Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 8 oktober 2015 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Centraal-Afrikaanse Republiek
 Situatie in Thailand
 De massale ontheemding van kinderen in Nigeria door aanvallen van Boko Haram
 Het geval van Ali Mohammed al-Nimr
 Betalingsdiensten in de interne markt ***I
 Hypotheekwetgeving en riskante financiële instrumenten in de EU: het geval Spanje
 De doodstraf
 Lering uit de ramp met rode modder, vijf jaar na het ongeval in Hongarije
 Vernieuwing van het EU-actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het kader van ontwikkeling
 Gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep

Centraal-Afrikaanse Republiek
PDF 186kWORD 82k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 oktober 2015 over de Centraal-Afrikaanse Republiek (2015/2874(RSP))
P8_TA(2015)0342RC-B8-1000/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in de Centraal-Afrikaanse Republiek,

–  gezien zijn resolutie van 11 februari 2015 over de werkzaamheden van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU(1),

–  gezien de resoluties van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU over de situatie in de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR) van 19 juni 2013, 19 maart 2014 en 17 juni 2015,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) over de situatie in de Centraal-Afrikaanse Republiek, met name die van 13 oktober 2014,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de EDEO van 28 september 2015 over het geweld in de Centraal-Afrikaanse Republiek,

–  gezien de conclusies van de Raad van 9 februari en 20 juli 2015 over de CAR,

–  gezien de uitspraken van 1 oktober 2015 van Marie-Therese Keita Bocoum, de onafhankelijke deskundige van de VN, over de mensenrechtensituatie in de CAR,

–  gezien de oproep van de secretaris-generaal van de VN, Ban Ki-moon, en de Veiligheidsraad van 28 september 2015 tot de onmiddellijke beëindiging van de plotselinge uitbraak van geweld in de CAR,

–  gezien VN-resolutie 2217 (2015) tot verlenging van het mandaat van MINUSCA met de huidige toegestane troepensterkte tot 30 april 2016, goedgekeurd door de Veiligheidsraad op zijn 7434e vergadering van 28 april 2015,

–  gezien VN-resolutie 2196 (2015) tot verlenging van de sancties tegen de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR) tot 29 januari 2016 en van het mandaat van het panel deskundigen dat het CAR-sanctiecomité assisteert tot 29 februari 2016,

–  gezien het evaluatierapport van de VN van 15 mei 2015 "Evaluation Report on Enforcement and Remedial Assistance Efforts for Sexual Exploitation and Abuse by the United Nations and Related Personnel in Peacekeeping Operations",

–  gezien het rapport van 11 september 2015 van de secretaris-generaal van de VN over de aanbevelingen van het onafhankelijk panel op hoog niveau over vredesoperaties,

–  gezien het definitieve rapport van de internationale onderzoekscommissie voor de Centraal-Afrikaanse Republiek van 19 december 2014,

–  gezien de internationale conferentie op hoog niveau over de Centraal-Afrikaanse Republiek, getiteld "From humanitarian aid to resilience", op 26 mei 2015 te Brussel,

–  gezien het akkoord inzake ontwapening, demobilisatie, repatriëring en herintegratie (DDRR), ondertekend op 10 mei 2015 door een groot aantal gewapende groeperingen tijdens het Bangui Forum,

–  gezien de herziene Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien de Overeenkomst van Libreville (Gabon) van 11 januari 2013 over de oplossing van de politiek-militaire crisis in de CAR, ondertekend onder auspiciën van de staatshoofden en regeringsleiders van de Economische Gemeenschap van Centraal-Afrikaanse staten (ECCAS), waarin de voorwaarden voor de beëindiging van de crisis in de CAR zijn beschreven,

–  gezien de buitengewone top van de staatshoofden en regeringsleiders van de Economische Gemeenschap van Centraal-Afrikaanse staten (ECCAS) in N'Djamena (Tsjaad) op 21 december 2012, 3 april 2013 en 18 april 2013 en hun besluiten om een nationale interimraad in te stellen met wetgevende en constituerende bevoegdheden en om een stappenplan uit te werken voor het overgangsproces in de CAR,

–  gezien de vergadering van de internationale contactgroep van 3 mei 2013 in Brazzaville (Republiek Congo) waar het stappenplan voor de overgang werd goedgekeurd en een bijzonder fonds werd opgericht om de CAR bij te staan,

–  gezien het in juni 2014 ondertekende akkoord tot beëindiging van de vijandelijkheden,

–  gezien de conclusies van de zevende vergadering van de Internationale Contactgroep inzake de Centraal-Afrikaanse Republiek van 16 maart 2015 in Brazzaville,

–  gezien de communiqués van de Vredes- en veiligheidsraad van de Afrikaanse Unie van 17 september 2014 en 26 maart 2015,

–  gezien de grondwet van de CAR, eind augustus 2015 vastgesteld door de interimraad,

–  gezien het Statuut van Rome van 1998 van het Internationaal Strafhof (ICC), dat door de CAR in 2001 werd geratificeerd,

–  gezien het Facultatief Protocol II bij het Verdrag inzake de rechten van het kind van 2002, inzake de betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten, ondertekend door de CAR,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4,van zijn Reglement,

A.  overwegende dat eind september 2015 nieuwe gevechten zijn uitgebroken in de CAR, met 42 doden en 37 000 vluchtelingen tot gevolg;

B.  overwegende dat eind september 2015 ruim 500 gevangenen zijn ontsnapt uit de Ngaragba-gevangenis in Bangui en uit de gevangenis in Bouar, waaronder bekende plegers van mensenrechtenschendingen; overwegende dat dit een ernstige bedreiging vormt voor burgers en voor de bescherming van slachtoffers en getuigen; overwegende dat deze uitbraak een tegenslag is voor het handhaven van de rechtsstaat en voor de bestrijding van straffeloosheid in de CAR;

C.  overwegende dat de omstandigheden voor de agentschappen voor steunverlening in Bangui zijn verslechterd, volgens het Bureau van de Verenigde Naties voor de coördinatie van humanitaire aangelegenheden; overwegende dat meerdere kantoren en woningen van steunorganisaties zijn leeggeroofd en dat de bewegingsvrijheid van medewerkers van deze organisaties is beperkt, met name van ziekenhuispersoneel;

D.  overwegende dat de verlening van humanitaire hulp is bemoeilijkt vanwege de gevechten en het grote aantal wegblokkades, die de autoriteiten belemmeren bij het bereiken van duizenden binnenlandse vluchtelingen en het in kaart brengen van hun behoeften; overwegende dat ook Artsen zonder Grenzen zorgen heeft geuit over de veilige toegang tot de wijken van Bangui, en heeft gemeld dat gewonden in veel gevallen te voet zijn gearriveerd en dat ambulances van de organisatie niet door de stad konden rijden omdat dit te gevaarlijk was;

E.  overwegende dat de VN heeft besloten het mandaat van MINUSCA te verlengen tot 30 april 2016, met een maximaal toegestane troepensterkte van 10 750, waaronder 480 militaire waarnemers en militaire officieren en 2 080 politiefunctionarissen, waaronder 400 agenten en 40 gevangenbewaarders;

F.  overwegende dat volgens de vredesmissie van de VN in het land (MINUSCA) de veiligheidssituatie de laatste tijd is verbeterd, maar dat er nog spanningen zijn in Bangui, waar burgers zijn aangevallen en geweld tussen gemeenschappen en aanvallen op humanitaire werkers hebben plaatsgevonden;

G.  overwegende dat de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof, Fatou Bensouda, degenen die bij de gevechten zijn betrokken heeft opgeroepen het geweld ogenblikkelijk te beëindigen, daaraan toevoegend dat oorlogsmisdaden gestraft zullen worden; overwegende dat het tweede onderzoek naar het conflict in de CAR op 24 september 2014 is geopend;

H.  overwegende dat recente gevechten het prille vredesproces dreigen te doen mislukken en de zwarte periode van eind 2013 en 2014 weer terug kunnen brengen, toen duizenden doden zijn gevallen en tienduizenden mensen hun huizen moesten ontvluchten; overwegende dat criminaliteit een groot probleem blijft; overwegende dat de situatie van vrouwen in de CAR zeer ernstig is, en dat verkrachting vaak als oorlogswapen wordt gebruikt door alle betrokken partijen;

I.  overwegende dat de coup van 2013 en het daaropvolgende afzetten van het interimstaatshoofd, Michel Djotodia, en de interim-minister-president, Nicolas Tiangaye, gepaard gingen met massale en zware mensenrechtenschendingen en mogelijke genocide, met standrechtelijke moorden, marteling, plundering, verkrachting en seksueel misbruik op grote schaal, ontvoering van vrouwen en kinderen en gedwongen ronseling van kindsoldaten;

J.  overwegende dat op 4 oktober 2015 een referendum moest plaatsvinden over de vaststelling van een nieuwe grondwet, en dat er presidents- en parlementsverkiezingen in twee rondes gepland waren, op 18 oktober en 22 november 2015; overwegende dat de interimautoriteiten een aantal weken hebben gewerkt aan uitstel van het referendum en de verkiezingen, maar dat het nationaal verkiezingsagentschap nog geen nieuwe data heeft bekendgemaakt, en dat de stemlijsten nog niet zijn vastgesteld en de stemkaarten nog niet zijn verstuurd;

K.  overwegende dat het land te maken heeft met de ergste humanitaire crisis sinds de onafhankelijkheid in 1960, en dat de gehele bevolking van 4,6 miljoen mensen, waarvan de helft kinderen, hiervan de gevolgen ondervindt; overwegende dat 2,7 miljoen mensen behoefte hebben aan hulp, waaronder voedselhulp, bescherming en toegang tot gezondheidszorg, drinkwater, sanitaire voorzieningen en huisvesting; overwegende dat naar schatting meer dan 100 000 kinderen seksueel zijn misbruikt en zijn geronseld door gewapende groeperingen in het land en overwegende dat door de crisis naar schatting een miljoen kinderen niet meer naar school kan;

L.  overwegende dat gewapende groeperingen in de CAR op 5 mei 2015 zijn overeengekomen om 6 000 tot 10 000 kindsoldaten te laten gaan;

M.  overwegende dat het imago van vredesoperaties is aangetast door beschuldigingen van seksueel misbruik van kinderen en meisjes door VN-soldaten en Franse vredeshandhavers;

N.  overwegende dat zowel de gewapende Seleka- als de anti-balakagroepen profiteren van de hout- en diamanthandel door de winning te controleren en mijneigenaren en handelaren "belastingen" op te leggen of "beschermingsgeld" te vragen, en overwegende dat handelaren in de CAR voor meerdere miljoenen dollars aan diamanten hebben gekocht zonder na te gaan of zij daarmee gewapende groeperingen financierden;

O.  overwegende dat eerbiediging van de mensenrechten een fundamentele waarde van de Europese Unie is, en als essentieel onderdeel is opgenomen in de Overeenkomst van Cotonou, met name in artikel 8;

P.  overwegende dat justitie en de vervolging van ernstige mensenrechtenschendingen behoren tot de voornaamste taken die verricht moeten worden om de misstanden te beëindigen en de CAR opnieuw op te bouwen;

Q.  overwegende dat straffeloosheid een kenmerk blijft van het geweld, ondanks de goedkeuring door de interimraad en de ondertekening en omzetting in wet door de tijdelijke president van de oprichting van een bijzondere strafrechtbank, bestaande uit nationale en internationale rechters en aanklagers, die de ernstige mensenrechtenschendingen in de CAR sinds 2003 zal onderzoeken en vervolgen;

R.  overwegende dat de EU in september 2014 de eerste drie ontwikkelingsprojecten is gestart van het multi-donortrustfonds in de CAR op het gebied van volksgezondheid, werkgelegenheid, wederopbouw van beschadigde infrastructuur in Bangui, alsmede de ondersteuning en economische inclusie van vrouwen;

S.  overwegende dat de Europese Raad in maart 2015 de militaire adviesmissie van de EU in de CAR (EUMAM RCA) heeft gelanceerd, gericht op ondersteuning van de Centraal-Afrikaanse autoriteiten bij het voorbereiden van een hervorming van de veiligheidssector, in het bijzonder de gewapende strijdkrachten;

T.  overwegende dat de EU haar steun aan de CAR sinds mei 2015 heeft verhoogd met in totaal 72 miljoen EUR, met inbegrip van middelen voor humanitaire hulp (met 10 miljoen EUR aan nieuwe middelen), begrotingssteun (aanvullend bedrag van 40 miljoen EUR) en een nieuwe bijdrage aan het EU-trustfonds voor de CAR (aanvullend bedrag van 22 miljoen EUR);

U.  overwegende dat de EU op 15 juli 2014 haar eerste multi-donortrustfonds voor ontwikkeling heeft gelanceerd ten behoeve van de Centraal-Afrikaanse Republiek, bedoeld om de overgang mogelijk te maken van noodhulp naar ontwikkelingshulp voor de lange termijn;

1.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de situatie in de Centraal-Afrikaanse Republiek, die het land op de rand van een burgeroorlog kan brengen indien er geen einde komt aan het recente geweld; betreurt het verlies van levens en spreekt zijn medeleven uit met de families van de slachtoffers en met de hele bevolking van de Centraal-Afrikaanse Republiek;

2.  veroordeelt krachtig de aanvallen op humanitaire organisaties en woningen tijdens de recentste uitbraak van geweld; roept op tot het waarborgen van het vrije verkeer voor hulpverleners, zodat zij burgers in nood kunnen bereiken, vooral ontheemden; herinnert eraan dat bijna de helft van de miljoen binnenlands ontheemden grote behoefte heeft aan voedsel, gezondheidszorg, water, sanitaire voorzieningen en hygiëne, onderdak en essentiële huishoudelijke artikelen;

3.  roept de autoriteiten van de CAR op zich te richten op het bestrijden van straffeloosheid en de herinvoering van de rechtsstaat, onder meer door degenen die zich schuldig hebben gemaakt aan geweld te berechten; verwelkomt de oprichting van het bijzondere strafhof om de ernstige mensenrechtenschendingen die sinds 2003 in het land zijn gepleegd te onderzoeken en te vervolgen, en wijst erop dat dit strafhof op zeer korte termijn operationeel moet zijn; benadrukt dat internationale financiële en technische steun van wezenlijk belang zijn voor de werking van het strafhof; roept op tot het zo spoedig mogelijk organiseren van een internationale donorconferentie; moedigt de autoriteiten van de CAR aan de vacatures bij het strafhof op doeltreffende en transparante wijze te vervullen;

4.  complimenteert de ECCAS met zijn cruciale rol bij het vormgeven van het proces van overgang en zijn standvastigheid bij het overleg in Addis Abeba op 31 januari 2015 met betrekking tot eventuele parallelle initiatieven die een gevaar zouden kunnen vormen voor de huidige inspanningen van de internationale gemeenschap voor het herstel van de vrede, veiligheid en stabiliteit in de CAR;

5.  verwelkomt de inspanningen die tot nu toe door de interimregering zijn verricht, maar roept de tijdelijke autoriteiten en de internationale gemeenschap op de achterliggende oorzaken van de crisis aan te pakken, zoals wijdverspreide armoede, economische ongelijkheden, stijgende werkloosheid en de ontoereikende verdeling van de inkomsten van de natuurlijke hulpbronnen van het land via de overheidsbegroting; roept op tot een omvattende aanpak gericht op veiligheid, humanitaire hulp, stabilisering en economisch herstel;

6.  roept de internationale gemeenschap op het politieke proces in de CAR op dit cruciale moment te steunen en meer gezamenlijke inspanningen te verrichten ten behoeve van de politieke dialoog, het opbouwen van vertrouwen en het waarborgen van vreedzame co-existentie van de religieuze gemeenschappen in het land; dringt er bij de regering van de CAR op aan de wederopbouw van het onderwijsstelsel als prioriteit te beschouwen, om een langdurige vreedzame co-existentie mogelijk te maken;

7.  betreurt het feit dat ondanks het embargo van de VN op wapens de milities in kracht blijven toenemen; roept alle partijen op tot nakoming van het ontwapeningsakkoord dat is ondertekend op 10 mei 2015; benadrukt dat het ontwapenen van gewapende groepen als absolute prioriteit moet worden aangemerkt, vooral in de aanloop naar de presidents- en parlementsverkiezingen die eind dit jaar in de CAR moeten plaatsvinden;

8.  dringt er bij de Afrikaanse Unie en de Europese Unie op aan alle nodige maatregelen en instrumenten in te zetten om de interimregering te helpen bij het overwinnen van de ineenstorting van dit kwetsbare land, de interetnische escalatie en de toenemende sterkte van de strijdende milities, en de overgang mogelijk te maken naar een functionele, inclusieve en democratische staat, in het bijzonder met behulp van het Instrument voor stabiliteit en vrede, de Vredesfaciliteit voor Afrika en de Afrikaanse stand-bytroepenmacht;

9.  verwelkomt de oprichting van het Bangui Forum voor verzoening en vrede en dringt aan op onvoorwaardelijke deelname door alle politieke, militaire en religieuze leiders, alsmede door lokale gemeenschappen en maatschappelijke organisaties; dringt aan op democratische verkiezingen;

10.  roept de Commissie, de lidstaten en andere internationale actoren op hun uiterste best te doen om de organisatie van de verkiezingen zoals opgenomen in het stappenplan voor het overgangsproces te ondersteunen, in het bijzonder door bij te dragen aan het door het UNDP beheerde programma voor verkiezingsbijstand, zodat de verkiezingen vóór het einde van het jaar kunnen plaatsvinden, waarmee een belangrijk element van het stappenplan voor het overgangsproces wordt verwezenlijkt;

11.  spreekt opnieuw zijn steun uit voor de onafhankelijkheid, eenheid en territoriale integriteit van de CAR; wijst op het belang van het zelfbestemmingsrecht van de bevolking zonder inmenging van buitenaf;

12.  bevestigt zijn steun voor de VN, de vredesmacht MINUSCA en de Franse militaire operatie Sangaris, in de aanloop naar de verkiezingen die eind dit jaar moeten plaatsvinden; veroordeelt met klem elke poging om de huidige inspanningen voor het bereiken van stabiliteit te dwarsbomen;

13.  herhaalt dat de overgangsperiode zal aflopen op 30 december 2015; dringt er bij de nationale autoriteiten op aan om, met ondersteuning van de MINUSCA- en de Sangaris-troepen, de rust in het land te herstellen, met name in Bangui, om de planning van de verkiezingen zo goed mogelijk te laten verlopen;

14.  verwelkomt de militaire adviesmissie van de EU (EUMAM RCA) en het starten van projecten voor het herstel van capaciteiten van de politie op het gebied van buurtpolitietaken en oproerbeheer, de wederopbouw van het gemeenschappelijk operationeel commandocentrum, het versterken van de rechterlijke macht en de wederopbouw van detentiefaciliteiten;

15.  veroordeelt met klem al het geweld tegen kinderen en vrouwen, en dringt er bij alle milities en niet door de staat gesteunde groepen op aan de wapens neer te leggen, alle vormen van geweld te beëindigen en alle kindsoldaten onmiddellijk te laten gaan; roept alle belanghebbenden op zich in te zetten voor de bescherming van de rechten van het kind en verdere mishandeling en misbruik van kinderen te voorkomen; dringt erop aan om meisjes en vrouwen die het slachtoffer zijn van verkrachting in het kader van gewapende conflicten toegang te bieden tot het volledige scala aan seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten;

16.  dringt er bij diamantairs in de CAR op aan om met de nodige zorgvuldigheid te werk te gaan en bij internationale diamanthandelaren om aandacht te besteden aan de uitvoering van het Kimberly-proces in de aanvoerketen van diamanten uit de CAR; roept de autoriteiten van de CAR en buitenlandse ondernemingen ertoe op bij te dragen aan een verbeterd bestuur in de winningsindustrie door zich te houden aan het initiatief voor transparantie in de winningsindustrie;

17.  roept internationale diamanthandelaren op de herkomst van diamanten nauwlettend in het oog houden om te voorkomen dat zij het conflict financieren door illegaal gewonnen en verhandelde diamanten uit de CAR te kopen; dringt er bij Europese ondernemingen die zaken doen met houtkapondernemingen uit de CAR op aan zich te houden aan de EU-houtverordening, en roept de EU op de houtverordening strikt te handhaven met betrekking tot importeurs van hout uit de CAR;

18.  verzoekt de autoriteiten van de CAR om een nationale strategie te ontwikkelen voor het aanpakken van de illegale exploitatie en smokkelnetwerken van natuurlijke hulpbronnen;

19.  dringt er bij de landen wier soldaten zich schuldig hebben gemaakt aan seksueel misbruik tijdens vredesmissies in de CAR om deze ter verantwoording te roepen en te berechten, omdat straffeloosheid onaanvaardbaar is; benadrukt dat het dringend noodzakelijk is om de structuren voor vredeshandhaving te hervormen, door een goed werkend en transparant mechanisme voor toezicht en controle op te zetten; is ervan overtuigd dat dergelijke zware misdrijven ook voorkomen moeten worden door middel van training en onderwijs;

20.  dringt er bij de CAR, haar buurlanden en andere lidstaten van de Internationale Conferentie over het gebied van de Grote Meren (ICGLR) op aan op regionaal niveau samen te werken bij het onderzoeken en bestrijden van regionale criminele netwerken en gewapende groepen die zich bezighouden met de illegale exploitatie en smokkel van natuurlijke hulpbronnen, waaronder goud, diamanten, alsmede met het stropen en verhandelen van wild;

21.  roept de EU op al het mogelijke te doen om de bevolking van de CAR op beter gecoördineerde en doeltreffender wijze te helpen; verwelkomt daarnaast het versterken van de humanitaire inspanningen van de EU en de lidstaten in de CAR, gezien de ontwikkeling van de behoeften in dat land; benadrukt dat levensreddende hulp geboden moet worden aan degenen in de CAR die dat nodig hebben, alsmede aan vluchtelingen in de buurlanden;

22.  betreurt de vernietiging van openbare archieven en registers door de milities; dringt er bij de EU op aan de CAR te ondersteunen bij het herstel van de openbare registers en bij het voorkomen van onregelmatigheden bij de verkiezingen;

23.  roept de lidstaten en andere donoren op een hogere bijdrage te leveren aan het EU-trustfonds Bêkou voor de CAR, dat dient ter bevordering van de stabilisering en wederopbouw van de Centraal-Afrikaanse Republiek, rekening houdend met de noodzaak om de programma's voor wederopbouw en ontwikkeling beter te coördineren met de humanitaire inspanningen;

24.  roept de EU, de AU en de internationale gemeenschap op de vluchtelingen uit de CAR in de buurlanden te ondersteunen;

25.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan interimregering van de CAR, de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, de VN-Veiligheidsraad, de secretaris-generaal van de VN, de instellingen van de Afrikaanse Unie, de ECCAS, de parlementaire vergadering EU-ACS, en de lidstaten van de EU.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0035.


Situatie in Thailand
PDF 176kWORD 74k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 oktober 2015 over de situatie in Thailand (2015/2875(RSP))
P8_TA(2015)0343RC-B8-1002/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Thailand, met name die van 20 mei 2010(1), 6 februari 2014(2) en 21 mei 2015(3),

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, van 2 april 2015 over de ontwikkelingen in Thailand,

–  gezien de verklaringen van de EU-delegatie naar Thailand, in overleg met de hoofden van de EU-vertegenwoordiging in Thailand, van 14 november 2014, 30 juni 2015 en 24 september 2015,

–  gezien de conclusies van de Raad van 23 juni 2014 over Thailand,

–  gezien het antwoord van de toenmalige vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Catherine Ashton, van 15 mei 2013 over de situatie van Andy Hall,

–  gezien het persbericht van de speciale rapporteur van de VN inzake de bevordering en bescherming van het recht op vrijheid van meningsuiting van 1 april 2015,

–  gezien de universele periodieke toetsing van Thailand door de VN-Mensenrechtenraad en de aanbevelingen ervan van 5 oktober 2011,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien de verklaring van de VN over mensenrechtenverdedigers van 1998,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) van 1966, waarbij Thailand partij is,

–  gezien het VN-Verdrag van 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,

–  gezien de verklaring inzake mensenrechten van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het leger op 20 mei 2014 de regering van Thailand heeft afgezet en in het hele land de staat van beleg heeft afgekondigd, waarbij ook het waarnemend Centrum voor vrede en orde werd ontbonden;

B.  overwegende dat de militairen een Nationale Raad voor vrede en orde (NCPO) hebben opgericht, waarvan de leider, generaal Prayuth Chan-ocha, alle bevoegdheden en onbeperkt gezag zal uitoefenen om bevelen uit te vaardigen en de grondwet te hervormen;

C.  overwegende dat de belangrijke grondwettelijke organen die de NCPO heeft opgericht onder controle staan van militairen en dat alle NCPO-leden volledige immuniteit genieten voor elke vorm van wangedrag, verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid en zijn aangesteld op grond van de afdelingen 44 en 47 van de voorlopige grondwet;

D.  overwegende dat de Grondwettelijke Commissie op 29 augustus 2015 klaar was met de opstelling van een nieuwe grondwet, maar dat deze op 6 september 2015 door de Nationale Hervormingsraad werd afgewezen; overwegende dat een nieuwe Grondwettelijke Commissie binnen 180 dagen de grondwet moet herschrijven en dat de recente afwijzing het militaire bewind in het land kan verlengen;

E.  overwegende dat toonaangevende websites over de politieke en mensenrechtensituatie in Thailand door de NCPO krachtens afdeling 44 van de voorlopige grondwet worden beschuldigd van het bedreigen van de nationale veiligheid, en dat er sprake is van strenge censuur van tv-zenders en radiostations die banden hebben met alle binnenlandse politieke groeperingen;

F.  overwegende dat de recent aangenomen wet inzake openbare vergadering, die op 14 augustus 2015 in werking is getreden, de vrijheid van vergadering ernstig beperkt en strenge straffen tot tien jaar gevangenis oplegt voor strafbare feiten zoals verstoring van de openbare dienst;

G.  overwegende dat militairen zijn aangesteld als "vredes- en ordehandhavers", met de bedoeling mensen willekeurig vast te houden en zonder een rechterlijk bevel onderzoeken en huiszoekingen te verrichten;

H.  overwegende dat deelnemers aan vreedzame demonstraties herhaaldelijk zijn beschuldigd van opruiing en schending van de wet, en dat 14 activisten van de Beweging voor nieuwe democratie (NDM) zijn gearresteerd;

I.  overwegende dat de doodstraf nog steeds wordt toegepast in Thailand, en dat de nieuwe wet de omstandigheden waaronder deze kan worden opgelegd nog heeft uitgebreid;

J.  overwegende dat er sinds de staatsgreep sprake is van een golf van arrestaties onder de wet op de majesteitsschennis;

K.  overwegende dat de nationale mensenrechtencommissie (NHRC) de toegang is ontzegd tot gefolterde of mishandelde personen die op gezag van de militaire rechtbanken zonder aanklacht of proces permanent worden vastgehouden;

L.  overwegende dat de veiligheid van plaatselijke mensen- en landrechtenactivisten sinds de staatsgreep is verslechterd;

M.  overwegende dat Thailand geen partij is bij het Vluchtelingenverdrag van 1951 of het bijbehorende protocol van 1967, en geen formeel nationaal asielkader heeft; overwegende dat de Thaise autoriteiten vluchtelingen en asielzoekers blijven terugsturen naar landen waar ze waarschijnlijk zullen worden vervolgd;

N.  overwegende dat Thailand krachtens internationale verdragen waarbij het partij is verplicht is op passende wijze foltering, overlijden tijdens hechtenis en andere vermeende ernstige schendingen van de mensenrechten te onderzoeken en te vervolgen;

O.  overwegende dat de strafrechtelijke smaad tegen een verdediger van de rechten van werknemers, de EU-burger Andy Hall, is verworpen, maar dat hij nog steeds wordt geconfronteerd met beschuldigingen inzake computercriminaliteit en smaad en twee civiele smaadzaken, wat zou kunnen resulteren in een gevangenisstraf van zeven jaar en een geldboete van meerdere miljoenen dollar, omdat hij heeft bijgedragen aan een rapport van Finnwatch waarin een Thaise ananasgroothandelaar wordt beschuldigd van ernstige schending van het arbeidsrecht, ondanks het feit dat de schendingen van de rechten van werknemers door het bedrijf tijdens eerdere zittingen van de rechtbank werden bevestigd door het Thaise ministerie van Arbeid en door een medewerker van het bedrijf; overwegende dat zijn zaak op 19 oktober 2015 voorkomt;

P.  overwegende dat, hoewel Thailand Verdrag nr. 29 van de Internationale Arbeidsorganisatie heeft geratificeerd, migrerende werknemers er weinig bescherming genieten; overwegende dat de handel in werknemers een groot probleem is; overwegende dat de situatie in de visserijsector bijzonder zorgwekkend is;

Q.  overwegende dat de EU de prille onderhandelingen met Thailand over een bilaterale vrijhandelsovereenkomst, die in 2013 van start zijn gegaan, heeft opgeschort en dat zij weigert de in november 2013 gefinaliseerde partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst te ondertekenen tot er een democratische regering aan de macht is; overwegende dat de EU de derde grootste handelspartner van Thailand is;

1.  is ingenomen met het grote engagement van de EU voor het Thaise volk, met wie de EU sterke en langdurige politieke, economische en culturele banden heeft; benadrukt dat de EU, als vriend en partner van Thailand, herhaaldelijk heeft aangedrongen op het herstel van het democratische proces;

2.  is evenwel ernstig bezorgd over de verslechterende mensenrechtensituatie in Thailand na de illegale staatsgreep van mei 2014;

3.  verzoekt de Thaise autoriteiten met klem de opgelegde beperkingen op het recht op vrijheid en op de vreedzame uitoefening van andere mensenrechten op te heffen, in het bijzonder voor zover relevant voor vreedzame deelname aan politieke activiteiten;

4.  verzoekt de Thaise autoriteiten veroordelingen en vonnissen ongedaan te maken, aanklachten in te trekken en personen en mediafiguren vrij te laten die zijn veroordeeld of aangeklaagd wegens het vreedzaam uitoefenen van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vergadering; dringt er bij de regering op aan afdeling 44 van de voorlopige grondwet onmiddellijk in te trekken, alsook aanverwante bepalingen die voor de Thaise autoriteiten als basis dienen om fundamentele vrijheden te onderdrukken en ongestraft de mensenrechten te schenden;

5.  verzoekt de Thaise autoriteiten bedreigingen voor de veiligheid van de bevolking te helpen voorkomen, en beter tegemoet te komen aan de bezwaren van het maatschappelijk middenveld en van landrechtenactivisten;

6.  verzoekt de Thaise autoriteiten zo spoedig mogelijk te beginnen met de politieke overdracht van bevoegdheden van de militaire aan de civiele autoriteiten; neemt kennis van het duidelijke plan voor vrije en eerlijke verkiezingen en verlangt dat het tijdschema in acht wordt genomen;

7.  dringt aan op de overdracht van alle rechterlijke bevoegdheden over burgers van militaire naar civiele rechtbanken, de beëindiging van willekeurige detentie krachtens de staat van beleg, en maatregelen die de bevoegdheden van het leger om burgers vast te houden eerder beperken dan uitbreiden;

8.  moedigt de autoriteiten aan de wet op de majesteitsschennis opnieuw te bekijken om te voorkomen dat deze de vreedzame uitoefening van een politieke meningsuiting bestraft, alsook het uitgebreide gebruik van deze wet voor los van elkaar staande onderwerpen op te schorten;

9.  wenst dat het recht op veiligheid, met inbegrip van die van mensenrechtenverdedigers, wordt geëerbiedigd en beschermd, en dat alle schendingen van de rechten van mensenrechtenverdedigers onmiddellijk, doeltreffend en onafhankelijk worden onderzocht;

10.  neemt kennis van de aanstelling door de Thaise regering van een nieuwe Grondwettelijke commissie die zo spoedig mogelijk een nieuwe grondwet moet opstellen; dringt aan op een grondwet die gebaseerd is op democratische beginselen zoals gelijkheid, vrijheid, eerlijke vertegenwoordiging, transparantie, verantwoordingsplicht, eerbiediging van de mensenrechten, de rechtsstaat en de publieke toegang tot hulpbronnen;

11.  verzoekt de Thaise regering te voldoen aan haar grondwettelijke en internationale verplichtingen op het gebied van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, het recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering en politiek pluralisme, met name gezien de toenemende ernst van haar "anti-smaad"-wetten;

12.  neemt kennis van de maatregelen van de Thaise regering om te voldoen aan minimumnormen om mensenhandel uit te bannen en om een einde te maken aan de endemische moderne slavernij in de toeleveringsketen van de visserijsector; moedigt de regering aan deze maatregelen zo snel mogelijk uit te voeren en haar inspanningen op te drijven;

13.  verzoekt Thailand het Vluchtelingenverdrag van 1951 of het bijbehorende protocol van 1967 te ondertekenen en te ratificeren;

14.  verzoekt Thailand met klem concrete stappen te ondernemen om de doodstraf af te schaffen;

15.  is ten zeerste ingenomen met de goedkeuring van de wet inzake gendergelijkheid in Thailand, wat wijst op een meer inclusieve toekomst voor een behandeling volgens het recht van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders (LGBT) in Thailand;

16.  is ingenomen met het besluit tot afwijzing van de zaak van strafrechtelijke smaad tegen Andy Hall, en zijn daaropvolgende vrijlating; dringt erop aan dat de zaken wegens computercriminaliteit en strafrechtelijke smaad die tegen hem zijn ingeleid bij de Strafrechtbank van zuidelijk Bangkok ook worden geschrapt, aangezien zijn activiteiten als verdediger van de mensenrechten bedoeld waren om gevallen van mensenhandel aan het licht te brengen en de rechtspositie van migrerende werknemers in Thailand te verbeteren, wat zijn recht bevestigt om zonder angst voor represailles aan onderzoek en voorlichting te doen; uit met betrekking tot de civiele smaadzaken zijn bezorgdheid over het feit dat dit proces wellicht niet volledig onpartijdig zal zijn, aangezien er sprake is van eigendomsbanden tussen het bedrijf dat de zaak heeft aangespannen en hooggeplaatste Thaise politici; verzoekt de EU-delegatie zijn juridische situatie nauwlettend te blijven volgen en zijn proces bij te wonen;

17.  is verheugd dat de provinciale rechtbank van Phuket op 1 september 2015 de journalisten Chutima 'Oi' Sidasathian en Alan Morison heeft vrijgesproken;

18.  dringt er bij de internationale gemeenschap, en met name de EU, op aan alle inspanningen te richten op de bestrijding van mensenhandel, slavernij en gedwongen migratie, door te ijveren voor internationale samenwerking op het gebied van toezicht op en preventie van mensenrechtenschendingen met betrekking tot arbeidskwesties;

19.  moedigt de EU en de Thaise regering aan deel te nemen aan een constructieve dialoog over aangelegenheden in verband met de bescherming van de mensenrechten en het democratiseringsproces in Thailand en in de regio; herhaalt zijn steun voor het democratiseringsproces in Thailand;

20.  steunt de Commissie en de Europese dienst voor extern optreden (EDEO) voor de instandhouding van de economische en politieke druk om ervoor te zorgen dat Thailand terugkeert naar een democratisch bestuur; herinnert de Thaise regering in dit verband eraan dat geen vooruitgang moet worden verwacht inzake de vrijhandelsovereenkomst en de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Thailand, zolang de militaire junta aan de macht blijft;

21.  is ingenomen met de nieuwe rol van Thailand als coördinerend land voor de betrekkingen tussen de ASEAN en de EU voor 2015-2018; wijst op de wederzijdse voordelen die de ASEAN en de EU uit hun samenwerking halen;

22.  verzoekt de EDEO, de EU-delegatie en de delegaties van de lidstaten gebruik te maken van alle beschikbare instrumenten om te zorgen voor de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat in Thailand, met name door onderzoeken en processen van oppositieleiders te blijven volgen;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie, de regering en het parlement van Thailand, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor mensenrechten, en de regeringen van de ASEAN-lidstaten.

(1) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 152.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0107.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0211.


De massale ontheemding van kinderen in Nigeria door aanvallen van Boko Haram
PDF 180kWORD 77k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 oktober 2015 over de massale ontheemding van kinderen in Nigeria als gevolg van aanvallen van Boko Haram (2015/2876(RSP))
P8_TA(2015)0344RC-B8-1003/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Nigeria, met name die van 17 juli 2014(1) en 30 april 2015(2),

–  gezien de eerdere verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, onder meer die van 8 januari, 19 januari, 31 maart, 14 en 15 april en 3 juli 2015,

–  gezien de verklaring van de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad van 28 juli 2015,

–  gezien de toespraak die president Muhammadu Buhari op 28 september 2015 voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en de VN-Top over de strijd tegen terrorisme heeft gehouden,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid, aangenomen op 31 oktober 2000,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties (VN) inzake de rechten van het kind en het Handvest van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE) inzake de rechten en het welzijn van het kind (1990),

–  gezien de wet van 2003 inzake de rechten van het kind, die door de federale regering van Nigeria is bekrachtigd,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Verdrag van de Afrikaanse Unie voor de preventie en bestrijding van terrorisme, dat op 16 mei 2003 door Nigeria werd geratificeerd, en het aanvullende protocol daarbij, dat op 22 december 2008 door Nigeria werd geratificeerd,

–  gezien het EU-noodtrustfonds voor stabiliteit en de aanpak van de grondoorzaken van irreguliere migratie en ontheemding in Afrika,

–  gezien het rapport van de Hoge Commissaris van de VN voor de rechten van de mens van 29 september 2015 over mensenrechtenschendingen en wandaden van Boko Haram en de gevolgen voor de mensenrechten in de getroffen landen; gezien de verklaringen van de Hoge Commissaris van de VN voor de rechten van de mens over de mogelijkheid dat leden van Boko Haram worden aangeklaagd wegens oorlogsmisdaden,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4,van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Nigeria, het land in Afrika dat de meeste inwoners telt en de grootste economie heeft en dat gekenmerkt wordt door etnische tegenstellingen, grote religieuze verdeeldheid en een diepe economische en sociale tweedeling tussen noord en zuid, sinds 2009 het slagveld is geworden waarop de terreurgroep Boko Haram, een gezworen bondgenoot van Islamitische Staat, opereert; dat de terreurgroep in toenemende mate een bedreiging is geworden voor de stabiliteit van Nigeria en de West-Afrikaanse regio; dat de Nigeriaanse veiligheidstroepen vaak buitensporig geweld hebben gebruikt en zich schuldig hebben gemaakt aan wandaden bij militaire operaties tegen de opstandelingen;

B.  overwegende dat er in de afgelopen vier maanden 1 600 burgers gedood zijn door Boko Haram, waarmee het aantal doden onder de burgerbevolking alleen al in 2015 tot minstens 3 500 is opgelopen;

C.  overwegende dat kinderen sinds het begin van de opstand geen toegang meer hebben tot onderwijs omdat Boko Haram schoolgaande jongens en meisjes in het gebied als doelwit heeft gekozen; dat in Nigeria 10,5 miljoen kinderen in de lagereschoolleeftijd niet naar school gaan, wat volgens cijfers van de Unesco het hoogste aantal in de wereld is; dat Boko Haram, net als al-Shabaab in Somalië, Aqmi, Majao en Ansar Dine in Noord-Mali en de Taliban in Afghanistan en Pakistan het gemunt heeft op kinderen en vrouwen die onderwijs ontvangen;

D.  overwegende dat de Nigeriaanse en regionale strijdkrachten weliswaar vooruitgang hebben geboekt, maar dat de steeds talrijkere aanvallen en zelfmoordaanslagen over de grenzen van de buurlanden de stabiliteit en de bestaansmiddelen van miljoenen mensen in de hele regio bedreigen; dat de situatie voor kinderen uiterst kritiek is als gevolg van de verslechterende humanitaire situatie, waarin voedselonzekerheid gepaard gaat met slechte toegang tot onderwijs, veilig drinkwater en gezondheidszorg;

E.  overwegende dat het geweld in de staten Borno, Yobe en Adamawa er recentelijk toe heeft geleid dat het aantal intern ontheemden volgens de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) dramatisch gestegen is (2,1 miljoen, waarvan 58% kinderen); dat in totaal meer dan 3 miljoen mensen te lijden hebben onder de opstand en dat 5,5 miljoen mensen in het gebied rond het meer van Tsjaad humanitaire bijstand nodig hebben;

F.  overwegende dat Nigeria erin is geslaagd om de presidents- en gouverneursverkiezingen in het algemeen vreedzaam te doen verlopen, ondanks de dreigementen van Boko Haram dat het de stembusgang zou verstoren; overwegende dat Nigeria en zijn buurlanden op 11 juni 2015 in Abuja een multinationale gezamenlijke task force (MNJTF) hebben opgericht om gevolg te geven aan de besluiten die in januari 2015 te Niamey waren genomen over de strijd tegen Boko Haram;

G.  overwegende dat Boko Haram in Nigeria sinds 2009 meer dan 2 000 vrouwen en meisjes heeft ontvoerd, waaronder de 276 schoolmeisjes uit Chibok in het noordoosten van het land op 14 april 2014, een daad die de hele wereld heeft geschokt en aanleiding heeft gegeven tot een internationale campagne ('Bring back our Girls') om hen te redden; dat meer dan 200 van de meisjes die toen gevangen werden genomen na bijna anderhalf jaar nog steeds niet teruggevonden zijn;

H.  overwegende dat er sindsdien nog veel meer meisjes vermist worden of ontvoerd zijn of gerekruteerd om als strijders of huispersoneel te dienen, en dat veel meisjes verkracht zijn en gedwongen zijn te trouwen of zich tot de islam te bekeren; overwegende dat sinds april 2015 zo'n 300 meisjes die door de Nigeriaanse strijdkrachten waren gered uit terroristische bolwerken en circa 60 andere die uit een andere plaats aan het ontvoerders hadden weten te ontkomen, hun leven in gevangenschap voor Human Rights Watch (HRW) beschreven hebben als een leven van dagelijks geweld en dagelijkse terreur, met fysiek en psychologisch geweld; overwegende dat het gewapende conflict in Noordoost-Nigeria in het afgelopen jaar volgens de speciale VN-gezant voor kinderen en gewapende conflicten een van de meest dodelijke voor kinderen was: talrijke kinderen werden vermoord en steeds vaker werden kinderen als soldaten gerekruteerd en ingezet, en talloze meisjes werden ontvoerd en seksueel misbruikt; overwegende dat volgens Unicef meer dan 23 000 kinderen van hun ouders gescheiden werden, zich gedwongen hebben gezien hun huizen te verlaten vanwege het geweld en voor hun leven hebben moeten rennen in Nigeria of over de grens met Kameroen, Tsjaad en Niger;

I.  overwegende dat de meeste kinderen in kampen voor intern ontheemden en vluchtelingen een of beide ouders verloren hebben (gedood of vermist), alsook broers en zussen en andere verwanten; overwegende dat er weliswaar een aantal internationale en nationale organisaties werkzaam zijn in de kampen, maar dat de basisrechten van deze kinderen op gebieden zoals voeding, onderdak (overbevolkt en ongezond), gezondheidszorg en onderwijs nog steeds op een uiterst laag peil staan;

J.  overwegende dat de subregio (Nigeria, Kameroen, Tsjaad en Niger) minstens 208 000 kinderen telt die geen toegang hebben tot onderwijs en 83 000 die verstoken zijn van veilig drinkwater, en dat 23 000 kinderen in het noordoosten van Nigeria van hun gezinnen gescheiden zijn;

K.  overwegende dat het aantal aanslagen van Boko Haram zowel in Nigeria als in de buurlanden Kameroen, Tsjaad en Niger is toegenomen; dat Boko Haram nog steeds kinderen en vrouwen ontvoert om explosieven te dragen en hen zonder dat zij het weten voor zelfmoordaanslagen gebruikt; dat sommigen van degenen die naar de Tsjaadse kant van het meer van Tsjaad waren gevlucht daar opnieuw werden belaagd door dezelfde terroristen;

L.  overwegende dat de EU in juni 2015 21 miljoen EUR beschikbaar heeft gesteld voor humanitaire steun om de ontheemden in Nigeria en de buurlanden die getroffen zijn door het geweld van terroristische organisaties te helpen;

M.  overwegende dat Unicef samen met de regeringen en partners in Nigeria, Kameroen, Tsjaad en Niger steeds meer acties onderneemt om duizenden kinderen en gezinnen in de regio toegang te bieden tot veilig water, onderwijs, advies en psychologische ondersteuning, alsook tot vaccinaties en behandeling tegen ernstige acute ondervoeding; dat Unicef slechts 32% heeft ontvangen van de 50,3 miljoen die dit jaar nodig is voor zijn humanitaire optreden in de regio rond het meer van Tsjaad;

N.  overwegende dat volgens HRW talrijke ontvoerde vrouwen en meisjes die gered, ontsnapt of bevrijd zijn, zwanger naar huis terugkeren en dringend behoefte hebben aan seksuele en reproductieve gezondheidszorg en kraamzorg, en dat anderen geen toegang hebben tot medisch onderzoek na verkrachting, posttraumatische zorg, sociale ondersteuning en advies in verband met verkrachting; overwegende dat de Commissie verklaard heeft dat, wanneer zwangerschap ondraaglijk lijden veroorzaakt, vrouwen recht moeten hebben op alle diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheidszorg, naargelang van hun medische toestand, en dus stelt dat het internationaal humanitair recht in alle gevallen moet prevaleren;

1.  veroordeelt krachtig de misdaden van Boko Haram, waaronder ook de terreuraanvallen en zelfmoordaanslagen in Tsjaad, Kameroen en Niger; betuigt zich solidair met de slachtoffers en betuigt zijn medeleven aan alle families die geliefden verloren hebben; veroordeelt het voortdurende geweld in de Nigeriaanse staten Borno, Yobe en Adamawa en in andere steden in het land;

2.  betreurt de daden die tot de massale ontheemding van onschuldige kinderen hebben geleid en roept op tot onmiddellijke internationale steun voor het werk van de VN-agentschappen en ngo's om te voorkomen dat ontheemde kinderen en jongeren het slachtoffer worden van seksuele slavernij en ander seksueel geweld, van kidnapping en van het feit dat zij gedwongen betrokken raken bij de aanvallen van de terroristische sekte Boko Haram op civiele, gouvernementele en militaire doelen; benadrukt dat de rechten van kinderen dringend behoorlijk moeten worden beschermd in Nigeria, een land waar meer dan 40% van de bevolking tussen 0 en 14 jaar oud is;

3.  is van mening dat voor kinderen die aangesloten zijn geweest bij Boko Haram of andere gewapende groeperingen niet-gerechtelijke maatregelen moeten worden overwogen als alternatief voor vervolging en gevangenisstraf;

4.  is verheugd over de recente aankondiging van de Commissie dat er meer geld beschikbaar wordt gesteld om de humanitaire steun aan de regio te vergroten; is echter ernstig bezorgd over de kloof tussen de toezeggingen en de middelen die daadwerkelijk door de internationale gemeenschap in haar geheel worden overgemaakt voor het optreden van Unicef in de regio; verzoekt de donoren hun toezeggingen onmiddellijk na te komen, zodat in de chronische behoefte aan basisvoorzieningen zoals drinkwater, gezondheidszorg en onderwijs kan worden voorzien;

5.  verzoekt de Nigeriaanse president en zijn onlangs benoemde federale regering krachtige maatregelen te nemen om de burgerbevolking en vooral vrouwen en kinderen te beschermen, de rechten van vrouwen en kinderen tot prioriteit te verheffen bij de bestrijding van extremisme, de slachtoffers bij te staan en de plegers van misdrijven te vervolgen, en te zorgen voor deelname van vrouwen aan de besluitvorming op alle niveaus;

6.  verzoekt de Nigeriaanse regering het door president Buhari beloofde dringende, onafhankelijke en grondige onderzoek in te stellen naar misdrijven tegen het volkerenrecht en andere ernstige mensenrechtenschendingen door alle bij het conflict betrokken partijen;

7.  is ingenomen met de vervanging van de militaire top en wenst dat alle mensenrechtenschendingen en misdaden van zowel de terroristen als de Nigeriaanse veiligheidstroepen worden onderzocht, om een eind te maken aan het gebrek aan verantwoordingsplicht dat onder de regering van de vorige president waargenomen werd; is ingenomen met de toezegging van president Buhari dat zal worden onderzocht of Nigeriaanse militairen zich aantoonbaar schuldig hebben gemaakt aan ernstige schendingen van de mensenrechten, oorlogsmisdrijven en handelingen die als misdrijven tegen de menselijkheid kunnen worden aangemerkt;

8.  verzoekt de president van de Federale Republiek met klem de problemen aan te pakken en zijn verkiezingsbeloften en zijn recente uitspraken waar te maken, en met name dat er een eind zal worden gemaakt aan de terroristische dreiging, dat de naleving van de mensenrechten en het humanitair recht een hoofdpijler van het militaire optreden zullen vormen, dat de meisjes van Chibok en alle ontvoerde vrouwen en kinderen levend en ongedeerd teruggebracht zullen worden, dat het groeiende probleem van de ondervoeding aangepakt zal worden, dat corruptie en straffeloosheid zullen worden bestreden om wandaden in de toekomst te voorkomen, en dat zal worden toegewerkt naar gerechtigheid voor elk slachtoffer;

9.  verzoekt de Nigeriaanse autoriteiten en de internationale gemeenschap nauw samen te werken en hun inspanningen op te voeren om de voortdurende tendens dat er nog meer mensen ontheemd raken, om te keren; is ingenomen met de vastberadenheid waarvan de dertien deelnemende landen blijk hebben gegeven op de regionale top in Niamey van 20 en 21 januari 2015, met name de toezegging voor hulp van Tsjaad, samen met Kameroen en Nigeria, in de strijd tegen de terroristische dreiging van Boko Haram; verzoekt de multinationale gezamenlijke task force (MNJTF) zich bij de acties tegen Boko Haram strikt te houden aan de internationale mensenrechten en het internationaal humanitair recht; verklaart opnieuw dat een militaire aanpak alleen niet zal volstaan om de opstand van Boko Haram te bestrijden;

10.  herhaalt dat Boko Haram zijn oorsprong vindt in wrokgevoelens over wanbestuur, diepgewortelde corruptie en scherpe ongelijkheden in de Nigeriaanse samenleving; verzoekt de Nigeriaanse autoriteiten met klem corruptie, wanbestuur en inefficiëntie bij de overheidsinstellingen en het leger uit te bannen en eerlijke belastingheffing te bevorderen; verzoekt om maatregelen om Boko Haram te beroven van zijn bronnen van illegale inkomsten, door middel van samenwerking met buurlanden, met name op het gebied van smokkel en mensenhandel;

11.  verzoekt de internationale gemeenschap Nigeria en zijn buurlanden die vluchtelingen opvangen (Kameroen, Tsjaad en Niger) te helpen om alle noodzakelijke medische en psychologische bijstand te bieden aan de mensen in nood; roept de autoriteiten in de subregio ertoe op dat zij, overeenkomstig artikel 3 van de Verdragen van Genève, voor verkrachte vrouwen en meisjes de toegang tot alle mogelijke diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheidszorg vergemakkelijken; benadrukt dat er een universele norm moet gelden voor de behandeling van slachtoffers van verkrachting tijdens oorlogen en dat ervoor moet worden gezorgd dat het internationaal humanitair recht primeert bij gewapende conflicten; geeft uiting aan zijn volledige medeleven met vrouwen en kinderen die het blinde terrorisme van Boko Haram hebben overleefd; verzoekt om gespecialiseerde onderwijsprogramma's voor vrouwen en kinderen die het slachtoffer zijn van oorlog en voor de maatschappij in haar geheel teneinde hen te helpen hun angstige ervaringen te verwerken, en passende en volledige informatie te verstrekken, stigmatisering en sociale uitsluiting tegen te gaan en hen te helpen gewaardeerde leden van de samenleving te worden;

12.  verzoekt de Commissie prioriteit te geven aan de bijstand aan ontwortelde kinderen en jongeren in Nigeria, Kameroen, Tsjaad en Niger, met bijzondere aandacht voor de bescherming tegen elke vorm van wreedheid en gendergeweld en voor de toegang tot onderwijs, gezondheidszorg en veilig drinkwater, in het kader van het EU-noodtrustfonds voor stabiliteit en de aanpak van de grondoorzaken van irreguliere migratie en ontheemding in Afrika;

13.  verzoekt de Nigeriaanse regering maatregelen te treffen om de terugkeer van ontheemden, en met name kinderen, te vergemakkelijken en hun veiligheid te waarborgen, alsook om ngo's te steunen bij hun inspanningen om de omstandigheden in opvangkampen voor mensen die als gevolg van het conflict ontheemd zijn, te verbeteren, onder meer door de hygiëne en de sanitaire omstandigheden te verbeteren om de mogelijke verspreiding van ziektes te voorkomen;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van Federale Republiek Nigeria en de vertegenwoordigers van de ECOWAS en de Afrikaanse Unie.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0008.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0185.


Het geval van Ali Mohammed al-Nimr
PDF 168kWORD 68k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 oktober 2015 over de zaak van de heer Ali Mohammad al-Nimr (2015/2883(RSP))
P8_TA(2015)0345RC-B8-0997/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn vorige resoluties, met name de resolutie van 12 februari 2015 over Saudi-Arabië, de zaak van de heer Raif Badawi(1)en van 11 maart 2014 over Saudi-Arabië, zijn betrekkingen met de EU en zijn rol in het Midden-Oosten en Noord-Afrika(2),

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf van juni 1998 en de herziene en bijgewerkte versie van april 2013,

–  gezien de resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, met name die van 18 december 2014 over het moratorium op de toepassing van de doodstraf (A/RES/69/186),

–  gezien de verklaringen van 22 september 2015 van de VN-deskundigen inzake mensenrechten over de zaak van de heer Ali Mohammad al-Nimr,

–  gezien het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,

–  gezien artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie waarin wordt gesteld dat eenieder recht heeft op vrijheid van meningsuiting en artikel 4 over het verbod op folteringen,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers, aangenomen in juni 2004 en geactualiseerd in 2008,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, waarbij Saudi-Arabië partij is,

–  gezien artikel 18 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948 en artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien het Arabisch Handvest voor de rechten van de mens, waarbij Saudi-Arabië partij is, en meer bepaald artikel 32, lid 1, waarin het recht op informatie en op vrijheid van mening en meningsuiting wordt gegarandeerd, en artikel 8, dat fysieke en psychologische foltering of wrede, onmenselijke, vernederende of onterende behandeling verbiedt,

–  gezien de recente, bijkomende zaak van de veroordeling van een tweede minderjarige tot onthoofding, Dawoud al-Marhoon, die op 17-jarige leeftijd na zijn arrestatie tijdens protesten in de oostelijke provincie van Saudi-Arabië in mei 2012 naar verluidt werd gefolterd en gedwongen een bekentenis te ondertekenen, die ambtenaren hebben gebruikt om hem te veroordelen;

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de heer Ali Mohammad al-Nimr, 21 jaar oud en een neef van een prominent tegenstander van de regering, in mei 2015 door het Hooggerechtshof van Saudi-Arabië tot de doodstraf werd veroordeeld, naar verluidt door steniging gevolgd door kruisiging, voor criminele aanklachten, waaronder opruiing, oproer, protest, roof en lidmaatschap van een terroristische cel, en overwegende dat Ali al-Nimr op het moment van zijn arrestatie tijdens een demonstratie voor democratie en gelijke rechten in Saudi-Arabië nog geen 18 jaar en dus nog minderjarig was; overwegende dat de heer Nimr ter dood werd veroordeeld wegens protesten in de grotendeels sjiitische oostelijke provincie van Saudi-Arabië; overwegende dat betrouwbare bronnen beweren dat Ali al-Nimr werd gefolterd en gedwongen zijn bekentenis te ondertekenen; overwegende dat hij geen garanties op een veilig proces en gepaste juridische procedure in overeenstemming met internationaal recht heeft gekregen;

B.  overwegende dat het niet strookt met de internationale verplichtingen van Saudi-Arabië de doodstraf op te leggen aan iemand die minderjarig was op het moment van het misdrijf en na beschuldigingen van foltering;

C.  overwegende dat het verbod op foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing deel uitmaakt van alle internationale en regionale mensenrechteninstrumenten, een regel van internationaal gewoonterecht vormt en derhalve bindend is voor alle staten, ongeacht of zij de relevante internationale overeenkomsten hebben geratificeerd;

D.  overwegende dat de toename van doodstraffen nauw verbonden is met de uitspraken van de bijzondere correctionele rechtbank van Saudi-Arabië in processen in verband met terroristische misdaden; overwegende dat volgens internationale mensenrechtenorganisaties tussen augustus 2014 en juni 2015 in Saudi-Arabië minstens 175 executies zijn uitgevoerd;

E.  overwegende dat deze zaak een van de zovele zaken is waarin strenge straffen werden opgelegd en intimidatie werd gebruikt tegen Saudische activisten die worden vervolgd voor het uiten van hun mening en van wie verschillenden veroordeeld werden in omstandigheden die niet voldoen aan de internationale normen voor een eerlijk proces, zoals bevestigd door de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten in juli 2014;

F.  overwegende dat volgens artikel 19 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens eenieder recht heeft op vrijheid van mening en van meningsuiting, online en offline; overwegende dat dit recht de vrijheid omvat om zonder inmenging een mening te koesteren en om door alle middelen en ongeacht grenzen inlichtingen en denkbeelden op te sporen, te ontvangen en door te geven;

G.  overwegende dat de ambassadeur van Saudi-Arabië bij de Verenigde Naties in Genève, de heer Faisal bin Hassan Trad, werd benoemd tot voorzitter van een panel van onafhankelijke deskundigen bij de VN-Mensenrechtenraad;

H.  overwegende dat het openen van de mensenrechtendialoog tussen het Koninkrijk Saudi-Arabië en de EU een constructieve stap zou kunnen zijn om het wederzijds begrip te verhogen en hervormingen in het land te bevorderen, met inbegrip van de hervorming van het rechtsstelsel;

I.  overwegende dat Saudi-Arabië een invloedrijke en belangrijke politieke en economische actor in het Midden-Oosten en Noord-Afrika is;

1.  veroordeelt met klem de terdoodveroordeling van de heer Ali Mohammad al-Nimr; veroordeelt andermaal de toepassing van de doodstraf en is groot voorstander van de invoering van een moratorium op de doodstraf, als stap in de richting van de afschaffing ervan;

2.  vraagt de Saudi-Arabische autoriteiten en in het bijzonder de koning van Saudi-Arabië, de heer Salman bin Abdulaziz Al Saud, de terechtstelling van Ali Mohammad al-Nimr tegen te houden en hem amnestie te verlenen of zijn straf om te zetten; vraagt de Europese Dienst voor extern optreden en de EU-lidstaten om al hun diplomatieke middelen en inspanningen te benutten om deze executie onmiddellijk een halt toe te roepen;

3.  herinnert het Koninkrijk Saudi-Arabië eraan dat het partij is bij het Verdrag inzake de rechten van het kind, dat strikt verbiedt de doodstraf te gebruiken voor misdaden begaan door iemand die nog geen 18 jaar is;

4.  roept de Saudische autoriteiten ertoe op de bijzondere correctionele rechtbank op te heffen die in 2008 is opgericht voor de berechting van terroristische daden, maar waar steeds vaker vreedzame dissidenten worden vervolgd om, zo lijkt het, politieke redenen, en in processen die strijdig zijn met het grondrecht op een eerlijk proces;

5.  vraagt de regering van Saudi-Arabië ervoor te zorgen dat er onmiddellijk een onpartijdig onderzoek komt naar de vermeende foltering en ervoor te zorgen dat Ali Mohammad al-Nimr alle noodzakelijke medische zorgen krijgt en regelmatig toegang heeft tot zijn familie en advocaten;

6.  herinnert Saudi-Arabië aan zijn engagement als lid van de VN-Mensenrechtenraad; stelt vast dat Saudi-Arabië onlangs werd benoemd tot voorzitter van een panel van onafhankelijke deskundigen bij de VN-Mensenrechtenraad; dringt er bij de Saudische autoriteiten op aan ervoor te zorgen dat de normen voor de naleving van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in hun land stroken met dergelijke internationale rol;

7.  verzoekt om een versterkt mechanisme voor een dialoog tussen de EU en Saudi-Arabië over mensenrechtenkwesties en voor de uitwisseling van kennis over justitie en legale kwesties teneinde de bescherming van individuele rechten in het koninkrijk te verhogen in lijn met het proces van juridische hervormingen dat het Koninkrijk Saudi-Arabië heeft aangevat; roept de Saudische autoriteiten op de noodzakelijke mensenrechtenhervormingen voort te zetten, in het bijzonder in verband met de inperking van de doodstraf;

8.  spoort Saudi-Arabië aan tot de ondertekening en ratificering van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR), dat in 1976 in werking is getreden en waarvan artikel 6 stelt dat eenieder over het inherente recht op leven beschikt;

9.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de gemelde toename van het aantal doodstraffen in het Koninkrijk Saudi-Arabië in 2014 en het alarmerende tempo waaraan rechtbanken in 2015 de doodstraf hebben uitgesproken;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de parlementen en regeringen van de lidstaten, koning Salman bin Abdulaziz Al Saud van Saudi-Arabië, de regering van het Koninkrijk Saudi-Arabië, de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten en de VN-Mensenrechtenraad.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0037.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0207.


Betalingsdiensten in de interne markt ***I
PDF 250kWORD 98k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 8 oktober 2015 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2013/36/EU en 2009/110/EG en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (COM(2013)0547 – C7-0230/2013 – 2013/0264(COD))
P8_TA(2015)0346A8-0266/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0547),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0230/2013),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 5 februari 2014(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 december 2013(2),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 4 juni 2015 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 en artikel 61, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie juridische zaken (A7-0169/2014),

–  gezien de op zijn plenaire vergadering van 3 april 2014 aangenomen amendementen(3),

–  gezien het besluit van de Conferentie van voorzitters van 18 september 2014 betreffende onafgedane zaken van de 7e zittingsperiode,

–  gezien het aanvullend verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8‑0266/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 8 oktober 2015 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2015/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG, en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2015/2366.)

(1) PB C 224 van 15.7.2014, blz. 1.
(2) PB C 170 van 5.6.2014, blz. 78.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0280.


Hypotheekwetgeving en riskante financiële instrumenten in de EU: het geval Spanje
PDF 174kWORD 72k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 oktober 2015 over hypotheekwetgeving en riskante financiële instrumenten in Spanje (gebaseerd op ontvangen verzoekschriften) (2015/2740(RSP))
P8_TA(2015)0347B8-0987/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien verzoekschrift 626/2011 en 15 andere over hypotheekwetgeving in Spanje (179/2012, 644/2012, 783/2012, 1669/2012, 0996/2013, 1345/2013, 1249/2013, 1436/2013, 1705/2013, 1736/2013, 2120/2013, 2159/2013, 2440/2013, 2563/2013 en 2610/2013),

–  gezien verzoekschrift 513/2012 en 21 andere over financiële instrumenten in Spanje (548/2012, 676/2012, 677/2012, 785/2012, 788/2012, 949/2012, 1044/2012, 1247/2012, 1343/2012, 1498/2012, 1662/2012, 1761/2012, 1851/2012, 1864/2012, 169/2013, 171/2013, 2206/2013, 2215/2013, 2228/2013, 2243/2013 en 2274/2013),

–  gezien de beraadslagingen in zijn Commissie verzoekschriften met de betrokken indieners, meest recentelijk op 16 april 2015,

–  gezien Richtlijn 2014/17/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010(1),

–  gezien Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU(2),

–  gezien Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten(3),

–  gezien de verklaring van de Commissie - in het kader van de gecombineerde behandeling van insolventieprocedures op 19 mei 2015 - over de herziening en uitbreiding van de aanbeveling van de Commissie van 12 maart 2014 inzake een nieuwe aanpak van faillissement en insolventie, met het oog op insolventie van gezinnen en een tweede kans voor individuele personen en huishoudens,

–  gezien zijn resolutie van 11 juni 2013 over sociale huisvesting in de Europese Unie(4),

–  gezien de vraag aan de Commissie over hypotheekwetgeving en riskante financiële instrumenten in Spanje gebaseerd op ontvangen verzoekschriften (O-000088/2015 – B8-0755/2015),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie verzoekschriften,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het grote aantal ontvangen verzoekschriften duizenden tragische persoonlijke gevallen waarin burgers hun spaargeld gedeeltelijk of volledig zijn kwijtgeraakt, aan het licht heeft gebracht en duidelijk maakt dat consumenten op hinderpalen stuiten bij het verkrijgen van nauwkeurige en essentiële informatie over financiële instrumenten;

B.  overwegende dat organisaties uit het maatschappelijk middenveld in Spanje zich blijven bezighouden met het aanvechten van honderdduizenden huisuitzettingen, oneerlijke bedingen in hypotheekovereenkomsten en het gebrek aan bescherming van kredietnemers; overwegende dat volgens een van die organisaties, het Platform van Hypotheekslachtoffers (Plataforma de Afectados por la Hipoteca – PAH), in het eerste kwartaal van 2015 in Spanje 19 261 huisuitzettingen hebben plaatsgevonden (6% meer dan in het eerste kwartaal van 2014); overwegende dat PAH het aantal huisuitzettingen in Spanje sinds 2008 op meer dan 397 954 schat; overwegende dat meer dan 100 000 huishoudens hun huis kwijt zijn;

C.  overwegende dat de impact van de crisis de situatie voor uitgezette families moeilijker heeft gemaakt, aangezien zij nog steeds hun hypotheekschuld en de stijgende rente hierop moeten afbetalen; overwegende dat de Spaanse regering bij Wet 6/2012 de mogelijkheid van "datio in solutum" als uitzonderlijke maatregel heeft ingevoerd; overwegende dat volgens de officiële gegevens voor het tweede kwartaal van 2014 "datio in solutum" is goedgekeurd voor slechts 1 467 van de 11 407 aanvragen, ofwel 12.86 % van het totaal;

D.  overwegende dat nationale en Europese rechtbanken een aantal oneerlijke bedingen en praktijken hebben vastgesteld in de Spaanse hypotheeksector (zie arresten van het Hof van Justitie C-243/08 Pannon GSM, C-618/10, Banco Español de Crédito en C-415/11, Catalunyacaixa), en dat deze hadden kunnen worden voorkomen, als Spanje Richtlijnen 93/13/EEG, 2004/39/EG en 2005/29/EG geheel en volledig had omgezet en geïmplementeerd;

E.  overwegende dat Richtlijn 2014/17/EU inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen (richtlijn hypothecair krediet) van toepassing zal zijn op hypothecaire kredietovereenkomsten die na 21 maart 2016 worden gesloten, waardoor kredietverstrekkers verplicht zullen zijn consumenten te informeren over de hoofdkenmerken van de kredietovereenkomst;

F.  overwegende dat de Spaanse overheid naar aanleiding van het arrest Aziz (zaak C-415/11) via een versnelde procedure Wet 1/2013 van 14 mei 2013 heeft goedgekeurd inzake maatregelen voor een betere bescherming van hypotheeknemers, schuldherschikking en sociale verhuur (Ley 1/2013 de medidas para reforzar la protección a los deudores hipotecarios, restructuración de la deuda y alquiler social);

G.  overwegende dat de Spaanse overheid ingevolge de uitspraak in zaak C-169/14 de nationale beroepsmogelijkheden voor hypotheken heeft gewijzigd door middel van een slotbepaling in Wet 9/2015 van 25 mei 2015 inzake dringende maatregelen bij faillissement (Ley 9/2015 de medidas urgentes en material concursal) om de wet in overeenstemming te brengen met Richtlijn 93/13/EEG;

H.  overwegende dat het Spaanse parlement een Gedragscode voor een haalbare schuldherschikking met betrekking tot hypotheken op woningen" heeft goedgekeurd die de financiële instellingen evenwel praktisch niet in acht hebben genomen gezien het vrijwillige karakter ervan en die slechts zeer beperkte resultaten heeft opgeleverd voor wat betreft het voorkomen van huisuitzettingen of de mogelijkheid van "datio in solutum", aangezien meer dan 80% van degenen die hierop aanspraak wensen te maken niet hiervoor in aanmerking komen;

I.  overwegende dat in vele gevallen de consumenten niet naar behoren werden voorgelicht over de omvang van de aan de voorgestelde investeringen verbonden risico's en overwegende dat de banken ook geen geschiktheidstests uitvoerden om vast te stellen of de cliënten over de juiste kennis beschikten om te begrijpen welke financiële risico's zij namen; overwegende dat velen van de getroffen burgers oudere mensen zijn die al hun spaargeld geïnvesteerd hebben in zogenaamde beleggingen zonder risico;

J.  overwegende dat in de afgelopen jaren naar schatting 700 000 Spaanse burgers het slachtoffer zijn geweest van financiële fraude, doordat de banken hen op bedrieglijke wijze riskante financiële instrumenten hebben verkocht zonder hen behoorlijk in te lichten over de omvang van de risico's en wat het precies betekent om geen toegang te hebben tot hun spaargeld;

K.  overwegende dat vele slachtoffers van financiële fraude het door de Spaanse autoriteiten ingestelde arbitragemechanisme hebben afgewezen;

L.  overwegende dat de Richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten (MiFID) (Richtlijn 2004/39/EG) voorschriften bevat voor beleggingsdiensten die beleggingsondernemingen en kredietinstellingen verlenen op het gebied van financiële instrumenten, met inbegrip van preferente aandelen ("preferentes"); overwegende dat in artikel 19 van MiFID gedragsregels worden geformuleerd voor het verrichten van beleggingsdiensten voor cliënten;

1.  verzoekt de Commissie toezicht te houden op de uitvoering van het arrest in zaak C-415/11 (Aziz) in alle lidstaten en van Richtlijn 93/13/EEG over de hypotheekwetgeving om ervoor te zorgen dat de nationale overheden de regels volledig naleven;

2.  verzoekt de financiële instellingen in de gehele Unie te stoppen met het frauduleus gedrag ten aanzien van cliënten op het gebied van hypotheken, gesofisticeerde financiële producten en kredietkaarten, inclusief het opleggen van buitensporige rentekosten en de willekeurige opzegging van de dienstverlening;

3.  verzoekt de financiële instellingen in de gehele Unie uitzetting van gezinnen uit hun woning te voorkomen en in plaats daarvan de voorkeur te geven aan schuldherschikking;

4.  verzoekt de Spaanse regering alles in het werk te stellen om tot een alomvattende oplossing te komen om het onaanvaardbaar hoge aantal huisuitzettingen drastisch te verlagen;

5.  verzoekt de Commissie de omzetting van Richtlijn 2014/17/EU inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen (richtlijn hypothecair krediet) in alle lidstaten op de voet te volgen;

6.  verzoekt de Commissie de beste praktijken voor wat betreft de toepassing van de "datio in solutum"-mogelijkheid in bepaalde lidstaten te delen en de impact ervan op de consument en het bedrijfsleven te evalueren;

7.  wijst de Commissie op de twijfels van de EU-advocaat-generaal over de wettigheid van de door de Spaanse regering genomen maatregelen om de op 14 maart 2013 door het Hof van Justitie aan de kaak gestelde inbreuken op te heffen en frauduleuze praktijken in de hypotheeksector tegen te gaan;

8.  verzoekt de Commissie om de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de nieuwe door de Spaanse regering genomen maatregelen om de bestaande problemen op te lossen en frauduleuze bank- en handelspraktijken tegen te gaan, op de voet te volgen;

9.  verzoekt de Commissie een voorlichtingscampagne over financiële producten op gang te brengen en de financiële basiskennis via scholing te vergroten teneinde ervoor te zorgen dat de Europese burgers beter geïnformeerd zijn over de aan financiële producten verbonden risico's;

10.  verzoekt de Commissie beste praktijken met het oog op een betere bescherming van de burger in financiële moeilijkheden, te delen; is van oordeel dat financiële basiskennis van groot belang is om de gevolgen van een te hoge schuldenlast tegen te gaan;

11.  verzoekt de Europese Bankautoriteit (EBA) en de Europese Centrale Bank (ECB) een campagne van beste praktijken te starten om banken en hun personeel ertoe aan te zetten duidelijke, begrijpelijke en juiste informatie te verstrekken; onderstreept dat consumenten een weloverwogen besluit moeten kunnen nemen met volledige kennis van zaken van de risico's die zij lopen en dat handelaren en banken consumenten niet mogen misleiden;

12.  verzoekt de EBA en de ECB om met het oog op het behoud van de kracht van de financiële sector in de EU verdere stappen te ondernemen om banken ertoe te verplichten hun potentieel riskante effectenhandel te scheiden van hun depositoactiviteiten, wanneer voortzetting van zulke activiteiten de financiële stabiliteit in gevaar zou kunnen brengen;

13.  verzoekt de Commissie en de Europese Centrale Bank over te gaan tot een evaluatie van het Spaanse arbitragemechanisme dat werd ingesteld ten behoeve van burgers die het slachtoffer zijn geworden van financiële fraude;

14.  verzoekt de Commissie toezicht te houden op een correcte omzetting en toepassing door Spanje van EU-wetgeving met betrekking tot financiële instrumenten, met inbegrip van "preferentes";

15.  verzoekt de Commissie gevolg te geven aan de ontvangen klachten en de noodzakelijke onderzoeken in te stellen;

16.  verzoekt de Commissie met een wetgevingsvoorstel te komen met betrekking tot insolventie van gezinnen;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan Spaanse regering, de Raad, de Commissie en de Europese Centrale Bank.

(1) PB L 60 van 28.2.2014, blz. 34.
(2) PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349.
(3) PB L 95 van 21.4.1993, blz. 29.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0246.


De doodstraf
PDF 180kWORD 76k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 oktober 2015 over de doodstraf (2015/2879(RSP))
P8_TA(2015)0348RC-B8-0998/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de afschaffing van de doodstraf, in het bijzonder die van 7 oktober 2010(1),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 10 oktober 2014 van Federica Mogherini, vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en Thorbjørn Jagland, secretaris-generaal van de Raad van Europa, over de Europese en Werelddag tegen de doodstraf,

–  gezien de protocollen 6 en 13 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens,

–  gezien artikel 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de richtsnoeren van de EU inzake de doodstraf,

–  gezien de EU-exportcontroleregeling voor goederen die kunnen worden gebruikt voor de doodstraf, die momenteel wordt geactualiseerd,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en het tweede facultatieve protocol daarbij,

–  gezien het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 1984,

–  gezien de studie over de gevolgen van de drugsproblematiek in de wereld voor de uitoefening van de mensenrechten, die de Hoge VN-commissaris voor de mensenrechten in september 2015 heeft uitgebracht,

–  gezien de resoluties van de Algemene Vergadering van de VN, met name die van 18 december 2014 over het moratorium op de toepassing van de doodstraf (A/RES/69/186),

–  gezien de slotverklaring van het vijfde Wereldcongres tegen de doodstraf dat werd gehouden van 12 t/m 15 juni 2013 in Madrid,

–  gezien de Werelddag en de Europese Dag tegen de doodstraf, die jaarlijks wordt gehouden op 10 oktober,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 4, van het Reglement,

A.  overwegende dat de wereldwijde afschaffing van de doodstraf een van de belangrijkste doelstellingen van het mensenrechtenbeleid van de EU is;

B.  overwegende dat de Werelddag tegen de doodstraf op 10 oktober 2015 gericht is op "bewustmaking rond de toepassing van de doodstraf voor drugsgerelateerde delicten";

C.  overwegende dat volgens het Bureau van de hoge commissaris voor de mensenrechten van de VN meer dan 160 lidstaten van de VN, met uiteenlopende rechtsstelsels, tradities, culturen en religieuze achtergronden, de doodstraf hebben afgeschaft of niet toepassen;

D.  overwegende dat volgens de meest recente cijfers van minstens 2 466 mensen in 55 landen bekend is dat zij in 2014 ter dood zijn veroordeeld – een toename met bijna 23 % ten opzichte van 2013; overwegende dat er in 2014 wereldwijd ten minste 607 terechtstellingen hebben plaatsgevonden; overwegende dat deze cijfers niet het aantal mensen omvatten dat vermoedelijk is geëxecuteerd in China, dat meer mensen is blijven executeren dan de rest van de wereld samen, terwijl het nog eens duizenden ter dood veroordeelt; overwegende dat er ook in 2015 sprake is van een alarmerend aantal doodvonnissen en executies; overwegende dat de stijging van het aantal doodvonnissen nauw verband houdt met uitspraken in massaprocessen betreffende terrorisme-gerelateerde delicten in landen zoals Egypte en Nigeria; overwegende dat de mogelijke herinvoering van de doodstraf wordt overwogen in Tsjaad en Tunesië; overwegende dat nog steeds terdoodveroordelingen worden uitgesproken en uitgevoerd in bepaalde staten van de VS;

E.  overwegende dat volgens berichten mensen zijn veroordeeld tot de doodstraf door steniging in Pakistan, Nigeria, Afghanistan, Iran, Irak, Soedan, Somalië en Saudi-Arabië en overwegende dat de laatste jaren honderden vrouwen zijn gestenigd voor overspel; overwegende dat steniging als methode voor de uitvoering van de doodstraf wordt beschouwd als een vorm van foltering;

F.  overwegende dat in acht landen in de wetgeving is voorzien in de doodstraf voor homoseksualiteit (Mauritanië, Soedan, Iran, Saudi-Arabië, Jemen, Pakistan, Afghanistan en Qatar) en dat provincies in Nigeria en Somalië officieel de doodstraf uitvoeren voor seksuele handelingen tussen personen van hetzelfde geslacht;

G.  overwegende dat de doodstraf vaak gebruikt wordt tegen achtergestelden, geestelijk gestoorden en leden van nationale en culturele minderheden;

H.  overwegende dat 33 landen de doodstraf opleggen voor drugsgerelateerde delicten, hetgeen leidt tot circa 1 000 terechtstellingen per jaar; overwegende dat het bekend is dat de doodstraf voor dergelijke delicten in 2015 is voltrokken in China, Iran, Indonesië en Saudi-Arabië; overwegende dat in 2015 nog steeds doodvonnissen werden opgelegd voor drugsgerelateerde delicten in China, Indonesië, Iran, Koeweit, Maleisië, Saudi-Arabië, Sri Lanka, de Verenigde Arabische Emiraten en Vietnam; overwegende dat deze delicten betrekking kunnen hebben op verschillende aanklachten in verband met drugshandel of -bezit;

I.  overwegende dat er de afgelopen 12 maanden wereldwijd sprake was van een heropleving van de toepassing van de doodstraf voor drugsdelicten, waarbij een aantal landen aanzienlijk meer mensen heeft terechtgesteld wegens drugsgerelateerde delicten, heeft getracht de doodstraf voor drugsdelicten opnieuw in te voeren, of een einde heeft gemaakt aan een langdurig moratorium op de doodstraf;

J.  overwegende dat Iran in de eerste helft van 2015 naar verluidt 394 drugsdelinquenten heeft terechtgesteld, ten opzichte van 367 in heel 2014; overwegende dat de helft van alle doodvonnissen in Saudi-Arabië dit jaar zijn voltrokken wegens drugsdelicten, vergeleken met slechts 4 % van het totale aantal in 2010; overwegende dat in Pakistan ten minste 112 drugsdelinquenten wachten op hun terechtstelling;

K.  overwegende dat een aantal burgers van EU-lidstaten wegens drugsgerelateerde misdaden in derde landen is geëxecuteerd of in afwachting is van zijn executie;

L.  overwegende dat in artikel 6, lid 2, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten wordt bepaald dat de doodstraf enkel voltrokken mag worden naar aanleiding van de "ernstigste misdrijven"; overwegende dat het VN-Comité voor de mensenrechten en de speciale VN-rapporteurs voor buitengerechtelijke, standrechtelijke en willekeurige executies en voor foltering hebben bepaald dat de doodstraf niet mag worden opgelegd wegens drugsgerelateerde delicten; overwegende dat de verplichte oplegging van de doodstraf en het gebruik ervan wegens drugsgerelateerde delicten in strijd zijn met het internationaal recht en de internationale normen;

M.  overwegende dat het Internationaal Comité van toezicht op verdovende middelen staten die de doodstraf opleggen, heeft aangespoord om de doodstraf af te schaffen voor drugsgerelateerde delicten;

N.  overwegende dat de Commissie en de lidstaten ten minste 60 miljoen EUR hebben geschonken aan de drugsbestrijdingsprogramma's van het VN-Bureau voor drugs- en misdaadbestrijding (UN Office on Drugs and Crime, UNODC) die gericht zijn op de opsporing van drugsdelicten in landen die de doodstraf voor drugsdelicten actief toepassen; overwegende dat in recente rapporten van ngo's bezorgdheid is uitgesproken over het feit dat door Europa gefinancierde drugsbestrijdingsprogramma's in landen waar de doodstraf nog bestaat, kunnen leiden tot meer terdoodveroordelingen en executies en overwegende dat deze rapporten moeten worden beoordeeld;

O.  overwegende dat de Commissie in het kader van het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP) en het voorgaande instrument, het stabiliteitsinstrument, twee grootschalige regionale maatregelen op het gebied van drugsbestrijding heeft voorgesteld, te weten de programma's voor de cocaïne- en heroïneroute, waar landen onder vallen die de doodstraf opleggen wegens drugsdelicten; overwegende dat de Commissie uit hoofde van artikel 10 van de IcSP-verordening verplicht is gebruik te maken van operationele richtsnoeren voor de eerbiediging van de mensenrechten en het humanitair recht in verband met maatregelen tegen de georganiseerde misdaad;

1.  veroordeelt andermaal de toepassing van de doodstraf en is groot voorstander van de invoering van een moratorium op de doodstraf, als stap in de richting van de afschaffing ervan; benadrukt eens te meer dat de afschaffing van de doodstraf ertoe bijdraagt de menselijke waardigheid te versterken en dat de volledige afschaffing van de doodstraf het uiteindelijke doel van de EU is;

2.  veroordeelt alle terechtstellingen, waar zij ook plaatsvinden; blijft uiterst bezorgd over de oplegging van de doodstraf aan minderjarigen en personen met een mentale of verstandelijke handicap en verzoekt om onmiddellijke, definitieve beëindiging van deze praktijken, die een inbreuk vormen op de internationale normen op het gebied van de mensenrechten; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de recente massaprocessen die geleid hebben tot een groot aantal doodvonnissen;

3.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de praktijk van steniging, die in diverse landen nog steeds gangbaar is, en dringt er bij de regeringen van de betrokken landen op aan onmiddellijk wetgeving vast te stellen om steniging te verbieden;

4.  verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten te blijven strijden tegen voltrekking van de doodstraf en hun krachtige steun uit te spreken voor het moratorium en zo een stap te zetten in de richting van afschaffing, en te blijven aandringen op wereldwijde afschaffing, alsook de landen die nog steeds de doodstraf voltrekken met klem te verzoeken de internationale minimumnormen na te leven, het toepassingsgebied en de voltrekking van de doodstraf terug te brengen en duidelijke en accurate cijfers openbaar te maken over het aantal straffen en executies; dringt er bij de EDEO op aan waakzaam te blijven voor ontwikkelingen in alle landen, met name Belarus als enig Europees land dat vasthoudt aan de doodstraf, en alle beschikbare middelen om invloed uit te oefenen te gebruiken;

5.  is tevreden met de afschaffing van de doodstraf in bepaalde staten van de VS en moedigt de EU aan haar dialoog met de VS met het oog op volledige afschaffing voort te zetten, om samen de doodstraf wereldwijd aan te pakken;

6.  verzoekt de Commissie, wat hulp en politieke steun betreft, bijzondere aandacht te schenken aan landen die vooruitgang boeken met de afschaffing van de doodstraf of pleiten voor een wereldwijd moratorium op de doodstraf; moedigt aan dat er tussen de lidstaten, de EU, de VN, derde landen en andere regionale organisaties bilaterale en multilaterale initiatieven worden ontplooid met betrekking tot vraagstukken die verband houden met de doodstraf;

7.  wijst er andermaal op dat de doodstraf onverenigbaar is met waarden als eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waarop de Unie is gebaseerd, en dat elke lidstaat die de doodstraf opnieuw invoert, zich schuldig maakt aan de schending van de Verdragen en het EU-Handvest van de grondrechten;

8.  maakt zich met name zorgen over het toenemend gebruik in een aantal landen van de doodstraf in de context van terrorismebestrijding en door de mogelijkheid in andere landen dat de doodstraf wordt heringevoerd;

9.  veroordeelt met name de toepassing van de doodstraf om de oppositie te onderdrukken, of wegens godsdienstige overtuiging, homoseksualiteit of overspel, dan wel wegens andere feiten die ofwel als triviaal ofwel helemaal niet als strafbaar worden beschouwd; verzoekt daarom landen die homoseksualiteit strafbaar stellen, om er niet de doodstraf voor op te leggen;

10.  blijft er volledig van overtuigd dat de doodstraf geen afschrikkend effect heeft op drugshandel en evenmin voorkomt dat individuen het slachtoffer worden van drugsmisbruik; vraagt landen waar de doodstraf van kracht is, alternatieven voor de doodstraf in te voeren voor drugsdelicten, waarbij met name moet worden gefocust op programma's voor drugspreventie en schadebeperking;

11.  beveelt de Commissie en de lidstaten nogmaals aan de afschaffing van de doodstraf voor drugsgerelateerde delicten als voorwaarde te stellen voor financiële bijstand, technische bijstand, capaciteitsopbouw en andere vormen van ondersteuning van het drugsbestrijdingsbeleid;

12.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het categorische principe te bevestigen dat Europese hulp en bijstand, inclusief voor drugsbestrijdingsprogramma's van het UNODC, geen rechtshandhavingsoperaties mogen faciliteren die leiden tot terdoodveroordelingen en de executie van gearresteerden;

13.  dringt er bij de Commissie op aan de controles op de export van goederen die gebruikt kunnen worden voor de doodstraf te intensiveren;

14.  maakt zich grote zorgen door het gebrek aan transparantie van de hulp en bijstand op het gebied van drugsbestrijding die de Commissie en de lidstaten verlenen voor operaties voor de opsporing van drugsdelicten in landen die de doodstraf voor drugsdelicten actief toepassen; vraagt de Commissie jaarlijks een overzicht te publiceren van haar middelen voor drugsbestrijdingsprogramma's in landen waar nog de doodstraf geldt voor drugsdelicten, met een beschrijving van de waarborgen waarin is voorzien op het gebied van mensenrechten, om ervoor te zorgen dat de financiering geen terdoodveroordelingen mogelijk maakt;

15.  dringt er bij de Commissie op aan om onverwijld uitvoering te geven aan de operationele richtsnoeren als bedoeld in artikel 10 van de IcSP-verordening en deze strikt toe te passen op de programma's voor de cocaïne- en heroïneroute;

16.  dringt er bij de Commissie op aan de aanbeveling na te leven in het EU-actieplan inzake drugs (2013-2016) dat een "instrument voor aansturing ten aanzien van de mensenrechten en voor effectbeoordeling" wordt ontwikkeld en ten uitvoer gelegd, om te zorgen voor de "daadwerkelijke mainstreaming van mensenrechten in het extern drugsoptreden van de EU";

17.  dringt er bij de EDEO, de Commissie en de lidstaten op aan richtsnoeren op te stellen voor een algemeen en effectief Europees beleid met betrekking tot de doodstraf ten aanzien van tientallen Europese burgers die aankijken tegen executie in derde landen, met als verplicht onderdeel krachtige en versterkte mechanismen voor identificatie, verstrekking van juridische bijstand en diplomatieke vertegenwoordiging;

18.  verzoekt de EU en haar lidstaten ervoor te zorgen dat tijdens de bijzondere zitting van de Algemene Vergadering van de VN over het mondiale drugsprobleem in april 2016 de kwestie van het gebruik van de doodstraf voor drugsgerelateerde delicten wordt aangepakt en veroordeelt de toepassing ervan;

19.  steunt alle VN-organisaties, intergouvernementele regionale organen en ngo's bij hun niet-aflatende inspanningen om landen ertoe te bewegen de doodstraf af te schaffen; verzoekt de Commissie projecten op dit gebied te blijven financieren via het Europees instrument voor democratie en mensenrechten;

20.  is verheugd dat het aantal staten dat partij is bij het tweede facultatieve protocol bij het IVBPR, dat de afschaffing van de doodstraf ten doel heeft, door een aantal recente ratificaties is gestegen tot 81; roept alle staten die geen partij zijn bij het protocol, het onmiddellijk te bekrachtigen;

21.  verzoekt de lidstaten van de Raad van Europa die de protocollen 6 en 13 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens nog moeten ratificeren, om dit te doen, teneinde ervoor te zorgen dat de doodstraf effectief wordt afgeschaft in het hele gebied van de Raad van Europa;

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de voorzitter van de Algemene Vergadering van de VN en de regeringen van de lidstaten van de VN.

(1) PB C 371 E van 20.12.2011, blz. 5.


Lering uit de ramp met rode modder, vijf jaar na het ongeval in Hongarije
PDF 181kWORD 78k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 oktober 2015 over de lering die kan worden getrokken uit de ramp met rode modder, vijf jaar na het ongeval in Hongarije (2015/2801(RSP))
P8_TA(2015)0349B8-0989/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de beginselen van het beleid van de Unie op milieugebied, zoals neergelegd in artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name het beginsel van preventief handelen en het beginsel dat de vervuiler betaalt,

–  gezien het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu en de kustgebieden van de Middellandse Zee (het "Verdrag van Barcelona") en de bijbehorende protocollen,

–  gezien Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen(1),

–  gezien Beschikking 2000/532/EG van de Commissie van 3 mei 2000 tot vervanging van Beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad betreffende gevaarlijke afvalstoffen(2) (Europese lijst van afvalstoffen),

–  gezien Besluit 2014/955/EU van de Commissie van 18 december 2014 tot wijziging van Beschikking 2000/532/EG betreffende de lijst van afvalstoffen overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad(3),

–  gezien het met redenen omkleed advies dat in juni 2015 door de Commissie aan Hongarije is gezonden om de milieunormen aan te scherpen op een ander industrieterrein met rode modder als afvalstof(4),

–  gezien Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën en houdende wijziging van Richtlijn 2004/35/EG(5) (richtlijn mijnbouwafval),

–  gezien Aanbeveling 2001/331/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten(6),

–  gezien zijn resolutie van 20 november 2008 over de toetsing van Aanbeveling 2001/331/EG betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten(7),

–  gezien Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 over een algemeen milieuactieprogramma voor de Unie voor de periode tot 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet"(8) (zevende milieuactieprogramma),

–  gezien Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade(9) (milieuaansprakelijkheidsrichtlijn),

–  gezien Beschikking 2009/335/EG van de Commissie van 20 april 2009 inzake technische richtsnoeren voor het stellen van de financiële zekerheid overeenkomstig Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën(10),

–  gezien de haalbaarheidsstudie van de Commissie over het concept van een risicodelingsfaciliteit op EU-niveau voor industriële rampen(11),

–  gezien het eindverslag "Implementation challenges and obstacles of the Environmental Liability Directive" (Uitdagingen en belemmeringen voor de tenuitvoerlegging van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn; eindverslag, opgesteld voor de Commissie – DG Milieu, 2013),

–  gezien de vragen aan de Raad en aan de Commissie over de lering die kan worden getrokken uit de ramp met rode modder, vijf jaar na het ongeval in Hongarije (O-000096/2015 – B8-0757/2015 en O-000097/2015 – B8-0758/2015),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat op 4 oktober 2010 als gevolg van een dambreuk in een afvalbassin in Hongarije bijna een miljoen kubieke meter sterk alkalische rode modder wegspoelde, verscheidene dorpen overstroomden, tien mensen om het leven kwamen, bijna 150 personen gewond raakten en enorme gebieden verontreinigd werden, waaronder vier Natura 2000-zones;

B.  overwegende dat de rode modder in dit afvalbassin op grond van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad als gevaarlijk afval geldt;

C.  overwegende dat in Besluit 2014/955/EU van de Commissie expliciet wordt vermeld dat rode modder bij gebrek aan bewijs van het tegendeel moet worden geclassificeerd als gevaarlijk afval; overwegende dat dit besluit van kracht is sinds 1 juni 2015;

D.  overwegende dat het risico bestaat dat in het verleden rode modder ook in andere lidstaten ten onrechte geclassificeerd is als niet-gevaarlijk afval, op grond waarvan vergunningen zijn afgegeven;

E.  overwegende dat rode modder als winningsafval geldt op grond van de richtlijn mijnbouwafval waarin veiligheidsvoorschriften zijn vastgelegd voor het beheer van winningsafval, die onder andere gebaseerd zijn op de best beschikbare technieken;

F.  overwegende dat zich tevens ernstige problemen van milieuvervuiling voordoen ten gevolge van andere mijnbouwactiviteiten (bijv. het gebruik van cyanide in de goudwinning) of onjuist behandeld gevaarlijk afval in diverse lidstaten;

G.  overwegende dat Aanbeveling 2001/331/EG gericht is op betere naleving en het bijdragen aan een consistentere tenuitvoerlegging en handhaving van de milieuwetgeving van de EU;

H.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van het Parlement van 20 november 2008 de tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving in de lidstaten als onvolledig en inconsistent bestempelde, en er bij de Commissie op aandrong om vóór het einde van 2009 een wetgevingsvoorstel over milieu-inspecties in te dienen;

I.  overwegende dat in het zevende milieuactieprogramma wordt gesteld dat de EU de vereisten met betrekking tot inspecties en toezicht zal uitbreiden tot het bredere corpus van de milieuwetgeving, en de capaciteit voor de ondersteuning van inspecties op EU-niveau verder zal ontwikkelen;

J.  overwegende dat met de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn een kader voor milieuaansprakelijkheid wordt beoogd dat is gebaseerd op het beginsel "de vervuiler betaalt", en waarin van de lidstaten wordt gevergd de ontwikkeling van instrumenten en markten voor financiële zekerheid door de juiste economische en financiële spelers te bevorderen; overwegende dat de Commissie op grond van artikel 18, lid 2 vóór 30 april 2014 een verslag had moeten indienen bij het Parlement en de Raad, wat echter nog niet gebeurd is;

K.  overwegende dat in het voor de Commissie opgestelde verslag uit 2013 over de tenuitvoerlegging van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn werd geconcludeerd dat "de omzetting van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn in de nationale wetgeving van de lidstaten niet heeft geleid tot gelijke voorwaarden" maar "tot een lappendeken van aansprakelijkheidssystemen voor het voorkomen en oplossen van milieuschade in de EU";

L.  overwegende dat de Commissie in 2010 in een reactie op de ramp met rode modder verklaarde dat zij zou heroverwegen om nog vóór de toetsing van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn in 2014 geharmoniseerde verplichte financiële zekerheid in te voeren;

1.  merkt op dat de ramp met rode modder in 2010 de ergste industriële ramp is die ooit heeft plaatsgevonden in Hongarije, en herdenkt de slachtoffers vijf jaar na deze tragische gebeurtenis;

2.  onderschrijft het snelle en doeltreffende optreden van de nationale autoriteiten in de crisisresponsfase en de enorme inspanningen die het maatschappelijk middenveld heeft geleverd tijdens deze ongekende ramp;

3.  herinnert eraan dat Hongarije een beroep heeft gedaan op het EU-mechanisme voor civiele bescherming en de beschikking heeft gekregen over een team van Europese deskundigen om aanbevelingen uit te werken, onder andere over optimale oplossingen voor het tenietdoen en beperken van schade;

4.  merkt op dat de ramp met rode modder in verband kan worden gebracht met de gebrekkige tenuitvoerlegging van EU-wetten, tekortkomingen bij de inspecties, hiaten in de desbetreffende EU-wetgeving en de prestaties van de exploitant van het industrieterrein;

5.  vindt het zorgelijk dat er de afgelopen vijf jaar bijna geen lering getrokken lijkt te zijn, aangezien de gebrekkige tenuitvoerlegging van de desbetreffende EU-wetgeving en de internationale verdragen, alsmede tekortkomingen bij de inspecties voortduren, en sindsdien bijna geen hiaten in de desbetreffende EU-wetgeving zijn weggewerkt;

6.  beschouwt de richtlijn mijnbouwafval en de Europese lijst van afvalstoffen als bronnen van grote zorg;

7.  vindt het verontrustend dat er in verscheidene lidstaten vergelijkbare industrieterreinen bestaan; verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat de juiste inspecties worden uitgevoerd;

8.  verzoekt alle lidstaten die beschikken over bassins met rode modder na te gaan of de rode modder correct is geclassificeerd als gevaarlijk, en eventuele vergunningen die zijn afgegeven op grond van een onjuiste classificatie zo snel mogelijk aan te passen; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de lidstaten actie ondernemen en hiervan verslag uitbrengen aan de Commissie, en doet een beroep op de Commissie om vóór het einde van 2016 een verslag over de door de lidstaten genomen maatregelen te publiceren;

9.  vindt het cruciaal dat er een sterkere nadruk wordt gelegd op rampenpreventie, aangezien soortgelijke milieu-incidenten zich ook al in andere lidstaten hebben voorgedaan;

10.  verzoekt de Commissie en de lidstaten zich hard te maken voor de volledige tenuitvoerlegging en de juiste toepassing van alle relevante EU-wetgeving en internationale verdragen, niet alleen met betrekking tot de productie van aluminium en het ecologisch verantwoorde beheer van rode modder, maar tevens ten aanzien van het ecologisch verantwoorde beheer van gevaarlijk afval in het algemeen;

11.  benadrukt dat de best beschikbare technieken bij het beheer van winningsafval streng moeten worden toegepast, en pleit voor een complete overgang op het gebruik van technologieën voor droge verwijdering vóór het einde van 2016, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat dit niet leidt tot lucht- of waterverontreiniging;

12.  verzoekt de Commissie meer nadruk te leggen op onderzoek en ontwikkeling bij de preventie en verwerking van gevaarlijk afval;

13.  dringt er bij de Commissie op aan richtsnoeren op te stellen voor de uitvoering van stresstests bij bestaande mijnen met grote afvalbassins;

14.  is van mening dat voor de doeltreffende preventie van verontreiniging strikte regels voor milieu-inspecties vereist zijn en de juiste maatregelen om de toepassing ervan te garanderen;

15.  verzoekt de lidstaten hun nationale milieu-inspectiediensten te versterken zodat ze transparante, regelmatige en systematische controles van industrieterreinen kunnen uitvoeren, onder andere door hun onafhankelijkheid te garanderen, toereikende middelen te verschaffen en duidelijke bevoegdheden af te bakenen, en nauwere samenwerking en gecoördineerd optreden te bevorderen;

16.  roept de Commissie en de lidstaten op het toezicht te verbeteren door gebruik te maken van bestaande bindende en niet-bindende instrumenten, en onnodige administratieve rompslomp te vermijden;

17.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een wetgevingsvoorstel in te dienen voor milieu-inspecties zonder dat de industrie financieel extra belast wordt;

18.  dringt er bij de Commissie op aan de bindende criteria voor inspecties in de lidstaten uit te breiden naar het bredere corpus van het milieuacquis van de EU, en de capaciteit voor de ondersteuning van milieu-inspecties op EU-niveau te ontwikkelen;

19.  vindt het zorgelijk dat de aanzienlijke verschillen tussen de aansprakelijkheidssystemen in de EU de gemeenschappelijke normen kunnen ondermijnen en een aantal lidstaten en regio's kunnen blootstellen aan grotere risico's op milieurampen en de financiële gevolgen hiervan;

20.  betreurt het dat de Commissie haar verslag uit hoofde van de richtlijn milieuaansprakelijkheid nog niet heeft ingediend; verzoekt de Commissie dit vóór het einde van 2015 alsnog te doen;

21.  verzoekt de Commissie bij de lopende evaluatie van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn te waarborgen dat het beginsel "de vervuiler betaalt" volledig wordt opgenomen in het voorstel voor herziening;

22.  dringt er bij de Commissie op aan te onderzoeken hoe Beschikking 2009/335/EG van de Commissie in de lidstaten ten uitvoer is gelegd en of de plafonds voor de bestaande instrumenten voor financiële zekerheid toereikend zijn; dringt er bij de Commissie op aan een voorstel in te dienen voor geharmoniseerde verplichte financiële zekerheid;

23.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de transparantie van de financiële aspecten van het herstel na een milieuramp te waarborgen, met inbegrip van de schadevergoeding aan slachtoffers;

24.  doet een beroep op de Commissie om een wetsvoorstel in te dienen over toegang tot de rechter in milieukwesties overeenkomstig de bepalingen van het zevende milieuactieprogramma; verzoekt de Commissie dit vóór het einde van 2016 alsnog te doen;

25.  benadrukt hoe belangrijk het is om lokale autoriteiten, burgers en het maatschappelijk middenveld te betrekken bij het besluitvormingsproces over de verwijdering van gevaarlijk afval en bij het plannen van risicobeheersmaatregelen;

26.  verzoekt de bevoegde autoriteiten het publiek regelmatig te informeren over de mate van verontreiniging en de mogelijke effecten op de flora en de fauna en de gezondheid van de plaatselijke bevolking;

27.  verzoekt de Commissie het concept van een risicodelingsfaciliteit op EU-niveau voor industriële rampen verder uit te werken met volledige naleving van het beginsel dat de vervuiler betaalt om naast een hoog niveau van verplichte financiële zekerheden ook de mogelijke kosten te dekken;

28.  is van mening dat een dergelijke gespecialiseerde EU-risicodelingsfaciliteit voor industriële rampen tevens het herstel van oude milieulasten moet dekken, die nog steeds een gevaar vormen voor de samenleving en waarvoor als gevolg van het bestaande wetgevingskader nog steeds geen objectieve aansprakelijke partij is, die de kosten van het herstel zou kunnen betalen;

29.  benadrukt het belang van samenwerking en solidariteit op EU-niveau in het geval van milieu- en industriële rampen;

30.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 377 van 31.12.1991, blz. 20.
(2) PB L 226 van 6.9.2000, blz. 3.
(3) PB L 370 van 30.12.2014, blz. 44.
(4) Europese Commissie – informatieblad: inbreukenpakket voor juni: voornaamste beslissingen; http://europa.eu/rapid/press-release_MEMO-15-5162_nl.htm
(5) PB L 102 van 11.4.2006, blz. 15
(6) PB L 118 van 27.4.2001, blz. 41.
(7) PB C 16 E van 22.1.2010, blz. 67.
(8) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171.
(9) PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56.
(10) PB L 101 van 21.4.2009, blz. 25.
(11) Studie naar de haalbaarheid van de oprichting van een fonds om milieuaansprakelijkheid en verliezen door industriële ongevallen te dekken. Eindverslag. Europese Commissie, DG ENV, 17 april 2013; http://ec.europa.eu/environment/archives/liability/eld/eldfund/pdf/Final%20report%20ELD%20Fund%20BIO%20for%20web2.pdf


Vernieuwing van het EU-actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het kader van ontwikkeling
PDF 191kWORD 85k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 oktober 2015 over de vernieuwing van het EU-actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het kader van ontwikkeling (2015/2754(RSP))
P8_TA(2015)0350B8-0988/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), waarin gendergelijkheid wordt vastgesteld als een van de hoofdbeginselen waarop de EU is gebaseerd,

–  gezien artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling is vastgelegd, op grond waarvan bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor ontwikkelingslanden rekening moet worden gehouden met de doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking,

–  gezien de in september 1995 in Peking gehouden vierde Wereldvrouwenconferentie, de verklaring en het actieprogramma van Peking, alsmede de daaropvolgende slotdocumenten betreffende verdere acties en initiatieven voor de uitvoering van de verklaring en het actieprogramma van Peking die tijdens de speciale VN-vergaderingen Peking+5, Peking+10, Peking+15 en Peking+20, respectievelijk op 9 juni 2000, 11 maart 2005, 2 maart 2010 en 9 maart 2015 zijn aangenomen,

–  gezien de uitvoering van het actieprogramma van de Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling (ICPD), die in 1994 in Caïro werd gehouden, waar de internationale gemeenschap erkende en bevestigde dat seksuele en reproductieve gezondheid en reproductieve rechten van fundamenteel belang zijn voor duurzame ontwikkeling,

–  gezien de Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015 (COM(2010)0491),

–  gezien het EU-actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het kader van ontwikkeling (2010-2015), het uitvoeringsrapport van 2013 (SWD(2013)0509), de conclusies van de Raad van 19 mei 2014 hierover, en het uitvoeringsrapport van 2014 (SWD(2015)0011),

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 mei 2015 over gender in ontwikkeling en over een nieuw wereldwijd partnerschap voor de uitbanning van armoede en voor duurzame ontwikkeling,

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2014 over de EU en het mondiaal ontwikkelingskader voor de periode na 2015(1),

–  gezien de evaluatie van de EU-steun voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in partnerlanden(2),

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 18 december 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien resolutie 1325 (2000) en resolutie 1820 (2008) van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid,

–  gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over de vernieuwing van het EU-actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het kader van ontwikkeling (O-000109/2015 – B8-0762/2015 en O-000110/2015 – B8-0763/2015),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie ontwikkelingssamenwerking,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie (EU) vastbesloten is gendergelijkheid te bevorderen en gendermainstreaming te garanderen in alles wat ze onderneemt; overwegende dat gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen een voorwaarde zijn voor het halen van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling voor de periode na 2015 en ook een op zichzelf staande mensenrechtenkwestie vormen, die moet worden nagestreefd ongeacht de voordelen ervan voor ontwikkeling en groei; overwegende dat gendergerelateerd geweld een ernstige schending is van de mensenrechten en nooit mag worden gerechtvaardigd door religie, cultuur of traditie;

B.  overwegende dat bij de evaluatie na twintig jaar van de uitvoering van de verklaring en het actieprogramma van Peking is vastgesteld dat er op het gebied van gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen (hierna "GEWE" genoemd) traag en ongelijk vooruitgang wordt geboekt en dat geen enkel land ter wereld de genderkloof volledig heeft gedicht; overwegende dat in de evaluatie is vastgesteld dat het voortdurende, chronische tekort aan investeringen in GEWE dit gebrek aan vooruitgang nog erger heeft gemaakt;

C.  overwegende dat twee van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG's) die expliciet betrekking hebben op vrouwenrechten, namelijk de bevordering van gendergelijkheid en van de empowerment van vrouwen (MDG 3) en de verbetering van de gezondheid van moeders (MDG 5), grotendeels ongerealiseerd zijn; overwegende dat dagelijks wereldwijd naar schatting achthonderd vrouwen sterven als gevolg van complicaties tijdens de zwangerschap of de bevalling; overwegende dat ongeveer 222 miljoen vrouwen in de ontwikkelingslanden geen toegang hebben tot veilige en moderne methoden van gezinsplanning, terwijl het aandeel van de ontwikkelingshulp die bedoeld is voor gezinsplanning afneemt in verhouding tot de totale mondiale hulp voor gezondheid;

D.  overwegende dat de meerderheid van de armen in de wereld vrouwen en door een vrouw geleide huishoudens zijn; overwegende dat de kwetsbaarheid van gemarginaliseerde vrouwen toeneemt; overwegende dat wereldwijd 62 miljoen meisjes niet naar school gaan;

E.  overwegende dat wereldwijd één vrouw op drie het risico loopt vroeg of laat in contact te komen met fysiek en seksueel geweld; overwegende dat jaarlijks 14 miljoen meisjes tot een huwelijk worden gedwongen; overwegende dat de EU overtuigd is van het recht van eenieder om volledige zeggenschap te hebben en in vrijheid te beslissen over zaken die de eigen seksualiteit en seksuele en reproductieve gezondheid aangaan, zonder discriminatie, dwang en geweld;

F.  overwegende dat de investeringen volgens een verslag van de OESO(3) "absoluut niet volstaan om gendergelijkheid te realiseren", ondanks de verdrievoudiging van de steun die hiervoor door haar leden werd uitgetrokken en in 2012 opliep tot 28 miljard USD; overwegende dat de genderfinanciering zich voornamelijk situeert in sociale sectoren, terwijl het in economische en productieve sectoren ontbreekt aan investeringen, hoewel de OESO-analyse aantoont dat investeringen in gendergelijkheid het hoogste rendement opleveren van alle investeringen in ontwikkeling;

G.  overwegende dat 2,5 miljard mensen, in meerderheid vrouwen en jongeren, niet bij de formele financiële sector kunnen aankloppen;

Een doorbraak in het tweede genderactieplan

1.  is van mening dat de conclusies van de evaluatie van het eerste EU-actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het kader van ontwikkeling (hierna "genderactieplan" genoemd) tonen dat er duidelijk een doorbraak nodig is in het optreden van de EU met betrekking tot GEWE en dat er behoefte is aan een hernieuwd politiek engagement van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Commissie om beter te presteren; benadrukt hoe belangrijk het is dat de voornaamste aanbevelingen uit de evaluatie ter harte worden genomen in de opvolger van het huidige genderactieplan, te beginnen met een volwaardige reactie op beheersniveau;

2.  is tevreden met de intentie van de Commissie om het nieuwe genderactieplan op een geheel nieuwe leest te schoeien en is daarom van mening dat het tweede genderactieplan de vorm moet krijgen van een mededeling van de Commissie; betreurt dat het tweede genderactieplan gepresenteerd werd in een gezamenlijk werkdocument van de diensten en niet in een mededeling; dringt er bij de Commissie en de EDEO op aan zo snel mogelijk te starten met de uitvoering van het nieuwe plan zodat concrete resultaten kunnen bereikt worden, als onderdeel van het bredere EU-engagement voor GEWE in de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, en het Parlement tijdens dit proces te raadplegen;

3.  is van mening dat de aandacht in het tweede genderactieplan moet uitgaan naar alle aspecten van het externe beleid van de EU – ontwikkelingssamenwerking, humanitaire hulp, handel, mensenrechten en buitenlandse zaken, migratie en asiel – in overeenstemming met het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling, en dat het zowel van toepassing moet zijn op ontwikkelingslanden als op nabuurschaps- en uitbreidingslanden;

4.  is van mening dat GEWE een kerntaak van de EU-instellingen moet zijn, met duidelijke bevoegdheden op het gebied van beheer, zowel binnen de centrale administratie als in de EU-delegaties; onderstreept dat delegatiehoofden, afdelingshoofden en het hoger management aansprakelijk moeten zijn voor de rapportage, monitoring en evaluatie van de maatregelen van het GEWE-beleid en dat gendermainstreaming moet worden opgenomen in taakomschrijvingen en in opleiding voor alle personeelsleden;

5.  is van mening dat de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) ervoor moet zorgen dat alle voor extern optreden verantwoordelijke commissarissen blijk geven van het nodige leiderschap om een succesvolle uitvoering van het tweede genderactieplan te waarborgen; is tevreden met de conclusies van de Raad van mei 2015, waarin wordt onderstreept dat de lidstaten zich zullen inzetten om hervormingen door te voeren met betrekking tot de rechten van vrouwen en meisjes; wijst er nadrukkelijk op dat de acties van de Commissie en de EDEO en de acties van de lidstaten elkaar moeten aanvullen;

6.  betreurt dat genderkwesties niet aan bod komen in het jaarverslag van DG DEVCO van 2014 en vraagt dat GEWE-kwesties in de toekomst worden opgenomen in de jaarverslagen van de EDEO en van alle directoraten-generaal van de Commissie (DG's) die betrokken zijn bij extern optreden; verzoekt alle EU-delegaties een jaarlijks rapport over het genderactieplan in te dienen en vraagt de EU-delegaties een overzicht van de GEWE-prestaties te geven in hun jaarverslagen, tussentijdse evaluaties en evaluaties op het niveau van het land; is van mening dat de resultaten moet worden opgenomen in resultaatgericht toezicht;

7.  merkt op dat de tussentijdse evaluatie in 2017 van de programmeringsdocumenten van het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) een goede gelegenheid biedt om de gevolgen van via het DCI gefinancierde programma's voor vrouwen en meisjes te beoordelen, precies in kaart te brengen welk gedeelte van de DCI-programma's ten goede komt aan vrouwen en meisjes, en indien nodig de middelen te herschikken;

8.  brengt het EU-beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling in herinnering en benadrukt het belang van coherentie tussen het interne en het externe beleid van de EU en de behoefte aan beleidscoherentie tussen het nieuwe genderactieplan en het volgende actieplan inzake mensenrechten en democratie; onderstreept dat gender een systematisch en integrerend deel moet zijn van alle mensenrechtendialogen tussen de EU en derde landen; verzoekt de EDEO om naast de mensenrechtendialogen met derde landen ook genderdialogen in te stellen;

9.  wijst er nogmaals op dat volledige coördinatie tussen centrale diensten, delegaties en ambassades van de lidstaten essentieel is voor een geslaagde uitvoering van het tweede genderactieplan, met behulp van landenprofielen met betrekking tot gender en andere instrumenten; onderstreept in dit verband dat de herziening van de landenprogrammering van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) een gelegenheid biedt om ervoor te zorgen dat de volledige uitvoering van het tweede genderactieplan op koers is en waar nodig aanpassingen aan te brengen;

Gegevensverzameling en streefdoelen

10.  vraagt effectievere uitvoeringsstrategieën en dringt aan op het gebruik van genderbewuste kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren en op een systematische en snelle verzameling van naar gender uitgesplitste gegevens met betrekking tot de begunstigden en deelnemers van alle maatregelen, als deel van het monitoring- en evaluatieproces; benadrukt dat de gegevens publiek moeten worden gemaakt om financiële aansprakelijkheid en transparantie te waarborgen; is van mening dat rapportage afgestemd moet worden op en een plaats moet krijgen in de bestaande systemen voor monitoring en evaluatie zoals het resultatenkader van het directoraat-generaal van de Commissie bevoegd voor Internationale Samenwerking en Ontwikkeling (DEVCO); onderstreept dat moet worden geïnvesteerd in nationale statistieken en verzoekt alle lidstaten genderbewuste monitoringsystemen in te stellen;

11.  verzoekt de EU-delegaties en de ambassades van de lidstaten prioriteit te geven aan en te investeren in kwalitatief hoogwaardige genderanalyse als basis voor strategieën en programmering op landenniveau; roept de EU op tot de herziening van nationale indicatieve plannen in het licht van het nieuwe genderactieplan;

12.  erkent dat met name meisjes en jonge vrouwen benadeeld worden en gevaar lopen en dat een specifieke focus nodig is om ervoor te zorgen dat meisjes toegang hebben tot onderwijs, dat ze een geweldloos leven kunnen leiden, dat discriminerende wetgeving en praktijken worden afgeschaft en dat meisjes en jonge vrouwen in de hele wereld een sterkere positie krijgen;

13.  benadrukt de behoefte aan duidelijke streefdoelen en indicatoren, berekend en uitgesplitst naar gender, leeftijd, beperking en andere factoren, en aan een betere tracering van de begrotingstoewijzingen; onderstreept dat de streefdoelen en de monitoringmethode aangepast moeten zijn aan het mondiale ontwikkelingskader voor de periode na 2015 en andere toepasselijke internationale kaders;

14.  benadrukt dat de EU voldoende financiële middelen en personeel moet aanwijzen en garanderen om haar engagementen ten aanzien van GEWE na te komen; onderstreept dat het van belang is het concept gender te integreren in de overheidsfinanciën door middel van een begroting die genderbewust is en waarin ongelijkheden worden aangepakt;

Belangrijkste aspecten van het nieuwe genderactieplan

15.  is van mening dat belemmeringen voor de volledige uitvoering van de EU-richtsnoeren inzake geweld tegen vrouwen en meisjes en de uitbanning van alle vormen van geweld behandeld aan bod moeten komen in het genderactieplan; vraagt een brede EU-benadering met betrekking tot geweld tegen vrouwen en meisjes, met extra inspanningen en middelen voor de voorkoming en uitbanning van alle discriminerende praktijken tegen vrouwen, alsook ter bestrijding en vervolging van elke vorm van geweld, met inbegrip van mensenhandel, genitale verminking van vrouwen, gedwongen sterilisatie, gedwongen zwangerschap, gendercide, huiselijk geweld en verkrachting binnen het huwelijk, kindhuwelijken, huwelijk op jonge leeftijd en gedwongen huwelijk en gendergerelateerd geweld in conflictsituaties en in de nasleep van conflicten; vraagt om de ontwikkeling van specifieke EU-maatregelen ter versterking van de rechten van verschillende groepen vrouwen, met een bijzondere aandacht voor jongeren, migranten, vrouwen met hiv, lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI) en mensen met een beperking;

16.  onderstreept hoe belangrijk het is dat meisjes betere toegang krijgen tot alle onderwijsniveaus en dat alle gendergerelateerde belemmeringen die het leren in de weg staan, worden weggenomen;

17.  onderstreept dat het gebruik van verkrachting als oorlogswapen en middel ter onderdrukking uitgebannen moet worden, en dat de EU druk moet uitoefenen op regeringen van derde landen en op alle betrokken partijen in regio's waar dergelijk gendergerelateerd geweld voorkomt, teneinde deze praktijk een halt toe te roepen, de daders voor het gerecht te brengen en nabestaanden, getroffen vrouwen en gemeenschappen te helpen bij hun genezing en herstel;

18.  onderstreept dat vrouwelijke migranten, vluchtelingen en asielzoekers kwetsbaar zijn en specifieke bescherming nodig hebben; vraagt specifieke maatregelen om de rechten van vrouwelijke asielzoekers te versterken en volledig te garanderen; dringt aan op doortastende maatregelen voor het aanpakken van de aanhoudende migratie- en vluchtelingencrisis, met inbegrip van een holistische en genderbewuste aanpak van migratie en asiel die in alle lidstaten op dezelfde manier wordt toegepast;

19.  erkent gezondheid als mensenrecht; benadrukt het belang van universele toegang tot een uitgebreide gezondheidszorg, met inbegrip van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, zoals overeengekomen in het actieprogramma van de Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling en het actieprogramma van Peking; dringt in dit verband aan op bijkomende inspanningen om de toegang van vrouwen tot gezondheid en gezondheidsvoorlichting, gezinsplanning, prenatale zorg en reproductieve gezondheid te verbeteren, met name om de grotendeels ongerealiseerde MDG 5 inzake de gezondheid van moeders aan te pakken, met inbegrip van een daling in zuigelingen- en kindersterfte; wijst erop dat toegang bijdraagt tot de verwezenlijking van alle ontwikkelingsdoelen met betrekking tot gezondheid; is in dit verband bijzonder ingenomen met de conclusies van de Raad van mei 2015;

20.  onderstreept dat een omgeving moet worden gecreëerd die mogelijkheden biedt, met name door opheffing van de sociale en wettelijke belemmeringen voor de toegang van vrouwen tot productieve activa, waaronder grond en natuurlijke en economische hulpbronnen, en door bevordering van financiële inclusie, behoorlijke arbeidsnormen, gendervriendelijke sociale bescherming en een gelijk loon voor gelijk werk;

21.  is van mening dat bedrijven een belangrijke rol spelen bij de bevordering van gendergelijkheid, via maatregelen die bijdragen tot de versterking van de economische positie van vrouwen en tot een verbetering van hun economische rechten, bijvoorbeeld door te zorgen voor behoorlijk werk voor vrouwen, voor een gelijk loon, voor toegang tot financiering en banken en voor mogelijkheden om te participeren in leiding en besluitvorming, alsook door vrouwen te beschermen tegen discriminatie en misbruik op de werkplek, en via genderbewust maatschappelijk verantwoord ondernemen; vraagt in dit verband dat meer steun wordt verleend aan plaatselijke kmo's, en vooral aan vrouwelijke ondernemers, zodat zij kunnen profiteren van door de particuliere sector gestuurde groei; wijst erop dat microfinanciering, sociaal ondernemerschap en alternatieve bedrijfsmodellen zoals onderlinge maatschappijen en coöperaties nog altijd in positieve zin bijdragen tot de versterking van de economische positie en integratie van vrouwen;

22.  erkent dat discriminatie van vrouwen op grond van huwelijkse staat en moederschap moet worden voorkomen en dat moet worden gewaarborgd dat vrouwen daadwerkelijk recht op arbeid hebben;

23.  merkt op dat empowerment van vrouwen en voedselzekerheid elkaar wederzijds ondersteunen; benadrukt dat moet worden gezorgd voor de empowerment van vrouwen op het platteland door de discriminatie inzake toegang tot grond, water, onderwijs, opleiding, markten en financiële diensten aan te pakken; vraag een substantiële verhoging van de overheidsinvesteringen in landbouw en plattelandsontwikkeling, gericht op kleine landbouwbedrijven, landbouwcoöperatieven en netwerken van landbouwers;

24.  onderstreept dat vrouwen betrokken moeten worden en vertegenwoordigd moeten zijn in opkomende economische sectoren die van belang zijn voor duurzame ontwikkeling, waaronder sectoren op het gebied van de groene en circulaire economie, hernieuwbare energie en ICT;

25.  benadrukt nogmaals dat formeel en informeel onderwijs van essentieel belang zijn voor de versterking van de positie van vrouwen en meisjes op sociaal, economisch, cultureel en politiek gebied; dringt aan op een EU-strategie inzake onderwijs in het kader van ontwikkeling waarin gender een belangrijke rol speelt, in het bijzonder op onderwijsgebieden gericht op duurzaamheid, verzoening in de nasleep van conflicten, levenslang leren en vakopleiding, op het gebied van wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM) en de rol van kunst in interculturele uitwisseling;

26.  onderstreept dat het belangrijk is om te zorgen voor een verhoogde participatie van vrouwen in de vormgeving en uitvoering van het kader voor de periode na 2015; vraagt meer financiële steun voor vrouwenrechtenorganisaties, en maatregelen voor beleids- en capaciteitsopbouw, om organisaties uit het maatschappelijk middenveld die aan de basis werken, met name vrouwenorganisaties, op elk moment op lokaal, regionaal, nationaal en internationaal niveau te betrekken bij de raadpleging van belanghebbenden en de participatie van het maatschappelijk middenveld in deze raadpleging te vergroten;

27.  wijst erop dat de situatie van LGBTI-personen in derde landen in het genderactieplan behandeld moet worden, evenals de bevordering en bescherming van LGBTI-rechten;

28.  benadrukt hoe belangrijk het is om via een genderbewuste wetshervorming de rechtspositie van vrouwen te versterken en ervoor te zorgen dat ze toegang hebben tot de rechter; is van mening dat gerichte financiering voor gendergelijkheid bij rechtsbijstand tot versterking van de rechtsstaat leidt;

29.  verzoekt de EU te ijveren voor een grotere participatie van vrouwen in vredeshandhaving, vredesopbouwprocessen en EU-missies op het gebied van het beheer van militaire en civiele crises; herhaalt in dit verband zijn verzoek aan de EU om resolutie 1325 (2000) en resolutie 1820 (2008) van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid te steunen en dringt erop aan dat genderperspectieven en vrouwenrechten worden opgenomen in alle vredes- en veiligheidsinitiatieven;

30.  verzoekt de EU met klem de in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens verankerde fundamentele mensenrechten van vrouwen en meisjes te bevorderen; onderstreept in dit verband dat de bescherming van het recht van vrouwen en meisjes op leven en waardigheid moet worden gewaarborgd door schadelijke praktijken als gendercide actief te bestrijden;

31.  benadrukt het belang van maatregelen die ervoor zorgen dat meer vrouwen en vrouwenrechtenorganisaties in leidinggevende posities terecht komen en meer participeren in zowel de openbare als particuliere sfeer; dringt aan op meer inspanningen om de participatie van vrouwen en vrouwenrechtenorganisaties in de politiek te vergroten, met name door de integratie van deze inspanningen in alle programma's ter ondersteuning van de democratie, met inbegrip van de alomvattende democratieondersteunende aanpak van het Parlement;

32.  benadrukt dat het noodzakelijk is hier mannen en jongens bij te betrekken en hen te stimuleren actieve inzet en verantwoordelijkheid te tonen bij het aanpakken van discriminerende sociale normen en de bestrijding van genderstereotypen en geweld tegen vrouwen en meisjes;

o
o   o

33.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de regeringen en parlementen van de lidstaten en UN WOMEN.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0059.
(2) https://ec.europa.eu/europeaid/evaluation-eu-support-gender-equality-and-womens-empowerment-partner-countries-final-report_en
(3) https://europa.eu/eyd2015/sites/default/files/users/Madara.Silina/from_commitment_to_action_financing_for_gewe_in_sdgs_oecd.pdf


Gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep
PDF 218kWORD 109k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 oktober 2015 over de toepassing van Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking) (2014/2160(INI))
P8_TA(2015)0351A8-0213/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien artikelen 2 en 3 van het Verdrag van de Europese Unie (VEU) en de artikelen 8, 10, 19 en 157 van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU),

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van man en vrouw in arbeid en beroep(1) (herschikking),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 7 maart 2014 over de versterking van het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen door transparantie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 december 2013 getiteld "Verslag over de toepassing van richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking)" (COM(2013)0861),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2010 getiteld "Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015" (COM(2010)0491),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2010 getiteld "Een grotere inzet voor de gelijkheid van vrouwen en mannen: een vrouwenhandvest" (COM(2010)0078),

–  gezien het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020), dat op 7 maart 2011 door de Raad is goedgekeurd,

–  gezien de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) gebaseerd op artikel 157 VWEU,

–  gezien het Gender Equality Index Report van het Europees Instituut voor gendergelijkheid,

–  gezien de bepalingen uit het Verdrag inzake deeltijdarbeid van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) van 1994, waardoor landen verplicht worden om in hun openbare aanbestedingen een clausule over arbeidsvoorwaarden op te nemen, waaronder ook gelijk loon,

–  gezien het IAO-Verdrag nr. 100: "Gelijk loon",

–  gezien artikel 11, lid 1, onder d), van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, aangenomen bij Resolutie 34/180 van 18 december 1979 van de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien het in december 2014 gepubliceerde verslag van het Bureau van de Unie voor de grondrechten getiteld "Being Trans in the EU",

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2013 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid(2),

–  gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 met aanbevelingen aan de Commissie over de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid(3),

–  gezien de Europese uitvoeringsbeoordeling van Richtlijn 2006/54/EG, opgesteld door het directoraat-generaal Parlementaire Onderzoeksdiensten,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0213/2015),

A.  overwegende dat de gelijke behandeling van mannen en vrouwen een van de fundamentele beginselen van het EU-recht is;

B.  overwegende dat discriminatie gebaseerd op geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, krachtens het EU-recht verboden is;

C.  overwegende dat economische onafhankelijkheid een voorwaarde is voor Europese burgers, zowel vrouwen als mannen, om in hun leven controle te behouden en echte keuzes te maken;

D.  overwegende dat in Richtlijn 2006/54/EG uitdrukkelijk wordt verwezen naar de jurisprudentie van het HvJ-EU, waarin wordt bepaald dat het beginsel van gelijke behandeling van vrouwen en mannen niet beperkt blijft tot het verbod van discriminatie op basis van het feit dat iemand een bepaald geslacht heeft, maar eveneens van toepassing is op discriminatie naar aanleiding van geslachtsverandering;

E.  overwegende dat het beginsel van gelijke beloning verankerd is in de Verdragen vanaf het eerste begin in 1957; overwegende dat het beginsel van gelijke beloning voor gelijkwaardig werk nu erkend is op grond van artikel 157 VWEU en is opgenomen in de herschikte Richtlijn 2006/54/EG (hierna: de herschikte Richtlijn);

F.  overwegende dat de herschikte Richtlijn bedoeld was om de EU-wetgeving in dit gebied coherenter te maken en in overeenstemming te brengen met de rechtspraak van het HvJ-EU en om te zorgen voor de vereenvoudiging en de modernisering van de desbetreffende wetten inzake gelijkheid op nationaal niveau, en zodoende bij te dragen aan de verbetering van de situatie van vrouwen op de arbeidsmarkt; overwegende dat het percentage vrouwen in hogere managementfuncties van bedrijven in de Europese Unie in 2014 nog altijd minder dan 18 % bedroeg;

G.  overwegende dat met de herschikte Richtlijn een aantal nieuwigheden geïntroduceerd werden, zoals de implementatie van het beginsel van gelijke kansen, de definitie van het begrip indirecte discriminatie en de bescherming tegen discriminatie als gevolg van de geslachtsverandering van een persoon, en dat uitdrukkelijk werd verwezen naar het combineren van werk, privé- en gezinsleven; overwegende dat de belangrijkste uitdaging voor alle lidstaten de correcte toepassing en handhaving is van de regels inzake gelijke beloning die zijn vastgesteld met Richtlijn 2006/54/EG en overwegende dat deze nieuwigheden slechts een beperkt effect hebben gesorteerd in de lidstaten; overwegende dat, ondanks het significante wetgevingsinstrumentarium dat bijna 40 jaar van kracht is, de acties die zijn ondernomen en de middelen die zijn besteed, de vorderingen op dit gebied extreem traag verlopen en de genderloonkloof nog steeds bestaat en blijft hangen op een gemiddelde van 16,4 % in de EU, met significante verschillen tussen de lidstaten;

H.  overwegende dat er onder meer nu steeds vaker op individueel niveau wordt onderhandeld over salarissen en dat dit leidt tot minder informatie over en transparantie van het loonstelsel, wat een omgeving creëert waar gendervooroordelen en discriminerende vergoedingsstructuren onzichtbaar blijven voor werknemers en/of hun vertegenwoordigers en dus uiterst moeilijk te bewijzen zijn, met als gevolg dat de effectieve tenuitvoerlegging van het principe van gelijk loon voor gelijk werk wordt verhinderd, mede door een gebrek aan rechtszekerheid met betrekking tot het concept van gelijkwaardig werk en procedurele belemmeringen;

I.  overwegende dat een grotere gelijkheid van mannen en vrouwen voordelen zou opleveren voor de economie en de maatschappij in het algemeen, en dat de verkleining van de genderloonkloof ertoe bijdraagt dat de armoede afneemt en dat het rendement van vrouwen gedurende hun leven toeneemt en dat dit van wezenlijk belang is voor de werkgelegenheid, het concurrentievermogen en het economisch herstel; overwegende dat de loonkloof nog breder is voor vrouwen met een meervoudige achterstand, zoals vrouwen met een handicap, vrouwen die tot minderheden behoren en vrouwen zonder kwalificaties; overwegende dat alleen opvoedende ouders veel vaker in armoede leven dan anderen en dat alleen opvoedende ouders veel vaker vrouwen zijn dan mannen; overwegende dat de genderloonkloof dus ernstige gevolgen heeft voor de levensomstandigheden en de kansen in het leven van vele Europese gezinnen;

J.  overwegende dat de arbeidsparticipatie in het algemeen lager is onder vrouwen dan onder mannen: overwegende dat in 2013 de arbeidsparticipatie onder mannen 69,4 % bedroeg in de EU-28, vergeleken met 58,8 % onder vrouwen(4);

K.  overwegende dat er inzake de arbeidsparticipatie van vrouwen beperkte vooruitgang is geboekt en dat het niveau van beroeps- en sectorgerelateerde segregatie van vrouwen en mannen in verschillende soorten van jobs vrij hoog blijft, omdat een aantal beroepsgroepen gefeminiseerd zijn en deze sectoren en beroepen vaak slechter betaald of gewaardeerd worden, ondanks het bestaande kader op EU- en nationaal niveau; overwegende dat deze situatie ook gevolgen heeft voor de genderloonkloof tijdens het gehele leven; overwegende dat verticale segregatie, waarbij vrouwen overwegend deeltijds werk en slechter betaalde jobs hebben of lagere posities in de hiërarchie bekleden, eveneens bijdraagt tot de genderloonkloof; overwegende dat horizontale en verticale segregatie obstakels vormen voor de professionele ontwikkeling van vrouwen en leiden tot een lagere zichtbaarheid en een lagere vertegenwoordiging van vrouwen in de sociale en de publieke sfeer, en als dusdanig bijdragen tot grotere genderongelijkheden in het algemeen, en overwegende dat, als deze diverse soorten van segregatie worden overwonnen en meer vrouwen hogere posities gaan bekleden in organisatorische hiërarchieën, dit positieve rolmodellen oplevert voor jonge vrouwen en meisjes;

L.  overwegende dat de werkgelegenheidspercentages in plattelandsgebieden lager zijn en dat bovendien veel vrouwen niet worden meegeteld op de officiële arbeidsmarkt en daardoor ook niet geregistreerd staan als werkeloos of meetellen in de werkloosheidsstatistieken, wat specifieke financiële en juridische problemen tot gevolg heeft in termen van zwangerschaps- en ziekteverlof, verwerving van pensioenrechten en toegang tot sociale zekerheid, en problemen wanneer het tot een scheiding komt; overwegende dat plattelandsgebieden benadeeld zijn doordat er geen hoogwaardige werkgelegenheid is;

M.  overwegende dat het versterken van de positie van vrouwen en meisjes door middel van onderwijs, met name in de sectoren wetenschap, technologie, ingenieurswetenschappen en wiskunde, alsmede het aanmoedigen van vrouwen om deel te nemen aan programma's op het gebied van beroepsopleiding en een leven lang leren over de sectorale grenzen heen, belangrijke elementen zijn voor de bevordering van een gelijke behandeling en van gelijke kansen op het gebied van werk; overwegende dat de vaardigheden en de competentie van vrouwen vaak ondergewaardeerd worden, evenals de beroepen en banen waarin zij overwegend werkzaam zijn, zonder dat objectieve criteria dit per se rechtvaardigen;

N.  overwegende dat in Richtlijn 2006/54/EG is bepaald dat de lidstaten, om in de praktijk te zorgen voor volledige gelijkheid tussen vrouwen en mannen op de werkplek, maatregelen mogen handhaven of vaststellen die voorzien in concrete voordelen om het makkelijker te maken voor het ondervertegenwoordigde geslacht om beroepsactiviteiten uit te oefenen of ter voorkoming of compensatie van nadelen in loopbanen(5);

O.  overwegende dat moederschap en zorg voor kinderen, ouderen, familieleden met een ziekte of handicap en andere hulpbehoevenden extra of soms voltijds werk betekenen, dat voor het grootste deel door vrouwen wordt verricht; overwegende dat dit werk zelden wordt betaald en ook niet voldoende maatschappelijk gewaardeerd wordt, ook al is het van enorm belang voor de maatschappij, draagt het bij tot het welzijn en kan het gemeten worden door middel van economische indicatoren zoals het bbp; overwegende dat dit leidt tot het verwijden van de bestaande inkomenskloof tussen mannen en vrouwen en een negatieve impact heeft op de loopbaan van vrouwen door de 'kosten' van de jaren buiten de arbeidsmarkt of van de verminderde uren als gevolg van deeltijdregelingen, en het zich ook vertaalt in een grotere ongelijkheid van de hoogte van de pensioenen; overwegende dat de effecten van deze elementen op het levensinkomen van lidstaat tot lidstaat verschillen, afhankelijk van het niveau van de steun die aan ouders wordt verleend, inclusief het aanbod van kinderopvang, op grond van hetzij wetgevende maatregelen hetzij collectieve overeenkomsten;

P.  overwegende dat de loonkloof tussen vrouwen en mannen toeneemt na het pensioen, waardoor de pensioenkloven aanzienlijk dieper zijn dan de loonkloven; overwegende dat vrouwen gemiddeld 39% minder aan pensioen ontvangen dan mannen; overwegende dat deze situatie wordt veroorzaakt door sociale en economische factoren, zoals beroepsgebonden en sterk gesegregeerde arbeidsmarkten, onderwaardering van het werk van vrouwen en het hogere aandeel vrouwen dat een deeltijdse baan heeft, een lager uurloon verdient en minder jaren werkt; overwegende dat hierdoor het risico op armoede voor gepensioneerde vrouwen toeneemt; overwegende dat meer dan een derde van de oudere vrouwen in de EU geen enkele vorm van pensioen heeft;

Q.  overwegende dat bepaalde categorieën van vrouwen het risico lopen om in arbeid en beroep meervoudig te worden gediscrimineerd, onder meer vrouwen die behoren tot een etnische minderheid, lesbische vrouwen, biseksuele vrouwen, vrouwelijke transgenders, alleenstaande vrouwen, vrouwen met een handicap en oudere vrouwen;

R.  overwegende dat in de herschikte Richtlijn duidelijk wordt aangegeven dat elke vorm van minder gunstige behandeling in verband met zwangerschap of moederschap discriminatie is; overwegende dat zij duidelijk waarborgen biedt om na moederschapsverlof te kunnen terugkeren naar dezelfde of een gelijkwaardige job, alsook een bescherming voor mannen en vrouwen tegen ontslag wanneer zij gebruik maken van het recht op ouderschaps- en/of adoptieverlof;

S.  overwegende dat de sociale partners (vakbonden en werkgevers) en de maatschappelijke organisaties een zeer belangrijke rol vervullen in het aanmoedigen van gelijke behandeling en het bevorderen van het concept van werk tegen gelijke beloning;

T.  overwegende dat er in alle lidstaten gelijkekansenorganen zijn, maar dat het werk en de impact ervan erg verschilt, afhankelijk van de onafhankelijkheid van de organen en van de bevoegdheden en de middelen ervan; overwegende deze organen voldoende moeten worden ondersteund en versterkt voor de uitvoering van hun taken met betrekking tot de bevordering van, het toezicht op en de ondersteuning van gelijke behandeling op een onafhankelijke en efficiënte manier;

U.  overwegende dat het Parlement herhaaldelijk aan de Commissie heeft gevraagd de bestaande wetgeving te herzien om het probleem van de genderloonkloof aan te pakken; overwegende dat het dichten van deze kloof een middel zou zijn om de arbeidsparticipatie onder vrouwen te vergroten, met als gevolg een verbetering van de situatie van vele Europese gezinnen, en om het risico van armoede voor vrouwen, met name vrouwen op pensioenleeftijd, te verkleinen;

V.  overwegende dat het dichten van de genderkloof een middel zou zijn om de doelstellingen van de Europa 2020-strategie op het gebied van werkgelegenheid en vermindering van de armoede te realiseren en om het vrije verkeer van werknemers, een fundamentele Europese vrijheid, te garanderen; overwegende dat volgens de conclusies van de beoordeling van de Europese meerwaarde(6), een vermindering van de genderloonkloof met één procentpunt de economische groei met 0,1 % zal doen toenemen;

W.  overwegende dat de traditionele genderrollen en -stereotypen nog steeds van grote invloed zijn op de taakverdeling in het huishouden, het onderwijs, de loopbaanontwikkeling, het werk en de samenleving in het algemeen;

Globale beoordeling

1.  stelt vast dat de lidstaten in het algemeen hun nationale wetgeving aan de EU-wetgeving hebben aangepast(7); merkt op dat het alleen maar correct omzetten van de herschikte Richtlijn in nationaal recht onvoldoende is gebleken voor de volledige toepassing en doeltreffende handhaving van deze richtlijn en dat de loonverschillen tussen mannen en vrouwen blijven bestaan;

2.  betreurt dat, hoewel de lidstaten alleen de "inhoudelijke wijzigingen" ingevolge de herschikte richtlijn moesten omzetten, de omzetting van de richtlijn slechts in twee lidstaten voldoende duidelijk en correct is geweest, en er in de overige 26 lidstaten nog steeds een aantal onopgeloste kwesties zijn; wijst er echter op dat deze wijzigingen niet duidelijk waren gedefinieerd; onderstreept dat de inspanningen van de Commissie om toe te zien op de tenuitvoerlegging slechts een beperkte impact hadden wat betreft het zorgen voor een coherente aanpak en de begeleiding die noodzakelijk is voor een doeltreffende implementatie op nationaal niveau;

3.  benadrukt het feit dat de lidstaten niet de kans hebben gegrepen om hun wetgeving inzake gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep te vereenvoudigen en te moderniseren; wijst erop dat van de lidstaten niet alleen wordt verwacht dat zij de richtlijn omzetten, maar dat zij ook zorgen voor controle op de tenuitvoerlegging van het principe van gelijk loon en voor de handhaving van alle beschikbare instrumenten tegen loondiscriminatie;

4.  betreurt het dat de Commissie het door haar vorig jaar toegezegde wetgevingsinitiatief om de daadwerkelijke toepassing van het beginsel van gelijke beloning in de praktijk te bevorderen, nog steeds niet heeft aangenomen; vraagt de Commissie dan ook om de zwakke punten van de herschikte Richtlijn aan te wijzen en het wetgevingsvoorstel ter vervanging van deze richtlijn snel voor te bereiden, en in dit voorstel efficiëntere controle-instrumenten op te nemen voor de tenuitvoerlegging en handhaving van de richtlijn in de lidstaten;

5.  wijst er eveneens op dat veel vrouwen, uit vrees om hun baan te verliezen, verzaken aan de optie om werk en privéleven te verzoenen door middel van kortere werkdagen of gelijkaardige formules, waardoor een evenwichtig gezinsleven moeilijk is geworden, wat op zijn beurt heeft geleid tot een verdere daling van het geboortecijfer in bepaalde lidstaten; vraagt de Commissie deze trend te onderzoeken alsook de maatregelen die verschillende regeringen hebben genomen om dit fenomeen tegen te gaan, en maatregelen voor te stellen om de gevolgen van de crisis voor de gelijke behandeling op de werkplek en de verzoening van werk en privéleven te beperken;

Toepassing van de bepalingen inzake gelijke beloning

6.  beklemtoont dat de verschillen in arbeidsparticipatie en beloning tussen mannen en vrouwen de afgelopen jaren wel enigszins zijn verminderd, maar dat dit niet komt door een verbetering van de situatie van vrouwen, maar door de daling van de arbeidsparticipatie en de loonniveaus van mannen tijdens de economische crisis;

7.  onderstreept dat volgens de vaste rechtspraak van het HvJ-EU het beginsel van gelijk loon moet worden geëerbiedigd met betrekking tot elk onderdeel van de aan mannelijke en vrouwelijke werknemers toegekende beloning;

8.  wijst nogmaals op de noodzaak van duidelijke geharmoniseerde definities op EU-niveau van concepten als genderloonkloof, genderpensioenkloof, beloning, directe en indirecte loondiscriminatie, en in het bijzonder "gelijk" en gelijkwaardig werk; meent dat overeenkomstig de vaste rechtspraak van het HvJ-EU de waarde van arbeid dient te worden beoordeeld en vergeleken aan de hand van objectieve criteria, zoals onderwijs-, beroeps- en opleidingsvereisten, vaardigheden, inspanningen en verantwoordelijkheid, verrichte werkzaamheden en aard van de betrokken taken; merkt op dat, doordat er diverse vormen van arbeidscontracten bestaan, zowel voor statutaire dienstverbanden als voor contractuele overeenkomsten, de huidige berekening van de genderloonkloof tot een verkeerd begrip van het probleem van gelijke beloning kan leiden; vraagt de Commissie deze mogelijke distorsies te onderzoeken en adequate oplossingen voor te stellen, inclusief de invoering van verplichte loonaudits voor in de EU-lidstaten gevestigde beursgenoteerde bedrijven, met uitzondering van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), en de mogelijkheid van sancties als de regels niet worden nageleefd;

9.  vraagt de Commissie en de lidstaten dat zij de toepassing van de bestaande, zeer uiteenlopende systemen voor functiewaardering en -indeling in kaart brengen; verzoekt de Commissie richtsnoeren te introduceren voor genderneutrale systemen voor functiewaardering en -indeling, onder meer specifieke maatregelen zoals de evenredige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in evaluatiecomités, de ontwikkeling van genderneutrale jobbeschrijvingen en wegingsroosters en het vastleggen van duidelijke criteria voor het beoordelen van de waarde van arbeid; verzoekt de lidstaten op basis van de door de Commissie gepubliceerde richtsnoeren duidelijke en genderneutrale systemen voor functiewaardering en -indeling in te voeren en te gebruiken, zodat zij indirecte loondiscriminatie die verband houdt met de onderwaardering van banen die typisch door vrouwen worden uitgevoerd, kunnen opsporen;

10.  benadrukt dat de systemen voor functiewaardering en -indeling bij voorkeur moeten worden vastgelegd in collectieve overeenkomsten;

11.  merkt op dat een duidelijk en geharmoniseerd systeem van functieclassificatie en meer loontransparantie de toegang tot de rechter zal verbeteren; stelt vast dat een aantal lidstaten al specifieke maatregelen voor loontransparantie hebben genomen; onderstreept de dispariteit tussen deze maatregelen en neemt kennis van de aanbevelingen die de Commissie in 2014 heeft gedaan inzake loontransparantie, maar vindt het jammer dat deze aanbevelingen niet bindend zijn; roept de lidstaten op deze aanbevelingen van de Commissie door middel van transparantie en voortgezette positieve maatregelen op een actieve manier ten uitvoer te leggen middels wetgeving, aangezien dit succesvol is gebleken, door aanbevolen en op maat gemaakte maatregelen inzake loontransparantie te introduceren; vraagt dat de Commissie een evaluatie opstelt van de reële impact van deze aanbevelingen, onder meer de verplichting voor ondernemingen om regelmatig te rapporteren over de naar gender uitgesplitste gemiddelde beloning per categorie van werknemers of per functie; vraagt dat de Commissie in haar nieuw wetgevingsvoorstel de maatregelen opneemt die worden genoemd in de aanbevelingen van de Commissie van 2014 inzake loontransparantie, de genderloonkloof en de bevoegdheden van de gelijkekansenorganen; verzoekt de lidstaten druk uit te oefenen op praktijken van ongelijke beloning en salaristransparantie te bevorderen, zoals wordt gevraagd door vakbonden en gelijkekansenorganen, alsook door andere belanghebbenden;

Toepassing van de bepalingen inzake gelijke behandeling

12.  benadrukt dat het van belang is de strijd aan te binden met onrechtstreekse discriminatie in pensioenregelingen, niet alleen in bedrijfspensioenregelingen, maar ook in verband met praktijken ten aanzien van wettelijke pensioenregelingen; beklemtoont dat het HvJ-EU duidelijk heeft gemaakt dat bedrijfspensioenregelingen als loon moeten worden beschouwd en dat het beginsel van gelijke behandeling derhalve ook op deze regelingen van toepassing is, in weerwil van het feit dat het onderscheid tussen wettelijke en bedrijfspensioenregelingen in bepaalde lidstaten een probleem vormt en dat in andere lidstaten bedrijfspensioenregelingen als dusdanig niet bestaan, wat eventueel kan leiden tot onrechtstreekse discriminatie op de arbeidsmarkt; erkent dat de toegang van vrouwen tot bedrijfspensioenregelingen beperkter is als gevolg van kortere werkuren, minder dienstjaren, horizontale en verticale gendersegregatie op de arbeidsmarkt en de genderloonkloof, en dat in op bijdragen gebaseerde regelingen zelden rekening wordt gehouden met onderbrekingen voor zorg en met onvrijwillig deeltijds werk; verzoekt de Commissie na te gaan wat de impact is van de overschakeling van wettelijke overheidspensioenen naar bedrijfspensioenregelingen en particuliere regelingen op de genderpensioenkloof; vraagt de Commissie van dichtbij toe te zien op de toepassing van dit beginsel en daarover verslag uit te brengen, aangezien de omzetting in een aantal lidstaten onduidelijk is gebleken;

13.  vraagt de lidstaten hun moederschapsuitkeringen te vrijwaren en maatregelen te nemen om onredelijk ontslag van werknemers tijdens de zwangerschap en bij de terugkeer op het werk na het moederschapsverlof te voorkomen; dringt er bij de Raad op aan dat hij eindelijk een gemeenschappelijk standpunt vaststelt over de herziening van de richtlijn inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (de richtlijn moederschapsverlof); vraagt de Raad zo spoedig mogelijk een gemeenschappelijk standpunt in te nemen over de richtlijn inzake de verbetering van de genderverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen en daarmee samenhangende maatregelen;

14.  stelt vast dat er tussen de lidstaten significante verschillen zijn in de uitvoering van de bepalingen inzake bescherming tegen discriminatie in verband met moederschapsverlof en vaderschaps- en/of adoptieverlof; onderstreept dat er op nationaal niveau een coherente aanpak moet komen voor de oplossing van de specifieke bestaande problemen, onder meer de verschillen van sectoriële (publiek-privaat) en organisationele (tussen ondernemingen en tussen grote en kleine en middelgrote ondernemingen) aard, de situatie op het gebied van atypische en deeltijdovereenkomsten en de praktijken om arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd tijdens de beschermingstermijn te beëindigen en aan te sturen op vrijwillige ontslagen;

15.  roept de lidstaten en de Commissie op stappen te ondernemen om alle vormen van meervoudige discriminatie te bestrijden, om te zorgen voor de toepassing van het beginsel van niet-discriminatie en gelijkheid op de arbeidsmarkt en bij de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van discriminatie van etnische minderheden en personen met een handicap, alsook discriminatie op grond van gender, leeftijd, geloof of overtuiging, seksuele gerichtheid en genderidentiteit, en socialebeschermingsmaatregelen aan te nemen om ervoor te zorgen dat de beloning en socialezekerheidsrechten van vrouwen, met inbegrip van pensioenen, dezelfde zijn als die van mannen met dezelfde of gelijkaardige ervaring die hetzelfde werk of gelijkwaardig werk verrichten;

16.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om toezichts- en controlemaatregelen te nemen door doeltreffende monitoringsystemen op te zetten voor een verbeterde verzameling van gegevens inzake gevallen van discriminatie en intimidatie op grond van geslacht, met inbegrip van discriminatie in verband met zwangerschap en moederschap en andere vormen van verlof; meent dat er voor dergelijke gevallen eveneens moet worden voorzien in een sanctiesysteem, maar dat vooral inspanningen moeten worden geleverd inzake preventie, om zwangere vrouwen en jonge moeders toegang te geven tot diensten die hen ondersteunen bij het combineren van privéleven en beroep zonder dat zij een keuze hoeven te maken tussen werk en gezin, zoals nog te vaak het geval is; verzoekt de Commissie een beoordeling op te nemen van de tenuitvoerlegging van artikel 26 (seksuele intimidatie) in haar evaluatierapport over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2006/54/EG;

17.  verzoekt de Commissie duidelijke maatregelen voor te stellen om seksuele intimidatie op de werkplek doeltreffender te bestrijden; betreurt het dat, ondanks het bestaan van EU-wetgeving ter bescherming van personen tegen discriminatie op de arbeidsmarkt, 30 % van de werkzoekende transgenders discriminatie heeft ervaren bij het zoeken naar een baan en dat in het jaar voorafgaand aan het LGBT-onderzoek van het Bureau voor de grondrechten van de Europese Unie, vrouwelijke transgenders zich waarschijnlijk het vaakst gediscrimineerd voelden; wijst erop dat dit een inbreuk op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is; dringt er bij de Commissie op aan om nauwlettend toezicht te houden op de doeltreffendheid van nationale klachteninstanties en -procedures in het kader van de tenuitvoerlegging van de richtlijnen inzake gendergelijkheid met betrekking tot genderidentiteit, genderexpressie en geslachtsverandering; roept de Commissie op om de lidstaten te voorzien van deskundigheid over de manier om vooruitgang te boeken in de aanpak van discriminatie op grond van "geslachtskenmerken" op de arbeidsmarkt; verzoekt de Commissie om de lidstaten te helpen en te stimuleren bij het betrekken van transgenders en interseksuelen bij opleidingen op het gebied van diversiteit en om samen met werkgevers maatregelen voor de werkvloer vast te stellen, bijvoorbeeld het bevorderen van anonieme aanwervingsprocedures; dringt er bij de lidstaten op aan om met behulp van middelen van het Europees Sociaal Fonds (ESF) de discriminatie tegen transgenders actief aan te pakken, overeenkomstig de jurisprudentie van het HvJ-EU;

18.  acht het betreurenswaardig dat veel lidstaten bij de omzetting van de richtlijn geen expliciete bescherming hebben ingevoerd tegen discriminatie in verband met geslachtsverandering en verzoekt de Commissie de lidstaten aansprakelijk te stellen; herhaalt dat het belangrijk is dat de lidstaten het verbod op eender welke discriminatie op grond van seksuele voorkeur of genderidentiteit, duidelijk in hun nationale wetgeving opnemen; is van mening dat de huidige wettelijke bescherming die de richtlijn biedt aan personen die van plan zijn een geslachtsverandering te ondergaan of die deze ondergaan of ondergaan hebben, moet worden uitgebreid naar alle transgenders; vraagt in verband hiermee dat in een eventuele toekomstige herschikking expliciet een verbod wordt opgenomen op discriminatie op grond van genderidentiteit;

19.  merkt op dat de toegang tot de rechter in dit gebied beperkt is om verschillende redenen, onder meer de duur of de kosten van de procedures, de uitdagingen waarmee gelijkekansenorganen in sommige lidstaten te maken krijgen, het gebrek aan loontransparantie, het ontbreken van rechtshulp en de vrees van de slachtoffers voor stigmatisering of represailles indien zij klagen over discriminatie op de werkplek; onderstreept dat de toepassing van de bewijslastregel ook een probleem vormt in verschillende lidstaten en dat zodoende de verdediging van vrouwelijke werknemers moeilijk wordt gemaakt aangezien zij vaak geen of slechts beperkte toegang hebben tot de desbetreffende informatie en zij bovendien bang zijn om hun baan te verliezen; verzoekt de lidstaten en de regionale en plaatselijke autoriteiten actief mee te werken op het gebied van hulpverlening aan de slachtoffers van discriminatie, hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van steun aan gelijkekansenorganen, vakbonden, gemeenschapsorganisaties en ngo's die actief zijn op dit gebied; wijst erop dat een geschikte oplossing ter verbetering van de toegang tot de rechter op dit gebied zou zijn onafhankelijke gelijkekansenorganen bevoegd te maken om aan slachtoffers van discriminatie hulp te verlenen, onder meer gratis rechtshulp, en hen het recht te geven om individuele personen te vertegenwoordigen in zaken op het gebied van loondiscriminatie; stelt in dit opzicht voor om in de lidstaten vertrouwelijke meldingssystemen te creëren die vrouwen in staat stellen mogelijke gevallen van ongelijke behandeling op de werkplek te melden;

20.  vraagt de Commissie om de bestaande optimale werkwijzen te evalueren, uit te wisselen en te vergelijken en te zorgen voor de verspreiding van de resultaten van deze evaluatie in verband met de effectieve maatregelen die de lidstaten zouden kunnen nemen om werkgevers, vakbonden en organisaties die bij beroepsopleiding zijn betrokken, aan te moedigen om alle vormen van discriminatie op grond van gender te voorkomen, met name intimidatie en seksuele intimidatie op de werkplek, door de toegang tot arbeid te verbeteren, voortgezette beroepsopleiding aan te bieden en optimale werkwijzen te bevorderen;

21.  verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen om de toegang van vrouwen tot een leven lang leren, beroepsopleiding en mentorschapsnetten in heel Europa te faciliteren en te verbeteren, in het bijzonder in sectoren die worden gedomineerd door mannen, en om de beste praktijken te verspreiden;

Bevordering van gelijke behandeling en sociaal overleg

22.  herhaalt dat gelijkekansenorganen de bevoegdheden, adequate middelen en adequaat personeel moeten hebben om effectief en onafhankelijk toezicht uit te oefenen op de wetgeving die de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bevordert en daarover te rapporteren; benadrukt het feit dat de onafhankelijkheid van gelijkekansenorganen moet worden beschermd in alle lidstaten en dat de precieze institutionele vormgeving van deze organen onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten valt;

23.  vraagt dat de Commissie en de lidstaten de sociale partners (vakbonden en werkgevers), maatschappelijke organisaties en gelijkekansenorganen aanmoedigen om het toezicht op gelijkekansenpraktijken op de werkplek, onder meer flexibele arbeidsregelingen, te bevorderen met het oog op een betere combinatie van werk en privéleven, alsook verdere controle van collectieve overeenkomsten, toepasselijke loonschalen en functiewaarderingssystemen, teneinde elke rechtstreekse of onrechtstreekse discriminatie van vrouwen te vermijden; benadrukt ook het belang van andere instrumenten zoals gedragscodes, onderzoek en uitwisseling van ervaringen en goede werkwijzen op het gebied van gendergelijkheid, om te zorgen voor een betere bescherming tegen discriminatie;

24.  is van mening dat gegevensbescherming niet mag worden aangevoerd als excuus om geen jaarlijkse informatie over de beloning op de werkplek bekend te maken;

25.  vraagt dat de lidstaten de kleine en middelgrote ondernemingen strengere verplichtingen opleggen om te zorgen voor de systematische bevordering van gelijke behandeling en op regelmatige basis passende informatie aan hun werknemers te verstrekken, onder meer over kwesties van gelijke beloning; herhaalt dat de invoering van financiële straffen voor werknemers die geen gelijke beloning eerbiedigen, waarschijnlijk een afdoend middel is om de genderloonkloof te dichten;

26.  vraagt de Commissie en de lidstaten de institutionele mechanismen voor de implementatie van gelijkheid tussen mannen en vrouwen te versterken, met name door de instanties die belast zijn met inspectie en handhaving van het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen te voorzien van de nodige technische, personele en financiële middelen, en de sociale partners aan te sporen om de gelijkheidsdimensie van collectieve overeenkomsten te meten;

27.  wijst op de noodzaak om de regelingen voor arbeidsinspectie door de overheid te versterken en methoden uit te werken om de waarde van arbeid te meten en bijvoorbeeld na te gaan in welke beroepscategorieën lage lonen worden betaald en vrijwel uitsluitend vrouwen worden geworven, wat dus een vorm van indirecte loondiscriminatie inhoudt;

28.  vraagt de Commissie en de lidstaten meer maatregelen te nemen om te zorgen voor een groter bewustzijn van de rechten van de slachtoffers van discriminatie op grond van geslacht; onderstreept dat alle belanghebbenden, ook de gelijkekansenorganen, de sociale partners (vakbonden en werkgevers) en de ngo's, moeten samenwerken om stereotypes over het werk van vrouwen en mannen te doorprikken en de impact van deze stereotypes voor de waarde van werk en lage lonen, onder meer bij de toegang tot banen, te bestrijden, en dat bedrijven de meest gekwalificeerde kandidaten selecteren aan de hand van een vergelijkende analyse van hun kwalificaties volgens vooraf vastgestelde, duidelijke, neutraal geformuleerde, niet-discriminerende en ondubbelzinnige criteria;

29.  merkt op dat een van de nieuwigheden van de herschikte Richtlijn is dat wordt verwezen naar het combineren van werk, privé- en gezinsleven; verzoekt de Commissie om na overleg met de lidstaten en de sociale partners (vakbonden en werkgevers), specifieke maatregelen te ontwikkelen om te zorgen voor steviger rechten voor mannen en vrouwen in dit gebied; benadrukt dat het in dit opzicht met name nodig is te zorgen voor meer openbare kinderopvangvoorzieningen in de zin van de Barcelona-doelstellingen;

30.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het publieke bewustzijn met betrekking tot gelijke beloning en de pensioenkloof en directe en indirecte discriminatie van vrouwen op het werk op het Europese, nationale, regionale en lokale niveau te verspreiden en te vergroten; verzoekt de Commissie een Europees jaar in te stellen voor de bestrijding van de genderloonkloof;

31.  neemt geïnteresseerd kennis van het feit dat veel vrouwen opteren om als zelfstandige te werken omdat dit de enige werkvorm is die hen in staat stelt werk en privéleven te verzoenen; merkt echter op dat in veel lidstaten de sociale bescherming en de sociale uitkeringen voor zelfstandigen niet vergelijkbaar zijn met die voor loontrekkenden;

Aanbevelingen

32.  herhaalt zijn oproep aan de lidstaten om de herschikte Richtlijn 2006/54/EG consequent ten uitvoer te leggen en te handhaven, de sociale partners (vakbonden en werkgevers) en de ngo's aan te moedigen om een actievere rol te spelen in het bevorderen van gelijke behandeling, onder meer door middel van actieplannen om alle gendergerelateerde loonongelijkheden aan te pakken, met concrete acties en monitoring van de resultaten op bedrijfs-, sectorieel, nationaal en EU-niveau;

33.  verzoekt de Commissie in vervolg op haar verslag over de toepassing van de herschikte Richtlijn en deze resolutie, de herschikte Richtlijn 2006/54/EG te herzien, zoals reeds gevraagd door het Parlement, met name in zijn resolutie van 24 mei 2012, die specifieke en duidelijke aanbevelingen bevat;

34.  onderstreept dat systemen voor genderneutrale functieclassificatie en -evaluatie evenals loontransparantie onontbeerlijke maatregelen zijn om gelijke behandeling te bevorderen; vraagt de Commissie in dit verband deze maatregelen op te nemen in haar voorstel voor een nieuwe richtlijn ter vervanging van de herschikte Richtlijn; wijst erop dat alleen een geharmoniseerde aanpak in overeenstemming is met het vrij verkeer van werknemers, als een fundamentele Europese vrijheid;

35.  benadrukt dat er een genderneutrale functiewaarderingsmethode moet worden gevonden, waardoor functies kunnen worden vergeleken op grond van hun belang en hun complexiteit, om te kunnen bepalen hoe een functie zich verhoudt tot een andere functie in een bepaalde sector of organisatie, ongeacht of deze vervuld wordt door een man of een vrouw;

36.  vraagt ervoor te zorgen dat mannen en vrouwen evenwichtig vertegenwoordigd zijn in de raden van bestuur van vennootschappen;

37.  verzoekt de Commissie om in de nieuwe richtlijn verplichte loonaudits op te nemen voor in de EU-lidstaten gevestigde beursgenoteerde bedrijven, met uitzondering van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), teneinde de aandacht te vestigen op de genderloonkloof, en om sancties op EU-niveau in te voeren waardoor ondernemingen die hun verantwoordelijkheden op het gebied van gendergelijkheid niet nakomen, uitgesloten worden van de overheidsopdrachten voor de levering van goederen en diensten die door de EU-begroting gefinancierd worden; verzoekt de lidstaten hetzelfde te doen met ondernemingen die worden gefinancierd met overheidssubsidies;

38.  verzoekt de lidstaten zelf op voorbeeldige wijze te handelen, door de ongelijke beloning van vrouwen bij de overheid, publieke instellingen en overheidsbedrijven in het algemeen te bestrijden;

39.  verzoekt de Commissie gemeenschappelijke normen en controles in te voeren om de onafhankelijkheid en de doeltreffendheid van de nationale gelijkekansenorganen te garanderen;

40.  verzoekt de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat slachtoffers van ongelijke behandeling en discriminatie, met name de slachtoffers van meervoudige discriminatie, recht hebben op evenredige compensatie overeenkomstig de van kracht zijnde wettelijke bepalingen;

41.  dringt er bij de lidstaten op aan de nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de bewijslast wordt omgekeerd, zodat het altijd de werkgever is die moet aantonen dat het vastgestelde verschil in beloning in geen enkel opzicht het gevolg is van discriminatie;

42.  beklemtoont dat extra inspanningen moeten worden geleverd op nationaal en EU-niveau om stereotypen te bestrijden door middel van op alle lagen van de samenleving gerichte bewustmakingscampagnes, een intensiever gebruik van communicatiemedia, strategieën om vrouwen te motiveren om loopbanen en beroepen te kiezen waar vrouwen minder vertegenwoordigd zijn, en de integratie van gendervraagstukken in het basis- en voortgezet onderwijs;

43.  onderstreept dat enkel de daadwerkelijke toepassing van het beginsel van gelijke behandeling leidt tot een echte verbetering van de situatie van vrouwen op de arbeidsmarkt en dat hiervoor echte politieke wil en strategische samenwerking tussen de verschillende actoren op Europees, nationaal, sectorieel en organisatieniveau vereist is; vraagt daarom aan de Commissie om een actieve strategie uit te werken met referentiepunten, doelen en tijdsgebonden streefdoelen met het oog op de verlaging van ongelijkheidsindexen op het vlak van werkgelegenheid en werkloosheid, zoals succesvol gebeurd is op andere gebieden, zoals de vermindering van het aantal verkeersongevallen in de EU;

44.  dringt er bij de lidstaten op aan genderbewust budgetteren actief toe te passen, om de verbetering van de situatie van vrouwen op de arbeidsmarkt te bevorderen; roept de Commissie ertoe op de uitwisseling van goede praktijken op het vlak van genderbewust budgetteren aan te moedigen;

45.  benadrukt dat het belangrijk is positieve maatregelen te nemen om de betrokkenheid van vrouwen bij de politieke en economische besluitvorming te bevorderen; wijst erop dat gebleken is dat het vastleggen van bindende quota een van de beste manieren is om deze doelstelling te bereiken;

46.  wijst erop dat positieve maatregelen ook nodig zijn om het ondervertegenwoordigde geslacht warm te maken voor bepaalde beroepen waar er een duidelijke horizontale gendersegregatie bestaat;

47.  verzoekt de Commissie na te gaan welke factoren tot verschillen in pensioenen leiden en welke specifieke maatregelen moeten worden genomen om deze kloof te dichten op EU- en nationaal niveau, met inbegrip van wetgevende en/of niet-wetgevende maatregelen;

48.  verzoekt de lidstaten en de Commissie passende maatregelen te treffen om de genderpensioenkloof, die het rechtstreekse gevolg is van de genderloonkloof, te verkleinen en de gevolgen te bestuderen van nieuwe pensioenstelsels voor verschillende categorieën vrouwen, met name voor deeltijdcontracten en atypische werkgelegenheid;

49.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om loonongelijkheid tussen mannen en vrouwen tegen te gaan in alle beleidsmaatregelen van de Unie en nationale programma's, en in het bijzonder in de maatregelen en programma's ter bestrijding van armoede;

50.  vraagt de Commissie dat zij een studie verricht waarin de respectieve situaties van werkende moeders, moeders die ervoor kiezen thuis te blijven en vrouwen zonder kinderen worden vergeleken, teneinde meer licht te werpen op de positie van elk van deze groepen van vrouwen op de arbeidsmarkt, met specifieke aandacht voor het werkgelegenheidsniveau, de loon- en de pensioenkloof en het carrièreverloop;

51.  benadrukt de relevantie van betrouwbare, vergelijkbare en beschikbare kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren en van op gender gebaseerde statistische gegevens met het oog op het waarborgen van de tenuitvoerlegging en follow-up van de richtlijn en herinnert in dit verband aan de rol van het Europees Instituut voor gendergelijkheid; verzoekt de lidstaten Eurostat jaarlijks statistieken van hoge kwaliteit over de genderloonkloof te verstrekken zodat een beoordeling kan worden gemaakt van de ontwikkelingen in de hele EU;

52.  verzoekt de Commissie een studie uit te voeren naar de vraag welke gevolgen procedures in verband met de officiële erkenning van de geslachtsverandering van een persoon, of het ontbreken van deze procedures, hebben voor de positie van transgenders op de arbeidsmarkt, met name hun toegang tot banen, beloningsniveau, loopbaanontwikkeling en pensioen;

53.  merkt op dat in de landspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees Semester streefdoelen moeten worden opgenomen voor het dichten van de genderloonkloof en de genderpensioenkloof en het verminderen van discriminatie en van het armoederisico voor oudere vrouwen en voor de effectieve implementatie van de principes van gelijke behandeling;

54.  verzoekt de Commissie nauwgezet de werkgelegenheidssituatie van vrouwen in de tertiaire sector, de sociale economie en de deeleconomie te onderzoeken, en zo spoedig mogelijk een strategie voor te stellen om de banen en de situatie van vrouwen in deze sectoren te bevorderen en te beschermen;

55.  verzoekt de lidstaten extra inspanningen te leveren om zwartwerk en onzekere banen te bestrijden; legt de nadruk op het vele zwartwerk dat door vrouwen wordt verricht en dat hun inkomen, sociale zekerheid en bescherming negatief beïnvloedt en nadelige gevolgen heeft voor het bbp van de EU; benadrukt de noodzaak om met name huishoudelijk werk, dat voornamelijk door vrouwen wordt verricht, als een specifieke uitdaging aan te pakken, aangezien dit zelfstandig en van nature onzichtbaar werk in de informele sector betreft, waarvoor op maat gesneden maatregelen moeten worden ontwikkeld voor een efficiënte aanpak; betreurt daarnaast het misbruik van atypische arbeidscontracten, waaronder nulurencontracten, om zich te onttrekken aan de verplichtingen inzake werkgelegenheid en sociale bescherming; betreurt het feit dat het aantal werkende vrouwen die niet kunnen rondkomen gestegen is;

56.  benadrukt dat de Commissie maatregelen moet voorstellen die ervoor zorgen dat: a) de genderloonkloof kleiner wordt; b) de economische onafhankelijkheid van vrouwen toeneemt; c) de toegankelijkheid van de arbeidsmarkt en de loopbaanontwikkeling voor vrouwen beter wordt; d) de gelijkheid in besluitvorming fundamenteel verbetert; en e) discriminerende structuren en praktijken op grond van gender worden opgeheven;

o
o   o

57.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0375.
(3) PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 75.
(4) http://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php/Employment_statistics
(5) Artikel 3 van Richtlijn 2006/54/EEG en artikel 157, lid 4, VWEU
(6) Beoordeling van de Europese meerwaarde, "Toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid", opgesteld door het Parlement in 2013
(7) overeenkomstig het verslag van de Commissie over de toepassing van de herschikte Richtlijn (COM(2013)0861),

Juridische mededeling