Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 28 oktober 2015 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Algemene begroting van de Europese Unie voor 2016 – alle afdelingen
 Hof van Justitie van de Europese Unie: aantal rechters bij het Gerecht ***II
 Bepalingen voor de visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (General Fisheries Commission for the Mediterranean — Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee) ***II
 Gebruik van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders ***I
 Nieuwe voedingsmiddelen ***I
 Emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen ***I
 Europees burgerinitiatief
 Een strategie van de EU voor de Adriatische en Ionische regio
 Cohesiebeleid en evaluatie van de Europa 2020-strategie
 De Europese structuur- en investeringsfondsen en gezond economisch bestuur

Algemene begroting van de Europese Unie voor 2016 – alle afdelingen
PDF 437kWORD 140k
Resolutie van het Europees Parlement van 28 oktober 2015 over het standpunt van de Raad over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (11706/2015 – C8-0274/2015 – 2015/2132(BUD))
P8_TA(2015)0376A8-0298/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3) (de MFK-verordening),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4) (het IIA),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over de algemene richtsnoeren voor het opstellen van de begroting voor 2016, afdeling III – Commissie(5),

–  gezien zijn resolutie van 29 april 2015 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2016(6),

–  gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, goedgekeurd door de Commissie op 24 juni 2015 (COM(2015)0300),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, vastgesteld door de Raad op 4 september 2015 en toegezonden aan het Europees Parlement op 17 september 2015 (11706/2015 – C8-0274/2015),

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2015 over het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2016(7),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad en de Raad van 23 september 2015 getiteld "Aanpak van de vluchtelingencrisis: nu te nemen operationele, budgettaire en wetgevende maatregelen in het kader van de Europese migratieagenda" (COM(2015)0490),

–  gezien de nota's van wijzigingen nr. 1/2016 (COM(2015)0317) en 2/2016 (COM(2015)0513) bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien artikel 88 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0298/2015),

Afdeling III

Algemeen

1.  benadrukt dat de lezing van de begroting 2016 door het Parlement volledig recht doet aan de politieke prioriteiten die met een overweldigende meerderheid zijn vastgesteld in zijn bovengenoemde resoluties van 11 maart 2015 over de algemene richtsnoeren en van 8 juli 2015 over het mandaat voor de trialoog; herinnert eraan dat deze prioriteiten bestaan uit interne en externe solidariteit, met name een doeltreffende aanpak van de migratie- en vluchtelingencrisis, alsook uit het stimuleren van het concurrentievermogen via de creatie van degelijke en kwaliteitsvolle banen en de ontwikkeling van ondernemingen en ondernemerschap in de hele Unie;

2.  benadrukt dat de Unie momenteel wordt geconfronteerd met een aantal ernstige noodsituaties, met name de nooit eerder geziene migratie- en vluchtelingencrisis; is ervan overtuigd dat de vereiste financiële middelen in de begroting van de Unie moeten worden opgenomen om overeen te stemmen met de politieke uitdagingen en om de Unie in staat te stellen doeltreffend en met de hoogste spoed en prioriteit te reageren op deze crises; begrijpt dat de migratie- en vluchtelingencrisis niet kan worden opgelost met financiële middelen alleen en dat er een globale aanpak vereist is om zowel de interne als de externe dimensie van deze crisis het hoofd te bieden; is van mening dat uitzonderlijke tijden uitzonderlijke maatregelen vergen en dat er een sterk politiek engagement nodig is om voor dit doel nieuwe kredieten te waarborgen; benadrukt in dit verband dat solidariteit een beginsel is dat ten grondslag ligt aan de EU-begroting; is bezorgd over het feit dat er in de vluchtelingencrisis sprake is van ongelijke solidariteit tussen de lidstaten; verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen over de wijze waarop de EU-begroting de lidstaten kan aansporen tot een meer evenwichtige visie op solidariteit;

3.  merkt op dat het Parlement van meet af aan in de begroting 2016 bijzondere aandacht heeft besteed aan migratie en vluchtelingen; herinnert aan zijn eerdere verklaringen dat het beheer van migratiestromen op het kruispunt van interne en externe solidariteit ligt en dat ook externe financieringsinstrumenten moeten worden ingezet in het kader van een geïntegreerde benadering, om de onderliggende oorzaken aan te pakken van de problemen waarmee de Unie wordt geconfronteerd; herinnert aan gemeenschappelijke verdragen en overeenkomsten zoals het Schengenacquis en de Dublinverordening(8) en het voorstel van de Commissie tot vaststelling van een crisisherplaatsingsmechanisme (COM(2015)0450);

4.  besluit daarom onmiddellijk een omvattend pakket amendementen voor te stellen om de ontwerpbegroting (OB) met 1 161 miljoen EUR te verhogen voor rubriek 3 (Veiligheid en burgerschap) en rubriek 4 (Europa als wereldspeler), en dit als een eerste reactie op de migratiecrisis; benadrukt dat, wat de interne dimensie van deze crisis betreft, de amendementen van het Parlement de twee pakketten voor de hervestiging van asielzoekers reeds volledig integreren en op elkaar afstemmen, en dat het daarnaast bijkomende kredieten voorstelt voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) en de agentschappen van de Unie op dit gebied; wijst, wat de externe dimensie betreft, op een aantal bijkomende verhogingen voor specifieke programma's in rubriek 4, zoals het Europees nabuurschapsinstrument, het instrument voor ontwikkelingssamenwerking, humanitaire hulp en het instrument voor pretoetredingssteun;

5.  benadrukt evenwel dat deze amendementen moeten worden behandeld samen met nota van wijzigingen nr. 2/2016 van de Commissie, die naast het tweede hervestigingspakket ook de aanvullende maatregelen bevat waarvan sprake in bovengenoemde mededeling van de Commissie van 23 september 2015; betreurt dat het Parlement en de Raad niet meer tijd hebben om de geschiktheid van deze nota van wijzigingen te beoordelen, maar begrijpt de grote tijdsdruk en het feit dat er onmiddellijk moet worden opgetreden; benadrukt dat het Parlement volledig achter deze nieuwe maatregelen staat en van plan is de financiering ervan via nieuwe kredieten te verdedigen, zelfs voor een groter bedrag dan dat het in zijn eigen standpunt over de begroting 2016 heeft voorgesteld;

6.  besluit om ook maatregelen te nemen met betrekking tot de aanhoudende crisis die de Europese landbouwers treft, met name in de zuivelsector, en om in zijn standpunt over de begroting 2016 reeds het bedrag van 500 miljoen EUR aan noodsteunmaatregelen op te nemen die de Commissie heeft aangekondigd; vertrouwt erop dat de Commissie in haar nota van wijzigingen nr. 2/2016 de precieze begrotingslijnen zal vaststellen waarvoor de kredieten in dit verband moeten worden verhoogd; is ingenomen met het besluit van de Commissie om de ongebruikte kredieten van de crisisreserve over te dragen van de begroting 2015 naar de begroting 2016, en merkt op dat deze niet-bestede middelen zullen worden gebruikt voor terugbetalingen aan de begunstigden van rechtstreekse betalingen zoals bepaald in Verordening (EU) nr. 1306/2013;

7.  erkent dat veel meer inspanningen moeten worden ondernomen om de zwakke punten van de Europese economie aan te pakken door het concurrentievermogen, de groei en hoogwaardige werkgelegenheid te bevorderen; benadrukt de cruciale rol die micro-, kleine, middelgrote en sociale ondernemingen hierbij vervullen; verhoogt daarom de kredieten voor het Cosme-programma met 16,5 miljoen EUR; besluit tevens in 2016 nieuwe vastleggingskredieten voor te stellen voor de voortzetting van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, waarvan het volledige budget reeds vervroegd ter beschikking werd gesteld in 2014-2015; erkent de aanzienlijke bijdrage van dit programma aan de bestrijding van de werkloosheid en is vastbesloten ervoor te zorgen dat de nodige kredieten ter beschikking worden gesteld om te voorkomen dat er te weinig kredieten beschikbaar zijn voor de uitvoering ervan; hecht daarom voor 2016 zijn goedkeuring aan een verhoging van 473,2 miljoen EUR, wat overeenkomt met het oorspronkelijke jaarlijkse bedrag voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

8.  herhaalt ervan overtuigd te zijn dat de begroting van de Unie geen nieuwe initiatieven mag financieren ten koste van bestaande programma's en bestaand beleid van de Unie, en evenmin reeds gedane politieke toezeggingen mag negeren; erkent en bevestigt ten volle de grote politieke en financiële steun voor de oprichting van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), maar wil zich tegelijkertijd houden aan de toezegging die het tijdens de onderhandelingen over het EFSI heeft gedaan, namelijk dat de impact van het EFSI op Horizon 2020 en de Connecting Europe Facility (CEF) in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure tot het absolute minimum moet worden beperkt; stelt daarom voor de verlaging bij deze twee programma's - als gevolg van de voorziening voor het EFSI-garantiefonds - in 2016 (1 326 miljoen EUR) volledig te compenseren, opdat zij integraal hun doelstellingen kunnen verwezenlijken die pas twee jaar geleden met de goedkeuring van hun respectieve rechtsgronden zijn overeengekomen;

9.  benadrukt het belang van volledige eerbiediging van de gezamenlijke verklaring over een betalingsplan 2015-2016 waarover het Parlement, de Raad en de Commissie overeenstemming hebben bereikt, na het gezamenlijk engagement om de achterstand van nog niet gehonoreerde betalingsverzoeken voor de cohesieprogramma's in de periode 2007-2013 tegen eind 2016 tot ongeveer 2 miljard EUR te beperken; heeft in dit verband kritiek op het feit dat de door de Raad voorgestelde verlagingen volkomen indruisen tegen dit betalingsplan; benadrukt bovendien dat in de toekomst de opbouw van een dergelijke onhoudbare betalingsachterstand moet worden voorkomen, en verzoekt de Commissie concrete voorstellen in die zin te doen; is daarom van mening dat onvoorziene betalingsbehoeften moeten worden gefinancierd met extra kredieten en dat de vervroegde terbeschikkingstelling in 2016 van 1 miljard EUR voor Griekenland moet worden gefinancierd binnen het beschikbare maximum van de betalingskredieten van het MFK; herhaalt het standpunt dat het van oudsher verdedigt, namelijk dat betalingen die voortvloeien uit eerder via het flexibiliteitsinstrument beschikbaar gestelde vastleggingskredieten, alleen buiten de maxima van het MFK kunnen worden geboekt;

10.  doet alle verlagingen ongedaan die de Raad in de OB heeft doorgevoerd (563,6 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en 1 421,8 miljoen EUR aan betalingskredieten); kan de logica achter de voorgestelde verlagingen niet begrijpen, bijvoorbeeld die bij Horizon 2020 en CEF, twee programma's die reeds zijn getroffen door herschikkingen ten behoeve van het EFSI, alsook bij het ontwikkelings- en het nabuurschapsbeleid, met name in het licht van de recente gebeurtenissen; is bezorgd over het feit dat de Raad, door zo'n grote verlagingen in de OB voor te stellen, grotendeels de ontegensprekelijke meerwaarde van de begroting van de Unie negeert; betwist hoe dan ook het uitgesproken voornemen van de Raad om begrotingslijnen met een laag uitvoeringspercentage of een laag opnamevermogen te viseren, aangezien dit niet wordt gestaafd door de feitelijke uitvoeringscijfers en voorbijgaat aan de verschillende bestedingspatronen van bepaalde programma's;

11.  betreurt dat de deskundigengroepen van de Commissie niet neutraal zijn omdat ze in hoge mate worden gedomineerd door zakelijke belangen;

12.  concludeert dat, met het oog op een adequate financiering van deze dringende behoeften en gezien de zeer krappe marges in het MFK in 2016, alle beschikbare middelen in de MFK-verordening in termen van flexibiliteit, waaronder de volledige terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument, zullen moeten worden ingezet; verwacht dat de Raad deze visie zal delen en dat tijdens het begrotingsoverleg vlot overeenstemming zal worden bereikt, waardoor de Unie tegen de situatie opgewassen moet zijn en doeltreffend moet kunnen reageren op de uitdagingen die zich zullen aandienen; benadrukt in dit verband dat de totale marge van het MFK voor vastleggingskredieten in 2015 ter beschikking moet worden gesteld van zodra aan de wettelijke voorwaarden is voldaan; verwacht hierover met de Raad en de Commissie een voorafgaande overeenkomst te bereiken;

13.  herinnert aan de gezamenlijke verklaring van de drie instellingen van de Unie in het kader van de politieke overeenkomst over het MFK, namelijk dat in de jaarlijkse begrotingsprocedures waar passend genderelementen zullen worden geïntegreerd; benadrukt dat gendermainstreaming als horizontaal beginsel het beleid van de Unie moet ondersteunen, en dringt aan op een omvattende uitvoering van een genderbewuste begroting; is bovendien ingenomen met de eerste stappen voor de vergroening van de begroting van de Unie; wijst erop dat dit proces moet worden voortgezet om de overeengekomen doelstellingen inzake klimaat- en milieuvriendelijke uitgaven te verwezenlijken;

14.  stelt het totale bedrag van de kredieten voor 2016 vast op 157 427,3 miljoen EUR voor de vastleggingskredieten en op 146 459,3 miljoen EUR voor de betalingskredieten;

Rubriek 1a – Concurrentievermogen voor groei en banen

15.  heeft kritiek op het feit dat rubriek 1a dit jaar opnieuw zwaar is getroffen door de bezuinigingen van de Raad, namelijk een verlaging van 140,9 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en van 435,4 miljoen EUR aan betalingskredieten ten opzichte van de OB; wijst erop dat ongeveer de helft van deze bezuinigingen Horizon 2020 treft, wat resulteert in een verdere verlaging voor dit programma in 2016 nadat een deel van zijn kredieten reeds werd herschikt ten behoeve van het EFSI;

16.  benadrukt dat, met het oog op een coherente aanpak, een aantal verlagingen die de Raad heeft aangebracht op grond van een laag opnamevermogen bij tal van programma's in rubriek 1a in juni 2015, nu moeten worden teruggedraaid als gevolg van de sterke toename van de uitvoering van deze programma's in september 2015; merkt op dat dit een algemene trend is, die overeenstemt met de looptijd van deze programma's; besluit daarom de bedragen van de OB opnieuw op te nemen voor de lijnen die de Raad heeft verlaagd, zowel wat de vastleggings- als de betalingskredieten betreft;

17.  besluit, overeenkomstig zijn prioriteiten voor 2016 (werkgelegenheid, ondernemingen en ondernemerschap) en na een zorgvuldige beoordeling van hun opnamevermogen tot nu toe, om naast de volledige compensatie van de aan het EFSI gerelateerde verlagingen bij Horizon 2020 en CEF, een aantal selectieve verhogingen door te voeren boven het niveau van de OB voor de programma's Cosme, Horizon 2020, EaSI en Erasmus+;

18.  benadrukt in het bijzonder dat de vervroegde terbeschikkingstelling van middelen voor Cosme in 2014-2015 echt nuttig is gebleken, gezien de aanhoudende stijging in de afgelopen jaren van de vraag door kmo's naar ondersteuning bij de toegang tot markten en financiering; verzet zich dan ook tegen de verlaging van de kredieten voor Cosme in de OB ten opzichte van 2015 en besluit de kredieten voor dit programma te verhogen tot boven het niveau in de OB; herinnert eraan dat de Commissie reeds heeft gewezen op een tekort in de Cosme-financieringsinstrumenten voor 2015, 2016 en 2017, wat aantoont dat er een kloof bestaat tussen de beschikbare vastleggingskredieten en de verwachte vraag; vraagt in het kader van Cosme om een aanzienlijke verhoging van de kredieten voor het programma Erasmus voor jonge ondernemers, gelet op het feit dat de beschikbare middelen niet volstaan om tegemoet te komen aan de grote vraag naar deelname;

19.  verzoekt de Commissie een analyse uit te voeren van de financiële lasten die het gevolg zijn van vergoedingen en kosten voor verplichte certificerings- en vergunningsprocedures; dringt er bij de Commissie op aan een grondige evaluatie uit te voeren van het effect van deze kosten op het concurrentievermogen van het bedrijfsleven en kmo's;

20.  besluit de kredieten voor de drie toezichthoudende agentschappen (EBA, Eiopa en ESMA) en ACER te verhogen tot boven het niveau van de OB opdat ze over passende middelen beschikken om het hoofd te bieden aan hun toenemende taken;

21.  bevestigt zijn steun voor het ITER-programma en is vastbesloten te zorgen voor passende financiering ervan; is evenwel bezorgd over mogelijke verdere vertragingen en extra kosten van dit programma alsook over de potentiële gevolgen hiervan voor de begroting van de Unie; betreurt dan ook dat het niet in staat was het niveau van de ITER-kredieten voor 2016 te toetsen met het geactualiseerde betalings- en tijdschema, dat pas in november 2015 in de ITER-Raad zal worden gepresenteerd; verwacht evenwel dat dit herziene plan in voldoende mate zal kunnen aantonen dat de aanbevelingen die het Parlement in de betreffende kwijtingsresolutie voor 2013(9) heeft gedaan, naar behoren in aanmerking zijn genomen en dat de financiële soliditeit en de efficiëntie van de uitgaven zullen worden gegarandeerd; wil deze kwestie tijdens het begrotingsoverleg 2016 aankaarten; benadrukt bovendien dat er volledige transparantie moet bestaan over het gebruik van bijdragen van "Fusion for Energy" voor het ITER-programma; dringt aan op een passend verantwoordingsmechanisme waarbij een duidelijk overzicht wordt gegeven van de omvang van de financiële middelen die worden uitgetrokken voor het internationaal project en waarbij het efficiënt gebruik ervan wordt beoordeeld;

22.  bestemt een deel van de kredieten voor de normalisatie van de financiële verslaggeving en controle, en dringt aan op de uitvoering van de aanbevelingen in het verslag-Maystadt betreffende de taken en verantwoordelijkheden van de European Financial Reporting Advisory Group (EFRAG), waarmee tevens de invloed van de Europese Unie in het proces van het vaststellen van internationale accountancy-normen zal worden vergroot; is daarnaast bezorgd over de aanzienlijke EU-financiering voor de IFRS Foundation, zonder dat daar de nodige verbeteringen op het gebied van controleerbaarheid, transparantie en democratie tegenover staan;

23.  verhoogt bijgevolg de vastleggings- en betalingskredieten voor rubriek 1a ten opzichte van de OB met respectievelijk 1 405,5 miljoen EUR en 491,5 miljoen EUR (met inbegrip van proefprojecten en voorbereidende acties), waardoor het maximum voor de vastleggingskredieten met 1 316,9 miljoen EUR wordt overschreden, wat moet worden gefinancierd door alle beschikbare middelen inzake flexibiliteit waarin de MFK-verordening voorziet, na uitputting van de beschikbare marges;

Rubriek 1b – Economische, sociale en territoriale samenhang

24.  is het niet eens met de verlagingen die de Raad voorstelt, namelijk 3,1 miljoen EUR bij de vastleggingskredieten en, erger nog, 220,1 miljoen EUR bij de betalingskredieten voor rubriek 1b, met inbegrip van begrotingslijnen die worden voltooid; verzoekt de Raad uit te leggen hoe deze verlagingen verenigbaar zijn met de doelstelling om enerzijds de betalingsachterstand te verkleinen en anderzijds negatieve gevolgen en onnodige vertraging bij de uitvoering van de programma's voor de periode 2014-2020 te vermijden; herinnert eraan dat het cohesiebeleid het voornaamste investeringsbeleid van de Unie is dat gericht is op het terugdringen van de ongelijkheden tussen Europese regio's door de economische, sociale en territoriale samenhang te vergroten; benadrukt dat instrumenten zoals het Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Cohesiefonds of het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief van fundamenteel belang zijn om convergentie, verkleining van de ontwikkelingskloof en het ondersteunen van de creatie van hoogwaardige en duurzame banen te bevorderen;

25.  neemt kennis van de voorlopige analyse van de Commissie, op basis van de recentste ramingen van de lidstaten, dat de uitvoering van de programma's op het gebied van het cohesiebeleid in 2016 waarschijnlijk vertraging zal oplopen; is zeer bezorgd over het feit dat een aanzienlijke onderbesteding in het derde jaar van de uitvoering van de nieuwe cyclus van de Europese structuur- en investeringsfondsen, op een ogenblik dat de programma's volledig operationeel zouden moet zijn, niet alleen een nadelig effect zal hebben op het tijdig behalen van resultaten op het terrein, maar ook kan leiden tot grote druk op de betalingen in de volgende jaren, waardoor eventueel opnieuw een betalingsachterstand kan ontstaan; dringt er bij de betrokken lidstaten op aan snel vooruitgang te boeken bij het aanpakken van de onderliggende oorzaken van deze vertragingen in de uitvoering, bijvoorbeeld door dringend programma-autoriteiten aan te wijzen en door nationale administratieve procedures te vereenvoudigen en niet te vermenigvuldigen; verzoekt de Commissie in overeenstemming met het betalingsplan nauwlettend toe te zien op de ontwikkeling van de betalingen in rubriek 1b met betrekking tot de programmeringsperiode 2014-2020, onder meer via gedetailleerde en regelmatig bijgewerkte ramingen die moeten worden besproken op specifieke interinstitutionele bijeenkomsten, en zo nodig passende voorstellen te doen;

26.  herinnert eraan dat de Commissie in 2016 geen vastleggingskredieten voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief heeft voorgesteld als gevolg van de vervroegde terbeschikkingstelling ervan in 2014-2015; besluit in overeenstemming met de verordening betreffende het Europees Sociaal Fonds(10), dat voorziet in de mogelijkheid van een dergelijke verlenging, om voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief een bedrag van 473,2 miljoen EUR aan vastleggingskredieten beschikbaar te stellen, dat wil zeggen een bedrag dat overeenkomt met de oorspronkelijke jaarlijkse toewijzing voor dit programma; is ervan overtuigd dat de financiering van dit belangrijke programma, dat een van de meest urgente uitdagingen van de Unie aanpakt, niet mag eindigen in 2015; benadrukt dat de bijkomende middelen moeten worden gebruikt om het programma uit te breiden en zo een groter aantal jongeren bij te staan in hun zoektocht naar een fatsoenlijke en vaste baan; dringt er bij de lidstaten op aan hun uiterste best te doen om vaart te zetten achter de uitvoering van het initiatief op het terrein opdat jonge Europeanen hier meteen voordeel bij hebben; dringt er bij de Commissie op aan verslag uit te brengen aan het Parlement over door de Unie gefinancierde maatregelen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid, en over de met die maatregelen bereikte resultaten;

27.  verhoogt, rekening houdend met de proefprojecten en voorbereidende acties, de vastleggingskredieten voor rubriek 1b ten opzichte van de OB met 482,7 miljoen EUR en de betalingskredieten met 1 164 miljoen EUR, waardoor het maximum voor de vastleggingskredieten met 467,3 miljoen EUR wordt overschreden, wat moet worden gefinancierd door alle beschikbare middelen inzake flexibiliteit waarin de MFK-verordening voorziet;

Rubriek 2 – Duurzame groei: natuurlijke hulpbronnen

28.  wijst erop dat de Raad ook in rubriek 2 de kredieten heeft verlaagd, namelijk met 199,9 miljoen EUR bij de vastleggingskredieten en 251,1 miljoen EUR bij de betalingskredieten, onder meer voor plattelandsontwikkeling, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en het LIFE-programma; is van mening dat de nota van wijzigingen nr. 2/2016 de basis moet blijven voor een betrouwbare herziening van de kredieten uit hoofde van het Europees Landbouwgarantiefonds ; neemt daarom opnieuw de bedragen van de OB op;

29.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een omvattend pakket noodmaatregelen voor een bedrag van 500 miljoen EUR ter ondersteuning van de Europese landbouwers, met name voor de zuivelsector die kampt met dalende prijzen en een grotere melkproductie; benadrukt dat de gevolgen het grootst zijn in afgelegen gebieden waar het sociaal-economische belang van de zuivelsector buiten kijf staat; neemt dit bedrag in zijn lezing op als steunbetuiging aan de aankondiging van de Commissie, en kijkt uit naar de volledige opname tijdens het begrotingsoverleg op basis van de nota van wijzigingen nr. 2/2016; benadrukt dat dit pakket een aanvulling vormt op de reeks maatregelen die erop gericht zijn de verliezen en langetermijngevolgen op te vangen die de Europese landbouwers ondervinden door het Russische invoerverbod op landbouwproducten, beseffende dat Rusland tot nu toe de op een na belangrijkste bestemming is voor de uitvoer van landbouwproducten uit de Unie;

30.  is van mening dat uitvoerrestituties de handel verstoren en in strijd zijn met de ontwikkelingsdoelstellingen van de EU; steunt daarom de volledige afschaffing ervan;

31.  herhaalt dat GLB-kredieten of eender welke andere kredieten uit de begroting niet mogen worden gebruikt om dodelijke stierengevechten te financieren; herinnert eraan dat dergelijke financiering een duidelijke schending is van het Europees Verdrag voor de bescherming van landbouwhuisdieren (Richtlijn 98/58/EG van de Raad)(11);

32.  benadrukt dat de Unie in het kader van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij meer taken op zich moet nemen; neemt daarom opnieuw de bedragen van de begroting 2015 op voor wetenschappelijk advies en kennis inzake visserij gezien het belang van het verzamelen van gegevens voor de besluitvorming, en verhoogt de kredieten voor het Europees Bureau voor visserijcontrole (EFCA) ter ondersteuning van zijn rol bij de coördinatie en uitvoering van het gemeenschappelijk visserijbeleid;

33.  verhoogt daarom de vastleggingskredieten met 510,4 miljoen EUR en de betalingskredieten met 520,6 miljoen EUR (met inbegrip van proefprojecten en voorbereidende acties), waarbij er een marge van 647,2 miljoen EUR blijft onder het maximum voor de vastleggingskredieten in rubriek 2;

Rubriek 3 – Veiligheid en burgerschap

34.  herinnert eraan dat de OB voorziet in meer middelen op het gebied van veiligheid en migratie, met inbegrip van een bedrag van 150 miljoen EUR voor de hervestiging van 40 000 personen die internationale bescherming nodig hebben, wat ertoe heeft geleid dat de Commissie het maximum voor deze rubriek met 124 miljoen EUR heeft overschreden en heeft voorgesteld de desbetreffende middelen beschikbaar te stellen uit het flexibiliteitsinstrument; is verheugd over het feit dat de Raad heeft ingestemd met het beginsel om het flexibiliteitsinstrument voor dit doel te gebruiken; merkt evenwel op dat er nood is aan een financiële langetermijnplanning om te reageren op de vluchtelingencrisis, en gaat ervan uit dat dit ook zal worden behandeld in het kader van de herziening van het MFK;

35.  besluit, gezien de huidige, uitzonderlijke toestroom van migranten en vluchtelingen, de kredietverhogingen vooral te besteden aan de versterking van het AMIF; steunt in dit verband ten zeerste het tweede pakket van 780 miljoen EUR voor de hervestiging van nog eens 120 000 personen; besluit de nodige middelen op te nemen in zijn lezing en het eerste hervestigingspakket af te stemmen op het tweede door een bedrag van 20 miljoen EUR toe te voegen om de transportkosten te financieren (500 EUR per migrant voor Italië en Griekenland); hecht zijn goedkeuring aan een bijkomend bedrag van 79 miljoen EUR voor de algemene verhoging van de middelen van het AMIF; benadrukt dat tevens moet worden voorzien in voldoende financieringsmogelijkheden voor het AMIF voor de komende jaren; herinnert eraan dat het overeenkomstig punt 17 van het IIA is toegestaan het bedrag waarin voor de gehele looptijd van een programma is voorzien met meer dan 10 % te verhogen wanneer er zich nieuwe, objectieve langetermijnomstandigheden voordoen;

36.  merkt op dat deze maatregelen slechts een eerste stap zijn met het oog op de volledige toepassing van het solidariteitsbeginsel waarop de Unie is gebaseerd; verzoekt de Commissie en de Raad volledig uitvoering te geven aan de in bovengenoemde mededeling van de Commissie van 23 september 2015 voorgestelde plannen en zich duidelijk in te zetten voor de eerbiediging van de mensenrechten, zoals verwoord in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; benadrukt het belang van een adequate financiering van terugkeeroperaties overeenkomstig het Handvest en het "non-refoulement"-beginsel om tot een doeltreffend terugkeerbeleid te komen en tegelijkertijd irreguliere migratie te voorkomen en terug te dringen; benadrukt dat het belangrijk is vluchtelingen dicht bij hun land van herkomst te ondersteunen en de asielprocedures in de lidstaten te verbeteren;

37.  besluit tot slot de kredieten voor de agentschappen met aan migratie gerelateerde taken te verhogen met een totaalbedrag van 26 miljoen EUR, waarbij het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) er het meest kredieten bijkrijgt, namelijk 12 miljoen EUR meer dan in de OB; herinnert eraan dat dit agentschap een centrale, coördinerende rol vervult bij de uitvoering van de voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming, en dat er steeds meer een beroep op wordt gedaan om de betrokken lidstaten bij te staan;

38.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie van 23 september 2015 en de overeenkomstige maatregelen die zijn opgenomen in de nota van wijzigingen nr. 2/2016, met name 600 miljoen EUR aanvullende middelen voor noodhulp voor de meest getroffen lidstaten; is tevreden dat de Commissie op dit gebied de leiding op zich neemt en hiermee de aanpak bevestigt die het Parlement in zijn lezing van de begroting heeft vastgesteld; is bereid tijdens het begrotingsoverleg verdere verhogingen te overwegen;

39.  betreurt dat de Raad ten opzichte van de OB de vastleggingskredieten met 25,1 miljoen EUR en de betalingskredieten met 33,6 miljoen EUR verlaagt; is van mening dat deze verlagingen een bedreiging vormen voor de correcte uitvoering van de programma's en acties van rubriek 3; herinnert er in dit verband aan dat, hoewel sommige van de voorgestelde verlagingen klein lijken, rekening moet worden gehouden met de vrij geringe omvang van een aantal belangrijke en waardevolle programma's, waardoor deze bijzonder kwetsbaar zijn voor verlagingen; besluit daarom de bedragen van de OB opnieuw op te nemen;

40.  acht het, gezien hun belangrijke rol bij de ondersteuning van de culturele en creatieve industrie die fundamentele Europese waarden vertegenwoordigt, bovendien noodzakelijk de vastleggingskredieten voor de subprogramma's cultuur en media, met inbegrip van de multimedia-acties en de garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren (CCSGF), voor 2016 te verhogen met in totaal 10,5 miljoen EUR ten opzichte van de OB, om het hoofd te bieden aan de kritieke kwestie van toegang tot financiering voor kmo's en organisaties in de culturele en creatieve sector;

41.  acht het tevens een prioriteit de middelen van het programma "Europa voor de burger" met 1,5 miljoen EUR te verhogen en de begrotingsnomenclatuur van dit programma te wijzigen door een afzonderlijke lijn te creëren voor de uitvoering van het Europees burgerinitiatief;

42.  wijst erop dat het in zijn lezing (met inbegrip van proefprojecten en voorbereidende acties) het maximum van rubriek 3 met 1 055,1 miljoen EUR overschrijdt voor de vastleggingskredieten, namelijk 931,1 miljoen EUR meer dan in de OB, en de betalingskredieten met 586,5 miljoen EUR verhoogt; stelt daarom voor alle beschikbare middelen in het MFK aan te wenden voor de financiering van het pakket extra kredieten in verband met migratie;

Rubriek 4 – Europa als wereldspeler

43.  wijst erop dat rubriek 4 van alle rubrieken het zwaarst wordt getroffen door de besnoeiingen van de Raad, zowel bij de vastleggingskredieten (- 163,4 miljoen EUR) als bij de betalingskredieten (- 450,4 miljoen EUR); constateert met verbazing dat onder meer het Europees nabuurschapsinstrument (met name armoede en veiligheid in het Middellandse Zeegebied), het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (met inbegrip van de thematische doelstelling migratie en asiel) en het instrument voor pretoetredingssteun (ondanks het feit dat kandidaat-lidstaten een groot aantal vluchtelingen opvangen of op belangrijke migratieroutes gelegen zijn) het zwaarst worden getroffen; benadrukt dat deze aanpak flagrant indruist tegen de verklaringen van de Raad en de Europese Raad betreffende de migratieagenda, de vluchtelingencrisis en de samenwerking met herkomst- en doorreislanden;

44.  besluit tegen deze achtergrond de kredieten van de OB opnieuw op te nemen; merkt op dat de situatie van de betalingen in rubriek 4 nog steeds een punt van bijzondere zorg is wegens de overdracht van een aanzienlijke betalingsachterstand en het kunstmatig uitstellen van contractuele verbintenissen om het hoofd te bieden aan het permanent gebrek aan middelen voor de betalingen; wijst er daarom nogmaals op dat de verhoging van de betalingskredieten die de Commissie voorstelt absoluut noodzakelijk was, ondanks het feit dat de ongekende migratie- en vluchtelingencrisis het extern optreden van de Unie intussen voor bijkomende uitdagingen heeft geplaatst;

45.  vult het pakket amendementen inzake de migratie- en vluchtelingencrisis aan via een gerichte verhoging van de vastleggingskredieten voor in de eerste plaats het Europees nabuurschapsinstrument (+ 178,1 miljoen EUR), maar ook voor het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (+ 26,6 miljoen EUR), humanitaire hulp (+ 26 miljoen EUR), het instrument voor pretoetredingssteun (+ 11,2 miljoen EUR), het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (+ 12,6 miljoen EUR) en het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (+ 1 miljoen EUR); ondersteunt, waar nodig, een herschikking van de prioriteiten binnen deze programma's om de meest actuele uitdagingen aan te pakken, maar benadrukt dat dit niet mag leiden tot een vermindering van de inspanningen met betrekking tot de oorspronkelijke doelstellingen van de betrokken rechtsgrondslagen, wat zou kunnen leiden tot de destabilisering van Europese buurlanden of andere regio's; herhaalt dat er een algemene en op mensenrechten gebaseerde aanpak moet worden gevolgd waarbij migratie wordt gekoppeld aan ontwikkeling en waarmee de integratie van legale migranten, asielzoekers en vluchtelingen wordt bevorderd; benadrukt dat nauwer moet worden samengewerkt met en meer moet worden gedaan voor herkomst- en doorreislanden om doeltreffend te kunnen reageren op de huidige migratiecrisis, en met name op de behoeften van ontheemde personen in derde landen op het gebied van gezondheid en onderwijs; acht deze verhogingen bijgevolg absoluut noodzakelijk om bijkomende initiatieven te financieren bovenop de oorspronkelijke doelstellingen van de respectieve rechtsgronden;

46.  wijst erop dat het regionaal Trustfonds van de Europese Unie in respons op de Syrische crisis en het noodtrustfonds voor stabiliteit en de aanpak van de grondoorzaken van irreguliere migratie en ontheemding in Afrika zijn opgericht omdat de begroting van de Unie onvoldoende flexibel is en evenmin voldoende middelen heeft om snel en omvattend te kunnen reageren op de crisis; benadrukt dat bij de beoordeling/herziening van het MFK een meer integrale oplossing moet worden gevonden om de steun uit de EU-begroting voor humanitaire hulp en ontwikkeling doeltreffender en sneller beschikbaar te stellen en met succes te combineren met de steun uit het Europees Ontwikkelingsfonds en de bilaterale steun van de lidstaten; dringt erop aan de extra kredieten voor de programma's van rubriek 4 met name te gebruiken om de middelen voor de twee trustfondsen te verhogen alsook om onmiddellijk bijstand te verlenen via het UNHCR en het Wereldvoedselprogramma; verzoekt de lidstaten de daad bij het woord te voegen en de nodige aanvullende bijdragen te verrichten om zonder verder uitstel te voorzien in de financiering van de Unie voor de trustfondsen en de financieringskloof voor de VN-organisaties te dichten; merkt op dat de talloze projecten die door de trustfondsen kunnen worden gefinancierd het argument van de Raad afzwakken dat er zogezegd een gebrek aan opnamevermogen is in rubriek 4;

47.  verhoogt met 40 miljoen EUR de middelen op de begrotingslijn voor ondersteuning van het vredesproces en financiële bijstand aan Palestina en aan de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA); merkt op dat de UNRWA daadwerkelijk een rol speelt bij de ondersteuning van het toenemende aantal Palestijnse vluchtelingen die rechtstreeks lijden onder de Syrische crisis, wat een bijkomende last vormt voor het agentschap; is bezorgd over het gebrek aan financiering voor de UNRWA en vraagt die extra kredieten te besteden aan het algemeen fonds ter ondersteuning van het onderwijs, de maatschappelijke dienstverlening en de gezondheidszorg;

48.  herinnert eraan dat, om de schadelijke effecten op lange termijn als gevolg van een humanitaire crisis te verminderen, het van essentieel belang is ervoor te zorgen dat de getroffen kinderen onderwijs blijven krijgen; verhoogt daarom de middelen voor het ondersteunen van onderwijs in de begroting voor humanitaire hulp zodat deze 3 % in plaats van 1 % bedraagt, met het doel tegen 2019 een drempel van 4 % te halen;

49.  hecht zijn goedkeuring aan een symbolische verhoging van de GBVB-begroting ter ondersteuning van alle initiatieven die erop gericht zijn van migratie een specifieke component van civiele GVDB-missies te maken, en steunt daarbij tevens ten volle de militaire operatie EUNAVFOR Med ter bestrijding van mensenhandelaars en -smokkelaars;

50.  is verheugd over het lopende proces van bezinning binnen de EDEO over de toekomst van de speciale vertegenwoordigers van de EU en hun relatie met de EDEO; is van oordeel dat elke wijziging in de begrotingslijn voor de speciale vertegenwoordigers van de EU pas mag worden doorgevoerd nadat het huidige proces van bezinning is voltooid;

51.  acht het noodzakelijk de kredieten op de begrotingslijn voor de Turks-Cypriotische gemeenschap te verhogen (+ 2 miljoen EUR) om een beslissende bijdrage te leveren aan de voortzetting en intensivering van de missie van het Comité vermiste personen op Cyprus en om het door de twee gemeenschappen opgezette technische comité voor cultureel erfgoed te ondersteunen, en zo het vertrouwen en de verzoening tussen de twee gemeenschappen te bevorderen;

52.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst inzake handelsfacilitatie waarover op de 9de ministeriële conferentie van de WTO overeenstemming is bereikt verhoogde steun zal vereisen voor de minst ontwikkelde en ontwikkelingslanden; benadrukt de behoefte aan gecoördineerde inspanningen tussen de Commissie en de lidstaten met betrekking tot internationale financiële instellingen om verlaging van de kredieten voor Aid for trade te voorkomen en onregelmatigheden in de samenwerking met bepaalde partners die leiden tot een verminderde effectiviteit van de uitgaven te vermijden, en ervoor te zorgen dat de Overeenkomst inzake handelsfacilitatie bijdraagt aan ontwikkeling;

53.  besluit, met inbegrip van de proefprojecten en voorbereidende acties, de marge van 261,3 miljoen EUR waarin de OB onder het maximum van de vastleggingskredieten voor rubriek 4 voorziet, volledig te benutten maar in dit stadium niet verder te gaan; verhoogt tevens de betalingskredieten met 132,5 miljoen EUR; kijkt uit naar een vruchtbaar overleg op basis van deze amendementen, waarbij ook de nota van wijzigingen nr. 2/2016 in aanmerking wordt genomen; benadrukt evenwel dat dit maximumbedrag ontoereikend zou kunnen zijn omdat het werd vastgesteld geruime tijd vóór belangrijke ontwikkelingen in Oekraïne, Syrië, Tunesië en meer in het algemeen in de buurlanden, het Midden-Oosten en Afrika; roept daarom op tot een volledige benutting van het potentieel van de reserve voor noodhulp en staat open voor elke verdere gebruikmaking van de flexibiliteitsbepalingen waarin het MFK voorziet om de externe dimensie van de migratie- en vluchtelingencrisis aan te pakken;

Rubriek 5 – Administratie; Overige rubrieken – administratieve en ondersteunende uitgaven voor onderzoek

54.  merkt op dat de Raad in deze rubriek 31,2 miljoen EUR snoeit, waarvan 19,3 miljoen EUR betrekking heeft op de administratieve uitgaven van de Commissie, met name voor haar gebouwen, uitrusting en in het bijzonder voor haar personeel door de forfaitaire verlaging op te trekken tot 4,3 %; ziet geen enkele rechtvaardiging voor de lezing van de Raad en herinnert eraan dat, na de constante bezuinigingen in de afgelopen jaren, de door de Commissie voorgestelde administratieve uitgaven voor 2016 dicht bij het verwachte inflatiepeil blijven, d.w.z. stabiel in reële cijfers, en dat de Commissie haar personeelsbestand voortdurend inkrimpt;

55.  is bovendien van mening dat deze besnoeiingen willekeurig zijn gezien de voorspelbaarheid van dit soort uitgaven die grotendeels gebaseerd zijn op contractuele verplichtingen, en gezien het zeer hoge uitvoeringspercentage zoals blijkt uit de cijfers van de Commissie; merkt met name op dat de bezetting van het organigram van de Commissie op 1 april 2015 een recordhoogte heeft bereikt met 97,8 % daadwerkelijk bezette posten; betreurt dat de Raad ook in andere rubrieken dan rubriek 5 de administratieve en ondersteunende uitgaven voor onderzoek met in totaal 28 miljoen EUR heeft verlaagd, ondanks het feit dat deze cruciaal zijn om het succes van de programma's op de verschillende beleidsgebieden van de Unie te waarborgen;

56.  besluit daarom de bedragen van de OB opnieuw op te nemen op alle lijnen voor administratieve en ondersteunende uitgaven voor onderzoek op beleidsgebieden en op alle lijnen in rubriek 5 die de Raad heeft verlaagd, alsook zijn goedkeuring te hechten aan een beperkt aantal kleine verhogingen;

57.  vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat de gecombineerde begroting van het Comité van toezicht van het OLAF en zijn secretariaat wordt gespecificeerd in een afzonderlijk onderdeel van de OLAF-begroting voor 2016;

Agentschappen

58.  steunt in beginsel de ramingen van de Commissie voor de budgettaire behoeften van de agentschappen; wijst erop dat de Commissie de kredieten die de meeste agentschappen aanvankelijk hadden gevraagd, reeds aanzienlijk heeft verlaagd;

59.  is daarom van mening dat de bijkomende verlagingen die de Raad voorstelt de goede werking van de agentschappen in gevaar kunnen brengen en hun zouden beletten de taken uit te voeren die hun door de wetgevingsautoriteit zijn toebedeeld;

60.  besluit om, binnen het totaalpakket voor migratie, de kredieten voor de belangrijkste agentschappen op dit gebied te verhogen: het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, Frontex, Europol, Eurojust, eu.LISA, Cepol en het Bureau voor de grondrechten, voor een totaalbedrag van 26 miljoen EUR, aangezien deze agentschappen essentieel zijn om het huidige nijpende probleem van migratiestromen op doeltreffende wijze aan te pakken; is ingenomen met de bijkomende kredieten en 120 extra posten voor de agentschappen waarin de gewijzigde begroting nr. 7/2015 voorziet, en verwacht dat dit besluit ook gevolgen zal hebben voor de begroting 2016, alsmede voor de begrotingen van de daaropvolgende jaren; wijst op de snel verslechterende crisissituatie en de enorme toename van de migratiestromen; dringt er bij de Commissie op aan om vóór het begrotingsoverleg actuele en geconsolideerde informatie over de behoeften van de agentschappen te verstrekken; roept de Commissie op een strategie voor de middellange en lange termijn voor te stellen voor de volgende acties van de op het gebied van justitie en binnenlandse zaken bevoegde agentschappen: doelstellingen, missies, coördinatie, ontwikkeling van hotspots en financiële hulpbronnen;

61.  besluit tevens de kredieten in de begroting 2016 te verhogen voor de drie agentschappen voor financieel toezicht omdat zij geconfronteerd worden met extra taken en een grotere werklast; verzoekt de Commissie tegen 2017 een voorstel in te dienen voor een financieringsconcept op grond van vergoedingen ter vervanging van het huidige bijdragenstelsel van de lidstaten, om te waarborgen dat de Europese autoriteiten onafhankelijk zijn van de nationale instanties van de lidstaten;

62.  besluit tevens de kredieten te verhogen voor het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators, het Europees Bureau voor visserijcontrole en het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving, om de beschikbare middelen beter af te stemmen op de taken van de agentschappen;

63.  kan echter niet instemmen met de benadering van de Commissie en de Raad voor het personeel van de agentschappen en wijzigt daarom een aanzienlijk aantal organigrammen; benadrukt eens te meer dat elk agentschap 5 % van de posten, gespreid over 5 jaar, moet schrappen zoals overeengekomen in het IIA, maar dat de nieuwe posten die nodig zijn om extra taken te verrichten als gevolg van nieuwe beleidsontwikkelingen en de nieuwe regelgeving sinds 2013, gepaard moeten gaan met bijkomende middelen en moeten worden geteld buiten de doelstelling van het IIA om het personeelsbestand te verminderen;

64.  herhaalt bijgevolg dat het gekant is tegen het concept van een herschikkingspool tussen de agentschappen, maar bevestigt bereid te zijn posten vrij te maken door te komen tot meer efficiëntie, dit via meer administratieve samenwerking tussen agentschappen of in voorkomend geval zelfs via het analyseren van de mogelijkheden tot fusie, alsook via het delen van bepaalde functies met de Commissie of een ander agentschap;

65.  benadrukt eens te meer dat ambten die worden gefinancierd uit het bedrijfsleven geen gevolgen hebben voor de begroting van de Unie en bijgevolg niet onderworpen zijn aan een inkrimping van het personeelsbestand; benadrukt dat het aan het oordeel van het betrokken agentschap moet worden overgelaten om de fluctuerende werklast op te vangen door de posten waarover het beschikt al dan niet allemaal te bezetten;

66.  wijzigt daarom een aantal organigrammen van agentschappen overeenkomstig de bovenstaande prioriteiten om het personeelsbestand af te stemmen op bijkomende taken, wijzigt andere organigrammen om ze beter af te stemmen op een reële verlaging met 5 % over een periode van 5 jaar en om met vergoedingen gefinancierde posten anders te behandelen; herinnert eraan dat de vermindering met 5 % gespreid over 5 jaar is ingevoerd om de administratieve kosten te verlagen; wijst er in dit verband op dat bijkomende posten in het organigram niet automatisch financiële gevolgen voor de begroting van de Unie hebben, aangezien agentschappen hun posten bezetten afhankelijk van hun behoeften en dus niet altijd alle posten in hun organigram bezetten;

Proefprojecten en voorbereidende acties (PP's en VA's)

67.  besluit na een grondige analyse van de ingediende PP's en VA's, tegen de achtergrond van het slaagpercentage van de lopende projecten en acties, de initiatieven die al gedekt zijn door bestaande rechtsgronden buiten beschouwing latend en ten volle rekening houdend met de beoordeling door de Commissie van de uitvoerbaarheid van de projecten, een compromispakket goed te keuren met een beperkt aantal PP's en VA's, mede gelet op de beperkte marges die beschikbaar zijn;

Betalingen

68.  benadrukt eens te meer het belang van het gezamenlijk betalingsplan 2015-2016 waarover het Europees Parlement, de Raad en de Commissie voorafgaand aan de begrotingsprocedure overeenstemming hebben bereikt, en dat een afspiegeling is van het engagement van de drie instellingen om de betalingsachterstand te verminderen; merkt op dat de drie instellingen hebben afgesproken volledig samen te werken om in de begroting 2016 tot een niveau van betalingskredieten te komen dat toelaat een dergelijke doelstelling te verwezenlijken, en dat de Commissie de gevraagde betalingskredieten voor 2016 op die basis heeft berekend; is van mening dat alle maatregelen ter beheersing van het risico van een onhoudbare betalingsachterstand moeten worden aangevuld met inspanningen voor een productievere gedachtewisseling en voor een betere samenwerkingsgeest tussen de Raad enerzijds en het Parlement en de Commissie anderzijds; herinnert eraan dat artikel 310 VWEU voorschrijft dat de ontvangsten en uitgaven op de Uniebegroting in evenwicht moeten zijn;

69.  betreurt dat, ondanks de matige verhogingen en de comfortabele marges die de Commissie aldus heeft voorgesteld, de Raad heeft besloten de betalingskredieten met 1,4 miljard EUR te verlagen, waarbij zowel begrotingslijnen die worden voltooid als programma's die op kruissnelheid komen worden getroffen, waardoor de geleidelijke afschaffing van de abnormale betalingsachterstand in het gedrang komt; herinnert eraan dat voor de programma's onder direct beheer, een tekort aan betalingskredieten niet alleen tot uiting komt in de ontwikkeling van de achterstand, maar ook in kunstmatige vertragingen bij de uitvoering van programma's, bijvoorbeeld het uitstellen van oproepen tot het indienen van voorstellen en/of van de ondertekening van nieuwe contracten;

70.  besluit voor de betalingskredieten de bedragen van de OB opnieuw op te nemen voor alle lijnen die de Raad heeft verlaagd, in de veronderstelling dat de betalingskredieten die de Commissie in haar OB heeft voorgesteld, op het niveau liggen dat nodig is om de doelstellingen van het betalingsplan te verwezenlijken;

71.  verhoogt in een passende verhouding de betalingskredieten op alle lijnen waar ook de vastleggingskredieten worden verhoogd, waarbij rekening wordt gehouden met gebieden met een snel bestedingsprofiel of met een hoge mate van urgentie, met name Erasmus+, de twee hervestigingsregelingen, de UNRWA en humanitaire hulp; verhoogt de betalingskredieten met nog eens 1 miljard EUR om de vervroegde terbeschikkingstelling van betalingskredieten voor Griekenland integraal met nieuwe middelen te kunnen dekken; besluit tevens om, gezien de uitvoering in het verleden, de betalingskredieten voor het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering te verhogen;

Overige afdelingen

Afdeling I – Europees Parlement

72.  herinnert eraan dat de raming 2016 van het Parlement is vastgesteld op 1 823 648 600 EUR, wat neerkomt op een stijging van 1,6 % ten opzichte van de begroting 2015; herinnert er verder aan dat er nog eens 15 miljoen EUR is uitgetrokken voor dringende investeringen in veiligheid en cyberveiligheid, waardoor zijn totale begroting voor 2016 is vastgesteld op 1 838 648 600 EUR;

73.  wijst erop dat op 15 juni 2015, d.w.z. na de vaststelling van de raming van het Parlement voor 2016, een nieuwe fractie is opgericht en dat, als gevolg van deze veranderingen in de organisatie van het Parlement, bijkomende kredieten nodig zijn om ervoor te zorgen dat alle fracties gelijk worden behandeld;

74.  compenseert deze verhogingen volledig door de kredieten te verlagen op de begrotingslijnen voor de algemene reserve voor onvoorziene uitgaven, de vergoeding voor algemene uitgaven van de leden, bijscholing, inrichting van dienstruimten, energieverbruik, informatica en telecommunicatie, projectinvesteringen en meubilair;

75.  neemt kennis van de conclusies van het Bureau van 7 september 2015 met het oog op de lezing door het Parlement van de begroting 2016, waarin wordt voorgesteld zijn recente besluiten en technische aanpassingen in de begroting op te nemen; hecht zijn goedkeuring aan deze door het Bureau voorgestelde kleine technische wijzigingen, onder meer begrotingsneutrale aanpassingen aan kredieten en het organigram en de actualisering van bepaalde aspecten van de begrotingsnomenclatuur;

76.  laat bijgevolg het totale niveau van zijn begroting voor 2016, zoals goedgekeurd door de plenaire vergadering op 29 april 2015, ongewijzigd op 1 838 648 600 EUR;

77.  benadrukt dat de activiteiten van de fracties geen administratieve werkzaamheden zijn; bevestigt dat, om die reden, het totale personeelsbestand van de fracties wordt vrijgesteld van de doelstelling om het personeelsbestand met 5 % in te krimpen, in overeenstemming met de besluiten die het ten aanzien van de begrotingsjaren 2014(12) en 2015(13) en de raming voor 2016(14) heeft genomen;

78.  herinnert eraan dat de fracties sinds 2012 een aanwervingsstop kenden en dat in de vorige begrotingsjaren slechts gedeeltelijk aan hun behoeften is tegemoet gekomen;

79.  herhaalt zijn toezegging om punt 27 van het IIA uit te voeren en het personeelsbestand met 1 % te verminderen;

80.  benadrukt dat het Parlement en de Raad moeten werken aan een stappenplan voor één zetel voor het Parlement, zoals een grote meerderheid in het Parlement reeds in verschillende resoluties heeft gevraagd, met het oog op langetermijnbesparingen op de begroting van de Unie;

Wijzigingen aan het organigram

81.  verlaagt het organigram van het secretariaat-generaal voor 2016 met 57 ambten (doelstelling om het personeelsbestand met 1 % te verminderen) als volgt: 4 AD14, 13 AD13, 2 AD12, 1 AD9, 2 AD8, 1 AD5, 2 AST11, 1 AST10, 3 AST9, 8 AST8, 7 AST7, 4 AST6, 3 AST5, 2 AST4, 1 AST3, 1 AST1 (vaste ambten) en 2 tijdelijke AST 4-ambten; herinnert eraan dat met de budgettaire gevolgen van deze maatregel reeds rekening is gehouden in de raming;

82.  zet overeenkomstig het nieuwe Statuut 80 vaste AST-ambten (25 AST11, 10 AST10, 5 AST8, 15 AST7, 5 AST6, 5 AST5, 5 AST4, 5 AST3 en 5 AST2) om in 80 AST/SC1-ambten;

83.  voert de volgende technische correcties door: schrapt drie AST7-ambten en drie AST6-ambten, voegt zes AST5-ambten toe en schrapt voetnoot nr. 1 in de lijst van het aantal ambten, aangezien de betrokken procedure in het recente verleden niet is gebruikt;

84.  hecht zijn goedkeuring aan de invoering van 43 nieuwe tijdelijke ambten (2 AD7, 19 AD5, 5 AST5, 5 AST3 en 12 AST1) en aan de opwaardering van één tijdelijk AD10-ambt naar AD14, voor de bijkomende behoeften in verband met de oprichting van de nieuwe fractie;

Vermindering van het personeelsbestand met 5 %

85.  herinnert eraan dat het Parlement de doelstelling om het personeelsbestand met 5 % te verminderen voor het derde opeenvolgende jaar met passende eerbiediging van de letter en de geest van het IIA toepast; benadrukt dat hiertoe 171 vaste ambten in zijn organigram zijn geschrapt sinds 2014(15); benadrukt dat, om de doelstelling om het personeelsbestand met 5 % te verminderen volledig te verwezenlijken, er tegen 2018 nog twee jaarlijkse verminderingen van 57 ambten(16) moeten worden doorgevoerd;

86.  benadrukt dat overeenkomstig punt 27 van het IIA de doelstelling om het personeelsbestand met 5 % te verminderen een compensatiemaatregel is in termen van personeel, die verband houdt met de verhoging van de arbeidstijd van 37,5 tot 40 uur per week, ten opzichte van het personeelsbestand per 1 januari 2013; is van oordeel dat deze vermindering moet gelden voor een constante werkdruk en dat nieuwe verantwoordelijkheden en taken bijgevolg moeten worden vrijgesteld van deze berekening;

87.  merkt op dat het Parlement overeenkomstig de uitbreiding van zijn nieuwe bevoegdheden en taken sinds 2013 belangrijke structurele veranderingen heeft ondergaan, zoals internaliseringsprocessen waarbij het personeel voor zover mogelijk uit interne herschikkingen voortvloeide, en dat nieuwe ambten slechts werden ingevoerd wanneer dit strikt noodzakelijk was; besluit deze extra posten uit te sluiten van de inspanning om het personeelsbestand met 5 % te verminderen;

88.  verzoekt de Commissie met klem bij het toezicht op de uitvoering van de doelstelling om het personeelsbestand van het Parlement te verminderen, rekening te houden met de nieuwe bijkomende overwegingen zoals de constante werkdruk, vrijstelling van de fracties, internaliseringen gecompenseerd door bezuinigingen op de begrotingslijnen voor externe diensten, en nieuwe bevoegdheden en taken;

89.  benadrukt dat de uitvoering van de personeelsinkrimping met 5 % niet ten koste mag gaan van de goede werking van het Parlement en de uitoefening door het Parlement van zijn belangrijkste bevoegdheden, en evenmin zijn uitmuntendheid op het gebied van wetgeving of de kwaliteit van de arbeidsvoorwaarden van de leden en het personeel mag aantasten;

90.  herinnert eraan dat geen enkele overeenkomst het Parlement en de Raad kan beroven van hun soevereine beoordelingsvrijheid en van hun bevoegdheid om ieder jaar te beslissen over de inhoud van de begroting;

Overige personeelskwesties

91.  herinnert eraan dat de behoefte aan nieuwe ambten bij het secretariaat moet worden gedekt door interne herschikking, tenzij de noodzaak om nieuwe ambten te creëren naar behoren is gemotiveerd en aangetoond;

92.  herinnert eraan dat elke reorganisatie van de parlementaire werkzaamheden of van de procedures niet mag leiden tot een verslechtering van de arbeidsomstandigheden en sociale rechten van het personeel, ongeacht hun positie;

93.  herinnert eraan dat, om ervoor te zorgen dat de leden voor hun parlementaire werkzaamheden over voldoende ondersteuning beschikken, een nieuw evenwicht noodzakelijk is tussen geaccrediteerde parlementaire medewerkers en plaatselijke medewerkers; neemt kennis van het feit dat de secretaris-generaal een voorstel aan het Bureau heeft gedaan om dit doel te bereiken; neemt nota van het akkoord van het Bureau, aangezien het in wezen beantwoordt aan de vraag die het Europees Parlement in voormelde resolutie van 29 april 2015 heeft gesteld met betrekking tot de raming van het Parlement; is verheugd over het besluit om dit akkoord met onmiddellijke ingang toe te passen;

94.  herhaalt zijn toezegging om meertaligheid bij de parlementaire werkzaamheden te ondersteunen via strenge normen voor vertolking en vertaling; verzoekt de secretaris-generaal aan de Begrotingscommissie de resultaten te bezorgen van de analyse en de beoordeling die hij heeft ondernomen nadat geen akkoord kon worden bereikt over de nieuwe arbeidsomstandigheden voor tolken (voorjaar 2015); spreekt de verwachting uit dat de secretaris-generaal alle flexibiliteit aan de dag zal leggen die nodig is om te zorgen voor kwalitatief hoogwaardige vertolkings- en vertaaldiensten voor de leden;

95.  verzoekt de secretaris-generaal een gedetailleerd overzicht te verstrekken van alle ambten in het Parlement in de periode 2014-2016, met inbegrip van de indeling van het aantal ambten per dienst, categorie en type contract;

Gebouwenbeleid

96.  herinnert eraan dat de Begrotingscommissie op gezette tijden moet worden ingelicht over nieuwe ontwikkelingen op het gebied van het gebouwenbeleid van het Parlement en tijdig moet worden geraadpleegd, d.w.z. voordat een contract wordt gesloten, over vastgoedprojecten die financiële gevolgen hebben; bevestigt dat de financiële gevolgen van alle vastgoedprojecten nauwgezet zullen worden onderzocht;

97.  is van mening dat besluiten in verband met vastgoedprojecten moeten worden onderworpen aan een transparante besluitvorming;

98.  herhaalt nogmaals zijn oproep dat de nieuwe vastgoedstrategie voor de middellange termijn zo spoedig mogelijk en uiterlijk begin 2016 aan de Begrotingscommissie wordt voorgelegd, namelijk tijdig voor de opstelling van de raming van het Parlement voor het begrotingsjaar 2017; verzoekt de secretaris-generaal een mogelijke langetermijnstrategie tot 2025 ruim voor de lezing van de begroting door het Parlement in het najaar van 2016 aan de Begrotingscommissie voor te leggen;

99.  merkt op dat sinds 2014 geen kredieten zijn opgenomen voor investeringen in de bouw van het Konrad Adenauer-gebouw (KAD) in Luxemburg; herinnert eraan dat in de raming voor 2016 enkel kredieten zijn opgenomen ter dekking van werkzaamheden en diensten die rechtstreeks door het Parlement moeten worden betaald, voornamelijk voor het beheer van het project, technische expertise en adviezen; verzoekt de secretaris-generaal vóór het eind van dit jaar te beoordelen welke kredieten in de begroting 2015 niet zijn gebruikt en deze eind 2015 via een verzoek om overschrijving toe te wijzen aan het KAD-project, om in de toekomst zoveel mogelijk bouwgerelateerde rentebetalingen te vermijden;

Uitgaven van de leden

100.  herhaalt de oproep tot meer transparantie betreffende de algemene kostenvergoeding van de leden; verzoekt het Bureau van het Parlement nauwkeuriger regels op te stellen over de verantwoordingsplicht met betrekking tot de uitgaven die uit deze vergoeding kunnen worden gedaan, zonder dat dit voor het Parlement extra kosten met zich brengt;

101.  vraagt een evaluatie van de resultaten van de vrijwillige benadering die de gezamenlijke werkgroep heeft gekozen om vliegen in business class door de leden en het personeel te beperken, alsook van de mogelijke manieren om meer voordelige tarieven te verkrijgen en zo de reiskosten van de leden en het personeel te verminderen;

Afdeling IV – Hof van Justitie

102.  betreurt dat, ondanks de aanhoudende stijging van het volume van de justitiële activiteit en de geplande hervorming van het Gerecht, de Commissie het personeelsbestand met 20 ambten heeft verminderd, waarbij een risico op knelpunten ontstaat en de goede werking en de snelheid van de rechtsbedeling in het gedrang komen; besluit daarom de 20 ambten waarom het Hof aanvankelijk had gevraagd, opnieuw op te nemen;

103.  betreurt dat de Raad de forfaitaire verlaging die wordt toegepast op de kredieten voor de bezoldiging van het personeel heeft opgetrokken van 2,5 % tot 3,2 %, wat neerkomt op een besnoeiing van 1,55 miljoen EUR en in tegenspraak is met de buitengewoon hoge bezetting van de ambten bij het Hof (98 % eind 2014) en het hoge uitvoeringspercentage van de begroting (99 % in 2014); past daarom de forfaitaire verlaging opnieuw aan tot het niveau van de ontwerpbegroting en annuleert de overeenkomstige verlaging van de kredieten om te waarborgen dat het Hof adequaat kan omgaan met de aanzienlijke toename van het aantal zaken en ten volle gebruik kan maken van het aantal toegekende ambten;

104.  besluit verder de zeven ambten waarom het Hof aanvankelijk had gevraagd opnieuw op te nemen opdat het kan voldoen aan een dubbele eis, namelijk de afdeling veiligheid en zekerheid van het Hof versterken om het personeel, de bezoekers en de documenten beter te beschermen, en het nieuwe artikel 105 van het Reglement van het Gerecht uitvoeren, waarin is bepaald dat er een sterk beveiligd systeem moet worden opgezet om ervoor te zorgen dat partijen die bij bepaalde zaken betrokken zijn informatie en materiaal kunnen verstrekken dat verband houdt met de veiligheid van de Unie, de lidstaten of het onderhouden van hun internationale betrekkingen;

105.  benadrukt in dit verband de behoefte aan middelen voor beveiliging en bewaking van de gebouwen van het Hof en besluit daarom de door de Raad voorgestelde verlagingen op dit gebied ongedaan te maken en opnieuw het niveau van de ontwerpbegroting op te nemen;

106.  annuleert de bestaande reserve voor dienstreizen en vervangt deze door een nieuwe reserve, die zal worden vrijgegeven wanneer het Hof informatie publiceert over de externe activiteiten van zijn rechters, zoals gevraagd door het Parlement in zijn kwijtingsresolutie 2013 met betrekking tot het Hof(17);

Afdeling V – Rekenkamer

107.  past de forfaitaire verlaging aan tot het aanvankelijke niveau van 2,76 %, om de Rekenkamer in staat te stellen te voldoen aan haar behoeften in verband met het personeelsbestand;

108.  maakt alle andere verlagingen ongedaan die de Raad voor de Rekenkamer heeft doorgevoerd, zodat zij haar werkprogramma kan uitvoeren en de geplande auditverslagen kan opstellen;

Afdeling VI – Europees Economisch en Sociaal Comité

109.  past de forfaitaire verlaging aan tot het aanvankelijke niveau van 4,5 %, om het Comité in staat te stellen te voldoen aan zijn behoeften en het hoofd te bieden aan de aanhoudende vermindering van zijn personeelsbestand in het kader van de samenwerkingsovereenkomst tussen het Europees Parlement en het Comité;

110.  besluit verder de bedragen van de ontwerpbegroting opnieuw op te nemen voor wat de reis- en verblijfkosten betreft;

Afdeling VII – Comité van de Regio's

111.  verlaagt enerzijds de kredieten voor bezoldigingen en vergoedingen met een bedrag dat overeenkomt met 66 opwaarderingen en vier extra ambten waarmee in de ontwerpbegroting nog geen rekening is gehouden, om zo de overdracht van die ambten naar het Parlement te weerspiegelen;

112.  verhoogt anderzijds de kredieten op een aantal lijnen (uitbesteding van vertalingen, derden, communicatie, representatiekosten, communicatie van de fracties, dienstreizen en reiniging en onderhoud) om deze beter af te stemmen op de eigen ramingen van het Comité, opdat het zijn politieke werkzaamheden kan verrichten en aan zijn verplichtingen kan voldoen;

113.  maakt tot slot de verlagingen van de Raad ongedaan op het gebied van veiligheid van en toezicht op de gebouwen van het Comité om te zorgen voor voldoende financiering voor beveiligingsmaatregelen voor het geval het dreigingsniveau voor de veiligheid in 2016 zou toenemen ("geel");

Afdeling VIII – Europese Ombudsman

114.  betreurt dat de Raad de ontwerpbegroting van de Ombudsman met 135 000 EUR heeft verlaagd; benadrukt dat deze verlaging een onevenredige last vormt voor de zeer beperkte begroting van de Ombudsman en belangrijke gevolgen heeft voor het vermogen van de instelling om de EU-burgers efficiënt van dienst te zijn; maakt daarom alle verlagingen door de Raad ongedaan om de Ombudsman in staat te stellen zijn mandaat uit te oefenen en zijn verplichtingen na te komen;

Afdeling IX – Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming

115.  betreurt dat de Raad de ontwerpbegroting van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming met 135 000 EUR heeft verlaagd; benadrukt dat deze verlaging een onevenredige last vormt voor de zeer beperkte begroting van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en belangrijke gevolgen heeft voor het vermogen van de instelling om de instellingen van de Unie efficiënt van dienst te zijn; maakt daarom alle verlagingen door de Raad ongedaan om de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming in staat te stellen zijn mandaat uit te oefenen en zijn verplichtingen na te komen;

Afdeling X – Europese dienst voor extern optreden

116.  is van mening dat, om het hoofd te kunnen bieden aan de uitdagingen van de geopolitieke onzekerheid en ervoor te zorgen dat de Unie overal ter wereld haar rol kan vervullen, passende financiering van de EDEO moet worden gewaarborgd; neemt daarom voor alle lijnen de bedragen van de ontwerpbegroting opnieuw op en schrapt het voorbehoud dat de Raad heeft gemaakt in verband met de schommeling van de wisselkoers van de euro;

o
o   o

117.  is ervan overtuigd dat de begroting van de Unie een bijdrage kan leveren om niet alleen de gevolgen maar ook de onderliggende oorzaken van de crises waarmee de Unie momenteel wordt geconfronteerd op doeltreffende wijze aan te pakken; is evenwel van mening dat onvoorziene gebeurtenissen met een Uniebrede dimensie moeten worden aangepakt door de inspanningen te bundelen en extra middelen op het niveau van de Unie ter beschikking te stellen, en niet door vroegere verbintenissen in vraag te stellen of terug te grijpen naar de illusie van louter nationale oplossingen; benadrukt daarom dat flexibiliteitsbepalingen er precies zijn om een dergelijke gezamenlijke en snelle respons mogelijk te maken en dat deze ten volle moeten worden benut om de strikte beperkingen van de MFK-maxima op te vangen;

118.  benadrukt dat, nauwelijks twee jaar na het begin van het huidige MFK, de Commissie reeds twee keer heeft moeten verzoeken om de beschikbaarstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument en uit de marge voor onvoorziene uitgaven om dringende en onvoorziene behoeften te dekken die niet konden worden gefinancierd binnen de bestaande maxima van het MFK; wijst er tevens op dat de totale marge voor vastleggingen in 2015, het eerste jaar van de looptijd, reeds onmiddellijk volledig werd gebruikt, terwijl de middelen voor twee belangrijke programma's van de Unie moesten worden verlaagd om nieuwe initiatieven te kunnen financieren; benadrukt dat vanwege de vervroegde terbeschikkingstelling in 2014-2015, meerdere EU-programma's over minder of zelfs geen vastleggingskredieten beschikken vanaf 2016; acht het bijgevolg duidelijk dat de maxima van het MFK in veel rubrieken te krap zijn en de Unie verlammen op gebieden waar de behoeften het grootst zijn, terwijl de beschikbare flexibiliteitsmechanismen van het MFK reeds hun grenzen hebben bereikt; is van mening dat deze ontwikkelingen pleiten voor een echte tussentijdse herziening van het MFK; ziet vol verwachting uit naar de desbetreffende ambitieuze voorstellen van de Commissie in 2016;

119.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, samen met de amendementen op het ontwerp van algemene begroting, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige instellingen en de betrokken organen, alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.
(2) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0061.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0172.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0263.
(8) Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 31).
(9) Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie voor het begrotingsjaar 2013 (PB L 255 van 30.9.2015, blz. 395).
(10) Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470).
(11) Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (PB L 221 van 8.8.1998, blz. 23).
(12) Resolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2013 over het standpunt van de Raad over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014 (Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0437).
(13) Resolutie van het Europees Parlement van 22 oktober 2014 over het standpunt van de Raad over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0036).
(14) Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2016 (Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0172).
(15) -67 ambten in 2014, -47 ambten in 2015 en -57 ambten in 2016.
(16) Aangezien er een politiek besluit is om de fracties van deze berekening uit te sluiten, wordt deze vermindering toegepast op het gedeelte van het secretariaat in het organigram (referentieaantal posten (1 %):-57).
(17) Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling IV – Hof van Justitie (PB L 255 van 30.9.2015, blz. 118).


Hof van Justitie van de Europese Unie: aantal rechters bij het Gerecht ***II
PDF 250kWORD 63k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 oktober 2015 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Protocol nr. 3 betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie (09375/1/2015 – C8-0166/2015 – 2011/0901B(COD))
P8_TA(2015)0377A8-0296/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (09375/1/2015 – C8-0166/2015),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(1) inzake het verzoek van het Hof van Justitie dat aan het Europees Parlement en de Raad is voorgelegd (02074/2011),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 21 oktober 2015 om het standpunt van het Europees Parlement in tweede lezing goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 8, onder a) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 69 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie juridische zaken (A8-0296/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in tweede lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad die als bijlage bij de deze resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, het Hof van Justitie, en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in tweede lezing vastgesteld op 28 oktober 2015 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU, Euratom) 2015/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Protocol nr. 3 betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2015/2422.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad

Aan het einde van het hervormingsproces zal het Gerecht uit twee rechters per lidstaat bestaan. Omwille van de gelijkheid van vrouwen en mannen, die overeenkomstig artikel 3 VEU een doelstelling van de Europese Unie is, moeten de regeringen van de lidstaten daarom bij de benoeming van rechters van het Gerecht overeenkomstig artikel 254 VWEU zoveel mogelijk zorgen voor een gelijke vertegenwoordiging van vrouwen en mannen.

(1) Aangenomen teksten van 15.4.2014, P7_TA(2014)0358.


Bepalingen voor de visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (General Fisheries Commission for the Mediterranean — Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee) ***II
PDF 252kWORD 62k
Resolutie
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 oktober 2015 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1343/2011 tot vaststelling van een aantal bepalingen voor de visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (General Fisheries Commission for the Mediterranean — Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee) (08806/1/2015 – C8-0260/2015 – 2014/0213(COD))
P8_TA(2015)0378A8-0295/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (08806/1/2015 – C8-0260/2015),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 oktober 2014(1),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0457),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 76 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie visserij (A8-0295/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de verklaring die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

5.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en met instemming van de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan, samen met de daarop betrekking hebbende verklaring van het Europees Parlement, in het Publicatieblad van de Europese Unie;

6.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van het Europees Parlement over het toestaan van afwijkingen voor het gebruik van sleepnetten en kieuwnetten in de Zwarte Zee

"Het Europees Parlement verklaart dat de bepalingen in artikel 15 bis over afwijkingen van het verbod op het gebruik van bepaald vistuig in de kustwateren van de Zwarte Zee, die moeten worden ingevoegd in Verordening (EU) nr. 1343/2011, van uitzonderlijke aard zijn. Hierin wordt rekening gehouden met de actuele toestand in de regio, waar de lidstaten maatregelen hebben ingesteld om het gebruik van het vistuig in kwestie toe te staan in overeenstemming met de desbetreffende aanbevelingen van de GFCM (Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee). Die informatie was al beschikbaar gesteld aan het Parlement voordat het huidige voorstel van de Commissie was ingediend. Om bovengenoemde redenen aanvaardt het Parlement in de huidige context de regeling op grond waarvan de desbetreffende lidstaten de afwijking in kwestie mogen toestaan. Het benadrukt echter dat deze bepalingen niet als precedent mogen worden genomen of gebruikt voor toekomstige rechtshandelingen."

(1) PB C 12 van 15.1.2015, blz. 116.
(2) Aangenomen teksten van 13.1.2015, P8_TA(2015)0005.


Gebruik van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders ***I
PDF 259kWORD 62k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 oktober 2015 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 wat betreft de mogelijkheid voor de lidstaten het gebruik van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders op hun grondgebied te beperken of te verbieden (COM(2015)0177 – C8-0107/2015 – 2015/0093(COD))
P8_TA(2015)0379A8-0305/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0177),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0107/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

—  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, het Spaanse parlement, de Nederlandse Tweede Kamer en de Oostenrijkse Bondsraad, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

—  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 september 2015(1),

—  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 13 oktober 2015(2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8‑0305/2015),

1.  verwerpt het voorstel van de Commissie;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel in te trekken en een nieuw voorstel in te dienen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) Nog niet in het Publicatieblad gepubliceerd.
(2) Nog niet in het Publicatieblad gepubliceerd.


Nieuwe voedingsmiddelen ***I
PDF 248kWORD 86k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 oktober 2015 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende nieuwe voedingsmiddelen (COM(2013)0894 – C7-0487/2013 – 2013/0435(COD))
P8_TA(2015)0380A8-0046/2014

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0894),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0487/2013),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de standpunten van zowel de Raad als het Europees Parlement van 29 maart 2011, toen de bemiddeling over nieuwe voedingsmiddelen mislukte,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Franse Nationale Vergadering en de Franse Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 30 april 2014(1),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie internationale handel en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0046/2014),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 28 oktober 2015 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2015/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende nieuwe voedingsmiddelen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2015/2283.)

(1) PB C 311 van 12.09.2014, blz. 73.


Emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen ***I
PDF 693kWORD 341k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 28 oktober 2015 op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG (COM(2013)0920 – C7-0004/2014 – 2013/0443(COD))(1)
P8_TA(2015)0381A8-0249/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)   In het Zevende Milieuactieprogramma18 wordt de langetermijndoelstelling van de Unie voor het beleid inzake luchtkwaliteit bevestigd, te weten het bereiken van een luchtkwaliteit die niet leidt tot aanzienlijke nadelige effecten op en risico’s voor de menselijke gezondheid en het milieu, en wordt om die reden aangedrongen op de volledige naleving van de bestaande EU-wetgeving inzake luchtkwaliteit, strategische doelstellingen en maatregelen voor na 2020, vergroting van de inspanningen in gebieden waar de bevolking en ecosystemen worden blootgesteld aan hoge niveaus van luchtverontreinigende stoffen en versterking van de synergiën tussen wetgeving inzake luchtkwaliteit en de beleidsdoelstellingen van de Unie, met name op het gebied van klimaatverandering en biodiversiteit.
(2)   In het Zevende Milieuactieprogramma18 wordt de langetermijndoelstelling van de Unie voor het beleid inzake luchtkwaliteit bevestigd, te weten het bereiken van een luchtkwaliteit die niet leidt tot aanzienlijke nadelige effecten op en risico’s voor de menselijke gezondheid en het milieu, en wordt om die reden aangedrongen op de volledige naleving van de bestaande EU-wetgeving inzake luchtkwaliteit, strategische doelstellingen en maatregelen voor na 2020, vergroting van de inspanningen in gebieden waar de bevolking en ecosystemen worden blootgesteld aan hoge niveaus van luchtverontreinigende stoffen en versterking van de synergiën tussen wetgeving inzake luchtkwaliteit en de beleidsdoelstellingen van de Unie, met name op het gebied van klimaatverandering en biodiversiteit. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2014-2020 biedt de lidstaten de mogelijkheid om bij te dragen aan de luchtkwaliteit met specifieke maatregelen. Toekomstige evaluatie zal leiden tot een beter begrip van de effecten van deze maatregelen.
__________________
__________________
18Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 “Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet”, COM(2012)0710 van 29.11.2012.
18Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 “Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet”, COM(2012)0710 van 29.11.2012.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  De lidstaten en de Unie zijn partij bij het Verdrag van Minamata inzake kwik van 2013, dat tot doel heeft om de menselijke gezondheid en de bescherming van het milieu te verbeteren door de kwikemissies afkomstig van bestaande en nieuwe bronnen te verminderen. Het is de bedoeling dat deze richtlijn bijdraagt aan de vermindering van de emissies van kwik in de Unie, zoals vereist bij de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 28 januari 2005 over een Strategie van de Gemeenschap voor kwik en het Verdrag van Minamata inzake kwik.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)   Het stelsel voor nationale emissieplafonds dat in Richtlijn 2001/81/EG is vastgesteld, dient derhalve te worden herzien om het in overeenstemming te brengen met de internationale verbintenissen van de Unie en de lidstaten.
(6)   Het stelsel voor nationale emissieplafonds dat in Richtlijn 2001/81/EG is vastgesteld, dient derhalve te worden herzien om ervoor te zorgen dat de internationale verbintenissen van de Unie en de lidstaten worden nagekomen.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8
(8)   Deze richtlijn dient tevens bij te dragen tot de verwezenlijking van de in de wetgeving van de Unie vastgestelde luchtkwaliteitsdoelstellingen, de verzachting van de effecten van klimaatverandering door het verminderen van de emissies van kortlevende verontreinigende stoffen die schadelijk zijn voor het klimaat, en tot de verbetering van de luchtkwaliteit wereldwijd.
(8)   Deze richtlijn dient tevens op kostenefficiënte wijze bij te dragen tot de verwezenlijking van de in de wetgeving van de Unie vastgestelde luchtkwaliteitsdoelstellingen, de verzachting van de effecten van klimaatverandering door het verminderen van de emissies van kortlevende verontreinigende stoffen die schadelijk zijn voor het klimaat naast de verbetering van de luchtkwaliteit wereldwijd, alsook door de synergieën met het klimaat- en energiebeleid van de Unie te verbeteren en overlapping met bestaande wetgeving van de Unie te voorkomen. Deze richtlijn moet in het bijzonder worden afgestemd op hetgeen door de Unie en op internationaal vlak gedaan wordt ten aanzien van klimaatverandering, waaronder het beleidskader klimaat en energie 2030 en de inspanningen gericht op het sluiten van een alomvattende, bindende mondiale klimaatovereenkomst.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)  Deze richtlijn dient ook bij te dragen tot de vermindering van de gezondheidsgerelateerde kosten van luchtverontreiniging in de Unie door de levenskwaliteit van de EU-burgers te verbeteren en de overgang naar een groene economie te bevorderen.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 ter (nieuw)
(8 ter)  Om de emissies afkomstig van het zeevervoer te verminderen is het noodzakelijk om de door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) vastgestelde grenswaarden volledig en tijdig in te voeren en Richtlijn 2012/33/EU van het Europees Parlement en de Raad strikt te handhaven1a. Daarnaast zijn verdere maatregelen ter beperking van de scheepvaartemissies noodzakelijk. Het is wenselijk dat de Unie en de lidstaten zich beraden op de vaststelling van nieuwe beheersgebieden voor emissies en binnen de IMO blijven streven naar een verdere vermindering van de emissies.
______________
1a Richtlijn 2012/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG van de Raad wat het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen betreft (PB L 327 van 27.11.2012, blz. 1).
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9
(9)  De lidstaten hebben zich te houden aan in deze richtlijn voor 2020 en 2030 vastgestelde emissiereductieverbintenissen. Om aantoonbare vorderingen op weg naar de verbintenissen voor 2030 te waarborgen nemen de lidstaten intermediaire niveaus voor 2025 in acht, die worden bepaald op basis van een lineair traject tussen de emissieniveaus voor 2020 en de emissiereductieverbintenissen voor 2030, tenzij dit buitensporige kosten zou inhouden. Wanneer het onmogelijk blijkt de emissies in 2025 op dusdanige wijze te beperken, lichten de lidstaten de redenen hiervoor toe in de verslagen overeenkomstig deze richtlijn.
(9)  Om de atmosferische emissies van luchtverontreinigende stoffen te beperken en op doeltreffende wijze bij te dragen aan de doelstelling van de Unie om een luchtkwaliteit te verwezenlijken die geen aanleiding geeft tot ingrijpende gevolgen en risico’s voor de gezondheid, en aan een vermindering van de niveaus en afzetting van verzuring en eutrofiëring veroorzakende verontreinigende stoffen tot onder de kritische belastingwaarden en niveaus, worden in deze richtlijn bindende nationale emissiereductieverbintenissen voor 2020, 2025 en 2030 vastgesteld.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 11
(11)   Om te bevorderen dat de emissiereductieverbintenissen en de intermediaire emissieniveaus op een kosteneffectieve manier worden nagekomen c.q. bereikt dient de lidstaten de mogelijkheid te worden geboden om ook de reductie van de emissies van de internationale zeevaart in aanmerking te nemen indien de emissies van die sector lager zijn dan de emissieniveaus die zouden voortvloeien uit de naleving van de normen in de wetgeving van de Unie, met inbegrip van de grenswaarden voor zwavel in brandstoffen die zijn vastgesteld in Richtlijn 1999/32/EG van de Raad21. De lidstaten moeten ook de mogelijkheid hebben om hun verbintenissen en intermediaire emissieniveaus op het gebied van methaan (CH4) gezamenlijk na te komen c.q. te bereiken en daartoe gebruik te maken van Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad22. Ter controle van de naleving van de nationale emissieplafonds, de emissiereductieverbintenissen en de intermediaire emissieniveaus kunnen de lidstaten hun nationale emissie-inventarissen aanpassen in het licht van verbeterd wetenschappelijk inzicht en verbeterde emissiemethodieken. De Commissie kan bezwaar maken tegen het gebruik van deze flexibiliteit door een lidstaat, indien niet aan de in deze richtlijn vastgestelde voorwaarden is voldaan.
(11)   Om te bevorderen dat de emissiereductieverbintenissen en de intermediaire emissieniveaus op een kosteneffectieve manier worden nagekomen c.q. bereikt, moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om hun verbintenissen op het gebied van methaan (CH4) gezamenlijk na te komen c.q. te bereiken en daartoe gebruik te maken van Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad22. Ter controle van de naleving van de nationale emissieplafonds, de emissiereductieverbintenissen en de emissieniveaus kunnen de lidstaten hun nationale emissie-inventarissen aanpassen in het licht van verbeterd wetenschappelijk inzicht en verbeterde emissiemethodieken. De Commissie kan bezwaar maken tegen het gebruik van deze flexibiliteitsmogelijkheden door een lidstaat, indien niet aan de in deze richtlijn vastgestelde voorwaarden is voldaan.
__________________
__________________
21Richtlijn 1999/32/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG (PB L 121 van 11.5.1999, blz. 13).
22 Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136).
22 Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136).
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12
(12)   De lidstaten dienen een nationaal programma ter beperking van de luchtverontreiniging vast te stellen en uit te voeren met het oog op het bereiken van de voor hen geldende eisen op het gebied van emissiereductie en intermediaire emissieniveaus en het leveren van een effectieve bijdrage aan het bereiken van de luchtkwaliteitsdoelstellingen van de Unie. De lidstaten dienen in verband hiermee rekening te houden met de noodzaak om de emissies te verminderen in zones en agglomeraties met te hoge concentraties aan luchtverontreinigende stoffen en/of in zones die aanzienlijk bijdragen aan de luchtverontreiniging in andere zones en agglomeraties, ook als die zich in de buurlanden bevinden. De nationale programma’s ter beperking van de luchtverontreiniging moeten derhalve bijdragen aan de geslaagde uitvoering van de luchtkwaliteitsplannen die in artikel 23 van Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad23 zijn vastgesteld.
(12)   De lidstaten dienen een nationaal programma ter beperking van de luchtverontreiniging vast te stellen en uit te voeren met het oog op het bereiken van de voor hen geldende eisen op het gebied van emissiereductie en het leveren van een effectieve bijdrage aan het bereiken van de luchtkwaliteitsdoelstellingen van de Unie. De lidstaten dienen in verband hiermee rekening te houden met de noodzaak om de emissies te verminderen in zones en agglomeraties met te hoge concentraties aan luchtverontreinigende stoffen en/of in zones die aanzienlijk bijdragen aan de luchtverontreiniging in andere zones en agglomeraties, ook als die zich in de buurlanden bevinden. De nationale programma’s ter beperking van de luchtverontreiniging moeten derhalve bijdragen aan de geslaagde uitvoering van de luchtkwaliteitsplannen die in artikel 23 van Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad23 zijn vastgesteld.
__________________
__________________
23 Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PB L 152 van 11.6.2008, blz. 1).
23 Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PB L 152 van 11.6.2008, blz. 1).
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13
(13)   Om de atmosferische emissies van NH3 en PM2,5 uit de voornaamste bronnen te verminderen dienen de nationale programma's ter beperking van de luchtverontreiniging maatregelen te omvatten die van toepassing zijn op de landbouwsector. De lidstaten dient de mogelijkheid te worden geboden om andere maatregelen toe te passen dan die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld, mits deze onder de gegeven nationale omstandigheden een gelijkwaardig niveau van milieubescherming bieden.
(13)   Om de atmosferische emissies van NH3, CH4 en PM2,5 uit de voornaamste bronnen te verminderen dienen de nationale programma's ter beperking van de luchtverontreiniging maatregelen te omvatten die van toepassing zijn op de landbouwsector. Deze maatregelen moeten kosteneffectief zijn en gebaseerd zijn op specifieke informatie en gegevens, waarbij rekening wordt gehouden met de wetenschappelijke vooruitgang en met de maatregelen die eerder door de lidstaten zijn genomen. Bovendien is het wenselijk om op Unieniveau uit te wisselen richtsnoeren te ontwikkelen voor goede praktijken inzake het gebruik van NH3 in de landbouw met als doel deze emissies te verminderen. De lidstaten dient de mogelijkheid te worden geboden om andere maatregelen toe te passen dan die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld, mits deze onder de gegeven nationale omstandigheden een gelijkwaardig niveau van milieubescherming bieden.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)  Om de emissies uit de voornaamste bronnen te verminderen dienen de nationale programma's ter beperking van de luchtverontreiniging maatregelen te omvatten voor alle betrokken sectoren, met inbegrip van de landbouw, de industrie, het wegvervoer, niet voor de weg bestemde verplaatsbare machines, de binnenscheepvaart en de nationale kustvaart, huisverwarming en oplosmiddelen. De lidstaten dient de mogelijkheid te worden geboden om andere maatregelen toe te passen dan die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld, mits deze, rekening houdend met de nationale omstandigheden, een gelijkwaardig niveau van milieubescherming bieden.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 ter (nieuw)
(13 ter)  Indien zij maatregelen nemen die worden opgenomen in nationale luchtcontroleprogramma´s van toepassing op de landbouwsector, dienen lidstaten ervoor te zorgen dat volledig rekening wordt gehouden met de effecten op kleine en middelgrote landbouwbedrijven en dat deze effecten geen grote extra kosten met zich meebrengen die dergelijke bedrijven niet kunnen dragen. Verbetering van de luchtkwaliteit moet worden bereikt door middel van evenredige maatregelen die de toekomst van landbouwbedrijven veiligstellen. De nationale programma's ter beperking van de luchtverontreiniging dienen een evenwicht te bewerkstelligen tussen veehouderij en beperking van de verontreiniging.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 quater (nieuw)
(13 quater)  De maatregelen die in het kader van de nationale luchtcontroleprogramma´s worden genomen om de NH3-, CH4-, en PM2,5-emissies in de landbouwsector te voorkomen, moeten in aanmerking komen voor financiële steun uit, onder meer, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, met name maatregelen door kleine en middelgrote landbouwbedrijven waarvoor grote veranderingen van de werkmethodes of aanzienlijke investeringen vereist zijn, zoals extensieve begrazing, agro-ecologie, anaërobe vergisting door landbouwafval voor de productie van biogas, en dierenverblijfsystemen met geringe emissie.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14 bis (nieuw)
(14 bis)  Ter verbetering van de luchtkwaliteit, met name in stedelijke gebieden, dienen de nationale programma's ter beheersing van de luchtverontreiniging maatregelen te omvatten om de emissies van stikstofoxiden en stofdeeltjes in deze gebieden te verminderen.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15 bis (nieuw)
(15 bis)  Overeenkomstig het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden en de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie dient het publiek een ruime toegang tot de rechter te genieten om de doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van deze richtlijn te verzekeren en bij te dragen tot de bescherming van het recht in een milieu te leven dat passend is voor persoonlijke gezondheid en welzijn.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15 ter (nieuw)
(15 ter)  Milieu-inspecties en markttoezicht zijn noodzakelijk om de doeltreffendheid van deze richtlijn te garanderen evenals die van de maatregelen die worden getroffen met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15 quater (nieuw)
(15 quater)  Bij het beoordelen van de synergieën tussen het luchtkwaliteitsbeleid en het klimaat- en energiebeleid van de EU dient de Commissie rekening te houden met de studie van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement getiteld "Luchtkwaliteit - aanvullende effectbeoordeling van de interactie tussen het luchtkwaliteitsbeleid en het klimaat- en energiebeleid van de EU".
Amendement 123
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 20
(20)   Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad26 moet worden gewijzigd om ervoor te zorgen dat deze richtlijn overeenstemt met het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (1998).
(20)   Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad26 moet worden gewijzigd om ervoor te zorgen dat deze richtlijn en Richtlijn 2008/50/EG overeenstemmen met het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (1998).
__________________
__________________
26 Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (PB L 156 van 25.6.2003, blz. 17).
26 Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (PB L 156 van 25.6.2003, blz. 17).
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 21
(21)   Teneinde rekening te houden met de technische ontwikkelingen moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen betreffende de wijziging van de in bijlage I, alsook deel 1 van bijlage III, bijlage IV en bijlage V vastgestelde rapportagerichtsnoeren om deze aan de technische vooruitgang aan te passen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens de voorbereiding passend overleg pleegt, onder meer met deskundigen. De Commissie dient er bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen voor te zorgen dat de desbetreffende documenten gelijktijdig, tijdig en op gepaste wijze aan het Europees Parlement en de Raad worden toegezonden.
(21)   Teneinde rekening te houden met de technische ontwikkelingen moet aan de Commissie voor een bepaalde periode de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen betreffende de wijziging van de in bijlage I, alsook deel 1 van bijlage III, bijlage IV en bijlage V vastgestelde rapportagerichtsnoeren om deze aan de technische vooruitgang aan te passen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens de voorbereiding passend overleg pleegt, onder meer met deskundigen. De Commissie dient er bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen voor te zorgen dat de desbetreffende documenten gelijktijdig, tijdig en op gepaste wijze aan het Europees Parlement en de Raad worden toegezonden.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 26 bis (nieuw)
(26 bis)  De kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten dienen hun nationale recht zoveel mogelijk op deze richtlijn af te stemmen.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 bis (nieuw)
Deze richtlijn heeft tot doel de atmosferische emissies van verzuring en eutrofiëring veroorzakende verontreinigende stoffen, ozonprecursoren, primaire stofdeeltjes, precursoren van secundaire stofdeeltjes en andere luchtverontreinigende stoffen te beperken en op die manier een bijdrage te leveren aan:
(a)  de langetermijndoelstelling van de Unie om te komen tot niveaus van luchtkwaliteit die niet leiden tot een aanzienlijk negatief effect op en een gevaar voor de volksgezondheid en het milieu, overeenkomstig de door de Wereldgezondheidsorganisatie gepubliceerde luchtkwaliteitsrichtsnoeren;
(b)  de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie op het gebied van biodiversiteit en ecosystemen door vermindering van de afzetting en het niveau van verzuring en eutrofiëring veroorzakende verontreinigende stoffen en andere verontreinigende stoffen, met inbegrip van ozon op leefniveau, tot onder de kritische belastingwaarden en niveaus;
(c)  de verwezenlijking van de in de wetgevingshandelingen van de Unie vastgestelde luchtkwaliteitsdoelstellingen;
(d)  de verzachting van de effecten van klimaatverandering door het verminderen van de emissies van kortlevende verontreinigende stoffen die schadelijk zijn voor het klimaat en door de synergieën met het klimaat- en energiebeleid van de Unie te verbeteren.
Deze richtlijn wordt in het bijzonder afgestemd op hetgeen door de Unie en op internationaal vlak gedaan wordt ten aanzien van klimaatverandering, waaronder het beleidskader klimaat en energie 2030 en de inspanningen gericht op het sluiten van een alomvattende, bindende mondiale klimaatovereenkomst.
Amendement 131
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – punt 2
2.  "ozonprecursoren": stikstofoxiden, vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan, methaan en koolmonoxide;
2.  "ozonprecursoren": stikstofoxiden, vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan en koolmonoxide;
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – punt 3 bis (nieuw)
3 bis.  "kritische belasting": de kwantitatieve schatting van een blootstelling aan een of meer verontreinigende stoffen waaronder volgens de huidige kennis geen significante schadelijke gevolgen op nader gespecificeerde kwetsbare milieucomponenten optreden;
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – punt 3 ter (nieuw)
3 ter.  "kritisch niveau": de concentratie van verontreinigende stoffen in de atmosfeer of stromen naar receptoren waarboven er volgens de huidige kennis voor receptoren als mensen, planten, ecosystemen of materialen rechtstreekse schadelijke gevolgen kunnen optreden;
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – punt 4 bis (nieuw)
4 bis.  "ozon op leefniveau": ozon in het laagste gedeelte van de troposfeer;
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – punt 4 ter (nieuw)
4 ter.  "vluchtige organische stoffen" (VOS): alle organische stoffen van antropogene aard, met uitzondering van methaan, die onder de invloed van zonlicht door reactie met stikstofoxiden fotochemische oxidantia kunnen produceren;
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – punt 6 bis (nieuw)
6 bis.  "nationaal emissieplafond": de maximumhoeveelheid van een stof, uitgedrukt in kiloton, die in een kalenderjaar door een lidstaat mag worden uitgestoten;
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – punt 9
9.  "internationale zeevaart": reizen over zee en in de kustwateren door vaartuigen van alle vlaggen, uitgezonderd vissersvaartuigen, die vertrekken van het grondgebied van het ene land en aankomen op het grondgebied van een ander land;
Schrappen
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – punt 12 bis (nieuw)
12 bis.  "bronspecifiek luchtverontreinigingsbeleid van de EU": verordeningen of richtlijnen die, onafhankelijk van de verplichtingen die in deze verordeningen of richtlijnen zijn bepaald, al dan niet gedeeltelijk als doel hebben de emissies van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx) en vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan (NMVOS), ammoniak (NH3), stofdeeltjes (PM2,5) en methaan (CH4) te verminderen door mitigerende maatregelen aan de bron te treffen, waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend, de vermindering van emissies bereikt door:
—  Richtlijn 94/63/EG1a;
—  Richtlijn 97/68/EG1b;
—  Richtlijn 98/70/EG1c;
—  Richtlijn 1999/32/EG1d;
—  Richtlijn 2009/126/EG1e;
—  Richtlijn 2004/42/EG1f;
—  Richtlijn 2007/46/EG1g, met inbegrip van Verordening (EG) nr. 715/20071h;
—  Verordening (EG) nr. 79/20061i;
Verordening (EG) nr. 595/20091j en Verordening (EG) nr. 661/20091k;
—  Richtlijn 2010/75/EU1l;
—  Verordening (EU) nr. 167/20131m;
—  Verordening (EU) nr. 168/20131n;
—  Richtlijn 2014/94/EU1o;
_______________________
1a Richtlijn 94/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende de beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) als gevolg van de opslag van benzine en de distributie van benzine vanaf terminals naar benzinestations (PB L 365 van 31.12.1994, blz. 24).
1b Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB L 59 van 27.2.1998, blz. 1).
1c Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad (PB L 350 van 28.12.1998, blz. 58).
1d Richtlijn 1999/32/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG (PB L 121 van 11.5.1999, blz. 13).
1e Richtlijn 2009/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 inzake fase II-benzinedampterugwinning tijdens het bijtanken van motorvoertuigen in benzinestations (PB L 285 van 31.10.2009, blz. 36).
1f Richtlijn 2004/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 inzake de beperking van emissies van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen in bepaalde verven en vernissen en producten voor het overspuiten van voertuigen, en tot wijziging van Richtlijn 1999/13/EG (PB L 143 van 30.4.2004, blz. 87).
1g Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (Voor de EER relevante tekst) (PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1).
1h Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB L 171 van 29.6.2007, blz. 1).
1i Verordening (EG) nr. 79/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen op waterstof en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG (PB L 35 van 4.2.2009, blz. 32).
1j Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (PB L 188 van 18.7.2009, blz. 1).
1k Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende typegoedkeuringsvoorschriften voor de algemene veiligheid van motorvoertuigen, aanhangwagens daarvan en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden (PB L 200 van 31.7.2009, blz. 1).
1l Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).
1m Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (PB L 60 van 2.3.2013, blz. 1).
1n Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PB L 60 van 2.3.2013, blz. 52).
1o Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (PB L 307 van 28.10.2014, blz. 1).
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – punt 12 ter (nieuw)
12 ter.  "betrokken publiek": het publiek dat gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of belanghebbende is bij de emissies van luchtverontreinigende stoffen in de atmosfeer; voor de toepassing van deze definitie worden niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten, consumentenorganisaties, organisaties die de belangen van kwetsbare bevolkingsgroepen behartigen en andere relevante instellingen voor gezondheidszorg die aan de eisen van het nationale recht voldoen, geacht belanghebbende te zijn;
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 1
1.   De lidstaten beperken op zijn minst hun jaarlijkse antropogene emissies van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx), vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan (NMVOS), ammoniak (NH3), stofdeeltjes (PM2,5) en methaan (CH4) overeenkomstig de nationale emissiereductieverbintenissen die gelden vanaf 2020 en 2030, zoals vastgesteld in bijlage II.
1.   De lidstaten beperken op zijn minst hun jaarlijkse antropogene emissies van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx), vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan (NMVOS), ammoniak (NH3) en stofdeeltjes (PM2,5), overeenkomstig de nationale emissiereductieverbintenissen die gelden vanaf 2020, 2025 en 2030, zoals vastgesteld in bijlage II.
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De lidstaten beperken op zijn minst hun jaarlijkse antropogene emissies van methaan (CH4) met uitzondering van door herkauwers geproduceerd darmmethaan overeenkomstig de nationale emissiereductieverbintenissen die gelden vanaf 2030, zoals vastgesteld in bijlage II.
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 2 – alinea 1
2.   Onverminderd lid 1 treffen de lidstaten alle noodzakelijke maatregelen die geen buitensporige kosten met zich brengen om hun antropogene emissies van SO2, NOx, NMVOS, NH3, PM2,5 en CH4 in 2025 te beperken. Het niveau daarvan wordt bepaald op basis van verkochte brandstof, aan de hand van een lineaire reductietraject tussen hun emissieniveaus voor 2020 en de emissieniveaus bij naleving van de voor 2030 vastgestelde emissiereductieverbintenissen.
2.  De lidstaten geven in de bij de Commissie in te dienen verslagen overeenkomstig artikel 9 van deze richtlijn updates over de vorderingen die zij boeken bij de verwezenlijking van hun nationale emissiereductieverbintenissen.
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 3 – inleidende formule
3.  De volgende emissies worden niet in aanmerking genomen teneinde te voldoen aan de leden 1 en 2:
3.  De volgende emissies worden niet in aanmerking genomen teneinde te voldoen aan lid 1:
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 3 – letter d
(d)   emissies van de zeevaart, onverminderd artikel 5, lid 1.
(d)   emissies van de internationale zeevaart.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 1
1.  Ter nakoming van de in bijlage II vastgestelde intermediaire emissieniveaus voor 2025 overeenkomstig artikel 4, lid 2, en naleving van de nationale emissiereductieverbintenissen die met ingang van 2030 gelden voor NOx, SO2 en PM2,5, mogen de lidstaten de vermindering van de emissies van NOx, SO2 en PM2,5 van de internationale zeevaart compenseren met emissies van NOx, SO2 en PM2,5 uit andere bronnen gedurende hetzelfde jaar, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Schrappen
(a)  de emissiereducties doen zich voor in de zeegebieden die vallen binnen de territoriale wateren, de exclusieve economische zones of de zones met verontreinigingsbeheersing van de lidstaten indien er dergelijke zones zijn ingesteld;
(b)  de lidstaten hebben doeltreffende monitorings- en inspectiemaatregelen vastgesteld en uitgevoerd om ervoor te zorgen dat deze flexibiliteit naar behoren wordt benut;
(c)  de lidstaten hebben maatregelen uitgevoerd om lagere emissies van NOx, SO2 en PM2,5 van de internationale zeevaart te bereiken dan de emissieniveaus die zouden worden verwezenlijkt met de naleving van de normen van de Unie die gelden voor de emissies van NOx, SO2 en PM2,5, en zij hebben aangetoond dat de kwantificering van de aanvullende emissiereducties als gevolg van deze maatregelen toereikend is;
(d)  de lidstaten hebben niet meer dan 20 % van de overeenkomstig punt c) berekende vermindering van de emissies van NOx, SO2 en PM2,5 gecompenseerd, mits deze compensering niet leidt tot niet-naleving van de nationale emissiereductieverbintenissen voor 2020, zoals vastgesteld in bijlage II.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 2 – inleidende formule
2.  De lidstaten mogen hun verbintenissen op het gebied van de reductie van methaanemissies en de intermediaire emissieniveaus, zoals bedoeld in bijlage II, gezamenlijk nakomen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
2.  De lidstaten mogen hun verbintenissen op het gebied van de reductie van methaanemissies, zoals bedoeld in bijlage II, gezamenlijk nakomen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 3
3.   De lidstaten kunnen aangepaste nationale emissie-inventarissen vaststellen voor SO2, NOx, NH3, NMVOS en PM2,5 in overeenstemming met bijlage IV, wanneer de toepassing van verbeterde en overeenkomstig de stand van de wetenschappelijke kennis geactualiseerde methoden voor de emissie-inventarissen zou leiden tot niet-nakoming van hun nationale emissiereductieverbintenissen of hun intermediaire emissieniveaus.
3.   De lidstaten kunnen aangepaste nationale emissie-inventarissen vaststellen voor SO2, NOx, NH3, NMVOS en PM2,5, in overeenstemming met bijlage IV, wanneer de toepassing van verbeterde en overeenkomstig de stand van de wetenschappelijke kennis geactualiseerde methoden voor de emissie-inventarissen zou leiden tot niet-nakoming van hun nationale emissiereductieverbintenissen.
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 4
4.   Lidstaten die voornemens zijn om de leden 1, 2 en 3 toe te passen stellen de Commissie hiervan uiterlijk op 30 september van het jaar voorafgaand aan het desbetreffende rapportagejaar op de hoogte. De daartoe verstrekte informatie bevat een overzicht van de verontreinigende stoffen en sectoren in kwestie en, indien beschikbaar, een beschrijving van de mate waarin de nationale emissie-inventarissen hierdoor worden beïnvloed.
4.   Lidstaten die voornemens zijn om de flexibiliteitsmogelijkheden van deze richtlijn toe te passen stellen de Commissie hiervan uiterlijk op 31 december van het jaar voorafgaand aan het desbetreffende rapportagejaar op de hoogte. De daartoe verstrekte informatie bevat een overzicht van de verontreinigende stoffen en sectoren in kwestie en, indien beschikbaar, een beschrijving van de mate waarin de nationale emissie-inventarissen hierdoor worden beïnvloed.
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 5 – alinea 1
5.  De Commissie, bijgestaan door het Europees Milieuagentschap, beoordeelt of het gebruik van de flexibiliteit voor een bepaald jaar aan de toepasselijke vereisten en criteria voldoet.
5.  De Commissie, bijgestaan door het Europees Milieuagentschap, beoordeelt of het gebruik van een flexibiliteit of aanpassing voor een bepaald jaar aan de toepasselijke vereisten en criteria voldoet.
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 5 – alinea 2
Indien de Commissie binnen negen maanden na ontvangst van het in artikel 7, leden 4, 5 en 6, bedoelde rapport geen bezwaren heeft gemaakt, gaat de betrokken lidstaat ervan uit dat het gebruik van de toegepaste flexibiliteit is aanvaard en geldig is voor dat jaar. Indien de Commissie van oordeel is dat het gebruik van een flexibiliteit niet aan de toepasselijke vereisten en criteria voldoet, stelt zij een besluit vast en brengt zij de lidstaat van de afwijzing op de hoogte.
Indien de Commissie binnen zes maanden na ontvangst van het in artikel 7, leden 5 en 6, bedoelde rapport geen bezwaren heeft gemaakt, gaat de betrokken lidstaat ervan uit dat het gebruik van de toegepaste flexibiliteit is aanvaard en geldig is voor dat jaar. Indien de Commissie van oordeel is dat het gebruik van een flexibiliteit niet aan de toepasselijke vereisten en criteria voldoet, stelt zij ten laatste negen maanden na de datum van ontvangst van het bedoelde rapport een besluit vast en brengt zij de lidstaat van de afwijzing op de hoogte. Het besluit gaat vergezeld van een rechtvaardiging.
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 6
6.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin gedetailleerde regels worden neergelegd voor het gebruik van de flexibiliteit als bedoeld in de leden 1, 2 en 3, overeenkomstig de in artikel 14 beschreven onderzoeksprocedure.
6.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin gedetailleerde regels worden neergelegd voor het gebruik van een flexibiliteit als bedoeld in de leden 2 en 3, overeenkomstig de in artikel 14 beschreven onderzoeksprocedure.
Amendement 44
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 1
1.   Overeenkomstig deel 2 van bijlage III stellen de lidstaten een nationaal programma op voor de beperking van de luchtverontreiniging en keuren dit goed teneinde hun jaarlijkse antropogene emissies overeenkomstig artikel 4 te kunnen beperken.
1.   Overeenkomstig deel 2 van bijlage III stellen de lidstaten een nationaal programma op voor de beperking van de luchtverontreiniging en keuren dit goed teneinde hun jaarlijkse emissies overeenkomstig artikel 4 te kunnen beperken en de doelstellingen van deze richtlijn uit hoofde van artikel 1 te kunnen verwezenlijken.
Amendement 45
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 2 – alinea 1 – letter a bis (nieuw)
(a bis)  de kosteneffectiviteit van emissiereductiemaatregelen in overweging nemen en rekening houden met emissiereducties die zijn verwezenlijkt of die, indien de lidstaat zijn emissiereductiemaatregelen voorrang geeft, kunnen worden verwezenlijkt door toepassing van de bestaande Uniewetgeving;
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 2 –- alinea 1 – letter a ter (nieuw)
(a ter)  voorrang geven aan specifieke beleidsmaatregelen ter vermindering van de gezondheidsrisico´s voor kwetsbare groepen en om ervoor te zorgen dat de in bijlage XIV, deel B, van Richtlijn 2008/50/EG vastgestelde streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling worden nageleefd;
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 2 – alinea 1 – letter b
(b)   rekening houden met de noodzaak de emissies van luchtverontreinigende stoffen te verminderen om de luchtkwaliteitsdoelstellingen op hun grondgebieden en in voorkomend geval in de naburige lidstaten te verwezenlijken;
(b)   de emissies van luchtverontreinigende stoffen verminderen om de luchtkwaliteitsdoelstellingen op hun grondgebieden, met name de grenswaarden op grond van Richtlijn 2008/50/EG, en in voorkomend geval in de naburige lidstaten te verwezenlijken;
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 2 – alinea 1 – letter b bis (nieuw)
(b bis)  de aanvullende emissiereducties kwantificeren die noodzakelijk zijn om tegen 2030 te voldoen aan normen inzake de kwaliteit van de omgevingslucht die gelijk zijn aan of strenger zijn dan de door de Wereldgezondheidsorganisatie aanbevolen normen;
Amendement 49
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 2 – alinea 1 – letter b ter (nieuw)
(b ter)  de aanvullende emissiereducties kwantificeren die noodzakelijk zijn om tegen 2030 de kritieke belastingwaarden en niveaus met het oog op de bescherming van het milieu te bereiken;
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 2 – alinea 1 – letter b quater (nieuw)
(b quater)  relevante maatregelen vaststellen om de onder b bis) en b ter) vermelde doelstellingen te behalen;
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 2 – alinea 1 – letter c bis (nieuw)
(c bis)  de overschakeling op investeringen ten behoeve van schone en efficiënte technologieën en duurzame productie steunen met behulp van fiscale stimulansen;
Amendement 52
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 2 – alinea 1 – letter c ter (nieuw)
(c ter)  de mate beoordelen waarin de verschillende nationale geografische gebieden verschillen wat hun behoeften en moeilijkheden op het gebied van de aanpak van luchtverontreiniging betreft;
Amendement 53
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 2 – alinea 1 – letter d bis (nieuw)
(d bis)  ervoor zorgen dat de desbetreffende bevoegde autoriteiten toezien op de doeltreffendheid van de maatregelen die lidstaten doorvoeren om aan deze Richtlijn te voldoen en, in voorkomend geval, de bevoegdheid hebben om in te grijpen.
Amendement 124
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De Commissie ziet erop toe dat al het bronspecifieke luchtverontreinigingsbeleid van de EU geschikt is voor het beoogde doel en bijdraagt tot de verwezenlijking van de luchtkwaliteitsdoelstellingen van de EU.
Daartoe keuren de Commissie en de lidstaten het voorstel voor een nieuwe verordening inzake feitelijke emissies tijdens het rijden (Real Driving Emissions - RDE) dat momenteel wordt besproken, onmiddellijk goed.
De nieuwe typegoedkeuringsmethode wordt ingevoerd en zorgt ervoor dat verontreinigende stoffen zoals NOx, en stofdeeltjes (PMs, 5 en PM10) op doeltreffende wijze worden beperkt onder conformiteitsfactoren, die noodzakelijk zijn om werkelijke rijomstandigheden na te bootsen. De nieuwe tests zijn onafhankelijk en transparant.
Deze conformiteitsfactoren zijn strikt en zijn zo gekwantificeerd dat zij alleen de onzekerheid van de RDE-testprocedure weergeven.
Amendement 55
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.  De lidstaten stellen een systeem van regelmatige en incidentele milieu-inspecties van, markttoezicht op en openbare rapportage over mobiele en stationaire bronnen in om ervoor te zorgen dat de beleidsmaatregelen op doeltreffende wijze bijdragen tot emissiereducties onder reële bedrijfsomstandigheden;
Uiterlijk ... * presenteert de Commissie een wetgevingsvoorstel voor een Uniebreed systeem voor het onder daadwerkelijke gebruiksomstandigheden testen van en rapporteren over emissienormen voor lichte voertuigen door de bevoegde autoriteit in kwestie, teneinde ervoor te zorgen dat voertuigen en motoren gedurende hun volledige levenscyclus voldoen aan Euro 6-normen.
______________
*Twee jaar na de datum van omzetting van deze richtlijn.
Amendement 56
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  De lidstaten kunnen een stapsgewijze afschaffing van bronnen van emissies op geringe hoogte bevorderen door de vervanging van doorlatende slangen die toepassing vinden in het vervoer en bij het betanken van voertuigen, door emissievrije technologie op het gebied van slangen te stimuleren.
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 4 – letter b
(b)   de lidstaten besluiten een van de in artikel 5 vastgestelde mogelijkheden tot flexibiliteit te benutten.
(b)   de lidstaten besluiten een in artikel 5 vastgestelde mogelijkheid tot flexibiliteit te benutten.
Amendement 58
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 4 – alinea 1 bis (nieuw)
In de nationale programma's ter beperking van de luchtverontreiniging wordt aangegeven of de lidstaten voornemens zijn gebruik te maken van een flexibiliteit als bedoeld in artikel 5.
Amendement 59
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 5
5.   De lidstaten raadplegen, overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van de Unie, het publiek en de bevoegde autoriteiten, voor wie de uitvoering van de nationale programma’s ter beperking van de luchtverontreiniging gevolgen kan hebben vanwege hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied die verband houden met luchtverontreiniging, kwaliteit en management op alle niveaus, over hun ontwerp voor een nationaal programma ter beperking van de luchtverontreiniging en over eventuele belangrijke wijzigingen voordat ze hier een definitieve vorm aan geven. In voorkomend geval worden grensoverschrijdende raadplegingen georganiseerd overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van de Unie.
5.   De lidstaten raadplegen, overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van de Unie, de bevoegde autoriteiten, voor wie de uitvoering van de nationale programma’s ter beperking van de luchtverontreiniging gevolgen kan hebben vanwege hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied die verband houden met luchtverontreiniging, kwaliteit en management op alle niveaus, over hun ontwerp voor een nationaal programma ter beperking van de luchtverontreiniging en over alle wijzigingen voordat ze hier een definitieve vorm aan geven. Deze raadplegingen omvatten de desbetreffende lokale of regionale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het emissiereductiebeleid in specifieke zones en/of agglomeraties, met inbegrip van zones en/of agglomeraties die zich in ten minste twee lidstaten bevinden.
Amendement 60
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 5 – alinea 1 bis (nieuw)
De lidstaten zorgen er overeenkomstig het desbetreffende Unierecht voor dat leden van het publiek in kwestie worden geraadpleegd in een vroeg stadium van de opstelling en herziening van de nationale ontwerpprogramma’s ter beperking van de luchtverontreiniging en in geval van eventuele wijzigingen van deze programma´s alvorens deze een definitieve vorm krijgen. In voorkomend geval worden grensoverschrijdende raadplegingen georganiseerd overeenkomstig het toepasselijke Unierecht, met inbegrip van artikel 25 van Richtlijn 2008/50/EG.
Amendement 61
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  De lidstaten geven hun eigen instantie van onafhankelijke deskundigen de opdracht om het ontwerp van nationale programma's ter beperking van de luchtverontreiniging te evalueren teneinde de nauwkeurigheid van de informatie en de toereikendheid van de in deze programma´s vervatte beleidsmaatregelen te boordelen. De resultaten van deze evaluatie worden openbaar gemaakt voordat het ontwerp van nationale programma's ter beperking van de luchtverontreiniging wordt gepubliceerd teneinde een betekenisvolle deelname van het publiek te garanderen.
Amendement 62
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 6 – alinea 1 bis (nieuw)
De Commissie verschaft richtsnoeren voor emissiereductiemaatregelen die niet zijn opgenomen in deel 1 van bijlage III, onder meer met betrekking tot huisverwarming en wegvervoer, die de lidstaten in het nationale programma ter beperking van de luchtverontreiniging kunnen opnemen.
Amendement 63
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 8
8.   De Commissie kan richtsnoeren vaststellen met betrekking tot de uitwerking en uitvoering van nationale programma's ter beperking van de luchtverontreiniging.
8.   De Commissie stelt richtsnoeren vast met betrekking tot de uitwerking en uitvoering van nationale programma's ter beperking van de luchtverontreiniging.
Amendement 64
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – lid 9
9.   De Commissie kan tevens in de vorm van uitvoeringshandelingen voorschriften vaststellen ten aanzien van de opmaak en de noodzakelijke informatie over de nationale programma's ter beperking van de luchtverontreiniging van de lidstaten. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 14 bedoelde onderzoeksprocedure.
9.   De Commissie stelt tevens in de vorm van uitvoeringshandelingen voorschriften vast ten aanzien van de opmaak en de noodzakelijke informatie over de nationale programma's ter beperking van de luchtverontreiniging van de lidstaten. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 14 bedoelde onderzoeksprocedure.
Amendement 65
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 bis (nieuw)
Artikel 6 bis
Fonds voor schone lucht
De Commissie faciliteert de toegang tot financiële ondersteuning, teneinde ervoor te zorgen dat passende maatregelen kunnen worden genomen om de doelstellingen van deze richtlijn te verwezenlijken.
Dit behelst beschikbare financiering van onder andere:
(a)  landbouwfinanciering, waaronder zoals beschikbaar in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid 2014-2020, zoals gewijzigd tijdens de tussentijdse toetsing in 2017 met het oog op de opname van "luchtkwaliteit" als een "publiek goed", onder speciale verwijzing naar ammoniak of methaan, of allebei, teneinde de lidstaten en de relevante regionale en plaatselijke autoriteiten in staat te stellen middels specifieke maatregelen bij te dragen aan emissiereducties, en daar ondersteuning voor te bieden;
(b)  toekomstige werkprogramma´s van Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie;
(c)  de Europese structuur- en investeringsfondsen;
(d)  de financieringsinstrumenten voor acties op het gebied van milieu en klimaat, zoals LIFE;
(e)  combinaties van bovengenoemde bronnen.
De Commissie ziet erop toe dat de financieringsprocedures eenvoudig, transparant en toegankelijk zijn voor verschillende geledingen van de overheid.
De Commissie onderzoekt of het mogelijk is één loket in te stellen waar instanties informatie kunnen opvragen over de beschikbare fondsen en de procedures in verband met de toegang tot projecten om problemen als gevolg van luchtverontreiniging aan te pakken.
Amendement 67
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 4
4.  De lidstaten die gebruikmaken van de flexibiliteit krachtens artikel 5, lid 1, nemen de volgende informatie op in het informatieve inventarisrapport voor het desbetreffende jaar:
Schrappen
(a)  de hoeveelheden emissies van NOx, SO2 en PM2,5 die zouden zijn vrijgekomen indien het gebied met emissiebeheersing er niet was geweest;
(b)  de emissiereductieniveaus die zijn bereikt in het gedeelte van het gebied met emissiebeheersing van de lidstaat overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder c);
(c)  de mate waarin de desbetreffende lidstaat gebruik heeft gemaakt van deze flexibiliteit;
(d)  alle aanvullende gegevens die de Commissie, bijgestaan door het Europees Milieuagentschap, naar oordeel van de lidstaten nodig heeft om een volledige evaluatie te kunnen uitvoeren van de omstandigheden waaronder de flexibiliteit is toegepast.
Amendement 68
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 7
7.   De lidstaten stellen de emissie-inventarissen, met inbegrip van aangepaste emissie-inventarissen, emissieprognoses en het informatieve inventarisrapport, op overeenkomstig bijlage IV.
7.   De lidstaten stellen de emissie-inventarissen, indien van toepassing met inbegrip van aangepaste emissie-inventarissen, emissieprognoses en het informatieve inventarisrapport, op overeenkomstig bijlage IV.
Amendement 69
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 1
1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nadelige effecten van de luchtverontreiniging op ecosystemen, voor zover mogelijk, worden gemonitord overeenkomstig de voorschriften van bijlage V.
1.   De lidstaten monitoren de nadelige effecten van de luchtverontreiniging op ecosystemen, overeenkomstig de voorschriften van bijlage V.
Amendement 70
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 2
2.   De lidstaten stemmen in voorkomend geval de monitoring van de effecten van de luchtverontreiniging af op andere monitoringsprogramma's die zijn vastgesteld uit hoofde van de wetgeving van de Unie, waaronder Richtlijn 2008/50/EG en Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad30.
2.   De lidstaten stemmen de monitoring van de effecten van de luchtverontreiniging af op andere monitoringsprogramma's die zijn vastgesteld uit hoofde van de wetgeving van de Unie, waaronder Richtlijn 2008/50/EG en Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad30.
__________________
__________________
30 Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
30 Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
Amendement 71
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 1 – alinea 1
1.  De lidstaten leggen hun nationaal programma ter beperking van de luchtverontreiniging [binnen drie maanden na de in artikel 17 genoemde datum, in te vullen door het Bureau voor publicaties] en de latere bijwerkingen daarvan om de twee jaar aan de Commissie voor.
1.  De lidstaten leggen hun nationaal programma ter beperking van de luchtverontreiniging uiterlijk ...* en de latere bijwerkingen daarvan om de twee jaar aan de Commissie voor.
_________________
* Zes maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn.
Amendement 72
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 1 – alinea 2
Wanneer een nationaal programma ter beperking van de luchtverontreiniging overeenkomstig artikel 6, lid 4, is geactualiseerd, stelt de betrokken lidstaat de Commissie daarvan binnen twee maanden op de hoogte.
Wanneer een nationaal programma ter beperking van de luchtverontreiniging overeenkomstig artikel 6, lid 4, is geactualiseerd, deelt de betrokken lidstaat het bijgewerkte programma binnen twee maanden aan de Commissie mee.
Amendement 73
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 2 – alinea 1
2.  Met ingang van 2017 dienen de lidstaten hun nationale emissie-inventarissen, emissieprognoses, geografische gedesaggregeerde emissie-inventarissen, inventarissen van grote puntbronnen en de in artikel 7, leden 1, 2 en 3, en voor zover van toepassing in artikel 7, leden 4, 5 en 6, genoemde rapporten in bij de Commissie en het Europees Milieuagentschap, overeenkomstig de rapportagetermijnen van bijlage I.
2.  Met ingang van 2017 dienen de lidstaten hun nationale emissie-inventarissen, emissieprognoses, geografische gedesaggregeerde emissie-inventarissen, inventarissen van grote puntbronnen en de in artikel 7, leden 1, 2 en 3, en voor zover van toepassing in artikel 7, leden 5 en 6, genoemde rapporten in bij de Commissie en het Europees Milieuagentschap, overeenkomstig de rapportagetermijnen van bijlage I.
Amendement 134
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 3
3.  De lidstaten brengen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad verslag uit over hun nationale emissie-inventarissen en -prognoses voor CH431.
Schrappen
__________________
31 Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering, en tot intrekking van Beschikking nr. 280/2004/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 14).
Amendement 74
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 4 – inleidende formule
4.  De Commissie, bijgestaan door het Europees Milieuagentschap en de lidstaten, voert regelmatig een evaluatie uit van de gegevens van de nationale emissie-inventarissen. Deze evaluatie behelst het volgende:
4.  De Commissie, bijgestaan door het Europees Milieuagentschap en de lidstaten, voert regelmatig een evaluatie uit van de gegevens van de nationale emissie-inventarissen en van de nationale programma's ter beperking van de luchtverontreiniging. Deze evaluatie behelst het volgende:
Amendement 75
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 4 – letter c bis (nieuw)
(c bis)  controles om te beoordelen of de nationale programma's ter beperking van de luchtverontreiniging voldoen aan de vereisten bedoeld in artikel 6.
Amendement 76
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 4 – alinea 1 bis (nieuw)
De resultaten van de evaluaties van de Commissie worden ter beschikking gesteld van het publiek, overeenkomstig artikel 11.
Amendement 77
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 1 – alinea 1
1.  De Commissie brengt ten minste eens in de vijf jaar aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de vooruitgang bij de uitvoering van deze richtlijn, met inbegrip van een beoordeling van de daarmee geleverde bijdrage aan de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn.
1.  De Commissie brengt eens in de 30 maanden te rekenen vanaf ...* aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de uitvoering van deze richtlijn. In het kader hiervan beoordeelt de Commissie:
a)  de bijdrage van de Commissie en de lidstaten aan de inspanningen om de doelstellingen van deze richtlijn te verwezenlijken;
b)  de vooruitgang bij de vermindering van de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen tot 2025 en 2030;
c)  de voortgang die is geboekt bij het verwezenlijken van de langetermijndoelstellingen op het gebied van de luchtkwaliteit die in het zevende Milieuactieprogramma zijn vastgesteld;
d)  de vraag of de kritische belastingwaarden en niveaus alsmede de richtwaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie voor de luchtverontreiniging zijn overschreden; en
e)  de absorptie door de lidstaten van de beschikbare EU-middelen die zijn uitgetrokken om de luchtverontreiniging te verminderen.
______________
* Datum van de inwerkingtreding van deze richtlijn.
Amendement 78
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
Bij de rapportage over de emissiereducties van de lidstaten voor de jaren 2020, 2025 en 2030 licht de Commissie de redenen voor het niet bereiken ervan in voorkomend geval toe.
Amendement 79
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 1 – alinea 1 ter (nieuw)
Wanneer in het verslag wordt geconcludeerd dat lidstaten niet in staat zijn om de Uniewetgeving en de in Richtlijn 2008/50/EG vastgestelde EU-grenswaarden voor de luchtkwaliteit na te leven, dient de Commissie:
(a)  te beoordelen of de niet-naleving het gevolg is van ineffectief bronspecifiek luchtverontreinigingsbeleid van de EU, met inbegrip van de tenuitvoerlegging ervan in de lidstaten;
(b)  het in artikel 14 genoemde comité te raadplegen en vast te stellen of er behoefte bestaat aan nieuwe rechtsbronnen en, in voorkomend geval, wetgevingsvoorstellen voor te leggen om het behalen van de doelstellingen van deze richtlijn te waarborgen. Deze wetgevingsvoorstellen worden aan een gedegen effectbeoordeling onderworpen en stoelen op de meest recente wetenschappelijke gegevens.
Amendement 80
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 1 – alinea 2
De Commissie doet in elk geval op de bovengenoemde wijze verslag voor het jaar 2025, en neemt daarin ook informatie op over het bereiken van de intermediaire emissieniveaus zoals bedoeld in artikel 4, lid 2, en in voorkomend geval de redenen voor het in niet bereiken van die niveaus. Zij inventariseert de noodzaak voor verdere acties, en houdt daarbij ook rekening met de sectorale effecten van de tenuitvoerlegging.
Op basis van deze verslagen inventariseert de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, de noodzaak voor verdere acties, onder meer op nationaal niveau, en houdt daarbij ook rekening met de sectorale effecten van de tenuitvoerlegging.
Amendement 81
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 2
2.   De in lid 1 bedoelde verslagen kunnen een evaluatie omvatten van de milieu- en sociaaleconomische effecten van deze richtlijn.
2.   De in lid 1 bedoelde verslagen omvatten een evaluatie van de gezondheids-, milieu- en sociaaleconomische effecten van deze richtlijn, onder meer van de gevolgen voor de gezondheidsstelsels van de lidstaten en van de kosten van het niet nemen van maatregelen. De Commissie maakt die verslagen openbaar.
Amendement 152
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De Commissie verricht ook een effectbeoordeling van kwik (Hg) voordat er een nationale emissiereductieverbintenis wordt vastgesteld, en dient indien nodig een nieuw wetgevingsvoorstel in.
Amendement 82
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 bis (nieuw)
Artikel 10 bis
European Clean Air Forum
De Commissie zet een "European Clean Air Forum" (Europees forum voor schone lucht) op om de gecoördineerde tenuitvoerlegging van het programma "Schone lucht voor Europa" te vergemakkelijken en alle belanghebbenden, waaronder de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op alle relevante niveaus, de Commissie, de industrie, het maatschappelijk middenveld en de wetenschappelijke gemeenschap, om de twee jaar bij elkaar te brengen. Het forum houdt toezicht op de vaststelling van richtsnoeren voor de uitwerking en uitvoering van nationale programma's ter beperking van de luchtverontreiniging alsmede de ontwikkeling van emissiereductietrajecten, met inbegrip van de beoordeling van de rapportageverplichtingen.
Amendement 83
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – lid 1 – letter b bis (nieuw)
(b bis)  de door de lidstaten geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van hun specifieke bindende streefcijfers ten aanzien van luchtverontreiniging per verontreinigende stof voor 2025 en 2030.
Amendement 84
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – lid 1 – letter b ter (nieuw)
(b ter)  de resultaten van de in artikel 9, lid 4, bedoelde evaluatie.
Amendement 85
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De lidstaten zorgen ervoor dat het desbetreffende publiek toegang heeft tot administratieve of gerechtelijke procedures voor het aanvechten van handelingen of nalatigheden door de bevoegde autoriteiten of particulieren welke niet stroken met deze richtlijn.
Deze procedures voorzien in adequate en doeltreffende rechtsmiddelen, met inbegrip van, in voorkomend geval, tijdelijke maatregelen, en ze moeten eerlijk, billijk en snel zijn, en niet buitensporig kostbaar.
De lidstaten zien erop toe dat informatie over de toegang tot dergelijke procedures openbaar wordt gemaakt en beraden zich op de instelling van passende mechanismen voor bijstand om financiële of andere belemmeringen voor de toegang tot de rechter weg te nemen of te verminderen.
Amendement 127
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Op basis van de in artikel 10, lid 1, bedoelde verslagen toetst de Commissie de voor NH3 bestaande wettelijk bindende nationale emissiereductieverbintenissen aan de meest recente wetenschappelijke bevindingen, waarbij zij rekening houdt met de door de lidstaten bereikte resultaten in het kader van Richtlijn 2001/81/EG en het Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand inzake vermindering van verzuring, eutrofiëring en ozon op leefniveau.
Uiterlijk in 2022 beoordeelt de Commissie de vorderingen die bij de verbintenissen krachtens deze richtlijn zijn geboekt, waarbij zij onder meer rekening houdt met:
a)  het document met richtsnoeren voor de preventie en bestrijding van ammoniak­emissies, de UNECE-gedragscode voor goede landbouwpraktijken voor de reductie van ammoniak­emissies, zoals herzien in 2014, en de beste beschikbare technieken zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 10, van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad;
b)  milieumaatregelen voor de landbouw uit hoofde van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid;
c)  herzieningen van alle wetgeving inzake luchtkwaliteit, onder meer de in artikel 3, lid 12 bis, van deze richtlijn bedoelde wetgeving.
In voorkomend geval dient de Commissie wetgevingsvoorstellen in voor streefcijfers voor de periode na 2030 voor de verbetering van de luchtkwaliteit.
Amendement 86
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 bis (nieuw)
Artikel 11 bis
Op grond van de in artikel 10, lid 1, bedoelde verslagen herziet de Commissie deze richtlijn uiterlijk in 2025, teneinde ervoor te zorgen dat voortgang wordt geboekt bij de verwezenlijking van de door de Wereldgezondheidsorganisatie aanbevolen luchtkwaliteitsniveaus en de in het Zevende Milieuactieprogramma geformuleerde langetermijnvisie. In voorkomend geval stelt de Commissie, met inachtneming van de wetenschappelijke en technologische vooruitgang, wijzigingen voor van de nationale emissiereductieverbintenissen in bijlage II.
Op grond van de regelmatige verslagen bedoeld in artikel 10, lid 1, overweegt de Commissie maatregelen ter vermindering van emissies door de internationale scheepvaart, met name in de territoriale wateren en de exclusieve economische zones van de lidstaten, en dient zij, indien van toepassing, een wetgevingsvoorstel in.
Amendement 87
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12
De Unie en eventueel de lidstaten streven naar bilaterale en multilaterale samenwerking met derde landen en naar coördinatie met relevante internationale organisaties, zoals het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP), de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UNECE), de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) en de Internationale Organisatie voor Burgerluchtvaart (ICAO), door onder meer informatie uit te wisselen op het gebied van technisch en wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling, om aldus een betere basis voor de emissiereducties te verkrijgen.
De Unie en eventueel de lidstaten streven naar bilaterale en multilaterale samenwerking met derde landen en naar coördinatie met relevante internationale organisaties, zoals het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP), de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UNECE), de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties, de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) en de Internationale Organisatie voor Burgerluchtvaart (ICAO), door onder meer informatie uit te wisselen op het gebied van technisch en wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling, om aldus een betere basis voor de emissiereducties te verkrijgen. De lidstaten hebben grensoverschrijdend overleg over wederzijdse dreigingen die worden veroorzaakt door emissies in naburige industriële regio’s in die lidstaten en de desbetreffende lidstaten stellen gezamenlijk plannen op voor de afschaffing of beperking van de emissies.
Amendement 88
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 2
2.   De in artikel 6, lid 7, artikel 7, lid 9, en artikel 8, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.
2.   De bevoegdheden tot vaststelling van gedelegeerde handelingen als bedoeld in artikel 6, lid 7, artikel 7, lid 9, en artikel 8, lid 3, worden aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van …*. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het verstrijken van de periode van vijf jaar een rapport op met betrekking tot de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden vóór het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
_______________
* Datum van de inwerkingtreding van deze richtlijn.
Amendement 89
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15
De lidstaten stellen de regels vast voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en treffen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden toegepast. De voorziene sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.
De lidstaten stellen de regels vast voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en treffen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden toegepast. De voorziene sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk ...* van deze maatregelen in kennis en delen haar onverwijld alle latere wijzigingen van deze maatregelen mee.
_________________
* Datum van de inwerkingtreding van deze richtlijn.
Amendement 90
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – alinea 1 bis (nieuw)
Onverminderd lid 1 mogen de lidstaten de nalevingslasten niet afschuiven op autoriteiten die niet over de strategische bevoegdheden beschikken om aan de vereisten van de richtlijn te voldoen.
Amendement 125
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – alinea 1 – inleidende formule
In bijlage I bij Richtlijn 2003/35/EG wordt het volgende punt g) toegevoegd:
In bijlage I bij Richtlijn 2003/35/EG worden de volgende punten g) en h) toegevoegd:
Amendement 126
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – alinea 1 bis (nieuw)
"h) Artikel 23 van Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa."
Amendement 135
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – tabel A – regel 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Totale nationale emissies per broncategorie

—  CH4

Jaarlijks, vanaf 2005 tot aan rapportagejaar minus 2 (X-2)

15/02****

Amendement

Schrappen

Amendement 91
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – tabel A – rij 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Voorlopige nationale emissies per geaggregeerde NFR(2)

—  SO2, NOX, NH3, NMVOC, PM2,5

Jaarlijks, voor rapportagejaar minus 1 (X-1)

30/09

Amendement

Voorlopige nationale emissies per geaggregeerde NFR(2)

—  SO2, NOX, NH3, NMVOC, PM2,5

Tweejaarlijks, voor rapportagejaar minus 1 (X-1)

31/12

Amendement 136
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – tabel C – regel 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Geprojecteerde emissies per geaggregeerde broncategorie

—  CH4

Tweejaarlijkse rapportage met projecties voor elk jaar van jaar X tot 2030, en indien beschikbaar tot 2040 en 2050

15/03

Amendement

Schrappen

Amendement 95
Voorstel voor een richtlijn
BIJLAGE III – Deel 1 – onderdeel A – punt 1 – letter a
(a)   stikstofbeheer met inachtneming van de gehele stikstofkringloop;
(a)   stikstofbeheer met inachtneming van de gehele stikstofkringloop en overweging van het opstellen van plannen voor bodem- en nutriëntenbeheer;
Amendement 96
Voorstel voor een richtlijn
BIJLAGE III – Deel 1 – onderdeel A – punt 1 – letter c
(c)   methoden voor het emissie-arm uitrijden van mest;
(c)   methoden en technieken voor het emissie-arm uitrijden van mest, waaronder scheiding in vloeibare en vaste mest;
Amendement 97
Voorstel voor een richtlijn
BIJLAGE III – Deel 1 – onderdeel A – punt 1 – letter e
(e)   emissie-arme systemen voor de verwerking en compostering van mest;
(e)   emissie-arme systemen voor de verwerking en compostering van mest, waaronder scheiding in vloeibare en vaste mest;
Amendement 98
Voorstel voor een richtlijn
BIJLAGE III – Deel 1 – onderdeel A – punt 1 – letter g bis (nieuw)
(g bis)  bevorderen van beweiding en extensieve landbouw en verbeteren van de biodiversiteit in de weide met planten met een hoog gehalte aan aminozuren zoals klaver, alfalfa en granen;
Amendement 99
Voorstel voor een richtlijn
BIJLAGE III – Deel 1 – onderdeel A – punt 1 – letter g ter (nieuw)
(g ter)  bevordering van gewasrotatie, waarbij ook stikstofbindende gewassen worden gebruikt;
Amendement 100
Voorstel voor een richtlijn
BIJLAGE III – Deel 1 – onderdeel A – punt 1 – letter g quater (nieuw)
(g quater)  bevordering van agro-ecologische landbouwpraktijken die leiden tot landbouwsystemen met een hoge biodiversiteit, een hoge hulpbronnenefficiëntie en een verminderde of idealiter geen afhankelijkheid van chemische inputs.
Amendement 101
Voorstel voor een richtlijn
BIJLAGE III – Deel 1 – onderdeel A – punt 3 – letter d
(d)   anorganische meststoffen worden verspreid overeenkomstig de te verwachten stikstof- en fosforbehoefte van de gewassen of het grasland, waarbij tevens rekening wordt gehouden met het bestaande nutriëntengehalte in de bodem en de nutriënten uit andere meststoffen.
(d)   anorganische meststoffen worden in de mate van het mogelijke vervangen door organische meststoffen. Indien anorganische meststoffen blijvend worden toegepast, worden ze verspreid overeenkomstig de te verwachten stikstof- en fosforbehoefte van de gewassen of het grasland, waarbij tevens rekening wordt gehouden met het bestaande nutriëntengehalte in de bodem en de nutriënten uit andere meststoffen.
Amendement 108
Voorstel voor een richtlijn
BIJLAGE III – Deel 1 – onderdeel A bis (nieuw)
A bis.  Maatregelen ter beheersing van emissies van stikstofoxiden en stofdeeltjes in stedelijke zones
In overleg met lokale en regionale autoriteiten overwegen de lidstaten de volgende maatregelen:
—  duurzame plannen voor stedelijke mobiliteit, waaronder maatregelen zoals lage-emissiezones, congestiebelastingen, beheerssystemen voor parkeren, snelheidslimieten, regelingen voor autodelen en de uitrol van een alternatieve oplaadinfrastructuur;
—  de bevordering van een overstap naar het vaker met de fiets, te voet en met het openbaar vervoer reizen;
—  duurzame plannen voor stedelijk goederenvervoer, zoals de invoering van consolidatiecentra, alsook maatregelen om bij regionaal goederenvervoer een overstap te maken van vervoer over de weg naar vervoer over het spoor of over het water;
gebruik van het planningssysteem voor de aanpak van emissies van nieuwe ontwikkelingen en boilersystemen; toepassing van energie-efficiëntiemaatregelen op bestaande gebouwen;
—  aanpassingsregelingen om de vervanging van oude huishoudelijke stookinstallaties te bevorderen, met gebruik van betere woningisolatie, warmtepompen, lichte stookolie, nieuwe houtpelletinstallaties, stadsverwarming of gas;
—  economische en fiscale stimulansen om de toepassing van emissie-arme verwarmingssystemen aan te moedigen;
—  verbod op de verbranding van vaste brandstoffen in woongebieden en kwetsbare gebieden om de gezondheid van kwetsbare groepen zoals kinderen te beschermen;
—  minimalisering van emissies in de bouwsector door beleidsmaatregelen in te voeren en te versterken voor de reductie en monitoring van bouwstof, en de vaststelling van limieten voor niet voor weggebruik bestemde mobiele machines;
—  herziening van de voertuigenbelastingtarieven om de hogere emissies in reële omstandigheden van dieselauto's en voertuigen met benzinemotoren met directe injectie te weerspiegelen, teneinde de verkoop van minder vervuilende voertuigen te bevorderen;
—  overheidsopdrachten en fiscale prikkels die bevorderen dat reeds vroeg gebruik wordt gemaakt van voertuigen met extreem lage emissies;
—  steun voor de montering van fijnstoffilters van klasse IV volgens de UNECE-aanbevelingen op bestaande machines, vrachtwagens, bussen en taxi's met een dieselmotor;
—  regulering van emissies van bouwmachines en andere niet voor weggebruik bestemde mobiele machines die in dichtbevolkte gebieden worden ingezet (ook door aanpassing van bestaande machines);
—  bewustmakingscampagnes en waarschuwingen.
Amendement 109
Voorstel voor een richtlijn
BIJLAGE III – Deel 1 – onderdeel C bis (nieuw)
C bis.  Emissieverminderende maatregelen ter beperking van de uitstoot van koolwaterstof
De lidstaten beperken de emissies van vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan (NMVOS) door het gebruik te bevorderen van moderne emissievrije slangtechnologieën die in verschillende sectoren worden gebruikt.
Amendement 110
Voorstel voor een richtlijn
BIJLAGE III – Deel 2 – punt 1 – letter a – punt i
(i)   de beleidsprioriteiten en hun relatie met de op andere beleidsterreinen vastgestelde prioriteiten, waaronder klimaatverandering;
(i)   de beleidsprioriteiten en hun relatie met de op andere beleidsterreinen vastgestelde prioriteiten, waaronder op het gebied van landbouw, plattelandseconomie, industrie, mobiliteit en vervoer, natuurbehoud en klimaatverandering;
Amendement 111
Voorstel voor een richtlijn
BIJLAGE III – Deel 2 – punt 1 – letter b
(b)   de overwogen beleidsopties om te voldoen aan de emissiereductie-verbintenissen voor 2020 en vanaf 2030 en aan de intermediaire emissieniveaus voor 2025, en voor het leveren van een bijdrage aan de verdere verbetering van de luchtkwaliteit en de analyse ervan, met inbegrip van de analysemethode; de individuele of gecombineerde uitwerking van de beleidsvormen en maatregelen inzake emissiereducties, luchtkwaliteit en milieu, en de daaraan gerelateerde onzekerheden;
(b)   de overwogen beleidsopties om te voldoen aan de emissiereductieverbintenissen voor 2020, 2025 en 2030 voor het leveren van een bijdrage aan de verdere verbetering van de luchtkwaliteit en de analyse ervan, met inbegrip van de analysemethode; de individuele of gecombineerde uitwerking van de beleidsvormen en maatregelen inzake emissiereducties, luchtkwaliteit en milieu, en de daaraan gerelateerde onzekerheden;
Amendement 112
Voorstel voor een richtlijn
BIJLAGE III – Deel 2 – punt 1 – letter d
(d)   in voorkomend geval een verklaring met de redenen waarom de intermediaire emissisieniveaus voor 2025 niet gehaald kunnen worden zonder maatregelen die buitensporige kosten met zich meebrengen;
(d)   een verklaring van de maatregelen die genomen zijn om de nationale emissiereductieverbintenissen te halen;
Amendement 113
Voorstel voor een richtlijn
BIJLAGE III – Deel 2 – punt 1 – letter d bis (nieuw)
(d bis)  een verklaring van de methode die wordt gebruikt om ervoor te zorgen dat de maatregelen voor de verwezenlijking van de nationale reductieverbintenissen voor PM2,5 prioriteit geven aan de reductie van de emissies van zwarte koolstof;
Amendement 114
Voorstel voor een richtlijn
BIJLAGE III – Deel 2 – punt 1 – letter e
(e)   een beoordeling van de wijze waarop het gekozen beleid en de geselecteerde maatregelen zorgen voor samenhang met op andere relevante beleidsterreinen opgestelde plannen en programma’s.
(e)   een beoordeling van de wijze waarop het gekozen beleid en de geselecteerde maatregelen zorgen voor samenhang met op andere relevante beleidsterreinen opgestelde plannen en programma’s, waaronder de in Richtlijn 2008/50/EG vastgestelde luchtkwaliteitsplannen, de in Richtlijn 2010/75/EU vastgestelde tijdelijke nationale plannen en inspectieplannen, de in Richtlijn 2012/27/EG vastgestelde nationale actieplannen voor energie-efficiëntie en de in Richtlijn 2009/28/EG vastgestelde nationale actieplannen voor hernieuwbare energie, en desbetreffende plannen of programma´s die onder Richtlijn 2001/42/EG vallen, of vergelijkbare bepalingen in latere wetgeving.
Amendement 115
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage III – deel 2 – punt 2 – letter a
(a)   een beoordeling van de vooruitgang bij de uitvoering van het programma, de emissiereductie en de concentratievermindering;
(a)   een beoordeling van de vooruitgang bij de uitvoering van het programma, de emissiereductie en de concentratievermindering, en de daarmee verbonden gunstige effecten voor het milieu en de volksgezondheid, en sociaaleconomische voordelen;
Amendement 116
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage III – deel 2 – punt 2 – letter b
(b)   alle belangrijke veranderingen in de beleidscontext, de beoordelingen, het programma of het tijdschema voor de uitvoering.
(b)   alle belangrijke veranderingen in de beleidscontext (inclusief de resultaten van de overeenkomstig artikel 6, lid 2 ter, uitgevoerde inspecties en marktonderzoeken die worden uitgevoerd), de beoordelingen, het programma of het tijdschema voor de uitvoering.
Amendement 117
Voorstel voor een richtlijn
BIJLAGE III – Deel 2 – punt 2 – letter b bis (nieuw)
(b bis)  een beoordeling van de vooruitgang bij de verwezenlijking van de langetermijndoelstellingen van de Unie op het gebied van volksgezondheid en milieu, in het licht van een eventueel noodzakelijke actualisering van deze doelstellingen, met inbegrip van alle nieuwe door de Wereldgezondheidsorganisatie vastgestelde luchtkwaliteitsrichtsnoeren;
Amendement 118
Voorstel voor een richtlijn
BIJLAGE III – Deel 2 – punt 2 – letter b ter (nieuw)
(b ter)  Indien een nationaal programma voor de beheersing van luchtverontreiniging wordt geactualiseerd overeenkomstig artikel 6, lid 4, dient het informatie te omvatten over alle aanvullende maatregelen ter vermindering van luchtverontreiniging die op het juiste lokale, regionale of nationale niveau zijn overwogen om te worden uitgevoerd in combinatie met de verwezenlijking van de emissiereductieverbintenissen en luchtkwaliteitsdoelstellingen, met inbegrip van de in bijlage III van deze richtlijn en lid 3 van Bijlage XV (B) bij Richtlijn 2008/50/EG genoemde maatregelen.

(1) De zaak werd voor een nieuwe behandeling terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 61, lid 2, tweede alinea, van het Reglement (A8-0249/2015).


Europees burgerinitiatief
PDF 189kWORD 86k
Resolutie van het Europees Parlement van 28 oktober 2015 over het Europees burgerinitiatief (2014/2257(INI))
P8_TA(2015)0382A8-0284/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 11, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 24, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad over het burgerinitiatief (A7-0350/2010),

–  gezien Verordening (EU) nr. 211/2011 van het Europees Parlement en de Raad over het burgerinitiatief,

–  gezien de openbare hoorzitting van 26 februari 2015 over het burgerinitiatief, die is georganiseerd door de Commissie constitutionele zaken in samenspraak met de Commissie verzoekschriften,

–  gezien de studie van de beleidsondersteunende afdeling C van het Parlement van 2014 met als titel "European Citizens' Initiative – First lessons of implementation",

–  gezien het besluit van de Europese Ombudsman van 4 maart 2015 ter afsluiting van haar initiatiefonderzoek betreffende de Commissie (OI/9/2013/TN),

–  gezien de studie van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement van februari 2015 met als titel "Implementation of the European Citizens' Initiative",

–  gezien het verslag van de Commissie van 31 maart 2015 over het Europees burgerinitiatief,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en de adviezen van de Commissie verzoekschriften en de Commissie juridische zaken (A8-0284/2015),

A.  overwegende dat het Europees burgerinitiatief (EBI) een nieuw politiek burgerrecht is, alsook een uniek en vernieuwend agendabepalend instrument van participatieve democratie in de Europese Unie, waardoor burgers actief kunnen deelnemen aan projecten en besluitvormingsprocessen die hen betreffen, waarvan het potentieel zeker volledig moet worden uitgebuit en dat nog aanzienlijk moet worden verbeterd teneinde tot de beste resultaten te komen en zo veel mogelijk EU-burgers aan te sporen om bij te dragen aan de verdere vorming van het Europese integratieproces; overwegende dat de versterking van de democratische legitimiteit van de instellingen een van de belangrijkste doelstellingen van de EU moet zijn;

B.  overwegende dat het drie jaar na de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. 211/2011 op 1 april 2012 nodig is om de uitvoering ervan ten gronde te evalueren teneinde eventuele tekortkomingen vast te stellen en levensvatbare oplossingen voor de directe herziening ervan voor te stellen;

C.  overwegende dat de ervaring toont dat het merendeel van de organisatoren van EBI's bij het opzetten van een EBI is gestuit op een aantal moeilijkheden met betrekking tot zowel praktische als juridische aspecten, en dat de organisatoren van diverse afgewezen EBI's klacht hebben ingediend bij het Hof van Justitie en bij de Europese Ombudsman tegen het besluit van de Commissie om hun burgerinitiatieven niet te registreren; overwegende dat de regels moeten worden bijgesteld om ervoor te zorgen dat het EBI voor burgers en organisatoren zo toegankelijk mogelijk is;

D.  overwegende dat het Parlement het enige rechtstreeks gekozen orgaan van de Europese Unie is en dat het daarom per definitie de Europese burgers vertegenwoordigt;

E.  overwegende dat een aantal instellingen, ngo's, denktanks en groeperingen uit het maatschappelijk middenveld de diverse tekortkomingen in de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 211/2011 over het burgerinitiatief en in de organisatie van EBI's tegen het licht heeft gehouden, een groot aantal verbeteringen heeft voorgesteld en herhaaldelijk heeft aangegeven welke aspecten van de regelgeving dringend moeten worden herzien;

F.  overwegende dat organisatoren door de in artikel 6 van de verordening uiteengezette praktische aspecten, met name het opzetten van een systeem voor de online-inzameling en de certificering daarvan door een bevoegde autoriteit in een lidstaat, in de meeste gevallen minder dan twaalf maanden hebben om de vereiste handtekeningen in te zamelen;

G.  overwegende dat de indiening van een succesvol initiatief bij de Commissie na afloop van de periode van inzameling van handtekeningen niet aan een specifieke termijn gebonden is, en dus een bron van verwarring en onzekerheid is, zowel voor de instellingen als voor het publiek;

1.  is ingenomen met het Europees burgerinitiatief (EBI) - zoals gedefinieerd in artikel 11, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en artikel 24, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) - als het eerste instrument voor een transnationale, participatieve democratie die burgers in staat stelt rechtstreeks in contact te treden met de Europese instellingen en actief betrokken te zijn bij de vormgeving van EU-beleid en -wetgeving, ter aanvulling van hun recht om verzoekschriften in te dienen en zich te wenden tot de Europese ombudsman;

2.  benadrukt dat het EBI het eerste instrument voor participatieve democratie is dat EU-burgers het recht geeft om, als zij van mening zijn dat er op een bepaald gebied een rechtshandeling nodig is ter uitvoering van de verdragen en mits daarvoor ten minste een miljoen steunbetuigingen zijn verzameld, afkomstig uit ten minste een kwart van de lidstaten, een initiatief in te dienen - en daarmee invulling te geven aan hun nieuwe politieke recht - en de Commissie te verzoeken om, binnen het kader van de haar toegedeelde bevoegdheden, een passend voorstel in te dienen;

3.  benadrukt dat het EBI voor burgers een uitgelezen kans is om hun aspiraties vast te stellen en te verwoorden en de EU om maatregelen te vragen, en dat dit met alle beschikbare middelen dient te worden aangemoedigd en ondersteund; erkent echter dat er aanzienlijke tekortkomingen zijn die moeten worden aangepakt en verholpen om het EBI doeltreffender te maken; benadrukt dat de verdere beoordeling van het instrument gericht moet zijn op maximale gebruiksvriendelijkheid, aangezien het een primair middel is om de Europese burgers in contact te brengen met de EU; benadrukt voorts dat het gebruik van de eigen moedertaal een burgerrecht is en verzoekt de Commissie en de lidstaten derhalve alternatieve oplossingen te zoeken om het mogelijk te maken de moedertaal in alle acties in verband met een EBI te gebruiken, aangezien dit de participatie van burgers bevordert; wijst erop dat publieke bewustwording van het EBI belangrijk is en betreurt dat maar weinig EU-burgers van dit instrument op de hoogte zijn; vraagt de EU daarom publiciteits- en promotiecampagnes te organiseren om het EBI in de media en bij het publiek beter bekend te maken;

4.  onderstreept voorts dat maatschappelijke betrokkenheid van jongeren van fundamenteel belang is voor de toekomst van alle democratieën en verzoekt de Commissie lering te trekken uit nationale ervaringen met EBI's die echt succesvol zijn geweest;

5.  vindt het essentieel dat de burgers kunnen bijdragen aan de uitoefening van wetgevende bevoegdheden van de Unie en een directe rol kunnen spelen bij de indiening van wetgevingsvoorstellen;

6.  wijst erop dat publieke bewustwording van het EBI belangrijk is om van het EBI een doeltreffend instrument van democratische participatie te maken; dringt er in dit verband bij de Commissie en de lidstaten op aan hun communicatieactiviteiten met betrekking tot het EBI op te voeren om het bestaan ervan onder de aandacht te brengen van een zo groot mogelijk publiek en actieve participatie van de burgers aan te moedigen;

7.  dringt er bij de Commissie op aan om via alle openbare communicatiekanalen te werken aan publieksvoorlichting en de noodzakelijke maatregelen te nemen om transparantie met betrekking tot EBI's te garanderen en de communicatie inzake lopende EBI's te vergemakkelijken, bijvoorbeeld door applicaties te ontwikkelen voor informatieverstrekking, kennisgeving en online-ondertekening; benadrukt dat actieve deelname door de burgers aan EBI's ook in doorslaggevende mate afhangt van de vraag of daarover in de lidstaten gepubliceerd wordt en pleit er daarom voor dat de nationale parlementen van de lidstaten op hun officiële website melding maken van het EBI;

8.  merkt op dat er meer dan zes miljoen EU-burgers hebben deelgenomen aan een EBI, dat er 51 verzoeken om registratie van een initiatief zijn ingediend, waarvan slechts drie initiatieven, te weten "Right2Water, "Een van ons" en "Stop vivisectie" ontvankelijk zijn verklaard, en dat de organisatoren van zes EBI's (30% van alle gevallen waarin registratie werd geweigerd) tegen het besluit van de Commissie om het burgerinitiatief niet te registreren in beroep zijn gegaan bij het Hof van Justitie, waaruit blijkt dat nog veel inspanningen nodig zijn om ervoor te zorgen dat de mogelijkheden van het EBI ten volle worden benut; wijst erop dat de organisatoren van initiatieven sinds de inwerkingtreding van de verordening in april 2012 te maken hebben gekregen met talrijke praktische problemen en dat het aantal initiatieven afneemt;

9.  roept de Commissie op om via het Europe Direct-contactcentrum reeds in een vroeg stadium uitgebreide en passende begeleiding - met name in juridische zin - te bieden aan organisatoren van EBI's, zodat deze zich bewust worden van de mogelijkheden die voor hen openstaan en niet in hun opzet falen door een EBI voor te stellen dat duidelijk buiten de bevoegdheden van de Commissie ligt; vraagt de mogelijkheid te overwegen om een andere onafhankelijke instantie in het leven te roepen waaraan adviestaken kunnen worden toegekend; merkt echter op dat de kwesties die door EBI's worden aangekaart, op grond van het Verdrag van Lissabon niet altijd volledig overeen hoeven te komen met de jurisdictie van de Commissie; is bovendien van oordeel dat de Commissie moet overwegen om in haar permanente vertegenwoordigingen in de lidstaten een speciaal kantoor op te zetten dat alle vereiste informatie, advies en ondersteuning voor EBI's kan verstrekken;

10.  benadrukt voorts dat een speciaal EBI-bureau ook kan bijdragen tot de bewustmaking van het publiek en de media met betrekking tot het EBI; verzoekt de Commissie derhalve om het EBI te promoten als een officieel EU-instrument om dit doel te bereiken; onderstreept dat deze maatregel wellicht ook het wantrouwen van de burgers kan wegnemen ten aanzien van het delen van de persoonsgegevens die nodig zijn om een EBI te ondersteunen;

11.  verlangt dat meer gedetailleerde richtsnoeren worden opgesteld over de interpretatie van rechtsgrondslagen en dat aanvullende informatie wordt verstrekt over de verplichtingen inzake gegevensbescherming in elke lidstaat waar de organisatoren hun campagnes uitvoeren, teneinde hen rechtszekerheid te geven, alsmede over de mogelijkheid voor organisatoren om zich te verzekeren;

12.  betreurt het feit dat er in een vroeg stadium geen duidelijke informatie over het EBI-instrument bestond, hetgeen heeft geleid tot een algehele misvatting over de aard ervan en frustratie heeft gewekt toen de Commissie de eerste EBI's verwierp; wijst er andermaal op dat het instrument eenvoudig, helder en gebruiksvriendelijk moet zijn en breed kenbaar moet worden gemaakt; benadrukt dat de Commissie nationaal en lokaal verkozen vertegenwoordigers moet aanmoedigen en ondersteunen om bredere bekendheid van EBI's tot een speerpunt te maken;

13.  steunt bovendien de actieve participatie van de EU-burgers om dit instrument op passende wijze te gebruiken voor het bepalen van de agenda; is bezorgd over het belangenconflict dat mogelijk ontstaat doordat de Commissie zelf exclusief bevoegd is tot uitvoering van de ontvankelijkheidscontrole en verlangt dat deze situatie in de toekomst op passende wijze wordt aangepakt; merkt evenwel op dat alle belanghebbenden transparantie en verantwoordingsplicht moeten nastreven om te zorgen dat er duidelijkheid is over de activiteiten van de burgers;

14.  dringt er in dit verband bij de Commissie op aan ook het Parlement als beslissingsorgaan te beschouwen, aangezien het Parlement de enige instelling is waarvan de leden rechtstreeks door de EU-burgers gekozen zijn;

15.  benadrukt dat de voorwaarden van artikel 4 van Verordening (EU) nr. 211/2011 bepalen dat "wanneer de Commissie weigert een voorgesteld burgerinitiatief te registreren, [...] zij de organisatoren in kennis [stelt] van de redenen daarvoor en van alle gerechtelijke en niet-gerechtelijke beroepsmogelijkheden die voor hen open staan"; heeft in dit opzicht oog voor de vele klachten van organisatoren over het feit dat zij geen gedetailleerde en uitputtende redenen hebben ontvangen voor de afwijzing van hun EBI's; verzoekt de Commissie derhalve de redenen voor afwijzing van een EBI in detail toe te lichten, wanneer een ingediend EBI naar haar oordeel "duidelijk buiten de bevoegdheden van de Commissie" ligt, en de organisatoren bovendien schriftelijk en op een manier die hun werk vergemakkelijkt juridische adviezen te verstrekken, die omwille van de transparantie volledig openbaar moeten worden gemaakt, zodat de geldigheid en de volledige objectiviteit ervan eventueel juridisch kunnen worden getoetst, de discretionaire ruimte voor de Commissie, rechter en partij bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een initiatief, maximaal wordt beperkt, en organisatoren kunnen beslissen of zij het EBI willen herzien en in een gewijzigde vorm opnieuw willen indienen;

16.  verzoekt de Commissie na te denken over de mogelijkheid om slechts een deel van een initiatief te registreren als een EBI niet volledig binnen het kader van haar bevoegdheden valt; verzoekt de Commissie om organisatoren op het moment van registratie een indicatie te geven van welk deel zij zouden kunnen registreren, te erkennen dat dialoog en overleg met EBI-organisatoren gedurende het hele proces van essentieel belang is, en het Parlement te informeren over haar besluit met betrekking tot de registratie; verzoekt de Commissie tevens te onderzoeken of het mogelijk is om initiatieven of delen van initiatieven die niet binnen de reikwijdte van de bevoegdheden van de Commissie vallen, te verwijzen naar de bevoegde autoriteit op nationaal of regionaal niveau;

17.  wijst op het belang van technologie als instrument om de burgerparticipatie te stimuleren; vraagt de Commissie de gebruiksvriendelijkheid van de software voor het online inzamelen van handtekeningen te verbeteren, deze software toegankelijk te maken voor personen met een handicap, haar servers uit de bestaande EU-begroting gratis en permanent ter beschikking te stellen voor de opslag van online handtekeningen en de online-inzameling van handtekeningen op zodanige wijze te vereenvoudigen en te wijzigen dat e-mailadressen op niet-verplichte basis kunnen worden ingezameld op hetzelfde scherm als het steunformulier, maar worden opgeslagen in een afzonderlijke databank;

18.  is van mening dat het instrument, mits het wordt herzien, de mogelijkheid biedt om betrokkenheid onder het grote publiek tot stand te brengen en de dialoog tussen burgers onderling en tussen burgers en de EU-instellingen te bevorderen; benadrukt dat het noodzakelijk is het online inzamelen van handtekeningen te koppelen aan de nieuwe relevante campagnetools voor sociale en digitale media, naar het voorbeeld van andere succesvolle elektronische platforms voor campagnevoering;

19.  verzoekt de Commissie de automatische bepaling van de begindatum van de periode van twaalf maanden voor handtekeningeninzameling na de registratie van een EBI af te schaffen, zodat de organisatoren van een EBI zelf kunnen bepalen wanneer ze met het inzamelen van handtekeningen willen beginnen;

20.  verzoekt de Commissie de lidstaten aan te sporen gebruik te maken van het EBI- instrument voor validering van steunbetuigingen, dat is ontwikkeld in het kader van het programma inzake interoperabiliteitsoplossingen voor Europese overheidsdiensten;

21.  benadrukt dat ook de regio's de beschikking moeten krijgen over IT-middelen - binnen de mogelijkheden die de instrumenten ter uitbreiding van de participatieve democratie in de hele Unie daartoe bieden - zodat burgers meer betrokken kunnen worden bij publieke zaken;

22.  is zeer ingenomen met het voorstel van het Europees Economisch en Sociaal Comité om gratis vertalingen van EBI-teksten te verstrekken, om zo de kosten van het opzetten van een EBI te reduceren;

23.  dringt aan op uitgebreidere interinstitutionele samenwerking op EU-niveau alsook op nationaal en lokaal niveau bij de behandeling van EBI's, door de organisatoren van een EBI informatie te verschaffen en ondersteuning te bieden; dringt aan op verbetering van de meertalige, door de Commissie beheerde EBI-website en op één pakket richtsnoeren in alle officiële talen van de EU over de rechten en plichten van EBI-organisatoren en over de administratieve procedures die van toepassing zijn gedurende het EBI-proces;

24.  verlangt dat in de toekomst een fysiek en elektronisch centraal aanspreekpunt wordt ingesteld dat permanent informatie, vertaaldiensten, alsook technische, juridische en politieke ondersteuning met betrekking tot EBI's biedt en meent dat dit gebruik kan maken van de bestaande middelen van het in het Europe Direct Contact Centre gevestigde contactpunt, de vertegenwoordigingen van de Commissie en de voorlichtingsbureaus van het Parlement in de lidstaten; is van mening dat een dergelijke opzet het EBI-project dichter bij de burgers brengt;

25.  acht het te gecompliceerd voor organisatoren om ter ondersteuning van EBI's in elk van de 28 lidstaten, overeenkomstig de diverse nationale bepalingen, weer andere persoonsgegevens te moeten verstrekken, zoals vereist op grond van Verordening (EU) nr. 211/2011, en verzoekt een uniforme procedure voor de indiening van steunbetuigingen in te voeren door bijlage III bij Verordening (EU) nr. 211/2011 te wijzigen om de aard van de gegevens die in de verschillende lidstaten worden verzameld te harmoniseren; spoort de Commissie aan om verdere onderhandelingen te voeren met de lidstaten teneinde de gegevensvoorschriften te versoepelen, door bijvoorbeeld het vereiste identificatienummer te schrappen, en deze voorschriften gebruiksvriendelijker te maken; herinnert eraan dat het bij EBI's gaat om participatie en het bepalen van de agenda en niet om bindende voorstellen; stelt voor om de invoering van een digitaal EU-burgerschap te overwegen en om tot die tijd met een tussenoplossing te komen om de huidige problemen door meervoudige registratie op te lossen; roept de Commissie derhalve op om dit punt dringend te onderzoeken in het kader van haar digitale agenda;

26.  verzoekt de Commissie artikel 3, lid 4, van Verordening (EU) nr. 211/2011 te wijzigen, en de lidstaten aan te bevelen de minimumleeftijd voor participatie en ondersteuning van een EBI te verlagen van 18 tot 16 jaar, en dit niet aan het actieve stemrecht bij de verkiezingen van het Europees Parlement te koppelen, om met name jongeren de mogelijkheid te bieden actief deel te nemen aan de verdere ontwikkeling van het Europees project;

27.  erkent het gevoelige probleem van de persoonlijke aansprakelijkheid van organisatoren met betrekking tot gegevensbescherming bij de inzameling van persoonsgegevens van ondertekenaars, en stelt derhalve voor om het spectrum aan vereiste gegevens te beperken en de formulering van artikel 13 van Verordening (EU) nr. 211/2011 inzake aansprakelijkheid te wijzigen, zodat duidelijk wordt dat de persoonlijke aansprakelijkheid niet onbeperkt is; stelt hiertoe voor burgercomités de mogelijkheid te bieden rechtspersoonlijkheid te verkrijgen en inspiratie te putten uit artikel 3 van Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht, teneinde ervoor te zorgen dat organisatoren alleen verantwoordelijk zijn voor handelingen als deze "wederrechtelijk en opzettelijk of ten minste uit grove nalatigheid worden begaan";

28.  spoort de Commissie en de lidstaten aan om de voorschriften inzake gegevensverzameling gebruiksvriendelijker te maken en te harmoniseren; verzoekt de bevoegde nationale autoriteiten om periodiek verslag uit te brengen aan de commissies voor Europese aangelegenheden van hun nationale parlementen over de lopende EBI's waarvoor al een groot aantal steunbetuigingen zijn verzameld; dringt er bij de Commissie op aan een herziening van Verordening (EU) nr. 211/2011 voor te stellen om ervoor te zorgen dat burgers ook in hun land van woonplaats EBI's kunnen ondertekenen;

29.  toont zich bezorgd over het feit dat slechts 3 van de 31 geregistreerde EBI’s sinds 2012 de laatste fase hebben bereikt; onderstreept dat de dramatische terugloop van het aantal nieuwe initiatieven een van de gevolgen is van disproportionele vereisten en van een onnodig complex systeem; betreurt dat succesvolle initiatieven niet hebben geleid tot wetgeving en dat de Commissie een teleurstellend gevolg aan deze initiatieven heeft gegeven; verschilt van mening met de Commissie over de succesvolle tenuitvoerlegging van de verordening waarmee de mogelijkheden van EBI's ten volle benut zouden kunnen worden; onderstreept dat de Europese instellingen en de lidstaten alle noodzakelijke maatregelen moeten nemen om het burgerinitiatief onder de aandacht te brengen en het vertrouwen van burgers in dit instrument te bevorderen;

30.  vraagt de Commissie de formulering van artikel 10, onder c), van Verordening (EU) nr. 211/2011 te herzien om te zorgen voor een passend vervolg op een geslaagd EBI; dringt er bij de Commissie op aan met betrekking tot succesvolle EBI's binnen twaalf maanden na het afgeven van een positief advies een rechtshandeling voor te bereiden;

31.  is van oordeel dat, ter benadrukking van de politieke dimensie van EBI's, een openbare hoorzitting overeenkomstig de voorwaarden van artikel 11 van Verordening (EU) nr. 211/2011 zodanig moet worden opgezet dat organisatoren de mogelijkheid hebben in dialoog te treden met leden van het Europees Parlement en de bevoegde ambtenaren van de Commissie; wijst er met klem op dat hoorzittingen inzake EBI's moeten worden georganiseerd onder leiding van een "neutraal" comité, dat inhoudelijk niet de hoofdverantwoordelijkheid draagt voor het desbetreffende onderwerp, en dat er daarnaast voortdurend externe deskundigen bij moeten worden betrokken;

32.  dringt er bij het Parlement en zijn commissies op aan om in voorkomend geval, mocht de Commissie binnen deze periode van 12 maanden geen wetgevingsvoorstel indienen, op grond van artikel 225 VWEU gebruik te maken van hun recht om de Commissie te verzoeken een passend voorstel in te dienen; is van mening dat de bevoegde commissie van het Parlement bij de uitoefening van dit recht rekening moet houden met de inhoud van een succesvol EBI en de organisatoren van het EBI moet raadplegen tijdens een andere hoorzitting; verlangt dat het Reglement dienovereenkomstig gewijzigd wordt;;

33.  verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken om financiële steun te verstrekken aan EBI's uit de EU-begroting, bijvoorbeeld via Europese programma's zoals "Europa voor de burger" en "Rechten, gelijkheid en burgerschap", inclusief de mogelijkheid om de uitzending van promotieprogramma's op radio en televisie te financieren, rekening houdend met het feit dat gelijkheid tussen burgers gegarandeerd moet worden, dat er een reële behoefte aan financiële steun voor de organisatie van EBI's bestaat en dat er met dit doel talloze amendementen op de EU-begroting zijn ingediend;

34.  verzoekt de Commissie om met de nodige voorzichtigheid de diefstal van gevoelige informatie met betrekking tot de ondertekenaars, ook via internet, te bestrijden, met name wanneer die informatie in een geaggregeerd bestand wordt beheerd;

35.  verwelkomt het verslag van de Commissie van 31 maart 2015 over het EBI en het besluit van de Europese Ombudsman OI/9/2013/TN en roept de Commissie op er bij de herziening van dit instrument voor te zorgen dat alle passende wettelijke maatregelen worden uitgevoerd zodat naar behoren gevolg wordt gegeven aan een EBI wanneer dit wordt geacht met succes te zijn afgerond; roept de Commissie op om, gezien de diverse tekortkomingen die aan het licht zijn gekomen, zo snel mogelijk een voorstel te presenteren voor de herziening van Verordening (EU) nr. 211/2011 en van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1179/2011 van de Commissie;

36.  verzoekt de Europese instellingen wezenlijk werk te verrichten op het gebied van communicatie door een informatiecampagne over het EBI op te zetten;

37.  verzoekt de Commissie het Parlement regelmatig verslag te doen van de stand van zaken omtrent lopende EBI's, zodat het Parlement, in het kader van haar inzet voor de EU-burgers, kan toetsen of het instrument zo effectief mogelijk werkt; benadrukt dat het EBI-proces voortdurend moet worden verbeterd op grond van de praktische ervaring die is opgedaan, en voorts de uitspraken van het Hof van Justitie moet eerbiedigen;

38.  beveelt aan om elk beschikbaar communicatiemiddel te gebruiken, in het bijzonder de sociale en digitale mediaplatforms van de EU-instellingen, om een voortdurende bewustmakingscampagne te voeren, waarbij de agentschappen en vertegenwoordigingen van de EU betrokken zijn, alsook de nationale autoriteiten; verzoekt de Commissie de ontwikkeling van een softwareprogramma voor mobiele apparatuur, dat gebruik maakt van open source en gericht is op het EBI, te ondersteunen; is ermee ingenomen dat sommige EBI's op lokaal niveau effect hebben weten te sorteren;

39.  meent dat verbetering van de transparantie en de kwaliteit van de controles op de financiering en het sponsoren van EBI’s van cruciaal belang is om burgers deugdelijk gebruik te laten maken van dit instrument voor participatieve democratie en om eventueel misbruik voor private belangen van andere aard te voorkomen;

40.  wijst op de belangrijke rol die de Europese Ombudsman speelt bij het onderzoek naar de behandeling van EBI-verzoeken door de Commissie, met name het onderzoek naar gevallen waarin de Commissie registratie van een EBI heeft geweigerd;

41.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.


Een strategie van de EU voor de Adriatische en Ionische regio
PDF 234kWORD 123k
Resolutie van het Europees Parlement van 28 oktober 2015 over een strategie van de EU voor de Adriatische en Ionische regio (2014/2214(INI))
P8_TA(2015)0383A8-0279/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie betreffende de strategie van de Europese Unie voor de Adriatische en Ionische regio (COM(2014)0357), het bijbehorende actieplan en het ondersteunend analytisch document,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(1) (hierna "de GB-verordening"),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(2),

–  gezien de conclusies van de Raad van 23 oktober 2014 over de strategie van de Europese Unie voor de Adriatische en Ionische regio,

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's betreffende de toegevoegde waarde van macroregionale strategieën (COM(2013)0468) en de desbetreffende conclusies van de Raad van 22 oktober 2013,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 september 2014 over de mededeling van de Commissie betreffende de strategie van de Europese Unie voor de Adriatische en Ionische regio (COM(2014)0357) en over de EU-strategie voor de Adriatische en Ionische regio: onderzoek, ontwikkeling en innovatie in het midden- en kleinbedrijf (verkennend advies op verzoek van het Italiaanse voorzitterschap van de EU),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 januari 2014 over de EU-strategie voor de Adriatische en Ionische regio (Eusair) (verkennend advies),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 26 juni 2014 over de EU-strategie voor de Adriatische en Ionische regio,

–  gezien het initiatiefadvies van het Comité van de Regio's van 11 oktober 2011 met als titel "Territoriale samenwerking in het Middellandse Zeegebied via de Adriatisch-Ionische macroregio",

–  gezien zijn resolutie van 3 juli 2012 over de ontwikkeling van de macroregionale strategieën van de EU: huidige praktijk en vooruitzichten, vooral in het Middellandse Zeegebied(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie "Een maritieme strategie voor de Adriatische en de Ionische Zee" (COM(2012)0713),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende het bestuur van macroregionale strategieën (COM(2014)0284),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 januari 2011 getiteld "Bijdrage van het regionaal beleid aan duurzame groei in het kader van de Europa 2020-strategie" (COM(2011)0017),

–  gezien Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten,

–  gezien Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's,

–  gezien Besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005 betreffende het sluiten, namens de Europese Gemeenschap, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (Verdrag van Aarhus),

–  gezien de Verklaring van Ancona, aangenomen tijdens de conferentie over ontwikkeling en veiligheid in het Adriatisch en Ionisch gebied van 19 en 20 mei 2000,

–  gezien de oprichtingsconferentie van de Adriatisch-Ionische Euregio, gehouden in Pula op 30 juni 2006, en de verklaring over het opstarten van het initiatief tot vaststelling van de strategie voor de Adriatische regio, aangenomen op de vergadering van de Adriatisch-Ionische Euregio in Split op 22 oktober 2009,

–  gezien de studie van zijn directoraat-generaal Intern Beleid (beleidsondersteunende afdeling B: Structuur- en Cohesiebeleid) van januari 2015 over de nieuwe rol van macroregio's in de Europese territoriale samenwerking,

–  gezien de studie van zijn directoraat-generaal Intern Beleid (beleidsondersteunende afdeling B: Structuur- en Cohesiebeleid) van juni 2015 over het Adriatisch en Ionisch gebied: sociaal-economische analyse en beoordeling van de vervoers- en energieverbindingen,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie visserij (A8-0279/2015),

A.  overwegende dat de macroregionale strategieën een nieuw model van meerlagig bestuur vormen waarbij de betrokkenheid van de belanghebbenden die het Europese, nationale, regionale en lokale niveau vertegenwoordigen, met inbegrip van economische en sociale partners en maatschappelijke organisaties, alsmede de complementariteit tussen verschillende beleidsvormen en programma's van essentieel belang zijn voor een geslaagde uitvoering en het bereiken van de doelstellingen; overwegende dat regionale en plaatselijke overheden een belangrijke rol vervullen bij het bevorderen van de democratie, decentralisatie en meer plaatselijk en regionaal zelfbestuur;

B.  overwegende dat de eerdere strategieën voor de Oostzee en de Donau concrete voordelen voor de betrokken regio's hebben opgeleverd, het succes van de samenwerkingsmechanismen van de EU hebben bevestigd en nuttige ervaring vormden voor de ontwikkeling van nieuwe macroregionale strategieën;

C.  overwegende dat de regio's in toenemende mate belangstelling tonen voor deze moderne vorm van regionale samenwerking, alsook voor het bijbehorende governancemodel; overwegende dat dit de laatste tijd in het bijzonder opgaat voor berggebieden, zoals de Karpaten en de Alpen, waar in verband met natuurlijke barrières specifiek regionaal beleid noodzakelijk is;

D.  overwegende dat een macroregionale strategie als geïntegreerd kader met betrekking tot lidstaten en derde landen in dezelfde geografische regio en ondersteund door de Europese Raad, een EU-strategie is;

E.  overwegende dat er grote sociaaleconomische verschillen bestaan tussen de landen die bij deze strategie betrokken zijn, en dan met name tussen de lidstaten van de EU en de derde landen;

F.  overwegende dat de toegenomen belangstelling van een reeks landen in de Adriatische en Ionische regio voor samenwerking en het vaststellen van gezamenlijke maatregelen in antwoord op de uitdagingen onder gebruikmaking van het potentieel van de gehele regio, alsmede hun voortdurende inspanningen om synergie te bewerkstelligen, tot de aanneming van de EU-strategie voor de Adriatische en Ionische regio (Eusair) hebben geleid;

G.  overwegende dat de macroregionale strategieën kunnen worden beschouwd als een instrument ten behoeve van Europese integratie en nauwere territoriale samenhang op basis van vrijwillige samenwerking tussen lidstaten en buurlanden bij het aanpakken van gemeenschappelijke uitdagingen; overwegende dat de Eusair een nieuwe vorm van regionale samenwerking is die kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten kan bijstaan op hun weg naar de EU, en tevens een belangrijk onderdeel is van het ruimere Middellandse Zeebeleid van de Unie, zoals dat gestalte krijgt in de Unie voor het Middellandse Zeegebied; overwegende dat de Eusair, als onderdeel van het regionaal beleid van de EU, een instrument is ter bevordering van de economische en sociale cohesie, met als belangrijkste doel het verminderen van de verschillen tussen regio's, het stimuleren van reële convergentie en het bevorderen van groei en werkgelegenheid;

H.  overwegende dat de Adriatische Zee, vanwege het feit dat zij half-ingesloten is, bijzonder kwetsbaar is voor verontreiniging en dat zij uitzonderlijke hydrografische kenmerken vertoont, zoals het aanzienlijke verschil tussen de diepten en de kustlijnen in het noorden en het zuiden van de regio; overwegende dat de visbestanden door alle kuststaten worden gedeeld, waardoor het vermogen van de vispopulaties om zichzelf te herstellen voortdurend onder druk staat; overwegende dat in het kader van de toekomstige raamverordening voor technische maatregelen in het hervormde GVB, regionale maatregelen moeten worden ontwikkeld die zijn afgestemd op de specifieke kenmerken en de mariene rijkdommen van het gebied en op de visserij die er wordt beoefend;

Algemene overwegingen

1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie betreffende de strategie van de Europese Unie voor de Adriatische en Ionische regio en het bijbehorende actieplan; is van mening dat dit een belangrijke stap is in de ontwikkeling van dit deel van Europa; wijst erop dat de Eusair in het leven is geroepen om waarde toe te voegen aan maatregelen van de EU, de nationale of regionale autoriteiten dan wel de particuliere sector, en wel zodanig dat het functioneren van de macroregio er aanzienlijk door wordt verbeterd; wijst op de perspectieven die deze strategie aan de kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten in de regio biedt; onderstreept dat de strategie gebaseerd moet zijn op de beginselen van integratie, coördinatie, samenwerking en partnerschap; wijst andermaal op het belang van het "driemaal-NEE-beginsel": geen nieuwe wetgeving, geen nieuwe instellingen, geen nieuwe financiering, daar macroregio's het kader vormen voor samenwerkingsinitiatieven die gebaseerd zijn op de synergie welke ontstaat uit de koppeling van verschillende beleidsinstrumenten van de EU, waaronder de Europese structuur- en investeringsfondsen;

2.  is ingenomen met de inspanningen van alle belanghebbenden om binnen het bestaande institutionele kader een institutionele structuur voor de tenuitvoerlegging van de Eusair op te zetten; moedigt alle nationale, regionale en plaatselijke belanghebbenden aan om de onder deze macroregionale strategie vallende projecten in eigen verantwoordelijkheid uit te voeren; benadrukt hoe belangrijk het is de institutionele capaciteit en efficiëntie van overheden en overheidsdiensten te verbeteren en in ieder deelnemend land voldoende middelen en competent administratief personeel te waarborgen die uitdrukkelijk worden ingezet voor het uitvoeren van de Eusair;

3.  onderstreept dat er bij samenwerkingsactiviteiten voor een locatiegebaseerde benadering moet worden gekozen en wijst op de toegevoegde waarde van het meerlagig bestuursmodel, waarmee het gebrek aan administratieve capaciteit moet worden ondervangen en dat gebruikt kan worden om de middelen in de macroregio te bundelen; beklemtoont in dit verband dat de plaatselijke en regionale autoriteiten in de organen voor politiek beheer en in de operationele, technische en uitvoerende organen van de strategie moeten worden opgenomen, waarbij de Commissie een rol moet blijven spelen in het coördinatieproces; onderstreept dat door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (Community Led Local Development - CLLD) lokale actoren warm kan maken en bij het besluitvormingsproces kan betrekken, en de verantwoordelijkheid voor projecten op het niveau van de burgers kan helpen vergroten;

4.  onderstreept het belang van een transparante procedure voor de vaststelling, monitoring en evaluatie van de strategie, alsook van een open en inclusieve houding ten aanzien van het maatschappelijk middenveld en alle belanghebbenden; benadrukt dat communicatie en bewustmaking over alle pijlers heen van essentieel belang zijn voor de deelname van belanghebbenden aan het besluitvormingsproces en voor de totstandbrenging van publieke steun; moedigt de lidstaten aan ervoor te zorgen dat de strategie op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau de nodige zichtbaarheid krijgt, een toereikende communicatie met betrekking tot de doelstellingen en resultaten van de strategie te ontwikkelen en de coördinatie en uitwisseling van goede praktijken met andere reeds bestaande en toekomstige macroregionale strategieën te bevorderen;

5.  benadrukt dat de niet-EU-landen hun wetgeving moeten harmoniseren met het specifieke sectorale acquis met betrekking tot de strategie, teneinde te waarborgen dat de EU-doelstellingen worden bereikt en op reguliere, legale en tijdige wijze en op basis van EU-normen en -wetgeving worden verwezenlijkt; moedigt alle deelnemende landen aan denktanks in het leven te roepen en regelmatige ontmoetingen te organiseren om optimale werkwijzen uit te wisselen teneinde deze procedure veilig te stellen en efficiënter te maken;

6.  merkt op dat er als gevolg van de drastische afname van particuliere investeringen in de landen in de regio, in combinatie met begrotingsconsolidering en beperkte investeringscapaciteit in de openbare sector, problemen kunnen ontstaan bij de financiering van projecten in het kader van de strategie; roept de deelnemende landen op een grote mate van verantwoordelijkheid, betrokkenheid en leiderschap te tonen, daar deze nodig zijn om de strategie met succes uit te voeren;

7.  is verheugd dat de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) en het instrument voor pretoetredingssteun voor 2014-2020, en met name het Adriatisch-Ionisch samenwerkingsprogramma 2014-2020 (ADRION), aanzienlijke potentiële middelen en een verscheidenheid van instrumenten en technische opties voor de strategie bieden; vindt het een goede zaak dat er andere middelen en instrumenten met betrekking tot de pijlers van de strategie beschikbaar zijn, met name de programma's Horizon 2020 en Erasmus Plus met betrekking tot alle pijlers, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen met betrekking tot pijler II, het LIFE-programma met betrekking tot pijler III en ter beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering, en het COSME-programma en het Creatief Europa-programma voor kmo's met betrekking tot pijler IV, alsmede het programma voor de financiering van innovatie InnovFin; moedigt, met het oog op een synergie van de beschikbare fondsen, de samenwerking aan tussen de toezichtcomités van de programma's voor Europese territoriale samenwerking die de regio betreffen, de raad van bestuur van Eusair en de beheersinstanties van de ESI-fondsen; onderstreept dat de strategie een efficiënter en doelmatiger gebruik van de bestaande instrumenten en fondsen mogelijk moet maken;

8.  roept de Europese Commissie en de nationale, regionale en plaatselijke organen die verantwoordelijk zijn voor de voorbereiding, het beheer en de tenuitvoerlegging van ESIF-programma's op de nadruk te leggen op het belang van macroregionale projecten en maatregelen;

9.  benadrukt dat het belangrijk is op macroregionaal niveau de uitvoeringsstructuur en de coördinatiemechanismen te definiëren om de samenwerking te vergemakkelijken, met inbegrip van gezamenlijke planning, stroomlijnen van financieringsmogelijkheden en een bottom-upbenadering; onderstreept dat de nationale en regionale operationele programma's moeten worden afgestemd op de doelstellingen van de strategie, waar mogelijk met opneming van Eusair in de programma's; vindt dat initiatieven, voorstellen en projecten die de Adriatisch-Ionische regio betreffen, gecoördineerd en geharmoniseerd moeten worden;

10.  spoort de Commissie, de Europese Investeringsbank (EIB) en de deelnemende landen ertoe aan de beschikbare mogelijkheden in het kader van het nieuw opgerichte Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) ten volle te benutten ter financiering van projecten in de regio die toegevoegde waarde zouden creëren, duurzame ontwikkeling en economische en sociale samenhang zouden bevorderen, de groei zouden aanzwengelen en de werkgelegenheid zouden vergroten op macroregionaal niveau en zouden helpen bij het bereiken van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie; raadt in dit verband aan om in de fase van projectselectie "bonuspunten" toe te kennen aan macroregionale projecten die van inherent transnationale aard zijn;

11.  wijst erop dat er geen specifieke middelen worden toegewezen voor de tenuitvoerlegging van macroregionale strategieën en dat een krachtige politieke wil, partnerschap en coördinatie tussen de landen een voorwaarde is voor succes; spoort de landen in de regio daarom aan de beschikbare middelen (ESI-fondsen, IPA, EFSI) alsmede bijdragen uit nationale bronnen in het kader van de EIB te bundelen tot een financieel en investeringsplatform ter ondersteuning van de financiering van projecten die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van de strategie; dringt erop aan een transparante en openbaar toegankelijke projectenpijplijn voor de Adriatische en Ionische regio in het leven te roepen, die de huidige en potentiële investeringsbehoeften en projecten zichtbaar maakt zodat investeerders worden aangemoedigd in deze projecten te investeren;

12.  spoort de belanghebbenden aan optimale benaderingen uit te wisselen, opgedane ervaringen te benutten en de knelpunten bij de tenuitvoerlegging van andere macroregionale EU-strategieën in kaart te brengen, alsmede de samenwerking met hun tegenhangers, zoals die in de macroregio's van de Oostzee, het Donaubekken en de Alpen, op te voeren;

13.  verzoekt de Commissie administratieve en niet-financiële hindernissen die potentiële investeerders vaak ervan weerhouden in dergelijke projecten te investeren, uit de weg te ruimen;

14.  acht het noodzakelijk manieren te vinden om landen die niet in de strategie opgenomen zijn maar geografisch en economisch gezien dicht bij de regio aanleunen, minstens op basis van afzonderlijke en specifieke projecten erbij te betrekken; wijst in dit verband op de betekenis van grensoverschrijdende en transnationale samenwerking in het kader van het cohesiebeleid en verzoekt de lidstaten en de betrokken regio's om de bestaande optimale benaderingen op dit gebied te benutten;

15.  brengt in herinnering dat de economische crisis ingrijpende gevolgen heeft gehad voor de regio en benadrukt dat strategieën ter bevordering van het economisch herstel regelmatig moeten worden beoordeeld; wijst erop dat de landen in de regio uiteenlopende ontwikkelingsniveaus kennen en verschillende behoeften hebben; wenst dat de Commissie onderstreept hoe belangrijk het is om gunstige voorwaarden te scheppen voor het verkleinen van de sociaaleconomische verschillen tussen de landen; spreekt zijn steun uit voor hervormingen in minder ontwikkelde landen en moedigt de uitwisseling van kennis, ervaring en methodes in dit verband aan;

16.  onderstreept dat samenwerking op het gebied van cultuur, wetenschap en onderwijs moet worden aangemoedigd, vernieuwd en geïntensiveerd, onder meer door een ruimere academische mobiliteit van studenten en universiteitspersoneel; wijst erop dat wetenschap en innovatie een noodzakelijke voorwaarde zijn voor slimme, inclusieve en duurzame groei; benadrukt de onderlinge afhankelijkheid van wetenschappelijke en culturele samenwerking, enerzijds, en een positieve economische dynamiek en diversiteit en duurzaamheid van het toerisme in de regio, anderzijds;

17.  is verheugd dat het Europees Parlement vertegenwoordigd is in de bestuursorganen van de Eusair; verzoekt de Commissie om de gemeenschappelijke inspanningen van de landen in de regio (EU-lidstaten en derde landen) te analyseren en te onderzoeken of de lokale en regionale autoriteiten op doeltreffende wijze bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de strategie;

18.  verwijst naar precedenten die zich bij andere macroregionale EU-strategieën hebben voorgedaan en dringt erop aan steun te verlenen, in het kader van proefprojecten en voorbereidende acties, aan verschillende soorten maatregelen die lopen van studies tot opstartfinanciering voor de voorbereiding van projecten op verschillende prioritaire terreinen;

19.  acht het onontbeerlijk dat in de tenuitvoerleggingsfase van de strategie de algemene beginselen ervan, met name kwesties inzake milieubescherming en de optimale benutting van de natuurlijke hulpbronnen, naar behoren in aanmerking worden genomen in alle vier de pijlers, mede om te zorgen voor een holistische benadering van de gecompliceerde en uiteenlopende uitdagingen van de macroregio;

20.  onderstreept dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de in artikel 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bedoelde gebieden, zoals eilanden, berg- en landelijke gebieden, teneinde hun specifieke potentieel in kaart te brengen en te benutten, met name in de toeristische sector, met eerbiediging van de in dit verslag afgebakende gebieden voor maatregelen en prioriteiten; verzoekt de Commissie bovendien een Europees Jaar van eilanden en bergen voor te stellen;

21.  vindt dat er naar wegen moet worden gezocht waarmee de deelnemende landen andere belangrijke pijlers kunnen betrekken die ontwikkelingsvoordelen voor het gebied kunnen creëren, zoals de landbouw, gezien de specifieke geografische en klimaatomstandigheden, de biodiversiteit en het potentieel om synergetische gecoördineerde effecten en verdere groei te bewerkstelligen; beveelt aan nauwe samenwerking en coördinatie tot stand te brengen tussen in het binnenland gelegen gebieden, het kustgebied en de eilanden, teneinde synergie te ontwikkelen tussen projecten voor schone energie en de productie van gezond voedsel;

22.  vestigt de aandacht op het belang van adequate verslaglegging en evaluatie van de tenuitvoerlegging van de strategie; spoort de deelnemende landen en de Commissie in dit verband aan betrouwbare basisgegevens te verzamelen en voor elke pijler concrete doelstellingen vast te stellen, die jaarlijks worden geëvalueerd en aan het publiek beschikbaar worden gesteld;

23.  dringt aan op een geïntegreerde Europese totaalaanpak van migratie; beklemtoont dat migratie de regio voor grote uitdagingen stelt en betreurt alle tragedies in het Middellandse Zeegebied; benadrukt dat voor het aanpakken van deze uitdagingen het asielbeleid ingrijpend moet worden gewijzigd wat de solidariteit tussen de lidstaten betreft; onderstreept dat de algemene strategie inzake samenwerking met derde landen moet worden herbekeken; betreurt de ontoereikende samenwerking tussen de EU-lidstaten inzake de uitdagingen van de migratie; moedigt de uitwisseling van goede werkwijzen voor de opvang van migranten aan en dringt erop aan speciale aandacht te besteden aan de sociale en humanitaire kwesties waarmee de regio wordt geconfronteerd, met het oog op een eventuele nieuwe vaststelling van de prioriteiten van de Eusair in de toekomst;

24.  verwacht dat er een nieuwe impuls wordt gegeven ter versterking van de vrede en veiligheid in Zuidoost-Europa;

25.  roept de landen op tot uitwisseling van optimale benaderingen wat de eerbiediging van rechten van minderheden betreft, zodat de hoogste normen worden toegepast, aangezien dit bijzonder gevoelig ligt als het om taalkwesties gaat;

26.  onderstreept dat, in de diverse uitvoeringsfases, aan openbare en particuliere economische actoren, de leden van de samenleving en de diverse geledingen van het maatschappelijk middenveld een adequate opleiding moet worden geboden middels een specifiek programma met inbegrip van organisatorische en technische ondersteuning;

27.  verzoekt de Commissie om de twee jaar aan het Parlement en de Raad verslag uit te brengen over de tenuitvoerlegging van de Eusair, met het oog op de beoordeling van de werking en de toegevoegde waarde ervan wat betreft groei en banen, vermindering van verschillen en duurzame ontwikkeling;

28.  moedigt specifieke maatregelen aan ter bevordering van de sociale dimensie; onderstreept het belang van de opneming van prioriteiten en maatregelen ter ondersteuning van de inclusie van gehandicapten en ter voorkoming van alle soorten discriminatie;

Blauwe groei

29.  benadrukt dat de unieke geografische ligging en de specifieke kustlijnstructuur van de regio, samen met haar rijke mariene biodiversiteit, een enorm potentieel inhouden voor het scheppen van "blauwe" banen en voor innovatieve en duurzame economische ontwikkeling en groei, met inbegrip van blauwe technologie, visserij en aquacultuur, en betere maritieme en mariene governance en diensten;

30.  ondersteunt de blauwe economie als oplossing voor de economische crisis, aangezien deze de werkgelegenheid en economische ontwikkeling stimuleert, met bijzondere aandacht voor de werkgelegenheid onder vrouwen en jongeren in kust- en eilandstaten; is van mening dat de strategie van de EU voor de Adriatische en Ionische regio niet ten uitvoer kan worden gelegd zonder rekening te houden met het concept van de blauwe economie, dat de met de zeeën en oceanen verband houdende economische sectoren, de aquacultuur, het vervoer over zee en over de binnenwateren en het toerisme verbindt met de bescherming van het milieu;

31.  verzoekt de Commissie en de landen die bij de strategie betrokken zijn, jonge mensen niet alleen warm te maken voor de visserij en de aquacultuur in de Adriatische en Ionische regio, maar hen ook te stimuleren actief te worden in deze sector;

32.  dringt aan op beleidscoördinatie en harmonisering van de doelstellingen van de strategie, alsook op gemeenschappelijke projecten die stroken met de waarden, beginselen en doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid; pleit voorts voor ondersteuning van de ontwikkeling van een duurzame visserijsector en de productie van traditioneel en gezond voedsel; dringt aan op oprichting van plaatselijke actiegroepen voor de visserij, omdat zij een natuurlijk hulpmiddel kunnen zijn bij de diversificatie van de visserij; benadrukt dat de belanghebbenden ten behoeve van een duurzame en rendabele visserij en aquacultuur sterker betrokken moeten worden bij het algemene beheer en dat visserij-activiteiten moeten worden verbeterd en gediversifieerd;

33.  is van mening dat blauwe groei de meest uiteenlopende sectoren en bedrijven omvat en dat de ontwikkeling ervan dan ook vakkundige arbeidskrachten in al die sectoren vereist; roept de lidstaten die bij de Eusair betrokken zijn op de verschillende sectoren van blauwe groei in hun opleidingsprogramma's te promoten en daarbij rekening te houden met systemen voor een leven lang leren en opleiding voor werknemers; wijst op het complexe karakter van de activiteiten, sectoren en disciplines van de sociaaleconomische systemen die betrokken zijn bij blauwe groei, en acht het dan ook uitermate belangrijk dat lidstaten die bij de Eusair betrokken zijn, voor een arbeidsmarktbeleid kiezen dat zorgt voor een groter vermogen om in te spelen op veranderingen, innovatie en multidisciplinariteit, de opleiding van menselijk kapitaal aan te passen en de arbeidsparticipatie van vrouwen te verhogen;

34.  onderstreept het belang van een betere en echte onderlinge verbinding tussen de Europa 2020-strategie en de drie pijlers (met name de pijler blauwe groei) in de Eusair op basis van het actieplan van de Europese Commissie; beschouwt het actieplan als een van de outputs van de strategiebenadering, waarin de concrete prioriteiten voor de macroregio worden genoemd; wijst erop dat op basis hiervan acties en projecten worden geselecteerd aan de hand van een uitvoerig bottom-up-raadplegingsproces waarbij de reeks belanghebbenden uit de Adriatisch-Ionische regio zijn betrokken die de nationale, regionale en plaatselijke autoriteiten en de sociale partners vertegenwoordigen, maar ook de particuliere sector, de sociale economie, het hoger onderwijs en het maatschappelijk middenveld;

35.  is voorstander van clustervorming en samenwerking tussen openbare en particuliere bedrijven, universiteiten, onderzoeksinstellingen en andere belanghebbenden in de mariene en maritieme sectoren teneinde innovatie te stimuleren en ten volle van synergieën te profiteren; is van mening dat de acties in het kader van "blauwe groei" gebaseerd moeten zijn op de nationale en regionale onderzoeks- en innovatiestrategieën voor slimme specialisatie zodat de investeringen efficiënter en effectiever worden; roept de landen en regio's op om deel te nemen aan het S3-platform van de Commissie teneinde in aanmerking te komen voor steun voor de ontwikkeling, tenuitvoerlegging en evaluatie van slimme specialisatiestrategieën; acht het in dit verband noodzakelijk kmo's vlotter toegang tot krediet te geven en de bestaande bedrijfsnetwerken (clusters) te verbeteren via een proces van internationalisatie, met het doel nieuwe duurzame kwaliteitsbanen te scheppen;

36.  is voorstander van invoering van een gemeenschappelijk kwaliteitslabel voor kwalitatief hoogstaande visserijproducten uit de regio, teneinde hun concurrentievermogen te verbeteren;

37.  onderstreept het belang van een sociale dialoog en van de participatie van vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld in activiteiten voor capaciteitsopbouw, naast de overheid; is van oordeel dat dit zou kunnen worden bereikt door in elke lidstaat op macroregionaal en regionaal niveau een permanent platform op te zetten dat de sociale en economische partners vertegenwoordigt, zoals reeds is gebeurd voor universiteiten, kamers van koophandel en steden;

38.  benadrukt dat marien en maritiem onderzoek en een sterkere samenwerking op deze gebieden tussen onderzoekers en tussen lidstaten en regio's die bij de Eusair betrokken zijn, belangrijk zijn om de bestaande kloof tussen deze lidstaten te dichten en het concurrentievermogen van de kustgebieden en de schepping van duurzame kwaliteitsbanen ter plaatse te stimuleren;

39.  neemt met bezorgdheid kennis van de graad van uitputting van de visbestanden in de Adriatische en de Ionische Zee als gevolg van overbevissing en illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) en andere belangrijke risico's voor alle mariene levensvormen; onderstreept dat visserij een centrale plaats inneemt in de economie van kustgebieden en eilanden; vindt dan ook dat de bescherming en instandhouding van de visbestanden en mariene ecosystemen, in overeenstemming met het in het gemeenschappelijk visserijbeleid opgenomen beginsel van de maximale duurzame opbrengst, als een uiterst belangrijke doelstelling van de strategie moet worden beschouwd; onderstreept dat in de overgangsperiode de aanpassing aan de visserijbeperkingen moet worden ondersteund met subsidies voor de aankoop van nieuwe uitrusting via het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV); dringt aan op doortastende maatregelen in de vorm van de aanpassing van de visserijwetgeving van derde landen aan de EU-wetgeving, gegevensuitwisseling, gezamenlijke monitoringplatforms en meerjarige visserijbeheersplannen, en vraagt om na te denken over methoden voor het ontwikkelen van een duurzame aquacultuursector, die veel mogelijkheden biedt om door hernieuwbare energiebronnen te worden aangedreven;

40.  wijst erop dat de commerciële exploitatie van vis en schaal- en schelpdieren binnen veilige biologische grenzen moet blijven om een goede milieutoestand te bereiken en de duurzaamheid van de visindustrie op de lange termijn te waarborgen;

41.  verzoekt de Commissie de vangstvolumes van de pleziervisserij bij te houden, de pleziervisserij te reguleren en de voor de beroepsvisserij geldende grenswaarde van de maximale duurzame opbrengst (MDO) ook voor de pleziervisserij te laten gelden;

42.  dringt aan op uitgebreid onderzoek naar de visbestanden, met name van bedreigde soorten, en hun biologische interconnectie, daar het ontbreken van precieze gegevens tot onduidelijke en onbetrouwbare beoordelingen zou leiden; dringt aan op de instandhouding van natuurlijke bevruchting;

43.  dringt aan op de beoordeling en bevordering van projecten die tot doel hebben de invloed van indirecte visserij (spooknetten, inrichting voor de mosselteelt) en van de bijvangst van beschermde soorten in te schatten, in de wetenschap dat alleen al in de Adriatische Zee naar schatting meer dan 40 000 zeeschildpadden als bijvangst worden binnengehaald; is van mening dat er dringend behoefte is aan milieustudies en onderzoek naar maatregelen om iets aan dit probleem te doen (zoals het gebruik van zogenaamde "turtle excluder devices");

44.  dringt aan op resolute steun voor de scheepsbouw, met inbegrip van de pleziervaartsector, en vraagt daarbij bijzondere aandacht te besteden aan modernisering en specialisatie met het oog op het scheppen van werkgelegenheid en aanpassing aan de vereisten van duurzame en concurrerende groei die aansluit bij blauwe technologie;

45.  dringt aan op grote steun voor productiegebieden, samenwerkingsverbanden en samenwerking tussen gebieden in de verschillende delen van de macroregio; moedigt de uitwisseling van goede werkwijzen aan, uitgaande van de voornaamste ervaringen in de sector en die van andere regio's die dezelfde benadering willen kiezen ter bevordering van het opzetten van productiegebieden;

46.  onderstreept dat het belangrijk is de recreatieve sport- en familiale visserij te ondersteunen en te bevorderen met een geïntegreerd beleid voor visserij en toerisme (visserij en vistoerisme, maricultuur), met name op de eilanden, om de lokale culturele tradities en de maritieme levensstijl van de eilandbewoners en kleine kustlocaties in stand te houden; moedigt duurzame, kleinschalige en traditionele kustvisserij en aquacultuur aan, in combinatie met een gediversifieerd culinair aanbod en reclame voor plaatselijke vismarkten, als beste manier om duurzaamheid te waarborgen en meer steun te bieden aan toeristische activiteiten in de kustgebieden;

47.  wenst dat de Commissie zich ervoor inzet de visserij en de werknemers in de visserijsector (meer) te betrekken bij projecten met betrekking tot cultuurtoerisme en erfgoedtoerisme, met inbegrip van de visserij en de herontdekking van de zeevaart, traditionele visgronden en oude visserijambachten;

48.  onderstreept het belang van de sociale economie en van vrouwelijk ondernemerschap bij het bereiken van "blauwe groei" en roept de bij de Eusair betrokken lidstaten op de participatie van vrouwen in alle relevante sectoren aan te moedigen en te steunen; wijst op de essentiële rol van kleine en micro-ondernemingen in de betrokken regio's en gebieden en verzoekt de bij de Eusair betrokken lidstaten een actief beleid te voeren voor de bevordering van dergelijke vormen van economische bedrijvigheid;

49.  steunt de maatregelen om de hydrogeologische risico's en de kusterosie te beperken;

50.  onderstreept het belang van onderzoek en moedigt aanzienlijke steun voor mariene en maritieme gebieden aan;

51.  benadrukt dat de ontwikkeling van aquacultuur en maricultuur een belangrijke rol kan spelen, niet alleen voor het herstel van de biodiversiteit maar ook voor de economische groei van de Adriatische en Ionische regio;

52.  dringt bij de Commissie aan op intensivering van de uitwisseling van goede werkwijzen, zoals de duurzaamheid van door kustactiegroepen ontwikkelde projecten;

Connectiviteit van de regio

53.  merkt op dat betere vervoers- en energieverbindingen tussen de deelnemende landen onderling en met de andere buurlanden, met inbegrip van het vervoer over zee, intermodale verbindingen met het achterland, en energienetten een dwingende noodzaak voor de macroregio zijn en een voorwaarde voor de economische en sociale ontwikkeling ervan; wijst op het gebrek aan verbindingen tussen beide kusten van de Adriatische Zee en op de kloof in de netwerkinfrastructuur in het Adriatisch-Ionisch gebied;

54.  dringt aan op stimulansen voor het creëren van duurzame vervoersverbindingen waarmee de reistijden, de logistieke en vervoerskosten en de externe effecten worden verminderd; dringt aan op grote strategische werken in verband met de interactie zee-land om mogelijkheden voor het intermodaal vervoer tussen de landen te scheppen, bij te dragen tot de samenhang, het gehele netwerk uit te breiden en de congestie op de weg en dus de CO2-uitstoot te verminderen; vestigt de aandacht erop dat de maritieme en de havendimensie van het cabotagevervoer, van snelwegen op zee en van cruises tussen de beide kusten van de Adriatische zee, zowel op de noord-zuidroutes als op de transversale oost-westroutes, moeten worden verbeterd; stipt aan dat er meer coördinatie nodig is om opstoppingen in het zeevervoer te voorkomen en het beheer en de controle ervan te verbeteren;

55.  zou graag zien dat er gebruik wordt gemaakt van de verordening betreffende de monitoring, de rapportage en de verificatie van kooldioxide-emissies door maritiem vervoer (Verordening (EU) 2015/757) voor de innovatie en totstandbrenging van duurzaam maritiem vervoer in de macroregio door gebruik te maken van alternatieve motoren voor de voortstuwing van schepen en alternatieve brandstoffen om de broeikasgasemissies te verminderen en de energie-efficiëntie in de vervoerssector te verbeteren;

56.  onderstreept dat het belangrijk is scheepvaartroutes en havens met andere delen van Europa te verbinden, en wijst op het belang van interconnecties met de TEN-T-corridors; roept de deelnemende landen op hun inspanningen te richten op de uitvoering van projecten van het huidige TEN-T-netwerk en andere werkzaamheden voor de voorgestelde uitbreiding ervan naar Zuidoost-Europa/de Oost-Adriatische kust, waarmee de netwerkkloof in de Adriatisch-Ionische regio kan worden gedicht; verzoekt de betrokken landen daarom prioritaire infrastructuurprojecten met regionale en Europese meerwaarde in kaart te brengen en stelt voor onder meer aandacht te besteden aan de volgende punten:

   i) de voltooiing van de Baltisch-Adriatische corridor, met inbegrip van de uitbreiding van de volledige Ionisch-Adriatische hoofdverbinding,
   ii) de noord-zuiduitbreiding van de Scandinavisch-mediterrane corridor,
   iii) de totstandbrenging van een corridor voor goederenvervoer per spoor tussen de Alpen en de Westelijke Balkan,
   iv) een betere verbinding tussen het Iberisch schiereiland, midden-Italië en de Westelijke Balkan,
   v) de verwezenlijking van een wegverbinding in de Balkan tussen havens en in het binnenland, alsook een verbinding met de Rijn-Donaucorridor,
   vi) een verbetering van de havenvoorzieningen voor betere verbindingen tussen beide kusten van de Adriatische Zee, en de uitwerking van een gezamenlijke strategie door de besturen van de noord-Adriatische havens voor een ruimere voorziening van Midden-Europa met geïmporteerde goederen;

57.  dringt erop aan de capaciteit van het bestaande infrastructuurnet te optimaliseren, waarbij speciaal moet worden gelet op de huidige weg- en spoorwegverbindingen in de macroregio, met inbegrip van het aansluitingsvervoer; benadrukt dat de Adriatisch-Ionische snelweg zo vlug mogelijk moet worden voltooid, daar die de economische en sociale ontwikkeling van de macroregio zal aanzwengelen; onderstreept het belang van de nieuwe corridors die snelwegen, spoorwegen en andere infrastructuur aan beide kanten van de Adriatisch-Ionische regio omvatten; stipt aan dat er meer coördinatie nodig is om opstoppingen in het zeevervoer te voorkomen en het beheer en de controle ervan te verbeteren;

58.  dringt aan op de ontwikkeling van hogesnelheidsspoorweginfrastructuur ten behoeve van de interconnectie van de macroregio en betere verbindingen met en binnen de EU; wijst erop dat het belangrijk is de spoorwegverbindingen tussen de Adriatische en de Ionische regio alsook tussen de Tyrrheense en de Adriatisch-Ionische kust te verbeteren;

59.  roept de deelnemende landen op hun infrastructuur voor zee-, spoor- en luchtvervoer te verbeteren, in de macroregio snelwegen op zee te ontwikkelen en daarbij intermodale vervoersmiddelen te combineren, met name om het achterland te verbinden, alsmede de vervoerslogistiek te verbeteren en hierbij optimaal gebruik te maken van de meest geavanceerde technologieën en altijd een hoog niveau van veiligheid en ecologische duurzaamheid in acht te nemen; roept de deelnemende landen ook op na te gaan welke mogelijkheden er zijn ter verbetering van de connectiviteit met instrumenten voor e-mobiliteit die een internationale e-ticketingdienst mogelijk kunnen maken;

60.  wijst op het gebrek aan doeltreffende verbindingen met de eilanden; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan betere verbindingen te bevorderen door naar nieuwe, gecoördineerde opties met meerwaarde te zoeken, het gebruik van goederen- en passagiersroutes te optimaliseren en particuliere en publieke belanghebbenden bij een en ander te betrekken, teneinde de levenskwaliteit te vergroten, de ontvolking te stoppen en de sociaal-economische opportuniteiten in deze gebieden te benutten; onderstreept dat de interne verbindingen en de vervoersinfrastructuur op de eilanden moeten worden verbeterd met het oog op een duurzame interne mobiliteit; benadrukt tevens dat moet worden gezorgd voor passende gezondheids- en onderwijsprogramma's ten behoeve van de eilandbewoners, gedurende het hele jaar;

61.  dringt aan op de verwezenlijking van grote projecten voor intermodale verbindingen op de eilanden en wenst met name grote steun voor de uitbreiding van strategisch belangrijke luchthavens, zowel wat infrastructuur als wat nieuwe routes naar andere gebieden in de macroregio betreft;

62.  verzoekt de deelnemende landen zich te blijven inspannen om de bronnen van energievoorziening te diversifiëren, daar dit niet alleen de energiezekerheid van de macroregio zal verbeteren maar ook voor meer concurrentie zal zorgen en de energie-armoede zal helpen bestrijden, wat belangrijke voordelen voor de economische en sociale ontwikkeling van de regio met zich mee zal brengen; benadrukt dat de milieugevolgen van maatregelen in de energiesector grondig moeten worden beoordeeld; onderstreept dat het belangrijk is gezamenlijk investeringen te plannen in de ontwikkeling van terminals voor vloeibaar aardgas (LNG) en in de ontbrekende gasnetwerken in de macroregio, en daarmee bij te dragen aan de totstandbrenging van een grotere mate van onafhankelijkheid en meer energiezekerheid; spreekt zich verder uit voor maatregelen om de energie- en hulpbronnenefficiëntie te verbeteren en op die manier bij te dragen tot concurrentievermogen;

63.  spoort aan tot het ontwikkelen van energie-infrastructuur die het mogelijk maakt de koolstofvoetafdruk te verkleinen, de energie-efficiëntie te verbeteren en de energiezekerheid van de macroregio en daarbuiten te garanderen; wijst er voorts op dat het concept van slimme steden moet worden ontwikkeld en bevorderd om toegevoegde waarde te verlenen aan de huidige algemene energie-infrastructuur van de macroregio;

64.  erkent het grote potentieel van onderbenutte hernieuwbare energiebronnen in de macroregio; dringt erop aan de beschikbare hernieuwbare energiebronnen, zoals zonne- en windenergie, getijdenenergie (indien technisch haalbaar) en golfslagenergie, te benutten in de energieproductiemix; wijst op de duurzaamheid en het concurrentievermogen van mogelijke waterkrachtcentrales in alle deelnemende landen; roept de deelnemende landen op bij te dragen aan de totstandbrenging van een goed functionerende en onderling verbonden gas- en elektriciteitsmarkt in de macroregio die gelijke toegang tot goedkope en betaalbare energie garandeert; onderstreept dat het belangrijk is de grensoverschrijdende energie-interconnecties te versterken ter ondersteuning van investeringen in de energiesector, wat een belangrijke voorwaarde is voor integratie in het energienet van de EU, alsmede belemmeringen voor grensoverschrijdende investeringen in de energiesector weg te nemen;

65.  staat achter gezamenlijke planning en investeringen in energie-infrastructuur voor de productie en het vervoer van elektriciteit en gas in de macroregio, in overeenstemming met het TEN-E-netwerk, met het oog op de uitvoering van de concrete projecten die vermeld zijn in de lijst van projecten die van belang zijn voor de Energiegemeenschap (PBEG's);

66.  is bezorgd over de nieuwe impuls voor de exploratie en exploitatie van olie en gas op zee en op het land, waardoor de macroregio dreigt te worden blootgesteld aan het risico van rampen met ernstige gevolgen voor het milieu, de economie, met inbegrip van de visserijsector, en de volksgezondheid; benadrukt dat dergelijke activiteiten in overeenstemming moeten zijn met de regels en de richtlijnen van de Unie inzake klimaat en hernieuwbare energie; benadrukt dat de Adriatische Zee een gesloten, ondiepe zee is die slecht in staat is verontreinigende stoffen af te voeren en aan beide oevers een bloeiende toeristische economie kent en dat de groei van de macroregio in de eerste plaats moet afhangen van het toerisme en van economische activiteiten die verband houden met de specifieke ecologische kenmerken en het specifieke ecosysteem van deze zee; benadrukt dat de EU-wetgeving en internationale verdragen op het gebied van milieuduurzaamheid en de veiligheid van activiteiten op zee consequent ten uitvoer moeten worden gelegd; dringt aan op de volledige tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn mariene strategie (Richtlijn 2008/56/EG) en de richtlijn betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten (Richtlijn 2013/30/EU);

67.  dringt aan op de vastlegging van gemeenschappelijke Europese normen voor de vervoersveiligheid in de Adriatisch-Ionische macroregio;

68.  onderstreept dat grensoverschrijdende luchtdiensten moeten worden bevorderd middels de uitvoering van gemeenschappelijke projecten die zijn bedoeld om de verbindingen binnen de macroregio te waarborgen en te intensiveren;

Milieukwaliteit

69.  wijst op de rijkdom van de mariene, kust- en terrestrische ecosystemen van de deelnemende landen; merkt op dat de Adriatische Zee bijna de helft (49 %) van alle geregistreerde mariene soorten in de Middellandse Zee herbergt en de meest ongewone subregio van de Middellandse Zee vormt vanwege haar ondiepe wateren en geringe stroming en de grote invloed van rivieren; dringt aan op gezamenlijke inspanningen teneinde alle mogelijke maatregelen te treffen, zoals het gebruik van schone brandstoffen voor het zeevervoer en de logistiek, om de biodiversiteit van het mariene milieu en de transnationale habitats op het land in stand te houden en de vervuiling van de zee en andere bedreigingen van de biodiversiteit in mariene en kustgebieden te voorkomen en terug te dringen; benadrukt hoe belangrijk het is dat bedreigde zee- en landfauna en -flora, waaronder de mediterrane monniksrob, de grotsalamander, de lynx, de vale gier en andere soorten, worden beschermd, en roept de deelnemende landen op passende maatregelen te treffen om deze doelstelling te verwezenlijken;

70.  dringt aan op de uitwisseling van optimale benaderingen tussen de deelnemende landen op het gebied van beheer van het natuurlijk en cultureel erfgoed, waaronder Natura 2000-gebieden en Unesco-locaties, met het doel duurzame toeristische attracties te creëren;

71.  verzoekt alle deelnemende landen hun krachten te bundelen bij de uitvoering van maritieme ruimtelijke ordening, overeenkomstig Richtlijn 2014/89/EU tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning, en geïntegreerd kustbeheer en daar diverse belanghebbenden (nationale, regionale en lokale autoriteiten, de plaatselijke bevolking, wetenschappers, ngo's, enz.) bij te betrekken; is van mening dat een passend gezamenlijk beheer van de maritieme ruimte een belangrijk kader biedt voor het duurzame en transparante gebruik van maritieme en mariene hulpbronnen;

72.  wijst erop dat het belangrijk is de rivieren en meren in het Adriatisch-Ionisch gebied te beschermen en in stand te houden;

73.  wijst erop dat de historische en grensoverschrijdende vervuiling verantwoordelijk moet worden aangepakt en dat gebieden waar de bodem, het water en de lucht door de industrie of als gevolg van militaire conflicten vervuild zijn, moeten worden gesaneerd; ondersteunt alle actieve maatregelen om de vervuiling van de zee door chemische en conventionele wapens terug te dringen; staat achter de terugdringing en uiteindelijk volledige verwijdering van zwerfvuil op zee, overeenkomstig de kaderrichtlijn mariene strategie, met name met betrekking tot de vervuiling door afval op de Adriatische eilanden;

74.  is bezorgd over de schade die wordt veroorzaakt door in zee gedumpt plastic afval; roept de Commissie op initiatieven te steunen die gericht zijn op het verzamelen en recyclen van dit afval; benadrukt dat bij dit proces ook vissers moeten worden betrokken;

75.  roept de landen op uitvoerige plannen voor hergebruik van voormalige militaire en industrieterreinen te ontwikkelen en uit te voeren; benadrukt dat deze locaties niet alleen een gevaar vormen voor het milieu, maar ook een significant economisch potentieel bieden dat niet wordt benut;

76.  roept ertoe op de verhuizing van industrie uit stadscentra en kustgebieden aan te moedigen, met het doel de levenskwaliteit te verbeteren;

77.  dringt erop aan dat alle beschikbare instrumenten worden gebruikt om de beste oplossingen voor afvalbeheer en afvalwaterzuivering in de regio toe te passen, overeenkomstig Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater in de lidstaten van de EU;

78.  vestigt de aandacht op de verschillende natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen die de regio de afgelopen jaren getroffen hebben; wijst op het probleem van ontbossing en andere risico's die samenhangen met klimaatverandering; onderstreept dat bij de tenuitvoerlegging van het actieplan en de prioriteiten van elke pijler de horizontale beginselen voor de beheersing van risico's van natuurrampen en de aanpassing aan de klimaatverandering volledig moeten worden toegepast; moedigt samenwerking tussen de hydrometeorologische instituten van de landen aan inzake de aanpak van extreme weerssituaties, de gevolgen van klimaatverandering en rampenrisicobeheer; erkent dat de sectoren water, landbouw en toerisme het meest kwetsbaar zijn voor klimaatverandering en moedigt daarom samenwerking tussen de nationale autoriteiten aan, teneinde een kader en steunmechanisme in te stellen voor de uitvoering van aanpassings- en mitigatiemaatregelen;

79.  onderstreept dat de emissies van broeikasgassen, met name in de sector zeevervoer, moeten worden verminderd;

80.  benadrukt dat de toegang tot watervoorraden geografisch gezien en naargelang het seizoen verschilt en voor problemen zorgt, met een duidelijk tekort aan water op de eilanden en in de kustgebieden in de zomer, wanneer de vraag naar water als gevolg van de instroom van grote aantallen toeristen tot een veelvoud stijgt;

81.  dringt aan op de oprichting van een regionaal centrum voor rampenparaatheid, samen met een gezamenlijk rampenplan voor olielekkage en grootschalige vervuiling, teneinde een systeem voor vroegtijdige waarschuwing tot stand te brengen ter voorkoming van natuurrampen en door industriële, vervoers- en andere activiteiten veroorzaakte rampen, zoals overstromingen, branden en ontginningsactiviteiten in de Adriatische regio; benadrukt dat dit centrum rechtstreeks gekoppeld zou moeten zijn aan het EU-mechanisme voor burgerbescherming; onderstreept dat het belangrijk is het ecosysteem en de biodiversiteit van de regio te behouden via een beter inzicht en de uitwisseling van goede werkwijzen;

82.  roept de landen die niet tot de EU behoren op de tenuitvoerlegging van het sectorale acquis (zoals de kaderrichtlijn water) te bespoedigen met het oog op hun toekomstige toetreding tot de Unie;

83.  dringt er bij de lidstaten op aan dat zij de bevoegde autoriteiten van de buurlanden en de plaatselijke gemeenschappen in de macroregio raadplegen, vooral waar het gaat om economische activiteiten die onder een milieueffectbeoordeling vallen overeenkomstig Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten;

Duurzaam en concurrerend toerisme

84.  onderstreept het cruciale belang van toerisme voor de Europese economie en de ontwikkeling van sociale cohesie binnen de EU, met name voor de mediterrane landen en voor de regio als geheel; onderstreept dar er nieuwe benaderingen moeten worden uitgewerkt die helpen het seizoenskarakter te corrigeren en zijn afgestemd op de gevolgen en duurzaamheid van het toerisme ten aanzien van het milieu; dringt aan op meer steun voor de financiering van toeristische projecten uit de ESI-fondsen en andere bronnen;

85.  dringt erop aan dat de grensoverschrijdende wegverbindingen met spoed worden verbeterd teneinde het concurrentievermogen van de toeristische sector te vergroten, daar slechte verbindingen voor verkeersknelpunten en lange wachttijden zorgen; wijst erop dat de bestaande luchtvaartinfrastructuur en de maritieme verbinding tussen de twee kusten van de Adriatische Zee met het oog op het toerisme moeten worden verbeterd;

86.  beklemtoont dat het gebruik van reeds bestaande luchthavens in de macroregio moet worden gestimuleerd om een te grote concentratie van passagiers in een paar grote luchthavens te voorkomen en duurzame en evenwichtigere toeristenstromen op verschillende plaatsen te bevorderen;

87.  beschouwt het rijke cultureel en natuurlijk erfgoed van de regio (waaronder culturele activiteiten zoals film, theater en muziek) als een sterke troef, waarop de toeristische sector gestoeld is; wijst op het grote aantal beschermde Unesco-locaties en Natura 2000-gebieden in alle deelnemende landen; is van mening dat het potentieel van toerisme, ondanks de aanzienlijke bijdrage van deze sector aan de economie, niet volledig wordt benut, met name vanwege de sterke seizoensafhankelijkheid en tekortkomingen op het gebied van innovatie, duurzaamheid, vervoersinfrastructuur, de kwaliteit van het toerismeaanbod, de vaardigheden van de deelnemende belanghebbenden en het verantwoordelijk beheer van toerisme; verzoekt de deelnemende landen beleid vast te stellen waarmee toereikende verbindingen en toeristenfaciliteiten worden aangeboden, ook buiten het zomerseizoen, teneinde de toeristenstromen te diversifiëren en in alle seizoenen voor een constante aanwezigheid van toeristen te zorgen; onderstreept hoe belangrijk het is toerisme met het natuurlijke, culturele en artistieke erfgoed te combineren;

88.  spoort de lidstaten aan oplossingen voor duurzame mobiliteit in de toeristische sector te bevorderen en aldus de kwaliteit van en de keuze aan toeristische diensten te verbeteren;

89.  beseft hoe belangrijk nationale parken, natuurgebieden en beschermde gebieden zijn als grondslagen voor de toekomstige educatie van burgers op het vlak van milieubescherming en bestrijding van klimaatverandering;

90.  onderstreept dat samenwerking tussen de landen van essentieel belang is voor de verdere ontwikkeling van het toerisme in de regio; pleit voor de formulering van strategieën ter bevordering van het toerisme in de Adriatische en Ionische regio die gebaseerd zijn op duurzaamheid en de landen in staat stellen van synergieën te profiteren en gemeenschappelijke problemen op macroregionaal niveau aan te pakken; meent dat samenwerking nodig is om meer bekendheid te geven aan bestemmingen in de Adriatische en Ionische regio;

91.  dringt er bij de Europese Commissie, de deelnemende landen en de plaatselijke en regionale autoriteiten op aan maatregelen te nemen die de belanghebbenden ertoe aanzetten de toerisme-infrastructuur te verbeteren;

92.  onderstreept het belang van steun voor culturele en creatieve activiteiten en met name de ontwikkeling en de integratie van zakelijke activiteiten op het vlak van muziek, theater, dans en film; dringt aan op de organisatie van festivals, congressen en culturele manifestaties waarmee de integratie wordt bevorderd;

93.  wijst erop dat kmo's vlotter toegang moeten krijgen tot steun en financiering omdat zij van doorslaggevend belang zijn voor de toeristische sector; spoort de belanghebbenden in de regio aan om deel te nemen aan het Enterprise Europe Network teneinde ervaringen uit te wisselen, contacten te leggen en partners aan de andere kant van de grens te vinden;

94.  onderstreept het belang van projecten voor slimme specialisatie en slimme gemeenschappen middels de benutting van bestaande platformen voor innovatie, waaronder het creëren van een Adriatisch-Ionisch gebied voor creativiteit;

95.  steunt de ontwikkeling van een gediversifieerd toerismeaanbod met toeristische themaparken en -routes alsmede cultureel, plattelands-, gezondheids-, medisch, water-, gastronomisch, wijn-, conferentie- en sporttoerisme, met inbegrip van fietsen, golfen, duiken, wandelen, skiën, bergbeklimmen en buitensporten, om het toerisme gedurende het gehele jaar te bevorderen en het concurrentievermogen van de toeristische bestemmingen te vergroten, uitgaande van duurzaamheid; steunt de ontwikkeling van plattelandstoerisme om de druk op de belangrijke toeristische centra en de nauwe kuststrook te verlichten en van het seizoensgebonden karakter te helpen afkomen; steunt de uitbreiding van toeristische activiteiten naar het achterland waarbij geïntegreerde toeristische producten worden gecreëerd die de belangrijkste attracties van de macroregio en haar hoofdsteden omvatten;

96.  onderstreept hoe belangrijk het is dat toerismebeheer en infrastructuur samenhang vertonen en benadrukt dat de kwaliteit en diversiteit van diensten en kansen moet worden verbeterd, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de regio; onderstreept tevens het belang van de bevordering en de instandhouding van lokale en regionale tradities;

97.  onderstreept dat het belangrijk is alternatieve routes en bedrijfsmodellen te verkennen en cruisepakketten beter af te stemmen op de lokale bevolking en lokale producten, zodat niet-duurzame congestie doeltreffender kan worden aangepakt en het volledige potentieel beter kan worden benut, hetgeen meer blijvende economische voordelen voor de lokale economie oplevert; erkent het belang van de ontwikkeling en profilering van macroregionale toeristische routes door middel van het in kaart brengen en promoten van bestaande routes;

98.  steunt de exploitatie van de meest representatieve troeven van het gebied voor toeristische doeleinden en de ontwikkeling van programma's voor reclame en marketing;

99.  onderstreept de noodzaak van een daadwerkelijke intermodaliteit van het vervoer, die wordt gekenmerkt door een geïntegreerd netwerk van diensten en onderlinge verbindingen teneinde een milieuvriendelijk toerisme van goede kwaliteit te ontwikkelen;

100.  dringt aan op het opstellen van een Adriatisch-Ionisch handvest met criteria, beginselen en richtsnoeren voor de bevordering van duurzaam toerisme middels de toepassing van ETIS (European Tourism Indicator System), aan de hand waarvan toeristische bestemmingen worden beoordeeld om hun duurzame ontwikkeling te verbeteren;

o
o   o

101.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de landen die aan de Eusair deelnemen (Kroatië, Griekenland, Italië, Slovenië, Albanië, Bosnië en Herzegovina, Montenegro en Servië).

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.
(3) PB C 349 E van 29.11.2013, blz. 1.


Cohesiebeleid en evaluatie van de Europa 2020-strategie
PDF 278kWORD 97k
Resolutie van het Europees Parlement van 28 oktober 2015 over het cohesiebeleid en de evaluatie van de Europa 2020-strategie (2014/2246(INI))
P8_TA(2015)0384A8-0277/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en met name de artikelen 4, 162 en 174 tot en met 178,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (hierna: "de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen" genoemd)(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1302/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1082/2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), wat de verduidelijking, vereenvoudiging en verbetering van de oprichting en werking van dergelijke groeperingen betreft(5),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1300/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1084/2006 van de Raad(6),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(7),

–  gezien het zesde verslag van de Commissie over economische, sociale en territoriale cohesie getiteld "Investeren in groei en werkgelegenheid. Bevorderen van ontwikkeling en goed bestuur in de regio's en steden van de EU" van 23 juli 2014 (hierna "het zesde cohesieverslag" genoemd),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(8),

–  gezien het achtste voortgangsverslag van de Commissie over economische, sociale en territoriale cohesie getiteld "De regionale en stedelijke dimensie van de crisis" van 26 juni 2013,

–  gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over slimme specialisatie: netwerken van kenniscentra voor een doeltreffend cohesiebeleid(9),

–  gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over de gereedheid van de EU-lidstaten voor een doeltreffende en tijdige aanvang van de nieuwe programmeringsperiode van het cohesiebeleid(10),

–  gezien zijn resolutie van 26 februari 2014 over het zevende en achtste voortgangsverslag van de Europese Commissie over het cohesiebeleid van de EU en het strategisch verslag 2013 over de uitvoering van de programma's 2007-2013(11),

–  gezien zijn resolutie van 27 november 2014 over vertraging bij de start van het cohesiebeleid 2014-2020(12),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 over "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 oktober 2011 getiteld "Een kader voor de volgende generatie innovatieve financiële instrumenten – de EU-platforms voor eigen en vreemd vermogen" (COM(2011)0662),

–  gezien Verordening (EU) 2015/760 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende Europese langetermijnbeleggingsinstellingen(13),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 januari 2015 getiteld "Het optimaal benutten van de flexibiliteit binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact" (COM(2015)0012),

–  gezien de conclusies van de Raad over het zesde verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie: investeren in groei en werkgelegenheid, goedgekeurd door de Raad Algemene Zaken (Cohesie) op 19 november 2014,

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 3 december 2014 over het zesde verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie(14),

–  gezien het werkdocument getiteld "Blauwdruk voor een herziene Europa 2020-strategie: bijdrage van het stuurcomité van het monitoringplatform van het Comité van de Regio's voor Europa 2020"(15),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 januari 2015 over het zesde cohesieverslag van de Commissie(16),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 maart 2015 getiteld "Resultaten van de openbare raadpleging over de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2015)0100),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 januari 2015 getiteld "Het optimaal benutten van de flexibiliteit binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact" (COM(2015)0012),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0277/2015),

A.  overwegende dat het cohesiebeleid het belangrijkste investerings- en ontwikkelingsbeleid van de EU is dat is afgestemd op de doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei en gericht is op het terugdringen van de ongelijkheden tussen de regio's en het bevorderen van convergentie, met een begroting van 351,8 miljard EUR tot eind 2020; overwegende dat de EU nog steeds de gevolgen van de economische en financiële crisis ondervindt, namelijk een hoge werkloosheid en een ongelijk en langzaam economisch herstel; overwegende dat het cohesiebeleid ervoor moet zorgen dat alle energie en capaciteit wordt gemobiliseerd en wordt toegespitst op het vervullen van de prioriteiten van de Europa 2020-strategie inzake duurzame groei en banen;

B.  overwegende dat het van cruciaal belang is dat in verschillende EU-initiatieven voor groei en banen, alsook voor milieu- en klimaatbescherming, een samenhangende aanpak wordt gehanteerd; overwegende dat de vlaggenschipinitiatieven van de Europa 2020-strategie een essentiële rol spelen in het versterken van de coördinatie op het plaatselijke en het regionale niveau wat de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid betreft; overwegende dat in de bepalingen inzake programmering en rapportage niet expliciet melding wordt gemaakt van een mechanisme voor de specifieke beoordeling van de bijdrage van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) aan vlaggenschipinitiatieven en de feitelijke uitvoering van deze initiatieven; overwegende dat bij de herziening van de Europa 2020-strategie de tenuitvoerlegging van de vlaggeschipinitiatieven moet worden bekeken en moet worden gestreefd naar een evenwicht tussen enerzijds financiële, fiscale en economische maatregelen en anderzijds aspecten op sociaal vlak en op het vlak van onderwijs, milieu en gelijkheid (met name gendergelijkheid);

C.  overwegende dat er steeds meer behoefte is aan meer inspraak in de strategie voor de verschillende bestuursniveaus en de diverse betrokken spelers en aan gedeelde verantwoordelijkheid, op alle uitvoeringsniveaus, met de bijbehorende rechten en verplichtingen; overwegende dat meerlagig bestuur en partnerschap moeten worden uitgebreid, daar deze beginselen een oplossing kunnen bieden voor het gebrek aan administratieve capaciteit;

D.  overwegende dat de doelstellingen van het cohesiebeleid in de loop der tijd onmiskenbaar zijn geëvolueerd om investeringen in de belangrijkste Europese prioriteiten te ondersteunen, en dat zij hun aanpassingsvermogen en doeltreffendheid hebben bewezen, terwijl het verkleinen van de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's nog altijd de centrale doelstelling vormt, naast het versterken van het potentieel van de regio's en het bevorderen van duurzame ontwikkeling; overwegende dat het Europees Fonds voor strategische investeringen nieuwe elementen aandraagt voor de algemene EU-strategie die gericht zijn op het creëren van innoverende, duurzame en inclusieve groei en van hooggekwalificeerde banen;

E.  overwegende dat de herziening van de Europa 2020-strategie, omwille van de samenhang en de doeltreffendheid, slim en evenwichtig moet gebeuren en dat daarbij rekening moet worden gehouden met de ernstige en ongelijke gevolgen die de financiële en economische crisis in de lidstaten en regio's heeft gehad; overwegende dat er niettemin andere maatregelen, bijvoorbeeld inzake infrastructuur, interne markt en administratieve capaciteit, kunnen worden overwogen; overwegende dat rekening moet worden gehouden met de verschillende territoriale kenmerken, met bijzondere aandacht voor de in de artikelen 174 en 349 VWEU vermelde regio's;

F.  overwegende dat de tussentijdse herziening van de Europa 2020-strategie, hoewel die naar 2015 verschoven werd, vooral de gelegenheid biedt de bijdrage van het cohesiebeleid aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de strategie te beoordelen (en te erkennen) en de bestaande wisselwerking en koppelingen tussen verschillende EU-beleidslijnen en met de EU-begroting te verbeteren, zodat die daadwerkelijk als een drijvende kracht achter de tenuitvoerlegging van de strategie kunnen fungeren; overwegende dat deze fase van essentieel belang is om het toekomstige cohesiebeleid, als een EU-breed investeringsbeleid, vorm te geven, waarbij het verminderen van verschillen in ontwikkeling voorrang moet krijgen en het convergentieproces opnieuw moet worden versneld;

De Europa 2020-strategie en de onderlinge samenhang met het cohesiebeleid

1.  herinnert eraan dat de Europa 2020-strategie een overkoepelende langetermijnstrategie voor "groei en banen" van de Europese Unie is, die opgebouwd is rond vijf ambitieuze doelstellingen: werkgelegenheid, innovatie, klimaatverandering en energieduurzaamheid, onderwijs en de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting; merkt op dat de doelstellingen vergezeld gaan van zeven vlaggenschipinitiatieven en wijst erop dat de in 2010 in kaart gebrachte uitdagingen in ongelijke mate zijn aangepakt en dat er op EU-niveau nog maar bescheiden vooruitgang is geboekt bij de verwezenlijking van een aantal van die doelstellingen, zoals de bestrijding van de werkloosheid; benadrukt dat de EU, om op lange termijn voordeel te halen uit haar investeringen, zich vooral moet richten op duurzame groei en ontwikkeling en op fatsoenlijke banen;

2.  beklemtoont dat vooruitgang op het vlak van gelijkheid tussen mannen en vrouwen ook kan bijdragen tot economische groei, duurzame ontwikkeling en sociale cohesie;

3.  wijst erop dat het EU-kader voor economische beleidsaansturing en het uitvoeringsmechanisme hiervoor, het "Europees semester", in 2010 zijn ingevoerd met het oog op coördinatie van de fiscale maatregelen, structurele hervormingen en een betere afstemming van het begrotingsbeleid van de lidstaten ten aanzien van groei en banen op EU- en op nationaal niveau, ter ondersteuning van de uitvoering van de strategie; wijst erop dat er op het gebied van coördinatie en synchronisatie nog een en ander te doen is;

4.  benadrukt dat het cohesiebeleid voor 2007-2013, dat was afgestemd op de voorganger van het Verdrag van Lissabon en soortgelijke kerndoelstellingen diende, zich reeds in de tenuitvoerleggingsfase bevond toen de Europa 2020-strategie werd gelanceerd, en dat herprogrammering in overeenstemming met de nieuwe doelstellingen van de strategie bijgevolg zowel moeilijk als contraproductief zou zijn geweest; wijst er desalniettemin op dat het cohesiebeleid in een fase van economische crisis niet alleen voor vele staten de enige bron van investeringen is geweest, maar via "Lissabon-earmarking", ook de tenuitvoerlegging van de strategie in grote mate heeft ondersteund en tot die tenuitvoerlegging heeft bijgedragen, zoals aangetoond in het zesde cohesieverslag en door verschillende mededelingen en studies van de Commissie; benadrukt dat de lidstaten, regio's en steden zich met het verstrijken van de tijd minder en minder engageerden voor de strategie van Lissabon, en dat het beheer van de Europa 2020-strategie met name consistent is met de beginselen en instrumenten van het cohesiebeleid, waarmee tot een gedeelde betrokkenheid bij de implementatie van de strategie kan worden gekomen;

5.  verzoekt de Commissie in de context van de ex-postevaluaties voor de programmeringsperiode 2007-2013 om informatie te verstrekken over zowel de output- en resultaatoriëntatie, als de concrete bijdrage die het cohesiebeleid geleverd heeft aan de Europa 2020-doelstellingen; onderstreept dat het belangrijk is inzicht te hebben in de waarde en de beperkingen van de bewijzen voor de bijdrage van het cohesiebeleid aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de strategie, alsook in de problemen waar de EU-economieën mee zijn geconfronteerd, met name de economieën van de landen die zwaar door de crisis zijn getroffen; onderkent dat de conclusies in kwestie van nut kunnen zijn voor de huidige tenuitvoerlegging van de strategie;

6.  benadrukt dat het cohesiebeleid het voornaamste instrument van de EU is, dat in alle regio's kan worden ingezet, voor investeringen in de reële economie, en dat het fungeert als een uitdrukking van Europese solidariteit door groei en welvaart te verspreiden en economische, sociale en territoriale onevenwichtigheden te verkleinen; wijst erop dat het cohesiebeleid volledig aanzluit bij de doelstellingen van Europa 2020 en voorziet in het benodigde investeringskader, en dus niet alleen een instrument voor de tenuitvoerlegging ervan is; wijst er in dat verband op dat de Europese structuur- en investeringsfondsen (de ESI-fondsen) via thematische concentratie in de nieuwe opzet zijn toegespitst op elf thematische doelstellingen die rechtstreeks zijn afgeleid van de Europa 2020-doelstellingen, en dat voorwaarden die rechtstreeks verbonden zijn aan deze thematische doelstellingen werden vastgesteld om ervoor te zorgen dat investeringen zo worden gedaan dat zij maximaal effect kunnen sorteren; onderstreept dat het zijn volledige steun verleent aan deze nieuwe benadering, die de doeltreffendheid van de uitgaven zal helpen vergroten;

7.  benadrukt dat het cohesiebeleid synergie-effecten met het beleid van de EU op andere terreinen, zoals de digitale interne markt, de energie-unie, een eengemaakte kapitaalmarkt en het sociaal beleid, tot stand brengt en dat het via al haar instrumenten en doelstellingen, met inbegrip van macroregionale strategieën, de stedelijke agenda, de territoriale agenda, investeringen in kmo's, en strategieën voor slimme groei en specialisatie, een substantiële bijdrage levert aan versterking van de interne markt en verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie; vraagt in dit verband dat de nationale en regionale autoriteiten in heel Europa strategieën voor slimme specialisatie uitwerken en gebruik maken van synergieën tussen de diverse (publieke en private) Europese, nationale en regionale instrumenten;

8.  wijst op de band met het ruimere proces van economische governance via maatregelen waarin de doeltreffendheid van de ESI-fondsen wordt gekoppeld aan degelijk economisch bestuur; verzoekt de lidstaten zich verantwoordelijk te gedragen om de toepassing van macro-economische voorwaarden zo veel mogelijk te vermijden en om een negatieve impact op de uitvoering van de ESIF en op de verwezenlijking van de doelstellingen van het cohesiebeleid te voorkomen; wijst er eveneens met klem op dat lidstaten die tijdelijk begrotingsmoeilijkheden ondervinden, ondersteuning moet krijgen; verwelkomt de flexibiliteitsmechanismen waarin is voorzien in de geldende regels van het stabiliteits- en groeipact (COM(2015)0012), die gericht zijn op versterking van de band tussen investeringen, structurele hervormingen en het gebruik van hulpbronnen, ter bevordering van duurzame groei op de lange termijn en ter facilitering van de verwezenlijking van de doelstellingen van Europa 2020;

9.  is verontrust over de vertragingen bij de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid tijdens de huidige programmeringsperiode; wijst erop dat hoewel de meeste operationale programma's zijn goedgekeurd de tenuitvoerlegging nog maar net is begonnen; onderstreept desalniettemin dat al kan worden beoordeeld of beleidsmiddelen worden toegespitst op prioriteiten die bijdragen tot duurzame groei en banen; merkt in die context evenwel op dat volgens de eerste evaluatie die de Commissie heeft gepubliceerd, de bedragen die werden toegewezen aan O&I, steun voor mkb-bedrijven, ICT, de koolstofarme economie, werkgelegenheid, sociale insluiting, onderwijs en capaciteitsopbouw aanzienlijk zijn toegenomen in vergelijking met de vorige programmeringsperioden, terwijl de steun voor vervoer en milieu-infrastructuur is afgenomen; vestigt de aandacht op het feit dat op het ogenblik van de tussentijdse herziening van de Europa 2020-strategie nog niet alle gegevens over de tenuitvoerlegging van de ESIF voor de periode 2014-2020 voorhanden zullen zijn, waardoor een concrete evaluatie van de praktische bijdrage van deze fondsen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de strategie op dat moment mogelijkerwijs niet mogelijk zal zijn; waardeert het dat de lidstaten stappen hebben gezet om ervoor te zorgen dat 20 % van hun middelen aan klimaatgerelateerde maatregelen wordt besteed;

10.  erkent dat de opstelling van een prestatiekader en de invoering van voorwaarden vooraf alsook het versterken van de banden met landenspecifieke aanbevelingen in de programmering voor het cohesiebeleid 2014-2020 tot een gunstiger investeringsklimaat zou kunnen leiden voor het optimaliseren van de bijdrage van het cohesiebeleid aan de verwezenlijking van de kerndoelen van de Europa 2020-strategie;

Herzieningsdynamiek en gerelateerde uitdagingen

11.  herinnert eraan dat de Commissie het herzieningsproces van de strategie in 2014 heeft gelanceerd met de publicatie van haar mededeling getiteld "Tussenopname van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" en betreurt dat er in het document onvoldoende werd verwezen naar het cohesiebeleid en de bijbehorende instrumenten; stelt het op prijs dat er vervolgens een openbare raadpleging werd uitgevoerd tussen mei en oktober 2014 om bewijs te vergaren voor het herzieningsproces en is ingenomen met het feit dat het belang van de strategie en de zin van de doelstellingen en prioriteiten ervan werden bevestigd;

12.  merkt op dat wordt geacht dat de vlaggenschipinitiatieven hun doel dienen, maar wijst er eveneens op dat zij relatief weinig zichtbaarheid hebben gekregen; betreurt dat de economische en financiële crisis de ongelijkheid in de Europese Unie versterkt heeft en dat er onvoldoende vorderingen zijn gemaakt met betrekking tot meerdere van de kerndoelen van de strategie, met name wat betreft werkgelegenheid, onderzoek en ontwikkeling, armoede en sociale uitsluiting; is ingenomen met de conclusie dat de inspraak en betrokkenheid van de spelers op het terrein moeten worden versterkt, door de verticale en horizontale partnerschappen te versterken, om de uitvoering van de strategie te verbeteren; onderstreept dat de strategie ertoe moet bijdragen dat bij de aanpak de focus wordt verlegd van het proces en de uitkomst naar daadwerkelijke resultaten, teneinde de efficiëntie en doeltreffendheid van de aan de strategie gelieerde Europese beleidsmaatregelen zo groot mogelijk te maken;

13.  is ingenomen met de regelmatige publicatie door Eurostat van voortgangsindicatoren voor de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie; vindt desalniettemin dat de gegevens op NUTS II- en NUTS III-niveau meer en nauwkeurigere regionale details zouden moeten bevatten, hetgeen steeds belangrijker gaat zijn ten gevolg van onvoorziene economische en sociale problemen in verschillende regio's van de EU, ongeacht hun ontwikkelingsniveau; wijst daarnaast op de drie dimensies van het cohesiebeleid - de economische, de sociale en de territoriale - en is dit verband van oordeel dat niet alleen naar economische indicatoren moet worden gekeken; roept de Commissie en de lidstaten in dit verband op de dialoog over en het werk aan de gezamenlijke ontwikkeling van een inclusiever pakket indicatoren ter aanvulling van het bbp voort te zetten, om deze relevanter te maken voor het beoordelen van de vorderingen in de richting van het verwezenlijken van de voornaamste doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

14.  merkt op dat de Commissie vóór eind 2015 een voorstel moet publiceren inzake de herziening van de Europa 2020-strategie en betreurt deze vertraging, gezien het feit dat dit voorstel aanvankelijk begin 2015 zou worden voorgelegd; benadrukt dat dit opnieuw op een vrij "ongepast tijdstip" in de beleidscyclus van het cohesiebeleid valt, wanneer het tenuitvoerleggingsproces al volop gaande is; wijst er bovendien op dat een vroege herprogrammering volledig contraproductief zou zijn voor de strategische langetermijnplanning van het cohesiebeleid;

15.  is ingenomen met de oprichting van de task force voor een betere implementatie van de EU-fondsen; verwelkomt ook de oprichting van de dienst Ondersteuning van de structurele hervormingen, die officieel zijn werkzaamheden is gestart op 1 juli 2015 en die technische ondersteuning biedt aan de lidstaten voor een meer efficiënte uitvoering van de structurele hervormingen en de landspecifieke aanbevelingen;

16.  erkent tegelijkertijd dat rekening moet worden gehouden met de evolutie van de economische vooruitzichten, het gebruik van nieuwe instrumenten, de vorderingen met het oog op de doelstellingen van de strategie en de daaruit voortvloeiende noodzaak van operationele aanpassingen;

17.  verzoekt daarom om de tussentijdse herziening van de Europa 2020-strategie slim en evenwichtig te laten zijn en toe te spitsen op het beter onderling afstemmen van de vijf doelstellingen en de vlaggenschipinitiatieven van de strategie en op het identificeren van methodes om deze doelstellingen beter te bereiken en te evalueren zonder de situatie complexer te maken en buitensporige administratieve lasten te creëren; onderstreept dat rekening moet worden gehouden met de sterken en zwakke punten van de EU-economie, de toenemende ongelijkheid (zoals in rijkdom), de hoge werkloosheid en de hoge staatsschulden; onderstreept dat, naast de nadruk die wordt gelegd op de macro-economische criteria van budgettair en economisch bestuur, gestreefd moet worden naar vooruitgang bij het verwezenlijken van de belangrijkste doelstellingen van Europa 2020; vindt dat ook aandacht moet worden besteed aan verhoogd maatschappelijk en individueel welzijn, meer sociale inclusie en gendergelijkheid; onderstreept dat de diensten van de Commissie de autoriteiten van de lidstaten moeten blijven ondersteunen voor het verbeteren van hun administratieve capaciteit;

18.  herhaalt zijn verzoek om de aspecten verantwoordelijkheid, inspraak, transparantie en participatie van de strategie te verbeteren door plaatselijke en regionale overheden en alle andere belanghebbende partijen uit het maatschappelijk middenveld erbij te betrekken, vanaf de vaststelling en ontwikkeling van de doelstellingen tot de tenuitvoerlegging, de monitoring en de evaluatie van de strategie; wijst op het cruciale belang van een versterkte governancestructuur op basis van meerlagig bestuur, aanmoedigingsregelingen, een effectieve mix van een top-down- en een bottom-up-aanpak, en het partnerschapsmodel van cohesiebeleid en publiek-private partnerschappen in het algemeen, om te komen tot de raadpleging en samenwerking van alle belanghebbende partijen, teneinde te zorgen voor effectieve capaciteit voor het verwezenlijken van de doelstellingen; herinnert eraan dat, in overeenstemming met de institutionele en juridische kaders van de lidstaten, de regionale en plaatselijke autoriteiten ook verantwoordelijk zijn voor overheidsinvesteringen en dat zij dus moeten worden erkend als hoofdrolspelers in de uitvoering van de strategie;

19.  stelt voor het engagement van de plaatselijke en regionale autoriteiten en de belanghebbende partijen voor de Europa 2020-strategie te vernieuwen in de vorm van een pact tussen die partijen, de lidstaten en de Commissie, teneinde te komen tot inspraak en participatie, en vindt daarnaast dat er een gedragscode moet worden ontwikkeld, vergelijkbaar met de code die voor het cohesiebeleid 2014-2020 is opgesteld;

20.  benadrukt dat er een werkelijk territoriale aanpak van de Europa 2020-strategie nodig is om de overheidsingrepen en -investeringen af te stemmen op verschillende territoriale kenmerken en specifieke behoeften; acht het van cruciaal belang dat de algemene aanpak van de Europa 2020-strategie aansluit bij de territoriale aanpak van de Territoriale Agenda 2020 (TA 2020); meent verder dat nagedacht en gedebateerd moet worden over op maat gesneden vrijwillige regionale Europa 2020-doelstellingenen, evenwel zonder extra administratieve lasten in de praktijk; benadrukt dat dergelijke op maat gesneden vrijwillige regionale doelstellingen moeten aansluiten bij de overkoepelende structuur van de strategie en binnen een vantevoren afgebakend kader moeten blijven; herinnert in dit kader ook nog eens aan het belang van plaatselijke, bottom-up ontwikkelingsstrategieën;

21.  erkent de belangrijke rol van steden en stedelijke gebieden als drijvende krachten voor groei en banen, en vraagt dat bij de herziening van de Europa 2020-strategie ook rekening wordt gehouden met een algemene, holistische aanpak van de toekomstige ontwikkeling van steden als entiteiten die een actieve rol toekomt bij de verwezenlijking van de doelstellingen van Europa 2020; verzoekt de Commissie derhalve rekening te houden met de recente verklaring van Riga over de stedelijke agenda, gelet op de fundamentele rol van kleine, middelgrote en grote stedelijke gebieden; onderstreept met name het feit dat we een strategie nodig hebben die oog heeft voor de specifieke behoeften van kleine en middelgrote stedelijke gebieden, en dat via een aanpak die synergie-effecten creëert met de digitale agenda en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen;

22.  verzoekt de Commissie om informatie te verstrekken over de rol van territoriale aspecten als factoren voor economische groei, nieuwe banen en duurzame ontwikkeling, en vraagt om in de herziening van de Europa 2020-strategie aandacht te besteden aan territoriale effecten en richtsnoeren aan te reiken over hoe deze effecten kunnen worden aangepakt; herhaalt het belang van raadpleging van de plaatselijke en regionale autoriteiten op dit punt, aangezien zij een doorslaggevende rol vervullen bij de tenuitvoerlegging van de territoriale-ontwikkelingsstrategieën; onderstreept ook de rol die macroregionale strategieën en de Europese territoriale samenwerking in het algemeen zouden kunnen spelen bij de succesvolle implementatie van de Europa 2020-strategie, gezien het feit dat veel ontwikkelingsprojecten een regio- en landenoverschrijdend karakter hebben, en plaatsgebonden antwoorden kunnen bieden op langetermijnuitdagingen;

23.  wijst op het belang van het nieuwe investeringsinstrument van de EU, het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), dat de mobilisering van maximaal 315 miljard euro aan investeringen zal ondersteunen, met het doel de investeringskloof in de EU te overbruggen en maximalisering van de impact van overheidsuitgaven; onderstreept dat het EFSI bovenop de ESI-fondsen moeten komen en er complementair aan moeten zijn; betreurt dat het EFSI niet uitdrukkelijk verbonden is aan de Europa 2020-strategie en is van oordeel dat het, gezien zijn doelstellingen en middels de selectie van levensvatbare, duurzame projecten, een bijdrage zou moeten leveren tot de tenuitvoerlegging van de strategie in specifieke gebieden;

24.  wijst er bovendien met klem op dat volledige samenhang en synergieën tussen alle EU-instrumenten moeten worden verzekerd door de strategieën voor slimme specialisatie als een van de belangrijkste investeringsinstrumenten te gebruiken, teneinde overlappingen of tegenstrijdigheden tussen deze instrumenten of tussen de verschillende beleidsimplementatieniveaus te voorkomen; is bijgevolg van mening dat de herziening van de Europa 2020-strategie deze strategie moet herbevestigen als strategisch langetermijnkader van de EU voor groei en banen, en moet bijdragen tot de coördinatie van beleidsinstrumenten, waaronder het EFSI, om te waarborgen dat alle beschikbare middelen doeltreffend worden gebruikt en dat de verwachte resultaten ten aanzien van de overkoepelende strategische doelstellingen worden bereikt;

25.  verzoekt de Commissie om, met het oog op het bevorderen van een harmonieuze ontwikkeling van de EU en gezien de sleutelrol van het cohesiebeleid bij het verwezenlijken van de doelstellingen van Europa 2020, bij de herziening van de doelen en -doelstellingen van de strategie rekening te houden met de specifieke eigenschappen en beperkingen van specifieke gebieden, zoals plattelandsgebieden, gebieden in industriële overgang, regio's met ernstige en permanente natuurlijke of demografische handicaps, eilanden, grensoverschrijdende en bergregio's, en de ultraperifere gebieden van de EU, overeenkomstig de artikelen 174 en 349 VWEU; wijst in dit verband op het potentieel van de laatstgenoemde regio's op gebieden als biotechnologie, hernieuwbare energie en biodiversiteit;

26.  wijst op de verbeterde resultaten die het gevolg zijn van het verhogen van de kwantiteit, kwaliteit en impact van investeringen in O&I, door in de context van de tussentijdse herziening van de Europa 2020-strategie gecoördineerd gebruik te maken van de instrumenten van het cohesiebeleid en van Horizon 2020; vraagt dat de Commissie in dit verband alle mogelijke interactie en synergieën tussen deze twee belangrijke beleidskaders te versterken wanneer zij de doelen en doelstellingen van Europa 2020 opnieuw tegen het licht houdt, en een onlinevolgsysteem op te zetten om na te gaan in welke gevallen ESI-fondsen gecombineerd worden met Horizon 2020-, EFSI- en de andere door de Gemeenschap gefinancierde programma’s worden gecombineerd; verwelkomt verder het plan om een "excellentiekeurmerk" te introduceren voor aanvragers die als uitstekend worden beoordeeld, maar die geen financiering uit Horizon 2020 kunnen krijgen, om hen te helpen toegang te krijgen tot de ESI-fondsen;

27.  vraagt de Commissie een coherent proces voor permanente evaluatie op te zetten om de vorderingen naar de verwezenlijking van de streefdoelen van de Europa 2020-strategie regelmatig te beoordelen en voor die verwezenlijking passende maatregelen voor te stellen, alsook aanbevelingen voor het cohesiebeleid na 2020; benadrukt daarnaast dat het de taak van het Europees Parlement is om op gecoördineerde wijze toe te zien op de uitvoering van de Europa 2020-strategie en het cohesiebeleid, en dat niet alleen binnen het Parlement, maar ook met alle relevante instellingen; dringt er in dit verband op aan dat het Europees Parlement tijdig wordt betrokken bij alle relevante discussies omtrent de opstelling, de uitvoering en de beoordeling van de beleidsmaatregelen die onder de strategie vallen; is van oordeel dat het belangrijk is hierbij ook het Comité van de Regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité, de nationale en regionale parlementen, de lokale en regionale autoriteiten, andere belanghebbenden en betrokken partijen te betrekken;

De toekomst van het cohesiebeleid – verder kijken dan de korte termijn

28.  is van mening dat de herziening van de Europa 2020-strategie, die zal plaatsvinden voordat het voorstel voor de tussentijdse toetsing van het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2014-2020 wordt gelanceerd, al een eerste aanwijzing zal geven omtrent de ontwikkelingen voor het toekomstige cohesiebeleid na 2020 en voor de overige MFK-instrumenten; wijst er in die context op dat alle bovengenoemde bekommernissen effectief moeten worden aangepakt en dat tegelijkertijd de continuïteit van de strategische aanpak moet worden verzekerd; herinnert voorts aan de meerwaarde van een cohesiebeleid voor de hele EU, en vindt dat het een van de voornaamste EU-investeringsinstrumenten voor groei, werkgelegenheid en klimaatbescherming moet blijven, dat voor een evenwichtige en harmonieuze ontwikkelilng in de hele EU moet zorgen en moet fungeren als katalysator voor verandering en welvaart, waaronder in de minder ontwikkelde regio's; onderstreept in dit verband dat ervoor moet worden gezorgd dat na 2020 een passend niveau van ESI-financiering gehandhaafd wordt;

29.  wijst erop dat zowel het toekomstige cohesiebeleid, als de toekomstige langetermijnstrategie van de EU voor het eind van het mandaat van de huidige Commissie moeten worden uitgestippeld, rekening houdend met het feit dat in 2019 verkiezingen voor het Europees Parlement plaatsvinden, en dat dit aanzienlijke specifieke tijdsbeperkingen meebrengt voor de medewetgevers met betrekking tot het tijdspad van de onderhandelingen, en voor de nieuwe Commissie en de lidstaten wat betreft de voorbereiding en de goedkeuring van de nieuwe partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's voor de start van het volgende MFK; merkt tegelijkertijd op dat er ook zal worden onderhandeld over het toekomstige MFK; verzoekt de Commissie daarom om rekening te houden met alle specifieke beperkingen die de onderlinge verbanden en de nodige coördinatie van de verschillende termijnen met zich mee brengen, en om een samenhangende aanpak te ontwikkelen voor de toekomstige duurzame langetermijnstrategie van de EU voor groei en banen, de EU-begroting, het cohesiebeleid in het bijzonder, en de andere MFK-instrumenten;

o
o   o

30.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de lidstaten en hun regio's.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 303.
(6) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 281.
(7) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(8) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0002.
(10) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0015.
(11) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0132.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0068.
(13) PB L 123 van 19.5.2015, blz. 98.
(14) PB C 19 van 21.1.2015, blz. 9.
(15) https://portal.cor.europa.eu/europe2020/SiteCollectionDocuments/2459-brochure-BlueprintEU2020.pdf
(16) PB C 242 van 23.7.2015, blz. 43.


De Europese structuur- en investeringsfondsen en gezond economisch bestuur
PDF 188kWORD 83k
Resolutie van het Europees Parlement van 28 oktober 2015 over de Europese structuur- en investeringsfondsen en goed economisch bestuur: richtlijnen voor de uitvoering van artikel 23 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (2015/2052(INI))
P8_TA(2015)0385A8-0268/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie over de richtsnoeren inzake de toepassing van maatregelen om doeltreffendheid van de Europese structuur- en investeringsfondsen te koppelen aan gezond economisch bestuur overeenkomstig artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 (COM(2014)0494) (hierna "de richtsnoeren"),

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en met name de artikelen 4, 162 en 174 tot en met 178 en 349,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(1) (hierna "de GB-verordening"),

–  gezien de verklaring van de Commissie over artikel 23 die is opgenomen in de verklaringen inzake Verordening (EU) nr. 1303/2013(2),

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2013 over de gevolgen van de bezuinigingen op de begroting voor regionale en lokale overheden met betrekking tot de uitgaven in het kader van de EU-Structuurfondsen in de lidstaten(3),

–  gezien zijn resolutie van 20 mei 2010 over de bijdrage van het cohesiebeleid aan de verwezenlijking van de Lissabon- en EU 2020-doelstellingen(4),

–  gezien zijn resolutie van 26 februari 2014 over het zevende en achtste voortgangsverslag van de Europese Commissie over het cohesiebeleid van de EU en het strategisch verslag 2013 over de uitvoering van de programma's 2007-2013(5),

–  gezien zijn resolutie van 22 oktober 2014 inzake het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: uitvoering van de prioriteiten voor 2014(6),

–  gezien het zesde verslag van de Commissie over economische, sociale en territoriale cohesie, getiteld "Investeringen ter bevordering van banen en groei: bevorderen van ontwikkeling en goed bestuur in de regio's en steden van de EU" van 23 juli 2014,

–  gezien het document "Cohesiebeleid: strategisch verslag 2013 over de uitvoering van de programma's 2007-2013" van de Commissie van 18 april 2013 (COM(2013)0210),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 12 februari 2015 over de richtsnoeren inzake de toepassing van maatregelen om doeltreffendheid van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) te koppelen aan gezond economisch bestuur,

–  gezien de in januari 2014 door het Parlement gepubliceerde studie getiteld "Europees economisch bestuur en cohesiebeleid" (Directoraat-generaal intern beleid, Directoraat B: Structuur- en Cohesiebeleid),

–  gezien de briefing van het Parlement van december 2014 getiteld "De Europese structuur- en investeringsfondsen en gezond economisch bestuur: richtsnoeren voor de tenuitvoerlegging van artikel 23 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen" (Directoraat-generaal intern beleid, Directoraat B: Structuur- en Cohesiebeleid),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0268/2015),

A.  overwegende dat het cohesiebeleid een op het VWEU gebaseerd beleid en een uiting van Europese solidariteit is, gericht op het versterken van de economische, sociale en territoriale cohesie in de EU en in het bijzonder op het verkleinen van de ongelijkheden tussen regio's, waarbij een evenwichtige en harmonieuze sociaaleconomische ontwikkeling wordt bevorderd; overwegende dat het ook een investeringsbeleid is dat een bijdrage levert aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei;

B.  overwegende dat voor het huidige wetgevingskader voor het cohesiebeleid zeer specifieke taken, doelstellingen en horizontale beginselen gelden, hoewel er koppelingen tot stand worden gebracht met de EU-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, het Europees semester en de geïntegreerde Europa 2020-richtsnoeren, alsook met de relevante landenspecifieke aanbevelingen en de aanbevelingen van de Raad;

C.  overwegende dat het huidige rechtskader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) gericht is op het verbeteren van de coördinatie, complementariteit en synergieën met ander EU-beleid en andere EU-instrumenten;

D.  overwegende dat er bewijs is dat goed bestuur en efficiënt werkende openbare instellingen van essentieel belang zijn voor duurzame economische groei op de lange termijn, werkgelegenheid en sociale en territoriale ontwikkeling, hoewel er minder bewijs beschikbaar is over de macro-economische factoren die van invloed zijn op de manier waarop het cohesiebeleid ten uitvoer wordt gelegd;

E.  overwegende dat economische en financiële onvoorspelbaarheid en rechtsonzekerheid kunnen leiden tot een afname van publieke en particuliere investeringen, waardoor de verwezenlijking van de doelstellingen van het cohesiebeleid in het gedrang komt;

F.  overwegende dat de richtsnoeren betrekking hebben op het eerste onderdeel van maatregelen waarmee de doeltreffendheid van de ESI-fondsen gekoppeld wordt aan gezond economisch bestuur overeenkomstig artikel 23 van de GB-verordening; overwegende dat dit verband houdt met een herprogrammering en een schorsing van betalingen die niet verplicht zijn, in tegenstelling tot het tweede onderdeel van artikel 23 van de GB-verordening waarin de schorsing van vastleggingen of betalingen verplicht is wanneer de lidstaten geen corrigerende actie ondernemen in het kader van het economisch bestuur;

G.  overwegende dat de uitvoering van de landenspecifieke aanbevelingen door de lidstaten niet goed vordert, hetgeen blijkt uit de beoordelingen door de Commissie van de vooruitgang met de uitvoering van de 279 landenspecifieke aanbevelingen van 2012 en 2013, waarin wordt aangetoond dat er volledig uitvoering is gegeven aan of substantiële vooruitgang is geboekt met de uitvoering van 28 landenspecifieke aanbevelingen (10 %), dat er enige vooruitgang is geboekt met de uitvoering van 136 aanbevelingen (48,7 %), maar dat er weinig of geen vooruitgang is geboekt met de uitvoering van 115 aanbevelingen (41,2 %);

Koppelen van doeltreffendheid van de ESI-fondsen aan gezond economisch bestuur

1.  benadrukt het belang van de instrumenten en middelen van het cohesiebeleid voor de handhaving van het aantal investeringen met Europese meerwaarde in de lidstaten en de regio's om meer werkgelegenheid te scheppen en de sociaaleconomische omstandigheden te verbeteren, met name waar de investeringen drastisch zijn teruggelopen als gevolg van de economische en financiële crisis;

2.  is van oordeel dat de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van de ESI-fondsen niet dient e worden belemmerd door de mechanismen voor economisch bestuur, maar erkent dat zij van belang zijn om bij te dragen aan een stabiele macro-economische omgeving en een efficiënt, doeltreffend en resultaatgericht cohesiebeleid;

3.  is van mening dat artikel 23 van de GB-verordening uitsluitend bij wijze van laatste redmiddel moet worden gebruikt om bij te dragen aan een efficiënte besteding van de ESI-fondsen;

4.  benadrukt het meerjarige en langetermijnkarakter van de programma's en doelstellingen van de ESI-fondsen, in tegenstelling tot de jaarlijkse cyclus van het Europees semester; wijst in dit verband op de noodzaak om de duidelijkheid van de mechanismen voor de tenuitvoerlegging van het Europees semester te waarborgen, en dringt aan op nauwe coördinatie tussen deze twee processen en tussen de organen die verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerlegging ervan;

5.  benadrukt dat de Commissie een witboek moet indienen waarin rekening wordt gehouden met de gevolgen van overheidsinvesteringen op de lange termijn en waarin een indeling van kwalitatief hoogwaardige investeringen wordt vastgesteld, zodat de investeringen die de beste langetermijneffecten opleveren duidelijk herkenbaar zijn;

6.  wijst er nogmaals op dat het cohesiebeleid een cruciale rol heeft gespeeld en dat in het kader van dit beleid adequaat is gereageerd op de macro-economische en budgettaire beperkingen in de context van de huidige crisis, door middel van de herprogrammering van meer dan 11 % van het beschikbare budget tussen 2007 en 2012, om tegemoet te komen aan de meest dringende behoeften en om bepaalde interventies te versterken; benadrukt in dit verband dat het cohesiebeleid in diverse lidstaten goed was voor meer dan 80 % van de overheidsinvesteringen in de periode 2007-2013;

7.  verzoekt de Commissie meer analytische gegevens te verstrekken over de gevolgen en het belang van de macro-economische mechanismen voor regionale ontwikkeling, voor de doeltreffendheid van het cohesiebeleid en voor de interactie tussen het Europees kader voor economisch bestuur en het cohesiebeleid, alsook om specifieke informatie te verstrekken over de manier waarop het cohesiebeleid een bijdrage levert aan de relevante landenspecifieke aanbevelingen en aanbevelingen van de Raad;

8.  verzoekt de lidstaten optimaal gebruik te maken van de in de regels van het stabiliteits- en groeipact ingebouwde flexibiliteit;

Herprogrammering overeenkomstig artikel 23 van de GB-verordening

Algemene overwegingen

9.  benadrukt eens te meer dat elk besluit betreffende herprogrammering of schorsing uit hoofde van artikel 23 van de GB-verordening alleen in uitzonderlijke situaties dient te worden gebruikt, doordacht en degelijk onderbouwd moet zijn en voorzichtig dient te worden uitgevoerd, en dat hierin de programma's of prioriteiten in kwestie moeten worden aangeduid, teneinde transparantie te waarborgen en controles en herzieningen mogelijk te maken; benadrukt voorts dat dergelijke besluiten niet dienen te leiden tot een verergering van de problemen waarmee de lidstaten en regio's worden geconfronteerd als gevolg van de sociaaleconomische omstandigheden of hun geografische locatie en specifieke kenmerken in de zin van de artikelen 174 en 349 VWEU;

10.  is van oordeel dat in de gedurende de huidige programmeringsperiode goedgekeurde partnerschapsovereenkomsten en -programma's rekening is gehouden met de relevante landenspecifieke aanbevelingen en de relevante aanbevelingen van de Raad, zodat het gerechtvaardigd is om herprogrammeringen op middellange termijn te vermijden tenzij de economische situatie aanzienlijk verslechtert;

11.  benadrukt dat frequente herprogrammeringen een averechts effect zouden hebben en moeten worden vermeden, teneinde het fondsenbeheer niet te verstoren en de stabiliteit en voorspelbaarheid van de meerjarige investeringsstrategie niet te ondermijnen en elk negatief gevolg, onder meer voor de opname van de ESI-fondsen, te voorkomen;

12.  is ingenomen met de voorzichtige benadering van de Commissie met betrekking tot herprogrammering en haar voornemen om herprogrammeringen tot het absolute minimum te beperken; verzoekt om een systeem voor vroegtijdige waarschuwing om de betrokken lidstaten op de hoogte te stellen van de instelling van de herprogrammeringsprocedure overeenkomstig artikel 23 van de GB-verordening, en benadrukt dat de toezichtscommissie moet worden geraadpleegd vóór elk verzoek om herprogrammering;

13.  verzoekt de Commissie in nauwe samenwerking met de betrokken lidstaat een uitvoerige analyse uit te voeren van alle beschikbare opties naast de toepassing van artikel 23 van de GB-verordening om kwesties aan te pakken die aanleiding kunnen geven tot een verzoek om herprogrammering;

14.  betreurt de onevenredige verhoging van de administratieve lasten en daaruit voortvloeiende kosten voor alle betrokken bestuursniveaus, gezien de krappe termijnen en de complexiteit van de herprogrammeringsprocedure op grond van artikel 23 van de GB-verordening; waarschuwt voor overlappingen van herprogrammeringsprocedures op grond van artikel 23 van de GB-verordening met daaropvolgende cycli van het Europees semester; verzoekt de Commissie te overwegen de toepassing van de termijnen opnieuw te beoordelen overeenkomstig de in artikel 23, lid 16, bedoelde evaluatie;

Horizontale beginselen uit hoofde van de GB-verordening

15.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat in de richtsnoeren niet uitdrukkelijk wordt verwezen naar de algemene en horizontale beginselen als bedoeld in de artikelen 4 en 8 van de GB-verordening, en herinnert eraan dat bij de lezing van artikel 23 van de GB-verordening rekening moet worden gehouden met en voldaan moet worden aan deze beginselen, in het bijzonder de beginselen van partnerschap en meerlagig bestuur, en de verordening en het gemeenschappelijk strategisch kader als geheel; verzoekt de Commissie in dit verband duidelijk te maken hoe specifiek rekening zal worden gehouden met deze beginselen bij de toepassing van de bepalingen van artikel 23 van de GB-verordening;

De subnationale dimensie van artikel 23 van de GB-verordening

16.  benadrukt dat de toename van de staatsschuld hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door het beleid van de regeringen van de lidstaten, en vreest ten zeerste dat het onvermogen om macro-economische kwesties op nationaal niveau behoorlijk aan te pakken nadelig kan uitpakken voor de subnationale autoriteiten en de begunstigden en aanvragers van ESI-fondsen;

17.  wijst er nogmaals op dat de regels inzake thematische concentratie als vastgelegd in het cohesiebeleid 2014-2020 een zekere mate van flexibiliteit toestaan in de aanpak van de behoeften van de lidstaten en regio's, en merkt op dat de toepassing van artikel 23 van de GB-verordening beperkingen kan stellen aan deze flexibiliteit; wijst er nogmaals op dat de belangrijkste territoriale uitdagingen in aanmerking moeten worden genomen, alsook het subsidiariteitsbeginsel als bedoeld in artikel 4, lid 3, van de GB-verordening;

18.  verzoekt de Commissie de impact en kosteneffectiviteit op regionaal en lokaal niveau van alle op grond van artikel 23 van de GB-verordening vastgestelde maatregelen in nauwe samenwerking met de lidstaten te evalueren, overeenkomstig artikel 5 van de GB-verordening;

19.  benadrukt dat de lokale en regionale autoriteiten actief moeten worden betrokken bij elke herprogrammering, en is van mening dat, aangezien de ESI-fondsen samenhangen met gezond economisch bestuur, het Europees semester een territoriale dimensie moet krijgen door die autoriteiten er ook bij te betrekken;

20.  verzoekt de Commissie om artikel 23 van de GB-verordening te lezen in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, door rekening te houden met de situatie in de lidstaten en regio's die te kampen hebben met sociaaleconomische problemen en waar ESI-fondsen een aanzienlijk deel van de investeringen uitmaken, hetgeen des te evidenter is in een crisissituatie; benadrukt dat de lidstaten en regio's, en met name die met een achterstand, niet nog harder mogen worden getroffen;

Institutionele coördinatie, transparantie en verantwoording

21.  wijst er opnieuw op dat goede institutionele coördinatie van essentieel belang is om te kunnen zorgen voor de juiste aanvullende beleidsmaatregelen en beleidssynergie, evenals een goede en stabiele interpretatie van het kader voor gezond economisch bestuur en de interactie daarvan met het cohesiebeleid;

22.  verzoekt om passende informatie-uitwisseling tussen de Commissie, de Raad en het Parlement en om de organisatie van een debat op het juiste politieke niveau, teneinde te komen tot een gemeenschappelijk begrip van de interpretatie van de voorwaarden voor de toepassing van artikel 23 van de GB-verordening; wijst in dit verband nogmaals op de noodzaak van een specifieke Raadsformatie die zich concentreert op het cohesiebeleid en belast is met de besluiten die op grond van artikel 23 van de GB-verordening worden genomen;

23.  acht het van essentieel belang om transparantie en verantwoording te waarborgen door ervoor te zorgen dat het Parlement democratisch toezicht kan uitoefenen op het bestuurssysteem in het kader van artikel 23 van de GB-verordening, waarmee belangrijke beperkingen worden gesteld aan de bottom-up-aanpak die een belangrijk kenmerk van het cohesiebeleid is;

Schorsing van betalingen

24.  wijst er opnieuw op dat de schorsing van betalingen een kwestie is waarover de Raad beslist op basis van een voorstel dat de Commissie kan goedkeuren wanneer de betrokken lidstaat geen doeltreffende actie onderneemt; benadrukt de belangrijke juridische waarborgen uit hoofde van artikel 23 van de GB-verordening om de uitzonderlijkheid van het schorsingsmechanisme te garanderen;

25.  onderstreept het straffende karakter van een schorsing van betalingen en verzoekt de Commissie om met de grootst mogelijke terughoudendheid en strikt in overeenstemming met artikel 23, lid 6, van de GB-verordening gebruik te maken van haar discretionaire bevoegdheid om een schorsing van betalingen voor te stellen, nadat alle relevante informatie en elementen die naar voren komen in het kader van en alle standpunten die zijn geformuleerd via de gestructureerde dialoog naar behoren in aanmerking zijn genomen;

26.  is, in de context van de criteria om te bepalen welke programma's worden geschorst en om het niveau van schorsing voor het eerste onderdeel vast te stellen, ingenomen met de in de richtsnoeren gehanteerde voorzichtige aanpak, waarin rekening wordt gehouden met de economische en sociale omstandigheden van de lidstaten door verzachtende factoren in overweging te nemen die vergelijkbaar zijn met die welke worden overwogen bij de schorsingen uit hoofde van artikel 23, lid 9, van de GB-verordening;

27.  verzoekt de Commissie om een tijdschema vast te stellen voor het intrekken van de schorsing als bedoeld in artikel 23, lid 8, van de GB-verordening;

De rol van het Parlement in het kader van artikel 23 van de GB-verordening

28.  betreurt dat in de richtsnoeren nergens wordt verwezen naar de rol van het Parlement, ondanks het feit dat de GB-verordening volgens de gewone wetgevingsprocedure is aangenomen en ondanks de aanhoudende verzoeken van het Parlement om de democratische verantwoording en controle in de context van het economisch bestuur te versterken;

29.  is van mening dat de betrokkenheid van het Parlement, als de voornaamste democratische kracht die garant staat voor de correcte toepassing van artikel 23, lid 15, van de GB-verordening, formeel moet worden vastgelegd, door middel van een duidelijke procedure die het Parlement in staat stelt in alle fasen geraadpleegd te worden over de goedkeuring van verzoeken om herprogrammering of van voorstellen en besluiten inzake de schorsing van vastleggingen of betalingen;

30.  benadrukt dat er behoefte is aan constante, duidelijke en transparante samenwerking op interinstitutioneel niveau, en is van mening dat een dergelijke procedure ten minste de volgende stappen moet omvatten:

   de Commissie moet het Parlement onmiddellijk op de hoogte stellen van de landenspecifieke aanbevelingen en de aanbevelingen van de Raad die in het kader van de ESI-fondsen relevant zijn, alsook van de programma's voor financiële bijstand, of respectieve wijzigingen, die aanleiding kunnen geven tot een verzoek om herprogrammering overeenkomstig artikel 23, lid 1, van de GB-verordening;
   de Commissie moet het Parlement onmiddellijk op de hoogte stellen van elk verzoek om herprogrammering overeenkomstig artikel 23, lid 1, van de GB-verordening en van elk voorstel voor een besluit tot schorsing van betalingen overeenkomstig artikel 23, lid 6, van de GB-verordening, zodat het Parlement zijn standpunt kenbaar kan maken in de vorm van een resolutie alvorens verdere stappen te ondernemen;
   de Commissie moet rekening houden met het standpunt van het Parlement en alle elementen die naar voren komen in het kader van of standpunten die zijn geformuleerd via de gestructureerde dialoog overeenkomstig artikel 23, lid 15, van de GB-verordening;
   de Commissie moet door het Parlement worden verzocht om aan te geven of de standpunten van het Parlement in aanmerking zijn genomen tijdens het proces, alsook om toelichting te geven bij eventuele andere follow-up naar aanleiding van de gestructureerde dialoog;
   het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité moeten op de hoogte worden gesteld van en gehoord worden over verzoeken om herprogrammering;
   het Parlement, de Raad en de Commissie moeten een dialoog aangaan in het kader van de toepassing van artikel 23 van de GB-verordening, door te zorgen voor interinstitutionele coördinatie en passende informatie-uitwisseling, zodat toezicht kan worden gehouden op de toepassing van elk van de procedures uit hoofde van artikel 23 van de GB-verordening;

31.  verzoekt de Commissie verslag uit te brengen over het effect van en de bereikte resultaten bij de toepassing van artikel 23 van de GB-verordening in het kader van de evaluatie van de toepassing ervan in overeenstemming met lid 17 van dit artikel, onder meer door te beschrijven in hoeverre een verzoek om herprogrammering gebaseerd was op de tenuitvoerlegging van de relevante landenspecifieke aanbevelingen of aanbevelingen van de Raad, of het effect van de beschikbare ESI-fondsen voor de lidstaten uit hoofde van de programma's voor financiële bijstand op de groei en het concurrentievermogen heeft vergroot, alsook door gegevens te verstrekken over alle geschorste bedragen en de programma's in kwestie;

o
o   o

32.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, en de lidstaten en hun regio's.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB C 375 van 20.12.2013, blz. 2.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0401.
(4) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 120.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0132.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0038.

Juridische mededeling