Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 14 oktober 2015 - BrusselDefinitieve uitgave
Toegang tot het Visuminformatiesysteem (VIS) voor raadpleging door de lidstaten en Europol, met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten *
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2015: Eigen middelen, Trustfondsen van de Unie voor externe acties, Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie
 Beschikbaarstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument voor onmiddellijke begrotingsmaatregelen in het kader van de Europese migratieagenda
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2015: Aanpak van de vluchtelingencrisis: onmiddellijke budgettaire maatregelen in het kader van de Europese migratieagenda
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Béla Kovács
 Benoeming van de algemeen directeur van het EFSI
 Benoeming van de adjunct-algemeen-directeur van het EFSI
 Op weg naar een nieuwe internationale klimaatovereenkomst in Parijs

Toegang tot het Visuminformatiesysteem (VIS) voor raadpleging door de lidstaten en Europol, met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten *
PDF 248kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 oktober 2015 over het ontwerpuitvoeringsbesluit van de Raad houdende vaststelling van de datum van inwerkingtreding van Besluit 2008/633/JBZ over de toegang tot het Visuminformatiesysteem (VIS) voor raadpleging door aangewezen autoriteiten van de lidstaten en door Europol, met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten (10506/2015 – C8-0193/2015 – 2015/0807(CNS))
P8_TA(2015)0352A8-0287/2015

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (10506/2015),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol Nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0193/2015),

–  gezien Besluit 2008/633/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 over de toegang tot het Visuminformatiesysteem (VIS) voor raadpleging door aangewezen autoriteiten van de lidstaten en door Europol, met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten(1), en met name artikel 18, lid 2,

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over de Europese veiligheidsagenda(2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0287/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 218 van 13.8.2008, blz. 129.
(2)Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0269.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2015: Eigen middelen, Trustfondsen van de Unie voor externe acties, Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie
PDF 251kWORD 64k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 oktober 2015 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2015 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, Eigen middelen, Trustfondsen van de Unie voor externe acties, Bureau van het orgaan van de Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (11695/2015 – C8-0278/2015 – 2015/2150(BUD))
P8_TA(2015)0353A8-0280/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1), met name artikel 41,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, definitief vastgesteld op 17 december 2014(2),

–  gezien gewijzigde begroting nr. 1/2015, goedgekeurd door de Commissie op 28 april 2015(3),

–  gezien gewijzigde begroting nr. 2/2015, nr. 3/2015, nr. 4/2015, en nr. 5/2015, definitief goedgekeurd op 7 juli 2015(4),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(5),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2015/623/ van de Raad van 21 april 2015 houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(6),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(7),

–  gezien Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(8),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2015, goedgekeurd door de Commissie op 15 juli 2015 (COM(2015)0351),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2015, vastgesteld door de Raad op 18 september 2015 en op dezelfde dag toegezonden aan het Europees Parlement (11695/2015 – C8-0278/2015),

–  gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0280/2015),

A.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2015 een herziening betreft van de raming van de traditionele eigen middelen, de btw- en de bni-grondslag, de begroting van de relevante Britse correcties en de financiering daarvan, die leiden tot een wijziging van de verdeling van de eigenmiddelenbijdragen van de lidstaten aan de EU-begroting;

B.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2015 voorts de invoering betreft van twee nieuwe begrotingsposten, beide met een vermelding "pro memorie" (p.m.), voor ondersteunende uitgaven voor trustfondsen die door de Commissie worden beheerd op de beleidsterreinen Ontwikkeling en samenwerking, en Uitbreiding;

C.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2015 ook voorziet in een wijziging van de personeelsformatie van het Bureau van het orgaan van de Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie, zonder gevolgen voor de algemene begroting of het totale aantal posten;

1.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2015, zoals door de Commissie ingediend, en van het standpunt van de Raad daarover;

2.  merkt op dat, in vergelijking met de oorspronkelijke begroting 2015, de nationale bijdragen aan de begroting gebaseerd op het bni met 2,26 miljard EUR kunnen worden verlaagd, vanwege hoger dan verwachte ontvangsten uit traditionele eigen middelen (d.w.z. douanerechten en suikerheffingen) van 1 133,5 miljoen EUR en de begroting van het overschot in 2014 door gewijzigde begroting 3/2015;

3.  is van oordeel dat deze technische aanpassing aan de ontvangstenzijde van de Uniebegroting een solide grondslag vindt in de meest recente statistische ontwikkelingen en overeenstemt met de overeengekomen verdeling tussen de lidstaten;

4.  merkt op dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2015, in al zijn onderdelen, geen gevolgen heeft aan de uitgavenzijde van de begroting 2015 en aan de ontvangstenzijde alleen leidt tot een wijziging van de verdeling van de eigenmiddelenbijdragen van de lidstaten;

5.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 6/2015;

6.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 6/2015 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 69 van 13.3.2015, blz. 1.
(3) PB L 190 van 17.7.2015, blz. 1.
(4) PB L 261 van 7.10.2015.
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(6) PB L 103 van 22.4.2015, blz. 1.
(7) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(8) PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.


Beschikbaarstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument voor onmiddellijke begrotingsmaatregelen in het kader van de Europese migratieagenda
PDF 325kWORD 64k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 14 oktober 2015 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument voor onmiddellijke budgettaire maatregelen in het kader van de Europese migratieagenda, overeenkomstig punt 12 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (COM(2015)0486 – C8-0292/2015 – 2015/2253(BUD))
P8_TA(2015)0354A8-0290/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0486 – C8-0292/2015),

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, definitief vastgesteld op 17 december 2014(1),

–  gezien de gewijzigde begroting nr. 1/2015, definitief vastgesteld op 28 april 2015(2),

–  gezien de gewijzigde begroting nr. 2/2015, nr. 3/2015, nr. 4/2015 en nr. 5/2015, definitief vastgesteld op 7 juli 2015(3),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2015, door de Commissie goedgekeurd op 30 september 2015 (COM(2015)0485),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(4) (MFK-verordening), en met name artikel 11 hiervan,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 2015/623 van de Raad van 21 april 2015 houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(5),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(6), en met name punt 12 hiervan,

–  gezien de brief van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken;

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0290/2015),

A.  overwegende dat het, na alle mogelijkheden voor een herschikking van vastleggingskredieten binnen rubriek 3 te hebben onderzocht, nodig is middelen uit het flexibiliteitsinstrument beschikbaar te stellen ten behoeve van vastleggingskredieten;

B.  overwegende dat de Commissie heeft voorgesteld middelen uit het flexibiliteitsinstrument beschikbaar te stellen boven de maxima van het MFK om de middelen in de algemene begroting van de Unie voor het begrotingsjaar 2015 aan te vullen met 66,1 miljoen EUR aan vastleggingskredieten ter financiering van maatregelen voor het beheer van de vluchtelingen- en migratiecrisis;

1.  wijst erop dat het maximum voor 2015 voor rubriek 3 geen passende financiering toelaat van belangrijke en dringende politieke prioriteiten van de Unie;

2.  stemt er daarom mee in middelen uit het flexibiliteitsinstrument ter beschikking te stellen voor een bedrag van 66,1 miljoen EUR aan vastleggingskredieten;

3.  stemt verder in met de voorgestelde toewijzing van de overeenkomstige betalingskredieten, met name 52,9 miljoen EUR in 2016 en 13,2 miljoen EUR in 2017;

4.  herhaalt dat het gebruik van dit instrument, zoals bepaald in artikel 11 van de MFK-verordening, eens te meer aantoont dat de begroting van de Unie absoluut flexibeler moet zijn;

5.  herhaalt zijn standpunt dat het van oudsher verdedigt, namelijk dat, onverminderd de mogelijkheid om via het flexibiliteitsinstrument betalingskredieten voor specifieke begrotingslijnen beschikbaar te stellen zonder eerst middelen vast te leggen, de betalingen die voortvloeien uit eerder via het flexibiliteitsinstrument beschikbaar gestelde vastleggingskredieten alleen buiten de maxima kunnen worden geboekt;

6.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

7.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument voor onmiddellijke budgettaire maatregelen in het kader van de Europese migratieagenda

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2015/2248.)

(1) PB L 69 van 13.3.2015, blz. 1.
(2) PB L 190 van 17.7.2015, blz. 1.
(3) PB L 261 van 7.10.2015.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(5) PB L 103 van 22.4.2015, blz. 1.
(6) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2015: Aanpak van de vluchtelingencrisis: onmiddellijke budgettaire maatregelen in het kader van de Europese migratieagenda
PDF 257kWORD 70k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 oktober 2015 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2015 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015: Aanpak van de vluchtelingencrisis: onmiddellijke budgettaire maatregelen in het kader van de Europese migratieagenda (12511/2015 – C8-0297/2015 – 2015/2252(BUD))
P8_TA(2015)0355A8-0289/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1), met name artikel 41,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, definitief vastgesteld op 17 december 2014(2),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2015, definitief vastgesteld op 28 april 2015(3),

–  gezien gewijzigde begroting nr. 2/2015, nr. 3/2015, nr. 4/2015 en nr. 5/2015, definitief vastgesteld op 7 juli 2015(4),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(5),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 2015/623 van de Raad van 21 april 2015 houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(6),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(7),

–  gezien Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(8),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2015, goedgekeurd door de Commissie op woensdag 30 september 2015 (COM(2015)0485),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2015, vastgesteld door de Raad op 8 oktober 2015 en de volgende dag toegezonden aan het Europees Parlement (12511/2015 – C8-0297/2015),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad en de Raad van 23 september 2015 getiteld "Aanpak van de vluchtelingencrisis: nu te nemen operationele, budgettaire en wetgevende maatregelen in het kader van de Europese migratieagenda" (COM(2015)0490),

–  gezien de brief van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

–  gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0289/2015),

A.  overwegende dat ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2015 dient ter versterking van de middelen van de EU voor de aanpak van de huidige vluchtelingen- en migrantencrisis, waarbij het gebrek aan financiering in de rubrieken 3 en 4 moet worden verholpen;

B.  overwegende dat ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2015 inhoudt dat de noodhulp die wordt verstrekt uit hoofde van het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) en het Fonds voor interne veiligheid wordt verhoogd met 100 miljoen EUR aan vastleggingskredieten, met handhaving van de nodige middelen en andere programma's gefinancierd uit het AMIF;

C.  overwegende dat ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2015 daarnaast voorziet in een verhoging van het aantal posten voor Frontex, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) en Europol met in totaal 120, alsmede in een verhoging van de daarmee verband houdende kredieten voor bezoldigingen tot aan het einde van het jaar met 1,3 miljoen EUR aan vastleggings- en betalingskredieten;

D.  overwegende dat ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2015 tevens bijkomende financiering omvat voor het Europees Nabuurschapsinstrument van in totaal 300 miljoen EUR;

E.  overwegende dat ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2015 bovendien een verhoging inhoudt van de betalingskredieten voor humanitaire hulp ter hoogte van 55,7 miljoen EUR, door middel van herschikking;

F.  overwegende dat ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2015 vergezeld gaat van een voorstel voor de beschikbaarstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument voor onmiddellijke budgettaire maatregelen in het kader van de Europese migratieagenda (COM(2015)0486) voor een bedrag van 66,1 miljoen EUR aan vastleggingskredieten;

G.  overwegende dat de toename van het aantal vluchtelingen en migranten niet te voorzien was toen het huidige meerjarig financieel kader 2014-2020 werd vastgesteld, en niet gezien kan worden als tijdelijk verschijnsel; overwegende dat derhalve oplossingen op langere termijn nodig zijn, die ontwikkeld moeten worden tijdens de komende jaarlijkse begrotingsprocedures en de herziening van het meerjarig financieel kader;

1.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2015, zoals door de Commissie ingediend, en van het standpunt van de Raad daarover;

2.  verwelkomt de snelle reactie van de Commissie op de huidige vluchtelingencrisis; herhaalt dat het Europees Parlement bereid is tijdig op te treden, in overeenstemming met zijn budgettaire verantwoordelijkheden; wijst erop dat de voorgestelde maatregelen gepaard moeten gaan met initiatieven om de achterliggende oorzaken van de migratie- en vluchtelingencrisis aan te pakken;

3.  is ervan overtuigd dat de Unie meer inspanningen moet verrichten om de huidige migratie- en vluchtelingencrisis aan te pakken, de landen van herkomst bij te staan bij het stabiliseren van de situatie en de doorreislanden te ondersteunen, aangezien de voorgestelde maatregelen overduidelijk ontoereikend zullen zijn gezien het aantal mensen dat bescherming zoekt in de Unie; verzoekt de Commissie een financieel plan voor de lange termijn te presenteren naar aanleiding van de migratie- en vluchtelingencrisis, onder meer voor opsporings- en reddingsacties, en een overeenkomstige herziening voor te stellen van het meerjarig financieel kader;

4.  verwelkomt de bereidheid van alle instellingen om de begrotingskredieten voor migratie en asiel te verhogen, gezien de duidelijke en dringende noodzaak daarvan, alsmede voor instrumenten voor het buitenlands beleid om de achterliggende oorzaken van de migratie- en vluchtelingencrisis te helpen aanpakken;

5.  is ingenomen met de toezegging van de lidstaten, gedaan op de informele Europese Raad van 23 september 2015, om 1 miljard EUR beschikbaar te stellen naar aanleiding van de humanitaire situatie van migranten en vluchtelingen; roept de lidstaten op de toegezegde middelen voor de komende jaren uit te breiden en te verhogen;

6.  wijst er nogmaals op dat deze kwestie vooral aan bod moet komen in de begroting 2016 en roept de Raad op de daad bij het woord te voegen door bij de bemiddeling in te stemmen met de nodige financiering;

7.  dringt er daarom bij de Raad op aan om van meet af aan in te stemmen met een toereikende begroting 2016, ook voor de rubrieken 3 en 4, om afdoende kredieten te waarborgen voor de beheersing van de huidige vluchtelingen- en migratiecrisis;

8.  herinnert de Commissie en de Raad aan het recent gesloten akkoord inzake een betalingsplan om de begroting van de Unie weer op een duurzaam spoor te zetten; wijst erop dat de Commissie geen verhoging van de totale betalingskredieten op de begroting 2015 voorstelt, maar slechts opnieuw gebruik wil maken van herschikking van reeds bestaande middelen; benadrukt dat dit kan leiden tot een hogere druk op de betalingskredieten in 2016, die ontoereikend zouden kunnen zijn om tegemoet te komen aan de feitelijke behoeften van financiële programma's in de verschillende rubrieken;

9.  verzoekt de Commissie daarom in haar nota van wijzigingen 2/2016 een adequate verhoging van de betalingskredieten voor te stellen die overeenstemt met de aangegane verplichtingen;

10.  benadrukt dat indien in de loop van het jaar aanvullende middelen nodig zullen zijn met het oog op de aanpak van de migratie- en vluchtelingencrisis, het Parlement bereid zal zijn toestemming te verlenen voor de aanvullende gebruikmaking van de flexibiliteitsinstrumenten in het meerjarig financieel kader;

11.  verwelkomt de aanvullende 120 posten voor agentschappen en verwacht dat dit besluit ook gevolgen zal hebben voor de begroting 2016, alsmede voor de begrotingen van de daaropvolgende jaren; dringt er bij de Commissie op aan om vóór de begrotingsbemiddeling actuele en geconsolideerde informatie te verstrekken over de behoeften van de agentschappen; roept de Commissie op een strategie voor de middellange en lange termijn voor te stellen voor de volgende acties op het gebied van justitie en binnenlandse zaken: doelstellingen, missies, coördinatie, ontwikkeling van hotspots en financiële hulpbronnen;

12.  is van mening dat het EASO meer personeel moet krijgen dan de Commissie nu voorstelt, omdat het de opdracht krijgt een sleutelrol te spelen bij de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, bijvoorbeeld door te helpen bij de verwerking van asielaanvragen en bij de herplaatsingsinspanningen;

13.  bevestigt bereid te zijn ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2015, als gepresenteerd door de Commissie, zo snel mogelijk goed te keuren, gezien de spoedeisendheid van de situatie; wijst erop dat het Parlement vanwege de spoedeisendheid van de situatie maar weinig tijd had voor het formuleren van zijn standpunt over deze gewijzigde begroting;

14.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2015 goed;

15.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 7/2015 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 69 van 13.3.2015, blz. 1.
(3) PB L 190 van 17.7.2015, blz. 1.
(4) PB L 261 van 7.10.2015.
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(6) PB L 103 van 22.4.2015, blz. 1.
(7) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(8) PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Béla Kovács
PDF 164kWORD 64k
Besluit van het Europees Parlement van 14 oktober 2015 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Béla Kovács (2014/2044(IMM))
P8_TA(2015)0356A8-0291/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Béla Kovács in verband met een door het bureau van de procureur-generaal van Hongarije uit te voeren onderzoek, dat op 12 mei 2014 werd ingediend door de procureur-generaal van Hongarije, dhr. Péter Polt, en op 3 juli 2014 ter plenaire vergadering werd aangekondigd, en gezien de nadere toelichting die dhr. Polt heeft gegeven in zijn brieven d.d. 16 oktober 2014 en 23 maart 2015 en de gedachtewisseling met dhr. Polt tijdens de vergadering van de Commissie juridische zaken op 14 juli 2015,

–  na dhr. Kovács te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 4, lid 2, van de Basiswet van Hongarije, artikel 10, lid 2, en artikel 12, lid 1, van wet LVII van 2004 inzake de status van de Hongaarse leden van het Europees Parlement, en artikel 74, leden 1 en 3, van wet XXXVI van 2012 inzake de Nationale Vergadering van Hongarije,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0291/2015),

A.  overwegende dat de procureur-generaal van Hongarije een verzoek om de opheffing van de immuniteit van een lid van het Europees Parlement, Béla Kovács, heeft ingediend opdat er onderzoek kan worden gedaan, op basis van een redelijk vermoeden, om te bepalen of er beroep tegen hem kan worden ingesteld wegens spionage bij de instellingen van de Europese Unie overeenkomstig artikel 261/A van wet C van 2012 inzake het Hongaarse wetboek van strafrecht; overwegende dat elke persoon die voor een land dat niet tot de Europese Unie behoort inlichtingenactiviteiten verricht tegen het Europees Parlement, de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie strafbaar is overeenkomstig artikel 261; overwegende dat, uit hoofde van artikel 261, lid 1, elke persoon die inlichtingenactiviteiten verricht voor een buitenlandse mogendheid of buitenlandse organisatie tegen Hongarije zich schuldig maakt aan een ernstig misdrijf waarop een gevangenisstraf staat van twee tot acht jaar;

B.  overwegende dat de leden van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie op het grondgebied van hun eigen lidstaat de immuniteiten moeten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging van die lidstaat zijn verleend;

C.  overwegende dat, overeenkomstig artikel 4, lid 2, van de Basiswet van Hongarije, de nationale parlementsleden immuniteit genieten; overwegende dat, overeenkomstig artikel 10, lid 2, van wet LVII van 2004 inzake de status van de Hongaarse leden van het Europees Parlement, de leden van het Europees Parlement dezelfde immuniteit genieten als de leden van het Hongaars parlement; overwegende dat er, overeenkomstig artikel 74, lid 1, van wet XXXVI van 2012 inzake de Nationale Vergadering, uitsluitend met voorafgaande toestemming van de Nationale Vergadering een strafprocedure kan worden ingesteld of gevoerd tegen/een dwangmaatregel uit hoofde van een strafprocedure kan worden opgelegd aan een lid; overwegende dat, overeenkomstig artikel 74, lid 3, van dezelfde wet, het verzoek om opheffing van immuniteit moet worden ingediend door de procureur-generaal om het onderzoek te kunnen openen;

D.  overwegende dat het Hongaarse hooggerechtshof in zaak Bf.I.2782/2002 heeft verklaard dat de parlementaire immuniteit beperkt is tot de strafprocedure en niet geldt voor niet in het wetboek van strafvordering geregelde maatregelen gericht op het voorkomen, opsporen of aantonen van een misdrijf;

E.  overwegende dat, overeenkomstig artikel 261/A van wet C van 2012 inzake het Hongaarse wetboek van strafrecht, het strafbare feit op grond waarvan onderzoek kan worden gedaan naar Béla Kovács strafbaar is sinds 1 januari 2014;

F.  overwegende dat het onderzoek en alle daaruit voortvloeiende aanklachten op grond waarvan om de opheffing van immuniteit wordt verzocht, derhalve beperkt zijn tot gebeurtenissen die na 1 januari 2014 hebben plaatsgevonden;

G.  overwegende dat, volgens de jurisprudentie van het Hongaarse hooggerechtshof, de bewijsgaring overeenkomstig wet CXXV van 1995 inzake nationale veiligheidsdiensten vóór die datum wettig was en hiervoor geen opheffing van immuniteit was vereist;

H.  overwegende dat het strafrechtelijk onderzoek zal worden uitgevoerd door het bureau van de procureur-generaal; overwegende dat, uit hoofde van artikel 29, lid 1, van de Basiswet van Hongarije, de procureur-generaal en het parket onafhankelijk zijn, hun grondwettelijke taken onafhankelijk van externe organisaties uitvoeren en handelen onder eerbiediging van het vermoeden van onschuld;

I.  overwegende dat de opheffing van de immuniteit van Béla Kovács moet worden onderworpen aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 9, lid 6, van het Reglement;

J.  overwegende dat in het onderhavige geval voor het Parlement niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van fumus persecutionis, dat wil zeggen een voldoende ernstig en nauwkeurig vermoeden dat de procedure is ingeleid met de bedoeling het lid politieke schade toe te brengen;

1.  besluit de immuniteit van Béla Kovács op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van Hongarije en aan Béla Kovács.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T 345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C 200/07 en C 201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T 42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C 163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.


Benoeming van de algemeen directeur van het EFSI
PDF 240kWORD 60k
Besluit van het Europees Parlement van 14 oktober 2015 over het voorstel voor de benoeming van de algemeen directeur van het Europees Fonds voor strategische investeringen (C8-0304/2015 – 2015/0901(NLE))
P8_TA(2015)0357A8-0292/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van het bestuur van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) van 2 oktober 2015 voor de benoeming van zijn algemeen directeur (C8-0304/2015),

–  gezien artikel 7, lid 6, van Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 — het Europees Fonds voor strategische investeringen(1),

–  gezien zijn Reglement,

–  gezien het gezamenlijk overleg van de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0292/2015),

A.  overwegende dat in artikel 7, lid 6, van Verordening (EU) 2015/1017 wordt bepaald dat de algemeen directeur en adjunct-algemeen-directeur van het EFSI moeten worden benoemd door de Europese Investeringsbank (EIB) na goedkeuring door het Europees Parlement aan de hand van een open en transparante selectieprocedure, overeenkomstig de procedures van de EIB, waarbij het Europees Parlement in elke fase naar behoren en tijdig op de hoogte wordt gehouden;

B.  overwegende dat het bestuur van het EFSI op 2 oktober 2015 een voorstel voor de benoeming van de algemeen directeur en adjunct-algemeen-directeur van het EFSI heeft goedgekeurd en dit voorstel aan het Europees Parlement heeft toegezonden;

C.  overwegende dat de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken op 13 oktober 2015 een hoorzitting hebben gehouden met Wilhelm Molterer, de voorgestelde kandidaat voor de functie van algemeen directeur van het EFSI, waarbij hij een openingsverklaring heeft afgelegd maakt en vervolgens vragen van de commissieleden heeft beantwoord;

1.  hecht zijn goedkeuring aan de benoeming van Wilhelm Molterer tot algemeen directeur van het EFSI;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Investeringsbank en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1.


Benoeming van de adjunct-algemeen-directeur van het EFSI
PDF 241kWORD 61k
Besluit van het Europees Parlement van 14 oktober 2015 over het voorstel voor de benoeming van de adjunct-algemeen-directeur van het Europees Fonds voor strategische investeringen (C8-0305/2015 – 2015/0902(NLE))
P8_TA(2015)0358A8-0293/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van het bestuur van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) van 2 oktober 2015 voor de benoeming van de adjunct-algemeen-directeur (C8-0305/2015),

–  gezien artikel 7, lid 6, van Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 – het Europees Fonds voor strategische investeringen(1),

–  gezien zijn Reglement,

–  gezien het gezamenlijk overleg van de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0293/2015),

A.  overwegende dat overeenkomstig artikel 7, lid 6, van Verordening (EU) nr. 2015/1017 de algemeen directeur en de adjunct-algemeen-directeur van het EFSI door de Europese Centrale Bank (EIB) worden benoemd na goedkeuring door het Europees Parlement en aan de hand van een open en transparante selectieprocedure overeenkomstig de procedures van de EIB, gedurende welke het Europees Parlement in elke fase naar behoren en tijdig op de hoogte wordt gehouden;

B.  overwegende dat het bestuur van het EFSI op 2 oktober 2015 een voorstel heeft aangenomen voor de benoeming van de algemeen directeur en de adjunct-algemeen-directeur van het EFSI en dit voorstel heeft doorgezonden aan het Europees Parlement;

C.  overwegende dat de Begrotingscommissie en de Commissie economische en monetaire zaken op 13 oktober 2015 een hoorzitting hebben gehouden met Iliyana Tsanova, de voorgedragen kandidaat voor de functie van adjunct-algemeen-directeur van het EFSI, gedurende welke zij een openingswoord hield en vervolgens vragen van de commissieleden heeft beantwoord;

1.  hecht zijn goedkeuring aan de benoeming van Iliyana Tsanova voor de functie van adjunct-algemeen-directeur van het EFSI;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Investeringsbank en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1.


Op weg naar een nieuwe internationale klimaatovereenkomst in Parijs
PDF 311kWORD 123k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 oktober 2015 "Op weg naar een nieuwe internationale klimaatovereenkomst in Parijs" (2015/2112(INI))
P8_TA(2015)0359A8-0275/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto,

–  gezien de vijftiende conferentie van de partijen (COP 15) bij het UNFCCC en de vijfde conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP 5), die van 7 t/m 18 december 2009 in Kopenhagen (Denemarken) hebben plaatsgevonden, alsmede het akkoord van Kopenhagen,

–  gezien de zestiende conferentie van de partijen (COP 16) bij het UNFCCC en de zesde conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP 6), die van 29 november t/m 10 december 2010 in Cancún (Mexico) hebben plaatsgevonden, alsmede de akkoorden van Cancún,

–  gezien de zeventiende conferentie van de partijen (COP 17) bij het UNFCCC en de zevende conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP 7), die van 28 november t/m 9 december 2011 in Durban (Zuid-Afrika) hebben plaatsgevonden, en met name de besluiten die het Platform van Durban voor versterkte maatregelen omvatten,

–  gezien de achttiende conferentie van de partijen (COP 18) bij het UNFCCC en de achtste conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP 8), die van 26 t/m 8 december 2012 in Doha (Qatar) hebben plaatsgevonden, alsmede de goedkeuring van de "Doha Climate Gateway",

–  gezien de negentiende conferentie van de partijen (COP 19) bij het UNFCCC en de negende conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP 9), die van 11 t/m 23 november 2013 in Warschau (Polen) hebben plaatsgevonden, alsmede de oprichting van het internationaal mechanisme van Warschau voor schade en verlies,

–  gezien de twintigste conferentie van de partijen (COP 20) bij het UNFCCC en de tiende conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP 10), die van 1 t/m 12 december 2014 in Lima (Peru) hebben plaatsgevonden, alsmede de oproep van Lima voor klimaatmaatregelen,

–  gezien de eenentwintigste conferentie van de partijen (COP 21) bij het UNFCCC en de elfde conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP 11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs (Frankrijk) zullen plaatsvinden,

–  gezien zijn resoluties van 25 november 2009 over de EU-strategie voor de conferentie van Kopenhagen over klimaatverandering (COP 15)(1), van 10 februari 2010 over de resultaten van de conferentie van Kopenhagen over de klimaatverandering (COP 15)(2), van 25 november 2010 over de klimaatveranderingsconferentie in Cancún (COP 16)(3), van 16 november 2011 over de conferentie over klimaatverandering in Durban (COP 17)(4), van 22 november 2012 over de klimaatconferentie in Doha (Qatar) (COP 18)(5), van 23 oktober 2013 over de conferentie over klimaatverandering in Warschau, Polen (COP 19)(6) en van 26 november 2014 over de conferentie van de VN over klimaatverandering 2014 – COP 20 in Lima, Peru (COP 20)(7),

–  gezien het klimaat- en energiepakket van de EU van december 2008,

–  gezien het groenboek van de Commissie van 27 maart 2013 getiteld "Een kader voor het klimaat- en energiebeleid voor 2030" (COM(2013)0169),

–  gezien Richtlijn 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap(8),

–  gezien zijn resoluties van 4 februari 2009 getiteld "2050: De toekomst begint vandaag – aanbevelingen voor een toekomstig geïntegreerd beleid van de EU inzake klimaatverandering"(9), van 15 maart 2012 over een routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050(10) en van 5 februari 2014 over een kader voor klimaat- en energiebeleid voor 2030(11),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 februari 2015 in het kader van het pakket energie-unie, getiteld "Het Protocol van Parijs – Een blauwdruk om de wereldwijde klimaatverandering na 2020 tegen te gaan" (COM(2015)0081),

–  gezien de EU-strategie inzake de aanpassing aan de klimaatverandering van april 2013 en het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie,

–  gezien het samenvattende verslag van het milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) van november 2014 getiteld "The Emissions Gap Report 2014" en het verslag van de UNEP van 2014 over de aanpassingskloof,

–  gezien de verklaring van de leiders op de G7-top van 7-8 juni 2015 in Schloss Elmau (Duitsland), waarin zij herhaalden zich te willen houden aan hun verbintenis om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 met 40 % à 70 % te verminderen ten opzichte van 2010, waarbij de reductie eerder in de richting van 70 % dan 40 % moet gaan;

–  gezien de verslagen van de Wereldbank getiteld "Turn Down the Heat: Why a 4 °C Warmer World Must be Avoided", "Turn Down the Heat: Climate Extremes, Regional Impacts, and the Case for Resilience" en "Climate-Smart Development: Adding up the Benefits of Climate Action",

–  gezien het verslag van de Wereldcommissie voor economie en klimaat getiteld "Better Growth, Better Climate: The New Climate Economy Report",

–  gezien de encycliek "Laudato si";

–  gezien het vijfde evaluatieverslag (AR5) van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) en het samenvattend verslag,

–  gezien de voorgenomen nationaal vastgestelde bijdragen (INDC's) van de EU en haar lidstaten, die Letland en de Europese Commissie op 6 maart 2015 bij het UNFCCC hebben ingediend,

–  gezien de verklaring van New York inzake bossen tijdens de klimaattop van de VN in september 2014,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "De uitdagingen van ontbossing en aantasting van bossen aangaan om de klimaatverandering en het verlies aan biodiversiteit aan te pakken" (COM(2008)0645),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie vervoer en toerisme (A8-0275/2015),

A.  overwegende dat de klimaatverandering een urgente en mogelijk onomkeerbare mondiale bedreiging vormt voor de samenleving en de biosfeer, en daarom op internationaal niveau moet worden aangepakt door alle partijen;

B.  overwegende dat uit de in het AR5 van de IPCC van 2014 gepresenteerde wetenschappelijke bewijzen blijkt dat de opwarming van het klimaatsysteem onmiskenbaar is, dat er klimaatverandering optreedt, dat menselijke activiteiten de belangrijkste oorzaak zijn voor de waargenomen opwarming sinds het midden van de twintigste eeuw, en dat de wijdverbreide en substantiële effecten van de klimaatverandering reeds duidelijk waarneembaar zijn in natuurlijke en menselijke systemen op alle continenten en in de oceanen;

C.  overwegende dat de EU in het kader van het Protocol van Kyoto haar emissies tussen 1990 en 2013 met 19 % heeft verlaagd, terwijl haar bbp in die tijd met ruim 45 % is toegenomen; overwegende dat de mondiale emissies tussen 1990 en 2013 met meer dan 50 % zijn toegenomen;

D.  overwegende dat uit de laatste resultaten van de National Oceanic and Atmospheric Administration (NOAA) blijkt dat de maandelijkse gemiddelde wereldwijde CO2‑concentratie in de atmosfeer in maart 2015 voor de eerste keer sinds de metingen zijn begonnen, meer dan 400 deeltjes per miljoen bedroeg;

E.  overwegende dat in het verslag van het UNEP van 2014 over de aanpassingskloof wordt gewezen op de enorme kosten van niets doen en wordt geconcludeerd dat de kosten voor aanpassing aan de klimaatverandering in de ontwikkelingslanden tegen 2050 waarschijnlijk twee- à driemaal hoger zullen zijn dan de eerdere schattingen van 70 à 100 miljard USD per jaar, wat na 2020 tot een aanzienlijk financieringstekort zal leiden, tenzij er nieuwe en extra financiële middelen voor aanpassing worden uitgetrokken;

F.  overwegende dat de uitdaging van de financiering van klimaatmaatregelen onlosmakelijk verbonden is met de bredere uitdagingen van de financiering van duurzame mondiale ontwikkeling;

G.  overwegende dat klimaatverandering de concurrentie om middelen zoals voedsel, water en weidegronden kan vergroten, en in de niet al te verre toekomst zou kunnen uitgroeien tot de grootste drijfveer achter volksverhuizingen, zowel binnen als buiten de nationale grenzen;

H.  overwegende dat de partijen tijdens de klimaatconferentie van Doha in december 2012 een wijziging van het protocol hebben goedgekeurd met daarin een tweede verbintenisperiode in het kader van het Kyotoprotocol, die ingaat op 1 januari 2013 en eindigt op 31 december 2020, met wettelijk bindende emissiereductieverbintenissen, de opname van een nieuw gas (stikstoftrifluoride), een "ambitiemechanisme", dat voorziet in een vereenvoudigde procedure waarmee een partij haar verbintenis kan aanpassen door de ambities tijdens de verbintenisperiode te verhogen, en tot slot een bepaling op grond waarvan de doelstelling van een partij automatisch wordt aangepast om te voorkomen dat haar uitstoot in de periode 2013-2020 tot boven de gemiddelde uitstoot in de periode 2008-2010 stijgt;

I.  overwegende dat de partijen van het UNFCCC tijdens de COP 18 (ingevolge Besluit 23/CP.18) hebben besloten te streven naar genderevenwicht binnen instanties die zijn opgericht krachtens het klimaatverdrag en het Protocol van Kyoto, teneinde de participatie van vrouwen te verbeteren, te komen tot een doeltreffender klimaatveranderingsbeleid dat evenzeer tegemoetkomt aan de behoeften van vrouwen als aan die van mannen, en te monitoren hoeveel vooruitgang er met de bevordering van een genderbewust klimaatbeleid is geboekt in de richting van de doelstelling van genderevenwicht;

J.  overwegende dat de strijd tegen de klimaatopwarming niet mag worden gezien als een obstakel bij het streven naar economische groei, maar integendeel moet worden gezien als een hefboom bij het realiseren van nieuwe en duurzame economische groei en werkgelegenheid;

K.  overwegende dat de EU tot dusver een voortrekkersrol heeft gespeeld bij het beperken van de klimaatopwarming en dit zal blijven doen in de aanloop naar een nieuwe internationale klimaatovereenkomst in Parijs eind 2015; vraagt dat deze ambitie wordt geëvenaard door andere landen die grote hoeveelheden uitstoten;

Dringende behoefte aan wereldwijde maatregelen

1.  erkent de buitengewone omvang en ernst van de door de klimaatverandering veroorzaakte dreigingen, en is uiterst bezorgd over het feit dat de wereld helemaal niet op koers ligt om de opwarming van de aarde te beperken tot 2 °C boven het pre-industriële niveau; vraagt de regeringen onverwijld bindende en concrete maatregelen te treffen om de klimaatverandering tegen te gaan en daartoe in 2015 in Parijs een ambitieuze en juridisch bindende wereldwijde overeenkomst te sluiten;

2.  merkt op dat de bevindingen van het vijfde evaluatieverslag van de IPCC het wereldwijde koolstofbudget dat na 2011 beschikbaar is en een reële kans biedt om de stijging van de gemiddelde mondiale temperatuur tot 2 °C boven het pre-industriële niveau te beperken, 1 010 gigaton CO2 bedraagt; benadrukt dat alle landen een bijdrage moeten leveren en dat uitstel van te nemen maatregelen de kosten zal doen stijgen en het aantal opties zal beperken; onderstreept de bevindingen van het verslag "Better Growth, Better Climate: The New Climate Economy Report", waarin staat dat alle landen, ongeacht hun inkomensniveau, de kans hebben om duurzame economische groei te verwezenlijken en tegelijkertijd de enorme risico's van klimaatverandering te verminderen; beveelt aan dat overeenkomsten en conventies moeten beogen de EU-toetredingslanden bij de klimaatprogramma's van de EU te betrekken;

3.  herinnert eraan dat de beperking van de stijging van de mondiale temperatuur met gemiddeld 2 °C geen garantie biedt dat aanzienlijke negatieve invloeden op het klimaat zullen worden voorkomen; vraagt de conferentie van partijen de mogelijkheid te overwegen om de stijging van de mondiale temperatuur te beperken tot gemiddeld 1,5 °C;

4.  merkt op dat in de bevindingen van het vijfde evaluatieverslag van de IPCC wordt geconcludeerd dat zelfs de volledige stopzetting van de koolstofemissies van de geïndustrialiseerde landen er niet voor zal zorgen dat de doelstelling van een maximale stijging van 2 °C wordt verwezenlijkt zonder significante nieuwe verbintenissen van ontwikkelingslanden;

5.  acht het van essentieel belang dat alle landen hun INDC's onverwijld indienen teneinde een stimulerend effect teweeg te brengen en aan te tonen dat alle lidstaten, rekening houdend met hun nationale omstandigheden, dezelfde kant opgaan; is van mening dat deze INDC's tevens actieplannen voor aanpassing kunnen bevatten, aangezien die plannen voor veel landen prioriteit hebben;

6.  onderkent het cruciale belang van een stabiel klimaatsysteem voor voedselveiligheid, energieproductie, water en sanitaire voorzieningen, infrastructuur, de instandhouding van biodiversiteit en terrestrische en mariene ecosystemen, en voor vrede en welvaart in de wereld; herinnert eraan dat de klimaatverandering het verlies aan biodiversiteit versnelt; is bijgevolg verheugd over de encycliek "Laudato si";

7.  is verheugd over de verbintenis van de G7 om de mondiale economie in de loop van de eeuw koolstofarm te maken en de energiesector tegen 2050 om te vormen; herinnert er echter aan dat de economie veel eerder koolstofarm moet worden gemaakt als we rekening houden met de wetenschappelijke bevindingen en een reële kans willen maken om de temperatuurstijging onder 2 °C te houden; vraagt alle partijen die in de gelegenheid zijn dit te doen, hun nationale decarbonisatiedoelstellingen en ‑strategieën uit te voeren door prioriteit te geven aan het afbouwen van de emissies van steenkool als meest vervuilende energiebron;

8.  wijst erop dat landen die niet de nodige capaciteit hebben om hun nationale bijdrage op te stellen, gebruik kunnen maken van steunmechanismen zoals het Wereldmilieufonds, het Ontwikkelingsprogramma van de VN en het Wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering, alsmede van EU-steun;

Een ambitieuze, wereldwijde en juridisch bindende overeenkomst

9.  benadrukt dat het protocol van 2015 van meet af aan, reeds bij de sluiting ervan in Parijs, juridisch bindend en ambitieus moet zijn en moet beogen dat de wereldwijde koolstofemissies tegen 2050 of kort daarna worden uitgefaseerd, zodat de wereld op een kosteneffectief emissietraject blijft dat verenigbaar is met de doelstelling van minder dan 2 °C, en dat de piek van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen zo snel mogelijk wordt bereikt; vraagt de EU daartoe met haar internationale partners samen te werken en voorbeelden van good practices te tonen; onderstreept dat de overeenkomst een voorspelbaar kader moet bieden waarmee investeringen worden aangemoedigd, evenals een inschaling per bedrijf van efficiënte koolstofreductie en aanpassingstechnologieën;

10.  waarschuwt tegen mondiale emissiereductietrajecten die in 2050 en daarna nog altijd een aanzienlijke koolstofuitstoot toestaan, aangezien dit grotere risico's met zich meebrengt en afhankelijk is van niet-bewezen, energie-intensieve en dure technologie om CO2 uit de atmosfeer te verwijderen en op te slaan; merkt op dat, afhankelijk van de mate van overschrijding, het vermogen van dergelijke emissiereductietrajecten om de klimaatverandering onder 2 °C te houden, in grote mate verband houdt met de beschikbaarheid en wijdverbreide inzet van biomassa-energie met koolstofafvang en ‑opslag en de aanplanting van bomen zonder aannemelijke beschikbaarheid van grond, evenals het gebruik van andere nog niet bekende, nog te ontwikkelen technologie voor de verwijdering van koolstofdioxide;

11.  is van mening dat een ambitieuze en juridisch bindende internationale overeenkomst koolstoflekkage en de problemen met het concurrentievermogen van de betrokken sectoren, met name de energie-intensieve sectoren, kan helpen tegengaan;

12.  is van mening dat er, als er een kloof is tussen de ambitie van het totale effect van de in de aanloop naar Parijs gepresenteerde INDC's en de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen die nodig is om de temperaturen tot 2 °C boven het pre-industriële niveau te beperken, een werkprogramma zal moeten worden opgesteld, dat in 2016 van start gaat, om de aanvullende reductiemaatregelen vast te stellen; vraagt om een alomvattend evaluatieproces dat om de vijf jaar plaatsvindt, de dynamiek van het ten uitvoer gelegde mechanisme garandeert en de reductieverbintenissen ambitieuzer maakt in overeenstemming met de recentste wetenschappelijke gegevens; vraagt de partijen juridisch bindende verbintenisperiodes van vijf jaar te steunen, die de meest geschikte keuze zijn om te voorkomen dat de ambitie op een laag niveau blijft steken en om ervoor te zorgen dat er meer politieke verantwoording wordt afgelegd en dat de streefcijfers kunnen worden herzien om ze in overeenstemming te brengen met de wetenschap of met nieuwe technische kennis die een hoger ambitieniveau mogelijk maakt;

13.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat uit de eerst analyse van de geaggregeerde impact van de tot nog toe ingediende INDC's blijkt dat de momenteel niet-herziene INDC's zouden leiden tot een stijging van de gemiddelde mondiale temperatuur van 2,7 ° tot 3,5 °C; vraagt de partijen op de CoP in Parijs tot overeenstemming te komen om de huidige INDC's te herzien voor 2020 om ze op lijn te brengen met de laatste wetenschappelijke evaluaties en een veilig wereldwijd koolstofbudget dat verenigbaar is met de doelstelling van minder dan 2 °C;

14.  vraagt om een nieuwe algemene impuls voor het klimaatbeleid van de EU, waarmee nieuwe vaart kan worden gegeven aan de internationale klimaatbesprekingen, overeenkomstig de bovengrens van de verbintenis van de EU om haar broeikasgasemissies tegen 2050 te verlagen tot 80 à 95 % onder het niveau van 1990; neemt nota van de bindende EU-doelstelling om de broeikasgasemissies tegen 2030 met 40 % te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990; vraagt de lidstaten aanvullende verbintenissen te overwegen die voortbouwen op de overeengekomen doelstelling voor 2030, met inbegrip van maatregelen buiten de EU, om de wereld in staat te stellen de doelstelling van minder dan 2 °C te realiseren;

15.  herinnert aan zijn resolutie van 5 februari 2014, waarin het drie bindende doelstellingen bepleit, namelijk een energie-efficiëntiedoelstelling van 40 %, een doelstelling voor hernieuwbare energiebronnen van ten minste 30 % en een broeikasgasemissiereductiedoelstelling van ten minste 40 %, en verzoekt de Raad en de Commissie nogmaals als onderdeel van het EU-kader voor het klimaat- en energiebeleid voor 2030, een meerledige benadering aan te nemen en ten uitvoer te leggen die gebaseerd is op elkaar wederzijds versterkende, gecoördineerde en coherente doelstellingen inzake broeikasgasemissiereductie, meer hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie; merkt op dat de doelstellingen voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen waarvoor het Parlement pleit, zouden leiden tot een veel grotere broeikasgasemissiereductie dan 40 % tegen 2030;

16.  onderstreept de noodzaak van een doeltreffende nalevingsregeling die krachtens de overeenkomst van 2015 van toepassing is op alle partijen; benadrukt dat de overeenkomst van 2015 transparantie en verantwoordingsplicht moet bevorderen door middel van een gemeenschappelijk, op regels gebaseerd stelsel waarvan ook boekhoudregels en regelingen inzake toezicht, verslaglegging en verificatie deel uitmaken; is van mening dat het systeem voor transparantie en verantwoording ontwikkeld moet worden op basis van geleidelijke convergentie;

17.  benadrukt dat de mensenrechten centraal moeten blijven staan in het klimaatbeleid, en dringt erop aan dat de Commissie en de lidstaten erop toezien dat de overeenkomst van Parijs de nodige bepalingen bevat om de mensenrechtendimensie van de klimaatverandering aan te pakken en steun te verlenen aan armere landen waarvan de capaciteiten onder druk komen te staan door de gevolgen van de klimaatverandering; eist in dit verband dat de rechten van plaatselijke gemeenschappen en inheemse volkeren die bijzonder kwetsbaar zijn voor de schadelijke effecten van klimaatverandering, volledig worden geëerbiedigd;

18.  vraagt de Commissie en de lidstaten met klem ervoor te zorgen dat in de overeenkomst van Parijs wordt erkend dat de eerbiediging, bescherming en bevordering van de mensenrechten, waaronder gendergelijkheid, gelijke en gelijkwaardige deelname van vrouwen, alsmede de actieve bevordering van een rechtvaardige transitie voor de arbeiders, met waardig werk en kwaliteitsvolle banen voor iedereen, voorwaarden zijn voor een doeltreffend mondiaal klimaatbeleid;

Ambities voor de periode tot 2020 en het Protocol van Kyoto

19.  benadrukt met name dat er dringend vooruitgang moet worden geboekt bij het dichten van de "gigatonkloof" die gaapt tussen de wetenschappelijke analyses en de huidige toezeggingen van de partijen voor de periode tot 2020; onderstreept dat er om de gigatonkloof te helpen dichten, ook andere beleidsmaatregelen een belangrijke rol spelen en een gezamenlijke inspanning vergen, zoals energie-efficiëntie, aanzienlijke energiebesparingen, hernieuwbare energie, hulpbronnenefficiëntie, het uitfaseren van fluorkoolwaterstoffen, duurzame productie en consumptie, het uitfaseren van subsidies voor fossiele brandstoffen, met inbegrip van exportfinanciering voor kolencentraletechnologie, en een breder gebruik van CO2-heffingen;

20.  merkt op dat de EU goed op koers ligt om te voldoen aan de doelstellingen voor 2020 inzake broeikasgasemissiereductie en hernieuwbare energiebronnen, en dat er inzake energie-intensiteit aanzienlijke verbeteringen zijn gerealiseerd dankzij efficiëntere gebouwen, producten, industriële processen en voertuigen, en dat terwijl de Europese economie sinds 1990 met 45 % is gegroeid; benadrukt dat de 20/20/20-streefcijfers voor broeikasgasemissies, hernieuwbare energie en energiebesparingen krachtige aanjagers van deze vooruitgang zijn gebleken en aan de basis liggen van duurzame werkgelegenheid voor meer dan 4,2 miljoen mensen in diverse ecobedrijfstakken(12), met gestage groei tijdens de economische crisis;

21.  vraagt de Commissie en de lidstaten de laatste prognoses voor broeikasgasemissies voor de periode tot 2020 in te dienen bij het secretariaat van het UNFCCC en aan te kondigen dat de EU haar doelstellingen voor de reductie van de broeikasgasemissies tegen 2020 met ten minste 2 gigaton zal overtreffen;

22.  maakt duidelijk dat de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto weliswaar niet zo lang is, maar toch moet worden gezien als een belangrijke tussenstap, en verzoekt daarom de partijen, waaronder de EU-lidstaten, om het ratificatieproces zo snel mogelijk en in ieder geval niet later dan in december 2015 te voltooien; merkt op dat het Europees Parlement zijn rol heeft vervuld door zijn goedkeuring te geven, en dat inspraak van het maatschappelijk middenveld en transparantie nodig zijn om de onderhandelingen beter te helpen begrijpen en vertrouwen tussen alle partijen te creëren in de aanloop naar de conferentie van Parijs;

Een agenda met oplossingen

23.  vraagt de EU en de lidstaten met alle actoren van het maatschappelijk middenveld (instellingen, particuliere sector, ngo's en lokale gemeenschappen) samen te werken om reductie-initiatieven te ontwikkelen in belangrijke sectoren (energie, technologie, steden, vervoer enz.), alsook initiatieven met betrekking tot aanpassing en veerkracht, zodat het hoofd kan worden geboden aan aanpassingsproblemen, met wat de toegang tot water, voedselzekerheid en risicopreventie betreft; verzoekt alle overheden en alle actoren van het maatschappelijk middenveld om deze agenda met actiepunten te ondersteunen en te versterken;

24.  benadrukt dat een steeds grotere verscheidenheid aan niet-overheidsactoren actie onderneemt om de economie koolstofarm te maken en beter bestand te maken tegen klimaatverandering; benadrukt het belang van een structurele en constructieve dialoog tussen overheden, bedrijfsleven, steden, regio's, internationale organisaties, internationale organisaties, maatschappelijk middenveld en academische instellingen, teneinde stevige, wereldwijde maatregelen te nemen om samenlevingen koolstofarm en veerkrachtig te maken; benadrukt hun rol bij het creëren van dynamiek voorafgaand aan Parijs en voor de actieagenda Lima-Parijs; merkt in dit kader op dat het actieplan Lima-Parijs initiatiefnemers stimuleert om hun werkzaamheden versneld uit te voeren en tijdens de conferentie van Parijs verslag uit te komen brengen van de eerste resultaten die zij hebben bereikt;

25.  moedigt de invoering van regelingen aan die deze dynamiek van oplossingen stimuleren, zoals de certificering van innovatieve projecten van het maatschappelijk middenveld;

26.  merkt op dat de bio-economie aanzienlijk kan bijdragen tot de herindustrialisering en het creëren van nieuwe banen in de EU en de rest van de wereld;

27.  wijst erop dat het streven naar een circulaire economie significant kan bijdragen aan het behalen van de doelstellingen, door het tegengaan van voedselverspilling en het hergebruik van grondstoffen;

28.  herinnert de partijen en de VN zelf eraan dat individuele acties even belangrijk zijn als maatregelen van overheden en instellingen; vraagt daarom om meer bewustmakings- en voorlichtingscampagnes voor de bevolking over de kleine en grote gebaren die kunnen bijdragen aan de bestrijding van de klimaatverandering in de ontwikkelde landen en de ontwikkelingslanden;

29.  vraagt ook het bedrijfsleven zijn verantwoordelijkheid op zich te nemen en het klimaatakkoord – ook vooraf – actief te steunen;

Een alomvattende inspanning van alle sectoren

30.  is verheugd dat in de hele wereld emissiehandelssystemen worden ontwikkeld, waaronder zeventien handelssystemen die op vier continenten actief zijn en samen 40 % van het mondiale bnp vertegenwoordigen, en die de wereldwijde emissies op een kosteneffectieve manier helpen verminderen; moedigt de Commissie ertoe aan koppelingen tussen de EU-ETS en andere emissiehandelssystemen te bevorderen om internationale koolstofmarktmechanismen tot stand te brengen, met als doel de klimaatambities te vergroten en tegelijk het risico van koolstoflekkage te helpen beperken door een gelijk speelveld te creëren; verzoekt de Commissie evenwel waarborgen in te bouwen zodat het koppelen van de EU-ETS aan andere systemen de klimaatdoelstellingen van de EU en het toepassingsgebied van de EU-ETS niet uitholt; vraagt dat er regels voor de totstandbrenging van die koolstofmarktmechanismen worden opgesteld, waaronder boekhoudregels en regels die ervoor zorgen dat de internationale markten en de koppelingen tussen binnenlandse koolstofmarkten permanente mitigatiebijdragen opleveren en de eigen reductiedoelstellingen van de EU niet uithollen;

31.  benadrukt dat er moet worden gezorgd voor een voorspelbaar regelgevingsklimaat waarin investeringen worden gericht op maatregelen om de broeikasgasemissies te verminderen en de overgang naar een koolstofarme economie te bevorderen;

32.  vraagt om een overeenkomst die alle sectoren en emissies omvat en absolute streefcijfers voor de hele economie vaststelt, in combinatie met emissiebudgetten, zodat het ambitieniveau zo hoog mogelijk is; benadrukt dat volgens de bevindingen van de IPCC landgebruik (landbouw, veeteelt, bosbouw en andere vormen van landgebruik) een aanzienlijk kosteneffectief potentieel heeft als het gaat om mitigatie en het vergroten van de veerkracht, en dat er meer internationale samenwerking nodig is om het koolstofopslagpotentieel van bossen en drassig land te optimaliseren; wijst erop dat de overeenkomst moet voorzien in een omvattend boekhoudkundig kader voor emissies en verwijderingen door landgebruik (LULUCF); onderstreept met name dat mitigatie- en aanpassingsmaatregelen op het gebied van grondbestemming gemeenschappelijke doelstellingen voor ogen moeten hebben en niet in de weg mogen staan van andere duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen;

33.  merkt op dat ontbossing en aantasting van de bossen verantwoordelijk zijn voor 20 % van de mondiale broeikasgasemissies, en benadrukt de rol van bossen bij de mitigatie van klimaatverandering en de noodzaak om de aanpassingscapaciteiten en de veerkracht van bossen ten aanzien van klimaatverandering te verbeteren; roept de EU op te blijven streven naar verwezenlijking van haar doelstelling om het mondiale verlies aan bebossing tegen 2030 te hebben stopgezet en in ieder geval tegen 2020 een halvering van de ontbossing in de tropen te hebben bereikt, afgezet tegen het niveau van 2008; onderstreept dat de verwezenlijking van deze verbintenissen, samen met het herstel van 350 miljoen hectare bos, waartoe is opgeroepen in de verklaring van New York over bossen, kan leiden tot een reductie van de hoeveelheid CO2 met 4,5 à 8,8 miljard ton per jaar tegen 2030; onderstreept dat de verwezenlijking van de doelstelling van minder dan 2 °C onmogelijk lijkt zonder aanzienlijke nieuwe mitigatie-inspanningen in de tropische bosbouwsector (REDD+); vraagt de EU voorts om de internationale financiering voor het tegengaan van de ontbossing in ontwikkelingslanden te verhogen;

34.  neemt nota van de doelmatigheid van de bestaande mitigatiemechanismen in het kader van REDD+ en moedigt de EU-lidstaten aan deze op te nemen in hun inspanningen ter beperking van de klimaatverandering; vraagt de EU-lidstaten vrijwillige internationale mitigatiepartnerschappen aan te gaan met ontwikkelingslanden die in het bijzonder getroffen worden door tropische ontbossing, met het oog op het bieden van financiële of technische ondersteuning om de ontbossing een halt toe te roepen door beleidsmaatregelen voor duurzaam landgebruik en bestuurlijke hervormingen; vraagt de Commissie voorts krachtige maatregelen voor te stellen om de invoer in de EU van goederen die afkomstig zijn van illegale ontbossing, een halt toe te roepen; wijst op de rol van het bedrijfsleven bij het elimineren van de vraag naar goederen die afkomstig zijn van illegale ontbossing;

35.  brengt in herinnering dat vervoer de op één na grootste sector is qua uitstoot van broeikasgassen; wijst met klem op de noodzaak om een reeks beleidsmaatregelen te nemen die zijn gericht op een lagere uitstoot van deze sector; herhaalt dat de partijen bij het UNFCCC dringend actie moeten ondernemen om de emissies van het internationale lucht- en zeevervoer op adequate wijze te reguleren; roept alle partijen op om via de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) te werken aan het creëren van een mondiaal beleidskader op grond waarvan doelmatig kan worden gereageerd, en maatregelen te nemen om vóór eind 2016 passende doelstellingen vast te stellen om de nodige vermindering met het oog op het streefcijfer van 2 °C te kunnen halen;

36.  verzoekt de Commissie de partijen bij de COP 21-conferentie bij de vaststelling van hun nationale bijdragen te steunen en haar deskundigheid ter beschikking te stellen, en hen beter bewust te maken van de rol van de vervoersector bij de vaststelling van omvattende strategieën om de broeikasgasemissies te verminderen;

37.  wijst erop dat zowel kortetermijnstrategieën als langetermijnstrategieën voor mitigatie in de vervoersector van cruciaal belang zijn als de EU haar vergaande ambities op het vlak van broeikasgasemissiereductie wil verwezenlijken;

38.  wijst erop dat rekening moet worden gehouden met de specifieke situatie van eilandgebieden en ultraperifere gebieden, om ervoor te zorgen dat de milieuprestaties geen gevolgen hebben voor de mobiliteit in en de toegankelijkheid van deze gebieden in het bijzonder;

39.  is van mening dat de algemene klimaatdoelstellingen onmogelijk verwezenlijkt kunnen worden als er niet meer nadruk wordt gelegd op de verlaging van de emissies van de vervoersector, aangezien dat de enige sector is waarin de broeikasgasemissies blijven stijgen (met 30 % in de afgelopen 25 jaar); benadrukt dat dit alleen bereikt kan worden met bindende doelstellingen voor broeikasgasemissiereductie, in combinatie met de volledige integratie van hernieuwbare energie in de markt, een technologisch neutrale aanpak van de overstap naar een koolstofarme economie, en een volledig geïntegreerd vervoers- en investeringsbeleid dat zowel modal shift als technologische vooruitgang en verkeersvermijdingbeleid (bv. groene logistiek en geïntegreerd mobiliteitsbeheer) omvat;

40.  wijst erop dat ruim de helft van de wereldbevolking thans in steden leeft en dat stedelijk vervoer een belangrijke bijdrage levert aan de broeikasgasemissies van de vervoersector; dringt er derhalve bij de Commissie en de lidstaten op aan actief aan bewustmaking te doen over de rol van duurzame stedelijke mobiliteit bij het nakomen van de mitigatieverplichtingen; benadrukt dat verantwoord grondgebruik, goede planning en duurzame vervoersoplossingen in stedelijke gebieden op efficiënte wijze bijdragen aan het doel van verlaging van de CO2-emissies;

41.  benadrukt dat er in de vervoersector een goede energiemix nodig is, die kan worden bereikt door het bevorderen van alternatieve voertuigen die op aardgas en biogas rijden, en alle beleidsmaatregelen ter versterking van duurzame vervoerswijzen, zoals de elektrificatie van het vervoer en het gebruik van intelligente vervoerssystemen; benadrukt dat de nadruk moet worden gelegd op treinen, trams, elektrische bussen, elektrische auto's en elektrische fietsen, dat rekening moet worden gehouden met de hele levenscyclus, en dat er moet worden gestreefd naar het volledig benutten van hernieuwbare energiebronnen; spoort lokale openbaarvervoersautoriteiten en vervoersmaatschappijen ertoe aan een voortrekkersrol te spelen bij de introductie van koolstofarme voertuigen en technologie;

42.  wijst op de enorme mogelijkheden om de emissies terug te dringen door meer energie-efficiëntie en het gebruik van schone energie; is van mening dat het maximaliseren van de efficiëntie van het energieverbruik in de wereld de eerste stap is op weg naar het beperken van energiegerelateerde emissies, terwijl zo tegelijkertijd wordt bijgedragen tot het verlichten van de energie-armoede;

43.  onderstreept dat niets doen ernstige negatieve en vaak onomkeerbare gevolgen heeft, omdat de klimaatverandering alle regio's van de wereld op een andere manier treft maar altijd schade aanricht, met migratiestromen, verlies van mensenlevens en economische, ecologische en maatschappelijke schade als gevolg; wijst op het belang van wetenschappelijke bevindingen als oriëntatie voor de beleidskeuzes voor de lange termijn en onderstreept dat de mate van ambitie op solide wetenschappelijke aanbevelingen gebaseerd moet zijn; onderstreept dat een gezamenlijke wereldwijde politieke en financiële aanzet tot onderzoek, ontwikkeling en innovatie op het gebied van schone en hernieuwbare energietechnologie en energie-efficiëntie van cruciaal belang is om onze klimaatdoelstellingen te bereiken en groei te bevorderen;

44.  vraagt de EU zich actiever in te zetten voor de mondiale uitfasering van fluorkoolwaterstoffen in het kader van het protocol van Montreal; herinnert eraan dat de EU ambitieuze regelgeving heeft vastgesteld waarin is bepaald dat het gebruik van fluorkoolwaterstoffen tegen 2030 met 79 % moet worden verminderd, aangezien klimaatvriendelijke alternatieven ruimschoots beschikbaar zijn en het potentieel daarvan volledig moet worden benut; merkt op dat het uitfaseren van het gebruik van fluorkoolwaterstoffen met het oog op mitigatiemaatregelen in en buiten de EU een gemakkelijk te verwezenlijken doel is, en vraagt de EU zich actief in te zetten voor mondiale maatregelen op het gebied van fluorkoolwaterstoffen;

Wetenschappelijk onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie

45.  is van mening dat uitbreiding van het gebruik van schone-energietechnologie waar die het grootste effect sorteert, afhankelijk is van het opbouwen en in stand houden van een sterke innovatiecapaciteit in zowel ontwikkelde als opkomende landen;

46.  wijst erop dat het stimuleren van innovatie op het gebied van technologie en bedrijfsmodellen een drijvende kracht kan zijn achter zowel economische groei als emissiereductie; benadrukt dat technologie niet automatisch leidt tot minder koolstofuitstoot, maar dat daartoe duidelijke beleidssignalen nodig zijn, zoals het wegnemen van markt- en regelgevingsbelemmeringen voor nieuwe technologieën en bedrijfsmodellen, alsmede gerichte overheidsuitgaven; moedigt de lidstaten aan om hun overheidsinvesteringen in onderzoek en ontwikkeling in de energiesector op te voeren om te helpen de volgende golf van hulpbronnenefficiënte koolstofarme technologie mogelijk te maken;

47.  erkent het belang van onderzoek en innovatie in de strijd tegen de klimaatverandering en verzoekt de partijen alles in het werk te stellen om onderzoekers te steunen en de nieuwe technologieën te stimuleren die kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van de vast te stellen reductiedoelstellingen en tot de maatregelen voor mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering;

48.  moedigt de Commissie aan om beter te profiteren van het feit dat het Horizon 2020-programma volledig openstaat voor de deelname van derde landen, met name op het gebied van energie en klimaatverandering;

49.  is van mening dat het ruimtevaartbeleid van de EU en de investeringen in dit beleid, met inbegrip van de lancering van satellieten, die een belangrijke rol spelen bij de monitoring van industriële ongevallen, ontbossing, woestijnvorming enz., en de samenwerking met partners in derde landen een belangrijke rol kunnen spelen bij de wereldwijde monitoring en aanpak van de gevolgen van klimaatverandering;

50.  benadrukt dat de EU meer inspanningen moet leveren ten aanzien van de overdracht van technologie aan de minst ontwikkelde landen, onder eerbiediging van de bestaande intellectuele-eigendomsrechten;

51.  verzoekt om volledige erkenning en ondersteuning van de rol van het Centrum en netwerk voor klimaattechnologie (CTCN) en het Technisch uitvoerend comité op het gebied van het faciliteren van technologische ontwikkeling voor de mitigatie van klimaatverandering en de aanpassing aan de gevolgen ervan;

52.  is verheugd over de inspanningen op het gebied van samenwerking tussen de EU en het Amerikaanse Ministerie van Energie, met name ten aanzien van onderzoek naar technologieën met betrekking tot klimaatverandering; is van mening dat er veel mogelijkheden zijn voor verdere samenwerking op het gebied van onderzoek tussen de EU en andere belangrijke economieën; onderstreept dat de resultaten van door de overheid gefinancierd onderzoek gratis beschikbaar moeten worden gemaakt;

53.  wijst erop dat het gebruik van ruimte-infrastructuur moet worden overwogen bij de uitvoering van maatregelen voor mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering, met name in de vorm van controle en toezicht op broeikasgasemissies; vraagt de Commissie actief bij te dragen aan een mondiaal systeem voor toezicht op CO2 en CH4; roept de Commissie op meer te doen voor de ontwikkeling van een EU-systeem om broeikasgasemissies op autonome en onafhankelijke wijze te meten met behulp en onder uitbreiding van de missies van het Copernicus-programma;

Financiering van klimaatmaatregelen: een hoeksteen van de overeenkomst van Parijs

54.  meent dat de uitvoeringsmiddelen – waaronder klimaatfinanciering, technologieoverdracht en capaciteitsopbouw – essentieel zullen zijn om op de conferentie van Parijs tot een overeenkomst te komen, en vraagt de EU en de andere landen daarom een geloofwaardig "financieringspakket" voor zowel de periode vóór 2020 als de periode na 2020 te ontwikkelen ter ondersteuning van grotere inspanningen inzake broeikasgasemissiereductie, bosbescherming en aanpassing aan de gevolgen van de klimaatverandering; vraagt dat klimaatfinanciering in de overeenkomst wordt opgenomen als dynamisch element dat bij de veranderende milieu- en economische realiteit aansluit en dat de grotere ambitie van de mitigatiebijdragen en aanpassingsmaatregelen ondersteunt; vraagt daarom alle partijen die daartoe in staat zijn, bij te dragen aan de klimaatfinanciering;

55.  verzoekt de EU en haar lidstaten een routekaart af te spreken voor meer, voorspelbare, nieuwe en aanvullende financiering, overeenkomstig de bestaande verbintenissen, om tegen 2020 te komen tot een billijk EU-aandeel in het algeheel beoogde bedrag van 100 miljard USD per jaar uit een combinatie van publieke en private bronnen, en iets te doen aan de wanverhouding tussen de middelen die worden uitgetrokken voor mitigatie en aanpassing; vraagt de EU alle landen aan te moedigen om een billijk aandeel in de klimaatfinanciering te leveren; vraagt om een degelijk toezicht- en verantwoordingskader met het oog op een effectieve follow-up van de uitvoering van de verbintenissen en doelstellingen inzake klimaatfinanciering; herinnert eraan dat naarmate er meer middelen voor klimaatfinanciering uit de begrotingen voor ontwikkelingshulp worden bijgedragen, de totale begroting voor ontwikkelingshulp in ieder geval met hetzelfde percentage moet worden verhoogd als eerste stap in de richting van volledige additionaliteit;

56.  vraagt om concrete toezeggingen op EU- en internationaal niveau om in aanvullende bronnen van klimaatfinanciering te voorzien, onder meer door tussen 2012 en 2030 een deel van de emissierechten uit het EU-ETS te reserveren en door inkomsten uit EU- en internationale maatregelen inzake de emissies van de lucht- en zeevaart toe te wijzen aan internationale klimaatfinanciering en het Groen Klimaatfonds, o.a. technologische innovatieprojecten;

57.  pleit voor ruimschalige koolstofbeprijzing als wereldwijd toepasbaar instrument voor het beheer van emissies, de toewijzing van inkomsten uit emissiehandel aan klimaatgerelateerde investeringen, en inkomsten uit de koolstofbeprijzing van internationale transportbrandstoffen; vraagt ook dat landbouwsubsidies worden gebruikt om investeringen ten behoeve van de productie en het gebruik van duurzame energie op landbouwbedrijven te garanderen; benadrukt hoe belangrijk het is kapitaal uit de particuliere sector en de nodige investeringen in koolstofarme technologie aan te trekken; pleit voor een ambitieuze toezegging van regeringen en openbare en particuliere financiële instellingen, zoals banken, pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen, om hun leningen en investeringen op de "minder dan 2 °C"-doelstelling af te stemmen en niet langer te investeren in fossiele brandstoffen, onder meer door uitvoerkredieten voor investeringen in fossiele brandstoffen uit te faseren; pleit voor specifieke publieke garanties ten behoeve van groene investeringen, labels en fiscale voordelen voor groene investeringsfondsen en de uitgifte van groene obligaties;

58.  is van mening dat het financiële systeem bij investeringsbesluiten rekening moet houden met klimaatrisico's; vraagt de Commissie, de lidstaten en alle partijen bij het UNFCCC alle beschikbare hefbomen te gebruiken om financiële instellingen aan te moedigen om hun investeringen in voldoende grote mate een andere richting uit te sturen teneinde een echte overgang naar veerkrachtige, koolstofarme economieën te financieren;

59.  vraagt naar aanleiding van de belofte van de G20-landen, om concrete maatregelen, met een tijdschema, voor de afschaffing van alle subsidies voor fossiele brandstoffen tegen 2020;

60.  moedigt de meest progressieve actoren aan om vrijwillig verplichtingen aan te gaan om de overgang naar een koolstofarme economie te bevorderen door de bestaande best practices in de sector te benutten; zou graag zien dat deze mobilisatie wordt uitgebreid en dat de verplichtingen in de toekomst beter worden gestructureerd, met name via registratieplatforms die in het UNFCCC worden geïntegreerd;

61.  neemt nota van de nauwe verbanden tussen de conferentie "Financiering voor ontwikkeling", de top van de VN over duurzame ontwikkeling en de 21e conferentie van de partijen bij het UNFCCC in 2015; erkent dat het effect van klimaatverandering in ernstige mate de pogingen ondermijnt om het geplande kader voor duurzame ontwikkeling voor de periode na 2015 te verwezenlijken, en dat het algehele kader voor ontwikkelingsfinanciering moet worden afgestemd op een koolstofarme en klimaatbestendige wereld, en deze ook moet ondersteunen;

62.  pleit voor de bevordering van particuliere initiatieven van de financiële sector, met name op de bijeenkomst van de G20 in november 2015, maar ook meer in het algemeen op de talrijke bijeenkomsten over financiering in de aanloop naar de conferentie van Parijs in 2015;

Streven naar klimaatbestendigheid door middel van aanpassing

63.  benadrukt dat aanpassingsmaatregelen voor alle landen onvermijdelijk en noodzakelijk zijn om de negatieve gevolgen van de klimaatverandering te beperken en ten volle gebruik te maken van de mogelijkheden voor klimaatbestendige groei en duurzame ontwikkeling, en dat zij in het kader van de nieuwe overeenkomst centraal moeten staan; vraagt dat dienovereenkomstig langetermijndoelstellingen inzake aanpassing worden vastgesteld; onderstreept dat het voor de mondiale en nationale economieën goedkoper zal zijn als er nu werk wordt gemaakt van de reductie van broeikasgasemissies en dat ook aanpassingsmaatregelen daardoor minder duur zullen zijn; erkent dat aanpassing noodzakelijk is, met name in landen die zeer kwetsbaar zijn voor deze effecten, en in het bijzonder opdat de voedselproductie en de economische ontwikkeling op klimaatbestendige wijze kunnen worden voortgezet; vraagt om actieve ondersteuning voor de uitwerking van uitgebreide aanpassingsplannen in de ontwikkelingslanden op basis van de praktijk van de lokale actoren en de kennis van de inheemse bevolking;

64.  erkent dat de mitigatieambitie die wordt verwezenlijkt door de nationaal vastgestelde bijdragen (NDC's) van grote invloed is op de vereiste aanpassingsinspanningen; vraagt dat in de overeenkomst van Parijs een mondiale doelstelling voor aanpassing en aanpassingsfinanciering wordt opgenomen, samen met toezeggingen voor de ontwikkeling van verdere benaderingen om verlies en schade doelmatig aan te pakken;

65.  benadrukt de noodzaak om de coördinatie en het klimaatrisicobeheer op EU-niveau te verbeteren en om een duidelijke aanpassingsstrategie voor de EU te ontwikkelen; vraagt dat er regionale aanpassingsstrategieën worden toegepast;

66.  herinnert eraan dat de ontwikkelingslanden, en met name de minst ontwikkelde landen en kleine insulaire ontwikkelingslanden, het minst tot de klimaatverandering hebben bijgedragen, maar wel het kwetsbaarst zijn voor de nadelige gevolgen van klimaatverandering en het minst in staat zijn zich eraan aan te passen; vraagt dat steun voor aanpassing en schadevergoedingen essentiële onderdelen van de overeenkomst van Parijs worden, en dat de ontwikkelingslanden daadwerkelijk worden geholpen bij hun transitie naar duurzame, hernieuwbare en koolstofarme energievormen, zodat zowel op korte als op lange termijn in hun aanpassingsbehoeften wordt voorzien; vraagt dat de problematiek van klimaatvluchtelingen en de omvang daarvan, ten gevolge van klimaatrampen veroorzaakt door de opwarming van de aarde, ernstig wordt genomen;

67.  onderstreept dat deze overeenkomst flexibel moet zijn, zodat rekening kan worden gehouden met de nationale omstandigheden, de respectieve behoeften en capaciteiten van de ontwikkelingslanden en de specifieke kenmerken van bepaalde landen, met name de minst ontwikkelde landen en kleine eilanden;

68.  roept de grote ontwikkelde economieën ertoe op hun bestaande geavanceerde infrastructuur aan te wenden om duurzame groei te bevorderen, te verbeteren en te ontwikkelen en zich ertoe te verbinden de ontwikkelingslanden te steunen bij het opbouwen van hun eigen capaciteit, om ervoor te helpen zorgen dat er in de toekomst in alle delen van de wereld economische groei zal plaatsvinden, zonder bijkomende kosten voor het milieu;

69.  onderstreept dat de ontwikkelingsgemeenschap, de Organisatie voor ontwikkeling en samenwerking in Europa (OESO) en de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de OESO een belangrijke rol hebben te vervullen door nauw met belanghebbenden en relevante organisaties samen te werken aan de evaluatie en mitigatie van de ernstigste door de mens veroorzaakte effecten van de klimaatverandering, die hoogstwaarschijnlijk – zelfs als de opwarming tot maximaal 2º C beperkt blijft – problematisch zullen zijn;

70.  bevestigt dat een doeltreffende aanpak van de klimaatkwestie voor de EU en andere spelers op het internationale toneel een strategische prioriteit moet vormen, en dat dit inhoudt dat klimaatactie een vast onderdeel moet worden van alle beleidsterreinen en dat naar beleidscoherentie moet worden gestreefd; acht het belangrijk dat de EU op alle gebieden en in alle sectoren koolstofarme ontwikkelingstrajecten bevordert, en verzoekt de EU duurzame productie- en consumptiepatronen voor te stellen, met inbegrip van indicaties voor manieren waarop de EU de consumptie wil beperken en economische activiteiten wil loskoppelen van de aantasting van het milieu;

71.  stelt bezorgd vast dat tussen 2008 en 2013 166 miljoen mensen gedwongen werden hun huis te verlaten vanwege overstromingen, stormen, aardbevingen en andere rampen; vestigt bijzondere aandacht op het feit dat de klimaatgerelateerde ontwikkelingen in delen van Afrika een escalatie van de vluchtelingencrisis in het Middellandse Zeegebied in de hand kunnen werken; betreurt dat de status van 'klimaatvluchteling' nog niet is erkend, en dat aldus een juridische lacune ontstaat ten nadele van slachtoffers die niet van de vluchtelingenstatus kunnen profiteren;

72.  dringt erop aan dat ontwikkelde en ontwikkelingslanden zich gezamenlijk extra inspannen om de wereldwijde klimaatverandering aan te pakken, met inachtneming van het beginsel van gezamenlijke, maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden;

73.  onderstreept dat, overeenkomstig artikel 3, lid 5, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), de EU in de betrekkingen met de rest van de wereld bijdraagt tot de solidariteit en de duurzame ontwikkeling van de aarde, alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationaal recht; wijst erop dat, overeenkomstig artikel 191, lid 1, van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie (VWEU), het beleid van de EU op milieugebied bijdraagt tot de bevordering van maatregelen op internationaal vlak ter bestrijding van de klimaatverandering;

Meer klimaatdiplomatie

74.  benadrukt het belang van klimaatdiplomatie als onderdeel van de integrale aanpak van het externe optreden van de EU, en beklemtoont in dit verband hoe belangrijk het is dat de EU tijdens de conferentie een ambitieuze en centrale rol op zich neemt, met één stem spreekt, als bemiddelaar optreedt en verenigd blijft in het streven naar een internationale overeenkomst;

75.  vraagt de lidstaten hun standpunten ter zake te coördineren met die van de EU; onderstreept dat de EU en haar lidstaten op het vlak van buitenlands beleid over enorme capaciteiten beschikken, op het vlak van klimaatdiplomatie leiderschap moeten tonen, en dit netwerk moeten benutten om overeenstemming te bereiken over de belangrijkste onderwerpen waarover in Parijs een akkoord moet worden gesloten, namelijk mitigatie, aanpassing, financiering, ontwikkeling en overdracht van technologie, transparantie van de maatregelen en de ondersteuning, en opbouw van capaciteit;

76.  verwelkomt het EU-actieplan voor klimaatdiplomatie, zoals goedgekeurd door de EU-Raad Buitenlandse Zaken op 19 januari 2015; verwacht van de Commissie dat zij bij de onderhandelingen een proactieve rol speelt; vraagt de Commissie duidelijk te maken dat het klimaatprobleem de belangrijkste strategische prioriteit is en dit uit haar handelen te doen blijken, op alle niveaus en alle beleidsterreinen;

77.  wijst op de leidende rol van de EU ten aanzien van het klimaatbeleid en benadrukt het belang van coördinatie en het formuleren van een gemeenschappelijk standpunt van de EU-lidstaten; vraagt de Commissie, de lidstaten en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) in de aanloop naar en tijdens de conferentie hun diplomatieke inspanningen voort te zetten en op te voeren teneinde de standpunten van hun partners beter te begrijpen en andere partijen – met name met de Verenigde Staten – ertoe aan te moedigen effectieve maatregelen te nemen om aan de 2 °C-doelstelling te voldoen en overeenkomsten te sluiten en toezeggingen te doen, met als doel de grootste emissies op het niveau te brengen van de emissies van de EU-burgers, die reeds tal van inspanningen hebben gedaan om economische ontwikkeling en respect voor het milieu en het klimaat met elkaar te verzoenen; roept de EU op gebruik te maken van haar positie om op het gebied van klimaatkwesties tot hechtere samenwerking te komen met de buurlanden en kandidaat-lidstaten;

78.  benadrukt dat er in de aanloop naar en tijdens de conferentie grotere diplomatieke inspanningen vereist zijn, met name om raakvlakken te vinden wat betreft de soort differentiatie in de verplichtingen van de partijen gezien hun nationale omstandigheden, en wat betreft de rol van verlies en schade in de overeenkomst;

79.  vraagt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid strategische prioriteiten te ontwikkelen voor het externe klimaatbeleid dat is vastgelegd in de algemene doelstellingen voor het buitenlands beleid, en erop toe te zien dat de EU-delegaties meer aandacht gaan besteden aan het klimaatbeleid, het monitoren van de inspanningen die landen leveren op het vlak van mitigatie en aanpassing, en aan het verlenen van steun voor capaciteitsopbouw, en dat zij over de nodige middelen beschikken om maatregelen in verband met klimaatmonitoring te nemen; roept de EU op om nauwer met de buurlanden en kandidaat-lidstaten samen te werken rond klimaatkwesties, en er bij die landen op aan te dringen hun beleid af te stemmen op de klimaatdoelstellingen van de EU; verzoekt de lidstaten en de EDEO bij de EU-delegaties en de ambassades van de lidstaten aanspreekpunten voor klimaatverandering aan te wijzen;

80.  vraagt de Commissie en de partijen ervoor te zorgen dat elke maatregel die door een partij bij de overeenkomst van Parijs wordt aangenomen in verband met de doelstelling om broeikasgasconcentraties in de atmosfeer te stabiliseren op een niveau waarbij gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen, of in verband met enig ander beginsel of verbintenis in artikelen 3 en 4 van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, niet het onderwerp zal worden van een bestaand of toekomstig verdrag van een partij in de mate dat het beslechting van geschillen tussen investeerders en staten mogelijk maakt;

81.  erkent het belang van maatregelen tegen de klimaatverandering en tegen de potentiële bedreiging die ervan uitgaat voor de stabiliteit en de veiligheid, alsook het belang van klimaatdiplomatie in de aanloop naar de klimaatconferentie van Parijs;

Het Europees Parlement

82.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie en de doelstellingen van de EU-bijdrage aan de COP 21-klimaatconferentie die in december 2015 in Parijs zal worden gehouden;

83.  belooft zijn internationale rol en zijn lidmaatschap van internationale parlementaire netwerken te gebruiken om consequent te streven naar vooruitgang in de richting van een juridisch bindende en ambitieuze internationale klimaatovereenkomst in Parijs;

84.  wijst erop dat lobbyactiviteiten voor en tijdens de COP 21-onderhandelingen van invloed kunnen zijn op de onderhandelingsresultaten en benadrukt om die reden dat dergelijke activiteiten transparant moeten zijn, duidelijk moeten zijn aangegeven in de dagelijkse UNFCCC-agenda van de COP 21 en dat de Conferentie gelijke toegang moet verschaffen aan alle relevante belanghebbenden;

85.  is van mening dat het, aangezien het ook zijn goedkeuring zal moeten geven aan een internationale overeenkomst, goed in de EU-delegatie moet worden geïntegreerd; verwacht dan ook dat het de coördinatievergaderingen van de EU in Parijs zal mogen bijwonen;

o
o   o

86.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en het secretariaat van het UNFCCC, met het verzoek de resolutie ook toe te zenden aan alle partijen die geen lid zijn van de EU.

(1) PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 1.
(2) PB C 341 E van 16.12.2010, blz. 25.
(3) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 77.
(4) PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 83.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0452.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0443.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0063.
(8) PB L 8 van 13.1.2009, blz. 3.
(9) PB C 67 E van 18.3.2010, blz. 44.
(10) PB C 251 E van 31.8.2013, blz. 75.
(11) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0094.
(12) Gegevens van Eurostat over de sector milieugoederen en -diensten, vermeld in "Een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030" (COM(2014)0015).

Juridische mededeling