Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 10 september 2015 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Rusland, in het bijzonder de gevallen Eston Kohver, Oleg Sentsov en Aleksandr Koltsjenko
 Angola
 Azerbeidzjan
 Migratie en vluchtelingen in Europa
 Rol van de EU in het vredesproces in het Midden-Oosten
 De situatie in Belarus
 Sociaal ondernemerschap en sociale innovatie ter bestrijding van werkloosheid
 Totstandbrenging van een concurrerende EU-arbeidsmarkt voor de 21e eeuw: afstemming van vaardigheden en kwalificaties op de vraag en kansen voor werk, als manier om de crisis te overwinnen
 30e en 31e jaarverslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2012-2013)

Rusland, in het bijzonder de gevallen Eston Kohver, Oleg Sentsov en Aleksandr Koltsjenko
PDF 173kWORD 74k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 september 2015 over Rusland, met name de gevallen Eston Kohver, Oleg Sentsov en Aleksandr Koltsjenko (2015/2838(RSP))
P8_TA(2015)0314RC-B8-0845/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de Russische grondwet en met name artikel 118 daarvan, waarin staat dat in de Russische Federatie uitsluitend recht wordt gesproken door rechtbanken, en artikel 120 daarvan, waarin staat dat rechters onafhankelijk zijn en uitsluitend ondergeschikt aan de Russische grondwet en de federale wetten,

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over de moord op de Russische oppositieleider Boris Nemtsov en de toestand van de democratie in Rusland(1), zijn eerdere verslagen en resoluties over Rusland, in het bijzonder zijn resoluties van 15 januari 2015 over Rusland, in het bijzonder de zaak-Aleksej Navalnyj(2), 30 april 2015 over de zaak Nadiya Savchenko(3)en 10 juni 2015 over de stand van zaken in de betrekkingen tussen de EU en Rusland(4);

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, van 19 augustus 2015 over de veroordeling van de Estse politiebeambte Eston Kohver,

–  gezien de verklaring van de VV/HV van 25 augustus 2015 over de veroordeling door een Russische rechtbank van de Oekraïense staatsburgers Oleg Sentsov en Aleksandr Koltsjenko,

–  gezien zijn voorgaande verslagen en resoluties over Rusland, met name zijn aanbeveling van 23 oktober 2012 aan de Raad over de instelling van gemeenschappelijke visumbeperkingen voor Russische functionarissen die betrokken zijn bij de zaak-Magnitskij(5), zijn resoluties van 13 juni 2013 over de rechtsstaat in Rusland(6), van 13 maart 2014 over Rusland: veroordeling van demonstranten die betrokken waren bij de protesten op het Bolotnaya-plein(7) en van 23 oktober 2014 over het sluiten van de ngo Memorial (winnaar van de Sacharov-prijs 2009) in Rusland(8), en zijn aanbeveling aan de Raad van 2 april 2014 over de instelling van gemeenschappelijke visumbeperkingen voor Russische functionarissen die betrokken zijn bij de zaak-Sergej Magnitskij(9),

–  gezien het zevende periodieke verslag van de Russische Federatie(10) dat de mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties tijdens haar 3136e en 3137e vergadering(11)op 16 en 17 maart 2015 heeft bestudeerd,

–  gezien het mensenrechtenoverleg tussen de EU en Rusland van 28 november 2013,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Russische Federatie een volwaardig lid is van de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de Verenigde Naties en zich aldus heeft verplicht tot naleving van de democratische beginselen en de rechtsstaat en tot eerbiediging van de mensenrechten; overwegende dat er wegens een aantal ernstige schendingen van de rechtsstaat en de goedkeuring van beperkende wetten in de loop van de voorbije maanden grote twijfel is gerezen over de naleving door Rusland van zijn internationale en nationale verplichtingen; overwegende dat de Europese Unie herhaaldelijk aanvullende bijstand en expertise heeft aangeboden om Rusland te helpen zijn constitutionele en juridische stelsel te moderniseren en dit stelsel te eerbiedigen, overeenkomstig de normen van de Raad van Europa;

B.  overwegende dat de Estse politiebeambte Eston Kohver in september 2014 op Ests grondgebied door de Federale Veiligheidsdienst van de Russische Federatie (FSB) is ontvoerd en sindsdien onwettig in Rusland wordt vastgehouden, wat een duidelijke en ernstige schending van het internationale recht inhoudt;

C.  overwegende dat de Oekraïense staatsburgers Oleg Sentsov, cineast, en Aleksandr Koltsjenko, burgeractivist, die protesteerden tegen de illegitieme inlijving van het schiereiland de Krim door Rusland, in mei 2014 zijn opgepakt wegens activiteiten die zij in de Krim zouden hebben verricht; overwegende dat beide mannen ondanks hun Oekraïense staatsburgerschap als Russische ingezetenen zijn behandeld;

D.  overwegende dat er zowel in het geval van Oleg Sentsov als in dat van Aleksandr Koltsjenko melding is gemaakt van foltering en ernstige mishandeling met als gevolg dat zij verklaringen hebben afgelegd waaraan vervolgens, ondanks het feit dat deze verklaringen op illegale wijze zijn verkregen, rechtskracht is toegekend;

E.  overwegende dat Oleg Sentsov en Aleksandr Koltsjenko door een militaire rechtbank zijn berecht voor misdrijven die volledig onder de bevoegdheid van burgerrechtbanken vallen; overwegende dat tijdens het proces talrijke ernstige procedureschendingen hebben plaatsgevonden;

F.  overwegende dat Gabriela Knaul, speciaal rapporteur van de VN-Mensenrechtenraad voor de onafhankelijkheid van rechters en advocaten, in april 2014 na een officieel bezoek aan de Russische Federatie een verslag heeft gepubliceerd waarin zij zich uiterst verontrust toont over aantijgingen betreffende het rechtstreeks en onrechtstreeks bedreigen, ongepast beïnvloeden en onder druk zetten van de rechterlijke macht alsook ongepaste inmenging in diens werkzaamheden;

G.  overwegende dat de nood aan een krachtig, coherent en omvattend beleid van de EU ten aanzien van Rusland, dat door alle lidstaten wordt gevolgd, zich almaar meer doet voelen;

H.  overwegende dat in het maatregelenpakket voor de uitvoering van de akkoorden van Minsk sprake was van de vrijlating en uitwisseling van alle gijzelaars en onrechtmatig gedetineerden, zonder uitzonderingen;

I.  overwegende dat verschillende processen en gerechtelijke procedures in de afgelopen jaren, onder meer in de zaak-Navalnij, de zaak-Magnitskij en de zaak-Chodorkovskij, twijfels hebben doen rijzen over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de gerechtelijke instellingen van de Russische Federatie;

J.  overwegende dat de Europese Unie via het Partnerschap voor modernisering meermaals aanvullende bijstand en expertise heeft aangeboden om Rusland te helpen een democratische staat te worden en zijn grondwettelijk bestel en rechtsorde te eerbiedigen, overeenkomstig de normen van de Raad van Europa;

1.  veroordeelt met klem het volledige proces van de Estse politiebeambte Eston Kohver, die in 2014 op het grondgebied van Estland, dat deel uitmaakt van de EU, werd ontvoerd, en met name het vonnis van de regionale rechtbank van Pskov waarin Kohver tot 15 jaar gevangenis is veroordeeld; is van mening dat deze zaak niet in overeenstemming met het internationaal recht en de elementaire rechtsnormen is verlopen;

2.  vraagt de Russische Federatie met klem haar internationale verplichtingen na te komen, Eston Kohver ogenblikkelijk vrij te laten en ervoor te zorgen dat hij veilig naar Estland kan terugkeren;

3.  is er ten stelligste van overtuigd dat het recht van Eston Kohver op een eerlijk proces hem van meet af aan is ontzegd, aangezien er geen openbare hoorzitting heeft plaatsgevonden, de Estse consul de hoorzittingen niet mocht bijwonen, Eston Kohver geen gepaste rechtsbijstand kreeg en bovendien geen bezoek mocht ontvangen van zijn vrouw of familie, en zonder reden een psychiatrisch onderzoek moest ondergaan, waarvan de details nog altijd onbekend zijn;

4.  veroordeelt met klem de onwettige veroordeling en opsluiting van Oleg Sentsov en Aleksandr Koltsjenko; vraagt dat de Russische Federatie hen ogenblikkelijk vrijlaat en ervoor zorgt dat zij veilig naar Oekraïne kunnen terugkeren; eist dat de Russische autoriteiten zonder uitstel een onpartijdig en efficiënt onderzoek instellen naar de meldingen van foltering door de beklaagden zelf en door bij de zaak betrokken getuigen, die de openbare aanklager tijdens het proces heeft verworpen; vraagt dat dit onderzoek ook openstaat voor internationale waarnemers;

5.  vraagt om de vrijlating van alle onrechtmatig vastgehouden Oekraïense staatsburgers, onder wie Nadiya Savchenko, in overeenstemming met het goedgekeurde maatregelenpakket voor de uitvoering van de akkoorden van Minsk en de verbintenis om alle personen die in het kader van het conflict in Oekraïne gegijzeld en gevangengenomen zijn, vrij te laten;

6.  betreurt dat het recht en de rechtspraak in de Russische Federatie in strijd met het internationale recht en de internationale normen als politieke instrumenten worden gebruikt, wat de deur heeft opengezet voor de veroordeling van de Oekraïense burgers Oleg Sentsov en Aleksandr Koltsjenko tot respectievelijk 20 en 10 jaar gevangenschap wegens het uiten van hun actieve, pro-Oekraïense standpunt over de illegitieme inlijving van de Krim door de Russische Federatie; merkt op dat zij in geen geval voor een militaire rechtbank hadden mogen worden berecht en dat aan de hand van foltering en andere illegale methoden verkregen verklaringen altijd moeten worden uitgesloten;

7.  veroordeelt met klem de illegale ontvoering van burgers van Oekraïne en Estland met het oog op hun berechting door een Russische rechtbank, hetgeen een overduidelijke schending inhoudt van de territoriale integriteit van beide landen;

8.  benadrukt dat de Russische rechtbanken niet bevoegd zijn om te oordelen over handelingen die buiten het internationaal erkende grondgebied van Rusland hebben plaatsgevonden, en wijst erop dat de gerechtelijke procedures in geen van de drie zaken als rechtsgeldig mogen worden beschouwd; vraagt de Raad en de Commissie om deze gevallen in hun betrekkingen met de Russische autoriteiten aan te kaarten en hierover verslag uit te brengen bij het Parlement; vraagt de lidstaten om hetzelfde te doen in hun bilaterale vergaderingen met Rusland;

9.  onderstreept dat de Russische autoriteiten en het Russische justitieel personeel de volledige verantwoordelijkheid dragen voor de veiligheid en het welzijn van gedetineerden, en dat het recht van gedetineerden op bezoek door familie, contact met vertegenwoordigers van de diplomatieke diensten van hun land, gepaste medische verzorging, juridisch en consulair advies en onbeperkte toegang, zowel voor henzelf als voor hun wettige vertegenwoordigers, tot alle documenten en bewijsmateriaal in verband met de aanklachten tegen hen, ten volle moet worden geëerbiedigd;

10.  veroordeelt nogmaals het aanhoudende hardhandige optreden van de regering tegen andersdenkenden in de vorm van het optreden tegen onafhankelijke ngo's via de zogenoemde "wet buitenlandse agenten" en de aanhoudende en veelvormige onderdrukking van activisten, politieke tegenstanders en critici van het regime;

11.  herinnert Rusland eraan dat het zijn internationale rechtsverplichtingen onvoorwaardelijk moet naleven en dat rechtsbeslissingen op een efficiënte, onpartijdige en onafhankelijke manier moeten worden genomen, volledig in overeenstemming moeten zijn met de wetgeving, moeten stoelen op legitiem bewijsmateriaal en niet politiek mogen worden beïnvloed; is van mening dat de Russische Federatie als lid van de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa zijn aangegane verplichtingen moet nakomen;

12.  vraagt de Raad een gemeenschappelijke EU-lijst op te stellen met de functionarissen die verantwoordelijkheid dragen voor de ontvoering, illegale opsluiting en veroordeling van Eston Kohver, Nadiya Savchenko, Oleg Sentsov en Aleksandr Kolchenko, ten aanzien van deze functionarissen een in de hele EU geldend visumverbod uit te vaardigen en toe te passen en de eventuele financiële activa die zij of hun naaste familie in de Europese Unie bezitten, te bevriezen;

13.  vraagt om een nauwlettender en permanent toezicht op schendingen van de mensenrechten in Rusland en in de momenteel door Rusland ingelijfde gebieden; spreekt zijn grote bezorgdheid uit over de verslechterende toestand van de mensenrechten in Rusland en vraagt dat de Russische autoriteiten de mensenrechten, het recht op vrije meningsuiting, vereniging en vergadering en de rechtsstaat in Rusland en de illegitiem ingelijfde Krim eerbiedigen; wijst erop dat Rusland het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens blijft schenden;

14.  dringt er bij de voorzitter van de Europese Raad en de VV/HV op aan een omvattende beleidsstrategie uit te werken die de EU in staat stelt het initiatief opnieuw naar zich toe te trekken en een duidelijker beleid te voeren ten aanzien van Rusland;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa alsook de president, de regering en het parlement van de Russische Federatie.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0074.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0006.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0186.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0225.
(5) PB C 68 E van 7.3.2014, blz. 13.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0284.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0253.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0039.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0258.
(10) CCPR/C/RUS/7.
(11) CCPR/C/SR.3136 en 3137.


Angola
PDF 179kWORD 74k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 september 2015 over Angola (2015/2839(RSP))
P8_TA(2015)0315RC-B8-0846/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Angola,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de Hoge Vertegenwoordiger voor de mensenrechten van de Verenigde Naties van 12 mei 2015 over Angola,

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van 17 oktober 2014 na de eerste EU-Angola ministeriële bijeenkomst,

–  gezien het document "EU-Angola Joint Way Forward" van 23 juli 2012,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake voorvechters van de mensenrechten en inzake de vrijheid van meningsuiting,

–  gezien de conclusies van de Raad van juni 2014 naar aanleiding van het tienjarig bestaan van deze richtsnoeren,

–  gezien artikel 21 VEU en het strategisch EU-kader voor mensenrechten en democratie, waarin de EU zich engageert "zich te scharen achter vrijheids-, democratie- en mensenrechtenactivisten in de hele wereld",

–  gezien de in juni 2000 ondertekende Partnerschapsovereenkomst van Cotonou,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens uit 1948 en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten uit 1966,

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4,van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Angolese regering haar greep op elke verdachte uitdaging van haar autoriteit heeft geïntensiveerd en zo de in de grondwet van Angola vastgestelde mensenrechten heeft geschonden; overwegende dat de vrijheid van vereniging en van vergadering in Angola onderdrukt blijven worden en dat de bezorgdheid toeneemt dat het leger en de inlichtingendiensten de drijvende krachten achter de arrestatie en vervolging van mensenrechtenactivisten zijn geworden;

B.  overwegende dat de mensenrechtenactivist José Marcos Mavungo op 14 maart 2015 zonder aanhoudingsbevel werd gearresteerd en dat openbaar aanklager António Nito op 28 augustus 2015 de rechtbank van de provincie Cabinda heeft gevraagd Mavungo tot 12 jaar cel te veroordelen voor het aanzetten tot oproer ondanks het feit dat geen enkel bewijs werd voorgelegd dat hij een misdaad heeft begaan;

C.  overwegende dat de advocaat Arão Bula Tempo op dezelfde dag werd gearresteerd voor vermeende betrokkenheid bij de organisatie van hetzelfde protest; overwegende dat Arão Tempo op 13 mei 2015 werd vrijgelaten in afwachting van zijn rechtszaak over opruiing;

D.  overwegende dat de journalist en mensenrechtenactivist Rafael Marques op 28 mei 2015 tot zes maanden cel en twee jaar voorwaardelijk werd veroordeeld voor de publicatie in 2011 van het boek "Blood Diamonds: Corruption and Torture in Angola" over meer dan 100 moorden en honderden gevallen van foltering in de diamantvelden van de regio Lundas die naar verluidt door veiligheidsagenten en soldaten zouden zijn gepleegd; overwegende dat de klachten over mensenrechtenschendingen in de Lundas-regio die Marques bij de openbare aanklager heeft ingediend, niet werden onderzocht;

E.  overwegende dat op 20 en 24 juni 2015 15 jeugdactivisten werden gearresteerd in verband met een private politieke discussie; overwegende dat de kapitein Zenóbio Lázaro Muhondo Zumba vervolgens op 30 juni 2015 werd gearresteerd wegens vermeende banden met de 15 gearresteerde activisten;

F.  overwegende dat al deze gevangenen op illegale en willekeurige wijze werden gearresteerd en beschuldigd van de voorbereiding van een opstand en een poging tot staatsgreep tegen de president en andere regeringsleden;

G.  overwegende dat de 15 activisten in voorhechtenis worden gehouden, niet formeel werden aangeklaagd, geen volledige toegang hebben tot juridische bijstand, geen bezoek kunnen ontvangen van familieleden die voedsel willen verstrekken en in afzondering worden gehouden;

H.  overwegende dat de activisten werden gearresteerd en in hun woonsten werd binnengevallen zonder dat de autoriteiten een bevelschrift hebben voorgelegd; overwegende dat zij naar verluidt fysiek en psychologisch werden gefolterd en met de dood bedreigd;

I.  overwegende dat de autoriteiten bedreigingen uiten tegen de moeders van de jonge gevangenen die zich mobiliseren, en dat de regeringspartij MPLA demonstraties van medestanders die om hun vrijlating vragen, heeft verhinderd; overwegende dat een vreedzame betoging van verwanten van de gevangenen op 8 augustus 2015 in Luanda door de veiligheidstroepen ter plaatse werd aangevallen en gewelddadig onderdrukt;

J.  overwegende dat in juli 2015 vier mensenrechtenactivisten en een correspondent van Radio Deutsche Welle tijdelijk werden vastgehouden tijdens een bezoek aan andere activisten in een gevangenis in de provincie Luanda op beschuldiging van de intentie politiek te voeren in de gevangenis;

K.  overwegende dat het recht op vreedzaam protest en het recht op vereniging en meningsuiting in de grondwet van Angola worden erkend;

L.  overwegende dat er meldingen zijn van een bloedbad van de politie tegen volgers van de religieuze sekte Luz do Mundo in april 2015 in Huambo; overwegende dat in uiteenlopende bronnen sprake is van tientallen tot duizenden doden en veel ontheemden; overwegende dat de regering er gedurende maanden niet in is geslaagd de hoogdringendheid van een onafhankelijk onderzoek in te zien en tegelijkertijd het hoge aantal slachtoffers krachtig blijft ontkennen; overwegende dat de ombudsman momenteel een verslag over de gebeurtenissen voorbereidt;

M.  overwegende dat de hoge commissaris voor mensenrechten van de VN heeft aangedrongen op een internationaal onderzoek naar het incident, hetgeen de regering ertoe heeft aangezet een juridisch onderzoek te openen;

N.  overwegende dat de regering van Angola ook kleinschalige en massale gedwongen uitzettingen heeft opgevoerd in Luanda en andere steden om personen die in informele nederzettingen wonen en straathandelaars, ook zwangere vrouwen en vrouwen met kinderen, te verwijderen;

O.  overwegende dat in maart 2015 nieuwe wetgeving werd ingevoerd voor een verhoogde controle op niet-gouvernementele organisaties;

P.  overwegende dat het maatschappelijk middenveld herhaaldelijk vraagtekens heeft geplaatst bij de band tussen corruptie, de uitputting en verduistering van natuurlijke hulpbronnen door de heersende elite en schendingen van de mensenrechten van personen die een bedreiging vormen voor de status quo en deze aan de kaak stellen;

Q.  overwegende dat ondanks de beloften van de regering van Angola om meer inspanningen te leveren ter verbetering van haar systeem voor de bestrijding van witwassen en van financiering van terrorisme (AML/CFT) en enige geboekte vooruitgang, blijft de Financial Action Task Force, een op het initiatief van de G7 opgerichte intergouvernementele organisatie om beleid ter bestrijding van witwassen te ontwikkelen, strategische gebreken in het AML/CFT-systeem van Angola vaststellen;

R.  overwegende dat uit onafhankelijke verslagen blijkt dat de olie-inkomsten, de belangrijkste bron van de regering, niet werden benut voor duurzame ontwikkeling of lokale gemeenschappen, terwijl de heersende elite rijker is geworden;

S.  overwegende dat Angola grote mineralen- en aardoliereserves heeft en een van de snelst groeiende economieën ter wereld is, zeker sinds het einde van de burgeroorlog; overwegende dat de economische groei zeer ongelijk is en het leeuwendeel van de rijkdom van het land in handen is van een disproportioneel klein deel van de bevolking;

T.  overwegende dat de economische crisis in het land na de sterke daling van de olie-inkomsten waarschijnlijk meer sociale onrust en protesten tegen de regering zal uitlokken;

U.  overwegende dat Angola in oktober 2014 zijn engagement ten aanzien van de politieke dialoog en samenwerking, waarover in het document EU-Angola Joint Way Forward overeenstemming werd bereikt, waarin goed bestuur, democratie en mensenrechten essentiële pijlers zijn;

V.  overwegende dat overeenkomstig artikel 8 van de Overeenkomst van Cotonou de uitwisseling van informatie over goed beheer en mensenrechten minstens één maal per jaar plaatsvindt in een formele politieke dialoog in het kader van het document EU-Angola Joint Way Forward van 2012;

1.  is ernstig bezorgd over de snel verslechterende situatie op het vlak van mensenrechten, grondvrijheden en democratische ruimte in Angola alsook over de ernstige misbruiken door de veiligheidstroepen en het gebrek aan een onafhankelijk rechtsstelsel;

2.  vraagt de Angolese autoriteiten alle mensenrechtenactivisten onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten, met inbegrip van Marcos Mavungo en de 15+1 in juni 2015 gearresteerde activisten, en alle klachten tegen hen te laten vallen; verlangt de onmiddellijke en onvoorwaardelijke invrijheidstelling van alle andere activisten, gewetensgevangenen of politieke tegenstanders die op willekeurige basis zijn gearresteerd en enkel voor hun politieke standpunten, werk als journalist of deelname aan vreedzame activiteiten worden vastgehouden;

3.  dringt er bij de autoriteiten op aan ervoor te zorgen dat de gevangenen niet worden gefolterd of slecht behandeld en volledige bescherming en toegang tot hun familie en advocaten te garanderen;

4.  vraagt de Angolese autoriteiten onmiddellijk een einde te stellen aan gevallen van arrestatie op willekeurige basis, illegale opsluitingen en foltering door de politie en veiligheidstroepen; herhaalt dat alle beschuldigingen van mensenrechtenschendingen door politie en veiligheidstroepen, met inbegrip van foltering, onmiddellijk onafhankelijk en grondig moeten worden onderzocht en dat de daders voor de rechter moeten verschijnen;

5.  is uiterst bezorgd over de continue pogingen om het recht op vrije meningsuiting, vreedzame vergadering en vereniging en de mediavrijheid te beperken en de toegenomen inbreuken op deze vrijheden door de autoriteiten en vraagt de Angolese autoriteiten ervoor te zorgen dat deze vrijheden onmiddellijk en onvoorwaardelijk worden gegarandeerd; roept de Angolese autoriteiten voorts op tot het uitvoeren van de bepalingen van de VN-verklaring van de rechten van de mens, het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren en andere door Angola geratificeerde internationale en regionale mensenrechteninstrumenten;

6.  vraagt de EU-Delegatie in Luanda resultaat te leveren met betrekking tot de beloften van de EDEO om mensenrechtenactivisten wereldwijd te steunen en te beschermen via concrete, zichtbare maatregelen die vooral omvatten het waarnemen van processen, politieke en materiële steun aan mensenrechtenactivisten, hun advocaten en families en het systematisch ter sprake brengen van mensenrechten door de EU en de lidstaten bij de Angolese autoriteiten op alle niveaus, ook het hoogste; vraagt de delegatie eveneens de politieke dialoog met de Angolese regering op te voeren in alle politieke, handels- en ontwikkelingsbetrekkingen om ervoor te zorgen dat het land zijn nationale en internationale mensenrechtenengagementen nakomt zoals beloofd tijdens de eerste EU-Angola ministeriële bijeenkomst in oktober 2014; dringt er bij de delegatie op aan hiertoe alle gepaste instrumenten te benutten, met inbegrip van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten;

7.  vraagt de EU en de lidstaten het hoge niveau van corruptie bij de Angolese autoriteiten te erkennen, waardoor de eerbiediging van de mensenrechten en de ontwikkeling ernstig worden ondermijnd, voor elk contact met Angola de beginselen van de toolbox voor de mensenrechtenbenadering toe te passen en de kernsectoren van het nationaal indicatief programma van Angola in het kader van het 11e EOF te herzien;

8.  betreurt dat, ondanks de voltooiing van een nationaal onderzoek in 2007 en een omvangrijk mijnbestrijdingsprogramma, er nog altijd geen zekerheid over de omvang van de dreiging van APL en ERW bestaat; verzoekt de EU erop toe te zien dat de fondsen doeltreffend worden gebruikt en dit na afloop te beoordelen en ervoor te zorgen dat de toegewezen middelen op efficiënte en gerichte manier worden ingezet om het noodzakelijke doel van landopruiming te verwezenlijken;

9.  dringt er bij de gerechtelijke autoriteiten van Angola op aan dat zij hun onafhankelijkheid van elke politieke instrumentalisering bevestigen en dat zij de bescherming van de door de rechtsinstrumenten erkende rechten, zoals toegang tot justitie en het recht op een eerlijk proces, garanderen;

10.  dringt er bij de regering van Angola op aan dringend een transparant en geloofwaardig onderzoek uit te voeren naar het bloedbad in Huambo en de ontheemde overlevenden steun te bieden; herhaalt de vraag van de VN om een bijkomend internationaal en onafhankelijk onderzoek;

11.  blijft bezorgd over het feit dat maatregelen ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en kinderen niet werden uitgevoerd; vraagt de autoriteiten de bestrijding van schadelijke traditionele praktijken, zoals de stigmatisering van kinderen die van hekserij worden beschuldigd, te intensiveren;

12.  herinnert aan de toezegging die door Angola is gedaan in het kader van de overeenkomst van Cotonou om de democratie, de rechtstaat en de mensenrechtenbeginselen te eerbiedigen, onder meer de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van de media, goed bestuur en transparantie inzake politieke functies; dringt erop aan dat de regering van Angola deze bepalingen verdedigt overeenkomstig artikel 11, letter b, en de artikelen 96 en 97 van de overeenkomst van Cotonou, en vraagt, indien dit niet gebeurt, dat de Commissie de desbetreffende procedure overeenkomstig de artikelen 8, 9 en 96 van de overeenkomst van Cotonou inleidt;

13.  vraagt de EU en de lidstaten de transparantie van de handel in alle natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van aardolie, aan de orde te stellen en meer bepaald de bestaande wetgeving over verslaglegging per land ten volle ten uitvoer te leggen en te monitoren; roept de Angolese autoriteiten en buitenlandse ondernemingen ertoe op bij te dragen aan een verbeterd bestuur in de winningsindustrie door zich te houden aan het initiatief voor transparantie in de winningsindustrie en de uitvoering van het Kimberleyproces te toetsen; roept de Angolese regering ertoe op een plan in te dienen om zich bij het "Open Government Partnership" te voegen en een concreet plan op te stellen om voortaan corruptie te bestrijden, transparantie en verantwoording aan het publiek te verbeteren;

14.  moedigt samenwerking en coördinatie tussen de EU en de VS over de tenuitvoerlegging van artikel 1504 (Section 1504) van de Wet Dodd-Frank (Dodd-Frank Act) aan;

15.  vraagt de nationale administratie en toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten alerter te zijn met betrekking tot de naleving van de Europese wetgeving ter bestrijding van het witwassen van geld, met inbegrip van normatieve zorgvuldigheidsbeginselen en degelijke risicoanalyses, vooral wanneer van Angola afkomstige politiek prominente personen betrokken zijn;

16.  is verheugd dat de Angolese regering problemen in verband met compensatie in geval van de inbeslagname van land erkent en is ingenomen met meldingen in de media dat de distributie- en compensatiemechanismen zijn verbeterd; moedigt de regering aan haar inspanningen in die zin voort te zetten;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Afrikaanse Unie, de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en volken, de regeringen van de landen van zuidelijk Afrika, de president en het parlement van Angola, de regering van de VS, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de VN-Mensenrechtenraad en de PPV ACS-EU.


Azerbeidzjan
PDF 185kWORD 82k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 september 2015 over Azerbeidzjan (2015/2840(RSP))
P8_TA(2015)0316RC-B8-0856/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Azerbeidzjan, met name die over de mensenrechtensituatie en de rechtsstaat,

–  gezien de bestaande betrekkingen tussen de EU en Azerbeidzjan, die van 1999 dateren en weerspiegeld worden in de uitvoering van het actieplan in het kader van het Europees Nabuurschapsbeleid (ENB), de oprichting van het Oostelijk Partnerschap, de onderhandelingen over de associatieovereenkomst EU-Azerbeidzjan, en de deelname van Azerbeidzjan aan de Parlementaire Vergadering Euronest,

–  gezien het in het kader van het ENB opgestelde voortgangsverslag 2014 over Azerbeidzjan van 25 maart 2015 (SWD(2015)0064),

–  gezien het ENB-actieplan EU-Azerbeidzjan,

–  gezien de opmerkingen die de voorzitter van de Europese Raad, Donald Tusk, op 22 juli 2015 maakte naar aanleiding van zijn ontmoeting met Ilham Aliyev, president van Azerbeidzjan,

–  gezien het bezoek van de speciale vertegenwoordiger van de EU voor mensenrechten, Stavros Lambrinidis, aan Bakoe van 23 tot 26 februari 2015,

–  gezien de verklaring van 8 september 2015 van de hoge commissaris voor mensenrechten van de VN, Zeid Ra'ad Al Hussein, waarin hij het harde optreden tegen het maatschappelijk middenveld en tegen onafhankelijke stemmen in Azerbeidzjan veroordeelt,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, en van commissaris Johannes Hahn naar aanleiding van de recente detentie, gevangenneming, veroordeling van en moord op toonaangevende journalisten en verdedigers van de mensenrechten in Azerbeidzjan,

–  gezien de verklaring van de EU van 19 augustus 2015 over mensenrechten in Azerbeidzjan tijdens vergadering nr. 1064 van de Speciale Permanente Raad van de OVSE in Wenen,

–  gezien de recente verklaringen van de secretaris-generaal van de Raad van Europa, Thorbjørn Jagland, naar aanleiding van de zaak van Khadija Ismayilova, de zaken van Leyla Yunus, directeur van het Instituut voor vrede en democratie in Azerbeidzjan, en haar echtgenoot, Arif Yunus, en de moord op de Azerbeidzjaanse journalist Rasim Aliyev,

–  gezien de verklaring van Helsinki, die de Parlementaire Vergadering van de OVSE heeft aangenomen op zijn jaarlijkse zitting van 5 tot 9 juli 2015, waarin zij "de constante vervolging en gevangenneming naar aanleiding van politiek gemotiveerde beschuldigingen van journalisten en verdedigers van de mensenrechten in diverse aan de OVSE deelnemende landen veroordeelt, en uiting geeft aan haar bezorgdheid over het voortdurende misbruik van fiscale en bestuurlijke wetgeving ter rechtvaardiging van deze handelwijze",

–  gezien de resolutie van 23 juni 2015 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de werking van de democratische instellingen in Azerbeidzjan,

–  gezien het advies van 15 december 2014 van de Commissie van Venetië van de Raad van Europa, waarin wordt gesteld dat de recente wijzigingen op de wet inzake de non-gouvernementele organisaties "het handelen van ngo's in Azerbeidzjan verder inperken",

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake voorvechters van de mensenrechten, alsmede de conclusies van de Raad van 23 juni 2014 naar aanleiding van tien jaar EU-richtsnoeren inzake voorvechters van de mensenrechten,

–  gezien de bepalingen van de VN-verklaring over mensenrechtenverdedigers, aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN op 9 december 1998,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de algehele mensenrechtensituatie in Azerbeidzjan gedurende de afgelopen paar jaar constant is verslechterd, waarbij steeds vaker sprake is van intimidatie, onderdrukking en intensievere strafrechtelijke vervolging van leiders van ngo's, voorvechters van de mensenrechten, journalisten en andere vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld;

B.  overwegende dat Khadija Ismayilova, de met prijzen onderscheiden onderzoeksjournaliste van Radio Free Europe/Radio Liberty, veroordeeld is tot zevenenhalf jaar gevangenisstraf op beschuldiging van verduistering en belastingontduiking nadat zij diverse artikelen had gepubliceerd over corruptie binnen de presidentiële familie, overwegende dat de voorvechters van de mensenrechten Leyla en Arif Yunus tijdens een proces dat bij lange na niet voldeed aan de internationale normen veroordeeld zijn tot respectievelijk achtenhalf en zeven jaar gevangenisstraf op beschuldiging van fraude en belastingontduiking, overwegende dat de bekende mensenrechtenactivist Rasul Jafarov en de zeer gewaardeerde mensenrechtenadvocaat Intigam Aliyev zijn veroordeeld op grond van gelijksoortige aanklachten na processen waarbij ernstige procedurefouten zijn gemaakt, en momenteel gevangenisstraffen uitzitten van respectievelijk zes jaar en drie maanden en zevenenhalf jaar, overwegende dat een groot aantal andere prominente vertegenwoordigers van het Azerbeidzjaans maatschappelijk middenveld zich nog altijd in hechtenis bevindt, waaronder Anar Mammadli, Rauf Mirkadirov, Ömar Mammadov, Tofiq Yaqublu, Ilgar Mammadov, Nijat Aliyev, Araz Guliyev, Parviz Hashimli, Seymur Hezi, Hilal Mammadov en Taleh Khasmammadov, en overwegende dat de gezondheid van een aantal van hen steeds zwakker wordt;

C.  overwegende dat Leyla Yunus en Rasul Jafarov voor hun eigen arrestatie leiding gaven aan een groep prominente Azerbeidzjaanse voorvechters van de mensenrechten en deskundigen die een lijst van bijna honderd Azerbeidzjanen hebben opgesteld die onder de in 2012 door de Raad van Europa vastgestelde definitie van "politieke gevangenen" vallen;

D.  overwegende dat journalisten en leidende personen uit het maatschappelijk middenveld continu te maken hebben met intimidatie en pesterijen, waaronder Emin Milli, directeur van Meydan TV, die meermaals met de dood bedreigd is en wiens familieleden zijn gearresteerd op grond van valse aanklachten, alsook journalisten die samenwerken met Meydan TV in Azerbeidzjan, overwegende dat Emin Huseynov, oprichter van het Instituut voor de vrijheid en veiligheid van verslaggevers (IRFS) en voorvechter van de mensenrechten, is gevlucht naar Zwitserland nadat valse aanklachten tegen hem zijn ingediend, en dat hem het Azerbeidzjaans staatsburgerschap is ontnomen;

E.  overwegende dat veel meer journalisten en activisten uit het maatschappelijk middenveld te maken hebben met aanklachten, een reisverbod krijgen opgelegd en bij hun mensenrechtengerelateerde activiteiten beperkt worden in hun bewegingsvrijheid, overwegende dat de Azerbeidzjaanse regering tevens optreedt tegen onafhankelijke groeperingen door middel van restrictieve nieuwe wetgeving die geldt voor non-gouvernementele organisaties, overwegende dat veel groeperingen vanwege deze wetgeving feitelijk gedwongen zijn zichzelf op te heffen nadat hun bankrekeningen waren bevroren of hun financieringsbronnen werden geblokkeerd omdat de regering niet toestond dat zij nieuwe subsidies van buitenlandse donororganisaties zouden ontvangen;

F.  overwegende dat er sinds 2006 niet meer vreedzaam gedemonstreerd mag worden in het centrum van Bakoe, en dat er onlangs nieuwe, strenge boetes en langere periodes van administratieve aanhouding zijn ingevoerd voor organisatoren en deelnemers van ongeoorloofde publieke bijeenkomsten;

G.  overwegende dat de journalist Rasim Aliyev, voorzitter van het Instituut voor de vrijheid en veiligheid van verslaggevers (IRFS), is overleden in een ziekenhuis in Bakoe na ernstige mishandeling die volgde op voortdurende bedreigingen en intimidatie naar aanleiding van zijn kritiek op president Aliyev in de sociale media;

H.  overwegende dat Azerbeidzjan tot de landen behoort die het Oostelijk Partnerschap hebben opgericht; overwegende dat de leiders van de EU en de Oost-Europese landen meermaals hebben bevestigd dat het Oostelijk Partnerschap gebaseerd is op gemeenschappelijke waarden en beginselen, met name vrijheid, democratie, eerbied voor de mensenrechten en fundamentele vrijheden en de rechtsstaat, overwegende dat Azerbeidzjan de betrekkingen met de EU wil intensiveren en een strategisch partnerschap ambieert;

I.  overwegende dat de Europese Unie in 2014 elf van de dertien voor ngo's bestemde subsidies niet heeft kunnen uitbetalen vanwege restrictieve wetgeving, en nog altijd ernstige hinder ondervindt bij de financiering van onafhankelijke groeperingen van het maatschappelijk middenveld en activisten in Azerbeidzjan, overwegende dat veel van de begunstigden van EU-subsidies zich ofwel in hechtenis bevinden – zoals de mensenrechtenadvocaat Intigam Aliyev – ofwel het land zijn ontvlucht en hun activiteiten hebben gestaakt;

J.  overwegende dat het OVSE-kantoor in Bakoe op 4 juli 2015 is gesloten nadat de Azerbeidzjaanse autoriteiten hadden besloten het memorandum van overeenstemming tussen de regering van Azerbeidzjan en de OVSE te beëindigen;

K.  overwegende dat Freedom House Azerbeidzjan als "niet vrij" beschouwt, de pers in het land als "niet vrij" betitelt en het internet als "ten dele vrij", overwegende dat het democratisch bestuur in Azerbeidzjan de afgelopen tien jaar het meest is afgebrokkeld van alle landen in Eurazië;

L.  overwegende dat in november 2015 parlementsverkiezingen in Azerbeidzjan zullen plaatsvinden, overwegende dat het Europees Parlement afvaardiging van een verkiezingswaarnemingsmissie geweigerd heeft, aangezien het van mening was dat er geen kader bestaat waarbinnen vrije en eerlijke verkiezingen kunnen plaatsvinden en dat de inperking van de vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging in het land het onmogelijk maakt om voor alle kandidaten een gelijke uitgangspositie te creëren en een zuiver competitieve stemming te organiseren;

M.  overwegende dat de sectorale samenwerking wederzijds voordeel oplevert, met name in de energiesector, overwegende dat Azerbeidzjan de potentie heeft om een van de belangrijkste handelspartners van de EU te worden;

1.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de voortdurende verslechtering van de mensenrechtensituatie in het land, herinnert eraan dat de EU in het kader van de bilaterale samenwerking speciale waarde hecht aan mensenrechten en fundamentele vrijheden - cruciale onderdelen van het Oostelijk Partnerschap en tevens de pijlers van internationale organisaties als de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, waarvan Azerbeidzjan lid is;

2.  verlangt onmiddellijke en onvoorwaardelijke invrijheidstelling van alle politieke gevangenen en van de voorvechters van de mensenrechten, de journalisten en andere activisten van het maatschappelijk middenveld die zich in hechtenis bevinden, zoals Khadija Ismayilova, Leyla Yunus en Arif Yunus, Anar Mammadli, Rasul Jafarov, Intigam Aliyev, Rauf Mirkadirov, Ömar Mammadov, Tofiq Yaqublu, Nijat Aliyev, Araz Guliyev, Parviz Hashimli, Seymur Hezi, Hilal Mammadov, Taleh Khasmammadov en Ilgar Mammadov, overeenkomstig de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en verlangt dat alle aanklachten tegen hen worden ingetrokken, dat hun politieke en burgerrechten worden hersteld en zij gerehabiliteerd worden;

3.  veroordeelt ten stelligste de ongekende onderdrukking van het maatschappelijk middenveld in Azerbeidzjan; geeft andermaal uiting aan zijn diepe bezorgdheid over het lot van de collega's van de gedetineerden die nog altijd vrij zijn maar tegen wie een strafrechtelijk onderzoek loopt, naar aanleiding van verslagen van voorvechters van de mensenrechten en binnenlandse en internationale ngo's over het vermeend gebruik van verzonnen aanklachten tegen politici, activisten en journalisten; verzoekt de Azerbeidzjaanse autoriteiten met klem een einde te maken aan selectieve strafrechtelijke vervolging en gevangenneming van journalisten, voorvechters van de mensenrechten en anderen die kritiek uiten op de regering, en erop toe te zien dat iedereen die zich in hechtenis bevindt, ook journalisten en activisten van het maatschappelijk middenveld, hun volledige processuele rechten kunnen uitoefenen, en in het bijzonder toegang hebben tot een raadsman van hun keuze, contact kunnen opnemen met hun familie en andere rechten genieten die verbonden zijn aan een eerlijk proces;

4.  is ermee ingenomen dat de Azerbeidzjaanse autoriteiten een Europees medisch team toestemming hebben gegeven een bezoek te brengen aan Leyla en Arif Yunus, en verlangt dat zij tevens op humanitaire gronden in vrijheid worden gesteld; vraagt aandacht voor de omstandigheden waarin Leyla en Arif Yunus en Intigam Aliyev gevangen zitten, die hun gezondheid schade hebben toegebracht met mogelijk levensbedreigende gevolgen; verzoekt de Azerbeidzjaanse autoriteiten een Europees medisch team toestemming te geven om Intigam Aliyev te onderzoeken en te garanderen dat alle gevangenen behoorlijke gezondheidszorg krijgen indien zij dit nodig hebben;

5.  verlangt dat onmiddellijk onderzoek wordt ingesteld naar de dood van journalist en IRFS-voorzitter Rasim Aliyev; neemt met bezorgdheid kennis van de door een groep journalisten geponeerde stelling dat de heer Aliyev is overleden omdat hij niet de juiste zorg kreeg van de artsen die hem in het ziekenhuis zijn toegewezen;

6.  herinnert de Azerbeidzjaanse autoriteiten eraan dat het welzijn van de bevolking eerbiediging van rechten en vrijheden met zich meebrengt, en dat dit welzijn een essentieel aspect is van duurzame economische groei;

7.  verzoekt Azerbeidzjan de verplichtingen die het land is aangegaan als lid van de Raad van Europa te eerbiedigen en na te komen; roept de Azerbeidzjaanse autoriteiten nogmaals op alle arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EVRM) betreffende het land na te leven; verlangt dat het arrest van 16 juni 2015 alsmede alle andere EVRM-arresten worden nageleefd;

8.  dringt er bij de regering van Azerbeidzjan op aan ten volle samen te werken met de Commissie van Venetië van de Raad van Europa en haar commissaris voor mensenrechten en de Speciale Procedures-mandaathouders van de VN met betrekking tot mensenrechtenactivisten, het recht op vrijheid van vereniging en vreedzame vergadering, vrijheid van meningsuiting en willekeurige detentie, en hun adviezen op te volgen, met als doel haar wetgeving te herzien en haar werkwijze aan te passen in overeenstemming met de conclusies van de deskundigen op dit gebied;

9.  verzoekt de regering van Azerbeidzjan haar harde optreden tegen het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenwerkers onmiddellijk te beëindigen en erop toe te zien dat onafhankelijke groeperingen van het maatschappelijk middenveld en activisten kunnen opereren zonder ongeoorloofde hinder te ondervinden of bang te moeten zijn voor vervolging, onder meer door de wetten in te trekken die het maatschappelijk middenveld ernstig beknotten, bankrekeningen van non-gouvernementele groeperingen en hun leidinggevenden vrij te geven en buitenlandse financiering toegankelijk te maken;

10.  betreurt het dat de regering van Azerbeidzjan nog steeds maatregelen treft om de contacten tussen het maatschappelijk middenveld, jonge activisten en intellectuelen uit Armenië en Azerbeidzjan te bemoeilijken, omdat deze contacten van groot belang zijn om een einde te maken aan de reeds zeer lang bestaande slechte verhouding tussen de twee landen; wijst in dit verband andermaal op het belangrijke werk dat Leyla en Arif Yunus op dit gebied hebben verricht;

11.  verzoekt de Azerbeidzjaanse autoriteiten om de vrijheid van pers en media te eerbiedigen, zowel in de wetgeving als in de praktijk, en zowel online als offline, om de vrijheid van meningsuiting te waarborgen overeenkomstig de internationale normen, en kritiek op de regering via de media niet langer te censureren;

12.  is uitermate bezorgd over de situatie van LGBTI's in Azerbeidzjan; veroordeelt ten stelligste de politieke haatzaaiingen tegen LGBTI's die afkomstig zijn uit de hoogste circuits; verzoekt de Azerbeidzjaanse regering voorvechters van de mensenrechten die zich inzetten voor de rechten van LGBTI's niet langer te hinderen en te intimideren;

13.  onderstreept hoe belangrijk een serieuze en wederzijds respectvolle dialoog tussen de EU, de regering van Azerbeidzjan, de oppositie en het maatschappelijk middenveld is;

14.  benadrukt dat de onderhandelingen over een strategisch partnerschap met Azerbeidzjan onmiddellijk moeten worden opgeschort zolang de regering geen concrete maatregelen neemt met het oog op bevordering van de eerbiediging van de universele mensenrechten;

15.  verzoekt de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) het "meer voor meer"-beginsel strikt toe te passen, waarbij specifiek de nadruk ligt op de situatie van de voorvechters van de mensenrechten, overeenkomstig de EU-richtsnoeren voor voorvechters van de mensenrechten, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, democratische hervormingen en vrijheden, en duidelijk vast te leggen welke consequenties het vertraagd doorvoeren van hervormingen heeft; verzoekt de Commissie om, indien noodzakelijk, alle voor Azerbeidzjan bestemde financiering in het kader van het Europees nabuurschapsinstrument die geen verband houdt met mensenrechten, het maatschappelijk middenveld en basale samenwerking tussen mensen te herzien en tijdelijk op te schorten, aangezien voornoemde incidenten met voorvechters van de mensenrechten worden gevolgd om schendingen van de mensenrechten in Azerbeidzjan te documenteren; verzoekt de Commissie en de lidstaten contacten tussen mensen en samenwerking op gebieden als het maatschappelijk middenveld, onderwijs en de academische wereld, alsmede uitwisselingen tussen jongeren en studenten, te blijven financieren;

16.  verzoekt de Raad, de Commissie en de vv/hv een ferm en eensluidend antwoord te geven op het harde optreden van de Azerbeidzjaanse regering, zodat duidelijk wordt gemaakt dat de huidige situatie inacceptabel is en dat geen sprake kan zijn van "business as usual", totdat de regering alle mensen die gevangenzitten op grond van politiek gemotiveerde aanklachten in vrijheid stelt en een einde maakt aan de voortdurende strafcampagnes tegen onafhankelijke groeperingen van het maatschappelijk middenveld;

17.  verzoekt de in Azerbeidzjan actieve Europese bedrijven expliciet te eisen dat hoge mensenrechtennormen worden nageleefd en zelf hoge normen vast te stellen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen, en zich er daarbij rekenschap van te geven dat hun handelwijze van invloed is op de mensenrechtensituatie in het land;

18.  betreurt dat de mensenrechtendialoog tussen de EU en Azerbeidzjan geen enkele substantiële vooruitgang heeft opgeleverd op het gebied van de mensenrechtensituatie in het land; verzoekt de EDEO deze dialoog te intensiveren om ervoor te zorgen dat deze doeltreffender en resultaatgerichter wordt, en hierover regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement;

19.  verzoekt de EU-autoriteiten een grondig onderzoek in te stellen naar de aantijgingen over corruptie door president Aliyev en zijn familieleden, die aan het licht zijn gekomen door het werk van onderzoeksjournaliste Khadija Ismaylova;

20.  verzoekt de Raad niet met twee maten te meten in de betrekkingen met de landen van het Oostelijk Partnerschap en in dit verband gerichte sancties en visumverboden te overwegen tegen alle politici, overheidsfunctionarissen en rechters die betrokken zijn bij de politieke vervolgingen;

21.  verzoekt de Azerbeidzjaanse autoriteiten samen te werken met vertegenwoordigers van regionale organisaties zoals de Raad van Europa en de OVSE, en het deze organisaties gemakkelijk te maken een bezoek aan het land te brengen; betreurt ten zeerste dat de Azerbeidzjaanse autoriteiten hebben besloten de OVSE-kantoren in Bakoe te sluiten;

22.  merkt op dat onafhankelijke verkiezingswaarnemers, waaronder de waarnemingsmissie voor de lange termijn van de OVSE en nationale waarnemers, flagrante schendingen van de verkiezingsnormen in Azerbeidzjan hebben vastgelegd tijdens alle presidents- en parlementsverkiezingen sinds 2003, met inbegrip van de presidentsverkiezingen van oktober 2003; geeft aan ernstige bezorgd te zijn over de vraag of voldaan wordt aan de voorwaarden voor vrije en onafhankelijke verkiezingen op 1 november 2015, aangezien de leiders van oppositiepartijen gevangen zijn genomen, de media en journalisten niet vrijelijk en zonder intimidatie hun werk kunnen doen, en er een klimaat van angst heerst;

23.  verzoekt de EDEO en de lidstaten voorlopig geen waarnemingsmissie naar de verkiezingen te sturen; merkt op dat er momenteel een missie van ODIHR ter plaatse is en het uiterst belangrijk zou zijn haar analyse van de toestand in het land te kennen;

24.  herinnert aan zijn besluit om een delegatie van het Europees Parlement naar Azerbeidzjan af te vaardigen en benadrukt hoe belangrijk het is deze delegatie zo spoedig mogelijk te laten vertrekken, zodat zij met de Azerbeidzjaanse autoriteiten in gesprek kan treden over dringende kwesties zoals de mensenrechten en het conflict in Nagorno-Karabakh;

25.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Dienst voor extern optreden, de Europese Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de Republiek Azerbeidzjan, de Raad van Europa, de OVSE en de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties.


Migratie en vluchtelingen in Europa
PDF 183kWORD 79k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 september 2015 over migratie en vluchtelingen in Europa (2015/2833(RSP))
P8_TA(2015)0317RC-B8-0832/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Verdrag van 1951 betreffende de status van vluchtelingen en het aanvullende protocol,

–  gezien zijn resolutie van 9 oktober 2013 over maatregelen van de EU en de lidstaten om met de vluchtelingenstroom als gevolg van het conflict in Syrië om te gaan(1),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over migratiestromen over de Middellandse Zee, in het bijzonder in het licht van de tragische gebeurtenissen bij Lampedusa(2),

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2014 over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie(3),

–  gezien zijn resolutie van 29 april 2015 over de recente tragedies op de Middellandse Zee en het migratie- en asielbeleid van de EU(4),

–  gezien de Europese migratieagenda van de Commissie van 13 mei 2015 (COM(2015)0240),

–  gezien het 10-puntenplan inzake migratie van de gezamenlijke Raad van ministers van Buitenlandse en Binnenlandse Zaken van 20 april 2015,

–  gezien de conclusies van de speciale top van de Europese Raad op 23 april 2015 over de vluchtelingencrisis op de Middellandse Zee,

–  gezien het verslag van april 2012 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa "Lives lost in the Mediterranean Sea",

–  gezien de conclusies van de Raad van maandag 20 juli 2015,

–  gezien het op 28 november 2014 door de Afrikaanse Unie en de EU-lidstaten en -instellingen aangenomen initiatief betreffende de migratieroute naar de EU via de Hoorn van Afrika, ofwel het "proces van Khartoem",

–  gezien de verslagen van de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechten van migranten, met name het verslag "Rekenen op de mobiliteit van een hele generatie: follow-up van het regionale onderzoek naar het beheer van de buitengrenzen van de Europese Unie en de gevolgen daarvan voor de mensenrechten van migranten", dat gepubliceerd is in mei 2015,

–  gezien het jaarverslag 2014 van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) over de asielsituatie in de Europese Unie,

–  gezien het debat over migratie en vluchtelingen in Europa dat op 9 september 2015 in het Parlement plaatsvond,

–  gezienartikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat ten gevolge van aanhoudende conflicten, regionale instabiliteit en schendingen van de mensenrechten een ongekend aantal mensen bescherming zoekt in de EU; overwegende dat het aantal asielaanvragen betreffende kinderen sinds vorig jaar met 75 % is gestegen; overwegende dat de zomerperiode opnieuw heeft aangetoond dat migratie geen tijdelijk fenomeen is en dat de stijging van het aantal vluchtelingen lijkt aan te houden en dat dit er eens te meer op wijst dat alles in het werk moet worden gesteld om de levens te redden van mensen die hun land ontvluchten en die in gevaar zijn en dat de lidstaten zich moeten houden aan hun internationale verplichtingen, o.a. de verplichting om mensen die op zee in nood zijn te redden;

B.  overwegende dat volgens gegevens van de UNHCR in 2015 van 2 800 vrouwen, mannen en kinderen is gemeld dat zij vermist of omgekomen zijn bij hun poging om zich in Europa in veiligheid te brengen; overwegende dat vluchtelingen en migranten ook tijdens hun tocht over land door Europa om het leven komen;

C.  overwegende dat smokkelaars en mensenhandelaren illegale migratie uitbuiten en voor eigen zakelijk gewin het leven van immigranten op het spel zetten, verantwoordelijk zijn voor duizenden doden en de EU en de lidstaten voor een grote uitdaging plaatsen; overwegende dat smokkelaars met hun criminele activiteiten jaarlijks 20 miljard EUR winst maken; overwegende dat volgens Europol de georganiseerde criminele groeperingen die zich actief bezighouden met het vervoer van illegale migranten over de Middellandse Zee, in verband zijn gebracht met mensenhandel, drugscriminaliteit, wapenhandel en terrorisme;

D.  overwegende dat volgens gegevens van Frontex in 2015 tot nu toe het grootste aantal asielzoekers afkomstig is uit Syrië, Afghanistan, Eritrea en Irak; overwegende dat volgens Eurostat aan het merendeel van de mensen uit deze landen die naar Europa vluchten bescherming wordt geboden;

E.  overwegende dat regionale instabiliteit, conflicten en de opkomst van IS in naburige conflictgebieden, tot een massale instroom van migranten en ontheemden leiden, en daarmee gevolgen hebben voor de aantallen mensen die de EU proberen te bereiken;

F.  overwegende dat tijdens de meest recente bijeenkomst van de Europese Raad van 25-26 juni 2015 en de daarop volgende bijeenkomst van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken op 20 juli 2015 geen overeenstemming werd bereikt over een bindende herverdelingsregeling voor herplaatsing en hervestiging van mensen en dat er in plaats daarvan gekozen werd voor een vrijwillige regeling; overwegende dat de lidstaten geen overeenstemming hebben bereikt over het zorgen voor 40 000 plaatsen voor de herplaatsing van vluchtelingen uit Griekenland en Italië en er in plaats daarvan slechts 32 256 plaatsen werden toegezegd;

G.  overwegende dat de voorzitter van de Europese Raad Donald Tusk er op 3 september 2015 op heeft aangedrongen dat er ten minste 100 000 vluchtelingen worden herverdeeld;

H.  overwegende dat in plaats van de huidige ad-hocbesluitvorming, een meer op de lange termijn gerichte aanpak van asiel en migratie nodig is;

I.  overwegende dat veel burgers een ongekende mate van solidariteit betuigen met de vluchtelingen en hen warm verwelkomen en op indrukwekkende wijze steunen; overwegende dat Europese burgers daarmee aantonen dat bescherming van behoeftigen en mededogen nog steeds echte Europese waarden zijn;

J.  overwegende dat de huidige situatie een betreurenswaardig gebrek aan solidariteit jegens asielzoekers aan het licht heeft gebracht van de zijde van regeringen, en onvoldoende gecoördineerde en coherente beleidsmaatregelen; overwegende dat dit leidt tot chaos en schendingen van de mensenrechten; overwegende dat de verschillende standpunten van de verschillende lidstaten blijven illustreren dat het migratiebeleid van de EU sterk versnipperd is; overwegende dat het ontbreken van een uniforme asielprocedure en -normen in de lidstaten leidt tot uiteenlopende beschermingsniveaus, in sommige gevallen zelfs tot inadequate waarborgen voor asielzoekers;

K.  overwegende dat sommige lidstaten en hun leiders gekozen hebben voor een proactieve benadering en hebben getoond dat ze gereed en bereid zijn om vluchtelingen op te nemen en een permanente en bindende regeling te treffen voor de toewijzing van vluchtelingen over alle lidstaten; overwegende dat andere lidstaten dit goede voorbeeld moeten volgen;

L.  overwegende dat in het strategisch verslag inzake een holistische aanpak van migratie van zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, het asiel- en migratiebeleid van de EU in zijn geheel zal worden behandeld;

M.  overwegende dat mensen volgens het Verdrag van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Verdrag van Genève) asiel kunnen aanvragen in een ander land, ongeacht hun land van herkomst, als ze gegronde vrees hebben voor vervolging wegens hun ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of hun politieke overtuiging;

1.  geeft uiting aan zijn diepe leedwezen en rouw over het tragische verlies van levens van mensen die asiel zoeken in de EU; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan alles te doen om verder verlies van mensenlevens op zee of op land te voorkomen;

2.  verklaart zich solidair met het hoge aantal vluchtelingen en migranten dat het slachtoffer is van conflicten, ernstige schendingen van de mensenrechten, duidelijke bestuurlijke tekortkomingen en brute onderdrukking;

3.  is verheugd over de inspanningen van groeperingen en individuen in heel Europa die grote aantallen mensen mobiliseren om vluchtelingen en migranten te verwelkomen en hen te ondersteunen; moedigt Europese burgers aan hun steun en inzet voor een humanitaire respons op de vluchtelingencrisis vol te houden; is van mening dat dergelijke acties aantonen dat de Europese waarden echt worden aangehangen en een teken van hoop zijn voor de toekomst van Europa;

4.  bevestigt zijn steun voor zijn resolutie van 29 april 2015 over de recente tragedies op de Middellandse Zee en het migratie- en asielbeleid van de EU; herinnert eraan dat de EU haar onmiddellijke respons moet baseren op solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid, als vastgelegd in artikel 80 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en een holistische aanpak waarin rekening wordt gehouden met veilige en legale migratie en een volledige eerbiediging van de grondrechten en fundamentele waarden;

5.  herhaalt zijn gehechtheid aan de handhaving van open grenzen binnen de Schengenzone, terwijl er tegelijkertijd gezorgd moet worden voor effectief beheer van de buitengrenzen; onderstreept dat het vrije verkeer van personen binnen de Schengenzone een van de grootste verworvenheden van de Europese integratie vormt;

6.  is verheugd over de initiatieven van de Commissie over herplaatsing en hervestiging, alsmede het nieuwe voorstel voor noodherplaatsing van een toegenomen aantal asielzoekers die internationale bescherming nodig hebben, dat betrekking heeft op Griekenland, Italië en Hongarije; stemt in met de aankondiging van de Commissie van een permanente herplaatsingsregeling, die in noodgevallen moet worden geactiveerd, rekening houdend met het aantal vluchtelingen dat in de lidstaat aanwezig is, op basis van artikel 78, lid 2, VWEU; is bereid de nieuwe herplaatsingsregeling middels een versnelde procedure te behandelen en verklaart voornemens te zijn alle overige door de Commissie voorgestelde maatregelen sneller te behandelen om ervoor te zorgen dat de lidstaten de permanente herplaatsingsregeling niet vertragen; herinnert de Raad eraan dat het Parlement een groot voorstander is van een bindende herplaatsingsregeling, waarbij, voor zover mogelijk, rekening wordt gehouden met de voorkeuren van de vluchtelingen;

7.  is verheugd over de operationele steun die de Commissie zal geven aan lidstaten in de frontlinie, zoals Griekenland, Italië en Hongarije, via "hotspots" door gebruik te maken van de expertise van EU-agentschappen zoals Frontex, EASO en de Europese politiedienst (Europol), om lidstaten te helpen met de registratie van de mensen die aankomen; herinnert de lidstaten eraan dat het welslagen van zulke registratiecentra afhangt van de bereidheid om vluchtelingen te herplaatsen van de "hotspots" naar hun grondgebied; is van mening dat een dergelijke benadering duidelijk moet zorgen voor effectieve systemen voor de identificatie van mensen met specifieke behoeften en voor hun verdere doorverwijzing naar instanties;

8.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie om de "veilig land van herkomst"-bepaling van de Richtlijn asielprocedures te versterken door een gezamenlijke EU-lijst van veilige landen van herkomst op te stellen; begrijpt dat deze benadering de procedurele rechten van burgers uit die landen kan beperken; herinnert eraan dat het toekenningspercentage van asielaanvragen per lidstaat aanzienlijk verschilt, ook met betrekking tot specifieke landen van herkomst; dringt erop aan dat er stappen moeten worden ondernomen om ervoor te zorgen dat deze benadering het non-refoulement-beginsel en het individuele recht op asiel, met name van mensen die behoren tot kwetsbare groepen, niet ondermijnt;

9.  dringt er nogmaals bij de Commissie op aan de bestaande Dublin-verordening te wijzigen om hierin een permanent, bindend systeem voor de verdeling van asielzoekers over de 28 lidstaten op te nemen, waarbij gebruik wordt gemaakt van een eerlijke, bindende verdeelsleutel, rekening houdend met de integratieperspectieven en met de behoeften en specifieke omstandigheden van de asielzoekers zelf;

10.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan substantiële budgettaire ruimte en bereidheid in de begroting 2016 en in de bepalingen van het meerjarig financieel kader (MFK) te creëren om ervoor te zorgen dat EASO en de lidstaten sneller en krachtiger kunnen worden ondersteund bij hun maatregelen om vluchtelingen op te nemen en te integreren, inclusief in het kader van herplaatsings- en hervestigingsregelingen;

11.  dringt aan op een snelle en volledige omzetting en effectieve uitvoering van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel door alle deelnemende lidstaten; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat de EU-wetgeving in alle lidstaten naar behoren ten uitvoer wordt gelegd, en daarmee te waarborgen dat in de gehele EU gemeenschappelijke, doeltreffende, consistente en humane normen worden gehanteerd, met inachtneming van het belang van het kind;

12.  is van mening dat de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn gepaard moet gaan met naleving van de procedures en normen die Europa in staat stellen een humane en waardige behandeling van teruggekeerde migranten te waarborgen, in overeenstemming met het beginsel van non-refoulement; herinnert eraan dat de voorkeur gegeven moet worden aan vrijwillige terugkeer boven gedwongen terugkeer;

13.  herinnert eraan dat het voor mensen die bescherming behoeven zeer lastig is om op legale wijze de EU in te reizen en betreurt het feit dat zij geen andere optie hebben dan hun toevlucht te nemen tot criminele smokkelaars en gevaarlijke routes om bescherming te krijgen in Europa, door o.a. het bouwen van muren en het hermetisch afsluiten van de buitengrenzen; acht het daarom van prioritair belang dat de EU en haar lidstaten veilige en legale inreismogelijkheden voor vluchtelingen creëren, zoals humanitaire corridors en humanitaire visa; benadrukt dat de lidstaten naast een verplicht hervestigingsprogramma andere instrumenten moeten aanbieden, zoals verbeterde gezinshereniging, particuliere sponsorregelingen en flexibele visaregelingen, onder meer voor studie- en werk; is van mening dat de Visumcode moet worden gewijzigd door specifiekere gemeenschappelijke bepalingen over humanitaire visa op te nemen; verzoekt de lidstaten het mogelijk te maken dat mensen asiel aanvragen in hun ambassades of consulaire posten;

14.  herinnert eraan dat de lidstaten strenge strafrechtelijke sancties tegen mensenhandel en mensensmokkel, zowel naar als binnen de EU, moeten vaststellen; dringt er bij de lidstaten op aan criminele netwerken van smokkelaars te bestrijden, maar ondertussen degenen die migranten vrijwillig, op humanitaire gronden helpen, waaronder vervoerders, niet te bestraffen, door de Commissie te verzoeken Richtlijn 2001/51/EG van de Raad te herzien; neemt kennis van de EUNAVFOR Med-operatie tegen smokkelaars en handelaars op de Middellandse Zee;

15.  betreurt dat de regeringsleiders van sommige lidstaten en de extreemrechtse partijen de huidige situatie aangrijpen om anti-migratiesentimenten aan te wakkeren en de EU de schuld geven van de crisis, wat bijdraagt tot een toenemend aantal gewelddadigheden tegen migranten; vraagt de Commissie en de lidstaten dringend maatregelen te nemen tegen gewelddadige acties en haatdragende uitspraken die gericht zijn tegen migranten; verzoekt tevens de regeringsleiders van de EU en de lidstaten zich duidelijk uit te spreken voor Europese solidariteit en eerbiediging van de menselijke waardigheid;

16.  wijst er nogmaals op dat migratie een mondiaal, complex probleem is dat ook een langetermijnaanpak vergt waarbij de onderliggende oorzaken worden aangepakt, zoals armoede, ongelijkheid, onrechtvaardigheid, klimaatverandering, corruptie, wanbestuur en gewapende conflicten; dringt er bij de Commissie en de Raad op aan op de top in Valletta in november 2015 nader in te gaan op deze onderliggende oorzaken; onderstreept dat er behoefte is aan een alomvattende EU-benadering waarbij de samenhang tussen haar interne en externe beleidsmaatregelen wordt versterkt, en met name tussen het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, het ontwikkelingsbeleid en het migratiebeleid; plaatst kritische kanttekeningen bij plannen om ontwikkelingshulp te koppelen aan meer grenscontroles of terugkeerovereenkomsten met derde landen;

17.  verzoekt de EU, haar lidstaten en andere internationale donoren om de toezeggingen gedaan op de conferentie over ontwikkelingsfinanciering in juli 2015 in Addis Abeba zo snel mogelijk na te komen, en benadrukt dat het ontwikkelingsbeleid meer gericht moet worden op het opbouwen van vreedzame samenlevingen, de bestrijding van corruptie en de bevordering van goed bestuur, zoals geformuleerd in doelstelling 16 inzake duurzame ontwikkeling van het mondiaal ontwikkelingskader voor de periode na 2015;

18.  verzoekt de EU, haar lidstaten en de internationale gemeenschap een prominentere rol te spelen bij de oplossing van conflicten, en in het bijzonder te zoeken naar duurzame politieke oplossingen in conflictregio's zoals Irak, Syrië, Libië en het Midden-Oosten, en om de politieke dialoog over alle mensenrechtenaspecten te intensiveren, onder meer met regionale organisaties, teneinde inclusieve en democratische instellingen en de rechtsstaat te ondersteunen, weerbaarheid van lokale gemeenschappen op te bouwen en de sociale en democratische ontwikkeling van de landen van herkomst en hun bevolking te bevorderen; roept in dit verband op tot nauwere samenwerking met landen in de regio die lid zijn van de Arabische Liga en de Afrikaanse Unie op het gebied van opvang, hervestiging en asielverlening aan mensen die bescherming behoeven;

19.  verzoekt de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheid een internationale conferentie over de vluchtelingencrisis te beleggen, waaraan onder meer de EU, haar lidstaten, aan de VN gelieerde agentschappen, de Verenigde Staten, betrokken internationale ngo's en Arabische landen deelnemen, teneinde een gemeenschappelijke, mondiale strategie voor humanitaire hulp vast te stellen;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0414.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0448.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0105.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0176.


Rol van de EU in het vredesproces in het Midden-Oosten
PDF 178kWORD 76k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 september 2015 over de rol van de EU in het vredesproces in het Midden-Oosten (2015/2685(RSP))
P8_TA(2015)0318RC-B8-0836/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over het vredesproces in het Midden-Oosten,

–  gezien de conclusies van de Raad van maandag 20 juli 2015 over het vredesproces in het Midden-Oosten,

–  gezien de recente verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, en van haar woordvoerder over Israël, de bezette Palestijnse gebieden, het vredesproces in het Midden-Oosten en de steun van de EU voor de Organisatie van de VN voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen (UNRWA),

–  gezien de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de staat Israël, anderzijds,

–  gezien de Euro-mediterrane interim-associatieovereenkomst voor handel en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie ten behoeve van de Palestijnse Autoriteit van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, anderzijds,

–  gezien de relevante resoluties van de Algemene Vergadering van de VN en de VN-Veiligheidsraad,

–  gezien de vierde Conventie van Genève van 1949 betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd,

–  gezien de richtsnoeren van de Europese Unie inzake de bevordering van de naleving van het internationaal humanitair recht,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat vrede in het Midden-Oosten een belangrijke prioriteit blijft voor de internationale gemeenschap en onontbeerlijk is voor regionale stabiliteit en veiligheid; overwegende dat de VN-Veiligheidsraad pogingen onderneemt om het vredesproces nieuw leven in te blazen;

B.  overwegende dat het Israëlisch-Palestijnse conflict in de ruimere context van het Arabisch-Israëlische conflict gezien moet worden; overwegende dat de EU van mening is dat vrede in het Midden-Oosten een alomvattende regionale oplossing vereist; overwegende dat de gewelddadige crisis in Syrië, de opkomst van Da'esh, het toenemende radicalisme en de toename van het terrorisme in het Midden-Oosten aanzienlijke bedreigingen vormen voor de veiligheid van Israël en de hele regio, en het lijden van de Palestijnen vergroot, maar ook gedeelde belangen creëert tussen de Arabische staten en Israël, terwijl de nucleaire overeenkomst met Iran, waarbij de EU een belangrijke rol heeft gespeeld, voor het vredesproces een uniek momentum inhoudt, dat we niet voorbij mogen laten gaan;

C.  overwegende dat de EU herhaaldelijk haar steun heeft uitgesproken voor de tweestatenoplossing op basis van de grenzen van 1967, met Jeruzalem als de hoofdstad van beide staten, waarbij de veilige staat Israël en een onafhankelijke, democratische, aaneengesloten en levensvatbare staat Palestina zij aan zij leven in vrede en veiligheid, en dat zij heeft opgeroepen tot de hervatting van rechtstreekse vredesbesprekingen tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit;

D.  overwegende dat de EU de belangrijkste handelspartner van Israël is en de grootste bijstandsverlener van de Palestijnen; overwegende dat de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, bij meerdere gelegenheden heeft gezegd zich persoonlijk te zullen inzetten voor het opnieuw aanzwengelen en intensiveren van de rol van de EU in het vredesproces in het Midden-Oosten; overwegende dat in april 2015 Fernando Gentilini benoemd is tot speciaal afgezant van de EU voor het vredesproces in het Midden-Oosten; overwegende dat de EU, ondanks de ambitie en de toezegging om ten aanzien van het vredesproces in het Midden-Oosten een betekenisvolle rol te spelen, nog geen alomvattende en coherente kijk op die rol heeft ontwikkeld, die bovendien rekening moet houden met de snel veranderende regionale context;

1.  maakt zich ernstige zorgen over de aanhoudende impasse in het vredesproces in het Midden-Oosten en dringt aan op onmiddellijke hervatting van geloofwaardige vredesinspanningen; roept de Israëli's en de Palestijnen op zich te onthouden van acties die het conflict verder kunnen doen escaleren, waaronder het doen van haatzaaiende en opruiende uitspraken in het publieke debat, alsook unilaterale maatregelen die de resultaten van de onderhandelingen kunnen ondergraven en de levensvatbaarheid van de tweestatenoplossing in het gedrang kunnen brengen; onderstreept dat een permanente oplossing van het conflict alleen mogelijk is in een regionale context en met de inschakeling van alle relevante regionale betrokken partijen en de steun van de internationale gemeenschap;

2.  herhaalt zijn krachtige steun voor de tweestatenoplossing op basis van de grenzen van 1967, met onderling overeengekomen landruilovereenkomsten en Jeruzalem als de hoofdstad van beide staten, waarbij de veilige staat Israël en een onafhankelijke, democratische, aaneengesloten en levensvatbare staat Palestina zij aan zij leven in vrede en veiligheid, op basis van wederzijdse erkenning en het recht op zelfbeschikking en volledige eerbiediging van het internationale recht; onderstreept dat geweldloosheid en eerbiediging van de mensenrechten en het internationale humanitair recht de enige manier zijn om tot een rechtvaardige en blijvende vrede tussen Israëli's en Palestijnen te komen;

3.  onderstreept dat het in leven houden van de tweestatenoplossing door middel van concrete maatregelen en het waarborgen van volledige eerbiediging van de rechten van de (Israëlische en Palestijnse) burgers voor de EU en de internationale gemeenschap de hoogste prioriteit moeten hebben; kijkt uit naar de start van de gestructureerde dialoog van de EU met Israël over de situatie op de westelijke Jordaanoever en het in leven houden van de tweestatenoplossing, in het kader waarvan ook de kwestie van de nederzettingen aan bod zou moeten komen;

4.  verheugt zich over de positieve rol die de EU wenst te spelen en de noodzakelijke ondersteuning die zij wil bieden om de oplossing van het Israëlisch-Palestijns conflict en het grotere Arabisch-Israëlische conflict met vreedzame en constructieve middelen te vergemakkelijken, wat de EU-belangen op het gebied van veiligheid, stabiliteit en voorspoed in het Midden-Oosten dient; dringt evenwel aan op een nieuwe EU-benadering die daadwerkelijk de vrede en de veiligheid voor zowel het Israëlische, als het Palestijnse volk ten goede komt; is ingenomen met de persoonlijke inzet van de VV/HV en met de benoeming van de nieuwe speciale afgezant van de EU voor het vredesproces in het Midden-Oosten, en steunt hun werk op dit gebied;

5.  is verheugd dat de EU toezegt zich actief te zullen inzetten voor een hernieuwde multilaterale benadering van het vredesproces, in overleg met alle betrokken partijen, en de partijen actief te zullen helpen bij het herstellen van het vertrouwen en het tot stand brengen van een klimaat van vertrouwen dat nodig is om op zo kort mogelijke termijn zinvolle onderhandelingen te kunnen starten;; merkt op dat de EU van oordeel is dat de instelling van een internationale steungroep een middel zou kunnen zijn om hiertoe bij te dragen; onderstreept dat de EU klaar staat om te gaan samenwerken met regionale partners op basis van het Arabisch vredesinitiatief;

6.  verzoekt de VV/HV en de speciale afgezant van de EU met klem de politieke betrekkingen en de institutionele expertise van de EU en haar lidstaten beter te benutten, aangezien die gebaseerd zijn op de geografische nabijheid van Europa, de historische banden en de intensieve economische uitwisselingen met het Midden-Oosten, teneinde een betekenisvolle politieke rol te spelen in het vredesproces tussen Israëli's en Palestijnen, en tussen de Arabische staten en Israël in een bredere context; herinnert de lidstaten eraan dat hun taak erin bestaat actief bij te dragen aan de vorming van een gemeenschappelijk EU-standpunt over de aanpak van het vredesproces in het Midden-Oosten en zich te onthouden van unilaterale initiatieven die het EU-optreden afzwakken;

7.  steunt de inspanningen van de VN-Veiligheidsraad gericht op hervatting van de vredesbesprekingen tussen Israëli's en Palestijnen; vraagt de EU evenwel met klem haar verantwoordelijkheid als invloedrijke speler te nemen en een moedig en alomvattend vredesinitiatief voor de regio te ontwikkelen; is van mening dat de EU een sleutelrol moet spelen bij het opnieuw definiëren van de doelstellingen en de structuur van het Kwartet, waarbij de doelstellingen specifieker gericht moeten zijn op het vinden van een politieke oplossing van het conflict;

8.  veroordeelt de voortdurende uitbreiding van de Israëlische nederzettingen, die het internationale humanitair recht schendt, de wrok bij de Palestijnse bevolking aanwakkert en de levensvatbaarheid van en de vooruitzichten op de tweestatenoplossing ondermijnt, en roept de Israëlische autoriteiten op hun nederzettingenbeleid direct te beëindigen en ongedaan te maken;

9.  juicht toe dat de EU zich ervoor inzet - passend in het streven een onderscheid te maken tussen Israël en het optreden van dat land in bezet Palestijns gebied - te bewerkstelligen dat in alle overeenkomsten tussen de EU en Israël ondubbelzinnig en expliciet wordt vermeld dat zij niet van toepassing zijn in de gebieden die Israël in 1967 heeft bezet, zoals bekrachtigd in de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 20 juli 2015; neemt kennis van de richtsnoeren van de Commissie van 19 juli 2013 betreffende de mogelijkheid van Israëlische entiteiten en hun activiteiten in de door Israël sinds juni 1967 bezette gebieden om in aanmerking te komen voor subsidies, prijzen en financieringsinstrumenten die na 2014 met EU-middelen worden gefinancierd, en van de brief die 16 ministers van Buitenlandse Zaken van de EU op 13 april 2015 aan de VV/HV hebben gestuurd waarin zij haar aansporen in de Commissie het voortouw te nemen teneinde te komen tot afronding van het werk aan de EU-brede richtsnoeren betreffende de etikettering van producten afkomstig uit de Israëlische nederzettingen;

10.  onderstreept de verantwoordelijkheid die de relevante EU-autoriteiten hebben om ervoor te blijven zorgen dat geen enkele financiële steun van de EU bedoeld of onbedoeld terecht kan komen bij terroristische organisaties en/of gebruikt kan worden voor terroristische activiteiten;

11.  onderstreept dat de raketbeschietingen op Israël door militante groepen onaanvaardbaar zijn en wijst met klem op het gevaar voor escalatie; benadrukt dat het van uitermate groot belang is dat de EU zich samen met Israël, de Palestijnse Autoriteit, Egypte en Jordanië inspant om te verhinderen dat terroristische groeperingen in de Gazastrook en op de westelijke Jordaanoever zich herbewapenen, wapens smokkelen en raketten en tunnels bouwen; benadrukt nogmaals dat het, in overeenstemming met de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van juli 2014, absoluut noodzakelijk is de Gazastrook wapenvrij te maken;

12.  maakt zich ernstige zorgen over het toenemende geweld door kolonisten op de westelijke Jordaanoever; verwelkomt de brede veroordeling door Israëlische leiders van de recente brandaanslag op de familie Dawabshah in het dorp Duma, maar herinnert Israël eraan dat het de volledige verantwoordelijkheid draagt om de Palestijnse bevolking te beschermen en alle daders van geweld door kolonisten voor het gerecht ter verantwoording te roepen;

13.  prijst het werk dat de politie- en rechtsstaatmissies (EUPOL COPPS) in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) van de EU in de bezette Palestijnse gebieden heeft verricht om de Palestijnse Autoriteit bij te staan bij het opbouwen van de instellingen van een toekomstige Palestijnse staat op politieel en strafrechtelijk gebied; vraagt dat de GVDB-missie voor bijstandverlening inzake grensbeheer (EUBAM Rafah) opnieuw wordt geactiveerd, met een ruimer mandaat en afdoende financiële en personele middelen om een concrete rol te kunnen spelen bij de controle van de grenzen van de Gazastrook met Egypte en Israël;

14.  dringt er bij de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Commissie op aan verslag uit te brengen aan het Parlement over de vernietiging van en de beschadigingen aan door de EU gefinancierde structuren en projecten in de bezette Palestijnse gebieden;

15.  vraagt de Commissie en de EDEO financiering te verstrekken en bescherming te bieden aan ngo's in de regio waarvan de politieke doelen overeenstemmen met de algehele doelstellingen van het vredesproces in het Midden-Oosten en spoort de EU-autoriteiten aan hierover contact op te nemen met hun relevante tegenhangers ter plaatse;

16.  herhaalt zijn oproep voor beëindiging van de blokkade van de Gazastrook en voor de snelle wederopbouw van en terugkeer naar het normale leven in de Gazastrook na de oorlog van de zomer van 2014, hetgeen prioriteit moet krijgen in het humanitaire beleid van de EU en de internationale gemeenschap; prijst de de Organisatie van de VN voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen (UNRWA) voor haar bovenmenselijke inspanningen op dit gebied; dringt erop aan dat de donoren de financiële toezeggingen die zij op de Internationale Conferentie van Caïro over Palestina ("de Gazastrook wederopbouwen") op 12 oktober 2014 hebben gedaan zo spoedig mogelijk na te komen;

17.  verwelkomt de recente stappen van Israël gericht op het versoepelen van de beperkingen die het aan de Gazastrook heeft opgelegd, maar betreurt het dat de beperkingen op de invoer van bouwmateriaal onverminderd van kracht zijn; onderstreept het belang van verdere positieve maatregelen – rekening houdend met de legitieme veiligheidszorgen van Israël – voor het faciliteren van volwaardige humanitaire hulpverlening, wederopbouw en economisch herstel; verzoekt de lidstaten met klem hun toezegging dat zij het trilaterale mechanisme voor het toezicht op en de controle van materiaal voor de wederopbouw zullen steunen, gestand te doen;

18.  verzoekt de VV/HV met klem zich in te zetten voor de volledige uitvoering van de aanbevelingen in het verslag van de onafhankelijke onderzoekscommissie van de VN over het conflict in de Gazastrook in 2014, met inbegrip van de aanbevelingen om de activiteiten van het Internationaal Strafhof actief te ondersteunen; verwelkomt het feit dat de EU-lidstaten die lid zijn van de VN-Mensenrechtenraad met eenparigheid goedkeuring hebben gehecht aan de resolutie van deze raad van 3 juli 2015 getiteld "Ensuring accountability and justice for all violations of international law in the Occupied Palestinian Territory including East Jerusalem";

19.  wijst erop dat verzoening tussen de Palestijnen onderling belangrijk is voor het verwezenlijken van de tweestatenoplossing en betreurt het dat er nog altijd sprake is van interne Palestijnse verdeeldheid; steunt de oproep van de EU aan de Palestijnse facties om verzoening en de terugkeer van de Palestijnse Autoriteit naar de Gazastrook als absolute prioriteit te behandelen; spoort de Palestijnen aan hun inspanningen gericht op verzoening onmiddellijk te hervatten, in het bijzonder door de langverwachte presidents- en parlementsverkiezingen te houden; onderstreept dat de Palestijnse Autoriteit in dit verband een grotere verantwoordelijkheid op zich moet nemen en haar regeringsfunctie in de Gazastrook moet opnemen, onder meer wat betreft veiligheid en burgerlijk bestuur en door haar aanwezigheid bij de grensovergangen in Gaza;

20.  verzoekt alle bij het conflict betrokken partijen met klem de rechten van arrestanten en gevangenen volledig te eerbiedigen, inclusief de rechten van hongerstakers;

21.  spreekt zijn grote verontrusting uit over de ernstige financieringscrisis waarin de UNRWA verkeert; verzoekt de EU om meer financiële steun voor de UNRWA en dringt er bij alle overige donoren op aan hun toezeggingen aan het agentschap gestand te doen, en vraagt de UNRWA zijn management te blijven verbeteren, maar geeft ook aan dat het achterliggende hoofdprobleem van de Palestijnse vluchtelingen moet worden aangepakt; prijst de UNRWA om haar buitengewone inspanningen, die het mogelijk hebben gemaakt het schooljaar 2015/2016 voor geopend te verklaren voor Palestijnse scholieren uit de vluchtelingengemeenschap;

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale afgezant van de EU voor het vredesproces in het Midden-Oosten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Knesset, de president en de regering van Israël, de Palestijnse Wetgevende Raad en de Palestijnse Autoriteit, de secretaris-generaal van de Liga van Arabische staten, de parlementen en regeringen van Egypte, Jordanië en Libanon, en de commissaris-generaal van de UNRWA.


De situatie in Belarus
PDF 171kWORD 71k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 september 2015 over de situatie in Belarus (2015/2834(RSP))
P8_TA(2015)0319RC-B8-0866/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties en aanbevelingen over Belarus,

–  gezien de top van het Oostelijk partnerschap, die in mei 2015 te Riga plaatsvond, en de verklaring van die top,

–  gezien de mensenrechtendialoog van 28 juli 2015 tussen de Europese Unie en de Republiek Belarus,

–  gezien het feit dat de Belarussische autoriteiten op 22 augustus 2015 zes politieke gevangenen hebben vrijgelaten, en de daaropvolgende verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie, Federica Mogherini, en de EU-commissaris voor nabuurschapsbeleid en uitbreidingsonderhandelingen, Johannes Hahn, over de vrijlating van politieke gevangenen in Belarus op 22 augustus 2015,

–  gezien het feit dat er op 11 oktober 2015 presidentsverkiezingen zullen worden gehouden,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat, ondanks een merkbare intensivering van de contacten tussen Belarus en de EU en de Verenigde Staten, mensenrechtenschendingen in het land doorgaan, met intimidatie van mensenrechtenactivisten, politie-invallen bij mensenrechtenorganisaties en inbeslagname van hun apparatuur, en krachtdadige verwijderingen uit Belarus, zoals bevestigd is in het verslag van de speciale rapporteur van de VN over de mensenrechtensituatie in Belarus;

B.  overwegende dat de Delegatie van het Parlement voor de betrekkingen met Belarus op 18 en 19 juni 2015 voor het eerst sinds 2002 een officieel bezoek aan Minsk heeft gebracht; overwegende dat het Europees Parlement momenteel geen officiële betrekkingen met het Belarussische parlement onderhoudt;

C.  overwegende dat een aanzienlijke verbetering van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de media, de eerbiediging van de politieke rechten van gewone burgers en oppositie-activisten en de volledige eerbiediging van de rechtsstaat en de grondrechten de randvoorwaarden zijn voor betere betrekkingen tussen de EU en Belarus; overwegende dat de Europese Unie zich onverminderd inzet voor de verdediging van de mensenrechten in Belarus, waaronder de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de media;

D.  overwegende dat er vooruitgang is geboekt in de samenwerking op enkele sectorale beleidsterreinen, zoals hoger onderwijs, beroepsopleiding, voedselveiligheid en cultuur, en dit een positief effect heeft met het oog op het starten van een constructief debat in de Belarussische samenleving over de noodzakelijke hervormingen in het land en het informeren van de bevolking over de EU; overwegende dat de EU er echter op moet toezien dat haar middelen niet worden gebruikt om maatschappelijke organisaties, mensenrechtenactivisten, freelance journalisten en oppositieleiders te onderdrukken;

E.  overwegende dat er sinds 1994 in Belarus geen vrije en eerlijke verkiezingen zijn gehouden overeenkomstig een kieswet die aan de internationale normen voldoet, en dat de huidige wet de zittende president enorm bevoordeelt; overwegende dat de OVSE/ODIHR zijn langetermijnverkiezingswaarnemingsmissie in heel Belarus heeft ingezet en de werkzaamheden van kortetermijnwaarnemers zal coördineren;

F.  overwegende dat president Loekasjenko op 2 april 2015 Decreet nr. 3 heeft ondertekend over de preventie van sociale afhankelijkheid, waarin wordt bepaald dat werklozen verplichte arbeid moeten verrichten, onder bedreiging van een bijzondere betaling aan de staatsbegroting of van administratieve aansprakelijkheid in de vorm van een boete of administratieve aanhouding;

G.  overwegende dat op 1 januari 2015 een wet werd ingevoerd die alle soorten media reguleert; overwegende dat de regering met deze wet elk massamediakanaal, ook onlinemedia, dat volgens haar "ongepaste" inhoud publiceert, kan sluiten;

H.  overwegende dat de Belarussische autoriteiten eindelijk alle zes politieke gevangenen, waaronder voormalige presidentskandidaten, hebben vrijgelaten van wie zij het bestaan jarenlang hebben ontkend;

I.  overwegende dat op 13 juli en 31 juli 2015 de Raad de beperkende maatregelen tegen Belarus heeft herzien en de lijst van visaverboden en van bevroren tegoeden heeft gewijzigd door enkele functionarissen en bedrijven daarvan af te voeren; overwegende dat 175 personen, waaronder Aleksandr Loekasjenko, momenteel een visumverbod hebben en van al deze personen en 18 economische entiteiten de tegoeden binnen de EU bevroren zijn; overwegende dat een evaluatie van de beperkende EU-maatregelen naar verwachting in de komende maanden zal plaatsvinden, waarbij rekening gehouden zal worden met de laatste ontwikkelingen en alle andere factoren naar aanleiding waarvan de beperkende maatregelen getroffen zijn;

J.  overwegende dat in Brussel op 28 juli 2015 de EU-Belarus-mensenrechtendialoog heeft plaatsgevonden, waarbij een reeks kwesties aan bod kwam, waaronder de oprichting van een nationale mensenrechteninstantie, de vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging, de doodstraf en de bestrijding van foltering en mishandeling, en kinderrechten;

K.  overwegende dat Belarus een constructieve rol heeft gespeeld bij de totstandbrenging van de wapenstilstand in Oekraïne;

L.  overwegende dat het conflict in Oekraïne in de Belarussische maatschappij de vrees heeft aangewakkerd voor destabilisering van de interne situatie in geval van een machtswisseling;

M.  overwegende dat Belarus als enige land in Europa de doodstraf uitvoert;

1.  is nog steeds ernstig bezorgd over de situatie van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in Belarus, alsook over de tekortkomingen die onafhankelijke internationale waarnemers bij eerdere verkiezingen hebben gesignaleerd en over de actieve vervolging van de oppositieleiders na de verkiezingen;

2.  is verheugd over de recente vrijlating van de overgebleven politieke gevangen; verzoekt de Belarussische regering de vrijgelaten politieke gevangenen te rehabiliteren en hun politieke en burgerrechten volledig terug te geven; benadrukt dat dit een mogelijke eerste stap kan zijn in het verbeteren van de relaties tussen de Europese Unie en Belarus; wijst er echter op dat soortgelijke stappen in het verleden slechts loze gebaren waren en niet geleid hebben tot verbetering van de situatie in de Belarussische maatschappij of van de betrekkingen met de EU;

3.  verzoekt Belarus bij de komende presidentsverkiezingen internationaal erkende normen na te leven, de oppositie onbelemmerde toegang te geven tot alle door de regering gecontroleerde communicatiemiddelen en haar in staat te stellen op voet van gelijkheid aan de verkiezingen deel te nemen, met name door onafhankelijke kiescommissies in te stellen en daarin adequate vertegenwoordiging op alle niveaus en transparante telling van de stemmen mogelijk te maken;

4.  verwacht van de autoriteiten dat zij een einde maken aan het intimideren van onafhankelijke media om politieke redenen; dringt aan op beëindiging van de administratieve vervolging en het willekeurig gebruiken van artikel 22, lid 9, tweede deel, van het wetboek bestuursrecht tegen freelance journalisten omdat zij zonder accreditatie voor buitenlandse media werken, hetgeen het recht van vrije meningsuiting en de verspreiding van informatie beperkt;

5.  uit zijn bezorgdheid over de recente aanhouding en lopende strafvervolging van jeugdactivisten Maksim Pjakarskij, Vadim Zjaromskij en Vjatsjeslav Kasinerov op verdenking van "kwaadaardig vandalisme", beschouwt dit als disproportioneel en veroordeelt met klem het geweld dat zij hebben ondergaan;

6.  brengt in herinnering dat sinds 2010 in Belarus tien mensen terechtgesteld zijn, met drie executies alleen al in 2014, terwijl op 18 maart 2015 opnieuw een doodvonnis werd uitgesproken; dringt er in dit verband bij Belarus op aan zich, als enige land in Europa dat nog steeds de doodstraf toepast, achter een wereldwijd moratorium op de toepassing van de doodstraf te scharen als een eerste stap naar definitieve afschaffing ervan;

7.  verzoekt de regering van Belarus de aanbevelingen na te leven van het VN-comité voor economische, sociale en culturele rechten met betrekking tot de afschaffing van elementen van gedwongen arbeid in het land;

8.  vestigt de aandacht op de situatie van nationale minderheden in het land en hun culturele organisaties, waarvan de leiders soms vervangen zijn door personen die de voorkeur van de overheid genieten, hetgeen in strijd is met een van de elementaire menselijke vrijheden, te weten de vrijheid van vereniging;

9.  herhaalt zijn verzoek aan de Belarussische autoriteiten om onder alle omstandigheden te zorgen voor de eerbiediging van de democratische beginselen, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, overeenkomstig de Universele Verklaring van de rechten van de mens en de internationale en regionale mensenrechteninstrumenten die Belarus heeft geratificeerd;

10.  neemt kennis van de op 3 september 2015 in Brussel gehouden zesde ronde van consultaties tussen de EU en Belarus over moderniseringskwesties, waar de delegaties de vooruitzichten bespraken voor samenwerking op belangrijke gebieden, op basis van de in 2014 en 2015 tot stand gekomen overeenkomsten; dringt er bij de EDEO en de Raad op aan ervoor te zorgen dat de deelname van de autoriteiten aan de moderniseringsdialoog, naast en op gelijke voet met de democratische oppositie en het maatschappelijk middenveld, plaatsvindt met volledige inachtneming van de democratische beginselen, met het oog op de ontwikkeling van een duurzame concurrerende economie en de bevordering van democratische hervormingen, alsook een pluralistische samenleving en de rechtsstaat;

11.  steunt de Commissie in haar beleid van kritische betrokkenheid ten opzichte van Belarus en spreekt zijn bereidheid uit om daaraan ook via de Delegatie van het Parlement voor de betrekkingen met Belarus bij te dragen; herinnert er echter aan dat de EU waakzaam moet blijven wat betreft de toewijzing van haar middelen en erop moet toezien dat die niet bijdragen tot verslechtering van de situatie van de oppositie en het maatschappelijk middenveld;

12.  verzoekt de Commissie andermaal om de inspanningen van het Belarussische maatschappelijk middenveld, de onafhankelijke media en de niet-gouvernementele organisaties om de democratische wensen van het Belarussische volk kracht bij te zetten, met financiële en politieke middelen te ondersteunen;

13.  is ingenomen met de vooruitgang in de sectorale samenwerking met Belarus, onder meer op het gebied van hoger onderwijs, beroepsopleiding, de digitale markt, de energiesector, voedselveiligheid en cultuur;

14.  wijst op de start, in januari 2014, van de onderhandelingen over een soepelere visumregeling om de interpersoonlijke contacten te verbeteren en het maatschappelijk middenveld te bevorderen; benadrukt de noodzaak om in dit opzicht meer vooruitgang te boeken;

15.  onderkent de toename van het gebruik van de Belarussische taal in het openbare leven; neemt kennis van de plannen van het ministerie van Onderwijs om het gebruik van de Belarussische taal in het onderwijs evenals de publicatie van wetgevingshandelingen door het grondwettelijk hof in zowel het Russisch als het Belarussisch te bevorderen;

16.  verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden en de Commissie op zoek te gaan naar nieuwe manieren om organisaties van het maatschappelijk middenveld in Belarus te steunen; benadrukt, in dit verband, de noodzaak om alle onafhankelijke nieuwsbronnen voor de Belarussische maatschappij te steunen, met inbegrip van media die vanuit het buitenland in de Belarussische taal uitzenden;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), de Europese Dienst voor extern optreden, de Raad, de Commissie en de lidstaten.


Sociaal ondernemerschap en sociale innovatie ter bestrijding van werkloosheid
PDF 212kWORD 100k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 september 2015 over sociaal ondernemerschap en sociale innovatie bij de bestrijding van werkloosheid (2014/2236(INI))
P8_TA(2015)0320A8-0247/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020 - Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien zijn resolutie van 6 februari 2013 getiteld "Maatschappelijk verantwoord ondernemen: verantwoordelijk en transparant zakelijk gedrag en duurzame groei"(1),

–  gezien zijn resolutie van 19 februari 2009 over sociale economie(2),

–  gezien zijn resolutie van 2 juli 2013 over de bijdrage van coöperaties aan de bestrijding van de crisis(3),

–  gezien artikel 184 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 346/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen,

–  gezien zijn resolutie van 20 november 2012 over het Initiatief voor sociaal ondernemerschap - Bouwen aan een gezonde leefomgeving voor sociale ondernemingen in een kader van sociale economie en innovatie(4),

–  gezien zijn schriftelijke verklaring van 10 maart 2011(5),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over het stimuleren van ondernemerschap bij jongeren om de sociale inclusie van jongeren te bevorderen(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1296/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende een programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie ("EaSI"), waarin de pijler microfinanciering en sociaal ondernemerschap wordt ingevoerd,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 oktober 2011 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Initiatief voor sociaal ondernemerschap" (COM(2011)0682),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 mei 2015 getiteld "Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa" (COM(2015)0192),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 februari 2013 getiteld "Naar sociale investering voor groei en cohesie – inclusief de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds 2014-2020" (COM(2013)0083),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0247/2015),

A.  overwegende dat de sociale en solidaire economie werk biedt aan meer dan 14 miljoen mensen, wat overeenkomt met ongeveer 6,5 % van de werknemers in de EU; overwegende dat er in de EU 2 miljoen ondernemingen in de sociale en solidaire economie zijn, wat overeenkomt met 10 % van de ondernemingen in de Unie;

B.  overwegende dat armoede en sociale uitsluiting, alsook langdurige werkloosheid, jeugdwerkloosheid en sociale ongelijkheid zijn toegenomen als gevolg van de economische en financiële crisis;

C.  overwegende dat de personen die behoren tot de groepen die het meest achtergesteld en uitgesloten van de arbeidsmarkt zijn, het zwaarst door de economische en financiële crisis zijn getroffen, zoals mensen met een handicap, jongeren, ouderen, vrouwen, de langdurig werklozen en kwetsbare werknemers;

D.  overwegende dat de economische en financiële crisis moet worden gezien als een kans om toe te werken naar een economisch model van de EU dat duurzamer is en beter is toegerust op sociale en territoriale samenhang en milieuduurzaamheid; overwegende dat elke verbetering van de economische en financiële situatie moet worden aangevuld met krachtige steun voor inclusieve, duurzame, hoogwaardige werkgelegenheid; overwegende dat de sociale en solidaire economie een bijdrage kan leveren aan de verwezenlijking van dit doel en tevens moet worden gezien als een aanjager in deze overgang om kwesties op sociaal, milieu- en economisch gebied meer in evenwicht te brengen;

E.  overwegende dat aanbieders van sociale ondersteuning en gezondheidszorg in veel gevallen sociale ondernemingen zijn en een van de belangrijkste groeisectoren in de EU vertegenwoordigen, waarin tussen 2009 en 2013 1,3 miljoen banen werden gecreëerd; overwegende dat dit aantoont dat de sector het tweeledig vermogen heeft om enerzijds nieuwe banen te creëren, zelfs in tijden van crisis, en anderzijds de sociale en territoriale samenhang in Europa te versterken, met name door dienstgebruikers aan een baan te helpen;

F.  overwegende dat tijdens de op 17 en 18 november 2014 in Rome gehouden conferentie over het ontsluiten van het potentieel van de sociale economie voor groei in de EU, erkend is dat de sociale en solidaire economie een essentiële rol speelt in de Europese landen en bijdraagt tot de verwezenlijking van diverse belangrijke EU-doelstellingen, zoals de schepping en instandhouding van werkgelegenheid, sociale cohesie, sociale innovatie, landelijke en regionale ontwikkeling en milieubescherming;

G.  overwegende dat de Europa 2020-doelstellingen om de arbeidsparticipatie van personen tussen 20 en 64 jaar te verhogen van 69 % naar ten minste 75 % en om het aantal Europese burgers dat onder de nationale armoedegrens leeft, met 25 % te verlagen door meer dan 20 miljoen mensen uit de armoede te bevrijden, nog steeds niet zijn verwezenlijkt;

H.  overwegende dat in de Verklaring van Straatsburg van januari 2014 wordt gesteld dat sociale ondernemingen een belangrijkere rol moeten spelen in de toekomst van Europa;

I.  overwegende dat de EU de regio is waar de bevolking het oudst is en de bevolkingsgroei de laagste ter wereld is; overwegende dat de gemiddelde leeftijd in de EU in 2050 volgens de prognoses hoger dan 50 jaar zal zijn; overwegende dat de vergrijzende bevolking en de demografische veranderingen een uitdaging vormen voor de socialezekerheidsstelsels;

J.  overwegende dat ondernemingen in de sociale en solidaire economie niet alleen gericht zijn op het verbeteren van de economische en sociale omstandigheden, maar ook flexibele en innovatieve arbeidsvoorwaarden kunnen bieden en zich mogelijk beter kunnen aanpassen aan economische en sociale omstandigheden;

K.  overwegende dat ondernemingen in de sociale en solidaire economie zich onderscheiden door hun democratische bestuur, de sterke betrokkenheid van hun leden of vennoten bij het beheer van de onderneming en hun zeer transparante manier van werken, en tegemoetkomen aan de groeiende vraag van burgers naar ethisch, sociaal en milieuvriendelijk optreden van ondernemingen;

L.  overwegende dat ondernemingen in de sociale en solidaire economie een ruime waaier aan vennootschappen omvatten en dat het merendeel van deze ondernemingen op Europees niveau niet wettelijk erkend wordt, maar alleen op nationaal niveau in bepaalde lidstaten, onder verschillende rechtsvormen;

M.  overwegende dat coöperatieve vennootschappen niet-verplaatsbare, hoogwaardige werkgelegenheid met zich meebrengen die voor iedereen bereikbaar is en bestand is tegen de crisis; overwegende dat zij, dankzij hun coöperatief bedrijfsmodel, hun omzet en groei tijdens de crisis hebben vergroot en minder faillissementen en ontslagen hebben gekend;

N.  overwegende dat in artikel 2, leden 1 en 5, van Verordening (EU) nr. 1296/2013 betreffende een programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI) de begrippen "sociale onderneming" en "sociale innovatie" worden gedefinieerd;

O.  overwegende dat sociale innovatie betrekking heeft op de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van nieuwe ideeën, of dat nu producten, diensten of modellen voor sociale organisatie zijn, die inspelen op nieuwe behoeftes en uitdagingen op sociaal, territoriaal en milieugebied, zoals de vergrijzende bevolking, ontvolking, de combinatie van werk en gezin, diversiteitsmanagement, de aanpak van jeugdwerkloosheid, de integratie van degenen die het verst van de arbeidsmarkt af staan, en de bestrijding van de klimaatsverandering;

P.  overwegende dat sociale investeringen investeringen in mensen zijn, met als doel hun vaardigheden en capaciteiten te verbeteren en hen te stimuleren ten volle deel te nemen aan de arbeidsmarkt en het sociale leven; overwegende dat sociale investeringen in het algemeen betrekking hebben op beleidsterreinen als onderwijs, kinderopvang, gezondheidszorg, opleiding, hulp bij het zoeken naar werk en rehabilitatie;

Q.  overwegende dat het gebrek aan erkenning als economische actoren, waar ondernemingen in de sociale en solidaire economie soms mee te maken krijgen, het hen nog moeilijker maakt om toegang te krijgen tot publieke of particuliere financiering; overwegende dat vanuit de structuurfondsen en Europese programma's een bijdrage moet worden geleverd aan de modernisering van de economische structuren, waaronder de sociale en solidaire economie, die wordt vertegenwoordigd door ondernemingen van verschillende aard en omvang (coöperatieve vennootschappen, onderlinge maatschappijen, stichtingen, verenigingen en nieuwe ondernemingsvormen in de sociale en solidaire economie), waarbij het voornamelijk gaat om kmo's en micro-ondernemingen;

R.  overwegende dat onderwijs en opleiding een prioritaire rol moeten spelen bij het bevorderen van de ondernemerscultuur onder jongeren;

S.  overwegende dat de genderkloof in sociaal ondernemerschap kleiner is dan die in traditionele vormen van ondernemerschap; overwegende dat vrouwelijke sociale ondernemers een aanzienlijke bijdrage leveren aan het terugdringen van sociale uitsluiting en het creëren van nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden;

T.  overwegende dat gezorgd moet worden voor opleidingen voor en omscholing van de langdurig werklozen in de sociale sector, teneinde hun nieuwe kansen te bieden in innovatieve sectoren zoals de sociale en solidaire economie;

U.  overwegende dat ondernemingen in de sociale en solidaire economie, en met name ondernemingen die werklozen opleiden en in dienst nemen, in het bijzonder arbeidskansen bieden aan mensen die het verst van de arbeidsmarkt af staan, voor wie werkloosheid vaak uitloopt op langdurige werkloosheid; overwegende dat de lidstaten kunnen nagaan op welke wijze steun kan worden geboden aan ondernemingen in de sociale en solidaire economie die werklozen of uitkeringsgerechtigden in dienst nemen, onder meer door in voorkomend geval belastingen en sociale premies te verlagen;

V.  overwegende dat ook het aanvullende, complementaire effect van de sociale en solidaire economie van belang is, naast andere maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid; overwegende dat meer aandacht moet worden besteed aan oplossingen die kunnen bijdragen aan de terugkeer op de arbeidsmarkt van personen die niet over de meest essentiële vaardigheden en concurrerende kennis beschikken, opdat zij later kunnen profiteren van de voordelen die worden geboden door de meer innovatieve oplossingen van de sociale en solidaire economie;

W.  overwegende dat de sociale dialoog van essentieel belang is voor de werking van de sociale markteconomie van de EU, en van cruciaal belang voor het bevorderen van zowel het concurrentievermogen als billijkheid; overwegende dat de sociale dialoog en de raadpleging van sociale partners een belangrijke sociale innovatie vormen binnen het beleidsvormingsproces van de EU;

X.  overwegende dat aanbestedingen vaak de vorm aannemen van grote eenmalige inschrijvingen voor diensten of leveringen waarvan kleinere actoren kunnen worden uitgesloten;

Inleiding

1.  merkt op dat ondernemingen in de sociale en solidaire economie, die niet noodzakelijkerwijs organisaties zonder winstoogmerk hoeven te zijn, gericht zijn op de verwezenlijking van hun sociaal doel, namelijk het creëren van werkgelegenheid voor kwetsbare groepen, het verlenen van diensten aan hun leden of, meer in het algemeen, het op positieve wijze beïnvloeden van de maatschappij en het milieu, en hun winst hoofdzakelijk opnieuw investeren om deze doelstellingen te bereiken; wijst erop dat ondernemingen in de sociale en solidaire economie zich onderscheiden door hun toegewijdheid aan het handhaven van de volgende waarden:

   voorrang van individuele en sociale doelen boven kapitaal;
   democratisch bestuur door de leden;
   combinatie van het algemeen belang en de belangen van de leden/gebruikers;
   verdediging en toepassing van de beginselen van solidariteit en verantwoordelijkheid;
   herinvestering van overtollige middelen in langetermijndoelstellingen op ontwikkelingsgebied, of in dienstverlening in het belang van de leden of het algemeen belang;
   toegang voor iedereen, op vrijwillige basis;
   autonoom en onafhankelijk beheer van overheidsdiensten.

2.  is van mening dat de Commissie de diversiteit van sociale ondernemingen dient te erkennen en ervoor moet zorgen dat er maatregelen op EU-niveau worden genomen om alle sociale en solidaire ondernemingsvormen te ondersteunen;

3.  verzoekt de Commissie en de lidstaten onverwijld en consequent uitvoering te geven aan alle maatregelen die zijn uiteengezet in het in 2012 goedgekeurde Initiatief voor sociaal ondernemerschap; verzoekt de Commissie zo snel mogelijk een tweede fase van het initiatief te ontwikkelen om het toepassingsgebied ervan uit te breiden en te verdiepen, en dit in partnerschap met de lidstaten en regionale en lokale overheden, maatschappelijke organisaties en de belangrijkste actoren in de sociale en solidaire economie;

4.  merkt op dat de sociale en solidaire economie geen vervanging kan zijn van de welvaartsstaat en openbare diensten;

5.  merkt op dat het model van sociaal ondernemerschap vaak aantrekkelijk is voor jongeren en hun de mogelijkheid biedt op een innovatieve manier in te spelen op de huidige uitdagingen op economisch, sociaal en milieugebied;

6.  onderstreept dat ondernemingen in de sociale en solidaire economie op lokaal en regionaal niveau sterk zijn ingeworteld, wat hun het voordeel geeft dat ze specifieke behoeften beter herkennen en daaraan aangepaste producten en diensten kunnen aanbieden -waarvan het merendeel in de gemeenschap- en zo de sociale en territoriale samenhang verbeteren; is van mening dat de samenwerking tussen ondernemingen in de sociale en solidaire economie in verschillende landen en sectoren moet worden bevorderd, teneinde kennis en praktijken uit te wisselen op een manier waarop met name de groei van dergelijke ondernemingen wordt ondersteund;

7.  verzoekt de Commissie en de lidstaten plannen en maatregelen voor te stellen om de territoriale structuur te verbeteren, met name in gebieden met permanente natuurlijke of demografische handicaps, hetgeen niet alleen bijdraagt tot de oprichting en ontwikkeling van ondernemingen in de sociale en solidaire economie en de bevordering van innovatie en sociaal ondernemerschap, maar ook tot versterking van de sociale en territoriale cohesie in de EU, en het gemakkelijker maakt de demografische uitdagingen voor de Unie het hoofd te bieden;

8.  is zeer verheugd over het feit dat steeds meer conventionele ondernemingen in hun commerciële programma's gebruikmaken van strategieën voor maatschappelijk verantwoord ondernemen; benadrukt evenwel dat het toepassen van dergelijke strategieën op zichzelf niet voldoende is om te worden beschouwd als een onderneming in de sociale en solidaire economie;

9.  is van mening dat het van belang is de oorzaken van de kleinere genderkloof in sociaal ondernemerschap vast te stellen, opdat beleidsmakers deze factoren in acht kunnen nemen bij het bevorderen van sociaal en traditioneel ondernemerschap;

10.  is van mening dat sociale innovatie een aanzienlijke bijdrage levert aan het leggen van de basis van een soort groei die bevorderlijk is voor een duurzamere, inclusievere maatschappij die economische, sociale en territoriale cohesie met zich meebrengt; wijst erop dat sociale innovatie gericht moet zijn op een efficiënte verbetering van de kwaliteit van diensten, en niet simpelweg op het verlagen van de kosten;

11.  is verheugd over het feit dat vier EU-lidstaten (Spanje, Frankrijk, Portugal en België) over nationale regelgeving inzake de sociale en solidaire economie beschikken, dat Polen een strategie heeft gelanceerd voor de ontwikkeling van de sociale en solidaire economie en dat Roemenië beraadslaagt over regelgeving inzake de sociale en solidaire economie;

12.  is van mening dat de Commissie met politieke en financiële middelen de rol van aanbieders van sociale diensten zonder winstoogmerk moet erkennen en ondersteunen;

13.  benadrukt de noodzaak om een uitwisseling van praktijken tussen innovatieve ondernemingen in de sociale en solidaire economie, scholen, de academische wereld en belanghebbenden van sociale investeringen te stimuleren, waarbij ook rekening wordt gehouden met maatschappelijke behoeften, met het oog op verbetering van de ondernemersvaardigheden en de omstandigheden die de ontwikkeling en groei van ondernemingen in de sociale en solidaire economie mogelijk maken, en waarbij sociale-innovatieclusters tot stand worden gebracht; acht het van belang rekening te houden met de standpunten van belanghebbenden, met inbegrip van de sociale partners en consumentenorganisaties; roept de lidstaten op het coöperatieve ondernemersmodel te bevorderen;

14.  onderstreept dat alle lidstaten samen de noodzakelijke randvoorwaarden moeten scheppen voor een systeem voor sociale innovatie in alle lidstaten, aangezien de sociale en solidaire economie alleen niet bij machte is om de symptomen en oorzaken van de meest urgente sociale problemen te bestrijden;

De Europa 2020-strategie

15.  erkent dat de EU, wat het behalen van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie betreft, nog een lange weg te gaan heeft, met name wat de doelstellingen inzake werkgelegenheid, innovatie en de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting betreft; merkt op dat de sociale en solidaire economie niet alleen bijdraagt aan een duurzamer, slimmer en inclusiever economisch model, maar ook aan het Europees sociaal model, en deel uitmaakt van de interne markt, en derhalve grote erkenning en steun van de EU en de lidstaten verdient, overeenkomstig de grondwet van een aantal lidstaten en diverse basisdocumenten van de EU; verzoekt daarom de sociale en solidaire economie in aanmerking te nemen bij de herziening van de Europa 2020-strategie, gezien de belangrijke bijdrage die zij kan leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de strategie;

16.  wijst erop dat er een verband is tussen demografische veranderingen en nieuwe consumptiepatronen, en dat de vergrijzing van de bevolking in ontwikkelde landen leidt tot meer vraag naar sociale dienstverlening, maar tevens kansen biedt voor het oprichten van maatschappelijk verantwoorde ondernemingen;

17.  benadrukt dat de sociale en solidaire economie, gezien het sociaal en integrerend karakter ervan, leidt tot werkgelegenheid voor de groepen die het vaakst van de open arbeidsmarkt zijn uitgesloten, en zodoende bijdraagt tot solidariteit en sociale cohesie, alsook tot economische groei;

18.  is van mening dat ondernemingen in de sociale en solidaire economie processen in gang kunnen zetten met behulp waarvan de steeds schaarser wordende hulpmiddelen op een meer efficiënte, verantwoorde en transparante wijze kunnen worden beheerd, en de toepassing van maatschappelijk verantwoorde maatregelen kunnen bevorderen;

19.  verzoekt de lidstaten om ondernemingen in de sociale en solidaire economie beter te integreren in de actieplannen inzake werkgelegenheid en maatschappelijke integratie, alsook in de nationale hervormingsprogramma's, met als doel hun werkgelegenheidspotentieel en de bijdrage die zij kunnen leveren aan de verwezenlijking van de kerndoelen van Europa 2020 te ontsluiten en te benutten;

20.  is ingenomen met het feit dat de voorfinanciering van de begroting voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief is verhoogd tot 30 %; verzoekt de lidstaten de maatregelen ter bevordering van sociaal ondernemerschap af te stemmen op hun nationale uitvoeringsplannen voor de jongerengarantie; verzoekt de Commissie en de lidstaten sociaal ondernemerschap en innovatie aan te moedigen in het kader van de nationale operationele programma's van het ESF; dringt erop aan dat de jongerengarantieregelingen op doeltreffende en efficiënte wijze ten uitvoer worden gelegd;

Overheidsopdrachten

21.  benadrukt dat het niet gemakkelijk is voor ondernemingen in de sociale en solidaire economie om overheidsopdrachten in de wacht te slepen, bijvoorbeeld door belemmeringen in verband met omvang en financiële draagkracht; verzoekt om de snelle en effectieve tenuitvoerlegging van de nieuwe richtlijnen betreffende overheidsopdrachten en concessies (Richtlijnen 2014/24/EU, 2014/25/EU en 2014/23/EU), teneinde de deelname van ondernemingen in de sociale en solidaire economie aan aanbestedingsprocedures voor overheidsopdrachten te vergroten, de reservering van opdrachten voor dergelijke ondernemingen te verbeteren, hun rol te bevorderen en sociale inclusie en sociale innovatie te stimuleren; roept op tot actie om de deelname van dergelijke ondernemingen aan overheidsopdrachten te vereenvoudigen via passend advies, eenvoudigere procedures, en een dusdanige opstelling van aanbestedingen dat ook kleinere ondernemingen eraan kunnen deelnemen; wenst dat bij overheidsopdrachten niet alleen rekening wordt gehouden met de laagste prijs, maar vooral ook de toegevoegde economische en maatschappelijke waarde wordt beloond, door sociale en milieucriteria in aanmerking te nemen;

22.  staat positief tegenover de hervorming van de richtlijnen betreffende overheidsopdrachten en concessies, waarin sociale clausules en criteria zijn opgenomen om sociale inclusie en sociale innovatie te stimuleren, alsmede voorbehouden opdrachten ter bevordering van de arbeidsparticipatie van de meest achtergestelde personen op de arbeidsmarkt; verzoekt de lidstaten deze aanbestedingsbeginselen op de juiste wijze ten uitvoer te leggen in alle aanbestedings- en selectieprocedures, waarbij wijdverbreid gebruik wordt gemaakt van de economisch voordeligste inschrijving, in overeenstemming met de verplichtingen die voortvloeien uit het milieu-, sociaal en arbeidsrecht; dringt er bij de lidstaten op aan sociale clausules en criteria op te nemen in de procedures voor overheidsopdrachten, teneinde de positie van achtergestelde personen op de arbeidsmarkt te versterken, de administratieve lasten te verminderen, de procedures te vereenvoudigen en doeltreffendere maatregelen tegen corruptie te nemen;

23.  betreurt dat in de strategie van de Commissie voor een Europese digitale eengemaakte markt geen melding wordt gemaakt van ondernemingen in de sociale en solidaire economie en hun mogelijke bijdrage tot het behalen van de Uniedoelstellingen; betreurt het feit dat in die strategie geen rekening wordt gehouden met de noodzaak om voor iedereen volledige, gelijke en onbeperkte toegang te waarborgen tot nieuwe digitale technologieën, markten en telecommunicatiediensten, met name voor mensen met een handicap; benadrukt dat technologiebedrijven in de sociale en solidaire economie een cruciale rol kunnen spelen bij het op een eenvoudige en kosteneffectieve manier aanpakken van maatschappelijke uitdagingen;

Financiering

24.  betreurt het feit dat ondernemingen in de sociale en solidaire economie nog meer moeite hebben dan traditionele ondernemingen om publieke of particuliere financiering te krijgen, en roept de overheid en financiële dienstverleners derhalve op een omvangrijk, adequaat financieel instrumentarium te ontwikkelen om sociale ondernemingen in alle stadia van hun ontwikkeling, in het bijzonder bij hun oprichting, doeltreffend te ondersteunen, en tevens een kader tot stand te brengen om potentiële investeerders en de gespecialiseerde fondsen bij elkaar te brengen;

25.  wijst erop dat de toegang tot financiering wordt bemoeilijkt omdat de managers van financiële intermediairs niet goed weten hoe de realiteit eruit ziet voor ondernemingen in de sociale en solidaire economie; benadrukt dat het noodzakelijk is dat deze managers een betere opleiding krijgen over dergelijke ondernemingen, zodat zij gemakkelijker toegang tot financiering kunnen krijgen; pleit derhalve voor de invoering van een Europees waarmerk voor sociaal ondernemerschap, dat het voor investeerders eenvoudiger maakt fondsen te herkennen met een portefeuille bestaande uit sociale ondernemingen, in het bijzonder het Europees sociaalondernemerschapsfonds;

26.  onderstreept dat de oprichting en ondersteuning van netwerken van sociale ondernemingen sterker moet worden gestimuleerd om synergieën in de organisatie en bij de uitwisseling en verspreiding van technologieën te bevorderen, alsook om de onderlinge dienstverlening tussen producenten uit verschillende regio's te ontwikkelen;

27.  onderstreept de noodzaak om een meer gestructureerde dialoog tussen kmo's, sociale en solidaire ondernemingen en financiële instellingen te bevorderen aan de hand van speciale onlineplatforms;

28.  is verheugd over de goedkeuring van de verordening inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen;

29.  is ingenomen met het feit dat een deel van de financiële middelen voor het EaSI-programma is gereserveerd voor het vergemakkelijken van de toegang tot financiering voor ondernemingen in de sociale en solidaire economie; benadrukt dat de pijler sociaal ondernemerschap van EaSI, het ESF en alle andere relevante EU-programma's een belangrijke rol spelen bij het verbeteren van het functioneren van dergelijke ondernemingen; benadrukt de behoefte aan betere informatieverstrekking over financieringsmogelijkheden; verzoekt de lidstaten om nationale contactpunten of centrale loketten op te zetten die de actoren in de sociale en solidaire economie moeten helpen om toegang te krijgen tot de financieringsregelingen van de EU;

30.  vraagt de Commissie om te controleren of het uit hoofde van EaSI vastgestelde maximum voor kredieten aan sociale ondernemingen overeenstemt met de marktomstandigheden;

31.  wijst erop dat het nodig is om op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau voldoende financiële middelen uit te trekken voor ondernemingen in de sociale en solidaire economie, teneinde synergieën tussen de verschillende ondernemingsvormen tot stand te brengen; verzoekt de lidstaten en de Commissie te erkennen dat de vereiste financiële middelen beschikbaar moeten worden gesteld; acht het derhalve noodzakelijk om de toegang tot financiering voor ondernemingen in de sociale en solidaire economie op verschillende manieren te verbeteren, bijvoorbeeld via Europese fondsen, risicokapitaalfondsen, microkredieten en collectieve microfinanciering (crowdfunding);

32.  verzoekt de lidstaten om de publieke dienstverlening (zoals gezondheidszorg en onderwijs) via de lokale overheden te versterken en deze te gebruiken als vliegwiel om de kwaliteit van de dienstverlening te verbeteren, arbeidskansen te bieden en het niveau van de verleende diensten te verhogen, en aldus armoede en sociale uitsluiting te verminderen;

33.  wijst erop dat de staatssteunregels geen belemmering mogen vormen voor de overheidsfinanciering van ondernemingen in de sociale en solidaire economie en sociale diensten; verzoekt de Commissie in dit verband zoveel mogelijk flexibiliteit aan de dag te leggen bij de toepassing van de staatssteunregels voor dergelijke ondernemingen en diensten, en ertoe bij te dragen dat lokale en regionale autoriteiten de desbetreffende staatssteun begrijpen en correct toepassen;

34.  betreurt dat in de verordening betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen de sociale en solidaire economie slechts in de overwegingen aan de orde komt; verzoekt de Commissie de sociale investeringsaanpak in het kader van het pakket sociale investeringen te blijven bevorderen, alsook rekening te houden met projecten in verband met de sociale en solidaire economie wanneer de projecten van het Europees Fonds voor strategische investeringen worden geëvalueerd;

35.  bekritiseert het feit dat ondernemingen die werklozen in dienst nemen, die tot stand zijn gekomen door partnerschappen tussen ondernemingen in de sociale en solidaire economie, meestal geen toegang hebben tot de fondsen die voor kmo's bedoeld zijn; vraagt de Commissie een nieuwe uitzondering op de juridische definitie van kmo's voor te stellen, die vergelijkbaar is met de bestaande definities voor openbare participatiemaatschappijen, risicokapitaalmaatschappijen en universiteiten en onderzoekscentra zonder winstoogmerk, teneinde ervoor te zorgen dat een inschakelingsbedrijf kan worden gekwalificeerd als een onafhankelijke onderneming, ook wanneer een andere onderneming, alleen of samen met andere ondernemingen, over 25 % of meer van het kapitaal of van de stemrechten in de raad van bestuur beschikt;

Opleiding

36.  verzoekt de lidstaten een ondernemerscultuur en het coöperatieve ondernemersmodel te bevorderen, en sociaal ondernemerschap en de beginselen van de sociale en solidaire economie op te nemen in onderwijs- en opleidingsprogramma's; verzoekt hen tevens de oprichting van starterscentra binnen universiteiten voor ondernemingen in de sociale en solidaire economie aan te moedigen;

37.  wijst erop dat de sociale en solidaire economie kan helpen het aantal jonge werklozen in de EU aanzienlijk te verlagen; verzoekt de lidstaten een grotere deelname van ondernemingen in de sociale en solidaire economie aan de onderwijs- en opleidingsprogramma’s van de lidstaten te bevorderen, met name door middel van duale leerstelsels;

38.  verzoekt de lidstaten arbeidsbureaus uit te rusten met middelen waarmee zij doeltreffende informatie kunnen verstrekken aan personen die in de sociale en solidaire economie aan de slag willen gaan;

39.  wijst erop dat bepaalde ondernemingen in de sociale en solidaire economie een goede concurrentiepositie en een voortrekkersrol in hun sector hebben, terwijl andere ondernemingen behoefte hebben aan gespecialiseerde kennis om hun bedrijf op te starten, te ontwikkelen en te beheren; verzoekt de lidstaten opleidingsprogramma's op te zetten, gericht op en aangepast aan ondernemers in de sociale sector, met bijzondere aandacht voor groepen waarvan de arbeidsparticipatie lager ligt, zoals vrouwelijke, jonge of kwetsbare werknemers, met als doel hun basiskennis en -vaardigheden inzake bedrijfsbeheer te ontwikkelen;

40.  verzoekt de lidstaten levenslang leren en loopbaanbegeleiding voor oudere werknemers, langdurig werklozen en mensen met een handicap te bevorderen via ondernemingen in de sociale en solidaire economie, teneinde de toetreding tot de arbeidsmarkt voor hen te vergemakkelijken;

41.  wijst erop dat een goed begrip van de mensenrechten een wezenlijke bijdrage levert aan de verwezenlijking van de sociale doelstellingen van ondernemingen in de sociale en solidaire economie; roept de lidstaten derhalve op opleidingsprogramma's te ontwikkelen om beroepsbeoefenaren in de sociale sector te onderrichten over de juiste uitvoering van de beginselen van de mensenrechten in Europa;

42.  verzoekt de Commissie en de lidstaten volledig gebruik te maken van de mogelijkheden van programma’s als Erasmus+ om de uitwisseling van studenten en docenten en van andere innovatieve ondernemers te stimuleren;

43.  wijst erop dat sectoren met veel ruimte voor groei en werkgelegenheid, zoals de "witte" en de "groene" sector, sectoren zijn waarin de sociale en solidaire economie zeer aanwezig is; dringt er daarom bij de lidstaten op aan onderwijs en opleiding in die sectoren te bevorderen;

Steun en bevordering

44.  betreurt ten zeerste dat de sociale en solidaire economie op Europees niveau nauwelijks erkend wordt; is van mening dat een betere verzameling van naar sekse opgesplitste gegevens, uitwisseling van informatie en optimale praktijken op Europees niveau, in combinatie met meer media-aandacht voor de sociale en solidaire economie en haar verworvenheden ten goede zou komen aan de betrokkenheid van de maatschappij bij de sociale en solidaire economie, waardoor de sector beter begrepen zou worden en meer erkenning en zichtbaarheid zou krijgen;

45.  is voorstander van het opzetten van een meertalig digitaal platform voor het uitwisselen van gegevens voor sociale ondernemers, starterscentra, bedrijvenclusters en investeerders die geld steken in sociale ondernemingen, alsook van het vereenvoudigen van het uitwisselen van informatie en het verkrijgen van steun via de EU-programma's; is van mening dat de betrokken partijen voorafgaand aan de ontwikkeling van een dergelijk platform moeten worden geraadpleegd;

46.  verzoekt de Commissie een vergelijkende analyse uit te voeren van nationale certificerings- en etiketteringsregelingen inzake de sociale en solidaire economie en om de uitwisseling van optimale praktijken te vereenvoudigen, in nauwe samenwerking met ondernemingen in de sociale en solidaire economie;

47.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de ontwikkeling van starterscentra voor ondernemingen in de sociale en solidaire economie te bevorderen, alsook het reeds concreet overeengekomen internetplatform voor de uitwisseling van gegevens tussen sociale investeerders en sociale ondernemers (het Social Innovation Europe-platform) tot stand te brengen en daar doeltreffend reclame voor te maken;

48.  verzoekt de lidstaten de uitwisseling van optimale praktijken te verbeteren met betrekking tot mogelijke manieren om ondernemingen in de sociale en solidaire economie en sociale investeringen te ondersteunen, onder meer door, in voorkomend geval, belastingvermindering of -prikkels voor dergelijke ondernemingen die zich bezighouden met kwetsbare groepen, zoals mensen met een handicap;

49.  verzoekt de Commissie de door de lidstaten uitgevoerde concrete maatregelen nauwlettend te volgen, teneinde ervoor te zorgen dat degenen die voor het sociaal en solidair ondernemerschap hebben gekozen dezelfde rechten hebben op het gebied van sociale bescherming en gezondheidszorg en arbeidszekerheid;

50.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat geen enkele door de lidstaten uitgevoerde maatregel een belemmering vormt voor het vrije verkeer van werknemers, zodat degenen die voor het sociaal en solidair ondernemerschap kiezen, hun activiteiten waar dan ook op het grondgebied van de Unie kunnen uitoefenen;

51.  ondersteunt de opvatting dat ondernemingen in de sociale en solidaire economie als een aparte bedrijfsgroep met een eigen rechtsvorm kunnen worden beschouwd, met andere doelstellingen dan simpelweg een winstoogmerk ten gunste van de aandeelhouders; verzoekt de Commissie, overeenkomstig de Rome-strategie die door Europese vertegenwoordigers van de sociale en solidaire economie werd aangenomen, met een wetgevingskader voor dergelijke ondernemingen te komen, dat aan de hand van het Europees statuut voor coöperaties, stichtingen en onderlinge maatschappijen tot stand moet worden gebracht;

52.  verzoekt de Commissie de sociale dialoog in de sociale en solidaire economie te versterken, teneinde sociale innovatie te bevorderen en de arbeidsomstandigheden te verbeteren, alsook de volledige erkenning van het werkgelegenheidspotentieel van de sector te waarborgen;

o
o   o

53.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0049.
(2) PB C 76 E van 25.3.2010, blz. 16.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0301.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0429.
(5) PB C 199 E van 7.7.2012, blz.187.
(6) PB C 183 van 14.6.2014, blz. 18.


Totstandbrenging van een concurrerende EU-arbeidsmarkt voor de 21e eeuw: afstemming van vaardigheden en kwalificaties op de vraag en kansen voor werk, als manier om de crisis te overwinnen
PDF 235kWORD 124k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 september 2015 over de totstandbrenging van een concurrerende arbeidsmarkt in de EU voor de 21ste eeuw: het afstemmen van vaardigheden en kwalificaties op vraag en werkgelegenheid, als een manier om de crisis te boven te komen (2014/2235(INI))
P8_TA(2015)0321A8-0222/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien zijn resolutie van 22 oktober 2014 inzake het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: uitvoering van de prioriteiten voor 2014(1),

–  gezien zijn resolutie van 15 april 2014 getiteld "Hoe kan de Europese Unie bijdragen tot de totstandkoming van een stimulerend klimaat voor het scheppen van banen door ondernemingen, bedrijven en starters?"(2),

–  gezien zijn standpunt van 29 april 2015 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Sociaal Fonds, inzake een verhoging van het bedrag van de initiële voorfinanciering dat wordt uitgekeerd aan door het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gesteunde operationele programma's(3),

–  gezien zijn resolutie van 17 juli 2014 over werkgelegenheid voor jongeren(4),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2014 over de eerbiediging van het fundamentele recht van vrij verkeer in de EU(5),

–  gezien een van de prioriteiten van de conclusies van de Europese Raad van 26-27 juni 2014: helpen bij de ontwikkeling van vaardigheden, talent aanboren en het leven van iedereen veranderen door de bevordering van de juiste vaardigheden voor de hedendaagse economie en een leven lang leren,

–  gezien het voorstel van de Commissie van 17 januari 2014 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake een Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening, de toegang van werknemers tot mobiliteitsdiensten en de verdere integratie van de arbeidsmarkten (COM(2014)0006),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren(6),

–  gezien zijn aanbeveling en de aanbeveling 2006/962/EC van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren(7),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0222/2015),

A.  overwegende dat het bestaan van beroepen waarvan vacatures niet kunnen worden ingevuld door een gebrek aan gekwalificeerde werknemers aanzienlijk verschilt van lidstaat tot lidstaat;

B.  overwegende dat, volgens de Commissie(8), tot wel 12,4 miljoen mensen langer dan een jaar werkloos zijn, waarvan 6 miljoen langer dan twee jaar; overwegende dat de langdurige werkloosheid een negatief effect heeft op de economische groei en de duurzaamheid van de sociale zekerheidsstelsels, en een structureel probleem kan worden;

C.  overwegende dat starheid op de arbeidsmarkt, de achterblijvende interne vraag en het gebrek aan investeringen een negatief effect hebben op de werkgelegenheid en dat een concurrerende arbeidsmarkt in de EU die rekening houdt met deze drie factoren kan bijdragen aan de verwezenlijking van de werkgelegenheidsdoelstellingen en de doelstellingen inzake de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting van Europa 2020;

D.  overwegende dat de vraag naar laagopgeleide werknemers afneemt, terwijl de vraag naar hoogopgeleide werknemers aanzienlijk toeneemt; overwegende dat door deze ontwikkeling van de Europese arbeidsmarkt moet worden gewerkt aan de vaardigheden van werknemers en de basis- en beroepsopleiding;

E.  overwegende dat in 2012 een op de drie Europese werknemers over- of ondergekwalificeerd was voor zijn of haar baan(9); overwegende dat jongere werknemers over het algemeen vaker formeel overgekwalificeerd zijn, terwijl zij ook vaker dan oudere werknemers werkzaam zijn in banen die minder goed aansluiten bij hun vaardigheden;

F.  overwegende dat volgens sommige studies een relevant deel van de bestaande banen zal verdwijnen of het aantal arbeidsplaatsen sterk zal dalen als gevolg van de automatisering;

G.  overwegende dat het streven naar een hoger gekwalificeerde economie betekent dat gedurende de komende vijf jaar veel meer bedrijven een groei verwachten van het aantal banen waarvoor leiderschap, management en hogere kwalificaties vereist zijn;

H.  overwegende dat de mobiliteit van Europese werknemers hun inzetbaarheid vergroot en zorgt voor een beter concurrerende Europese arbeidsmarkt;

De economische crisis en de nasleep ervan

1.  neemt ter kennis dat in de nasleep van de Europese economische en financiële crisis en de daaropvolgende economische recessie een aantal lidstaten te kampen hebben met hoge werkloosheid (EU-28: 9,8 %) en overheidsschuld, lage groei en ontoereikende investeringen; neemt kennis van de bezuinigingen op de overheidsuitgaven; is voorts bezorgd over het feit dat de jeugdwerkloosheidscijfers in een groot aantal lidstaten veel hoger zijn (EU-28: 20,9 %) en dat er slechts sporadisch sprake is van verbetering en lagere cijfers;

2.  is van mening dat er ambitieuze economische en sociale beleidsmaatregelen en hervormingen van de arbeidsmarkt nodig zijn om slimme, duurzame en inclusieve groei te stimuleren en meer banen te scheppen, wat leidt tot hoogwaardige en duurzame werkgelegenheid; benadrukt voorts de noodzaak van duurzame socialezekerheidsstelsels voor het verbeteren van de vaardigheden van werklozen en het bevorderen van de inzetbaarheid van mensen die helemaal geen opleiding hebben genoten of zeer laag geschoold zijn, alsook van prikkels en kansen om aan het werk te gaan;

De situatie op de arbeidsmarkt in de EU

3.  merkt op dat er, zelfs als het arbeidsaanbod toereikend is om te voldoen aan de arbeidsvraag, mogelijk nog steeds kwalitatieve tekorten zijn, aangezien de werkzoekenden wellicht niet geschikt zijn voor een bepaalde vacature als gevolg van een discrepantie tussen de sector, het beroep of de vereiste vaardigheden;

4.  is bezorgd over het feit dat de werkloosheidscijfers in de EU relatief hoog blijven (maart 2015, EU-28: 9,8 %), en dat de situatie in slechts weinig landen merkbaar is verbeterd, en vestigt de aandacht op de aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten, waarbij Duitsland en Oostenrijk de laagste (ongeveer 5 %) en Griekenland en Spanje de hoogste (respectievelijk 26 % en 23 %(10)) werkloosheidspercentages hebben; overwegende dat deze enorme verschillen het risico op versnippering van de arbeidsmarkt binnen en tussen de lidstaten vergroten en de economische stabiliteit en de sociale cohesie in de EU kunnen ondermijnen;

5.  vestigt de aandacht op het feit dat de gemiddelde arbeidsparticipatie van vrouwen in de EU meer dan tien procentpunten lager is dan die van mannen en wijst erop dat de verwezenlijking van het in de Europa 2020-strategie aangegeven werkgelegenheidsstreefcijfer van 75 % afhankelijk is van de verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen via beleid dat er met name op gericht is de combinatie van werk en huishoudelijke taken te vergemakkelijken;

6.  merkt op dat de jeugdwerkloosheidscijfers van de EU-lidstaten sterk uiteenlopen, met in sommige lidstaten een werkloosheidspercentage van meer dan 50 % onder jongeren in de leeftijd van 16 tot 25 jaar; benadrukt dat de hoge jeugdwerkloosheid niet alleen een hele generatie treft, maar tevens het evenwicht tussen de generaties in gevaar brengt;

7.  benadrukt dat er nog steeds sprake is van een verschil van 26 % in de arbeidsparticipatie van mensen met een handicap in vergelijking met de gemiddelde arbeidsparticipatie in de EU, waarbij de arbeidsparticipatie van mensen met een handicap minder dan 50 % bedraagt;

8.  is zeer bezorgd over de jeugdwerkloosheid in Europa; onderstreept in dit verband het belang van duaal onderwijs zoals beroepsopleidingen en het leerlingwezen voor het laten aansluiten van de vaardigheden van jongeren op de vraag van de arbeidsmarkt;

9.  wijst erop dat aspecten zoals gekwalificeerd personeel, innoverend vermogen, groeiende koopkracht en een stabiel sociaal-economisch en politiek klimaat essentieel zijn om een goed investeringsklimaat tot stand te brengen;

10.  wijst op het hoge aantal langdurig werklozen, dat dringend moet worden aangepakt om nadelige gevolgen voor de veerkracht te vermijden;

11.  merkt op dat diverse belangrijke uitdagingen van invloed zijn op de arbeidsmarkt in Europa, zoals mondialisering, een vergrijzende samenleving, snelle technologische veranderingen zoals digitalisering en robotisering, discrepanties tussen het aanbod van vaardigheden en de arbeidsmarkt en een toenemende vraag naar hooggekwalificeerde arbeidskrachten, met een overaanbod van laaggeschoolde arbeidskrachten met polarisatie van lonen tot gevolg;

12.  wijst echter op de door Cedefop benadrukte risico's met betrekking tot het voortduren van de discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden en het verouderen van vaardigheden door de lage vraag die een hoge werkloosheid teweegbrengt;

13.  benadrukt de aanzienlijke verschillen in vacatures tussen de lidstaten; onderstreept in dit verband dat vacatures een cruciaal aspect vormen van een dynamische arbeidsmarkt waarop vaardigheden en banen op elkaar worden afgestemd en die kansen en mogelijkheden voor het bedrijfsleven en werknemers creëert; is zeer bezorgd over de statische situatie op de arbeidsmarkten van sommige lidstaten; roept derhalve op tot een Europese benchmark inzake vacatures in de lidstaten; de gegevens voor een dergelijke benchmark kunnen jaarlijks via de arbeidskrachtenenquête worden verzameld en hiermee dient minimaal te worden gemeten: het aantal vacatures in een lidstaat en de gemiddelde duur van de werkloosheid;

14.  wijst erop dat er in Europa enerzijds 24 miljoen werklozen zijn, onder wie 7,5 miljoen NEET's, en anderzijds twee miljoen vacatures, en dat Europese bedrijven te maken hebben met een enorm gebrek aan opgeleide mensen en arbeidskrachten met overdraagbare vaardigheden;

15.  wijst erop dat, ondanks het feit dat sommige lidstaten te kampen hebben met hoge werkloosheidscijfers en andere lidstaten met niet-ingevulde vacatures, de arbeidsmobiliteit binnen de EU internationaal gezien laag blijft (EU-27: 0,29 %) en bijna tien keer zo laag is als in de Verenigde Staten en vijf keer zo laag als in Australië, onder meer als gevolg van bestaande belemmeringen; vestigt de aandacht op de zeven miljoen EU-burgers die, per 2013, in een andere lidstaat dan hun land van staatsburgerschap wonen; herinnert er tevens aan dat er momenteel sprake is van twee miljoen niet-ingevulde vacatures in de EU; benadrukt derhalve de noodzaak van eerlijke arbeidsmobiliteit in de Unie om deze leemte te kunnen opvullen;

16.  wijst erop dat de arbeidsmarkt van de EU de grote concentraties werklozen in verschillende Europese regio's kan helpen absorberen;

17.  is van mening dat de arbeidsmarkt van de EU zich moet aanpassen aan de cultuur, het productiemodel en het bedrijfsleven van de verschillende Europese regio's, en dat deze verschillen in aanmerking moeten worden genomen bij het nemen van maatregelen die de arbeidsmarkt flexibeler maken;

18.  herinnert eraan dat mensen tijdens een economische recessie moeilijker een baan vinden en soms werk moeten aanvaarden waarvoor minder onderwijs vereist is dan zij gevolgd hebben; onderstreept dat groei door het scheppen van geschoolde banen en het stimuleren van nieuwe werkgelegenheid door investeringen in nieuwe sectoren te ondersteunen, goede middelen zijn om de omvang van het verschijnsel overkwalificatie in de EU-economieën terug te dringen;

Stimulering van een concurrerende arbeidsmarkt in de EU

19.  meent dat er, met het oog op een concurrerende arbeidsmarkt in de EU, behoefte is aan ambitieuze hervormingen om de inclusiviteit, slimme flexibiliteit, innovatie en mobiliteit te vergroten, de rol van de sociale dialoog te versterken, het scheppen van meer banen -wat leidt tot hoogwaardige en duurzame werkgelegenheid- te stimuleren, de productiviteit te bevorderen en een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van het menselijk potentieel, in het licht van de voortdurend veranderende arbeidsmarkten en productiepatronen;

20.  benadrukt dat er verdere inspanningen moeten worden geleverd om onderwijs, opleiding en de arbeidsmarkt dichter bij elkaar te brengen, en herhaalt dat slimme, duurzame en inclusieve groei, concurrentievermogen en nieuwe banen in Europa tot stand moeten worden gebracht via een holistische benadering die aansluit bij de behoeften op de arbeidsmarkt en ondersteuning biedt aan kwetsbare groepen door de arbeidsvoorwaarden te verbeteren en te voorzien in stimulansen;

21.  wijst erop dat openbare diensten voor arbeidsvoorziening een belangrijke rol spelen bij het waarborgen dat de terugkeer naar groei van de werkgelegenheid niet ten koste gaat van een mindere kwaliteit van de aansluiting van vraag en aanbod van vaardigheden;

22.  wijst erop dat de arbeidswetgeving begrijpelijker moet worden gemaakt voor werknemers en werkgevers, dat de belemmeringen voor de werkgelegenheid moeten worden weggenomen en de rechtszekerheid voor ondernemingen en werknemers moet worden bevorderd;

23.  benadrukt dat jongeren vaak steeds meer moeilijkheden ondervinden bij de overgang van onderwijs naar werk en daardoor gewoonlijk meer kans lopen om werkloos te worden of in een onzekere baan van lage kwaliteit terecht te komen;

24.  wijst op het belang van het ESCO-initiatief (Europese vaardigheden, competenties, kwalificaties en beroepen) om in 25 Europese talen de voor de EU-arbeidsmarkt relevante vaardigheden, competenties, kwalificaties en beroepen alsmede de bijbehorende onderwijs- en opleidingsvereisten per categorie te publiceren;

25.  wijst op het belang van menselijke ontwikkeling, loopbaanflexibiliteit en persoonlijke betrokkenheid; herinnert er in dit verband aan dat beroepsmobiliteit een fundamentele factor is en dat substantiële investeringen nodig zijn om inzetbaarheid en aanpassingsvermogen actief te ondersteunen en uitputting van vaardigheden onder werklozen te voorkomen;

26.  onderstreept het belang van sociale investeringen die tot doel hebben een activerende toestand te creëren waarin werknemers worden voorzien van instrumenten waarmee zij zich gemakkelijk kunnen aanpassen aan veranderende sociale en economische omstandigheden en aan de vereisten op de arbeidsmarkten;

27.  meent dat de lidstaten door een internationaal concurrerend opleidingsniveau hoogwaardige segmenten van de wereldmarkt kunnen veroveren;

28.  wijst erop dat de circulaire economie het potentieel heeft om miljoenen banen in de EU te scheppen en kan leiden tot duurzame en inclusieve groei;

29.  herinnert aan het belang van de mobiliteit van werknemers, geografisch en tussen sectoren, als optie voor een competitieve arbeidsmarkt, en benadrukt dat de administratieve en taalbarrières die dit tegenhouden, moeten worden verlaagd en dat er behoefte is aan verdere ontwikkeling van hulpmiddelen ter bevordering van mobiliteit, zoals een snelle erkenning van formele, niet-formele of informele kwalificaties tussen de lidstaten, het Europees kwalificatiekader, het Europees cv en het Europese vaardighedenpaspoort, alsook het verzorgen van sectorspecifieke taalcursussen en training op het gebied van interculturele communicatie; stimuleert de bewustmaking en een verdere verbetering van het EU-brede Eures-portaal voor beroepsmobiliteit, met name door te zorgen voor de opleiding en terbeschikkingstelling van een toereikend aantal Eures-adviseurs, die gelijk over het grondgebied worden verdeeld, om van Eures een onmisbaar instrument voor de arbeidsmarkt van de EU te maken; benadrukt het belang van nauwere samenwerking tussen de nationale openbare diensten voor arbeidsvoorziening en de toekomstige opneming van particuliere diensten voor arbeidsvoorziening en andere belanghebbenden in het Eures-netwerk; benadrukt het belang van EU-initiatieven die gericht zijn op het bevorderen van de mobiliteit en het creëren van kansen, zoals Erasmus+, het Europees kwalificatiekader, het Europass-cv, het Europees vaardighedenpaspoort, het Europees portaal voor beroepsmobiliteit (Eures), de kennisallianties en de Europese Alliantie voor leerlingplaatsen; wenst dat aan deze initiatieven meer bekendheid wordt gegeven om de situatie op de Europese arbeidsmarkt te verbeteren;

30.  herhaalt dat in Europa een groot economisch potentieel van vrouwen moet worden ontsloten en dat er passende omstandigheden voor vrouwen moeten worden gecreëerd om carrière te maken en hogere functies in bedrijven na te streven of een eigen bedrijf te beginnen; benadrukt de noodzaak van het dichten van de kloof tussen het opleidingsniveau van vrouwen en hun participatie en positie op de arbeidsmarkt; herinnert aan het belang van gendergelijkheid, inclusief het dichten van de genderkloof op het gebied van beloning en het verhogen van de arbeidsparticipatie van vrouwen, alsook het versterken van het beleid inzake het combineren van werk en privéleven, als onderdeel van de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen voor werkgelegenheid;

31.  is ingenomen met de positieve resultaten van de proef van de arbeidsmobiliteitsregeling "je eerste Eures-baan", waarmee jongeren doeltreffend kunnen worden bereikt en gerichte diensten voor werkzoekenden en werkgevers kunnen worden ontwikkeld; benadrukt de positieve overloopeffecten tussen de regeling "je eerste Eures-baan" en Eures;

32.  benadrukt in dit verband het belang van een actief arbeidsmarktbeleid, een leven lang leren en verbetering van het aanpassingsvermogen aan technologische veranderingen; dringt er bij de lidstaten op aan hun actieve arbeidsmarktbeleid uit te breiden en effectiever te maken;

33.  is van mening dat een samenhangende en brede strategie voor efficiëntere en wederzijds voordelige vormen van werkorganisatie zal helpen om de arbeidsmarkt veerkrachtiger te maken door optimaal gebruik te maken van het kennispotentieel van de werknemers en de kwaliteit van hun banen te verbeteren; is van mening dat er meer participerende en krachtigere vormen van werkorganisatie kunnen worden ontwikkeld om de betrokkenheid van werknemers bij innovatie te vergroten en de betrokkenheid, de aanwending van vaardigheden en de ontwikkeling van werknemers, en derhalve de prestaties van ondernemingen, te ondersteunen;

34.  wijst erop dat, gezien de aangekondigde snelle veranderingen op de arbeidsmarkt, geïnvesteerd moet worden in onderwijs en opleiding voor de jeugd van vandaag; wijst erop dat vaardigheidsbeleid niet alleen gericht moet zijn op het vervullen van de behoeften van de arbeidsmarkt, maar ook op het toerusten van mensen met de noodzakelijke transversale competenties om zich als actieve en verantwoordelijke burgers te ontwikkelen; verzoekt de Commissie en de lidstaten te respecteren dat onderwijs en opleidingen niet louter een arbeidsmarktinstrument zijn noch zijn bedoeld voor de scholing van toekomstige werknemers, maar in de eerste plaats een fundamenteel recht vormen en op zich al waarde hebben;

Anticipatie op toekomstige vaardigheden

35.  meent dat belanghebbenden op de arbeidsmarkt, met inbegrip van werkgevers- en werknemersorganisaties, en onderwijs- en opleidingsinstellingen, op alle niveaus zeer nauw moeten worden betrokken bij, met name, het ontwerp, de tenuitvoerlegging en de evaluatie van programma's voor beroepsopleiding, die voorzien in een doeltreffende overgang van formeel onderwijs naar beroepspraktijkvorming, teneinde te kunnen anticiperen op toekomstige behoeften aan vaardigheden;

36.  wenst een beter inzicht in de vaardigheden waar nu en in de toekomst behoefte aan is, en uitbreiding van het bestaande EU-vaardighedenpanorama om vaardighedentekorten in specifieke sectoren, beroepen en regio's beter in kaart te brengen en ervoor te zorgen dat de informatie over verschuivingen in de benodigde vaardigheden wordt verzameld, verwerkt en doorgespeeld aan besluitvormers en overheden, onderwijs- en opleidingsinstellingen en werkgevers, zodat op effectievere wijze op toekomstige trends kan worden geanticipeerd;

37.  is van mening dat onderwijs cruciaal is om meer onderzoeks- en innovatieresultaten te bereiken, zodat meer werkgelegenheid voor hooggeschoolden kan worden gecreëerd en daardoor weer het concurrentievermogen van de Europese economie wordt vergroot;

38.  benadrukt het belang van beter geïntegreerde partnerschappen en vertrouwen tussen scholen, instellingen voor hoger onderwijs, ondernemingen en andere relevante autoriteiten, teneinde de vraag op de arbeidsmarkt voor de toekomst te kunnen inschatten, de programma's voor het verwerven van vaardigheden te herzien en nieuwe programma's in te voeren en de samenwerking en uitwisseling van goede werkwijzen tussen de lidstaten en regionale en lokale autoriteiten te bevorderen, onder meer door monitoring van de onevenwichtigheden op de arbeidsmarkt op regionaal en lokaal niveau; herinnert eraan dat er tegelijkertijd sociale verantwoordelijkheid van alle belanghebbenden nodig is, alsook hun betrokkenheid bij de verdere ontwikkeling van monitoring- en prognose-instrumenten;

39.  meent dat de lidstaten een belangrijke rol hebben bij het op peil houden van een potentieel aan leerkrachten voor exacte vakken en wiskunde, teneinde jongeren uit te rusten met kennis en enthousiasme voor exacte vakken;

40.  onderstreept dat het van belang is om al op zeer jonge leeftijd in te gaan op de behoeften van kinderen op school; beveelt de lidstaten aan innovatieve maatregelen vast te stellen en op te nemen in de leerprocessen op school en daarbuiten, en de schoolomgeving, de lesmethoden en de vaardigheden van de leerkrachten aan te passen of te actualiseren; stelt voor de schoolcurricula zodanig aan te passen dat klassen tijdens het schooljaar een bezoek aan andere landen brengen, zodat het onderwijs al zeer vroeg ook buiten het klaslokaal plaatsvindt;

Het belang van permanente scholing en opleiding voor alle arbeidsmarktactoren

41.  wijst er nogmaals op dat het recht op onderwijs een fundamenteel recht is en wijst erop dat gestreefd moet worden naar een flexibelere en individuele aanpak van loopbaanontwikkeling en een leven lang leren gedurende de persoonlijke loopbaantrajecten; erkent de rol die zowel publieke als private partijen hierbij kunnen spelen, en erkent dat begeleiding en advisering met aandacht voor de individuele behoeften en gericht op de ontwikkeling en uitbreiding van de individuele vaardigheden al vanaf een vroeg stadium een kernelement van het onderwijs- en vaardigheidsbeleid moet vormen;

42.  erkent het belang van de bevordering van leren op het werk en stages als alternatief traject naar een betaalde baan;

43.  merkt op dat het Europees beleid inzake levenslange begeleiding een aanzienlijke invloed heeft gehad op nationaal beleid inzake begeleiding en dat doeltreffende levenslange begeleiding op alle niveaus programma's met een horizontaal perspectief vereist;

44.  merkt op dat jongeren diverse wegen moeten kunnen bewandelen en dat die wegen in Europa van land tot land verschillend gedefinieerd zijn (practica, stages);

45.  meent dat er opleidingen en bij- en omscholingsprogramma's voor werklozen, met name voor langdurig werklozen, en programma's voor de beoordeling van vaardigheden aan mensen moeten worden aangeboden om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten en moeten worden ontworpen en uitgevoerd in nauwe samenwerking met werkgeversorganisaties en vakbonden, organisaties die de werklozen vertegenwoordigen, en particuliere en openbare diensten voor arbeidsvoorziening, teneinde de nieuwe vaardigheden van werknemers beter af te stemmen op de toekomstige behoeften van werkgevers; benadrukt dat er speciale programma's moeten worden ontworpen en uitgevoerd om de terugkeer op de arbeidsmarkt van langdurig werklozen te helpen verwezenlijken;

46.  benadrukt dat de Commissie het toezicht op de nationale uitvoeringsplannen voor de jongerengarantie en de doeltreffende uitvoering ervan in de praktijk moet verbeteren; verzoekt de Commissie met het oog hierop duidelijke en ondubbelzinnige landenspecifieke aanbevelingen voor de lidstaten te formuleren ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie en de kwaliteit van de werkgelegenheid;

47.  benadrukt de zorgpunten van de Europese Rekenkamer zoals aangegeven in het verslag "Jongeren en werklozen in Europa: uitdagingen voor de EU-jongerengarantie", met name wat betreft de toereikendheid van de totale financiering voor de regeling, de definitie van een "deugdelijk aanbod" en de wijze waarop de Commissie de resultaten monitort en erover rapporteert;

48.  herinnert eraan dat het van het grootste belang is werkzoekenden op maat te begeleiden en adviseren op het gebied van het zoeken naar werk of bijscholings- en opleidingsmogelijkheden, om ervoor te zorgen dat hun vaardigheden en competenties overdraagbaar zijn en worden erkend en gevalideerd door middel van "vaardighedenpaspoorten", zoals de Europass, waarin de vaardigheden en competenties worden weergegeven die zij via formeel, niet-formeel als informeel leren hebben verworven, en dat de begeleiding van de werkzoekende in het bijzonder tot doel moet hebben zijn/haar tewerkstellingskansen te optimaliseren;

49.  onderstreept dat het aanpassingsvermogen van de beroepsbevolking moet worden vergroot om toekomstige tekorten het hoofd te kunnen bieden; verzoekt de lidstaten voor dit doel gebruik te maken van de structuurfondsen, met name het Europees Sociaal Fonds;

50.  wijst erop dat het recht op onderwijs en opleiding met name belangrijk is voor de langdurig werklozen; herinnert eraan dat de langdurig werklozen het meest baat hebben bij een aanpak die gericht is op hun specifieke behoeften en niet bij standaardmaatregelen; wijst erop dat de langdurig werklozen op de hoogte moeten zijn van hun recht op opleiding, dat op hen gerichte maatregelen de opties wat betreft gebruikmaking moeten eerbiedigen en dat opleidingen betaalbaar en degelijk en op hun werkelijke behoeften gericht moeten zijn; herinnert eraan dat als aan deze voorwaarden wordt voldaan, de langdurig werklozen bijscholing kunnen aanwenden als een mogelijkheid om hun werk- en leefomstandigheden te verbeteren;

51.  wijst op het belang van de jongerengarantie als een instrument om jongeren te helpen bij de overgang van school naar werk en om het onderwijs, de vaardigheden en ervaring te verwerven die nodig zijn om een baan van goede kwaliteit te vinden via een stage, leerwerkplek of voortgezet onderwijs;

52.  benadrukt dat het van belang is voor gelijke kansen en een toegankelijk onderwijs- en opleidingsstelsel te zorgen, met name voor benadeelde groepen, en doeltreffende steun te verlenen bij het tegengaan van sociale uitsluiting en bij het toegankelijker maken van werk;

Versterking van de verbindingen tussen onderwijs en werkgelegenheid

53.  onderstreept dat de maatregelen ter vermindering van het percentage vroegtijdige schoolverlaters tot onder de 10 % in 2020, zoals overeengekomen in de Europa 2020-strategie, moeten worden versterkt en gerichter ingezet, in het besef dat schooluitval een hardnekkig probleem in de EU is dat nadelige gevolgen heeft voor de inzetbaarheid en de maatschappelijke integratie van de betrokken jongeren;

54.  meent dat duaal beroepsonderwijs in het leerlingwezen en soortgelijke beroepsgerichte onderwijsstelsels meer aandacht moeten krijgen en moeten uitblinken in kwaliteit, zonder afbreuk te doen aan de academische stelsels, aangezien dit vaak gunstig is voor de integratie op de arbeidsmarkt en een soepelere overgang van onderwijs naar werk, en nuttig blijkt te zijn voor de bevordering van de jeugdwerkgelegenheid;

55.  meent dat de bestaande beroepsopleidingsstelsels het resultaat zijn van bepaalde historische en culturele krachten en zijn gevormd door de heersende rechtsnormen, tradities, pedagogische beginselen en institutionele structuren;

56.  benadrukt de zeer zorgwekkende gegevens over het percentage jongeren dat geen onderwijs geniet, niet aan het werk is en geen opleiding krijgt (NEET's), dat in de meeste lidstaten hoger is dan 10 %; wijst op het rechtstreekse verband tussen hoge jeugdwerkloosheid en vroegtijdig schoolverlaten; benadrukt dat zonder dringend en vastberaden optreden op Europees en nationaal niveau een hele generatie het risico loopt geen toegang tot een voldoende hoog niveau van onderwijs en opleiding te krijgen en derhalve te worden uitgesloten van de arbeidsmarkt, met dramatische gevolgen voor de sociale structuur, de sociale en territoriale samenhang en de houdbaarheid van het Europese economische model als geheel;

57.  onderstreept dat elk nationaal beroepsopleidingsstelsel een instrument is voor de verwezenlijking van bepaalde doelstellingen die per land kunnen verschillen en dat elk stelsel derhalve uitsluitend kan worden beoordeeld op basis van in hoeverre deze doelstellingen erdoor worden verwezenlijkt; wijst erop dat een beroepsopleidingsstelsel alleen van het ene naar het andere land kan worden geëxporteerd als de randvoorwaarden in de betrokken landen vergelijkbaar zijn of kunnen worden aangepast;

58.  wijst nogmaals op het belang van beroepsonderwijs en -opleiding (BOO) om de kansen op de arbeidsmarkt te verbeteren en de weg naar beroepskwalificaties voor jongeren te openen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de relevantie van BOO voor de arbeidsmarkt te vergroten door hiervan een integraal onderdeel van het onderwijsstelsel te maken en in deze context hoge kwalificatienormen en kwaliteitsborging te garanderen;

59.  wijst erop dat er naast de twee miljoen niet-ingevulde vacatures in de EU veel overgekwalificeerde jonge werklozen zijn wier vaardigheden niet aansluiten bij de vraag van de arbeidsmarkt; onderstreept daarom het belang van betere synergieën tussen onderwijssystemen en de arbeidsmarkt, met inbegrip van blootstelling aan de arbeidsmarkt, stages en samenwerking met het bedrijfsleven, teneinde het werkgelegenheidsniveau te bevorderen en aanzienlijk te vergroten en innovatieve clusters te creëren; wijst op de belangrijke rol die het bedrijfsleven kan spelen door zich met de onderwijsstelsels in de eigen lidstaat bezig te houden; benadrukt dat er behoefte is aan een globale langetermijnstrategie, in combinatie met onmiddellijke maatregelen, om de onderwijsstelsels op alle niveaus, ook de beroepsopleidingen, aan te passen aan de huidige en toekomstige behoeften van de arbeidsmarkt;

60.  is ingenomen met het initiatief van de Commissie betreffende de Europese Alliantie voor leerlingplaatsen dat ten doel heeft overheden, het bedrijfsleven, sociale partners, aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding, vertegenwoordigers van jongeren en andere belangrijke actoren bij elkaar te brengen om het leerlingwezen en initiatieven in heel Europa te bevorderen;

61.  wijst op het belang van duale onderwijs- en opleidingsprogramma's, waarin theorie en praktijk worden gecombineerd en die een centrale rol spelen bij de ontwikkeling van vaardigheden en competenties die aansluiten bij de vraag vanuit de arbeidsmarkt, en moedigt de lidstaten aan om dergelijke programma's in hun curricula op te nemen, teneinde de praktische ervaring te bieden die nodig is om soepel vanuit onderwijs en opleiding door te kunnen stromen naar de arbeidsmarkt;

62.  wijst op het belang van beroepsoriëntatie en werkervaring door middel van beoordeling en loopbaanadvies gericht op individuele vaardigheden en behoeften die wordt verstrekt door hooggekwalificeerde arbeidsconsulenten en collegiale consulenten, teneinde ervoor te zorgen dat jongeren goed worden geïnformeerd, begeleid en geadviseerd om een juiste beroepskeuze te kunnen maken;

63.  wijst op de belangrijke rol van onderwijs- en opleidingsinstellingen bij de ontwikkeling van de vaardigheden en competenties van studenten; verzoekt de Commissie en de lidstaten een kwalitatief goede, gerichte beroepskeuzeadvisering gedurende de gehele schooltijd te ontwikkelen, om jongeren te helpen de juiste keuzes te maken met betrekking tot onderwijs en carrière;

64.  merkt op dat het voor een geslaagde overgang naar werk van groot belang is om met kennis van zaken beslissingen te nemen, zin voor initiatief te ontwikkelen en motivatie en zelfbewustzijn te vergroten, terwijl in dit verband tevens passende steun beschikbaar moet worden gesteld; wijst op het belang van goede overgangen, waaronder de overgang van onderwijs naar werk, tussen banen en tussen een baan en een loopbaanonderbreking;

65.  herinnert eraan dat investeren in onderwijs en het ontwikkelen van vaardigheden die aansluiten bij de wensen van de arbeidsmarkt en de samenleving essentieel is voor groei en concurrentiekracht, alsmede voor het Europese bewustzijn, de persoonlijke ontwikkeling en het zelfvertrouwen; wijst erop dat ondernemerschap de ontwikkeling vereist van transversale vaardigheden, zoals creativiteit, kritisch denkvermogen, teamwerk en zin voor initiatief, die bijdragen tot de persoonlijke en professionele ontwikkeling van jongeren en het mogelijk maken dat zij de arbeidsmarkt eerder betreden; benadrukt dat dergelijke investeringen ondersteund moeten worden door een sterkere synergie tussen Europese en nationale initiatieven, met een inbreng voor de diverse onderwijs- en opleidingssectoren alsmede andere relevante sectoren, zoals het werkgelegenheidsbeleid, het sociaal beleid, het jongerenbeleid en de cultuur, naast nauwere samenwerking met alle belanghebbende partijen, zoals de sociale partners en de bedrijven, om te bereiken dat de curricula afgestemd blijven op de behoeften op de arbeidsmarkt;

66.  wijst er nogmaals op dat de lidstaten zich verplicht hebben tot investeringen in het hoger onderwijs en dringt in het licht daarvan aan op een geleidelijke verbetering van de onderwijs- en opleidingsnormen in de Europese onderwijsstelsels; verzoekt de lidstaten investeringen in het onderwijs als essentieel aan te merken, zich ertoe te verplichten om ten minste 2% van hun bbp in deze sector te investeren en het onderwijs van bezuinigingen te vrijwaren; verzoekt de Commissie de rol van het onderwijs in de Europa 2020-strategie verder te vergroten, door de globale doelstellingen van het strategische kader Onderwijs en Opleiding 2020 te koppelen aan de herziening van Europa 2020;

67.  onderstreept dat permanent investeren in menselijk kapitaal en vaardigheden, en met name in de bijscholing van de huidige beroepsbevolking en ongeschoolde krachten, van essentieel belang is om langdurige werkloosheid tegen te gaan en meer mensen toegang tot kwaliteitsvolle banen te kunnen geven; verzoekt de EU duidelijke eindtermen vast te stellen voor permanente educatie in ontbrekende vaardigheden en het opleidings- en onderwijsaanbod in communicatie, talen en digitale vaardigheden uit te breiden voor oudere werknemers en met name voor laaggeschoolden van boven de 30 en vroegtijdige schoolverlaters;

68.  wijst op de behoefte aan toereikende financiering en gebruikmaking van hoogwaardige stage- en leerlingstelsels en leren op school door de lidstaten, regionale en lokale autoriteiten en individuele werkgevers; herinnert eraan dat deze programma's moeten voldoen aan minimumnormen inzake sociale bescherming;

69.  meent dat er op lokaal, regionaal en nationaal niveau nauwe en systematische partnerschappen moeten worden gesloten tussen overheden en werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers, waaronder openbare en particuliere diensten voor arbeidsvoorziening, en onderwijs- en opleidingsinstellingen, teneinde langetermijnstrategieën te ontwikkelen voor de betreffende nationale arbeidsmarkten en om de beste manieren te vinden om het probleem van discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden in al zijn dimensies aan te pakken, en verzoekt de lidstaten dergelijke samenwerking te bevorderen;

70.  meent dat de jongerengarantie een eerste stap is in de richting van een op rechten gebaseerde benadering van de behoeften van jongeren met betrekking tot werk; herinnert aan de verplichting van werkgevers om mee te werken aan het bieden van toegankelijke beroepsopleidingsprogramma's en hoogwaardige stages aan jongeren; wijst erop dat het kwalitatieve aspect van fatsoenlijk werk voor jongeren niet in het gedrang mag komen en dat de fundamentele arbeidsnormen en andere aan de kwaliteit van werk gerelateerde normen, zoals arbeidstijd, minimumloon, sociale zekerheid en veiligheid en gezondheid op de werkplek, centraal staan in de geleverde inspanningen;

Bevordering van de arbeidsmobiliteit

71.  herinnert eraan dat er momenteel sprake is van twee miljoen niet-ingevulde vacatures in de EU; onderstreept de noodzaak van arbeidsmobiliteit in de Unie om deze leemte te kunnen opvullen, en herhaalt het belang van Erasmus+ en Eures in dit verband;

72.  wijst erop dat de mobiliteit van grensarbeiders moet worden bevorderd, door meer te informeren over het bestaan van grensoverschrijdende Eures-partnerschappen die als taak hebben de mobiliteit van grensarbeiders te bevorderen en de bijbehorende belemmeringen terug te dringen, door grensarbeiders informatie en advies te verstrekken over de arbeidskansen en leef- en arbeidsomstandigheden aan beide zijden van de grens; merkt op dat het grensoverschrijdend Eures-netwerk in dit opzicht een belangrijk instrument vormt om grensoverschrijdende werkgelegenheid beter te controleren en te streven naar een beter geïntegreerde Europese arbeidsmarkt;

73.  wijst nogmaals op de mobiliteit van geschoolde werknemers uit derde landen als een van de antwoorden op de demografische uitdagingen, de tekorten op de arbeidsmarkt en de slechte afstemming tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, alsook op de noodzaak om de effecten van braindrain te minimaliseren;

74.  merkt op dat de EU berust op het beginsel van vrij verkeer van werknemers; vraagt om het leren van en de omgang met vreemde talen aan te moedigen met het oog op ontwikkeling van de mobiliteit; wijst erop dat het belangrijk is dat het leren van talen, en met name Europese talen, een onderdeel van het permanente leerproces wordt dat moet worden aangemoedigd, omdat het de mobiliteit van werknemers ten goede komt en het spectrum van arbeidsmogelijkheden verbreedt;

Uitwisseling en validatie van optimale werkwijzen in de EU

75.  wijst erop dat de lidstaten en regionale en lokale autoriteiten optimale werkwijzen moeten uitwisselen en valideren en de doeltreffendheid ervan moeten vergelijken en meten, met name op het gebied van duaal en beroepsonderwijs en stage- en leerlingstelsels en curricula, leerresultaten van niet-formeel en informeel leren, en strategieën voor een leven lang leren, met inachtneming van de specifieke kenmerken van elke arbeidsmarkt en elk onderwijssysteem; wijst op het platform EuroApprenticeship als een van de belangrijkste instrumenten voor het ontwikkelen van Europese partnerschappen en het uitwisselen van optimale werkwijzen ten aanzien van het leerlingwezen;

76.  wijst op de belangrijke rol van niet-formeel en informeel leren, vrijwilligerswerk en een leven lang leren bij de ontwikkeling van vaardigheden en kwalificaties, met name horizontale vaardigheden, bijvoorbeeld op het gebied van ondernemerschap, ICT, persoonlijke vaardigheden en talenkennis, die in veel situaties van pas komen; verzoekt de EU de toegang tot de volwasseneneducatie en het tweedekansonderwijs te verbeteren; dringt aan op de validering en erkenning van niet-formeel en informeel leren door werkgevers en onderwijsinstellingen;

77.  wijst erop hoe belangrijk het is om het Bolognaproces nieuw leven in te blazen en de kans te benutten die de ministersconferentie in Erevan in mei 2015 bood om een begin te maken met nieuwe, geavanceerdere samenwerkingsvormen, die onverwijld in de praktijk moeten worden gebracht;

78.  is van mening dat de Commissie erop moet toezien dat het Erasmus+-programma – met al zijn verschillende acties, waaronder de sportcomponent – naar behoren wordt uitgevoerd; acht het van belang dat de deelnamevoorwaarden worden vereenvoudigd, zodat het programma zoveel mogelijk personen en organisaties kan bereiken;

Stimulering van de ondernemingsgeest bij burgers: kmo's en micro-ondernemingen

79.  meent dat er behoefte is aan beter leiderschap, financieel beheer en het bevorderen van ondernemerschapsonderwijs vanaf een jonge leeftijd, en ondersteunende, wijdverbreide en kwalitatief hoogwaardige kinderopvang voor achtergestelde gezinnen, teneinde het potentieel van jongeren te benutten zodat zij zijn toegerust om werkgevers te worden, niet alleen werknemers, en in staat zijn nieuwe bedrijven te starten en van nieuwe markten te profiteren;

80.  is verheugd over regelingen zoals Erasmus voor jonge ondernemers, die bedoeld zijn om nieuwe ondernemers te helpen bij het verwerven van de nodige vaardigheden voor het runnen van een bedrijf, en meent dat dergelijke programma's verder bevorderd dienen te worden om meer jonge ondernemers te helpen zich te vestigen en te slagen; meent dat er speciale maatregelen ter ondersteuning van jonge ondernemers moeten worden genomen om de toegang tot informatie, financiering en subsidies voor hen te vergemakkelijken, inclusief één-loketdiensten die informatie en steun bieden en gericht zijn op jongeren in bestaande organisaties ter ondersteuning van ondernemerschap;

81.  meent dat niet-formeel onderwijs, met name zoals ontwikkeld in jeugdorganisaties, creativiteit, zin voor initiatief en eigen verantwoordelijkheid bevordert en de kansen van jongeren op de arbeidsmarkt kan vergroten;

82.  onderstreept dat in het onderwijs en de beroepsopleiding op alle niveaus ondernemerschapslessen moeten worden opgenomen, want het in een vroeg stadium stimuleren van de ondernemingsgeest bij jongeren is een doeltreffende manier om de werkloosheid en met name de jeugdwerkloosheid tegen te gaan; dringt in dit verband aan op een actieve dialoog en samenwerking tussen de academische wereld en het bedrijfsleven met het oog op de ontwikkeling van onderwijsprogramma's die jongeren de nodige vaardigheden en competenties bijbrengen;

83.  dringt aan op een toekomst- en resultaatgerichte Europese vaardighedenstrategie als leidraad voor de nationale strategieën op dit gebied, en wenst dat deze in de nationale banenplannen worden geïntegreerd en tevens een globaal kader bieden voor de sectorale actieplannen die in het werkgelegenheidspakket worden voorgesteld;

84.  onderstreept het belang van ondersteuning en stimulerende maatregelen voor start-ups, kmo's, micro-ondernemingen en actoren uit de sociale economie, teneinde de oprichting en exploitatie ervan te bevorderen, alsook de noodzaak om het beginsel van betere regelgeving te verankeren en naar dit beginsel te handelen, en de aanwerving van gekwalificeerde arbeidskrachten en de opleiding van werknemers te vergemakkelijken; wijst er in dit verband op dat de belastingdruk moet worden verlegd van arbeid naar andere vormen van belasting die minder schadelijk zijn voor de werkgelegenheid en de groei, terwijl voldoende sociale bescherming wordt gewaarborgd;

85.  verzoekt de lidstaten de belastingdruk op arbeid te verminderen;

86.  herinnert eraan dat bijna 99 % van de Europese ondernemingen kmo's zijn en dat zij een stuwende kracht zijn achter de totstandbrenging van een concurrerende arbeidsmarkt in de EU; wijst er in dit opzicht op dat de Europese wetgeving op het "Think Small First"-beginsel moet worden gestoeld, teneinde de bureaucratische belemmeringen voor kmo's terug te dringen en hen in staat te stellen hun volledige potentieel voor het scheppen van banen te benutten;

87.  meent dat ondernemers in opleiding en stages voor werknemers moeten investeren en dat er hiertoe stimulansen moeten worden ingevoerd en waar nodig verder ontwikkeld, omdat dit hen in staat stelt uit te breiden en nieuwe banen te scheppen; meent dat de ontwikkeling van werkgeversnetwerken kmo's en micro-ondernemingen kan helpen toegang te krijgen tot het opleidingsaanbod en de ondersteuning die zij nodig hebben;

Innovatie en digitalisering: nieuwe vaardigheden en banen

88.  wijst op het belang van innovatie en digitalisering voor groei, productiviteit en een eerlijkere, duurzamere en inclusievere samenleving en, in dit verband, op de noodzaak om te voorzien in kennis, creativiteit en vaardigheden, alsook motivatie en vastbeslotenheid van werknemers en toekomstige werknemers en werkgevers, met het oog op de totstandbrenging van innovatieve, creatieve en digitale producten en diensten; benadrukt dat de "digitale kloof" moet worden overbrugd en dat het van belang is in het kader van een leven lang leren digitale vaardigheden te ontwikkelen en nieuwe media en nieuwe technologie in de curricula op te nemen; benadrukt voorts dat er innovatieve leermethoden moeten worden ontwikkeld en dat de beschikbaarheid van onderwijs online of op afstand moet worden uitgebreid met behulp van open leermiddelen (OER) waarmee iedereen dezelfde toegang tot onderwijs en opleiding heeft;

89.  wijst op de noodzaak om een breed scala aan opkomende industrieën en belangrijke groeisectoren vast te stellen waarop de lidstaten zich moeten richten bij de ontwikkeling van hun basis van vaardigheden;

90.  benadrukt het werkgelegenheidspotentieel dat wordt geboden door het voltooien van de digitale interne markt, het uitbouwen van de energie-unie, het scheppen van banen door te investeren in onderzoek en ontwikkeling en innovatie, het bevorderen van sociaal ondernemerschap en de sociale economie en het bijscholen van werknemers in de sectoren gezondheidszorg en sociale zorg en het bevorderen van verbeterde vervoersnetwerken;

91.  benadrukt de recente ontwikkeling bij bedrijven om hun productie en diensten naar de EU terug te brengen en de mogelijkheden die hierdoor ontstaan voor de werkgelegenheid, met name voor jongeren; meent dat de economieën van de EU een unieke kans hebben om deze ontwikkeling van het terugbrengen van banen te versnellen door ervoor te zorgen dat de vaardigheden van onze beroepsbevolking aansluiten bij de behoeften van het bedrijfsleven;

92.  onderstreept het belang van STEM-studies (wetenschap, technologie, engineering en wiskunde) en benadrukt de rol ervan waardoor Europa mondiaal een belangrijke positie in kan nemen met betrekking tot geavanceerde technologische ontwikkelingen;

93.  steunt het initiatief van de Commissie in samenwerking met het drievoorzitterschapsteam om in Europa de ondernemersgeest te bevorderen en overdraagbare vaardigheden voor het leven te ontwikkelen;

94.  wijst erop dat de EU te maken heeft met een tekort aan mensen die een STEM-opleiding (natuurwetenschappen, technologie, ingenieurswetenschappen en wiskunde) hebben gevolgd, terwijl er een overaanbod is van afgestudeerden in de sociale wetenschappen; is van mening dat er op Europees en nationaal niveau extra initiatieven nodig zijn om de knelpunten in de STEM-studierichtingen en het overeenkomstige banenaanbod aan te pakken; beveelt de Commissie en de lidstaten aan maatregelen te nemen om de attractiviteit en waarde van de STEM-vakken te vergroten en jongeren, en met name vrouwen, aan te moedigen om aan een STEM-studie te beginnen;

95.  wijst erop dat er ook in de 21e eeuw nog plaats is voor traditionele knowhow die stabiele banen oplevert die niet kunnen worden uitbesteed, en die de basis vormt voor een aantal gebieden waarop Europa uitblinkt; vraagt om steun, zodat deze traditionele vaardigheden in stand worden gehouden en via opleidingen kunnen worden doorgegeven aan toekomstige generaties, waarbij zij, waar mogelijk, moeten worden gecombineerd met nieuwe inzichten, o.a. digitale vaardigheden, om maximaal van hun potentieel te profiteren;

Maatregelen ten aanzien van jongere en oudere werknemers en werknemers met een handicap

96.  wijst op de noodzaak en het belang van bijzondere maatregelen en steun voor werkgevers, met name kmo's, om hen te helpen meer hoogwaardige en duurzame werkgelegenheid te scheppen en beroepsgerichte opleidingen en loopbaanvooruitzichten te bieden aan groepen die op de arbeidsmarkt achtergesteld worden, zoals jongeren, oudere werknemers, vrouwen, migranten, mensen met een handicap en de langdurig werklozen; erkent en steunt de rol van zowel openbare als particuliere diensten voor arbeidsvoorziening bij de bevordering van concurrerende arbeidsmarkten; herinnert aan het belang van de sociale en economische verantwoordelijkheid van werkgevers en onderwijsinstellingen jegens alle werknemers en de maatschappij; is van mening dat dergelijke sociale verantwoordelijkheid ook moet worden verlangd van de instellingen die verantwoordelijk zijn voor onderwijs en opleiding;

97.  erkent de uitdagingen waarmee jongeren worden geconfronteerd wanneer zij de arbeidsmarkt betreden; herinnert eraan dat het belangrijk is dat zij eerst werkervaring opdoen tijdens hun studie om hun inzetbaarheid te bevorderen en de overgang van school naar werk efficiënter en doeltreffender te maken; wijst op het potentieel dat ondernemerschap onder jongeren biedt, en doet derhalve een beroep op de verantwoordelijkheidszin van de werkgevers en de lidstaten om jongeren de kans te bieden dergelijke ervaring op te doen en jongeren te steunen bij het verwerven van de juiste vaardigheden; benadrukt voorts het belang van samenwerking tussen scholen en werkgevers in dit verband, en verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten ondernemersvriendelijker te worden en jongeren te steunen bij het omzetten van hun ideeën in succesvolle ondernemingsplannen;

Beleidsvoorstellen en aanbevelingen

98.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten te investeren in innovatieve en veelbelovende nieuwe economische sectoren om investeringen in de EU aan te moedigen ter bevordering van groei en nieuwe, hoogwaardige, duurzame werkgelegenheid, wat zal leiden tot een eerlijkere, duurzame en inclusieve samenleving; benadrukt voorts dat het van belang is dat de lidstaten economische en financiële maatregelen nemen en arbeidsmarkthervormingen doorvoeren die gebaseerd zijn op duidelijke, op gegevens gebaseerde en meetbare indicatoren waarvan de doeltreffendheid kan worden aangetoond;

99.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat hun hervormingen van de arbeidsmarkt gericht zijn op het stimuleren van hoogwaardige werkgelegenheid, het terugdringen van segmentering, het bevorderen van de integratie van kwetsbare groepen in de arbeidsmarkt, het bevorderen van gendergelijkheid, het verminderen van armoede onder werkenden en het garanderen van gepaste sociale bescherming aan alle werkenden, ook zelfstandigen;

100.  verzoekt de lidstaten om te investeren in voorschools onderwijs en taalonderwijs en lessen informatie- en communicatietechnologie op basisscholen;

101.  verzoekt de lidstaten ten volle rekening te houden met het belang van automatisering als een ontwikkeling die ertoe kan leiden dat veel banen overbodig worden, en hun opleidingsprogramma's voor werklozen te richten op het aanleren van vaardigheden die bruikbaar zijn in niet-routinematige banen;

102.  verzoekt de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten zich te laten inspireren door optimale werkmethoden en vanuit daar een stap te maken naar beleidsmaatregelen die de werkgelegenheidspercentages optrekken en armoede en ongelijkheid verminderen, en meer ambitieuze hervormingen door te voeren die gebaseerd zijn op die werkwijzen; verzoekt de lidstaten voorts om de doeltreffendheid van dergelijke werkwijzen te vergelijken en te meten, om te zorgen voor het juiste evenwicht tussen aanpassingsvermogen en zekerheid voor werknemers en bedrijven, en om rekening te houden met de specifieke kenmerken van de arbeidsmarkten en onderwijsstelsels in de lidstaten;

103.   verzoekt steden en regio's zich te concentreren op kwaliteitsonderwijs en -opleidingen, de bestrijding van voortijdig schoolverlaten en de strijd tegen de jeugdwerkloosheid, omdat jongeren dringend behoefte hebben aan nieuwe perspectieven en al het mogelijke moet worden gedaan om hen daarbij te helpen;

104.  verzoekt de lidstaten collectieve benaderingen zoals werkgeversnetwerken te ontwikkelen om te helpen bij het overwinnen van de obstakels voor werkgevers om ambitieuzere plannen voor personeelsontwikkeling na te streven;

105.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om sociale ondernemingen die rekening houden met hun verantwoordelijkheid ten aanzien van het milieu, consumenten en werknemers, te bevorderen en steunen;

106.  verzoekt de lidstaten minimumlonen in te voeren in het kader van de vermindering van de loonverschillen, met een marge voor elke lidstaat die een fatsoenlijk loon garandeert, langs wettelijke of conventionele weg en met inachtneming van de nationale praktijken;

107.  verzoekt de lidstaten om leiderschap, management, ondernemerschaps- en financieel onderwijs, adviezen over het opstarten van een bedrijf en communicatietechnologieën op te nemen in hun onderwijsprogramma's, met inbegrip van strategieën voor een leven lang leren, en om prioriteit te verlenen aan de verdere ontwikkeling van programma's voor beroepsonderwijs en -opleiding, met inbegrip van het versterken van het Europees vakmanschap, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillen tussen de lidstaten wat betreft arbeidsmarkt en onderwijsstelsels en een standaardaanpak moet worden vermeden;

108.  vraagt de Commissie om een Europees platform voor de erkenning en validatie van gemeenschappelijke vaardigheden op te zetten voor specifieke activiteiten en beroepen, waarin ook vaardigheden verworven via vrijwilligerswerk worden erkend;

109.  verzoekt de lidstaten uitvoering te geven aan de aanbeveling van de Raad van 2012 inzake de validering van niet-formeel en informeel leren als een manier om de competenties te erkennen die zijn verworven door niet-formeel onderwijs, met name in vrijwilligers- en jeugdwerk, en de uitvoering van beleidsmaatregelen voor een leven lang leren te ondersteunen;

110.  verzoekt de lidstaten steun te verlenen aan de nauwe en systematische betrokkenheid van belanghebbenden op de arbeidsmarkt, met inbegrip van werkgevers- en werknemersorganisaties, opleidingsinstituten en openbare en particuliere diensten voor arbeidsvoorziening, op lokaal, regionaal en nationaal niveau, waaronder het vergemakkelijken van de onderlinge communicatie en uitwisseling van informatie, teneinde nauwere banden tussen onderwijs en opleiding en de arbeidsmarkt te bevorderen, een betere afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt te realiseren en vooruit te lopen op en plannen te maken voor toekomstige behoeften aan vaardigheden en kwalificaties;

111.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale en lokale overheden te voorzien in financiële en economische stimulansen ter ondersteuning van deelname aan permanente scholing en opleiding, teneinde voor de toekomst een gekwalificeerde beroepsbevolking te kunnen garanderen; raadt aan dergelijke stimulansen te baseren op meetbare en op gegevens gebaseerde indicatoren waarvan de doeltreffendheid kan worden aangetoond;

112.  verzoekt de lidstaten passende opleiding te bieden en te zorgen voor permanente professionele ontwikkeling van leerkrachten en leidinggevenden uit het onderwijs, teneinde hen te helpen de meest geschikte onderwijsmethoden te gebruiken en de ontwikkeling van vaardigheden en competenties voor de 21ste eeuw bij de Europese jongeren mogelijk te maken; wijst er voorts op dat het belangrijk is dat leerkrachten worden voorzien van op ervaring gebaseerde kennis waarin praktijk en theorie worden gecombineerd, met name met betrekking tot nieuwe technologieën en digitalisering, zodat zij deze kennis op studenten kunnen overbrengen;

113.  verzoekt de lidstaten en de EU snel concrete stappen te ondernemen om het beleid en de huidige wetgeving inzake de wederzijdse erkenning van kwalificaties en academische titels in de EU ten uitvoer te leggen en aldus de eerlijke arbeidsmobiliteit binnen de EU te bevorderen en het probleem van niet-ingevulde vacatures aan te pakken;

114.  verzoekt de Commissie en de lidstaten prognoses inzake de veranderende arbeidsmarkten te verstrekken, met name in verband met de uitdagingen als gevolg van de mondialisering, alsook prognoses van de verwachte banen en vaardigheden per lidstaat en in alle sectoren;

o
o   o

115.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0038.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0394.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0110.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0010.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0037.
(6) PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.
(7) PB L 394 van 30.12.2006, blz. 10.
(8) Verslag van de Europese Commissie getiteld "Employment and Social Situation: Quarterly Review" van maart 2015.
(9) Europese Commissie (2013),"Werkgelegenheid en sociale ontwikkelingen in Europa".
(10) Verslag van de Europese Commissie van 13 april 2015 getiteld "Employment and Social Situation: Quarterly Review".


30e en 31e jaarverslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2012-2013)
PDF 204kWORD 97k
Resolutie van het Europees Parlement van 10 september 2015 over het 30e en 31e jaarverslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2012-2013) (2014/2253(INI))
P8_TA(2015)0322A8-0242/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het 30e jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2012) (COM(2013)0726),

–  gezien het 31e jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het EU-recht (2013) (COM(2014)0612),

–  gezien het verslag van de Commissie "Evaluatieverslag EU-Pilot" (COM(2010)0070),

–  gezien het verslag van de Commissie "Tweede evaluatieverslag over EU Pilot" (COM(2011)0930),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 maart 2002 betreffende betrekkingen met de klager inzake inbreuken op het gemeenschapsrecht (COM(2002)0141),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 april 2012 getiteld "Tot modernisering van het beheer van betrekkingen met de klager inzake de toepassing van het recht van de Unie" (COM(2012)0154),

–  gezien het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie(1),

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2014 over het 29ste jaarverslag over de controle op de toepassing van het gemeenschapsrecht (2011)(2),

–  gezien het onderzoek: ‘The impact of the crisis on fundamental rights across Member States of the EU - Comparative analysis’(3), ("De impact van de crisis op de grondrechten in de lidstaten - een vergelijkende analyse"),

–  gezien het door de Commissie op 19 mei 2015 goedgekeurde pakket maatregelen voor betere regelgeving,

–  gezien artikel 52 en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie constitutionele zaken, en de Commissie verzoekschriften (A8-0242/2015),

A.  overwegende dat artikel 17 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) de Commissie de essentiële rol van "hoedster van de Verdragen" toebedeelt;

B.  overwegende dat, overeenkomstig artikel 6, lid 1, VEU, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het EU-Handvest) dezelfde juridische waarde heeft als de Verdragen, en gericht is aan de instellingen, organen, instanties en agentschappen van de Unie, alsmede de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen (artikel 51, lid 1, EU-handvest);

C.  overwegende dat, overeenkomstig artikel 258, leden 1 en 2, VWEU, de Commissie een met redenen omkleed advies uitbrengt indien zij van oordeel is dat een lidstaat een krachtens de Verdragen op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, en de zaak aanhangig kan maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie indien de betrokken staat dit advies niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn opvolgt;

D.  overwegende dat het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie voorziet in de informatie-uitwisseling over alle inbreukprocedures vanaf de ingebrekestelling, maar dat de informele EU-Pilot-procedure die voorafgaat aan de inleiding van de formele inbreukprocedure buiten dat kader valt;

E.  overwegende dat artikel 41 van het EU-Handvest het recht op behoorlijk bestuur omschrijft als het recht van eenieder dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen worden behandeld, en dat artikel 298 VWEU bepaalt dat bij de vervulling van hun taken de instellingen, organen en instanties van de Unie steunen op een open, doeltreffend en onafhankelijk ambtenarenapparaat;

F.  overwegende dat artikel 51 van het EU-Handvest de verplichting van de lidstaten om het Handvest na te leven beperkt tot de situatie waarin zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, maar voor de instellingen, organen en instanties van de EU niet in een dergelijke beperking van de verplichtingen uit het Handvest voorziet;

G.  overwegende dat, in de context van de recente financiële crisis, lidstaten maatregelen hebben moeten treffen die de naleving van het primaire EU-recht in gevaar brengen, met name de bepalingen inzake de bescherming van de sociale en economische rechten;

1.  merkt op dat de Commissie overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 27 oktober 2011 van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over toelichtende stukken, de beide medewetgevers verslag heeft uitgebracht over haar tenuitvoerlegging;

2.  is ingenomen met het 30e en 31e jaarverslag van de Commissie over de toepassing van het EU-recht, en merkt op dat, volgens deze jaarverslagen, in het jaar 2012 op de vier beleidsterreinen vervoer, gezondheids- en consumentenbescherming, milieubescherming en de interne markt en diensten, de meeste inbreukprocedures met betrekking tot omzetting zijn ingeleid tegen de lidstaten, overwegende dat in 2013 de gebieden milieu, gezondheids- en consumentenbescherming, interne markt en diensten, en vervoer, het meest problematisch waren; herinnert er echter aan dat deze beoordelingen achteraf niet in de plaats kunnen treden van de verplichting van de Commissie om op doeltreffende wijze en tijdig toezicht uit te oefenen op de toepassing en uitvoering van het EU-recht, en merkt op dat het Parlement middels zijn toezicht op de Commissie kan bijdragen aan de evaluatie van de uitvoering van wetgeving;

3.  wijst erop dat de Europese burger, in een Europese Unie die berust op de rechtsstaat en de zekerheid en voorzienbaarheid van de wetgeving, vóór alles op een duidelijke, toegankelijke, transparante en snelle manier te weten moet kunnen komen (ook via internet) of er nationale regels zijn ingevoerd ter omzetting van Unierecht, en welke dat zijn, en welke nationale autoriteiten verantwoordelijk zijn voor een correcte uitvoering van die regels;

4.  merkt op dat burgers en bedrijven een eenvoudig, voorspelbaar en betrouwbaar regelgevingskader verwachten;

5.  dringt er bij de Commissie op aan bij de uitvaardiging en evaluatie van wetgeving meer te letten op de lasten waarmee zij de kmo's wellicht opzadelt;

6.  vraagt de Commissie en de lidstaten om in een vroeger stadium van het wetgevingsproces afstemming te zoeken zodat het eindresultaat doeltreffender ten uitvoer kan worden gelegd;

7.  merkt op dat laattijdige omzetting, onjuiste omzetting en slechte toepassing van het EU-recht kan leiden tot differentiëring tussen de lidstaten en een gelijk speelveld in EU als geheel kan verstoren;

8.  vraagt de Commissie alle lidstaten gelijk te behandelen, ongeacht hun grootte of het tijdstip van hun toetreding;

9.  merkt op dat de uitvoering en omzetting van het EU-recht ongelijk blijft in de lidstaten; merkt op dat burgers die in een andere lidstaat willen leven, werken of zaken willen doen, dagelijks worden geconfronteerd met aanhoudende problemen vanwege de ongelijke uitvoering van het EU-recht binnen de rechtssystemen van de lidstaten;

10.  herinnert eraan dat de Commissie, overeenkomstig artikel 17 VEU, de taak heeft toe te zien op de toepassing van het recht van de Unie, met inbegrip van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (artikel 6, lid 1, VEU), waarvan de bepalingen zijn gericht op de instellingen, organen, instanties en agentschappen van de Unie en op de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen (artikel 51, lid 1, EU-Handvest); herinnert eraan dat de Commissie, op grond van de artikelen 258 tot en met 260 VWEU, de bevoegdheid heeft inbreukprocedures in te leiden om de naleving van het EU-recht te waarborgen; verzoekt de Commissie niettemin om de uitoefening van de rol van het Parlement van medewetgever te vergemakkelijken door het van voldoende informatie te voorzien en haar verantwoordingsplicht te blijven vervullen;

11.  merkt op dat er in totaal 731 inbreukprocedures werden afgesloten omdat de lidstaten in kwestie aantoonden dat zij het EU-recht waren nagekomen; neemt kennis van het feit dat het Hof van Justitie in 2013 52 keer uitspraak heeft gedaan op grond van artikel 258 VWEU, waarbij de uitspraak in 31 arresten (59,6 %) ongunstig uitviel voor de lidstaten; herinnert eraan dat, om deze statistieken in perspectief te plaatsen, het Hof tot nu toe in 3 274 (87,3 %) inbreukprocedures de Commissie in het gelijk stelde; verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van al deze uitspraken;

12.  is ingenomen met het feit dat de Commissie steeds meer beroep doet op uitvoeringsplannen voor nieuwe EU-wetgeving gericht aan de lidstaten, waardoor meer kans is op tijdige en correcte uitvoering bij de omzetting en toepassing, problemen bij de omzetting en toepassing worden voorkomen, wat op zijn beurt een impact heeft op het aantal hiermee samenhangende verzoekschriften dat wordt ingediend;

13.  wijst nogmaals op het feit dat de Commissie nadruk moet leggen op doeltreffende probleemoplossing, doeltreffend beheer en preventieve maatregelen, maar stelt voor dat de Commissie eveneens nadenkt over nieuwe, andere manieren dan formele inbreukprocedures om de omzetting en handhaving van het EU-recht te verbeteren;

14.  houdt er onverkort aan vast dat EU-wetgeving naar behoren en onverwijld moet worden omgezet in de rechtsorde van elke lidstaat, zodat onnodige vertragingen en inbreukprocedures kunnen worden voorkomen; verzoekt de autoriteiten in de lidstaten dringend om "gold-plating" (overdreven omzetting) te vermijden; dit leidt immers dikwijls tot zeer verschillend verlopende uitvoeringsprocessen in de lidstaten, waardoor het respect voor EU-wetgeving afneemt wanneer de burger zich realiseert dat binnen de EU aanzienlijke verschillen bestaan; wijst op de noodzaak van intensievere samenwerking tussen de leden van het Europees Parlement en de commissies Europese zaken van de nationale en regionale parlementen; is ingenomen met de vernieuwing van het Verdrag van Lissabon op grond waarvan het Hof van Justitie, op verzoek van de Commissie, aan de lidstaten sancties kan opleggen wegens te late omzetting zonder een tweede uitspraak af te wachten; dringt er bij de EU-instellingen (Raad, Commissie, ECB) op aan het primaire EU-recht te respecteren (Verdragen en Handvest van de grondrechten) bij de uitvaardiging van secundair recht, of de formulering van beleidsmaatregelen in economische en sociale aangelegenheden die de grondrechten en het algemeen belang raken;

15.  merkt het gebruik door de Commissie op van het begrip "gold-plating", dat verwijst naar een teveel aan normen, richtsnoeren en procedures die zich op nationaal, regionaal en lokaal niveau ophopen en de verwachte beleidsdoelstellingen doorkruisen; vraagt de Europese Commissie om het begrip duidelijk te omschrijven; benadrukt dat in die omschrijving duidelijk moet uitkomen dat de lidstaten het recht hebben strengere normen vast te stellen waar nodig, waarbij wel moet worden bedacht dat betere harmonisatie bij de tenuitvoerlegging van de EU-milieuwetgeving belangrijk is voor de werking van de interne markt;

16.  stelt vast dat de afname in 2012 van het aantal inbreukprocedures wegens te late omzetting ten opzichte van voorgaande jaren voornamelijk te danken was aan het feit dat er in 2012 minder richtlijnen omgezet moesten worden; erkent echter dat de statistieken voor het jaar 2013 een reële afname van het aantal inbreukprocedures wegens te late omzetting te zien geven, en het aantal inbreukprocedures eind 2013 het laagste niveau in vijf jaar tijd bereikte, hetgeen als een positief gevolg kan worden opgevat van de invoering in artikel 260, lid 3, VWEU van de spoedprocedure voor sancties in geval van niet-omzetting;

17.  merkt op dat de daling van het aantal inbreukprocedures wegens te late omzetting in 2013, 2012 en in de laatste vijf jaar verklaard kan worden door het gebruik van het EU-pilotsysteem (inclusief SOLVIT 2) en door de opneming in artikel 260, lid 3 VWEU van de spoedprocedure voor sancties in geval van niet-omzetting; benadrukt dat de tijdige omzetting van richtlijnen een belangrijke beleidsprioriteit van de Commissie moet blijven en de omzettingstermijnen moeten worden gehandhaafd;

18.  wijst erop dat de toename tijdens de onderzochte periode van het aantal nieuwe dossiers via EU-pilot, met name in verband met het milieu, belasting, justitie en douane, en de afname van het aantal openstaande inbreukprocedures, blijk geven van een positieve tendens in de lidstaten wat betreft de uitvoering van EU-recht, en aantoont dat EU-pilot een doeltreffend middel is om tot een vroegtijdige oplossing voor mogelijke inbreuken te komen; is van niettemin van mening dat meer gedaan moet worden op het gebied van de handhaving van EU-recht om de doorzichtigheid daarvan en de controle daarop door klagers en belanghebbende partijen te verbeteren, en betreurt het dat, ondanks herhaalde verzoeken, het Parlement nog steeds onvoldoende toegang heeft tot informatie over EU-Pilot-procedures en lopende zaken; stelt vast dat er behoefte bestaat aan versterking van de juridische status en de legitimiteit van EU-pilot, en is van mening dat dit tot stand gebracht kan worden door meer transparantie en grotere participatie van klagers en het Europees Parlement;

19.  roept de Commissie daarom andermaal op met voorstellen te komen voor bindende regels in de vorm van een verordening krachtens de nieuwe rechtsgrondslag van artikel 298 VWEU teneinde het recht van de burger op behoorlijk bestuur, zoals bepaald in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten, ten volle te eerbiedigen;

20.  erkent dat de primaire verantwoordelijkheid voor de correcte tenuitvoerlegging en toepassing van EU-recht bij de lidstaten ligt, en benadrukt dat de EU-instellingen verplicht zijn het primaire EU-recht in acht te nemen bij het produceren van afgeleid EU-recht, of bij het besluiten over, het uitvoeren van en het voorschrijven van sociaal, economisch of ander beleid aan lidstaten, en benadrukt tevens hun verplichting om EU-lidstaten bij te staan in hun pogingen om democratische en sociale waarden te respecteren en EU-wetgeving om te zetten in tijden van bezuinigingen en economische beperkingen; herinnert eraan dat de EU-instellingen gebonden zijn aan het subsidiariteitsbeginsel en de bevoegdheden van de lidstaten dienen te respecteren;

21.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de bezuinigingsmaatregelen die aan de EU-lidstaten met te hoge schulden tijdens de periode van de twee onderhavige jaarverslagen zijn opgelegd, welke maatregelen vervolgens in wetgevingshandelingen van afgeleid EU-recht zijn opgenomen om te worden omgezet in nationaal recht, en met name over de drastische besparingen op overheidsuitgaven als gevolg waarvan de capaciteit van het administratieve en gerechtelijke apparaat van de lidstaten om het EU-recht correct uit te voeren, aanzienlijk is afgenomen; ;

22.  is van mening dat de lidstaten waarvoor hervormingsprogramma's gelden, in staat moeten blijven om hun verplichting tot eerbiediging van sociale en economische rechten na te komen;

23.  herinnert eraan dat de EU-instellingen, ook als zij handelen als lid van groepen van internationale kredietverleners, gebonden zijn aan de Verdragen en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

24.  benadrukt dat het van het allergrootste belang is dat de EU-instellingen de Verdragen naleven; merkt op dat de Commissie de lidstaten moet helpen bij de correcte invoering van de EU-wetgeving, om de steun voor de EU en het vertrouwen in haar legitimiteit te versterken; spoort de Commissie aan om bedenkingen die de lidstaten tijdens de uitvoeringsprocedure kenbaar maken, te publiceren; benadrukt dat de steun van nationale parlementen bij de omzetting van wetgeving van essentieel belang is om de toepassing van EU-wetgeving te verbeteren en verzoekt dan ook om de dialoog met de nationale parlementen te intensiveren, ook indien bedenkingen betreffende de subsidiariteit zijn geuit; merkt de cruciale rol op van reguliere beoordelingen achteraf en het belang om de opvatting van de nationale parlementen te vragen, teneinde zorgen of wetgevingsproblemen die nog niet eerder bekend waren, weg te nemen;

25.  wijst erop dat het recht om een verzoekschrift te richten tot het Parlement een van de steunpilaren is van het Europees burgerschap, overeenkomstig artikel 44 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 227 VWEU; wijst erop dat dit recht instrumenten biedt die nodig maar niet voldoende zijn om de deelname van het publiek aan het besluitvormingsproces van de Europese Unie te versterken en een belangrijke rol vervult bij het identificeren en beoordelen van mogelijke lacunes en overtredingen in het kader van de uitvoering van EU-wetgeving door de lidstaten, alsook bij het informeren van de EU-instellingen hierover; benadrukt in dit verband de cruciale rol van de Commissie verzoekschriften als doeltreffende schakel tussen de EU-burgers, het Parlement, de Commissie en de nationale parlementen;

26.  is verheugd dat de Commissie de essentiële rol erkent die de klager vervult door haar te helpen inbreuken op het EU-recht op te sporen;

27.  herhaalt dat de Europese instellingen, en met name de Commissie en de Raad, de wetgeving en jurisprudentie van de EU op het gebied van transparantie en de toegang tot documenten volledig moeten toepassen en naleven; eist in dit verband de daadwerkelijke toepassing van Verordening (EG) nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(4), en van de daarmee verband houdende uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie;

28.  benadrukt dat de EU is opgericht als een Unie die gegrondvest is op het beginsel van de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten (artikel 2 VEU); herhaalt dat zorgvuldig toezicht op handelingen en nalatigheden van de lidstaten en de EU-instellingen van het grootste belang is, en benadrukt dat het aantal verzoekschriften dat gericht is aan het Parlement en het aantal klachten bij de Commissie over problemen die al door de Commissie opgelost zouden zijn, aantonen dat burgers zich steeds meer het belang van betere toepassing van EU-recht aantrekken; verzoekt de Commissie om sneller en duidelijker te reageren op kennisgevingen van burgers in verband met inbreuken op het EU-recht;

29.  neemt kennis van het grote aantal inbreukprocedures dat in 2013 werd afgesloten voordat ze het Hof van Justitie bereikten, waarbij slechts ongeveer 6,6 % van alle zaken werd afgesloten met een uitspraak van het Hof; is bijgevolg van mening dat het van wezenlijk belang is nauwkeurig toezicht te blijven houden op de maatregelen van de lidstaten, rekening houdend met het feit dat in sommige verzoekschriften steeds wordt verwezen naar problemen die blijven bestaan nadat een zaak is afgesloten;

30.  is ingenomen met het feit dat de Commissie steeds meer belang hecht aan verzoekschriften als informatiebron ten aanzien van klachten van burgers over overheden, waaronder de Europese Unie, en mogelijke schendingen van de EU-wetgeving bij de daadwerkelijke toepassing ervan, wat wordt aangetoond door het feit dat in de twee jaarverslagen bijzondere aandacht werd besteed aan verzoekschriften; merkt op dat er tegelijkertijd meer verzoekschriften worden doorgestuurd door de Commissie verzoekschriften naar de Commissie met het verzoek om bijkomende informatie te verstrekken; betreurt echter de trage beantwoording van talrijke verzoekschriften wanneer de Commissie om een standpunt wordt gevraagd;

31.  merkt bovendien op dat behoefte bestaat aan een constructieve dialoog met de lidstaten in het kader van de Commissie verzoekschriften en verzoekt de lidstaten waarop de relevante verzoekschriften betrekking hebben vertegenwoordigers te sturen om tijdens haar vergaderingen voor de commissie te spreken;

32.  wijst erop dat de door de EU-burgers of in een lidstaat woonachtige personen ingediende verzoekschriften betrekking hebben op schendingen van de EU-wetgeving, met name met betrekking tot de grondrechten, binnenlandse zaken, justitie, de interne markt, gezondheid, consumenten, vervoer, belasting, landbouw en plattelandsontwikkeling en het milieu; is van mening dat uit de verzoekschriften blijkt dat er nog altijd vele verstrekkende gevallen van onvolledige omzetting of het ontbreken van toereikende handhaving zijn, hetgeen effectief tot een onjuiste toepassing van het EU-recht leidt; benadrukt dat een dergelijke situatie meer inspanningen van de lidstaten en een permanente controle door de Commissie vereist; onderstreept met name dat er veel verzoekschriften worden ingediend om te wijzen op discriminatie en belemmeringen waar personen met een handicap mee te maken krijgen;

33.  merkt op dat er problemen blijven bestaan in de dialoog met sommige lidstaten en sommige regio's, die aarzelen om de gevraagde documenten of uitleg te verstrekken;

34.  is ingenomen met de inzet van de diensten van de Commissie om de uitwisseling van informatie met de Commissie verzoekschriften te verbeteren en herhaalt zijn verzoek om:

   a) te zorgen voor verbeterde communicatie tussen de twee partijen, met name met betrekking tot het starten van inbreukprocedures door de Commissie en de voortgang daarvan, met inbegrip van de EU Pilot-procedure, om ervoor te zorgen dat het Parlement volledig wordt geïnformeerd, zodat het zijn wetgevingswerkzaamheden kan blijven verbeteren;
   b) meer inspanningen te leveren om binnen een redelijke termijn alle mogelijke relevante informatie te verstrekken over de onderzoeks- en inbreukprocedures aan de Commissie verzoekschriften, waardoor de commissie op een meer doeltreffende manier kan reageren op verzoeken van burgers;
   c) instemming van de Commissie om rekening te houden met de verslagen van de Commissie verzoekschriften, en met name met de daarin opgenomen bevindingen en aanbevelingen, wanneer de Commissie haar mededelingen opstelt en herziening van wetgeving voorbereidt;

35.  betreurt het dat het Europees Parlement, dat de Europese burgers rechtstreeks vertegenwoordigt en zich als volwaardig medewetgever via parlementaire vragen en de werkzaamheden van de Commissie verzoekschriften steeds meer bezighoudt met klachtenprocedures, nog steeds niet automatisch transparante en tijdige informatie verkrijgt over de uitvoering van EU-wetgeving, ofschoon die informatie essentieel is, niet alleen om de toegankelijkheid en rechtszekerheid voor de Europese burger te vergroten maar ook met het oog op wijzigingen ter verbetering van die wetgeving; is van mening dat betere communicatie tussen het Europees Parlement en nationale parlementen in dit verband een stap in de goede richting kan zijn; dringt aan op meer doeltreffende en doelmatige samenwerking tussen de instellingen en verwacht dat de Commissie de clausule in het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie te goeder trouw toepast waarin zij zich ertoe verplicht om "het Parlement beknopte gegevens ter beschikking [te stellen] over alle inbreukprocedures vanaf de ingebrekestelling, waaronder, zo het Parlement hierom verzoekt, […] de kwesties waarop de inbreukprocedure betrekking heeft";

36.  verlangt dat er bij de bevoegde directoraten-generaal van het Parlement (IPOL, EXPO en Onderzoek) een autonoom systeem wordt ingericht voor ex-post-effectbeoordeling van de belangrijkste Europese wetgeving die bij medebeslissing en overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure door het Europees Parlement, deels met medewerking van de nationale parlementen, is aangenomen;

37.  merkt op dat het Hof heeft aangegeven dat "schade die door nationale instellingen is veroorzaakt [...] alleen tot aansprakelijkheid van die instellingen kan leiden, en alleen de nationale rechtbanken [...] bevoegd [blijven] voor het vaststellen van schadeloosstelling voor dergelijke schade"(5); onderstreept derhalve de noodzaak om de rechtsmiddelen die op nationaal niveau beschikbaar zijn, te versterken, zodat de klagers hun rechten op directere en persoonlijkere wijze kunnen doen gelden;

38.  stelt vast dat de meeste klachten van burgers op het gebied van justitie betrekking hebben op de bewegingsvrijheid en de bescherming van persoonsgegevens; herhaalt dat het recht op vrij verkeer één van de vier fundamentele vrijheden van de EU vormt, dat is vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aan alle Europese burgers wordt gewaarborgd; herhaalt dat het recht van EU-burgers om vrij in andere lidstaten te reizen, te verblijven en te werken één van de fundamentele vrijheden van de Europese Unie vormt en aldus moet worden gegarandeerd en beschermd;

39.  benadrukt dat de volledige omzetting en doeltreffende uitvoering van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel een absolute prioriteit is; dringt er bij de lidstaten op aan alles in het werk te stellen om het nieuwe asielpakket volledig, correct en tijdig om te zetten;

40.  merkt op dat er op het beleidsterrein binnenlandse zaken in 2012 22 inbreukprocedures liepen en in 2013 44; betreurt het ten zeerste dat de meeste inbreukprocedures in 2013 werden ingeleid in verband met de te late omzetting van Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel; merkt op dat er nog altijd veel klachten worden ingediend met betrekking tot het asielbeleid;

41.  merkt op dat er op het gebied van justitie in 2012 61 inbreukprocedures liepen en in 2013 67; wijst erop dat de meeste van deze procedures betrekking hadden op burgerschap en het vrij verkeer van personen; betreurt ten zeerste dat de meeste inbreukprocedures wegens te late omzetting werden ingeleid in verband met de te late omzetting van Richtlijn 2010/64/EU betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures; spreekt zijn bezorgdheid uit over de aanzienlijke toename van het aantal klachten op het gebied van justitie in 2013;

42.  is verheugd over de aanzienlijke vooruitgang die de afgelopen jaren is geboekt ten aanzien van de versterking van de rechten van verdachten en beklaagden in de EU; benadrukt het wezenlijke belang van een tijdige, volledige en juiste omzetting van alle maatregelen die zijn opgesomd in de routekaart van de Raad ter versterking van de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures; wijst erop dat deze maatregelen essentieel zijn voor een doeltreffende justitiële samenwerking in strafzaken in de EU;

43.  benadrukt dat mensenhandel een ernstig misdrijf is en een vorm van schending van de mensenrechten en de menselijke waardigheid vormt, die de Unie niet kan tolereren; betreurt dat het aantal slachtoffers van mensenhandel naar en vanuit de EU toeneemt; wijst erop dat er op dit gebied weliswaar een passend wettelijk kader bestaat, maar dat de uitvoering van dit kader door de lidstaten in de praktijk nog te wensen overlaat; onderstreept dat het risico van mensenhandel als gevolg van de huidige situatie in het Middellandse Zeegebied nog toeneemt, en vraagt de lidstaten uiterst doortastend op te treden tegen de daders van dergelijke misdrijven en de slachtoffers zo doeltreffend mogelijk te beschermen;

44.  herinnert eraan dat de in protocol 36 bij het Verdrag van Lissabon vastgelegde overgangsperiode op 1 december 2014 is geëindigd; benadrukt dat na afloop van deze overgangsperiode een omvattende evaluatie dient plaats te vinden van de maatregelen die zijn genomen onder de voormalige derde pijler en de uitvoering van die maatregelen door de lidstaten; wijst erop dat het Parlement sinds april 2015 nog niet is ingelicht over de stand van zaken met betrekking tot de verschillende wetgevingsmaatregelen die de lidstaten in de periode vóór Lissabon hebben vastgesteld op het gebied van justitiële en politiële samenwerking; verzoekt de Commissie het beginsel van loyale samenwerking te eerbiedigen en deze informatie zo snel mogelijk aan het Parlement ter beschikking te stellen;

45.  herinnert eraan dat in de conclusies van de Europese Raad van juni 2014 wordt gesteld dat de komende vijf jaar in algemene zin prioriteit moet worden gegeven aan de consequente omzetting en de daadwerkelijke uitvoering en consolidering van de bestaande juridische instrumenten en beleidsmaatregelen op het gebied van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht (RVVR); verlangt van de Commissie dat zij nadrukkelijker toeziet op de concrete tenuitvoerlegging van EU-wetgeving door de lidstaten; is van mening dat dit een politieke prioriteit dient te zijn, gelet op de brede kloof die vaak gaapt tussen het op Unie-niveau aangenomen beleid en de uitvoering daarvan op nationaal niveau; spoort de parlementen van de lidstaten ertoe aan meer deel te nemen aan het Europese debat en aan het toezicht op de toepassing van het EU-recht, in het bijzonder op het vlak van binnenlandse zaken;

46.  benadrukt dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 11 september 2013 over Europese talen die met uitsterven worden bedreigd en taalkundige verscheidenheid in de Europese Unie(6), herhaalde dat de Commissie aandacht moet besteden aan het feit dat sommige lidstaten en regio's met hun beleid het voortbestaan van talen binnen hun grenzen in gevaar brengen, ook al zijn deze talen op Europees niveau niet bedreigd, en de Commissie ook verzocht zich te beraden over de administratieve en juridische belemmeringen waarmee projecten met betrekking tot bedreigde talen te maken hebben vanwege de geringe omvang van de desbetreffende taalgemeenschappen; vraagt de Commissie in dit verband om bij de beoordeling van de toepassing van het EU-recht terdege rekening te houden met de rechten van personen die tot minderheden behoren;

47.  benadrukt dat de toegang van de burgers tot informatie en documenten over de toepassing van EU-recht niet alleen binnen de RVVR maar ook op andere beleidsgebieden verbeterd moet worden; dringt er bij de Commissie op aan in kaart te brengen op welke manieren dit het beste kan worden gedaan, en daarbij gebruik te maken van bestaande communicatiekanalen, teneinde de transparantie te verbeteren en de toegang tot informatie en documenten over de toepassing van EU-recht te waarborgen; vraagt de Commissie een wettelijk bindend instrument voor te stellen met betrekking tot de administratieve procedure voor de behandeling van klachten van burgers;

48.  herhaalt dat de goede werking van een echte Europese ruimte van recht gestoeld op eerbiediging van de verschillende rechtsstelsels en -tradities van de lidstaten van vitaal belang is voor de EU, en dat de volledige, correcte en tijdige uitvoering van de EU-wetgeving een voorafgaande voorwaarde is om deze doelstelling te kunnen bereiken;

49.  onderstreept dat verbeterde uitvoering een van de prioriteiten is in het zevende milieuactieprogramma;

50.  betreurt het dat de EU-wetgeving op het gebied van milieu en gezondheid nog steeds gevolgen ondervindt door de vele gevallen van te late of onjuiste omzetting en slechte uitvoering door de lidstaten; merkt op dat uit het 31ste jaarlijkse verslag van de Commissie over de toepassing van het EU-recht blijkt dat de grootste categorie inbreukprocedures in 2013 betrekking had op het milieu; herinnert eraan dat in gebreke blijven met de uitvoering van milieubeleid hoge kosten met zich brengt, naar schatting zo'n 50 miljard EUR per jaar, de proceskosten van inbreukprocedures meegerekend (COWI et al. 2011); benadrukt bovendien dat de uitvoering van het milieubeleid vele sociaaleconomische voordelen zou opleveren die in kosten-batenanalyses niet altijd terug te vinden zijn;

51.  verzoekt de Commissie strenger de hand te houden aan de toepassing van de EU-milieuwetgeving en sneller en effectiever onderzoek te doen naar eventuele inbreuken in verband met milieuvervuiling;

52.  verzoekt de Commissie krachtiger op te treden tegen te late omzetting van milieurichtlijnen en meer gebruik te maken van dwangsommen;

53.  vraagt de Commissie om een nieuw voorstel over toegang tot de rechter in milieuzaken en een voorstel inzake milieu-inspecties uit te brengen, indien mogelijk zonder meer bureaucratie en administratieve kosten;

54.  onderstreept dat de milieubescherming op een hoog peil gehandhaafd moet blijven en waarschuwt dat een hoog niet-nakomingspercentage niet mag worden opgevat als reden om het ambitieniveau van de milieuwetgeving te verlagen;

55.  is bang dat de Commissie in haar communicatie over het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT) de moeilijkheid om uitvoering te geven aan milieu- en gezondheidswetgeving als te groot voorstelt; onderstreept dat de wetgeving op het gebied van milieu, voedselveiligheid en gezondheid niet mag worden ondergraven in het kader van het REFIT-programma; onderkent de noodzaak van betere regelgeving en is van mening dat bij vereenvoudiging van regelgeving ook de problemen aandacht moeten krijgen die bij de uitvoering zijn opgedoken; stelt dat REFIT op de minst belastende manier resultaten moet opleveren voor burgers en bedrijven;

56.  is ingenomen met de nieuwe praktijk op grond waarvan de Commissie in gerechtvaardigde gevallen de lidstaten kan verzoeken toelichtende stukken bij te voegen wanneer zij de Commissie in kennis stellen van hun omzettingsmaatregelen; herhaalt evenwel zijn verzoek om in alle EU-talen het publiceren van concordantietabellen bij de omzetting van richtlijnen verplicht te stellen, en betreurt dat REFIT een unilateraal besluit van de Commissie was, zonder effectieve sociale en parlementaire dialoog;

57.  merkt op dat de Commissie in verband met REFIT de dialoog over gezonde regelgeving met burgers, lidstaten, het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld in het algemeen moet vergemakkelijken om ervoor te zorgen dat de kwaliteit en de sociale aspecten van de EU-wetgeving behouden blijven en dat de vooruitgang ten aanzien van één ideaal niet ten koste gaat van andere idealen;

58.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0051.
(3) Beleidsondersteunende afdeling C: Rechten van de burger en Constitutionele Zaken voor de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (2015).
(4) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).
(5) Zie het arrest in zaak 175/84.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0350.

Juridische mededeling