Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 25 november 2015 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8/2015: eigen middelen en Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming
 Terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument voor onmiddellijke budgettaire maatregelen voor de aanpak van de vluchtelingencrisis
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de EU met het oog op de betaling van voorschotten in het kader van de begroting voor 2016
 Begrotingsprocedure 2016: gemeenschappelijke tekst
 Fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect
 Het verlenen van toestemming voor het gebruik van bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP)
 Het voorkomen van de radicalisering en werving van Europese burgers door terroristische organisaties
 Strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020

Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8/2015: eigen middelen en Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming
PDF 251kWORD 65k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2015 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8/2015 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, Eigen middelen en Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (13439/2015 – C8-0341/2015 – 2015/2269(BUD))
P8_TA(2015)0404A8-0337/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1), met name artikel 41,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, definitief vastgesteld op 17 december 2014(2),

–  gezien de gewijzigde begroting nr. 1/2015, definitief vastgesteld op 28 april 2015(3),

–  gezien de gewijzigde begroting nr. 2/2015, nr. 3/2015, nr. 4/2015 en nr. 5/2015, definitief vastgesteld op 7 juli 2015(4),

–  gezien de gewijzigde begroting nr. 6/2015 en nr. 7/2015, definitief vastgesteld op 14 oktober 2015,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(5),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 2015/623 van de Raad van 21 april 2015 houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(6),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(7),

–  gezien Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(8),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8/2015, goedgekeurd door de Commissie op 19 oktober 2015 (COM(2015)0545),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8/2015, vastgesteld door de Raad op 10 november 2015 en op dezelfde dag toegezonden aan het Europees Parlement (13439/2015 – C8-0341/2015),

–  gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0337/2015),

A.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8/2015 een herziening betreft van de raming van de traditionele eigen middelen (douanerechten), de budgettering van de rest van de saldi van de btw- en bni-middelen voor 2014 en de budgettering van de saldi van de btw- en bni-middelen voor 2015;

B.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8/2015 ook een actualisering van de raming van andere ontvangsten betreft;

C.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8/2015 voorts voorziet in een vermindering van zowel de vastleggings- als de betalingskredieten in de begroting van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming met 123 474 EUR;

D.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8/2015 resulteert in een vermindering van de op het bni gebaseerde bijdragen van de lidstaten met 9,4 miljard EUR;

1.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8/2015, zoals door de Commissie ingediend, en van het standpunt van de Raad daarover;

2.  merkt op dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8/2015, in al zijn onderdelen, een vermindering tot gevolg heeft van de bijdragen van de lidstaten aan de begroting van de Unie met 9 403,4 miljoen EUR;

3.  benadrukt dat aanzienlijke aanvullende financiële middelen nodig zijn om de huidige vluchtelingencrisis aan te pakken;

4.  merkt op dat de lidstaten hun financiële toezeggingen voor het trustfonds voor Afrika, het trustfonds voor Syrië en de VN-agentschappen die hulp verlenen aan vluchtelingen, zoals opnieuw bevestigd tijdens de informele bijeenkomst van de staats- en regeringsleiders over migratie op 23 september 2015, op de Europese Raad van 15 oktober 2015 en tijdens de top van Valletta van 11 en 12 november 2015, nog niet zijn nagekomen; betreurt het dat, volgens de gegevens van de Commissie, de lidstaten begin november 2015 een betalingsachterstand hadden van 2,3 miljard EUR;

5.  merkt op dat meer financiële inspanningen nodig zijn om humanitaire hulp te verlenen langs de transitroutes en om aan de uitdagingen die het ongekende aantal vluchtelingen in de Europese steden en regio's stelt, het hoofd te bieden;

6.  betreurt het ten zeerste dat men tijdens de bemiddeling niet tot harde compromisafspraken heeft kunnen komen om de terugvloeiende middelen van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8/2015 te gebruiken voor de aanpak van de vluchtelingencrisis; verwacht niettemin dat de lidstaten hun eerdere toezeggingen volledig zullen nakomen;

7.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 8/2015 goed;

8.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 8/2015 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 69 van 13.3.2015, blz. 1.
(3) PB L 190 van 17.7.2015, blz. 1.
(4) PB L 261 van 7.10.2015.
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(6) PB L 103 van 22.4.2015, blz. 1.
(7) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(8) PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.


Terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument voor onmiddellijke budgettaire maatregelen voor de aanpak van de vluchtelingencrisis
PDF 269kWORD 68k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2015 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument voor onmiddellijke budgettaire maatregelen voor de aanpak van de vluchtelingencrisis, overeenkomstig punt 12 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (COM(2015)0514 – C8-0308/2015 – 2015/2264(BUD))
P8_TA(2015)0405A8-0336/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0514 – C8-0308/2015),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(1), en met name artikel 11,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2015/623 van 21 april 2015 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3), en met name punt 12,

–  gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, goedgekeurd door de Commissie op 24 juni 2015 (COM(2015)0300), als gewijzigd bij nota's van wijzigingen nr. 1/2016 (COM(2015)0317) en nr. 2/2016 (COM(2015)0513),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, vastgesteld door de Raad op 4 september 2015 en toegezonden aan het Europees Parlement op 17 september 2015 (11706/2015 – C8-0274/2015),

–  gezien zijn standpunt inzake het ontwerp van algemene begroting 2016, vastgesteld op 28 oktober 2015(4),

–  gezien de door het bemiddelingscomité op 14 november 2015 goedgekeurde gemeenschappelijke tekst (14195/2015 – C8-0353/2015),

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0336/2015),

A.  overwegende dat het, na alle mogelijkheden voor een herschikking van vastleggingskredieten binnen rubriek 3 en 4 te hebben onderzocht, nodig is middelen uit het flexibiliteitsinstrument beschikbaar te stellen ten behoeve van vastleggingskredieten;

B.  overwegende dat de Commissie had voorgesteld middelen uit het flexibiliteitsinstrument beschikbaar te stellen ter aanvulling van de financiering op de algemene begroting van de Unie voor het begrotingsjaar 2016 boven het maximum van rubriek 3 voor een bedrag van 1 504 miljoen EUR aan vastleggingskredieten ter financiering van maatregelen in het kader van de Europese migratieagenda;

C.  overwegende dat, naast het definitieve bedrag van 1 506 miljoen EUR boven het maximum voor rubriek 3, het Bemiddelingscomité dat bijeen was in het kader van de begroting 2016 instemde met het voorstel van de delegatie van het Parlement om nog eens een bedrag uit het flexibiliteitsinstrument beschikbaar te stellen ter hoogte van 24 miljoen EUR boven het plafond van rubriek 4, voor het nemen van maatregelen in verband met de externe dimensie van de uitdagingen die de vluchtelingencrisis met zich meebrengt;

D.  overwegende dat het totaalbedrag van het flexibiliteitsinstrument voor het begrotingsjaar 2016, met inbegrip van de ongebruikte bedragen van de begrotingsjaren 2014 en 2015, daarmee volledig is gebruikt;

1.  wijst erop dat de maxima voor 2016 voor rubriek 3 en 4 geen ruimte bieden voor een adequate financiering van urgente maatregelen op het gebied van migratie en vluchtelingen;

2.  stemt er daarom mee in middelen uit het flexibiliteitsinstrument ter beschikking te stellen voor een bedrag van 1 530 miljoen EUR aan vastleggingskredieten;

3.  stemt verder in met de voorgestelde toewijzing van de overeenkomstige betalingskredieten, te weten 734,2 miljoen EUR in 2016, 654,2 miljoen EUR in 2017, 83 miljoen EUR in 2018 en 58,6 miljoen EUR in 2019;

4.  herhaalt dat het gebruik van dit instrument, waar artikel 11 van de MFK-verordening in voorziet, eens te meer aantoont dat de begroting van de Unie absoluut flexibeler moet zijn; wijst erop dat de beschikbaarstelling van deze bijkomende kredieten slechts mogelijk is dankzij de overdracht van ongebruikte bedragen van het flexibiliteitsinstrument in de begrotingsjaren 2014 en 2015; benadrukt dat geen bedrag overgedragen zal worden naar het begrotingsjaar 2017, waarmee de beschikbaarstelling van bedragen uit het flexibiliteitsinstrument in 2017 beperkt zal blijven tot het jaarlijkse maximum van 471 miljoen EUR (in prijzen van 2011);

5.  herhaalt zijn traditionele standpunt dat, onverminderd de mogelijkheid om via het flexibiliteitsinstrument betalingskredieten voor specifieke begrotingslijnen beschikbaar te stellen zonder eerst middelen vast te leggen, de betalingen die voortvloeien uit eerder via het flexibiliteitsinstrument beschikbaar gestelde vastleggingskredieten alleen buiten de maxima kunnen worden geboekt;

6.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

7.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument voor onmiddellijke budgettaire maatregelen voor de aanpak van de vluchtelingencrisis

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit (EU) 2016/253.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(2) PB L 103 van 22.4.2015, blz. 1.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0376.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de EU met het oog op de betaling van voorschotten in het kader van de begroting voor 2016
PDF 247kWORD 62k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2015 over het voorstel voor een besluit van het Europeess Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, overeenkomstig punt 11 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer, met het oog op de betaling van voorschotten in het kader van de begroting voor 2016 (COM(2015)0281 – C8-0133/2015 – 2015/2123(BUD))
P8_TA(2015)0406A8-0335/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0281 – C8-0133/2015),

–  gezien Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 10 hiervan,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3), en met name punt 11 hiervan,

–  gezien de door het bemiddelingscomité op 14 november 2015 goedgekeurde gemeenschappelijke tekst (14195/2015 – C8-0353/2015),

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0335/2015),

A.  overwegende dat overeenkomstig Artikel 4 bis, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2012/2002 een bedrag van 50 000 000 EUR beschikbaar is gesteld voor de betaling van voorschotten door de betrokken kredieten in de algemene begroting van de Unie op te nemen;

1.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor de betaling van voorschotten

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit (EU) 2016/252.)

(1) PB L 311 van 14.11.2002, blz. 3.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


Begrotingsprocedure 2016: gemeenschappelijke tekst
PDF 390kWORD 183k
Resolutie
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 november 2015 over het gemeenschappelijk ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, goedgekeurd door het bemiddelingscomité in het kader van de begrotingsprocedure (14195/2015 – C8-0353/2015 – 2015/2132(BUD))
P8_TA(2015)0407A8-0333/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het door het bemiddelingscomité goedgekeurde gemeenschappelijke ontwerp en de verklaringen van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (14195/2015 – C8-0353/2015),

–  gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, goedgekeurd door de Commissie op 24 juni 2015 (COM(2015)0300),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, vastgesteld door de Raad op 4 september 2015 en toegezonden aan het Europees Parlement op 17 september 2015 (11706/2015 – C8-0274/2015),

–  gezien de nota's van wijzigingen nrs. 1/2016 (COM(2015)0317) en 2/2016 (COM(2015)0513) bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien zijn resolutie van 28 oktober 2015 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(1) en de daarin opgenomen begrotingsamendementen,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(4),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(5),

–  gezien de artikelen 90 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van zijn delegatie in het bemiddelingscomité (A8-0333/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de door het bemiddelingscomité goedgekeurde gemeenschappelijke tekst, die uit de volgende documenten bestaat:

   een lijst van ongewijzigde begrotingslijnen ten opzichte van de ontwerpbegroting of het standpunt van de Raad;
   samenvattende cijfers per rubriek van het financieel kader;
   cijfers per lijn voor alle begrotingsonderdelen;
   een geconsolideerd document met de cijfers en de definitieve tekst van alle lijnen die tijdens de bemiddeling werden gewijzigd;

2.  bevestigt de aan deze resolutie gehechte gemeenschappelijke verklaringen van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

3.  bevestigt zijn verklaring over de toepassing van punt 27 van het Interinstitutioneel Akkoord;

4.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze wetgevingsresolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige instellingen en de betrokken organen, alsmede aan de nationale parlementen.

BIJLAGE

DEFINITIEVE VERSIE 14.11.2015

Begroting 2016 – Gezamenlijke conclusies

Deze gezamenlijke conclusies hebben betrekking op de volgende onderwerpen:

1.  Begroting 2016

2.  Begroting 2015 – Gewijzigde begroting 8/2015

3.  Gezamenlijke verklaringen

Samenvatting

A.  Begroting 2016

Volgens de elementen voor gezamenlijke conclusies:

—  De totale hoogte van de vastleggingskredieten in de begroting 2016 bedraagt 155 004,2 miljoen EUR. Daardoor resteert onder de MFK-plafonds voor 2016 een marge van in totaal 2 331,4 miljoen EUR aan vastleggingskredieten.

—  De totale hoogte van de betalingskredieten in de begroting 2016 bedraagt 143 885,3 miljoen EUR.

—  Uit het flexibiliteitsinstrument voor 2016 wordt een bedrag beschikbaar gesteld van 1 506 miljoen EUR aan vastleggingskredieten voor rubriek 3 "Veiligheid en burgerschap" en van 24 miljoen EUR aan vastleggingskredieten voor rubriek 4 "Europa als wereldspeler".

—  De betalingskredieten voor 2016 in verband met de beschikbaarstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument in 2014, 2015 en 2016 worden door de Commissie geraamd op 832,8 miljoen EUR.

B.  Begroting 2015

Volgens de elementen voor gezamenlijke conclusies:

—  Het ontwerp van gewijzigde begroting 8/2015 als voorgesteld door de Commissie wordt zonder wijzigingen aanvaard.

1.  Begroting 2016

1.1.  "Afgesloten" lijnen

Tenzij verder in deze conclusies anders is vermeld, worden alle begrotingslijnen bevestigd die noch de Raad noch het Parlement in hun respectieve lezing hebben geamendeerd en waarvoor het Parlement met de amendementen van de Raad heeft ingestemd.

Voor de overige begrotingslijnen heeft het bemiddelingscomité overeenstemming bereikt over de conclusies in de punten 1.2 tot 1.6 hierna.

1.2.  Horizontale kwesties

Gedecentraliseerde agentschappen

De bijdrage van de EU (vastleggings- en betalingskredieten) en het aantal posten voor alle gedecentraliseerde agentschappen wordt bepaald op de hoogte die de Commissie heeft voorgesteld in de ontwerpbegroting, als gewijzigd bij nota's van wijzigingen nrs.1 en 2/2016 , met de volgende aanpassingen, als overeengekomen door het bemiddelingscomité:

—  Verhoging van het aantal posten (uit vergoedingen betaald) voor het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA Biociden, + 3 posten) en verlaging van de kredieten met 1 350 000 EUR;

—  Verhoging van het aantal posten (uit vergoedingen betaald) voor het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA, + 6 posten);

—  Verhoging van het aantal posten (uit vergoedingen betaald) voor het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA, + 3 posten);

—  Verhoging van het aantal posten en daarmee verband houdende kredieten voor het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER, + 5 posten en + 325 000 EUR);

—  Verhoging van het aantal posten en daarmee verband houdende kredieten voor het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA, + 2 posten en + 130 000 EUR);

—  Verhoging van het aantal posten en daarmee verband houdende kredieten voor Eurojust (+ 2 posten en + 130 000 EUR);

—  Verhoging van de kredieten voor de Europese Bankautoriteit (EBA, + 928 000 EUR);

—  Verlaging van de kredieten voor het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu.LISA, - 260 000 EUR).

Uitvoerende agentschappen

De EU-bijdrage (in vastleggings- en betalingskredieten) en het aantal posten voor de uitvoerende agentschappen worden vastgesteld op het door de Commissie in de ontwerpbegroting, als gewijzigd bij nota's van wijzigingen nrs. 1 en 2/2016, voorgestelde niveau.

Proefprojecten / Voorbereidende acties

Er is overeenstemming bereikt over een omvattend pakket van 89 proefprojecten/voorbereidende acties (PP/VA) voor een bedrag van 64,9 miljoen EUR aan vastleggingskredieten, zoals voorgesteld door het Parlement.

Wanneer een proefproject of een voorbereidende actie gedekt blijkt te zijn door een bestaande rechtsgrond, kan de Commissie voorstellen de kredieten over te schrijven naar de overeenkomstige rechtsgrond om de uitvoering van de actie te vergemakkelijken.

Dit pakket laat de maxima voor proefprojecten en voorbereidende acties waarin het Financieel Reglement voorziet volledig onverlet.

1.3.  Uitgavenrubrieken van het financieel kader - vastleggingskredieten

Met inachtneming van de bovenstaande conclusies betreffende de "afgesloten" begrotingslijnen, de agentschappen en de proefprojecten en voorbereidende acties, heeft het bemiddelingscomité overeenstemming bereikt over de volgende punten:

Rubriek 1a

De vastleggingskredieten worden vastgesteld op het niveau dat de Commissie in de ontwerpbegroting heeft voorgesteld, als gewijzigd bij nota's van wijzigingen nrs. 1 en 2/2016, maar met de volgende wijzigingen waarover het bemiddelingscomité overeenstemming heeft bereikt:

—  De vastleggingen voor "Horizon 2020" worden verhoogd, met de volgende onderverdeling:

In EUR

Begrotingsonderdeel

Naam

OB 2016 (incl. Nvw 1&2)

Begroting 2016

Verschil

02 04 02 01

Leiderschap in de ruimte

158 446 652

159 792 893

1 346 241

02 04 02 03

Stimuleren van innovatie in kleine en middelgrote ondernemingen (mkb/kmo)

35 643 862

35 738 414

94 552

02 04 03 01

Een hulpbronefficiënte en klimaatbestendige economie en een duurzame grondstoffenbevoorrading tot stand brengen

74 701 325

75 016 498

315 173

05 09 03 01

Een toereikend aanbod van veilige en hoogwaardige voedsel- en andere producten van biologische origine verzekeren

212 854 525

214 205 269

1 350 744

06 03 03 01

Realiseren van een hulpbronefficiënt, milieuvriendelijk, veilig en naadloos geïntegreerd Europees vervoerssysteem

109 250 820

110 916 737

1 665 917

08 02 01 03

Versterken van Europese onderzoeksinfrastructuren, waaronder e-infrastructuren

183 108 382

183 905 321

796 939

08 02 02 01

Leiderschap in nanotechnologie, geavanceerde materialen, lasers, biotechnologie en geavanceerde fabricage- en verwerkingsprocessen

502 450 912

504 175 361

1 724 449

08 02 02 03

Stimuleren van innovatie in kleine en middelgrote ondernemingen (mkb/kmo)

35 967 483

36 120 567

153 084

08 02 03 01

Verbeteren van gezondheid en welzijn gedurende het hele leven

522 476 023

524 745 272

2 269 249

08 02 03 02

Een toereikend aanbod van veilige, gezonde en kwalitatief hoogwaardige voedselproducten en andere biogebaseerde producten verzekeren

141 851 093

142 233 804

382 711

08 02 03 03

Overschakelen naar een betrouwbaar, duurzaam en concurrerend energiesysteem

333 977 808

335 369 074

1 391 266

08 02 03 04

Realiseren van een hulpbronefficiënt, milieuvriendelijk, veilig en naadloos geïntegreerd Europees vervoerssysteem

330 992 583

331 555 393

562 810

08 02 03 05

Een hulpbronefficiënte en klimaatbestendige economie en een duurzame grondstoffenbevoorrading tot stand brengen

283 265 173

284 530 369

1 265 196

08 02 03 06

Inclusieve, innovatieve en reflexieve Europese samenlevingen bevorderen

111 929 624

112 411 389

481 765

08 02 06

Wetenschap met en voor de samenleving

53 267 640

53 497 266

229 626

09 04 01 01

Stimuleren van onderzoek in toekomstige en opkomende technologieën

213 825 023

215 400 890

1 575 867

09 04 01 02

Versterken van Europese onderzoeksinfrastructuur, waaronder e-infrastructuur

97 173 367

97 889 261

715 894

09 04 02 01

Leiderschap op het gebied van de informatie- en communicatietechnologie

718 265 330

723 681 812

5 416 482

09 04 03 01

Verbeteren van gezondheid en welzijn gedurende het hele leven

117 323 526

118 188 002

864 476

09 04 03 02

Inclusieve, innovatieve en reflexieve Europese samenlevingen bevorderen

36 289 820

36 564 471

274 651

09 04 03 03

Veilige Europese samenlevingen bevorderen

45 457 909

45 791 092

333 183

10 02 01

Horizon 2020 — Klantgestuurde wetenschappelijke en technische ondersteuning van EU-beleid

24 646 400

25 186 697

540 297

15 03 05

Europees Instituut voor innovatie en technologie — De kennisdriehoek van hoger onderwijs, onderzoek en innovatie integreren

219 788 046

224 938 881

5 150 835

18 05 03 01

Veilige Europese samenlevingen bevorderen

134 966 551

136 092 171

1 125 620

32 04 03 01

Overschakelen naar een betrouwbaar, duurzaam en concurrerend energiesysteem

322 875 370

324 676 361

1 800 991

Totaal

31 828 018

—  De vastleggingen voor "COSME" worden verhoogd, met de volgende onderverdeling:

In EUR

Begrotingsonderdeel

Naam

OB 2016 (incl. Nvw 1&2)

Begroting 2016

Verschil

02 02 01

Ondernemerschap bevorderen en het concurrentievermogen en de toegang tot markten van ondernemingen in de Unie verbeteren

108 375 000

110 264 720

1 889 720

02 02 02

Kleine en middelgrote ondernemingen meer toegang geven tot financiering in de vorm van eigen vermogen en schuld

160 447 967

172 842 972

12 395 005

Totaal

14 284 725

—  De vastleggingen voor "Erasmus+" worden verhoogd, met de volgende onderverdeling:

In EUR

Begrotingsonderdeel

Naam

OB 2016 (incl. Nvw 1&2)

Begroting 2016

Verschil

15 02 01 01

Bevordering van uitmuntendheid en samenwerking in de Europese onderwijs- en opleidingssector en het belang daarvan voor de arbeidsmarkt

1 451 010 600

1 457 638 273

6 627 673

Totaal

6 627 673

Bijgevolg, en rekening houdend met de gecentraliseerde agentschappen en de proefprojecten en voorbereidende acties, is de overeengekomen hoogte van de vastleggingskredieten 19 010 miljoen EUR, zonder resterende marge onder het uitgavenplafond van rubriek 1a en met gebruikmaking van de overkoepelende marge voor vastleggingen voor een bedrag van 543 miljoen EUR.

Rubriek 1b

De vastleggingskredieten worden vastgesteld op het niveau als voorgesteld in de ontwerpbegroting, als gewijzigd bij nota's van wijzigingen nrs. 1 en 2/2016.

Rekening houdend met de proefprojecten en de voorbereidende acties, is de overeengekomen hoogte van de vastleggingskredieten bepaald op 50 831,2 miljoen EUR, waardoor er een marge van 5,8 miljoen EUR onder het uitgavenplafond van rubriek 1b overblijft.

Rubriek 2

De vastleggingskredieten worden vastgesteld op het niveau dat de Commissie heeft voorgesteld in de ontwerpbegroting, als gewijzigd bij nota's van wijzigingen nrs. 1 en 2/2016, met een bijkomende verlaging van 140 miljoen EUR voortvloeiend uit een stijging van de bestemmingsontvangsten van het ELGF en een verhoging van begrotingslijn 11 06 62 01. Bijgevolg heeft het bemiddelingscomité overeenstemming bereikt over het volgend:

In EUR

Begrotingsonderdeel

Naam

OB 2016 (incl. Nvw 1&2)

Begroting 2016

Verschil

05 03 01 10

Basisbetalingsregeling (BBR)

16 067 000 000

15 927 000 000

-140 000 000

11 06 62 01

Wetenschappelijk advies en wetenschappelijke kennis

8 485 701

8 680 015

194 314

Totaal

-139 805 686

Rekening houdend met de gedecentraliseerde agentschappen en de proefprojecten en voorbereidende acties, is de overeengekomen hoogte van de vastleggingskredieten bepaald op 62 484,2 miljoen EUR, waardoor er een marge van 1 777,8 miljoen EUR onder het uitgavenplafond van rubriek 2 overblijft.

Rubriek 3

De vastleggingskredieten worden vastgesteld op het niveau dat de Commissie in de ontwerpbegroting heeft voorgesteld, als gewijzigd bij nota's van wijzigingen nrs. 1 en 2/2016, maar met de volgende wijziging waarover het bemiddelingscomité overeenstemming heeft bereikt:

In EUR

Begrotingsonderdeel

Naam

OB 2016 (incl. Nvw 1&2)

Begroting 2016

Verschil

09 05 05

Multimedia-acties

24 186 500

26 186 500

2 000 000

17 04 01

Een hogere diergezondheidsstatus en een hoog niveau van bescherming van dieren in de Unie garanderen

177 000 000

171 925 000

-5 075 000

17 04 02

De tijdige detectie en uitroeiing van voor planten schadelijke organismen garanderen

14 000 000

12 000 000

-2 000 000

17 04 03

Doeltreffende, doelmatige en betrouwbare controles garanderen

50 401 000

47 401 000

-3 000 000

17 04 04

Fonds voor noodmaatregelen in verband met dier- en plantgezondheid

20 000 000

19 000 000

-1 000 000

Totaal

-9 075 000

Bijgevolg, en rekening houdend met de gecentraliseerde agentschappen, de proefprojecten en voorbereidende acties en de beschikbaarstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument voor migratie, is de overeengekomen hoogte van de vastleggingskredieten 4 052 miljoen EUR, zonder resterende marge onder het uitgavenplafond van rubriek 3 en met de beschikbaarstelling van middelen ter hoogte van 1 506 miljoen EUR uit het flexibiliteitsinstrument.

Rubriek 4

De vastleggingskredieten worden vastgesteld op het niveau dat de Commissie in de ontwerpbegroting heeft voorgesteld, als gewijzigd bij nota's van wijzigingen nrs. 1 en 2/2016, maar met de volgende wijzigingen waarover het bemiddelingscomité overeenstemming heeft bereikt:

In EUR

Begrotingsonderdeel

Naam

OB 2016 (incl. Nvw 1&2)

Begroting 2016

Verschil

13 07 01

Financiële steun ten behoeve van de bevordering van de economische ontwikkeling van de Turks-Cypriotische gemeenschap

31 212 000

33 212 000

2 000 000

21 02 07 03

Menselijke ontwikkeling

161 633 821

163 633 821

2 000 000

21 02 07 04

Voedsel- en voedingszekerheid en duurzame landbouw

187 495 232

189 495 232

2 000 000

21 02 07 05

Migratie en asiel

45 257 470

57 257 470

12 000 000

22 02 01 01

Steun voor politieke hervormingen en een daarmee verband houdende geleidelijke afstemming op het acquis van de Unie

188 000 000

190 000 000

2 000 000

22 02 01 02

Steun voor economische, sociale en territoriale ontwikkeling en een daarmee verband houdende geleidelijke afstemming op het acquis van de Unie

326 960 000

327 960 000

1 000 000

22 02 03 01

Steun voor politieke hervormingen en een daarmee verband houdende geleidelijke afstemming op het acquis van de Unie

240 300 000

255 300 000

15 000 000

22 02 03 02

Steun voor economische, sociale en territoriale ontwikkeling en een daarmee verband houdende geleidelijke afstemming op het acquis van de Unie

321 484 000

340 484 000

19 000 000

22 04 01 01

Mediterrane landen — Goed bestuur, mensenrechten en mobiliteit

135 000 000

144 000 000

9 000 000

22 04 01 02

Mediterrane landen — Armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling

636 900 000

640 900 000

4 000 000

22 04 01 03

Mediterrane landen — Vertrouwensopbouw, veiligheid en het voorkomen en oplossen van conflicten

116 000 000

131 000 000

15 000 000

22 04 01 04

Ondersteuning van het vredesproces en financiële bijstand aan Palestina en aan de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen (UNRWA)

272 100 000

290 100 000

18 000 000

22 04 02 03

Oostelijk Partnerschap — Vertrouwensopbouw, veiligheid en het voorkomen en oplossen van conflicten

8 000 000

9 300 000

1 300 000

22 04 03 03

Steun aan andere op meerdere landen gerichte samenwerking in de nabuurschap — Overkoepelend programma

189 500 000

193 500 000

4 000 000

23 02 01

Verstrekking van snelle, doeltreffende en op behoeften gebaseerde humanitaire hulp en voedselhulp

1 035 818 000

1 061 821 941

26 003 941

Totaal

132 303 941

Bijgevolg, en rekening houdend met de proefprojecten en voorbereidende acties, is de overeengekomen hoogte van de vastleggingskredieten 9 167 miljoen EUR, zonder resterende marge onder het uitgavenplafond van rubriek 4 en met de beschikbaarstelling van middelen ter hoogte van 24 miljoen EUR uit het flexibiliteitsinstrument.

Rubriek 5

Het aantal posten in de personeelsformatie van de instellingen en de kredieten als voorgesteld door de Commissie in de ontwerpbegroting, als gewijzigd bij nota's van wijzigingen nrs. 1 en 2/2016, worden goedgekeurd, met de volgende uitzonderingen:

—  Het Europees Parlement, wiens lezing wordt goedgekeurd, met een vermindering van 9 posten;

—  De Raad, wiens lezing wordt goedgekeurd;

—  Het Hof van Justitie, aan wie 7 bijkomende posten worden toegekend (+ 300 000 EUR);

—  Het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, waarvoor de lezing van het Europees Parlement wordt goedgekeurd.

Op 26 november 2015 zal de Commissie naar verwachting het verslag over de budgettaire gevolgen van de salarisaanpassing van 2015 goedkeuren, die gevolgen met terugwerkende kracht zal hebben vanaf 1 juli 2015 op de bezoldiging van het personeel van alle EU-instellingen, alsmede op de pensioenen.

Bijgevolg, en rekening houdend met de proefprojecten en de voorbereidende acties, is de overeengekomen hoogte van de vastleggingskredieten bepaald op 8 935,2 miljoen EUR, waardoor er een marge van 547,8 miljoen EUR onder het uitgavenplafond van rubriek 5 overblijft.

Solidariteitsfonds van de Europese Unie

De vastleggingskredieten worden vastgesteld op het niveau dat de Commissie heeft voorgesteld in de ontwerpbegroting, als gewijzigd bij nota's van wijzigingen nrs. 1 en 2/2016, met inbegrip van de beschikbaarstelling van 50 miljoen EUR van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor de betaling van voorschotten.

1.4.  Betalingskredieten

De totale hoogte van de betalingskredieten in de begroting 2016 bedraagt 143 885,3 miljoen EUR, met inbegrip van 832,8 miljoen EUR in verband met de beschikbaarstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument.

De onderverdeling van de betalingskredieten wordt vastgesteld op het niveau dat de Commissie in de ontwerpbegroting heeft voorgesteld, als gewijzigd bij nota's van wijzigingen nrs. 1 en 2/2016, maar met de volgende wijzigingen waarover het bemiddelingscomité overeenstemming heeft bereikt:

1.  In de eerste plaats wordt rekening gehouden met het overeengekomen niveau van vastleggingskredieten voor niet-gesplitste uitgaven, waarvoor het niveau van betalingskredieten gelijk is aan dat van de vastleggingen. Dit omvat ook de gedecentraliseerde agentschappen, waarvoor de EU-bijdrage in betalingskredieten is vastgesteld op het in punt 1.2 hierboven voorgestelde niveau. Het gezamenlijk gevolg is een verlaging van 140 miljoen EUR.

2.  De betalingskredieten voor alle nieuwe proefprojecten en voorbereidende acties worden vastgesteld op 50% van de overeenkomstige vastleggingskredieten of op het door het Parlement voorgestelde niveau indien dit lager is. Bij verlenging van bestaande proefprojecten en voorbereidende acties is het niveau van de betalingen het niveau dat in de ontwerpbegroting is vastgelegd plus 50% van de overeenkomstige nieuwe vastleggingen, of het door het Parlement voorgestelde niveau indien dit lager is. Het gezamenlijk gevolg is een verhoging van 29,5 miljoen EUR.

3.  De uitgaven voor betalingskredieten worden verlaagd met 460,1 miljoen EUR, en wel als volgt:

In EUR

Begrotingsonderdeel

Naam

OB 2016 (incl. Nvw 1&2)

Begroting 2016

Verschil

02 05 01

Ontwikkeling en levering van mondiale satellietnavigatie-infrastructuur en -diensten (Galileo) tegen 2020

308 000 000

297 000 000

-11 000 000

02 05 02

Levering van satellietdiensten die de prestaties van het gps-systeem verbeteren om tegen 2020 geleidelijk de hele regio van de Europese Burgerluchtvaartconferentie (European Civil Aviation Conference — ECAC) te bestrijken (Egnos)

215 000 000

207 000 000

-8 000 000

02 05 51

Voltooiing van Europese programma’s voor navigatie per satelliet (Egnos en Galileo)

17 000 000

16 000 000

-1 000 000

02 06 01

Operationele diensten leveren die op observaties vanuit de ruimte en in-situgegevens berusten (Copernicus)

125 000 000

121 000 000

-4 000 000

02 06 02

Bouwen aan een autonome aardobservatiecapaciteit van de Unie (Copernicus)

475 000 000

459 000 000

-16 000 000

04 02 19

Voltooiing van het Europees Sociaal Fonds — Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid (2007-2013)

1 130 000 000

1 109 595 811

-20 404 189

04 02 61

Europees Sociaal Fonds — Overgangsregio's — Doelstelling investeren in groei en werkgelegenheid

930 000 000

927 965 850

-2 034 150

04 02 62

Europees Sociaal Fonds — Meer ontwikkelde regio's — Doelstelling investeren in groei en werkgelegenheid

2 200 000 000

2 178 091 258

-21 908 742

04 02 63 01

Europees Sociaal Fonds — Operationele technische bijstand

12 000 000

7 200 000

-4 800 000

05 04 05 01

Programma's voor plattelandsontwikkeling

3 268 000 000

3 235 000 000

-33 000 000

05 04 60 01

Bevordering van de duurzame ontwikkeling van het platteland en van een territoriaal en ecologisch evenwichtigere, klimaatvriendelijkere en innovatievere landbouwsector van de Unie

8 574 000 000

8 487 000 000

-87 000 000

13 03 18

Voltooiing van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) — Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid

2 345 348 000

2 302 998 509

-42 349 491

13 03 61

Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) — Overgangsregio's — Doelstelling investeren in groei en werkgelegenheid

1 863 122 000

1 860 036 800

-3 085 200

13 03 62

Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) — Meer ontwikkelde regio's — Doelstelling investeren in groei en werkgelegenheid

2 775 630 000

2 750 605 336

-25 024 664

13 03 64 01

Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) — Europese territoriale samenwerking

328 430 000

284 930 000

-43 500 000

13 03 65 01

Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) — Operationele technische bijstand

66 215 941

57 415 941

-8 800 000

13 03 66

Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) — Innovatieve acties op het gebied van duurzame stedelijke ontwikkeling

53 149 262

48 649 262

-4 500 000

13 04 01

Voltooiing van projecten van het Cohesiefonds (van vóór 2007)

90 000 000

70 000 000

-20 000 000

13 04 60

Cohesiefonds — Doelstelling investeren in groei en werkgelegenheid

4 100 000 000

4 077 806 436

-22 193 564

13 04 61 01

Cohesiefonds — Operationele technische bijstand

22 106 496

20 606 496

-1 500 000

32 05 01 02

Bouw, inbedrijfstelling en exploitatie van de ITER-faciliteiten — Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie — Fusion for Energy (F4E)

150 000 000

131 000 000

-19 000 000

32 05 51

Voltooiing van Europese Gemeenschappelijke Onderneming voor ITER — Fusion for Energy (F4E) (2007-2013)

350 000 000

289 000 000

-61 000 000

Totaal

-460 100 000

4.  Het gezamenlijke niveau van de betalingskredieten vastgesteld in de paragrafen 1-3 hierboven is 570,6 miljoen EUR lager dan door de Commissie voorgesteld in haar ontwerpbegroting, als gewijzigd bij nota's van wijzigingen 1 en 2/2016, voor de desbetreffende uitgavenposten.

1.5.  Toelichtingen

Wijzigingen van de tekst van de toelichtingen als voorgesteld door het Europees Parlement en de Raad worden goedgekeurd, mits daarmee de reikwijdte van de bestaande rechtsgronden niet wordt gewijzigd of uitgebreid, de administratieve autonomie van de instellingen niet wordt aangetast, geen operationele problemen ontstaan, en op voorwaarde dat er geen reeds bestaande alternatieven voor zijn (als aangegeven in de bijlage bij de uitvoerbaarheidsnota).

1.6.  Nieuwe begrotingslijnen

Tenzij anders vermeld in de gezamenlijke conclusies waarover het bemiddelingscomité overeenstemming heeft bereikt of in gezamenlijke overeenkomsten van beide takken van de begrotingsautoriteit in het kader van hun respectieve lezing, blijft de begrotingsnomenclatuur die de Commissie in haar OB, als gewijzigd bij nota's van wijzigingen nrs. 1 en 2/2016, heeft voorgesteld ongewijzigd, met uitzondering van proefprojecten en voorbereidende acties en de opsplitsing van artikel 18 04 01 Europees burgerinitiatief in twee posten: 18 04 01 01 Europa voor de burger — Het gedenken en de capaciteit voor burgerparticipatie op het niveau van de Unie versterken, en 18 04 01 02 Europees burgerinitiatief.

2.  Begroting 2015

Het ontwerp van gewijzigde begroting (OGB) 8/2015 als voorgesteld door de Commissie wordt zonder wijzigingen goedgekeurd.

3.  Gezamenlijke verklaringen

3.1.  Gezamenlijke verklaring van het Parlement, de Raad en de Commissie over het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie brengen in herinnering dat het terugdringen van de jeugdwerkloosheid voor elk van de drie instellingen hoog op de politieke agenda staat, en uiten daarom nogmaals hun vastberadenheid om de daartoe beschikbare middelen, en in het bijzonder het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, optimaal te benutten.

Zij wijzen erop dat, overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020, "marges die beschikbaar blijven onder de MFK-maxima voor vastleggingskredieten voor de jaren 2014-2017 een overkoepelende MFK-marge vormen voor vastleggingen, die beschikbaar worden gesteld boven de maxima die in het MFK zijn vastgesteld voor de jaren 2016 tot en met 2020 voor beleidsdoelstellingen met betrekking tot groei en werkgelegenheid, in het bijzonder voor jongeren".

In het kader van de tussentijdse evaluatie/herziening van het MFK zal de Commissie lering trekken uit de resultaten van de evaluatie van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief die, in voorkomend geval, gepaard gaan met voorstellen voor de voortzetting van het initiatief tot 2020.

De Raad en het Parlement zullen de voorstellen die de Commissie in dit verband heeft gedaan, spoedig onderzoeken.

3.2.  Gezamenlijke verklaring over een betalingsprognose 2016-2020

Voortbouwend op de bestaande overeenkomst inzake een betalingsplan 2015-2016 onderkennen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie de stappen die zijn genomen om de achterstand op het gebied van uitstaande betalingsaanvragen in het kader van de cohesieprogramma's voor de periode 2007-2013 geleidelijk aan weg te werken en om mogelijke betalingsachterstand in alle rubrieken beter te volgen. Zij bevestigen ernaar te streven een dergelijke opbouw van betalingsachterstand in de toekomst te voorkomen, onder meer door een systeem van vroegtijdige waarschuwing op te zetten.

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zullen, in overeenstemming met het overeengekomen betalingsplan, gedurende het gehele jaar actief toezien op de stand van uitvoering van de begroting 2016; met name door de in de begroting 2016 opgenomen kredieten zal de Commissie de achterstand op het eind van het jaar wat betreft uitstaande betalingsaanvragen voor de cohesieprogramma's voor de periode 2007-2013 kunnen terugbrengen tot een niveau van ongeveer 2 miljard EUR aan het eind van 2016.

Overeenkomstig punt 36 van de bijlage bij het Interinstitutioneel Akkoord zullen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie de uitvoering van de betalingen en de geactualiseerde prognoses blijven inventariseren tijdens specifieke interinstitutionele bijeenkomsten, die in 2016 ten minste drie keer op politiek niveau moeten plaatsvinden.

In deze context wijzen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie erop dat tijdens dergelijke bijeenkomsten ook moet worden gesproken over de prognoses op langere termijn inzake de verwachte evolutie van de betalingen tot het einde van het MFK 2014-2020.

3.3.  Verklaring van het Europees Parlement over de toepassing van punt 27 van het Interinstitutioneel Akkoord

Het Europees Parlement verbindt zich ertoe de vermindering van het totaal aantal posten in zijn personeelsbestand voort te zetten en dit proces in 2019 te zullen afronden, overeenkomstig onderstaand tijdschema, rekening houdend met een netto vermindering met 18 posten in 2016:

Jaarlijkse netto vermindering van het totaal aantal goedgekeurde posten in het personeelsbestand van het Europees Parlement ten opzichte van het voorgaande jaar

Nog te verwezenlijken vermindering voor het bereiken van het streefdoel van 5%(6)

2017

2018

2019

2017-2019

179

-60

-60

-59

-179

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0376.
(2) PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(5) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(6) Het Europees Parlement is van mening dat de vermindering met 5% niet van toepassing is op tijdelijke posten van fracties zoals aangegeven in zijn personeelsbestand.


Fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect
PDF 464kWORD 320k
Resolutie
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2015 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (2015/2066(INI))
P8_TA(2015)0408A8-0317/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 4 en 13 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 107, 108, 113, 115, 116, 175 en 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien zijn besluit van 12 februari 2015 over de instelling, de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat van de Bijzondere Commissie fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect(1),

–  gezien de onthullingen van het Internationaal Consortium van onderzoeksjournalisten (ICIJ) over fiscale rulings en andere schadelijke praktijken in Luxemburg, de zogenoemde "LuxLeaks",

–  gezien de resultaten van de topontmoetingen van de G7, G8 en G20 over internationale belastingkwesties, met name de top van Elmau van 7 en 8 juni 2015, de top van Brisbane van 15 en 16 november 2014, de top van Sint-Petersburg van 5 en 6 september 2013, de top van Lough Erne van 17 en 18 juni 2013 en de top van Pittsburgh van 24 en 25 september 2009,

–  gezien het verslag over schadelijke belastingconcurrentie ("Harmful Tax Competition. An emerging global issue") van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) van 1998,

–  gezien het verslag "Addressing Base Erosion and Profit Shifting" (BEPS) van de OESO van 2013, het actieplan van de OESO tegen BEPS en de daarop volgende publicaties van de OESO,

–  gezien de recente conclusies van de Europese Raad over de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (14 maart 2013), over belasting (22 mei 2013), over de automatische uitwisseling van inlichtingen (18 december 2014), over grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS), de automatische uitwisseling van inlichtingen op mondiaal niveau en schadelijke belastingmaatregelen (18 december 2014) en over belastingontwijking (27 juni 2014),

–  gezien de conclusies van de Raad Economische en Financiële Zaken (Ecofin) en zijn verslag aan de Europese Raad over belastingkwesties van 22 juni 2015,

–  gezien de zesmaandelijkse verslagen van de Groep gedragscode (belastingregeling ondernemingen) aan de Raad over de gedragscode,

–  gezien de richtlijn administratieve samenwerking(2), de richtlijn interest en royalty's(3) en de recentste wetgevingsvoorstellen van de Commissie tot wijziging daarvan,

–  gezien Richtlijn 90/435/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten(4) (de "moeder-dochterrichtlijn"), laatstelijk gewijzigd in 2015,

–  gezien Richtlijn 2014/56/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen(5),

–  gezien Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 VWEU(6),

–  gezien Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen en heffingen op verzekeringspremies(7),

–  gezien Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG(8) van de Commissie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 februari 2007 aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de werkzaamheden van het Gemeenschappelijk EU-forum Verrekenprijzen op het gebied van procedures om geschillen te voorkomen en te beslechten en op het gebied van voorafgaande afspraken over prijzen (advance pricing agreements of APA's) binnen de EU (COM(2007)0071),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 december 1998 over de toepassing van de regels betreffende steunmaatregelen van de staten op maatregelen op het gebied van de directe belastingen op ondernemingen(9) ,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 juni 2015 met als titel "Een eerlijk en doeltreffend vennootschapsbelastingstelsel in de Europese Unie: vijf belangrijke actiegebieden" (COM(2015)0302),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 maart 2015 over fiscale transparantie ter bestrijding van belastingontduiking en -ontwijking (COM(2015)0136),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 december 2012 met als titel "Actieplan ter versterking van de strijd tegen belastingfraude en belastingontduiking" (COM(2012)0722),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 6 december 2012 over agressieve fiscale planning (C(2012)8806),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 6 december 2012 met betrekking tot maatregelen om derde landen aan te moedigen minimumnormen voor goed bestuur in belastingzaken toe te passen (C(2012)8805),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 juni 2012 over concrete manieren om de bestrijding van belastingfraude en belastingontduiking, ook in relatie tot derde landen, te versterken (COM(2012)0351),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 2011 voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) (COM(2011)0121), en het standpunt van het Parlement van 19 april 2012 daarover(10),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 oktober 2011 met als titel "Een vernieuwde EU-strategie 2011-2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen" (COM(2011)0681),

–  gezien de resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van 1 december 1997 over een gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen(11) en gezien de regelmatige verslagen van de groep Gedragscode (belastingregeling voor ondernemingen) aan de Raad,

–  gezien de aanbeveling van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 30 april 2014 over de bescherming van klokkenluiders,

–  gezien het verslag van Simmons & Simmons van 1999 over bestuurlijke praktijken zoals genoemd in paragraaf 26 van het verslag van de Groep gedragscode van 1999, het verslag-Primarolo (SN 4901/99) en de bijgewerkte versie van dit verslag van 2009,

–  gezien de op 8 juli 2015 door het Parlement aangenomen amendementen op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2007/36/EG wat het bevorderen van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders betreft en van Richtlijn 2013/34/EU wat bepaalde onderdelen van de verklaring inzake corporate governance betreft(12),

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2015 over belastingontwijking en belastingontduiking als problemen voor goed bestuur, sociale bescherming en ontwikkeling in ontwikkelingslanden(13),

–  gezien zijn resolutie van 25 maart 2015 over het jaarverslag over belastingen(14),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over het jaarverslag 2013 over de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie – fraudebestrijding(15),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen(16),

–  gezien zijn resolutie van 21 mei 2013 over de strijd tegen belastingfraude, belastingontduiking en belastingparadijzen(17),

–  gezien zijn resolutie van 19 april 2012 inzake de oproep om belastingfraude en belastingontduiking op concrete wijze te bestrijden(18),

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2011 over belastingen en ontwikkeling – samenwerking met ontwikkelingslanden met het oog op goed bestuur in belastingaangelegenheden(19),

–  gezien zijn resolutie van 10 februari 2010 over de bevordering van goed bestuur in belastingzaken(20),

–  gezien de verschillende parlementaire hoorzittingen en verslagen van nationale parlementen, met name het Britse Lagerhuis, de Amerikaanse Senaat en de Franse Assemblée nationale, over dit onderwerp,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Bijzondere Commissie fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (A8-0317/2015),

LuxLeaks: feiten en cijfers

A.  overwegende dat op 5 november 2014 het LuxLeaks-schandaal uitbrak toen het Internationaal Consortium van onderzoeksjournalisten zo'n 28 000 bladzijden vertrouwelijke documenten naar buiten bracht over ruim 500 particuliere belastingverdragen die tussen 2002 en 2010 zijn gesloten tussen de Luxemburgse belastingdienst en meer dan 300 multinationale ondernemingen, en werd onthuld in welke mate gebruik werd gemaakt van geheime afspraken met complexe financiële constructies die zijn ontworpen om enorme belastingverminderingen te verkrijgen; overwegende dat Luxemburgse dochterondernemingen in veel gevallen honderden miljoenen euro's beheren terwijl zij nauwelijks in Luxemburg aanwezig zijn en er nauwelijks economische activiteiten verrichten;

B.  overwegende dat kwesties in verband met de uitholling van de vennootschapsbelastinggrondslag en agressieve belastingplanningpraktijken al minstens tientallen jaren lang op internationaal niveau bekend zijn en worden geanalyseerd; overwegende dat LuxLeaks deze kwesties onder de aandacht van het publiek en de media heeft gebracht door twijfelachtige belastingpraktijken te onthullen die worden gepromoot door accountantskantoren in één bepaalde lidstaat; overwegende dat uit het onderzoek van de Commissie en de werkzaamheden van de bijzondere commissie van het Parlement is gebleken dat dit geen alleenstaand geval is, maar dat het nemen van belastingmaatregelen om de totale belastingverplichtingen van bepaalde grote ondernemingen te verminderen teneinde de nationale belastinggrondslag kunstmatig te vergroten ten koste van andere landen, waarvan sommige onder bezuinigingsmaatregelen gebukt gaan, zowel binnen als buiten Europa een wijdverspreide praktijk is;

C.  overwegende dat dergelijke gedragingen, die er vaak toe leiden dat de winsten niet worden belast waar de waarde wordt gecreëerd, niet beperkt blijven tot fiscale rulings, maar een hele reeks schadelijke belastingpraktijken omvatten die worden toegepast door nationale belastingdiensten binnen en buiten de EU;

D.  overwegende dat deze praktijken aan publiek toezicht onderwerpen, deel uitmaakt van de democratische controle; overwegende dat deze praktijken, gezien hun negatieve gevolgen voor de samenleving in haar geheel, slechts kunnen blijven bestaan als zij geheim blijven of worden getolereerd; overwegende dat onderzoeksjournalisten, de niet-gouvernementele sector en de academische wereld een rol hebben gespeeld bij het aan het licht brengen van gevallen van belastingontwijking en bij het hierover informeren van het publiek; overwegende dat zolang dergelijke praktijken niet kunnen worden voorkomen, de onthulling ervan niet mag afhangen van de moed en het ethische besef van individuele klokkenluiders, maar deel moet uitmaken van meer systematische mechanismen voor verslaglegging en informatie-uitwisseling;

De aanpak van vennootschapsbelasting in de lidstaten

E.  overwegende dat de inkomsten uit vennootschapsbelasting in de 28 lidstaten van de Unie in 2012 gemiddeld 2,6 % van het bbp bedroegen(21);

F.  overwegende dat directe belastingen krachtens het Verdrag voornamelijk een bevoegdheid van de lidstaten zijn; overwegende dat voor zover de EU bevoegdheid heeft op het gebied van belastingen, de uitoefening van die bevoegdheid meestal eenparigheid van stemmen in de Raad vereist; overwegende dat daardoor op EU-niveau nog geen besluiten van betekenis over vennootschapsbelasting zijn genomen, ondanks de recente ontwikkelingen in de EU-integratie in verband met de interne markt en andere gebieden die onder de EU-Verdragen vallen, zoals internationale handelsverdragen, de gemeenschappelijke munt, economische en budgettaire governance, alsmede antiwitwasbeginselen en ‑wetgeving; overwegende dat de lidstaten het Europese mededingingsrecht in acht moeten nemen en ervoor moeten zorgen dat hun belastingwetgeving met de beginselen van de interne markt strookt en geen concurrentieverstoring veroorzaakt; overwegende dat de eenparigheidsregel in de Raad, door elke lidstaat een vetorecht te geven, de stimulans vermindert om van de status quo op te schuiven naar een meer samenwerkingsgezinde oplossing; merkt echter op dat er, tenzij de procedure van artikel 116 VWEU wordt gebruikt, een Verdragswijziging nodig zou zijn om de eenparigheidsvereiste op het gebied van directe belastingen te wijzigen;

G.  overwegende dat de huidige situatie, waarin elke lidstaat een vetorecht heeft, impliceert dat alle lidstaten gedecideerd en coöperatief moeten handelen bij de aanpak van het pan-Europese probleem van belastingontwijking en ‑ontduiking;

H.  overwegende dat nationale politieke vertegenwoordigers, op een paar prijzenswaardige uitzonderingen na, tot op heden niet voldoende voortvarend zijn geweest in de aanpak van het probleem van belastingontduiking, met inbegrip van fiscale rulings;

I.  overwegende dat kapitaal op de Europese interne markt vrij stroomt en dat grote ondernemingen op geconsolideerde basis verslag uitbrengen van hun activiteiten, maar dat belastingen nationaal wordt geïnd door belastingautoriteiten die onderling zeer weinig informatie uitwisselen;

J.  overwegende dat beslissingen over investeringen en de vestigingsplaats van ondernemingen binnen een voltooide interne markt niet aan kunstmatige verstorende invloeden onderhevig mogen zijn; overwegende dat de mondialisering, de digitalisering en het vrije verkeer van kapitaal echter de voorwaarden creëren voor sterkere belastingconcurrentie tussen de lidstaten, alsook met derde landen, met als doel investeringen en ondernemingen aan te trekken; overwegende dat het van belang is ondernemingen in Europa te houden en aan te trekken, maar dat dit niet de vorm mag aannemen van potentieel schadelijke belastingregelingen die er in de eerste plaats op gericht zijn investeringen te bevorderen en extra economische activiteiten aan te trekken in reactie op soortgelijke maatregelen in buurlanden of die bedoeld zijn ter correctie van wat wordt gezien als reeds bestaande onevenwichtigheden tussen de lidstaten wat relatieve rijkdom, grootte of perifere ligging betreft; overwegende dat er trouwens in bepaalde rechtsgebieden een correlatie lijkt te zijn tussen aantrekkelijke vennootschapsbelastingstelsels en een grote nationale rijkdom; overwegende dat het optimale ontwerp van belastingstelsels van tal van factoren afhangt en bijgevolg verschilt van land tot land; overwegende dat schadelijke belastingconcurrentie tussen de lidstaten het potentieel van de interne markt beperkt;

K.  overwegende dat landen, in plaats van zich louter te concentreren op het bevorderen van een aantrekkelijk ondernemingsklimaat – met bv. goede infrastructuur en hooggekwalificeerde arbeidskrachten, onder meer door productiviteitsverhogende uitgaven – en op het garanderen van de stabiliteit en voorspelbaarheid van het belastingstelsel, als spelers in het belastingconcurrentiespel hun nationale wetgeving in combinatie met hun netwerk van belastingverdragen gebruiken om zichzelf te promoten als landen om in te investeren of als knooppunten waardoor financiële stromen kunnen worden geleid of waar winsten kunnen worden geboekt, en zo ondernemingen of brievenbusmaatschappijen aantrekken ten nadele van partnerlanden en oneerlijke praktijken tussen landen creëren; overwegende dat elk land er, afzonderlijk gezien, duidelijk belang bij heeft zich als een "freerider" te gedragen, d.w.z. de eerste te zijn om specifieke belastingregelingen en ‑voorschriften te ontwerpen en toe te passen teneinde belastinggrondslag aan te trekken, en de laatste te zijn om deel te nemen aan samenwerking en gecoördineerde maatregelen om belastingontwijking tegen te gaan;

L.  overwegende dat belastingconcurrentie tussen de lidstaten bestaat; overwegende dat het beginsel van loyale samenwerking tussen de EU-lidstaten is vastgelegd in artikel 4 VEU; overwegende dat de lidstaten het beginsel van loyale samenwerking volledig dienen toe te passen ten aanzien van belastingconcurrentiekwesties;

M.  overwegende dat sommige lidstaten zich ambivalent opstellen ten aanzien van belastingontwijking, en enerzijds klagen over de uitholling van hun nationale belastinggrondslag, terwijl ze tegelijk verantwoordelijk zijn voor het ontwerp van de huidige nationale en internationale belastingstelsels die deze uitholling mogelijk hebben gemaakt, en een ontwikkeling van hun belastingstelsels in de richting van een meer gecoördineerde oplossing blijven tegenhouden; overwegende dat in een context van volledige mobiliteit van kapitaal binnen de EU en de doelstelling van de Commissie om een kapitaalmarktenunie tot stand te brengen, ten volle rekening moet worden gehouden met de onderlinge afhankelijkheid en de wederzijdse effecten van de nationale belastingstelsels, en in gedachten moet worden gehouden dat belastingbesluiten van afzonderlijke lidstaten grote positieve en negatieve grensoverschrijdende overloopeffecten hebben, aangezien de fiscale stimulans in het ene land de grondslaguitholling in het andere land is;

N.  overwegende dat we momenteel getuige zijn van een paradoxale situatie waarin vrije concurrentie tussen de lidstaten op belastinggebied heeft geresulteerd in concurrentieverstorende gedragingen en concurrentievervalsing;

O.  overwegende dat de totstandbrenging van de Europese interne markt bijzonder gunstig is gebleken voor de nationale economieën, aangezien de interne markt hen concurrerender en aantrekkelijker maakt in een gemondialiseerde economie, en overwegende dat fiscale convergentie tussen de lidstaten op termijn hetzelfde effect zal hebben;

P.  overwegende dat de wetgever en de vaak over onvoldoende middelen beschikkende belastingdiensten niet kunnen anticiperen, maar slechts – soms met veel vertraging – kunnen reageren op de innovatieve belastingontwijkingsregelingen die door sommige belastingadviseurs, met name van zeer grote accountantskantoren, door juristen en door tussenpersonen worden ontworpen en gepromoot; overwegende dat uit de ervaring met name blijkt dat EU-organen die de invoering van nieuwe schadelijke belastingmaatregelen moeten voorkomen (zoals de Groep gedragscode, die in 1998 door de lidstaten is opgericht, of de Commissie, als hoedster van de Verdragen), niet in staat zijn gebleken de ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan en soms op ondoeltreffende wijze en op basis van een te beperkt mandaat hebben gereageerd, en dat er in de EU tal van nieuwe en vaak agressieve belastingontwijkingsmaatregelen of ‑overeenkomsten, zoals octrooiboxen, zijn ingevoerd; overwegende dat multinationals, in de EU en wereldwijd, voor de ontwikkeling van hun belastingontwijkingsmaatregelen een beroep doen op de deskundigheid van een goed georganiseerde en gekwalificeerde sector van belastingadviseurs, evenals banken en andere financiële dienstverleners; overwegende dat deze sector tegelijk vertegenwoordigd is in organen die regeringen en overheidsinstellingen over belastingzaken adviseren, bv. het EU-platform voor goed fiscaal bestuur; overwegende dat er bezorgdheid heerst over de belangenconflicten die zouden kunnen ontstaan doordat dezelfde adviesbureaus diensten verrichten voor zowel overheidsinstellingen als particuliere multinationals;

Q.  overwegende dat alle belastingplanning moet plaatsvinden binnen de grenzen van de wet en de toepasselijke verdragen; overwegende dat wat de gewenste uitkomst betreft, het meest passende antwoord op agressieve belastingplanning daarom goede wetgeving en internationale coördinatie is;

R.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van de wetgeving bepalend is voor de verwezenlijking van de beoogde doelstellingen; overwegende dat deze tenuitvoerlegging de taak is van nationale instanties, die vaak weinig reden zien om op Europees niveau met elkaar samen te werken; overwegende dat deze situatie de discrepanties die uit de verschillen in wetgeving in de EU voortvloeien, in de hand werkt en nog erger maakt;

S.  overwegende dat de trojka van instellingen (Europese Commissie, Europese Centrale Bank en Internationaal Monetair Fonds) bij zijn toezicht op de financiële en fiscale aanpassingsprogramma's in lidstaten zoals Portugal en Griekenland niet heeft getracht regelingen voor fiscale amnestie, fiscale rulings, belastingvoordelen en belastingvrijstellingen te voorkomen die onrechtmatig discriminerend waren en belastingontduikende ondernemingen en personen bevoordeelden, hetgeen een ernstige wissel op de staatsinkomsten trok en de last overgehevelde naar de reeds overbelaste kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) en burgers;

T.  overwegende dat onderzoek naar en vervolging van belastingmisdrijven en witwaspraktijken, waarbij vaak financiële verrichtingen en rechtspersonen in meerdere jurisdicties betrokken zijn, uitermate lastig zijn; overwegende dat het personeel van de lidstaten dat belast is met het onderzoek en de gerechtelijke vervolging van daders van belastingmisdrijven en andere financiële misdrijven vaak onvoldoende opgeleid en slecht uitgerust is;

U.  overwegende dat het beleid van bezuinigingen en budgettaire beperkingen van de afgelopen jaren de mogelijkheden van belastingautoriteiten om belastingmisdrijven en schadelijke belastingpraktijken te onderzoeken, ernstig beperkt heeft; overwegende dat deze bezuinigingen met name schadelijk waren in landen die onder financiëlebijstandsprogramma onder leiding van de trojka vielen, waar de overheidsinkomsten werden verhoogd ten koste van de overbelaste kmo's en burgers, terwijl grote ondernemingen en vermogende belastingontduikers vaak konden profiteren van fiscale amnestie, fiscale rulings en andere belastingvrijstellingen en ‑regelingen, zoals het geval was in Portugal en Griekenland;

Fiscale rulings en schadelijke belastingpraktijken

V.  overwegende dat fiscale rulings een uiteenlopende reeks praktijken in de lidstaten, variërend van ad-hocbeleid tot een duidelijk omlijnde toepassing van de wet, omvatten wat betreft mogelijke werkingssfeer en voorwerp, bindende aard, gebruiksfrequentie, openbaarheid, duur en betaling van vergoedingen; overwegende dat er geen op internationaal niveau gezamenlijk overeengekomen definitie van fiscale rulings bestaat, behalve dat de Commissie ernaar verwijst als "mededelingen of andere instrumenten of maatregelen met soortgelijk effect, van of namens een lidstaat, betreffende de interpretatie of toepassing van de belastingwetgeving";

W.  overwegende dat fiscale rulings niet intrinsiek problematisch zijn, aangezien ze, zoals oorspronkelijk de bedoeling is, de belastingbetaler juridische zekerheid bieden en de financiële risico's voor eerlijke firma's verminderen in gevallen waarin de belastingwetgeving of de specifieke toepassing daarvan in bepaalde omstandigheden onduidelijk is of op verschillende wijzen kan worden geïnterpreteerd, met name met betrekking tot complexe transacties, zodat toekomstige geschillen tussen de belastingbetaler en de belastingautoriteit worden voorkomen;

X.  overwegende dat de praktijk van rulings zich, in het kader van nauwere en meer op samenwerking gerichte betrekkingen tussen belastingdiensten en belastingbetalers, heeft ontwikkeld tot een instrument om de toenemende complexiteit van de fiscale behandeling van bepaalde transacties in een steeds complexere, mondiale en gedigitaliseerde economie te verhelpen; overwegende dat – hoewel lidstaten beweren dat rulings niet discretionair zijn, maar louter een instrument om de bestaande belastingwetgeving te verduidelijken, terwijl ze wel geheim worden gehouden – uit de werkzaamheden van zijn bijzondere commissie is gebleken dat fiscale rulings zonder enig wettelijk kader kunnen worden afgegeven door middel van informele of discretionaire regelingen, die fiscaal gemotiveerde structuren schragen die steunen op belastingplanninginstrumenten die gewoonlijk door multinationals worden gebruikt om hun belastingbijdrage te verminderen; overwegende dat dit met name – zij het niet exclusief – een probleem lijkt bij rulings die betrekking hebben op de prijsstelling van bedrijfsinterne overdrachten (zogeheten voorafgaande verrekenprijsafspraken); overwegende dat als er slechts aan een selecte groep van actoren wettelijke zekerheid wordt geboden, er ongelijkheid kan ontstaan tussen ondernemingen die rulings verkrijgen en ondernemingen in diezelfde sector die daar geen toegang toe krijgen;

Y.  overwegende dat de OESO noch de Europese Commissie ervoor heeft gepleit een eind te maken aan de praktijk van fiscale rulings als zodanig;

Z.  overwegende dat fiscale rulings de fiscale behandeling van een transactie op generlei wijze horen te beïnvloeden, noch de ene belastingbetaler boven de andere horen te bevoordelen, maar bij overigens gelijke omstandigheden hetzelfde effect dienen te hebben als de toepassing achteraf van de onderliggende belastingbepalingen; overwegende dat in dit verslag daarom niet alleen naar fiscale rulings wordt gekeken, maar, in overeenstemming met het mandaat dat de bijzondere commissie (TAXE) heeft gekregen, ook naar alle andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect, onder de algemene term "schadelijke belastingpraktijken", d.w.z. maatregelen die tot doel hebben niet-ingezeten bedrijven of transacties aan te trekken ten nadele van andere fiscale rechtsgebieden waar deze transacties normaliter zouden moeten worden belast en/of maatregelen die tot doel hebben slechts aan bepaalde ondernemingen privileges te verlenen, hetgeen de concurrentie verstoort;

AA.  overwegende dat schadelijke belastingpraktijken in zekere mate gepaard kunnen gaan met een of meer van de volgende ongewenste effecten: gebrek aan transparantie, willekeurige discriminatie, concurrentieverstoring en een ongelijk speelveld binnen en buiten de interne markt, aantasting van de integriteit van de interne markt en de billijkheid, stabiliteit en legitimiteit van het belastingstelsel, zwaardere belasting van minder mobiele economische factoren, grotere economische ongelijkheid, oneerlijke concurrentie tussen staten, uitholling van de belastinggrondslag, maatschappelijke ontevredenheid, wantrouwen en een democratisch deficit;

AB.  overwegende dat moet worden erkend dat, hoewel kmo's de drijvende kracht achter de economie en de werkgelegenheid in Europa blijven, ook multinationals een belangrijke rol spelen bij het genereren van investeringen, economische groei en banen; overwegende dat het betalen van een billijke belastingbijdrage in de landen waar de reële economische activiteiten worden ontplooid en de economische waarde wordt gecreëerd, een essentiële bijdrage van deze ondernemingen aan de welvaart en de duurzaamheid van de Europese samenlevingen blijft;

De werkzaamheden van de bijzondere commissie

AC.  overwegende dat zijn bevoegde bijzondere commissie, die op 26 februari 2015 is ingesteld, 14 vergaderingen heeft gehouden, tijdens welke zij Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker, de commissaris voor Mededinging, Margrethe Vestager, de commissaris voor Economische en Financiële Zaken, Belastingen en Douane, Pierre Moscovici, fungerend voorzitter van de Raad, Pierre Gramegna, de ministers van Financiën van Frankrijk, Michel Sapin, Duitsland, Wolfgang Schäuble, Italië, Pier Carlo Padoan, en Spanje, Luis de Guindos, vertegenwoordigers van de OESO, alsook klokkenluiders, onderzoeksjournalisten, deskundigen, academici, vertegenwoordigers van multinationale ondernemingen, beroepsverenigingen, vakbonden, niet-gouvernementele organisaties en leden van nationale parlementen van EU-landen heeft gehoord (zie bijlage 1); overwegende dat delegaties van de Commissie TAXE Zwitserland hebben bezocht om specifieke aspecten van de derdelanddimensie van haar mandaat te onderzoeken, en de volgende lidstaten hebben bezocht om informatie te verzamelen: België, Luxemburg, Ierland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk; overwegende dat er ook bijeenkomsten met vertegenwoordigers van de regeringen van Gibraltar en Bermuda zijn georganiseerd; overwegende dat al deze activiteiten, hoewel zij tal van inzichten van onschatbare waarde geven in de belastingstelsels en -praktijken in de hele EU, niet alle relevante vraagstukken hebben opgehelderd, zoals de resterende inconsistenties in de verklaringen van Jean-Claude Juncker, voorzitter van de Commissie, met betrekking tot de pagina van het verslag-Krecké die al lang geheim wordt gehouden;

AD.  overwegende dat sommige van de werkzaamheden van de commissie werden gehinderd doordat een aantal van de lidstaten en de Raad niet tijdig hebben geantwoord (zie bijlage 2) en uiteindelijk niet alle gevraagde documenten hebben toegezonden of slechts een beleefd antwoord hebben gestuurd waarin de inhoud van het verzoek amper werd aangeroerd; overwegende dat slechts vier van de 17 uitgenodigde multinationals er na de eerste uitnodiging mee hebben ingestemd in juni en juli 2015 voor de commissie te verschijnen; overwegende dat nog eens 11 multinationals er pas mee hebben ingestemd voor de commissie te verschijnen nadat de TAXE-commissie het verslag had aangenomen en na herhaalde uitnodigingen, zodat kort voor de stemming in de plenaire vergadering een nieuwe, buitengewone vergadering moest worden belegd (zie bijlage 3); overwegende dat de Europese Commissie evenmin volledig heeft meegewerkt, niet alle zittingsdocumenten en informele vergaderstukken van de vergaderingen van de Groep gedragscode heeft overgelegd en, wegens de onbuigzaamheid van de lidstaten, slechts in een beperkte raadplegingsprocedure heeft voorzien; overwegende dat het mandaat van de bijzondere commissie daarom moest worden verlengd;

AE.  overwegende dat een aantal onderzoeken van de Europese Commissie naar staatssteun – betreffende door fiscale rulings en overige maatregelen die vergelijkbaar zijn qua aard of werking, goedgekeurde verrekenprijsregelingen die van invloed zijn op de belastbare winst die aan bepaalde dochterondernemingen van multinationals is toebedeeld – nog liepen toen dit verslag werd aangenomen;

Overzicht van de praktijk inzake vennootschapsbelasting in de lidstaten

1.  herinnert eraan dat de vennootschapsbelastingmodellen die in de geïndustrialiseerde landen bestaan, zijn ontworpen in de eerste helft van de twintigste eeuw, toen er nog maar weinig grensoverschrijdende activiteiten waren; stelt vast dat de mondialisering en de digitalisering van de economie de mondiale waardeketen en de manier waarop de markten werken, radicaal hebben veranderd en dat de meeste grote bedrijven nu een transnationale structuur hebben, zodat er verder moet worden gekeken dan de nationale belastingregels; benadrukt dat de nationale en internationale regelgeving op belastinggebied geen gelijke tred heeft gehouden met de ontwikkelingen in het bedrijfsleven;

2.  benadrukt dat er een evenwichtig en rechtvaardig belastingbeleid moet worden geformuleerd als integraal onderdeel van de structurele hervormingen in de lidstaten;

3.  merkt op dat het voor bedrijven die over de grenzen heen actief zijn, steeds ingewikkelder is geworden om verschillende belastingstelsels in acht te nemen, maar dat de mondialisering en de digitalisering het voor hen wel gemakkelijker heeft gemaakt om hun activiteiten via offshore financiële centra te organiseren teneinde hun totale belastingbijdrage te verlagen; is bezorgd over het feit dat de meeste lidstaten het personeel van hun belastingdiensten sterk hebben ingekrompen wegens de economische en schuldencrisis en begrotingsinspanningen; benadrukt dat de nationale belastingdiensten over voldoende middelen, waaronder personele middelen, moeten beschikken om effectief werk te maken van het voorkomen, opsporen en bestrijden van agressieve belastingplanning, belastingontduiking en belastingontwijking, die hun belastinggrondslag aanzienlijk uithollen, en om een betere en billijkere belastinginning en de geloofwaardigheid van het belastingstelsel te garanderen; merkt op dat uit onderzoek blijkt dat bekwame belastingambtenaren de staat aanzienlijk meer opleveren dan verwante uitgaven, aangezien de doeltreffendheid van de belastingdiensten een rechtstreeks positief effect heeft op de belastingontvangsten;

4.  wijst op het onderscheid tussen enerzijds schadelijke praktijken van bepaalde belastingautoriteiten en nationale autoriteiten, waardoor multinationals hun winsten kunnen verschuiven om niet belast te worden op het grondgebied waar de winst wordt gemaakt, en anderzijds de concurrentie tussen regeringen die directe buitenlandse investeringen willen aantrekken of economische activiteiten in hun land willen houden, met volledige inachtneming van de EU-wetgeving;

5.  benadrukt dat het Verdrag de lidstaten overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel vrij laat om hun eigen vennootschapsbelastingtarieven en belastingrondslag vast te stellen totdat er overeenkomstig het Verdrag sterkere maatregelen inzake fiscale convergentie worden overeengekomen; benadrukt echter ook dat door de al te complexe regels van de nationale belastingstelsels en door de verschillen tussen deze stelsels achterpoortjes ontstaan die door multinationals worden gebruikt voor agressieve belastingplanning, hetgeen leidt tot grondslaguitholling, winstverschuiving, een "race to the bottom" en uiteindelijk een suboptimaal economisch resultaat; onderstreept dat dit soort belastingontwijking voor alle nationale begrotingen samen een spel met alleen negatieve uitkomsten is, aangezien de stijging van de belastinginkomsten uit schadelijke praktijken in de ene lidstaat (dankzij afwijkingen, specifieke aftrekken of achterpoortjes) de daling van de belastinginkomsten in andere lidstaten niet compenseert; wijst erop dat alleen een meer gecoördineerde, gezamenlijke aanpak van de lidstaten, die zou moeten resulteren in een gemeenschappelijk kader waarbinnen de lidstaten hun belastingtarieven kunnen vaststellen, een verdere grondslaguitholling, schadelijke belastingconcurrentie en een "race to the bottom" op belastinggebied kan voorkomen;

6.  herinnert eraan dat sommige lidstaten formeel hogere bedrijfsbelastingen hebben dan andere, maar in werkelijkheid, dankzij aftrekken en achterpoortjes die binnenlandse bedrijven bevoordelen, aanzienlijk lagere tarieven hebben, waardoor hun effectieve belastingtarief lager is dan in lidstaten met een formeel hoger tarief;

7.  wijst erop dat in sommige lidstaten een lagere vennootschapsbelasting relatief hogere belastinginkomsten kan opleveren dan hogere belastingtarieven;

8.  merkt op dat de wettelijke tarieven van de vennootschapsbelasting in de EU volgens de Commissie(22) tussen 1995 en 2014 met 12 procentpunten zijn gedaald, van 35 % tot 23 %; benadrukt dat deze verlaging van de belastingtarieven gepaard gaat met een verruiming van de belastinggrondslag, met als doel het inkomstenverlies te beperken, en dat de relatief stabiele inkomsten uit de vennootschapsbelasting gedurende dezelfde periode ook kunnen worden verklaard door een aanzienlijke "vervennootschappingstrend", d.w.z. een verschuiving van bepaalde rechtsvormen voor bedrijven, zoals de eenmanszaak, naar de status van vennootschap, die leidt tot een gelijkaardige verschuiving van de heffingsgrondslag van de personenbelasting naar de vennootschapsbelasting;

9.  merkt op dat de meeste lidstaten veel geld uitgeven aan fiscale stimulansen die bedoeld zijn om kmo's een concurrentievoordeel te bieden, maar dat deze pogingen volgens de Commissie(23) in drie van de vier lidstaten die in een recente studie zijn onderzocht, worden ondergraven door het effect van internationale belastingplanning; merkt op dat kmo's door dit effect een concurrentienadeel hebben, ondanks de hoge kosten van de belastingmaatregelen om kmo's te steunen, en dat dit resultaat de intentie van de nationale beleidsmakers ondergraaft;

10.  wijst op de toenemende kloof tussen de wettelijke en de effectieve belastingtarieven, met name voor ondernemingen die wereldwijd actief zijn, hetgeen ten minste voor een deel het gevolg is van diverse afwijkingen en vrijstellingen van het algemene belastingstelsel, die hetzij door de wetgever bedoeld zijn om bepaalde doelstellingen te verwezenlijken, hetzij resulteren uit agressieve belastingplanning, d.w.z. dat er louter kunstmatige regelingen worden getroffen die enkel voor belastingdoeleinden dienen;

11.  benadrukt dat de slechte afstemming tussen de belastingstelsels op mondiaal niveau aanzienlijke grondslaguitholling en belastingontduiking in de hand werkt, maar dat deze problemen niet kunnen worden verholpen als er alleen op EU-niveau wordt opgetreden;

12.  stelt vast dat de 28 belastingstelsels in de EU een grote verscheidenheid vertonen, zowel wat de definitie van de belastinggrondslag als wat de hoogte van het belastingtarief betreft, en dat die verscheidenheid nog groter is als de aan EU-lidstaten verbonden bijzondere rechtsgebieden met autonome belastingstelsels (overzeese gebieden en direct van de Britse Kroon afhankelijke gebieden) in aanmerking worden genomen; betreurt het dat er voor basisbegrippen en ‑elementen, zoals het evenwicht tussen bron- en ingezetenenbelasting, vaste vestiging en belastbare entiteiten, economische substantie en antimisbruikregels, de definitie van rente en royalty's, de behandeling van immateriële activa en de behandeling van schulden en activa, om nog maar te zwijgen van wat er al dan niet van de belastinggrondslag kan worden afgetrokken, in de EU momenteel geen gemeenschappelijke definitie of richtsnoeren zijn, waardoor de lidstaten met ongecoördineerde belastingstelsels zitten; benadrukt dat deze definities moeten worden geharmoniseerd;

13.  benadrukt dat nationale voorkeursregelingen en incongruenties tussen de verschillende belastingstelsels binnen de interne markt mogelijkheden scheppen om belastingen te ontwijken; merkt op dat deze ongewenste effecten nog worden verergerd door de wisselwerking met een groot aantal bilaterale belastingverdragen tussen lidstaten en derde landen, die bovendien onvoldoende antimisbruikbepalingen bevatten;

14.  merkt op dat dit ongecoördineerde belastingkader binnen de EU ook onder een flagrant gebrek aan samenwerking tussen de lidstaten te lijden heeft; benadrukt in dit verband dat de lidstaten niet noodzakelijk rekening houden met de gevolgen van hun belastingmaatregelen voor andere lidstaten, niet alleen wanneer zij hun belastingmaatregelen ontwerpen, maar ook wanneer zij informatie over de toepassing van die maatregelen uitwisselen, wat de facto leidt tot een de-ene-zijn-dood-is-de-andere-zijn-broodpolitiek op belastinggebied, hetgeen in strijd is met de grondslagen van het Europese project; wijst erop dat een automatische, stelselmatige en doeltreffende uitwisseling van informatie tussen de lidstaten het mogelijk zou maken rekening te houden met de fiscale behandeling van bepaalde inkomstenstromen of transacties in andere lidstaten; benadrukt dat dit ook bijdraagt tot het creëren van een onaanvaardbare situatie waarin de winsten die multinationals in een lidstaat maken, vaak tegen zeer lage tarieven of helemaal niet worden belast in de EU;

15.  is van mening dat het belastingbeleid en het concurrentiebeleid moeten worden beschouwd als twee zijden van dezelfde medaille op de interne markt, en dringt bij de Commissie aan op een herbeoordeling en versterking van de mechanismen en de middelen op het gebied van concurrentiebeleid en staatsteun;

16.  benadrukt dat de convergentie tussen de nationale belastingstelsels in de EU zeer beperkt is gebleven, hoewel er de afgelopen dertig jaar een ongekende verdieping van het EU-integratieproces heeft plaatsgevonden, met name in verband met de interne markt en de economische en monetaire unie; betreurt het dat de coördinatie van de nationale belastingstelsels ver achterblijft ten opzichte van de coördinatie-inspanningen op andere gebieden op EU-niveau, met name in het kader van het Europees semester, hoewel – het belang van maatregelen aan de uitgavenzijde buiten beschouwing gelaten – een aanzienlijk deel van de beleidsmix om begrotingsconsolidatie te bewerkstelligen, de inkomenszijde betreft; is van mening dat dit aspect had moeten worden vermeld in het verslag van de vijf voorzitters over "De voltooiing van Europa's Economische en Monetaire Unie" van juni 2015;

17.  onderstreept dat het gebrek aan politieke wil om de nationale fiscale beleidsmaatregelen te laten convergeren de lidstaten ertoe beweegt voor een bilaterale aanpak te kiezen, terwijl een gemeenschappelijke aanpak doeltreffender zou zijn; herinnert aan de mogelijkheid om aan fiscale convergentie te werken door gebruik te maken van nauwere samenwerking; is in dit verband verheugd over het voornemen van een aantal lidstaten om een belasting op financiële transacties in te voeren;

Agressieve belastingplanningsinstrumenten en de impact daarvan

18.  benadrukt dat belastingontwijking door sommige multinationals kan leiden tot een effectief belastingtarief van bijna nul procent op de winst die zij in Europese rechtsgebieden maken, en wijst erop dat deze multinationals daar waar zij actief zijn, wel profiteren van diverse openbare goederen en diensten, maar geen billijke bijdrage betalen, en zo bijdragen tot de uitholling van de nationale belastinggrondslag en grotere ongelijkheid; benadrukt dat alleen bedrijven met grensoverschrijdende activiteiten de mogelijkheid hebben om winsten te verschuiven, wat concurrenten die slechts in één land actief zijn, benadeelt;

19.  stelt met grote bezorgdheid vast dat de ontduiking van vennootschapsbelasting een rechtstreekse impact heeft op de nationale begrotingen en op de verdeling van de belastinginspanning tussen categorieën belastingbetalers en tussen economische factoren (ten voordele van meer mobiele factoren zoals kapitaal in de vorm van directe buitenlandse investeringen); betreurt het dat dit, naast concurrentieverstoring en een ongelijk speelveld, een zeer zorgwekkende situatie met zich brengt waarin, in een context van zware begrotingsinspanningen en structurele hervormingen, sommige van de belastingbetalers die het meest kunnen betalen, aanzienlijk minder bijdragen dan degenen die het zwaarst onder de economische, financiële en schuldencrisis te lijden hebben, zoals gewone burgers en bedrijven die geen gebruik maken van agressieve belastingplanning, die vaak kmo's zijn en door dit comparatieve fiscale nadeel vaak niet met multinationals kunnen concurreren; benadrukt dat deze situatie democratisch wantrouwen in de hand dreigt te werken en gevolgen dreigt te hebben voor de algemene belastingnaleving, met name in landen die aanpassingsprogramma's opgelegd hebben gekregen; betreurt het dat klokkenluiders die de nationale autoriteiten, in het algemeen belang, cruciale informatie over wangedrag, overtredingen, fraude of onwettige activiteiten of praktijken verschaffen, rechtsvervolging alsook persoonlijke en economische gevolgen riskeren; merkt met grote bezorgdheid op dat zelfs journalisten die onwettige of onrechtmatige praktijken aan het licht brengen, soms soortgelijke gevolgen riskeren;

20.  merkt op dat in een onderzoek van het IMF(24), dat 51 landen omvat, wordt geconcludeerd dat winstverschuiving tussen fiscale rechtsgebieden leidt tot een gemiddeld verlies van 5 % van de huidige inkomsten uit de vennootschapsbelasting, maar bijna 13 % in niet-OESO-landen; merkt ook op dat volgens de Commissie uit econometrisch bewijsmateriaal blijkt dat directe buitenlandse investeringen in de loop der tijd gevoeliger zijn geworden voor de vennootschapsbelasting; onderstreept dat er volgens een studie in de EU elk jaar naar schatting 1 biljoen EUR aan potentiële belastinginkomsten verloren gaat door het gecombineerde effect van belastingfraude, belastingontduiking – met inbegrip van de schaduweconomie – en belastingontwijking(25), en dat het jaarlijkse verlies voor de nationale begrotingen als gevolg van belastingontwijking op ca. 50 à 70 miljard EUR wordt geraamd, maar dat deze inkomstenderving in de hele EU in werkelijkheid zou kunnen oplopen tot 160 à 190 miljard EUR als rekening wordt gehouden met speciale belastingregelingen, inefficiëntie bij de belastinginning en andere soortgelijke activiteiten(26); overwegende dat de VN-commissie voor handel en ontwikkeling heeft berekend dat de ontwikkelingslanden ongeveer 100 miljard USD per jaar aan inkomsten mislopen als gevolg van belastingontwijking door multinationals; benadrukt dat deze cijfers met de enige voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd en dat de reële verliezen voor de nationale begrotingen wellicht onderschat worden, gezien de geringe transparantie en de ingewikkelde boekhoud- en conceptuele kaders in de wereld, die een negatieve invloed hebben op de beschikbaarheid van vergelijkbare en zinvolle gegevens en de betrouwbaarheid van ramingen;

21.  merkt op dat belastingplanningstrategieën gebaseerd kunnen zijn op de structuur van bedrijven, financieringsregelingen voor hun dochterondernemingen of verrekenprijzen die geen verband houden met reële economische activiteiten, waardoor winsten kunstmatig tussen rechtsgebieden kunnen worden verschoven teneinde de totale belastingbijdrage van bedrijven te verlagen; merkt met grote bezorgdheid op dat in de EU steeds meer gebruik wordt gemaakt van brievenbusfirma's, die echter alleen in naam "firma's" zijn en uitsluitend worden gebruikt om belastingen te ontduiken; wijst op het specifieke voorbeeld van McDonalds, waarvan de belastingpraktijken volgens een verslag van een coalitie van vakbonden de Europese landen tussen 2009 en 2013 meer dan 1 miljard EUR aan gederfde belastinginkomsten hebben gekost(27);

22.  is van mening dat nationale voorkeursregelingen en de gebrekkige coördinatie of convergentie tussen de belastingstelsels van de lidstaten, ondanks de effectieve economische verwevenheid en wisselwerking binnen de interne markt, leiden tot een aantal incongruenties die agressieve belastingplanning, dubbele aftrekken en dubbele niet-belasting mogelijk maken, bv. door een van de volgende praktijken of een combinatie daarvan: misbruik van verrekenprijzen, aftrekken laten plaatsvinden in rechtsgebieden met hoge belastingen, geleende bedragen doorsluizen via stromanbedrijven, risico's overdragen, hybride financiële producten, profiteren van incongruenties, belastingarbitrage, royalty-overeenkomsten, verdragshoppen ("treaty shopping") en de verkoop van activa laten plaatsvinden in rechtsgebieden met lage belastingen;

23.  benadrukt dat zijn bijzondere commissie tijdens haar onderzoeksmissies in vijf lidstaten en Zwitserland heeft vastgesteld dat een aantal nationale belastingmaatregelen, die vaak door multinationals met elkaar worden gecombineerd, potentieel schadelijke belastingpraktijken kunnen zijn, in het bijzonder de volgende reeks maatregelen, die slechts als een niet-uitputtende lijst dient te worden beschouwd:

   misbruik van fiscale rulings en schikkingsovereenkomsten om verder te gaan dan een loutere verduidelijking van de bestaande wetgeving en een fiscale voorkeursbehandeling te krijgen,
   uiteenlopende definities van permanente vestiging en fiscale woonplaats,
   weinig of geen rekening houden met economische substantie, wat het mogelijk maakt special purpose vehicles (bv. brievenbusfirma's, lege vennootschappen enz.) op te richten die lagere belastingen betalen,
   notionele-interestaftrek (op grond waarvan bedrijven een fictieve rente, die wordt berekend op basis van hun eigen vermogen, kunnen aftrekken van hun belastbaar inkomen),
   overwinstrulings (waardoor een bedrijf een schriftelijke bevestiging van de belastingdienst kan krijgen dat zijn belastbaar inkomen niet de winsten omvat die het niet zou hebben gerealiseerd als het een op zichzelf staand bedrijf was),
   onduidelijke of ongecoördineerde bepalingen inzake verrekenprijzen,
   een aantal preferentiële regelingen, met name in verband met immateriële activa (octrooi-, kennis- of intellectuele-eigendomsboxen),
   vrijstelling van bronbelasting op rente, dividenden en royalty's door bilaterale belastingverdragen en/of overeenkomstig de nationale wetgeving,
   verschillen in juridische kwalificaties tussen de lidstaten (hybride entiteiten of hybride leningen), waarbij rentelasten veranderen in vrijgestelde dividenden,
   in het geval van Zwitserland, bijzondere belastingregelingen op kantonnaal niveau voor bedrijven die onder buitenlandse controle staan, waarvan geen gebruik kan worden gemaakt door bedrijven die onder nationale controle staan (zogenoemde "ring-fencing regimes"),
   een gebrek aan effectieve algemene of specifieke antimisbruikvoorschriften of een lakse handhaving of interpretatie van die voorschriften,
   en structuren waarachter de uiteindelijke begunstigde schuilgaat en waarop informatie-uitwisseling niet van toepassing is, zoals trusts en zogenoemde "freeports";

24.  neemt ter kennis dat volgens de Commissie(28) 72 % van de winstverschuiving in de EU plaatsvindt via verrekenprijzen en lokalisatie van intellectuele eigendom;

25.  benadrukt dat een aantal lidstaten de afgelopen jaren specifieke regelingen voor de verlaging van de vennootschapsbelasting hebben ontwikkeld om mobiele immateriële activa van bedrijven aan te trekken, zoals inkomsten uit intellectuele eigendom; neemt kennis van de verscheidenheid aan belastingtariefverlagingen en toelagen en van de uiteenlopende toepassingsgebieden van de voorgestelde regelingen (innovatieboxen, intellectuele-eigendomboxen, kennisboxen, octrooiboxen enz.); benadrukt dat belastingbetalers in sommige lidstaten intellectuele eigendom niet zelf en/of in het land hoeven te produceren om toegang te krijgen tot belastingvoordelen, maar die eigendom slechts dienen te verwerven via een bedrijf dat in het rechtsgebied gevestigd is; benadrukt daarom dat fiscale voordelen voor onderzoek en ontwikkeling aan reële uitgaven in het betreffende rechtsgebied gekoppeld moeten zijn;

26.  onderstreept voorts dat de kosten van onderzoek en ontwikkeling in de nationale belastingstelsels ook zonder octrooiboxen als aftrekpost kunnen worden opgevoerd, en dat octrooiboxen derhalve belastingontwijking in de hand werken op een wijze die tegen het stelsel indruist;

27.  beschouwt dergelijke regelingen als voorbeelden van schadelijke belastingconcurrentie tussen landen, omdat zij, hoewel hun verband met en effect op de reële economie meestal onbestaande is, leiden tot minder belastinginkomsten voor andere landen, waaronder lidstaten; wijst erop dat de Commissie in een overzicht van fiscale stimulansen voor onderzoek en ontwikkeling(29) concludeert dat "octrooiboxen eerder een verplaatsing van vennootschapsbelastinginkomsten lijken te bewerkstelligen dan innovatie lijken te stimuleren";

28.  benadrukt dat, in een economische omgeving die wordt gekenmerkt door meer immateriële activa, de vaststelling van verrekenprijzen vaak wordt beïnvloed door het gebrek aan vergelijkbare transacties en benchmarks, wat de juiste toepassing van het arm's-lengthbeginsel, op grond waarvan de prijzen van transacties tussen entiteiten die tot hetzelfde bedrijfsconcern behoren op dezelfde manier moeten worden vastgesteld als die tussen onafhankelijke entiteiten, tot een moeilijke uitdaging maakt;

29.  wijst erop dat de bestaande richtsnoeren voor verrekenprijzen multinationals een ruime beoordelingsmarge bieden bij de keuze en toepassing van evaluatiemethoden; benadrukt dat het ontbreken van een doeltreffende gemeenschappelijke norm voor verrekenprijzen, alsook de diverse afwijkingen, uitzonderingen en alternatieven door multinationals worden uitgebuit, in strijd met de geest van deze richtsnoeren, om hun belastbare winst per rechtsgebied te kalibreren en hun totale belastingplicht te beperken door bv. oneigenlijke cost plus, willekeurige vaststelling van winstmarges of de twijfelachtige uitsluiting van bepaalde uitgaven van hun berekening; benadrukt dat de kwestie van verrekenprijzen op EU-niveau het beste kan worden aangepakt door middel van een geconsolideerde heffingsgrondslag, waarmee de noodzaak van deze prijzen zou wegvallen;

30.  onderstreept dat door multinationals of hun vertegenwoordigers ingediende dossiers inzake verrekenprijzen niet naar behoren kunnen worden gecontroleerd door de belastingdiensten, omdat die vaak niet over voldoende middelen en personeel beschikken om die analyses en het resultaat of de impact daarvan kritisch en grondig te bestuderen;

31.  betreurt het dat, in een economische context waarin 60 % van de wereldwijde handel binnen groepen plaatsvindt(30), de richtsnoeren voor de toepassing van dit puur economische concept per lidstaat verschillen en daarom onderhevig zijn aan tegenstrijdigheden tussen de lidstaten en juridische geschillen;

32.  onderstreept voorts dat er, ondanks het aanzienlijke aantal juridische geschillen in de EU die het gevolg zijn van uiteenlopende interpretaties van dezelfde beginselen inzake verrekenprijzen, geen doeltreffend Europees geschillenbeslechtingsmechanisme voorhanden is; wijst erop dat de beslechting van verrekenprijsgeschillen die aan het EU-arbitrageverdrag worden onderworpen tot wel acht jaar in beslag kan nemen, hetgeen bijdraagt tot rechtsonzekerheid voor bedrijven en belastingdiensten;

33.  benadrukt de cruciale rol van grote accountantskantoren, waaronder de "grote vier", bij de ontwikkeling en marketing van rulings en belastingontwijkingsconstructies waarmee incongruenties tussen de wetgevingen van de lidstaten worden uitgebuit; benadrukt dat die kantoren, wier inkomsten voor een aanzienlijk deel lijken voort te vloeien uit fiscale dienstverlening en die de auditmarkten van de meeste lidstaten alsook de wereldwijde dienstverlening op het gebied van belastingadvies lijken te domineren, een nauw oligopolie vormen; is van oordeel dat een dergelijke situatie niet kan voortduren zonder schade toe te brengen aan de werking van de interne markt op de gebieden waarop de "grote vier" actief zijn; vestigt de aandacht op het belangenconflict dat het gevolg is van het naast elkaar bestaan, binnen dezelfde kantoren, van activiteiten op het gebied van belastingadvies en consulting, die enerzijds bedoeld zijn voor de belastingdiensten en anderzijds voor de belastingplanningsdiensten van multinationals, die de tekortkomingen van de nationale belastingwetten uitbuiten; is van mening dat good practices ter zake moeten worden bevorderd en dat bestaande gedragscodes moeten worden verbeterd; betwijfelt echter of bedrijfsgedragscodes en beleid inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen dit probleem effectief kunnen aanpakken; onderstreept dat fiscale rulings, in de EU en wereldwijd, een gangbare zakelijke praktijk zijn geworden, niet alleen om rechtszekerheid of voordelige belastingakkoorden te verkrijgen, maar ook in gevallen waarin wettelijke bepalingen geen ruimte voor interpretatie bieden; is bezorgd over ramingen van de belastingadviessector dat er slechts een kans van 50 % hoeft te bestaan dat een fiscale planningsconstructie wettig is opdat die aan cliënten wordt aanbevolen(31);

34.  vraagt de belastingautoriteiten hun bronnen van knowhow te verbeteren en te diversifiëren en de effectbeoordelingsprocedure te verbeteren, teneinde het risico van onverwachte gevolgen van nieuwe belastingmaatregelen te beperken; herinnert de lidstaten eraan dat niet alleen verschillen tussen belastingstelsels, maar ook een al te grote complexiteit van de nationale belastingstelsels en geringe stabiliteit met te frequente veranderingen, in belangrijke mate bijdragen aan het ontstaan van belastingkloven, onrechtvaardigheid van belastingstelsels en een geringe geloofwaardigheid van het belastingbeleid; onderstreept in dit verband dat fiscale versnippering een obstakel vormt voor de totstandbrenging van een Europese kapitaalmarktunie;

Stand van zaken en beoordeling van EU-, internationale en nationale maatregelen

35.  stelt vast dat naar aanleiding van de economische crisis, en daarbovenop het LuxLeaks-schandaal, de aanpak van agressieve fiscale planning door multinationals hoog op de politieke agenda van de lidstaten, de EU, de OESO en de G20 staat, maar betreurt het dat er tot nu toe in de praktijk weinig vooruitgang is geboekt, met uitzondering van het door de G20 gesteunde BEPS-project van de OESO, dat pas is afgerond en nog niet door de landen wordt toegepast;

36.  wijst er in deze context op dat vele lidstaten maatregelen ter bestrijding van belastingontwijking hebben ingevoerd of willen vaststellen, met name in verband met de beperking van de aftrekbaarheid van rente, antimisbruikregels, een betere definiëring van het begrip permanente vestiging (met inbegrip van de ontwikkeling van economische-substantietoetsingen om beter te kunnen bepalen waar bedrijven belastingplichtig zijn), de eventuele uitsluiting van zich misdragende bedrijven van openbare aanbestedingen en de openbaarmaking van belastingplanningsregelingen, wat kan bijdragen aan het herstel van de geloofwaardigheid van het belastingstelsel en het verkorten van de tijdspanne tussen de instelling van specifieke regelingen en de vaststelling van corrigerende maatregelen, onder meer op wetgevingsniveau;

37.  vreest desondanks dat, bij gebrek aan een op samenwerking gebaseerde aanpak, de unilaterale maatregelen van de lidstaten tegen grondslaguitholling zouden kunnen leiden tot meer complexiteit, nieuwe incongruenties en, als gevolg daarvan, meer mogelijkheden voor belastingontwijking op de interne markt; benadrukt dat een uiteenlopende tenuitvoerlegging van internationale of EU-richtsnoeren door de lidstaten hetzelfde effect kan hebben;

38.  is ingenomen met de diverse initiatieven en wetgevingsvoorstellen van de Commissie van de afgelopen 20 jaar, met inbegrip van de meest recente, om toe te werken naar een betere coördinatie van de vennootschapsbelastingstelsels van de lidstaten, met het oog op het versterken van de interne markt, het aanpakken van kwesties inzake dubbele belasting of dubbele niet-belasting en het waarborgen van het recht van de lidstaten om effectief belastingen te heffen; betreurt niettemin dat tot nu toe slechts een klein aantal van deze voorstellen door de Raad is goedgekeurd, wat te wijten is aan de unanimiteitsvereiste en het feit dat bepaalde lidstaten blijven denken dat zij individueel meer te winnen hebben bij mazen in het ongecoördineerde belastingstelsel dan ze collectief te winnen zouden hebben in een gecoördineerd stelsel;

39.  is ingenomen met de publicatie van een nieuw pakket voor fiscaal beleid, en verzoekt de Commissie te streven naar een rechtvaardig belastingstelsel dat gebaseerd is op het beginsel dat belastingen moeten worden betaald in de lidstaat waar de winst wordt gemaakt, om zo verstoring van de interne markt en oneerlijke concurrentie te voorkomen;

40.  benadrukt dat de in 1998 door de lidstaten opgerichte Groep gedragscode (belastingregeling ondernemingen) (de "Groep") het eind jaren 90 en begin deze eeuw mogelijk heeft gemaakt een einde te maken aan de destijds meest schadelijke afzonderlijke belastingpraktijken door middel van een "soft law"-tweesporenaanpak, waarbij bestaande belastingmaatregelen die tot schadelijke belastingconcurrentie leidden, werden teruggedraaid, en werd toegezegd dat dergelijke maatregelen in de toekomst niet meer zouden worden geïntroduceerd ("standstill");

41.  betreurt het dat het werk van de Groep aan kracht lijkt te hebben ingeboet; merkt op dat sommige van de meer dan 100 maatregelen die in het kader van zijn werkzaamheden zijn afgeschaft, in een aantal lidstaten zijn vervangen door belastingmaatregelen met vergelijkbare schadelijke effecten; merkt op dat belastingdiensten de aanbevelingen van de Groep hebben tegengewerkt door nieuwe constructies op te zetten met dezelfde schadelijke effecten als de door de Groep afgeschafte constructies; betreurt het dat eerdere pogingen om het bestuur en het mandaat van de Groep te versterken en de in de code vastgelegde werkmethoden en criteria aan te passen teneinde nieuwe vormen van schadelijke belastingpraktijken in de huidige economische omgeving te bestrijden, niet zijn geslaagd; steunt de recentste voorstellen van de Commissie ter zake, die zijn uiteengezet in haar actieplan van 17 juni 2015 voor een eerlijk en doeltreffend vennootschapsbelastingstelsel in de EU;

42.  betreurt, in weerwil van de ambitieuze doelstellingen die sedert 1997 worden verkondigd, het voortduren van de belastingconcurrentie tussen lidstaten, die niet zozeer voortkomt uit een verschil in tarieven als wel uit de heterogeniteit van de nationale regels die bepalen wat belastbare winsten zijn, een heterogeniteit die al tientallen jaren onveranderd tot uiting komt in de verschillen tussen de nominale en de effectieve vennootschapsbelastingtarieven die door de lidstaten worden toegepast;

43.  betreurt het ook dat de oorspronkelijke status en bestuurlijke afspraken van de Groep te veel ruimte lieten voor politieke onderhandelingen en compromissen bij het streven naar "brede consensus" (oftewel quasi-unanimiteit, met de mogelijkheid om ongenoegen tot uitdrukking te brengen in voetnoten) over de beoordeling van schadelijke praktijken, waardoor afbreuk is gedaan aan de betrouwbaarheid en volledigheid van zijn werkzaamheden en wat er in sommige gevallen toe heeft geleid dat verslagen, zoals het verslag uit 1999 van Simmons & Simmons over administratieve praktijken, opzettelijk niet zijn gepubliceerd of geen follow-up hebben gekregen; acht het betreurenswaardig dat bij de afschaffing van bestaande maatregelen politieke vertraging optrad en, in enkele gevallen, na de uiterste datum nog nieuwe begunstigden werden toegelaten, hetgeen ook samenhangt met de uiterst zwakke verantwoordings- en toezichtmechanismen van de Groep;

44.  benadrukt in meer fundamentele zin dat de in de code gehanteerde aanpak per geval er weliswaar toe heeft geleid dat lidstaten nu meer met algemene maatregelen concurreren, maar geen betrekking heeft op de systemische tekortkomingen van een versnipperd vennootschapsbelastingskader in de EU, waardoor een grondigere herziening noodzakelijk is geworden;

45.  wijst tevens op de geleverde inspanningen in verband met de oprichting van het Platform voor goed fiscaal bestuur, dat diverse stakeholders bijeenbrengt teneinde een consensus te bereiken over de kwestie belastingontwijking, in het bijzonder in een internationale context, en het Gezamenlijk Forum voor verrekenprijzen, dat een aantal richtsnoeren verstrekt over de technische kwesties met betrekking tot verrekenprijzen; benadrukt dat er tot op heden mede dankzij deze organen beperkte correcties zijn aangebracht in het vennootschapsbelastingskader; betreurt het dat de door het Gezamenlijk Forum voor verrekenprijzen opgestelde richtsnoeren vooralsnog niet tot een toereikende aanpak van belastingontwijking hebben geleid; betreurt dat het Gezamenlijk Forum voor verrekenprijzen, ondanks een recente vernieuwing van zijn leden, nog steeds onevenwichtig is samengesteld; heeft er bezwaar tegen dat belastingdeskundigen bijdragen aan het opstellen van richtsnoeren voor verrekenprijzen, maar tegelijkertijd hun cliënten mogelijkerwijs adviseren over strategieën voor agressieve belastingplanning, en zich dus in een situatie van belangenconflict bevinden;

46.  benadrukt dat de EU-wetgeving (de richtlijnen inzake moeder-dochterondernemingen, rente en royalty's, fusies en administratieve samenwerking), hoewel zij slechts betrekking heeft op enkele aspecten van vennootschapsbelasting, het hoofd heeft kunnen bieden aan specifieke problemen van lidstaten en bedrijven die in meerdere landen actief zijn; benadrukt dat deze maatregelen, die in eerste instantie zijn ontwikkeld om een eind te maken aan dubbele belastingheffing, een aantal onbedoelde contraproductieve effecten op belastingontwijking hebben en in sommige gevallen leiden tot dubbele niet-belastingheffing; is verheugd dat de Raad onlangs amendementen op de moeder-dochterrichtlijn heeft goedgekeurd die beogen een algemene antimisbruikbepaling in te voeren en incongruenties bij hybride leningen aan te pakken, en die eind 2015 in werking zullen treden, en verwacht dat hiermee een einde zal komen aan een aantal van de mogelijkheden voor belastingontwijking in de EU;

47.  herinnert aan de bepalingen van Richtlijn 2011/16/EU van de Raad inzake administratieve samenwerking die uitvoering geven aan de uitwisseling van alle relevante fiscale informatie; is van mening dat een automatische, onmiddellijke en volledige uitwisseling en verwerking van fiscale informatie een sterk afschrikkend effect zou hebben op belastingontduiking en de invoering van schadelijke belastingpraktijken, en de lidstaten en de Commissie in staat zou stellen te beschikken over alle relevante informatie om hiertegen op te treden;

48.  betreurt het dat het huidige wetgevings- en toezichtskader voor de uitwisseling van informatie over belastingmaatregelen niet doeltreffend is, aangezien is gebleken dat niet wordt voldaan aan de bestaande vereisten voor spontane informatie-uitwisseling of informatie-uitwisseling op aanvraag; betreurt het dat vrijwel geen enkele lidstaat informatie uitwisselt die gevolgen kan hebben voor partnerlanden van de EU; betreurt het gebrek aan coördinatie tussen de Commissie en de bevoegde instanties van de lidstaten;

49.  betreurt het dat fiscale informatie bijna nooit spontaan tussen de lidstaten wordt uitgewisseld; is ingenomen met automatische uitwisseling van informatie die niet langer op wederkerigheid berust; vestigt de aandacht op de structurele ontwerpfouten van een systeem dat gebaseerd is op beoordelingsvrijheid over wat al dan niet moet worden meegedeeld en dat gepaard gaat met zwakke toezichtsystemen, waardoor schendingen van de vereiste inzake informatie-uitwisseling zeer moeilijk vast te stellen zijn;

50.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie om de automatische uitwisseling van fiscale informatie te bevorderen als de toekomstige Europese en internationale norm op het vlak van transparantie; verzoekt de Commissie met klem om, als eerste stap, haar verplichting als hoedster van de Verdragen na te komen en alle noodzakelijke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de bestaande EU-wetgeving en het beginsel van loyale samenwerking tussen de lidstaten, zoals vastgelegd in de Verdragen, in acht worden genomen; is ingenomen met het voorstel van de deskundigengroep inzake automatische uitwisseling van informatie over financiële rekeningen om de mogelijkheden te bestuderen om ontwikkelingslanden te ondersteunen bij de automatische uitwisseling van informatie door niet-wederkerige uitwisselingsovereenkomsten te sluiten;

51.  wijst erop dat staatssteunregels en sancties een nuttig middel zijn om de meest oneigenlijke en verstorende schadelijke belastingpraktijken aan te pakken, en een afschrikkend effect kunnen hebben;

52.  is ingenomen met het pakket fiscale transparantie van de Commissie van maart 2015 inzake de automatische uitwisseling van informatie tussen de lidstaten over hun fiscale rulings en haar actieplan van juni 2015 voor een eerlijk en doeltreffend vennootschapsbelastingstelsel in de EU; benadrukt evenwel dat deze teksten slechts als eerste stappen in de goede richting kunnen worden beschouwd, en dat er dringend behoefte is aan een samenhangend kader van wettelijke bepalingen en administratieve samenwerking, ook ten behoeve van kmo's en van multinationals die echte economische groei helpen creëren en een billijk deel van de belastingen op de interne markt betalen;

53.  is ingenomen met de recente overeenkomst over het BEPS-actieplan van de OESO, waarin, naar aanleiding van opeenvolgende oproepen tot actie tijdens de G7- en G20-topbijeenkomsten, wordt beoogd de afzonderlijke problemen die de werking van het internationale vennootschapsbelastingstelsel bemoeilijken, aan te pakken met voorstellen voor wereldwijde en systematische maatregelen om deze problemen te verhelpen; betreurt de late en ongelijke inspraak van de ontwikkelingslanden in het BEPS-proces van de OESO, waaraan zij op een eerlijke manier hadden moeten kunnen deelnemen; betreurt het dat sommige uitkomsten van het BEPS-actieplan niet verder gaan, bv. op het gebied van schadelijke belastingregelingen, digitale economie en transparantie;

54.  neemt ter kennis dat, naar aanleiding van een systematische analyse van de knelpunten van het internationale belastingstelsel, het BEPS-actieplan in 15 actiepunten is opgedeeld, waarvan er 7 in november 2014 door de G20 zijn goedgekeurd en de overige in oktober 2015 zijn uitgevoerd; benadrukt dat die actiepunten, tegen de achtergrond van een veranderend ondernemingsklimaat, gericht zijn op het aanpakken van transparantiekwesties, bv. door richtsnoeren te verstrekken over verslaggeving per land, het gebrek aan substantie in bepaalde belastingontwijkingsconstructies en meer samenhang in de internationale regels;

55.  waarschuwt niettemin voor compromissen die kunnen achterblijven bij de oorspronkelijke ambities of kunnen leiden tot uiteenlopende interpretaties op nationaal niveau; benadrukt voorts dat er tot nog toe vrijwel geen doeltreffend toezicht is gehouden op de tenuitvoerlegging van de OESO-richtsnoeren in de landen die ze hebben goedgekeurd, en dat zelfs de best uitgewerkte oplossingen niet doeltreffend kunnen zijn als ze niet naar behoren worden gecontroleerd en geïmplementeerd;

56.  benadrukt dat de werkzaamheden van de EU en de OESO op dit gebied complementair zijn; is van mening dat de EU, gezien haar mate van integratie, verder moet gaan dan de BEPS-voorstellen wat betreft coördinatie en convergentie ter voorkoming van alle vormen van schadelijke belastingconcurrentie op de interne markt; is ervan overtuigd dat de EU, zonder dat haar concurrentievermogen eronder hoeft te lijden, doeltreffendere instrumenten kan ontwikkelen om toe te zien op eerlijke belastingconcurrentie en het recht van de lidstaten om effectief belasting te heffen op winsten die op hun grondgebied worden gegenereerd;

Onderzoeken van de Commissie naar staatssteun: overzicht en resultaten

57.  benadrukt dat nieuwkomers en bedrijven – met inbegrip van kmo's – die geen gebruik maken van agressieve belastingpraktijken, op de interne markt worden benadeeld ten opzichte van multinationals, die in staat zijn winsten te verschuiven of andere vormen van agressieve belastingplanning toe te passen via een verscheidenheid aan besluiten en instrumenten die hun uitsluitend ter beschikking staan omdat zij zo groot zijn en hun activiteiten internationaal kunnen organiseren; stelt met bezorgdheid vast dat, onder voor het overige gelijke omstandigheden, de hieruit voortvloeiende lagere belastingverplichtingen leiden tot een hogere winst na belastingen voor multinationals en derhalve tot een ongelijk speelveld met hun concurrenten op de interne markt, die geen gebruik kunnen maken van agressieve belastingplanning en de connectie behouden tussen de plaats waar zij winst genereren en de plaats waar zij belasting betalen; wijst erop dat deze verstoring van het gelijke speelveld ten voordele van multinationals strijdig is met het fundamentele beginsel van de interne markt;

58.  benadrukt dat de OESO(32) erop wijst dat sommige multinationals gebruik maken van strategieën om slechts 5 % aan vennootschapsbelasting te betalen, terwijl kleinere bedrijven tot wel 30 % betalen, en is zeer bezorgd over het feit dat de vennootschapsbelastingbijdrage van grensoverschrijdende bedrijven volgens een aantal studies(33) gemiddeld tot wel 30 % lager is dan die van binnenlandse bedrijven die slechts in één land actief zijn; vindt het onaanvaardbaar dat sommige multinationals dankzij die strategieën een zeer laag effectief vennootschapsbelastingtarief betalen, terwijl sommige kmo's het volle tarief moeten betalen;

59.  benadrukt dat deze verstorende invloed op de beslissingen van marktdeelnemers, die worden genomen op basis van de verwachte opbrengst na belastingen, leidt tot een suboptimale toewijzing van middelen binnen de EU en een minder concurrentie, hetgeen nadelige gevolgen heeft voor de groei en de werkgelegenheid;

60.  onderstreept dat sommige schadelijke belastingpraktijken mogelijk binnen de werkingssfeer van belastinggerelateerde staatssteunregels vallen, met name voor zover zij op dezelfde manier "selectieve" voordelen kunnen toekennen en tot concurrentieverstoringen op de interne markt kunnen leiden; merkt op dat de staatssteunprocedures en de activiteiten van de Groep gedragscode elkaar onderling ondersteunden, met name in 1999 en in de eerste helft van het voorbije decennium; benadrukt dat met de handhaving van de EU-mededingingsregels juridische druk is toegevoegd aan het soft law-besluitvormingsproces in de Groep, waardoor het gebrek aan andere doeltreffende instrumenten voor de aanpak van het probleem van belastingontwijking op EU-niveau gedeeltelijk wordt gecompenseerd;

61.  neemt nota van de belangrijke ontwikkelingen in de afgelopen 20 jaar in verband met het analytisch kader van de Commissie voor belastinggerelateerde staatssteun, waardoor het mogelijk werd meer duidelijkheid te scheppen met betrekking tot de definitie en analyse van staatssteun via belastingmaatregelen, alsook stelselmatiger op te treden tegen dergelijke maatregelen; wijst met name op de richtsnoeren van de Commissie van 1998 over de toepassing van de staatssteunregels op maatregelen op het gebied van de directe belastingen op ondernemingen, het verslag van 2004 daarover en de diverse belangrijke arresten van het voorbije decennium; is in het kader van het proces tot modernisering van het staatssteunbeleid, dat de Commissie in gang heeft gezet, ingenomen met de openbare raadpleging van 2014 over ontwerprichtsnoeren ter verduidelijking van het begrip "staatssteun" overeenkomstig artikel 107 VWEU, dat elementen behelst op het gebied van belastinggerelateerde staatssteun en met name fiscale rulings;

62.  stelt vast dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie over de toepassing van de staatssteunregels op fiscale maatregelen van de lidstaten de afgelopen decennia steeds vastere vorm heeft gekregen, laatstelijk met de zaak-Gibraltar in 2011(34);

63.  wijst erop dat het Hof van Justitie de nadruk heeft gelegd op het beginsel dat de inhoudelijke kant voorrang heeft op formele aspecten, en dat dus het economische effect van een maatregel het uitgangspunt vormt bij de beoordeling;

64.  stelt bijgevolg vast dat het Hof van Justitie uit het verbod op staatssteun vergaande voorwaarden heeft afgeleid voor de bevoegdheid van de lidstaten op het gebied van de belastingwetgeving;

65.  wijst erop dat het concept van "de aard en de opzet van het nationale stelsel" als referentiekader dient om te beoordelen of directe of indirecte belastingen al dan niet selectief zijn en derhalve al dan niet verenigbaar met de interne markt, en dat elke vorm van staatssteun moet worden getoetst aan het reeds bestaande evenwicht; benadrukt dat, aangezien de EU-benchmark voor het beoordelen van mogelijke verstoringen het nationale referentiestelsel is(35), niet alle concurrentieverstoringen en schadelijke belastingpraktijken op de interne markt onder de huidige mededingingsregels vallen; wijst er derhalve op dat het probleem van de ontwijking van vennootschapsbelasting in de EU niet kan worden opgelost met alleen de volledige handhaving van deze regels;

66.  wijst erop dat de Europese Commissie, volgens de gegevens die zij zijn bevoegde bijzondere commissie heeft toegestuurd(36), sinds 1991 naar slechts 65 belastinggerelateerde staatssteunzaken een officieel onderzoek heeft ingesteld, waarvan er 7 fiscale rulings betroffen en slechts 10 afkomstig waren van formele aanmeldingen van de lidstaten;

67.  benadrukt dat de Commissie in de tweede helft van het voorbije decennium slechts een klein aantal zaken op het gebied van belastinggerelateerde staatssteun heeft behandeld, en dat de recente staatssteunprocedures de volgende fasen omvatten:

   de instelling, in juni 2013, van een onderzoek naar praktijken op het vlak van fiscale rulings in zeven lidstaten, dat in december 2014 werd uitgebreid tot alle lidstaten,
   de start, in oktober 2013, van een onderzoek naar de vennootschapswetgeving van Gibraltar, en met name de vraag of deze bepaalde ondernemingen bevoordeelt, en de uitbreiding van dit onderzoek, in oktober 2014, tot fiscale rulings van Gibraltar,
   tegelijkertijd, de instelling van een afzonderlijk onderzoek naar fiscale regelingen op het gebied van intellectuele eigendom ("octrooiboxen"),
   de instelling, in juni 2014, van officiële onderzoeken naar drie gevallen: Apple in Ierland, Fiat Finance and Trade in Luxemburg en Starbucks in Nederland, die in oktober 2015 zijn afgerond, in oktober 2014 gevolgd door een onderzoek naar Amazon in Luxemburg,
   de instelling, in februari 2015, van een officieel onderzoek naar een belastingregeling in België (systeem van fiscale rulings voor overwinst);

68.  benadrukt dat de lopende en afgeronde onderzoeken van de Commissie en de door LuxLeaks aan het licht gebrachte zaken erop wijzen dat sommige lidstaten zich niet hebben gehouden aan hun wettelijke verplichting(37) om alle potentiële staatssteundossiers over te leggen aan de Commissie;

69.  benadrukt dat deze onderzoeken licht hebben geworpen op slechts een zeer beperkte steekproef van een aantal typische praktijken, die van invloed zijn op de belastbare winst die door middel van verrekenprijzen wordt toegewezen aan sommige dochterondernemingen van multinationals; vreest dat de huidige middelen van de bevoegde diensten van de Commissie haar vermogen beperken om een beduidend groter aantal zaken te behandelen en stelselmatige controles uit te voeren om na te gaan of er, naast de praktijken op basis van verrekenprijzen, nog andere praktijken op het gebied van vennootschapsbelasting zijn die mogelijkerwijs botsen met de staatssteunwetgeving;

70.  spreekt zijn uitdrukkelijke steun uit voor de aanpak van de Commissie, die erin bestaat de nodige tijd te nemen om de lopende zaken grondig en met alle vereiste zorgvuldigheid te onderzoeken; is van mening dat het resultaat van de onderzoeken ertoe zal bijdragen dat er nauwkeurigere, doeltreffendere richtsnoeren inzake belastinggerelateerde staatssteun en verrekenprijzen worden vastgesteld en dat de lidstaten ertoe worden verplicht hun praktijken dienovereenkomstig aan te passen; verzoekt de Commissie desalniettemin deze lopende belastinggerelateerde staatssteunonderzoeken zo snel als praktisch gezien mogelijk is af te ronden, zonder daarbij afbreuk te doen aan de kwaliteit en de geloofwaardigheid van de onderzoeken, en kijkt met veel belangstelling uit naar de resultaten; verzoekt de Commissie regelmatig aan het Parlement verslag uit te brengen over deze onderzoeken; verzoekt de Commissie erop aan te dringen dat elke ontbrekende euro wordt terugbetaald als in de lopende zaken wordt bevestigd dat de staatssteun onwettig was;

71.  benadrukt dat de lopende onderzoeken er in het geval van een inbreuk op de EU-regelgeving toe kunnen leiden dat de lidstaat die de betreffende belastingmaatregel heeft goedgekeurd, het bedrag terugvordert dat overeenkomt met de onrechtmatige staatssteun die aan de begunstigde ondernemingen is toegekend; benadrukt dat deze terugvordering weliswaar een aanzienlijk negatief effect kan hebben op de reputatie van de betreffende lidstaat, maar in feite neerkomt op een beloning voor niet-naleving, die de lidstaten er in geval van twijfel waarschijnlijk niet van zal weerhouden om oneigenlijke belastingvoordelen toe te kennen, maar ze integendeel vrijstelt van de verantwoordelijkheid om toe te zien op de inachtneming van de EU-staatssteunregels, en die geen compensatie vormt voor het financiële verlies dat de begrotingen van de benadeelde lidstaten hebben geleden; meent meer in het algemeen dat de staatssteunregels moeten voorzien in sancties die voldoende afschrikkend zijn om onwettige staatssteun tegen te gaan;

72.  wijst tevens op de mogelijkheid, in het geval van oneigenlijke verrekenprijzen tussen grensoverschrijdende dochterondernemingen, dat niet alleen de belastinginkomsten van de lidstaat waarvan de belastingvoordelen uitgaan, worden aangepast (terugvordering van steun), maar ook die van andere landen waar de transactie plaatsvond (ex-post aanpassing van verrekenprijzen en dus van het belastbaar inkomen); benadrukt dat dit in sommige gevallen zou kunnen leiden tot dubbele belastingheffing;

73.  wijst er nogmaals op dat fiscale rulings moeten dienen om rechtszekerheid te beiden en bij de begunstigden gerechtvaardigde verwachtingen wekken; benadrukt, in een context waarin nationale rulings kunnen worden aangevochten op grond van EU-staatssteunregels, dat het risico bestaat dat de lidstaten afzonderlijke verzoeken om rulings massaal gaan aanmelden met het oog op voorafgaande toestemming van de Commissie, teneinde rechtsonzekerheid voor belastingdiensten en ondernemingen te voorkomen; onderstreept dat op de grotere aantallen aanmeldingen, alsook op de van de lidstaten verlangde grotere transparantie in fiscale aangelegenheden, gereageerd moet worden met de terbeschikkingstelling van meer capaciteit bij de Commissie en verbeterde processen voor het doorgeven van informatie;

Derde landen

74.  vindt het zorgwekkend dat de negatieve overloopeffecten van schadelijke belastingpraktijken van sommige multinationals veel groter lijken te zijn voor ontwikkelingslanden dan voor ontwikkelde landen(38), aangezien eerstgenoemden een groter deel van hun inkomsten uit vennootschapsbelasting halen en beschikken over zwakkere stelsels voor overheidsfinanciën, regelgevingsklimaten en administratieve capaciteit om toe te zien op de belastingnaleving en het hoofd te bieden aan deze schadelijke belastingpraktijken; merkt op dat ontwikkelingslanden volgens het IMF(39) relatief gezien drie keer meer inkomsten verliezen door agressieve belastingplanning dan ontwikkelde landen; benadrukt dat artikel 208 van het Verdrag van Lissabon de lidstaten ertoe verplicht hun beleid aan te passen om de ontwikkeling in ontwikkelingslanden te steunen; wijst erop dat uitvoerige analyses van de overloopeffecten van de belastingpraktijken van de lidstaten, waarvan de bevindingen openbaar zouden moeten worden gemaakt, de beleidsvorming kunnen helpen sturen om ervoor te zorgen dat deze praktijken de belastinggrondslag van andere lidstaten of derde landen niet uitholt;

75.  benadrukt dat de weinige "winnaars" van de wereldwijde belastingconcurrentie, namelijk de landen met een zeer aantrekkelijk vennootschapsbelastingbeleid binnen en buiten de EU, tegelijkertijd over een aantal onevenredige economische fundamentals beschikken in verhouding tot hun omvang en reële economische activiteit, met name wanneer wordt gekeken naar bv. het aantal ingezeten vennootschappen per inwoner, het geboekte bedrag aan buitenlandse winsten, directe buitenlandse investeringen of uitgaande financiële stromen in verhouding tot het bbp, enz.; merkt op dat hieruit het artificiële karakter van hun belastinggrondslag en inkomende financiële stromen blijkt, alsook de door de huidige belastingstelsels mogelijk gemaakte loskoppeling van de plaats waar de waarde wordt gecreëerd en de plaats waar belasting wordt geheven;

76.  benadrukt dat belastingconcurrentie beslist niet beperkt is tot de lidstaten, met inbegrip van hun afhankelijke of geassocieerde gebieden, en dat de meeste onderzochte praktijken een internationale dimensie hebben, vanwege de verschuiving van winsten naar rechtsgebieden met een laag belastingniveau of zonder belastingheffing of met een geheimhoudingsregeling, waar vaak geen substantiële economische activiteit plaatsvindt; betreurt dat er geen sprake is van een gecoördineerde aanpak van de lidstaten ten aanzien van al die rechtsgebieden, niet alleen op het vlak van een gezamenlijk optreden of gezamenlijke reactie tegen hun schadelijke praktijken, maar ook, ondanks de inspanningen van de Commissie, met betrekking tot hun identificatie en de relevante criteria; schaart zich daarom resoluut achter het voorstel van de Commissie van 2012, dat voorziet in substantiële criteria voor eerlijke concurrentie, naast transparantie en de uitwisseling van informatie, alsook de recente publicatie in het belastingpakket van de Commissie van 17 juni 2015 van een lijst van niet-coöperatieve fiscale rechtsgebieden, die is vastgesteld aan de hand van een "gemene deler"-aanpak op basis van bestaande nationale lijsten; benadrukt dat de vaststelling van een dergelijke lijst een eerste vereiste is voor het nemen van passende maatregelen tegen dergelijke rechtsgebieden; is van oordeel dat deze lijst de eerste stap moet zijn van een proces dat leidt tot een nauwkeurige, objectieve definitie van belastingparadijzen, die als uitgangspunt kan dienen voor toekomstige lijsten, die zullen worden opgesteld aan de hand van duidelijke criteria die van tevoren bekend moeten zijn; moedigt de Commissie aan om te beoordelen of Europese rechtsgebieden aan deze criteria voldoen;

77.  benadrukt dat in het kader van de werkzaamheden van de OESO in dit verband een aantal belangrijke resultaten zijn geboekt op het gebied van transparantie en informatie-uitwisseling; is met name verheugd over het feit dat sinds juni 2015 bijna 100 landen het Multilaterale Verdrag inzake administratieve bijstand in belastingzaken (het "Gezamenlijk Verdrag") hebben ondertekend, dat voorziet in administratieve samenwerking tussen staten bij de beoordeling en inning van belastingen, met name met het oog op het bestrijden van belastingontwijking en -ontduiking;

78.  benadrukt evenwel dat de werkzaamheden van de OESO met betrekking tot haar eerdere lijst van niet-coöperatieve belastingparadijzen gebaseerd waren op een politiek proces dat reeds bij de vaststelling van de criteria voor de lijsten geleid heeft tot willekeurige compromissen, zoals de vereiste om een belastingakkoord te sluiten met 12 andere landen, en waardoor geen enkel rechtsgebied als niet-coöperatief belastingparadijs is aangemerkt; benadrukt dat haar huidige aanpak nog steeds gebaseerd is op criteria voor fiscale transparantie en informatie-uitwisseling, die niet toereikend zijn om de schadelijkheid van bepaalde belastingpraktijken aan te pakken; wijst erop dat dit, zonder in te gaan op de verdiensten ervan, afbreuk doet aan de relevantie van de OESO-aanpak om vast te stellen welke fiscale rechtsgebieden de pijlers zijn van de wereldwijde belastingontwijkingspraktijken en schadelijke belastingconcurrentie; benadrukt met name dat deze aanpak geen verband houdt met kwalitatieve indicatoren op basis waarvan objectief kan worden beoordeeld of er al dan niet sprake is van goed bestuur, en dat hierin geen kwantitatieve gegevens in aanmerking worden genomen, zoals boekwinsten, inkomende en uitgaande financiële stromen en hun verband met/loskoppeling van de economische realiteit in een bepaald rechtsgebied;

79.  onderstreept voorts dat deze lijsten op nationaal niveau kunnen worden gebruikt om nationale beschermings- en ontwijkingsbestrijdingsregels toe te passen op derde landen (zoals een beperking van voordelen, een onderzoek naar het hoofddoel, regels inzake buitenlandse filialen, enz.) en dat de beperkingen van dergelijke lijsten dus ook de reikwijdte en doeltreffendheid kunnen beperken van nationale maatregelen tegen schadelijke belastingprakijken;

80.  is ervan overtuigd dat het garanderen van eerlijke concurrentie op de interne markt en het beschermen van de belastinggrondslag van de lidstaten sterk afhankelijk zijn van de aanpak van de zwakste schakel in de interacties met rechtsgebieden met een laag belastingniveau of zonder belastingheffing of met een geheimhoudingsregeling, rekening houdend met het feit dat belastingtarieven een nationale bevoegdheid zijn, aangezien het bestaan van een belastingsluis (bv. geen bronbelasting) naar derde landen, ongeacht hun belastingpraktijken, de mogelijkheden voor belastingontwijking binnen de EU aanzienlijk vergroot;

81.  benadrukt dat een gecoördineerde aanpak van de lidstaten ten aanzien van zowel ontwikkelingslanden als ontwikkelde landen de aanpak van schadelijke belastingpraktijken en het bevorderen van meer wederkerigheid in belastingzaken veel doeltreffender kan maken;

82.  benadrukt dat, als antwoord op de druk van zowel de EU als de G20 met betrekking tot fiscale transparantie, en in de context van de financiële, economische en schuldencrisis, een aantal derde landen eindelijk een overeenkomst voor de uitwisseling van belastinggegevens met de EU hebben gesloten, waardoor de samenwerking met deze landen zou moeten verbeteren; wijst erop dat in mei 2015 een overeenkomst met Zwitserland is gesloten, na een lange "overgangsperiode" waarin deze belangrijke handelspartner van de EU geprofiteerd heeft van preferentiële toegang tot de interne markt, maar tegelijkertijd op andere gebieden niet meewerkte, met name op het gebied van belasting;

83.  neemt ter kennis dat hierover weliswaar onderhandelingen plaatsvinden, maar dat die nog niet geleid hebben tot een snelle ondertekening van vergelijkbare samenwerkingsovereenkomsten met San Marino, Monaco, Liechtenstein en Andorra; betreurt het dat de Commissie niet over een vergelijkbaar Europees mandaat beschikt om met de overzeese gebieden die op dit moment onder de EU-richtlijn spaarbelasting vallen, te onderhandelen over overeenkomsten betreffende de automatische uitwisseling van gegevens;

84.  stelt bezorgd vast dat vele ontwikkelingslanden zeer kwetsbaar zijn voor belastingontwijking door multinationals, en dat de verrekenprijspraktijken van multinationals de belangrijkste reden zijn voor gemiste inkomsten voor de nationale begrotingen van ontwikkelingslanden(40); benadrukt voorts dat deze landen zich in een zeer zwakke onderhandelingspositie bevinden ten opzichte van bepaalde multinationals en buitenlandse directe investeerders die over de hele wereld "rondshoppen" op zoek naar belastingsubsidies en ‑vrijstellingen; hekelt het feit dat het jaarlijkse verlies aan belastinginkomsten voor de nationale begrotingen naar schatting 91(41) à 125(42) miljard EUR bedraagt;

85.  herinnert de lidstaten eraan dat zij aan het in het Verdrag van Lissabon vastgelegde beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling gehouden zijn en ervoor moeten zorgen dat hun belastingbeleid de EU-doelstellingen op het gebied van ontwikkeling niet ondermijnt; spoort de lidstaten ertoe aan de overloopeffecten van hun belastingbeleid en de gevolgen van dat beleid voor ontwikkelingslanden in kaart te brengen, zoals aanbevolen door het IMF;

Conclusies en aanbevelingen

86.  concludeert, terugkijkend op het mandaat dat het zijn bijzondere commissie heeft gegeven, en ondanks de diverse ondervonden beperkingen en belemmeringen tijdens de uitvoering van haar informatieopdrachten en de geringe medewerking van de lidstaten en de overige Europese instellingen, dat:

   onverminderd de uitkomst van de lopende onderzoeken naar staatssteun van de Commissie, uit de verzamelde informatie blijkt dat lidstaten zich in diverse gevallen niet hebben gehouden aan artikel 107, lid 1, VWEU, omdat zij fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect hebben ingevoerd die, door begunstiging van bepaalde ondernemingen, de concurrentie op de interne markt hebben verstoord,
   sommige lidstaten artikel 108 VWEU niet volledig hebben gehandhaafd, omdat zij de Commissie niet formeel in kennis hebben gesteld van al hun plannen om belastinggerelateerde steun te verlenen, waardoor zij ook inbreuk hebben gemaakt op de overeenkomstige bepalingen van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad; benadrukt dat de Commissie daardoor niet alle steunregelingen aan een voortdurend onderzoek heeft kunnen onderwerpen, zoals bedoeld in artikel 108 VWEU, aangezien zij in ieder geval vóór 2010 geen toegang had tot alle relevante informatie, d.w.z. de periode waarop haar lopende onderzoeken geen betrekking hebben,
   lidstaten niet hebben voldaan aan de verplichtingen van de Richtlijnen 77/799/EEG en 2011/16/EU van de Raad, aangezien zij niet spontaan fiscale informatie hebben uitgewisseld – en dat nog steeds niet doen – zelfs toen er, ondanks de beoordelingsmarge waarin die richtlijnen voorzien, duidelijke redenen waren om aan te nemen dat er in andere lidstaten belastingen werden gederfd of dat er belastingbesparingen ontstonden door een kunstmatige verschuiving van winsten binnen een groep,
   sommige lidstaten het in artikel 4, lid 3, VEU vastgelegde beginsel van loyale samenwerking niet in acht hebben genomen, aangezien zij niet alle algemene of bijzondere maatregelen hebben getroffen die geschikt zijn om de nakoming van hun verplichtingen te verzekeren,
   een analyse van afzonderlijke gevallen van inbreuken op de communautaire wetgeving, in het bijzonder de hierboven vermelde leden, niet mogelijk was als gevolg van het ontbreken van gedetailleerde informatie van de lidstaten, de Raad en de Commissie,
   de Commissie haar rol van hoedster van de Verdragen, als vastgelegd on artikel 17, lid 1, VEU, niet heeft vervuld aangezien zij in deze zaak niet is opgetreden en niet al het nodige heeft gedaan om ervoor te zorgen dat de lidstaten hun verplichtingen, met name de verplichtingen uit hoogde van de Verordeningen 77/799/EEG en 2011/16/EU, nakomen, ondanks de aanwijzingen van niet-nakoming; door in het verleden geen staatssteunonderzoeken te initiëren, heeft de Commissie niet voldaan aan haar verplichtingen uit hoofde van artikel 108 van het Verdrag van Lissabon betreffende de werking van de interne markt;

87.  veroordeelt het feit dat meerdere opgevraagde fiscale documenten van de vergaderingen van de Groep gedragscode in het geheel niet of slechts gedeeltelijk aan de commissie beschikbaar zijn gesteld, hoewel sommige daarvan reeds zijn verstrekt aan individuele burgers die ze hadden opgevraagd via de procedure voor toegang tot documenten, wat betekent dat het Europees Parlement over het standpunt van de lidstaten inzake fiscale aangelegenheden minder informatie heeft dan Europese burgers; betreurt daarnaast het feit dat de Commissie van het totale aantal opgevraagde documenten, naar schatting ongeveer 5 500, slechts minder dan 5% heeft vrijgegeven; betreurt het gebrek aan samenwerking met de commissie door de Commissie en de Raad, waardoor de commissie in de uitoefening van haar mandaat werd belemmerd;

88.  vraagt de Raad en de Commissie, gezien het huidige gebrek aan bevoegdheden van het Parlement om een parlementaire enquête te houden, dringend hun goedkeuring te geven aan het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het enquêterecht van het Europees Parlement(43), teneinde het Parlement echte onderzoeksbevoegdheden te geven die nodig zijn voor de uitoefening van zijn parlementaire enquêterecht;

89.  verzoekt de Commissie te onderzoeken of het nog mogelijk is de bovengenoemde inbreuken aanhangig te maken bij het Hof van Justitie;

90.  verzoekt de lidstaten zich te voegen naar het beginsel dat winsten worden belast op de plaats waar ze worden gegenereerd;

91.  verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen, die de politieke verantwoordelijkheid voor de huidige situatie delen, een einde te maken aan schadelijke belastingconcurrentie en ten volle samen te werken om een einde te maken aan de incongruenties – en geen nieuwe incongruenties te creëren – tussen belastingstelsels die leiden tot massale belastingontwijking door multinationals en grondslaguitholling op de interne markt; verzoekt de lidstaten in dit verband de Commissie en de andere lidstaten in kennis te stellen van alle relevante wijzigingen in hun vennootschapsbelastingwetgeving die van invloed zouden kunnen zijn op hun effectieve belastingtarieven of op de belastinginkomsten van andere lidstaten; benadrukt dat de lidstaten die een centrale rol spelen bij het faciliteren van belastingontduiking, hun verantwoordelijkheid op zich moeten nemen en een leidende rol moeten vervullen bij de inspanningen om de samenwerking op belastinggebied in de EU te verbeteren;

92.  verzoekt de staatshoofden en regeringsleiders van de EU duidelijke nieuwe politieke toezeggingen te doen om dringend iets te doen aan deze situatie, die niet langer kan worden getolereerd, niet in de laatste plaats vanwege de impact ervan op de nationale begrotingen, die ook al aan consolidatiemaatregelen onderworpen zijn, en op de belastingbijdrage van andere belastingbetalers, zoals kmo's en burgers; benadrukt in deze context dat het van plan is zijn rol ten volle te vervullen en bereid is doeltreffender politiek toezicht te houden, in nauwe samenwerking met de nationale parlementen;

93.  verzoekt de Commissie haar verplichting als hoedster van de Verdragen na te komen door te waarborgen dat de EU-wetgeving en het beginsel van loyale samenwerking tussen de lidstaten volledig in acht worden genomen; dringt er bij de Commissie op aan ambtshalve verdere juridische stappen te zetten in overeenstemming met haar bevoegdheden uit hoofde van het Verdrag; verzoekt de Commissie derhalve haar interne capaciteit te vergroten, eventueel door de oprichting van een specifieke belastingeenheid binnen haar diensten, die zich bezighoudt met zowel het toenemende aantal aanmeldingen van staatssteun op het gebied van het mededingsbeleid, als haar toegenomen verantwoordelijkheid voor het coördineren van de nieuwe maatregelen inzake belastingtransparantie;

94.  verzoekt de lidstaten de Commissie alle nodige informatie te verstrekken, zodat zij ongehinderd haar rol als hoedster van de Verdragen kan vervullen;

95.  verzoekt de Commissie good practices inzake verrekenprijzen en vergoedingen voor leningen en financiering bij transacties binnen een groep te bevorderen, zodat die in overeenstemming worden gebracht met de gangbare marktprijzen;

96.  onderstreept dat de lidstaten volledig bevoegd blijven voor het vaststellen van hun eigen vennootschapsbelastingtarieven; benadrukt niettemin dat de belastingconcurrentie in de EU en met derde landen moet worden gevoerd binnen een duidelijk regelgevingskader, teneinde te zorgen voor eerlijke concurrentie tussen ondernemingen op de interne markt, verzoekt de lidstaten in de eerste plaats te zorgen voor een gunstig ondernemingsklimaat, dat onder meer wordt gekenmerkt door economische, financiële en politieke stabiliteit, alsook juridische zekerheid en eenvoudige belastingregels; verzoekt de Commissie kwesties in verband met vennootschapsbelasting, met inbegrip van schadelijke belastingpraktijken en de gevolgen daarvan, grondiger aan te pakken in het kader van het Europees semester, omdat zij een cruciale rol spelen bij het waarborgen van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën, en desbetreffende indicatoren, waaronder ramingen van de belastingkloof ten gevolge van belastingontwijking en ‑ontduiking, op te nemen in het scorebord voor macro-economische onevenwichtigheden;

97.  verzoekt de lidstaten, met name de lidstaten die financiële steun ontvangen, om structurele hervormingen door te voeren, belastingfraude te bestrijden en actie te ondernemen tegen agressieve fiscale planning;

98.  verzoekt de Commissie in dit verband een juist evenwicht te vinden tussen budgettaire en economische convergentie, en ervoor te zorgen dat het optreden bijdraagt tot groei, investeringen en werkgelegenheid;

99.  is van mening dat onder andere een omvattende, transparante en doeltreffende automatische uitwisseling van belastinginformatie en een verplichte gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting essentiële voorwaarden zijn voor de verwezenlijking van een belastingstelsel op EU-niveau dat de basisbeginselen van de interne markt in acht neemt en handhaaft;

100.  verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen, gezien de complexiteit van de kwestie, verscheidene complementaire maatregelen te nemen om de huidige situatie te verbeteren, rekening houdend met de noodzaak om de complexiteit voor alle belanghebbenden te verminderen en de nalevingskosten voor ondernemingen en belastingdiensten tot een minimum te beperken; benadrukt derhalve dat een vereenvoudiging van de belastingregelingen de eerste stap moet zijn in de richting van het verschaffen van meer duidelijkheid, niet alleen voor de lidstaten maar ook voor de burgers, die thans zijn uitgesloten van de uitwisseling van informatie;

101.  vraagt de Commissie verder empirisch onderzoek te doen naar een eventuele beperking van de mogelijkheid om royaltybetalingen aan verwante ondernemingen af te trekken van de vennootschapsbelasting, teneinde het verschuiven van winsten binnen concerns tegen te gaan;

102.  benadrukt het ten zeerste dat, ondanks herhaalde verzoeken, aanvankelijk slechts vier(44) van de in totaal 17 multinationals ermee hebben ingestemd voor de commissie te verschijnen om kwesties in verband met internationale belastingplanning te bespreken; vindt het onaanvaardbaar dat 13 multinationals – waaronder een aantal met grote publieke zichtbaarheid – aanvankelijk hebben geweigerd met een parlementaire commissie mee te werken, en vindt dit een aanfluiting van de waardigheid van het Europees Parlement en de burgers die het vertegenwoordigt; neemt er evenwel nota van dat 11 multinationals(45) er uiteindelijk, pas nadat de TAXE-commissie het verslag had aangenomen en kort voor de stemming in de plenaire vergadering, mee hebben ingestemd voor de commissie te verschijnen, terwijl twee multinationals(46) in hun weigering bleven volharden; beveelt derhalve zijn bevoegde autoriteiten aan te overwegen om deze ondernemingen de toegang tot de gebouwen van het Parlement te ontzeggen, en serieus te overwegen een duidelijk kader vast te stellen en de verplichtingen in de gedragscode voor organisaties die zijn opgenomen in het transparantieregister(47) aan te scherpen wat medewerking met de commissies en andere politieke organen van het Parlement betreft;

103.  vraagt om een onderzoek naar de rol van de financiële instellingen bij het ondersteunen van schadelijke belastingpraktijken;

Samenwerking en coördinatie op het gebied van voorafgaande fiscale rulings

104.  is teleurgesteld over de inhoud van het politieke akkoord van 6 oktober 2015 met de Raad, dat minder ver gaat dan het wetgevingsvoorstel van de Commissie van maart 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied; benadrukt dat het Commissievoorstel, naast een gemeenschappelijk kader voor de registratie en automatische uitwisseling van informatie inzake rulings, ook voorzag in bepalingen op grond waarvan de Commissie doeltreffend toezicht zou kunnen houden op de tenuitvoerlegging ervan door de lidstaten, en zou kunnen waarborgen dat rulings geen negatieve effecten hebben op de interne markt; benadrukt dat de goedkeuring van het standpunt van de Raad het onmogelijk zou maken ten volle profijt te trekken van de automatische uitwisseling van gegevens, met name wat de effectieve tenuitvoerlegging betreft, en vraag de Raad daarom bij het Commissievoorstel te blijven en terdege rekening te houden met het advies van het Parlement hierover, met name wat betreft het toepassingsgebied van de richtlijn (alle fiscale rulings, niet alleen grensoverschrijdende rulings), de retroactiviteitstermijn (alle nog geldige fiscale rulings moeten worden uitgewisseld) en de informatie die wordt verstrekt aan de Commissie, die inzage moet krijgen in de fiscale rulings;

105.  verzoekt de lidstaten op alle internationale fora de automatische uitwisseling van informatie tussen belastingdiensten te steunen als de nieuwe wereldwijde standaard; verzoekt met name de Commissie, de OESO en de G20 dit te bevorderen door middel van de meest geschikte en doeltreffende instrumenten in het kader van een inclusief wereldwijd proces; dringt aan op concrete maatregelen om te waarborgen dat automatische uitwisseling van informatie echt wereldwijd en daarmee doeltreffend wordt, met inachtneming van de vertrouwelijkheidsvereisten, door ontwikkelingslanden te steunen bij hun inspanningen om hun capaciteit voor volledige deelname aan automatische uitwisseling van informatie op te bouwen; benadrukt dat automatische uitwisseling van informatie binnen de EU kan plaatsvinden in de vorm van een centraal register voor de hele EU, waartoe de Commissie en de bevoegde nationale autoriteiten toegang hebben;

106.  verzoekt de lidstaten in overweging te nemen dat alle fiscale rulings, in het bijzonder wanneer er sprake is van verrekenprijzen, moeten worden vastgesteld in samenwerking met alle betrokken landen, dat de betreffende informatie automatisch, volledig en onverwijld tussen hen moet worden uitgewisseld en dat nationale maatregelen gericht op het beperken van belastingontwijking en de uitholling van de belastinggrondslag binnen de EU, met inbegrip van audits, gezamenlijk moeten worden uitgevoerd, rekening houdend met de ervaring die met het Fiscalis 2020-programma is opgedaan; herhaalt zijn standpunt dat de basiselementen van alle rulings die gevolgen voor andere lidstaten hebben, niet alleen moeten worden uitgewisseld tussen de belastingdiensten en de Commissie, maar ook moeten worden opgenomen in de verslaglegging per land door multinationals;

107.  benadrukt in dit verband dat niet alleen grensoverschrijdende, maar ook nationale rulings gevolgen voor andere lidstaten kunnen hebben, en verzoekt derhalve om een uitbreiding van de automatische uitwisseling van informatie tot alle rulings die zijn uitgevaardigd door of namens de regering of de belastingautoriteit van een lidstaat of een territoriale of administratieve onderafdeling daarvan, en die nog van kracht zijn op de datum van inwerkingtreding van de richtlijn; benadrukt met klem de centrale rol die de Commissie moet spelen bij het proces van vergaring en analyse van gegevens over rulings;

108.  vraagt voorts dat er een kader wordt vastgesteld om effectief toezicht te houden op de automatische uitwisseling van informatie, dat er statistieken over de uitgewisselde informatie worden verzameld en gepubliceerd, en met name dat de Commissie uiterlijk op 31 december 2016 een beveiligd centraal repertorium opzet waarmee de informatie-uitwisseling tussen de betrokken belastinginstanties wordt vergemakkelijkt; herinnert eraan dat de instelling van een systeem voor de automatische uitwisseling van informatie over fiscale rulings ertoe zal leiden dat er een enorme hoeveelheid gegevens zal worden vergaard, waardoor het moeilijk zou kunnen worden om de echte probleemgevallen op te sporen; benadrukt dat deze situatie, bovenop het feit dat het gaat om 28 lidstaten met verschillende talen en administratieve praktijken, het voor de Commissie en de lidstaten noodzakelijk maakt na te denken over slimme manieren, onder andere door middel van informatietechnologie, om met de hoeveelheid en verscheidenheid van de verkregen gegevens om te gaan, zodat de automatische uitwisseling van informatie binnen de Unie ook echt doeltreffend en nuttig is;

109.  verzoekt de Commissie te onderzoeken onder welke voorwaarden op langere termijn een EU-breed clearingsysteem kan worden opgezet, aan de hand waarvan de Commissie fiscale rulingpraktijken stelselmatig zou screenen teneinde de zekerheid, consistentie, eenvormigheid en transparantie van het systeem te vergroten en te controleren of deze rulings schadelijke gevolgen voor andere lidstaten hebben;

110.  benadrukt dat de Commissie, teneinde de transparantie voor burgers te vergroten, een jaarverslag moet publiceren met een samenvatting van de belangrijkste gevallen in het beveiligd centraal repertorium, en dat zij daarbij de vertrouwelijkheidsbepalingen van de richtlijn betreffende wederzijdse bijstand in acht moet nemen;

111.  verzoekt de Commissie te overwegen een gemeenschappelijk kader op EU-niveau voor fiscale rulings vast te stellen, met gemeenschappelijke criteria, in het bijzonder:

   de vereiste om fiscale rulings vast te stellen op basis van een alomvattende analyse van de overloopeffecten, onder meer van de gevolgen van de fiscale rulings voor de belastinggrondslagen van andere landen, waarbij alle relevante partijen en landen zijn betrokken,
   de openbaarmaking ervan, volledig dan wel in vereenvoudigde vorm, maar waarbij de vertrouwelijkheidsvereisten volledig in acht worden genomen,
   de verplichting om de criteria voor het verlenen, weigeren en intrekken van fiscale rulings openbaar te maken,
   gelijke behandeling van en beschikbaarheid voor alle belastingbetalers,
   geen beoordelingsmarge en volledige naleving van de onderliggende belastingbepalingen;

112.  verzoekt de Commissie gemeenschappelijke Europese richtsnoeren vast te stellen voor de toepassing van het arm's lengthbeginsel van de OESO, met het oog op een harmonisering van de praktijken van de lidstaten voor de bepaling van verrekenprijzen, op zodanige wijze dat de nationale administraties bij het vaststellen van verrekenprijsregelingen beschikken over instrumenten om soortgelijke ondernemingen te vergelijken, en niet alleen soortgelijke transacties;

113.  is van mening dat een eerlijk en doeltreffend belastingstelsel een passende mate van transparantie en vertrouwelijkheid vereist; is er daarom van overtuigd dat de belastingdiensten van de lidstaten en, indien van toepassing, de Commissie, toegang moeten hebben tot informatie over de uiteindelijke begunstigden van een rechtsinstrument en/of fiscale rulings;

114.  verzoekt de Commissie onder meer Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, waarin "fiscale misdrijven" onder de brede definitie van "criminele activiteit" vallen, te gebruiken om te achterhalen wie de uiteindelijke begunstigde van bepaalde rechtsinstrumenten is;

115.  verzoekt de Commissie om intern een centraal en openbaar register op te zetten met alle legale vrijstellingen, ontheffingen, aftrekkingen en belastingkredieten die van invloed zijn op de vennootschapsbelasting, met een kwantitatieve evaluatie van de weerslag op de begroting van elke lidstaat;

Gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB)

116.  neemt kennis van het actieplan dat de Commissie op 17 juni 2015 heeft voorgesteld om belastingontwijking aan te pakken en eerlijke en doeltreffende vennootschapsbelasting in de EU te bevorderen; verzoekt de Commissie de indiening van wetswijzigingen te bespoedigen met het oog op de snelle oprichting van een verplichte EU-brede gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB), waarmee niet alleen het probleem van preferentiële regelingen en incongruenties tussen nationale belastingstelsels wordt aangepakt, maar ook de meeste oorzaken van uitholling van de belastinggrondslag op Europees niveau (met name met betrekking tot verrekenprijzen); verzoekt de Commissie de in 2011 beëindigde werkzaamheden met betrekking tot het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot invoering van de CCCTB onverwijld te hervatten, rekening houdend met het standpunt van het Parlement ter zake en de nieuwe aspecten die sindsdien aan het licht zijn gekomen, en hierin de recentste conclusies van de werkzaamheden van de OESO mee te nemen, met name de normen die zijn voorgekomen uit het actieplan inzake grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS), zodat in 2016 een geconsolideerde tekst kan worden voorgelegd;

117.  verzoekt de Commissie in haar voorstellen bepalingen op te nemen om de definitie van investeringen in onderzoek en ontwikkeling en van permanente vestiging te verduidelijken in overeenstemming met economische substantie, ook met betrekking tot de digitale economie; wijst op het belang van investeringen in onderzoek en ontwikkeling en de noodzaak om investeringen en groei in de digitale economie niet te belemmeren, maar te bevorderen, zodat de opkomende economie van de EU in deze sector een concurrentievoordeel krijgt ten opzichte van andere actoren in de Verenigde Staten en elders; benadrukt dat uit het beschikbare bewijsmateriaal blijkt dat octrooiboxen niet bijdragen aan het stimuleren van innovatie en kunnen leiden tot vergaande grondslaguitholling door winstverschuiving; benadrukt tegelijk dat misbruik of uitbuiting van dergelijke systemen zoveel mogelijk moeten worden beperkt door een gecoördineerd optreden van de lidstaten en gemeenschappelijke normen en definities inzake wat wel en niet bevorderlijk is voor onderzoek en ontwikkeling; benadrukt dat de zogeheten gewijzigde nexusbenadering van octrooiboxen, zoals aanbevolen door het BEPS-initiatief, ontoereikend zal zijn om de problemen met octrooiboxen voldoende te beperken;

118.  benadrukt dat, om de link tussen belastingheffing en economische substantie te herstellen, ervoor te zorgen dat dat belastingen worden betaald in de landen waar de reële economische activiteiten plaatsvinden en waarde wordt gecreëerd, alsook om bestaande incongruenties te corrigeren, bij "formula apportionment" een onderscheid moet worden gemaakt tussen sectoren, zodat rekening wordt gehouden met hun specifieke kenmerken, met name wat digitale ondernemingen betreft, aangezien de digitale economie het voor de autoriteiten nog moeilijker maakt om te bepalen waar de waarde wordt gecreëerd; vraagt de Commissie het standpunt van het Parlement over de CCCBT zorgvuldig in overweging te nemen en een "formula apportionment" vast te stellen die aansluit bij de reële economische activiteiten van ondernemingen; verzoekt de Commissie te blijven werken aan concrete opties voor het ontwerp van deze verdeelsleutel, met name om voor elke sector te anticiperen op de gevolgen voor de belastinginkomsten van elke lidstaat naar gelang van de structuur van zijn economie; benadrukt voorts dat de CCCTB een nuttig middel is om BEPS te bestrijden en Europese meerwaarde te creëren, ongeacht of de belastinginkomsten gedeeltelijk kunnen worden gebruikt als een nieuw eigen middel voor de EU-begroting of niet;

119.  is er voorstander van om zo spoedig mogelijk een volledige en verplichte CCCTB in te voeren; neemt kennis van de aanpak van de Commissie om een eenvoudige CCTB (zonder consolidatie) voor te stellen als eerste stap van haar actieplan van juni 2015, maar wijst erop dat dit een groot aantal kwesties open zal laten, met name voor ondernemingen op de interne markt, aangezien een CCTB niet voorziet in compensatie van verliezen door consolidatie, noch in de aanpak van de administratieve lasten en onzekerheid in verband met verrekenprijzen, die tevens een van de belangrijkste instrumenten zijn die multinationals gebruiken om belastingen te ontwijken, noch effectief een einde zou maken aan verschuiving van heffingsgrondslag binnen de Unie; dringt er daarom bij de Commissie op aan een concrete en korte deadline vast te stellen om het "consolidatie-element" op te nemen in het CCCTB-initiatief; verzoekt de Commissie af te zien van aanvullende effectbeoordelingen van deze maatregel, die sinds tientallen jaren op de EU-agenda staat, al onderwerp is geweest van uitgebreide voorbereidende werkzaamheden en nu door de Raad wordt tegengehouden sinds de formele indiening ervan in 2011;

120.  verzoekt de Commissie, in afwachting van de goedkeuring van een volledige CCCTB en de volledige tenuitvoerlegging daarvan op EU-niveau, onmiddellijk maatregelen te nemen om voor doeltreffende belastingheffing te zorgen, winstverschuiving (met name door verrekenprijzen) te beperken, een tussentijdse regeling – in afwachting van consolidatie – voor de compensatie van grensoverschrijdende winsten en verliezen te treffen, die tijdelijk moet zijn en voldoende garanties moet inhouden dat er geen nieuwe mogelijkheden voor agressieve belastingplanning door ontstaan, en in alle betreffende richtlijnen passende en doeltreffende antimisbruikregels op te nemen; verzoekt de Commissie de bestaande richtlijnen en ontwerprichtlijnen op het gebied van belasting- en vennootschapsrecht te controleren op de geschiktheid ervan om doeltreffende belastingheffing af te dwingen; verzoekt de Raad voorbereidselen te treffen voor de spoedige goedkeuring van deze bepalingen; benadrukt dat een van de doelstellingen van een CCCTB, namelijk minder administratieve rompslomp, slechts kan worden verwezenlijkt als de toepassing ervan gepaard gaat met de toepassing van gemeenschappelijke boekhoudregels en een harmonisatie van de administratieve praktijk op belastinggebied;

121.  verzoekt de Commissie duidelijke wetgeving vast te stellen inzake de definitie van economische substantie, het creëren van waarde en permanente vestiging, met name om het probleem van brievenbusfirma's aan te pakken, en EU-criteria en ‑richtsnoeren voor de behandeling van onderzoek en ontwikkeling op te stellen die verenigbaar zijn met, maar niet beperkt blijven tot, de werkzaamheden van de OESO op dit gebied, aangezien de lidstaten momenteel werken aan een hervorming van hun strategie ter zake, vaak in combinatie met subsidies; benadrukt dat in die wetgeving duidelijk moet worden vermeld dat er een direct verband moet bestaan tussen de door de belastingdiensten toegekende voorkeursregelingen en de onderliggende O&O-activiteiten; verzoekt de Commissie de EU-wetgeving inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen en de toepassing ervan te herzien in overeenstemming met het arrest-Cadbury Schweppes van het Europees Hof van Justitie (C-196/04), om volledig gebruik van gecontroleerde buitenlandse vennootschappen buiten situaties van volstrekt kunstmatige constructies te waarborgen en gevallen van dubbele niet-belastingheffing te voorkomen; verzoekt de Commissie voorstellen te doen voor het harmoniseren van de regels inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen in de EU;

122.  verzoekt de Commissie tevens om, bij gebrek aan een algemeen aanvaarde definitie, verdere analyses en studies uit te voeren om een definitie van agressieve belastingplanning en schadelijke belastingpraktijken vast te stellen, en met name te kijken naar misbruik van verdragen ter voorkoming van dubbele belastingheffing en "hybrid mismatch"-constructies, rekening houdend met de diverse negatieve effecten die deze kunnen hebben op de samenleving, te zorgen voor toezicht op deze praktijken en na te gaan wat precies de gevolgen zijn van belastingontwijking in de EU en in ontwikkelingslanden; verzoekt de Commissie ook een methode vast te stellen voor het meten van de belastingkloof ten gevolge van belastingontwijking en ‑ontduiking – zoals zij in haar voorstel van maart 2015 heeft aangekondigd – en ervoor te zorgen dat deze meting regelmatig plaatsvindt teneinde de vooruitgang te volgen en passende beleidsreacties te formuleren; verzoekt de Commissie de nodige actie te ondernemen om duidelijkheid te scheppen over de exacte status van alle "afhankelijke rechtsgebieden" van de lidstaten en over welke hefbomen kunnen worden gebruikt om hun praktijken bij te sturen teneinde grondslaguitholling in de EU te voorkomen;

123.  herinnert eraan dat er naast fraude met de vennootschapsbelasting ook op grote schaal fraude wordt gepleegd met grensoverschrijdende btw, een belasting die van wezenlijk belang is voor alle nationale begrotingen; roept de Commissie op maatregelen te ontwikkelen om dit probleem aan te pakken, waaronder betere coördinatie op dit gebied tussen nationale belastingdiensten;

Gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen

124.  dringt aan op een dringende herziening van de Gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen en van de Groep die is belast met de naleving ervan, aangezien het nut daarvan tot op heden twijfelachtig is, teneinde de huidige belemmeringen voor een doeltreffende aanpak van schadelijke belastingpraktijken weg te nemen en een bijdrage te leveren aan de EU-brede coördinatie en samenwerking op het gebied van belastingbeleid;

125.  vraagt de lidstaten in een geest van goede samenwerking de voorstellen te steunen die zijn opgenomen in het actieplan van de Commissie van 17 juni 2015 voor eerlijke en doeltreffende vennootschapsbelasting in de EU; meent dat meer transparantie en verantwoording de legitimiteit van de Groep ten goede zouden komen; pleit er daarom voor om het bestuur en mandaat van de Groep te hervormen, onder meer door de benoeming van een permanent voorzitterschap dat politieke verantwoording moet afleggen, de verbetering van de werkmethoden, eventueel met een nalevingsmechanisme, de regelmatige deelname van ministers van Financiën of hoge ambtenaren aan de Groep om zijn zichtbaarheid te vergroten, en meer informatie-uitwisseling binnen de Groep om BEPS-kwesties doeltreffend aan te pakken; vraagt ook dat de criteria in de Gedragscode worden geactualiseerd en uitgebreid om nieuwe vormen van schadelijke belastingpraktijken te dekken, ook in derde landen; verzoekt de voorzitter van de Groep en de Raad regelmatig over de activiteiten van de Groep verslag uit te brengen aan en te overleggen met zijn bevoegde commissie, met name wat de indiening van zijn halfjaarlijkse verslagen aan Ecofin betreft;

126.  verzoekt de Raad meer in het algemeen de bevordering van een daadwerkelijk democratisch toezicht op grensoverschrijdende belastingaangelegenheden op EU-niveau te ondersteunen, naar analogie met wat reeds gebeurt op andere gebieden waarover lidstaten of andere onafhankelijke instellingen, zoals de Europese Centrale Bank en de raad van toezicht van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme, de exclusieve bevoegdheid hebben; verzoekt de Raad en de lidstaten om de mogelijkheid te overwegen een groep op hoog niveau inzake belastingbeleid in het leven te roepen, zoals de voorzitter van de Commissie heeft voorgesteld; onderstreept dat zo'n "belastingcommissie", die verantwoording dient af te leggen aan het Parlement, zou worden samengesteld uit vertegenwoordigers van de Raad en de Commissie, naar het model van het Economisch en Financieel Comité, alsmede onafhankelijke deskundigen, en een algemener toezicht op het wetgevend en niet-wetgevend belastingbeleid zou uitoefenen en aan Ecofin verslag zou uitbrengen; vraagt dat aan het Parlement een recht van initiatief krijgt om elke nationale maatregel waarvan het denkt dat die beantwoordt aan de criteria voor schadelijke belastingconcurrentie die zijn opgenomen in de Gedragscode, te melden bij de Groep gedragscode;

127.  verzoekt de Commissie om een tweede actualisering van het verslag inzake administratieve praktijken van Simmons & Simmons van 1999, als genoemd in punt 26 van het verslag van de Groep gedragscode van 1999, het verslag-Primarolo (SN 4901/99);

128.  vraagt de Raad en de lidstaten om, met inachtneming van de Verdragen en de bevoegdheid van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen, de transparantie, de verantwoordingsplicht en de monitoring van de Groep te verbeteren, en vraagt de Commissie om volgens de communautaire methode het initiatief te nemen tot kaderwetgeving; acht het van essentieel belang dat het brede publiek meer informatie krijgt over de werkzaamheden van de Groep;

129.  verzoekt de Commissie de aanbevelingen van de Europese Ombudsman met betrekking tot de samenstelling van deskundigengroepen volledig uit te voeren en een routekaart op te stellen die ervoor moet zorgen dat deskundigengroepen op evenwichtige wijze worden samengesteld; benadrukt dat terwijl naar dit doel wordt toegewerkt, onmiddellijk moet worden begonnen met het hervormen van de huidige structuur en samenstelling; onderstreept dat dergelijke hervormingen niet zullen resulteren in een gebrek aan technische deskundigheid voor wetgeving, aangezien die kan worden verschaft via openbare raadplegingen of openbare hoorzittingen met deskundigen die openstaan voor vertegenwoordigers van alle belangen; vraagt de Commissie een duidelijke definitie van belangenconflicten vast te stellen en een strikt beleid te voeren om te voorkomen dat actoren die risico lopen op dergelijke belangenconflicten, alsook vertegenwoordigers van organisaties die zijn veroordeeld voor belastingontduiking of een ander misdrijf, actief lid zijn van een deskundigengroep of adviserend orgaan;

Staatssteun

130.  is zeer ingenomen met en steunt de centrale rol van de Commissie als bevoegde mededingingsautoriteit in het kader van het lopende onderzoek naar staatssteun in verband met fiscale rulings; vindt het onterecht dat verschillende lidstaten herhaaldelijk geheimhouding hebben betracht bij projecten die staatssteun hebben ontvangen; moedigt de Commissie aan om haar bevoegdheden uit hoofde van de mededingingsregels van de EU ten volle te benutten om schadelijke belastingpraktijken aan te pakken en sancties op te leggen aan lidstaten en bedrijven waarvan is gebleken dat zij bij dergelijke praktijken betrokken waren; benadrukt de Commissie meer financiële en personele middelen moet inzetten om beter in staat te zijn alle noodzakelijke onderzoeken naar fiscale staatssteun meteen uit te voeren; benadrukt dat de lidstaten volledig moeten meewerken aan de onderzoeken en gehoor moeten geven aan verzoeken om informatie van de Commissie;

131.  vraagt de Commissie uiterlijk medio 2017 in het kader van haar initiatief voor de modernisering van het EU-staatssteunbeleid nieuwe richtsnoeren vast te stellen om te verduidelijken wat belastinggerelateerde staatssteun en "passende" verrekenprijzen inhouden, teneinde de rechtsonzekerheid weg te nemen voor zowel de belastingbetalers die zich aan de regels houden als de belastingdiensten, in een kader voor de belastingpraktijken van de lidstaten te voorzien en het gebruik van rechtmatige fiscale rulings niet te ontmoedigen; betwist het nut van het arbitrageverdrag, dat niet doelmatig is om geschillen te beslechten, met name over verrekenprijzen; is van oordeel dat dit instrument moet worden herzien en doelmatiger moet worden, of moet worden vervangen door een geschillenmechanisme van de EU met doeltreffendere procedures voor onderlinge afspraken;

132.  vraagt de Commissie haar onderzoeken uit te breiden tot andere in het LuxLeaks-schandaal genoemde multinationals en tot maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect als verrekenprijzen;

133.  verzoekt de Commissie om, overeenkomstig de ruimere verantwoordelijkheid die door de modernisering van het EU-staatssteunbeleid aan de lidstaten wordt toegekend, te overwegen een netwerk van nationale belastingdiensten op te zetten om best practices uit te wisselen en een meer samenhangende bijdrage te leveren aan de preventie van de invoering van belastingmaatregelen die op illegale staatssteun kunnen neerkomen; verzoekt de Commissie om de strategische synergieën te versterken tussen de activiteiten van de (hervormde) Groep gedragscode en de handhaving door de Commissie van de mededingingsregels op het gebied van belastinggerelateerde steun;

134.  neemt er nota van dat de huidige regels inzake toezicht op staatssteun beogen concurrentieverstorende praktijken tegen te gaan door onterecht aan bedrijven toegekende voordelen terug te vorderen; verzoekt de Commissie na te gaan of het mogelijk is de bestaande regels te veranderen, opdat de na een inbreuk op de EU-staatsteunregels teruggevorderde bedragen kunnen worden uitgekeerd aan de lidstaten die het slachtoffer zijn geweest van een uitholling van hun belastinggrondslag of naar de EU-begroting kunnen gaan, en niet naar de lidstaat die de illegale belastinggerelateerde steun heeft toegekend, zoals thans het geval is; verzoekt de Commissie de bestaande regels te veranderen om ervoor te zorgen dat er bij een inbreuk op de staatssteunregels sancties kunnen worden opgelegd aan de betrokken landen en bedrijven;

Transparantie

135.  is van mening dat de Unie het potentieel heeft om een model en een wereldleider op het gebied van fiscale transparantie te worden;

136.  onderstreept het cruciale belang van transparantie met het oog op het vergroten van de openbare verantwoordingsplicht van multinationals en het ondersteunen van belastingdiensten bij hun onderzoeken; onderstreept dat dit een sterk afschrikwekkend effect kan hebben en gedragingen kan veranderen, zowel door het risico voor de reputatie van bedrijven die zich niet aan de regels houden als door informatieverstrekking aan de bevoegde autoriteiten, die vervolgens passende corrigerende maatregelen en sancties kunnen vaststellen; benadrukt dat de behoefte aan transparantie moet worden afgewogen tegen de noodzaak om gevoelige commerciële belangen te beschermen en de regels inzake gegevensbescherming in acht te nemen;

137.  is van oordeel dat meer transparantie met betrekking tot de activiteiten van multinationals essentieel is om ervoor te zorgen dat belastingdiensten BEPS doeltreffend kunnen bestrijden; herhaalt dienovereenkomstig zijn standpunt dat multinationals in alle sectoren in hun financiële overzichten, uitgesplitst per lidstaat en per derde land waar zij gevestigd zijn, een reeks geaggregeerde gegevens op duidelijke en bevattelijke wijze openbaar moeten maken, met inbegrip van winst of verlies vóór belasting, aantal werknemers, activa en basisinformatie over fiscale rulings (verslaglegging per land); onderstreept het belang van het beschikbaar maken van deze informatie aan het publiek, mogelijk in de vorm van een centraal EU-register; benadrukt voorts dat kmo's en mid-caps die geen multinationals zijn, van deze verplichting moeten worden vrijgesteld; verzoekt de Raad om vóór eind 2015 zijn goedkeuring te hechten aan het standpunt dat het Parlement in juli 2015 heeft aangenomen over de richtlijn aandeelhoudersrechten; benadrukt dat de transparantievereisten op dusdanige wijze moeten worden opgesteld en toegepast dat ze voor Europese bedrijven geen concurrentienadeel vormen;

138.  verzoekt de lidstaten om een uitgebreider verslagleggingssysteem per land in te voeren dat beschikbaar is voor hun belastingautoriteiten, op basis van de OESO-norm en met inbegrip van gedetailleerdere informatie, zoals belastingaangiften en intragroeptransacties; benadrukt dat de verstrekking van belastinginformatie door bedrijven aan andere belastingdiensten gepaard moet gaan met een verbetering van het kader voor geschillenbeslechting, teneinde de respectievelijke rechten van elke partij te verduidelijken en negatieve neveneffecten te voorkomen; benadrukt dat, ten aanzien van belastingdiensten van derde landen, informatie alleen dient te worden doorgegeven aan de autoriteiten van landen die regelingen hebben getroffen die gelijkwaardig zijn aan die welke zijn vastgelegd in het Arbitrageverdrag van de EU; dringt tevens aan op de ontwikkeling van geharmoniseerde standaarden voor jaarrekeningen, die een meer gedetailleerde openbaarmaking van royalty's mogelijk maken;

139.  verzoekt de Commissie dit standpunt te ondersteunen overeenkomstig haar eerdere evaluaties en standpunten, en alle noodzakelijke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de toepassing ervan tot alle multinationals op de interne markt wordt uitgebreid, en verzoekt de OESO de wereldwijde verbreiding ervan te ondersteunen om ervoor te zorgen dat soortgelijke verplichtingen van toepassing zijn op alle bedrijven die grensoverschrijdende transacties verrichten; onderstreept dat maatregelen ter verbetering van de transparantie weliswaar noodzakelijk zijn, maar niet volstaan om de kwestie op allesomvattende wijze aan te pakken, en dat ook de nationale, EU- en internationale belastingstelsels ingrijpend moeten worden hervormd;

140.  benadrukt dat de huidige ondoorzichtigheid van het internationale belastingstelsel multinationals in staat stelt belastingen te ontwijken, nationale belastingwetten te omzeilen en hun winsten naar belastingparadijzen te versluizen; vraagt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten volledige toegang hebben tot centrale registers van uiteindelijke begunstigden van zowel bedrijven als trusts, overeenkomstig de vierde antiwitwasrichtlijn; verzoekt de lidstaten om de vierde antiwitwasrichtlijn snel om te zetten en zo te zorgen voor brede en vereenvoudigde toegang tot informatie in centrale registers van uiteindelijke begunstigden; herhaalt zijn standpunt dat deze registers openbaar moeten zijn;

141.  waardeert het werk dat de Commissie heeft verricht om een Europees fiscaal identificatienummer (FIN) te ontwikkelen; verzoekt de Commissie om een voorstel in te dienen voor een Europees fiscaal identificatienummer (FIN), gebaseerd op het ontwerp voor een Europees FIN in het actieplan van de Commissie inzake de bestrijding van belastingfraude en belastingontduiking van 2012 (actie 22); herinnert eraan dat het FIN beschouwd wordt als de beste manier om belastingbetalers te identificeren en dringt er dus op aan dit project sneller te implementeren; dringt er in dit verband ook bij de Commissie op aan om op mondiaal niveau een vergelijkbaar identificatienummer te ontwikkelen, zoals de mondiale identificatiecode voor juridische entiteiten (LEI) van het Regulatory Oversight Committee;

142.  benadrukt bovendien dat transparantie ook van groot belang is bij de lopende onderzoeken naar staatssteun in verband met fiscale rulings;

143.  verzoekt de Commissie om na te gaan of het mogelijk is om in de EU bepalingen toe te passen die vergelijkbaar zijn met de regel van de Amerikaanse Governmental Accounting Standards Board (GASB)(48) die vereist dat nationale en plaatselijke overheden verslag uitbrengen over hoeveel inkomsten zij verliezen aan belastingvoordelen voor bedrijven met het oog op economische ontwikkeling;

Bescherming van klokkenluiders

144.  vraagt de Commissie om uiterlijk in juni 2016 een EU-wetgevingskader voor te stellen om klokkenluiders e.d. effectief te beschermen; benadrukt dat het onaanvaardbaar is dat burgers en journalisten veeleer vervolging riskeren dan rechtsbescherming krijgen wanneer zij, in het openbaar belang, informatie onthullen over of melding maken van vermoedelijke vergrijpen, strafbare feiten, fraude of illegale activiteiten, met name in gevallen van belastingontwijking, belastingontduiking en witwassen, of andere gedragingen die inbreuk maken op de fundamentele beginselen van de EU, zoals het beginsel van loyale samenwerking;

145.  vraagt de Commissie een reeks instrumenten te overwegen om deze bescherming tegen ongerechtvaardigde rechtsvervolging, economische sancties en discriminatie te waarborgen en tegelijkertijd te zorgen voor de bescherming van de vertrouwelijkheid en bedrijfsgeheimen; vestigt in dit verband de aandacht op het voorbeeld van de Amerikaanse Dodd-Frank Act, die klokkenluiders beloont voor het leveren van originele informatie aan de autoriteiten en hen beschermt tegen rechtsvervolging en ontslag, waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat zo'n beloning geen stimulans mag zijn om gevoelige bedrijfsinformatie openbaar te maken; stelt voor om een onafhankelijk Europees orgaan op te richten dat deze informatie verzamelt en onderzoeken voert, alsook een gemeenschappelijk pan-Europees klokkenluidersfonds, dat klokkenluiders passende financiële steun biedt, die beide worden gefinancierd met een heffing op een deel van het teruggevorderde geld of van de opgelegde boetes; is van mening dat er ook bescherming moet worden geboden aan klokkenluiders die het publiek op de hoogte brengen nadat zij eerst de bevoegde autoriteiten op nationaal of EU-niveau op de hoogte hebben gebracht en die na een maand niet hebben gereageerd;

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

146.  is van mening dat het toepassen van een verantwoorde belastingstrategie moet worden beschouwd als een pijler van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO), met name volgens de bijgewerkte definitie van MVO als "de verantwoordelijkheid van bedrijven voor het effect dat ze op de samenleving hebben"(49); betreurt dat de meeste bedrijven dit niet in hun MVO-verslag vermelden; onderstreept dat agressieve belastingplanning niet verenigbaar is met MVO; verzoekt de Commissie om dit element op te nemen in een bijgewerkte EU-strategie ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen en de inhoud ervan naar behoren te definiëren;

Derdelanddimensie

OESO

147.  ondersteunt het BEPS-actieplan van de OESO, maar erkent dat dit het resultaat van een compromis is, dat niet ver genoeg gaat om de omvang van het belastingontwijkingsprobleem aan te pakken, en dat deze voorstellen het uitgangspunt moeten vormen voor verdere maatregelen op EU-niveau; vraagt dat de OESO, haar lidstaten en alle andere betrokken landen een sterk toezichtsinstrument opzetten om de voortgang van de tenuitvoerlegging van deze richtsnoeren te evalueren, te controleren of ze wel doeltreffend zijn en eventueel corrigerende maatregelen te treffen;

148.  beveelt aan om de institutionele banden en de samenwerking tussen de OESO en de Commissie te versterken om de verenigbaarheid van beide processen in stand te houden en dubbele maatstaven te voorkomen; vraagt de lidstaten alle op de OESO-richtsnoeren gebaseerde EU-wetgeving onverwijld in nationaal recht om te zetten, zodat de EU een voortrekker wordt bij de uitvoering van de aanbevelingen van de OESO; onderstreept evenwel dat de aanpak van de OESO nog steeds is gebaseerd op "soft law" en dat haar optreden moet worden aangevuld met een gedegen wetgevingskader op EU-niveau dat beantwoordt aan de behoeften van de interne markt, bv. in de vorm van een anti-BEPS-richtlijn die verder gaat dan het BEPS-initiatief van de OESO op gebieden die daarin onvoldoende aan bod komen;

Belastingparadijzen

149.  dringt aan op een gemeenschappelijke EU-aanpak van belastingparadijzen; verzoekt de Commissie met name om verder te werken aan de ontwikkeling en vaststelling van een Europese definitie, een gemeenschappelijke reeks criteria om te bepalen wat belastingparadijzen zijn, ongeacht waar zij zich bevinden, en passende sancties voor landen die met belastingparadijzen samenwerken – op basis van haar aanbeveling van december 2012 inzake maatregelen om derde landen aan te moedigen minimumnormen voor goed bestuur in belastingzaken toe te passen (d.w.z. maatregelen die naast informatie-uitwisseling en transparantie ook eerlijke belastingconcurrentie en doeltreffende belastingheffing inhouden) – en voor bedrijven die belastingparadijzen gebruiken voor agressieve belastingplanning, en aan de vaststelling van passende gemeenschappelijke maatregelen die op deze rechtsgebieden van toepassing zijn; verwijst naar zijn resolutie van 21 mei 2013 over de strijd tegen belastingfraude, belastingontduiking en belastingparadijzen voor een niet-limitatieve lijst van mogelijke maatregelen(50); herhaalt dat daadwerkelijk Europese lijsten, die regelmatig worden geactualiseerd en zijn gebaseerd op uitgebreide, transparante, betrouwbare, objectief verifieerbare en algemeen aanvaarde indicatoren, doeltreffender zouden zijn als middel om goed fiscaal bestuur te bevorderen en de fiscale gedragingen ten opzichte van en binnen deze rechtsgebieden te veranderen;

150.  verzoekt de Commissie om in de Europese zwarte lijst de gebieden op te nemen die belastingvoordelen toekennen aan entiteiten zonder substantiële economische activiteiten in het land te vereisen, beduidend lage effectieve belastingen bieden en geen automatische uitwisseling van fiscale informatie met andere rechtsgebieden garanderen;

151.  onderstreept met name dat ervoor moet worden gezorgd dat uitgaande financiële stromen ten minste één keer worden belast, bv. door een bronbelasting of gelijkwaardige maatregelen, om te voorkomen dat winsten de EU onbelast verlaten, en vraagt de Commissie daartoe een wetgevingsvoorstel in te dienen, bv. door een herziening van de moeder-dochterrichtlijn en de richtlijn interest en royalty's; dringt erop aan een systeem in te voeren om ervoor te zorgen dat ter bevestiging een document bij de nationale belastingautoriteiten moet worden ingediend en aan de Commissie moet worden meegedeeld waarmee deze operatie wordt aangetoond, zodat de interne markt wordt beschermd en de band wordt gehandhaafd tussen de plaats waar de winsten worden gemaakt en de economische waarde wordt gegenereerd en de plaats waar deze worden belast; benadrukt dat een dergelijk systeem zorgvuldig moet worden ontworpen teneinde dubbele belastingheffing en geschillen te voorkomen; vraagt de Commissie steun te betuigen voor de door de OESO gepromote multilaterale aanpak van belastingkwesties – die beoogt internationale belastingafspraken te stroomlijnen en ervoor te zorgen dat winsten daar worden belast waar zij gegenereerd worden – en tegelijk de rol van de EU op het internationale toneel te versterken door met één stem te spreken en te werken aan de ontwikkeling van een gemeenschappelijk EU-kader voor bilaterale belastingverdragen en een geleidelijke vervanging van het enorme aantal afzonderlijke bilaterale belastingverdragen door verdragen tussen de EU en derde rechtsgebieden; onderstreept dat dit de meest directe manier zou zijn om "verdragshoppen" tegen te gaan; vraagt de lidstaten in afwachting daarvan onmiddellijk antimisbruikbepalingen op te nemen in hun belastingverdragen, in overeenstemming met de BEPS-voorstellen;

152.  is van oordeel dat het sluiten van vrijhandelsovereenkomsten vergezeld moet gaan van meer samenwerking op belastinggebied om belastingontwijking door bedrijven die op dezelfde markten concurreren te voorkomen en voor een gelijk speelveld te zorgen; verzoekt de Commissie daarom in alle vrijhandelsovereenkomsten van de EU belastingbepalingen op te nemen die partnerlanden ertoe verplichten voor goed fiscaal bestuur en wederkerigheid in belastingzaken te zorgen; onderstreept dat de werkzaamheden van het EU-platform voor goed fiscaal bestuur een goede basis vormen om dit concept toe te passen; onderstreept dat hetzelfde van toepassing zou kunnen zijn op de samenwerkingsovereenkomsten van de EU;

153.  verzoekt EU-organen om niet samen te werken met rechtsgebieden die niet bereid zijn tot samenwerking inzake belastingkwesties, noch met bedrijven die zijn veroordeeld wegens belastingfraude, belastingontduiking of agressieve belastingplanning; vraagt dat instellingen zoals de Europese Investeringsbank (EIB) en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) niet langer via hun financiële tussenpersonen samenwerken met fiscale rechtsgebieden die niet bereid zijn tot samenwerking; vraagt EU-organen bovendien om zich ertoe te verbinden geen EU-financiering toe te kennen aan bedrijven die zijn veroordeeld wegens belastingfraude, belastingontduiking of agressieve belastingplanning;

154.  verzoekt de Commissie om alle instrumenten waarover zij beschikt, te gebruiken om een meer gecoördineerde benadering ten aanzien van industrielanden te bevorderen teneinde een grotere wederkerigheid in belastingkwesties te stimuleren, met name wat betreft informatie-uitwisseling met de Verenigde Staten na de inwerkingtreding van de Foreign Account Tax Compliance Act (wet op de naleving van de belastingplicht voor buitenlandse rekeningen); vraagt de Commissie ook om, in het licht van de overeenkomst van 27 mei 2015 tussen de EU en Zwitserland over de automatische uitwisseling van informatie over financiële rekeningen, ter bescherming van de interne markt nauwgezet toe te zien op de overeengekomen geleidelijke afschaffing van een aantal schadelijke belastingpraktijken in Zwitserland, overeenkomstig de BEPS-richtsnoeren, en erop te letten dat er in de toekomst geen nieuwe schadelijke belastingmaatregelen worden ingevoerd; verzoekt de Commissie bij de lopende onderhandelingen met Zwitserland voor te stellen om regels inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen op te nemen in het Zwitsers recht; benadrukt dat de Commissie ervoor moet zorgen dat Zwitserland de EU-aanpak op belastinggebied volgt en verslag moet uitbrengen aan het Parlement;

155.  herinnert eraan dat alle lidstaten hebben gekozen voor een multilaterale aanpak van de automatische uitwisseling van informatie, door middel van het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken en de herziening van de EU-richtlijnen(51) in 2014; benadrukt dat deze twee initiatieven essentieel zijn om belastingontduiking en het bankgeheim aan te pakken, aangezien zij financiële instellingen ertoe verplichten de belastingdiensten allerlei informatie te verstrekken over ingezetenen met inkomsten die worden gegenereerd door in het buitenland aangehouden activa;

Ontwikkelingslanden

156.  onderstreept dat bij het concipiëren van maatregelen en beleid ter voorkoming van belastingontwijking op nationaal, EU- en internationaal niveau speciale aandacht moet worden besteed aan de situatie van de ontwikkelingslanden, en met name van de minst ontwikkelde landen, die doorgaans het hardst worden getroffen door ontwijking van vennootschapsbelasting en over zeer smalle belastinggrondslagen en een lage verhouding tussen de belastingopbrengsten en het bbp beschikken; onderstreept dat deze maatregelen en dit beleid moeten bijdragen tot het genereren van overheidsinkomsten die in verhouding staan tot de toegevoegde waarde die op hun grondgebied wordt gegenereerd, zodat hun ontwikkelingsstrategieën, de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 naar behoren kunnen worden gefinancierd; is in dit verband ingenomen met het werk van de deskundigencommissie inzake internationale samenwerking in belastingaangelegenheden van de VN; verzoekt de Commissie om de belangen van de ontwikkelingslanden in het kader van bestaande internationale initiatieven te steunen en vertegenwoordigers uit ontwikkelingslanden op te nemen in haar platform voor goed fiscaal bestuur;

157.  roept de EU en de deelnemers aan het BEPS-project van de OESO op ervoor te zorgen dat de nieuwe door de OESO ontwikkelde "mondiale norm voor de automatische uitwisseling van informatie" voorziet in een overgangsperiode voor ontwikkelingslanden die door een gebrek aan administratieve capaciteit nog niet kunnen voldoen aan de vereisten van wederzijdse automatische uitwisseling van informatie;

158.  vraagt de Commissie verdere maatregelen voor te stellen om de administratieve capaciteit in de ontwikkelingslanden te helpen vergroten, met name in belastingaangelegenheden, om een doeltreffende uitwisseling van belastinggegevens met hun administraties mogelijk te maken; dringt aan op het instellen van een platform voor ontwikkelingslanden door het uitvoeren van proefprojecten inzake de automatische uitwisseling van informatie; vraagt de ontwikkelingslanden om regionale overeenkomsten of andere vormen van samenwerking in belastingzaken te stimuleren teneinde hun onderhandelingspositie ten opzichte van buitenlandse directe investeerders en multinationals te versterken en kwesties van gemeenschappelijk belang aan te pakken;

159.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat hun instanties voor ontwikkelingshulp kunnen beschikken over voldoende technische deskundigheid, met name van het ministerie van Financiën en de belastingdiensten, om belastingkwesties in het ontwikkelingsbeleid aan te pakken;

160.  verwijst naar het actieplan zoals uiteengezet in zijn resolutie van 8 juli 2015 over belastingontwijking en belastingontduiking als uitdagingen voor bestuur, sociale bescherming en ontwikkeling in ontwikkelingslanden; moedigt alle landen en internationale organisaties, zoals de VN, aan om deel te nemen aan een inclusief proces en bij te dragen tot de belastingagenda van de G20/OESO, waarbij BEPS worden aangepakt, de internationale fiscale transparantie en de wereldwijde uitwisseling van belastinggegevens worden bevorderd, bv. door de ontwikkeling van één gezamenlijke verslaglegginsnorm voor de automatische uitwisseling van informatie of de openbaarmaking van de uiteindelijke begunstigden; vraagt de Commissie en de lidstaten een grotere rol voor de VN in toekomstige internationale belastingbesprekingen te steunen, bv. door de oprichting van een mondiaal belastingorgaan onder auspiciën van de Verenigde Naties te steunen;

Belastingadviseurs

161.  wijst erop dat het problematisch en aanvechtbaar is dat binnen dezelfde kantoren diensten op het gebied van belastingadvies, accountantscontrole en consulting worden aangeboden, enerzijds ten behoeve van de belastingdiensten, bv. voor de opzet van belastingstelsels en de verbetering van de belastinginning, en anderzijds ten behoeve van belastingplanning voor multinationals, waarbij de zwakke punten van de nationale belastingwetgeving mogelijk worden uitgebuit;

162.  wijst op het bestaan van een Europees rechtskader, dat met name bestaat uit het laatste pakket betreffende de hervorming van de auditmarkt, waaraan het Parlement in zijn resolutie van 3 april 2014(52) zijn goedkeuring heeft gehecht; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de toepasselijke wettelijke bepalingen daadwerkelijk binnen de vastgestelde termijnen en in overeenstemming met de beoogde doelstellingen worden toegepast in de lidstaten;

163.  verzoekt de Commissie om met voorstellen te komen voor richtsnoeren voor de belastingadviessector en voor het opzetten van een EU-wijde onverenigbaarheidsregeling voor belastingadviseurs en eventueel voor banken, om ervoor te zorgen dat belangenconflicten tussen dienstverlening aan de publieke en particuliere sectoren worden voorkomen;

164.  verzoekt de Commissie een onderzoek te starten naar de mate van concentratie in de sector en de mogelijke concurrentieverstoring die daaruit voortvloeit; beveelt aan om bij dit onderzoek ook specifiek na te gaan of het combineren van belastingadvies en accountantscontrolefuncties bij dezelfde kantoren tot belangenconflicten kan leiden, en dienovereenkomstig maatregelen voor te stellen, onder meer door mechanismen in te voeren om afdelingen binnen de advieskantoren van elkaar te scheiden;

165.  vraagt dat de Commissie dringend de mogelijkheid onderzoekt om een wetgevingskader in te voeren dat voorziet in afdoende sancties voor firma's, banken, accountantskantoren en financiële adviseurs waarvan bewezen is dat zij betrokken zijn bij het uitvoeren of bevorderen van onwettige belastingontwijking en agressieve belastingplanning; benadrukt dat deze sancties een afschrikkend effect moeten hebben en onder meer kunnen bestaan in boetes, het ontzeggen van toegang tot middelen uit de EU-begroting, verbod op een adviserende rol binnen de EU-instellingen en, in extreme en herhaalde gevallen, intrekking van bedrijfsvergunningen;

Verdere maatregelen op nationaal niveau

166.  moedigt verdere maatregelen op nationaal niveau aan om belastingontwijking aan te pakken in het kader van de EU en de OESO, aangezien ongecoördineerde reacties kunnen leiden tot nog meer incongruenties en mogelijkheden voor belastingontwijking; onderstreept dat samenwerking het beste instrument voor de bestrijding van grondslaguitholling is en de voorkeur verdient boven de unilaterale invoering van preferentiële regelingen om investeringen aan te trekken;

167.  vraagt de Commissie richtsnoeren voor belastingamnestie door de lidstaten vast te stellen om te omschrijven onder welke omstandigheden een dergelijke amnestie zou voldoen aan de bepalingen van de EU-verdragen betreffende het vrij verkeer van kapitaal, het vrij verrichten van diensten, de regels inzake staatssteun en witwassen van geld en de gemeenschappelijke EU-aanpak van belastingparadijzen; herinnert eraan dat deze praktijk met de grootste omzichtigheid moet worden toegepast teneinde belastingontduikers niet aan te moedigen om te wachten op de volgende amnestie;

168.  vraagt de lidstaten een regeling voor bronbelasting op royalty's in te voeren opdat ook belasting wordt geheven over royalty's die worden afgedragen aan derde landen die niet onder bilaterale belastingverdragen vallen;

169.  vraagt elke lidstaat alvorens belastingmaatregelen in te voeren die in het buitenland van invloed kunnen zijn, effectbeoordelingen van overloopeffecten in andere landen te verrichten, zo nodig met technische ondersteuning van de Commissie; vraagt dat de nationale parlementen nauw bij de kwestie van belastingontwijking worden betrokken, aangezien geen enkel belastingstelsel en geen enkele fiscale behandeling aan een gedegen evaluatie en democratische controle door de wetgever mag ontsnappen;

170.  vraagt de lidstaten met klem de bezuinigingen op hun belastingdiensten stop te zetten en opnieuw te overwegen, meer in hun belastingdiensten te investeren, hun belastingdiensten efficiënter te maken, het personeel beter te verdelen en de technologie en deskundigheid te verbeteren, teneinde de ontwikkeling en weerslag van schadelijke belastingpraktijken aan te pakken, die steeds geperfectioneerder worden; verzoekt de Commissie aan dergelijke inspanningen technische ondersteuning te bieden, met name in het kader van het Fiscalis 2020-programma; verzoekt de lidstaten werk te maken van eenvoudige, doeltreffende en transparante belastingregelingen in het belang van de lidstaten, de burgers en het bedrijfsleven;

171.  herinnert eraan dat overheidsopdrachten 16 % van het bbp in de EU vertegenwoordigen; vraagt dat de mogelijkheid wordt onderzocht om tijdens de volgende ronde van herzieningen van de richtlijn inzake overheidsopdrachten criteria inzake belastingen, transparantie of samenwerking in aanbestedingen te introduceren; verzoekt de lidstaten te overwegen om bedrijven waarvan is aangetoond dat zij bij agressieve belastingplanning en belastingontwijkingsconstructies betrokken waren, uit te sluiten van deelname aan overheidsopdrachten;

172.  onderstreept ten slotte dat de regel van eenparigheid van stemmen in de Raad waardoor elk land een vetorecht heeft, de stimulans vermindert om van de status quo naar meer samenwerking te gaan; verzoekt de Commissie niet te aarzelen om zo nodig gebruik te maken van artikel 116 VWEU, waarin het volgende is vastgelegd: "Ingeval de Commissie vaststelt dat een dispariteit tussen de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten de mededingingsvoorwaarden op de interne markt vervalst en zodoende een distorsie veroorzaakt welke moet worden opgeheven, raadpleegt zij de betrokken lidstaten. Indien deze raadpleging niet leidt tot overeenstemming waardoor de betrokken distorsie wordt opgeheven, stellen het Europees Parlement en de Raad, volgens de gewone wetgevingsprocedure, de voor dat doel noodzakelijke richtlijnen vast.";

173.  verbindt zich ertoe de werkzaamheden die zijn bijzondere commissie heeft aangevat, voort te zetten, iets te doen aan de belemmeringen waardoor zijn bijzondere commissie haar mandaat niet volledig heeft kunnen uitvoeren, en ervoor te zorgen dat een passend gevolg wordt gegeven aan haar aanbevelingen; draagt zijn bevoegde autoriteiten op na te gaan wat de beste institutionele constructie is om dit te bewerkstelligen;

174.  herhaalt zijn eis om toegang tot alle relevante EU-documenten; verzoekt zijn Voorzitter dit verzoek te doen toekomen aan de Commissie en de Raad en benadrukt dat het Parlement vastbesloten is om alle mogelijke beschikbare middelen te gebruiken om dit doel te bereiken;

175.  verzoekt zijn bevoegde commissie in haar komende initiatiefverslag van wetgevende aard over hetzelfde onderwerp een passend gevolg te geven aan deze aanbevelingen;

176.  verzoekt zijn voor constitutionele zaken bevoegde commissie aan deze aanbevelingen een passend gevolg te geven, met name wat betreft de opname van bindende samenwerkingsbepalingen in de gedragscode voor organisaties die zijn opgenomen in het Transparantieregister en de aanpassingen van de regels voor toegang tot documenten tussen EU-instellingen, teneinde ze beter af te stemmen op het in het Verdrag vastgelegde beginsel van loyale samenwerking;

o
o   o

177.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de lidstaten, de nationale parlementen, de G20 en de OESO.

BIJLAGE 1

LIJST MET PERSONEN DIE DE COMMISSIE HEEFT ONTMOET

(COMMISSIEVERGADERINGEN EN DELEGATIEBEZOEKEN)

Datum

Sprekers:

30.3.2015

—  Pierre Moscovici, commissaris voor Economische en Financiële Zaken, Belastingen en Douane

16.4.2015

—  Serge Colin, voorzitter UFE (Union of Finance Personnel)

—  Fernand Müller, voorzitter belastingcomité van UFE

—  Paulo Ralha, voorzitter Portugese vakbond voor medewerkers van de belastingdienst

—  François Goris, voorzitter UNSP-NUOD van CESI (Europese Confederatie van onafhankelijke vakbonden)

—  Nadja Salson, Europese Federatie van ambtenarenvakbonden

—  Henk Koller, voorzitter Europese Federatie van belastingadviseurs (CFE)

—  Olivier Boutellis-Taft, directeur Federatie van Europese accountants (FEE)

—  Ravi Bhatiani, directeur juridische zaken Independent Retail Europe

05.5.2015

—  Margrethe Vestager, commissaris voor Mededinging

—  Wolfgang Nolz, voorzitter van de Groep gedragscode

—  Jane McCormick, Senior Tax Partner, Head of EMA Tax, KPMG

—  Chris Sanger, Partner, Global Head of Tax Policy, Ernst&Young

—  Stef van Weeghel, partner bij PwC, Global Tax Policy Leader

—  Bill Dodwell, Head of Tax Policy, Deloitte VK

11.5.2015

Openbare hoorzitting over fiscale rulings en schadelijke fiscale praktijken

—  Stephanie Gibaud, klokkenluider en voormalig werknemer van UBS

—  Lutz Otte, klokkenluider en voormalig iT-contractant bij Julius Baer

—  Kristof Clerix, Internationaal Consortium van onderzoeksjournalisten (ICIJ)

—  Edouard Perrin, lid ICIJ

—  Richard Brooks, lid ICIJ

—  Lars Bové, lid ICIJ

—  Xavier Counasse, journalist bij Le Soir

—  Dominique Berlin, Collège européen de Paris, Université Panthéon-Assas (Paris 2)

—  Gabriel Zucman, assistent, London School of Economics and Political Sciences

—  Achim Doerfer, fiscaal jurist, auteur en rechtsfilosoof

12.5.2015

Delegatie naar België

—  Jacques Malherbe, Universiteit van Louvain (UCL)

—  Axel Haelterman, Universiteit van Leuven (KUL)

—  Werner Heyvaert, belastingdeskundige, Jones Day

—  Wim Wuyts, Head of Tax – voorzitter fiscale commissie VBO en Hilde Wampers, Vice President Tax - Group Finance VBO

—  Christophe Quintard, expert bij de FGTB, voormalig belastingcontroleur

—  Eric van Rompuy (voorzitter) en andere leden van de Commissie financiën en begroting van het federale parlement

—  Steven Vanden Berghe, hoofd van de dienst fiscale rulings

—  Johan Van Overtveld – minister van Financiën (bijeenkomst op 17 juni)

18.5.2015

Delegatiebezoek aan Luxemburg

—  Wim Piot, Tax Leader PWC Luxemburg

—  Nicolas Mackel, ceo Luxembourg for Finance

—  Christine Dahm, directeur, en Mike Mathias, lid van de Cercle de Coopération des ONG du développement

—  Eugène Berger (voorzitter) en andere leden van de parlementaire Commissie financiën

—  Pierre Gramegna, minister van Financiën

—  Pascale Toussing, directeur belastingen, Ministerie van Financiën en leden van de belastingdienst

22.5.2015

Delegatiebezoek aan Bern, Zwitserland

—  Markus R. Neuhaus, voorzitter van de raad van bestuur van PwC Zwitserland, lid van het kabinet van de Global Chairman van PwC

—  Frank Marty, lid van de raad van bestuur, hoofd financiële diensten en belastingen, Economie Suisse

—  François Baur, permanent afgevaardigde in Brussel, hoofd Europese zaken Economie Suisse

—  Martin Zogg, lid uitvoerend comité, hoofd binnenlandse en internationale belastingen, Swiss Holdings

—  Urs Kapalle, directeur financieel beleid en belastingen, Swiss Bankers Association

—  Mark Herkenrath, Alliance Sud, lid van de Global Alliance for Tax Justice

—  Olivier Longchamp, Declaration of Berne (DoB)

—  Jacques de Watteville, staatssecretaris internationale financiële aangelegenheden (SIF)

—  ambassadeur Christoph Schelling, hoofd van de dienst belastingbeleid

—  Adrian Hug, directeur van de Zwitserse federale belastingdienst

—  Ruedi Noser, lid Nationale Raad, voorzitter Commissie voor economische zaken en belastingen

—  Urs Schwaller, lid van de Kantonsraad

—  Ulrich Trautmann, hoofd van de sector handel en economische zaken, delegatie van de Europese Unie in Zwitserland en Liechtenstein

—  Marco Salvi, senior onderzoeker, Avenir Suisse

27.5.2015

Bijeenkomst met HM Government of Gibraltar (met coördinatoren van TAXE)

—  Fabian Picardo, premier

—  Joseph Garcia, vice-premier

28.5.2015

Delegatiebezoek aan Dublin, Ierland

—  Martin Lambe, directeur, Irish Tax Institute

 Michael Noonan, minister van Financiën

—  Niall Cody, voorzitter van de Revenue Commission

—  Liam Twomy (voorzitter) en andere leden van de Commissie financiële zaken van het Parlement (Oireachtas) + de Gezamenlijke Commissie Europese zaken van kamer en senaat

—  Frank Barry, Trinity College Dublin (TCD)

—  Seamus Coffey, University College Cork (UCC)

—  Feargal O'Rourke, Head of Tax, PWC

—  Conor O'Brien, Head of Tax, KPMG

—  Jim Clarken, ceo, Oxfam Ierland

—  Micheál Collins, Nevin Economic Research Institute (NERI)

29.5.2015

Delegatiebezoek aan Den Haag (Nederland)

—  Sjoera Dikkers, parlementslid, en andere leden van de Commissie voor Financiën van de Tweede Kamer

—  Bartjan Zoetmulder, Nederlandse Orde van belastingadviseurs

—  Hans van den Hurk, Universiteit van Maastricht

—  Indra Römgens, SOMO, onafhankelijke not-for-profit onderzoeks- en netwerkorganisatie

—  Francis Weyzig, Oxfam

—  Pieterbas Plasman, hoofd van de dienst fiscale rulings

—  Eric Wiebes, Nederlands staatssecretaris van Financiën

1.6.2015

Openbare hoorzitting over de internationale dimensie van fiscale rulings en andere maatregelen

—  Senator Mario Monti, voormalig commissaris voor Mededinging en Douane, Belastingen en Interne Markt

—  Tove Maria Ryding, manager beleid en belangenbehartiging van het European Network on Debt and Development (EURODAD)

—  Antoine Deltour, klokkenluider, voormalig accountant, PwC Luxemburg

17.6.2015

Interparlementaire bijeenkomst over "Agressieve fiscale planning en democratische controle: de rol van de parlementen"

Zevenendertig leden van achttien nationale parlementen:

AT, BE, CY, CZ, FR, DE, GR, HU, IE, IT, LT, LU, MT, PL, PT, RO, ES, SV

Heinz Zourek, directeur-generaal van DG TAXUD

—  Pascal Saint-Amans, directeur van het Centre for Tax Policy and Administration van de OESO

18.6.2015

Delegatiebezoek aan Londen, VK

David Gauke, staatssecretaris van Financiën

Jim Harra, directeur-generaal, bedrijfsbelasting, nationale belasting- en douanedienst

Fergus Harradence, adjunct-directeur vennootschapsbelastingteam, afdeling bedrijfs- en internationale belastingen, Ministerie van Financiën

Andrew Dawson, hoofd belastingverdragenteam, hoofdonderhandelaar voor belastingverdragen van het VK

Maura Parsons, adjunct-directeur, hoofd verrekenprijzen bij de nationale belasting- en douanedienst en voorzitter van de raad voor verrekenprijzen bij de nationale belasting- en douanedienst

—  Meg Hillier (voorzitter), Margaret Hodge (voormalig voorzitter) en Guto Bebb, lid van de Commissie Overheidsfinanciën van het Lagerhuis

—  Prem Sikka, professor boekhouding, Essex Business School, Universiteit van Essex

—  Frank Haskew, hoofd faculteit belastingen, ICAEW (Institute of Chartered Accountants in England and Wales) en Ian Young, International Tax Manager

—  Will Morris, voorzitter belastingcommissie en BIAC‑belastingcommissie, Confederation of British industry (CBI)

—  Richard Collier, senior partner belastingen bij PwC

Joseph Stead, Christian Aid

—  Meesha Nehru, programmadirecteur, Fair Tax Mark

23.6.2015

Gedachtewisseling met vertegenwoordigers van multinationale ondernemingen

—  Nathalie Mognetti, Chief Tax Officer, Total S.A.

—  Martin McEwen, Head of Tax, SSE plc

—  Christian Comolet-Tirman, directeur belastingen, BNP Paribas Groep

25.6.2015

Bijeenkomst met regeringsvertegenwoordiger van Bermuda (met coördinatoren van TAXE)

—  Everard Bob Richards, vicepremier en minister van Financiën

—  Alastair Sutton, juridisch adviseur over de EU voor de regering van Bermuda

2.7.2015

—  Richard Murphy, Tax Research LLP en oprichter van het Tax Justice Network

—  Guillaume de la Villeguérin, vicevoorzitter, Tax and Customs, Airbus

17.9.2015

—  Jean-Claude Juncker, voorzitter van de Europese Commissie

—  Pierre Moscovici, commissaris voor Economische en Financiële Zaken, Belastingen en Douane

—  Margrethe Vestager, commissaris voor Mededinging

22.9.2015

—  Pierre Gramegna, voorzitter Raad ECOFIN, minister van Financiën, Luxemburg

—  dr. Wolfgang Schäuble, minister van Financiën, Duitsland

—  Luis de Guindos, minister van Economische Zaken en Mededinging, Spanje

—  Michel Sapin, minister van Financiën en Overheidsrekeningen, Frankrijk

—  Pier Carlo Padoan, minister van Economie en Financiën, Italië

16.11.2015

Gedachtewisseling met multinationale ondernemingen

—  Monique Meche, Vice President, Global Public Policy, Amazon

—  Malte Lohan, Global Corporate Affairs Director, Anheuser-Busch InBev SA

—  Mark Hubbard, Global Head of Tax, Barclays Bank Group

—  Delphine Reyre, Director of Public Policy Southern Europe, Facebook

—  Iain McKinnon, Head of Group Tax, HSBC

—  Krister Mattsson, Head of Corporate Finance, Insurance, Tax & Treasury, IKEA Group

—  Irene Yates, Vice President, Corporate Tax, McDonald’s Europe

—  Werner Schuster, Vice President Tax, Philip Morris International

—  Nicklas Lundblad, Senior Director, Public Policy and Government Relations, Google

—  John Stowell, Senior Vice President, Corporate Taxes, The Walt Disney Company

—  Robert Jordan, Vice President, General Tax Counsel, Coca-Cola Company

BIJLAGE 2

LIJST VAN ANTWOORDEN PER LAND/INSTELLING

(situatie op 16 november 2015)

Land

Antwoord

1e verzoek op 23.4.2015 – deadline 31.5.2015

Zweden

29.5.2015

Jersey

29.5.2015

Guernsey

31.5.2015

Luxemburg

1.6.2015

Finland

2.6.2015

Slowakije

3.6.2015

Ierland

5.6.2015

Nederland

8.6.2015

Verenigd Koninkrijk

8.6.2015

Frankrijk

10.6.2015

Tsjechië

11.6.2015

Letland

16.6.2015

België

16.6.2015

Malta

18.6.2015

1e herinnering op 29.6.2015 – deadline 9.7.2015

Portugal

30.6.2015

Polen

2.7.2015

Litouwen

3.7.2015

Hongarije

7.7.2015

Kroatië

8.7.2015

Estland

10.7.2015

Griekenland

10.7.2015

Spanje

10.7.2015

Gibraltar

13.8.2015

Denemarken

26.8.2015

Duitsland

2.9.2015

Roemenië

3.9.2015

Italië

17.9.2015

Laatste herinnering op 21.9.2015

Oostenrijk

21.9.2015

Cyprus

22.9.2015

Bulgarije

28.9.2015

Slovenië

28.9.2015

INSTELLINGEN

Antwoord

Commissie

29.4.2015

3.6.2015

31.8.2015

23.10.2015

9.11.2015

Raad

29.5.2015

15.6.2015

27.7.2015

BIJLAGE 3

MULTINATIONALE ONDERNEMINGEN DIE WERDEN UITGENODIGD VOOR

COMMISSIEVERGADERINGEN

Naam

Genodigden/vertegenwoordigers

Situatie op 16 november 2015

Airbus

Guillaume de la Villeguerin,

Vice President Tax & Customs

Nam deel op 2.7.2015

BNP Paribas

Christian Comolet-Tirman,

Director, Fiscal Affairs

Nam deel op 23.6.2015

SSE plc

Martin McEwen, Head of Tax

Nam deel op 23.6.2015

Total S.A.

Nathalie Mognetti,

Chief Tax Officer

Nam deel op 23.6.2015

Amazon

Monique Meche, Vice President, Global Public Policy

Nam deel op 16.11.2015

Anheuser-Busch InBev

Malte Lohan, Global Corporate Affairs Director

Nam deel op 16.11.2015

Barclays Bank Group

Mark Hubbard, Global Head of Tax

Nam deel op 16.11.2015

Coca-Cola Company

Robert Jordan, Vice President, General Tax Counsel

Nam deel op 16.11.2015

Facebook

Delphine Reyre, Director of Public Policy Southern Europe

Nam deel op 16.11.2015

Google

Nicklas Lundblad, Senior Director, Public Policy and Government Relations

Nam deel op 16.11.2015

HSBC Bank plc

Iain McKinnon, Head of Group Tax

Nam deel op 16.11.2015

IKEA Group

Krister Mattsson, Head of Corporate Finance, Insurance, Tax & Treasury

Nam deel op 16.11.2015

McDonald's Europe

Irene Yates, Vice President, Corporate Tax

Nam deel op 16.11.2015

Philip Morris

International

Werner Schuster, Vice President Tax

Nam deel op 16.11.2015

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0039.
(2) Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1), betreffende wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van directe belastingen.
(3) Richtlijn 2003/49/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten (PB L 157 van 26.6.2003, blz. 49).
(4) PB L 225 van 20.8.1990, blz. 6.
(5) PB L 158 van 27.5.2014, blz. 196.
(6) PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.
(7) PB L 336 van 27.12.1977, blz. 15.
(8) PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73.
(9) PB C 384 van 10.12.1998, blz. 3.
(10) PB C 258 E van 7.9.2013, blz. 134.
(11) PB C 2 van 6.1.1998, blz. 2.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0257.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0265.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0089.
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0062.
(16) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0444.
(17) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0205.
(18) PB C 258 E van 7.9.2013, blz. 53.
(19) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 37.
(20) PB C 341 E van 16.12.2010, blz. 29.
(21) "Taxation trends in the European Union", editie 2014, Eurostat.
(22) "Taxation trends in the European Union", Eurostat statistical books, editie 2014.
(23) Europese Commissie (2015), "SME taxation in Europe – an empirical study of applied corporate income taxation for SMEs compared to large enterprises".
(24) Beleidsnota's van het IMF, "Spillovers in international corporate taxation", 9 mei 2014, en "Base Erosion, Profit Shifting and Developing Countries", 29 mei 2015.
(25) Verslag van Richard Murphy, FCA, "Closing the European Tax Gap", 10 februari 2012.
(26) "European added value of legislative report on bringing Transparency, coordination and convergence to corporate tax policies in the European Union", Dr. Benjamin Ferrett, Daniel Gravino en Silvia Merler, Europees Parlement.
(27) "Unhappy meal – €1 Billion in Tax Avoidance on the Menu at McDonald's", EPSU et al., februari 2015.
(28) Werkdocument van de diensten van de Commissie van 17 juni 2015 over vennootschapsbelasting in de Europese Unie (SWD(2015)0121).
(29) "A study on R&D Tax incentives", Taxation Paper nr. 52-2014, Europese Commissie.
(30) "Transfer pricing: Keeping it at arm's length", OECD Observer 230, januari 2002 (herzien in 2008).
(31) Lagerhuis van het VK, mondelinge getuigenis voor de Begrotingscommissie, 31 januari 2013.
(32) Persbericht OESO, "OECD urges stronger international co-operation on corporate tax", 12.2.2013.
(33) "SME taxation in Europe – An empirical study of applied corporate income taxation for SMEs compared to large enterprises", Europese Commissie, mei 2015, en P. Egger, W. Eggert & H. Winner (2010), "Saving taxes through foreign plant ownership", Journal of International Economics 81, blz. 99-108.
(34) C-106/09 P en C-107/09 P, Commissie tegen Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk, arrest van 15 november 2011.
(35) Als de door de lidstaten vastgestelde maatregelen betrekking hebben op het gehele belastingstelsel, zijn het wijzigingen van het algemene belastingbeleid en geen staatssteun.
(36) Nota van commissaris Vestager aan de Commissie TAXE van 29 april 2015.
(37) Zoals bepaald bij Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 VWEU, wat betreft de verplichting om samen te werken en alle noodzakelijke stukken te verstrekken.
(38) Beleidsnota IMF, "Spillovers in international corporate taxation", 9 mei 2014.
(39) Beleidsnota IMF, "Base erosion, profit shifting and developing countries", mei 2015.
(40) Studie "Tax revenue mobilisation in developing countries: issues and challenges", Europees Parlement, april 2014.
(41) World Investment Report 2015, Conferentie van de Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling (UNCTAD).
(42) Verslag van Christian Aid, 2008.
(43) PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 41.
(44) Airbus, BNP Paribas, SSE plc, Total S.A.
(45) Amazon, Anheuser-Busch InBev, Barclays Bank Group, Coca-Cola Company, Facebook, Google, HSBC Bank plc, IKEA, McDonald’s Corporation, Philip Morris, Walt Disney Company.
(46) Fiat Chrysler Automobiles, Walmart.
(47) Gedragscode als vermeld in bijlage III bij het Interinstitutioneel Akkoord over het transparantieregister.
(48) "Tracking corporate tax breaks: a welcome new form of transparency emerges in the US", Tax Justice Network.
(49) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - "Een vernieuwde EU-strategie 2011-2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen", (COM(2011)0681), blz. 6.
(50) Hiertoe behoren, om er maar enkele te noemen: bestaande verdragen ter voorkoming van dubbele belasting met rechtsgebieden die op de zwarte lijst staan, opschorten of stopzetten; ondernemingen die zijn gevestigd in rechtsgebieden die op de zwarte lijst staan, verbieden deel te nemen aan EU-overheidsopdrachten voor de levering van goederen en diensten en deze ondernemingen staatssteun weigeren; financiële instellingen en financiële adviseurs in de EU verbieden om in rechtsgebieden die op de zwarte lijst staan, filialen en dochterbedrijven op te richten of te behouden, en overwegen om de bankvergunning in te trekken van Europese financiële instellingen en financiële adviseurs die in rechtsgebieden die op de zwarte lijst staan, dochterbedrijven behouden en actief blijven; een speciale heffing invoeren op alle transacties naar of uit rechtsgebieden die op de zwarte lijst staan; een reeks opties onderzoeken om de juridische status van bedrijven die zijn opgericht in rechtsgebieden die op de zwarte lijst staan, niet te erkennen in de EU; tarifaire belemmeringen toepassen bij handel met derde landen die op de zwarte lijst staan;
(51) De EU-spaarrenterichtlijn en de richtlijn betreffende administratieve samenwerking.
(52) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0283 en P7_TA(2014)0284.


Het verlenen van toestemming voor het gebruik van bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP)
PDF 278kWORD 83k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2015 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit XXX voor het verlenen van toestemming voor het gebruik van bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (D041427 – 2015/2962(RSP))
P8_TA(2015)0409B8-1228/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit voor het verlenen van toestemming voor het gebruik van bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (D041427),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad(1), met name artikel 64, lid 8, hiervan,

–  gezien de adviezen van het Comité risicobeoordeling (Committee for Risk Assessment, RAC) en het Comité sociaaleconomische analyse (Committee for Socio-economic Analysis, SEAC)(2), overeenkomstig artikel 64, lid 5, alinea 3, van Verordening (EG) nr. 1907/2006,

–  gezien artikel 11 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(3),

–  gezien Richtlijn 2008/98/EG(4), met name artikel 4 hiervan,

–  gezien Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad(5), met name paragraaf 43, onder e), punt viii) van de bijlage hierbij,

–  gezien Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2015/863 van de Commissie(6),

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie(7),

–  gezien de ontwerpresolutie van zijn Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat DEHP is opgenomen in bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 (REACH-verordening) wegens de indeling ervan als een stof van categorie 1B die giftig is voor de voorplanting; overwegende dat DEHP op de kandidatenlijst van REACH staat wegens de reprotoxische kenmerken ervan;

B.  overwegende dat de bedoeling van de Commissie is, via een ontwerp van uitvoeringsbesluit over de identificering van bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP), dibutylftalaat (DBP), benzylbutylftalaat (BBP) en diisobutylftalaat (DIBP) als zeer zorgwekkende stoffen overeenkomstig artikel 57, onder f), van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad, DEHP te identificeren als zeer zorgwekkende stof;

C.  overwegende dat DEHP reeds in 2000, op basis van de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement met als titel "Communautaire strategie voor hormoonontregelaars" (COM(1999)0706), is opgenomen in bijlage 1 met de kandidatenlijst van 553 stoffen, in categorie I met chemicaliën die bewijs vertoonden van hormoonontregeling in minstens één soort met gebruikmaking van intacte dieren(8);

D.  overwegende dat DEHP een van de eerste zes verbindingen is die op grond van de REACH-verordening moesten worden uitgefaseerd, overeenkomstig de aankondiging van de Commissie van 17 februari 2011(9);

E.  overwegende dat het Comité lidstaten (Member State Committee, MSC) op 12 december 2014 unaniem heeft besloten tot de identificering van DEHP als stof die even zorgwekkend is als gevolg van de hormoonontregelende eigenschappen in het milieu(10); overwegende dat het MSC unaniem heeft vastgesteld dat er voor DEHP wetenschappelijk bewijs is van hormoonontregeling en van het oorzakelijke verband tussen deze ontregeling en negatieve gevolgen voor de menselijke gezondheid;

F.  overwegende dat de Commissie kennis neemt van de unanimiteit binnen het MSC met betrekking tot de verklaring dat vier ftalaten, inclusief DEHP, hormoonontregelende eigenschappen hebben en dat de negatieve gevolgen van deze werking dezelfde zijn als degene die hebben geleid tot de indeling ervan als giftig voor de voortplanting en de identificering ervan als zeer zorgwekkende stoffen overeenkomstig artikel 57, onder c), van de REACH-verordening; overwegende dat de Commissie ook kennis neemt van het feit dat de meerderheid van de MSC-leden van mening was dat de genoemde gevolgen aanleiding geven tot even grote bezorgdheid;

G.  overwegende dat de Commissie op 21 oktober 2015 een ontwerp van uitvoeringsbesluit heeft ingediend om DEHP te identificeren als stof met hormoonontregelende eigenschappen waarvan de gevolgen voor de menselijke gezondheid aanleiding geven tot even grote bezorgdheid overeenkomstig artikel 57, onder f), van de REACH-verordening;

H.  overwegende dat in het RAC-advies wordt vastgesteld dat DEHP een hormonale werking heeft, maar ook dat de stof is opgenomen in bijlage XIV wegens de indeling ervan als giftig voor de voortplanting (artikel 57, onder c)) en niet op basis van hormoonontregelende eigenschappen (artikel 57, onder f)); overwegende dat de beoordeling van DEHP die momenteel aan de gang is, bijgevolg beperkt is tot de voortplantingstoxiciteit ervan;

I.  overwegende dat DEHP moet worden geïdentificeerd als zeer zorgwekkende stof, omdat DEHP voldoet aan de criteria in artikel 57, onder f), van de REACH-verordening, doordat DEHP een stof is met hormoonontregelende eigenschappen waarvoor er wetenschappelijk bewijs is van waarschijnlijke ernstige gevolgen voor de menselijke gezondheid die even zorgwekkend zijn als voor andere stoffen die staan opgelijst in artikel 57, onder a) t/m e), van de REACH-verordening;

J.  overwegende dat de aanvrager een autorisatieaanvraag heeft ingediend volgens het pad van voldoende beheersing waarin is voorzien in artikel 60, lid 2, van de REACH-verordening; overwegende dat het pad van voldoende beheersing overeenkomstig artikel 60, lid 3, onder a), van de REACH-verordening evenwel niet van toepassing is op stoffen die voldoen aan de criteria in de CMR-indeling of de criteria van artikel 57, onder f), van de REACH-verordening waarvoor geen drempelwaarde als bedoeld in bijlage I, punt 6.4, van de verordening kan worden vastgesteld;

K.  overwegende dat is aangetoond dat DEHP negatieve gevolgen heeft voor het hormoonsysteem van zoogdieren, vooral met in-vivovaststellingen inzake verminderd foetaal testosteron; overwegende dat deze vaststellingen verder worden onderbouwd door mechanistische vaststellingen, eveneens in vivo, inzake de downregulatie van genen in de steroïdogene biosynthetische pathway; overwegende dat het spectrum van negatieve effecten die worden vastgesteld in ratten, verhoogde tepelretentie, verminderde anogenitale afstand, genitale misvormingen, een verminderd aantal spermatocyten en testiculaire veranderingen, inclusief multinucleaire gonocyten, tubulaire atrofie en hyperplasie van de cellen van Leydig;

L.  overwegende dat uit de wetenschappelijke gegevens met betrekking tot DEHP blijkt dat blootstelling op delicate tijdstippen tijdens de ontwikkeling onomkeerbare effecten kan veroorzaken in de ontwikkelingsprogrammering, met als gevolg ernstige effecten op de ontwikkeling en de voortplanting, die worden beschouwd als bijzonder ernstig in verband met de menselijke gezondheid en wilde diersoorten, mede omdat deze negatieve gevolgen pas in latere levensfasen het gevolg kunnen blijken te zijn van blootstelling in vroege levensfasen;

M.  overwegende dat de aanvragers volgens het RAC-advies, voortgaande op de informatie in de aanvragen, niet hebben aangetoond dat de risico's voor de gezondheid van werknemers die worden veroorzaakt door de vormen van gebruik waarop de aanvragen betrekking hebben, voldoende beheerst zijn overeenkomstig artikel 60, lid 2, van de REACH-verordening; overwegende dat het volgens het RAC bijgevolg niet passend is de autorisatie te verlenen op basis van die bepaling;

N.  overwegende dat het SEAC ondanks het RAC-advies heeft geconcludeerd dat de autorisatie van het gebruik proportioneel zou zijn en dat de sociaaleconomische voordelen van de onder de aanvraag vallende vormen van gebruik bijgevolg zwaarder wegen dan de door het gebruik veroorzaakte risico's voor de menselijke gezondheid; overwegende dat in het SEAC-advies sprake is van significante tekortkomingen in de door de aanvrager ingediende sociaaleconomische analyse, inclusief het ontbreken van een gezondheidseffectbeoordeling om het resterende risico te beoordelen voor de gezondheid van werknemers;

O.  overwegende dat het SEAC een wetenschappelijk comité is dat overeenkomstig artikel 64, lid 4, onder b), van de REACH-verordening als taak heeft een beoordeling uit te voeren van de sociaaleconomische factoren, alsmede van de beschikbaarheid en technische haalbaarheid van alternatieven, in verband met de in de aanvraag beschreven vormen van gebruik van de stof, en dat de rol van het comité niet is conclusies te formuleren met betrekking tot het proportionele karakter van een autorisatie, wanneer het risico voor de maatschappij niet voldoende beheerst is;

P.  overwegende dat de aanvrager verantwoordelijk is voor de beoordeling en de beheersing van de risico's in verband met chemische stoffen en voor de verstrekking van passende veiligheidsinformatie aan de gebruikers ervan; overwegende dat het SEAC geen kwantitatieve conclusie kon vaststellen met betrekking tot het proportionele karakter van voortdurend gebruik, omdat de informatie over de resterende risico's voor de gezondheid van werknemers niet kon worden gekwantificeerd;

Q.  overwegende dat het doel van de REACH-verordening is een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu, inclusief de bevordering van alternatieve beoordelingsmethoden voor gevaren van stoffen, alsmede het vrije verkeer van stoffen op de interne markt te waarborgen en tegelijkertijd het concurrentievermogen en de innovatie te vergroten;

R.  overwegende dat de aanvragen betrekking hebben op een hele reeks gebruiken, inclusief de formulering van gerecycled zacht pvc met DEHP in verbindingen en droogmelanges en het industriële gebruik van gerecycled zacht pvc met DEHP bij polymeerverwerking voor de productie van pvc -artikelen; overwegende dat, als autorisatie wordt verleend voor zo talrijke doeleinden, dit leidt tot een omkering van de substitutie van DEHP die bedoeld was met de opname ervan in bijlage XIV bij de REACH-verordening;

S.  overwegende dat DEHP in pvc zeer gangbaar is in alledaagse consumptieproducten als textiel, meubelen en bouwmateriaal; overwegende dat de stof niet chemisch gebonden is aan het plastic en hierdoor gemakkelijk uitlekt in het milieu;

T.  overwegende dat in een autorisatieaanvraag moet worden gefocust op het gebruik van de stof en overwegende dat het feit dat de stof aanwezig is in gerecyclede materialen, geen relevante overweging is voor de verlening van een autorisatie;

U.  overwegende dat het SEAC opmerkt dat het mogelijk is industrieel afval met een lage DEHP-inhoud te gebruiken als alternatief basismateriaal, hetgeen ook de kwaliteit van de geproduceerde gerecyclede materialen zou verhogen, maar dat de recyclers waarschijnlijk geen prijsverhoging voor gerecyclede materialen van betere kwaliteit zouden kunnen doorschuiven naar de downstream-gebruiker, omdat zij gewoonlijk artikelen produceren die zich situeren aan het ondereinde van het waardespectrum; overwegende dat het SEAC heeft gesteld dat het alternatief voor kunststofverwerkers om als basismateriaal in plaats van gerecycled materiaal gebruik te maken van niet-gerecycleerd pvc met andere weekmakers die geen zeer zorgwekkende stof zijn, niet is behandeld, omdat de aanvragers hebben aangegeven dat de kunststofverwerkers wellicht niet concurrerend zullen blijven, als zij de bijkomende kosten van het gebruik van niet-gerecycleerd pvc krijgen opgelegd;

V.  overwegende dat het onaanvaardbaar is potentieel talrijke gevallen van mannelijke infertiliteit te tolereren, alleen om recyclers van zacht pvc en downstream-gebruikers in staat te stellen kosten te besparen bij de productie van laagwaardige artikelen, om te concurreren met import van lage kwaliteit;

W.  overwegende dat de aanvragers, hoewel er voor DEHP een hele reeks substituten bestaat, geen algemene analyse hebben verstrekt van de alternatieven die op de markt zijn om DEHP te vervangen voor de gebruiken waarop de aanvragen betrekking hebben;

X.  overwegende dat een van de argumenten van het SEAC voor de verlening van autorisatie is dat er een politieke en maatschappelijke stimulans is om recycling te promoten als duurzame manier om om te gaan met natuurlijke hulpbronnen; overwegende dat met dit simplistische argument de afvalhiërarchie wordt genegeerd die is vastgesteld in artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG, volgens welke preventie prioriteit krijgt boven recycling; overwegende dat met dit simplistische argument ook expliciete bepalingen terzijde worden geschoven van het 7e milieuactieprogramma waarin wordt verzocht om de ontwikkeling van niet-toxische materiaalcycli, om ervoor te zorgen dat gerecycled afval kan worden gebruikt als belangrijke, betrouwbare bron van grondstoffen in de Unie;

Y.  overwegende dat het Parlement bovendien in zijn resolutie van 9 juli 2015 over hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie heeft benadrukt dat recycling niet mag dienen als rechtvaardiging voor het voortgezette gebruik van uitgefaseerde gevaarlijke stoffen; overwegende dat DEHP een uitgefaseerde gevaarlijke stof is en ook als dusdanig wordt erkend door de sector in kwestie(11);

Z.  overwegende dat het gebruik van DEHP beperkt is in elektrische en elektronische apparatuur overeenkomstig Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2015/863 van de Commissie; overwegende dat hiertoe onder andere is besloten op basis van een beoordeling van de beschikbaarheid van veiligere alternatieven voor DEHP, alsmede van een positieve sociaaleconomische beoordeling(12);

AA.  overwegende dat het SEAC van mening is niet te kunnen concluderen, op basis van de door de aanvrager verstrekte informatie, dat er nettokosten zouden zijn voor de maatschappij, als er geen autorisatie wordt verleend; overwegende dat de aanvragers dus niet, overeenkomstig artikel 64, lid 4, onder c), van de REACH-verordening, de sociaaleconomische voordelen van het gebruik van de stof en de sociaaleconomische gevolgen ingeval de autorisatie wordt geweigerd, hebben aangetoond;

AB.  overwegende dat met de verlening van autorisatie voor een aanvraag die zo veel gebreken vertoont, een erg slecht precedent is geschapen voor toekomstige autorisatiebesluiten in het kader van REACH;

AC.  overwegende dat in artikel 1, lid 3, van de REACH-verordening wordt bepaald dat de verordening gebaseerd is op het voorzorgsbeginsel en overwegende dat in geval van onzekerheid overwegingen in verband met de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu moeten voorgaan op algemene economische overwegingen;

AD.  overwegende dat de Commissie aansprakelijk is ten overstaan van de Europese bevolking voor de bescherming van de burgers en het milieu tegen gevaarlijke chemische stoffen en dat zij tegelijk innovatie moet bevorderen, inclusief op het gebied van veiligere chemicaliën en producten voor het stimuleren van een veerkrachtige economie;

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1907/2006, overschrijdt;

2.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken en een nieuw ontwerp in te dienen waarin de autorisatieaanvragen inzake de formulering van gerecycled zacht pvc dat DEHP bevat, worden verworpen;

3.  verzoekt de Commissie snel een einde te maken aan het gebruik van DEHP in alle resterende toepassingen, te meer daar veiligere alternatieven voor zacht pvc en voor DEHP alom beschikbaar zijn;

4.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).
(2) http://echa.europa.eu/documents/10162/b50d9fc3-f6db-4e91-8a95-c8397bb424d2http://echa.europa.eu/documents/10162/8d9ee7ac-19cf-4b1a-ab1c-d8026b614d7a
(3) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(4) Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
(5) Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 " Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet " . (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171).
(6) Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2015/863 van de Commissie van 31 maart 2015 tot wijziging van bijlage II bij Richtlijn 2011/65/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de lijst van stoffen waarvoor beperkingen gelden (PB L 137 van 4.6.2015, blz. 10).
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0266.
(8) http://ec.europa.eu/environment/archives/docum/pdf/bkh_annex_01.pdf
(9) http://europa.eu/rapid/press-release_IP-11-196_en.htm?locale=en
(10) http://echa.europa.eu/view-article/-/journal_content/title/the-member-state-committee-unanimously-agreed-to-identify-the-phthalate-dehp-as-an-svhc-because-of-its-endocrine-disrupting-properties-in-the-environm
(11) http://www.vinylplus.eu/uploads/docs/VinylPlus_Progress_Report_2015_English.pdf
(12) http://www.umweltbundesamt.at/fileadmin/site/umweltthemen/abfall/ROHS/finalresults/Annex6_RoHS_AnnexII_Dossier_DEHP.pdf


Het voorkomen van de radicalisering en werving van Europese burgers door terroristische organisaties
PDF 252kWORD 143k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2015 over het voorkomen van de radicalisering en werving van Europese burgers door terroristische organisaties (2015/2063(INI))
P8_TA(2015)0410A8-0316/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 3, 5, 6, 7, 8, 10 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 4, 8, 10, 16, 67, 68, 70, 71, 72, 75, 82, 83, 84, 85, 86, 87 en 88 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de publicaties "Enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie - focusverslag nr. 2: moslims" en "Onderzoek onder joden naar hun ervaringen met en hun kijk op haatmisdrijven en discriminatie in de lidstaten van de Europese Unie", beide gepubliceerd door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA),

–  gezien de resolutie van de VN-Veiligheidsraad van 8 oktober 2004 over terroristische daden die een bedreiging vormen voor de internationale vrede en veiligheid,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in het bijzonder de artikelen 6, 7 en 8, artikel 10, lid 1, en de artikelen 11, 12, 21, 48, 49, 50 en 52,

–  gezien de interneveiligheidsstrategie van de EU, zoals goedgekeurd door de Raad op 25 februari 2010,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 november 2010 getiteld "De EU-interneveiligheidsstrategie: vijf stappen voor een veiliger Europa" (COM(2010)0673) met de oprichting van het Europese Netwerk voor voorlichting over radicalisering (RAN),

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2013 over het tweede verslag over de tenuitvoerlegging van de EU-interneveiligheidsstrategie(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 januari 2014 getiteld "Radicalisering tot terrorisme en gewelddadig extremisme voorkomen: naar een krachtiger beleidsantwoord van de EU" (COM(2013)0941),

–  gezien de herziene versie van de EU-strategie ter bestrijding van radicalisering en werving van terroristen, die door de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken tijdens zijn zitting van 19 mei 2014 werd aangenomen en door de Raad van de Europese Unie van 5 en 6 juni 2014 werd goedgekeurd (9956/14),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 juni 2014 over het laatste verslag over de tenuitvoerlegging van de EU-interneveiligheidsstrategie 2010-2014 (COM(2014)0365),

–  gezien het verslag van Europol voor 2014 over de stand van zaken en de tendensen in verband met het terrorisme in de EU,

–  gezien de resolutie van de VN-Veiligheidsraad van 24 september 2014 over terroristische daden die een bedreiging vormen voor de internationale vrede en veiligheid (resolutie 2178 (2014)),

–  gezien het verslag van de EU-coördinator voor terrorismebestrijding aan de Europese Raad van 24 november 2014 (15799/14),

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2014 over vernieuwing van de EU-strategie voor interne veiligheid(2),

–  gezien de conclusies van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ) van 9 oktober en 5 december 2014,

–  gezien de verklaring van de informele JBZ-Raad van 11 januari 2015,

–  gezien zijn debat in de plenaire vergadering van 28 januari 2015 over terrorismebestrijding,

–  gezien zijn resolutie van 11 februari 2015 over terrorismebestrijdingsmaatregelen(3),

–  gezien de informele bijeenkomst van de JBZ-Raad op 29 en 30 januari 2015 in Riga,

–  gezien de conclusies van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 12 en 13 maart 2015,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 april 2015 over de Europese veiligheidsagenda (COM(2015)0185),

–  gezien het arrest van het Europees Hof van Justitie over de richtlijn betreffende de bewaring van gegevens,

–  gezien het aanvullend protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme en het actieplan van de Raad van Europa voor de bestrijding van gewelddadig extremisme en radicalisering tot terrorisme die werden aangenomen op 19 mei 2015,

–  gezien het Groenboek van de Commissie getiteld "Versterking van het wederzijds vertrouwen in de Europese rechtsruimte - Een groenboek over de toepassing van EU-strafwetgeving op het gebied van detentie"(COM(2011)0327),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0316/2015),

A.  overwegende dat meer dan 5000 Europese burgers zich bij terroristische organisaties en andere militaire formaties hebben aangesloten, met name IS (Da’esh), Jahbat al-Nusra en andere organisaties buiten de Europese Unie, voornamelijk in de MENA-regio (Midden-Oosten en Noord-Afrika); overwegende dat dit aantal steeds verder toeneemt, waardoor de ontwikkeling inmiddels forse proporties heeft;

B.  overwegende dat met de term radicalisering tegenwoordig het verschijnsel wordt beschreven waarbij mensen zich achter onverdraagzame meningen, standpunten en ideeën scharen, wat tot gewelddadig extremisme kan leiden;

C.  overwegende dat de recente terreuraanslagen in Frankrijk, België, Tunesië en Kopenhagen duidelijk maken welke bedreiging voor de veiligheid uitgaat van de aanwezigheid en de bewegingen van deze "buitenlandse" strijders - vaak EU-burgers - op het Europese grondgebied en in het nabuurschap; overwegende dat de EU deze aanslagen in de krachtigste bewoordingen heeft veroordeeld en heeft toegezegd het terrorisme aan de zijde van de lidstaten te zullen bestrijden, zowel op het grondgebied van de EU als daarbuiten;

D.  overwegende dat door de vreselijke terroristische aanslagen in Parijs die op 13 november 2015 honderden mensen gedood en verwond hebben eens te meer wordt beklemtoond dat er dringend behoefte is aan een gecoördineerd optreden door de lidstaten en de Europese Unie om radicalisering te voorkomen en terrorisme te bestrijden;

E.  overwegende dat de terreurdreiging in de EU hoog is, met name in de lidstaten die betrokken zijn geweest of nog zijn bij buitenlandse militaire operaties in het Midden-Oosten en Afrika;

F.  overwegende dat de radicalisering van deze "Europese strijders" een complex en dynamisch fenomeen is, dat berust op een reeks globale, sociologische en politieke factoren; overwegende dat deze radicalisering niet beantwoordt aan één bepaald profiel en mannen, vrouwen en in het bijzonder Europese jongeren met een uiteenlopende sociale achtergrond betreft, die met elkaar gemeen hebben dat zij het gevoel hebben buiten de samenleving te staan; overwegende dat de oorzaken van radicalisering zowel sociaaleconomisch, ideologisch, persoonlijk als psychologisch kunnen zijn, en dat radicalisering derhalve moet worden bekeken in het licht van de levensloop van elk betrokken individu;

G.  overwegende dat terrorisme en radicalisering tot veel stereotiepe voorstellingen over religies leiden, waardoor haatdragende taal en haatmisdrijven als gevolg van racisme, xenofobie of onverdraagzaamheid jegens een opvatting, een geloof of een godsdienst opnieuw oplaaien; overwegende dat erop moet worden gewezen dat het op perverse wijze misbruiken van de godsdienst, en niet de godsdienst als zodanig, een van de oorzaken van radicalisering is;

H.  overwegende dat radicalisering niet beperkt blijft tot een bepaalde ideologie of een bepaald geloof, maar in elke ideologie of elk geloof kan optreden;

I.  overwegende dat een van de argumenten die gewelddadige extremisten gebruiken om jongeren te werven, luidt dat de islamofobie toeneemt na jaren van oorlog tegen het terrorisme, en dat Europa niet langer een plaats is waar moslims welkom zijn of in gelijkheid kunnen leven en waar zij hun geloof kunnen belijden zonder discriminatie of stigmatisering; overwegende dat dit kan leiden tot een gevoel van kwetsbaarheid, agressieve woede, frustratie, eenzaamheid en sociaal isolement;

J.  overwegende dat de bestrijding van radicalisering niet beperkt mag blijven tot islamitische radicalisering; overwegende dat godsdienstige radicalisering en gewelddadig extremisme ook het hele Afrikaanse continent treffen; overwegende dat Europa in 2011 ook is getroffen door politieke radicalisering, met de aanslagen van Anders Behring Breivik in Noorwegen;

K.  overwegende dat jarenlang de overgrote meerderheid van de in de EU-landen gepleegde terreuraanslagen door separatistische organisaties zijn uitgevoerd;

L.  overwegende dat er in 2013 volgens Europol 152 terreuraanslagen in de EU plaatsvonden, waarvan twee "op religieuze gronden" en 84 ingegeven door volksnationalistische of separatistische overtuigingen, terwijl het aantal terreuraanslagen in de EU in 2012 bij 219 lag, waarvan twee "op religieuze gronden";

M.  overwegende dat de terreurbestrijding en het voorkomen van de radicalisering en werving van Europese burgers door terroristische organisaties in de kern onder de bevoegdheid van de lidstaten blijven vallen, maar dat Europese samenwerking van essentieel belang is voor de doeltreffende en doelmatige uitwisseling van informatie tussen de rechtshandhavingsautoriteiten met het oog op de bestrijding van het grensoverschrijdende karakter van de dreiging die uitgaat van terroristen; overwegende dat een gecoördineerde Europese aanpak daarom noodzakelijk is en een meerwaarde zal opleveren als het erom gaat de wetgeving die geldt in een gebied waarin de Europese burgers zich vrij kunnen bewegen, waar nodig te coördineren en te harmoniseren en tot een doeltreffende preventie en terreurbestrijding te komen; overwegende dat het bestrijden van de illegale handel in vuurwapens voor de EU een prioriteit moet zijn bij de aanpak van de zware en georganiseerde internationale misdaad;

N.  overwegende dat de mensenrechten centraal moeten staan in het beleid van de Unie inzake terreurbestrijding en preventie van radicalisering, terwijl er een goed evenwicht moet worden gevonden tussen openbare veiligheid en eerbiediging van de grondrechten, met inbegrip van het recht op veiligheid, privacy en vrijheid van meningsuiting, godsdienst en vereniging;

O.  overwegende dat joodse gemeenschappen het doelwit van antisemitische terreuraanslagen vormen, waardoor het gevoel van onveiligheid en angst binnen die gemeenschappen in Europa toeneemt;

P.  overwegende dat de toename van het terrorisme en het aantal buitenlandse strijders de onverdraagzaamheid ten opzichte van etnische en religieuze gemeenschappen in diverse Europese landen heeft vergroot; overwegende dat een holistische aanpak bij het tegengaan van discriminatie in het algemeen en islamofobie en antisemitisme in het bijzonder hand in hand moet gaan met specifieke maatregelen ter voorkoming van terrorisme en extremisme;

Q.  overwegende dat er in Europa al een aantal instrumenten bestaat om op te treden tegen de radicalisering van Europese burgers, en dat de EU en haar lidstaten ten volle gebruik moeten maken van deze instrumenten en in antwoord op de uitdagingen waarmee de EU en haar lidstaten momenteel worden geconfronteerd moeten streven naar verbetering ervan; overwegende dat er nog steeds sprake is van een terughoudendheid onder de lidstaten om samen te werken op gevoelige terreinen, zoals de uitwisseling van informatie en inlichtingen; overwegende dat er, gezien het toenemende belang van radicalisering tot terrorisme, die volledig in tegenspraak is met de Europese waarden, nieuwe middelen moeten worden ingezet, met inachtneming van het Handvest van de grondrechten;

R.  overwegende dat bij alle maatregelen die de lidstaten en de EU nemen, de grondrechten en de burgerlijke vrijheden beslist moeten worden geëerbiedigd, namelijk het recht op een privéleven, het recht op gegevensbescherming, het vermoeden van onschuld, het recht op een eerlijk, correct proces, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst; overwegende dat de veiligheid van de Europese burgers de bescherming van hun rechten en vrijheden moet omvatten; overwegende dat deze twee beginselen in feite twee kanten van dezelfde medaille zijn;

S.  overwegende dat er grote verschillen tussen de lidstaten kunnen bestaan in de mate waarin zij zich inzetten voor de bestrijding van het gevaar van radicalisering en de preventie van werving door terroristische organisaties; overwegende dat sommige lidstaten al wel doeltreffende maatregelen hebben genomen, maar dat andere hierbij achterlopen;

T.  overwegende dat een gecoördineerd Europees optreden ter voorkoming van de radicalisering en werving van Europese burgers door terreurorganisaties dringend geboden is om dit toenemende verschijnsel terug te dringen en zo de stroom Europese burgers die naar conflictgebieden vertrekken in te dammen, de thuisblijvers te deradicaliseren en verdere terreurdaden te voorkomen;

U.  overwegende dat dit een internationaal verschijnsel is en dat lering kan worden getrokken uit de ervaringen die in vele andere delen van de wereld zijn opgedaan;

V.  overwegende dat het er nu op aankomt het accent sterker te leggen op en meer te investeren in preventieve maatregelen en niet alleen te reageren op de radicalisering van Europese burgers en het ronselen door terroristische organisaties; overwegende dat een strategie ter bestrijding van extremisme, radicalisering en werving van terroristen in de EU alleen kan werken als er tegelijkertijd een strategie wordt ontwikkeld die gericht is op integratie en maatschappelijke inclusie en op de re-integratie en deradicalisering van terugkerende "buitenlandse strijders";

W.  overwegende dat bepaalde vormen van internetgebruik radicalisering in de hand werken, doordat zij fanatiekelingen uit de hele wereld de mogelijkheid bieden met elkaar in contact te komen en zonder enige vorm van fysiek contact en op een moeilijk te traceren manier kwetsbare personen te ronselen;

X.  overwegende dat het van cruciaal belang is een duidelijk onderscheid te maken tussen gedrag dat tot doel heeft terreuraanslagen voor te bereiden en/of te steunen en daden of standpunten van extremisten waarbij geen sprake is van "kwaad opzet" of "een materiële handeling";

Y.  overwegende dat radicalisering tot terrorisme het gevolg blijkt te zijn van factoren binnen én buiten de Unie;

Z.  overwegende dat de bestrijding van radicalisering tot terrorisme moet passen in het kader van een globale aanpak ter waarborging van een open Europa dat gebaseerd is op gemeenschappelijke grondwaarden;

AA.  overwegende dat de radicalisering van jongeren niet los mag worden gezien van de sociale en politieke context waarin deze plaatsvindt en moet worden onderzocht binnen het bredere sociologische kader van studies naar conflicten en geweld;

AB.  overwegende dat de oorzaken van radicalisering tot terrorisme onvoldoende bestudeerd zijn; overwegende dat een gebrekkige integratie niet kan worden beschouwd als de voornaamste oorzaak van radicalisering tot terrorisme;

AC.  overwegende dat volgens het Europees Hof van Justitie het lidmaatschap van een persoon van een organisatie die wegens haar betrokkenheid bij terroristische daden op de in de bijlage bij gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GVBV van de Raad opgenomen lijst is geplaatst, en diens actieve steun voor de gewapende strijd van deze organisatie niet automatisch een ernstige reden zijn om aan te nemen dat deze persoon een "ernstig, niet-politiek misdrijf" heeft begaan of zich schuldig heeft gemaakt aan "handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties"; anderzijds overwegende dat, indien er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat een persoon een dergelijk misdrijf heeft begaan of zich schuldig heeft gemaakt aan dergelijke handelingen, altijd de specifieke feiten van het concrete geval dienen te worden beoordeeld om uit te maken of de betrokken persoon individueel verantwoordelijk kan worden gesteld voor die daden;

AD.  overwegende dat, om een aan een vluchteling verleende verblijfstitel wegens steun aan een terroristische vereniging te kunnen intrekken, de bevoegde autoriteiten niettemin, onder toezicht van de nationale rechter, een individuele beoordeling dienen uit te voeren van de specifieke feiten betreffende de daden van zowel de betrokken vereniging als de betrokken vluchteling;

I.Europese meerwaarde bij het voorkomen van terrorisme

1.  veroordeelt in het licht van de dramatische gebeurtenissen in Parijs, de moorddadige aanvallen en betuigt zijn medeleven en solidariteit met de slachtoffers en hun families; herhaalt dat stelling moet worden genomen tegen geweld; veroordeelt het gebruik van stereotypen en xenofoob en racistisch taalgebruik en praktijken door individuele personen en collectieve overheden die de terroristische aanslagen direct of indirect in verband brengen met de vluchtelingen die momenteel hun land ontvluchten op zoek naar een veilige haven, op de vlucht voor de oorlog en het geweld dat ze dagelijks in hun thuislanden ondervinden;

2.  benadrukt dat terrorisme niet kan en niet mag worden geassocieerd met een bepaalde godsdienst, nationaliteit of beschaving;

3.  is bezorgd dat, wanneer de omstandigheden die bijdragen tot de verspreiding van terrorisme niet worden aangepakt, het verschijnsel van EU-burgers die naar andere landen reizen om zich aan te sluiten bij jihadistische of andere extremistische groeperingen, alsook het veiligheidsrisico dat ze vertegenwoordigen wanneer ze terugkeren naar de EU en aangrenzende landen, de komende jaren waarschijnlijk zal toenemen, met name gezien de aanhoudende militaire escalatie de MENA-regio; dringt aan op een uitgebreid onderzoek naar de doeltreffendheid van nationale en EU-maatregelen ter voorkoming en bestrijding van terrorisme;

4.  verzoekt de Commissie prioriteit toe te kennen aan de vaststelling van een actieplan voor de tenuitvoerlegging en evaluatie van de EU-strategie ter bestrijding van de radicalisering en de werving voor terrorisme, uitgaande van de uitwisseling van goede praktijken en het bundelen van vaardigheden binnen de Europese Unie, de evaluatie van de in de lidstaten genomen maatregelen en samenwerking met derde landen en internationale organisaties, een en ander met volledige eerbiediging van de internationale mensenrechtenverdragen en door middel van een op participatie en raadpleging gebaseerde benadering waarbij meerdere partners en sectoren betrokken worden; is van mening dat de Commissie moet bijdragen tot en de lidstaten steun moet verlenen bij het ontwikkelen van een strategie voor doeltreffende en intensieve communicatie over het voorkomen van de radicalisering en werving van Europese burgers en in de EU woonachtige niet-EU-burgers door terroristische organisaties;

5.  verzoekt de lidstaten hun strategieën te coördineren, de informatie en de ervaring waarover zij beschikken, te delen, goede praktijken te ontwikkelen, zowel op nationaal als op Europees niveau, en samen te werken om nieuwe initiatieven te nemen inzake de bestrijding van radicalisering en van werving voor terrorisme door de nationale preventiestrategieën te actualiseren en netwerken van beroepsbeoefenaars op te richten op basis van de tien prioritaire actiegebieden die zijn vastgesteld in de EU-strategie ter bestrijding van radicalisering en van werving voor terrorisme; benadrukt dat de grensoverschrijdende samenwerking tussen de rechtshandhavingsautoriteiten op dit punt moet worden gestimuleerd en versterkt, en onderstreept het cruciale belang van het ter beschikking stellen van adequate middelen en opleiding aan de politiediensten op het terrein;

6.  verzoekt om volledige openheid over de actieplannen en richtsnoeren van de Raad met betrekking tot de huidige EU-strategie ter bestrijding van radicalisering en rekrutering van terroristen;

7.  is van mening dat het aanvullend protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme en resolutie 2178 van de VN-Veiligheidsraad door de lidstaten en de Europese instellingen dienen te worden gebruikt om overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijke definitie met het oog op de strafrechtelijke vervolging van personen die als "buitenlandse strijders" moeten worden beschouwd; verzoekt de Commissie, met de steun van het nieuwe kenniscentrum van het netwerk voor voorlichting over radicalisering (RAN), diepgaand onderzoek uit te voeren naar de primaire oorzaken, het proces en de verschillende invloeden en factoren die tot radicalisering leiden;

8.  verzoekt de Commissie om in nauwe samenwerking met Europol en de coördinator voor terrorismebestrijding een jaarverslag voor te bereiden over de staat van de veiligheid in Europa, onder meer wat betreft de risico’s op radicalisering en de gevolgen voor de veiligheid van het leven en de fysieke integriteit van mensen in de EU, en om hierover jaarlijks verslag uit te brengen aan het Parlement;

9.  wijst erop dat het van belang is ten volle gebruik te maken van de al bestaande instrumenten om de radicalisering en werving van Europese burgers door terroristische organisaties te voorkomen en te bestrijden; wijst op het belang van een holistische en alomvattende aanpak bij de aanwending van alle relevante interne en externe instrumenten; beveelt de Commissie en de lidstaten aan om gebruik te maken van de beschikbare middelen, met name uit het Fonds voor interne veiligheid (ISF), en wel via het instrument ISF-politie, om projecten en maatregelen ter voorkoming van radicalisering te ondersteunen; benadrukt de grote rol die het RAN en zijn kenniscentrum kunnen spelen bij het in brede zijn tegengaan van de radicalisering van Europese burgers; pleit voor meer publiciteit voor en zichtbaarheid van dit netwerk bij de actoren die bij de bestrijding van radicalisering betrokken zijn;

II.Preventie van gewelddadig extremisme en radicalisering in gevangenissen

10.  onderstreept dat gevangenissen tot de plaatsen behoren die een gunstige omgeving bieden voor de verspreiding van radicaal, gewelddadig gedachtegoed en voor terroristische radicalisering; verzoekt de Commissie de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten aan te moedigen om de toenemende terroristische radicalisering in Europese gevangenissen tegen te gaan; moedigt de lidstaten aan om onmiddellijk op te treden tegen de overbevolking in gevangenissen, hetgeen in veel lidstaten een nijpend probleem is dat het gevaar van radicalisering vergroot en de kansen op reclassering vermindert; herinnert eraan dat overheidsinstellingen voor jeugdbescherming en detentie- of reclasseringscentra ook broeihaarden van radicalisering kunnen worden voor minderjarigen, die een bijzonder kwetsbare doelgroep vormen;

11.  verzoekt de Commissie om op beste praktijken gebaseerde richtsnoeren voor te stellen voor maatregelen die in Europese gevangenissen moeten worden genomen ter voorkoming van radicalisering en gewelddadig extremisme, waarbij de mensenrechten ten volle geëerbiedigd moeten worden; wijst erop dat het scheiden van gedetineerden die aanhangers van gewelddadig extremisme blijken te zijn of al voor een terreurorganisatie zijn gerekruteerd, van andere medegevangenen een mogelijke maatregel is om te voorkomen dat anderen door middel van intimidatie of op andere wijze worden gedwongen tot terroristische radicalisering, en om de radicalisering binnen de gevangenismuren te houden; wijst er evenwel op dat dergelijke maatregelen uitsluitend geval per geval moeten worden opgelegd, op basis van een rechterlijk besluit, en getoetst moeten worden door de bevoegde gerechtelijke autoriteiten; beveelt voorts aan dat de Commissie en de lidstaten de kennis en ervaring met betrekking tot het scheiden van gedetineerden in gevangenissen onderzoeken teneinde de verspreiding van radicalisering tegen te gaan; is van mening dat deze beoordeling moet worden meegenomen bij de ontwikkeling van detentiepraktijken in de nationale gevangenisstelsels; herinnert er evenwel aan dat deze maatregelen evenredig moeten zijn en volledig moeten stroken met de grondrechten van de gedetineerde;

12.  steunt de invoering van gespecialiseerde opleidingen voor het hele gevangenispersoneel en de partners die actief zijn in het gevangeniswezen, het religieuze personeel en het personeel van ngo's die omgaan met gevangenen, om hen te scholen in het vroegtijdig onderkennen, voorkomen en aanpakken van gedragingen die naar radicaal en extremistisch gedrag neigen; wijst op het belang van een passende opleiding en aanwerving van godsdienstige, levensbeschouwelijke en vrijzinnige vertegenwoordigers, zodat zij niet alleen adequaat kunnen beantwoorden aan de culturele en spirituele behoeften van gedetineerden in penitentiaire inrichtingen, maar ook kunnen bijdragen aan het tegengaan van een mogelijk radicaal discours;

13.  moedigt aan tot de invoering van adequaat gefinancierde pedagogische programma's in Europese gevangenissen om het kritisch denken, religieuze tolerantie en de maatschappelijke herintegratie van gedetineerden te bevorderen, maar ook om diegenen speciale bijstand te verlenen die jong, kwetsbaar en vatbaarder zijn voor radicalisering en werving door terroristische organisaties, een en ander onder strikte eerbiediging van de mensenrechten van gedetineerden; is van oordeel dat na vrijlating uit de gevangenis tevens begeleidende maatregelen dienen te worden aangeboden;

14.  erkent dat een gevangenisomgeving waarin de mensenrechten van de gedetineerden volledig worden geëerbiedigd en die aan internationale en regionale normen voldoet, met inbegrip van de minimumnormen voor de behandeling van gedetineerden van de VN, bij dergelijke inspanningen een centrale rol vervult;

III.Voorkomen van terroristische radicalisering op internet

15.  merkt op dat internet vanwege zijn wereldwijde en grensoverschrijdende karakter specifieke uitdagingen oplevert, waardoor juridische leemten en bevoegdheidsconflicten kunnen ontstaan en waardoor ronselaars en geradicaliseerde elementen van over de hele wereld moeiteloos op afstand met elkaar kunnen communiceren, zonder fysieke grenzen, zonder dat ze een basis hoeven op te richten en zonder dat ze hun toevlucht hoeven te zoeken tot een bepaald land; herinnert eraan dat internet en de sociale netwerken belangrijke platforms bieden om de radicalisering en het fundamentalisme aan te wakkeren, omdat langs deze weg haatboodschappen en teksten waarin het terrorisme wordt verheerlijkt, massaal en snel kunnen worden verspreid; is bezorgd over het effect van deze terrorismeverheerlijkende boodschappen met name op jongeren, een bijzonder kwetsbare bevolkingsgroep; onderstreept de rol van voorlichtings- en bewustmakingscampagnes bij het voorkomen van radicalisering via internet; bevestigt dat het groot belang hecht aan de vrijheid van meningsuiting, niet alleen offline, maar ook online, en is van mening dat dit ten grondslag moet liggen aan alle regelgeving met het oog op het voorkomen van radicalisering via internet en de sociale media; merkt op dat op Europees niveau een dialoog met de internetaanbieders op gang is gekomen, om het online verspreiden van illegale inhoud te voorkomen en om deze snel overeenkomstig het EU-recht en de nationale wetgeving en met strikte waarborgen voor de vrijheid van meningsuiting te kunnen verwijderen; pleit voor een doeltreffende strategie voor het opsporen en verwijderen van illegale inhoud waarin wordt aangezet tot gewelddadig extremisme, waarbij de grondrechten en de vrijheid van meningsuiting moeten worden geëerbiedigd, en spreekt zich met name uit voor een bijdrage aan de verspreiding van het andere verhaal, als doeltreffend tegenwicht voor de terroristische propaganda;

16.  herinnert eraan dat internet- en socialemediabedrijven en -dienstverleners een wettelijke verantwoordelijkheid hebben om samen te werken met de autoriteiten van de lidstaten en illegale inhoud waarmee gewelddadig extremisme wordt verspreid, snel en onder volledige eerbiediging van rechtsstatelijke beginselen en grondrechten, waaronder de vrijheid van meningsuiting, te verwijderen; is van mening dat de lidstaten juridische stappen, met inbegrip van strafvervolging, moeten overwegen tegen internet- en socialemediabedrijven en -dienstverleners die weigeren te voldoen aan een bestuurlijk of rechterlijk verzoek om illegale inhoud of inhoud die terrorisme verheerlijkt op hun internetplatform te wissen; is van mening dat een weigering of het opzettelijk niet-verlenen van medewerking door een internetplatform, zodat dergelijke illegale inhoud kan circuleren, moet worden beschouwd als medeplichtigheid die strafrechtelijk kan worden gelijkgesteld aan opzet of nalatigheid, en dat de verantwoordelijken in dergelijke gevallen moeten worden berecht;

17.  roept de bevoegde autoriteiten op een strikter toezicht uit te oefenen op websites die aanzetten tot haat;

18.  is ervan overtuigd dat internet een doeltreffend medium is voor de verspreiding van een verhaal waarin eerbiediging van de mensenrechten en verzet tegen geweld centraal staan; is van mening dat de internetsector en aanbieders van internet-diensten met de autoriteiten in de lidstaten en maatschappelijke organisaties moeten samenwerken ter bevordering van een krachtig en aantrekkelijk verhaal als tegenwicht tegen haatzaaiende boodschappen en radicalisering op internet, met als uitgangspunt het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; verzoekt de internetplatforms samen te werken met de lidstaten, het maatschappelijk middenveld en organisaties die gespecialiseerd zijn in terroristische deradicalisering of de evaluatie van haatzaaiende boodschappen, en deel te nemen aan de verspreiding van preventieve boodschappen waarin wordt opgeroepen tot het ontwikkelen van een kritische houding en een proces van deradicalisering, alsmede innovatieve juridische manieren worden aangegeven om op te treden tegen haatzaaiende en terrorismeverheerlijkende boodschappen en zo radicalisering op internet te bemoeilijken; verzoekt de Commissie en de lidstaten de ontwikkeling van een dergelijk "ander verhaal" te stimuleren en nauw samen te werken met organisaties uit het maatschappelijk middenveld om de kanalen voor de verspreiding en bevordering van het democratische, geweldloze discours te verbeteren;

19.  steunt de invoering van programma's voor de bewustmaking van jongeren over haatdragende boodschappen op internet en de risico’s die zij inhouden, en voor de bevordering van media- en internetonderwijs; steunt de invoering van opleidingsprogramma's om jonge activisten te mobiliseren, op te leiden en in netwerken bijeen te brengen om de mensenrechten online te verdedigen;

20.  is van mening dat het laten horen van tegengeluiden, ook in derde landen, een essentieel middel is om de aantrekkingskracht van terreurgroepen in de MENA-regio te bestrijden; verzoekt de EU haar steun aan initiatieven als het SSCAT-project (Syria Strategic Communication Advisory Team) te vergroten en de ontwikkeling en financiering van dit soort projecten in derde landen te bevorderen;

21.  stelt dat de internetsector en de aanbieders van internetdiensten het mogelijk moeten maken voortaan een hogere plaats toe te kennen aan preventieve boodschappen waarmee wordt ingegaan tegen terrorismeverheerlijkende boodschappen; is van mening dat er binnen Europol een specifieke Europese cel moet worden opgericht om goede praktijken in de lidstaten te delen, in voortdurende samenwerking met de internetaanbieders, teneinde de aandacht te vestigen op boodschappen tegen haatzaaiende en terrorismeverheerlijkende verhalen, en zo de radicalisering via internet te bemoeilijken; roept de Commissie en de lidstaten op een doeltreffend gebruik van tegengeluiden en risicobeperkende maatregelen op internet te ondersteunen;

22.  steunt de invoering van maatregelen die elke internetgebruiker in staat stellen illegale inhoud op het web of op de sociale media gemakkelijk en snel te signaleren en bij de bevoegde autoriteiten te melden, onder meer via hotlines, met inachtneming van de mensenrechten, met name de vrijheid van meningsuiting, en de nationale en EU-wetgeving;

23.  uit zijn diepe bezorgdheid over het toenemende gebruik van encryptietechnologieën door terroristische organisaties, waardoor hun communicatie en radicaliseringspropaganda onmogelijk opgespoord en gelezen kan worden door de rechtshandhavingsinstanties, zelfs niet met een rechterlijke beslissing; verzoekt de Commissie deze bezorgdheden met spoed aan de orde te stellen in haar dialoog met internet- en IT-bedrijven;

24.  is van mening dat elke lidstaat een speciale eenheid moet opzetten die belast wordt met het melden van illegale inhoud op internet en met het faciliteren van de opsporing en verwijdering van dergelijke inhoud; juicht het toe dat Europol de Internet Referral Unit (IRU) opricht, die belast wordt met de opsporing van illegale inhoud en de ondersteuning van de lidstaten daarbij, met volledige inachtneming van de grondrechten van alle betrokkenen; beveelt aan dat dergelijke eenheden ook samenwerken met de EU-coördinator voor terrorismebestrijding en het Europees Centrum voor terrorismebestrijding van Europol, alsmede met maatschappelijke organisaties die op dit gebied actief zijn; moedigt de lidstaten verder aan om ter zake onderling samen te werken alsook met de relevante EU-agentschappen;

25.  verheugt zich over de oprichting van het Europees Centrum voor terrorismebestrijding (ECTC) per 1 januari 2016, waarvan de Europese eenheid voor de melding van internetuitingen deel zal uitmaken; benadrukt dat de nodige financiële middelen moeten worden verstrekt voor de uitvoering van de aanvullende taken die aan Europol worden toevertrouwd in het kader van de oprichting van het Europees Centrum voor terrorismebestrijding; vraagt dat het Parlement naar behoren wordt betrokken bij de oprichting van dit Centrum en bij het mandaat, de taken en de financiering ervan;

26.  is van mening dat aan de radicalisering via internet alleen een einde kan worden gemaakt met een versterking van het instrumentarium van de EU tegen de cybercriminaliteit; beveelt aan het mandaat en de middelen van het Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit (EC3), net als die van Europol en Eurojust, uit te breiden, zodat het EC3 werkelijk een rol kan spelen bij het beter opsporen en aanpakken van de gevaren van internet en beter kan bepalen van welke methoden terroristische organisaties gebruikmaken; wijst erop dat Europol en de lidstaten over adequaat opgeleide deskundigen moeten beschikken om deze specifieke dreiging het hoofd te bieden; verzoekt de VV/HV het Gemeenschappelijk Situatiecentrum (Sitcen) en het Inlichtingencentrum (IntCen) van de EU te reorganiseren en erop toe te zien dat zij overleggen met de coördinator voor terrorismebestrijding om criminele activiteiten op internet en de verspreiding van haatuitingen in verband met radicalisering en terrorisme beter te kunnen volgen; dringt er bij de lidstaten op aan aanzienlijk meer informatie met elkaar en de desbetreffende EU-structuren en -agentschappen uit te wisselen;

27.  is van mening dat bij alle EU- en nationale maatregelen ter voorkoming van de verspreiding van gewelddadig extremisme onder Europese burgers en de werving door terroristische organisaties de grondrechten van de EU en de toepasselijke jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie en het Europees Hof voor de rechten van de mens dienen te worden geëerbiedigd, waaronder het beginsel van het vermoeden van onschuld, het beginsel van rechtszekerheid, het recht op een eerlijk en onpartijdig proces, het recht van beroep en het beginsel van non-discriminatie;

IV.Voorkomen van radicalisering via onderwijs en sociale insluiting

28.  onderstreept het belang van school en onderwijs bij het voorkomen van radicalisering; wijst op de cruciale rol van de school bij het bevorderen van de maatschappelijke integratie, het ontwikkelen van een kritische mentaliteit en het bevorderen van non-discriminatie; verzoekt de lidstaten onderwijsinstellingen aan te moedigen om cursussen en academische programma's aan te bieden die tot meer begrip en tolerantie moeten leiden, in het bijzonder met betrekking tot verschillende godsdiensten, de geschiedenis van godsdiensten, levensbeschouwingen en ideologieën; onderstreept de noodzaak van onderricht over de fundamentele waarden en democratische beginselen van de Unie, zoals de rechten van de mens; wijst erop dat de lidstaten de plicht hebben erop toe te zien dat hun onderwijsstelsel de waarden en beginselen van de EU eerbiedigt en bevordert en dat het in zijn functioneren niet in tegenspraak is met de beginselen van non-discriminatie en integratie;

29.  dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat er op elke school (zowel in het basisonderwijs als in het secundair onderwijs) educatieve programma's over internetgebruik bestaan, die tot doel hebben de leerlingen op een verstandige en kritische manier met internet te leren omgaan en daarbij de wet te respecteren;

30.  benadrukt dat leerkrachten in staat moeten worden gesteld actief op te treden tegen alle vormen van discriminatie en racisme; onderstreept de essentiële rol van onderwijs en vakbekwame en ondersteunende leerkrachten, niet alleen om sociale banden te versterken, leerlingen het gevoel te geven erbij te horen, kennis, vaardigheden en competenties te ontwikkelen, fundamentele waarden te verankeren, aan de versterking van sociale, burgerschaps- en interculturele vaardigheden bij te dragen, tot kritisch denken aan te zetten en de mediageletterdheid te bevorderen, maar ook om jongeren te helpen - in nauwe samenwerking met hun ouders en familie - om actieve, verantwoordelijke en onbevooroordeelde leden van de samenleving te worden; benadrukt dat scholen kunnen bijdragen aan de weerbaarheid van studenten tegen radicalisering door een veilige omgeving te bieden en tijd uit te trekken voor het bespreken van controversiële en gevoelige kwesties; wijst erop dat adolescenten een bijzonder kwetsbare groep vormen, omdat zij zich in een lastige levensfase bevinden waarin zij zich een waardensysteem eigen maken en op zoek gaan naar zingeving en tegelijkertijd zeer beïnvloedbaar en manipuleerbaar zijn; wijst erop dat zowel individuen als groepen kunnen radicaliseren, en beseft dat er voor individuele radicalisering wellicht een andere aanpak moet worden ontwikkeld dan voor groepsradicalisering; benadrukt dat het een taak van de samenleving is om jongeren betere vooruitzichten en een doel in het leven te bieden, met name door middel van hoogwaardige opleidingen en onderwijs; onderstreept dat het een taak van onderwijsinstellingen is om jongeren te leren risico's te herkennen en te beheersen en veiligere keuzes te maken, en benadrukt hun rol bij het bevorderen van een sterk gevoel erbij te horen, een gemeenschapsgevoel, een gevoel van geborgenheid en van verantwoordelijkheid voor anderen; benadrukt dat gebruik moet worden gemaakt van de diverse mogelijkheden die beroepsopleidingen en academische studieprogramma's bieden om jongeren in aanraking te brengen met de diverse nationale, regionale, religieuze en etnische identiteiten in Europa;

31.  benadrukt dat de diversiteit en multiculturele gemeenschappen in Europa een wezenlijk onderdeel van haar sociale structuur uitmaken en essentieel cultuurgoed zijn; is van mening dat beleid ter bestrijding van radicalisering tactvol en evenredig moet zijn, zodat de uiteenlopende sociale structuren van de gemeenschappen worden geëerbiedigd en versterkt;

32.  benadrukt dat het van belang is deradicaliseringsprogramma's te combineren met maatregelen als het aangaan van partnerschappen met vertegenwoordigers van gemeenschappen, investeren in sociale en buurtprojecten om economische en geografische marginalisering te doorbreken, alsmede begeleidingsprojecten voor vervreemde en uitgesloten jongeren die dreigen te radicaliseren; herinnert eraan dat alle lidstaten verplicht zijn de antidiscriminatie-instrumenten van de EU zorgvuldig toe te passen en in het kader van de strategie tegen radicalisering doeltreffend op te treden tegen discriminatie, haatuitingen en haatmisdrijven;

33.  verzoekt de Commissie de lidstaten te ondersteunen bij het voeren van een voorlichtingscampagne om jongeren en het onderwijzend personeel bewust te maken van de radicaliseringsproblematiek; onderstreept dat opleidingen of bewustmakingscampagnes in de eerste plaats gericht moeten zijn op een vroegtijdige tussenkomst, teneinde de individuen te beschermen en elk gevaar van radicalisering weg te nemen; moedigt de lidstaten aan het onderwijzend personeel een speciale opleiding te laten volgen en passende instrumenten beschikbaar te stellen, zodat zij zorgwekkende gedragsveranderingen kunnen onderkennen, klieken kunnen opsporen die radicalisering bevorderen door imitatiegedrag, en zich adequaat kunnen gedragen bij de begeleiding van jongeren die vatbaar zijn voor de wervingspogingen van terroristische organisaties; moedigt de lidstaten verder aan te investeren in en financiële steun te bieden aan gespecialiseerde centra in de buurt van scholen, die fungeren als trefpunt waar jongeren, maar ook hun familieleden, leraren en relevante deskundigen kunnen deelnemen aan buitenschoolse activiteiten die open staan voor de familie, waaronder psychologische begeleiding; benadrukt het belang van duidelijke richtsnoeren op dit gebied om te voorkomen dat de hoofdtaak van leraren, jongerenwerkers en anderen voor wie het welzijn van het individu voorop staat, in het gedrang komt, omdat buitensporige inmenging door de overheid averechts kan werken;

34.  wijst op de mogelijkheden die in het kader van het programma "Creatief Europa" worden geboden aan de lidstaten en aan deskundigen op het gebied van mediaonderwijs; herinnert eraan dat de EU-programma's op het vlak van onderwijs, cultuur, sociale activiteiten en sport cruciale steunberen zijn ter ondersteuning van de inspanningen van de lidstaten om ongelijkheid aan te pakken en marginalisering tegen te gaan; benadrukt het belang van de ontwikkeling van nieuwe activiteiten ter bevordering van de Europese waarden in het onderwijs, dit binnen het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding; dringt er daarom onder meer op aan in de programma's Europa voor de burger, Erasmus+ en Creatief Europa het doorgeven en in praktijk brengen van maatschappelijke waarden centraal te stellen;

35.  stelt met klem dat het nodig is een interculturele dialoog met de verschillende gemeenschappen, leiders en deskundigen aan te gaan om te komen tot een beter begrip en een betere preventie van radicalisering; benadrukt de verantwoordelijkheid en de belangrijke rol van alle geloofsgemeenschappen bij het tegengaan van fundamentalisme, haatuitingen en terroristische propaganda; vestigt de aandacht van de lidstaten op de opleiding van religieuze leiders - die, waar mogelijk, in Europa dient plaats te vinden - om te voorkomen dat in gebedshuizen in Europa wordt aangezet tot haat en gewelddadig extremisme, en ervoor te zorgen dat die leiders Europese waarden delen, alsmede op de opleiding van godsdienstige, levensbeschouwelijke en vrijzinnige vertegenwoordigers die in penitentiaire inrichtingen werken; merkt evenwel op dat gebedshuizen weliswaar kunnen fungeren als ontmoetingsplaatsen, maar dat het indoctrinatie- en wervingsproces zich grotendeels in minder formele omstandigheden of op internet afspeelt;

36.  benadrukt dat het van cruciaal belang is dat alle actoren zich bewust zijn van hun verantwoordelijkheid bij het voorkomen van radicalisering, of dit nu op lokaal, nationaal, Europees of internationaal niveau is; moedigt een nauwe samenwerking aan tussen alle actoren uit het maatschappelijk middenveld op nationaal en lokaal niveau en een sterkere samenwerking tussen de partijen die in het veld actief zijn, zoals verenigingen en ngo's, met het oog op de ondersteuning van terrorismeslachtoffers en hun families, alsook van personen die geradicaliseerd zijn en hun families; wenst in dit verband dat er voor die veldwerkers speciale opleidingen worden opgezet en meer financiële steun wordt vrijgemaakt; benadrukt evenwel dat subsidies voor ngo's en andere maatschappelijke organisaties los moeten staan van de financiële steun voor terrorismebestrijdingsprogramma's;

37.  is van mening dat maatschappelijke organisaties en lokale actoren een cruciale rol moeten spelen bij de ontwikkeling van projecten die aangepast zijn aan hun gemeente of organisatie, alsmede als integratiefactor voor Europese burgers die zich van de samenleving afgewend hebben en vatbaar zijn voor terroristische radicalisering; acht het absoluut noodzakelijk de eerstelijnswerkers (leerkrachten, opvoeders, politieagenten, medewerkers van de kinderbescherming en werknemers in de zorgsector) bewust te maken, te informeren en op te leiden teneinde het lokale vermogen om op te treden tegen radicalisering te versterken; is van mening dat de lidstaten steun moeten verlenen voor het opzetten van structuren voor met name de begeleiding van jongeren, maar ook voor gesprekken met de gezinnen, scholen, ziekenhuizen, universiteiten enz.; wijst erop dat deze maatregelen alleen met behulp van langetermijnprogramma's van maatschappelijke investeringen kunnen worden uitgevoerd; merkt op dat verenigingen en organisaties op dit gebied die vrij zijn van overheidsbemoeienis, zeer goede resultaten kunnen behalen bij de maatschappelijke reïntegratie van radicaliserende burgers;

38.  acht het onontbeerlijk dat in elke lidstaat een waarschuwingssysteem voor bijstand en begeleiding wordt opgezet, zodat de omgeving of de familie hulp kan krijgen of gemakkelijk en snel een melding kan doen wanneer een persoon plotseling gedrag vertoont dat zou kunnen wijzen op voortschrijdende radicalisering of vertrekt om zich bij een terroristische organisatie aan te sluiten; merkt in dit verband op dat "hotlines" hun vruchten hebben afgeworpen en de mogelijkheid bieden personen te melden die van radicalisering worden verdacht, maar ook vrienden en familie helpen om te gaan met deze ontwrichtende situatie; vraagt de lidstaten te onderzoeken of het mogelijk is een dergelijk systeem op te zetten;

39.  herinnert eraan dat de toename van islamofobie in de Europese Unie bijdraagt tot de maatschappelijke uitsluiting van moslims, wat een voedingsbodem kan vormen voor kwetsbare individuen om toe te treden tot gewelddadige extremistische organisaties; meent dat de islamofobie in Europa dan weer wordt uitgebuit door organisaties als IS voor propaganda- en wervingsdoeleinden; beveelt derhalve aan een Europees kader voor de vaststelling van nationale strategieën ter bestrijding van islamofobie goed te keuren, teneinde ook vormen van discriminatie aan te pakken die de toegang tot onderwijs, werk en huisvesting belemmeren;

40.  onderstreept dat recent onderzoek erop wijst dat er steeds meer vrouwen worden geradicaliseerd en geworven door terroristische organisaties, en de aandacht vestigt op hun rol in het gewelddadig extremisme; is van mening dat de EU en de lidstaten bij de ontwikkeling van strategieën ter voorkoming van radicalisering althans in zekere mate rekening moeten houden met de genderdimensie; verzoekt de Commissie steun te verlenen aan algemene programma's om jonge vrouwen in hun streven naar meer gelijkheid een hart onder de riem te steken, en steungroepen op te zetten die voor hen als veilige spreekbuis kunnen fungeren;

41.  wijst op de belangrijke rol van vrouwen bij het voorkomen van radicalisering;

V.Versterking van de informatie-uitwisseling over terroristische radicalisering in Europa

42.  zegt opnieuw toe ernaar te streven dat eind 2015 een EU-richtlijn over passagiersgegevens (PNR-richtlijn) wordt afgerond, en te garanderen dat deze richtlijn in overeenstemming is met de grondrechten, vrij is van discriminerende praktijken op grond van ideologische, religieuze of etnische stigmatisering en de rechten van de EU-burgers inzake gegevensbescherming volledig eerbiedigt; wijst er evenwel op dat de PNR-richtlijn van de EU slechts één maatregel is in de strijd tegen terrorisme en dat een holistische, ambitieuze, globale strategie voor de bestrijding van terrorisme en georganiseerde misdaad, waarin het buitenlands beleid, het sociaal beleid, het onderwijsbeleid, de rechtshandhaving en justitie een rol spelen, vereist is om de werving van Europese burgers door terroristische organisaties te voorkomen;

43.  verzoekt de Commissie de deskundigheid van de EU inzake het voorkomen van radicalisering te versterken door een Europees netwerk op te zetten dat gebruikmaakt van de informatie die wordt geleverd door het RAN en het netwerk voor beleidsvorming inzake polarisatie en radicalisering (PPN), alsmede van de informatie van deskundigen die gespecialiseerd zijn in uiteenlopende sociaalwetenschappelijke disciplines;

44.  wijst erop dat het absoluut noodzakelijk is de snelle en doeltreffende uitwisseling van relevante informatie tussen de rechtshandhavingsautoriteiten van de lidstaten en tussen de lidstaten en de betrokken agentschappen te versterken, met name door het optimaliseren van het gebruik van en de bijdragen aan het Schengeninformatiesysteem (SIS) en het visuminformatiesysteem (VIS), de Europol-netwerkapplicatie voor veilige informatie-uitwisseling (SIENA) en het reizigerscontactpunt van Europol betreffende geradicaliseerde Europese burgers; onderstreept dat een intensievere informatie-uitwisseling tussen de rechtshandhavingsautoriteiten meer vertrouwen tussen de lidstaten en een versterking van de rol en de uitrusting van EU-agentschappen als Europol, Eurojust en de Europese Politieacademie (Cepol) zal vergen;

45.  dringt er bij de EU op aan om de problematiek van radicalisering tot terrorisme op te nemen in de opleidingen die Cepol verzorgt;

46.  benadrukt dat het belangrijk is te voorzien in een gespecialiseerde Europese opleiding voor beoefenaars van juridische beroepen, teneinde hen bewust te maken van de verschillende vormen van radicalisering;

47.  onderstreept dat een betere samenwerking tussen de lidstaten in de context van de radicalisering en werving van Europese burgers ook wordt gekenmerkt door intensieve contacten en samenwerking tussen hun justitiële autoriteiten en met Eurojust; stelt dat dankzij een betere informatie-uitwisseling op Europees vlak over de strafregisters van terreurverdachten deze personen sneller zouden kunnen worden opgespoord en goed in de gaten gehouden, zowel bij vertrek als bij terugkeer in de EU; moedigt derhalve aan tot een hervorming en betere benutting van het Europees Strafregisterinformatiesysteem (Ecris); verzoekt de Commissie dringend de haalbaarheid en toegevoegde waarde van de oprichting van een Europees Indexsysteem van politiegegevens (Epris) te onderzoeken; beklemtoont dat bij de uitwisseling van dergelijke informatie internationale verdragen en het EU-recht, alsmede de grondrechten, en met name de bescherming van persoonsgegevens, dienen te worden geëerbiedigd en dat doeltreffend democratisch toezicht op veiligheidsmaatregelen essentieel is;

48.  is van mening dat het bestrijden van illegale wapenhandel voor de EU een prioriteit moet zijn bij de aanpak van zware en georganiseerde internationale criminaliteit; vindt met name dat gewerkt moet worden aan het verbeteren van de mechanismen voor het uitwisselen van informatie en het traceren en vernietigen van verboden wapens;

VI.Terroristische radicalisering sterker ontmoedigen

49.  is van mening dat de maatregelen tegen de radicalisering van Europese burgers en hun werving door terroristische organisaties alleen volledig effect zullen sorteren als zij geflankeerd worden door een doeltreffend, ontmoedigend en gedetailleerd strafrechtelijk instrumentarium in alle lidstaten; is van mening dat als de lidstaten concrete invulling geven aan de criminalisering van terreurdaden in het buitenland aan de zijde van terroristische organisaties, zij over een instrument beschikken dat nodig is om een eind te maken aan de radicalisering van Europese burgers, waarbij de bestaande instrumenten van de EU voor de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken volledig moeten worden benut; is van oordeel dat rechtshandhavings- en justitiële autoriteiten (rechters en aanklagers) over voldoende capaciteit dienen te beschikken om die handelingen te voorkomen, op te sporen en te vervolgen, en de juiste opleiding en bijscholing moeten krijgen over terroristische misdrijven;

50.  pleit voor een versterking van de capaciteiten van het coördinatiecentrum bij Eurojust, dat een doorslaggevende rol dient te spelen bij het bevorderen van het gemeenschappelijke optreden door de justitiële autoriteiten van de lidstaten bij het verzamelen van bewijzen en de vervolging van terroristische misdrijven doeltreffender moet maken; is in dit verband van mening dat vaker gebruik zou moeten worden gemaakt van gezamenlijke onderzoeksteams, zowel tussen de lidstaten onderling als tussen de lidstaten en derde landen waarmee Eurojust samenwerkingsovereenkomsten heeft gesloten;

51.  merkt op dat het voor de vervolging van terreurdaden die door Europese burgers of in de EU woonachtige niet-EU-onderdanen in derde landen zijn begaan, nodig is dat in derde landen bewijzen kunnen worden vergaard, met volledige inachtneming van de mensenrechten; verzoekt de EU daarom te werken aan akkoorden met derde landen inzake samenwerking op gerechtelijk vlak en bij de rechtshandhaving om het vergaren van bewijzen in die landen te vergemakkelijken, mits alle partijen strenge rechtsnormen en procedures, rechtsstatelijke beginselen, het internationaal recht en de grondrechten in acht nemen en dit aan rechterlijke toetsing onderworpen is; herinnert er dan ook aan dat bij de bewijsvergaring, het verhoor en andere dergelijke onderzoekstechnieken strenge rechtsnormen in acht moeten worden genomen en dat de Europese wetgeving, beginselen en waarden alsook de internationale mensenrechten moeten worden nageleefd; wijst er in dit verband op dat wrede, onmenselijke en onterende behandeling, foltering, buitengerechtelijke uitlevering en ontvoering krachtens het internationaal recht verboden zijn en niet mogen worden toegepast met het oog op het verzamelen van bewijs voor misdrijven die op het grondgebied van de EU of daarbuiten door onderdanen van de EU zijn gepleegd;

52.  verwelkomt de inzet van deskundigen op het gebied van beveiliging/terrorismebestrijding in een aantal belangrijke EU-delegaties teneinde de capaciteit van die delegaties om aan de Europese inspanningen inzake terrorismebestrijding bij te dragen te vergroten en doeltreffender met de desbetreffende lokale instanties te kunnen samenwerken, terwijl de capaciteit voor terrorismebestrijding binnen de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) verder wordt opgebouwd;

53.  pleit daarom voor samenwerkingsovereenkomsten tussen Eurojust en derde landen, zoals er inmiddels met de VS, Noorwegen en Zwitserland zijn gesloten, maar benadrukt de noodzaak van volledige inachtneming van het internationaal recht inzake de mensenrechten en de EU-regels voor gegevensbescherming en bescherming van de persoonlijke levenssfeer; wijst erop dat hierbij voorrang dient te worden gegeven aan landen die eveneens zwaar onder het terrorisme lijden, zoals de landen in de MENA-regio; is daarnaast van mening dat het inzetten van verbindingsfunctionarissen van Eurojust in de betrokken landen, met name in het zuidelijke nabuurschap, de informatie-uitwisseling ten goede zou komen en een betere samenwerking in de strijd tegen het terrorisme mogelijk zou maken, met eerbiediging van de mensenrechten;

VII.Voorkomen van het vertrek en anticiperen op de terugkeer van geradicaliseerde Europese burgers die door terroristische organisaties zijn geronseld

54.  herhaalt dat de EU de controles aan haar buitengrenzen zo spoedig mogelijk moet opvoeren, met volledige inachtneming van de grondrechten; onderstreept dat een efficiënt toezicht op het inreizen en uitreizen in de EU alleen mogelijk is als de lidstaten de vastgestelde verplichte en stelselmatige controles aan de buitengrenzen van de EU ten uitvoer leggen; roept de lidstaten op om bestaande instrumenten als SIS en VIS naar behoren te benutten, ook met betrekking tot gestolen, verloren en vervalste paspoorten; is ook van mening dat met het oog daarop een betere handhaving van de Schengengrenscode een van de prioriteiten van de Europese Unie moet zijn;

55.  verzoekt de lidstaten hun grenswachters stelselmatig toegang te verlenen tot het informatiesysteem van Europol, dat informatie kan bevatten over vermeende terroristen, buitenlandse strijders en haatpredikers;

56.  verzoekt de lidstaten goede praktijken uit te wisselen op het gebied van uit- en inreiscontroles en de bevriezing van financiële tegoeden van burgers om te voorkomen dat zij deelnemen aan terroristische activiteiten in conflictgebieden in derde landen en om te zien hoe met hun terugkeer in de EU moet worden omgegaan; benadrukt in het bijzonder dat de lidstaten in staat moeten worden gesteld de paspoorten van hun burgers in te trekken als zij van plan zijn zich bij een terroristische organisatie aan te sluiten, dit op verzoek van de bevoegde gerechtelijke instantie, overeenkomstig de nationale wetgeving en met volledige inachtneming van het evenredigheidsbeginsel; is van mening dat alleen kan worden besloten tot het beperken van iemands bewegingsvrijheid, die een grondrecht is, als de noodzaak en de evenredigheid van de maatregel naar behoren door een gerechtelijke instantie zijn getoetst; is voorts voorstander van strafrechtelijke vervolging van verdachten van terrorisme die bij terugkeer in Europa betrokken raken bij terroristische activiteiten;

57.  vraagt om internationale bijdragen aan het door het ontwikkelingsprogramma van de VN (UNDP) onderschreven financieringsmechanisme om de gebieden waaruit Da'esh is verjaagd onmiddellijk te kunnen stabiliseren;

58.  verzoekt de VV/HV en de Raad om tot een duidelijke veroordeling te komen van de financiële en ideologische steun die sommige overheden en invloedrijke personen in de Golfstaten al een decennium lang verlenen aan extremistische islamistische bewegingen; roept de Commissie op tot een herbeoordeling van de betrekkingen tussen de EU en derde landen teneinde de materiële en immateriële steun aan terrorisme effectiever te bestrijden; herinnert eraan dat in het kader van de huidige herziening van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) de veiligheidsdimensie en de capaciteit van ENB-instrumenten om bij te dragen aan een verbetering van de veerkracht en capaciteiten van partners om te voorzien in hun eigen veiligheid, met eerbiediging van de rechtsstaat, moeten worden versterkt;

59.  herinnert eraan dat een goede benutting van bestaande instrumenten als SIS, SIS II en VIS, het SLDT-systeem van Interpol en het reizigerscontactpunt van Europol de eerste etappe vormt in de versterking van de veiligheid aan de buitengrenzen om Europese burgers en in de EU verblijvende buitenlanders te kunnen identificeren die mogelijk de EU verlaten of uit een conflictgebied terugkeren om terreurdaden te plegen, tot terrorist te worden opgeleid of namens terroristische organisaties deel te nemen aan niet-conventionele gewapende conflicten; dringt er bij de lidstaten op aan de samenwerking en de informatie-uitwisseling met de lidstaten aan de buitengrenzen van de EU aangaande vermeende buitenlandse strijders te verbeteren;

60.  roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat elke buitenlandse strijder onder rechterlijk toezicht en in voorkomend geval in administratieve detentie wordt geplaatst bij zijn terugkeer op Europees grondgebied, tot op het moment dat de verwachte gerechtelijke vervolging plaatsvindt;

61.  is er vast van overtuigd dat beleidsvorming op het gebied van terrorisme en radicalisering gebaat is bij een bundeling van de expertise en middelen van de interne en de externe dimensie van het EU-beleid; is in dit verband van mening dat, uitgaande van een dergelijke holistische benadering, een adequaat antwoord kan worden geformuleerd om terrorisme en het ronselen van terroristen in de EU en de omliggende landen te bestrijden; verzoekt derhalve zowel de Commissie als de EDEO om, onder leiding en toezicht van de VV/HV en de eerste vicevoorzitter van de Commissie en met de steun van de coördinator voor terrorismebestrijding, samen een beleidsaanpak uit te werken waarin de instrumenten van sociaal beleid (waaronder werkgelegenheid, integratie en antidiscriminatie), humanitaire hulp, ontwikkeling, conflictoplossing, crisisbeheersing, handel, energie en andere beleidsterreinen die een interne of externe dimensie kunnen hebben, worden gecombineerd;

VIII. De band tussen interne en externe veiligheid in de EU versterken

62.  onderstreept dat het cruciaal is dat de EU, waar dat mogelijk is en met inachtneming van de Europese wetten, beginselen en waarden en de internationale mensenrechten, een nauwe samenwerking tot stand brengt met derde landen, met name de transitolanden en de landen van bestemming, om te kunnen vaststellen wanneer EU-burgers en niet-Europese ingezetenen die zich bij de strijd van terroristische organisaties aansluiten, uitreizen of terugkeren; benadrukt eveneens de noodzaak van een versterking van de politieke dialoog en de gemeenschappelijke actieplannen ter bestrijding van radicalisering en terrorisme in het kader van de bilaterale betrekkingen alsook met regionale organisaties, zoals de Afrikaanse Unie en de Liga van Arabische Staten;

63.  neemt ter kennis dat VV/HV Mogherini projecten ter voorkoming van radicalisering in derde landen, met name in Jordanië, Libanon en Irak, alsmede in de Maghreb en de Sahel, wil steunen, zoals aangegeven in het verslag over de uitvoering van de maatregelen waartoe de Europese Raad van 12 februari 2015 heeft besloten; onderstreept dat nu dient te worden gewaarborgd dat deze projecten zo snel mogelijk de noodzakelijke financiering ontvangen;

64.  verzoekt de EU de samenwerking met de regionale partners te versterken om de wapenhandel te beteugelen, met bijzondere aandacht voor de landen waar het terrorisme zijn oorsprong vindt, en om de uitvoer van wapens die kunnen worden gebruikt door terroristen nauwlettend te volgen; roept ook op tot versterking van de instrumenten van het buitenlands beleid en een grotere betrokkenheid bij derde landen om de financiering van terroristische organisaties tegen te gaan; vestigt de aandacht op de conclusies van de G20 van 16 november 2015, waarin de Financiële Actiegroep (Financial Action Task Force - FATF) wordt gevraagd voortvarender en doeltreffender te handelen wanneer het gaat om het droogleggen van de financieringsbronnen van terroristische organisaties;

65.  moedigt de EU aan om een gerichte en verbeterde dialoog over beveiliging en terrorismebestrijding te voeren met Algerije, Egypte, Irak, Israël, Jordanië, Marokko, Libanon, Saoedi-Arabië, Tunesië en de Samenwerkingsraad van de Golf, onder meer ook over statelijke betrokkenheid, nu of in het verleden, bij de ondersteuning van terroristische activiteiten; is ook van mening dat de samenwerking met Turkije dient te worden verbeterd, in overeenstemming met de conclusies van de Raad Algemene Zaken van december 2014;

66.  roept de Raad op de regionale strategie voor Syrië en Irak en de op 16 maart 2015 goedgekeurde EU-strategie inzake terrorismebestrijding/buitenlandse strijders doorlopend te toetsen en uit te breiden in het licht van de ontwikkeling van de veiligheidssituatie in de zuidelijke buurlanden van de EU, samen met preventieve en andere initiatieven, zoals het RAN van de Commissie; verzoekt de lidstaten voorts om onderling respect en begrip te bevorderen als essentiële elementen van de strijd tegen het terrorisme, zowel binnen de EU en haar lidstaten als in derde landen;

67.  is ervan overtuigd dat de totstandbrenging van deze versterkte samenwerking van de Commissie en in het bijzonder van EDEO een extra inspanning vergt om de expertise op het gebied van terrorismebestrijding, non-conventionele gewapende conflicten en radicalisering te vergroten en te verbeteren, de huidige kennis van talen als het Arabisch, het Urdu, het Russisch en het Mandarijn te vergroten en te diversifiëren, omdat het daar momenteel bij de Europese voorlichtings- en inlichtingendiensten ten enenmale aan ontbreekt; vindt het van groot belang dat de oproep van de EU om tegen terrorisme, radicalisering en geweld te strijden, ook buiten haar grenzen kan worden gehoord door middel van een krachtig en doeltreffend optreden op het gebied van strategische voorlichting;

68.  steunt een intensievere internationale samenwerking en het delen van informatie tussen nationale inlichtingendiensten om EU-burgers te identificeren die dreigen te radicaliseren, gerekruteerd te worden en af te reizen om zich aan te sluiten bij jihadistische of andere extremistische groeperingen; benadrukt dat de landen in de MENA-regio en op de Westelijke Balkan moeten worden ondersteund bij hun inspanningen om de stroom van buitenlandse strijders in te dammen en te verhinderen dat jihadistische organisaties misbruik maken van de politieke instabiliteit binnen hun grenzen;

69.  beseft dat de radicalisering en werving van personen door terroristische netwerken een wereldwijd fenomeen is; is van mening dat op dit fenomeen internationaal gereageerd moet worden en niet alleen lokaal of Europees; acht het daarom noodzakelijk nauwer met derde landen samen te werken om de netwerken voor de werving van strijders bloot te leggen en de beveiliging aan de grenzen van de betrokken landen op te voeren; herhaalt ook dat de samenwerking met belangrijke partnerlanden die voor soortgelijke uitdagingen staan moet worden geïntensiveerd via diplomatie, politieke dialoog en samenwerking op inlichtingengebied;

70.  benadrukt dat de wereldwijde omvang van de terreurdreiging een doeltreffend en gemeenschappelijk internationaal optreden vereist dat erop gericht is de wapensmokkel naar landen die de vrede en de internationale veiligheid bedreigen resoluut te stoppen;

71.  verheugt zich over de toekenning door de Commissie in april 2015 van een begroting van 10 miljoen EUR voor de financiering van een programma om de partnerlanden te helpen radicalisering te bestrijden in de regio Sahel-Maghreb en de toestroom van buitenlandse strijders uit Noord-Afrika, het Midden-Oosten en de Westelijke Balkan in te dammen (een eerste schijf van 5 miljoen EUR voor technische bijstand ter versterking van de capaciteit van het strafrechtelijke personeel om zaken waarbij (potentiële) buitenlandse strijders betrokken zijn, te onderzoeken, vervolging in te stellen en uitspraak te doen; een tweede schijf van 5 miljoen EUR voor de financiering van programma's ter bestrijding van radicalisering in de regio Sahel-Maghreb); benadrukt hoe belangrijk het is toezicht te houden op het correcte gebruik van deze financiering om ervoor te zorgen dat er geen projecten mee gefinancierd worden die verband houden met proselitisme, indoctrinatie en andere extremistische doeleinden;

IX.Bevordering van de uitwisseling van goede praktijken inzake deradicalisering

72.  is van mening dat de ontwikkeling van een alomvattend beleid gericht op het voorkomen van de radicalisering en werving van Europese burgers door terroristische organisaties geen zoden aan de dijk kan zetten als dit niet gepaard gaat met een proactief deradicaliserings- en integratiebeleid; verzoekt daarom de EU de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten alsook met derde landen die reeds ervaring hebben opgedaan en positieve resultaten hebben behaald op dit gebied, te stimuleren met het oog op het opzetten van voorzieningen voor de deradicalisering van Europese burgers en legaal in de EU verblijvende niet-EU-onderdanen, om te voorkomen dat zij uitreizen of om hen bij terugkeer in EU te begeleiden; wijst erop dat ook de familie van dergelijke personen moet worden ondersteund;

73.  stelt de lidstaten voor na te denken over de aanstelling van mentoren of begeleiders bij de deradicalisering van EU-burgers die gedesillusioneerd over hun ervaringen terugkeren uit conflictgebieden, om hun re-integratie in de samenleving met behulp van adequate programma's te ondersteunen; onderstreept de noodzaak van een betere uitwisseling van beste praktijken op dit gebied tussen de lidstaten; onderstreept dat de mentoren bereid dienen te zijn om door middel van een passende opleiding een bijdrage te leveren aan de specifieke programma's;

74.  pleit voor een gestructureerde voorlichtingscampagne op EU-niveau, waarbij gebruikgemaakt wordt van de lotgevallen van voormalige Europese "buitenlandse strijders" die met succes zijn gederadicaliseerd en wier traumatische ervaringen moeten helpen om de uiterst perverse en bedrieglijke godsdienstige motieven aan de kaak te stellen die mensen ertoe brengen om zich bij terroristische organisaties als IS aan te sluiten; moedigt daarom de lidstaten aan om platforms te creëren voor ontmoetingen en gesprekken met deze oud-strijders; onderstreept verder dat de confrontatie met terrorismeslachtoffers een doeltreffende methode blijkt te zijn om het radicale discours van zijn religieuze aura of ideologische bekoring te ontdoen; stelt voor deze campagne als hulpmiddel in te zetten in deradicaliseringsprocessen in gevangenissen, scholen en alle inrichtingen die zich toeleggen op preventie en rehabilitatie; verzoekt voorts de Commissie de nationale voorlichtingscampagnes met name financieel te ondersteunen en ze te coördineren;

X.Ontmanteling van terroristische groeperingen

75.  onderstreept dat het witwassen van geld, belastingontduiking en andere fiscale misdrijven in bepaalde gevallen belangrijke financieringsbronnen zijn voor terrorisme en onze interne veiligheid bedreigen en dat daarom voorrang dient te worden gegeven aan de opsporing en bestrijding van misdrijven die de financiële belangen van de EU schaden;

76.  benadrukt dat terroristische organisaties als IS/Da’esh en Jabhat al-Nusra in Irak en Syrië aanzienlijke financiële middelen hebben verzameld die afkomstig zijn van oliesmokkel, de verkoop van gestolen goederen, kidnapping en afpersing, beslaglegging op bankrekeningen en antieksmokkel; dringt er daarom op aan dat de landen en tussenpersonen die bijdragen aan deze zwarte markt geïdentificeerd worden en dat er zo snel mogelijk een einde gesteld wordt aan hun activiteiten;

77.  verleent zijn steun aan maatregelen om terroristische organisaties van binnenuit te verzwakken en hun huidige invloed op EU-burgers en onderdanen van derde landen die legaal in de EU verblijven terug te dringen; roept de Commissie en de bevoegde agentschappen op zich te buigen over maatregelen om terroristische groeperingen te ontmantelen en hun financiering in kaart te brengen; pleit derhalve voor een betere samenwerking tussen de financiële inlichtingeneenheden van de lidstaten en de snelle omzetting en tenuitvoerlegging van het antiwitwaspakket; moedigt de Commissie aan een verordening voor te stellen voor het in kaart brengen en blokkeren van de financieringskanalen van terreurgroepen en het optreden tegen de wijze waarop deze groepen worden gefinancierd; verzoekt de Commissie derhalve om de oprichting van een gemeenschappelijk Europees systeem voor het traceren van terrorismefinanciering opnieuw in overweging te nemen; moedigt de lidstaten aan om de hoogste normen inzake transparantie toe te passen ten aanzien van de toegang tot informatie over de uiteindelijke begunstigden van alle ondernemingsstructuren in de EU en in schimmige rechtsgebieden die eventueel voor de financiering van terroristische organisaties worden gebruikt;

78.  is verheugd over de recente goedkeuring van de Europese veiligheidsagenda waarin belangrijke stappen worden voorgesteld om terrorisme en radicalisering doeltreffender te bestrijden, onder meer de oprichting van het Europees Centrum voor terrorismebestrijding binnen Europol; roept de lidstaten op om de bestaande voorzieningen optimaal te benutten en vraagt de Commissie om voldoende financiële en personele middelen uit te trekken om de voorgestelde maatregelen daadwerkelijk te kunnen uitvoeren;

79.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om de EU-vuurwapenwetgeving spoedig te evalueren door een herziening van Richtlijn 91/477/EEG om de rol van nationale politiediensten en onderzoeksautoriteiten bij het opsporen en bestrijden van wapenhandel op de zwarte markt en het "dark net" te vergemakkelijken, en verzoekt de Commissie gemeenschappelijke normen voor het onbruikbaar maken van vuurwapens naar voren te schuiven zodat onbruikbaar gemaakte vuurwapens onomkeerbaar onklaar worden gemaakt;

80.  bepleit een geharmoniseerde aanpak bij de strafrechtelijke definitie van haatzaaiende boodschappen, een misdrijf dat zowel online en offline wordt gepleegd door radicalen die anderen ertoe aanzetten de grondrechten te minachten en te schenden; stelt voor om dit specifieke misdrijf op te nemen in de desbetreffende kaderbesluiten van de Raad;

81.  verzoekt de lidstaten mee te werken aan het traceren van de externe geldstromen en te zorgen voor en blijk te geven van transparantie in hun betrekkingen met bepaalde Golfstaten, teneinde de samenwerking te versterken en zo licht te werpen op de financiering van terrorisme en fundamentalisme in Afrika en het Midden-Oosten, maar ook van bepaalde organisaties in Europa; spoort de lidstaten ertoe aan mee te werken aan de uitbanning van de zwarte markt voor olie, een essentiële inkomstenbron voor terroristische organisaties; is van mening dat de lidstaten niet mogen aarzelen om beperkende maatregelen in te stellen tegen individuen en organisaties indien er geloofwaardig bewijs is dat zij terrorisme financieren of er op een andere manier aan medeplichtig zijn;

82.  verzet zich krachtig tegen elke poging om aspecten die zich richten op de bestrijding van terroristische en extremistische daden op zich uit het verslag te verwijderen; is van mening dat het nutteloos en contraproductief is om de koppeling tussen het bestrijden van radicalisering en het bestrijden van uitingen ervan te verbreken; verzoekt de Raad om een zwarte lijst op te stellen van Europese jihadisten en jihadistische terreurverdachten;

o
o   o

83.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten van de EU, de Verenigde Naties, de Raad van Europa, de Afrikaanse Unie en de lidstaten van de Unie voor het Middellandse Zeegebied, de Liga van Arabische Staten en de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0384.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0102.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0032.


Strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020
PDF 234kWORD 115k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2015 over het strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020 (2015/2107(INI))
P8_TA(2015)0411A8-0312/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name de preambule en de artikelen 3 en 6 daarvan,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name de artikelen 3, 6, 9, 20, 151, 152, 153, 154, 156, 159 en 168 daarvan,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 1, 3, 27, 31, 32 en 33 daarvan,

–  gezien het Europees Sociaal Handvest van 3 mei 1996, met name deel I en deel II, artikel 3 daarvan,

–  gezien de verklaring van Philadelphia van 10 mei 1944 over de doelen en doelstellingen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO),

–  gezien de conventies en aanbevelingen van de IAO op het gebied van de gezondheid en veiligheid op het werk,

–  gezien de conclusies van de Raad van 27 februari 2015 over het strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020 (6535/15) en de conclusies van de Raad van 5 oktober 2015 over een nieuwe agenda voor gezondheid en veiligheid op het werk om betere arbeidsomstandigheden te bevorderen,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1338/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk(1),

–  gezien Richtlijn 89/391/EEG van 12 juni 1989 van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk(2) (kaderrichtlijn) en de bijzondere richtlijnen hierover,

–  gezien Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd(3),

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(4),

–  gezien Richtlijn 2007/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 tot wijziging van Richtlijn 89/391/EEG van de Raad, de daaruit voortvloeiende afzonderlijke richtlijnen, alsmede de Richtlijnen 83/477/EEG, 91/383/EEG, 92/29/EEG en 94/33/EG van de Raad, met het oog op de vereenvoudiging en rationalisatie van de verslagen over de praktische tenuitvoerlegging(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie over het strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020 (COM(2014)0332),

–  gezien de mededeling van de Commissie "Verbetering van de arbeidskwaliteit en -productiviteit: communautaire strategie 2007-2012 voor de gezondheid en veiligheid op het werk" (COM(2007)0062),

–  gezien de mededeling van de Commissie "Vernieuwde sociale agenda: kansen, toegang en solidariteit in het Europa van de 21st eeuw" (COM(2008)0412),

–  gezien het verslag van de Commissie over de uitvoering van het door de sociale partners goedgekeurde kaderakkoord over stress op het werk (SEC(2011)0241),

–  gezien "EUROPA 2020 - Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020) en de voornaamste doelstelling ervan, te weten de participatiegraad in de Europese Unie op te trekken tot 75% tegen het einde van het decennium, onder meer via een grotere vertegenwoordiging van vrouwen en oudere werknemers en een betere integratie van migranten in de beroepsbevolking,

–  gezien het witboek van de Europese Commissie over "Een agenda voor adequate, veilige en duurzame pensioenen" (COM(2012)0055),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Tussenopname van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2014)0130),

–  gezien de jaarlijkse groeianalyse 2015 (COM(2014)0902) en het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid (COM(2014)0906),

–  gezien zijn resolutie van 20 september 2001 over pesterij op het werk(6),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement tot toezending van de Europese kaderovereenkomst over geweld en pesterijen op het werk (COM(2007)0686),

–  gezien zijn resolutie van 24 februari 2005 over bevordering van de gezondheid en de veiligheid op het werk(7),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2006 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de bescherming van werknemers in de gezondheidszorg in Europa tegen door bloed overgedragen infecties als gevolg van prikaccidenten(8),

–  gezien zijn resolutie van 23 mei 2007 over bevordering van waardig werk voor iedereen(9),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2008 over de communautaire strategie 2007-2012 voor gezondheid en veiligheid op het werk(10),

–  gezien zijn resolutie van 26 maart 2009 over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten(11),

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2011 over de tussentijdse evaluatie van de Europese strategie 2007-2012 voor de gezondheid en veiligheid op het werk(12),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2013 over aan asbest gerelateerde bedreigingen voor de gezondheid op de werkplek en vooruitzichten op afschaffing van alle bestaande vormen van asbest(13),

–  gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over doeltreffende arbeidsinspecties als middel om de arbeidsomstandigheden in Europa te verbeteren(14),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 december 2014 en het advies van het Comité van de Regio's van 12 februari 2015 over de mededeling van de Commissie inzake een strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020,

–  gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep,

–  gezien het gemeenschappelijk optreden inzake geestelijke gezondheid en welzijn dat gestart is in 2013,

–  gezien het "Denk eerst klein"-beginsel en de "Small Business Act for Europe";

–  gezien de huidige campagne van het Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk (EU-OSHA) met als titel "Healthy Workplaces Manage Stress" (Gezondheid op de werkplek: omgaan met stress),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0312/2015),

A.  overwegende dat een goede lichamelijke en geestelijke gezondheid een grondrecht(15) is van individuele werknemers, dat op zich al waardevol is;

B.  overwegende dat de economische crisis heeft geleid tot verhoogde baanonzekerheid en atypische werkgelegenheid, alsmede verminderde bedrijfswinsten, met name voor mkb's; overwegende dat dit niet mag betekenen dat het belang van gezondheid en veiligheid op het werk uit het oog wordt verloren, alsmede de hoge maatschappelijke en individuele kosten van ongevallen op de werkplek die het gevolg zijn van niet-naleving;

C.  overwegende dat gezondheid en veiligheid op het werk van fundamenteel belang zijn voor de maatschappij, alsmede een investering die een positief effect heeft op de productiviteit en het concurrentievermogen van bedrijven en ook de houdbaarheid van de socialezekerheidssystemen bevordert en mensen in staat stelt in goede gezondheid hun werk te doen tot zij de pensioengerechtigde leeftijd bereiken; overwegende dat ongevallen op de werkplek en beroepsziekten een zware maatschappelijke last vormen en dat verbeteringen van de gezondheid en veiligheid op het werk in heel Europa kunnen bijdragen tot economisch herstel en tot het verwezenlijken van de Europa 2020-doelstellingen, omdat er tot dusver weinig vooruitgang is geboekt ten aanzien van de doelstelling van een participatiegraad van 75% voor 20- tot 64-jarigen;

D.  overwegende dat het voorkómen van beroepsrisico's en het bevorderen van gezondheid en veiligheid op het werk van essentieel belang is om de arbeidsomstandigheden te verbeteren en zo de gezondheid van werknemers te beschermen, wat op zijn beurt weer substantiële maatschappelijke en economische voordelen oplevert voor de individuele werknemer en voor de maatschappij als geheel; overwegende dat 9 op 10 bedrijven in de EU-28 die regelmatig risicobeoordelingen uitvoeren, deze beoordelingen beschouwen als een nuttig instrument voor het management van veiligheid en gezondheid op het werk(16);

E.  overwegende dat in artikel 153 van het VWEU staat dat de Unie het optreden van de lidstaten ter verbetering van met name het arbeidsmilieu zal ondersteunen en aanvullen om de veiligheid en gezondheid van werknemers te beschermen;

F.  overwegende dat de vergrijzing van de EU-bevolking een van de voornaamste uitdagingen vormt voor de EU-lidstaten; overwegende dat de levensverwachting uiteenloopt naar gelang van de sociale en beroepsgroepen waartoe mensen behoren en de zwaarte van het werk; overwegende dat werknemers van boven de 55 jaar naast spier- en skeletaandoeningen zeer vatbaar zijn voor kanker, hartziekten en slaapstoornissen(17); overwegende dat de indicator voor gezonde levensjaren tussen 2010 en 2013 is gedaald met 1,1 jaar voor vrouwen en met 0,4 jaar voor mannen, wat benadrukt dat de levensverwachting in goede gezondheid moet worden verlengd, waardoor er ook meer mensen op de arbeidsmarkt actief kunnen blijven tot zij de pensioengerechtigde leeftijd bereiken;

G.  overwegende dat de verschillende soorten kanker de voornaamste, met het werk verband houdende doodsoorzaak vormen(18), gevolgd door hart- en vaatziekten en aandoeningen van de luchtwegen, terwijl bedrijfsongevallen slechts tot een gering aantal sterftegevallen leiden; overwegende dat chronische gezondheidsproblemen, zoals spier- en skeletaandoeningen (MSD) in de EU wijdverbreid zijn en mensen kunnen beletten om een betaalde baan aan te nemen of te behouden(19), en dat het identificeren van werknemers die risico's lopen van vitaal belang is;

H.  overwegende dat de administratieve rompslomp en de directe kosten die bedrijven maken ten gevolge van beleid op het gebied van gezondheid en veiligheid op de werkplek (GVW) dat het welzijn, de kwaliteit van de werkomgeving en de productiviteit bevordert, aanzienlijk lager zijn dan de kosten die verband houden met beroepsziekten en ongevallen op het werk die het EU-regelgevingskader beoogt te voorkomen(20); overwegende dat volgens sommige studies de 'winst uit preventie' voor bedrijven aanzienlijk kan zijn(21);

I.  overwegende dat het aantal ongevallen op de werkplek met dodelijke afloop en het aandeel werknemers dat aangeeft dat hun gezondheid en veiligheid gevaar lopen door hun werk per lidstaat(22) en per sector van economische activiteit aanzienlijk verschilt, waaruit duidelijk blijkt dat er op Europees niveau veel meer aandacht moet komen voor de uitvoering en handhaving van de bestaande GVW-wetgeving als een belangrijk element voor de waarborging van de gezondheid en productiviteit van werknemers;

J.  overwegende dat arbeidsgerelateerde stress, en met name psychosociale risico's in het algemeen, een toenemend probleem in de EU is en dat bijna de helft van alle werknemers stress ervaart op hun werk; overwegende dat arbeidsgerelateerde stress leidt tot verzuim, negatieve gevolgen heeft voor de productiviteit en bijna de helft van het aantal verloren werkdagen per jaar uitmaakt; overwegende dat maatregelen voor het aanpakken van psychosociale risico's van lidstaat tot lidstaat verschillen(23);

K.  overwegende dat stevige, goed uitgevoerde en gehandhaafde GVW-wetgeving een belangrijke voorwaarde is om te voldoen aan de GVW-vereisten, die de gezondheid en productiviteit van werknemers tijdens hun beroepsleven waarborgen; overwegende dat arbeidsinspecties een belangrijke rol spelen bij de uitvoering van GVW-beleid op regionaal en lokaal niveau, en overwegende dat naleving van de wettelijke verplichtingen voor veel bedrijven de belangrijkste reden is om werk te maken van GVW en preventieve maatregelen te treffen(24);

L.  overwegende dat betrokkenheid, participatie en vertegenwoordiging van de werknemers op bedrijfsniveau en de inzet van het management belangrijk zijn voor een succesvolle preventie op de werkplek(25) en overwegende dat het percentage ongevallen en ziekten lager ligt in werkomgevingen met een vakbondsorganisatie;

M.  overwegende dat de bestrijding van ongevallen op het werk in het algemeen alleen succesvol kan zijn met een benadering waarin de mens in elk opzicht centraal staat in het productieproces;

N.  overwegende dat er voldoende middelen nodig zijn om zowel nieuwe en opkomende als traditionele GVW-risico's, die onder meer verband houden met het gebruik van asbest, nanomaterialen, en psychosociale risico's, tegen te gaan; overwegende dat veel werknemers, met name bouwvakkers, mogelijk aan asbest worden blootgesteld;

O.  overwegende dat onzekere banen negatieve gevolgen hebben voor de veiligheid en gezondheid op het werk en de bestaande GVW-structuren ondermijnen; overwegende dat onzekere banen ertoe leiden dat werknemers worden uitgesloten van opleiding en toegang tot GVW-diensten en geassocieerd worden met geestelijke stress vanwege arbeidsonzekerheid(26); overwegende dat in Kaderrichtlijn 89/391/EEG is vastgelegd dat de werkgevers verantwoordelijk zijn voor de invoering van een systematisch preventiebeleid waarmee alle risico's worden gedekt; overwegende dat de uitbesteding van werk via onderaanneming en uitzendwerk het moeilijker kan maken na te gaan wie verantwoordelijk is voor de GVW-voorschriften; overwegende dat zwartwerk en schijnzelfstandigheid een groot probleem vormen voor de uitvoering van GVW-maatregelen en de gezondheid en veiligheid van werknemers;

P.  overwegende dat de sociale partners een belangrijke rol spelen bij de uitwerking en uitvoering van het GVW-beleid, zowel op nationaal, internationaal als EU-niveau; overwegende dat in de artikelen 153 en 155 VWEU de bewegingsruimte en bevoegdheden van de sociale partners worden bepaald om te onderhandelen over overeenkomsten inzake gezondheid en veiligheid op het werk en om deze overeenkomsten te doen uitvoeren;

Q.  overwegende dat het EU-regelgevingskader erop gericht is ongevallen op de werkplek en beroepsziekten voor alle werknemers te voorkomen; overwegende dat werknemers wellicht minder goed geïnformeerd worden over veiligheids- en gezondheidsrisico's op het werk naarmate het bedrijf waar ze werken kleiner is; overwegende dat er geen enkel verband kan worden gelegd tussen het aantal ongevallen en de omvang van de onderneming, overwegende dat er wel een verband bestaat tussen het aantal ongevallen en het soort werk en de sector waarin de onderneming actief is(27);

R.  overwegende dat de beschikbaarheid en vergelijkbaarheid van gegevens over beroepsziekten op EU-niveau ontoereikend is(28);

S.  overwegende dat seksuele intimidatie op het werk, en het daarmee gepaard gaande gevoel van onveiligheid, moeten worden bestreden;

T.  overwegende dat segregatie op de arbeidsmarkt, beloningsachterstand, werktijd, werkplekken, onzekere arbeidsvoorwaarden, seksisme en discriminatie tussen de seksen, alsook de verschillen in verband met specifieke fysieke aspecten van het moederschap, als evenzovele factoren op de arbeidsomstandigheden voor vrouwen van invloed zijn;

U.  overwegende dat het vooroordeel bestaat dat vrouwen banen hebben waarin zij minder risico's lopen, dat in Europa de algemene tendens is dat de arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen nimmer neutraal is en dat, in het algemeen, vanwege die verdeling de gezondheidsproblemen van vrouwen minder zichtbaar zijn, met als gevolg dat er minder aandacht voor preventie is bij vrouwenbanen;

V.  overwegende dat in de EU vrouwen aanzienlijk meer in de dienstensector werkzaam zijn dan in de industrie en voor het merendeel in de gezondheidszorg en de sociale sector, en in de detailhandel, de productiesector, educatieve en zakelijke activiteiten, met een toenemende concentratie van vrouwen in losse en deeltijdbanen, hetgeen aanzienlijke gevolgen heeft op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk;

W.  overwegende dat vrouwen met specifieke risico's worden geconfronteerd, zoals spier- en skeletaandoeningen of specifieke vormen van kanker, zoals borstkanker of baarmoederslijmvlieskanker, als gevolg van de aard van bepaalde soorten banen waarin zij oververtegenwoordigd zijn(29);

X.  overwegende dat vrouwen meer met het werk samenhangende gezondheidsproblemen melden dan mannen, ongeacht het soort werk(30) , en dat zij met name blootstaan aan met leeftijd verband houdende ziekten; en dat daarom bij maatregelen ter verbetering van de gezondheid en veiligheid op het werk behoefte is aan een gender- en levenscyclusbenadering;

Y.  overwegende dat het voortplantingsvermogen kan worden bedreigd door de gezondheidsrisico's die kunnen ontstaan wanneer toekomstige ouders of hun ongeboren kinderen worden blootgesteld aan de gevolgen van milieuvervuiling en risicofactoren op het werk;

Z.  overwegende dat uit empirisch onderzoek blijkt dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in de besluitvorming inzake gezondheid en veiligheid;

AA.  overwegende dat vrouwen in plattelandsgebieden grotere moeilijkheden ondervinden bij de uitoefening van hun arbeids- en gezondheidsrechten en nog minder toegang hebben tot elementaire gezondheidszorg, bijzondere medische behandelingen, en onderzoeken voor de vroegtijdige opsporing van kanker;

Het strategische EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk (GVW)

1.  benadrukt dat elke werknemer, met inbegrip van werknemers in de publieke sector, recht heeft op het hoogste niveau van bescherming wat betreft gezondheid en veiligheid op het werk, en dat dit recht moet worden gewaarborgd, ongeacht de grootte van de onderneming, het onderliggende contract of de lidstaat waar hij werkzaam is; vraagt de Commissie een specifieke strategie uit te werken om alle vormen van arbeid in het EU-regelgevingskader op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk op te nemen; benadrukt dat er duidelijke en efficiënte regels moeten komen op het gebied van GVW;

2.  is verheugd dat er vele belangrijke actieterreinen zijn aangemerkt in het strategische EU-GVW-kader; betreurt het evenwel dat de Commissie geen concrete doelstellingen heeft geformuleerd in het kader; benadrukt in deze context dat, op basis van wetenschappelijk bewijs en de resultaten van de evaluatie achteraf van de huidige EU-GVW-wetgeving, er naar aanleiding van de evaluatie-2016 meer concrete wetgevings- en/of niet-wetgevingsmaatregelen alsmede uitvoerings- en handhavingsinstrumenten in het strategisch kader moeten worden opgenomen;

3.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om indicatieve reductiedoelstellingen voor beroepsziekten en ongevallen op de werkplek te formuleren naar aanleiding van de evaluatie-2016 van het strategische EU-GVW-kader en om uit te gaan van de recentste collegiaal getoetste onderzoeksresultaten bij de evaluatie van het kader; dringt er bij de Commissie op aan speciale prioriteit toe te kennen aan die sectoren waarin werknemers worden blootgesteld aan de grootste risico's en te zorgen voor begeleiding en de uitwisseling van goede praktijken aan te moedigen voor de tenuitvoerlegging van GVW-beleid;

4.  betreurt de vertraging bij de opstelling van het huidige strategische EU-GVW-kader; is van mening dat er, gezien de vele uitdagingen waarmee de Europese werknemers, ondernemingen en arbeidsmarkten geconfronteerd worden, inclusief de door de Commissie vastgestelde uitdagingen, tijdig en daadwerkelijk maatregelen moeten worden getroffen;

5.  benadrukt dat het van vitaal belang is te zorgen voor een lichamelijk en mentaal veilige en gezonde arbeidsomgeving gedurende het werkzame leven van mensen om het doel van actief en gezond ouder worden voor alle werknemers te verwezenlijken; is van mening dat het voorkómen van beroepsziekten en arbeidsongevallen en meer aandacht voor de cumulatieve effecten van beroepsrisico's een meerwaarde biedt voor de werknemers en voor de maatschappij als geheel;

6.  onderstreept het feit dat concreet optreden vereist is om de effecten van de crisis tegen te gaan, door bedrijven te helpen die acties ondernemen om de veiligheid en de gezondheid op het werk te verbeteren;

Nationale strategieën

7.  benadrukt dat nationale GVW-strategieën essentieel zijn en bijdragen tot verbetering van GVW in de lidstaten; benadrukt dat regelmatige verslaggeving over geboekte vooruitgang moet worden aangemoedigd; acht het onontbeerlijk om op EU-niveau te blijven doorgaan met het initiëren en coördineren van beleid om een hoog niveau van gezondheid en veiligheid voor alle werknemers te waarborgen, met een sterkere nadruk op de uitvoering en handhaving van de bestaande GVW-wetgeving; is van mening dat GVW-beleidsmaatregelen, zowel op Europees als op nationaal niveau, consistent moeten zijn met ander overheidsbeleid en dat de nalevingsvereisten duidelijk moeten zijn, zodat het gemakkelijker wordt voor bedrijven, met name mkb's, om ze na te leven; is van oordeel dat gendermainstreaming moet worden geïmplementeerd om beter in te spelen op de specifieke risico's die mannelijke en vrouwelijke werknemers lopen;

8.  dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan ervoor te zorgen dat de nationale GVW-strategieën binnen het strategisch EU-GVW-kader vallen en volledig transparant zijn en openstaan voor input van de sociale partners en het maatschappelijk middenveld, inclusief belanghebbenden in de gezondheidssector, overeenkomstig de gewoonten en praktijken van de lidstaten; is van mening dat het uitwisselen van goede praktijken, alsmede sociale dialoog een belangrijke manier is om de gezondheid en veiligheid op het werk te verbeteren;

9.  moedigt de lidstaten aan om context-specifieke doelstellingen op te nemen in hun nationale strategieën die meetbaar en vergelijkbaar zijn; benadrukt dat regelmatige en transparante verslaggeving over geboekte vooruitgang moet worden aangemoedigd; benadrukt het belang van betrouwbare gegevens;

Tenuitvoerlegging en naleving

10.  erkent dat er rekening gehouden moet worden met de situatie, specifieke behoeften van en problemen met de naleving door kleine en micro-ondernemingen en bepaalde overheidsdiensten, zoals de politie, in de context van de tenuitvoerlegging van GVW-maatregelen op bedrijfsniveau; benadrukt dat bewustmaking, uitwisseling van goede praktijken, raadpleging, gebruikersvriendelijke richtsnoeren en onlineplatforms uiterst belangrijk zijn om mkb's en micro-ondernemingen te helpen om de GVW-regelgevingsvereisten op doelmatiger wijze na te leven; vraagt de Commissie, EU-OSHA en de lidstaten praktische instrumenten en richtsnoeren te blijven ontwikkelen die de naleving van de GVW-vereisten door mkb's en micro-ondernemingen ondersteunen, faciliteren en verbeteren;

11.  verzoekt de Commissie rekening te blijven houden met de specifieke aard en situatie van mkb's en micro-ondernemingen bij de herziening van het strategisch kader, teneinde deze bedrijven te helpen bij het voldoen aan de doelstellingen op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk; benadrukt dat het mkb-concept in zijn huidige vorm ca. 99% van alle bedrijven dekt; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dat verband meer inspanningen te leveren voor het verzamelen van betrouwbare gegevens over de feitelijke GVW-tenuitvoerlegging in mkb's en micro-ondernemingen;

12.  is ingenomen met de invoering van de online interactive risk assessment (OiRA) van EU-OSHA, en andere e-instrumenten in de lidstaten, die de beoordeling van risico's vergemakkelijken en erop gericht zijn een cultuur van naleving en preventie te bevorderen, in het bijzonder in micro-ondernemingen en mkb's; vraagt de lidstaten met klem om de Europese middelen voor GVW-maatregelen in het algemeen en de ontwikkeling van e-instrumenten in het bijzonder te gebruiken met als doel mkb's te ondersteunen; benadrukt het belang van bewustmakingscampagnes zoals de campagnes over "een gezonde werkplek" (Healthy Workplaces) op het vlak van GVW, en onderstreept dat het bewustzijn van werkgevers en werknemers met betrekking tot de basisrechten en -verplichtingen inzake GVW moet worden vergroot;

13.  dringt er bij de lidstaten en de sociale partners op aan initiatieven te ontplooien om de vaardigheden van GVW-vertegenwoordigers en managers te verbeteren, in overeenstemming met nationale wetgeving en praktijken; dringt er bij de lidstaten op aan te ondersteunen dat werknemers actief worden betrokken bij de tenuitvoerlegging van preventieve GVW-maatregelen en om ervoor te zorgen dat veiligheidsvertegenwoordigers meer opleiding kunnen ontvangen dan alleen de basismodules;

14.  benadrukt dat het van belang is dat er een cultuur van wederzijds vertrouwen en leergierigheid wordt bevorderd, waarin werknemers worden aangemoedigd bij te dragen tot de ontwikkeling van een gezonde en veilige werkomgeving, wat ook de sociale inclusie van werknemers en het concurrentievermogen van bedrijven ten goede komt; benadrukt, in deze context, dat werknemers geen nadeel mogen ondervinden wanneer zij gezondheids- en veiligheidskwesties aankaarten;

15.  wijst erop dat essentiële elementen van goed GVW-management en -prestatie een goed uitgevoerde en afdwingbare, alsmede goed gedocumenteerde risicobeoordeling is met deelname van werknemers en werknemersvertegenwoordigers, zodat de juiste preventieve maatregelen op de werkplek kunnen worden getroffen;

16.  dringt er bij de Commissie op aan alle noodzakelijke maatregelen te treffen om toe te zien op de tenuitvoerlegging en handhaving van GVW-wetgeving in de lidstaten; is van mening dat de ex post evaluatie van de praktische tenuitvoerlegging van de EU-GVW-richtlijnen in de lidstaten hiervoor een goede gelegenheid biedt en verwacht dat er rekening zal worden gehouden met de bevindingen betreffende de tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving bij de evaluatie van het strategisch kader;

Handhaving

17.  is van mening dat het van cruciaal belang is dat er gezorgd wordt voor een gelijk speelveld in de EU en dat oneerlijke concurrentie en sociale dumping worden afgeschaft; benadrukt dat arbeidsinspecties een belangrijke rol spelen bij het afdwingen van de rechten van de werknemers op een mentaal en lichamelijk veilige en gezonde werkomgeving en bij het geven van advies en begeleiding aan werkgevers, met name mkb's en micro-ondernemingen; moedigt de lidstaten aan zich te houden aan de IAO-normen en -richtsnoeren op het gebied van arbeidsinspectie om ervoor te zorgen dat arbeidsinspecties over voldoende personeel en middelen beschikken, en de opleidingen van de arbeidsinspecteurs te verbeteren, zoals het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft aanbevolen(31); is ingenomen met de samenwerking van de nationale arbeidsinspecties in het kader van het Comité van hoge functionarissen van de arbeidsinspectie (SLIC);

18.  wijst erop dat de uitvoering van de wetgeving op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk problematisch is met betrekking tot werknemers die zwartwerk verrichten; wijst er nogmaals op dat arbeidsinspecties een essentiële rol vervullen bij het ontmoedigen van zwartwerk; dringt er bij de lidstaten op aan strenge inspecties uit te voeren en passende boetes op te leggen aan werkgevers die gebruik maken van zwartwerkers; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan nodige maatregelen ter bestrijding van zwartwerk te treffen; benadrukt dat een meerderheid van de dodelijke ongevallen plaatsvindt in arbeidsintensieve sectoren, waar zwartwerk wijder verbreid is dan in andere sectoren;

19.  is van mening dat doelmatige toepassing van GVW-wetgeving ook in grote mate afhangt van arbeidsinspecties; is van mening dat de middelen in de eerste plaats moeten worden toegewezen aan sectoren waarvoor is vastgesteld dat werknemers er de hoogste risico's lopen; dringt er bij de relevante autoriteiten op aan, die nog steekproefsgewijs blijven inspecteren, risico-gebaseerd toezicht uit te oefenen en zich te richten op recidivisten om werkgevers die niet aan de GVW-vereisten voldoen ter verantwoording te roepen; vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat informatie wordt uitgewisseld en de coördinatie tussen arbeidsinspecties te verbeteren met als doel de grensoverschrijdende samenwerking te verbeteren;

Het regelgevingskader

20.  is verheugd over de inspanningen om de kwaliteit van het regelgevingskader te verbeteren en verwacht meer vooruitgang op dit gebied; herinnert de Commissie er echter aan dat onderwerping van de GVW-richtlijnen aan REFIT en wijzigingen van de wetgeving in overeenstemming met de democratische regels en transparant moeten plaatsvinden, dat de sociale partners erbij betrokken moeten worden en er in geen geval toe mogen leiden dat de gezondheid en veiligheid op het werk worden ondermijnd; benadrukt in dit verband dat er rekening moet worden gehouden met veranderingen op de werkplek als gevolg van technologische ontwikkelingen; wijst erop dat het de lidstaten vrijstaat strengere normen vast te stellen dan de minimumvereisten op het gebied van GVW; is desalniettemin van mening dat de bestaande regels moeten worden verbeterd, onder andere, door overlapping te vermijden en door te bevorderen dat GVW beter wordt geïntegreerd in overige beleidsterreinen, waarbij het beschermingsniveau van gezondheid en veiligheid van werknemers wordt gehandhaafd of nog verder wordt verhoogd;

21.  benadrukt dat de deelneming van werknemers en sociale partners op alle niveaus, overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijken, een noodzakelijke voorwaarde is voor de correcte uitvoering van de GVW-wetgeving en dat betrokkenheid van de sociale partners op EU-niveau ervoor kan zorgen dat het strategisch GVW-kader relevant is voor de Europese werkgevers en werknemers; dringt er bij de sociale partners en de Commissie op aan een constructieve dialoog aan te gaan over hoe het bestaande regelgevingskader kan worden verbeterd en is van mening dat de rol van de sociale partners moet worden versterkt;

Preventie van arbeidsgerelateerde ziekten en nieuwe en opkomende risico's

22.  benadrukt dat het van belang is werknemers te beschermen tegen blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia en stoffen die giftig zijn voor de voorplanting; benadrukt, in dit verband, dat vrouwen vaak blootstaan aan een cocktail van substanties die gevaar voor de gezondheid opleveren en ook voor de levensvatbaarheid van hun nakomelingschap; dringt er nogmaals bij de Commissie stevig op aan een voorstel in te dienen voor een herziening van Richtlijn 2004/37/EG door, indien nodig, meer bindende grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling toe te voegen en in samenwerking met het Raadgevend Comité inzake veiligheid en gezondheid op het werk een beoordelingssysteem te ontwikkelen aan de hand van duidelijke en expliciete criteria; is van mening dat de mogelijke overlapping van regelgeving bij onbedoelde niet-naleving in dit verband moet worden aangepakt;

23.  onderstreept het feit dat werknemers beter moeten worden beschermd, waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de duur van de blootstelling, maar ook met de mix van chemische en/of toxische stoffen waaraan werknemers blootgesteld worden; wijst erop dat veel werknemers in de gezondheidszorg op hun werkplek nog steeds worden blootgesteld aan gevaarlijke chemische stoffen; verzoekt de Commissie om maatregelen te treffen op het gebied van chemische risicofactoren in de gezondheidszorg, en om specifieke bepalingen inzake de blootstelling van werknemers in de gezondheidszorg aan gevaarlijke geneesmiddelen op te nemen in het strategische GVW-kader; dringt er bij de Commissie op aan om ervoor te zorgen dat adequate bescherming wordt geboden aan alle werknemers die direct of indirect betrokken zijn bij het gebruik of de verwijdering van scherpe medische instrumenten; wijst erop dat dit, indien nodig, zou kunnen leiden tot een herziening van Richtlijn 2010/32/EU inzake de preventie van scherpe letsels in de ziekenhuis- en gezondheidszorgbranche;

24.  wijst erop dat veel werknemers op hun werkplek nog steeds worden blootgesteld aan asbest; dringt er bij de Commissie op aan nauw met de sociale partners samen te werken en dringt er bij de lidstaten op aan om hun inspanningen om nationale actieplannen voor het beheer en de veilige verwijdering van asbest te ontwikkelen, voor adequate financiering te zorgen en de nodige maatregelen te treffen, te bevorderen en te coördineren;

25.  wijst nogmaals op zijn verzoek(32) aan de Commissie om op basis van artikel 11 van Richtlijn 2009/148/EG een model voor de opsporing en registratie van asbest te ontwikkelen en toe te passen; verzoekt om de opzet van een Europese campagne over asbest, en spoort de lidstaten ertoe aan werknemers die het slachtoffer zijn van blootstelling aan asbest, schadeloos te stellen;

26.  dringt er bij de Commissie op aan om in actie te komen tegen een van de meest voorkomende arbeidsgerelateerde gezondheidsproblemen in Europa en onverwijld een voorstel in te dienen voor een allesomvattend rechtsinstrument betreffende spier- en skeletaandoeningen (MSD's) om doelmatige preventie te verbeteren en de oorzaken van MSD's aan te pakken, rekening houdend met het probleem van multicausaliteit en de specifieke risico's waar vrouwen aan blootstaan; wijst erop dat consolidering van EU-wetgeving waarin minimumvereisten worden vastgesteld voor de bescherming van werknemers tegen de blootstelling aan ergonomische risicofactoren voor zowel de werknemers als de werkgevers gunstig kan zijn, omdat het regelgevingskader gemakkelijker kan worden toegepast en nageleefd; benadrukt tevens het belang van uitwisseling van goede praktijken en de noodzaak om werknemers bewuster te maken van en in te lichten over de risicofactoren op ergonomisch gebied;

27.  verzoekt de lidstaten zo spoedig mogelijk uitvoering te geven aan Richtlijn 2002/44/EG van 25 juni 2002 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia;

28.  wijst de Commissie op het belang van de bevordering van de preventie van blootstelling op het werk aan hormoonontregelaars die vele schadelijke gevolgen hebben voor de gezondheid van vrouwelijke en mannelijke werknemers, alsook voor de gezondheid van hun nakomelingen(33); vraagt de Commissie per omgaande een algemene strategie te ontwikkelen tegen hormoonontregelaars die, indien nodig, met name de tenuitvoerlegging van EU-wetgeving zou kunnen omvatten inzake het in de handel brengen van pesticiden en biociden, en die de regels betreffende de preventie van beroepsrisico's zou kunnen aanscherpen; benadrukt dat de EU-steun voor onderzoek naar veiliger alternatieven van essentieel belang is met het oog op de toepassing van het voorzorgs- en vervangingsbeginsel;

29.  is verheugd over de betrokkenheid van de Commissie bij het strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020 met het oog op het verbeteren van de preventie van arbeidsgerelateerde ziekten, met name op het gebied van nanotechnologie en biotechnologie; benadrukt de onzekerheid over de verspreiding en het gebruik van nanotechnologie en is van mening dat nader onderzoek naar de potentiële GVW-risico's die verband houden met nanotechnologie nodig is; is in dit verband van mening dat het voorzorgsbeginsel moet worden toegepast om potentiële risico's voor de gezondheid en veiligheid van werknemers die nanotechnologie toepassen te verminderen;

30.  vestigt de aandacht van de Commissie op het toegenomen aantal werknemers met chronische ziekten; is van mening dat toegankelijke en veilige banen beschikbaar moeten zijn voor mensen met terminale ziekten, chronische en langdurige aandoeningen, en mensen met een handicap; verzoekt de lidstaten zich op het vasthouden en integreren van mensen met een chronische ziekte te concentreren en de redelijke aanpassing van werkplekken te ondersteunen, waardoor mensen op het juiste tijdstip weer aan het werk gaan; dringt er bij de Commissie op aan integratie- en revalidatiemaatregelen voor mensen met een handicap te bevorderen en de inspanningen van lidstaten te steunen om de bewustwording te bevorderen en goede praktijken inzake voorzieningen en aanpassingen op de werkplek in kaart te brengen en uit te wisselen; verzoekt Eurofound de arbeidskansen en de mate van inzetbaarheid van mensen met chronische ziekten nader te onderzoeken en analyseren;

31.  merkt op dat technologische vernieuwing de maatschappij als geheel ten goede kan komen; is evenwel bezorgd over de nieuwe risico's die het gevolg zijn van deze veranderingen; is in deze context ingenomen met het voornemen van de Commissie om een netwerk van GVW-deskundigen en -wetenschappers op te richten, teneinde toekomstige uitdagingen beter het hoofd te kunnen bieden; benadrukt het toenemende gebruik van slimme, op samenwerking gerichte robots, bijvoorbeeld in de industriële productie, ziekenhuizen en bejaardentehuizen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de potentiële GVW-risico's die voortvloeien uit technologische vernieuwing op te sporen en passende maatregelen te nemen om hiertegen op te treden;

32.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan een programma te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen voor stelselmatige monitoring, beheer en ondersteuning van werknemers met psychosociale risico's, inclusief stress, depressie en burn-out om, onder andere, doelmatige aanbevelingen en richtsnoeren op te stellen om deze risico's tegen te gaan; benadrukt dat stress op het werk erkend wordt als een belangrijke belemmerende factor voor de productiviteit en de levenskwaliteit; wijst er in dit verband op dat de geestelijke gezondheid en psychosociale risico's kunnen worden beïnvloed door vele factoren, die niet allemaal arbeidsgerelateerd zijn; wijst echter op het feit dat psychosociale risico's en arbeidsgerelateerde stress een structureel probleem vormen dat verband houdt met de arbeidsorganisatie en dat preventie en beheer van psychosociale risico's en arbeidsgerelateerde stress mogelijk is; benadrukt dat er studies moeten worden verricht, dat de preventie moet worden verbeterd en is van mening dat er nieuwe maatregelen moeten worden overwogen gebaseerd op de uitwisseling van beste praktijken en instrumenten voor reïntegratie op de arbeidsmarkt, bij de evaluatie van het strategisch GVW-kader in 2016;

33.  is ingenomen met de campagne "Healthy Workplaces Manage Stress" (Gezondheid op de werkplek: omgaan met stress); benadrukt dat de genderdimensie moet worden opgenomen in de initiatieven voor de aanpak van arbeidsgerelateerde stress, rekening houdend met de specifieke arbeidsomstandigheden van vrouwen;

34.  vestigt de aandacht op het thema pesten en de mogelijke gevolgen ervan voor de psychosociale gezondheid; wijst op het belang van het bestrijden van pesterij en geweld op het werk en dringt er bij de Commissie op aan om, in nauwe samenwerking met de sociale partners, te overwegen een voorstel in te dienen voor een rechtsinstrument op basis van de kaderovereenkomst over geweld en pesterijen op het werk; dringt er bij de lidstaten op aan doeltreffende nationale strategieën te ontwikkelen ter bestrijding van geweld op het werk;

35.  dringt er bij de Commissie op aan een gerichte benadering te kiezen om onzekere banen te elimineren en in het algemeen rekening te houden met de negatieve gevolgen van onzekere banen voor de gezondheid en de veiligheid op het werk; benadrukt dat werknemers met atypische contracten wellicht meer problemen ondervinden om toegang te krijgen tot opleiding en diensten inzake gezondheid en veiligheid op het werk; benadrukt dat het van vitaal belang is om de gezondheid en veiligheid van alle werknemers in alle dienstverbanden te verbeteren, in het bijzonder van werknemers die kwetsbaar kunnen zijn, zoals jongeren en mensen die eerder langdurig werkloos zijn geweest; dringt er bij de lidstaten op aan te voldoen aan de in Richtlijn 96/71/EG vastgelegde voorschriften inzake de bestrijding van sociale dumping en in dit verband alle nodige maatregelen te treffen met het oog op de handhaving en bescherming van het recht van gedetacheerde werknemers op gelijke behandeling met betrekking tot gezondheid en veiligheid op het werk;

36.  benadrukt dat werk in de huishoudelijke sector moet worden meegenomen in de overwegingen betreffende de verbetering van de gezondheid en veiligheid op het werk; dringt er bij de werkgevers en beleidsmakers op aan een goed evenwicht tussen werk en privéleven te waarborgen en te vergemakkelijken, waarbij rekening wordt gehouden met het toenemende aantal werknemers dat werk en zorg moet combineren; benadrukt dat buitensporig lange werkdagen moeten worden tegengegaan om te zorgen voor een goed evenwicht tussen werk en privéleven; verzoekt de lidstaten Richtlijn 2003/88/EC volledig toe te passen en wijst in dit verband op het belang van toezicht op de naleving van de bepaling inzake het maximumaantal werkuren;

37.  verzoekt de Commissie en de lidstaten passende maatregelen op te stellen met het oog op de aanpak van de vergrijzing van de werkende bevolking; wijst erop dat het GVW-regelgevingskader moet bijdragen tot de duurzaamheid van het arbeidsleven en gezond ouder worden; verzoekt de lidstaten revalidatie- en reïntegratiemaatregelen voor oudere werknemers te bevorderen door de resultaten van het proefproject inzake de gezondheid en veiligheid van oudere werknemers ten uitvoer te leggen;

38.  benadrukt het belang van GVW-maatregelen om de specifieke uitdagingen en risico's aan te pakken waarmee vrouwen op de werkplek worden geconfronteerd, inclusief seksuele intimidatie; verzoekt de Commissie en de sociale partners ervoor te zorgen dat vrouwen en mannen in alle fasen van de sociale dialoog in gelijkere mate vertegenwoordigd zijn; dringt er bij de Commissie op aan rekening te houden met de gendergelijkheid bij de evaluatie van het strategisch GVW-kader in 2016; verzoekt de Commissie een Europese strategie te ontwikkelen ter bestrijding van geweld tegen vrouwen op de werkplek en in het kader hiervan na te gaan of Richtlijn 2006/54/EG moet worden herzien om het toepassingsgebied van de richtlijn uit te breiden zodat er nieuwe vormen van geweld en pesterij onder vallen; verzoekt de lidstaten Aanbeveling 92/131/EEG van de Commissie uit te voeren ter bevordering van de bewustwording van seksuele intimidatie en andere vormen van seksueel wangedrag;

39.  vestigt de aandacht van de Commissie op de rol die de sectorale comités van de sociale dialoog kunnen spelen bij de aanpak van sectorspecifieke GVW-risico's en bij het creëren van mogelijke toegevoegde waarde door afspraken tussen de sociale partners die gebruik maken van hun kennis van sectorspecifieke situaties;

40.  onderstreept dat de Commissie de nodige statistische middelen moet ontwikkelen om, uitgesplitst naar geslacht en leeftijd, de preventie te evalueren, teneinde de specifieke problemen waar kwetsbare groepen, inclusief vrouwen, mee te maken krijgen aan te pakken;

41.  benadrukt dat er meer geïnvesteerd moet worden in risicopreventiebeleid alsmede in het bevorderen, ontwikkelen en ondersteunen van een preventiecultuur ten aanzien van gezondheid en veiligheid op het werk; verzoekt de lidstaten om de bewustmaking te bevorderen en om in schoolprogramma's op alle niveaus, onder meer in het leerlingwezen, een hogere prioriteit te geven aan preventie en gezondheid en veiligheid op het werk; is van mening dat het van belang is om zo vroeg mogelijk in het productieproces te focussen op preventie en om de tenuitvoerlegging van op risicobeoordelingen gebaseerde systematische risicopreventieprogramma's te bevorderen die werkgevers en werknemers aanmoedigen om bij te dragen tot een veilige en gezonde arbeidsomgeving; wijst erop dat de kwaliteit van de preventieve diensten in vele lidstaten van essentieel belang is voor de ondersteuning van bedrijven, met name mkb's, om risicobeoordelingen uit te voeren en passende preventiemaatregelen te treffen; verzoekt de Commissie te onderzoeken wat er door de lidstaten in de nationale wetgeving is vastgelegd over de taken en opleidingseisen van de preventieve diensten;

42.  benadrukt dat vrouwen bij de besluitvormingsprocessen moeten worden betrokken met betrekking tot de ontwikkeling van betere gezondheids- en veiligheidspraktijken in hun arbeidsomgeving;

43.  verzoekt de Commissie de kwestie van de ontwikkeling van specifieke carcinomen die verband houden met de werkplek niet uit het oog te verliezen, zoals neusholtetumoren, die vaker voorkomen als er niet voorzien wordt in een passende bescherming van de luchtwegen van de werknemer tegen relatief gewone soorten stof die voorkomen bij de verwerking van hout, leer, meel, stoffen, nikkel en andere materialen;

44.  moedigt de lidstaten aan te zorgen voor gelijke kansen voor al hun burgers bij de uitoefening van arbeidsrechten en de toegang tot de openbare gezondheidszorg, met name voor vrouwen in plattelandsgebieden en andere kwetsbare groepen burgers;

Statistische gegevens

45.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de verzameling van betrouwbare en vergelijkbare gegevens over beroepsziekten en beroepsmatige blootstelling in alle sectoren, waaronder de openbare sector, te verbeteren om goede praktijken vast te stellen, benchlearning te bevorderen en om een gemeenschappelijke database voor beroepsmatige blootstellingen op te zetten, zonder dat dit tot buitensporige kosten leidt; benadrukt dat het van belang is er nationale deskundigen bij te betrekken en de database bij te werken; verzoekt de lidstaten en de Commissie meer gegevens te verzamelen over de risico's die verbonden zijn aan digitalisering, arbeidsgerelateerde verkeersveiligheid en de gevolgen die de crisis mogelijk heeft gehad voor de gezondheid en veiligheid op het werk;

46.  verzoekt de Commissie en de lidstaten hoogwaardige, specifiek naar geslacht en leeftijd uitgesplitste statistische gegevens inzake arbeidsgerelateerde ziekten te verzamelen, teneinde het wetgevingskader waar nodig te verbeteren en aan te passen, overeenkomstig de nieuwe en opkomende risico's;

47.  verzoekt de lidstaten onderzoeken te verrichten naar het aantal gevallen van arbeidsgerelateerde spier- en skeletaandoeningen onder de beroepsbevolking op nationaal niveau, uitgesplitst naar geslacht, leeftijd en economische activiteit, om het opduiken van deze aandoeningen te voorkomen en te bestrijden;

48.  benadrukt dat het belangrijk is om te zorgen voor geüpdatete en gemeenschappelijke definities van arbeidsgerelateerde ziekten, inclusief stress op het werk, en EU-brede statistische gegevens om doelen te stellen teneinde het vóórkomen van beroepsziekten terug te dringen;

49.  onderstreept de problemen bij het verzamelen van gegevens in talrijke lidstaten; dringt erop aan het werk van EU-OSHA en Eurofound te intensiveren; verzoekt de lidstaten alle nodige maatregelen te treffen om te waarborgen dat werkgevers melding maken van ongevallen op het werk;

Internationale inspanningen

50.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan ervoor te zorgen dat alle handelsovereenkomsten met derde landen een verbetering van de arbeidsomgeving met zich meebrengen, teneinde de gezondheid en veiligheid van de werknemers te beschermen;

51.  benadrukt dat de EU er belang bij heeft en verplicht is om wereldwijd de arbeidsnormen te verhogen, ook met betrekking tot gezondheid en veiligheid op het werk;

52.  dringt er bij de Commissie op aan de samenwerking inzake gezondheid en veiligheid op het werk met internationale organisaties, waaronder de IAO, de OESO, de G20 en de WHO te versterken;

53.  betreurt het feit dat niet alle lidstaten IAO-Verdrag nr. 187 inzake het stimuleringskader voor de gezondheid en veiligheid op het werk hebben geratificeerd; verzoekt alle lidstaten het verdrag te ratificeren;

o
o   o

54.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 354 van 31.12.2008, blz. 70.
(2) PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1.
(3) PB L 299 van 18.11.2003, blz. 9.
(4) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(5) PB L 165 van 27.6.2007, blz. 21.
(6) PB C 77 E van 28.3.2002, blz. 138.
(7) PB C 304 E van 1.12.2005, blz. 400.
(8) PB C 303 E van 13.12.2006, blz. 754.
(9) PB C 102 E van 24.4.2008, blz. 321.
(10) PB C 41 E van 19.2.2009, blz. 14.
(11) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 101.
(12) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 102.
(13) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0093.
(14) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0012.
(15) Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 31, lid 1: Iedere werknemer heeft recht op gezonde, veilige en waardige arbeidsomstandigheden.
(16) Tweede Europese bedrijvenenquête naar nieuwe en opkomende risico's (ESENER-2), EU-OSHA (2015).
(17) Eurofound: "Arbeidsomstandigheden van een vergrijzende beroepsbevolking" Eurofound (2008).
(18) Verklaring van de directeur van EU-OSHA, 18.11.2014.
(19) Verslag over de kansen op werkgelegenheid voor mensen met chronische ziekten, Eurofound (2014).
(20) Evaluatie van de Europese strategie voor de gezondheid en veiligheid op het werk 2007-2012, EC (2013) en Sociaal-economische kosten van ongevallen op de werkplek en arbeidsgerelateerde gezondheidsklachten, EC (2012).
(21) Berechnung des internationalen „Return on Prevention“ für Unternehmen: Kosten und. Nutzen von Investitionen in den betrieblichen Arbeits- und Gesundheitsschutz, DGUV (2013).
(22) 5th Working Conditions Survey, Overview Report, Eurofound (2012).
(23) Tweede Europese bedrijvenenquête naar nieuwe en opkomende risico's (ESENER-2), EU-OSHA (2015)
(24) Tweede Europese bedrijvenenquête naar nieuwe en opkomende risico's (ESENER-2), EU-OSHA (2015)
(25) Vertegenwoordiging en raadpleging van de werknemers over gezondheid en veiligheid, EU-OSHA (2012)
(26) Flexibele vormen van werk: 'zeer atypische' contractbepalingen, Eurofound (2010) en Gezondheid en welzijn op het werk: Een verslag dat gebaseerd is op de fifth European Working Conditions Survey, Eurofound (2012).
(27) 5th Working Conditions Survey, Overview Report, Eurofound (2012) en 3rd European Company Survey, Eurofound (2015).
(28) Report on the current situation in relation to occupational diseases systems in EU Member States and EFTA/EEA countries, EC (2013).
(29) EU-OSHA, 2013. Nieuwe risico's en trends op het gebied van veiligheid en gezondheid van vrouwen op het werk.
(30) Occupational health and safety risks for the most vulnerable workers, EP-beleidsafdeling A, Economisch en wetenschappelijk beleid, 2011, blz. 40.
(31) PB C 230 van 14.7.2015, blz. 82.
(32) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0093.
(33) The Cost of Inaction, Nordon (2014) en Rapport sur les perturbateurs endocriniens, le temps de la précaution, Gilbert Barbier (2011).

Juridische mededeling