vereenvoudigde regels en procedures voor toegang tot EU-financiering, ter verbetering van de kwaliteit en capaciteit van de nationale en grensoverschrijdende spoorweginfrastructuur, met prioriteit voor de verbetering en het onderhoud van reeds bestaande infrastructuur, en om de levering van betrouwbare, veilige, toegankelijke en duurzame diensten mogelijk te maken door aanbieders van diensten op het gebied van goederen- en personenvervoer per spoor;
   een uitgebreide analyse van de redenen waarom de Europese spoorwegruimte nog steeds wordt gekenmerkt door missende delen langs de grenzen van de lidstaten; verzoekt de Commissie maatregelen en stimulansen voor te stellen om op zo kort mogelijke termijn nieuw leven in te blazen in lokale, regionale en nationale grensoverschrijdende spoorverbindingen die in WOII en de naoorlogse periode zijn ontmanteld of in onbruik zijn geraakt, ondanks hun economisch belang of nut voor het publiek, alsmede geplande maar niet voltooide verbindingen spoedig aan te leggen, om bestaande knelpunten en ontbrekende verbindingen in grensoverschrijdende regio's te verhelpen; opnieuw in gebruik nemen en onderhoud plegen aan secundaire spoorwegverbindingen die aansluiting bieden op nationale kernnetwerken en Europese corridors; initiatieven om nieuwe toepassingen te vinden voor in onbruik geraakte netwerken, zoals vrachtvervoer of toeristische dienstverlening;
   het prioritair goedkeuren van EU-gefinancierde infrastructuurprojecten die het spoornet dat deel uitmaakt van het TEN-T-kernnetwerk vervolledigen, en van in het kader van de CEF goedgekeurde projecten;
   het versterken van de rol van de Commissie bij het werken aan een effectieve en snelle voltooiing van de TEN-T spoorwegcorridors, die gepland staan maar ondanks hun sociale en economische nut door de lidstaten zijn uitgesteld;
   een onderzoek naar de sociale, economische en milieuvoordelen van voortgezette steun voor nationale en internationale nachttreinen en, waar passend, herinvoering van die diensten en van grensoverschrijdende intercityverbindingen, bijvoorbeeld in kader van openbare dienstverplichtingen of door middel van aanbestedingsprocedures;
   alle nodige maatregelen door de lidstaten, de Commissie en belanghebbenden in de spoorwegsector in verband met het opzetten van de gemeenschappelijke onderneming Shift2Rail, om de integratie van geavanceerde technologieën in innoverend spoorvervoer te bespoedigen, de aantrekkelijkheid van het spoorwegvervoer te vergroten en de positie van de Europese spoorwegsector te versterken;
   gerichte acties om het Europese spoorwegnet echt interoperabel te maken door de hardnekkige technische belemmeringen weg te werken en technische oplossingen te bevorderen die het mogelijk maken dat treinen over sporen met verschillende breedtes rijden, en ervoor te zorgen dat de verschillende hoogtebeperkingen in de EU geen bijkomend obstakel vormen;
   het bij voorrang invoeren van het Europees beheersysteem voor het spoorverkeer (ERTMS) op alle corridors van het TEN-T-kernnetwerk, met inbegrip van de benodigde boorduitrusting voor locomotieven;
   de snelle tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 913/2010 inzake de invoering van internationale spoorcorridors voor concurrerend goederenvervoer, en de ontwikkeling of verbetering van one-stop shops (OSS) voor de coördinatie van die corridors;
   de terugdringing van geluidshinder door goederenvervoer per spoor door middel van aanpassing van goederenwagons en verbetering van de spoorweginfrastructuur, met behulp van gerichte overheidsfinanciering; indiening door de Commissie van een voorstel voor een verbod in de hele EU op het gebruik van buitensporig veel geluidshinder veroorzakende goederenwagons, met ingang van 2020;
   de ontwikkeling en invoering van geïntegreerde ticketsystemen voor nationaal en internationaal spoorwegvervoer, en de afschaffing van toeslagen voor internationale reizen per spoor;
   het verwijderen van barrières die het de Europese spoorwegsector (producenten van rollend materieel, spoorweginfrastructuur en signaleringssystemen) onmogelijk maken om in te schrijven voor openbare aanbestedingen in niet-EU-landen;

66.  roept met betrekking tot het maritiem vervoer op tot:

   maatregelen om de formaliteiten voor schepen die tussen EU-havens varen te vereenvoudigen, met het oog op de ontwikkeling van een werkelijke Europese maritieme ruimte zonder grenzen ("blauwe gordel");
   betere coördinatie tussen maritieme en douaneautoriteiten op alle niveaus, om de informatiestromen te stroomlijnen en onnodige administratieve lasten en douaneformaliteiten te beperken;
   maatregelen om het potentieel van zeesnelwegen te ontwikkelen in het kader van het TEN-V;
   aanvullende maatregelen om een aantrekkelijke, veilige en duurzame scheepvaart van hoge kwaliteit te handhaven en verder te ontwikkelen en om open maritieme markten en onbeperkte toegang tot vrachten te waarborgen;
   maatregelen om de aanpassing van de toegang tot havens en logistieke systemen voor grotere schepen te steunen en te coördineren, betere havenverbindingen tot stand te brengen, met name met spoorwegen en binnenwateren; vergemakkelijken van investeringen in havens door de beschikbaarstelling van uiteenlopende bronnen van EU-financiering om de capaciteit van havens in de EU te vergroten, de bestaande infrastructuur te moderniseren, multimodale terminals te ontwikkelen en de aanleg van slimme havens met intelligente vervoerssystemen en van smart port cities te stimuleren; maatregelen ter verbetering van de infrastructuur van zeehavens, met name aan de Middellandse Zee en de Zwarte Zee, om het vrachtvervoer in die gebieden te verplaatsen van de weg naar de zee;
   het geven van de garantie dat de zeehavens van het kernnetwerk uiterlijk in 2030 worden aangesloten op de spoorwegen- en wegen- en, indien mogelijk, de binnenvaartinfrastructuur van het trans-Europees vervoersnetwerk, tenzij er fysieke belemmeringen zijn die dergelijke verbindingen beletten;
   meer duidelijkheid over de toepassing van staatssteunregels voor havens om een pragmatische, voorspelbare en stabiele omgeving te creëren waarin op havens gerichte investeringsstrategieën voor de lange termijn mogelijk zijn, om de administratieve lasten te verminderen en de procedures zo kort mogelijk te maken;
   voortgang met het voorstel van de Commissie voor een verordening tot vaststelling van een kader voor de toegang tot de markt voor havendiensten en de financiële transparantie van havens, teneinde de kwaliteit en efficiëntie van havendiensten te moderniseren en te verbeteren, de mededinging te versterken en kadervoorwaarden te scheppen om investeringen in havens aan te trekken;
   het vaststellen van een wereldwijd streefdoel in de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) om de doelstelling van het Witboek te bereiken om tegen 2050 de CO2-uitstoot door het gebruik van bunkerbrandstoffen in de scheepvaart met 40 % te verminderen, ondersteund door een tussentijdse doelstelling voor de EU voor 2030; intensivering van de onderhandelingen binnen de IMO over de ontwikkeling van een wereldwijd toe te passen marktgebaseerd mechanisme voor de aanpak van emissies van de internationale scheepvaart, zoals een prijsmechanisme voor emissies; indien een internationale overeenkomst betreffende een wereldwijd systeem voor monitoring, rapportage en verificatie (MRV) van broeikasgasemissies of betreffende wereldwijde maatregelen ter vermindering van de broeikasgasemissies door maritiem vervoer wordt bereikt, evalueert de Commissie Verordening (EU) 2015/757 en stelt zij, zo nodig, wijzigingen van deze verordening voor teneinde overeenstemming met die internationale overeenkomst te waarborgen;
   overweging van uitbreiding van het maximale zwavelgehalte voor zeevaartbrandstoffen van toepassing op beheersgebieden voor SOx-emissies (SECA's) en van de relevante IMO-regels, tot de gehele Europese maritieme ruimte;
   bevordering en financiële ondersteuning van emissiereductietechnologieën en energie-efficiëntiemaatregelen, met name door in te zetten op het gebruik van alternatieve brandstoffen, en het stimuleren van maatregelen gericht op snelheidsverlaging, die het brandstofverbruik en de broeikasgasemissies enorm zouden kunnen reduceren;
   acties ter ondersteuning van de toepassing van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen in zeehavens en binnenhavens, waaronder LNG- bunkervoorzieningen en walstroomvoorzieningen;
   indiening van een wetsvoorstel inzake de modernisering van de regelgeving inzake de veiligheid van passagiersschepen; een betere tenuitvoerlegging en, indien passend, een herziening van het derde pakket inzake maritieme veiligheid, om het voorkomen van ongevallen op zee en het beheersen van de gevolgen daarvan kracht bij te zetten;
   een wetsvoorstel ter verduidelijking van de aansprakelijkheids- en schadevergoedingsregeling ten aanzien van het groeiende fenomeen van op zee verloren containers, op basis van een systeem voor het identificeren van de eigenaren van deze containers;

67.  roept met betrekking tot de binnenvaart op tot:

   de vaststelling van een passend kader om de binnenvaartmarkt te optimaliseren en de belemmeringen voor de groei van de binnenvaart op te heffen;
   volledige tenuitvoerlegging van het actieprogramma Naiades II, met speciale aandacht voor infrastructuur, toepassing van river information services en innovatie; een evaluatie van het programma tegen 2017, met een eventuele aanpassing van de voorgestelde maatregelen, om te waarborgen dat de doelstellingen van het programma worden bereikt;
   het goedkeuren van EU-gefinancierde projecten betreffende de binnenwateren die deel uitmaken van het TEN-T-kernnetwerk;
   uiterlijk in 2025 zorgen voor een deugdelijke modernisering en onderhoud gedurende het hele jaar van, en het wegwerken van knelpunten op de binnenwateren die deel uitmaken van de corridors van het TEN-T-kernnetwerk, met inachtneming van EU-milieuwetgeving, om een adequate dienstverlening voor de binnenwateren te waarborgen;
   een sterkere stimulering van innovatie door de Europese Commissie en de lidstaten voor de binnenscheepvaart met middelen uit Horizon 2020 en de Connecting Europe Facility, het gebruik van alternatieve brandstoffen en een technische en ecologische aanpassing van de vloot om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen;
   integratie van de binnenscheepvaart in multimodaal vervoer en logistiek, alsmede in duurzame stedelijke mobiliteitsplannen en beleidsmaatregelen in Europese steden waar waterwegen doorheen lopen, en een grotere rol voor binnenhavens bij de stedelijke goederendistributie;
   een snelle herziening van Richtlijn 2005/44/EG betreffende geharmoniseerde River Information Services (RIS), met het oog volledige toepassing van RIS tegen 2020 en aansluiting op andere coöperatieve intelligente vervoerssystemen;
   de harmonisering, waar mogelijk, van beheers- en regelgevende systemen van de Rijn en de Donau om een doeltreffend, multimodaal en duurzaam vervoerssysteem op de belangrijkste Europese binnenwateren te ontwikkelen;
   betrokkenheid van de Commissie bij de toewijzing van EU-middelen en de coördinatie van de tenuitvoerlegging van projecten die deel uitmaken van de EU-strategie voor de Donauregio;
   een wetsvoorstel over de erkenning en modernisering van beroepskwalificaties in de binnenvaart en bestudering van maatregelen om meer jongeren voor deze sector te interesseren;

o
o   o

68.  verzoekt de Commissie met de voorstellen in deze resolutie rekening te houden bij de tussentijdse herziening van het Witboek en bij toekomstige initiatieven op vervoersgebied;

69.  dringt er bij de Commissie op aan de vooruitgang bij het bereiken van de doelstellingen van het Witboek te volgen en eens in de vijf jaar verslag uit te brengen van de tenuitvoerlegging van het Witboek;

70.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 72.
(2) PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 13.
(3) PB C 175 E van 10.7.2008, blz. 556.
(4) PB C 43 E van 19.2.2004, blz. 250.
(5) PB C 56 E van 26.2.2013, blz. 54.
(6) Als gedefinieerd in artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen.
(7) "Road safety in the European Union", Europese Commissie, maart 2015.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0094.


Loopbanen van vrouwen in de wetenschap en aan de universiteit
PDF 204kWORD 93k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 september 2015 over glazen plafonds in de wetenschappelijke en universitaire loopbaan van vrouwen (2014/2251(INI))
P8_TA(2015)0311A8-0235/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 8, 10, 19 en 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Verdrag van de VN van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2010 getiteld "Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015" (COM(2010)0491),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2010 getiteld "Een grotere inzet voor de gelijkheid van vrouwen en mannen: een vrouwenhandvest" (COM(2010)0078),

–  gezien het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020), dat op 7 maart 2011 door de Raad is goedgekeurd,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 september 2014 getiteld "Europese Onderzoeksruimte - Voortgangsverslag 2014" (COM(2014)0575),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 februari 1999 getiteld "Vrouwen en wetenschap - Vrouwen mobiliseren om het wetenschappelijk onderzoek in Europa te verrijken" (COM(1999)0076),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 juli 2012 getiteld "Een versterkt partnerschap voor topkwaliteit en groei voor de Europese Onderzoeksruimte" (COM(2012)0392),

–  gezien het verslag van de Commissie van 3 september 2014 getiteld "Gendergelijkheidsbeleid in openbaar onderzoek", gebaseerd op een onderzoek van de leden van de Groep van Helsinki (de adviesgroep van de Commissie inzake gender, onderzoek en innovatie),

–  gezien de in 2013 door de Commissie gepubliceerde "She Figures 2012 - Gender in Research and Innovation: Statistics and Indicators",

–  gezien de conclusies van de Raad van 5 december 2014 over "De Europese Onderzoeksruimte - Voortgangsverslag 2014",

–  gezien de conclusies van de Raad van 29 mei 2015 over de routekaart voor de Europese Onderzoeksruimte 2015-2020,

–  gezien zijn resolutie van 10 maart 2015 over vooruitgang op het gebied van gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie in 2013(2),

–  gezien artikel 40 van de Overeenkomst van Istanbul inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen,

–  gezien zijn standpunt van 21 november 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van Horizon 2020 - Het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)(3),

–  gezien zijn resolutie van 21 mei 2008 over vrouwen en wetenschap(4),

–  gezien zijn resolutie van 3 februari 2000 over de mededeling van de Commissie getiteld "Vrouwen en wetenschap - Vrouwen mobiliseren om het wetenschappelijk onderzoek in Europa te verrijken"(5),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0235/2015),

A.  overwegende dat gendergelijkheid een in het Verdrag betreffende de Europese Unie verankerd grondbeginsel van de Europese Unie is, alsook een van de doelstellingen en taken van de Unie;

B.  overwegende dat gendergelijkheid een fundamentele voorwaarde is voor de volledige uitoefening van de mensenrechten door vrouwen en meisjes en van essentieel belang is voor de versterking van hun positie en de totstandbrenging van een duurzame, inclusieve maatschappij; overwegende dat de onderbenutting van menselijk kapitaal de potentiële voordelen voor bedrijven in de sector onderzoek en innovatie verkleint en voor de economische ontwikkeling in het algemeen, en daarnaast zeer kwalijke sociale gevolgen heeft;

C.  overwegende dat het waarborgen dat vrouwen en mannen gelijkwaardige partners zijn en dezelfde rechten, verantwoordelijkheden en werkmogelijkheden hebben en dat hun bijdrage aan de samenleving gelijkelijk wordt gewaardeerd en gerespecteerd, van eminent belang is;

D.  overwegende dat vrouwen volgens de beschikbare statistieken en onderzoeken ondervertegenwoordigd zijn in de meeste wetenschappelijke, technische en managementfuncties en in hogere posities, zelfs in sectoren waarin zij de meerderheid vormen, zoals het onderwijs; overwegende dat vrouwen zwaar ondervertegenwoordigd zijn in STEM-gerelateerde onderwijsgebieden en carrières, waar zij slechts 24 % van de wetenschappers en ingenieurs uitmaken; overwegende dat vrouwelijke vertegenwoordiging afhankelijk van het STEM-specialisme varieert, dat er bij het chemisch specialisme bijvoorbeeld sprake is van problemen met personeelsbehoud, terwijl techniek en fysica te kampen hebben met wervingsproblemen;

E.  overwegende dat de wetenschap in economisch opzicht van vitaal belang voor Europa is en behoefte heeft aan voortdurend groeiende teams die onder meer in staat zijn het baanbrekende onderzoek te verrichten dat van essentieel belang is voor een hogere productiviteit en een sterker concurrentievermogen, en dat een voldoende aantal personen met STEM-vaardigheden een essentiële eerste voorwaarde is voor de tenuitvoerlegging van de Europese agenda voor groei en werkgelegenheid en de doelstellingen van de Europa 2020-strategie; overwegende dat de vraag naar STEM-professionals naar verwachting tot 2025 zal groeien, terwijl de meest recente statistieken erop wijzen dat de onderzoekssector vergrijst; overwegende dat de positieve kruisbestuiving tussen exacte wetenschappen en de kunsten en geesteswetenschappen (STEAM) een enorm economisch, sociaal en cultureel potentieel bevat, en dat vrouwelijke onderzoekers en innovators goed bruikbaar zijn om verbindingen van STEM naar STEAM te ontwikkelen; overwegende dat vrouwelijke onderzoekers een aanwinst zijn voor de EU, die alle beschikbare middelen nodig heeft om definitief te herstellen van de economische en financiële crisis en de veranderingen in de samenleving als geheel het hoofd te kunnen bieden; overwegende dat een grotere aanwezigheid van jongeren, met name vrouwelijke studenten en academici, op STEM-gebieden bevorderd en vereenvoudigd moet worden;

F.  overwegende dat zich een aantal positieve ontwikkelingen met betrekking tot vrouwelijke onderzoekers heeft voorgedaan en dat hun aantal de afgelopen jaren sneller is gegroeid dan het aantal mannelijke onderzoekers, maar dat er nog steeds aanmerkelijk meer mannelijke onderzoekers dan vrouwelijke onderzoekers zijn, waarbij de grootste kloof waarneembaar is in het bedrijfsleven;

G.  overwegende dat de academische loopbaan van vrouwen nog steeds gekenmerkt wordt door een hoge mate van verticale segregatie, met slechts een zeer gering percentage vrouwen in de hoogste academische functies; overwegende dat volgens She Figures 2012 slechts 10 % van de rectoren van universiteiten vrouw is;

H.  overwegende dat weinig lidstaten bepalingen over gendergelijkheid in hun wetgevingskader inzake onderzoek hebben en dat er weinig belangstelling is om de genderdimensie te integreren in nationale onderzoeksprogramma's;

I.  overwegende dat vrouwen bij het opzetten van een eigen bedrijf door hardnekkige vooroordelen en stereotypen nog steeds op obstakels stuiten; overwegende dat meer ondernemerschap onder vrouwen moet worden bevorderd en ondersteund en dat er een omgeving moet worden ontwikkeld waarin vrouwelijke ondernemers en familiebedrijven tot bloei kunnen komen en ondernemerschap wordt beloond, door de noodzakelijke maatregelen te nemen die gebaseerd zijn op een uitwisseling van beste praktijken en in het bijzonder rekening te houden met moeders;

J.  overwegende dat de redenen voor deze situatie talrijk en ingewikkeld zijn, met inbegrip van negatieve stereotypen en vooroordelen en bewuste en onbewuste vooringenomenheid;

K.  overwegende dat uit statistieken consequent naar voren komt dat meisjes minder exacte vakken kiezen op school en minder geneigd zijn een studie in exacte wetenschappen te volgen op de universiteit; overwegende dat er niet één enkele verklaring is voor de geringe aantallen vrouwen in STEM en dat hiervoor de volgende redenen kunnen zijn: gebrek aan kennis van STEM-loopbanen bij docenten op scholen, een gebrek aan vrouwelijke rolmodellen, een groot aantal onzekere kortetermijncontracten, onbewuste vooringenomenheid bij sollicitatiecommissies, het feit dat vrouwen minder geneigd zijn naar leidinggevende functies te solliciteren en een tendens om vrouwen te stimuleren een functie in het onderwijs of de pastorale sector te vervullen in plaats van in het onderzoek of de academische wereld;

L.  overwegende dat vrouwen die werkzaam zijn in het onderzoek, evenals op alle andere terreinen, gedwongen worden om een groter deel van de verplichtingen met betrekking tot het ouderschap of hun gezinnen op zich te nemen dan hun mannelijke collega's, en dat daarom bij alle voorgestelde maatregelen rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid voor vrouwen om werk en gezinsleven goed op elkaar af te stemmen en zo mannen bij deze verplichtingen te betrekken;

M.  overwegende dat, ondanks alle lopende inspanningen om gendergelijkheid en gelijke kansen te bevorderen, vrouwen nog steeds te maken hebben met ongelijke toegang tot onderzoeksposities, financiering, publicaties en academische onderscheidingen, alsook met strenge criteria voor promotie en erkenning en een gebrek aan financiering of adequaat beleid om hen te ondersteunen, en dat daarom de perspectieven voor jonge vrouwelijke wetenschappers bijzonder somber zijn; overwegende dat al deze factoren mogelijk tot een braindrain kunnen leiden en dat in dit verband radicale stappen nodig zijn en niet slechts eenvoudige maatregelen; overwegende dat samenwerking in gemeenschappelijke zin bovendien van essentieel belang is en zowel door de individuele burger als door de maatschappij moet worden ondernomen en gestimuleerd;

N.  overwegende dat de lage positie van vrouwen in de wetenschappelijke wereld en de maatschappij, die op grond van objectieve criteria niet per se gerechtvaardigd is, alsook genderrelaties en gendergebaseerde stereotypen herzien en opnieuw geëvalueerd moeten worden; overwegende dat een bredere keuze aan loopbaanperspectieven voor vrouwen en de verandering van onderwijsstelsels een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren aan de verkleining van de salariskloof tussen vrouwen en mannen, bijvoorbeeld door een toename van het aantal vrouwelijke wetenschappers en ingenieurs;

O.  overwegende dat de Commissie zich er reeds toe heeft verbonden te waarborgen dat al haar deskundigengroepen, panels en commissies, met name in het kader van het specifieke programma Horizon 2020, voor ten minste 40 % uit de ondervertegenwoordigde sekse bestaan;

P.  overwegende dat de Raad in zijn meest recente conclusies over de versterking van het menselijk potentieel in de wetenschap en technologie in de Europese Onderzoeksruimte erkent dat het belangrijk is om gendergelijkheid in het onderzoek te bevorderen en de deelname van vrouwen aan verantwoordelijke betrekkingen te vergroten, en dat dit sinds 2005 het geval is, maar dat de Raad zich sindsdien niet meer over dit thema heeft uitgesproken;

Q.  overwegende dat de routekaart voor de Europese Onderzoeksruimte 2015-2020 de Commissie en de lidstaten oproept nationale wetgeving inzake gendergelijkheid om te zetten in daadwerkelijke actie, teneinde onevenwichtigheden tussen mannen en vrouwen in onderzoeksinstellingen en besluitvormingsorganen aan te pakken en de genderdimensie beter te integreren in O&O-beleid, -programma's en -projecten;

R.  overwegende dat de Overeenkomst van Istanbul zich ertoe verbindt de fundamentele oorzaken van geweld aan te pakken en een grotere gelijkheid tussen vrouwen en mannen te bevorderen door houdingen te veranderen en stereotypen uit de weg te ruimen op zowel het niveau van individuele personen als het niveau van hogeronderwijsinstellingen en op campussen van universiteiten en hogescholen, die niet immuun zijn voor gendergebaseerd geweld, zodat vrouwen niet te maken krijgen met geweld en de angst die het veroorzaakt, hetgeen hen er vaak van weerhoudt volledig aan het academische en sociale leven deel te nemen;

S.  overwegende dat het Europees Instituut voor gendergelijkheid een fundamentele rol kan spelen in de monitoring van de ontwikkeling van de salariskloof tussen vrouwen en mannen op het gebied van wetenschap en onderzoek door de oorzaken ervan te analyseren en het effect van wetgeving te beoordelen;

Gendergelijkheid in academische functies

1.  wijst erop dat er, ondanks de positieve ontwikkelingen van de afgelopen jaren, nog geen gendergelijkheid is bereikt in de wetenschappen en de academische wereld, waarbij de situatie verschilt per lidstaat, per onderzoeksgebied en per academische rang; wijst op het opvallend lage percentage vrouwen in de hoogste academische functies en de hoogste functies met beslisbevoegdheid bij wetenschappelijke instellingen en universiteiten, hetgeen doet vermoeden dat er sprake is van een glazen plafond, oftewel op vooroordelen gebaseerde onzichtbare barrières die vrouwen ervan weerhouden naar leidinggevende posities op te klimmen;

2.  betreurt het feit dat in hiërarchische structuren op universiteiten en scholen in Europa en andere ontwikkelde economieën onomstotelijk sprake is van gendersegregatie die zowel horizontaal als verticaal van aard is, en dat hoewel vrouwen 59 % van de afgestudeerde studenten in de EU-28 uitmaken, slechts 18 % van de hoogleraren vrouw is;

3.  wijst er nogmaals op dat gendergelijkheid een van de beginselen is waarop de EU is gegrondvest en ook op het gebied van onderzoek en in de academische wereld moet worden geëerbiedigd; benadrukt dat alle vormen van directe en indirecte discriminatie van vrouwen moeten worden uitgebannen;

4.  merkt op dat een gebrek aan vrouwen in het onderzoek en de wetenschap tot een mannelijke standaard in O&O heeft geleid, en met name dat: a) er geen vrouwelijke crashdummy's zijn; b) medisch onderzoek gewoonlijk op mannelijke patiënten is gericht; c) berekeningen van bestralingsdoseringen gebaseerd worden op het absorptieniveau van een man van middelbare leeftijd; en d) in de meeste anatomieboeken afbeeldingen van het mannelijk lichaam staan;

5.  betreurt dat er nog steeds sprake is van ongelijke toegang van vrouwen tot onderzoeksposities, financiering en publicaties, met inbegrip van een onaangepaste salariskloof tussen mannen en vrouwen op het gebied van de wetenschappen en in de academische wereld, ondanks de rechtsnormen inzake gelijke behandeling en non-discriminatie op de arbeidsmarkt in de EU en de lidstaten die wetgeving inzake gelijke beloning omvatten;

Positieve maatregelen

6.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de bestaande rechtsnormen te analyseren met het oog op een goede tenuitvoerlegging en eventuele herziening ervan, teneinde een gelijke behandeling van vrouwen en mannen te waarborgen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om het beginsel van non-discriminatie, dat op grond van het Verdrag van Lissabon als een doelstelling van de Europese Unie wordt beschouwd, in aanmerking te nemen in alle soorten arbeidsovereenkomsten en financiering, alsook om het wettelijke recht op een gelijke beloning voor gelijke arbeid te eerbiedigen met betrekking tot elk onderdeel van de aan mannen en vrouwen toegekende beloning, inclusief subsidies en beurzen, door bijvoorbeeld toe te zien op salaristransparantie;

7.  wijst erop dat, naast het handhaven van de rechtsnormen, het hoofd moet worden geboden aan de culturele en institutionele obstakels die leiden tot directe of indirecte discriminatie van vrouwen met een loopbaan als wetenschapper of in een besluitvormingsfunctie, teneinde gendergelijkheid te verwezenlijken; is van mening dat deze vormen van discriminatie, negatieve vooroordelen en bewuste of onbewuste stereotypen gebaseerd zijn op attitudes en normen die voortdurend worden gereproduceerd, en dat institutionele wijzigingen een bijdragen kunnen leveren aan het wegnemen ervan; verzoekt de Commissie bewustmakingscampagnes op te zetten en initiatieven en programma's te steunen in een streven om deze obstakels weg te werken, zowel in de academische wereld als in de maatschappij in haar geheel;

8.  keurt nogmaals af dat vrouwen nog steeds minder worden betaald dan mannen voor hetzelfde werk, ook op het gebied van onderzoek en wetenschappen, als gevolg van hun ongelijke vertegenwoordiging;

9.  verzoekt de Commissie en de lidstaten peersupportnetwerken en de uitwisseling van beste praktijken in heel Europa en daarbuiten te steunen en te bevorderen;

10.  onderstreept dat de bewustmakingscampagnes evenzeer moeten worden gericht tot mannen als tot vrouwen die (bewust of onbewust) genderstereotypen overnemen die vrouwen er soms toe brengen zich te laten leiden door de culturele en institutionele obstakels op de weg naar een in stijgende lijn verlopende wetenschappelijke loopbaan;

11.  dringt er bij de Commissie op aan om voort te bouwen op bestaande programma's en initiatieven en om de positieve, op meisjes en vrouwen gerichte campagnes waarin zij worden aangemoedigd een loopbaan als wetenschapper of onderzoeker na te streven op alle wetenschappelijke gebieden uit te breiden, met bijzondere aandacht voor de ingenieurswetenschappen en technologie, waar de deelname van vrouwen ondanks de recente positieve ontwikkelingen nog steeds beneden gemiddeld is;

12.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om educatieve programma's te bevorderen die synergieën en positieve verbindingen tussen exacte wetenschappen en de kunsten en geesteswetenschappen stimuleren en om een genderperspectief te bevorderen waarbij de rol die vrouwen kunnen spelen bij het leggen van deze verbindingen, vereenvoudigd wordt;

13.  verzoekt de Commissie en de lidstaten positieve vrouwelijke rolmodellen te bevorderen op alle onderwijsniveaus, waaronder het verplicht onderwijs en het voortgezet en hoger onderwijs alsook op postdoctoraal niveau, en tevens in het informele onderwijs en jongerenwerk; erkent dat voor de bevordering van positieve vrouwelijke rolmodellen ook maatregelen moeten worden getroffen om de prestaties die vrouwen in het heden en verleden in wetenschap en technologie, ondernemerschap en op posities met beslisbevoegdheid hebben geleverd, te benadrukken; merkt op dat bij dergelijke maatregelen speciale aandacht kan worden besteed aan de Internationale Vrouwendag, wetenschapsweken en het gebruikmaken van bestaande beste praktijken in de lidstaten en wereldwijd;

14.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de relevante belanghebbenden ondersteuning te bieden aan initiatieven en programma's waarmee vrouwen worden aangemoedigd hun wetenschappelijke en academische loopbaan voort te zetten, zoals begeleidings- en netwerkprogramma's, en in het bijzonder jonge vrouwelijke wetenschappers worden gesteund die deelnemen aan wetenschapsprogramma's of subsidieaanvragen hebben ingediend, en waarmee steun wordt verleend aan de individuele loopbanen van vrouwelijke onderzoekers en de bevordering van hun loopbanen tot de hoogste rangen; is van mening dat vrouwen moeten worden aangemoedigd om te solliciteren op functies met beslisbevoegdheid, terwijl alle soorten obstakels die sollicitaties bemoeilijken of onmogelijk maken, moeten worden tegengegaan;

15.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om bij het ontwikkelen van strategieën voor gendergelijkheid in het hoger onderwijs specifiek aandacht te besteden aan vrouwen die met meervoudige discriminatie te maken hebben, zoals LGBTI-vrouwen, vrouwen met een handicap, vrouwen die tot een minderheid behoren of een migrantenachtergrond hebben, vluchtelingen en mantelzorgsters;

16.  dringt er bij de lidstaten op aan effectieve en aantrekkelijke STEM-curricula en -onderwijsmethoden te ontwikkelen om meisjes bij de wetenschap betrokken te houden, en om te investeren in docenten als aanjagers van culturele veranderingen met hun potentieel om op school een blijvende betrokkenheid van meisjes bij de wetenschap te bevorderen;

17.  dringt er bij de lidstaten op aan het potentieel van kwalitatieve beroepskeuzevoorlichting en van het aanbieden van opleidingen te erkennen, teneinde meisjes aan te moedigen om op de universiteit exacte vakken te blijven volgen;

Combineren van werk en privéleven

18.  onderstreept dat de noodzaak om werk- en gezinsverplichtingen goed op elkaar af te stemmen vaak een belangrijk obstakel vormt voor met name vrouwen die hun wetenschappelijke en academische loopbaan uitbouwen, en een van de belangrijkste redenen is waarom zij die loopbaan stopzetten;

19.  pleit voor flexibelere arbeidsvoorwaarden voor zowel mannelijke als vrouwelijke onderzoekers, opdat zij werk en gezin kunnen combineren, en voor het dichten van de salariskloof tussen vrouwen en mannen in het belang van gendergelijkheid;

20.  verzoekt de Commissie, de lidstaten, organisaties die onderzoek financieren en andere belanghebbenden om programma's te ontwikkelen in het kader waarvan vrouwen actief worden aangespoord hun loopbaan voort te zetten na zwangerschaps- of ouderschapsverlof, en om financiering te verschaffen voor herintredingsprogramma's die aan de behoeften van elke instelling aangepast moeten worden en om de opleiding te bieden die nodig is om gelijke tred te houden met de ontwikkelingen in de wetenschap, alsook om meer flexibiliteit te bieden met betrekking tot de wetenschappelijke productie van vrouwen na de geboorte of adoptie van een kind en om te zorgen voor adequate voorzieningen voor kinderopvang, en om de integratie van mannen in het gezinsleven te stimuleren; wijst er tevens op dat deze maatregelen ook moeten worden toegepast op onderzoekers die een individueel stipendium ontvangen en personeel van extern gefinancierde onderzoeksprojecten;

21.  moedigt de lidstaten en regio's aan de ontwikkeling van gezinsvriendelijke universiteiten en onderzoeksinstellingen te bevorderen;

22.  dringt er bij de Commissie op aan om de noodzaak van adequaat vaderschapsverlof en vaderschapstoelage te erkennen zodat het voor mannen betaalbaar is vrijaf te nemen om voor een kind te zorgen en bij te dragen aan de bestrijding van de norm dat de vrouw als ouder de loopbaan onderbreekt, teneinde een grote barrière voor vrouwen om hun loopbaan in de wetenschappelijke en academische wereld uit te bouwen, weg te nemen;

Institutionele wijzigingen en projecten

23.  neemt kennis van het feit dat, naast het stimuleren van de individuele carrière van vrouwen, institutionele wijzigingen noodzakelijk zijn om de obstakels voor gendergelijkheid het hoofd te bieden, met name met betrekking tot verticale segregatie en de deelname van vrouwen in besluitvormingscommissies;

24.  onderstreept de noodzaak van de betrokkenheid van de instellingen om deze wijzigingen te ondersteunen en te stimuleren door nieuwe normen in te voeren, vraagstukken die ontstaan aan te pakken en de vooruitgang te evalueren, opdat vrouwelijke wetenschappers kunnen profiteren van de beschikbare informatie en tegelijkertijd een actieve bijdrage kunnen leveren aan de Europese Onderzoeksruimte;

25.  dringt er bij de Commissie op aan om aan de lidstaten een aanbeveling te formuleren, met daarin gemeenschappelijke richtsnoeren inzake institutionele veranderingen om gendergelijkheid in universiteiten en onderzoeksinstellingen te bevorderen;

26.  is van mening dat er behoefte aan is de beschikbare informatie met betrekking tot genderverdeling en de positie van vrouwelijke wetenschappers in de lidstaten te systematiseren om gendergelijkheid in alle openbare en private onderzoeksinstellingen te bevorderen; meent dat er overeenstemming nodig is betreffende het nemen van verdere maatregelen om plannen met betrekking tot vrouwelijke wetenschappers te stimuleren;

27.  dringt er bij de Commissie op aan om haar coördinerende rol op het gebied van de initiatieven inzake gendermainstreaming in de Europese Onderzoeksruimte te intensiveren, om bewustmaking te bevorderen en om belanghebbenden relevante cursussen aan te bieden over het belang van gendermainstreaming in de wetenschappen en de academische wereld; onderstreept dat er maatregelen nodig zijn om echte gendergelijkheid ten aanzien van loopbaanontwikkeling in de academische wereld en de wetenschappen aan te moedigen;

28.  is ingenomen met het feit dat de Commissie de ontwikkeling van gendergelijkheidsplannen financiert via projecten in het kader van het zevende kaderprogramma en Horizon 2020, en is verheugd over de gezamenlijke plannen van de Commissie en het Europees Instituut voor gendergelijkheid om een online instrument te ontwikkelen waarmee beste praktijken worden vastgesteld en uitgewisseld met de relevante belanghebbenden; onderstreept dat in de voorgestelde beste praktijken rekening moet worden gehouden met de onafhankelijkheid van universiteiten en onderzoeksorganisaties en de uiteenlopende organisatiestructuren van de lidstaten;

29.  verzoekt de lidstaten partnerschappen aan te gaan met onderzoeksorganisaties en universiteiten om culturele en institutionele veranderingen op het gebied van gender te bevorderen;

30.  verzoekt de lidstaten samen te werken met academische instellingen om hulp en meer kansen te bieden voor loopbaanvoortgang op belangrijke overgangspunten, zoals tussen doctoraat, postdoctoraat en lectoraat;

31.  benadrukt de noodzaak van volledige integratie van de genderdimensie in onderzoek en genderevenwicht in deelname in Horizon 2020; is van mening dat dit nieuwe inspanningen zal vergen om de genderdimensie te integreren in de opstelling en toepassing van het volgende werkprogramma; is ingenomen met de oprichting van de adviesgroep voor gender (AGG) van Horizon 2020; is er sterk van overtuigd dat de doelstellingen van Horizon 2020 uitsluitend kunnen worden bereikt als vrouwelijke wetenschappers hieraan volledig deelnemen;

32.  verzoekt de lidstaten om met academische instellingen samen te werken om vrouwen proactief aan te moedigen naar banen te solliciteren en waar mogelijk de participatie van vrouwen in sollicitatiecommissies te waarborgen;

33.  is er sterk van overtuigd dat de genderdimensie een meerwaarde vormt voor onderzoek en rendement oplevert; benadrukt dat genderanalyse innovatie en multidisciplinaire samenwerking in wetenschap en technologie kan bevorderen;

Volgende stappen

34.  verzoekt de lidstaten te voorzien in stimulansen voor onderzoeksinstellingen en universiteiten om gendergelijkheidsplannen te introduceren en uit te voeren, een genderdimensie toe te voegen aan hun nationale onderzoeksprogramma's, juridische en andere belemmeringen voor werving, behoud en loopbaanvoortgang van vrouwelijke onderzoekers weg te nemen en veelomvattende strategieën voor structurele veranderingen ten uitvoer te leggen, teneinde de bestaande lacunes in onderzoeksinstellingen en -programma's weg te werken;

35.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de onevenwichtigheden tussen mannen en vrouwen in het besluitvormingsproces en in de organen die verantwoordelijk zijn voor de werving en promotie van wetenschappers aan te pakken, en de ontwikkeling van gendergelijkheidsplannen te beschouwen als een voorwaarde voor toegang tot openbare financiering voor onderzoek, de wetenschappen en de academische wereld, met name door de wetenschappelijke en onderzoeksinstellingen ertoe aan te zetten verslag uit te brengen over hun inspanningen om vrouwelijke wetenschappers te integreren en door te zorgen voor open en transparante procedures voor selectie en promotie;

36.  erkent dat strategieën inzake gendergelijkheid in hoger onderwijs eveneens gendergebaseerd geweld dienen aan te pakken; verzoekt de Commissie en de lidstaten strategieën te ontwikkelen om gendergebaseerd geweld op campussen van universiteiten en hogescholen aan te pakken, waaronder bewustmaking, vereenvoudiging van toegang tot de rechter voor betrokken vrouwen en betrekking van mannelijke studenten, academici en personeelsleden bij de strijd tegen geweld;

37.  verzoekt de lidstaten werkgevers aan te moedigen maatregelen te nemen om een eind te maken aan elke vorm van pesten van vrouwen op het werk, hetgeen tot moedeloosheid van de slachtoffers en uiteindelijk tot ontslagneming kan leiden;

38.  moedigt de lidstaten aan regelmatige communicatie te bevorderen tussen nationale voor universiteiten en wetenschap verantwoordelijke ministers en ministers voor gelijkheid, teneinde nationaal beleid te ontwikkelen dat vrouwen in de wetenschappelijke en academische wereld aanmoedigt en ondersteunt;

39.  verzoekt de lidstaten om de media en de particuliere sector te betrekken bij het uitroeien van genderstereotypen en het bevorderen van wederzijds respect; benadrukt de rol van de media bij de instandhouding of bestrijding van genderstereotypen, en het potentieel van de media om proactief positieve rolmodellen voor vrouwen en meisjes te bevorderen, dat moet worden aangemoedigd;

40.  verzoekt de Commissie en het Europees Instituut voor gendergelijkheid om de bestaande methode voor het bijhouden van naar sekse opgesplitste statistieken voor alle academische en wetenschappelijke activiteiten verder te ontwikkelen, naast statistieken met betrekking tot personele middelen, en om geldige indicatoren te ontwikkelen voor het meten van institutionele veranderingsprocessen op nationaal niveau en in de gehele Europese Onderzoeksruimte;

41.  verzoekt de lidstaten, de academische sector en alle relevante belanghebbenden gespecialiseerde programma's in het onderwijs en met name het tertiair onderwijs te introduceren, teneinde het belang van gendergelijkheid te benadrukken;

42.  verzoekt de Commissie en de lidstaten stelselmatig genderevenwichtige budgettering toe te passen op alle programma's en maatregelen uit hoofde waarvan financiering wordt verstrekt op het gebied van onderzoek, de wetenschappen en de academische wereld, en richtsnoeren en methoden te ontwikkelen om de integratie van de genderdimensie op deze gebieden te monitoren en te beoordelen;

43.  verzoekt de lidstaten statistische maatregelen te ontwikkelen om de bestemmingen van vrouwen die de academische wereld verlaten, te monitoren teneinde de beleidsvorming van academische instellingen en regeringen op de betreffende gebieden te verbeteren;

44.  moedigt de lidstaten aan te overwegen academische instellingen die maatregelen hebben genomen om genderongelijkheid aan te pakken, positieve erkenning te geven;

45.  vraagt de Commissie de genderdimensie te integreren in wetenschappelijke en technologische inhoud, teneinde subtiele vormen van discriminatie een halt toe te roepen door middel van stimulansen om sekse en gender in aanmerking te nemen bij onderzoek en ontwikkeling;

Betrokken raken

46.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de netwerkactiviteiten tussen vrouwelijke wetenschappers op nationaal, regionaal en EU-niveau verder te versterken;

47.  moedigt de lidstaten aan begeleidingsregelingen op te zetten met speciale focus op het stimuleren van vrouwen om aanvragen in te dienen voor subsidies, promoties of andere mogelijkheden en op het ondersteunen van hen gedurende deze processen;

48.  wijst er nogmaals op dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat meer vrouwen deelnemen aan besluitvorming en toe te zien op een genderevenwicht in evaluatie-, selectie- en alle andere relevante commissies, alsook in voorgedragen panels en commissies die beslissingen nemen met betrekking tot werving, financiering, onderzoeksprogramma's en publicaties; is van mening dat onderzoeksinstellingen en universiteiten moeten worden aangemoedigd streefdoelen vast te stellen voor de deelname van vrouwen aan dergelijke organen; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dat verband uit te gaan van het voorstel voor een richtlijn van de Commissie inzake de verbetering van de man-vrouwverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen en daarmee samenhangende maatregelen(6) en analoge wettelijke maatregelen voor te stellen inzake verantwoordelijke functies voor vrouwen in de academische en de wetenschappelijke wereld;

49.  verzoekt de Raad om gedurende het Luxemburgse voorzitterschap conclusies goed te keuren betreffende gendergelijkheid in het onderzoek om te zorgen voor een grotere vertegenwoordiging en deelname van vrouwen aan het besluitvormingsproces op onderzoeksgebied;

50.  roept het Parlement op een "Vrouwen en wetenschap in Europa"-prijs in het leven te roepen die wordt uitgereikt aan werkgevers (ondernemingen, instellingen of overheden) die de weg bereiden voor de bevordering van vrouwen in academische en wetenschappelijke kringen, de ondersteuning van vrouwelijke managers en de toepassing van gelijke lonen;

51.  verzoekt de Commissie de regelingen en programma's ter verhoging van de deelname van het aantal vrouwen aan wetenschappelijk onderzoek door middel van informatiecampagnes te bevorderen;

o
o   o

52.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0050.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0499.
(4) PB C 279 E van 19.11.2009, blz. 40.
(5) PB C 309 van 27.10.2000, blz. 57.
(6) COM(2012)0614.


Meisjes mondig maken door middel van onderwijs in de EU
PDF 213kWORD 103k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 september 2015 over meisjes mondig maken door middel van onderwijs in de EU (2014/2250(INI))
P8_TA(2015)0312A8-0206/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien het Verdrag van de VN inzake de rechten van het kind,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM),

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) van 18 december 1979,

–  gezien artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de Verklaring en het Actieprogramma van Peking die tijdens de vierde VN-Wereldvrouwenconferentie in Peking op 15 september 1995 werden aangenomen en de latere slotdocumenten die werden aangenomen tijdens de speciale bijeenkomsten van de Verenigde Naties "Peking +5" (2005), "Peking +15" (2010) en "Peking +20" (2015),

–  gezien het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020) dat werd aangenomen door de Europese Raad in maart 2011,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul) van mei 2011,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2010 getiteld "Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015" (COM(2010)0491),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2013 over de uitbanning van genderstereotypen in de EU(1),

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep en Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten,

–  gezien Richtlijn 2002/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot wijziging van Richtlijn 76/207/EEG van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden,

–  gezien zijn resolutie van 10 maart 2015 over vooruitgang op het gebied van de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie in 2013(2),

–  gezien het onafhankelijke verslag van 2009, opgesteld in opdracht van het directoraat-generaal Onderwijs en Cultuur (DG EAC),

–  gezien aanbeveling CM/Rec(2007)13 van 10 oktober 2007 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten over gendermainstreaming in het onderwijs,

–  gezien de "Compilatie van goede praktijken om een onderwijs zonder genderstereotypen te bevorderen en manieren te vinden om de maatregelen van de aanbeveling van het Comité van Ministers over gendermainstreaming in het onderwijs toe te passen" (herzien op 12 maart 2015) van de Raad van Europa,

–  gezien aanbeveling Rec(2003)3 van de Raad van Ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten inzake de gelijkwaardige participatie van vrouwen en mannen in het politieke en publieke besluitvormingsproces, aangenomen op 12 maart 2003,

–  gezien de mededeling van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) getiteld "Vrouwen op de arbeidsmarkt" ter gelegenheid van de Internationale Vrouwendag 2015,

–  gezien het door het Bureau voor de grondrechten van de Europese Unie (FRA) gepubliceerde onderzoek "European Union lesbian, gay, bisexual and transgender survey" van 2013,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0206/2015),

A.  overwegende dat onderwijs de basis vormt voor verantwoordelijk burgerschap, essentieel is voor het waarborgen van gendergelijkheid en versterking van de positie van meisjes, en een fundamenteel mensenrecht is dat voor alle kinderen gewaarborgd moet worden;

B.  overwegende dat onderwijs en scholing voor meisjes en vrouwen een belangrijke Europese waarde vormt, een fundamenteel mensenrecht is en van essentieel belang is voor de versterking van de positie van meisjes en vrouwen op sociaal, cultureel en professioneel gebied en ervoor zorgt dat zij ook alle andere sociale, economische, culturele en politieke rechten kunnen uitoefenen en daarmee tevens bijdraagt aan de voorkoming van geweld tegen vrouwen en meisjes;

C.  overwegende dat onderwijs een samenleving kan transformeren en kan bijdragen tot sociale, economische, politieke en gendergelijkheid;

D.  overwegende dat volgens een studie van het directoraat-generaal Intern Beleid van het Parlement wereldwijd dertig miljoen meisjes in de lagereschoolleeftijd zijn uitgesloten van onderwijs;

E.  overwegende dat armoede, sociale uitsluiting en ontoereikendheid of beperkte beschikbaarheid van kleuterschool-, school- en buitenschoolse netwerken de grootste belemmeringen vormen voor meisjes om toegang te krijgen tot onderwijs;

F.  overwegende dat alleen staten in staat zijn om gratis, verplicht onderwijs voor iedereen te garanderen, en dat dit een essentiële voorwaarde is om gelijke kansen voor beide seksen te waarborgen;

G.  overwegende dat bezuinigingen op de begrotingen voor onderwijs, die vaak voortvloeien uit het door de EU voorgestane bezuinigingsbeleid, het gratis hoogwaardige openbaar onderwijs in het gedrang brengen en zo bijdragen tot een toename van ongelijkheid;

H.  overwegende dat openbaar onderwijs van goede kwaliteit gratis beschikbaar moet zijn voor alle kinderen, zonder enige vorm van discriminatie en ongeacht hun verblijfstatus;

I.  overwegende dat armoede van grote invloed is op de gelijke toegang tot onderwijs, gelet op de directe en indirecte kosten die gepaard gaan met het naar school laten gaan van kinderen, en dat de toegang tot onderwijs, met name hoger onderwijs, vooral moeilijk is voor jongeren uit gezinnen met een laag inkomen, waardoor de traditionele voorkeur om in de eerste plaats jongens te laten studeren wordt versterkt;

J.  overwegende dat genderstereotypen verschillende, zeer specifieke en beperkte rollen toekennen aan mannen en vrouwen en dat deze rollen worden bepaald door een veelheid aan sociale variabelen, en worden verspreid of doorgegeven door ouders, het onderwijs en de media; overwegende dat mensen zich deze genderrollen eigen maken tijdens de socialisatiefase in hun jeugd en adolescentie en dat deze rollen daardoor het hele leven van mannen en vrouwen beïnvloeden en hun persoonlijke ontwikkeling in de weg kunnen staan;

K.  overwegende dat de gevolgen van genderstereotypen op onderwijs en scholing en op de beslissingen die leerlingen tijdens hun schoolperiode maken, van invloed kunnen zijn op de keuzes tijdens hun verdere leven en dus ook grote gevolgen kunnen hebben voor de arbeidsmarkt, waar vrouwen nog altijd te maken krijgen met horizontale en verticale segregatie; overwegende dat mede daardoor bepaalde sectoren nog altijd als "mannensectoren" worden beschouwd en de salarissen in deze sectoren dienovereenkomstig hoger liggen dan in sectoren die als "vrouwensectoren" worden beschouwd;

L.  overwegende dat de houding van de sociale omgeving, het gezin, vrienden, rolmodellen, leerkrachten en de centra voor studiebegeleiding en studiekeuze van grote invloed zijn op de studiekeuze van leerlingen en het doorbreken van genderstereotypen en overwegende dat leerkrachten, als motor achter maatschappelijke verandering, via hun opvattingen en werkwijze, een essentiële rol spelen in het bevorderen van de gelijkheid van mannen en vrouwen, diversiteit en wederzijds begrip en respect; voorts overwegende dat leerkrachten ouders bij dit proces kunnen betrekken en gendergelijkheid bij hen onder de aandacht kunnen brengen en ouders kunnen wijzen op de mogelijkheden die hun kinderen hebben;

M.  overwegende dat de gelijkheid van mannen en vrouwen op alle niveaus en bij alle aspecten van het onderwijs aan bod moet komen, om rechtvaardigheid en democratisch burgerschap als belangrijke waarden bij zowel meisjes als jongens, vrouwen als mannen, te bevorderen en om een daadwerkelijk partnerschap tussen de seksen tot stand te brengen, zowel in het openbare als in het privéleven;

N.  overwegende dat er behoefte is aan meer vrouwelijke rolmodellen op door mannen beheerste gebieden, zoals wetenschappen, techniek, technologie, wiskunde en ondernemerschap, en dat mentornetwerken en peer-to-peer-leren effectieve instrumenten zijn om meisjes op deze gebieden te emanciperen;

O.  overwegende dat uit de beschikbare gegevens blijkt dat vrouwen voor hun kwalificaties en ervaring financieel minder goed worden beloond dan mannen en dat vrouwen nog steeds voor het grootste deel instaan voor de zorg voor het gezin en andere afhankelijke personen, waardoor zij minder toegang hebben tot voltijds betaald werk; overwegende dat gendergelijkheid ook inhoudt dat al het werk dat door vrouwen wordt verricht naar waarde wordt geschat en dat jongens en mannen worden opgeleid voor taken die van oudsher door vrouwen worden verricht; overwegende dat een beter beleid inzake kinderopvang en moeder- en vaderschapsverlof in heel Europa een positief effect zal hebben op de vooruitzichten van vrouwen op werk, hun economische positie en de bestrijding van genderstereotypen, waardoor meisjes op alle onderwijsniveaus sterker zullen komen te staan;

P.  overwegende dat vrouwen weliswaar steeds vaker een middelbareschool- of hogeronderwijsdiploma hebben, maar nog altijd vooral opleidingen volgen en beroepen uitoefenen waarbij hun taken gericht zijn op voortzetting en bestendiging van de bestaande maatschappelijke en economische structuren, en dat het belangrijk is dat meer vrouwen zich gaan richten op het beroepsonderwijs en op de sectoren wetenschap, technologie, techniek en wiskunde;

Q.  overwegende dat een gelijkere toewijzing van onderwijsmiddelen kan leiden tot verbetering van de toegang van meisjes tot de arbeidsmarkt en dat een evenwichtige deelname van vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt de economische vooruitzichten van de EU kan verbeteren;

R.  overwegende dat de Europese en nationale overheden de gelijkheid van mannen en vrouwen binnen onderwijsinstellingen op alle mogelijke manieren moeten bevorderen en dat genderonderricht een wezenlijk onderdeel moet uitmaken van de leer- en schoolprogramma's; overwegende dat de Europese en nationale autoriteiten ervoor moeten zorgen dat leermiddelen geen discriminerende inhoud bevatten;

S.  overwegende dat het formele leerprogramma het culturele en sociale perspectief van elke lidstaat weerspiegelt en van invloed is op de identiteitsvorming van jongens en meisjes; overwegende dat het informele leerprogramma het formele leerprogramma aanvult en het verborgen leerprogramma verweven zit in alle situationele definities van het leerprogramma; overwegende dat deze verschillende typen leerprogramma's allemaal belangrijk zijn voor de vorming van de identiteit van jongens en meisjes en dat plaatselijke overheden, doordat zij dicht bij de onderwijsinstellingen staan, een essentiële rol moeten spelen binnen het informele onderwijs;

T.  overwegende dat het, om de ongelijkheid van mannen en vrouwen tegen te gaan, van essentieel belang is dat er voortdurend pedagogisch toezicht wordt gehouden op de leerprogramma's, ontwikkelingsdoelen en leerresultaten, leerstof, leerstrategieën en leermiddelen, evaluaties, disciplinaire programma's en leerplannen, en dat deze gemonitord en geëvalueerd worden door pedagogische onderzoeksinstellingen en deskundigen op het gebied van gendergelijkheid;

U.  overwegende dat geweld tegen vrouwen de belangrijkste hindernis vormt voor het bereiken van gelijkheid van mannen en vrouwen en kan worden bestreden door middel van onderwijs; overwegende dat niet alle lidstaten het Verdrag van Istanbul hebben geratificeerd en dat de EU verantwoordelijk is voor het initiatief en de financiering van projecten die de gelijkheid van mannen en vrouwen bevorderen;

V.  overwegende dat gendergerelateerd geweld op scholen seksueel, fysiek en/of psychisch geweld tegen kinderen omvat, dat is ingegeven door genderstereotypen en sociale normen; overwegende dat gendergerelateerd geweld op scholen een belangrijk obstakel vormt voor de toegang tot, de deelname aan en de succesvolle afronding van onderwijs;

W.  overwegende dat vrouwen en meisjes met een handicap en/of speciale onderwijsbehoeften gevaar lopen het slachtoffer te worden van meervoudige discriminatie; overwegende dat de situatie van meisjes alleen kan worden verbeterd als de toegang tot hoogwaardig onderwijs en scholing voor iedereen gelijk is en niet belemmerd wordt door deze vormen van discriminatie en volledig in overeenstemming is met de beginselen van inclusie;

X.  overwegende dat, als het gaat om de vaststelling van speciale onderwijsbehoefen, er grote verschillen bestaan tussen meisjes en jongens; overwegende dat bij jongens veel vaker wordt geconcludeerd dat zij speciale onderwijsbehoeften hebben, en dat met name veel vaker wordt geoordeeld dat jongens "niet-normatieve" problemen hebben, zoals een aandachtstekortstoornis of dyslexie, problemen bij de vaststelling waarvan het oordeel van een deskundige zwaarder weegt;

Y.  overwegende dat 17 % van de volwassenen in de wereld niet kan lezen of schrijven, en dat twee derde van hen (493 miljoen) vrouw is(3);

Algemene aanbevelingen

1.  verzoekt de lidstaten om maatregelen vast te stellen en de bestaande maatregelen te verbeteren om de gelijkheid van mannen en vrouwen op alle niveaus binnen het onderwijs te bevorderen, en ook in het kader van de opleiding van leerkrachten volop aandacht te besteden aan genderkwesties en datzelfde te doen voor de overige categorieën beroepsbeoefenaren binnen het onderwijs, zoals schoolartsen, verpleegkundigen, onderwijspsychologen, sociaal werkers en pedagogen, en om binnen het hele onderwijssysteem mechanismen in het leven te roepen, gericht op de bevordering, uitvoering, toetsing en evaluatie van gendergelijkheid binnen onderwijsinstellingen;

2.  verzoekt de lidstaten om de democratisering van het onderwijs te bevorderen, en ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de overige voorwaarden die nodig zijn om ervoor te zorgen dat onderwijs, via scholen of via andere kanalen, bijdraagt aan gendergelijkheid en gelijke kansen, aan de afbouw van economische, sociale en culturele ongelijkheid, aan zelfontplooiing en een geest van verdraagzaamheid, solidariteit en verantwoordelijkheid, en op die manier sociale vooruitgang te stimuleren, alsmede democratische maatschappelijke participatie;

3.  dringt er bij de lidstaten op aan om scholing over grondrechten en fundamentele vrijheden en gelijke rechten en kansen voor vrouwen en mannen op te nemen in de onderwijscurricula; en ervoor te zorgen dat de kwaliteitsnormen voor het onderwijs gericht zijn op opheffing van belemmeringen voor daadwerkelijke gelijkheid van vrouwen en mannen en op de bevordering van volledige gelijkheid tussen de geslachten;

4.  dringt aan op de bevordering van een holistische aanpak ten aanzien van het formele en informele onderwijs binnen scholen, en pleit voor een benadering waarbij mensenrechten, menselijke waardigheid en gendergelijkheid voorop staan, alsmede de ontwikkeling van zelfvertrouwen en assertiviteit, zodat meisjes en vrouwen aangespoord worden om autonome en weloverwogen beslissingen te nemen, zowel op persoonlijk als op professioneel vlak; is van oordeel dat onderwijs dat gericht is op de totstandbrenging van gendergelijkheid een aanvulling moet vormen op burgerschapseducatie ten bevordering van democratische waarden en deel moet uitmaken van een op rechten gebaseerde, gendergevoelige leeromgeving waar jongens en meisjes kennis verwerven over hun rechten en ervaring opdoen met democratische processen binnen de school of een andere informele leeromgeving, door bijvoorbeeld deel te nemen aan het democratisch bestuur van hun school;

5.  roept diegenen in de Commissie en de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de vorming van het onderwijsbeleid ertoe op ervoor te zorgen dat op het gebied van gendergelijkheid daadwerkelijk actie wordt ondernomen en het niet enkel blijft bij het opstellen van uitgangspunten en politieke doelstellingen, en dat de inspanningen op dit vlak worden geïntensiveerd en er tevens meer middelen worden ingezet, omdat onderwijs immers van essentieel belang is voor het verwezenlijken van een cultuuromslag;

6.  wijst erop dat de meerderheid van alle hoogopgeleiden in de EU vrouw is (60 %), maar dat het volledige potentieel van deze vrouwen niet tot uiting komt in hun arbeidsparticipatie en carrièreverloop; benadrukt dat inclusieve en duurzame economische groei slechts bereikt kan worden als de kloof tussen de onderwijsprestaties van vrouwen en hun positie op de arbeidsmarkt wordt gedicht, met name door een einde te maken aan horizontale en verticale segregatie;

7.  benadrukt dat onderwijs een belangrijk instrument is om vrouwen in staat te stellen ten volle deel te nemen aan maatschappelijke en economische ontwikkeling; benadrukt dat maatregelen ter bevordering van een leven lang leren essentieel zijn om ervoor te zorgen dat vrouwen over de vaardigheden beschikken om terug te keren op de arbeidsmarkt of hun baan, inkomen of arbeidsomstandigheden te verbeteren;

8.  roept de lidstaten ertoe op om meer in onderwijs te investeren, zodat iedereen kan profiteren van hoogwaardig, gratis openbaar onderwijs;

9.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat hun onderwijsinstanties gelijke rechten op onderwijs voor mannen en vrouwen garanderen door het beginsel van gelijke behandeling te verankeren in de onderwijsdoelstellingen en -maatregelen, en op die manier te voorkomen dat er vanwege seksistisch gedrag of maatschappelijke stereotypen ongelijkheid tussen vrouwen en mannen ontstaat;

10.  verzoekt de Commissie om deze aanbeveling te doen toekomen aan de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van het centrale, regionale en lokale onderwijsbeleid, schoolbesturen en regionale en lokale overheden;

11.  benadrukt dat gestreefd moet worden naar een gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in leidinggevende functies en bestuursfuncties binnen organen die belast zijn met toezicht op en het bestuur van onderwijsinstellingen, met name bij de schoolleiding en directeuren en op de vakgebieden wiskunde, wetenschappen, techniek en technologie, zodat meisjes zich kunnen spiegelen aan vrouwelijke rolmodellen;

12.  benadrukt dat meisjes die niet naar school mogen vaker het slachtoffer zijn van huiselijk geweld;

13.  verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk de procedure voor de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul te initiëren; dringt er bij de lidstaten op aan dit verdrag te ratificeren en verzoekt de EU en de lidstaten om zich in het kader van de buitenlandse betrekkingen gezamenlijk in te zetten voor gendergelijkheid; wijst erop dat er een sterk verband bestaat tussen genderstereotypen en pesten, cyberpesten en geweld tegen vrouwen, en benadrukt dat reeds bij jonge kinderen gewerkt moet worden aan het voorkomen hiervan; benadrukt dat het Verdrag van Istanbul van de ondertekenaars verlangt dat ze het gebruik van leermiddelen over bepaalde onderwerpen bevorderen (zoals niet-stereotiepe genderrollen, wederzijds respect, vreedzame oplossing van conflicten binnen persoonlijke relaties en het recht op persoonlijke integriteit) en dat deze leermiddelen aangepast moeten zijn aan de zich ontwikkelende capaciteiten van leerlingen en deel moeten uitmaken van formele curricula op alle onderwijsniveaus;

14.  dringt er bij alle lidstaten op aan om consequent te investeren in informatie-, bewustmakings- en voorlichtingscampagnes en om de beroepskeuzebegeleiding voor jongens en meisjes te verbeteren, en daarbij stereotiepe opvattingen over genderrollen te doorbreken en een einde te maken aan stereotiepe ideeën over studie- en beroepskeuze, vooral als het gaat om wetenschap en nieuwe technologieën; wijst erop dat dit een bijdrage kan leveren aan vermindering van gendersegregatie op de arbeidsmarkt en aan versterking van de positie van vrouwen, zodat de lidstaten het menselijk kapitaal dat meisjes en vrouwen vertegenwoordigen ten volle kunnen benutten en de discussie over studie- en beroepskeuze op scholen en in klaslokalen wordt aangewakkerd;

15.  wijst op de rol van pedagogische teams bij de ondersteuning en advisering van gezinnen op het gebied van het schooltraject van kinderen, met als doel hen een richting te doen volgen die aansluit bij hun vaardigheden, talenten en voorkeuren; benadrukt dat het moment waarop advisering over schooltrajecten plaatsvindt van doorslaggevend belang is en dat op dit moment ook genderstereotypen een rol kunnen spelen, en dat de keuzes die op een dergelijk moment gemaakt worden bepalend zijn voor de mogelijkheden van meisjes om te kiezen voor een loopbaan die kansen biedt op persoonlijke ontwikkeling en emancipatie;

16.  dringt er bij de Commissie op aan om, via de lidstaten, specifieke bewustmakingscampagnes voor meisjes op te zetten over de verschillende studiemogelijkheden en de deelname van meisjes aan hoger onderwijs en over de kansen op werk als zij over bepaalde vaardigheden beschikken, om meisjes ertoe te bewegen te kiezen voor carrières in beroepen die van oudsher vooral door mannen worden uitgeoefend en om het zelfvertrouwen van de nieuwe generatie vrouwen te versterken; merkt op dat informeel onderwijs een belangrijke rol speelt bij het kweken van zelfvertrouwen bij meisjes en jonge vrouwen;

17.  roept de lidstaten op om ESI-fondsen aan te wenden voor de ondersteuning van programma's die zich richten op de ouders van kinderen van uitgesloten gemeenschappen en om nuttige en stimulerende activiteiten buiten de schooluren en tijdens de schoolvakanties te bevorderen;

18.  roept de lidstaten ertoe op om de bevordering van openbare netwerken van kinderdagverblijven, crèches, voorschools onderwijs en openbare diensten voor vrijetijdsbesteding voor kinderen te steunen;

19.  dringt er bij de lidstaten op aan de kwaliteit van onderwijs en beroepsopleidingen voor gehandicapten en/of speciale onderwijsbehoeften te verbeteren en het hoge uitvalpercentage onder deze groepen naar beneden te brengen en de beginselen van inclusief onderwijs te respecteren, en daarbij de nadruk te leggen op actieve deelname van deze leerlingen, en, waar mogelijk, de integratie van deze groepen in de maatschappij en binnen het onderwijssysteem te verbeteren; dringt erop aan dat lerarenopleidingen met het oog hierop verbeterd worden en dat het genderperspectief bij deze opleidingen, alsmede bij de vaststelling van leerproblemen wordt meegewogen, en dat er gendergevoelige onderzoeksmethoden worden ontwikkeld, alsmede specifieke onderwijsprogramma's die rekening houden met het genderperspectief, om meisjes en vrouwen uit deze groepen een beter perspectief te bieden bij het zoeken naar werk en beter in staat te stellen het hoofd te bieden aan meervoudige discriminatie;

20.  verzoekt de lidstaten te zorgen voor gelijke toegang tot onderwijs voor jongens en meisjes, ongeacht hun leeftijd, geslacht, sociaal-economische status of culturele of religieuze achtergrond en benadrukt dat het belangrijk is dat Europese, nationale en lokale instanties specifieke programma's bevorderen die gericht zijn op de integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen in het algemeen, maar met name de meisjes uit die gemeenschappen (die immers vaak te maken hebben met meervoudige discriminatie), op scholen, en op de integratie van alle minderheden in de Europese samenleving; benadrukt dat erop moet worden toegezien dat meisjes een middelbareschooldiploma halen en benadrukt dat er behoefte is aan programma's voor financiële bijstand voor economisch achtergestelde gezinnen, om voortijdig schoolverlaten door leerlingen, met name meisjes, te voorkomen;

21.  verzoekt de lidstaten zich er actief voor in te zetten dat vrouwelijke migranten en hun gezinnen de mogelijkheid krijgen de taal van hun gastland te leren via gratis openbaar onderwijs in de buurt;

22.  dringt er bij de lidstaten op aan specifieke programma's op te zetten om ervoor te zorgen dat Roma-meisjes en jonge Roma-vrouwen het lager, middelbaar en hoger onderwijs afmaken, en tevens speciale maatregelen te nemen voor tienermoeders en vroegtijdig schoolverlatende meisjes, om met name onafgebroken onderwijs te ondersteunen, en te voorzien in praktijkgerichte opleidingen; dringt er voorts bij de lidstaten en de Commissie op aan rekening te houden met deze maatregelen bij de coördinatie en evaluatie van de nationale strategieën voor de integratie van Roma;

23.  benadrukt dat het belangrijk is dat er in ontwikkelingssamenwerkingsprojecten maatregelen worden opgenomen die gericht zijn op scholing van meisjes en vrouwen;

24.  wijst erop dat in de leerplannen en in alle onderwijsfasen bijzondere aandacht moet worden geschonken aan het beginsel van gelijkheid van mannen en vrouwen;

Leerprogramma en opleiding

25.  acht het belangrijk dat in leerprogramma's, ontwikkelingdoelen en eindtermen, leerstof, schoolprogramma's en lesprogramma's passende aandacht wordt geschonken aan gendergelijkheid in al haar facetten, en dat de plaats die vrouwen innemen binnen de verschillende vakgebieden in het curriculum van scholen moet worden geëvalueerd, waarbij de rol van vrouwen in de leerstof moet worden benadrukt; is van mening dat in lesmateriaal over gendergelijkheid het gelijkheidsbeginsel expliciet aan de orde moet worden gesteld en aandacht moet worden besteed aan een breed scala aan onderwerpen, waaronder geletterdheid, pesten, geweld, haatdragende taal, mensenrechten en burgerschapsvorming;

26.  benadrukt dat onderwijs meisjes en jongens moet helpen zich te ontwikkelen tot bewuste, respectvolle en evenwichtige individuen die blijk geven van empathisch vermogen en wederzijds respect, zodat discriminatie, agressie en pesten kunnen worden voorkomen;

27.  benadrukt dat scholen een bijdrage moeten leveren aan de ontwikkeling van een interculturele aanpak van onderwijs, om zo openheid en wederzijds respect te bevorderen en de interculturele en interreligieuze dialoog te stimuleren;

28.  spoort de bevoegde autoriteiten in de lidstaten aan om binnen hun uitgebreide onderwijsprogramma's op het gebied van seksuele voorlichting en relaties gendergelijkheid te bevorderen, en meisjes en jongens te wijzen op het belang van relaties die gebaseerd zijn op instemming, respect voor elkaar en wederkerigheid, en tevens gendergelijkheid te bevorderen in het kader van sport en vrijetijdsbesteding, waar stereotypen en de verwachtingen ten aanzien van mannen en vrouwen van invloed kunnen zijn op het zelfbeeld, de gezondheid, het verwerven van vaardigheden, de intellectuele ontwikkeling, sociale integratie en de identiteitsvorming van meisjes en jongens;

29.  is van oordeel dat gevoelig, aan de leeftijd aangepast, wetenschappelijk onderbouwd onderwijs inzake seksualiteit en relaties een essentieel instrument is om meisjes en jongens mondig te maken en te helpen weloverwogen keuzes te maken, en tevens bijdraagt aan de verwezenlijking van andere prioriteiten op het gebied van de volksgezondheid, zoals terugdringing van het aantal ongewenste zwangerschappen, een lagere moeder- en kindersterfte, preventie en vroegtijdiger behandeling van seksueel overdraagbare aandoeningen en verkleining van ongelijkheden op het gebied van gezondheid; verzoekt de lidstaten te overwegen om uitgebreide, aan de leeftijd aangepaste scholing op het gebied van seksualiteit en relaties verplicht te stellen voor alle leerlingen op lagere en middelbare scholen en benadrukt dat het belangrijk is dat bij scholing van leraren bijzondere aandacht wordt besteed aan respect voor meisjes en vrouwen en aan gendergelijkheid;

30.  dringt erop aan dat onderwijs op het gebied van seksualiteit en relaties deel gaat uitmaken van leerprogramma's, met als doel om meisjes mondiger te maken door hun kennis te vergroten en hen meer zeggenschap te geven over hun eigen lichaam, en dat ook andere vakken coherentie blijven vertonen met deze uitgangspunten;

31.  verzoekt de Commissie om discriminatie op grond van seksuele geaardheid en genderidentiteit in onderwijssettings te bestrijden; dringt er bij de Commissie op aan om de opneming van objectieve informatie over LGBTI-onderwerpen in de curricula van scholen te ondersteunen; dringt er bij de Commissie op aan om bij het aanpakken van pesten en intimidatie van homofobe en transfobe aard "peer learning" tussen de lidstaten te faciliteren;

32.  spoort meisjes en jongens ertoe aan om tijdens hun schoolcarrière alle vakken met evenveel belangstelling tegemoet te treden en zich niet te laten beïnvloeden door genderstereotypen, met name als het gaat om wetenschappelijke en technische vakken, en spoort jongens aan ook open te staan voor activiteiten die als vrouwenactiviteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld in het huishouden of in de zorg; pleit voorts voor gelijke deelname van meisjes en jongens aan collectieve besluitvorming en aan het schoolbestuur, alsmede aan buitenschoolse activiteiten; dringt er bij alle betrokkenen op aan om ervoor te zorgen dat de financiering van deze doeltreffende activiteiten wordt beschermd;

33.  wijst erop dat er maatregelen moeten worden getroffen om de participatie van vrouwen in de culturele sector en bij de productie en verspreiding van artistieke en intellectuele werken te bevorderen en dat de structurele en grootschalige discriminatie van vrouwen op deze gebieden aangepakt moet worden en dat gestreefd moet worden naar een evenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen en mannen bij openbare artistieke en culturele activiteiten en dat er hiervoor financiële middelen moeten worden vrijgemaakt en constructieve actie moet worden ondernomen om de ongelijkheid op deze gebieden aan te pakken;

34.  roept op om werk te maken van gelijke toegang tot, gebruik van en onderwijs in informatie- en communicatietechnologie voor meisjes en jongens vanaf de kleuterleeftijd, waarbij bijzondere aandacht moet worden geschonken aan kinderen en jongeren in plattelandsgebieden, uit gemarginaliseerde gemeenschappen en met bijzondere behoeften, om de digitale geletterdheid te verbeteren, te zorgen voor de verspreiding van doeltreffende instrumenten inzake onderwijsbeleid en lerarenopleidingen te verbeteren, teneinde het aantal vrouwelijke studenten en afgestudeerden op het gebied van wetenschap, technologie, techniek en wiskunde omhoog te brengen; is in dit verband ingenomen met alle initiatieven en programma's om meisjes warm te maken voor deze vakgebieden en voor een loopbaan als onderzoeker;

35.  wijst erop dat er educatieve maatregelen moeten worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de rol van vrouwen in de geschiedenis, wetenschap, politiek, literatuur, kunst en in het onderwijs, enz., wordt erkend en dat leerlingen daarover worden onderwezen;

36.  roept ertoe op om alle mogelijke inspanningen te leveren om ervoor te zorgen dat werk in het peuter- en kleuteronderwijs, het lager onderwijs en in de zorg gezien wordt als waardevol werk voor zowel vrouwen als mannen;

37.  roept de lidstaten op nationale wetgeving te ontwikkelen of bestaande wetgeving aan te scherpen met als doel het aanpakken van de negatieve gevolgen van stereotiepe genderrollen die ontstaan naar aanleiding van waarden die worden overgedragen door de media en via reclame en die veel te vaak het werk dat door scholen op dit gebied wordt verricht ongedaan maken;

38.  dringt aan op aanvullende activiteiten ter versterking van het formele leerprogramma op het gebied van gendergelijkheid en ondernemerschap, en op uitvoering van informele onderwijsprogramma's voor genderonderwijs op gemeenschapsniveau via lokale autoriteiten;

39.  vraagt nieuwe inspanningen te leveren om ervoor te zorgen dat informeel onderwijs beloond wordt met een getuigschrift van bekwaamheid en dat er volwaardige certificaten worden uitgereikt voor stages die gelopen worden in het kader van beroepsopleidingen, aangezien dit meisjes en vrouwen kan helpen bij het vinden van beter werk en bij de toegang of terugkeer tot de arbeidsmarkt en er bovendien voor zorgt dat vrouwen en mannen gelijk worden behandeld als het gaat om waardigheid en vaardigheden;

40.  vraagt auteurs en uitgevers van leermiddelen er rekening mee te houden dat gendergelijkheid bij de productie van leermiddelen een criterium moet vormen en beveelt aan om bij het uitwerken van leermiddelen over gendergelijkheid een beroep te doen op teams van leraren en leerlingen en zich te laten adviseren door deskundigen op het gebied van gendergelijkheid en genderbewuste studiebegeleiding;

41.  roept de lidstaten ertoe op om richtsnoeren uit te werken en openbaar te maken voor scholen, beleidsmakers op onderwijsgebied, leraren en personen die verantwoordelijk zijn voor het opstellen van leerprogramma's, om rekening te houden met het genderperspectief en gendergelijkheid, en om ervoor te zorgen dat er geen stereotypen en seksistische vooroordelen voorkomen in de inhoud, het taalgebruik of in illustraties van leerboeken en andere leermiddelen, en er bovendien voor te zorgen dat seksisme in literatuur, film, muziek, games, media, reclame of andere domeinen die een duidelijke invloed hebben op de houding, het gedrag en de identiteit van meisjes en jongens, wordt bestreden;

42.  beseft dat leraren een sleutelrol vervullen bij de totstandbrenging van identiteiten in het onderwijs en een aanzienlijke invloed hebben op aspecten van op gender gebaseerd gedrag in scholen; herinnert eraan dat er nog veel moet gebeuren om leraren in staat te stellen gendergelijkheid op de meest passende manier te bevorderen; benadrukt daarom dat het nodig is te zorgen voor omvattende basis- en vervolgcursussen inzake gelijkheid voor leraren op alle niveaus van formeel en informeel onderwijs, met inbegrip van peer learning en samenwerking met externe organisaties en agentschappen, om de aandacht te vestigen op de impact van genderrollen en -stereotypen op het zelfvertrouwen van hun leerlingen en op hun verdere studiekeuzes; benadrukt dat er positieve vrouwelijke en mannelijke rolmodellen moeten zijn voor meisjes op scholen en universiteiten zodat ze zich hiermee kunnen identificeren en hun eigen potentieel zo goed mogelijk kunnen benutten zonder dat zij hoeven te vrezen voor gendergerelateerde discriminatie of twijfels hoeven te hebben op basis van hun geslacht;

43.  wijst erop dat het noodzakelijk is om zowel tijdens de basisopleiding als in het kader van bijscholing van leraren aandacht te schenken aan de studie en toepassing van het beginsel van gelijkheid van mannen en vrouwen, om zo eventuele belemmeringen voor het benutten van het volledige potentieel van leerlingen van welk geslacht dan ook weg te nemen;

44.  heeft er veel vertrouwen in dat onderwijs een grote bijdrage kan leveren aan de verwezenlijking van gendergelijkheid; is van oordeel dat in formele en informele onderwijsprogramma's aandacht moet worden besteed en gewezen moet worden op de zeer negatieve gevolgen van gendergebaseerd geweld, genderdiscriminatie, intimidatie en homofobie en transfobie in al hun verschijningsvormen, waaronder pesten en intimidatie op internet; is van mening dat voor onderwijs dat gericht is op gendergelijkheid en op de bestrijding van gendergerelateerd geweld een veilige en geweldloze schoolomgeving voorwaarde is;

45.  wijst erop dat er behoefte is aan initiatieven gericht op de bewustmaking en voorlichting over en integratie van het genderperspectief voor iedereen die betrokken is bij het onderwijsbeleid, alsmede voor ouders en werkgevers;

46.  dringt er bij de lidstaten op aan te kiezen voor een generatie-overstijgende benadering ten aanzien van onderwijs, en gelijke toegang te waarborgen tot formeel en informeel onderwijs door kwalitatief hoogwaardige en betaalbare kinderopvang te integreren in hun onderwijsstelsels, en tevens te voorzien in goede zorg voor ouderen en andere afhankelijke personen; dringt er bij de lidstaten op aan initiatieven te ontplooien ter vermindering van de directe en indirecte onderwijskosten en de capaciteit van baby-opvangvoorzieningen, crèches, peuter- en kleuterscholen, basisscholen en naschoolse of buitenschoolse opvang te verbeteren, in overeenstemming met het beginsel van inclusie van kinderen die in armoede leven of het risico lopen tot armoede te vervallen; benadrukt dat dit van belang is om mannen en vrouwen, waaronder alleenstaande ouders, in staat te stellen hun gezinsleven met hun werk te combineren, en ervoor te zorgen dat vrouwen kunnen deelnemen aan activiteiten in het kader van een leven lang leren en aan beroepsonderwijs en scholing, en tevens rolmodellen te creëren die bijdragen aan verbetering van de positie van meisjes;

47.  benadrukt dat jongens en mannen betrokken moeten worden bij alle strategieën ter bevordering van gendergelijkheid en ter verbetering van de positie van meisjes en vrouwen;

48.  wijst erop dat de overheid onderricht in en onderzoek naar de betekenis en invloed van gelijkheid van mannen en vrouwen in het hoger onderwijs moet bevorderen, in het bijzonder door onderricht in gelijkheid van mannen en vrouwen op te nemen in de desbetreffende leerplannen en door op dit gebeid specifieke universitaire opleidingen op te zetten en studies en specialistisch onderzoek te verrichten;

49.  verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten om de wederzijdse erkenning van in de verschillende lidstaten afgegeven diploma's, certificaten en andere titels ter staving van beroepskwalificaties te bevorderen en werk te maken van de coördinatie en harmonisatie van de nationale bepalingen die de toegang tot de verschillende beroepen regelen, opdat vrouwelijke migranten uit de Unie en uit derde landen toegang krijgen tot banen die aansluiten bij hun opleiding en kwalificaties;

Investeringen, monitoring en evaluatie

50.  wijst erop dat de vorderingen die voortvloeien uit de vaststelling van beleid inzake gelijkheid van mannen en vrouwen in onderwijsinstellingen door onafhankelijke organen moeten worden gemonitord en geëvalueerd, dat lokale, regionale, nationale en Europese beleidsmakers op de hoogte moeten worden gehouden van alle maatregelen die op dit gebied worden getroffen en van de vooruitgang die daardoor wordt geboekt en dat het genderperspectief deel moet uitmaken van de beoordelingscriteria bij de interne en externe evaluatie van onderwijsinstellingen;

51.  wijst op het belang van samenwerking tussen de verschillende onderwijsinstanties en de uitwisseling van beste praktijken voor de ontwikkeling van projecten en programma's om de kennis over en verspreiding van de beginselen van gemengd onderwijs en daadwerkelijke gelijkheid van mannen en vrouwen onder de actoren binnen de onderwijsgemeenschap te bevorderen;

52.  verzoekt het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) door te gaan met het verzamelen van vergelijkbare, naar gender opgesplitste gegevens en het opstellen van scoreboards voor alle beleidsgebieden, waaronder onderwijs, en wijst nogmaals op het belang van het uitvoeren van effectbeoordelingen van het onderwijsbeleid voor de aanpak van genderongelijkheid, het leveren van kwalitatieve en kwantitatieve instrumenten om deze effecten te beoordelen en het hanteren van een gendergevoelige begrotingsstrategie, om zowel de toegang tot als het recht op onderwijsmiddelen te bevorderen;

53.  is van oordeel dat het van groot belang is de gevolgen van toekomstige onderwijswetgeving voor gendergelijkheid te beoordelen en, waar nodig, bestaande wetgeving overeenkomstig dit beginsel te herzien;

54.  benadrukt dat de toetsing van de tenuitvoerlegging van programma's ter bevordering van gendergelijkheid en de beoordeling daarvan achteraf verricht moeten worden door onderzoekscentra op het gebied van onderwijs, in nauwe samenwerking met deskundigen op het gebied van genderkwesties, de door de EU opgerichte organen en de plaatselijke overheden; verzoekt de lidstaten en de Commissie om kwantitatieve en kwalitatieve naar gender uitgesplitste gegevens te verzamelen;

55.  stelt voor om een jaarlijkse Europese prijs voor gelijkheid van mannen en vrouwen uit te reiken aan onderwijsinstellingen die zich in het bereiken van deze doelstelling hebben onderscheiden en spoort de lidstaten ertoe aan om op nationaal niveau hetzelfde te doen;

56.  wijst erop dat er actieplannen moeten worden uitgewerkt en middelen moeten worden toegewezen voor de tenuitvoerlegging van genderspecifieke onderwijsprojecten en andere gendergevoelige onderwijsstructuren, en beveelt aan om daartoe een beroep te doen op de beschikbare Europese instrumenten, met name het Investeringsplan, het Horizon 2020-programma en de structuurfondsen van de EU, waaronder het Europees Sociaal Fonds;

o
o   o

57.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0074.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0050.
(3) https://europa.eu/eyd2015/nl/eu-european-parliament/posts/every-girl-and-woman-has-right-education


EER-Zwitserland: belemmeringen voor de volledige tenuitvoerlegging van de interne markt
PDF 188kWORD 80k
Resolutie van het Europees Parlement van 9 september 2015 over de EER-Zwitserland: belemmeringen voor de volledige tenuitvoerlegging van de interne markt (2015/2061(INI))
P8_TA(2015)0313A8-0244/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de vrijhandelsovereenkomst van 22 juli 1972 tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat,

–  gezien de overeenkomst van 21 juni 1999 tussen enerzijds de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, en anderzijds de Zwitserse Bondsstaat, over het vrij verkeer van personen, meer in het bijzonder bijlage I over het vrij verkeer van personen, en bijlage III over de erkenning van beroepskwalificaties,

–  gezien de Overeenkomst van 25 juni 2009 tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de vereenvoudiging van de controles en formaliteiten bij het goederenvervoer en inzake douaneveiligheidsmaatregelen,

–  gezien de overeenkomst van 21 juni 1999 tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat over wederzijdse erkenning van certificatie (of "overeenstemmingsbeoordeling"),

–  gezien de overeenkomst van 21 juni 1999 tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat over bepaalde aspecten van openbare aanbestedingen,

–  gezien het protocol van 27 mei 2008 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, met het oog op de deelname, als overeenkomstsluitende partijen, van de Republiek Bulgarije en Roemenië, op grond van hun toetreding tot de Europese Unie,

–  gezien het protocol van 26 oktober 2004 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, met het oog op de deelname, als overeenkomstsluitende partijen, van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek, op grond van hun toetreding tot de Europese Unie,

–  gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte,

–  gezien Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (de dienstenrichtlijn)(1),

–  gezien Richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties(2),

–  gezien zijn resolutie van 7 september 2010 met als titel "EER-Zwitserland: belemmeringen voor de volledige tenuitvoerlegging van de interne markt(3),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2014 over het voortgangsverslag 2012 over IJsland en de perspectieven na de verkiezingen(4),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over de governance van de interne markt binnen het Europees semester 2015(5),

–  gezien de conclusies van de Raad van 21 maart 2014,

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 december 2014 over een homogene uitgebreide interne markt en over EU-betrekkingen met West-Europese landen die geen lid zijn van de EU,

–  gezien de conclusies die de EER-Raad tijdens zijn 42e bijeenkomst op 19 november 2014 heeft aangenomen,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 7 december 2012 over een evaluatie van de werking van de Europese Economische Ruimte (SWD(2012)0425),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 november 2012 over EU-betrekkingen met het Vorstendom Andorra, het Vorstendom Monaco en de Republiek San Marino — Mogelijkheden voor nauwere integratie met de EU (COM(2012)0680),

–  gezien het verslag van de Commissie van 18 november 2013 over EU-betrekkingen met het Vorstendom Andorra, het Vorstendom Monaco en de Republiek San Marino — Mogelijkheden voor hun deelname aan de interne markt,

–  gezien het verslag van de Gemengde Parlementaire Commissie voor de Europese Economische Ruimte over het jaarverslag 2013 over de toepassing van de EER-overeenkomst,

–  gezien de resolutie van de gemengde parlementaire commissie van de Europese Economische Ruimte van 30 mei 2013 over de toekomst van de EER en de betrekkingen van de EU met de kleine landen en Zwitserland,

–  gezien de resolutie van de gemengde parlementaire commissie van de Europese Economische Ruimte van 26 maart 2014 over de governance van de interne markt,

–  gezien de resolutie van de gemengde parlementaire commissie van de Europese Economische Ruimte van 17 maart 2015 over het industriebeleid in Europa,

–  gezien de resolutie van de gemengde parlementaire commissie van de Europese Economische Ruimte van 17 maart 2015 over het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen en de mogelijke gevolgen daarvan voor de EER/EVA-landen,

–  gezien het verslag van 14 januari 2015 over het Zwitsers buitenlands beleid,

–  gezien het 35e scorebord voor de interne markt van de EER/EVA-landen,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en met name artikel 217, dat de Europese Unie het recht geeft om internationale overeenkomsten af te sluiten,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0244/2015),

A.  overwegende dat de vier leden van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA), namelijk IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland, belangrijke handelspartners van de Europese Unie (EU) zijn en dat Zwitserland en Noorwegen qua volume de vierde respectievelijk vijfde grootste EU-handelspartner vormen;

B.  overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en drie van de EVA-landen (IJsland, Liechtenstein en Noorwegen) zich in de Europese Economische Ruimte (EER) afspelen, zodat zij aan de interne markt deelnemen, terwijl de EER-overeenkomst in een sterk geïnstitutionaliseerd kader aangewend en gemonitord wordt;

C.  overwegende dat de deelname van Zwitserland in 1992 in een volkstemming is aangevochten, zodat de betrekkingen tussen Zwitserland en de EU momenteel op meer dan 100 sectoriële overeenkomsten berusten, die voor verregaande integratie zorgen;

D.  overwegende dat een goed werkende en doeltreffende interne markt op basis van een socialemarkteconomie met een groot concurrentievermogen noodzakelijk is om de groei en het concurrentievermogen te stimuleren en banen te creëren, en aldus de Europese economie nieuw leven in te blazen, maar dat de wetgeving betreffende de interne markt naar behoren moet worden omgezet, uitgevoerd en gehandhaafd opdat de voordelen ervan in de EU-lidstaten en de EER/EVA-landen ten volle worden gerealiseerd;

Inleiding

1.  beschouwt de EER-overeenkomst als een belangrijke factor voor economische groei en als het verstrekkendste en meest uitgebreide instrument voor de uitbreiding van de interne markt tot derde landen; is van mening dat de EER-overeenkomst gezien de interne ontwikkelingen in de EU een solide, doeltreffende en goed functionerende overeenkomst is gebleken waarmee de integriteit van de interne markt ook op lange termijn wordt verzekerd;

2.  erkent dat de nauwe betrekkingen tussen de EU, de EER/EVA-landen en Zwitserland verder reiken dan economische integratie en de uitbreiding van de interne markt en bijdragen tot stabiliteit en welvaart, ten voordele van burgers en ondernemingen, inclusief kmo's; onderstreept dat de goede werking van de interne markt moet worden gegarandeerd met als doel een gelijk speelveld te creëren en nieuwe banen te scheppen;

Tenuitvoerlegging van de internemarktwetgeving: EER/EVA-landen

3.  stelt bezorgd vast dat de huidige gemiddelde omzettingsachterstand van de drie EER/EVA-landen volgens het scorebord voor de interne markt van deze landen is gestegen van 1,9 % in juli 2014 tot 2,0 %;

4.  is ingenomen met de aanzienlijke inspanningen die zijn geleverd om de opname van relevant EU-acquis in de EER-overeenkomst te bespoedigen en verheugt zich over het recente akkoord over de beginselen voor de opname in de EER-overeenkomst van de EU-verordeningen tot oprichting van de Europese toezichthoudende autoriteiten op het gebied van financiële diensten;

5.  wijst erop dat de EER/EVA-landen bij talrijke EU-programma's en EU-agentschappen betrokken zijn en ook in de praktijk met de EU samenwerken, bijvoorbeeld in het kader van het informatiesysteem voor de interne markt (IMI) en SOLVIT, en dat zij via de financiële mechanismen van Noorwegen en de EER bijdragen tot de cohesie van de EU; is van mening dat deze samenwerking bijdraagt tot de efficiënte werking van een uitgebreide interne markt; spoort de EU en EER/EVA-landen aan de ontwikkeling van preventieve instrumenten en antwoorden op mogelijke bedreigingen voort te zetten, teneinde de werking van de interne energiemarkt te waarborgen;

6.  acht het essentieel dat de EER/EVA-landen de internemarktwetgeving snel en indien mogelijk gelijktijdig uitvoeren, en is van mening dat dit proces nog kan worden verbeterd en bespoedigd;

7.  benadrukt dat de achterstand op het vlak van de opname van rechtshandelingen een probleem blijft, en vraagt de EER/EVA-landen daarom met klem zich, in nauwe samenwerking met de EU, harder in te spannen om de integriteit van de interne markt te waarborgen;

8.  erkent dat voor de vaststelling van EER-relevantie voorafgaande instemming van alle EER/EVA-landen nodig is en dat er voor de opname van rechtshandelingen technische aanpassingen nodig kunnen zijn; vreest evenwel dat een groot aantal verzoeken om aanpassingen en uitzonderingen tot vertraging en mogelijk tot versnippering van de interne markt leidt; verzoekt de betrokken landen met klem deze situatie te verhelpen en nauw samen te werken met de EU om voor een gelijk speelveld in de uitgebreide interne markt te zorgen;

9.  wijst erop dat de EU sinds de ondertekening van de EER-overeenkomst in toenemende mate beroep doet op agentschappen; verheugt zich over het feit dat de EER/EVA-landen aan de werkzaamheden van deze agentschappen deelnemen; roept de EER/EVA-landen en de Commissie ertoe op deze samenwerking en deelname verder te vergroten;

10.  wijst erop dat er momenteel wordt onderhandeld over een veelomvattende vrijhandels- en investeringsovereenkomst tussen de EU en de VS; benadrukt dat de EER/EVA-landen via de EER-overeenkomst de internemarktregels toepassen en dat de eventuele gevolgen van een geslaagd handels- en investeringspartnerschap voor de interne markt waarschijnlijk ook gelden voor de EER/EVA-landen; beklemtoont voorts dat het TTIP niet tot nieuwe handelsbelemmeringen tussen de EU en de EER/EVA-landen mag leiden;

Vorstendom Liechtenstein

11.  maakt zich zorgen over het feit dat de omzettingsachterstand van Liechtenstein is toegenomen van 0,7 % tot 1,2 %; maakt zich voorts zorgen over het feit dat de Liechtensteinse wetgeving betreffende de inreis- en verblijfsrechten van bepaalde gezinsleden van EER-burgers en de bepalingen volgens dewelke EER-burgers die in Liechtenstein verblijven, geen beroepsactiviteit mogen uitoefenen in een ander EER-land, die Liechtenstein beschouwt als een regeling op basis van een bijzonder quotastelsel uit hoofde van de EER-overeenkomst, niet geheel in overeenstemming lijken te zijn met het EER-recht;

Republiek IJsland

12.  neemt kennis van de brief van 12 maart 2015 van de IJslandse regering over zijn positie als kandidaat voor EU-lidmaatschap; wijst erop dat IJsland een omzettingsachterstand van 2,8 % heeft en daarmee van alle betrokken landen het slechtst scoort, en vraagt IJsland met klem meer inspanningen te leveren om aan zijn verplichtingen uit hoofde van de EER-overeenkomst te voldoen; spoort de EU en IJsland aan om de samenwerking verder te versterken onder meer op het gebied van rampenparaatheid rampen in het Noord-Atlantisch gebied en om financiële middelen beschikbaar te stellen om de desbetreffende problemen aan te pakken;

Koninkrijk Noorwegen

13.  verheugt zich over het feit dat de betrekkingen met Noorwegen de voorbije jaren zijn aangehaald en over het feit dat Noorwegen meedoet aan het 'frontrunner'-initiatief, dat tot doel heeft de interne markt te verbeteren; stelt niettemin vast dat de omzettingsachterstand van Noorwegen is toegenomen tot 2 % en verzoekt het land dan ook zijn inspanningen op dit vlak op te voeren, in het bijzonder met het oog op de voltooiing van de interne energiemarkt; spoort aan tot nauwere samenwerking op onder meer energiegebied; wijst niettemin op het voortbestaan van verhoogde invoerrechten voor bepaalde producten, waar iets aan moet worden gedaan;

Vorstendom Andorra, Vorstendom Monaco en Republiek San Marino

14.  erkent dat nauwere betrekkingen wederzijdse voordelen met zich kunnen meebrengen, in het bijzonder op regionaal en plaatselijk niveau in aangrenzende EU-gebieden, en beschouwt de opening van onderhandelingen over associatieovereenkomsten, met inachtneming van de specifieke kenmerken van deze landen, als een belangrijke stap voorwaarts voor hun deelname aan de interne markt en eventueel hun aanwezigheid op gebieden daarbuiten;

Tenuitvoerlegging van de internemarktwetgeving: Zwitserse Bondsstaat

15.  prijst de nauwe, nog altijd bloeiende betrekkingen die de EU en Zwitserland al sinds lang onderhouden en die de afgelopen decennia hebben bijgedragen tot de vrede, welvaart en groei in Europa; is ervan overtuigd dat deze betrekkingen nog kunnen worden aangehaald, in het voordeel van beide partijen, door een uitgebreide herziening van de sectorale overeenkomsten conform de grondbeginselen van de EU, en dat het grote aantal overeenkomsten en gedeelde belangen tussen beide partijen nog kan worden uitgebreid;

16.  verheugt zich in dit verband over het feit dat er in mei 2014 onderhandelingen van start zijn gegaan over een institutioneel kader als voorafgaande voorwaarde voor verdere bilaterale toenadering; benadrukt dat er zonder een dergelijke kaderovereenkomst geen nieuwe akkoorden zullen worden gesloten over de deelname van Zwitserland aan de interne markt; vraagt de Zwitserse regering met klem zich meer in te spannen om de onderhandelingen over de resterende onderwerpen te doen vooruitgaan;

17.  neemt kennis van het resultaat van het burgerinitiatief van 9 februari 2014 "Tegen massa-immigratie" en van de besluiten die de Zwitserse Bondsraad op 11 februari 2015 heeft genomen met betrekking tot de uitvoering van een ontwerpuitvoeringswet en nieuwe begeleidende maatregelen; wijst erop dat dit indruist tegen de verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst inzake het vrije verkeer van personen en verwacht van Zwitserland dat het deze verplichtingen nakomt; merkt op dat migratie van burgers uit derde landen niet mag worden verward met het vrije verkeer van personen overeenkomstig de Verdragen; benadrukt dat de unilaterale maatregelen die Zwitserland heeft genomen om discriminatie van Kroatische burgers te verhinderen geen toereikende vervanging vormen voor de ratificatie van het protocol tot uitbreiding van de overeenkomst over het vrije verkeer van personen tot Kroatië, en onderstreept dat ratificatie van dit protocol het mogelijk zou maken de Zwitserse deelname aan het programma Horizon 2020 na 2016 voort te zetten en uit te breiden, teneinde de toegang van onderzoekers tot horizon 2020-financiering te bevorderen; verzoekt de Commissie om samen met Zwitserland en de lidstaten een bevredigende oplossing te vinden waarbij de bepalingen van de desbetreffende overeenkomsten worden geëerbiedigd en de rechtsstaat wordt gerespecteerd;

18.  herhaalt dat het vrije verkeer van personen één van de fundamentele vrijheden en een hoeksteen van de interne markt vormt, en altijd onvoorwaardelijk deel heeft uitgemaakt van en een voorwaarde is geweest voor de bilaterale toenadering tussen de EU en Zwitserland; gaat daarom geheel akkoord met de verwerping door de EU in juli 2014 van het verzoek van de Zwitserse overheid om een quotum of nationaal preferentiestelsel in de overeenkomst over het vrije verkeer van personen op te nemen; maakt zich zorgen over meldingen van het gebruik door bepaalde ondernemingen en kantons van een preferentiestelsel voor autochtonen, en wijst erop dat een dergelijk optreden niet in overeenstemming is met de overeenkomst over het vrije verkeer van personen;

19.  merkt op dat beperkingen van het vrije verkeer van personen die in Zwitserland per referendum zijn afgedwongen voor een onevenwichtige situatie dreigen te zorgen en de voordelen van de overeenkomsten voor de EU-lidstaten dreigen te ondergraven;

20.  neemt er nota van dat Zwitserland na de opschorting van de onderhandelingen over de deelname van Zwitserland aan het Erasmus+-programma een overgangsregeling heeft getroffen; vreest dat deze regeling waarschijnlijk gevolgen zal hebben voor de mobiliteit in het hoger onderwijs tussen de EU en Zwitserland; verzoekt Zwitserland en de EU al het mogelijke te doen om te voldoen aan de vastgestelde voorwaarden voor hun deelname aan het Erasmus+-programma, met als doel de wederkerigheid van de uitwisselingen te garanderen en de belangen van de jonge generaties niet te schaden;

21.  spoort aan tot de handhaving van de huidige situatie waarin taxibedrijven uit de EU-lidstaten onbeperkt hun diensten kunnen aanbieden, en merkt op dat deze praktijk al lang bijdraagt tot de economische ontwikkeling in het Zwitserse grensgebied en beide partijen tot voordeel strekt;

22.  dringt er bij de Commissie op aan de gevolgen van het aankopen en huren van grond in EU-grensgebieden door Zwitserse boeren diepgaander te onderzoeken;

23.  betreurt de invoering en de daaropvolgende consolidatie van unilaterale begeleidende maatregelen door Zwitserland in het kader van de overeenkomst inzake het vrij verkeer van personen, zoals de oplegging van tarieven ter dekking van de administratieve kosten, de vereiste om bankgaranties te overleggen of een combinatie van dergelijke maatregelen, die het verrichten van diensten uit hoofde van de overeenkomst in Zwitserland ernstig belemmeren, vooral voor kmo´s; dringt er dienovereenkomstig bij Zwitserland op aan deze maatregelen te herzien en ervoor te zorgen dat zij verenigbaar zijn met de overeenkomst inzake het vrije verkeer van personen;

24.  is van mening dat de uitvoering in 2013 van richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties veel te laat kwam en vraagt om een snelle opname van de herziene richtlijn 2013/55/EU in de bijlage bij de overeenkomst inzake het vrij verkeer, in de verwachting dat Zwitserland manieren zal vinden om het voortbestaan van de overeenkomst veilig te stellen; neemt er nota van dat bijlage II bij de overeenkomst over het vrij verkeer van personen onlangs is geactualiseerd met het oog op een effectievere coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van de EU en Zwitserland; moedigt Zwitserland aan het EU-recht te blijven toepassen, overeenkomstig zijn verplichting hiertoe;

25.  is van mening dat wederkerigheid en billijke verhoudingen tussen de EER en Zwitserland gezien hun deelname aan de interne markt noodzakelijk zijn;

26.  dringt er bij de Commissie op aan in de toekomst alle gevolgen te onderzoeken voor de aan Zwitserland grenzende gebieden van de invoering van nieuwe regels, zoals de recente wijziging van artikel 561 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, waarmee ernaar wordt gestreefd het persoonlijke gebruik van een in een derde land geregistreerd bedrijfsvoertuig door werknemers die in het douanegebied van de EU wonen, aan strikte beperkingen te onderwerpen;

27.  stelt vast dat de samenwerking in het kader van de overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling over het algemeen bevredigend is, maar dat deze overeenkomst veel beter zou kunnen functioneren als Zwitserland zich ertoe zou verbinden de overeenkomst aan te passen aan het evoluerende EU-recht;

28.  roept ertoe op de obstakels voor de grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit weg te nemen met als doel de interne markt verder uit te bouwen; onderstreept in dit verband dat het belangrijk is het taalonderricht te bevorderen en werknemers beter te informeren en concrete ondersteuning te geven bij het zoeken naar werk, met name via het EURES-netwerk, in samenwerking met Zwitserland en alle landen van de EER; verheugt zich bijgevolg over de actieve deelname van Zwitserland aan de activiteiten van het EURES-netwerk, met name in grensoverschrijdende regio's; verzoekt Zwitserland zijn transnationale en grensoverschrijdende EURES-diensten verder uit te bouwen, overeenkomstig de huidige EURES-verordening, teneinde de mobiliteit van werknemers te vergroten en tussen de EU en Zwitserland een echte geïntegreerde arbeidsmarkt te creëren; pleit voorts, met het oog op een grotere mobiliteit van werknemers, voor het in kaart brengen van een brede waaier opkomende industrieën en belangrijke groeisectoren waarop de EER-landen, Zwitserland en de EU-lidstaten zich moeten concentreren bij het ontwikkelen van hun vaardighedenbestand, met als doel vaardigheden en kwalificaties beter af te stemmen op de vraag en het aanbod;

o
o   o

29.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36.
(2) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 132.
(3) PB C 308 E van 20.10.2011, blz. 18.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0041.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0069.

Juridische mededeling