Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 15 december 2015 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Regeling met de Zwitserse Bondsstaat betreffende de nadere bijzonderheden van de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken ***
 Overeenkomst EU - Dominica inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
 Overeenkomst EU - Vanuatu inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
 Overeenkomst EU - Trinidad en Tobago inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
 Overeenkomst EU - Samoa inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
 Overeenkomst EU - Grenada inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
 Overeenkomst EU - Oost-Timor inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
 Overeenkomst EU - Saint Lucia inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
 Overeenkomst EU - Saint Vincent en de Grenadines inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
 Overeenkomst EU - Verenigde Arabische Emiraten inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
 Memorandum van overeenstemming tussen het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt en Eurojust *
 Regels en procedures voor de terbeschikkingstelling van de traditionele eigen middelen, de btw- en de bni-middelen en maatregelen om in de behoefte aan kasmiddelen te voorzien *
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Georgios Kyrtsos
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Stelios Kouloglou
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag van Finland - EGF/2015/005 FI/Computerprogrammering
 EU-merk ***II
 Merkenrecht van de lidstaten ***II
 Controle- en handhavingsregeling voor de visserij in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan ***I
 Opschorting van uitzonderlijke handelsmaatregelen wat betreft Bosnië en Herzegovina ***I
 Strategische samenwerking bij de bestrijding van ernstige criminaliteit en terrorisme tussen de Verenigde Arabische Emiraten en Europol *
 Op weg naar een Europese energie-unie
 Het Europese elektriciteitsnet voorbereiden voor 2020
 Tenuitvoerlegging van de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit
 Een nieuw GVB: structuur voor de technische maatregelen en de meerjarenplannen

Regeling met de Zwitserse Bondsstaat betreffende de nadere bijzonderheden van de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken ***
PDF 242kWORD 59k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad inzake de sluiting van de Regeling tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de nadere bijzonderheden van de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (18079/2013 – C8-0027/2014 – 2013/0422(NLE))
P8_TA(2015)0424A8-0345/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (18079/2013),

–  gezien de ontwerpregeling tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de nadere bijzonderheden van de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (18078/2013),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 74 en artikel 78, leden 1 en 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0027/2014),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, artikel 99, lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0345/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, aan het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Zwitserse Bondsstaat.


Overeenkomst EU - Dominica inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
PDF 241kWORD 59k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de overeenkomst tussen de Europese Unie en het Gemenebest Dominica inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (07189/2015 – C8-0143/2015 – 2015/0050(NLE))
P8_TA(2015)0425A8-0322/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (07189/2015),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en het Gemenebest Dominica inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (07111/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 77, lid 2, onder a), en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a) v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0143/2015),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0322/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en het Gemenebest Dominica.


Overeenkomst EU - Vanuatu inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
PDF 240kWORD 59k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Vanuatu inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (07192/2015 – C8-0149/2015 – 2015/0052(NLE))
P8_TA(2015)0426A8-0329/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (07192/2015),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Vanuatu inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (07119/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 77, lid 2, onder a), en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a) v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0149/2015),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0329/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Vanuatu.


Overeenkomst EU - Trinidad en Tobago inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
PDF 241kWORD 59k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Trinidad en Tobago inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (07196/2015 – C8-0151/2015 – 2015/0054(NLE))
P8_TA(2015)0427A8-0323/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (07196/2015),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Trinidad en Tobago inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (07129/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 77, lid 2, onder a), en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a) v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0151/2015),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0323/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Trinidad en Tobago.


Overeenkomst EU - Samoa inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
PDF 241kWORD 59k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Onafhankelijke Staat Samoa inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (07195/2015 – C8-0146/2015 – 2015/0056(NLE))
P8_TA(2015)0428A8-0320/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (07195/2015),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en de Onafhankelijke Staat Samoa inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (07127/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 77, lid 2, onder a), en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0146/2015),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0320/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Onafhankelijke Staat Samoa.


Overeenkomst EU - Grenada inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
PDF 240kWORD 59k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Grenada inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (07190/2015 – C8-0144/2015 – 2015/0057(NLE))
P8_TA(2015)0429A8-0326/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (07190/2015),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en Grenada inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (07113/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 77, lid 2, onder a), en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a) v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0144/2015),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0326/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Grenada.


Overeenkomst EU - Oost-Timor inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
PDF 242kWORD 59k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Democratische Republiek Oost-Timor inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (07194/2015 – C8-0147/2015 – 2015/0058(NLE))
P8_TA(2015)0430A8-0327/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (07194/2015),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en de Democratische Republiek Oost-Timor inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (07125/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 77, lid 2, onder a), en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a) v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0147/2015),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0327/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Democratische Republiek Oost-Timor.


Overeenkomst EU - Saint Lucia inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
PDF 241kWORD 59k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Saint Lucia inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (07187/2015 – C8-0145/2015 – 2015/0060(NLE))
P8_TA(2015)0431A8-0321/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (07187/2015),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en Saint Lucia inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (07107/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 77, lid 2, onder a), en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a) v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0145/2015),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0321/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Saint Lucia.


Overeenkomst EU - Saint Vincent en de Grenadines inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
PDF 242kWORD 59k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Saint Vincent en de Grenadines inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (07191/2015 – C8-0148/2015 – 2015/0061(NLE))
P8_TA(2015)0432A8-0325/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (07191/2015),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en Saint Vincent en de Grenadines inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (07115/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 77, lid 2, onder a), en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a) v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0148/2015),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0325/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Saint Vincent en de Grenadines.


Overeenkomst EU - Verenigde Arabische Emiraten inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf ***
PDF 240kWORD 59k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Verenigde Arabische Emiraten inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (07185/2015 – C8-0124/2015 – 2015/0062(NLE))
P8_TA(2015)0433A8-0324/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (07185/2015),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en de Verenigde Arabische Emiraten inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (07103/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 77, lid 2, onder a), en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a) v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0124/2015),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0324/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsook aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Verenigde Arabische Emiraten.


Memorandum van overeenstemming tussen het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt en Eurojust *
PDF 240kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 over het uitvoeringsbesluit van de Raad tot goedkeuring van de sluiting door Eurojust van het memorandum van overeenstemming tussen het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt en Eurojust (11595/2015 – C8-0303/2015 – 2015/0811(CNS))
P8_TA(2015)0434A8-0353/2015

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (11595/2015),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0303/2015),

–  Gezien Besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken(1), en met name artikel 26, lid 2,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 april 2015(2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0353/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

(1) PB L 63 van 6.3.2002, blz. 1.
(2) Arresten van het Hof van Justitie van 16 april 2015 in gevoegde zaken C-317/13 en C-679/13, Parlement/Raad, ECLI: EU:C:2015:223, en in zaak C-540/13, Parlement/Raad, ECLI:EU:C:2015:224.


Regels en procedures voor de terbeschikkingstelling van de traditionele eigen middelen, de btw- en de bni-middelen en maatregelen om in de behoefte aan kasmiddelen te voorzien *
PDF 257kWORD 69k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 betreffende de regels en procedures voor de terbeschikkingstelling van de traditionele eigen middelen, de btw- en de bni-middelen, en betreffende de maatregelen om in de behoefte aan kasmiddelen te voorzien (COM(2015)0447 – C8-0277/2015 – 2015/0204(NLE))
P8_TA(2015)0435A8-0357/2015

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2015)0447),

–  gezien artikel 322, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0277/2015),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0357/2015),

A.  overwegende dat Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad(1) naar verwachting begin 2016 in werking zal treden;

B.  overwegende dat dit besluit gepaard gaat met Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014(2), die op dezelfde dag als het besluit in werking treedt;

C.  overwegende dat de momenteel van kracht zijnde wetgeving in verband met Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad(3) eind 2014 moest worden herzien als gevolg van uitzonderlijk hoge bedragen van op de btw en het bni gebaseerde aanpassingen voor bepaalde lidstaten;

D.  overwegende dat Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 ook moet worden herzien in het licht van de ervaringen van de aanpassingen in 2014;

E.  overwegende dat de terbeschikkingstelling en de aanpassing van de bijdragen van de lidstaten aan de begroting van de Unie niet mogen worden onderworpen aan politieke onderhandelingen, maar een technisch proces moeten zijn om in de behoefte aan kasmiddelen te voorzien;

F.  overwegende dat de lidstaten tot nu toe over het algemeen hun op de btw en het bni gebaseerde bijdragen aan de Uniebegroting integraal zonder significante vertraging hebben betaald, ook in tijden van crisis en grote druk op hun begroting;

G.  overwegende dat, omwille van de transparantie, elk jaar een verslag over de berekeningen en de onderliggende gegevens voor de op de btw en het bni gebaseerde correcties bij het Parlement moet worden ingediend, alsook de datums en de bedragen van de door de lidstaten gestorte bijdragen aan de begroting van de Unie;

H.  overwegende dat het voorstel van de Commissie bovendien ook wijzigingen met betrekking tot de regels voor rente en een aantal meer technische kwesties en verduidelijkingen bevat;

I.  overwegende dat Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 bijgevolg in die zin moet worden gewijzigd;

1.  benadrukt de behoefte aan doeltreffende regels voor de wijze waarop de lidstaten hun bijdrage aan de begroting van de Unie tijdig beschikbaar stellen, opdat de Commissie haar kasmiddelen doeltreffend kan beheren;

2.  steunt de mogelijkheid waarover de Commissie beschikt om de lidstaten te vragen een derde twaalfde van de btw- en bni-middelen te betalen in de eerste helft van het jaar, opdat de Commissie een groter deel van de betalingsachterstand van het voorgaande jaar bij het Europees Landbouwgarantiefonds (en ook bij de Europese structuur- en investeringsfondsen) kan wegwerken en de rente bij wanbetaling kan verminderen;

3.  benadrukt met name de noodzaak om de betalingen aan begunstigden van de begroting van de Unie tijdig uit te voeren; is in dit verband verheugd over de voorgestelde wijziging van artikel 12 van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014, die niet alleen tot doel heeft de stimulansen om tijdig te betalen te vergroten door laattijdige betaling duurder te maken, maar ook te zorgen voor evenredigheid door een maximale verhoging van de rentevoet tot 20 procentpunt vast te stellen;

4.  benadrukt dat de voorgestelde wijzigingen aan de regels die van toepassing zijn op aanpassingen van de bijdragen tot doel hebben te voorkomen dat een soortgelijk incident zoals dat in 2014 zich opnieuw kan voordoen;

5.  benadrukt dat deze aanpassingen van de bijdragen zo automatisch mogelijk moeten worden behandeld om politieke inmenging met de overeengekomen financieringswijze van de begroting van de Unie te voorkomen en om de vrijheid van de lidstaten betreffende het tijdstip waarop ze hun extra bijdragen op grond van de bni-aanpassingen aan de begroting van de Unie betalen tot een minimum te beperken;

6.  stemt daarom in met het voorstel van de Commissie om het tijdstip voor de mededeling en met name de uiterste datum om het bedrag van de aanpassingen beschikbaar te stellen te verplaatsen van 1 december naar het begin van het jaar, wat het voor de nationale schatkisten gemakkelijker zal maken de financiering van mogelijke aanpassingen te beheren;

7.  steunt bovendien het voorstel van de Commissie dat, om verliezen voor de begroting van de Unie te voorkomen, elke lidstaat moet waarborgen dat de bedragen die zijn gestort op de rekening voor de eigen middelen niet worden aangetast door negatieve rente of andere kosten voor de tijd dat deze op die rekening moeten blijven staan;

8.  wijst op de grote diversiteit wat betreft de manier waarop de lidstaten omgaan met hun nationale rekeningen voor de bijdragen aan de begroting van de Unie, en verzoekt de Commissie aanbevelingen in dit verband te onderzoeken om te zorgen voor een betere vergelijkbaarheid tussen de lidstaten;

9.  benadrukt dat het stelsel van eigen middelen nog steeds veel te ingewikkeld is en grondig moet worden hervormd bij het volgende meerjarig financieel kader; wijst in dit verband op de cruciale rol van de groep op hoog niveau inzake de eigen middelen om voorstellen te doen om de tekortkomingen van het huidige stelsel weg te werken;

10.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

11.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie dienovereenkomstig te wijzigen;

12.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

13.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

14.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – punt 4
Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014
Artikel 10 ter – lid 5 – alinea 3
De Commissie deelt de lidstaten de uit deze berekening voortvloeiende bedragen mee vóór 1 februari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de gegevens voor de aanpassingen zijn verstrekt. Elke lidstaat boekt het nettobedrag op de in artikel 9 bedoelde rekening op de eerste werkdag van de maand juni van hetzelfde jaar.
De Commissie deelt de lidstaten en het Europees Parlement de uit deze berekening voortvloeiende bedragen mee vóór 1 februari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de gegevens voor de aanpassingen zijn verstrekt. Elke lidstaat boekt het nettobedrag op de in artikel 9 bedoelde rekening op de eerste werkdag van de maand juni van hetzelfde jaar.

(1) Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105).
(2) Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 van de Raad van 26 mei 2014 betreffende de regels en procedures voor de terbeschikkingstelling van de traditionele eigen middelen, de btw- en de bni-middelen, en betreffende de maatregelen om in de behoefte aan kasmiddelen te voorzien (PB L 168 van 7.6.2014, blz. 39).
(3) Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17).


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Georgios Kyrtsos
PDF 159kWORD 63k
Besluit van het Europees Parlement van 15 december 2015 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Georgios Kyrtsos (2015/2238(IMM))
P8_TA(2015)0436A8-0358/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Georgios Kyrtsos, dat op 21 juli 2015 werd ingediend door het Openbaar Ministerie van het Griekse Hooggerechtshof in verband met een klacht van de dienst voor arbeidsinspectie van Oost-Attica inzake de niet-uitbetaling van lonen(1), en van de ontvangst waarvan op 9 september 2015 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  gezien het feit dat Georgios Kyrtsos afstand heeft gedaan van zijn recht te worden gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(2),

–  gezien artikel 62 van de grondwet van de Helleense Republiek,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0358/2015),

A.  overwegende dat het Openbaar Ministerie van het Griekse Hooggerechtshof heeft verzocht om opheffing van de immuniteit van Georgios Kyrtsos, lid van het Europees Parlement in verband met een mogelijk proces over een vermeend strafbaar feit;

B.  overwegende dat in artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaald is dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

C.  overwegende dat in artikel 62 van de grondwet van de Helleense Republiek bepaald is dat de leden van het parlement tijdens hun parlementaire ambtsperiode niet kunnen worden vervolgd, gearresteerd, gevangen genomen of op andere wijze aan beperkingen worden onderworpen zonder voorafgaande toestemming van het parlement;

D.  overwegende dat Georgios Kyrtsos beschuldigd wordt van niet-betaling van een deel van het loon van een van zijn vroegere werknemers;

E.  overwegende dat deze beschuldiging betrekking heeft op een gedeelte van het loon van 2013 van een vroegere werknemer van twee krantenuitgeverijen waarvan Georgios Kyrtsos destijds de directeur was, en dat de beschuldiging gericht is aan het adres van Georgios Kyrtsos als voormalig directeur van deze uitgeverijen;

F.  overwegende dat het vermeende strafbare feit duidelijk geen verband houdt met het ambt van Georgios Kyrtsos als lid van het Europees Parlement, maar eerder in verband staat met zijn vroegere positie als directeur van twee krantenuitgeverijen;

G.  overwegende dat de vervolging geen betrekking heeft op meningen die de betrokkene in de uitoefening van zijn ambt als lid van het Europees Parlement heeft geuit dan wel een stem die hij in de uitoefening van dat ambt heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;

H.  overwegende dat er geen reden is om aan te nemen dat het proces bedoeld is om de politieke activiteiten van een EP-lid schade toe te brengen (fumus persecutionis), aangezien de vervolging was ingesteld enkele jaren voordat het lid zijn ambt opnam;

1.  besluit de immuniteit van Georgios Kyrtsos op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de Griekse autoriteiten.

(1) Referentiedocument ABM:IB2014/8927.
(2) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Stelios Kouloglou
PDF 161kWORD 64k
Besluit van het Europees Parlement van 15 december 2015 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Stelios Kouloglou (2015/2239(IMM))
P8_TA(2015)0437A8-0356/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Stelios Kouloglou, dat op 7 augustus 2015 werd ingediend door het Openbaar Ministerie van het Griekse Hooggerechtshof in verband met beschuldigingen van laster en smaad(1), en van de ontvangst waarvan op 9 september 2015 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  gezien het feit dat Stelios Kouloglou afstand heeft gedaan van zijn recht te worden gehoord overeenkomstig artikel 9, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(2),

–  gezien artikel 62 van de grondwet van de Helleense Republiek,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0356/2015),

A.  overwegende dat het Openbaar Ministerie van het Griekse Hooggerechtshof heeft verzocht om opheffing van de immuniteit van Stelios Kouloglou, lid van het Europees Parlement in verband met een mogelijk proces over een vermeend strafbaar feit;

B.  overwegende dat in artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaald is dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

C.  overwegende dat in artikel 62 van de grondwet van de Helleense Republiek bepaald is dat de leden van het parlement tijdens hun parlementaire ambtsperiode niet kunnen worden vervolgd, gearresteerd, gevangen genomen of op andere wijze aan beperkingen worden onderworpen zonder voorafgaande toestemming van het parlement;

D.  overwegende dat Stelios Kouloglou beschuldigd wordt van smaad en laster ten aanzien van het personeel van de gevangenis in Patras;

E.  overwegende dat de beschuldiging betrekking heeft op verklaringen die Stelios Kouloglou in 2010 aan de pers zou hebben afgelegd over de integriteit van bepaalde leden van het gevangenispersoneel in Patras, op een moment dat hij een journalist was die hoofdzakelijk televisiereportages maakte;

F.  overwegende dat het vermeende strafbare feit duidelijk geen verband houdt met het ambt van Stelios Kouloglou als lid van het Europees Parlement, maar eerder in verband staat met zijn vroegere positie als televisiereporter;

G.  overwegende dat de vervolging geen betrekking heeft op meningen die de betrokkene in de uitoefening van zijn ambt als lid van het Europees Parlement heeft geuit dan wel een stem die hij in de uitoefening van dat ambt heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;

H.  overwegende dat er geen reden is om aan te nemen dat het proces bedoeld is om de politieke activiteiten van een EP-lid schade toe te brengen (fumus persecutionis), aangezien de vervolging was ingesteld enkele jaren voordat het lid zijn ambt opnam;

I.  overwegende dat de Griekse autoriteiten het Europees Parlement hebben verzocht uiterlijk op 7 oktober 2015 een antwoord te geven, aangezien de vervolging anders zou verjaren; overwegende dat het echter wegens de procedureregels van het Parlement niet mogelijk is om op zo korte termijn een besluit te nemen;

J.  overwegende evenwel dat de Commissie juridische zaken tot het weloverwogen oordeel is gekomen dat in het licht van arrest nr. 1126/1994 van het Griekse Hooggerechtshof, de verjaringstermijn in elk geval voor maximaal drie jaar is opgeschort terwijl Stelios Kouloglou een lid is van het Europees Parlement;

1.  besluit de immuniteit van Stelios Kouloglou op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de Griekse autoriteiten.

(1) Referentiedocument ABM:IΓ/2011/11882.
(2) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag van Finland - EGF/2015/005 FI/Computerprogrammering
PDF 267kWORD 74k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2015/005 - FI/Computerprogrammering, Finland) (COM(2015)0553 – C8-0332/2015 – 2015/2298(BUD))
P8_TA(2015)0438A8-0362/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0553 – C8-0332/2015),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0362/2015),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd tijdens het overleg van 17 juli 2008, en met inachtneming van het IIA van 2 december 2013 met betrekking tot het nemen van besluiten om middelen beschikbaar te stellen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG);

C.  overwegende dat de vaststelling van de nieuwe EFG-verordening vorm geeft aan de overeenkomst tussen het Parlement en de Raad om het criterium "crisisafwijking" opnieuw in te voeren, de financiële bijdrage van de Unie te verhogen tot 60 % van de totale geraamde kosten van de voorgestelde maatregelen, de efficiëntie voor de behandeling van EFG-aanvragen in de Commissie en door het Parlement en de Raad te verhogen door de termijn voor beoordeling en goedkeuring te verkorten, de subsidiabele maatregelen en begunstigden uit te breiden door zelfstandigen en jongeren toe te voegen en stimuleringsmaatregelen voor de oprichting van een eigen bedrijf te financieren;

D.  overwegende dat Finland aanvraag EGF/2015/005 FI/Computerprogrammering heeft ingediend voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van 1 603 ontslagen bij 69 ondernemingen in NACE Rev. 2-afdeling 62 (Computerprogrammering, consultancy en aanverwante activiteiten)(4) in regio's van NUTS niveau 2 in heel Finland, en overwegende dat naar verwachting 1 200 ontslagen werknemers aan de maatregelen zullen deelnemen;

E.  overwegende dat de aanvraag voldoet aan de criteria voor subsidiabiliteit van de EFG-verordening;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 1, onder b), van de EFG-verordening en dat Finland bijgevolg uit hoofde van die verordening recht heeft op een financiële bijdrage ter hoogte van 2 623 200 EUR, oftewel 60 % van de totale kosten van 4 372 000 EUR voor de 1 603 ontslagen werknemers;

2.  stelt vast dat de Finse autoriteiten de aanvraag voor een financiële bijdrage uit het EFG op 12 juni 2015 hebben ingediend en dat de beoordeling daarvan door de Commissie op 6 november 2015 is afgerond en op dezelfde dag aan het Parlement is meegedeeld; is ingenomen met het feit dat de evaluatie binnen vijf maanden is afgerond;

3.  wijst erop dat de verdeling van de werkgelegenheid in de ICT-sector tussen de EU en andere economieën zich de laatste jaren ten nadele van de EU heeft ontwikkeld en benadrukt dat in Finland in 2008 in totaal nog 326 000 werknemers in technologische sectoren werkten, maar dat dit aantal in 2014 nog maar 276 000 bedroeg, wat neerkomt op een gemiddelde daling per jaar met ongeveer 3 % (of 10 000 werknemers); wijst erop dat de ontslagen het gevolg waren van de ontwikkelingen bij Nokia in de laatste jaren, die ernstige gevolgen hadden voor de ICT-sector in Finland; herinnert eraan dat de ontwikkeling en het ontwerp van besturingssystemen voor mobiele telefoons van Nokia vroeger werk verschafte aan duizenden Finnen, maar dat die functies nu naar landen buiten Europa zijn verplaatst; wijst erop dat deze ontslagen de werkloosheid in de ICT-sector in regio's die met hoge werkloosheidscijfers kampen nog verder zullen doen toenemen;

4.  merkt op dat ontslagen in de ICT-sector vooral de regio Oulu in Noord-Ostrobothnia treffen, waar de ICT-sector al jarenlang de steunpilaar van de economie vormt; betreurt het dat er in het voorjaar van 2015 circa 1 500 werkzoekenden in de ICT-sector in Noord-Ostrobothnia waren en dat werkloosheid in vele gevallen langdurig is geworden omdat een derde van de werklozen met een hogere opleiding al meer dan een jaar zonder werk zitten;

5.  wijst erop dat, tot op heden, voor de sector NACE Rev. 2-afdeling 62 (Computerprogrammering, consultancy en aanverwante activiteiten) nog een andere EFG-aanvraag is ingediend op basis van de wereldwijde financiële en economische crisis(5); merkt op dat, hoewel het volume van dit domein wereldwijd is toegenomen, het in Europa is afgenomen doordat bedrijven en diensten naar China, India, Taiwan en andere niet-Europese bestemmingen worden verplaatst;

6.  is verheugd dat de Finse autoriteiten hebben besloten op 1 augustus 2014 met de uitvoering van de individuele diensten voor de getroffen werknemers te beginnen om de werknemers snel bijstand te verlenen, ruimschoots vóór het definitieve besluit over de toekenning van EFG-steun voor het voorgestelde gecoördineerde pakket, en dat die diensten die al gestart zijn dus in aanmerking komen voor EFG-steun;

7.  wijst erop dat Finland zeven soorten maatregelen plant voor ontslagen werknemers voor wie in deze aanvraag steun wordt aangevraagd: i) coaching en andere voorbereidende maatregelen, ii) arbeidsvoorzienings- en bedrijfsdiensten, iii) opleiding, iv) loonsubsidie, v) subsidie voor start-ups, vi) begeleiding naar ondernemerschap en diensten voor nieuwe ondernemers, en vii) vergoedingen voor reis-, verblijfs- en verhuiskosten;

8.  is ingenomen met de maatregelen ter ondersteuning van ondernemerschap, in de vorm van subsidies voor start-ups en begeleiding naar ondernemerschap en diensten voor nieuwe ondernemers; is van mening dat deze maatregelen nuttiger zullen zijn als ze in combinatie aan de deelnemers beschikbaar worden gesteld;

9.  is met name ingenomen met de voorgestelde maatregelen, die tot doel hebben nieuwe bedrijven op te zetten en die het ondernemerschap en diensten voor nieuwe ondernemers zullen bevorderen;

10.  wijst erop dat loonsubsidie bij voorkeur alleen aan de ontslagen werknemers moet worden verstrekt wanneer de aan de deelnemers aangeboden banen voldoen aan de adequate kwaliteitseisen inzake vaardigheidsniveau en contractduur; wenst dat bij de beslissing over het toekennen van loonsubsidie en de vaststelling van het percentage van de loonkosten dat hierdoor moet worden gedekt, de nadruk wordt gelegd op het afstemmen van de expertise van de werkzoekende en de gesubsidieerde functie;

11.  juicht het toe dat de Finse autoriteiten de ontslagen werknemers een brede waaier aan maatregelen voorstellen;

12.  wijst erop dat het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening opgesteld werd in overleg met de sociale partners en regionale autoriteiten;

13.  herinnert eraan dat in artikel 7 van de EFG-verordening is bepaald dat bij het samenstellen van het door het EFG gesteunde gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening rekening moet worden gehouden met toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden, en dat het gecoördineerde pakket gericht dient te zijn op de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie;

14.  herinnert eraan dat de inzetbaarheid van alle werknemers verbeterd moet worden door middel van aangepaste opleidingen en de erkenning van de in de loop van het beroepsleven opgedane vaardigheden en bekwaamheden; verwacht dat de opleiding die in het gecoördineerde pakket wordt aangeboden niet alleen is afgestemd op de behoeften van de ontslagen werknemers, maar ook op het huidige ondernemingsklimaat;

15.  herinnert eraan dat het doel van de gefinancierde maatregelen het verbeteren van de kansen van de werkzoekenden dient te zijn, zodat die later de arbeidsmarkt kunnen betreden;

16.  neemt ter kennis dat volgens de raming van de autoriteiten slechts 18,31 % van de kosten gebruikt zal worden voor toelagen en stimulansen, hetgeen dus ver onder het maximaal toegestane niveau van 35 % van alle kosten ligt;

17.  verzoekt de Commissie om in haar volgende voorstellen nader aan te geven in welke sectoren de werknemers het meest kans op een nieuwe baan maken en of de aangeboden opleidingen afgestemd zijn op de toekomstige economische vooruitzichten en behoeften van de arbeidsmarkt in de regio's waar de ontslagen plaatsvonden;

18.  verwacht van de Commissie dat zij toezicht houdt op en een evaluatie maakt van de verleende subsidies en dat zij deze informatie bij toekomstige aanvragen zal gebruiken om het gebruik van het EFG verder bij te sturen en af te stemmen op de beginselen van resultaatgericht begroten;

19.  wijst erop dat de Finse autoriteiten bevestigen dat voor de subsidiabele maatregelen geen steun uit andere financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om in haar jaarverslagen een vergelijkende evaluatie van deze gegevens op te nemen om ervoor te zorgen dat bestaande verordeningen volledig in acht worden genomen en te voorkomen dat door de Unie gefinancierde diensten dubbel worden aangeboden;

20.  waardeert de verbeterde procedure die de Commissie op verzoek van het Parlement in het leven heeft geroepen om de toekenning van subsidies te versnellen; neemt nota van de tijdsdruk die het nieuwe tijdschema met zich meebrengt, en van de mogelijke gevolgen voor de doeltreffendheid van de afhandeling van het dossier;

21.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle documenten in verband met EFG-zaken openbaar toegankelijk zijn;

22.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

23.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds

voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Finland - EGF/2015/005 FI/Computerprogrammering)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2015/2457.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3037/90 en enkele EG-verordeningen op specifieke statistische gebieden (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1).
(5) EGF/2011/016 IT/Agile (COM(2013)0120)


EU-merk ***II
PDF 244kWORD 61k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad inzake het Gemeenschapsmerk en Verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het Gemeenschapsmerk, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2869/95 van de Commissie inzake de aan het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) te betalen taksen (10373/1/2015 – C8-0351/2015 – 2013/0088(COD))
P8_TA(2015)0439A8-0354/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (10373/1/2015 – C8-0351/2015),

–  gezien zijn standpunt in eerste lezing(1) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0161),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 76 van het Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie juridische zaken (A8‑0354/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) Aangenomen teksten van 25.2.2014, P7_TA(2014)0118.


Merkenrecht van de lidstaten ***II
PDF 244kWORD 59k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 december 20151 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (herschikking) (10374/1/2015 – C8-0352/2015 – 2013/0089(COD))
P8_TA(2015)0440A8-0355/2015
RECTIFICATIES

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (10374/1/2015 – C8-0352/2015),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2013(1),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0162),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 76 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie juridische zaken (A8–0355/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en met de secretaris generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 372 van 12.11.2013, blz. 42.
(2) Aangenomen teksten van 25.2.2014, P7_TA(2014)0119.


Controle- en handhavingsregeling voor de visserij in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan ***I
PDF 244kWORD 61k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1236/2010 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een controle- en handhavingsregeling voor het gebied dat onder het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan valt (COM(2015)0121 – C8-0076/2015 – 2015/0063(COD))
P8_TA(2015)0441A8-0294/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0121),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0076/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 27 mei 2015(1),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A8-0294/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 15 december 2015 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1236/2010 tot vaststelling van een controle- en handhavingsregeling voor het gebied dat onder het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan valt

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/96.)

(1) PB C 332 van 8.10.2015, blz. 81.


Opschorting van uitzonderlijke handelsmaatregelen wat betreft Bosnië en Herzegovina ***I
PDF 251kWORD 64k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1215/2009 van de Raad tot vaststelling van uitzonderlijke handelsmaatregelen ten behoeve van de landen en gebieden die deelnemen aan of verbonden zijn met het stabilisatie- en associatieproces van de Europese Unie en tot opschorting van de toepassing ervan wat betreft Bosnië en Herzegovina (COM(2014)0386 – C8-0039/2014 – 2014/0197(COD))
P8_TA(2015)0442A8-0060/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0386),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0039/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 9 december 2015 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0060/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(1);

2.  neemt kennis van de verklaringen van de Raad en de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;

3.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 15 december 2015 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2015/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1215/2009 van de Raad tot vaststelling van uitzonderlijke handelsmaatregelen ten behoeve van de landen en gebieden die deelnemen aan of verbonden zijn met het stabilisatie- en associatieproces van de Europese Unie en tot opschorting van de toepassing ervan wat betreft Bosnië en Herzegovina

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2015/2423.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

VERKLARING VAN DE RAAD

De Raad besluit bij wijze van uitzondering om aan de Commissie de bevoegdheid over te dragen om een gedelegeerde handeling vast te stellen over de opschorting van bijstand op de gronden bedoeld in artikel 1, punt 1, van deze verordening, om te zorgen voor een tijdige vaststelling van de maatregelen met betrekking tot de Westelijke Balkan. Deze overeenkomst doet geen afbreuk aan toekomstige wetgevingsvoorstellen op het gebied van de handel, alsook van de externe betrekkingen in hun geheel.

VERKLARING VAN DE COMMISSIE

In verband met deze verordening herinnert de Commissie aan haar toezegging in punt 15 van de kaderovereenkomst over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Commissie, namelijk dat zij in het kader van de opstelling van gedelegeerde handelingen het Europees Parlement alle informatie en documentatie over haar bijeenkomsten met nationale deskundigen zal verstrekken.

(1) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 30 april 2015 (Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0177).


Strategische samenwerking bij de bestrijding van ernstige criminaliteit en terrorisme tussen de Verenigde Arabische Emiraten en Europol *
PDF 242kWORD 61k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad houdende goedkeuring van de sluiting door de Europese politiedienst (Europol) van de Overeenkomst voor strategische samenwerking bij de bestrijding van ernstige criminaliteit en terrorisme tussen de Verenigde Arabische Emiraten en Europol (10510/2015 – C8-0275/2015 – 2015/0809(CNS))
P8_TA(2015)0443A8-0351/2015

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (10510/2015),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0275/2015),

–  gezien Besluit 2009/371/JBZ van de Raad van 6 april 2009 tot oprichting van de Europese politiedienst (Europol)(1), en met name artikel 23, lid 2,

–  gezien Besluit 2009/934/JBZ van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van de uitvoeringsregels voor de betrekkingen van Europol met partners, inclusief de uitwisseling van persoonsgegevens en gerubriceerde informatie(2), en met name de artikelen 5 en 6,

–  gezien Besluit 2009/935/JBZ van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van de lijst van derde staten en organisaties waarmee Europol overeenkomsten moet sluiten(3),

–  gezien artikel 59 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0351/2015),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt de Commissie om na de inwerkingtreding van de nieuwe Europolverordening (2013/0091(COD)) de in de samenwerkingsovereenkomst vervatte bepalingen te beoordelen; verzoekt de Commissie het Parlement en de Raad in kennis te stellen van het resultaat van deze beoordeling en in voorkomend geval een aanbeveling te doen tot machtiging om opnieuw op internationaal niveau te onderhandelen over de overeenkomst;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en Europol.

(1) PB L 121 van 15.5.2009, blz. 37.
(2) PB L 325 van 11.12.2009, blz. 6.
(3) PB L 325 van 11.12.2009, blz. 12.


Op weg naar een Europese energie-unie
PDF 323kWORD 203k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 op weg naar een Europese energie-unie (2015/2113(INI))
P8_TA(2015)0444A8-0341/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name de artikelen 191, 192 en 194,

–  gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een kaderstrategie voor een veerkrachtige energie-unie en een toekomstgericht klimaatbeleid" (COM(2015)0080) en de bijbehorende bijlagen,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Europese strategie voor energiezekerheid" en de bijbehorende werkdocumenten (COM(2014)0330),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "De veerkracht op korte termijn van het Europese gassysteem. Paraatheid ten aanzien van een mogelijke verstoring van de gastoevoer uit het oosten tijdens de herfst en winter van 2014/2015" (COM(2014)0654),

–  gezien de mededeling van de Commissie over energievoorzieningszekerheid en internationale samenwerking getiteld "Het energiebeleid van de EU: verbintenissen met partners buiten onze grenzen" (COM(2011)0539),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité getiteld "Tenuitvoerlegging van de Mededeling inzake energievoorzieningszekerheid en internationale samenwerking en van de Conclusies van de Energieraad van november 2011" (COM(2013)0638),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 november 2008 getiteld "Tweede strategische toetsing van het energiebeleid: een EU-actieplan inzake energiezekerheid en -solidariteit" (COM(2008)0781),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2014 getiteld "Een investeringsplan voor Europa" (COM(2014)0903),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 oktober 2012 getiteld "Een sterkere Europese industrie om bij te dragen tot groei en economisch herstel" (COM(2012)0582),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 november 2012 getiteld "De interne energiemarkt doen werken" (COM(2012)0663) en de bijbehorende werkdocumenten en de resolutie van het Parlement van 10 september 2013 over een effectief werkende interne energiemarkt(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Voortgang bij de voltooiing van de interne energiemarkt" (COM(2014)0634),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Prioriteiten voor energie-infrastructuurprojecten voor 2020 en verder - Een blauwdruk voor een Europees geïntegreerd energienetwerk" (COM(2010)0677),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 januari 2014 getiteld "Energieprijzen en -kosten in Europa" (COM(2014)0021),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 januari 2014 getiteld "Voor een heropleving van de Europese industrie" (COM(2014)0014),

–  gezien het verslag van de Commissie van 14 november 2012 getiteld "De toestand van de koolstofmarkt in 2012" (COM(2012)0652),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 september 2011 getiteld "Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa" (COM(2011)0571) en de resolutie van het Parlement van 24 mei 2012 over het efficiënt gebruik van hulpbronnen in Europa(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Energie-efficiëntie en de bijdrage daarvan aan de energiezekerheid en het kader voor het klimaat- en energiebeleid voor de periode tot 2030" (COM(2014)0520),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050" (COM(2011)0112),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 december 2011 getiteld "Stappenplan Energie 2050" (COM(2011)0885) en de resolutie van het Parlement van 14 maart 2013 over het "Stappenplan Energie 2050, een toekomst met energie"(3),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie over de benutting van het werkgelegenheidspotentieel van groene groei (SWD(2012)0092),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "De toekomst van koolstofafvang en -opslag in Europa" (COM(2013)0180),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030" (COM(2014)0015),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 19 en 20 maart 2015,

–  gezien Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 713/2009, (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009, en de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2013 getiteld "Langetermijnvisie op de infrastructuur voor Europa en verder" (COM(2013)0711), waarin de eerste EU-brede lijst van energie-infrastructuurprojecten van gemeenschappelijk belang is vastgesteld,

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de Connecting Europe Facility (COM(2011)0665),

–  gezien Verordening (EU) nr. 994/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gaslevering en houdende intrekking van Richtlijn 2004/67/EG van de Raad,

–  gezien het derde energiepakket,

–  gezien Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG,

–  gezien Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 over de bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van de Richtlijnen 2001/77/EG en 2003/30/EG,

–  gezien Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen,

–  gezien Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG,

–  gezien Besluit nr. 994/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot instelling van een mechanisme voor informatie-uitwisseling met betrekking tot intergouvernementele overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen op energiegebied,

–  gezien zijn resolutie van 12 juni 2012 over samenwerking op het gebied van energiebeleid met partners buiten onze grenzen: een strategische benadering van gegarandeerde, duurzame en concurrerende energievoorziening(4),

–  gezien zijn resolutie van 21 november 2012 over industriële, energetische en andere aspecten van schaliegas en -olie(5),

–  gezien zijn resolutie van 17 februari 2011 over Europa 2020(6),

–  gezien zijn studie getiteld "De kosten van een niet-verenigd Europa in kaart brengen, 2014-2019",

–  gezien zijn resolutie van 5 februari 2014 over een kader voor klimaat- en energiebeleid voor 2030(7),

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2015 over het bereiken van het streefcijfer van 10 % voor de interconnectie van elektriciteit – Het Europese elektriciteitsnet voorbereiden voor 2020(8),

–  gezien het Verdrag inzake het Energiehandvest, in het bijzonder de artikelen 7 en 20,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie internationale handel en de Commissie vervoer en toerisme (A8-0341/2015),

A.  overwegende dat het Europese energiebeleid er overeenkomstig artikel 194 VWEU op gericht is de werking van de energiemarkt en de continuïteit van de energievoorziening te waarborgen, energie-efficiëntie, energiebesparing en de ontwikkeling van hernieuwbare energie te stimuleren en de interconnectie van energienetwerken te bevorderen; overwegende dat de vaststelling van de energiemix van lidstaten een nationale bevoegdheid blijft, en dat de energiemixen bijgevolg zeer verschillend blijven;

B.  overwegende dat de totstandbrenging van een veerkrachtige energie-unie met een toekomstgericht klimaatveranderingsbeleid moet zijn gebaseerd op een overgang naar een duurzaam, toekomstbestendig energiesysteem, waarvan energie-efficiëntie, hernieuwbare energie, het beste gebruik van de energiebronnen van Europa en slimme infrastructuur de belangrijkste pijlers moeten zijn; overwegende dat een op de lange termijn stabiel regelgevingskader nodig is om economische groei en banen te creëren en ervoor te zorgen dat de EU op deze gebieden een leidende rol speelt;

C.  overwegende dat een energiezekerheidsstrategie kostenefficiënte maatregelen moet omvatten om de energievraag te matigen en even doeltreffende maatregelen om grote en dreigende verstoringen te boven te komen, evenals solidariteits- en coördinatiemechanismen om de opwekkings-, snelle transmissie- en distributie-infrastructuur op energiegebied en de interconnectoren te beschermen en te versterken; overwegende dat deze infrastructuur veranderlijke hernieuwbare energiebronnen moet kunnen verwerken en moet worden opgebouwd op een volledig geïntegreerde en goed functionerende interne energiemarkt die een essentieel onderdeel is van een energie-unie met gediversifieerde externe voorzieningsbronnen en routes;

D.  overwegende dat het Parlement tweemaal heeft aangedrongen op bindende klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 met ten minste 40 % minder CO2-emissies, ten minste 30 % hernieuwbare energie en 40 % energie-efficiënte, die aan de hand van afzonderlijke nationale streefcijfers moeten worden uitgevoerd; overwegende dat bindende nationale en EU-doelstellingen op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie zorgen voor groei en werkgelegenheid en het technologisch leiderschap van de EU op dit gebied helpen waarborgen;

E.  overwegende dat in het kader van maatregelen ter ontwikkeling van de energie-unie en ter verwezenlijking van de klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 ten volle rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor de energieprijzen en dat de nadruk moet liggen op synergieën en verdere marktintegratie die de totale kosten helpen verminderen en het concurrentievermogen van de EU-economie verbeteren, zodat kan worden gezorgd voor de nodige steun van burgers en de industrie; dat in dit verband alle noodzakelijke effectbeoordelingen ten volle rekening moeten houden met de huidige en toekomstige verborgen en verzonken kosten van een regulier energiebeleid;

F.  overwegende dat de energie-unie een nieuw energiemodel voor Europa moet zijn dat is gebaseerd op sterke horizontale rechtsgronden en robuuste doelstellingen; dat het bestuur van de energie-unie transparant moet zijn: het moet zorgen voor een stabiel kader en het Europees Parlement betrekken bij het besluitvormingsproces en eveneens de rol van lokale autoriteiten en burgers versterken;

G.  overwegende dat de EU en de lidstaten inzien dat de opneming van consumenteninitiatieven, zoals coöperaties en maatschappelijke projecten op het gebied van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, van fundamenteel belang is, en benadrukt dat de economische, regelgevende en administratieve belemmeringen moeten worden weggenomen om de consumenten in staat te stellen actief te participeren in het energiesysteem;

H.  overwegende dat klimaatverandering, niet-concurrerende energieprijzen en de bijzonder grote afhankelijkheid van onbetrouwbare leveranciers uit derde landen een bedreiging vormen voor de duurzaamheid van het Europese energiesysteem;

I.  overwegende dat een veerkrachtige energie-unie met een ambitieus klimaatbeleid als kern tot doel moet hebben de overgang te waarborgen naar een nieuw energiemodel dat huishoudens en bedrijven de mogelijkheid biedt om zekere, duurzame, concurrerende en betaalbare energie te produceren en consumeren;

J.  overwegende dat de kwestie van energiearmoede moet worden aangepakt in het kader van de energie-unie door de positie van kwetsbare consumenten te versterken, de energie-efficiënte voor de meest kwetsbare groepen te verbeteren en herstelmaatregelen te ontwikkelen die energie betaalbaar maken voor behoeftigen;

K.  overwegende dat energiearmoede kan worden omschreven als het onvermogen van een huishouden om te voorzien in voldoende energie om een basisniveau van comfort en gezondheid te waarborgen vanwege een combinatie van een laag inkomen, hoge energieprijzen en een gering aanbod aan hoogwaardige huisvesting;

L.  overwegende dat de lidstaten in het kader van de toekomstige visie van de energie-unie moeten erkennen dat ze van elkaar afhankelijk zijn om hun burgers zekere, duurzame en betaalbare energie te leveren, op basis van ware solidariteit en vertrouwen, en dat de Europese Unie met één stem moet spreken op het wereldtoneel; overwegende dat iedere lidstaat daarom de plicht heeft om een prioriteit te maken van energie-efficiëntie en de vermindering van de vraag naar energie teneinde de energiezekerheid van de EU en haar lidstaten in het algemeen te waarborgen;

M.  overwegende dat het EU-beleid inzake energie en klimaat elkaar moet aanvullen, en dat de doelstellingen ervan elkaar moeten versterken; overwegende dat de energie-unie bijgevolg de Europese doelstellingen inzake herindustrialisatie en groei moet aanvullen en de overgang naar een duurzame, grotendeels op energie-efficiëntie en hernieuwbare energie gebaseerde economie moet stimuleren, waardoor het concurrentievermogen van de Europese economie op de wereldmarkt zal worden versterkt en tegelijkertijd koolstoflekken effectief zullen worden vermeden;

N.  overwegende dat de EU meer dan de helft van alle energie die ze verbruikt invoert, dat haar invoerafhankelijkheid met name hoog is voor ruwe olie (meer dan 90 %), aardgas (66 %) en steenkool (72 %), en dat de totale invoerkosten in 2013 meer dan 400 miljard EUR bedroegen; dat het gebouwenbestand in de EU verantwoordelijk is voor ongeveer 40 % van het totale energieverbruik in de EU en voor het verbruik van ongeveer 60 % van het in de EU ingevoerde gas, en dat het beperken van de energievraag van gebouwen derhalve een belangrijk element is in het verwezenlijken van energieonafhankelijkheid;

O.  overwegende dat de wereldolieprijs aanzienlijk gedaald is, hetgeen de EU een kans biedt om belangrijke stappen te zetten om het energielandschap te hervormen door te investeren in de productie van hernieuwbare energie, het potentieel aan energie-efficiëntie in gebouwen en de industrie aan te boren en slimme infrastructuur te ontwikkelen; dat het geld dat wordt besteed aan de invoer van fossiele brandstoffen weinig bijdraagt tot investeringen, banen of groei in de Unie, en dat herbestemming van dit geld voor binnenlandse investeringen zou bijdragen tot groei en hoogwaardige, hooggekwalificeerde lokale banen zou creëren;

P.  overwegende dat veel landen in grote mate afhankelijk zijn van één enkele leverancier, waardoor ze kwetsbaar kunnen zijn voor verstoringen van de aanvoer;

Q.  overwegende dat de EU in sterke mate afhankelijk is van de invoer van energie uit Rusland, dat een onbetrouwbare partner is gebleken en zijn energievoorraden gebruikt als een politiek wapen;

R.  overwegende dat het ontwikkelen en uitvoeren van een strategie met betrekking tot strategische hulpbronnen, met name olie en aardgas, een belangrijk onderdeel is geworden van het buitenlands beleid van Rusland, met als doel andere landen onder politieke druk te zetten; dat het deze strategie heeft toegepast op een aantal van zijn buurlanden en op meerdere lidstaten van de Europese Unie;

S.  overwegende dat het gebruik van olie en aardgas met het oog op buitenlands beleid en ter destabilisering van andere landen de economische groei en, nog gevaarlijker, de democratische stabiliteit in Europa en de onafhankelijkheid van soevereine staten ondermijnt;

T.  overwegende dat de Europese energiezekerheid moet worden ontwikkeld op een manier die zowel de Europese veiligheid als de soevereiniteit van Europese landen beschermt, waarmee zowel de EU-lidstaten als de landen van het Oostelijk Partnerschap worden bedoeld;

U.  overwegende dat een beleid voor energiezekerheid gericht moet zijn op de behoefte aan een stabiele voorziening uit verschillende energiebronnen en de Europese economie moet voorzien van de energie die nodig is voor vervoer, industrie en huisvesting, en zo dat de concurrentiekracht en het klimaatbeleid worden ondersteund, terwijl het tegelijkertijd moet zorgen voor minimale afhankelijkheid van partijen die bewust energiebronnen willen aanwenden voor hun eigen politieke doelstellingen om de politieke ontwikkelingen in andere landen te beïnvloeden;

V.  overwegende dat geen enkele lidstaat gebonden mag zijn aan contractvoorwaarden die onverenigbaar zijn met het EU-recht en de zwakke positie ervan op de energiemarkt uitbuiten, enkel op basis van geografische en historische factoren;

W.  overwegende dat de geschillen inzake aardgas tussen Rusland en doorvoerland Oekraïne in 2006 en 2009 ernstige tekorten hebben veroorzaakt in veel EU-landen; dat de verstoringen laten zien dat de tot dusver genomen maatregelen onvoldoende zijn om een eind te maken aan de afhankelijkheid van Europa van Russisch gas;

X.  overwegende dat evaluatie en controle achteraf van alle energiegerelateerde overeenkomsten met betrekking tot de naleving van de EU-wetgeving reeds mogelijk is, onder meer in het kader van de verordeningen op het gebied van mededinging en energie; dat onvoldoende nalevingscontroles vooraf op nationaal en EU-niveau leiden tot ernstige marktverstoringen; dat de Commissie deze tekortkomingen heeft erkend en heeft toegezegd dat zij de bepalingen inzake beoordelingen vooraf van commerciële gasleverantiecontracten zal versterken;

Y.  overwegende dat meer dan 1 biljoen EUR moet worden geïnvesteerd in de energiesector van de EU tegen 2020 en dat voor elke euro die niet voor 2020 is geïnvesteerd in energie-infrastructuur na 2020 4,3 EUR nodig zal zijn om dezelfde doelstellingen te bereiken, wat een overmatige belasting zou vormen voor toekomstige generaties;

Z.  overwegende dat de Unie de financiering van deze investeringen moet toestaan door alle bestaande middelen in te zetten, zowel publieke (structuurfondsen en Europese Investeringsbank (EIB)) als particuliere, door in te zetten op het spaargeld van huishoudens en de langetermijncapaciteit van investeerders (pensioenfondsen, verzekeringen) en door een nieuw financieel vermogen van de Unie te creëren;

AA.  overwegende dat de elektriciteitsprijzen voor de Europese industrie, zonder rekening te houden met belasting- of heffingsvrijstellingen voor energie-intensieve industrieën, meer dan tweemaal zo hoog liggen als in de VS en Rusland, 20 % hoger zijn dan die in China, maar 20 % lager liggen dan die in Japan;

AB.  overwegende dat de Europese industrie nog steeds te lijden heeft onder een aanzienlijk concurrentienadeel wat betreft gasprijzen, voornamelijk omdat de prijsindex voor olie is opgenomen in langetermijncontracten met Rusland;

AC.  overwegende dat het verschil in prijs met andere economieën een negatieve invloed kan hebben op het concurrentievermogen van onze industrie, en met name van onze energie-intensieve industrieën;

AD.  overwegende dat concurrerende energieprijzen cruciaal zijn om de EU-doelstelling van 20 % herindustrialisatie tegen 2020 te bereiken;

AE.  overwegende dat EU-bedrijven in de sector hernieuwbare energie, waaronder veel kmo's, in Europa aan meer dan 1,2 miljoen personen werkgelegenheid bieden en wereldwijd 40 % van alle octrooien bezitten op het vlak van hernieuwbare technologieën, waardoor de EU wereldleider is; dat dit leiderschap in de toekomst moet worden behouden door middel van een solide EU-strategie inzake hernieuwbare energie;

AF.  overwegende dat, ondanks de dominante positie in de wereld op het vlak van investeringen in hernieuwbare energie, in het kader van de World Energy Outlook 2014 wordt voorspeld dat de energievraag tussen nu en 2040 met 37 % zal toenemen en de internationale vraag naar kolen met 15 %; dat in de EU de toename naar verwachting aanzienlijk kleiner zal zijn dankzij de grote successen op het gebied van de verbetering van de energie-efficiëntie;

AG.  overwegende dat het welvaartsverlies als gevolg van het gebrek aan efficiëntie op de Europese gasmarkt jaarlijks meer dan 11 miljard EUR bedraagt, onder meer als gevolg van een gebrek aan infrastructuur en marktliquiditeit en -transparantie;

AH.  overwegende dat een meer economisch en fysiek geïntegreerde interne markt op energiegebied zou kunnen leiden tot een aanzienlijke efficiëntiewinst;

AI.  overwegende dat de retailmarkt voor energie in de EU niet goed werkt omdat in veel lidstaten consumenten te weinig keuze tussen leveranciers hebben; dat problemen op het gebied van marktconcentratie moeten worden aangepakt door middel van het mededingingsbeleid van de EU teneinde consumenten in staat te stellen om van leverancier te veranderen en op die manier de concurrentie te vergroten en de prijzen omlaag te krijgen; dat moet worden gelet op het gevaar dat minder goed geïnformeerde burgers van wie het minder waarschijnlijk is dat zij leveranciers vergelijken en van leverancier veranderen, vast komen te zitten in niet-concurrerende, gedateerde tarieven;

AJ.  overwegende dat de volledige tenuitvoerlegging van een geïntegreerde Europese energiemarkt voor gas en elektriciteit van fundamenteel belang is voor energiezekerheid en voor de verwezenlijking van een energie-unie; dat het de verantwoordelijkheid van de Commissie is ervoor te zorgen dat alle lidstaten alle onderdelen van het derde energiepakket, dat streeft naar een geïntegreerde markt voor elektriciteit en gas, ten uitvoer leggen en eerbiedigen;

AK.  overwegende dat verwezenlijking van de interconnectiedoelstelling van 10 %, een betere grensoverschrijdende transmissiecapaciteit voor elektriciteit en gas en aanvullende versterkingen van het bestaande net de energiezekerheid zullen verhogen, een betere integratie van hernieuwbare opwekking en evenwicht tussen de voorziening en de vraag tussen de lidstaten mogelijk zullen maken en tegelijkertijd prijsconvergentie ten bate van de consumenten zullen bevorderen;

AL.  overwegende dat er ook convergentie en kostenoptimalisatie wordt verwacht van nauwere regionale samenwerking tussen de lidstaten;

AM.  overwegende dat de energiegemeenschap een instrument is om de interne energiemarkt uit te breiden naar de buurlanden van de EU en dus bijdraagt aan de verwezenlijking van een pan-Europese energieruimte die is gebaseerd op gemeenschappelijke beginselen en de rechtsstaat;

AN.  overwegende dat de energie-unie een reactie is op meerdere oproepen van het Parlement om een werkelijke pan-Europese energiegemeenschap op te richten op basis van een sterke gemeenschappelijke energiemarkt, de coördinatie van energieaankopen buiten de EU en een gemeenschappelijke Europese financiering van onderzoek en innovatie op het gebied van nieuwe duurzame energietechnologieën;

AO.  overwegende dat de externe dimensie van het EU-energiebeleid coherenter moet worden en nog niet ten volle heeft kunnen bijdragen tot de energievoorzieningszekerheid en het concurrentievermogen van de Unie;

AP.  overwegende dat de 33 infrastructuurprojecten die in het kader van de Europese strategie voor energiezekerheid zijn geïdentificeerd moeten worden aangevuld met meer aandacht voor de modernisering van het elektriciteitsdistributienet en voor de overgang van steenkool en gas naar biomassa ter verbetering van de leveringszekerheid;

AQ.  overwegende dat wordt erkend dat koolstofafvang en -opslag een beslissende bijdrage kan leveren aan de strijd tegen klimaatverandering en met name kan helpen de kosten van de overgang naar een koolstofarme energiemarkt en economie te beperken;

AR.  overwegende dat de diversificatie van de voorziening, de voltooiing van de interne energiemarkt, de verbetering van de energie-efficiëntie en -besparingen, de verdere ontwikkeling van de energiebronnen van Europa, waaronder hernieuwbare energie, en O&O-activiteiten de belangrijkste stuwende krachten achter de energie-unie zijn;

AS.  overwegende dat de winning van inheemse conventionele olie- en gasvoorraden, met volledige inachtneming van het EU-acquis, zowel in traditionele winningsgebieden (bv. de Noordzee) als in recent ontdekte gebieden (bv. het oostelijke Middellandse Zeegebied en de Zwarte Zee) moet worden bevorderd en ondersteund;

AT.  overwegende dat binnenlandse energiebronnen steeds duurzamer en veiliger moeten worden;

AU.  overwegende dat de EU ernaar streeft de bijdrage van industrie aan het bbp tussen nu en 2020 te verhogen tot niet minder dan 20 %, en dat energie tegen concurrerende prijzen en een hogere energieproductiviteit absoluut noodzakelijk zijn om deze doelstelling te bereiken;

Dimensies van de energie-unie

1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie getiteld "Een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering"; neemt nota van de door de Commissie geschetste vijf pijlers van de energie-unie; wijst er met nadruk op dat op deze pijlers gestoeld beleid altijd moet bijdragen aan de continuïteit van de energievoorziening, het koolstofarm maken en de duurzaamheid van de economie op de lange termijn, en tegelijkertijd moet zorgen voor betaalbare energie tegen concurrerende prijzen;

2.  wijst er nogmaals op dat energie een openbaar goed van sociaal belang is en dat de EU daarom gepaste aandacht dient te schenken aan de kwestie van energie-armoede, en concrete maatregelen moet bevorderen om dit probleem aan te pakken; benadrukt daarom dat de energie-unie gelijke toegang tot energie voor iedereen moet waarborgen, moet bijdragen aan betaalbare energieprijzen ten behoeve van de consumenten, verbindingen en energie-infrastructuur moet bevorderen die een strategische rol ten behoeve van de bevolking vervullen en regulering moet versterken;

3.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat alle wetgevingsvoorstellen die deel uitmaken van de energie-unie volgens de gewone wetgevingsprocedure worden behandeld, zodat het Parlement volledig betrokken is en effectief democratisch toezicht is gewaarborgd; verwacht dat het bestuurskader voor de energie-unie na 2020 ambitieus, betrouwbaar, transparant en democratisch zal zijn, dat het Parlement er volledig aan zal deelnemen en dat dit bestuurskader ervoor zal zorgen dat de klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 worden gehaald, met name door de volledige tenuitvoerlegging, handhaving en actualisering van de bestaande klimaat- en energiewetgeving; verzoekt de Commissie, onverminderd andere verslaggevingsverplichtingen, om jaarlijks een verslag te presenteren over de uitvoering van de energie-unie, met details over de tenuitvoerlegging van energiewetgeving en de vooruitgang bij het verwezenlijken van de doelstellingen voor 2020 en 2030, en om met het oog op dit verslag een reeks kernindicatoren te ontwikkelen en te actualiseren om de voortgang van de energie-unie te kunnen beoordelen; meent dat deze indicatoren onder meer betrekking zouden kunnen hebben op interconnectiecapaciteit, marktintegratie, vermindering van energie-importen, mate van diversificatie, energieprijzen en -kosten, ontwikkeling van energieopwekking door lokale gemeenschappen, en energiearmoede en -kwetsbaarheid; neemt kennis van de conclusies van de Energieraad van 26 november 2015 over de bestuurssystemen van de energie-unie en vraagt de Commissie het Parlement en de Raad spoedig een wetgevingsvoorstel te doen waarin rekening wordt gehouden met de conclusies van de Raad en het in dit verslag geuite standpunt van het Parlement; is het met de conclusies van de Raad eens dat de nationale energie- en klimaatplannen voor de periode 2021-2030 niet alleen op het behalen van de doelstellingen voor 2030 gericht moeten zijn, maar ook een perspectief op de langere termijn moeten weerspiegelen, vooral de in de EU overeengekomen belofte om emissies tegen 2050 te verlagen met 80 à 95 % in vergelijking met het niveau van 1990;

4.  verzoekt de lidstaten om energiestrategieën voor de lange termijn te ontwikkelen, met het oog op de langetermijndoelstelling van een vermindering van de broeikasgasemissies met 80-95 % tegen 2050, die hand in hand moeten gaan met vergelijkbare inspanningen van 's werelds grootste vervuilers;

5.  erkent de onvervreemdbaarheid van besluiten die zijn genomen op basis van nationale referenda over energie-aangelegenheden;

6.  benadrukt dat de energie-unie een integrale aanpak moet hanteren die gericht is op aspecten als de totstandbrenging van een volledig geïntegreerde interne energiemarkt, voorzieningszekerheid, optimaal gebruik van de energiebronnen van de EU, matiging van de energievraag, vermindering van de broeikasgasemissies op basis van hoofdzakelijk hernieuwbare energiebronnen en een EU-brede koolstofmarkt, evenals onderzoek en innovatie ten behoeve van leiderschap op het gebied van energietechnologie; onderstreept dat de burgers centraal moeten staan in de energie-unie en moeten worden voorzien van zekere, duurzame en betaalbare energie;

7.  erkent de zwakke doelstellingen van de Europese Raad voor 2030 op het gebied van klimaat en energie, namelijk een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met 40 %, verhoging van het aandeel van hernieuwbare energie in de Europese energiemix tot 27 % en vergroting van de energie-efficiëntie met 27 %; herinnert eraan dat het Parlement herhaaldelijk heeft aangedrongen op bindende klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 met ten minste 40 % minder binnenlandse broeikasgasemissies, ten minste 30 % hernieuwbare energie en 40 % energie-efficiëntie, die aan de hand van afzonderlijke nationale streefcijfers moeten worden uitgevoerd;

Energiezekerheid, solidariteit en vertrouwen

8.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om op een actieve manier te streven naar duurzamer en concurrerender prijzen en kosten van ingevoerde energie voor Europese burgers en bedrijven door de voorziening te diversifiëren (energiebronnen, leveranciers en routes); roept de Commissie daarom op de bouw van de relevante prioritaire corridors voor energie-infrastructuur te bevorderen, zoals bepaald in bijlage I bij de verordening inzake trans-Europese energienetwerken (TEN-E) en deel II van bijlage I bij de verordening inzake de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF), met speciale nadruk op lidstaten met een hoge energieafhankelijkheid; vraagt de Commissie voorrang te geven aan de bestaande interne capaciteit, met inbegrip van de eigen energiebronnen van Europa;

9.  erkent dat de projecten die momenteel op de lijst van projecten van gemeenschappelijk belang (PGB) zijn opgenomen onvoldoende zijn om het Europese streefcijfer voor de interconnectiecapaciteit tussen het Iberisch schiereiland en het vasteland van Europa te halen; spoort de regionale groep in het kader van TEN-E en de Commissie aan de capaciteit tussen Spanje en Frankrijk aanzienlijk te verhogen door aanvullende projecten aan te wijzen voor opname op de PGB-lijst voor 2015;

10.  onderstreept dat een goed uitgebouwde en volledig geïntegreerde infrastructuur die een sterkere diversificatie van de energievoorziening en grensoverschrijdende stromen mogelijk maakt, van essentieel belang is voor de continuïteit van de energievoorziening, zowel in normale omstandigheden als in noodgevallen, en voor de levering van energie uit concurrerende bronnen aan consumenten in de hele Europese Unie en de energiegemeenschap;

11.  benadrukt dat de aanzienlijke gasreserves in de Noord-Afrikaanse landen en de recente ontdekkingen in het oostelijke gedeelte van de Middellandse Zee het Middellandse Zeegebied een kans bieden om op te komen als een dynamisch centrum voor een pijpleidingnetwerk dat gas naar Europa transporteert; verzoekt om een gasknooppunt met vergrote LNG-capaciteit; benadrukt dat de EU zou moeten profiteren van de mogelijkheden die geboden worden door deze gasreserves om haar energiezekerheid te versterken;

12.  benadrukt dat alle infrastructuurprojecten van de EU die tot doel hebben de energiebronnen, -leveranciers en -routes te diversifiëren volledig in lijn moeten zijn met de klimaat- en energiewetgeving en de langetermijndoelstellingen en -prioriteiten van de EU, waaronder energiezekerheid voor de EU, en er tegelijkertijd voor moeten zorgen dat de reeds bestaande energie-infrastructuur en doorvoerroutes naar de EU zo goed en efficiënt mogelijk worden benut; verzoekt de Commissie om investeringen die tot matiging van de energievraag leiden, zoals in het gebouwenbestand, te beschouwen als in aanmerking komende projecten;

13.  onderstreept dat het EU-acquis, en met name de mededingings- en staatssteunwetgeving van de EU, van toepassing moet zijn op energieleveranciers uit derde landen die actief zijn op de gemeenschappelijke markt, en verzoekt de Commissie de EU-wetgeving op alle mogelijke wijzen te handhaven om ervoor te zorgen dat energie vrij kan circuleren in de EU en om verstoringen van de interne markt te voorkomen;

14.  benadrukt dat het uitermate belangrijk is voor de EU om het isolement van lidstaten en regio's van de interne energiemarkt te doorbreken, zoals werd aangetoond door de door de Commissie uitgevoerde gasstresstests; roept de Commissie in deze context op regelmatig dergelijke tests uit te voeren; is van mening dat de EU de meest kwetsbare lidstaten bij voorrang moet helpen om hun bronnen en aanvoerroutes te diversifiëren; verzoekt de lidstaten en de Commissie in dit verband de aanbevelingen uit de stresstests van de gassystemen onverwijld uit te voeren; raadt de Commissie aan zich te beraden op de uitvoering van elektriciteitsstresstests om zich een beeld te vormen van de veerkracht van de energiemarkt als geheel; benadrukt dat bij dergelijke stresstests met name de status, de capaciteit en de duurzaamheid van het gehele nationale transmissienetwerk alsmede het interconnectieniveau en de grensoverschrijdende capaciteit moeten worden bepaald, en dat aanbevelingen op grond van dergelijke stresstests volledige effectbeoordelingen moeten omvatten van zowel nationale plannen als EU-doelstellingen voor de aanpak van de actiepunten die daaruit voortvloeien;

15.  wijst erop dat de kwantitatieve en kwalitatieve zekerheid van de energievoorziening en de concurrentie op dit gebied in de context van de toekomstige energie-unie de meest dringende kwesties zijn die van de lidstaten vereisen dat ze bij het ontwikkelen van hun energiebeleid hun coördinatie en samenwerking met hun buurlanden op dit vlak upgraden; verzoekt de Commissie in dit verband te onderzoeken hoe de huidige opbouw van de nationale preventie- en rampbestrijdingsmaatregelen op regionaal en Europees niveau kan worden verbeterd;

16.  is van mening dat nationale capaciteitsmechanismen alleen zouden moeten worden gebruikt als laatste redmiddel nadat alle andere opties zijn verkend, waaronder een grotere interconnectie met buurlanden, responsmaatregelen van de vraagzijde en andere vormen van regionale marktintegratie;

17.  acht het van groot belang dat de EU tijdens de onderhandelingen met derde landen in het kader van de energie-unie met één stem spreekt; verzoekt de Commissie de mogelijke structuur en de wenselijkheid van een vrijwillig mechanisme voor gezamenlijke aankoop, de effecten ervan op de werking van de interne gasmarkt en de betrokken ondernemingen alsmede de bijdrage ervan aan een zekere gasvoorziening te analyseren; merkt op dat, aangezien er verschillende soorten mechanismen voor gezamenlijke aankoop bestaan, nader moet worden bepaald welk marktgebaseerd model het best kan worden toegepast op de betrokken EU-regio's en de leveranciers, en onder welke voorwaarden een vrijwillig mechanisme voor gezamenlijke aankoop zou kunnen worden opgezet; is van mening dat de coördinatie van standpunten en de gezamenlijke aankoop van gas op regionaal niveau moet beginnen; beveelt de Commissie en het secretariaat van de Energiegemeenschap ondertussen aan om steun te verlenen aan de lidstaten en de verdragsluitende partijen bij de Energiegemeenschap die op vrijwillige basis energieovereenkomsten willen sluiten overeenkomstig het EU-acquis betreffende de interne markt en de regels in het kader van het mededingingsbeleid van de EU en de voorschriften van de Wereldhandelsorganisatie, en om te voorzien in bescherming van commercieel gevoelige informatie; onderstreept dat energieovereenkomsten op marktprijzen en concurrentie gebaseerd moeten zijn;

18.  verzoekt de Commissie en de vicevoorzitter / hoge vertegenwoordiger (VV/HV) een uitgebreid kader op te zetten voor de externe dimensie van de energie-unie, met specifieke aandacht voor de bevordering van strategische partnerschappen met derde landen die energie produceren en doorvoeren, in het bijzonder met de Europese buurlanden en met betrekking tot het uitbreidingsbeleid, op basis van gedeelde gemeenschappelijke waarden en rekening houdend met de huidige stand van zaken op het gebied van regionale samenwerking; is van mening dat er bestaande en nieuwe strategische partnerschappen dienen te worden overwogen en onderzocht om de dialoog en de samenwerking met betrekking tot aardolie en -gas, de energie-efficiëntie en hernieuwbare bronnen, handel en aansluiting van de energie-unie op externe energie-infrastructuur te versterken;

19.  benadrukt dat een echt gemeenschappelijk extern energiebeleid van de EU hand in hand moet gaan met haar gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid; dringt in dit verband aan op een betere coördinatie tussen de VV/HV en de bevoegde commissarissen om de samenhang van het externe EU-beleid inzake energiezekerheid te vergroten; verzoekt de Commissie de krachten te bundelen onder leiding van de VV/HV met de aanstelling van een verantwoordelijke voor de coördinatie van dit beleid;

20.  verzoekt de Commissie een reflectiegroep op hoog niveau inzake energiezekerheid, buitenlands beleid en de energie-unie op te richten met een sterke vertegenwoordiging en inbreng van het Parlement en maatschappelijke belanghebbenden, teneinde met externe partners geloofwaardige langetermijnscenario's voor vraag, aanbod en samenwerking te ontwikkelen, met name op het gebied van de capaciteitsopbouw en uitwisseling van technologie voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie en het verband tussen energie en mensenrechten;

21.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de voorgestelde verdubbeling van de capaciteit van de Nordstream-pijpleiding en de gevolgen die dat zou hebben voor de energiezekerheid, de diversificatie van de toevoer en het beginsel van solidariteit tussen de lidstaten; wijst, in de context van de lopende trilaterale besprekingen tussen de EU, Oekraïne en Rusland, op de noodzaak om de energievoorziening naar en via Oekraïne op lange termijn te waarborgen;

22.  benadrukt dat verbetering van de energie-efficiëntie in de EU het risico van afhankelijkheid zou verkleinen en daarmee de onderhandelingspositie van de EU op energiegebied zou versterken;

23.  benadrukt de noodzaak van meer transparantie in energiegerelateerde overeenkomsten, die kan worden bereikt door de rol van de Commissie in het kader van energiegerelateerde onderhandelingen waarbij een of meer lidstaten en derde landen betrokken zijn te versterken, met name door het een vereiste te maken dat de Commissie als waarnemer deelneemt aan alle onderhandelingen teneinde de positie van individuele lidstaten tegenover een bij de onderhandelingen betrokken derde-land-leverancier te versterken en zo het risico te verminderen dat een leverancier een dominante positie zou misbruiken; merkt voorts op dat de Commissie beoordelingen vooraf en achteraf zou moeten uitvoeren, met volledige inachtneming van de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie, en zowel een positieve als een negatieve lijst moet opstellen met clausules, zoals uitvoerverboden, bestemmings- en take-or-payclausules, de olie-indexatie van gasprijzen of clausules die derden verbieden om de levering van energie afhankelijk te stellen van de toekenning van preferentiële toegang tot de infrastructuur voor energietransport in de EU; herinnert eraan dat de lidstaten, overeenkomstig artikel 13, lid 6, punt a), van Verordening (EU) nr. 994/2010, wanneer zij nieuwe intergouvernementele overeenkomsten met derde landen sluiten die een effect hebben op de ontwikkeling van de gasinfrastructuur en -levering, verplicht zijn de Commissie te informeren om haar in staat te stellen de situatie van de leveringszekerheid op Unieniveau in te schatten; verzoekt de Commissie in de herziene verordening inzake de veiligstelling van de aardgasvoorziening strenge bepalingen op te nemen voor de beoordeling vooraf met betrekking tot commerciële contracten voor gasleveringen;

24.  benadrukt dat de Commissie in kennis moet worden gesteld van alle toekomstige intergouvernementele energieovereenkomsten met niet-EU-partijen in overeenstemming met Besluit nr. 994/2012/EU tot instelling van een mechanisme voor informatie-uitwisseling met betrekking tot intergouvernementele overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen op energiegebied vóór ondertekening om ervoor te zorgen dat ze in overeenstemming zijn met de EU-wetgeving, met name met het derde energiepakket, en dat ze de zekerheid van de energievoorziening van de EU niet in gevaar brengen; wijst erop dat deze discussie- en raadplegingsexercitie moet fungeren als instrument voor de versterking van de onderhandelingsmacht van de EU-lidstaten en -bedrijven, met volledige inachtneming van de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie; meent dat deze exercitie op geen enkele wijze afbreuk mag doen aan de essentie en de inhoud van de overeenkomsten, maar ervoor moet zorgen dat ze in overeenstemming zijn met al het toepasselijke Unierecht en dat ze de belangen van de betrokken bedrijven en lidstaten dienen; verzoekt de Commissie om Besluit nr. 994/2012/EU zo te wijzigen dat het informatiemechanisme dienovereenkomstig wordt versterkt en de rol van de Commissie wordt vergroot;

25.  roept de Commissie op ontwerpen van modelcontracten en richtsnoeren op te stellen, met inbegrip van een indicatieve lijst met oneerlijke bedingen, om te zorgen voor een referentiepunt voor bevoegde autoriteiten en bedrijven bij hun contractactiviteiten; dringt erop aan dat de lidstaten hun samenwerking rond een mechanisme voor informatie-uitwisseling opvoeren met het oog op intergouvernementele overeenkomsten met derde landen op het gebied van energie, teneinde de transparantie te verhogen en hun onderhandelingsmacht tegenover derde landen optimaal te benutten en energie op die manier betaalbaarder te maken voor de Europese consument; dringt er voorts bij de Commissie op aan om kwartaalbeoordelingen van contractuele voorwaarden, zoals de gemiddelde invoerprijzen, te blijven publiceren;

26.  benadrukt dat het, om te zorgen voor een gelijk speelveld en om de onderhandelingspositie van EU-bedrijven ten opzichte van externe leveranciers te versterken, nodig is de belangrijkste elementen van de contracten transparanter te maken en samen te voegen en op regelmatige basis aan de bevoegde autoriteiten te melden teneinde alle benodigde informatie te verzamelen die door zowel de bevoegde autoriteiten zelf als bedrijven kan worden gebruikt in het kader van toekomstige onderhandelingen, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van gevoelige informatie; is van mening dat dit zou helpen om echte concurrentie op het gebied van energiecontracten te verwezenlijken, misbruik van dominante posities door derde landen te voorkomen en naleving van de EU-mededingingswetgeving te waarborgen;

27.  verzoekt de Commissie concrete maatregelen te ontwikkelen om de afhankelijkheid van de invoer van energie te verminderen, toe te zien op de mate van diversificatie in de import en hierover regelmatig voortgangsverslagen te publiceren;

28.  benadrukt dat het essentieel is om de participatie van de Europese industrie en technologie in de gehele EU-energieproductieketen, die naast grondstoffen ook opwekking, raffinage, opslag, transport en distributie omvat, te vergroten, aangezien dit cruciale elementen zijn om de EU minder afhankelijk te maken van energie-invoer;

29.  is van mening dat de diversiteit op het vlak van de energiemixen van de lidstaten op basis van hun potentieel, omgeving, geografische ligging, ervaring, kennis en economische kosten en behoeften niet alleen bijdraagt tot de verwezenlijking van de gemeenschappelijke doelstellingen van klimaat- en energiestrategieën en -beleid, maar ook een voordeel biedt voor de EU als geheel, aangezien deze diversiteit zorgt voor meer veerkracht ingeval van verstoringen van de aanvoer, de EU in staat stelt kostenoptimale energiekeuzes te maken, en verschillende technologieën toelaat zich te ontwikkelen en te concurreren op de markt, waardoor de kostprijs van energie wordt verlaagd; is er echter van overtuigd dat de nationale diversiteit geen belemmering hoeft te vormen voor de interne markt en dat de lidstaten de regels voor overheidssteun volledig moeten naleven, de nodige investeringen moeten doen in hun binnenlandse transmissie-infrastructuur en ervoor moeten zorgen dat hun nationale energiesystemen over een voldoende hoog interconnectieniveau en voldoende veerkracht beschikken om de doelstellingen van de Unie op het gebied van de energiezekerheid en de energiemarkt te verwezenlijken;

30.  is van mening dat de Unie haar energiezekerheid kan vergroten en haar afhankelijkheid van bepaalde leveranciers en brandstoffen kan verminderen door de energie-efficiëntie te verbeteren en het best mogelijke gebruik te maken van de energiebronnen van Europa, in overeenstemming met de doelstellingen van de EU op het gebied van energiezekerheid, milieu en klimaat en de EU-wetgeving inzake gezondheid en veiligheid en rekening houdend met de specifieke kenmerken van de lidstaten met betrekking tot hun energiemix, waarbij onnodige regeldruk moet worden vermeden en het evenredigheidsbeginsel in acht moet worden genomen; benadrukt dat er in beginsel geen sprake mag zijn van discriminatie van een bepaalde brandstof of technologie die een bijdrage levert aan energiezekerheid en de klimaatdoelstellingen;

31.  roept de Commissie op het daadwerkelijke gebruik van de bestaande EU-financieringsregelingen te bevorderen, met inbegrip van het Europees Fonds voor strategische investeringen, om zo investeringen in belangrijke energie-infrastructuurprojecten, onderzoek en innovatie in energie-efficiëntie, hernieuwbare energiebronnen en de ontwikkeling van de interne capaciteit van Europa aan te trekken teneinde de klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 te verwezenlijken, op basis van een technologisch neutrale kosten-batenaanpak waarin voorrang wordt gegeven aan de internalisering van externe kosten;

32.  vraagt om snelle mobilisering van de financieringsbronnen van PGB's, teneinde de nodige infrastructuur aan te leggen en te zorgen voor een soepele en betrouwbare energievoorziening die niet is blootgesteld aan enige politieke druk van buiten de EU;

33.  benadrukt dat het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) is bedacht als middel om infrastructuurinvesteringen om te zetten in volledig liquide activa met obligaties die kunnen worden gebundeld en verhandeld op de Europese en de mondiale markten; merkt voorts op dat institutionele beleggers zoals verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen, die van nature langetermijninvesteringen doen in reële activa, alleen worden aangetrokken door gestandaardiseerde investeringsproducten en solide projectpijplijnen die gezonde businesscases opleveren;

34.  verzoekt de Commissie, en DG TRADE in het bijzonder, vast te houden aan het doel om een specifiek energiehoofdstuk op te nemen in het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP), met als doel de tarifaire en non-tarifaire handelsbelemmeringen van de VS voor zowel vloeibaar aardgas als ruwe olie te verwijderen en ongerechtvaardigde protectionistische maatregelen weg te werken, wat zou kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van een concurrerender omgeving voor Europese bedrijven door de verschillen in de energiekosten tussen beide zijden van de Atlantische Oceaan te verminderen; vraagt de Commissie er in dit verband op toe te zien dat er in een dergelijk energiehoofdstuk ook bepalingen worden opgenomen om de samenwerking tussen door de overheden van de EU en de VS gefinancierde onderzoeksprogramma's op het gebied van energie, in het bijzonder het programma ARPA-E van de VS, te versterken;

35.  wijst erop dat het EU-handelsbeleid gericht zou moeten zijn op het verbeteren van de energiezekerheid conform artikel 194 VWEU, het diversifiëren van de Europese energiemix en het verminderen van de afhankelijkheid van de invoer van één enkel leverings- of voorzieningspunt, waarbij de desbetreffende verdeling van bevoegdheden zoals omschreven in het Verdrag in acht wordt genomen;

36.  vraagt de Commissie om voor strenger toezicht op mededingingsverstorende gedragingen en antidumpingmaatregelen te zorgen om de Europese energiesector te beschermen tegen oneerlijke invoer uit derde landen;

37.  betreurt het dat de gesprekken over de modernisering van handelsbeschermingsinstrumenten stilliggen in de Raad, ondanks het feit dat het Parlement ten volle steun geeft aan strengere maatregelen tegen oneerlijke invoer uit derde landen;

38.  vraagt de Raad om verder te gaan met de modernisering van handelsbeschermingsinstrumenten om zo te waarborgen dat de Europese industrie, in het bijzonder die voor de productie van turbines, zonnepanelen, edelstaal en bouwmateriaal, optimaal van de energieomschakeling kan profiteren;

39.  wijst op het belang van in handelsovereenkomsten opgenomen bepalingen inzake technologische samenwerking en diensten op het gebied van energie-efficiëntie en gedecentraliseerde productie van hernieuwbare energie, met inbegrip van onderhoud en ontwikkeling van software; wijst erop dat decarbonisatie een gemeenschappelijk doel is van de EU en talrijke partnerlanden, -regio's en -steden;

40.  verzoekt de Commissie door middel van internationale handelsinstrumenten ontwikkelingslanden aan te moedigen om hun energieproductie te diversifiëren en de productie van zonne-energie met name in de zuidelijke buurlanden van de EU te stimuleren;

41.  is ingenomen met de onderhandelingen over een initiatief voor groene producten tussen de EU en 13 andere WTO-leden dat betrekking heeft op producten, diensten en technologie welke bijdragen tot groene groei, bescherming van het milieu, klimaatmaatregelen en duurzame ontwikkeling, en dringt aan op afronding van de besprekingen eind 2015 op de WTO-ministerconferentie in Nairobi;

42.  benadrukt dat de onderhandelingen inzake de overeenkomst over milieugoederen gebaseerd moeten zijn op een definitie van milieugoederen die aansluit bij het EU-beleid en niet in strijd mogen zijn met de maatregelen ten behoeve van ontwikkelingslanden die in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) zijn aangenomen;

43.  verzoekt de Commissie te blijven aandringen op de invoering van een systeem voor energie-uitwisseling tussen de EU en de VS, gezien de huidige en toekomstige ontwikkelingen op het gebied van onderzoek, innovatie en licentieverlening met betrekking tot stroomnetten, zoals hoogspanningsverbindingen, die tot doel hebben een mondiaal netwerk op te zetten voor het delen van hernieuwbare energie;

44.  benadrukt dat versterking van de energiegemeenschap een sleutelrol speelt in het externe energiebeleid van de EU en verzoekt de Commissie met concrete voorstellen te komen die zijn gebaseerd op het verslag van de reflectiegroep op hoog niveau ten behoeve van de hervorming van de energiegemeenschap;

45.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de activiteiten van de energiegemeenschap, met name op het gebied van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie ter vergroting van de energiezekerheid, te versterken, onder meer door middel van een betere tenuitvoerlegging en handhaving van de EU-wetgeving, bijvoorbeeld ten aanzien van de doelstellingen voor 2020 en 2030, met name door middel van betere governance, vereenvoudiging van procedures en een beter gebruik van IT-programma's die tot doel hebben om de administratieve lasten te verlichten, verbetering van haar instellingen, met inbegrip van de oprichting van een parlementaire vergadering voor de energiegemeenschap, en de uitvoering van belangrijke infrastructuurprojecten, zoals grensoverschrijdende bidirectionele interconnecties, om te zorgen voor een betere integratie met de EU-energiemarkt en zekerheid van de leveringsmechanismen, zonder terug te grijpen op de vaststelling van nationale capaciteitsmarkten die de doelmatigheid van de interne energiemarkt ondermijnen;

46.  beklemtoont dat het noodzakelijk is de euro-mediterrane samenwerking op het gebied van gas, elektriciteit, energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen te versterken; vraagt de Commissie vaart te zetten achter de oprichting van het Euro-Med-gasplatform;

Een volledig geïntegreerde Europese energiemarkt

47.  is van mening dat de toekomstige energie-unie moet zorgen voor een vrije doorstroming van energie tussen de lidstaten van de EU en de energiegemeenschap;

48.  benadrukt dat een volledig functionerende, onderling verbonden interne energiemarkt die veilige, zekere, eerlijk verdeelde, sociaal en ecologisch verantwoorde, efficiënte, concurrerende, betaalbare en duurzame energie levert via volledig functionerende, zekere en schokbestendige transmissienetwerken en die zorgt voor een vermindering van de vraag naar energie om zo de EU-bedrijven en -burgers op de meest duurzame, efficiënte, democratische en kosteneffectieve manier toegang te verlenen tot gas, elektriciteit, verwarming en koeling, de ruggengraat moet vormen van de toekomstige energie-unie; is daarom van mening dat een verdere uitbreiding van bestaande marktgebieden moet worden nagestreefd; acht het van fundamenteel belang om de integratie van prosumenten in de EU-markt en het EU-netwerk te bevorderen; wijst op de enorme tekortkomingen die rurale gemeenschappen in de hele EU ervaren als gevolg van een slechte energieconnectiviteit;

49.  erkent dat er momenteel geen interne markt voor energie in Europa bestaat en dat de resulterende versnippering binnen de energiemarkten van de EU uitermate schadelijk is voor het concurrentievermogen en de energiezekerheid van de EU;

50.  herinnert eraan dat de energiemarkt zich onderscheidt van de financiële markten door haar onderliggende fysieke activa, waardoor het systeemrisico in de energiesector wordt geëlimineerd; acht het in dit verband noodzakelijk om financiële regelgeving toe te passen, die ook de energiesector omvat, en wel op een zodanige wijze dat de ontwikkeling van een goed functionerende interne energiemarkt niet wordt verstoord;

51.  benadrukt dat om de werkelijke efficiëntie en kosteneffectiviteit te beoordelen, de directe en externe kosten van verschillende energiebronnen en de gevolgen van alle soorten overheidsinterventies voor hun concurrentiepositie in aanmerking moeten worden genomen;

52.  is van mening dat marktgebaseerde mechanismen moeten worden aangevuld met tastbare en ambitieuze voorzieningszekerheids- en solidariteitsmechanismen, zoals een efficiënter crisisbeheer op regionaal en EU-niveau, de vaststelling van ambitieuze energiebesparingsmaatregelen en een geoptimaliseerd gebruik van infrastructuur voor de opslag van (vloeibaar) aardgas, voornamelijk ten behoeve van de zekerheid van de voorziening op regionale schaal, die hun weerslag moeten vinden in de EU-wetgeving, met inbegrip van de verordening inzake de veiligstelling van de aardgasvoorziening, die zo spoedig mogelijk moet worden herzien;

53.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de bestaande EU-wetgeving inzake staatssteun, energie, milieu en klimaat onverkort wordt uitgevoerd en gehandhaafd; verzoekt in het bijzonder om een evaluatie van de tenuitvoerlegging van het derde energiepakket en van de voordelen ervan voor de consument; verzoekt om de afschaffing van derogaties van het derde energiepakket en om de snelle goedkeuring en tenuitvoerlegging van Europese netcodes en richtsnoeren;

54.  verzoekt de Commissie om meer financiële middelen toe te wijzen aan het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) en onderstreept dat ACER toestemming moet worden verleend om extra personeel aan te werven teneinde de volledige en effectieve tenuitvoerlegging van de monitoring van energiemarkten mogelijk te maken met het oog op de integriteit en transparantie van de energiehandel en de naleving van de verordening betreffende de integriteit en transparantie van de groothandelsmarkt voor energie (REMIT), als voorafgaande voorwaarde voor de goede functionering van de interne energiemarkt van de EU; merkt op dat de bevoegdheden van ACER ten opzichte van het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit (ENTSB-E), het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor gas (ENSTB-G) en andere lichamen met essentiële EU-functies moeten worden versterkt om ervoor te zorgen dat ACER zijn in de desbetreffende EU-wetgeving gespecificeerde taken kan vervullen, en is van mening dat ACER betrekkingen moet aangaan met vertegenwoordigende verenigingen van distributiesysteembeheerders (DSB's), consumentenorganisaties en andere maatschappelijke groeperingen;

55.  herhaalt het belang van ontvlechting van eigendom zoals voorgesteld in het derde energiepakket; verzoekt de Commissie te beoordelen in hoeverre nationale toezichthouders de in de aanbevelingen van de Commissie voor de certificering van transmissiesysteembeheerders (TSB's) omschreven voorwaarden handhaven;

56.  betreurt het dat ENTSO-E en ENTSO-G te sterk afhankelijk zijn van begrotingstoewijzingen van nationale TSB's, wat een bedreiging vormt voor hun vermogen om als Europese spelers op te treden;

57.  verzoekt de Commissie om de regulering van en het toezicht op elektriciteitsuitwisselingen en haar marktactiviteiten als gashub op te voeren;

58.  benadrukt dat om onze solidariteit met betrekking tot noodstroomvoorziening te versterken en minder kwetsbaar te zijn voor verstoringen in de energievoorziening, zowel gas als elektrische energie op elk moment moet kunnen worden geëxporteerd; merkt in dit verband op dat de huidige stelsels voor grensoverschrijdende transmissie vaak worden gehinderd door beslissingen van nationale transmissiebeheerders; verzoekt ACER daarom deze kwestie meer te benadrukken in zijn jaarlijks toezichtverslag;

59.  wijst erop dat een volledig functionerende interne energiemarkt niet zal worden voltooid zolang er lidstaten zijn waarvan de elektriciteitssystemen afhankelijk zijn van een exploitant in een derde land en benadrukt het belang en de noodzaak van een synchrone werking van de netten van de Baltische staten binnen de netten van continentaal Europa tegen 2025;

60.  benadrukt dat een goed ontworpen toekomstig model voor de elektriciteitsmarkt in de EU dringend noodzakelijk is en gericht moet zijn op het bevorderen van de benodigde investeringen om de voorziening op de lange termijn te garanderen en op een meer op de markt gebaseerde en geoptimaliseerde, vanuit het oogpunt van de netwerkbeveiliging, integratie van hernieuwbare energiebronnen, daarbij ten volle rekening houdend met de veranderende aard van het aanbod van en de vraag naar energie, met inbegrip van de toegenomen verspreiding van micro-opwekking, vraag-responstechnologie en het groeiende aandeel van hernieuwbare energie; wijst in dit verband op de noodzaak van gemeenschappelijke normen voor slimme netten, die een belangrijk element vormen van de inspanningen om een stabiele levering en vrij grensoverschrijdend verkeer van energie te waarborgen en op die manier bij te dragen tot de energiezekerheid; benadrukt in dit verband voorts de rol die de ontwikkeling van slimmere energienetten en nieuwe energieopslagfaciliteiten kan spelen bij het verhogen van het niveau van de toepassing van hernieuwbare energiebronnen op Europese schaal en het garanderen dat deze infrastructuur samen met regionale hernieuwbare-energiehubs wordt ontwikkeld;

61.  roept de lidstaten en de Commissie, evenals de verdragsluitende partijen bij en het secretariaat van de Energiegemeenschap,] op hun inspanningen te richten op het stimuleren van PGB's en projecten van belang voor de Energiegemeenschap (PBEG's), met als doel te komen tot een pan-Europees elektriciteits- en gasnet dat de mogelijkheid biedt energie en gas door te geven tussen EU-landen afkomstig van meervoudige bronnen; is van mening dat het elektriciteitsnet het eveneens mogelijk zal maken energie over te brengen van gebieden met een overschot naar gebieden met een tekort, waardoor de markt onmiddellijk kan reageren op tekorten in de voorziening, waar deze zich ook voordoen, etmaal- en seizoenscycli kan compenseren, hernieuwbare energiebronnen kan integreren, de voorzieningszekerheid kan vergroten en de Europese energiemarkt een impuls kan geven; is van mening dat ernaar moet worden gestreefd naar versnelling van de goedkeurings- en vergunningsprocedure voor projecten en opwaardering van bestaande lijnen; benadrukt voorts dat deze inspanningen met name gericht moeten zijn op het oplossen van problemen met betrekking tot energie-eilanden;

62.  is tevreden met zijn resolutie van 15 december 2015 over het bereiken van het streefcijfer van 10 % voor de interconnectie van elektriciteit – Het Europese elektriciteitsnet voorbereiden voor 2020,

63.  herhaalt zijn steun voor het halen van het streefcijfer van 10 % voor de interconnectiecapaciteit om de interne energiemarkt in de EU te voltooien en is ingenomen met het voorstel van de Europese Raad voor een minimumniveau van elektriciteitsinterconnectie tussen de lidstaten van 15 % tegen 2030; erkent het belang van de verwezenlijking van een kwantitatieve doelstelling op het gebied van de interconnectiecapaciteit door de beschikbaarheid van bestaande nationale en grensoverschrijdende infrastructuur te waarborgen om ervoor te zorgen dat de Europese energiebronnen doelmatig worden ingezet en de voorzieningszekerheid wordt vergroot;

64.  benadrukt het belang van een deugdelijk, stabiel en voorspelbaar regelgevingskader dat langetermijnverbintenissen mogelijk maakt en dat nodig is om nieuwe investeringen in energie-infrastructuur tot stand te brengen; verzoekt de Commissie de tijd die het kost om projecten aan te merken als PGB's te verkorten; benadrukt dat de toepassing van slimme distributienetten moet worden vergemakkelijkt door versnelde vergunningsprocedures en door politieke steun en aangepaste wettelijke kaders voor netwerkbeheerders, waarbij de veranderende investeringsbehoeften worden onderkend en investeringen in ICT en automatisering evenveel worden gestimuleerd als investeringen in traditionele uitbreidingen van het net;

65.  benadrukt dat de energie-unie ook moet bijdragen aan de totstandbrenging van een "energie-investeringsunie" door ervoor te zorgen dat de meer dan 1 biljoen EUR aan investeringen die de komende jaren nodig zijn om de Europese economie nieuw leven in te blazen door particuliere en publieke investeerders wordt opgebracht; merkt op dat deze "energie-investeringsunie" kansen moet bieden voor grote investeerders, maar ook voor individuele consumenten en burgers; merkt op dat om een omgeving te creëren die particuliere financiering bevordert en daar optimaal gebruik van maakt, rechtszekerheid voor investeerders van cruciaal belang is; stelt met klem dat een dergelijk stabiel kader alleen kan worden verwezenlijkt door een sterk bestuurssysteem dat gelijke concurrentievoorwaarden en stabiele regelgevingsomstandigheden schept en het vertrouwen in de private sector bevordert;

66.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging van deze strategische infrastructuurprojecten moet bijdragen aan energiezekerheidsaspecten op middellange en lange termijn en volledig in overeenstemming moet zijn met de langetermijnverplichtingen van de EU ten aanzien van het terugdringen van de uitstoot van CO2 en met de EU-milieuvoorschriften en andere relevante wetgeving;

67.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om investeringen in kleinschaligere gas- en elektriciteitsinterconnectoren die aangrenzende regio's met elkaar verbinden even serieus te nemen als meer grootschalige PGB's; verzoekt de Commissie en de lidstaten om nauw samen te werken met regionale overheden bij het ontwikkelen van deze interconnectoren;

68.  wijst erop hoe belangrijk het is om de planning van de energievraag en -voorziening op het niveau van de interne energiemarkt van de EU te integreren, waarbij prioriteit dient te worden gegeven aan de vermindering van de vraag en aan gedecentraliseerde oplossingen, teneinde een kostenoptimale voorzieningszekerheid te bewerkstelligen en onnodige of al te grote infrastructuurinvesteringen en gestrande kosten te vermijden;

69.  meent dat de Commissie en de lidstaten, in verband met de enorme investeringen die nodig zijn voor verouderde en ontoereikende distributienetten en het feit dat de meeste hernieuwbare energiebronnen op distributienetniveau gekoppeld zijn, specifieke initiatieven moet overwegen om DSB-investeringen, waaronder financiële instrumenten, te stimuleren; beveelt sterk aan dat de lidstaten prioriteit geven aan dergelijke investeringen;

70.  verzoekt de Commissie duidelijk te maken hoe zij van plan is de 315 miljard euro van het Investeringsplan te gebruiken, in combinatie met andere bestaande fondsen, om het hefboompotentieel van het EFSI te maximaliseren en infrastructuur en projecten die noodzakelijk zijn om de energie-unie te voltooien te financieren;

71.  is van mening dat een intensievere regionale samenwerking en beleidscoördinatie een essentiële stap is op weg naar een bredere, EU-wijde integratie van de energiemarkt; is daarom voorstander van een regionale aanpak, zowel tussen lidstaten als met de contractpartijen bij de Energiegemeenschap om de voor zekere bevoorrading te zorgen en marktintegratie te versnellen, onder meer door de totstandbrenging van regionale hubs ter verbetering van de marktliquiditeit, in de eerste plaats in Midden- en Oost-Europa; benadrukt dat dergelijke samenwerkingsmechanismen de samenwerking op politiek gebied en in de energiemarkt zouden kunnen stroomlijnen en gezamenlijke besluiten over investeringen in essentiële gasinfrastructuur in de regio's zouden kunnen vergemakkelijken; is van mening dat kennis van en informatie over zaken als energieopslagfaciliteiten en aanbestedingsprocedures voor vloeibaar aardgas (LNG) en interconnectoren gezamenlijk zouden kunnen worden ontwikkeld; erkent de belangrijke rol van stroomuitwisselingen bij het bevorderen van een liquide, transparante en zekere energiehandel; wijst op het inherente potentieel van grensoverschrijdende projecten als hefboom voor EU-brede oplossingen;

72.  is voorstander van de integratie van de energiesystemen van kandidaat- en potentiële kandidaat-lidstaten door middel van een regionale aanpak binnen de toekomstige Europese energie-unie;

73.  onderstreept dat een intensievere regionale samenwerking kan bijdragen tot een grotere energiezekerheid, verbetering van de infrastructuurplanning, kostenoptimalisatie bij de integratie van hernieuwbare energiebronnen en lagere kosten voor consumenten;

74.  verwelkomt het belang dat de Commissie hecht aan versterkte regionale samenwerking; verzoekt de Commissie te onderzoeken en in kaart te brengen wat de optimale schaal van samenwerking is op het gebied van elektriciteits- en gasnetwerken (en -markten) in de EU; wijst erop dat in sommige gevallen de lidstaten zelf het best kunnen bepalen wat op hun grondgebied nodig is, terwijl in andere gevallen een door de EU gestuurde samenwerking duidelijk waarde toevoegt; wijst er echter op dat in bepaalde gevallen is geconstateerd dat, door middel van verreikende samenwerking op regionaal niveau op het gebied van gedeelde uitdagingen, groepen van lidstaten sneller resultaten hebben geboekt, zoals in het Pentalateraal Energieforum; is het met de Commissie eens dat bestaande regionale regelingen een model kunnen vormen voor de EU als geheel;

75.  nodigt de Commissie uit een macroregionale bestuursstructuur voor marktsamenwerking uit te werken, waarbinnen ook het Europees Parlement en de nationale parlementen een rol spelen. merkt op dat dit regionale bestuur gestoeld moet zijn op bestaande regionale geografische en marktentiteiten teneinde de grootst mogelijke kostenoptimalisatie te bereiken, met name i) Plan voor de interconnectie van de energiemarkten in het Oostzeegebied, ii) initiatieven voor de coördinatie van Zuidoost-Europa, iii) een groter Pentalateraal forum, en iv) het offshorenetwerkinitiatief van de landen aan de Noordzee; benadrukt dat in deze context de rol van ACER moet worden versterkt;

76.  roept de Commissie op studies te laten verrichten op het gebied van kostenoptimalisatie, waarin de voordelen van regionale samenwerking in voornoemde regio's worden beoordeeld en gekwantificeerd; is van oordeel dat de Commissie en de betrokken lidstaten op basis van dergelijke studies gezamenlijk een blauwdruk moeten ontwikkelen en uitvoeren voor de vestiging van deze macroregio's;

77.  vraagt de Commissie om bevordering en ondersteuning van de regionale samenwerkingsprojecten tussen beheerders van elektriciteits- en gasdistributienetten die centraal staan in de uitdagingen voor zekere, concurrerende en duurzame energie, door lokaal geproduceerde energie – met name hernieuwbare –, technologische veranderingen (slimme netten, slimme meters, etc.) en nieuwe productiemethoden en consumptiepatronen (elektrische voertuigen, etc.) te ondersteunen;

78.  verzoekt de Commissie uitwisselingen over de in en tussen de grondgebieden in Europa (regio's, plaatselijke overheden, gemeenten enzovoorts) uitgevoerde energieprojecten te bevorderen om afgevaardigden en burgers te informeren en erbij te betrekken;

79.  roept op tot de ontwikkeling van goed geïntegreerde en concurrerende regionale elektriciteits- en gasmarkten die de toereikendheid en flexibiliteit van het alle delen van de Unie dekkend energiesysteem waarborgen; verzoekt de Commissie doortastend en transparant op te treden tegen elke vorm van protectionisme, mededingingsverstorende gedragingen en belemmeringen voor het betreden en verlaten van de markt; benadrukt het belang van stabiele nationale reguleringskaders, het aanpakken van administratieve obstakels en het stroomlijnen van nationale administratieve procedures, ook om voor alle projecten van burgers gelijke voorwaarden te scheppen;

80.  wijst erop dat het om te komen tot een evenwicht op de interne markt nodig is om niet enkel te investeren in interconnectoren, maar eveneens in, onder meer, nationale netten, de uitrusting van op fossiele brandstoffen draaiende energiecentrales met CO2-afvangtechnologie en nieuwe kerncentrales in de lidstaten die dat wensen, als cruciale bron van koolstofarme basislaststroom, opslagcapaciteit (zoals LPG-terminals), slimme netten en flexibele opwekking, om te kunnen omgaan met een verbeterde productie van hernieuwbare energie en gedecentraliseerde energieproductie;

81.  benadrukt dat het nodig is een rechtskader te creëren dat consumenten meer invloed geeft en hen op een actieve manier doet deelnemen aan de markt als investeerders, producenten en belanghebbenden door middel van dynamische prijsstelling en het openstellen van markten voor bronnen aan zowel de aanbod- als de vraagzijde; wijst erop dat de betrokkenheid van burgers onder meer kan worden versterkt door middel van financiële participatie, energiecoöperaties, micro-opwekking en -opslag, verbruik van zelf opgewekte energie, decentralisatie van de energievoorziening, de invoering van energiesystemen op basis van slimme netten, met inbegrip van slimme meters, meer concurrentie op de retailmarkt en volledige transparantie en flexibiliteit op het vlak van prijzen en consumentenkeuzes;

82.  benadrukt dat prosumenten die opslagcapaciteit aan het net aanbieden moeten worden beloond en dat zij moeten worden aangemoedigd om hun eigen groene elektriciteitsproductie te verbruiken zonder dat ze daarvoor worden gestraft; wijst erop dat dergelijke initiatieven kunnen bijdragen tot een concurrerender en goed functionerende interne energiemarkt, wat op zijn beurt zou kunnen bijdragen tot een verbetering van de schokbestendigheid van lokale gemeenschappen en de creatie van lokale banen en welvaart en tot lagere totale energierekeningen voor consumenten, en ernstige sociale problemen, zoals energiearmoede en kwetsbare consumenten, zou helpen aangepakt; verzoekt de Commissie effectbeoordelingen en beste praktijken van op nationaal niveau genomen maatregelen ter bestrijding van energiearmoede te verzamelen en ervoor te zorgen dat deze beste praktijken centraal worden beheerd en bevorderd door een speciaal voor dat doel aangewezen Europees orgaan; onderstreept dat er toereikende maatregelen moeten worden genomen om gegevensbescherming te garanderen voor consumenten die rechtstreeks aan de markt deelnemen;

83.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de verdere ontwikkeling en uitbreiding van lokale en regionale hernieuwbare energiebronnen en van lokale en regionale distributienetten en stadsverwarmingsnetten te bevorderen via beleidsmaatregelen die de bestaande belemmeringen aanpakken en helpen bij de totstandbrenging van een marktverschuiving; verzoekt de Commissie richtsnoeren voor te stellen inzake het verbruik van zelf opgewekte energie teneinde dit gebruik te bevorderen en de rechten van de consumenten te beschermen;

84.  roept de Commissie en de lidstaten op het gebruik van zelf opgewekte energie en micro-opwekking aan te moedigen middels regelingen voor hernieuwbare energie die gericht zijn op de meest kwetsbare consumenten;

85.  verzoekt de Commissie om lokale actoren in het energiebeleid van de Unie te integreren en een voorstel in te dienen voor de oprichting van decentrale centra voor advies en capaciteitsopbouw om lokale overheden te steunen bij het op gelijke voet behandelen van energieproducenten, en voor het ondersteunen van de ontwikkeling van lokale energieproductie door coöperaties, lokale bedrijven en gemeentelijke autoriteiten;

86.  benadrukt dat het noodzakelijk is de beste lokale praktijken te ontwikkelen en de verspreiding ervan in de Unie te bevorderen, de coördinatie tussen plaatselijke maatregelen en Europees beleid te verbeteren en te werken aan de uitdagingen met betrekking tot de lokale aanvaardbaarheid van de energieprojecten; stelt voor een "Europees forum van regio's" op te richten;

87.  is van mening dat alle EU-consumenten in gelijke mate moeten profiteren van een interne markt voor gas en elektriciteit; onderstreept in dit verband dat de huidige prijsverschillen tussen nationale markten, die het gevolg zijn van het gebrek aan marktintegratie en interconnecties, niet langer mogen worden getolereerd; dringt er bij de Commissie op aan om snel maatregelen voor te stellen die een grotere prijsconvergentie en marktintegratie binnen de Unie moeten verwezenlijken;

88.  onderstreept het positieve effect dat marktintegratie heeft gehad op de groothandelsprijzen en uiteindelijk op de retailprijzen in de elektriciteitssector; is van mening dat een herziene energiemarkt groothandel- en retailmarkten beter met elkaar moet verbinden, zal bijdragen tot het wegnemen van belemmeringen in groothandel- en retailmarkten en zal zorgen voor keuzevrijheid tussen energieleveranciers voor de consument;

89.  is van mening dat in het kader van elke herziening van de retailmarkt voor energie ernstig moet worden overwogen om aanvullende maatregelen vast te stellen om consumenten te beschermen, zoals het aanmoedigen en bevorderen van collectieve overstapregelingen, het invoeren van de verplichting dat energierekeningen vergelijkingen met concurrenten op basis van historische verbruikspatronen bevatten, het verplichten van leveranciers om hun klanten te plaatsen in het meest gunstige tarief dat beschikbaar is, en het invoeren van een beperkt aantal, gemakkelijk te vergelijken gestandaardiseerde tarieven;

90.  verzoekt de Commissie om bij het vaststellen van de routekaart voor het geleidelijk afschaffen van gereguleerde prijzen de mogelijkheid van prijsregulering en standaardisering van tariefstructuren in stand te houden indien deze zijn bedoeld om marktverstorende opbrengsten van monopolieposities of gratis winsten te beperken met het oog op de bescherming van kwetsbare consumenten of een betere vergelijkbaarheid van tarieven van concurrerende leveranciers;

91.  verzoekt de Commissie de ontwikkeling van de eindprijzen van energie in Europa te monitoren, met inbegrip van belastingen, heffingen, subsidies en andere verborgen kosten, teneinde maatregelen te identificeren die kunnen helpen om deze prijzen omlaag te krijgen;

Energie-efficiëntie als bijdrage aan de matiging van de energievraag

92.  herinnert aan de resoluties van het Europees Parlement van 5 februari 2014, 26 november 2014 en 14 oktober 2015, waarin het Parlement heeft gevraagd om drie bindende energie- en klimaatdoelstellingen voor 2030, in het bijzonder de energie-efficiëntiedoelstelling van 40 %; benadrukt dat de energie-efficiëntiedoelstelling van de EU voor de periode na 2020 bindend moet zijn en moet worden verwezenlijkt door middel van individuele nationale doelstellingen; dringt er bij de Commissie op aan verschillende energie-efficiëntiescenario's voor 2030 te ontwikkelen, ook voor de door het Parlement bepaalde doelstelling van 40 %; dringt er bij de Raad, die heeft opgeroepen tot een EU-brede doelstelling van ten minste 27 %, op aan om zijn doelstelling naar boven bij te stellen in overeenstemming met de door het Parlement aangenomen doelstelling;

93.  wijst erop dat ambitieuze en haalbare verbeteringen op het vlak van energie-efficiëntie, die worden nagestreefd in het belang van cohesie, solidariteit en kosteneffectiviteit, een belangrijke impuls zouden kunnen geven aan de energiezekerheid, het concurrentievermogen, banen en groei, het laag houden van de kosten voor consumenten, de bestrijding van energiearmoede en de verwezenlijking van de klimaat- en energiedoelstellingen;

94.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om het beginsel van "energie-efficiëntie eerst" toe te passen; merkt op dat energie-efficiëntie volgens het Internationaal Energieagentschap de "eerste brandstof" is en investeringen in energie-efficiëntie van alle energiebronnen het beste rendement opleveren; benadrukt dat verbeteringen van de energie-efficiëntie, en met name terugdringing van het energieverlies in gebouwen, als cruciaal effect hebben dat zij de EU-invoer van energie uit derde landen verlagen, aangezien 61 % van het in de Europese Unie ingevoerde gas wordt gebruikt in gebouwen, voornamelijk voor verwarming; vraagt in dit verband dat energie-efficiëntie en infrastructuurprojecten worden behandeld als essentiële investeringen die even belangrijk zijn als investeringen in nieuwe opwekkingscapaciteit;

95.  benadrukt dat verbeterde energie-efficiëntie zowel de energierekeningen van huishoudens en van de industrie zal doen dalen als de afhankelijkheid van de EU van invoer uit derde landen fors zal verminderen; onderstreept dat energie-efficiëntiemaatregelen het potentieel hebben om tussen nu en 2020 twee miljoen banen te scheppen, met name in de bouwsector, die 40 % van de totale vraag naar energie in de EU voor zijn rekening neemt; benadrukt echter dat verbeteringen van de energie-efficiëntie een aanvulling moeten vormen op de diversifiëring van de energievoorziening;

96.  verzoekt de Commissie om resterende hindernissen voor energie-efficiëntiemaatregelen te identificeren en weg te nemen en een echte markt voor energie-efficiëntie te verwezenlijken teneinde de overdracht van beste praktijken te ondersteunen en ervoor te zorgen dat producten en oplossingen beschikbaar zijn in de hele EU met het oog op het verwezenlijken van een echte interne markt voor energie-efficiëntieproducten en -diensten;

97.  benadrukt dat het voor het verminderen van de energievraag noodzakelijk is om door middel van de juiste stimuleringsmaatregelen te zorgen dat er meer en diepgaander gerenoveerd wordt en er meer hernieuwbare energie wordt gebruikt voor verwarming en koeling; beveelt aan om energie-efficiëntienormen voor gebouwen verder te verhogen, waarbij rekening wordt gehouden en aangedrongen wordt op technische innovaties, met name door het gebruik van modellering van gebouweninformatie en leefcyclusimpactsimulaties van bouwproducten in openbare aanbestedingen; beveelt voorts aan om de bouw van bijna-energieneutrale gebouwen te blijven ondersteunen, als een bijkomende, essentiële stap op weg naar energie-onafhankelijkheid en een duurzaam en veilig energiesysteem;

98.  onderstreept dat de tot dusver gedane investeringen in verbeteringen van de energie-efficiëntie moeten worden erkend en dat daar naar behoren rekening mee moet worden gehouden in de debatten over energie-efficiëntie in de EU;

99.  is van oordeel dat het bedrijfsleven eerst duidelijke signalen van beleidsmakers moet krijgen voordat de noodzakelijke investeringen voor het verwezenlijken van de energiedoelstellingen zullen worden gedaan; wijst daarom op de noodzaak van ambitieuze doelstellingen en een wettelijk kader dat innovatie bevordert zonder onnodige administratieve lasten te creëren om energie-efficiëntie op de best mogelijke manier te bevorderen binnen een nationale context;

100.  is van mening dat de energie-efficiëntiedoelstelling niet los mag worden gezien van de energie- en klimaatdoelstellingen en het concurrentievermogen van de EU-economie ten opzichte van haar belangrijkste handelspartners moet versterken;

101.  benadrukt dat een herziening van de bestaande regelgeving op het vlak van energie-efficiëntie, met inbegrip van de richtlijn energieprestatie van gebouwen en de richtlijn energie-efficiëntie, nodig is, naast een behoorlijke tenuitvoerlegging van deze wetgeving door de lidstaten, om de verwezenlijking van het reeds geldende nationale beleid, dat past binnen het klimaat- en energiekader 2020, te vergemakkelijken en aan te vullen; verzoekt de Commissie de in de bijlage bij de kaderstrategie voor een energie-unie vastgelegde EU-regelgeving inzake energie-efficiëntie te herzien;

102.  benadrukt dat het EU-energielabel een rol speelt in de empowerment en de voorlichting van consumenten door middel van accurate, relevante en vergelijkbare informatie over de energie-efficiëntie van energiegerelateerde producten; benadrukt dat het energielabel moet worden herzien om energie-efficiënte keuzes van consumenten verder te vergemakkelijken en de vervaardiging van energie-efficiënte producten te stimuleren;

103.  wijst op het succes en verdere potentieel van ecodesign voor het verbeteren van de energie-efficiëntie en het energieverbruik van producten en bijgevolg het verlagen van de energiekosten en het energieverbruik van huishoudens en het terugdringen van broeikasgasemissies; verzoekt de Commissie verdere uitvoeringsmaatregelen in te voeren, rekening houdend met de bredere agenda voor hulpbronnenefficiëntie, en bestaande maatregelen te herzien om de geschiktheid hiervan te waarborgen;

104.  erkent de essentiële rol van plaatselijke autoriteiten, bedrijven en burgers bij het vergroten van de energieonafhankelijkheid door de energie-efficiëntie te verhogen door middel van betere stadsplanning, de ontwikkeling van energiegerelateerde internet- en ICT-technologieën, de uitrol van slimme netten, vraagzijde-energiebeheer, warmtekrachtkoppeling, infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en warmtepomptoepassingen, het verbruik van zelf opgewekte energie, en de creatie, modernisering en uitbreiding van stadsverwarmings- en koelingssystemen; benadrukt de noodzaak om burgerinitiatieven aan te moedigen, zoals coöperatieve of gemeenschapsprojecten op het gebied van hernieuwbare energie, om het verband tussen burgers en leveranciers van energiediensten te bevorderen, om in te zetten op actievere en ecologisch duurzamere vervoersmethoden, om "slimme steden"-oplossingen te ontwikkelen en toe te passen, om toekomstbestendige distributie-infrastructuur in gebruik te nemen teneinde stedelijke ecomobiliteit te ondersteunen, en om de renovatie en isolatie van gebouwen te bevorderen, met inbegrip van homogene isolatie; stelt voor om alle bestuurspartners op de verschillende niveaus samen te brengen in een operationele interface waarbij het Burgemeestersconvenant actief wordt betrokken;

105.  acht het een absolute prioriteit om financieringsinstrumenten en -tools te ontwikkelen, alsmede innovatieve modellen om publieke middelen te mobiliseren en private financiering aan te trekken op lokaal, nationaal, regionaal en Europees niveau teneinde investeringen in belangrijke energie-efficiëntiesectoren zoals de renovatie van gebouwen te ondersteunen, waarbij voldoende aandacht moet worden besteed aan de specifieke kenmerken van langetermijninvesteringen; benadrukt in dit verband de rol van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) en het (door de EIB beheerde) EFSI en dringt aan op de noodzaak om nationale stimuleringsbanken daar volledig bij te betrekken; erkent dat deze instrumenten geflankeerd moeten worden door gerichte technische bijstand; wijst op de noodzaak van kosteneffectiviteit van energie-efficiëntieregelingen in openbare gebouwen; verzoekt de Commissie om al deze elementen in aanmerking te nemen bij het ontwikkelen van het "Slimme financiering voor slimme gebouwen"-initiatief;

106.  is van mening dat de diverse Europese fondsen die verbeteringen van de energie-efficiëntie financieren zich sterker moeten richten op en meer prioriteit moeten geven aan kwetsbare consumenten met een laag inkomen en het aanpakken van gescheiden prikkels voor eigenaars en huurders van een gebouw of voor verschillende eigenaars;

107.  roept de Commissie op om in overleg met de passende bedrijfstakken en nationale, regionale en plaatselijke belanghebbenden optimale werkwijzen te identificeren voor de financiering van energie-efficiëntie in de hele EU en daarbuiten en vervolgens innoverende financieringsmechanismen op te nemen in het kader van de EBWO, de EIB en andere EU-fondsen;

108.  benadrukt dat de ontwikkeling van een nieuwe cultuur van essentieel belang is om de energie-efficiëntie- en klimaatveranderingsdoelstellingen te verwezenlijken; verzoekt de lidstaten om het bewustzijn onder jongere generaties te vergroten via geschikte onderwijsmodules op scholen, zodat nieuw verbruiksgedrag kan worden aangeleerd;

Op weg naar een duurzame economie

109.  herinnert eraan dat het in oktober 2014 bereikte akkoord van de Europese Raad over het kader voor het klimaat- en energiebeleid voor 2030 een engagement bevat van een interne vermindering van de broeikasgasemissies met minstens 40 % ten opzichte van 1990, als basis voor de ontwikkeling van de decarboniseringsdimensie van de energie-unie; merkt op dat met dit besluit ook de meest ambitieuze bijdrage wordt geleverd aan het internationale klimaatoverleg met het oog op de totstandbrenging van een bindende klimaatovereenkomst tijdens de 21e Conferentie (COP21) van de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) in Parijs, in december 2015;

110.  benadrukt het feit dat op de COP21 een algemeen, ambitieus en bindend akkoord moet worden gesloten met degelijke garanties voor een beperking van de temperatuurstijging tot maximum 2° C ten opzichte van het pre-industriële niveau, evenals een mondiaal, robuust en gemeenschappelijk systeem voor transparantie en verantwoording dat monitoring, rapportageverplichtingen en een doeltreffende en efficiënte nalevingsregeling omvat; is van mening dat de internationale klimaatregeling voor de periode na 2020 bepalingen moet bevatten om ambitieuzere doelstellingen mogelijk te maken, kostenefficiënte reductie-inspanningen te ondersteunen en mogelijkheden te bieden voor het waarborgen van de milieu-integriteit en duurzame ontwikkeling; benadrukt dat er een sterk engagement nodig is voor een vermindering van de emissies van de grootste vervuilers ter wereld; benadrukt dat de Europese diplomatie een fundamentele rol moet spelen op het gebied van klimaat en energie;

111.  herinnert eraan dat de beperking van de stijging van de mondiale temperatuur met gemiddeld 2° C geen garantie biedt dat aanzienlijke negatieve invloeden op het klimaat zullen worden voorkomen; benadrukt het feit dat de uitfasering van de wereldwijde koolstofemissies tegen 2050 of kort daarna nodig is om de wereld op een kosteneffectief emissietraject te houden dat verenigbaar is met de doelstelling van minder dan 2° C;

112.  is van mening dat de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen van essentieel belang is voor de energie-unie, gelet op de energiekosten; benadrukt de cruciale rol die hernieuwbare energiebronnen in de EU spelen met het oog op de verwezenlijking van energiezekerheid en politieke en economische onafhankelijkheid door de behoefte aan energie-invoer te verminderen; onderstreept de cruciale rol van hernieuwbare energiebronnen voor het verbeteren van de luchtkwaliteit, het scheppen van banen en het aanjagen van de groei; is van mening dat hernieuwbare energiebronnen goed zijn voor duurzame, concurrerende en betaalbare energie en belangrijk zijn voor het streven naar Europees leiderschap op het gebied van groene economie en de ontwikkeling van nieuwe industrieën en technologieën; benadrukt in dit opzicht dat de huidige energiemarktstructuur moet worden verbeterd om hernieuwbare energiebronnen te integreren in de markt; benadrukt dat de productiekosten van hernieuwbare energiebronnen de laatste jaren aanzienlijk zijn gedaald; benadrukt het belang van de ontwikkeling van grensoverschrijdende infrastructuur en de bevordering van onderzoek en innovatie op het gebied van de ontwikkeling van slimmere energienetten en nieuwe energieopslagmethodes, alsook flexibele opwekkingstechnologieën, voor de integratie van hernieuwbare energiebronnen;

113.  is ingenomen met het streven van de Commissie om van de Europese Unie "de wereldleider op het vlak van hernieuwbare energie" te maken; dringt er bij de Commissie op aan om daarvoor een operationele en werkbare strategie te presenteren; verzoekt de lidstaten en de Commissie om te zorgen voor transparantie, samenhang, stabiliteit en continuïteit in het regelgevingskader voor hernieuwbare energie en om veranderingen met terugwerkende kracht in de economische omstandigheden van investeringen te vermijden, teneinde het vertrouwen van investeerders te versterken en bij te dragen tot een kostenefficiënte inzet van hernieuwbare energie in de EU-regio's; benadrukt dat de steunregelingen beter gecoördineerd moeten worden, in overeenstemming met de door de Europese Commissie opgestelde richtsnoeren voor het ontwerp van steunregelingen voor hernieuwbare energie, teneinde mogelijke marktverstoringen te voorkomen en een efficiënte bevordering van hernieuwbare energie te waarborgen; benadrukt dat de juiste marktvoorwaarden voor investeringen in energie-efficiëntie, hernieuwbare energiebronnen en slimme infrastructuur van cruciaal belang zijn voor het terugdringen van de broeikasgasemissies; onderstreept dat de energie-unie marktgebaseerde instrumenten voor de bevordering van de energiebronnen van Europa moet optimaliseren als middel voor een zo kosteneffectief en milieuvriendelijk mogelijke energietransitie;

114.  benadrukt dat de EU moet zorgen voor een gelijk speelveld met betrekking tot nationale subsidies en stelsels voor staatssteun, dat de marktdominantie van bepaalde technologieën en marktdeelnemers niet oneerlijk versterkt, gelet op de transformatie van onze energiesystemen; is in dit opzicht ingenomen met het verslag van de Commissie van 10 oktober 2014 over subsidies en kosten van energie in de EU en roept de Commissie op om dit verslag jaarlijks bij te werken zodat beter kan worden vastgesteld welke sectoren en gebieden behoefte hebben aan extra financiële middelen en welke sectoren gevoelig zijn voor marktverstoring ten gevolge van subsidies;

115.  benadrukt dat het belang noodzakelijk is subsidies af te schaffen die een schadelijk effect hebben op het milieu, en wijst erop dat dergelijke subsidies dringend moeten worden geïdentificeerd en geleidelijk worden afgebouwd, omdat ze publieke gelden verspillen die eerst worden gebruikt om vervuilende praktijken te ondersteunen en vervolgens voor het wegwerken van de veroorzaakte vervuiling;

116.  benadrukt dat de overgang naar een concurrerende en duurzame koolstofarme economie ruime kansen biedt in de zin van nieuwe banen, innovatie, groei en lagere commerciële en binnenlandse energierekeningen; erkent echter dat deze kansen alleen kunnen worden benut door middel van krachtige samenwerking tussen de Commissie, de lidstaten, lokale en regionale overheden, de burgers en de industrie, hetgeen zou moeten leiden tot de meest effectieve stimulansen en regelgevingskaders; wijst erop dat goed beheerde decarbonisatie niet zou moeten leiden tot hogere energiekosten, energiearmoede, de-industrialisering van de Europese economie of een toename van de werkloosheid; dringt er daarom op aan om de sociale partners actief te betrekken bij het beheersen van de sociale effecten van de overgang naar een duurzame energie-unie; benadrukt dat de EU een EU-breed en tegelijkertijd marktgebaseerd en technologieneutraal beleid nodig heeft, waarin rekening wordt gehouden met alle relevante wetgeving en de toepasselijke EU-doelstellingen, die moeten worden verwezenlijkt tegen zo min mogelijk kosten voor de samenleving;

117.  brengt in herinnering dat de fotovoltaïsche industrie de basis moet vormen van het Europees industrieel beleid om aan de eisen te voldoen van een groeiende mondiale markt in een context waar de bulk van fotovoltaïsche cellen en modules vandaag de dag wordt geproduceerd buiten de Europese Unie, met name in China; benadrukt dat de EU volledig deel moet uitmaken van deze nieuwe investeringscyclus teneinde de leidende positie te behouden op het gebied van O&O, machineonderdelen en bepaalde andere segmenten, zoals voor omvormers en andere onderdelen van het zonne-energiebalanssysteem, en teneinde het leiderschap op het gebied van de productie van apparatuur (cellen en modules) te herstellen; is van oordeel dat de EU zich tot doel moet stellen om tegen 2020 ten minste aan 20 % van haar eigen marktvraag met intern geproduceerde cellen en modules te kunnen voldoen;

118.  erkent de voordelen van een toenemend gebruik van hernieuwbare energie op de warmtemarkt, met name in gebouwen; benadrukt dat de grotere flexibiliteit van warmte-infrastructuur en -opslag de integratie van intermitterende hernieuwbare bronnen vergemakkelijkt door energie op te slaan in de vorm van warmte; herhaalt dat de energiezekerheid kan worden vergroot door de ontwikkeling van netwerken voor stadsverwarming/koeling, die een ideaal middel zijn om duurzame warmte op grote schaal in steden te integreren, aangezien ze tegelijkertijd warmte afkomstig van diverse bronnen kunnen leveren en niet inherent afhankelijk zijn van één bron;

119.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat lidstaten minimumniveaus voor productie van hernieuwbare energie op nieuwe en gerenoveerde gebouwen vereisen en dat projecten met betrekking tot hernieuwbare energie profiteren van snelle administratieve en netwerkverbindingsprocedures, met name door artikel 13, lid 4, en artikel 13, lid 1, onder f), van Richtlijn 2009/28/EG en artikel 7, lid 3 van Richtlijn 2009/72/EG te handhaven; verzoekt de Commissie om bij de herziening van de bestaande relevante wetgeving het aantal gebouwen te vergroten dat is uitgerust met systemen voor hernieuwbare energie, om éénloketsystemen voor administratieve procedures te vereisen voor kleinschalige hernieuwbare-energieprojecten, evenals eenvoudige kennisgevingsprocedures voor de installatie van hernieuwbare energie waarvan de productie volledig zelf wordt verbruikt, en om een kader te creëren voor innovatieve netwerkverbindingsregelingen en voor de handel van netwerkdiensten op distributienetwerkniveau;

120.  vraagt de Commissie een EU-strategie voor verwarming en koeling uit te werken waarin alle acties en synergieën in kaart worden gebracht die noodzakelijk zijn in de woonsector en de commerciële en industriële sector om deze afhankelijkheid te verminderen en tegelijkertijd bij te dragen aan de energie- en klimaatdoelstellingen van de EU, energiebesparingen te verwezenlijken, het concurrentievermogen van de Europese economie te versterken, groei en werkgelegenheid te stimuleren en systeeminnovatie te bevorderen; benadrukt dat deze strategie voor verwarming en koeling alle vijf dimensies van de energie-unie dient te bestrijken;

121.  benadrukt dat waterkracht een belangrijke, eigen, hernieuwbare en veilige energiebron is die 11 % van de totale Europese elektriciteitsproductie voor zijn rekening neemt; benadrukt dat waterkracht derhalve een belangrijke rol zal blijven vervullen bij de elektriciteitsproductie en opslag, en een belangrijke bijdrage zal leveren aan de decarbonisatie van de Europese economie en het verminderen van de afhankelijkheid van de EU van externe energiebronnen;

122.  vraagt om specifieke aandacht voor mariene hernieuwbare energie, overeenkomstig de mededeling van de Commissie inzake de blauwe economie, als industrie met groot potentieel, maar die nog minder gevestigd is dan overige hernieuwbare sectoren;

123.  merkt op dat het integreren van een steeds groter aandeel aan binnenlands geproduceerde biogassen een positieve bijdrage kan leveren aan de energiezekerheid; onderstreept in dit kader de noodzaak om de bestaande gasinfrastructuur voor dat doel te behouden;

124.  wijst erop dat biomassa uit duurzame bosbouw een bijdrage kan leveren aan het bereiken van de klimaat- en energiedoelstellingen van het kader voor 2030;

125.  merkt op dat het huidige EU-beleid voor biobrandstoffen door velen is bekritiseerd, omdat het geen rekening houdt met broeikasgasemissies in verband met indirecte veranderingen in landgebruik (indirect land-use change, ILUC), die kunnen worden veroorzaakt wanneer de bestaande landbouwproductie wordt verplaatst naar onbebouwd land, zowel binnen als buiten de EU;

126.  is van mening dat in het kader van een duurzame benadering van de verwezenlijking van de EU-doelstellingen inzake energiezekerheid het gebruik van op het land geteelde biobrandstoffen niet verder mag worden uitgebreid en dat het verbeteren van de brandstofefficiëntie van voertuigen, het terugdringen van de vraag naar transport, het beperken van de intensieve veehouderij en het doen toenemen van het gebruik van biobrandstoffen uit afval en residuen die geen extra veranderingen in landgebruik veroorzaken, betere opties zijn;

127.  kijkt uit naar en dringt aan op steun voor projecten en investeringen die gebruikmaken van koolstofafval als grondstof voor koolstofarme chemicaliën en geavanceerde biobrandstoffen (bijv. door microben te gebruiken die groeien op koolstofrijke afvalgassen en deze om te zetten in brandstoffen en chemicaliën die op basis van fossiele hulpbronnen (of biobrandstoffen van de eerste generatie) geproduceerde brandstoffen en chemicaliën vervangen), waardoor emissies en verontreinigende stoffen uit industriële processen, zoals staalbereiding, worden beperkt;

128.  wijst erop dat afval in een ware circulaire economie als grondstof weer in de economie moet worden gepompt, teneinde de toegevoegde waarde van een product zo lang mogelijk te behouden en is derhalve van mening dat de voorbereiding voor hergebruik en recycling een veel hogere prioriteit heeft dan verbranding; wijst erop dat veel lidstaten reeds een overcapaciteit aan verbrandingsinstallaties hebben; benadrukt de noodzaak van een betere planning en uitwisseling van informatie en het voorkomen van lock-ineffecten; dringt er bij de Commissie op aan rekening te houden met het verband tussen de energie-unie en de circulaire economie;

129.  herinnert eraan dat de Europese industrie en de Europese kmo's van vitaal belang zijn voor de Europese economie, en erkent dat het concurrentievermogen van de Europese industrie en de Europese kmo's veel baat zou hebben bij lagere energiekosten;

130.  onderstreept dat innovatie en modernisering met het oog op energie- en hulpbronefficiëntere industriële processen bijdragen tot de versterking van het concurrentievermogen van de industrie in de EU; wijst op innovatie in hernieuwbare verwarmingstechnologieën die de invoer en de energiekosten zou kunnen doen verminderen en de prestaties van het systeem zouden kunnen verbeteren, in de context van de vraag naar verwarming tot hoge temperaturen in industriële sectoren; wijst erop dat de grote uitdaging van renovatie en modernisering van het gebouwenbestand in Europa een markt voor hoogpresterende bouwmaterialen, -apparatuur en -uitrusting creëert, en daarmee een belangrijke kans vormt voor Europese fabrikanten en installateurs in de bouwsector om te innoveren en banen te creëren die niet kunnen worden verplaatst;

131.  merkt op dat de wijze waarop de klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 worden bereikt, deel zou moeten uitmaken van het industriebeleid van de lidstaten, rekening houdend met de behoefte aan herindustrialisatie; is van mening dat het regelgevingskader van de EU en de doelstellingen van het klimaat- en energiebeleid van de EU consistent moeten zijn en moeten uitgaan van een flexibelere, meer marktgerichte benadering met het oog op een schokbestendige energie-unie waarin de politieke klimaatdoelstellingen voor 2030 en de herindustrialisatiedoelstellingen moeten worden geïntegreerd om het industriebeleid van de lidstaten aan te vullen;

132.  benadrukt dat effectief gebruik van onderzoek en technologische innovatie de leidende positie van de Europese industrie bevordert en het concurrentievoordeel en de commerciële levensvatbaarheid van het Europese bedrijfsleven en de Europese industrie versterkt, banen creëert en tegelijk bijdraagt aan de verwezenlijking van de belangrijkste EU-beleidsdoelstellingen voor energie en klimaat, met inbegrip van reductie van de vraag naar energie, voorzieningszekerheid, concurrentievermogen en duurzame ontwikkeling van energieproductie, -distributie, -transport en -verbruik, bestrijding van de energiearmoede en de verwezenlijking van de EU-doelstellingen met betrekking tot broeikasgasemissies, hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie en optimale benutting van de energiebronnen van Europa;

133.  verzoekt de Commissie om het concurrentievermogen van energie-intensieve industrieën veilig te stellen en te zorgen voor planningszekerheid op de lange termijn voor industriële investeringen waarin het streven van de Commissie om de bijdrage van de industrie aan het bbp te laten stijgen tot niet minder dan 20 % in 2020 moet worden weerspiegeld;

134.  onderstreept dat het emissiehandelssysteem (Emissions Trading System, ETS) een sleutelrol speelt als kostenefficiënt, op de markt gebaseerd instrument om de Europese energiehuishouding koolstofvrij te maken en om het streefdoel van de EU inzake emissievermindering voor 2030 en daarna te realiseren; benadrukt het feit dat naast de marktstabiliteitsreserve (Market Stability Reserve, MSR) een structurele hervorming ten uitvoer moet worden gelegd van het ETS na 2020, om rekening te houden met het streefdoel inzake CO2-vermindering tegen 2030, inclusief, zolang geen vergelijkbare inspanningen worden ondernomen in andere grote economieën, tastbare en meer geharmoniseerde maatregelen op EU-niveau inzake koolstoflekkage;

135.  verzoekt de Commissie de kwestie van indirecte koolstofkosten en de gevolgen hiervan voor (en het aandeel hiervan in) elektriciteitsprijzen in de lidstaten verder te onderzoeken;

136.  benadrukt dat ETS-inkomsten met name moeten worden gebruikt voor het ondersteunen van koolstofarme innovatie, energie-efficiëntie en andere maatregelen ter beperking van de CO2-uitstoot, met name in energie-intensieve sectoren;

137.  erkent dat de energiebronnen van Europa en efficiënte technologieën zoals warmtekrachtkoppeling een fundamentele bijdrage zouden leveren aan de energiezekerheid van de EU en de verwezenlijking van de broeikasgasreductiedoelstellingen; is in dit opzicht van mening dat in het kader van de energie-unie het recht van de lidstaten om de veilige en duurzame koolstofarme energiebronnen waarover ze beschikken te gebruiken moet worden erkend;

138.  erkent dat de keuze voor de energiemix primair een bevoegdheid van de lidstaten is, maar onderkent ook de zorgen die leven bij het publiek over hydrofracturering en de gevolgen die deze technologie mogelijk heeft voor het klimaat, het milieu en de volksgezondheid en de verwezenlijking van het langetermijndoel van decarbonisatie van de EU; erkent voorts dat het beperkte potentieel van onconventionele brandstoffen om te voldoen aan de toekomstige energievraag in de EU, in combinatie met de hoge investerings- en exploitatiekosten en de huidige wereldwijd lage olieprijzen, betekent dat het twijfelachtig is of hydrofracturering in de Europese Unie een levensvatbare technologie kan worden; is van mening dat de zorgen van het publiek serieus moeten worden genomen en dat hydrofractureringsactiviteiten moeten voldoen aan de hoogste klimaat-, milieu- en volksgezondheidsnormen; vraagt de lidstaten die voornemens zijn om hydrofracturering toe te passen om de aanbeveling van de Commissie van 2014 betreffende de minimumbeginselen voor de exploratie en productie van koolwaterstoffen (zoals schaliegas) met gebruikmaking van grootvolumehydrofracturering te respecteren;

139.  verzoekt de Commissie en de lidstaten actief te streven naar de ontmanteling van verouderde, de meest vervuilende of onveilige energiecentrales, mede om de huidige overcapaciteit in de markt te verminderen;

140.  verzoekt de Commissie de voorwaarden voor de toepassing van koolstofafvang en -opslag te verbeteren; is van oordeel dat koolstofafvang en -opslag bij kan dragen aan de overgang naar een koolstofarme energiemarkt en een belangrijke rol kan spelen bij de afstemming tussen de uiteenlopende doelstellingen van de energie-unie van diverse en veilige energievoorziening op grond waarvan tegelijkertijd de reducties op het gebied van de uitstoot van broeikasgassen kunnen worden verwezenlijkt die nodig zijn om aan de doelstellingen voor de EU-routekaart tot 2050 te voldoen;

141.  meent dat decarbonisatietechnologieën, zoals koolstofafvang en -opslag en de koolstofafvang en -benutting, verder moeten worden ontwikkeld en verbeterd door middel van aanzienlijke inspanningen op het gebied van onderzoek en innovatie, met als doel te zorgen dat dergelijke technologieën kunnen worden gebruikt voor het verkleinen, of zelfs tenietdoen, van de ecologische voetafdruk van fossiele brandstoffen die nog steeds meer dan 40 % van de huidige energieproductie van de EU uitmaken en in de toekomst waarschijnlijk een belangrijke energiebron zullen vormen;

142.  roept de Commissie op een NER400-innovatiefonds in het leven te roepen ter ondersteuning van koolstofarme demonstratieprojecten, een fonds dat zou moeten voortbouwen op het NER300-programma voor koolstofafvang en -opslag en hernieuwbare energie, maar waarvan de draagwijdte zou moeten worden uitgebreid tot koolstofarme innovatie in industriële sectoren;

143.  merkt op dat kernenergie in 2014 goed was voor 27 % van de elektriciteitsmix van de EU en meer dan de helft van alle koolstofarme stroom in de EU, dat 130 van de 132 kerncentrales in de EU tegen 2050 zullen zijn ontmanteld, waardoor er binnen de elektriciteitsmix van de EU een enorme kloof ontstaat in koolstofarme stroom en stroom op basislastniveau; erkent dat sommige lidstaten ervoor hebben gekozen kernenergie af te schaffen, terwijl overige lidstaten juiste nieuwe kernenergie willen ontwikkelen om te voldoen aan de energie- en klimaatdoelstellingen op nationaal en EU-niveau, en verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de EU voorziet in een kader waarbinnen lidstaten die streven naar nieuwe kernenergie, dit ook kunnen verwezenlijken binnen de EU-voorschriften voor de interne markt en de mededinging;

144.  merkt op dat kernenergie een van de belangrijkste bijdragen levert van het Europese energiestelsel en garant staat voor een lagere uitstoot van CO2, terwijl tegelijk de afhankelijkheid van import wordt teruggebracht, een stabiele productie wordt gewaarborgd van elektriciteit die de interne markt kan bedienen, en een stabiele basis wordt geboden voor een energiestelsel waarin hernieuwbare energie geleidelijk wordt geïntegreerd;

145.  verzoekt de lidstaten die kernenergie afbouwen te garanderen dat deze wordt vervangen door een energieproductie die in gelijke mate kan bijdragen aan de energievoorziening en tot de stabilisering van het gemeenschappelijke productie- en distributiesysteem;

146.  is van mening dat het weliswaar aan de lidstaten is om hun eigen energiemix te bepalen en dat de wijze waarop elke lidstaat zijn economie wil decarboniseren een soeverein besluit van die lidstaat is, maar dat coördinatie op EU-niveau van de ontwikkeling van beleid en technologieën noodzakelijk is om de streefcijfers op het vlak van decarbonisatie en de klimaatdoelstellingen van de EU en de lidstaten te bereiken; erkent dat beleid op Europees niveau op bepaalde gebieden het meest doeltreffend is en dat op andere gebieden hechte samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten essentieel is; erkent dat een robuuste en betrouwbare governancestructuur noodzakelijk is om deze coördinatie te garanderen;

147.  verzoekt de Commissie voorstellen in te dienen om een moderniseringsfonds op te richten, met strikte criteria en richtsnoeren om ervoor te zorgen dat de financiering wordt toegespitst op echte moderniseringsprojecten op het vlak van energie, die dienen te worden geselecteerd op basis van een technologisch neutrale aanpak en van de vraag of valt aan te tonen dat ze stroken met de verwezenlijking van de doelstellingen inzake broeikasgasemissies van de EU voor 2030;

148.  benadrukt dat de EIB moet worden betrokken bij het opstellen van de eerder genoemde criteria en richtsnoeren voor het moderniseringsfonds;

149.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat er bij de ontwikkeling van de energie-unie wordt gezorgd voor milieu- en klimaatbescherming, een betere luchtkwaliteit, minder afhankelijkheid van externe energie, biodiversiteit, werkgelegenheid en het concurrentievermogen van de Europese industrie op basis van technologische innovatie en technologisch leiderschap;

150.  benadrukt dat energie betaalbaar moet zijn voor alle EU-burgers; is van mening dat het vermijden van onnodig verbruik door middel van efficiëntieverbeteringen, verbeterde interconnecties, meer marktintegratie en investeringen in duurzame energie, met name in gebouwen, veel gezinnen onder dezelfde voorwaarden toegang zouden geven tot een geïntegreerde, duurzame, concurrerende en zekere energiemarkt en hen in staat zouden stellen om te ontsnappen aan energiearmoede, die in 2012 een kwart van de EU-burgers trof; nodigt de Commissie uit te komen met een mededeling over energiearmoede in Europa, die een definitie en indicatoren van energiearmoede bevat, en vergezeld gaat van een actieplan om deze energiearmoede te bestrijden;

Op weg naar een energie-efficiënte en koolstofarme transportsector

151.  schat dat vervoer verantwoordelijk is voor meer dan 30 % van het eindenergieverbruik in Europa en dat vervoer voor 94 % afhankelijk is van olieproducten; meent daarom dat een schoner energiesysteem dat duidelijk verbonden is met decarbonisatie van de vervoerssector een centrale plek moet innemen in een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering; beklemtoont dat gecombineerde maatregelen om energie-efficiëntie te stimuleren en innovatieve energietechnologie te ontwikkelen van cruciaal belang zijn voor het streven naar verwezenlijking van een milieuvriendelijke duurzame energiemix voor het Europese vervoerssysteem; vindt dat een gevarieerd gebruik van hernieuwbare energiebronnen moet worden aangemoedigd, waaronder vloeibaar aardgas voor zware vrachtwagens en in de sector van het zeevervoer; dringt er bij de Commissie op aan voorstellen in te dienen voor de afschaffing, in voorkomend geval, van voor het milieu schadelijke belastingsubsidies; moedigt steun aan voor onderzoek en innovatie die gericht zijn op het vinden van betere mobiliteitsoplossingen, alsook oplossingen op het gebied van ondersteunende technologieën en beleidsmaatregelen;

152.  stipt aan dat decarbonisatie van de vervoerssector de integratie inhoudt van maatregelen die de grenzen tussen de beleidsterreinen overschrijden, op de gebieden energie, vervoer, handel en onderzoek en innovatie; onderstreept het belang van een consistente benadering in alle lidstaten om nationale fragmentatie te voorkomen, en beklemtoont dat er normen en interoperabiliteitsvereisten moeten worden opgesteld opdat het Europese bedrijfsleven de marktmogelijkheden kan benutten;

153.  merkt op dat verbeterde prestatienormen voor voertuigen en verbeterde brandstofefficiëntie cruciaal zijn zowel om de EU minder afhankelijk te maken van olie als om de broeikasgasemissies te verminderen, en verzoekt daarom het bedrijfsleven, de lidstaten en de Commissie hun inspanningen op dit terrein voort te zetten en te bespoedigen en er, in het licht van de recente schandalen, voor te zorgen dat emissietesten niet alleen nauwkeurig zijn, maar ook reële verkeersomstandigheden weerspiegelen; verzoekt de Commissie de CO2-emissienormen voor auto's en vrachtwagens voor de periode na 2020 te herzien; merkt echter op dat alternatieve brandstoffen, elektrificatie met hernieuwbare elektriciteit en de bevordering van duurzamere vervoerswijzen de langetermijnoplossing bieden om de uitstoot van de vervoerssector terug te dringen en te zorgen voor een vermindering van de energievraag en de diversificatie van de voorziening;

154.  staat achter een algemeen pakket voor het wegvervoer ter bevordering van de bepaling van een efficiëntere kaderprijs voor het gebruik van infrastructuur en de invoering van intelligente interoperabele vervoersoplossingen; beklemtoont dat de energie-efficiëntie kan worden verbeterd door de digitalisering en het gebruik van intelligente vervoerssystemen te ondersteunen en innovatieve vervoersdiensten te ontwikkelen; dringt aan op een toekomstgerichte onderzoeks- en innovatiestrategie voor de vervoerssector; steunt de ontwikkeling van duurzame plannen voor stedelijke en plattelandsmobiliteit, om de vervuiling door het verkeer, congestie, lawaai en verkeersongevallen terug te dringen; is van mening dat deze plannen als doel dienen te hebben ongelijkheden weg te nemen, wat mensen met een handicap en kosten betreft;

155.  is verheugd over de verschuiving naar de duurzaamste en energiezuinigste vervoerswijzen en vervoersroutes, zoals het spoor, zeevervoer over korte afstand, de binnenvaart en vervoer over zee, door deze concurrerender te maken en efficiënter wat de vermindering van de CO2-emissies betreft; onderstreept in dit verband het belang van intermodaliteit;

156.  roept de Commissie op een algemene strategie voor het wegvervoer op te stellen, als onderdeel van de decarbonisatie van de vervoerssector en ter ondersteuning van meer inspanningen voor de ontwikkeling en ingebruikname van elektrische mobiliteit voor het wegvervoer;

157.  benadrukt dat de invoering van elektrische voertuigen een extra last zal betekenen voor de elektriciteitsproductie en wenst dat wordt onderzocht of daaraan met de huidige productiemiddelen wel tegemoet kan worden gekomen;

158.  verzoekt de Commissie de etiketteringsregeling voor brandstofverbruik en CO2-uitstoot van personenauto's te herzien om ervoor te zorgen dat consumenten worden voorzien van nauwkeurigere, relevantere en beter vergelijkbare informatie over de CO2-uitstoot, het brandstofverbruik, rijkosten en belastingen, om ervoor te zorgen dat consumenten kiezen voor de meest energie-efficiënte auto's en fabrikanten bijgevolg worden gestimuleerd om de energie-efficiëntie van hun voertuigen te verbeteren en de energiezekerheid te verhogen;

159.  verzoekt de Commissie de invoering van een herziene testcyclus te versnellen, om ervoor te zorgen dat CO2- en andere vervuilende emissies van voertuigen een afspiegeling zijn van de emissies in echte rijomstandigheden;

160.  verzoekt de Commissie de integratie van geavanceerde technologieën in innoverend spoorvervoer te bespoedigen door het Shift2Rail-initiatief te bevorderen, dat een belangrijke rol kan spelen bij een schoon openbaar vervoer;

161.  herinnert eraan dat de internationale scheepvaart nog steeds is uitgesloten van bindende verplichtingen om de broeikasgasemissies te beperken, hoewel die sector, wat verkeer betreft, een sterke groei vertoont; verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel in te dienen inzake reductiedoelstellingen voor broeikasgassen voor de internationale scheepvaart, tenzij voor het einde van 2016 bindende maatregelen worden overeengekomen binnen de International Maritime Organization (IMO);

162.  benadrukt de noodzaak van meer coördinatie van de strategieën voor transport, verwarming en koeling en decarbonisatie van stroom; vraagt de Commissie allesomvattende plannen voor te leggen voor de reductie van de CO2-uitstoot van de transportsector en de verwarmings- en koelingssector, onder andere gelet op het feit dat schone en goedkope stroom die is geproduceerd op basis van verschillende hernieuwbare energiebronnen bij voldoende beschikbaarheid kan worden gebruikt om elektrische voertuigen van stroom te voorzien en verwarmings- en koelingssystemen te laten draaien;

163.  benadrukt het feit dat prioriteit moet worden gegeven aan EFSI-steun voor vervoersprojecten die de technologische overgang naar een schoon en duurzaam vervoerssysteem mogelijk maken; beklemtoont dat bij andere op EU-niveau beschikbare instrumenten voor financiële steun de prioriteit moet gaan naar investeringen in infrastructuur voor intermodaliteit, het spoor, vervoer over zee en binnenwateren;

164.  moedigt de Commissie aan om bij haar werkzaamheden voor de harmonisering van de certificeringscriteria voor duurzaam toerisme een criterium op te nemen inzake het gebruik van hernieuwbare energie en ook een criterium inzake de terugdringing van de CO2-emissies, overeenkomstig de EU-doelstellingen;

Onderzoek, innovatie en concurrentievermogen.

165.  verzoekt de Commissie meer onderzoeksinspanningen te leveren met betrekking tot een beter gebruik van de energiebronnen van Europa en het beperken van hun milieueffecten met het oog op duurzame economische groei, het scheppen van werkgelegenheid, het concurrentievermogen van de industrie en in het bijzonder de verwezenlijking van de klimaat- en energiedoelstellingen van de EU voor de lange termijn;

166.  benadrukt dat alle financieringsopties van de EU voor het stimuleren van veilige en duurzame koolstofarme energietechnologieën, energie-efficiëntie, hernieuwbare energiebronnen, slimme netwerken, gedecentraliseerde productie, flexibele opwekking, elektrische opslag en elektrificatie van het transportsysteem volledig moeten worden verkend; verzoekt de Commissie om haar onderzoeksinspanningen en de uitrol van deze technologieën te intensiveren om haar langeretermijndoelstellingen voor 2020 en 2030 te bereiken, haar energiezekerheid te verbeteren en het economisch herstel te bevorderen; verwacht dat deze prioriteiten hun weerslag vinden in de tussentijdse herziening van het Horizon 2020-onderzoeksprogramma; herinnert eraan dat de energie-uitdaging van Horizon 2020 is bedoeld ter ondersteuning van de overgang naar een betrouwbaar, duurzaam en concurrerend energiesysteem waarvan de hoofdprioriteiten onder de rubrieken energie-efficiëntie, koolstofarme technologieën en slimme steden en gemeenschappen staan; herinnert eraan dat ten minste 85 % van de energie-uitdaging in de begroting van Horizon 2020 besteed moet worden aan niet-fossiele brandstoffen, waarbij ten minste 15 % van de algehele begroting voor de energie-uitdaging wordt besteed aan activiteiten op het gebied van de marktpenetratie van technologieën voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie;

167.  is van mening dat door middel van meer inspanningen om dergelijke technologieën te ontwikkelen gezorgd kan worden voor aanzienlijke voordelen op lange termijn in de vorm van kosteneffectieve decarbonisatie, lagere opwekkingskosten en een verminderde vraag naar energie, waardoor het concurrentievermogen van de industrie wordt versterkt;

168.  neemt nota van het Europese technologische leiderschap binnen belangrijke sectoren zoals windturbines, elektriciteitskabels, netontwikkeling en -diensten, en stadsvervoersystemen; betreurt het dat dit leiderschap onder druk staat en roept de Commissie op dringend actie te ondernemen om dit leiderschap te behouden;

169.  dringt er bij de Commissie op aan een initiatief te ontwikkelen inzake het mondiale leiderschap van de EU op het gebied van technologie en innovatie met betrekking tot hernieuwbare en koolstofarme energietechnologieën, met inbegrip van golfenergie, drijvende technologieën voor zonne-energie en biobrandstoffen geproduceerd uit algen, en om publieke en private RDI-activiteiten op deze gebieden te stimuleren;

170.  verzoekt de lidstaten en de Commissie te streven naar betere interactie tussen en coördinatie van de nationale en Europese onderzoeksprogramma's, met name op het gebied van energie, vervoer, ICT en bouw, om ervoor te zorgen dat prioriteit wordt gegeven aan gemeenschappelijke uitdagingen, zoals verhoging van de energie-efficiëntie door niet alleen aandacht te besteden aan de sector verwarming, maar ook aan koeling, bevordering van kleinschalige hernieuwbare energiebronnen, reductie van de broeikasgasemissies alsook vergroting van de energiezekerheid en ontwikkeling van nieuwe hernieuwbare energiebronnen, en om de aanvaarding door de markt van nieuwe technologieën te maximaliseren;

171.  wijst op de toegevoegde waarde van de integratie van ICT in energiesystemen en verzoekt de Commissie te komen met gemeenschappelijke normen voor slimme netten op transmissiesysteemniveau, aangezien die een stabiele levering en vrij grensoverschrijdend verkeer van energie waarborgen en bijdragen tot de energiezekerheid, alsook op distributiesysteemniveau om voorzieningszekerheid voor lokale gemeenschappen, steden en regio's te waarborgen; benadrukt in dit verband de rol die de ontwikkeling van slimmere energienetten en nieuwe energieopslagfaciliteiten kan spelen bij het verhogen van het niveau van hernieuwbare energiebronnen;

172.  erkent dat slimme meters een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan distributienetdiensten; benadrukt dat consumenten de uiteindelijke eigenaars van hun gegevens blijven en dat hun aan DSB's en overige marktdeelnemers doorgegeven gegevens moeten worden geanonimiseerd teneinde het recht op privacy volledig te respecteren;

173.  gelooft dat de verdere ontwikkeling van een interne energiemarkt intrinsiek gekoppeld is aan de digitale interne markt; verzoekt de Commissie het verband tussen de energie-unie en de digitale interne markt te bevorderen door middel van optimalisering van de consumententoegang tot energiediensten met behulp van digitale platforms en door middel van de ontwikkeling van een interne energiemarkt die concurrerender, transparanter is en beter geïntegreerd met de digitale economie;

174.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de IT-beveiliging en de bescherming van strategische energie-infrastructuren, die essentiële diensten verlenen aan de consumenten, op te schroeven, vooral met het oog op de ontwikkelingen in de industriële productie en de steeds grotere rol van ICT in de energiesector; wijst er in dit verband op dat het belangrijk is om de richtlijn inzake netwerk- en informatiebeveiliging goed te keuren en tijdig ten uitvoer te leggen, teneinde een hoog niveau van netwerk- en informatiebeveiliging van kritieke infrastructuur te behouden;

175.  benadrukt dat de lidstaten in het kader van Horizon 2020 prioriteit moeten verlenen aan de verlaging van de kosten van duurzame, veilige en minder volwassen energietechnologieën, in het bijzonder van technologieën die bijdragen tot de wereldwijde vermindering van de broeikasgasemissies en de verwezenlijking van de EU-doelstellingen voor 2030; verzoekt de Commissie en de lidstaten om te voorzien in een duidelijk wettelijk en strategisch kader en in financieringsmogelijkheden voor onderzoeks- en ontwikkelingsinitiatieven en uitrolprojecten die de Europese Unie helpen bij het verwezenlijken van haar klimaat-, energie- en milieudoelstellingen en het versterken van het economisch concurrentievermogen; verwelkomt de goedkeuring door de Commissie van een herzien Europees strategisch plan voor energietechnologie (SET-plan); benadrukt dat O&O en innovatie gericht moeten zijn op systeemintegratie van de verschillende oplossingen die momenteel beschikbaar of in ontwikkeling zijn, in plaats van op individuele sectoren en technologieën die afzonderlijk van elkaar worden toegepast;

176.  erkent dat vooruitgang op het vlak van milieuvriendelijke, kosteneffectieve innovaties en O&O eveneens van wezenlijk belang is voor het toekomstige concurrentievermogen van de EU, met inbegrip van de Europese industrie;

177.  vraagt de Commissie de verschillende subsidiërings- en financieringsinstrumenten expliciet in kaart te brengen, zoals het InvestEU-programma, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (projecten van gemeenschappelijk belang), O&O-middelen, de structuurfondsen, de financieringsinstrumenten voor slimme netten (ERA-Net Plus), het Horizon 2020-programma, de EIB, het Europees energieprogramma voor herstel (EEPR), de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen - energie (CEF-E), NER 300, het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal en Eurogia+, alsook de subsidiabiliteitsregels voor al deze programma's te verduidelijken;

Totstandbrenging van de energie-unie: burgers en steden

178.  herinnert aan de toezegging van 6 000 Europese steden om het voortouw te nemen ten aanzien van de energietransitie, met name op grond van het Convenant van burgemeesters; dringt er bij de Commissie op aan dit netwerk en overige initiatieven zoals Slimme steden en gemeenschappen en Energy Cities volledig te mobiliseren, en om hen financiële en personele middelen te bieden om zich verder te ontwikkelen; is van oordeel dat het Convenant van burgemeesters prioritaire toegang moet krijgen tot Europese financiering;

179.  benadrukt dat actieve strategieën inzake onderwijs/opleiding en vaardigheden van fundamenteel belang zijn voor de overgang naar een duurzame, energie-efficiënte economie; verzoekt de lidstaten gerichte programma's voor de training en voorlichting van burgers op te zetten en door de lokale gemeenschap geleid onderwijs te stimuleren om de energievraag terug te brengen en hernieuwbare energie te produceren; benadrukt dat het welslagen van de energie-unie gelijke toegang tot initiële en levenslange educatie en training vereist als essentieel middel om te reageren op de veranderende omstandigheden en de aspiraties van burgers enerzijds en de behoeften van de arbeidsmarkt anderzijds; brengt in herinnering dat opleidings- en bijscholingsprogramma's onontbeerlijk zijn, wil men zorgen dat werknemers volledig kunnen profiteren van het duurzame en lokale banenpotentieel van de ontwikkeling van hernieuwbare energie;

o
o   o

180.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de partijen bij de Energiegemeenschap.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0344.
(2) PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 59.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0088.
(4) PB C 332 E van 15.11.2013, blz. 28.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0444.
(6) PB C 188 E van 28.6.2012, blz. 42.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0094.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0445.


Het Europese elektriciteitsnet voorbereiden voor 2020
PDF 282kWORD 90k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 over het bereiken van het streefcijfer van 10 % voor de interconnectie van elektriciteit – Het Europese elektriciteitsnet voorbereiden voor 2020 (2015/2108(INI))
P8_TA(2015)0445A8-0330/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Bereiken van het streefcijfer van 10 % voor de interconnectie van elektriciteit" (COM(2015)0082),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 15 en 16 maart 2002,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 20 en 21 maart 2014,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014,

–  gezien het tienjarenplan voor de netontwikkeling uit 2014 van het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit (ENTSB-E),

–  gezien de verklaring van de top van Madrid over energie-interconnectieverbindingen tussen Spanje, Frankrijk, Portugal, de Europese Commissie en de EIB van 4 maart 2015,

–  gezien de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (Connecting Europe Facility - CEF) (Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013),

–  gezien Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0330/2015),

Voordelen van interconnectie

1.  is ingenomen met de mededeling en de strategie van de Commissie, die een stap in de goede richting vormen om het streefcijfer van 10 % elektriciteitsinterconnectie te verwezenlijken en de werking van de interne elektriciteitsmarkt in de EU te verbeteren;

2.  erkent dat hernieuwbare energie, een hogere energie-efficiëntie en een duurzame energiemix, die leiden tot energiebesparing en zorgen voor een interne energiemarkt waarin energie vrij kan stromen, belangrijke factoren zijn voor een stabiel, veilig, onafhankelijk, inclusief, transparant en competitief energiesysteem voor de EU, dat kwalitatief goede banen en welvaart oplevert in een toekomstgerichte duurzame economie; onderstreept dat voor de ontwikkeling van een dergelijk systeem een grotere mate van interconnectie op elektriciteitsgebied alsook slimme netten en een nieuwe marktopzet nodig zijn; is van mening dat het creëren van een dergelijk systeem en het tegengaan van energie-eilanden een belangrijke politieke prioriteit van de energie-unie moet zijn;

3.  beseft dat interconnectie een van de sleutelvoorwaarden is voor de voltooiing van een geïntegreerde interne stroommarkt, die – mits goed ontworpen – zal bijdragen aan de verwezenlijking van onze klimaatdoelstellingen, zoals de doelstelling van de EU om wereldwijd voorop te lopen bij hernieuwbare energiebronnen, en de verbetering van de geopolitieke positie van de EU dankzij een grotere energiezekerheid en onafhankelijkheid, alsmede aan een vermindering van het isolement op energiegebied en van de kans op verstoringen van het energiesysteem; benadrukt dat de aanpak, de planning en de aanleg van de elektriciteitsverbindingen ook vragen om een nauwe, gecoördineerde regionale samenwerking met inachtneming van de bevoegdheden van de nationale autoriteiten om de energiemix te bepalen en met respect voor de EU-doelstellingen voor klimaat en energie op lange termijn;

4.  onderstreept dat de voordelen van een aanzienlijk verhoogde interconnectiviteit van het Europese net veel verder reiken dan de economische en geopolitieke dimensies; het is een strategisch beginsel dat tot een veerkrachtiger, robuuster net zou moeten leiden dat beter is voorbereid op allerhande veranderingen en verstoringen; en het zorgt ervoor dat het groeiende aandeel energie uit hernieuwbare bronnen op efficiënte wijze kan worden opgenomen in het Europese net;

5.  herinnert eraan dat ICT een steeds belangrijkere rol speelt in de elektriciteitsnetten en de beveiliging van elektriciteitsnetten dus steeds kwetsbaarder wordt voor cyberaanvallen; verzoekt de Commissie om de veiligheidsrisico's voor het elektriciteitsstelsel te evalueren en indien nodig een actieplan uit te werken om deze risico's aan te pakken;

6.  onderstreept dat op een volledig geïntegreerde interne elektriciteitsmarkt de handel in stroom en de bijbehorende compensatiediensten gemakkelijker zouden worden, de veiligheid zou toenemen en de volatiliteit van de stroomprijzen zou verminderen, dit ten voordele van de burgers en het concurrentievermogen van de Europese industrie en het Europese bedrijfsleven, want geraamd wordt dat de Europese consumenten tegen 2030 jaarlijks 12-40 miljard EUR zouden kunnen besparen;

7.  merkt op dat volgens het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit (ENTSB-E) de investeringen in de noodzakelijke interconnectieprojecten van pan-Europees belang tot 2030 wel eens zouden kunnen oplopen tot 150 miljard EUR, en stelt met belangstelling vast dat door deze investering in interconnectiviteit de elektriciteitsprijzen met minimaal 2 euro/MWh zouden kunnen worden verlaagd, en dat Europa dankzij deze investeringen een groot deel van zijn elektriciteitsbehoefte met stroom uit hernieuwbare bronnen zou kunnen dekken; brengt in herinnering dat de interne elektriciteitsmarkt alle consumenten in de EU ten goede moet komen; verzoekt de betrokken instellingen om erop toe te zien dat huishoudens, kmo's en andere kleinverbruikers hier daadwerkelijk van profiteren en dat het voordeel niet beperkt blijft tot de groothandelsprijzen;

8.  benadrukt dat er bij de geleidelijke afschaffing van gereguleerde energieprijzen voor consumenten rekening moet worden gehouden met de werkelijke mate van concurrentie op de markt; merkt voorts op dat de strategie voor de energie-unie moet verzekeren dat consumenten toegang hebben tot veilige en duurzame energie tegen betaalbare prijzen;

Het streefcijfer van 10 % voor de interconnectie van elektriciteit

9.  beschouwt de doelstelling van 10 %, die in 2020 moet zijn verwezenlijkt, als een belangrijk streefdoel en een grote stap in de goede richting; betreurt het dat twaalf lidstaten, die zich voornamelijk in de periferie van de EU bevinden, het streefcijfer van 10 % elektriciteitsinterconnectie nog niet hebben bereikt en derhalve grotendeels zijn geïsoleerd van de interne elektriciteitsmarkt; benadrukt daarom dat er meer moet worden ondernomen ter ondersteuning van de lidstaten waarvan het lage connectiviteitspercentage de voltooiing van de interne elektriciteitsmarkt in de weg staat, opdat ook die lidstaten het streefcijfer kunnen bereiken; is evenwel van mening dat de doelstelling van 10 % op zichzelf genomen niet altijd de marktsituatie weerspiegelt en niet op basis van wetenschappelijke gegevens is vastgesteld; herinnert eraan dat het streefcijfer van 10 % oorspronkelijk is vastgesteld in 2002, uitgaande van de geïnstalleerde stroomopwekkingscapaciteit op dat moment; erkent dat het streefcijfer van 10 % weliswaar belangrijk is, maar niets zegt over de omvang van de elektriciteitsstromen tussen landen en evenmin over de kwaliteit, zoals de beschikbaarheid van de bestaande interconnectie-infrastructuur of van de bestaande nationale infrastructuur tussen de interconnectors; is daarom van mening dat één streefcijfer voor interconnectie op basis van de geïnstalleerde stroomopwekkingscapaciteit als zodanig niet geschikt is voor alle lidstaten; is er daarom van overtuigd dat het nodig is op middellange termijn, en zeker voor 2030, tot een overeenkomst te komen over ambitieuze en wetenschappelijk onderbouwde aanvullende interconnectiviteitsstreefcijfers, waarmee ook de regio's akkoord gaan; is van mening dat deze streefcijfers op verschillende parameters gebaseerd moeten zijn; verzoekt de Commissie om zo snel mogelijk te beginnen met de technische discussie over deze parameters; wijst erop dat een open toegang en de beschikbaarheid van de interconnectors evenzeer als de kwantitatieve streefcijfers noodzakelijk zijn om de resterende obstakels voor de werking van de Europese elektriciteitsmarkt weg te nemen; dringt bij de Commissie, het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) en de nationale regulators aan op transparantie en nauwlettend toezicht op de toegankelijkheid van interconnectors om knelpunten die het functioneren van de elektriciteitsmarkt belemmeren, te voorkomen en zo een goede werking van de elektriciteitssystemen te waarborgen;

10.  merkt op dat de beperkte transmissiecapaciteit, bijvoorbeeld in het gebied waarin Nord Pool Spot actief is, aanleiding geeft tot regionale prijsverschillen, hoewel het streefcijfer voor de interconnectie tussen landen er ruimschoots is overschreden;

Holistische benadering

11.  merkt op dat de vaak optredende overbelasting van de transmissienetten kan samenhangen met de grensoverschrijdende lijnen, maar ook te wijten kan zijn aan zwakke, verouderde interne netten en de beperkte beschikbaarheid van nationale netwerken; benadrukt dat het beslist noodzakelijk is de nationale netten te versterken als men de capaciteit van interconnectors ten volle wil benutten; dringt aan op een holistische benadering bij de beoordeling van de behoefte aan versterking c.q. uitbreiding van grensoverschrijdende en nationale verbindingen, om de bestaande interconnectielijnen en de capaciteit van de nationale infrastructuur zo goed mogelijk te gebruiken;

12.  benadrukt de rol van de Commissie in het kader van het derde energiepakket als hoedster van een opgesplitste en toegankelijke elektriciteitsmarkt en facilitator van een gedecentraliseerd energiesysteem, waarin de lidstaten kleinere leveranciers, in het bijzonder prosumenten die hernieuwbare energiebronnen gebruiken, volgens eerlijke marktregels en de beste praktijken op het gebied van productie voor eigen gebruik toegang moeten verlenen tot het net;

13.  merkt op dat ons energielandschap steeds meer gedecentraliseerd is door het toenemende belang van energieprosumenten; merkt daarom op dat een goed ontworpen slim net voor transmissie en distributie belangrijk is; benadrukt de steeds grotere, cruciale rol van distributiesysteembeheerders (DSB’s) als partijen die de toegang tot de markt vergemakkelijken, aangezien de grote meerderheid van de installaties op basis van hernieuwbare energie verbonden is met een distributienetwerk; benadrukt in dit verband dat, om een knelpunt in het net weg te nemen, een grondig onderzoek nodig is om te bepalen welke combinatie van maatregelen - waaronder de bouw van nieuwe transmissielijnen, de ontwikkeling van lokale slimme netten en de verbetering van de efficiëntie en flexibiliteit van het systeem - in een specifieke situatie het meest aangewezen is;

14.  wijst erop dat de voordelen van een hoger interconnectiviteitsniveau niet kunnen worden verwezenlijkt zonder op grote schaal markten en transmissiesysteembeheerders (TSB's) onderling te koppelen; verzoekt de Commissie om alles in het werk te stellen om te voorkomen dat die koppeling tot stand komt op het niveau van groepen lidstaten en om een koppeling op EU-niveau te bevorderen waarin alle lidstaten en buurlanden zijn opgenomen, in het bijzonder de landen die deelnemen aan het Europese nabuurschapsbeleid (ENB);

15.  herinnert eraan dat projecten van gemeenschappelijk belang (PGB's) worden geëvalueerd door regionale groepen die zijn opgezet door de Commissie en bestaan uit vertegenwoordigers van de lidstaten, de nationale regelgevende instanties (NRI's), de elektriciteitstransmissiesysteembeheerders en projectontwikkelaars, het ENTSB-E, ACER, de Commissie en andere essentiële belanghebbenden;

16.  benadrukt dat de lijst met PGB’s op een transparantere wijze en met verantwoordingsplicht samengesteld moet worden; merkt op dat het ENTSB-E, de TSB's en de projectontwikkelaars een overheersende rol spelen bij de ontwikkeling van een geharmoniseerde methodologie voor de kosten-batenanalyse, bij de voorbereiding van de tienjarenplannen voor de netontwikkeling en de netcodes en bij de evaluatie van de kosten en baten van elk project; herinnert aan de noodzaak van volledige beoordelingen, ook van de economische, sociale en milieugevolgen; vraagt de Commissie in dit verband om ervoor te zorgen dat de beoordelingen uitgevoerd worden door gekwalificeerde deskundigen die volledig los staan van de projectontwikkelaars; benadrukt dat het algemene proces nog geoptimaliseerd moet worden door de betrokkenheid van het Parlement en andere stakeholders, zoals vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, nog te vergroten; verzoekt de Commissie, ACER en de nationale regelgevende instanties zich proactiever op te stellen om het raadplegingsproces neutraler, transparanter, traceerbaarder en inclusiever te maken; verzoekt de Commissie na te gaan in welke situaties het gebruik van de beste beschikbare technologie (BBT) als belangrijke parameter kan worden gehanteerd voor de toekenning van EU-subsidies voor projecten;

17.  verzoekt de Commissie om het rangschikkingsproces voor de PGB's beter uit te leggen; herinnert eraan dat PGB's om in aanmerking te komen moeten zijn opgenomen in de tienjarenplannen van het ENTSB-E voor de netontwikkeling, maar dat de eindbeslissing over financiering bij de Commissie ligt, die een besluit neemt op basis van haar eigen beoordelingscriteria voor de selectie van projecten; verzoekt de Commissie om deze criteria uitdrukkelijk te verantwoorden;

18.  verzoekt de Commissie om jaarlijks verslag uit te brengen aan het Parlement over de uitvoering van de PGB's en over de geboekte vooruitgang in de richting van het streefcijfer van 10 %, dit in het kader van de jaarlijkse inventarisatie binnen het strategische kader voor de energie-unie;

Vergunningsprocedure

19.  onderstreept dat de langdurige vergunningsprocedure een grote uitdaging inhoudt bij de aanleg van nieuwe hoogspanningsleidingen in Europa; roept de lidstaten op deze procedures sneller te doen verlopen, maar er daarbij wel voor te zorgen dat er voldoende waarborgen blijven bestaan voor het algemeen belang, onder meer door effectieve openbare raadplegingen;

20.  wijst erop dat projecten op de PGB-lijst profiteren van een voorkeursbehandeling op regelgevingsgebied, een snellere planning, een bindende termijn van 3,5 jaar voor de vergunningverlening en kortere procedures voor de milieueffectbeoordeling, en ook in aanmerking kunnen komen voor extra middelen uit de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (Connecting Europe Facility, CEF) en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI); vraagt de Commissie om een beoordeling van de manier waarop deze snellere planning in de lidstaten geïmplementeerd wordt en van de mate waarin zij eraan voldoen;

21.  beseft dat voorlichting aan en de steun van de algemeenheid essentieel zijn om een snelle uitvoering van interconnectieprojecten te garanderen; erkent dat bij de aanleg van nieuwe hoogspanningsleidingen de transparante en inclusieve processen en de strengste milieunormen niet mogen worden uitgehold; verzoekt de projectontwikkelaars om bij nieuwe interconnectors gebruik te maken van BBT om de samenhang tussen projectinvesteringen in het net, ecologische duurzaamheid en het lokale draagvlak te verbeteren;

22.  benadrukt dat met een "één-loketbenadering" een bijdrage wordt geleverd aan het bekorten van de vergunningsprocedures; herinnert eraan dat de TEN-E-verordening bepaalt dat elke lidstaat een nationale bevoegde autoriteit moet aanwijzen die op nationaal vlak verantwoordelijk is voor het faciliteren, bekorten en coördineren van het vergunningsproces; is in dat opzicht ingenomen met de evaluatie van de "één-loketbenadering" die de Commissie in 2017 zal uitvoeren, en spoort de Commissie ertoe aan om in het kader daarvan de mogelijkheden van één enkel loket op EU-niveau te beoordelen;

Rol van ACER

23.  neemt kennis van de onderbezetting en het gebrek aan middelen bij ACER; verzoekt de begrotingsautoriteit van de EU het Agentschap van de nodige middelen te voorzien, met name voldoende eigen personeel, zodat het de hem bij wet toegewezen taken correct en tijdig kan uitvoeren; dringt erop aan dat ACER een grotere rol krijgt, in het bijzonder ten aanzien van het ENTSB-E en in de zin van een verbeterde coördinatie en meer bemiddeling tussen de NRI's, en meer coördinatie van grensoverschrijdende regelgevingsvraagstukken;

24.  benadrukt het belang van gekwalificeerd personeel bij de nationale regelgevende instanties op energiegebied, met de vereiste deskundigheid, specialisatie en onafhankelijkheid; verzoekt de Commissie uiterlijk eind 2016 een onafhankelijk onderzoek uit te voeren naar de middelen waarover alle nationale energieregelgevers beschikken en de mate van onafhankelijkheid die zij tot dusverre hebben bereikt, vergezeld van aanbevelingen voor het verbeteren van de situatie;

25.  merkt op dat het nog steeds aan transparantie ontbreekt met betrekking tot de berekening van de grensoverschrijdende capaciteiten waarover de markt kan beschikken, en de frequentie en de omvang van de beperkingen bij interconnectors en de redenen daarvoor; betwijfelt in dit verband of de belangrijkste beperkingen in de meeste gevallen wel volledig worden onderzocht; verzoekt de Commissie adequate competenties en bevoegdheden aan ACER toe te kennen voor het vergaren van de nodige informatie over elke afzonderlijke grensoverschrijdende transmissiecapaciteit, zodat ACER zich doeltreffend van zijn toezichttaken kan kwijten; verzoekt erom dat deze informatie aan ACER wordt verstrekt, vergezeld van de nodige achtergrondinformatie over het ontwerp en de werking van het nationale net; is in dit opzicht verheugd over de snelle beslissing over de netcodes voor elektriciteit; neemt nota van het voornemen van de Commissie om het mandaat, de werkingssfeer en de bevoegdheden van ACER te verruimen en van de overpeinzingen van de Commissie ten aanzien van wat dat zou kunnen inhouden, zoals vermeld in haar recente mededeling "Een 'new deal' voor energieconsumenten"; verzoekt de Commissie om in dat verband met concrete suggesties te komen om de totstandbrenging van een echte interne energiemarkt te bevorderen; merkt op dat ACER voor de nieuwe bevoegdheden die aan hem worden toegekend, ook de passende middelen moet krijgen;

Financieringsinstrumenten

26.  neemt kennis van de raming van de Commissie dat er 35 miljard EUR aan financiering nodig is om de doelstelling van 10 % tegen 2020 in alle lidstaten te halen; herinnert eraan dat in de CEF-verordening ((EU) nr. 1316/2013) staat dat het overgrote deel van de financiële bijstand uit de CEF-middelen voor energie beschikbaar moet worden gesteld voor elektriciteitsprojecten, en dringt erop aan dat de Commissie hier voldoende rekening mee houdt; steunt de aanbeveling van de Commissie om de CEF op enkele centrale projecten te concentreren; benadrukt dat bijzondere aandacht nodig is voor projecten die de grootste gaten in de geïntegreerde elektriciteitsmarkt aanpakken en het gebrek aan voldoende interconnectie tegengaan; is van mening dat er ook na 2020 adequate EU-financiering beschikbaar moet worden gesteld ter ondersteuning van de uitvoering van niet commercieel levensvatbare projecten voor stroomverbindingen die nodig zijn om de goede werking van de interne energiemarkt en een veilige werking van elektriciteitssystemen te garanderen; benadrukt het belang van de EIB bij de ondersteuning van investeerders in commercieel lonende projecten op het gebied van de elektriciteitsinfrastructuur; neemt kennis van de oprichting van het EFSI en moedigt de Commissie aan om ervoor te zorgen dat met behulp van dit fonds investeringen in stroomverbindingen worden aangetrokken;

27.  dringt er voorts bij de Commissie op aan om: 1) investeringen in de beste beschikbare techniek te stimuleren, die weliswaar duurder kan zijn, maar op lange termijn, berekend over de volledige levenscyclus, aanzienlijke financiële voordelen, tijdsbesparing en een vooraanstaande plaats op technologievlak oplevert; 2) de financieringsvoorschriften tegen het licht te houden om de bestaande mechanismen te stroomlijnen; en 3) de prikkels voor verdergaande investeringen in het net te versterken door o.a. aan te moedigen dat winsten uit het verhuren van transmissiecapaciteit worden geherinvesteerd in infrastructuur en technologie die het net versterken, zoals extra interconnectors;

Regionale samenwerking

Oostzeegebied

28.  merkt op dat de Baltische staten dankzij geplande onderlinge hoogspanningsverbindingen naar verwachting tegen eind 2015 hun 10 %-doel zullen halen; stelt met zorg vast dat de stroomnetten van de Baltische staten nog gesynchroniseerd zijn met en afhankelijk zijn van het Russische elektriciteitssysteem, hetgeen een werkelijk geïntegreerde en goed functionerende Europese elektriciteitsmarkt in de weg staat; dringt aan op een snelle synchronisering van de stroomnetten van de Baltische landen met het continentale Europese net, om een volledige integratie in de interne energiemarkt, een grotere voorzieningszekerheid bij elektriciteit en een veilige werking van het systeem te garanderen; verzoekt de betrokken lidstaten om de nodige stappen te ondernemen om hier werk van te maken en vraagt het ENTSB-E om een formele procedure op te starten voor een uitbreiding van het synchrone continentale Europese net naar de Baltische landen; verzoekt de Commissie om de tenuitvoerlegging van dit project te ondersteunen en te bewaken; wijst op de gemeenschappelijke Noordse stroommarkt als een goed voorbeeld voor de samenwerking tussen lidstaten bij het tot stand brengen en ontwikkelen van de interne elektriciteitsmarkt; erkent het belang van een hogere graad van interconnectie tussen Polen en de Noordse elektriciteitsmarkt, wil Polen het 10 %-doel halen; is ingenomen met de ondertekening van het memorandum van overeenstemming inzake een versterking van het interconnectieplan voor de energiemarkt in het Oostzeegebied (BEMIP); onderstreept dat de regionale samenwerking via BEMIP moet worden voortgezet en de solidariteit tussen de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van PGB's verder moet worden versterkt;

Noordzeegebied

29.  beseft dat windmolens op de Noordzee in 2030 meer dan 8 % van de in Europa geleverde elektriciteit kunnen opwekken; merkt voorts op dat door een gecoördineerde planning en aanleg van een regionale offshore-netinfrastructuur, markttoegang en het delen van reserves in het Noordzeegebied tegen 2030 kostenbesparingen van 5-13 miljard EUR zouden kunnen worden behaald, doordat de regionale markt beter geïntegreerd is; roept de Commissie en de relevante lidstaten op om deze mogelijkheden te bekrachtigen bij de ontwikkeling van de beheersstructuur voor 2030 en de daaruit volgende plannen; vraagt de Commissie en de lidstaten om hun krachtige politieke steun voor en goedkeuring van het offshore-net op de Noordzee, omdat dit een centraal onderdeel is bij de opbouw van een echte energie-unie; dringt er bij de komende voorzitterschappen van de Raad van de EU op aan voorbereidingen te treffen voor de goedkeuring tijdens het Nederlandse voorzitterschap in 2016 van een juridisch kader in de vorm van een intergouvernementeel akkoord tussen de betrokken lidstaten waarin een gezamenlijke elektriciteitsstrategie voor de Noordzee wordt vastgelegd;

Centraal West-Europa

30.  wijst erop dat de gedeelde elektriciteitsmarkt tussen Oostenrijk en Duitsland de tenuitvoerlegging van een geïntegreerde Europese energiemarkt bevordert; erkent dat de gemeenschappelijke biedzone - die in 2002 werd ingevoerd - zorgt voor dezelfde groothandelsprijzen voor elektriciteit in beide landen, onbeperkte handel in elektriciteit en een voorzieningszekerheid van bijna 100 %; merkt op dat de Oostenrijks-Duitse biedzone de enige relatief grote zone is in Europa die gedeeld wordt door twee landen; merkt op dat grotere biedzones bevorderlijk zijn voor de noodzakelijke eigenschappen van een goed functionerende en liquide elektriciteitsmarkt, die de handelskosten kan beperken, veerkrachtige prijssignalen met het oog op investeringsbeslissingen kan afgeven en meer concurrentie kan stimuleren; dringt aan op een snelle uitbreiding van de netten om hernieuwbare energie in de elektriciteitsmarkt te kunnen integreren en de stabiliteit van het net te garanderen, in het bijzonder in het zuiden van Duitsland; verzoekt om de handhaving van dit succesmodel en de verdere uitbreiding van de biedzone;

Centraal- en Zuidoost-Europa

31.  onderstreept dat Centraal- en Zuidoost-Europa over enorme – en grotendeels niet geëxploiteerde – voorraden aan hernieuwbare energiebronnen beschikt; merkt op dat de samenwerking en coördinatie met het oog op de langetermijnplanning en de aanleg van een regionale netinfrastructuur in Centraal- en Zuidoost-Europa verder moeten gaan dan alleen de EU, zodat ook niet tot de EU behorende landen op de westelijke Balkan en Turkije hierbij worden betrokken; verzoekt om de instelling van een nieuw platform dat alle centrale belanghebbenden in de regio de mogelijkheid biedt te discussiëren over en politieke steun te verlenen aan gezamenlijke projecten om ten volle gebruik te maken van de mogelijkheden in de regio tot stroomopwekking; is van mening dat de in februari 2015 opgerichte EU-Groep op hoog niveau gasconnectiviteit in Centraal- en Zuidoost-Europa zo'n platform zou kunnen worden, mits zijn mandaat met de elektriciteitssector wordt uitgebreid en ook niet-EU-landen uit Centraal- en Zuidoost-Europa eraan kunnen deelnemen; beseft dat het platform de Commissie in staat zou stellen een leidende rol te spelen en politieke steun te verlenen;

32.  merkt op dat vanwege de sterke afhankelijkheid van Centraal- en Zuidoost-Europa van ingevoerde energie een vergroting van de grensoverschrijdende elektriciteitscapaciteit van bijzonder groot belang is, aangezien deze bijdraagt aan de voorzieningszekerheid van de regio en op de langere termijn leidt tot een verlaging van de energierekening van de huishoudens;

33.  beveelt aan dat de Commissie de plannen voor nieuwe elektriciteitsverbindingen in de mediterrane regio en tussen de Zuid-Europese en Noord-Afrikaanse markten grondig beoordeelt, om in beide regio's de voorzieningszekerheid te verhogen en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen te ontwikkelen;

Iberisch schiereiland

34.  onderstreept het belang van een aanzienlijk hoger aantal verbindingen tussen Spanje en Frankrijk ter ondersteuning van het gebruik van hernieuwbare energie in de regio en van een volwaardige deelname van het Iberisch schiereiland aan de interne elektriciteitsmarkt; ziet de op 4 maart 2015 ondertekende verklaring van Madrid en de oprichting van een Groep op hoog niveau inzake interconnecties voor Zuidwest-Europa als belangrijke stappen in de richting van een grotere interconnectiviteit in de regio; erkent dat de huidige capaciteit voor interconnectie tussen het Iberisch schiereiland en de rest van Europa niet voldoende is en dat de projecten die in de eerste PGB-lijst zijn opgenomen niet volstonden om het streefcijfer voor interconnectie in 2020 te realiseren; roept de landen in de regio op om de ontwikkeling van hun aanzienlijke potentieel aan hernieuwbare energie te ondersteunen en de toegang van de sector tot de geïntegreerde Europese markt te vergemakkelijken;

35.  is ingenomen met het initiatief van de Commissie om een studie te verrichten naar de voordelen van elektriciteitsverbindingen tussen het Iberisch schiereiland en Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Italië en de landen ten zuiden van de Middellandse Zee;

Periode na 2020

36.  merkt op dat het Europese energiesysteem zich sinds 2002, toen het streefcijfer van 10 % interconnectie bij stroom voor het eerst is vastgesteld, heeft ontwikkeld en dat op het hele continent met name werk is gemaakt van de hernieuwbare energiebronnen; beveelt in deze context aan dat het streefcijfer van 15 % op basis van de in 2030 geïnstalleerde capaciteit niet als een op zichzelf staand gegeven mag worden gezien en zorgvuldig en grondig moet worden beoordeeld om te waarborgen dat het geschikt, toepasselijk en haalbaar is; verzoekt de Commissie daarom de vaststelling van regionale, aanvullende streefcijfers te beoordelen en betere kwalitatieve en kwantitatieve benchmarks te vinden, zoals handelsstromen, piekstromen en knelpunten, waaruit kan worden afgeleid hoeveel interconnectie nodig is;

37.  onderstreept dat de langetermijndoelstellingen van de EU op klimaatgebied en het duurzame energiesysteem dat de EU voor ogen staat, moeten dienen als basis voor de vaststelling van een toekomstig interconnectiestreefcijfer voor elektriciteit; merkt in dit verband op dat de vereiste interconnectiegraad zal afhangen van verschillende parameters, zoals: a) de toepassing van het beginsel "voorrang voor energie-efficiëntie" en meer maatregelen om in te spelen op de vraagzijde in het nationale en het EU-beleid, b) de ontwikkeling van decentrale stroomopwekking op basis van hernieuwbare energie en daarmee samenhangende slimme netten, c) de nationale besluiten over de energiemix, rekening houdend met de EU-doelstellingen voor klimaat en energie op lange termijn, d) de ontwikkeling van technieken voor energieopslag - ook in huishoudens en gemeenten, e) het gebruik van de beste beschikbare technologie, waar toepasselijk, f) de erkenning van personen als prosumenten binnen het energiesysteem, en g) de invoering van duidelijke prikkels voor investeringen in de netten;

o
o   o

38.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Tenuitvoerlegging van de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit
PDF 271kWORD 91k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 over de tenuitvoerlegging van de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit (2015/2042(INI))
P8_TA(2015)0446A8-0331/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over "de tenuitvoerlegging van de Europese microfinancieringsfaciliteit (Progress Microfinance) – 2013" (COM(2014)0639),

–  gezien de tussentijdse evaluatie van de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit van 5 mei 2015(1),

–  gezien de "Study on imperfections in the area of microfinance and options how to address them through an EU financial instrument"(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1296/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende een programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI) en tot wijziging van Besluit nr. 283/2010/EU tot instelling van een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting(3) (de "EaSI-verordening"),

–  gezien Besluit nr. 283/2010/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 maart 2010 tot instelling van een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting(4) ("de faciliteit") (het "besluit"),

–  gezien zijn resolutie van 24 maart 2009 met aanbevelingen aan de Commissie over een Europees initiatief voor de ontwikkeling van microkrediet ter ondersteuning van groei en werkgelegenheid(5),

–   gezien de diepgaande analyse van het onderzoekscentrum van het Europees Parlement van mei 2015 met als titel "European Progress Microfinance Facility – Interim evaluation"(6),

–  gezien Speciaal verslag nr. 8/2015 van de Europese Rekenkamer met de titel 'Voorziet de financiële steun van de EU behoorlijk in de behoeften van micro-ondernemers?'

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en het advies van de Commissie begrotingscontrole (A8-0331/2015),

A.  overwegende dat microfinanciering bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie; overwegende dat dankzij microfinanciering mensen zich aan armoede en werkloosheid kunnen ontworstelen en hun waardigheid kunnen herwinnen, en de maatschappelijke cohesie kan worden versterkt door het verbeteren van de sociale inclusie en het minimaliseren van de sociale verschillen;

B.  overwegende dat de faciliteit gericht is op een grotere toegankelijkheid en beschikbaarheid van microfinanciering voor personen die hun baan verloren hebben of dreigen te verliezen of die moeilijk toegang krijgen tot of kunnen terugkeren op de arbeidsmarkt, alsook voor personen die met sociale uitsluiting worden bedreigd of kwetsbare personen die qua toegang tot de traditionele kredietmarkt in een nadelige positie verkeren en hun eigen micro-onderneming willen opzetten of verder ontwikkelen, o.a. als zelfstandige; overwegende dat de faciliteit ook gericht is op een grotere toegankelijkheid en beschikbaarheid van microfinanciering voor micro-ondernemingen en de sociale economie;

C.  overwegende dat de faciliteit tot doel heeft de intermediairs beter in staat te stellen het aantal potentiële verrichtingen te vergroten teneinde in lokale gemeenschappen werkgelegenheid in de vorm van kwalitatief hoogwaardige banen, groei en sociale integratie te bewerkstelligen;

D.  overwegende dat de financiële situatie van vrouwelijke kredietnemers slechter is dan die van mannelijke kredietnemers, in die zin dat meer vrouwen werkloos zijn of het risico lopen in armoede te vervallen(7); overwegende dat de verhouding tussen vrouwelijke en mannelijke ondernemers die van de faciliteit profiteren, slechts 36:64 is en nog altijd niet volstaat om van genderevenwicht te kunnen spreken;

E.  overwegende dat de marginalisering en de meervoudige discriminatie waar sommige groepen vrouwen mee te maken hebben hun economische achterstand en hun problemen bij de toegang tot financiering verder vergroten; overwegende dat de integratie van vrouwen die zich in een sociaal isolement bevinden een prioriteit moet zijn;

F.  overwegende dat een steeds groter aantal werkende vrouwen de primaire kostwinner in het gezin is; overwegende dat het percentage alleenstaande ouders hoger is voor vrouwen dan voor mannen; overwegende dat microfinanciering een steeds grotere groep vrouwen ten goede moet komen;

G.  overwegende dat de sociale economie coöperaties, onderlinge maatschappijen, verenigingen zonder winstoogmerk, stichtingen en sociale ondernemingen omvat, die een bijdrage leveren aan het EU-beleid op de gebieden werkgelegenheid, sociale cohesie, regionale en plattelandsontwikkeling, milieubescherming, consumentenbescherming, landbouw, ontwikkeling van derde landen en sociale zekerheid;

H.  overwegende dat armoede en sociale uitsluiting, alsook langdurige werkloosheid, jeugdwerkloosheid en sociale ongelijkheid zijn toegenomen als gevolg van de economische en financiële crisis;

I.  overwegende dat dankzij de faciliteit leningen tegen gunstiger voorwaarden kunnen worden verkregen en financiering beschikbaar is voor personen die er anders niet voor in aanmerking zouden komen; overwegende dat in 22 lidstaten intermediairs voor de microfinanciering (MFI's) van de faciliteit hebben geprofiteerd; overwegende dat het globale doel van de faciliteit erin bestaat tot 2020 46 000 microleningen te verstrekken voor een bedrag van naar schatting 500 miljoen EUR;

J.  overwegende dat het aflossingspercentage voor leningen wordt geraamd op 95 %; overwegende dat de faciliteit mensen heeft geholpen een baan te vinden of opnieuw een baan te vinden, of een eigen bedrijf op te zetten, en zelfstandigen heeft geholpen hun micro-onderneming voort te zetten of uit te breiden (behoud van banen, indienstneming van nieuwe medewerkers en behaalde omzet); overwegende dat de faciliteit tot in afgelegen Europese regio's is doorgedrongen en economische activiteit heeft teweeggebracht;

K.  overwegende dat het moeilijk te beoordelen blijft in hoeverre minderheden worden bereikt, aangezien de meeste MFI's zich er in hun activiteit niet specifiek op toeleggen om minderheden sterker te bereiken; overwegende dat de ontvangers van een microlening zichzelf niet noodzakelijkerwijs zien als gemarginaliseerde groep en niet bang zijn voor discriminatie als hun etnische achtergrond wordt bekendgemaakt;

L.  overwegende dat 60 % van de personen over wie gegevens beschikbaar zijn hetzij werkloos hetzij inactief waren op het moment van de aanvraag voor de microlening; overwegende dat 84 % van de ontvangers in de leeftijdsgroep van 25 tot 54 jaar zat en dat 36 % van de ondernemers aan wie leningen werden verstrekt vrouw waren;

M.  overwegende dat de faciliteit niet alleen in kwantitatieve, maar ook in kwalitatieve zin moet worden beoordeeld; overwegende dat het weliswaar gemakkelijker is om de faciliteit in termen van economische efficiëntie te evalueren, maar dat ook de doelmatigheid bij de verwezenlijking van de doelstelling van sociale inclusie moet worden beoordeeld, evenals de kwaliteit en het indirecte effect van de gecreëerde banen;

N.  overwegende dat de beoogde verhouding van 40:60 tussen vrouwelijke en mannelijke ondernemers bijna is bereikt en daarmee aanzienlijk boven het gemiddelde voor de Unie ligt;

O.  overwegende dat diensten gericht op bedrijfsontwikkeling, zoals opleiding en begeleiding, cruciaal zijn voor het succes en de overlevingskansen van een micro-onderneming;

P.  overwegende dat het niet financieren van ondernemingen in de sociale economie is onderkend als tekortkoming van de faciliteit;

Q.  overwegende dat er aanwijzingen zijn dat microfinanciering een van de elementen is die bedrijven in staat stellen zich van de schaduweconomie los te maken en de status van onderneming met een officieel gemelde economische activiteit te verwerven;

R.  overwegende dat een grotere mate van openheid over de verstrekking van microleningen door MFI's de beste manier is om een betere besteding van overheidsmiddelen te bevorderen; overwegende dat een grotere mate van openheid het mogelijk maakt de prestaties van MFI's met elkaar te vergelijken;

S.  overwegende dat er ruimte is voor synergieën tussen de faciliteit en het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en andere EU-fondsen, om daarmee onwenselijke overlappingen te voorkomen;

T.  overwegende dat in artikel 6 van het Financieel Reglement is bepaald dat bij de opstelling en de uitvoering van de begroting het eenheids-, het begrotings­waarachtigheids-, het jaarperiodiciteits-, het evenwichts-, het rekeneenheids-, het universaliteits- en het specialiteitsbeginsel, het beginsel van goed financieel beheer, dat een effectieve en efficiënte interne controle vergt, en het transparantiebeginsel in acht moeten worden genomen;

U.  overwegende dat de faciliteit kan rekenen op financiering van de EU en een financiële bijdrage van de Europese Investeringsbank, die beide worden beheerd door het Europees Investeringsfonds (EIF); overwegende dat er ook is voorzien in extra financiering van particuliere investeerders;

V.  overwegende dat dit instrument nog weinig bekendheid geniet onder de mogelijke begunstigden;

Microfinanciering toegankelijker maken

1.  onderstreept het belang van een financieel instrument als de faciliteit in tijden van financiële crisis voor het opzetten van nieuwe ondernemingen, het bevorderen van nieuwe werkgelegenheid en het verzekeren van een financieringsmogelijkheid voor kansarme werklozen en micro-ondernemingen, met beperking van de risico's voor de MFI's;

2.  merkt op dat het werkgelegenheidsscheppend effect kleiner was dan aanvankelijk verwacht, ondanks het feit dat veel begunstigden volledig van de kredietmarkt zouden zijn uitgesloten indien ze geen beroep hadden kunnen doen op microkrediet; is van mening dat dit kleinere werkgelegenheidsscheppend effect deels te wijten is aan het gelijktijdig optreden van een diepe economische crisis, die ernstige negatieve gevolgen heeft gehad voor zowel de kredietmarkt als de werkgelegenheid; merkt evenwel op dat de faciliteit in aanzienlijke mate heeft bijgedragen tot het behoud van banen; houdt er rekening mee dat dit in aanmerking zal worden genomen in het nieuwe, flexibelere EaSI-instrument;

3.  betreurt het grote aantal afgewezen aanvragen voor microfinanciering (bijna 2 000 aanvragen werden afgewezen, voor een deel wegens overmatige schuldenlast van particulieren en ondernemingen), en de nog steeds grote kloof op de microfinancieringsmarkt, ondanks de toename van het aantal microkredietnemers; verzoekt de Commissie om een meer gedetailleerde studie naar de redenen van deze afwijzingen te verrichten en daarbij ook mogelijke oplossingen aan te dragen;

4.  onderstreept het belang van de faciliteit, in het bijzonder in tijden van crisis, bij het openen van financieringsmogelijkheden voor werklozen en kansarmen; benadrukt dat, met name gezien de huidige migratie- en asielcrisis, microfinanciering kan fungeren als fundamentele steun voor vluchtelingen en migranten om toegang te krijgen tot de Europese arbeidsmarkt;

5.  verzoekt de lidstaten contactpunten in het leven te roepen om de faciliteit onder potentiële begunstigden en burgers in het algemeen meer bekendheid te geven;

6.  verzoekt de Commissie en de lidstaten, voortbouwend op de ervaring die tot nu toe is opgedaan, te werken aan de bekendheid van de faciliteit, de mogelijkheden die zij biedt en de wijze waarop een beroep op de faciliteit kan worden gedaan, in het bijzonder in perifere regio's en binnen gemeenschappen, met name die met een minderhedenachtergrond, of binnen organisaties van personen met een handicap;

7.  merkt op dat de in 2013 door de faciliteit gefinancierde maatregelen tevens niet-achtergestelde leningen en garanties omvatten; merkt verder op dat sommige MFI's zowel een garantie als een lening ontvangen, maar dat deze twee instrumenten altijd verschillende portfolio's bestrijken;

8.  wenst dat in het kader van de faciliteit de toegevoegde waarde van projecten in regio's met ernstige en permanente natuurlijke of demografische nadelen in aanmerking wordt genomen, bijvoorbeeld in dunbevolkte regio's of regio's die te kampen hebben met ontvolking, aangezien dit niet alleen het scheppen van banen zal bevorderen, maar ook zal bijdragen tot het in stand houden van de bevolking in het gebied;

9.  is ingenomen met het feit dat de Commissie en het EIF de operationele fase zijn ingegaan met de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap (MF/SE) van het EaSI-programma, zodat de begunstigden aan geld kunnen komen; gaat ervan uit dat EaSI de tekortkomingen van de faciliteit met succes zal opvangen;

10.  verzoekt de Commissie te beoordelen of de huidige definitie van microkrediet adequaat is, om er zeker van te zijn dat toekomstige financiële instrumenten aansluiten bij de behoeften van de markt en de begunstigden en beantwoorden aan de in artikel 2 van het besluit omschreven doelstellingen;

11.  spoort de Commissie en de lidstaten aan gegevens over de kenmerken, behoeften en overlevingskansen van micro-ondernemingen te verzamelen en te evalueren, en aanpassingen in de EaSI-verordening voor te stellen, zo nodig bij de tussentijdse evaluatie; juicht het toe dat het eindsaldo en de naar de faciliteit teruggevloeide bedragen in de begroting van de MF/SE-pijler van EaSI zullen worden gestort, zodat het aantal aan microkredietnemers aangeboden garanties en gefinancierde instrumenten kan worden uitgebreid;

12.  is verheugd over het feit dat alle zeven financiële instrumenten van de faciliteit die tot nu toe zijn onderzocht, aanvullende financiering uit de particuliere sector hebben aangetrokken; spreekt echter zijn bezorgdheid uit over het feit dat volgens het verslag van de Rekenkamer, met betrekking tot de garanties, de streefwaarden voor de hefboomverhouding slechts in één van de zeven gevallen zijn gehaald en in twee gevallen niet zijn gehaald;

13.  is ingenomen met de toegenomen flexibiliteit van het nieuwe programma in het kader van EaSI bij het inspelen op de veranderende behoeften door middel van herschikking van de middelen tussen de verschillende pijlers van het programma; vraagt de Commissie dubbele financiering te voorkomen door duidelijke en transparante synergieën uit te werken tussen het EaSI-programma en andere programma's en initiatieven van de Unie;

14.  verzoekt de Commissie meer bekendheid te geven aan en meer informatie te verstrekken over de faciliteit en de toegangsmogelijkheden daartoe;

15.  verzoekt de Commissie de geografische reikwijdte van de faciliteiten uit te breiden, teneinde deze in alle lidstaten te kunnen aanbieden; vindt dat ook de sectoriële reikwijdte van de faciliteit moet worden verruimd tot buiten de sectoren landbouw en handel;

Doelgroepen bereiken en over het maatschappelijk effect rapporteren

16.  betreurt het dat wegens het gebrek aan duidelijk omlijnde verslaglegging de maatschappelijke effecten van de faciliteit (nieuwe banen, duurzaamheid van bedrijven en participatie van minderheden) niet nauwkeuriger zijn gemeten; verzoekt de Commissie derhalve de normen voor het empirisch meten van sociale prestaties in acht te nemen, om een zo groot mogelijk maatschappelijk effect te bewerkstelligen, mede gelet op de Europa 2020-doelstellingen, en na te gaan of de definitie van doelgroepen, waaronder mensen met een handicap, nadere verduidelijking behoeft;

17.  merkt op dat de faciliteit als proefproject van start is gegaan; merkt verder op dat er tekortkomingen zijn vastgesteld op het gebied van het bereiken van kwetsbare groepen, zoals migranten en gehandicapten; is evenwel van mening dat men de geleerde lessen ter harte heeft genomen en dat sommige tekortkomingen reeds zijn aangepakt in het EaSI-instrument; is ingenomen met het feit dat er een strategische beoordeling van de doelstellingen is uitgewerkt, in overeenstemming met de Europa 2020-doelstellingen;

18.  verzoekt het EIF met de MFI's samen te werken en van hen te verlangen dat zij de Europese gedragscode voor microkredietverstrekkers toepassen, en prioriteit toe te kennen aan MFI's die hebben aangetoond te kunnen en willen samenwerken met organisaties die vervolgsteun bieden aan begunstigden; verzoekt het EIF tevens toe te zien op de naleving van bepalingen in overeenkomsten met MFI's die deze verplichten tot een nauwere samenwerking met organisaties die kwetsbare groepen vertegenwoordigen, teneinde de doelgroepen beter te bereiken;

19.  verzoekt de Commissie om een verbetering van de methodiek met het oog op de evaluatie van de levensvatbaarheid en het lokale effect van ondernemingen nadat het microkrediet is terugbetaald;

20.  verzoekt de Commissie en het EIF de rapportage over de begunstigden en de MFI's te verbeteren, in het besef dat er een evenwicht moet worden gevonden om overbelasting van de MFI's te voorkomen; onderstreept dat de informatie die voor een adequaat rapport vereist is, zowel door de MFI's wordt verstrekt als door de microkredietnemer die een lening aanvraagt;

21.  betreurt het dat de informatie over het gebruik van leningen en garanties in verband met de faciliteit fragmentarisch en onvolledig is en dat gedetailleerde informatie over de arbeidssituatie van de eindontvangers ontbreekt, hoewel de Rekenkamer heeft geconstateerd dat de verslaglegging in overeenstemming was met de bepalingen van het besluit;

22.  verzoekt het EIF ervoor te zorgen dat MFI's informatie openbaar maken over het aantal verstrekte microleningen, het daarmee gemoeide bedrag en het soort begunstigden waaraan ze zijn toegekend;

23.  verzoekt de Commissie bij de toegang tot microfinanciering te streven naar gelijkheid tussen mannen en vrouwen en in de toekomst hetzelfde streefpercentage voor mannelijke en vrouwelijk ondernemers te hanteren; verzoekt de Commissie en de lidstaten MFI's aan te moedigen specifieke strategieën voor vrouwen en vrouwelijk ondernemerschap te hanteren, onder andere in de vorm van samenwerking met verenigingen en organisaties die op dit gebied actief zijn;

24.  verzoekt de Commissie en de lidstaten daarnaast te werken aan de zichtbaarheid van en informatie over de financieringsmogelijkheden die deze faciliteit biedt, o.a. via bewustmakingscampagnes, de uitwisseling van goede praktijken tussen vrouwelijke ondernemers en specifiek op vrouwen gerichte workshops en trainingen, teneinde bij de toegang tot microfinanciering tot een beter genderevenwicht te komen;

25.  verzoekt de Commissie rekening te houden met de voordelen van microfinanciering voor vrouwen, waaronder nieuwe duurzame banen; verzoekt de Commissie voorwaarden te scheppen voor de uitwisseling van kennis en goede praktijken tussen vrouwelijke ondernemers;

26.  onderkent het belang van de nagestreefde verhouding tussen mannelijke en vrouwelijke ondernemers; is overigens van oordeel dat het succes van de faciliteit niet alleen moet worden afgemeten aan algemene doelstellingen, maar ook aan de mate waarin de faciliteit erin slaagt micro-ondernemers en kleine en middelgrote ondernemingen te helpen bij het opstarten van hun projecten en bij te dragen aan economische groei en sociale cohesie;

27.  dringt er bij de Commissie op aan haar inspanningen in het bijzonder te richten op een betere toegang tot microfinanciering voor personen die met uitsluiting worden bedreigd, zoals migranten, vluchtelingen, langdurig werklozen, jongeren, mensen met een laag inkomen, laagopgeleiden en personen met een handicap, die op dit moment te weinig van de faciliteit profiteren;

28.  verzoekt de Commissie om vluchtelingen en asielzoekers als doelgroep aan te merken;

29.  verzoekt de Commissie meer initiatieven te ontplooien en meer geld ter beschikking te stellen voor het verlenen van microkredieten aan startende innovatieve ondernemingen onder leiding van jongeren, teneinde ondernemerschap onder jongeren en hoogwaardige technologische, wetenschappelijke en sociale innovatie ten tijde van economische crisis en moeilijke toegang tot krediet te ondersteunen; benadrukt voorts dat de lidstaten moeten streven naar vermindering van de bureaucratische rompslomp die ondernemers moeten overwinnen om toegang te krijgen tot de door de Unie ter beschikking gestelde middelen;

De sociale economie ondersteunen

30.  betreurt het dat via de faciliteit geen significant aantal sociale ondernemingen is gefinancierd; juicht het daarom toe dat een bepaald percentage van het EaSI-budget is uitgetrokken voor de financiering van sociale ondernemingen;

31.  moedigt de Commissie aan om dit nieuwe onderdeel nauwlettend te volgen en de lidstaten aan te sporen in dit verband gegevens, kennis en goede praktijken uit te wisselen, en toe te zien op adequate verslaglegging door de MFI's en de MFI's aan te sporen steun te verlenen aan projecten met een grote sociale impact bij de potentiële begunstigden;

32.  verzoekt de Commissie om het maximumpercentage dat voor leningen aan sociale ondernemingen in het kader van EaSI is vastgesteld, te beoordelen en, zo nodig, te herzien teneinde hun de noodzakelijke en adequate middelen voor een gunstige ontwikkeling te verstrekken en in de behoeften van de markt te voorzien;

33.  onderstreept dat het van belang is in financieringsprogramma's een genderperspectief op te nemen; is van oordeel dat gendereffectbeoordelingen en genderbewust budgetteren nuttig zijn voor het evalueren en verbeteren van de gevolgen die financieringsprioriteiten, de toewijzing van financiële middelen en specificaties voor financieringsprogramma's voor vrouwen hebben; benadrukt dat er systematisch naar geslacht uitgesplitste gegevens moeten worden verzameld en dat deze regelmatig moeten worden geanalyseerd;

Begeleiding en opleiding en complementariteit met andere instrumenten

34.  juicht het toe dat in het kader van EaSI de mogelijkheid bestaat capaciteitsopbouw bij MFI's en technische bijstand aan MFI's te financieren ter ondersteuning van hun professionalisering, hun dienstverlening en de verzameling en verwerking van gegevens met het oog op een betere feedback over de faciliteit;

35.  verzoekt de Commissie de faciliteit te verbinden met een basisopleiding ondernemerschap, teneinde de economische levensvatbaarheid van de ondernemingen en het doel van de leningverstrekking te verzekeren;

36.  betreurt het dat diensten gericht op bedrijfsontwikkeling, waaronder begeleiding en opleiding, niet rechtstreeks door EaSI kunnen worden gefinancierd, en verzoekt de Commissie toekomstige financieringsmogelijkheden te onderzoeken, met nieuwe specifieke instrumenten die gezamenlijk door de nationale overheid en de EU worden gefinancierd;

37.  merkt op dat het ESF de voornaamste financiering moet verstrekken voor het opzetten van ondernemingen, levensvatbare microfinanciering en sociaal ondernemerschap, en dat dit vergezeld moet gaan van begeleidings- en opleidingsprogramma's; betreurt het dat een en ander niet rechtstreeks door EaSI wordt gefinancierd;

38.  beveelt aan dat de Commissie en de lidstaten hun strategische samenwerking met plaatselijke en regionale organisaties en instellingen met betrekking tot EaSI, het ESF en verder mogelijke nationale programma's ontwikkelen, en hun samenwerking met MFI's en begunstigden versterken, om de bijstand aan microkredietnemers in de vorm van opleiding, begeleiding en algemene steun voor grotere bedrijfskansen nog te verbeteren;

39.  is verheugd over de mogelijkheid om middelen uit het ESF te besteden voor de MF/SE-pijler van EaSI, en verzoekt de Commissie en het EIF de MFI's beter te informeren over deze mogelijkheid uit hoofde van artikel 38 van de verordening gemeenschappelijke bepalingen(8);

40.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat er geld uit het EFSI beschikbaar is voor de financiering van micro-ondernemingen;

Intermediairs voor microfinanciering

41.  spoort de Commissie aan de ESF-steun en de EaSI-steun te coördineren, teneinde tot een betere complementariteit wat betreft de microfinancieringsfaciliteiten te komen, en daarbij onder andere aandacht te schenken aan de samenwerking tussen MFI's en de door het ESF medegefinancierde centra voor bedrijfsondersteuning;

42.  is ingenomen met de selectieprocedure voor tussenpersonen voor microkredietverstrekking, die in overeenstemming is met de regels en procedures van het EIF, en herhaalt het verzoek van het Parlement dat deze tussenpersonen moeten voldoen aan de beginselen van verantwoord lenen en voorkoming van overmatige schuldenlast van particulieren en ondernemingen;

43.  beveelt aan de procedure voor toegang tot het instrument te vereenvoudigen en de overeenkomsten tussen MFI's en het EIF flexibeler en begrijpelijker te maken, zodat kleinere MFI's snel volledig gebruik kunnen maken van de financieringsinstrumenten en de EIF-faciliteiten;

44.  betreurt het dat een aanzienlijk aantal aanvragen voor de faciliteit niet zijn afgerond en niet konden worden goedgekeurd door het EIF; verzoekt de Commissie na te gaan wat de redenen hiervoor waren (bijv. gebrek aan informatie of toegankelijkheid, of bureaucratische rompslomp die vereenvoudiging vergt); verzoekt de Commissie snel te handelen om dit probleem op te lossen;

45.  roept de Commissie op te zorgen voor meer voorlichting en informatie over de faciliteit en over de voorwaarden voor toegang, de procedure te vereenvoudigen, en de overeenkomsten tussen tussenpersonen voor microfinanciering en het EIF flexibeler en begrijpelijker te maken, waardoor kleinere tussenpersonen sneller toegang tot de markt kunnen krijgen;

46.  verzoekt de Commissie en het EIF na te gaan hoe, afgezien van de verplichtingen die nu al gelden voor MFI's, de voordelen van de faciliteit beter bekend kunnen worden gemaakt bij een breder publiek;

47.  spoort de Commissie aan de samenwerking te verbeteren tussen MFI's en de organisaties die de belangen van begunstigden behartigen, waarbij deze samenwerking meer moet inhouden dan het aanprijzen van producten of het werven van nieuwe klanten;

48.  verzoekt de lidstaten de sector van de microfinanciering te ontwikkelen zodat die zich kan uitbreiden, wat nodig is om de Europa 2020-doelstellingen te halen, en gebruik te maken van de faciliteit, door te onderzoeken of er mogelijkheden zijn voor intermediairs die geen bank zijn, om op de markt voor microkrediet actief te worden zonder afhankelijk te zijn van een partnerbank;

49.  moedigt de Commissie aan tot een intensievere dialoog met de bij de microfinanciering betrokken partijen (MFI's, banken of niet-banken, netwerken zoals het Europees Microfinancieringsnetwerk), alsmede de belanghebbenden die op dit moment nog zijn uitgesloten, over de toegankelijkheid, het gebruik en de opzet van de producten die via door de Unie gefinancierde programma's zullen worden aangeboden;

50.  spoort de Commissie en de lidstaten aan de uitwisseling van goede praktijken tussen MFI's uit verschillende lidstaten te bevorderen;

51.  verzoekt de Commissie en het EIF ervoor te zorgen dat via de MF/SE-pijler van EaSI wordt bevorderd dat de Europese gedragscode voor microkredietverstrekkers verder wordt verspreid en wordt opgenomen in contracten met MFI's;

52.  is van mening dat het verslag van de Commissie over de uitvoering van de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit – 2013 zeer algemeen is en onvoldoende details bevat over de uitvoering ervan;

53.  moedigt de Commissie aan ervoor te zorgen dat de faciliteit en het EaSI-instrument blijven bijdragen aan de toegevoegde waarde en de zichtbaarheid van de EU;

o
o   o

54.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=738&langId=nl&pubId=7760
(2) http://bookshop.europa.eu/fr/study-on-imperfections-in-the-area-of-microfinance-and-options-how-to-address-them-through-an-eu-financial-instrument-pbKE0214424/?CatalogCategoryID=ZjsKABstHnIAAAEjH5EY4e5L
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 238.
(4) PB L 87 van 7.4.2010, blz. 1.
(5) PB C 117 E van 6.5.2010, blz. 85.
(6) http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/IDAN/2015/547555/EPRS_IDA(2015)547555_EN.pdf
(7) Tussentijdse evaluatie van de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit
(8) Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).


Een nieuw GVB: structuur voor de technische maatregelen en de meerjarenplannen
PDF 192kWORD 88k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 over een nieuw GVB: structuur voor de technische maatregelen en de meerjarenplannen (2015/2092(INI))
P8_TA(2015)0447A8-0328/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 43,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, en met name artikel 7, lid 2, en de artikelen 9 en 10,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A8-0328/2015),

A.  overwegende dat de duurzaamheid van de visbestanden absoluut noodzakelijk is voor de toekomst van de visserijsector;

B.  overwegende dat sinds 2009 nauwelijks vooruitgang is geboekt in de wetgevingsdossiers met betrekking tot de technische maatregelen en de meerjarenplannen, deels als gevolg van spanningen tussen de Europese instellingen over hun respectieve beslissingsbevoegdheden krachtens artikel 43 VWEU met betrekking tot de voorstellen van de Commissie inzake de meerjarenplannen, en deels vanwege moeilijkheden om de technische maatregelen in overeenstemming te brengen met het Verdrag van Lissabon;

C.  overwegende dat het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) (Verordening (EU) nr. 1380/2013) onder meer tot doel heeft de populaties van de beviste soorten boven een niveau te brengen en te houden dat de maximale duurzame opbrengst (MDO) kan opleveren door middel van een op ecosystemen en selectiviteit gebaseerde benadering; dat de technische maatregelen en de meerjarenplannen tot de belangrijkste instrumenten behoren om deze doelstellingen te verwezenlijken;

D.  overwegende dat de belangrijkste wijzigingen die met de hervorming van het GVB in 2013 zijn doorgevoerd onder meer de aanlandingsverplichting en de regionalisering betreffen;

E.  overwegende dat de complexe en uiteenlopende aard van de technische maatregelen en het feit dat zij verspreid zijn over vele verschillende verordeningen ertoe hebben bijgedragen dat de tenuitvoerlegging moeilijk is voor de vissers, hetgeen ertoe kan leiden dat zij geen vertrouwen meer hebben;

F.  overwegende dat het beginsel van regionalisering voorziet in de raadpleging van de adviesraden om de belanghebbenden beter bij het besluitvormingsproces te betrekken en de mogelijke sociaaleconomische effecten van het besluit beter te evalueren;

G.  overwegende dat de complexiteit van de technische maatregelen en de problemen bij de tenuitvoerlegging ervan, evenals het gebrek aan tastbare positieve resultaten of stimuleringsmaatregelen in het kader van het GVB, hebben bijgedragen tot het ontstaan van wantrouwen onder de vissers;

H.  overwegende dat de herziening van de technische maatregelen op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies en met toepassing van een ecosysteembenadering tot doel moet hebben de ecologische duurzaamheid van de visbestanden en de mariene hulpbronnen te verbeteren op een wijze die strookt met de sociaaleconomische levensvatbaarheid van de sector;

I.  overwegende dat voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het nieuwe GVB onder meer selectiever vistuig en selectievere visserijpraktijken vereist zijn;

J.  overwegende dat de huidige innovaties die de selectiviteit van het vistuig verbeteren vaak gehinderd worden door regelgeving;

K.  overwegende dat de aanlandingsverplichting een ingrijpende verandering in de aanpak van het visserijbeheer met zich meebrengt, vooral voor de demersale visserij, en dus ook in de technische maatregelen op cruciale gebieden, zoals de vangstsamenstelling en de maaswijdten;

L.  overwegende dat het belang van de ambachtelijke visserij voor de duurzaamheid van de kustgemeenschappen, en in het bijzonder voor de positie van vrouwen en jongeren, sterk moet worden benadrukt; dat in het GVB wordt gerefereerd aan een gedifferentieerde regeling voor ambachtelijke visserij in Europa;

M.  overwegende dat een algemene definitie van ambachtelijke visserij nodig is, gezien de rol ervan in het gezondheidsherstel van onze zeeën en de instandhouding van traditionele en ecologisch duurzame praktijken en transacties;

N.  overwegende dat de vaststelling van de gemeenschappelijke grondbeginselen voor alle zeegebieden in een kaderverordening die volgens de gewone wetgevingsprocedure in de zin van het Verdrag van Lissabon wordt vastgesteld, noodzakelijk is om de tenuitvoerlegging van de GVB-doelstellingen in de EU te waarborgen, gelijke voorwaarden voor alle exploitanten te waarborgen en de uitvoering van en controle op de technische maatregelen te vereenvoudigen;

O.  overwegende dat de gewone wetgevingsprocedure niet altijd noodzakelijk is voor maatregelen op regionaal niveau of voor maatregelen die regelmatig aan veranderingen onderhevig zijn of gebaseerd zijn op door de medewetgevers vastgestelde normen en doelstellingen, maar dat die procedure wel toegepast dient te worden voor de vaststelling van regels die voor alle zeegebieden gelden en van maatregelen die in specifieke verordeningen zijn opgenomen of die waarschijnlijk niet in een nabije toekomst gewijzigd zullen worden;

P.  overwegende dat middels regionalisering moet worden gewaarborgd dat de technische maatregelen worden afgestemd op de specifieke kenmerken van elke vorm van visvangst en elk zeegebied, zodat er flexibiliteit ontstaat en er snel op noodsituaties gereageerd kan worden; overwegende dat regionalisering technische maatregelen eenvoudiger en gemakkelijker te begrijpen, uit te voeren en te handhaven moet maken; dat voor de vaststelling van technische maatregelen op regionale basis het model moet worden gevolgd dat is overeengekomen door de medewetgevers in het kader van het hervormde GVB;

Q.  overwegende dat regionalisering kan bijdragen aan het eenvoudiger en begrijpelijker maken van de regels, die daardoor beter ontvangen zouden worden door de visserijsector en andere belanghebbenden, met name als deze ook betrokken worden bij het proces voor de vaststelling van deze regels;

R.  overwegende dat regionalisering niet mag leiden tot een hernieuwde nationalisering, aangezien dit niet in overeenstemming is met het GVB, dat gemeenschappelijk beleid is waarvoor de EU exclusief bevoegd is vanwege het feit dat het om gedeelde bestanden gaat;

S.  overwegende dat de vaststelling van technische maatregelen op regionale basis moet plaatsvinden volgens het model dat de medewetgevers in het kader van het nieuwe GVB zijn overeengekomen, te weten de vaststelling door de Commissie van gedelegeerde handelingen op basis van gezamenlijke aanbevelingen van de betrokken lidstaten, die voldoen aan de normen en doelstellingen waartoe de medewetgevers hebben besloten of, indien de betrokken lidstaten binnen de vastgestelde termijn geen gezamenlijke aanbeveling indienen, op initiatief van de Commissie; dat het Parlement evenwel krachtens het Verdrag van Lissabon het recht behoudt om bezwaar te maken tegen gedelegeerde handelingen;

T.  overwegende dat de herziening van het kader van technische maatregelen een gelegenheid moet zijn om te blijven nadenken over de regionalisering en om alternatieven voor gedelegeerde handelingen te overwegen;

U.  overwegende dat bepaalde voorstellen voor gerichte verordeningen die technische maatregelen bevatten (ten aanzien van drijfnetten, incidentele vangsten van walvisachtigen, diepzeevisserij) controversieel zijn gebleken; dat sommige voorstellen, zoals die met betrekking tot de visserij op diepzeebestanden in het noordoosten van de Atlantische Oceaan, al meer dan drie jaar geblokkeerd zijn; dat ook de beraadslagingen over de visserij met drijfnetten in een impasse verkeren; dat een aantal gerichte verordeningen inzake technische maatregelen door de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB) zijn verworpen;

V.  overwegende dat de technische maatregelen rekening moeten houden met het verschijnsel van illegale visserij, dat vaak gepaard gaat met illegaal gebruik van vistuig, en een effectieve oplossing moeten aanreiken voor het probleem van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij);

W.  overwegende dat de technische maatregelen die van toepassing zijn in elk visserijgebied in de EU niet altijd zijn aangepast aan de noodzaak van vernieuwing en de behoeften van de verschillende lokale visserijactiviteiten; dat vissers daarom een reeks technische maatregelen nodig hebben die gebaseerd zijn op een regionale aanpak en die aansluit op de uiteenlopende omstandigheden in elk zeegebied; overwegende dat duurzaam beheer van de visbestanden van cruciaal belang is en dat daarom vereenvoudiging en aanpasbaarheid van de wetgeving aan de situatie ter plaatse belangrijk zijn; dat ook terdege rekening moet worden gehouden met het feit dat visgronden gedeeld worden met derde landen die heel andere instandhoudingsregels kennen dan Europa;

X.  overwegende dat het van essentieel belang is dat de lidstaten de nodige maatregelen treffen en samenwerken, opdat personen die IOO-visserij bedrijven worden opgespoord en erop wordt toegezien dat de toepasselijke sancties worden opgelegd en de controles aan boord en aan de wal worden aangescherpt;

Y.  overwegende dat de meerjarenplannen die tussen 2002 en 2009 zijn vastgesteld niet allemaal even doeltreffend zijn geweest; dat er nieuwe meerjarenplannen zullen worden vastgesteld uit hoofde van de nieuwe GVB-regels;

Z.  overwegende dat onderhandelingen met derde landen deel moeten uitmaken van het streven naar duurzaamheid;

AA.  overwegende dat de GVB-hervorming aanlandingsverplichtingen heeft ingevoerd en flexibiliteit, uitzonderingen en financiële ondersteuning heeft geboden in het kader van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV);

AB.  overwegende dat er moeilijkheden zijn te verwachten bij de uitvoering van het teruggooiverbod in de gemengde visserij met betrekking tot "knelsoorten" (choke species);

AC.  overwegende dat het Parlement volgens het Verdrag van Lissabon medewetgever is op het gebied van visserij, behalve met betrekking tot de totaal toegestane vangsten (TAC's) en de quota;

AD.  overwegende dat het sinds 2009 geen enkel meerjarenplan heeft kunnen goedkeuren omdat de voorstellen in de Raad werden tegengehouden;

AE.  overwegende dat de medewetgevers in het kader van de interinstitutionele taskforce meerjarenplannen erkend hebben dat het van belang is samen te werken aan die meerjarenplannen om praktische oplossingen te vinden, ondanks de verschillende standpunten over de interpretatie van het juridische kader;

AF.  overwegende dat de meerjarenplannen een solide en duurzaam kader moeten bieden voor het visserijbeheer en gestoeld moeten zijn op de beste en meest recente wetenschappelijke en sociaaleconomische inzichten, en dat zij flexibel genoeg moeten zijn om te kunnen worden aangepast aan de ontwikkeling van de bestanden en aan de jaarlijkse besluiten over toewijzing van vangstmogelijkheden;

AG.  overwegende dat een grens voor de maximale duurzame opbrengst en een tijdschema om die grens te bereiken, een voorzorgsreferentiepunt, een minimale streefwaarde voor de biomassa, een mechanisme voor aanpassing aan onvoorziene veranderingen op het gebied van het beste beschikbare wetenschappelijk advies en een herzieningsclausule zijn aangemerkt als elementen die deel moeten uitmaken van alle toekomstige meerjarenplannen;

AH.  overwegende dat de meerjarenplannen een algemeen doel moeten vaststellen dat bestuurlijk en wetenschappelijk haalbaar is; dat langdurig stabiele opbrengsten in overeenstemming met het beste beschikbare wetenschappelijke advies deel moeten uitmaken van deze plannen, hetgeen weerspiegeld moet worden in de jaarlijkse besluiten van de Raad inzake de vangstmogelijkheden; dat deze jaarlijkse besluiten strikt beperkt moeten zijn tot de toewijzing van vangstmogelijkheden;

AI.  overwegende dat het arrest van het Hof van Justitie van 26 november 2014 in de zaken C-103/12 (Europees Parlement / Raad) en C-165/12 (Commissie / Raad) betreffende de toekenning van vangstmogelijkheden in wateren van de EU aan vissersvaartuigen die de vlag van de Bolivariaanse Republiek Venezuela voeren in de exclusieve economische zone voor de kust van Frans-Guyana, een precedent vormt, aangezien het de inhoud en de beperkingen van de twee verschillende rechtsgronden in artikel 43 VWEU verduidelijkt; dat artikel 43, lid 3, uitsluitend mag worden gebruikt als rechtsgrondslag voor de toekenning van vangstmogelijkheden krachtens de TAC- en de quotaregelingen;

AJ.  overwegende dat het Hof van Justitie op 1 december 2015 uitspraak heeft gedaan in de gevoegde zaken C-124/13 en C-125/13, Parlement en Commissie / Raad, betreffende Verordening (EU) nr. 1243/2012 van de Raad tot wijziging van het langetermijnplan voor kabeljauwbestanden; dat het Hof in deze zaak bevestigt wat het Parlement heeft betoogd, namelijk dat de verordening gezien de doelstelling en de inhoud ervan had moeten worden vastgesteld op grond van artikel 43, lid 2, VWEU, volgens de gewone wetgevingsprocedure met het Parlement als medewetgever, aangezien de verordening politieke keuzes inhoudt die gevolgen hebben voor het meerjarenplan en die derhalve noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het GVB;

AK.  overwegende dat, zolang er nog geen meerjarenplannen zijn, de minimuminstandhoudingsreferentiegrootten kunnen worden gewijzigd krachtens teruggooiplannen die middels gedelegeerde handelingen door de Commissie zijn vastgesteld op basis van aanbevelingen van de betrokken lidstaten of, indien de betrokken lidstaten binnen de vastgestelde termijn geen gezamenlijke aanbeveling hebben ingediend, op haar eigen initiatief; dat het van belang is dat bij de besluiten inzake de minimuminstandhoudingsreferentiegrootten rekening wordt gehouden met de bescherming van jonge exemplaren en met wetenschappelijke adviezen;

AL.  overwegende dat teruggooiplannen een cruciale rol zullen spelen in de veranderingen op het gebied van vistechnieken en dus voor de vissterfte en afzonderlijke paaibiomassa, twee kwantificeerbare doelen van de meerjarenplannen die mogelijk verwezenlijkt kunnen worden door de minimuminstandhoudingsreferentiegrootten te wijzigen; dat aanpassing van de minimummaten door middel van gedelegeerde handelingen zou betekenen dat de belangrijkste parameters van de meerjarenplannen van buitenaf gewijzigd worden;

AM.  overwegende dat het de bedoeling van de medewetgevers was dat deze gedelegeerde handelingen een tijdelijk karakter zouden hebben en in geen enkel geval langer dan drie jaar mochten worden toegepast;

AN.  overwegende dat minimuminstandhoudingsreferentiegrootten voor eenzelfde soort per gebied kunnen verschillen, teneinde rekening te houden met de specifieke kenmerken van soorten en visserijtakken; dat het, indien mogelijk, wenselijk is om horizontale besluiten voor alle gebieden te nemen teneinde de controletaken te vereenvoudigen;

1.  meent dat het voor de verwezenlijking van de GVB-doelstellingen noodzakelijk is dat de toekomstige technische maatregelen vereenvoudigd worden om alle tegenstrijdigheden en/of overlappingen weg te werken en dat zij worden opgenomen in een duidelijk gestructureerd juridisch kader en gebaseerd zijn op degelijke, intercollegiaal getoetste wetenschappelijke gegevens;

2.  acht het noodzakelijk een volledige lijst van alle momenteel geldende technische maatregelen op te stellen om een beter overzicht te krijgen van alles wat bij toekomstige technische maatregelen kan worden vereenvoudigd en geschrapt;

3.  is van mening dat een herziening van de technische maatregelen noodzakelijk is om de doelstellingen van het GVB ten uitvoer te leggen, de selectiviteit te verbeteren, de teruggooi en de milieu-impact van de visserij zoveel mogelijk te reduceren, de bestaande regels te vereenvoudigen en de wetenschappelijke basis te vergroten;

4.  meent dat de technische maatregelen moeten worden afgestemd op de specifieke kenmerken van elke vorm van visvangst en elk gebied, wat de naleving door de betreffende bedrijfstak zal helpen verbeteren;

5.  is van mening dat de vereenvoudiging en regionalisering van technische maatregelen altijd dient te beantwoorden aan het werkelijke doel van de verordening betreffende technische maatregelen, namelijk het beperken van ongewenste vangsten en effecten op het mariene milieu;

6.  meent dat het, om de implementatie van de GVB-voorschriften te vergemakkelijken en deze aanvaardbaarder te maken voor de visserijsector en andere belanghebbenden, zaak is de vissers meer te betrekken bij de besluitvorming, in het bijzonder binnen de Adviesraden, en hen te stimuleren met bijvoorbeeld subsidies uit het EFMZV en andere instrumenten voor innovatie, opleiding, uitrusting en het gebruik van selectiever vistuig;

7.  is van mening dat het nieuwe rechtskader een toegenomen gebruik van innovatief vistuig zal bevorderen waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat het selectiever en milieuvriendelijker is;

8.  is van mening dat innovatie en onderzoek moeten worden bevorderd om ervoor te zorgen dat het GVB naar behoren ten uitvoer wordt gelegd, in het bijzonder wat het aanlanden van bijvangsten betreft, teneinde de visserij selectiever te maken en de vis- en de controletechnieken te moderniseren;

9.  is van mening dat het duurzaam gebruik van innovatief vistuig waarvan onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat het selectiever is, zonder restricties en zonder onnodige kwantitatieve beperkingen toegestaan, wettelijk geregeld en - wat verder onderzoek betreft - financieel gesteund moet worden;

10.  acht het noodzakelijk de gewone wetgevingsprocedure gehandhaafd wordt voor het vaststellen van regels die voor alle zeeën gelden, met inbegrip van de normen en doelstellingen voor technische maatregelen, ook als deze laatste in specifieke verordeningen zijn ondergebracht, of voor technische maatregelen die waarschijnlijk niet binnen afzienbare tijd gewijzigd zullen worden, en is van mening dat de gewone wetgevingsprocedure niet altijd noodzakelijk is voor maatregelen die op het regionale niveau worden genomen of mogelijkerwijs vaak gewijzigd worden; is van mening dat die maatregelen regelmatig geëvalueerd moet worden om te garanderen dat zij nog steeds relevant zijn; is van mening dat een verstandig gebruik van gedelegeerde handelingen kan voorzien in deze behoefte aan flexibiliteit en aanpasbaarheid; herinnert er niettemin aan dat het Parlement krachtens het Verdrag van Lissabon het recht behoudt om bezwaar te maken tegen gedelegeerde handelingen;

11.  beveelt aan om een duidelijk algemeen Europees kader voor technische maatregelen op te stellen waarin een beperkt aantal essentiële horizontale beginselen wordt opgenomen; is van mening dat alle regels die niet van toepassing zijn op het overgrote deel van de Europese wateren niet in dit algemene kader moeten worden opgenomen, maar onder de regionalisering dienen te vallen;

12.  is van mening dat maatregelen die op het regionale niveau worden aangenomen, dienen te stroken met de kaderverordening betreffende technische maatregelen en met de doelstellingen van het GVB en de kaderrichtlijn mariene strategie (Richtlijn 2008/56/EG);

13.  meent dat de regelgeving ten aanzien van de technische maatregelen moet worden vastgesteld met passende gebruikmaking van het regionaliseringsproces en op basis van gemeenschappelijke gecentraliseerde beginselen en definities, waaronder gemeenschappelijke doelstellingen en normen die in de hele EU moeten worden toegepast, met inbegrip van een lijst van verboden soorten en vistuig, een reeks specifieke regels voor de grotere zeegebieden en een aantal specifieke technische regelingen; is van mening dat al deze maatregelen via de gewone wetgevingsprocedure moeten worden vastgesteld; wijst erop dat de regionalisering zou worden toegepast voor regels die op regionaal niveau gelden of vaak veranderen, en regelmatig opnieuw moet worden geëvalueerd;

14.  wijst erop dat het nieuwe kader voor technische maatregelen duidelijk geformuleerd moet zijn en dat er dus aanzienlijke inspanningen moeten worden geleverd om het te verduidelijken; verzoekt daarom om de bestaande verordeningen betreffende technische maatregelen, met name Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad, eerst in te trekken om een einde te maken aan wildgroei aan verordeningen;

15.  herinnert eraan dat wat gedelegeerde handelingen betreft, de lidstaten krachtens artikel 18 van de basisverordening binnen een in de verordening betreffende technische maatregelen vast te stellen termijn aanbevelingen kunnen doen aan de Commissie en dat deze laatste geen handelingen mag vaststellen voordat die termijn is verstreken;

16.  acht het noodzakelijk om de geschiktheid, de doelmatigheid en de sociaaleconomische gevolgen voor de Europese vloten en voor de plaatselijke gemeenschappen van de op technische maatregelen gebaseerde gerichte verordeningen te beoordelen, met inachtneming van de doelstellingen van het GVB en de kaderrichtlijn mariene strategie;

17.  meent dat de technische maatregelen specifieke bepalingen moeten bevatten over het gebruik van bepaald vistuig, teneinde kwetsbare mariene habitats en mariene soorten te beschermen;

18.  meent dat de technische maatregelen ervoor moeten zorgen dat er geen gebruik wordt gemaakt van destructief en weinig selectief vistuig en dat er een algemeen verbod geldt op het gebruik van explosieven en giftige stoffen;

19.  is van mening dat het dringend noodzakelijk is een samenhangend geheel van technische maatregelen vast te stellen die voor alle zeegebieden gelden, rekening houdend met de specifieke aard van elk gebied, aangezien EU-besluiten op dit gebied belangrijke gevolgen kunnen hebben voor het herstel van de visbestanden en de bescherming van ecosystemen en voor het duurzame beheer van gedeelde visbestanden;

20.  stelt dat de bepalingen inzake technische maatregelen, niettegenstaande de aanlandingsverplichting die sinds 1 januari 2015 van kracht is en die tussen nu en 2019 geleidelijk moet worden uitgebreid tot de vissoorten, flexibel genoeg moeten zijn om direct aangepast te kunnen worden aan de ontwikkelingen in de visserij en om de visserijsector meer gelegenheid te bieden om innovaties op het gebied van selectieve vismethoden in de praktijk te brengen;

21.  is van mening dat de aanlandingsverplichting een ingrijpende verandering met zich meebrengt voor de visserijsector en dat de technische maatregelen bijgevolg zullen moeten worden aangepast om de tenuitvoerlegging daarvan te vergemakkelijken en selectievere visserij te bevorderen; beveelt daarom de volgende drie maatregelen aan:

   een inhoudelijke aanpassing of zelfs intrekking van de voorschriften inzake de samenstelling van de vangsten;
   meer flexibiliteit ten aanzien van de maaswijdten;
   de mogelijkheid om meerdere soorten vistuig aan boord te hebben;

22.  neemt nota van de moeilijkheden die het gevolg zijn van het naast elkaar bestaan van de in Verordening (EG) nr. 2406/96 van de Raad vastgestelde maten voor het in de handel brengen en de op instandhouding gerichte minimummaten; verzoekt om harmonisering hiervan in het nieuwe kader voor technische maatregelen;

23.  meent dat bij de herziening van de technische maatregelen rekening moet worden gehouden met de gevolgen ervan voor het behoud van de biologische rijkdommen, het mariene milieu en de exploitatiekosten en rendabiliteit van de visserijactiviteiten op sociaal en werkgelegenheidsgebied;

24.  is van mening dat de instandhoudingsdoelstelling die met het kader van technische maatregelen wordt nagestreefd, doeltreffender verwezenlijkt zou kunnen worden met maatregelen die gericht zijn op verbetering van het beheer van vraag en aanbod, met medewerking van producentenverenigingen;

25.  is van mening dat de incidentele visserij in de binnenwateren van de lidstaten en de regio's buiten de TAC's moet blijven;

26.  meent dat de meerjarenplannen een fundamentele rol spelen bij de instandhouding van de visbestanden in het kader van het GVB, omdat zij het meest geschikte middel vormen voor de vaststelling en uitvoering van specifieke technische maatregelen voor de verschillende visserijtakken;

27.  is van mening dat de medemedewetgevers moeten blijven streven naar overeenstemming over de meerjarenplannen, rekening houdend met de institutionele bevoegdheden uit hoofde van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en op basis van de desbetreffende jurisprudentie;

28.  meent dat de meerjarenplannen een solide en duurzaam kader moeten vormen voor het visserijbeheer en gestoeld moeten zijn op de beste en meest recente intercollegiaal getoetste wetenschappelijke en sociaaleconomische inzichten, en dat zij moeten worden aangepast aan de ontwikkeling van de bestanden en voor flexibiliteit moeten zorgen bij de jaarlijkse besluiten van de Raad over de verdeling van de vangstmogelijkheden; stelt dat deze jaarlijkse besluiten niet verder mogen gaan dan de strikte grenzen van de verdeling van de vangstmogelijkheden en dat daarbij grote schommelingen zo veel mogelijk vermeden moeten worden;

29.  stelt dat de toekomstige meerjarenplannen zo opgesteld moeten worden dat de visbestanden boven een niveau worden gebracht en gehouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren, en dat ze een vastgesteld tijdschema, een instandhoudingsreferentiepunt, een mechanisme voor aanpassing aan veranderde wetenschappelijke inzichten en een herzieningsclausule moeten omvatten;

30.  meent dat de selectiviteit moet worden verbeterd en ongewenste vangsten tot een minimum moeten worden beperkt om problemen als gevolg van de aanlandingsverplichting voor gemengde visserij te voorkomen; meent dat het raadzaam zou zijn te zoeken naar mogelijkheden om flexibiliteitsmaatregelen te nemen en voor de vaststelling van de TAC's gebruik te maken van de wetenschappelijk vastgestelde streefcijfers voor de visserijsterfte;

31.  bevestigt nogmaals dat de belanghebbende partijen via de adviesraden meer betrokken moeten worden bij het opstellen en uitwerken van meerjarenplannen en bij alle besluiten ten aanzien van regionalisering;

32.  meent dat het Parlement bijzonder zorgvuldig moet kijken naar de gedelegeerde handelingen met betrekking tot de teruggooiplannen en zich het recht moet voorbehouden om daartegen bezwaar te maken als het dat nodig acht;

33.  meent dat de tijdelijke geldigheid van gedelegeerde handelingen met betrekking tot de teruggooiplannen, met inbegrip van de aanpassingen van de op instandhouding gerichte minimummaten, in geen geval langer mag duren dan drie jaar en dat ze in voorkomend geval vervangen moeten worden door een meerjarenplan, en dat de meerjarenplannen daartoe zo spoedig mogelijk vastgesteld moeten worden;

34.  is van mening dat in het kader van de regionalisering, de besluiten ten aanzien van de op instandhouding gerichte minimummaten voor elke soort moeten stoelen op wetenschappelijk advies; benadrukt dat onregelmatigheden en fraude bij het in de handel brengen van producten die de werking van de interne markt in het gedrang zouden kunnen brengen, moeten worden vermeden;

35.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Juridische mededeling