Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 16 december 2015 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement
 Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: financiële modelregeling voor publiek-private partnerschapsorganen
 Verlenging van het mandaat van de voorzitter van de Europese Bankautoriteit (EBA)
 Verlenging van het mandaat van de voorzitter van de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA)
 Verlenging van het mandaat van de voorzitter van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA)
 Operationele en strategische samenwerking tussen Bosnië en Herzegovina en Europol *
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag van Ierland - EGF/2015/006 IE/PWA International
 Bezwaar op grond van artikel 106: Lijst van invasieve uitheemse soorten
 Bezwaar op grond van artikel 106: verlening van een vergunning voor de genetisch gemodificeerde mais NK603xT25
 Meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid
 Betrekkingen EU-China
 Voorbereiding van de humanitaire wereldtop: uitdagingen en kansen voor humanitaire hulp
 Ontwikkeling van een duurzame Europese basismetaalindustrie
 De situatie in Hongarije: follow-up van de resolutie van het Europees Parlement van 10 juni 2015

Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement
PDF 248kWORD 63k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 30 oktober 2015 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (C(2015)07555 – (2015/2939(DEA))
P8_TA(2015)0448B8-1336/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2015)07555),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 12 november 2015, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien de brief van de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole van 27 november 2015 aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie(1), en met name artikel 210,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2015/1929 van het Europees Parlement en de Raad van 28 oktober 2015 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(2),

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien er geen bezwaar werd gemaakt binnen de in artikel 105, lid 6, derde en vierde streepjes, van zijn Reglement gestelde termijn, die op 15 december 2015 verstreek,

A.  overwegende dat de Richtlijnen 2014/23/EU(3) en 2014/24/EU(4), die de lidstaten uiterlijk op 18 april 2016 in nationaal recht moeten omzetten, nopen tot wijziging van zowel Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 als Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie houdende uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 voor wat betreft de aanbestedingsprocedures van de EU-instellingen en het plaatsen van opdrachten voor eigen rekening;

B.  overwegende dat Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 op 28 oktober 2015 is gewijzigd bij Verordening (EU, Euratom) nr. 2015/1929, die eerstgenoemde verordening heeft aangepast aan bovenvermelde richtlijnen en op 30 oktober 2015 in werking is getreden;

C.  overwegende dat de Commissie op 30 oktober 2015 de gedelegeerde verordening (C(2015)07555) heeft vastgesteld om te garanderen dat de overeenkomstige actualisering van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 vanaf het begin van het begrotingsjaar kan gelden en zo een duidelijke overgang wordt bewerkstelligd naar de nieuwe regels inzake overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten in de EU;

D.  overwegende dat overeenkomstig artikel 210 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, dat de Commissie de bevoegdheid geeft tot het vaststellen van dergelijke gedelegeerde handelingen, de gedelegeerde verordening (C(2015)07555) in beginsel pas in werking kan treden na afloop van de toetsingsperiode van Parlement en Raad, die twee maanden duurt vanaf de datum van de kennisgeving - d.w.z. tot 30 december 2015 - en met nog eens twee maanden kan worden verlengd;

E.  overwegende dat de Commissie het Parlement evenwel op 12 november 2015 heeft verzocht om, mocht het niet voornemens zijn bezwaar te maken tegen de gedelegeerde handeling, de Commissie hiervan uiterlijk op 21 december 2015 in kennis te stellen, omdat de gedelegeerde handeling uiterlijk op die datum naar het Publicatiebureau dient te worden gezonden om te verzekeren dat zij nog voor 31 december 2015 in het Publicatieblad verschijnt en, zoals beoogd, op 1 januari 2016 van kracht kan worden;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 286 van 30.10.2015, blz. 1.
(3) Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).
(4) Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).


Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: financiële modelregeling voor publiek-private partnerschapsorganen
PDF 251kWORD 64k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 30 oktober 2015 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 110/2014 tot vaststelling van de financiële modelregeling voor publiek-private partnerschapsorganen bedoeld in artikel 209 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (C(2015)07554 – 2015/2940(DEA))
P8_TA(2015)0449B8-1337/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2015)07554),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 12 november 2015, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien de brief van de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole van 27 november 2015 aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1), en met name artikel 210,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 2015/1929 van het Europees Parlement en de Raad van 28 oktober 2015 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(2),

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien er geen bezwaar werd gemaakt binnen de in artikel 105, lid 6, derde en vierde streepjes, van zijn Reglement gestelde termijn, die op 15 december 2015 verstreek,

A.  overwegende dat het Europees Parlement, de Raad en de Commissie in hun gezamenlijke verklaring over de afzonderlijke kwijtingverlening aan gemeenschappelijke ondernemingen uit hoofde van artikel 209 van het Financieel Reglement(3) met name hebben verklaard voornemens te zijn "de noodzakelijke wijzigingen in artikel 209 en artikel 60, lid 7, van het Financieel Reglement voor te stellen in het kader van de toekomstige herziening van het Financieel Reglement";

B.  overwegende dat Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 op 28 oktober 2015 is gewijzigd bij Verordening (EU, Euratom) nr. 2015/1929, waardoor niet alleen eerstgenoemde verordening is aangepast aan de Richtlijnen 2014/23/EU(4) en 2014/24/EU(5) en het systeem voor de bescherming van de EU-begroting is versterkt, maar ook de artikelen 209 en 60 van die verordening zodanig zijn gewijzigd dat de regels inzake kwijting, externe controle en jaarlijkse rapportage van de organen waarvoor artikel 209 van het Financieel Reglement geldt, parallel lopen met de regels die van toepassing zijn op de organen waarvoor artikel 208 geldt;

C.  overwegende dat de Commissie op 30 oktober 2015 gedelegeerde verordening (C(2015)07554) heeft vastgesteld ter actualisering van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 110/2014 tot vaststelling van de financiële modelregeling voor publiek-private partnerschapsorganen bedoeld in artikel 209 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (waardoor deze wordt aangepast aan de overeenkomstige bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 die gelden voor de organen bedoeld in artikel 208 van het Financieel Reglement), zodat deze vanaf het begin van het begrotingsjaar geldt en er een duidelijke overgang naar de nieuwe regels plaatsvindt;

D.  overwegende dat overeenkomstig artikel 210 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, dat de Commissie de bevoegdheid geeft tot het vaststellen van dergelijke gedelegeerde handelingen, gedelegeerde verordening (C(2015)07554) in beginsel pas in werking kan treden na afloop van de toetsingsperiode van Parlement en Raad, die twee maanden duurt vanaf de datum van de kennisgeving - d.w.z. tot 30 december 2015 - en met nog eens twee maanden kan worden verlengd;

E.  overwegende dat de Commissie het Parlement evenwel op 12 november 2015 heeft verzocht om, mocht het niet voornemens zijn bezwaar te maken tegen de gedelegeerde handeling, de Commissie hiervan uiterlijk op 21 december 2015 in kennis te stellen, omdat de gedelegeerde handeling uiterlijk op die datum naar het Publicatiebureau dient te worden gezonden om te verzekeren dat zij nog voor 31 december 2015 in het Publicatieblad verschijnt en, zoals beoogd, op 1 januari 2016 van kracht kan worden;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 286 van 30.10.2015, blz. 1.
(3) PB L 163 van 29.5.2014, blz. 21.
(4) Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).
(5) Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).


Verlenging van het mandaat van de voorzitter van de Europese Bankautoriteit (EBA)
PDF 239kWORD 62k
Besluit van het Europees Parlement van 16 december 2015 over de verlenging van het mandaat van de voorzitter van de Europese Bankautoriteit (EBA) (C8-0313/2015 – 2015/0903(NLE))
P8_TA(2015)0450A8-0347/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de raad van toezichthouders van de Europese Bankautoriteit (EBA) van 8 september 2015 om het mandaat van de voorzitter van de EBA met een periode van vijf jaar te verlengen (C8-0313/2015),

–  gezien artikel 48, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie(1),

–  gezien zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0347/2015),

A.  overwegende dat de raad van toezichthouders van de EBA in 2011, na een open selectieprocedure, de eerste voorzitter van de EBA voor een ambtstermijn van vijf jaar benoemd heeft, overeenkomstig artikel 48, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1093/2010;

B.  overwegende dat in artikel 48, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 is bepaald dat de raad van toezichthouders van de EBA, rekening houdend met de in die bepaling vermelde beoordeling, het mandaat van de voorzitter van de EBA één keer kan verlengen, na bevestiging door het Europees Parlement;

C.  overwegende dat op 8 september 2015 de raad van toezichthouders van de EBA voorgesteld heeft het mandaat van Andrea Enria, de huidige voorzitter van de EBA, met nog een periode van vijf jaar te verlengen, en het Europees Parlement daarvan dienovereenkomstig op de hoogte heeft gesteld;

D.  overwegende dat de Commissie economische en monetaire zaken op 17 november 2015 een hoorzitting heeft gehouden met Andrea Enria, de huidige voorzitter van de EBA, waarbij hij een openingsverklaring heeft afgelegd en vervolgens vragen van de commissieleden heeft beantwoord;

1.  hecht zijn goedkeuring aan het voorstel voor verlenging van het mandaat van Andrea Enria als voorzitter van de EBA met nog een periode van vijf jaar;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de EBA en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12.


Verlenging van het mandaat van de voorzitter van de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA)
PDF 244kWORD 61k
Besluit van het Europees Parlement van 16 december 2015 van over de verlenging van het mandaat van de voorzitter van de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA) (C8-0314/2015 – 2015/0904(NLE))
P8_TA(2015)0451A8-0348/2015

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de raad van toezichthouders van de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA) van 30 september 2015 om het mandaat van de voorzitter van de EIOPA met een periode van vijf jaar te verlengen (C8-0314/2015),

–  gezien artikel 48, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie(1),

–  gezien zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0348/2015),

A.  overwegende dat de raad van toezichthouders van de EIOPA in 2011, na een open selectieprocedure, de eerste voorzitter van de EIOPA voor een ambtstermijn van vijf jaar benoemd heeft, overeenkomstig artikel 48, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1094/2010;

B.  overwegende dat in artikel 48, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1094/2010 is bepaald dat de raad van toezichthouders van de EIOPA, rekening houdend met de in die bepaling bedoelde beoordeling, het mandaat van de voorzitter van de EIOPA één keer kan verlengen, na bevestiging door het Europees Parlement;

C.  overwegende dat op 30 september 2015 de raad van toezichthouders van de EIOPA voorgesteld heeft het mandaat van Gabriel Bernardino, de huidige voorzitter van de EIOPA, met nog een periode van vijf jaar te verlengen, en het Europees Parlement daarvan dienovereenkomstig op de hoogte heeft gesteld;

D.  overwegende dat de Commissie economische en monetaire zaken op 17 november 2015 een hoorzitting heeft gehouden met Gabriel Bernardino, de huidige voorzitter van de EIOPA, waarbij hij een openingsverklaring heeft afgelegd en vervolgens vragen van de commissieleden heeft beantwoord;

1.  hecht zijn goedkeuring aan het voorstel voor verlenging van het mandaat van Gabriel Bernardino als voorzitter van de EIOPA met nog een periode van vijf jaar;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de EIOPA en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48.


Verlenging van het mandaat van de voorzitter van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA)
PDF 244kWORD 61k
Besluit van het Europees Parlement van 16 december 2015 over de verlenging van de ambtstermijn van de voorzitter van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) (C8-0315/2015 – 2015/0905(NLE))
P8_TA(2015)0452A8-0346/2015

(Goedkeuring)

Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de raad van toezichthouders van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) van 24 september 2015 om het mandaat van de voorzitter van de ESMA met nog een periode van vijf jaar te verlengen (C8-0315/2015),

–  gezien artikel 48, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG(1) van de Commissie,

–  gezien zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8–0346/2015),

A.  overwegende dat de raad van toezichthouders van de ESMA in 2011, na een open selectieprocedure, de eerste voorzitter van de ESMA voor een ambtstermijn van vijf jaar benoemd heeft, overeenkomstig artikel 48, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1095/2010;

B.  overwegende dat in artikel 48, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1095/2010 is bepaald dat de raad van toezichthouders van de ESMA, rekening houdend met de in die bepaling bedoelde beoordeling, het mandaat van de voorzitter van de ESMA één keer kan verlengen, na bevestiging door het Europees Parlement;

C.  overwegende dat de raad van toezichthouders van de ESMA op 24 september 2015 voorgesteld heeft het mandaat van Steven Maijoor, de huidige voorzitter van de ESMA, met nog een periode van vijf jaar te verlengen, en het Europees Parlement daarvan dienovereenkomstig op de hoogte heeft gesteld;

D.  overwegende dat de Commissie economische en monetaire zaken op 17 november 2015 een hoorzitting heeft gehouden met Steven Maijoor, de huidige voorzitter van de ESMA, waarbij hij een openingsverklaring heeft afgelegd en vervolgens vragen van de commissieleden heeft beantwoord;

1.  Hecht zijn goedkeuring aan het voorstel voor verlenging van het mandaat van Steven Maijoor als voorzitter van de ESMA met nog een periode van vijf jaar;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de ESMA en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84.


Operationele en strategische samenwerking tussen Bosnië en Herzegovina en Europol *
PDF 243kWORD 60k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 december 2015 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad houdende goedkeuring van de sluiting door de Europese Politiedienst (Europol) van de Overeenkomst voor operationele en strategische samenwerking tussen Bosnië en Herzegovina en Europol (10509/2015 – C8-0276/2015 – 2015/0808(CNS))
P8_TA(2015)0453A8-0352/2015

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (10509/2015),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0276/2015),

–  gezien Besluit 2009/371/JBZ van de Raad van 6 april 2009 tot oprichting van de Europese politiedienst (Europol)(1), en met name artikel 23, lid 2,

–  gezien Besluit 2009/934/JBZ van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van de uitvoeringsregels voor de betrekkingen van Europol met partners, inclusief de uitwisseling van persoonsgegevens en gerubriceerde informatie(2), en met name de artikelen 5 en 6,

–  gezien Besluit 2009/935/JBZ van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van de lijst van derde staten en organisaties waarmee Europol overeenkomsten moet sluiten(3),

–  gezien artikel 59 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0352/2015),

1.  verwerpt het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt de Commissie om na de inwerkingtreding van de nieuwe Europolverordening (2013/0091(COD)) de in de samenwerkingsovereenkomst vervatte bepalingen te beoordelen, in het bijzonder betreffende gegevensbescherming; verzoekt de Commissie het Parlement en de Raad in kennis te stellen van het resultaat van deze beoordeling en in voorkomend geval een aanbeveling te doen tot machtiging om opnieuw op internationaal niveau te onderhandelen over de overeenkomst;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en Europol.

(1) PB L 121 van 15.5.2009, blz. 37.
(2) PB L 325 van 11.12.2009, blz. 6.
(3) PB L 325 van 11.12.2009, blz. 12.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag van Ierland - EGF/2015/006 IE/PWA International
PDF 267kWORD 74k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 16 december 2015 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, overeenkomstig punt 13 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (aanvraag van Ierland – EGF/2015/006 IE/PWA International) (COM(2015)0555 – C8-0329/2015 – 2015/2295(BUD))
P8_TA(2015)0454A8-0363/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0555 – C8-0329/2015),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0363/2015),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd op het overleg van 17 juli 2008, en met eerbiediging van het IIA van 2 december 2013 wat betreft het nemen van besluiten om middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) beschikbaar te maken;

C.  overwegende dat de vaststelling van de nieuwe EFG-verordening vorm geeft aan de overeenkomst tussen het Parlement en de Raad om het criterium "crisisafwijking" opnieuw in te voeren, de financiële bijdrage van de Unie te verhogen tot 60 % van de totale geraamde kosten van de voorgestelde maatregelen, de efficiëntie voor de behandeling van EFG-aanvragen in de Commissie en door het Parlement en de Raad te verhogen door de termijn voor beoordeling en goedkeuring te verkorten, de subsidiabele maatregelen en begunstigden uit te breiden door zelfstandigen en jongeren toe te voegen en stimuleringsmaatregelen voor de oprichting van een eigen bedrijf te financieren;

D.  overwegende dat Ierland aanvraag EGF/2015/006 IE/PWA International heeft ingediend voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van 108 ontslagen bij PWA International Ltd (PWAI) in NACE Rev. 2 - afdeling 33 (Reparatie en installatie van machines en apparaten)(4) in de regio van NUTS niveau 2 Southern and Eastern Ireland, en overwegende dat naar verwachting alle ontslagen werknemers aan de maatregelen zullen deelnemen;

E.  overwegende dat de aanvraag niet voldoet aan de traditionele criteria voor subsidiabiliteit van de EFG-verordening wat betreft het aantal ontslagen en wordt ingediend op grond van de criteria voor steunverlening van artikel 4, lid 2, van die verordening, die een afwijking onder uitzonderlijke omstandigheden toelaten;

1.  is het met de Commissie eens dat de argumenten die Ierland naar voren brengt de kwalificatie "uitzonderlijke omstandigheden" rechtvaardigen en dat Ierland bijgevolg recht heeft op een financiële bijdrage ter hoogte van 442 293 EUR op grond van die verordening;

2.  merkt op dat de Ierse autoriteiten de aanvraag voor een financiële bijdrage van het EFG op 19 juni 2015 indienden en dat de Commissie op 6 november 2015 haar beoordeling heeft afgerond; is verheugd dat de evaluatie binnen vijf maanden is afgerond;

3.  wijst erop dat PWAI in 1989 in Rathcoole, Co Dublin is opgericht als een joint venture tussen United Technologies Corporation en Lufthansa Technik Airmotive Ireland;

4.  wijst erop dat Ierland zich in de jaren '90 is gaan specialiseren in de sector reparatie, onderhoud en revisie (ROR), met goede resultaten, maar daardoor kwetsbaar werd voor de recente ontwikkeling om ROR-activiteiten dichtbij wereldwijde centra van luchtvaartexpansie te vestigen, d.w.z. in Azië, alsook voor de negatieve gevolgen van wereldwijde handelsovereenkomsten; wijst op de twee andere EFG-aanvragen van Ierland voor de sector reparatie en installatie van machines en apparaten(5) als bewijs van deze kwetsbaarheid; wijst er ook op dat de ROR-activiteiten in Europa, en met name in Ierland, zwaar te lijden hadden onder de sluiting in 2009 van SR Technics en de sluiting in 2014 van Lufthansa Technik Airmotive Ireland, waardoor ongeveer 1520 arbeidsplaatsen verloren gingen;

5.  wijst erop dat hoewel de werkloosheid in Zuid-Dublin slechts iets hoger (11,61 %) ligt dan het nationale gemiddelde (10,83 %), dit niet wegneemt dat er lokaal soms sprake is van aanzienlijke achterstand en dat de sluiting van PWAI ernstige gevolgen heeft gehad voor de werkgelegenheid en de plaatselijke, regionale of nationale economie op basis van de reeds moeilijke situatie in de regio, samen met het cumulatieve effect van drie grote sluitingen in de ROR-sector in korte tijd;

6.  is het ermee eens dat de reeds moeilijke situatie in de regio, samen met het cumulatieve effect van drie grote sluitingen in de ROR-sector in korte tijd, en het feit dat er in deze sector in heel Ierland geen werkgevers meer overblijven, een afwijking van de drempel van 500 ontslagen als vastgelegd in artikel 4, lid 1, van de EFG-verordening rechtvaardigen; herhaalt in dit verband zijn aanbeveling aan de Commissie om ofwel de criteria voor afwijking van artikel 4, lid 1, van de EFG-verordening te verduidelijken, ofwel de drempel van 500 ontslagen werknemers te verlagen;

7.  is verheugd dat de Ierse autoriteiten op 22 mei 2015 hebben besloten met de uitvoering van de individuele diensten voor de getroffen werknemers te beginnen teneinde de werknemers snel bijstand te verlenen, ruimschoots vooruitlopend op het besluit over de toekenning van EFG-steun voor het voorgestelde gecoördineerde pakket;

8.  verwelkomt daarnaast het feit dat 108 jongeren die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen (NEET's) en die op de datum van de indiening van de aanvraag jonger waren dan 25 jaar, toegang hebben tot de door het EFG medegefinancierde individuele dienstverlening;

9.  wijst erop dat Ierland vijf soorten maatregelen plant voor ontslagen werknemers voor wie in deze aanvraag steun wordt aangevraagd: (i) loopbaanbegeleiding en beroepsoriëntatie; (ii) opleidingsbeurzen van het EFG, (iii) programma's voor opleiding en aanvullend onderwijs, (iv) programma's voor hoger onderwijs en (v) tijdelijke vergoedingen; beveelt aan dat dit EFG-programma een vergelijkbare opzet heeft met het EFG-programma voor SR Technics, dat positieve resultaten heeft opgeleverd, aangezien in september 2012, minder dan twaalf maanden na de afloop van het programma, 53,45 % van de begunstigden een nieuwe baan had gevonden; merkt op dat de uitgaven voor deze acties van 22 mei 2014 tot en met 19 juni 2017 voor een financiële bijdrage uit het EFG in aanmerking zullen komen;

10.  is ingenomen met de verscheidenheid van de opleidingsactiviteiten voor de begunstigden; merkt op dat de steunmaatregelen voor ondernemingen en zelfstandigen slechts voor een beperkt aantal begunstigden beschikbaar zullen zijn;

11.  merkt op dat volgens de raming van de autoriteiten slechts 24,81 % van de kosten bestemd is voor in de tijd beperkte toelagen, wat ver onder het maximaal toegestane niveau van 35 % van alle kosten ligt;

12.  wijst erop dat het gecoördineerde pakket van individuele diensten werd opgesteld in overleg met de sociale partners;

13.  herinnert eraan dat in artikel 7 van de EFG-verordening is bepaald dat bij het samenstellen van het door het EFG gesteunde gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening rekening moet worden gehouden met toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden, en dat het gecoördineerde pakket gericht moet zijn op de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie;

14.  herinnert eraan dat de inzetbaarheid van alle werknemers verbeterd moet worden door middel van aangepaste opleidingen en de erkenning van de in de loop van het beroepsleven opgedane vaardigheden en bekwaamheden; verwacht dat de opleiding die in het gecoördineerde pakket wordt aangeboden, niet alleen is afgestemd op de behoeften van de ontslagen werknemers, maar ook op het huidige ondernemingsklimaat;

15.  wijst erop dat de Ierse autoriteiten bevestigen dat voor de subsidiabele maatregelen geen steun uit andere financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om in haar jaarverslagen een vergelijkende evaluatie van deze gegevens op te nemen zodat bestaande verordeningen volledig in acht worden genomen en te voorkomen dat door de Unie gefinancierde diensten dubbel worden aangeboden;

16.  waardeert de verbeterde procedure die de Commissie op verzoek van het Parlement in het leven heeft geroepen om de toekenning van subsidies te versnellen; neemt nota van de tijdsdruk die het nieuwe tijdschema met zich brengt, en van de mogelijke gevolgen voor de doeltreffendheid van de afhandeling van het dossier;

17.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat beslissingen inzake het handelsbeleid worden onderzocht vanuit het perspectief van de mogelijke gevolgen ervan voor de arbeidsmarkt in de Unie;

18.  betreurt dat wordt voorgesteld middelen uit het EFG beschikbaar te stellen voor slechts 108 ontslagen werknemers die van het instrument gebruik kunnen maken, en wijst erop dat een ruimere interpretatie van artikel 4, lid 1, van de EFG-verordening wellicht niet passend is;

19.  merkt op dat dit voorstel middelen uit het EFG beschikbaar wil stellen voor daadwerkelijk het kleinste aantal ontslagen werknemers dat tot dusver is voorgesteld;

20.  wijst erop dat bijna 80 % van de ontslagen werknemers tussen 30 en 54 jaar is en dus op de arbeidsmarkt een zeer inzetbare groep vormt met een lager risico voor langdurige werkloosheid;

21.  wijst erop dat alle 108 ontslagen gevallen zijn in de economische sector die is ingedeeld als "reparatie en installatie van machines en apparaten", en meer bepaald vliegtuigstraalmotoren, wat betekent dat de werknemers over vaardigheden en aanpassingsvermogen voor de arbeidsmarkt beschikken;

22.  benadrukt dat de gedwongen ontslagen plaatsvonden in Rathcoole, dat gelegen is in de buurt van Dublin, een economisch en industrieel centrum waar sprake is van dalende werkloosheid, meer bedrijfsactiviteit en algemene economische groei;

23.  vestigt de aandacht op het feit dat elke verwijzing naar aanvraag EGF/2009/021 IE/SR Technics te ver gaat omdat dit dossier reeds dateert van 2009;

24.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

25.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

26.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering

(aanvraag van Ierland – EGF/2015/006 IE/PWA International)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2015/2458.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3037/90 en enkele EG-verordeningen op specifieke statistische gebieden (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1).
(5) EGF/2014/016 IE/Lufthansa Technik (COM(2013)0047) en EGF/2009/021 IE/SR Technics (COM(2010)0489).


Bezwaar op grond van artikel 106: Lijst van invasieve uitheemse soorten
PDF 257kWORD 69k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 december 2015 over het ontwerp van uitvoeringsverordening van de Commissie tot vaststelling van een lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten krachtens Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad (D041932/01 – 2015/3010(RSP))
P8_TA(2015)0455B8-1345/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsverordening van de Commissie tot vaststelling van een lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten krachtens Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad (D041932/01),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten(1), en met name artikel 4, lid 1,

–  gezien artikel 11 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen een lijst vaststelt van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten ("de Unielijst"), op basis van de criteria van artikel 4, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad ("de IAS-verordening"), en overwegende dat die uitvoeringshandelingen moeten worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 27, lid 2, van de IAS-verordening;

B.  overwegende dat die ontwerpuitvoeringshandelingen uiterlijk op 2 januari 2016 moeten worden voorgelegd aan het comité als bedoeld in artikel 27, lid 1, van de IAS-verordening, en in werking treden op de twintigste dag volgende op die van hun bekendmaking in het Publicatieblad;

C.  overwegende dat de Unielijst verbindend in al haar onderdelen zal zijn en rechtstreeks toepasselijk zal zijn in elke lidstaat;

D.  overwegende dat het aantal invasieve uitheemse soorten talrijk is en dat het daarom belangrijk is dat de groep van invasieve uitheemse soorten die als zorgwekkend voor de Unie wordt beschouwd, prioritair wordt aangepakt;

E.  overwegende dat een invasieve uitheemse soort als zorgwekkend voor de Unie moet worden beschouwd wanneer de schade die door de soort wordt veroorzaakt in de getroffen lidstaten zo aanzienlijk is dat specifieke in de gehele Unie toepasselijke maatregelen moeten worden getroffen, dus ook voor de lidstaten die nog niet getroffen zijn of die wellicht niet getroffen zullen worden;

F.  overwegende dat tijdens de informele trialoogonderhandelingen werd erkend dat het van het grootste belang is ervoor te zorgen dat de aanwijzing van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten proportioneel blijft en gericht is op die soorten waarvan het opnemen in de Unielijst daadwerkelijk de nadelige gevolgen van die soorten zal voorkomen, tot een minimum beperken of matigen, en dit op een kosteneffectieve manier;

G.  overwegende dat de criteria voor opname in de Unielijst het belangrijkste toepassingsinstrument van de IAS-verordening vormen;

H.  overwegende dat de criteria voor opname in de Unielijst ervoor moeten zorgen dat de potentiële invasieve uitheemse soorten die de meest aanzienlijke nadelige gevolgen hebben, deel uitmaken van de in de lijst op te nemen soorten, teneinde er ook voor te zorgen dat de middelen doeltreffend worden gebruikt;

I.  overwegende dat overeenkomstig overweging 13 van de IAS-verordening gemeenschappelijke criteria moeten worden ontwikkeld voor de uitvoering van de risicobeoordeling, met het oog op de naleving van de toepasselijke verdragen van de WTO en de coherente toepassing van deze verordening;

J.  overwegende dat in overweging 32 van de IAS-verordening staat dat, teneinde rekening te kunnen houden met de meest recente wetenschappelijke ontwikkelingen op milieugebied, aan de Commissie de bevoegdheid moet worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen voor het vaststellen van de gemeenschappelijke elementen voor de ontwikkeling van risicobeoordelingen;

K.  overwegende dat dat in overweging 32 van de IAS-verordening voorts staat dat het van bijzonder belang is dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat de Commissie bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor moet zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad;

L.  overwegende dat het Parlement niet naar behoren is geïnformeerd over de vaststelling van gemeenschappelijke elementen voor de ontwikkeling van risicobeoordelingen, en overwegende dat de desbetreffende documenten niet gelijktijdig, tijdig en op gepaste wijze aan het Parlement zijn toegezonden;

M.  overwegende dat Commissie bevoegd is om overeenkomstig artikel 29 van de IAS-verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen om nader te bepalen welk type bewijsmateriaal voor de toepassing van artikel 4, lid 3, onder b), van die verordening aanvaardbaar is en om een gedetailleerde beschrijving te geven van de toepassing van artikel 5, lid 1, onder a) tot en met h), van die verordening, en overwegende dat de gedetailleerde beschrijving onder meer de voor de risicobeoordeling toe te passen methodologie moet omvatten, met inachtneming van de toepasselijke nationale en internationale normen en de noodzaak prioriteit te verlenen aan maatregelen tegen invasieve uitheemse soorten die in verband gebracht worden met, of die potentieel de oorzaak zijn van, aanzienlijke nadelige gevolgen voor de biodiversiteit of aanverwante ecosysteemdiensten, alsmede voor de menselijke gezondheid of voor de economie, waarbij dergelijke nadelige gevolgen als een verzwarende omstandigheid worden beschouwd;

N.  overwegende dat de Commissie is afgeweken van de bepalingen van artikel 4, lid 3, van de IAS-verordening, niet nader heeft bepaald welk type bewijsmateriaal voor de toepassing van artikel 4, lid 3, onder b), van de IAS-verordening aanvaardbaar is, en geen gedetailleerde beschrijving heeft gegeven van de toepassing van artikel 5, lid 1, onder a) tot en met h), van die verordening, met onder meer de voor de risicobeoordeling toe te passen methodologie;

O.  overwegende dat de Commissie er niet voor heeft gezorgd dat de voor de risicobeoordeling toe te passen methodologie door alle lidstaten op dezelfde wijze wordt toegepast wanneer zij voorstellen om een soort in de Unielijst op te nemen, en overwegende dat niet kan worden gegarandeerd dat de lidstaten hetzelfde type bewijsmateriaal gebruiken en dezelfde algemene normen toepassen;

P.  overwegende dat de redenen om de soorten in de Unielijst op te nemen, eerder op politieke dan op wetenschappelijke criteria gebaseerd zijn;

Q.  overwegende dat de opname van de soorten in de lijst niet op een gestandaardiseerde risicobeoordeling en methodologie gebaseerd is, maar veeleer op de politieke wil van de lidstaten;

R.  overwegende dat de ontwerp-Unielijst het probleem van invasieve uitheemse soorten niet op alomvattende wijze aanpakt teneinde de inheemse biodiversiteit en ecosysteemdiensten te beschermen en de mogelijke gevolgen van deze soorten voor de menselijke gezondheid en de economie tot een minimum te beperken en te matigen;

S.  overwegende dat de IAS-verordening, als specifiek EU-wetgevingsinstrument, onopgeloste problemen met betrekking tot verlies aan biodiversiteit zou kunnen oplossen, resultaten zou kunnen opleveren en de doelstellingen van de biodiversiteitsstrategie zou kunnen helpen verwezenlijken, maar alleen als zij correct wordt uitgevoerd en door de lokale autoriteiten en het grote publiek wordt gesteund;

T.  overwegende dat de initiële lijst van de Commissie kritiek heeft gekregen van verscheidene bevoegde nationale autoriteiten, belanghebbenden en het grote publiek, in die mate dat zij de toekomstige doeltreffendheid van de IAS-verordening nu ernstig in twijfel trekken, voornamelijk omdat veel van de meest problematische invasieve uitheemse soorten niet in de lijst zijn opgenomen, terwijl een aantal soorten zijn opgenomen die geen aanzienlijke nadelige gevolgen voor de biodiversiteit, de ecosysteemdiensten, de menselijke gezondheid of de economie kunnen hebben of waarvoor de te nemen maatregelen onevenredige kosten met zich zouden brengen;

U.  overwegende dat de initiële lijst voorbijgaat aan soorten die tot de meest schadelijke invasieve uitheemse soorten in Europa behoren; overwegende dat bepaalde terrestrische planten- en zoogdierensoorten aan de criteria voldoen en dat er een degelijk onderbouwde risicobeoordeling beschikbaar is, maar dat zij zijn niet in de lijst zijn opgenomen; overwegende dat zoogdiersoorten die behoren tot de uitheemse soorten die zich de afgelopen jaren het snelst in Europa hebben uitgebreid, niet zijn opgenomen, en overwegende dat wijdverspreide en zich snel uitbreidende plantensoorten met aanzienlijke en goed gedocumenteerde nadelige gevolgen voor de menselijke gezondheid, evenmin zijn opgenomen;

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsverordening van de Commissie de in Verordening (EU) nr. 1143/2014 bedoelde uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;

2.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsverordening in te trekken en een nieuw ontwerp aan het comité voor te leggen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 317 van 4.11.2014, blz. 35.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.


Bezwaar op grond van artikel 106: verlening van een vergunning voor de genetisch gemodificeerde mais NK603xT25
PDF 174kWORD 72k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 december 2015 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 (MON‑ØØ6Ø3‑6 × ACS‑ZMØØ3‑2) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (2015/3006(RSP))
P8_TA(2015)0456B8-1365/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 (MON‑ØØ6Ø3‑6 × ACS‑ZMØØ3‑2) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders(2), en met name artikel 7, lid 3, en artikel 19, lid 3,

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(3),

–  gezien het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid van 15 juli 2015(4),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Monsanto Europe nv op 17 mei 2010 bij de bevoegde instantie van Nederland overeenkomstig de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een aanvraag heeft ingediend voor het in de handel brengen van levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met mais NK603 × T25;

B.  overwegende dat de in de aanvraag beschreven genetisch gemodificeerde mais MON‑ØØ531‑6 × ACS‑ZMØØ3‑2 het CP4 EPSPS-eiwit tot expressie brengt, dat tolerantie geeft voor glyfosaatherbiciden, en het PAT-eiwit tot expressie brengt, dat tolerantie geeft voor glufosinaat-ammoniumherbiciden, en overwegende dat het Internationaal Instituut voor Kankeronderzoek – het gespecialiseerde kankerinstituut van de Wereldgezondheidsorganisatie – glyfosaat op 20 maart 2015 heeft ingedeeld als waarschijnlijk kankerverwekkend voor de mens(5);

C.  overwegende dat de Commissie, ongeacht het feit dat de parlementaire Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid op 1 december 2015 een ontwerpresolutie heeft goedgekeurd waarin zij bezwaar aantekende tegen het ontwerpuitvoeringsbesluit tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 (MON-ØØ6Ø3-6 × ACS-ZMØØ3-2), heeft besloten het beginsel van loyale samenwerking tussen de EU-instellingen te negeren door het uitvoeringsbesluit op 4 december 2015 vast te stellen, d.w.z. tien dagen voor de opening van de eerste plenaire vergadering van het Parlement na de goedkeuring van de ontwerpresolutie in de commissie waarop het Parlement hierover kon stemmen;

D.  overwegende dat de Commissie op 22 april 2015 in de toelichting bij haar wetgevingsvoorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 betreurde dat sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 de vergunningsbesluiten door de Commissie in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving zijn vastgesteld zonder gesteund te worden door het advies van het comité van de lidstaten, en dat terugzending van het dossier aan de Commissie voor een definitieve beslissing, zeer ongebruikelijk voor de procedure in het algemeen, de norm is geworden voor de besluitvorming rond het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders;

E.  overwegende dat de Commissie is aangesteld op basis van een reeks politieke richtsnoeren, die aan het Europees Parlement zijn voorgelegd, en dat die richtsnoeren een verbintenis omvatten om de wetgeving inzake de toelating van genetisch gemodificeerde organismen (ggo's) te herzien;

F.  overwegende dat het wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 28 oktober 2015 door het Parlement is verworpen(6) omdat, hoewel de teelt noodzakelijkerwijs plaatsvindt op het grondgebied van een lidstaat, de handel in ggo's grensoverschrijdend is, wat betekent dat een nationaal verbod op verkoop en gebruik, zoals de Commissie voorstelt, onmogelijk kan worden gehandhaafd zonder opnieuw grenscontroles op import in te voeren;

G.  overwegende dat het huidige goedkeuringssysteem voor genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders niet goed functioneert, aangezien, zoals de Franse krant Le Monde op 14 oktober 2015 aan het licht bracht(7), zes genetisch gemodificeerde maisvariëteiten voor invoer in de EU zijn goedgekeurd terwijl zij genetische modificaties bevatten die niet zijn opgenomen in de beoordeling toen de gewassen zijn goedgekeurd, en terwijl Syngenta de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en de Commissie pas in juli 2015 van de extra genetische modificaties in kennis heeft gesteld, hoewel de variëteiten tussen 2008 en 2011 voor invoer zijn goedgekeurd;

H.  overwegende dat het Parlement het wetgevingsvoorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 weliswaar heeft verworpen, maar de Commissie heeft verzocht haar voorstel in te trekken en een nieuw voorstel in te dienen;

1.  is van mening dat Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie de in Verordening (EC) nr. 1829/2003 bedoelde uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;

2.  is van mening dat het besluit van de Commissie om ondanks de verwerping van haar ontwerp door de bevoegde parlementaire commissie over te gaan tot vaststelling van Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 voordat het Parlement hierover stemt, indruist tegen artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie over de loyale samenwerking tussen de instellingen;

3.  is van oordeel dat alle besluiten tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde organismen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 in zijn huidige, niet-functionerende versie, moeten worden opgeschort totdat er op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een nieuwe verordening is vastgesteld;

4.  is van mening dat het uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, omdat het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003 en Verordening (EG) nr. 396/2005(8), namelijk, overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002(9) zijn vastgesteld, de basis leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt gewaarborgd is;

5.  verzoekt de Commissie haar Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 in te trekken;

6.  verzoekt de Commissie op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een nieuw wetgevingsvoorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 in te dienen, rekening houdend met vaak geuite nationale punten van zorg die niet uitsluitend betrekking hebben op kwesties in verband met de veiligheid van ggo's voor de gezondheid of het milieu;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 322 van 8.12.2015, blz. 58.
(2) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
(3) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(4) EFSA GMO Panel (EFSA Panel on Genetically Modified Organisms), 2015. Scientific Opinion on application (EFSA-GMO-NL-2010-80) for the placing on the market of herbicide tolerant genetically modified maize NK603 x T25 for food and feed uses, import and processing under Regulation (EC) No 1829/2003 from Monsanto. EFSA Journal: 2015; 13(7):4165, 23 pp. doi:10.2903/j.efsa.2015.4165.
(5) IARC Monographs Volume 112: evaluation of five organophosphate insecticides and herbicides 20 March 2015 http://www.iarc.fr/en/media-centre/iarcnews/pdf/MonographVolume112.pdf
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0379.
(7) http://www.lemonde.fr/planete/article/2015/10/14/failles-dans-l-homologation-de-six-mais-ogm-en-europe_4788853_3244.html
(8) Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1).
(9) Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).


Meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid
PDF 317kWORD 156k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 16 december 2015 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid in de Unie (2015/2010(INL))
P8_TA(2015)0457A8-0349/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het ontwerpverslag van de Bijzondere Commissie fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (2015/2066(INI) (de bijzondere commissie TAXE 1),

–  gezien het definitieve verslag van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de G20 inzake grondslaguitholling en winstverschuiving (Base Erosion and Profit Shifting - BEPS) dat op 5 oktober 2015 werd gepubliceerd,

–  gezien de artikelen 46 en 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0349/2015),

Belangrijkste bevindingen van het Luxleaks-schandaal

A.  overwegende dat een consortium van journalisten, het Internationaal Consortium van onderzoeksjournalisten (ICIJ), dat onderzoek heeft gedaan naar fiscale rulings en andere schadelijke praktijken in Luxemburg (Luxleaks), in november 2014 onthulde dat bijna 340 multinationale bedrijven geheime afspraken hadden gemaakt met Luxemburg die veel van die bedrijven in staat stelden hun mondiale belastingafdrachten tot een minimum te beperken in het nadeel van het publiek belang van de Unie, terwijl zij weinig tot geen economische activiteit in Luxemburg creëerden;

B.  overwegende dat uit de onthullingen bleek dat sommige belastingadviseurs multinationals bewust en gericht hebben geholpen om tussen 2002 en 2010 ten minste 548 fiscale rulings tot stand te brengen; overwegende dat deze geheime belastingafspraken ingewikkelde financiële structuren omvatten die zijn ontworpen om aanzienlijke belastingverlagingen te bewerkstelligen;

C.  overwegende dat tal van bedrijven als gevolg van die fiscale rulings over de winsten die zij Luxemburg binnenbrachten een effectief belastingtarief van minder dan 1 % betaalden; overwegende dat sommige multinationals daar waar zij actief zijn wel profiteren van diverse openbare goederen en diensten, maar geen billijke belastingbijdrage betalen; overwegende dat sommige multinationals een daadwerkelijke belasting van bijna nul procent afdragen over de winst die zij genereren, hetgeen de Unie en andere economieën kan schaden;

D.  overwegende dat Luxemburgse dochterondernemingen in veel gevallen honderden miljoenen euro's beheren terwijl zij nauwelijks in Luxemburg aanwezig zijn en er nauwelijks economische activiteiten verrichten, waarbij op sommige adressen meer dan 1 600 bedrijven geregistreerd staan;

E.  overwegende dat de door de bijzondere commissie TAXE 1 verrichte onderzoeken aan het licht hebben gebracht dat de praktijk van fiscale rulings niet uitsluitend in Luxemburg gehanteerd wordt, maar in de hele Unie gemeengoed is; overwegende dat de praktijk van fiscale rulings op legitieme wijze kan worden ingezet om bedrijven de nodige rechtszekerheid te bieden en het financiële risico voor eerlijke bedrijven te beperken, maar niettemin mogelijkheden voor misbruik en belastingontwijking biedt en, door alleen bepaalde actoren rechtszekerheid te bieden, een zekere mate van ongelijkheid kan creëren tussen bedrijven die rulings hebben verkregen en bedrijven die geen gebruik van rulings maken;

F.  overwegende dat in het verslag "Addressing Base Erosion and Profit Shifting" van de OESO van 12 februari 2013 nieuwe internationale normen worden voorgesteld voor de bestrijding van BEPS;

G.  overwegende dat eveneens rekening moet worden gehouden met het communiqué naar aanleiding van de G20-vergadering van de ministers van Financiën en de presidenten van de centrale banken die op 5 oktober 2015 plaatsvond;

H.  overwegende dat de nationale politieke leiders, met een paar lovenswaardige uitzonderingen, onvoldoende behulpzaam zijn geweest bij het aanpakken van het probleem van ontwijking van de vennootschapsbelasting;

I.  overwegende dat de Europese Unie grote stappen in de richting van economische integratie heeft gezet, zoals de economische en monetaire unie en de bankenunie, en dat coördinatie op Unieniveau van het belastingbeleid, binnen de grenzen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, een onontbeerlijk onderdeel van het Europese integratieproces vormt;

Vennootschapsbelasting en agressieve fiscale planning

J.  overwegende dat de inkomsten uit vennootschapsbelasting in de 28 lidstaten van de Unie in 2012 gemiddeld 2,6 % van het bbp bedroegen(1);

K.  overwegende dat het in een context waarin het aan investeringen en groei ontbreekt, belangrijk is om bedrijven in de Unie te houden of aan te trekken, en dat het daarom essentieel is dat de Unie zijn aantrekkelijkheid voor lokale en buitenlandse investeerders bevordert;

L.  overwegende dat alle fiscale planning moet plaatsvinden binnen de grenzen van de wet en de toepasselijke verdragen;

M.  overwegende dat agressieve fiscale planning inhoudt dat wordt geprofiteerd van de technische details van een belastingsysteem, van incongruenties tussen twee of meer belastingstelsels of van mazen in de wetgeving, met als doel de verschuldigde belastingen te verminderen;

N.  overwegende dat regelingen voor agressieve fiscale planning vaak resulteren in het gebruik van een combinatie van internationale incongruenties tussen belastingstelsels, bijzonder gunstige specifieke nationale belastingregels en het gebruik van belastingparadijzen;

O.  overwegende dat belastingfraude en belastingontduiking in tegenstelling tot agressieve fiscale planning bovendien een illegale vorm van ontduiking van belastingverplichtingen zijn;

P.  overwegende dat het meest adequate antwoord op agressieve fiscale planning goede wetgeving, een deugdelijke tenuitvoerlegging daarvan en internationale coördinatie ten aanzien van de gewenste uitkomsten lijkt te zijn;

Q.  overwegende dat de totale inkomstenderving voor de staat ten gevolge van ontwijking van vennootschapsbelasting doorgaans wordt gecompenseerd door een verhoging van de totale belastingdruk, door bezuinigingen op overheidsdiensten of door meer staatsleningen – waardoor zowel andere belastingbetalers als de economie in haar geheel schade wordt toegebracht;

R.  overwegende dat in een studie(2) wordt geschat dat de inkomstenderving voor de Unie als gevolg van de ontwijking van vennootschapsbelasting zou kunnen oplopen tot 50-70 miljard euro per jaar, waarbij waarbij dit bedrag verloren gaat wegens winstverschuiving, en overwegende dat in diezelfde studie wordt geschat dat de inkomstenderving voor de Unie als gevolg van de ontwijking van vennootschapsbelasting in werkelijkheid zou kunnen oplopen tot 160-190 miljard euro wanneer rekening wordt gehouden met speciale fiscale regelingen, inefficiënties bij de belastinginning en andere soortgelijke activiteiten;

S.  overwegende dat de efficiëntie van de inning van vennootschapsbelasting volgens de studie 75 % is, hoewel eveneens wordt bevestigd dat dit percentage geen betrekking heeft op de bedragen die door belastingautoriteiten zouden kunnen worden geïnd, aangezien het extreem kostbaar of in technisch opzicht moeilijk zou zijn een bepaald deel van deze bedragen te innen; overwegende dat indien er een alles omvattende oplossing voor het probleem van BEPS voorhanden zou zijn en in de hele Unie geïmplementeerd zou kunnen worden, dit volgens de studie een positief effect op de belastinginkomsten van de regeringen van de lidstaten zou hebben van 0,2 % van de totale belastinginkomsten;

T.  overwegende dat verliezen als gevolg van BEPS een bedreiging vormen voor de deugdelijke werking van de interne markt alsook voor de geloofwaardigheid, de efficiëntie en de eerlijkheid van de vennootschapsbelastingstelsels in de Unie; overwegende dat in bovengenoemde studie eveneens duidelijk wordt gesteld dat de erin opgenomen berekeningen geen betrekking hebben op schattingen van activiteiten binnen de schaduweconomie, en dat de ondoorzichtigheid van de structuren en betalingen van bepaalde bedrijven het moeilijk maken om het effect op de belastinginkomsten nauwkeurig in te schatten, hetgeen betekent dat dit effect wellicht aanzienlijk groter is dan in het verslag wordt geraamd;

U.  overwegende dat de verliezen als gevolg van grondslaguitholling en winstverschuiving eveneens duidelijk laten zien dat het ontbreekt aan een gelijk speelveld voor enerzijds ondernemingen die slechts in één lidstaat actief zijn en daar belasting afdragen, in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen (kmo´s), familiebedrijven en zelfstandigen, en anderzijds bepaalde multinationals die hun winsten gericht kunnen verschuiven van rechtsgebieden met een hoog belastingniveau naar rechtsgebieden met een laag belastingniveau en die zich met agressieve fiscale planning bezighouden, waarmee zij hun totale heffingsgrondslag verlagen en de overheidsfinanciën extra onder druk zetten, dit ten nadele van de burgers van de Unie en van kmo's;

V.  overwegende dat het gebruik door multinationals van agressieve fiscale planningspraktijken in strijd is met het beginsel van eerlijke mededinging en verantwoord ondernemerschap, als bedoeld in mededeling COM(2011)0681, omdat voor het opzetten van fiscale planningstrategieën middelen nodig zijn waarover alleen grote bedrijven beschikken en omdat er daardoor geen gelijk speelveld is tussen kmo's en grote bedrijven, hetgeen dringend moet worden verholpen;

W.  overwegende dat belastingconcurrentie binnen de Unie en ten aanzien van derde landen in sommige gevallen schadelijk kan zijn en kan resulteren in een "race naar de bodem" wat belastingtarieven betreft, terwijl verbeterde transparantie, coördinatie en convergentie een effectief kader bieden om eerlijke concurrentie tussen bedrijven binnen de Unie te waarborgen en overheidsbegrotingen voor ongunstige effecten te behoeden;

X.  overwegende dat maatregelen die agressieve fiscale planning toestaan onverenigbaar zijn met het beginsel van loyale samenwerking tussen de lidstaten;

Y.  overwegende dat agressieve fiscale planning onder meer wordt vergemakkelijkt door de toenemende complexiteit van bedrijven en door de digitalisering en globalisering van de economie, hetgeen tot een verstoring van de concurrentie leidt die schadelijk is voor de groei en de in de Unie, met name voor kmo´s;

Z.  overwegende dat de strijd tegen agressieve fiscale planning niet door de afzonderlijke lidstaten gevoerd kan worden; overwegende dat een ondoorzichtig en ongecoördineerd vennootschapsbelastingbeleid een risico met zich meebrengt voor het belastingbeleid van de lidstaten, met niet-productieve effecten zoals belastingverhoging voor minder mobiele belastinggrondslagen tot gevolg;

AA.  overwegende dat het gebrek aan gecoördineerd optreden ertoe leidt dat veel lidstaten unilaterale nationale maatregelen treffen; overwegende dat dergelijke maatregelen vaak ineffectief, ontoereikend en, in sommige gevallen, desastreus zijn gebleken voor het nagestreefde doel;

AB.  overwegende dat er derhalve behoefte bestaat aan een gecoördineerde, meerlagige aanpak op nationaal, Unie- en internationaal niveau;

AC.  overwegende dat de Unie zich een pionier heeft betoond bij de mondiale bestrijding van agressieve fiscale planning, met name door binnen het kader van de OESO vooruitgang te bewerkstelligen met betrekking tot het BEPS-project; overwegende dat de Unie een pioniersrol moet blijven vervullen nu het BEPS-project zich ontwikkelt, en de schade moet proberen te voorkomen die BEPS zowel de lidstaten als ontwikkelingslanden overal ter wereld kan toebrengen; overwegende dat zij in dit verband onder meer maatregelen moet nemen met betrekking tot BEPS en, naast BEPS, ook met betrekking tot kwesties die van belang zijn voor de ontwikkelingslanden, zoals vermeld in het verslag van de Werkgroep ontwikkeling van de G20 van 2014;

AD.  overwegende dat de Commissie en de lidstaten ervoor moeten zorgen dat het uitgebreide OESO-pakket aan maatregelen inzake BEPS op Unieniveau als minimumnorm wordt toegepast en ambitieus blijft; overwegende dat het van cruciaal belang is dat alle OESO-landen het BEPS-project ten uitvoer leggen;

AE.  overwegende dat de Commissie, naast en in aanvulling op de reeds in dit verslag genoemde actieterreinen, duidelijk uiteen moet zetten hoe zij van plan is alle 15 OESO/G20 BEPS-projectresultaten ten uitvoer te leggen, en zo snel mogelijk met een voorstel moet komen voor ambitieuze wetgevingsmaatregelen, teneinde andere landen aan te moedigen de OESO-richtsnoeren te implementeren en het voorbeeld van de Unie bij de tenuitvoerlegging van het actieplan te volgen; overwegende dat de Commissie ook moet overwegen op welke terreinen de Unie verder moet gaan dan de door de OESO aanbevolen minimumnormen;

AF.  overwegende dat de wetgevingsbevoegdheid op het gebied van vennootschapsbelasting overeenkomstig de Unieverdragen momenteel bij de lidstaten ligt, doch dat het overgrote deel van de problemen in verband met agressieve fiscale planning van multinationale aard is;

AG.  overwegende dat een betere coördinatie van nationaal belastingbeleid bijgevolg de enige haalbare oplossing is om een gelijk speelveld te creëren en maatregelen te vermijden die multinationals bevoordelen ten koste van kmo´s;

AH.  overwegende dat het ontbreken van een gecoördineerd belastingbeleid in de Unie aanzienlijke kosten en administratieve lasten met zich meebrengt voor burgers en bedrijven met activiteiten in meer dan één lidstaat binnen de Unie, met name voor kmo´s, en leiden tot ongewilde dubbele belastingheffing, dubbele niet-belastingheffing of tot de vergemakkelijking van agressieve fiscale planning; overwegende dat dergelijke gevallen niet meer mogen voorkomen en dat transparantere en eenvoudigere oplossingen daarom noodzakelijk zijn;

AI.  overwegende dat bij het ontwerpen van belastingregels en aangepaste administratieve procedures bijzondere aandacht moet worden besteed aan kmo's en familiebedrijven, die de ruggengraat van de economie van de Unie vormen;

AJ.  overwegende dat uiterlijk op 26 juni 2017 een voor de hele Unie geldend register van uiteindelijke begunstigden operationeel moet zijn, om te helpen bij de opsporing van mogelijke belastingontwijking en winstverschuiving;

AK.  overwegende dat de onthullingen van het Luxleaks-schandaal en de werkzaamheden van de bijzondere commissie TAXE 1 duidelijk aantonen dat de Unie wetgevingsmaatregelen moet treffen om de transparantie, de coördinatie en de convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid binnen de Unie te verbeteren;

AL.  overwegende dat de vennootschapsbelasting gebaseerd moet zijn op het beginsel dat winsten worden belast waar zij worden gemaakt;

AM.  overwegende dat de Europese Commissie en de lidstaten een zeer actieve rol in de internationale arena moeten blijven vervullen om de vaststelling van internationale normen te bewerkstelligen die in de eerste plaats gebaseerd moeten zijn op de beginselen van transparantie, de uitwisseling van informatie en de afschaffing van schadelijke belastingmaatregelen;

AN.  overwegende dat de Unie, uit hoofde van het beginsel van "beleidssamenhang ten aanzien van ontwikkeling" als vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, moet waarborgen dat alle stadia van de beleidsvorming op alle terreinen, met inbegrip van de heffing van vennootschapsbelasting, geen belemmering vormen voor de doelstelling van duurzame ontwikkeling, maar deze juist bevorderen;

AO.  overwegende dat een gecoördineerd vennootschapsbelastingstelsel in de hele Unie het mogelijk zou maken oneerlijke concurrentie aan te pakken en het concurrentievermogen van Europese bedrijven, en met name kmo's, te vergroten;

AP.  overwegende dat de Commissie en de lidstaten in belastinggerelateerde procedures meer elektronische oplossingen moeten inzetten, om de administratieve lasten te verminderen en grensoverschrijdende procedures te vereenvoudigen;

AQ.  overwegende dat de Commissie het effect moet beoordelen van belastingvoordelen die aan bestaande speciale economische zones in de Unie worden verstrekt en overwegende dat in dit verband de uitwisseling van beste praktijken moet worden aangemoedigd;

Transparantie

AR.  overwegende dat meer transparantie op het gebied van vennootschapsbelasting de belastinginning kan verbeteren, de werkzaamheden van de belastinginstanties efficiënter kan maken en van essentieel belang is om het vertrouwen van de burger in belastingstelsels en regeringen te vergroten, en dat dit een belangrijke prioriteit zou moeten vormen;

   (i) overwegende dat meer transparantie ten aanzien van de activiteiten van grote multinationals, en met name ten aanzien van gemaakte winsten, over de winst betaalde belastingen, ontvangen subsidies en belastingteruggaven, het aantal werknemers en aangehouden activa, van cruciaal belang is om ervoor te zorgen dat belastinginstanties grondslaguitholling en winstverschuiving op doeltreffende wijze aanpakken; overwegende dat er een goed evenwicht moet worden bewerkstelligd tussen transparantie, bescherming van persoonsgegevens en commerciële gevoeligheid, waarbij tevens rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor kleinere bedrijven; overwegende dat verslaglegging per land een wezenlijke manier is om dergelijke transparantie te bewerkstelligen; overwegende dat voorstellen van de Unie voor verslaglegging per land in eerste instantie gebaseerd moeten zijn op het model van de OESO; overwegende dat de Unie verder kan gaan dan de OESO-richtlijnen en deze verslaglegging per land verplicht en openbaar kan maken, en dat het Europees Parlement zich, in zijn op 8 juli 2015(3) aangenomen amendementen op het voorstel voor een gewijzigde richtlijn betreffende aandeelhoudersrechten, vóór volledig openbare verslaglegging per land heeft uitgesproken; overwegende dat de Europese Commissie tussen 17 juni en 9 september 2015 een raadpleging over dit onderwerp heeft gehouden om de verschillende opties voor de tenuitvoerlegging van verslaglegging per land te onderzoeken(4); overwegende dat 88 % van degenen die in het openbaar op die raadpleging hebben geantwoord, voorstander was van openbaarmaking van belastinggerelateerde informatie door bedrijven;
   (ii) overwegende dat de toepassing van agressieve fiscale planning door bedrijven onverenigbaar is met maatschappelijk verantwoord ondernemen; overwegende dat sommige ondernemingen in de Unie reeds zijn begonnen aan te tonen dat zij de belastingregels volledig naleven door een "Fair Tax Payer"-keurmerk aan te vragen of het feit dat zij in het bezit van een dergelijk keurmerk zijn te promoten(5); overwegende dat dergelijke maatregelen een sterk afschrikwekkende werking kunnen hebben en een gedragsverandering teweeg kunnen brengen als gevolg van de reputatieschade die niet-naleving met zich meebrengt; overwegende dat een dergelijk keurmerk gebaseerd moet zijn op gemeenschappelijke Europese criteria;
   (iii) overwegende dat meer transparantie kan worden bereikt wanneer de lidstaten elkaar en de Commissie op de hoogte stellen van iedere nieuwe vorm van belastingaftrek, -verlichting, -vrijstelling of -stimulans of vergelijkbare maatregelen die van wezenlijke invloed zijn op hun effectieve belastingtarief; overwegende dat een dergelijke inkennisstelling de lidstaten zou helpen schadelijke belastingpraktijken in kaart te brengen;
   (iv) overwegende dat er, ondanks de recente overeenstemming binnen de Raad over wijziging van Richtlijn 2011/16/EU van de Raad(6) wat betreft de automatische uitwisseling van fiscale rulings, nog steeds risico´s bestaand dat de lidstaten onderling niet voldoende communiceren over de mogelijke gevolgen van hun belastingafspraken met bepaalde bedrijven voor de belastinginning in andere lidstaten; overwegende dat nationale belastingautoriteiten alle fiscale rulings zodra zij tot stand zijn gekomen automatisch openbaar zouden moeten maken; overwegende dat de Commissie toegang tot de fiscale rulings moet krijgen door middel van een beveiligd centraal register; overwegende dat er meer transparantie dient te zijn met betrekking tot door belastingautoriteiten ondertekende fiscale rulings, op voorwaarde dat vertrouwelijke informatie en gevoelige bedrijfsinformatie wordt beschermd;
   (v) overwegende dat douanevrije havens naar verluidt worden gebruikt om transacties voor belastingautoriteiten verborgen te houden;
   (vi) overwegende dat de voortgang bij de bestrijding van belastingontduiking, belastingontwijking en agressieve fiscale planning alleen kan worden gemonitord met een geharmoniseerde methode die kan worden gebruikt om een schatting te maken van de omvang van de directe en indirecte belastingkloven in alle lidstaten en in de Unie als geheel; overwegende dat een schatting van de belastingkloof slechts het begin moet zijn van de verstrekking van bijkomende informatie over belastingaangelegenheden;
   (vii) overwegende dat het huidige, in de hele Unie geldende rechtskader voor de bescherming van klokkenluiders ontoereikend is, en dat de manieren waarop de verschillende lidstaten klokkenluiders bescherming bieden onderling sterk variëren; overwegende dat wanneer dergelijke bescherming ontbreekt, werknemers die in het bezit zijn van cruciale informatie begrijpelijkerwijs niet geneigd zullen zijn naar buiten te treden zodat deze informatie niet openbaar zal worden gemaakt; overwegende dat de lidstaten moeten overwegen maatregelen te nemen om klokkenluiders te beschermen, gezien het feit dat deze klokkenluiders hebben geholpen het onderwerp van oneerlijke belastingheffing onder de aandacht van het publiek te brengen; overwegende dat het bijgevolg wenselijk is om te zorgen voor Unie-brede bescherming van klokkenluiders die wangedrag, onrecht, fraude of illegale praktijken aan de kaak stellen bij nationale of Europese instanties of deze, in gevallen van aanhoudend niet aangepakt wangedrag of onrecht of aanhoudende niet aangepakte fraude of illegale praktijken die het publieke belang zouden kunnen schaden, onder de aandacht van het brede publiek brengen; overwegende dat dergelijke bescherming verenigbaar moet zijn met het algehele rechtsstelsel; overwegende dat het moet gaan om bescherming tegen ongerechtvaardigde strafrechtelijke vervolging, economische sancties en discriminatie;

Coördinatie

AS.  overwegende dat de wetgevingsbevoegdheid op het gebied van vennootschapsbelasting bij de lidstaten ligt, doch dat het overgrote deel van de problemen in verband met agressieve fiscale planning van multinationale aard is; overwegende dat een betere coördinatie van nationale vormen van belastingbeleid de enige haalbare manier is om het probleem van grondslaguitholling en winstverschuiving en het probleem van agressieve fiscale planning aan te pakken;

   (i) overwegende dat een verplichte, in de hele Unie geldende gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (common consolidated corporate tax base - CCCTB) een belangrijke stap zou zijn in de richting van de oplossing van de problemen in verband met agressieve fiscale planning binnen de Unie en dringend moet worden ingevoerd; overwegende dat het uiteindelijke doel is een volledige verplichte CCCTB tot stand te brengen, mogelijk met een tijdelijke vrijstelling voor niet multinationale kmo´s en voor bedrijven die geen grensoverschrijdende activiteiten ontplooien, en met een verdeelsleutelmethode die gebaseerd is op een combinatie van objectieve variabelen; overwegende dat de Commissie overweegt om, tot een volledige CCCTB tot stand is gebracht, tijdelijke maatregelen te treffen teneinde de mogelijkheden voor winstverschuiving te bestrijden; overwegende dat het noodzakelijk is ervoor te zorgen dat deze maatregelen, inclusief de compensatie van grensoverschrijdende verliezen, het risico op grondslaguitholling en winstverschuiving niet doen toenemen; overwegende dat deze maatregelen geen perfecte vervanging voor consolidatie vormen en het volledig operationeel maken van deze nieuwe regeling tijd zal vergen;
   (ii) overwegende dat er, de werkzaamheden van de Groep gedragscode met betrekking tot schadelijke vormen van vennootschapsbelasting ten spijt, in de gehele Unie nog altijd maatregelen met het oog op agressieve fiscale planning voorkomen; overwegende dat eerdere pogingen om het bestuur en mandaat van de Groep te versterken en de in de code vastgelegde werkmethoden en criteria aan te passen, met het oog op de bestrijding van nieuwe vormen van schadelijke belastingpraktijken in de huidige economische omgeving, geen vruchten hebben afgeworpen; overwegende dat de activiteiten van de Groep worden gekenmerkt door een algemeen gebrek aan transparantie en verantwoordingsplicht; overwegende dat de efficiëntie en het functioneren van de Groep daarom moet verbeteren en effectiever en transparanter moet worden, onder meer door de publicatie van jaarverslagen en notulen, inclusief de standpunten van de lidstaten; overwegende dat de Groep standpunten moet kunnen innemen over kwesties in verband met belastingbeleid in meer dan een lidstaat, zonder dat een kleine minderheid van lidstaten aanbevelingen van de Groep blokkeert;
   (iii) overwegende dat het algemene beginsel inzake vennootschapsbelasting in de Unie moet zijn dat belastingen worden betaald in de landen waar een bedrijf zijn werkelijke economische activiteiten ontplooit en economische waarde creëert; overwegende dat hiertoe criteria moeten worden opgesteld; overwegende dat bij het gebruik van "octrooiboxen" of andere preferentiële belastingregelingen eveneens moet worden gewaarborgd dat belastingen worden afgedragen op de plaats waar waarde wordt gecreëerd, volgens de criteria die zijn gedefinieerd in BEPS-actie 5, terwijl daarnaast gemeenschappelijke Europese definities moeten worden geformuleerd inzake de vraag wat wordt beschouwd als bevordering van O&O en wat niet, alsook voor de harmonisering van het gebruik van octrooi- en innovatieboxen, inclusief het vervroegen naar 30 juni 2017 van de afschaffing van de oude regeling;
   (iv) overwegende dat sommige lidstaten unilateraal regels inzake buitenlandse dochterondernemingen hebben ingevoerd om op adequate wijze te waarborgen dat winsten die in landen met lage of geen belastingtarieven worden geparkeerd, daadwerkelijk worden belast; overwegende dat deze regels moeten worden gecoördineerd om te voorkomen dat de verschillen tussen deze nationale regels inzake buitenlandse dochterondernemingen binnen de Unie de werking van de interne markt verstoren;
   (v) overwegende dat Richtlijn 2011/16/EU voorziet in samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van belastinginspecties en -controles en aanspoort tot de uitwisseling van optimale werkwijzen tussen belastingautoriteiten; overwegende dat de instrumenten waarin deze richtlijn voorziet niet effectief genoeg zijn, terwijl de verschillende nationale benaderingen ten aanzien van accountancybedrijven in contrast staan met de zeer georganiseerde fiscale planningtechnieken van bepaalde ondernemingen;
   (vi) overwegende dat voor de automatische uitwisseling van informatie in het algemeen en met betrekking tot fiscale rulings in het bijzonder, een gemeenschappelijk Europees fiscaal identificatienummer vereist is; overwegende dat de Commissie moet overwegen een gemeenschappelijk Europees register van ondernemingen op te zetten;
   (vii) overwegende dat de Commissie heeft besloten het mandaat van het platform voor goed fiscaal bestuur, dat in 2016 zou aflopen, te verlengen, en de reikwijdte en werkmethoden van het platform uit te breiden respectievelijk te verbeteren; overwegende dat het platform kan bijdragen tot het nieuwe actieplan ter versterking van de strijd tegen belastingfraude en belastingontduiking, discussies kan bevorderen over fiscale rulings van lidstaten in het licht van de voorgestelde nieuwe regels voor de uitwisseling van informatie, en feedback kan geven over nieuwe initiatieven om belastingontwijking tegen te gaan; overwegende dat de Commissie evenwel het imago van het platform voor goed fiscaal bestuur moet verbeteren, het lidmaatschap ervan moet uitbreiden en de doeltreffendheid ervan moet vergroten;
   (viii) overwegende dat de Commissie in het kader van het proces van het Europees semester hervormingen met betrekking tot belastinginstanties moet analyseren en de tenuitvoerlegging van deze hervormingen moet verlangen, teneinde de belastinginningscapaciteit van belastinginstanties op nationaal en Europees niveau te versterken, zodat zij hun rol op doeltreffende wijze kunnen vervullen en de positieve gevolgen van effectieve belastinginning en effectieve acties tegen belastingfraude en belastingontduiking voor de inkomsten van de lidstaten kunnen worden bevorderd;

Convergentie

AT.  overwegende dat een betere coördinatie alleen niet volstaat om fundamentele problemen op te lossen die voortvloeien uit het feit dat in verschillende lidstaten verschillende regels voor vennootschapsbelasting gelden; overwegende dat een deel van het overkoepelende antwoord op agressieve fiscale planning de convergentie van een beperkt aantal nationale belastingpraktijken moet omvatten; overwegende dat dit kan worden bereikt zonder dat de soevereiniteit van de lidstaten in verband met andere elementen van hun vennootschapsbelastingstelsel wordt ondermijnd;

   (i) overwegende dat praktijken van agressieve fiscale planning soms voortkomen uit de cumulatieve voordelen van door de verschillende lidstaten gesloten verdragen ter voorkoming van dubbele belastingheffing, die onbedoeld resulteren in dubbele niet-belastingheffing; overwegende dat de toename van het aantal verdragen ter voorkoming van dubbele belastingheffing tussen individuele lidstaten en derde landen kan leiden tot mogelijke nieuwe mazen in de wetgeving; overwegende dat het, in lijn met actie 15 van het OESO/G20 BEPS-project, noodzakelijk is om een multilateraal instrument voor de wijziging van bilaterale belastingverdragen te ontwikkelen; overwegende dat de Commissie het mandaat moet krijgen om namens de Unie met derde landen te onderhandelen over belastingovereenkomsten, in plaats van de huidige praktijk waarbij bilaterale onderhandelingen worden gevoerd die tot niet-optimale resultaten leiden; overwegende dat de Commissie moet waarborgen dat dergelijke overeenkomsten wederkerigheidsbepalingen bevatten, evenals maatregelen ter voorkoming van nadelige effecten op burgers en bedrijven van de Unie, met name kmo´s, als gevolg van de extraterritoriale toepassing van wetgeving van derde landen binnen het rechtsgebied van de Unie en haar lidstaten;
   (ii) overwegende dat de Unie haar eigen geactualiseerde definitie van "belastingparadijzen" moet hebben;
   (iii) overwegende dat de Unie tegenmaatregelen moet nemen ten aanzien van bedrijven die van dergelijke belastingparadijzen gebruik maken; overwegende dat het Europees Parlement hier al toe heeft opgeroepen in zijn verslag over het jaarverslag over belastingen 2014(7), waarin werd aangedrongen op "de invoering van strenge sancties om ondernemingen ervan af te brengen de belastingregels te schenden of te omzeilen, met name door frauderende ondernemingen, ondernemingen die in belastingparadijzen gevestigd zijn en landen die de mededinging middels gunstige belastingvoorwaarden verstoren, EU-financiering, overheidssteun en toegang tot openbare aanbestedingen te ontzeggen"; overwegende dat lidstaten iedere vorm van overheidssteun die is toegekend aan ondernemingen die betrokken zijn bij schending van de EU-belastingregels, teruggevorderd dient te worden; overwegende dat ook tegenmaatregelen moeten worden genomen tegen de lidstaten, indien zij weigeren hun schadelijke preferentiële belastingregelingen aan te passen, die het bestaan van een gelijk speelveld in de EU ondermijnen;
   (iv) overwegende dat een nieuwe, bindende definitie van "vaste inrichting" moet worden opgesteld om ervoor te zorgen dat de belastingheffing plaatsvindt op de plek waar economische activiteit wordt verricht en waar waarde wordt gecreëerd; overwegende dat dit gepaard zal moeten gaan met bindende minimumcriteria om vast te stellen of een economische activiteit wezenlijk genoeg is om in een lidstaat te worden belast, om aldus het probleem van "brievenbusmaatschappijen" te voorkomen, met name gezien de uitdagingen als gevolg van de digitale economie;
   (v) overwegende dat in de voortgaande onderzoeken van de Commissie naar vermeende inbreuken op de regels van de Unie voor staatssteun een storend gebrek aan transparantie is blootgelegd met betrekking tot de manier waarop deze regels zouden moeten worden toegepast; overwegende dat de Commissie, om dit te corrigeren, richtsnoeren inzake staatssteun dient te publiceren om duidelijk te maken hoe zij gevallen van belastinggerelateerde staatssteun definieert, om aldus zowel bedrijven als lidstaten meer rechtszekerheid te bieden; overwegende dat de Commissie in het kader van de modernisering van de regeling voor staatssteun moet zorgen voor een effectieve controle achteraf van de wettelijkheid van toegekende staatssteun;
   (vi) overwegende dat een van de onbedoelde effecten van Richtlijn 2003/49/EG van de Raad(8) is dat grensoverschrijdende inkomsten uit rente en royalty's wellicht niet (of in zeer geringe mate) belast worden; overwegende dat in deze richtlijn alsook in Richtlijn 2005/19/EG(9) en andere relevante Uniewetgeving een antimisbruikregel moet worden opgenomen;
   (vii) overwegende dat een in de hele Unie geldende bronbelasting of een maatregel met een vergelijkbaar effect zou waarborgen dat alle binnen de Unie gegenereerde winsten die de Unie te zijner tijd zullen verlaten, ten minste een maal in de Unie belast worden alvorens zij naar buiten de Unie worden overgebracht;
   (viii) overwegende dat het huidige kader van de Unie voor de beslechting van geschillen inzake dubbele belastingheffing tussen lidstaten niet effectief functioneert en baat zou hebben bij duidelijkere regels en striktere tijdschema's, voortbouwend op de systemen die al zijn ingevoerd;
   (ix) overwegende dat belastingadviseurs een cruciale rol spelen met betrekking tot het faciliteren van agressieve belastingplanning, door bedrijven te helpen complexe wettelijke constructies tot stand te brengen om misbruik te maken van de incongruenties en mazen in de wetgeving die het gevolg zijn van verschillende belastingstelsels; overwegende dat geen fundamentele herziening van het vennootschapsbelastingstelsel kan worden uitgevoerd zonder een onderzoek naar de praktijken van deze advieskantoren; overwegende dat in het kader van dit onderzoek aandacht moet worden besteed aan het belangenconflict dat inherent is aan deze kantoren, die tegelijk advies verlenen aan nationale overheden over de invoering van een belastingstelsel en aan bedrijven over de beste manier om hun belastingplichten binnen deze stelsels te optimaliseren;

AU.  overwegende dat de algehele efficiëntie van de belastinginning, het concept van fiscale rechtvaardigheid en de geloofwaardigheid van nationale belastinginstanties niet alleen worden ondermijnd door agressieve fiscale planning en activiteiten op het gebied van grondslaguitholling en winstverschuiving; overwegende dat de Unie en de lidstaten soortgelijke daadkrachtige actie moeten ondernemen om de problemen van belastingontduiking en belastingfraude bij de heffing van zowel individuele belasting als vennootschapsbelasting aan te pakken, evenals problemen in verband met de inning van andere belastingen dan vennootschapsbelasting, in het bijzonder de btw; overwegende dat andere elementen van belastinginning en -beheer een substantieel onderdeel van de bestaande belastingkloof vormen;

AV.  overwegende dat de Commissie daarom eveneens moet nadenken over de aanpak van deze bredere problematiek, met name de handhaving van de btw-regels in de lidstaten en van de toepassing ervan in grensoverschrijdende gevallen, alsmede de inefficiëntie bij de inning van de btw (die in sommige lidstaten een belangrijke bron van nationale inkomsten vormt), praktijken om de btw te ontwijken, evenals de negatieve gevolgen van enkele belastingkwijtscheldingsregelingen of niet-transparante inkeerregelingen; overwegende dat bij dergelijke nieuwe maatregelen rekening moet worden gehouden met het evenwicht tussen kosten en baten;

1.  verzoekt de Commissie om het Parlement voor juni 2016 een of meer wetgevingsvoorstellen voor te leggen, met inachtneming van de in de bijgevoegde bijlage opgenomen gedetailleerde aanbevelingen;

2.  constateert dat deze aanbevelingen in overeenstemming zijn met de grondrechten en het subsidiariteitsbeginsel;

3.  is van oordeel dat de financiële gevolgen van het verlangde voorstel gedekt moeten worden door passende begrotingstoewijzingen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en de bijgaande gedetailleerde aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie, de Raad en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

BIJLAGE BIJ DE RESOLUTIE

GEDETAILLEERDE AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

A.  Transparantie

Aanbeveling A1. Verplichte, openbare verslaglegging per land voor alle sectoren door multinationale ondernemingen

Het Europees Parlement dringt er nogmaals bij de Europese Commissie op aan alle noodzakelijke stappen te nemen om in het eerste kwartaal van 2016 uitgebreide en openbare verslaglegging per land in te voeren voor alle multinationale ondernemingen in alle sectoren.

–  Dit voorstel moet worden ontwikkeld op basis van de vereisten die de OESO heeft voorgesteld in haar in september 2014 gepresenteerde gegevensmodel voor verslaglegging per land (Actie 13 van het OESO/G20 BEPS-project).

–  Bij de ontwikkeling van het voorstel moet de Commissie eveneens rekening houden met:

–  de uitkomsten van de raadpleging van de Commissie inzake verslaglegging per land, die van 17 juni tot en met 9 september 2015 is gehouden en waarin verschillende opties voor de mogelijke tenuitvoerlegging van verslaglegging per land in de Unie zijn onderzocht;

–  de voorstellen voor volledige verslaglegging per land als uiteengezet in de herziene richtlijn betreffende aandeelhoudersrechten waar het Europees Parlement op 8 juli 2015 zijn goedkeuring aan heeft gehecht(10) en de uitkomst van de lopende trialogen over deze richtlijn.

Aanbeveling A2. Een nieuw "Fair Tax Payer"-keurmerk voor bedrijven die goede praktijken op het gebied van belastingen hanteren

Het Europees Parlement dringt er bij de Europese Commissie op aan zo spoedig mogelijk met een voorstel te komen voor een vrijwillig Europees "Fair Tax Payer"-keurmerk.

–  Het voorstel dient een Europees kader van ontvankelijkheidscriteria te bevatten, op grond waarvan het keurmerk door nationale instanties kan worden toegekend.

–  Dit kader van ontvankelijkheidscriteria moet duidelijk maken dat het "Fair Tax Payer"-keurmerk uitsluitend wordt toegekend aan bedrijven die de relevante bepalingen van de nationale en Uniewetgeving naar letter en geest naleven.

–  Bedrijven moeten door dit "Fair Tax Payer"-keurmerk worden aangemoedigd om het betalen van een billijk aandeel van de belastingen tot een essentieel onderdeel van hun beleid voor maatschappelijk verantwoord ondernemen te maken, alsook om hun opstelling inzake belastingaangelegenheden op te nemen in hun jaarverslag.

Aanbeveling A3. Verplichte kennisgeving van nieuwe belastingmaatregelen

Het Europees Parlement dringt er bij de Europese Commissie op aan zo spoedig mogelijk met een voorstel te komen voor een nieuw mechanisme waarmee lidstaten worden verplicht om andere lidstaten en de Commissie onverwijld op de hoogte te stellen wanneer zij voornemens zijn een nieuwe vorm van belastingaftrek, -verlichting, -vrijstelling of -stimulans in te voeren of vergelijkbare maatregelen te treffen die van wezenlijke invloed zijn op het effectieve belastingtarief in de desbetreffende lidstaat of op de belastinggrondslag in een andere lidstaat.

–  Deze kennisgevingen door de lidstaten dienen een analyse te bevatten van de overloopeffecten van de nieuwe belastingmaatregelen op andere lidstaten en ontwikkelingslanden, ter ondersteuning van de werkzaamheden van de Groep gedragscode bij het in kaart brengen van schadelijke belastingpraktijken.

–  Deze nieuwe belastingmaatregelen dienen eveneens te worden opgenomen in het proces van het Europees semester, en er dienen aanbevelingen voor follow-up te worden geformuleerd.

–  Het Europees Parlement dient regelmatig op de hoogte te worden gehouden van dergelijke kennisgevingen en van de door de Europese Commissie uitgevoerde beoordeling.

–  Er dient te worden voorzien in sancties voor de lidstaten die niet aan deze verslagleggingsvereisten voldoen.

–  De Commissie dient eveneens te overwegen of het passend zou zijn om belastingadviesbedrijven te verplichten om nationale belastingautoriteiten op de hoogte te stellen wanneer zij bepaalde belastingregelingen ontwikkelen en beginnen aan te prijzen die zijn bedoeld om ondernemingen te helpen hun totale belastingverplichtingen te verminderen, hetgeen momenteel in sommige lidstaten praktijk is; zij dient tevens te bekijken of het delen van dergelijke informatie tussen de lidstaten via de Groep gedragscode een efficiënt instrument zou zijn om verbeteringen te bewerkstelligen op het gebied van vennootschapsbelastingbeleid in de Unie.

Aanbeveling A4. De automatische uitwisseling van informatie over fiscale rulings moet worden uitgebreid naar alle fiscale rulings en tot op zekere hoogte openbaar worden gemaakt

Het Europees Parlement dringt er bij de Europese Commissie op aan Richtlijn 2011/16/EU, dat elementen van automatische uitwisseling van informatie over fiscale rulings omvat, aan te vullen, door:

–  de reikwijdte van de automatische uitwisseling van informatie uit te breiden zodat deze niet alleen grensoverschrijdende fiscale rulings maar alle fiscale rulings op het gebied van vennootschapsbelasting omvat; De verstrekte informatie moet compleet zijn en worden aangeleverd in een in onderling overleg overeengekomen formaat, om ervoor te zorgen dat zij op efficiënte wijze kan worden benut door de belastingautoriteiten in de betrokken landen.

–  de transparantie van fiscale rulings op Unieniveau aanzienlijk te vergroten, waarbij terdege rekening moet worden gehouden met vertrouwelijkheid van bedrijfsinformatie en handelsgeheimen, alsook met de in sommige lidstaten gehanteerde beste praktijken, door jaarlijks een verslag te publiceren met de belangrijkste gevallen die zijn opgenomen in het door de Commissie op te zetten beveiligde centraal register van fiscale rulings en voorafgaande prijsafspraken;

–  de informatie te verstrekken in een overeengekomen standaardvorm, teneinde het publiek in staat te stellen er op doeltreffende wijze gebruik van te maken;

–  ervoor te zorgen dat de Commissie een belangrijke en betekenisvolle rol speelt bij de verplichte uitwisseling van informatie over fiscale rulings en de totstandbrenging van een veilig, centraal register met alle fiscale rulings die in de Unie zijn afgesloten, dat toegankelijk is voor de lidstaten en de Commissie;

–  ervoor te zorgen dat de lidstaten die informatie over fiscale rulings niet naar behoren automatisch uitwisselen passende sancties opgelegd krijgen.

Aanbeveling A5. Transparantie van douanevrije havens

Het Europees Parlement dringt er bij de Europese Commissie op aan met een wetgevingsvoorstel te komen om:

–  een maximumtermijn vast te stellen waarbinnen goederen in douanevrije havens vrijgesteld van douanerechten, accijnzen en btw mogen worden verkocht;

–  de autoriteiten van douanevrije havens te verplichten de douaneautoriteiten van de desbetreffende lidstaten en derde landen onverwijld op de hoogte te stellen van iedere transactie die door belastingplichtige ingezetenen van die landen bij in de douanevrije haven gelegen kantoren wordt verricht.

Aanbeveling A6. Schatting door de Commissie van de vennootschapsbelastingkloof

Het Europees Parlement dringt er bij de Europese Commissie op aan om:

–  op basis van de optimale werkwijzen die momenteel door de lidstaten worden gehanteerd, een openbaar te maken geharmoniseerde methode tot stand te brengen die door de lidstaten kan worden gebruikt om een schatting te maken van de omvang van de directe en indirecte vennootschapsbelastingkloof, dat wil zeggen het verschil tussen de verschuldigde en de afgedragen vennootschapsbelasting, in alle lidstaten;

–  samen met de lidstaten te zorgen voor de verstrekking van de vereiste gegevens die met behulp van bovenstaande methode moeten worden geanalyseerd, teneinde zo nauwkeurig mogelijke cijfers te produceren;

–  de overeengekomen methode en vereiste gegevens te gebruiken om halfjaarlijks een raming te maken en te publiceren van de directe en indirecte vennootschapsbelastingkloven in de gehele Unie.

Aanbeveling A7. Bescherming van klokkenluiders

Het Europees Parlement dringt er bij de Europese Commissie op aan met het volgende wetgevingsvoorstel te komen:

–  Bescherming van klokkenluiders die uitsluitend in het algemeen belang handelen (en niet tevens voor het geld of voor andere persoonlijke doeleinden) teneinde wangedrag, onrecht, fraude of illegale praktijken met betrekking tot vennootschapsbelasting in een lidstaat van de Europese Unie aan de kaak te stellen. Dergelijke klokkenluiders dienen beschermd te worden wanneer zij wangedrag, onrecht, fraude of illegale praktijken aan de kaak stellen bij de bevoegde instantie alsook wanneer zij, in gevallen van aanhoudend niet aangepakt wangedrag, onrecht, fraude of illegale praktijken in verband met vennootschapsbelasting die het publieke belang zouden kunnen schaden, hun zorgen kenbaar maken aan het brede publiek;

–  Ervoor zorgen dat het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie in de Europese Unie gewaarborgd wordt;

–  Dergelijke bescherming moet in overeenstemming zijn met het algehele rechtsstelsel en doeltreffend zijn tegen ongerechtvaardigde strafrechtelijke vervolging, economische sancties en discriminatie;

–  Een dergelijk wetgevingsvoorstel moet worden gebaseerd op Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad(11) en rekening houden met toekomstige Uniewetgeving op dit gebied;

–  Bij een dergelijk wetgevingsvoorstel kan eveneens rekening worden gehouden met Aanbeveling CM/Rec(2014)7 van de Raad van Europa(12) betreffende de bescherming van klokkenluiders en in het bijzonder met de definitie van klokkenluider als "eenieder die informatie over een bedreiging of beschadiging van het publiek belang binnen een werk-gerelateerd verband openbaar maakt, ongeacht of het de publieke of de private sector betreft".

B.  Coördinatie

Aanbeveling B1. Invoering van een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting

Het Europees Parlement dringt er bij de Europese Commissie op aan zo spoedig mogelijk met een voorstel te komen tot invoering van een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting:

Als een eerste stap moet in de Unie uiterlijk in juni 2016 een verplichte gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCTB) worden geïntroduceerd, mogelijk met een tijdelijke uitzondering voor niet multinationale kleine en middelgrote ondernemingen en bedrijven die geen grensoverschrijdende activiteiten ontplooien, zodat er voor bedrijven die in diverse lidstaten opereren slechts één enkele reeks regels bestaat om hun belastbare winsten te berekenen.

Als een tweede stap moet zo snel mogelijk en in ieder geval niet later dan eind 2017 een verplichte gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) worden ingevoerd, waarbij terdege rekening wordt gehouden met alle verschillende opties (bijvoorbeeld het incalculeren van de kosten van opname van kleine en middelgrote ondernemingen zonder grensoverschrijdende activiteiten).

De CCCTB moet worden gebaseerd op een verdeelsleutelmethode waarin de werkelijke economische activiteiten van ondernemingen weerspiegeld worden en bepaalde lidstaten niet onrechtmatig worden bevoorrecht.

Gedurende de overgangsperiode tussen de invoering van de verplichte CCTB en de invoering van de volledige CCCTB, moet een reeks maatregelen worden genomen om winstverschuiving (hoofdzakelijk via verrekenprijzen) te verminderen, inclusief ten minste een wetgevingsvoorstel van de Unie ter bestrijding van grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS). Deze maatregelen moeten geen tijdelijke regeling inzake grensoverschrijdende verliesverrekening omvatten, tenzij de Commissie kan waarborgen dat deze regeling transparant is en geen mogelijkheid tot misbruik biedt met het oog op agressieve fiscale planning.

De Commissie moet overwegen tot op welke hoogte het noodzakelijk zou zijn één enkele reeks van algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen tot stand te brengen teneinde de voor de CCCTB te gebruiken onderliggende boekhoudkundige gegevens voor te bereiden.

Ieder voorstel voor CCTB of volledige CCCTB moet een clausule ter voorkoming van belastingontwijking omvatten.

Aanbeveling B2. Versterking van het mandaat en verbetering van de transparantie van de Groep gedragscode inzake belastingregelingen voor ondernemingen van de Raad

Het Europees Parlement dringt er bij de Commissie op aan met een voorstel te komen om de Groep gedragscode, als een werkgroep van de Raad, op te nemen in de communautaire methode met deelname van de Europese Commissie en het Europees Parlement als waarnemer.

–  De Groep gedragscode moet transparanter en effectiever worden en meer rekenschap afleggen, onder meer door:

–  de geregelde verstrekking, actualisering en publicatie van haar gegevens over de mate waarin de lidstaten voldoen aan de door de Groep gedragscode geformuleerde aanbevelingen in het kader van haar halfjaarlijkse voortgangsverslag aan de ministers van financiën;

–  de geregelde verstrekking, actualisering en publicatie van een tweejaarlijkse lijst van schadelijke belastingpraktijken;

–  de geregelde opstelling, verstrekking en publicatie van haar notulen, met inbegrip van meer transparantie ten aanzien van de opstelling van aanbevelingen met onder meer een indicatie van de vertegenwoordigers met betrekking tot de standpunten van de lidstaten;

–  de benoeming van een politieke voorzitter door de ministers van financiën;

–  de benoeming door iedere lidstaat van een prominente vertegenwoordiger en een plaatsvervanger, teneinde het profiel van het orgaan te versterken;

–  De taken van de Groep gedragscode omvatten:

–  het in kaart brengen van schadelijke belastingpraktijken in de Unie;

–  het voorstellen van maatregelen en termijnen voor de uitroeiing van schadelijke belastingpraktijken, en monitoring van de resultaten van de voorgestelde aanbevelingen/maatregelen;

–  bestudering van de door de lidstaten te verstrekken verslagen over overloopeffecten van nieuwe belastingmaatregelen en beoordeling van de vraag of actie moet worden ondernomen;

–  het voorstellen van andere initiatieven gericht op belastingmaatregelen in het kader van het extern beleid van de Unie;

–  verbetering van de handhavingsmechanismen ter bestrijding van praktijken die agressieve fiscale planning faciliteren.

Aanbeveling B3. Octrooiboxen en andere preferentiële regelingen: koppeling van preferentiële regelingen aan de plaats waar waarde wordt gecreëerd

Het Europees Parlement dringt er bij de Europese Commissie op aan de lidstaten richtsnoeren te blijven verschaffen met betrekking tot de vraag hoe zij octrooiboxregelingen ten uitvoer moeten leggen, in overeenstemming met de "gemodificeerde nexusbenadering" om te waarborgen dat zij niet schadelijk zijn.

–  Deze richtsnoeren moeten duidelijk maken dat preferentiële regelingen zoals octrooiboxen gebaseerd moeten zijn op de "gemodificeerde nexusbenadering", als gedefinieerd in actie 5 van het BEPS-actieplan van de OESO, hetgeen betekent dat er een directe koppeling moet bestaan tussen de belastingvoordelen en de onderliggende onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten.

–  Uitgebreide octrooiboxregelingen zonder verband met de geografische oorsprong en de "leeftijd" van knowhow dienen te worden beschouwd als schadelijke praktijken.

–  Indien de lidstaten deze nieuwe benadering niet binnen 12 maanden consistent toepassen moet de Commissie met een bindend wetgevingsvoorstel komen.

–  De Commissie moet met voorstellen komen voor gemeenschappelijke Europese normen en definities betreffende de vraag wat wordt gezien als bevordering van onderzoek en ontwikkeling en wat niet, alsook voor de harmonisering van het gebruik van octrooi- en innovatieregelingen, inclusief het vervroegen naar 30 juni 2017 van de afschaffing van de oude regeling door de duur van de afloopregelingen te verkorten.

Aanbeveling B4. Buitenlandse dochterondernemingen

Het Europees Parlement dringt er bij de Europese Commissie op aan met een wetgevingsvoorstel te komen om:

–  te voorzien in een op Unieniveau gecoördineerd kader voor inzake buitenlandse dochterondernemingen, teneinde ervoor te zorgen dat winsten die in landen met lage of geen belastingtarieven worden geparkeerd, daadwerkelijk worden belast en te voorkomen dat de diversiteit binnen de EU wat betreft de nationale regels inzake buitenlandse dochterondernemingen de werking van de interne markt belemmert. Dit kader moet waarborgen dat de wetgeving inzake buitenlandse dochterondernemingen volledig wordt benut met betrekking tot zuiver kunstmatige constructies. Dit mag individuele lidstaten niet beletten strengere regels door te voeren.

Aanbeveling B5. Verbetering van de coördinatie tussen de lidstaten op het gebied van belastingcontroles

Het Europees Parlement dringt er bij de Europese Commissie op aan met een voorstel te komen tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU om:

–  te zorgen voor effectievere gelijktijdige belastingcontroles en -inspecties, waarbij twee of meer nationale belastinginstanties besluiten om controles te verrichten die van gemeenschappelijk of aanvullend belang zijn met betrekking tot een of meer personen;

–  ervoor te zorgen dat een moederbedrijf en haar in de Unie gevestigde dochterbedrijven in dezelfde tijdsperiode door de respectievelijke belastingautoriteiten worden gecontroleerd, onder leiding van de belastingautoriteiten van het land waar het moederbedrijf is gevestigd, teneinde een efficiënte informatiestroom tussen belastingautoriteiten te waarborgen. Als onderdeel hiervan:

–  dienen belastingautoriteiten regelmatig informatie over hun onderzoeken uit te wisselen om ervoor te zorgen dat concerns niet profiteren van incongruenties of mazen in de wetgeving tussen verschillende nationale belastingstelsels;

–  dienen termijnen om informatie over lopende controles uit wisselen tot een minimum te worden beperkt;

–  dienen de belastingautoriteiten waar een onderneming onder valt de belastingautoriteiten waar andere entiteiten van hetzelfde concern onder vallen systematisch te informeren over de uitkomst van een belastingcontrole;

–  mag geen besluit inzake de uitkomst van een belastingcontrole door een belastingautoriteit worden genomen alvorens de overige belastingautoriteiten op de hoogte zijn gesteld.

Aanbeveling B6. Invoering van een gemeenschappelijk Europees fiscaal identificatienummer

Het Europees Parlement dringt er bij de Europese Commissie op aan met een voorstel te komen voor een Europees fiscaal identificatienummer.

–  Het voorstel moet gebaseerd worden op het ontwerp voor een Europees fiscaal identificatienummer als uiteengezet in het actieplan van de Commissie inzake de bestrijding van belastingfraude en belastingontduiking van 2012 (actie 22)(13), en op de uitkomst van de daarop gevolgde raadpleging in 2013(14).

C.  Convergentie

Aanbeveling C1. Een nieuwe benadering ten aanzien van internationale belastingregelingen

Het Europees Parlement dringt er bij de Europese Commissie op aan met een wetgevingsvoorstel te komen om de Unie in staat te stellen met één stem te spreken op het gebied van internationale belastingregelingen.

–  De Commissie moet het mandaat krijgen om namens de Unie met derde landen te onderhandelen over belastingovereenkomsten, in plaats van de huidige praktijk waarbij bilaterale onderhandelingen worden gevoerd die tot niet-optimale resultaten leiden, met name voor ontwikkelingslanden.

–  De Commissie moet waarborgen dat dergelijke overeenkomsten wederkerigheidsbepalingen bevatten, evenals maatregelen ter voorkoming van nadelige effecten op burgers en bedrijven van de Unie, met name kmo´s, als gevolg van de extraterritoriale toepassing van wetgeving van derde landen binnen het rechtsgebied van de Unie en haar lidstaten.

–  Er moet binnen de Unie een gemeenschappelijke multilaterale belastingovereenkomst worden ingevoerd, ter vervanging van de veelvoud aan bilaterale belastingovereenkomsten tussen de lidstaten onderling en met andere landen.

–  Alle door de Unie gesloten nieuwe internationale handelsovereenkomsten dienen een clausule over goed fiscaal bestuur te bevatten.

–  Alle internationale belastingregelingen moeten voorzien in een handhavingsmechanisme.

Aanbeveling C2. Een gemeenschappelijke en steekhoudende definitie van "belastingparadijs" formuleren

Het Europees Parlement dringt er bij de Europese Commissie op aan met een voorstel te komen om, in samenwerking met onder meer de OESO en de Verenigde Naties, steekhoudende criteria vast te stellen om "belastingparadijzen" te definiëren.

–  Deze criteria dienen gebaseerd te zijn op alomvattende, transparante, robuuste, objectief verifieerbare en algemeen aanvaarde indicatoren, waarbij wordt voortgebouwd op de beginselen van goed bestuur als geformuleerd in de mededeling van de Commissie van 2009 "Bevordering van goed bestuur in belastingzaken"(15): uitwisseling van informatie en administratieve samenwerking, eerlijke belastingconcurrentie en transparantie.

–  Deze criteria moeten concepten omvatten zoals bankgeheim, registratie van de eigendom van ondernemingen, trusts en stichtingen, de openbaarmaking van de boekhouding van ondernemingen, de capaciteit voor informatie-uitwisseling, efficiëntie van belastingdiensten, bevordering van belastingontwijking, het bestaan van schadelijke administratieve constructies, het voorkomen van witwaspraktijken, automatische uitwisseling van informatie, het bestaan van bilaterale verdragen, en internationale verplichtingen op het gebied van transparantie en juridische samenwerking.

–  Op grond van deze criteria dient de Commissie een herziene lijst van belastingparadijzen op te stellen, ter vervanging van haar voorlopige lijst uit 2015.

–  De lijst van belastingparadijzen moet worden gekoppeld aan de relevante belastingwetgeving als een referentiepunt voor andere beleidsmaatregelen wetgeving.

–  De Commissie evalueert de lijst ten minste twee maal per jaar, of op verzoek van een op de lijst voorkomend rechtsgebied.

Aanbeveling C3. Tegenmaatregelen ten aanzien van bedrijven die gebruik maken van belastingparadijzen

Het Europees Parlement dringt er bij de Europese Commissie op aan met een voorstel te komen voor een reeks tegenmaatregelen die de Unie en de lidstaten als aandeelhouders en financiers van publieke instanties, banken en financieringsprogramma´s moeten treffen met betrekking tot ondernemingen die gebruik maken van belastingparadijzen om regelingen voor agressieve fiscale planning tot stand te brengen en die derhalve niet voldoen aan de Unienormen voor goed fiscaal bestuur.

–  Deze tegenmaatregelen dienen het volgende te omvatten:

–  uitsluiting van toegang tot staatssteun of openbare aanbestedingen op Unie- en nationaal niveau;

–  uitsluiting van toegang tot bepaalde Uniefondsen;

–  Dit moet onder meer worden bereikt door:

–  wijziging van de statuten van de Europese Investeringsbank (EIB) (protocol nr. 5 bij de verdragen) om te waarborgen dat EIB-financiering niet kan worden verstrekt aan eindbegunstigden of financiële bemiddelaars die gebruik maken van belastingparadijzen of schadelijke belastingpraktijken(16);

–  wijziging van de Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad(17) om te waarborgen dat aan dergelijke ondernemingen geen EFSI-financiering kan worden verstrekt(18);

–  wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013(19), (EU) nr. 1306/2013(20), (EU) nr. 1307/2013(21) en (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad(22), om te waarborgen dat aan dergelijke ondernemingen geen GLB-financiering kan worden verstrekt;

–  voortzetting van het proces van modernisering van het staatssteunbeleid om te waarborgen dat de lidstaten dergelijke ondernemingen geen staatssteun verlenen(23);

–  wijziging van de verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad(24) om te waarborgen dat uit de vijf Europese structuur- en investeringsfondsen (het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij) geen middelen aan dergelijke ondernemingen worden verstrekt;

–  wijziging van de Overeenkomst tot oprichting van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) om te waarborgen dat aan dergelijke ondernemingen geen EBRD-financiering kan worden verstrekt(25);

–  een verbod op de sluiting van handelsovereenkomsten door de EU met rechtsgebieden die door de Commissie als "belastingparadijzen" zijn gekwalificeerd.

De Commissie onderzoekt of bestaande handelsovereenkomsten met landen die als belastingparadijs worden aangemerkt, kunnen worden opgeschort of opgezegd.

Aanbeveling C4. Vaste inrichting

Het Europees Parlement dringt er bij de Europese Commissie op aan met een wetgevingsvoorstel te komen om:

–  de definitie van "vaste inrichting" aan te passen zodat ondernemingen de belastingplicht in landen waar zij economische activiteiten ontplooien niet op kunstmatige wijze kunnen omzeilen. Deze definitie moet tevens betrekking hebben op situaties waarin ondernemingen die volledig gedematerialiseerde digitale activiteiten ontplooien, geacht worden een vaste inrichting in een lidstaat te hebben indien zij een aanzienlijke digitale aanwezigheid in de economie van dat land hebben;

–  een voor de hele Unie geldende definitie van minimale "economische substantie" te introduceren die ook de digitale economie omvat, om ervoor te zorgen dat ondernemingen daadwerkelijk waarde genereren en bijdragen aan de economie in de lidstaat waar zij belastingplichtig zijn.

Bovengenoemde definities zouden onderdeel moeten vormen van een concreet verbod op zogenoemde "brievenbusmaatschappijen".

Aanbeveling C5. Verbetering van het EU-kader voor verrekenprijzen

Het Europees Parlement dringt er bij de Europese Commissie op aan met een wetgevingsvoorstel te komen om:

–  op basis van haar ervaring met en analyse van de nieuwe OESO-beginselen inzake verrekenprijzen, specifieke Unierichtsnoeren op te stellen waarin wordt uitgelegd hoe de OESO-beginselen moeten worden toegepast en hoe zij binnen de context van de Unie moeten worden geïnterpreteerd, zodat:

–  de economische realiteit van de interne markt wordt weerspiegeld;

–  wordt voorzien in rechtszekerheid, duidelijkheid en billijkheid voor de lidstaten en voor de binnen de Unie opererende ondernemingen;

–  het risico wordt verkleind dat de regels worden misbruikt met het oog op winstverschuiving.

Aanbeveling C6. Incongruenties door hybride structuren

Het Europees Parlement dringt er bij de Europese Commissie op aan met een wetgevingsvoorstel te komen om ofwel:

–  nationale definities van schuld, vermogen, en niet-transparante en transparante entiteiten te harmoniseren, de toekenning van activa en passiva aan een vaste inrichting te harmoniseren en de verdeling van kosten en winsten tussen de verschillende entiteiten binnen dezelfde groep te harmoniseren; ofwel

–  dubbele niet-belastingheffing te voorkomen in het geval van incongruenties.

Aanbeveling C7. Wijziging van de Unie-regels inzake belastinggerelateerde staatssteun

Het Europees Parlement dringt er bij de Europese Commissie op aan uiterlijk halverwege 2017 met een voorstel te komen voor:

–  richtsnoeren inzake staatssteun waarin duidelijk wordt gemaakt hoe de Commissie gevallen van belastinggerelateerde staatssteun definieert, om aldus zowel bedrijven als lidstaten meer rechtszekerheid te bieden, daarbij rekening houdend met het feit dat dergelijke richtsnoeren in andere sectoren zeer effectief zijn gebleken bij het stoppen en ontkrachten van praktijken in de lidstaten die in strijd zijn met de Uniewetgeving inzake staatssteun; dit effect kan alleen worden bereikt via zeer gedetailleerde richtsnoeren die ook getalsmatige drempels omvatten;

–  het publiekelijk identificeren van vormen van belastingbeleid die niet in overeenstemming zijn met staatssteunbeleid, teneinde bedrijven en lidstaten sturing en verbeterde rechtszekerheid te bieden; hiertoe dient de Commissie middelen toe te wijzen aan DG Mededinging zodat het doeltreffend kan optreden bij gevallen van ongeoorloofde staatssteun (inclusief selectieve belastingvoordelen).

Het Europees Parlement dringt er eveneens bij de Europese Commissie op aan op de langere termijn na te gaan of het mogelijk is de bestaande regels te veranderen, om te voorkomen dat de na een inbreuk op de staatsteunregels van de Unie teruggevorderde bedragen worden uitgekeerd aan de lidstaat die de illegale belastinggerelateerde steun heeft toegekend, zoals thans het geval is. De teruggevorderde staatssteun zou bijvoorbeeld kunnen terugvloeien naar de Uniebegroting of kunnen worden uitgekeerd aan de lidstaten die het slachtoffer zijn geweest van uitholling van hun belastinggrondslag.

Aanbeveling C8. Wijziging van Richtlijnen 90/435/EEG(26), 2003/49/EG en 2005/19/EG van de Raad en andere relevante Uniewetgeving en invoering van een algemene antimisbruikregel

Het Europees Parlement dringt er bij de Europese Commissie op aan met een voorstel te komen:

–  om, in navolging van de invoering van de algemene antimisbruikregel in Richtlijn 90/435/EEG, zo spoedig mogelijk over te gaan tot de invoering van een algemene antimisbruikregel in Richtlijn 2003/49/EG en met voorstellen te komen voor een algemene antimisbruikregel in Richtlijn 2005/19/EG en andere relevante Uniewetgeving;

–  om een algemene antimisbruikregel op te nemen in alle toekomstige Uniewetgeving die betrekking heeft op of gevolgen heeft voor belastingaangelegenheden;

–  om, in verband met Richtlijn 2003/49/EG, naast de introductie van een algemene antimisbruikregel, tevens de voor lidstaten geldende vereiste van een gunstige behandeling van de uitkering van rente en royalty’s te schrappen indien er geen sprake is van effectieve belastingheffing elders in de Unie;

–  om, in verband met Richtlijn 2005/19/EG, naast de introductie van een algemene antimisbruikregel, tevens aanvullende transparantieverplichtingen in te voeren en - indien deze veranderingen onvoldoende blijken om agressieve fiscale planning te voorkomen - een bepaling inzake een minimumafdracht in te voeren als vereiste voor "fiscale voordelen" (zoals geen dividendbelasting) of andere maatregelen met een vergelijkbaar effect.

Aanbeveling C9. Betere mechanismen voor de beslechting van grensoverschrijdende belastinggeschillen

Het Europees Parlement dringt er bij de Europese Commissie op aan voor de zomer van 2016 met een voorstel te komen

–  om de huidige mechanismen voor de beslechting van grensoverschrijdende belastinggeschillen binnen de Unie te verbeteren, waarbij niet alleen aandacht moet worden besteed aan gevallen van dubbele belastingheffing, maar ook van dubbele niet-belastingheffing. Doel is een gecoördineerde Uniebenadering met betrekking tot geschillenbeslechting tot stand te brengen, met duidelijkere regels en striktere termijnen, waarbij wordt voortgebouwd op reeds bestaande systemen.

–  De werkzaamheden en de besluitvorming van het mechanisme voor geschillenbeslechting moeten transparant zijn teneinde de onzekerheid voor bedrijven wat betreft de toepassing van de belastingwetgeving te beperken.

Aanbeveling C10. Invoering van een bronbelasting of een maatregel met een vergelijkbaar effect om te voorkomen dat winsten de Unie onbelast verlaten

Het Europees Parlement dringt er bij de Europese Commissie op aan voor de zomer van 2016 met een voorstel te komen om een bronbelasting of een maatregel met een vergelijkbaar effect in te voeren om ervoor te zorgen dat alle binnen de Unie gegenereerde winsten die de Unie te zijner tijd zullen verlaten, ten minste een maal effectief in de Unie worden belast alvorens zij naar buiten de Unie worden overgebracht.

D.  Andere maatregelen

Aanbeveling D1. Aanvullende maatregelen om de belastingkloof aan te pakken

Het Europees Parlement dringt er bij de Europese Commissie op aan tevens aandacht te besteden aan andere factoren dan agressieve fiscale planning en activiteiten op het gebied van grondslaguitholling en winstverschuiving, die bijdragen tot de huidige belastingkloof, met inbegrip van:

–  onderzoek naar de oorzaken van geringe doeltreffendheid bij belastinginning, inclusief de inning van btw;

–  onderzoek naar de oorzaken van oneerlijke belastingheffing of geringe geloofwaardigheid van belastinginstanties op andere gebieden dan de vennootschapsbelasting;

–  vaststelling van beginselen voor belastingkwijtscheldingsregelingen, met inbegrip van de omstandigheden waaronder dergelijke regelingen passend worden geacht en wanneer andere beleidsopties de voorkeur verdienen, evenals de verplichting voor de lidstaten om de Commissie op voorhand op de hoogte te stellen van eventuele nieuwe fiscale amnestieregelingen, teneinde de negatieve gevolgen van dergelijke regelingen op de toekomstige belastinginning weg te nemen;

–  voorstellen voor een minimumniveau aan transparantie voor door nationale regeringen gehanteerde "inkeerregelingen" en discretionaire belastingverlagingen;

–  meer vrijheid voor de lidstaten om de naleving, en in het bijzonder de niet-naleving, door ondernemingen van de belastingwetgeving, mee te laten wegen bij de gunning van overheidsopdrachten;

–  waarborgen dat belastingautoriteiten volledige en betekenisvolle toegang krijgen tot centrale registers van uiteindelijke begunstigden voor zowel ondernemingen als trusts, en dat deze registers op adequate wijze worden bijgehouden en geverifieerd.

Dit kan worden bereikt indien de lidstaten de vierde antiwitwasrichtlijn snel omzetten om zo te zorgen voor brede en vereenvoudigde toegang tot informatie in centrale registers van uiteindelijke begunstigden, ook voor maatschappelijke organisaties, journalisten en burgers.

(1) http://ec.europa.eu/taxation_customs/resources/documents/taxation/gen_info/economic_analysis/tax_structures/2014/report.pdf
(2) "European added value of legislative report on bringing Transparency, coordination and convergence to corporate tax policies in the European Union", door Dr. Benjamin Ferrett, Daniel Gravino en Silvia Merler– nog niet gepubliceerd.
(3) Aangenomen teksten van 8.7.2015, P8_TA(2015)0257.
(4) http://ec.europa.eu/finance/consultations/2015/further-corporate-tax-transparency/index_en.htm.
(5) Zoals het Fair Tax Mark: http://www.fairtaxmark.net/.
(6) Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1).
(7) http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?pubRef=-//EP//TEXT+REPORT+A8-2015-0040+0+DOC+XML+V0//NL
(8) Richtlijn 2003/49/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten (PB L 157 van 26.6.2003, blz. 49).
(9) Richtlijn 2005/19/EG van de Raad van 17 februari 2005 tot wijziging van Richtlijn 90/434/EEG betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten (PB L 58 van 4.3.2005, blz. 19).
(10) Aangenomen teksten van 8.7.2015, P8_TA(2015)0257.
(11) Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (Verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124/EG, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 1).
(12) http://www.coe.int/t/dghl/standardsetting/cdcj/Whistleblowers/protecting_whistleblowers_en.asp
(13) COM(2012)0722.
(14) https://circabc.europa.eu/faces/jsp/extension/wai/navigation/container.jsp
(15) http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2009:0201:FIN:NL:PDF
(16) http://www.eib.org/attachments/general/governance_of_the_eib_en.pdf
(17) Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 — het Europees Fonds voor strategische investeringen (PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1).
(18) http://ec.europa.eu/priorities/jobs-growth-investment/plan/docs/proposal_regulation_efsi_en.pdf
(19) Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).
(20) Verordening (EU) Nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).
(21) Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608).
(22) Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671).
(23) http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?pubRef=-//EP//TEXT+TA+P7-TA-2013-0026+0+DOC+XML+V0//NL
(24) Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).
(25) http://www.ebrd.com/news/publications/institutional-documents/basic-documents-of-the-ebrd.html
(26) Richtlijn 90/435/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (PB L 225 van 20.8.1990, blz. 6).


Betrekkingen EU-China
PDF 248kWORD 132k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 december 2015 over de betrekkingen EU-China (2015/2003(INI))
P8_TA(2015)0458A8-0350/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de diplomatieke betrekkingen tussen de EU en China die op 6 mei 1975 zijn aangeknoopt,

–  gezien het in 2003 gelanceerde strategische partnerschap EU-China,

–  gezien het voornaamste rechtskader voor de betrekkingen met China, namelijk de handels- en economische samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en China van mei 1985(1), die betrekking heeft op de economische en handelsrelaties en het samenwerkingsprogramma EU-China,

–  gezien de strategische agenda 2020 voor samenwerking tussen de EU en China, die op 21 november 2013 is aangenomen,

–  gezien de gestructureerde politieke dialoog tussen de EU en China, die officieel is gestart in 1994, en de strategische dialoog op hoog niveau over kwesties inzake strategie en buitenlands beleid, die is gestart in 2010, met name de 5e strategische dialoog op hoog niveau tussen de EU en China die plaatshad op 6 mei 2015 in Beijing,

–  gezien de onderhandelingen over een nieuwe partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst die worden gevoerd sinds 2007,

–  gezien de onderhandelingen over een bilaterale investeringsovereenkomst die zijn gestart in januari 2014,

–  gezien de 17e EU-China-top, die plaatshad op 29 juni 2015 in Brussel, en de gezamenlijke verklaring die aan het slot hiervan is gepubliceerd,

–  gezien de opmerkingen van Donald Tusk, voorzitter van de Europese Raad, van 29 juni 2015 tijdens de gezamenlijke persconferentie met de Chinese premier Li Keqiang naar aanleiding van de 17e EU-China-top, waarin hij uitdrukking gaf aan de "bezorgdheid [van de EU] over de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging in China, met inbegrip van de situatie van personen die tot minderheden behoren, zoals de Tibetanen en de Oeigoeren" en waar hij "China aanmoedigde een betekenisvolle dialoog met de vertegenwoordigers van de Dalai Lama te hervatten",

–  gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 24 oktober 2006 met als titel "EU – China: Hechtere partners, groeiende verantwoordelijkheden" (COM(2006)0631),

–  gezien de beleidsrichtsnoeren voor Oost-Azië van de Raad,

–  gezien de conclusies van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 11-12 december 2006 met als titel "Strategisch partnerschap EU-China",

–  gezien het strategiedocument van de Commissie voor China 2007-2013, het indicatief meerjarenprogramma 2011-2013, en de tussentijdse evaluatie van het strategiedocument en de herziening van het meerjarig indicatief programma 2011-2013 van 2010,

–  gezien het allereerste beleidsdocument van China over de EU van 13 oktober 2003,

–  gezien de goedkeuring van de nieuwe wet op de nationale veiligheid door het permanente comité van het Chinese Nationale Volkscongres van 1 juli 2015 en de publicatie van het tweede ontwerp van een nieuwe wet op het beheer van buitenlandse ngo's van 5 mei 2015,

–  gezien het witboek over China’s militaire strategie van 26 mei 2015,

–  gezien de dialoog tussen de EU en China over de mensenrechten, die is gestart in 1995, en de 32e ronde hiervan die is gehouden op 8-9 december 2014 in Beijing,

–  gezien de 60 sectorale dialogen die tussen China en de EU lopen, onder meer met betrekking tot het milieu, regionaal beleid, werkgelegenheid en sociale zaken, en het maatschappelijk middenveld,

–  gezien de instelling in februari 2012 van de intermenselijke dialoog op hoog niveau tussen de EU en China, die als kader dient voor alle gezamenlijke initiatieven van de EU en China op dit gebied,

–  gezien de overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de EG en China, die in werking is getreden in 2000(2), en de partnerschapsovereenkomst inzake wetenschap en technologie, die is ondertekend op 20 mei 2009,

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van de EU en China over klimaatverandering die is gepubliceerd tijdens de 17e EU-China-top in juni 2015 en de voorgenomen nationaal vastgestelde bijdragen (Intended Nationally Determined Contributions, INDC's) die op 30 juni 2015 door China zijn ingediend in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de EU en China over energiezekerheid die is afgelegd op 3 mei 2012 in Brussel en de Energiedialoog tussen de EG en China,

–  gezien de rondetafelconferenties van de EU en China,

–  gezien het 18e Nationaal Congres van de Communistische Partij van China, dat plaatsvond van 8 tot 14 november 2012, en de veranderingen in de leiding van het Permanent Comité van het Politburo waartoe tijdens dit congres is besloten,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 16 december 1966,

–  gezien de resultaten van de vierde plenaire vergadering van het 18e centraal comité van de Chinese Communistische Partij (vierde plenum), die plaatshad op 20-23 oktober 2014,

–  gezien de verklaring van de voorzitter van de 26e ASEAN-top van 27 april 2015,

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 6 mei 2015, na haar ontmoeting met Chinees premier Li Keqiang,

–  gezien zijn meest recente interparlementaire bijeenkomst met China, die plaatshad op 26 november 2013,

–  gezien zijn recente resoluties over China, met name de resoluties van 23 mei 2012, getiteld "EU en China: handelsonevenwicht?"(3), van 2 februari 2012 over het buitenlands beleid van de EU ten aanzien van de BRIC-landen en andere opkomende wereldmachten: doelstellingen en strategieën(4), van 14 maart 2013 over nucleaire dreigingen en mensenrechten in de Democratische Volksrepubliek Korea(5), van 17 april 2014 over de situatie in Noord-Korea(6), van 5 februari 2014 over het beleidskader voor klimaat en energie 2030(7) en van 12 maart 2015 over het jaarverslag van de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement (GBVB)(8),

–  gezien zijn resoluties van 7 september 2006 over de betrekkingen tussen de EU en China(9), van 5 februari 2009 over de economische en handelsbetrekkingen met China(10), van 14 maart 2013 over de betrekkingen van de EU met China(11), van 9 oktober 2013 over de onderhandelingen tussen de EU en China met betrekking tot bilaterale investeringsovereenkomst(12) en van 9 oktober 2013 over de handelsbetrekkingen EU‑Taiwan(13),

–  onder verwijzing naar zijn mensenrechtenresoluties van 26 november 2009 over China: de rechten van minderheden en de toepassing van de doodstraf(14), van 10 maart 2011 over de situatie en het cultureel erfgoed in Kashgar (Autonome Regio Xinjiang Oeigoer, China)(15), van 5 juli 2012 over het schandaal van gedwongen abortussen in China(16), van 12 december 2013 over de orgaanhandel in China(17) en van 13 maart 2014 over EU‑prioriteiten voor de 25e vergadering van de VN-Raad voor de mensenrechten(18),

–  gezien het na het politieoptreden op het Tiananmen-plein van juni 1989 ingestelde wapenembargo van de EU, dat door het Parlement is gesteund in zijn resolutie van 2 februari 2006 over het jaarlijks verslag van de Raad aan het Europees Parlement over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzen van het GBVB(19),

–  gezien zijn resolutie van 7 juli 2005 over de betrekkingen tussen de EU, China en Taiwan en de veiligheid in het Verre Oosten(20),

–  gezien zijn eerdere resoluties over Tibet, met name die van 25 november 2010 over Tibet: plannen om het Chinees tot voornaamste onderwijstaal te maken(21), van 27 oktober 2011 over Tibet, met name zelfverbranding door nonnen en monniken(22), en van 14 juni 2012 over de situatie van de mensenrechten in Tibet(23),

–  gezien de negen onderhandelingsronden van 2002 tot 2010 tussen hoge vertegenwoordigers van de Chinese regering en de Dalai Lama, gezien het witboek van China inzake Tibet, getiteld "Tibet's Path of Development Is Driven by an Irresistible Historical Tide", gepubliceerd op 15 april 2015 door het Chinese Voorlichtingsbureau van de Staatsraad, gezien het memorandum van 2008 en de nota van 2009 over daadwerkelijke autonomie, beide uitgegeven door de vertegenwoordigers van de 14e Dalai Lama,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0350/2015),

A.  overwegende dat 2015 de 40e verjaardag is van de diplomatieke betrekkingen tussen de EU en China; overwegende dat het strategisch partnerschap tussen de EU en China van essentieel belang is voor de betrekkingen tussen de EU en de Chinese Volksrepubliek en voor het vinden van gezamenlijke oplossingen voor een aantal kwesties dat wereldwijd bezorgdheid wekt en het identificeren van gemeenschappelijke belangen, zoals de mondiale en regionale veiligheid, de bestrijding van terrorisme, de bestrijding van georganiseerde misdaad, cyberveiligheid, massavernietigingswapens en nucleaire non-proliferatie, continuïteit van de energievoorziening, de mondiale regulering van de financiën en de markten, klimaatverandering en duurzame ontwikkeling, alsook het opzetten van een kader voor de aanpak van bilaterale kwesties tussen de EU en China;

B.  overwegende dat China en de EU in 2013 de onderhandelingen over een bilaterale investeringsovereenkomst zijn gestart;

C.  overwegende dat China een belangrijke handelspartner is van de EU, met een enorme en groeiende markt; overwegende dat de lopende onderhandelingen over het investeringsverdrag een van de belangrijkste kwesties vormen in de bilaterale economische en handelsbetrekkingen tussen de EU en China;

D.  overwegende dat China onder leiding van Xi Jinping, secretaris-generaal van de Chinese Communistische Partij en Chinees president, een reeks initiatieven heeft gestart, onder andere een project inzake een "nieuwe zijderoute", om China economisch te integreren met Centraal-Azië, en uiteindelijk met Europa en Afrika, de oprichting van de Aziatische Investeringsbank voor infrastructuur (Asian Infrastructure Investment Bank, AIIB), een strategisch belangrijk energieakkoord met Rusland inzake de levering van 38 miljard kubieke meter aan aardgas op jaarbasis, de aanleg van een oliepijpleiding en andere gezamenlijke olie-exploratie en -exploitatieprojecten in China, overwegende dat China de afgelopen jaren in toenemende mate een actief investeringsbeleid in zowel de EU als zijn oostelijke buurlanden heeft nagestreefd;

E.  overwegende dat president Xi Jinping het startsein heeft gegeven voor het "Chinese Droom"-initiatief, dat is gepresenteerd als concept en visie voor de verwezenlijking van de nationale verjonging en de opbouw van een gematigd welvarende samenleving gemeten over een breed scala aan economische, sociale, culturele en politieke dimensies, alsmede voor de opbouw van China tot een volledig ontwikkeld land tegen 2049;

F.  overwegende dat China de laatste twintig jaar een enorme economische groei heeft doorgemaakt en dat 600 miljoen Chinezen inmiddels aan de armoede zijn ontstegen;

G.  overwegende dat de Chinese beurskrach van 2015 een negatieve invloed heeft gehad op de mondiale financiële stabiliteit, met inbegrip van die van de EU;

H.  overwegende dat China’s beleid inzake gezinsplanning heeft geleid tot een snel verouderingsproces van de bevolking sinds de jaren '80, met meer dan 200 miljoen burgers die op dit moment ouder zijn dan 60;

I.  overwegende dat de aantasting van het milieu in China een dramatische omvang heeft gekregen en dat een steeds dringender, sterker en gerichter optreden van de overheid nodig is; overwegende dat op de recente top EU-China ook de thema's duurzame ontwikkeling en klimaatverandering aan bod kwamen met de aanneming van een gezamenlijke verklaring over klimaatverandering;

J.  overwegende dat China de noodzaak erkent om de dreiging die uitgaat van klimaatverandering, te ondervangen, en dat China zich verbindt tot het aannemen van een protocol of een ander rechtsinstrument, waardoor een alomvattend akkoord over de kwestie kan worden bereikt tijdens de conferentie over klimaatverandering in Parijs;

K.  overwegende dat de populaire campagne die president Xi voert tegen corruptie, die is gelanceerd in 2012 en die de bestuursproblemen moet aanpakken door functionarissen van de Partij, de overheid, het leger en de staatsbedrijven die verdacht worden van corruptie, aan te pakken, onder vooraanstaanden het ene slachtoffer heeft gemaakt na het andere, door de onthulling, niet alleen van gevallen van omkoperij, maar ook van enorme fortuinen die door Chinese leiders zijn vergaard, en door duidelijk te maken dat het politieke systeem is geïnfiltreerd door machtige criminele netwerken;

L.  overwegende dat buitenlandse ngo's goed gedijen en een cruciale rol spelen in de ontwikkeling van lokale ngo's en het openstellen van China sinds de hervorming;

M.  overwegende dat China omwille van de nationale veiligheid dit jaar drie nieuwe wetsontwerpen heeft gepubliceerd die ook wettelijke bepalingen voorschrijven inzake cyberveiligheid en ngo's;

N.  overwegende dat in 2013 2014 Beijing, Kunming en Urumqi het doelwit waren van grote en gewelddadige terroristische aanvallen, met 72 doden en 356 gewonden; overwegende dat China een terrorismebestrijdingswet voorbereidt, hetgeen aangeeft dat de overheid de strijd tegen terrorisme de hoogste prioriteit geeft;

O.  overwegende dat de Wetgevende Vergadering van Hongkong tegen een controversieel voorstel heeft gestemd op grond waarvan de kiezers in Hongkong weliswaar hun eigen hoofd van het bestuur kunnen kiezen, maar enkel uit een groep kandidaten die zijn gekeurd door een pro-Beijings comité; overwegende dat juist dit voorstel aanleiding vormde voor de krachtige protesten van de 79 dagen durende prodemocratische Paraplubeweging tussen eind september en half december 2014;

P.  overwegende dat de nieuwe Chinese leiders de opkomst van de Volksrepubliek China beschouwen als een onomkeerbare ontwikkeling, met als gevolg een verschuiving van een reagerende naar een proactieve diplomatie;

Q.  overwegende dat in het nieuwe witboek over China’s militaire strategie wordt gesteld dat de traditionele opvatting dat land voorgaat op zee, moet worden verlaten en dat meer belang moet worden gehecht aan het beheer van de zeeën en de bescherming van de maritieme rechten en belangen; overwegende dat China het VN-Verdrag inzake het recht van de zee (UN Convention on the Law of the Sea, UNCLOS) niet erkent met betrekking tot het conflict in de Zuid- en Oost-Chinese Zee;

R.  overwegende dat China en de ASEAN-landen in een gedragsverklaring van 2002 hebben toegezegd de omstandigheden te creëren voor een vreedzame en duurzame oplossing in de Zuid-Chinese Zee; maar dat de spanningen met naburige landen als Taiwan, Vietnam, de Filipijnen, Maleisië en Brunei echter toenemen;

S.  overwegende dat China de belangrijkste politieke medestander en de grootste investeerder, hulpdonor, leverancier van levensmiddelen en energie en handelspartner is van Noord-Korea; overwegende dat Chinese experts onlangs hebben onthuld dat Noord‑Korea mogelijk al beschikt over 20 kernkoppen;

T.  overwegende dat Rusland en China in de nasleep van de Oekraïense crisis hun bilaterale betrekkingen op niet eerder geziene wijze hebben geïntensiveerd;

U.  overwegende dat Rusland en China op 8 mei 2015 een bilaterale overeenkomst hebben ondertekend inzake 'informatiebeveiliging', waarin cyberdreigingen worden gedefinieerd als de overdracht van informatie die een gevaar kan vormen voor "de sociaal-politieke en sociaaleconomische systemen en het geestelijke, morele en culturele klimaat van landen";

V.  overwegende dat China sinds 2005 kredieten heeft verstrekt aan Latijns-Amerikaanse landen voor een totale waarde van ongeveer 100 miljard USD; overwegende dat China voor Brazilië momenteel de belangrijkste handelspartner is en de tweede voor bijvoorbeeld Argentinië, Venezuela en Cuba;

W.  overwegende dat de Chinese regering erkent dat de mensenrechten belangrijk zijn en dat zij een universeel karakter hebben, maar dat zij nalaat tastbare resultaten te presenteren in de zin van verbetering van haar staat van dienst op het vlak van mensenrechten;

X.  overwegende dat China officieel en in naam de universaliteit van de mensenrechten heeft geaccepteerd en de laatste dertig jaar heeft gekozen voor het internationale mensenrechtenkader door een breed scala aan mensenrechtenverdragen te ondertekenen, waardoor het land deel van het internationale juridische en institutionele mensenrechtenkader uitmaakt;

Y.  overwegende dat president Xi begin 2015 publiek heeft aangekondigd de rechtsstaat in het hele land te willen verbreiden, in de overtuiging dat voor een moderne economie en maatschappij in China een effectieve justitie een noodzaak is;

Z.  overwegende dat de Chinese Communistische Partij vijf religies erkent, die uiteindelijk worden gecontroleerd door de centrale afdeling voor het eenheidsfront van de partij; overwegende dat deze lijst exclusief is en dat andere religies en cultussen derhalve worden gediscrimineerd;

AA.  overwegende dat de EU en China al sinds 1995 een dialoog over de mensenrechten voeren;

AB.  overwegende dat de Europese ombudsman in de ontwerpaanbeveling die is aangenomen op 26 maart 2015, kritiek heeft geuit op de afwezigheid van een mensenrechteneffectbeoordeling van het ISDS-mechanisme in het kader van de onderhandelingen voor een handels- en investeringsverdrag met Vietnam; overwegende dat dit een belangrijk precedent vormt voor de onderhandelingen over een bilaterale investeringsovereenkomst tussen de EU en China;

AC.  overwegende dat de Tibetanen hun culturele identiteit tot uiting brengen via de Lhakar‑beweging ("witte woensdag"), door 's woensdags alleen Tibetaanse kleding te dragen, alleen Tibetaans te spreken en alleen Tibetaans voedsel te eten; overwegende dat tot op heden meer dan 140 Tibetanen zelfmoord hebben gepleegd door zichzelf in brand te steken als protest tegen het beleid van Beijing in de Tibetaanse Autonome Regio; overwegende dat de dood van lama Tenzin Delek Rinpoche in de gevangenis onlangs heeft geleid tot nieuwe spanningen; overwegende dat in Tibet een beleid wordt gevoerd van vestiging van Han-Chinezen; overwegende dat 2015 de 50e verjaardag is van de vestiging van de Tibetaanse autonome regio; overwegende dat er de afgelopen jaren geen vooruitgang is geboekt in de oplossing van de Tibetaanse crisis, aangezien de laatste ronde in het vredesoverleg plaatsvond in 2010;

AD.  overwegende dat de EU zich voor de betrekkingen tussen de Chinese Volksrepubliek en Taiwan houdt aan haar één-China-beleid;

Strategisch partnerschap en samenwerking tussen de EU en China

1.  verheugt zich over de 40e verjaardag van de diplomatieke betrekkingen tussen de EU en China als inspiratiebron voor een versterking van het strategisch partnerschap, dat erg nodig is in een multipolaire en gemondialiseerde wereld, en voor een versnelling van de lopende onderhandelingen over een nieuwe partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst op basis van vertrouwen, transparantie en eerbiediging van de mensenrechten; onderstreept dat beide partijen tijdens de recente EU-China-top van 29 juni 2015 opnieuw hun streven hebben bevestigd dit partnerschap verder uit te diepen; benadrukt dat China een zeer belangrijke internationale macht en tevens een van de belangrijkste partners van de EU is; wijst erop dat de twee partijen vastberaden zijn in de loop van de komende tien jaar het alomvattende strategische partnerschap van de EU en China, dat zowel voordelen zal opleveren voor de EU als voor China, te bevorderen; spreekt zijn steun uit voor de (twee-)jaarlijkse strategische dialoog op hoog niveau, economische en handelsdialoog op hoog niveau en intermenselijke dialoog op hoog niveau en de ruim zestig sectorale dialogen tussen de EU en China over een breed spectrum aan kwesties; dringt erop aan dat deze sectorale dialogen leiden tot groter vertrouwen en tastbare resultaten;

2.  is ingenomen met de uitkomst van de 17e EU-China-top van 29 juni 2015, waarmee de bilaterale betrekkingen naar een nieuw niveau worden getild en een signaal wordt afgegeven voor hechtere politieke samenwerking, die verder gaat dan louter handelsbetrekkingen, maar die meer in de richting gaat van een gecoördineerde strategische aanpak voor de oplossing van gemeenschappelijke mondiale problemen en gevaren; neemt nota van het feit dat beide partijen de geboekte vooruitgang bij de uitvoering van de strategische agenda voor samenwerking tussen EU en China 2020 volledig hebben erkend en dat er een bilateraal beoordelingsmechanisme op ambtenarenniveau wordt ingesteld om het vervolg bij te houden; verwelkomt het feit dat beide partijen tijdens de top een reeks prioriteiten zijn overeengekomen om hun bilaterale samenwerking kracht bij te zetten en de mondiale dimensie van hun strategisch partnerschap verder uit te diepen;

3.  benadrukt het feit dat de EU-lidstaten met de Chinese regering moeten spreken met één stem, met name gelet op het diplomatieke dynamisme waarvan Beijing op dit moment blijk geeft en op de aanpassing door Beijing van de mondiale architectuur op het gebied van governance; onderschrijft de conclusie van de onderhandelingen over de artikelen van overeenkomst voor de AIIB en ziet uit naar hechte samenwerking van de EU en de AIIB in de toekomst; betreurt het ontbreken van een grondig debat en van nauwe samenwerking op EU-niveau met betrekking tot het AIIB-lidmaatschap van lidstaten; benadrukt het feit dat het handels- en investeringsbeleid belangrijk is, als meest voor de hand liggende beleidsterrein om te zorgen voor een maximale hefboomwerking van de strategische betrekkingen met China; neemt kennis van de recentelijk ontwikkelde samenwerking tussen China en een aantal Midden- en Oost-Europese landen, ook wel de groep 16+1 genoemd, waarvan diverse EU-lidstaten deel uitmaken, maar is van mening dat dit de EU niet mag verdelen en haar positie ten opzichte van China niet mag verzwakken en dat dit hierbij ook mensenrechtenkwesties moeten worden aangepakt; verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden en de Commissie een jaarverslag aan het Europees Parlement voor te leggen met betrekking tot de ontwikkeling van de betrekkingen tussen de EU en China; pleit voor versterking van een afdwingbaar en op regels gebaseerd handels- en investeringsklimaat met China;

4.  erkent dat China een belangrijkere rol moet spelen in multilaterale financiële instellingen, een rol die een betere weerslag vormt van de omvang van de economie van het land; beschouwt de recentelijk opgerichte AIIB als een mogelijkheid voor China om zich te manifesteren als verantwoordelijke partij in de multilaterale orde; moedigt de nieuwe instellingen aan afstand te nemen van fouten uit het verleden toen werd geopteerd voor de financiering van grootse infrastructuurprojecten, maar in plaats daarvan voorrang te verlenen aan technische ondersteuning en toegang tot mondiale kennis, en tegelijk ecologische, sociale en ontwikkelingsbelangen voldoende mee te wegen;

5.  Acht het van cruciaal belang dat de Europese inzet bij deelname aan de AIIB bestaat uit: transparante procedures bij de beoordeling van leningen; heldere standaarden voor goed bestuur, sociale verantwoordelijkheid en milieu; aandacht voor de beheersbaarheid van de schuldenlast van lenende landen;

6.  is verheugd over de deelname van diverse lidstaten aan de AIIB; betreurt evenwel het ontbreken van een grondig debat, nauwe samenwerking en een gecoördineerd antwoord en een gecoördineerde aanpak op Europees niveau ten aanzien van de initiatieven van de Chinese regering om nieuwe multilaterale instellingen op te bouwen; vraagt de EU‑instellingen en lidstaten met klem dit te zien als een 'wake-up call', zodat vergelijkbare gebrekkige coördinatie in de toekomst kan worden vermeden;

7.  verwelkomt de politieke overeenkomst om de strategische infrastructurele verbindingen tussen de EU en China te verbeteren; is derhalve ingenomen met het besluit om een connectiviteitsplatform te vestigen met als doel het creëren van een gunstig klimaat voor duurzame en interoperabele grensoverschrijdende infrastructuurnetwerken in landen en regio's tussen de EU en China; prijst in het bijzonder de bereidheid van de EU om dit project op Europees niveau te starten; dringt er bij beide partijen op aan de kansen te grijpen die voortvloeien uit de nauwe onderlinge verbanden tussen beide partners, inclusief samenwerking op het gebied van investeringen in infrastructuur in landen op het traject van de nieuwe zijderoute en de nieuwe maritieme zijderoute;

8.  benadrukt de krachtige groei van de Chinese economie gedurende de laatste twee decennia en wijst erop dat de EU-lidstaten meer voordeel moeten halen uit de mogelijkheden die worden geboden door deze economische ontwikkeling; neemt kennis van het feit dat China geïnteresseerd is in investeringen in strategische infrastructuur in Europa en onderstreept het feit dat op dit gebied met China en andere landen in de regio moet worden samengewerkt aan projecten als China's "Belt and Road"-initiatief en het investeringsplan-Juncker van de EU, inclusief spoorverbindingen, zeehavens en luchthavens; dringt er bij de VV/HV en de Commissie op aan om na te denken over de gevolgen van het mondiale investeringsbeleid van China en zijn investeringsactiviteiten in de EU en de landen van het Oostelijk Nabuurschap; benadrukt, overeenkomstig de eerder vastgestelde standpunten van het Parlement en met volledige eerbiediging van de bevoegdheden van de INTA-commissie, het feit dat de bilaterale investeringsovereenkomst tussen de EU en China waarover momenteel wordt onderhandeld, belangrijk is; verzoekt om de opname van een volwaardig hoofdstuk over duurzame ontwikkeling in de bilaterale investeringsovereenkomst, waarin wordt voorzien in bindende afspraken met betrekking tot de fundamentele arbeidsnormen van de IAO en belangrijke multilaterale milieuovereenkomsten; onderstreept dat Europese bedrijven steeds vaker klagen dat zij lijden onder onzekere regelgeving en discriminatie; benadrukt het feit dat het belangrijk is dat de lopende onderhandelingen over een investeringsovereenkomst een geslaagd resultaat opleveren, voor een verdere facilitering van investeringen en de tenuitvoerlegging van bescherming van investeringen, markttoegang, inclusief overheidsaanbestedingen, en een eerlijke behandeling van bedrijven zowel in Europa als in China; vraagt bijkomende maatregelen en een actieve follow-up om te zorgen voor evenwichtigere handelsbetrekkingen, door de verwijdering van handels- en investeringsbelemmeringen voor Europese bedrijven; verzoekt China en de EU de samenwerking verder te versterken, teneinde de toegang van kmo's tot beide markten te verbeteren; ondersteunt het streven van de EU en China naar een open mondiale economie en een eerlijk, transparant en op regels gebaseerd handels- en investeringsklimaat, ter waarborging van gelijke voorwaarden en ter voorkoming van protectionisme;

9.  neemt in dit opzicht nota van de lancering van het initiatief "One Belt, One Road", gericht op de aanleg van belangrijke energie- en communicatieverbindingen door Midden-, West- en Zuid-Azië, helemaal tot in Europa; gelooft dat dit initiatief gelet op het geostrategische belang moet worden nagestreefd in een multilateraal verband; is van mening dat het van het allergrootste belang is om op basis van volledige transparantie en met betrokkenheid van alle belanghebbenden synergieën en projecten te ontwikkelen;

10.  vraagt nauwere samenwerking tussen de EU en China op gebieden van strategisch belang als de G20, veiligheid en defensie, terrorismebestrijding, illegale migratie, transnationale misdaad, nucleaire non-proliferatie, mondiale en regionale veiligheid, cybersecurity, massavernietigingswapens, continuïteit van de energievoorziening, mondiale governance en regulering met betrekking tot financiën en markten en klimaatverandering, alsmede urbanisatie-, ontwikkelings- en hulpprogramma's en duurzame ontwikkeling; benadrukt hoe belangrijk de samenwerking op het gebied van regionale ontwikkeling is, evenals de dialoog en de uitwisseling met betrekking tot de Europa 2020-strategie en het aangekondigde 13e Chinese vijfjarenplan;

11.  roept de EDEO op te waarborgen dat mensenrechten hoog op de agenda staan in de betrekkingen en dialogen met China;

12.  vraagt dat de toezeggingen die in maart 2014 tijdens het bezoek van president Xi aan Brussel zijn gedaan om de onderlinge contacten tussen de EU en China inzake mensenrechtenkwesties te verdiepen, ook echt vergezeld gaan van tastbare verbeteringen van de situatie in de praktijk;

13.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan met China in gesprek te blijven door middel van een constructieve dialoog om het land aan te moedigen de overgang naar een rechtsstaat en het respect voor de mensenrechten te maken en de integratie van het land in de wereldeconomie te bevorderen;

14.  is ingenomen met de verdieping van het partnerschap tussen de EU en China inzake verstedelijking; vraagt om verdere samenwerking ten aanzien van stedelijke planning en ontwerp, overheidsdiensten, groene gebouwen en slim vervoer; pleit voor de introductie van nieuwe gezamenlijke programma's waar Europese en Chinese steden en bedrijven bij betrokken zijn;

15.  verwelkomt de gezamenlijke verklaring van de derde bijeenkomst van de intermenselijke dialoog op hoog niveau tussen de EU en China van dinsdag 15 september 2015; onderstreept het belang van intermenselijke uitwisseling en van bevordering van de uitwisseling tussen burgers van de EU en Chinese burgers; steunt de ontwikkeling van de interpersoonlijke dialoog op hoog niveau, waarmee moet worden gefocust op gezamenlijke projecten, goede praktijken moeten worden gedeeld en intermenselijke uitwisseling moet worden bevorderd; wijst erop dat met name de uitwisseling van deskundigen en studenten aan beide zijden moet worden bevorderd;

16.  is bezorgd over dumpingpraktijken en het gebrek aan transparantie ten aanzien van de beleidsmaatregelen en subsidies van de Chinese regering door middel van belastingkortingen, toewijzing van grond, goedkope kredieten, gesubsidieerde grondstoffen en andere maatregelen;

17.  is bezorgd over de belemmeringen die de Europese ondernemingen ervaren op de Chinese markt, zoals gedwongen technologieoverdracht, zwakke handhaving van intellectuele-eigendomsrechten en discriminerende behandeling; onderstreept het belang van markthervorming in China, de tenuitvoerlegging van beginselen van markteconomie en de uitbanning van discriminatie en onrechtmatige beperkingen;

18.  erkent de mogelijkheden die voortvloeien uit Chinese investeringen in Europa in het kader van het Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI); onderstreept dat het fonds openstaat voor investeringen van een aantal marktdeelnemers, maar dat het niettemin onder EU-bestuur moet blijven;

19.  erkent dat het nog een hele uitdaging is om de Chinese economie in het kader van 'het nieuwe normaal' op een echt duurzaam pad te krijgen; gelooft dat een prominente deelname van China aan internationale economische instellingen, zoals het IMF, positief zou kunnen bijdragen aan een duurzamere en evenwichtigere Chinese en mondiale economie, evenals aan de hervorming van dergelijke organisaties; dringt er bij de Chinese autoriteiten op aan betrouwbare statistieken te leveren en de transparantie over de toestand van de economie te vergroten;

20.  stelt met bezorgdheid vast dat de Chinese beursindexen in de afgelopen maanden een derde van hun waarde hebben verloren en dat de handel in de aandelen van honderden bedrijven is opgeschort wegens de buitensporige waardedaling; uit zijn bezorgdheid over de huidige financiële crisis waaronder China en met name zijn aandelenmarkten momenteel te lijden hebben en erkent dat deze crisis een gevaar vormt voor de mondiale economie, gezien de prominente rol van het land in de wereldhandel en het mondiale financiële stelsel; dringt er bij de Chinese autoriteiten op aan de uitdaging van de overgang van het huidige economische model naar een duurzame economie aan te gaan; Constateert dat de recente dramatische beursdalingen in China de controlecultuur van de overheid frontaal confronteerden met de inherente volatiliteit van de financiële markten;

21.  verwelkomt het feit dat de laatste decennia een aanzienlijk aantal Chinese burgers zich als gevolg van de forse economische groei en de geleidelijke openstelling van de Chinese economie aan de armoede heeft kunnen ontworstelen; uit niettemin zijn bezorgdheid dat deze economische verbeteringen vaak milieuproblemen en grote ongelijkheden tot gevolg hebben;

22.  verwelkomt het feit dat beide partijen in de recente gezamenlijke verklaring van de EU en China inzake klimaatverandering, zoals aangenomen tijdens de top van 29 juni 2015, hun vaste voornemen hebben uitgesproken om samen te werken aan de verwezenlijking van een ambitieuze en wettelijk bindende overeenkomst tijdens de klimaatconferentie van Parijs in 2015; dringt er bij alle partijen van de conferentie op aan voort te bouwen op de dynamiek die is ontstaan door de verklaringen inzake klimaatverandering van de EU en China en van de VS en China; benadrukt het belang van samenwerking op het vlak van energie teneinde gezamenlijk de diverse problemen ten aanzien van energiezekerheid en de mondiale energiearchitectuur op te lossen;

Binnenlandse situatie

23.  merkt op dat de Chinese regering onder leiding van president Xi een steeds grotere assertiviteit toont, zowel in het binnenland als in het buitenland; wijst erop dat de vrijheid van de burgerrechtenactivisten, advocaten, journalisten, bloggers, academici en andere vertegenwoordigers van de civiele maatschappij van het land wordt ingeperkt op een manier die in jaren niet is gezien; merkt op dat de prestaties van China op het gebied van mensenrechten ernstige bezorgdheid blijven wekken;

24.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de op handen zijnde goedkeuring van de ontwerpwet inzake de omgang met buitenlandse ngo's, aangezien deze wet de bewegingsruimte van het Chinese maatschappelijk middenveld verder zou beperken en de vrijheid van vereniging en meningsuiting in het land ernstig zou inperken, onder andere door te verbieden dat "overzeese ngo's" die niet zijn geregistreerd bij het Chinese ministerie van Openbare Veiligheid en provinciale afdelingen voor de openbare veiligheid Chinese individuen of organisaties financieren en door Chinese groepen te verbieden "activiteiten" te verrichten namens of met toestemming van niet-geregistreerde overzeese ngo's, inclusief ngo's die gevestigd zijn in Hongkong en Macau; verzoekt de Chinese autoriteiten deze wet grondig te herzien om deze in overeenstemming te brengen met de internationale mensenrechtennormen;

25.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het nieuwe wetsontwerp inzake cyberveiligheid, dat de bestaande praktijken op het gebied van internetcensuur en internettoezicht in China versterkt en institutionaliseert en waardoor Europese bedrijven kunnen worden gedwongen verplichte achterpoortjes op te nemen in hun IT-infrastructuur; merkt op dat hervormingsgezinde Chinese juristen en verdedigers van de burgerrechten vrezen dat deze wet de vrijheid van meningsuiting verder zal inperken en de zelfcensuur zal doen toenemen; onderstreept de ernstige negatieve invloed van zowel de cyberveiligheids- als de ngo-wet op de activiteiten van Europese ondernemingen en instellingen in de Volksrepubliek China en roept derhalve de Europese Raad, de EDEO en de Commissie op bij de Chinese autoriteiten krachtig bezwaar te blijven aantekenen tegen deze zeer controversiële maatregelen; is bezorgd over China's brede definitie van "nationale veiligheid" en "grote bedreigingen" in zijn nieuwe wet inzake de nationale veiligheid, waarin "schadelijke culturele invloeden" als bedreiging zijn opgenomen; concludeert dat deze wet China's nationale veiligheidsbelangen dermate breed en vaag formuleert dat de Chinese overheid nagenoeg onbeperkte mogelijkheden worden geboden om op te treden tegen in haar ogen onwelgevallige acties, personen of publicaties;

26.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat hoewel de campagne tegen corruptie die door de Chinese regering is gestart een lovenswaardige poging is om het vertrouwen van de burgers in de regering te bevorderen, deze wordt gekenmerkt door een gebrek aan transparantie en in de meeste gevallen niet in overeenstemming is met de rechtsstaat; merkt op dat de campagne in sommige gevallen wordt misbruikt voor interne conflicten en om de rol en macht van de Chinese Communistische Partij te versterken; betreurt echter het feit dat deze campagne is gevoerd op een manier die de rechtsstaat verder ondermijnt en dat beschuldigde ambtenaren op onrechtmatige wijze zouden zijn vastgehouden, zonder juridische basisbescherming, en vaak werden gedwongen te bekennen;

27.  drukt zijn meeleven uit met de nabestaanden van de meer dan 173 slachtoffers van de vernietigende explosies in de havenstad Tianjin op 12 augustus 2015, waardoor duizenden bewoners ontheemd zijn; wijst op het toenemende aantal vreedzame en massale milieuprotesten in verschillende delen van het land; wijst op de illegale opslag van duizenden tonnen hoogst giftige chemische stoffen op de onwettige afstand van nog geen 600 meter van woongebied; acht het trage en verhullende officiële informatiebeleid inzake de ramp in Tianjin zeer contraproductief, zeker in combinatie met de getroffen censuurmaatregelen contra sociale mediameldingen over deze grote tragedie; benadrukt het belang van de tenuitvoerlegging van alle industriële veiligheidsnormen overeenkomstig de Chinese en internationale wetgeving en verzoekt de Chinese regering de veiligheids- en milieunormen voor gevaarlijke productie aan te scherpen en deze in de eerste plaats in overeenstemming te brengen met China's eigen wetgeving;

28.  merkt op dat de explosies van 12 augustus 2015 in Tianjin en van 31 augustus 2015 in Dongying duidelijk maken dat China de problemen met de industriële veiligheid dringend op een serieuze manier moet aanpakken, met name in verband met corruptie en straffeloosheid;

29.  onderstreept het feit dat er dringend bijkomende maatregelen nodig zijn ter bescherming van het milieu, bijvoorbeeld gelet op het feit dat in 2014 slechts acht van de 74 grote steden de nationale norm haalden van een luchtvervuilingsconcentratie van PM 2,5 en gezien het feit dat in China jaarlijks 190 miljoen mensen ziek worden als gevolg van verontreinigd water; waarschuwt ervoor dat de dubbele watercrisis (massale vervuiling in combinatie met een toenemend watergebruik) kan leiden tot grote politieke en sociale instabiliteit; herinnert eraan dat de kosten van de aantasting van het milieu in China ook waar te nemen zijn in de buurlanden; wijst op de kosten van de aantasting van het milieu en hoopt dat milieu in het volgende vijfjarenplan een prioriteit zal zijn; wijst er voorts op dat het gebrek aan milieubescherming niet alleen milieuschade veroorzaakt, maar ook oneerlijke concurrentie in de hand werkt; is verheugd over de overeenkomst tussen de EU en China om de samenwerking te versterken teneinde belangrijke uitdagingen op milieugebied, zoals de vervuiling van lucht, water en bodem, aan te pakken; is tevreden met het feit dat op grond van de nieuwe milieubeschermingswet de lokale kaders aansprakelijk zijn, en wel met terugwerkende kracht, voor de milieuschade die is veroorzaakt tijdens hun ambtstermijn en dat de inzet voor de bescherming van het milieu zwaarder zal gaan wegen bij de promotie van deze lokale kaders; dringt er bij zowel de nationale als de lokale autoriteiten op aan om milieuorganisaties en kleinschalige bewegingen op constructieve en actieve wijze te betrekken bij het toezicht op en de uitvoering en handhaving van het milieubeleid en de milieu-initiatieven van China; herinnert eraan dat er bij de EU-China top van juni 2015 ook maatregelen zijn vastgesteld op het gebied van milieubeleid en klimaatverandering, in het kader waarvan China zich moet houden aan de CO2-emissiegrenswaarden, met het oog op de top die in december zal worden gehouden in Parijs en in overeenstemming met de doelstellingen van de strategische agenda 2020, die in 2013 in Beijing is vastgesteld;

30.  is verheugd over de versterkte samenwerking tussen de EU en China en de uitwisseling van ervaringen op het gebied van consumentenrechten en -bescherming en de versterking van de responsieve maatregelen van de Chinese regering op dit gebied, met strengere regels inzake de verantwoordelijkheden van detailhandelaren in het kader van de professionele gedragscode voor aangelegenheden als verplichtingen op het gebied van retourzendingen en reparaties, mogelijke fraude, misleidende en frauduleuze publiciteit, regelingen voor voorafgaande betaling en de bescherming van de persoonsgegevens van consumenten, met name gezien de snel groeiende Chinese sector voor onlineverkopen;

31.  merkt op dat het terrorismebestrijdingsbeleid van China zich de laatste jaren snel heeft ontwikkeld van een reactieve verdediging tegen terreur tot een proactieve oorlog tegen terreur, samen met een permanent crisisbeheer, dat actie omvat van een nooit eerder geziene omvang in de getroffen regio's en in de maatschappij; is bezorgd over de ontwerpwet inzake terrorismebestrijding, die kan leiden tot verdere schendingen van de vrijheden van meningsuiting, vergadering, vereniging en godsdienst, met name in Tibet en Xinjiang, regio's waar minderheden wonen;

32.  betuigt zijn solidariteit met de Chinese bevolking ten aanzien van zijn inspanningen ter bestrijding van terrorisme en extremisme; is evenwel bezorgd dat de definitie van "terrorist" zoals die is opgenomen in de Chinese ontwerpwet inzake terrorismebestrijding tot de bestraffing van bijna elke vreedzame uiting van de Tibetaanse cultuur, religie of identiteit die verschilt van die van de staat kan leiden als zij niet grondig wordt herzien;

33.  verzoekt China de vrijheid op het internet te vergroten en de cyberbeveiliging van alle landen te respecteren;

34.  maakt zich zorgen over het feit dat Xinjiang gevangen zit in een vicieuze cirkel, doordat er enerzijds gewelddadige separatistische en extremistische groepen zijn onder de islamitische, een Turkse taal sprekende Oeigoeren, die evenwel niet de grote meerderheid uitmaken, terwijl Beijing anderzijds ter wille van de stabiliteit sociale onrust steeds meer beantwoordt met repressie, via een verhoogde aanwezigheid van zijn veiligheidsapparaat in de regio, zodat vele Oeigoeren zich van Beijing afkeren en tegen de Han-Chinezen gerichte gevoelens onder de Oeigoerse bevolking worden gevoed; betreurt de marginalisatie van de Oeigoerse cultuur in Xinjiang, met inbegrip van het verbod voor Oeigoerse ambtenaren om moskeeën te bezoeken en, op sommige plekken, de ramadan te volgen; verzoekt de Chinese autoriteiten alles in het werk te stellen om een echte dialoog aan te gaan met de Oeigoerse gemeenschap en om de culturele identiteit van de Oeigoerse bevolking te beschermen; neemt met bezorgdheid nota van reisbeperkingen, in het bijzonder in Tibet en Xinjiang, die kunnen worden opgelegd aan EU-burgers, met name in het geval van diplomaten en journalisten; wijst erop dat dergelijke beperkingen niet gelden voor Chinese burgers (met inbegrip van diplomaten en journalisten) in EU-lidstaten; dringt derhalve met klem aan op maatregelen om toe te zien op de naleving van het beginsel van wederkerigheid;

35.  betuigt zijn medeleven en solidariteit met de burgers van Hongkong en steunt democratische hervormingen; benadrukt dat de autonomie van Hongkong wordt gewaarborgd door de Basiswet; is van mening dat de invoering van een volledig algemeen kiesrecht in de speciale administratieve regio volledig in overeenstemming is met het beginsel "één land, twee systemen"; betreurt het feit dat de hervorming van de kieswet voor de benoeming van de Chief Executive van Hongkong niet kon worden voltooid; hoopt dat in de nabije toekomst een nieuw hervormingsproces kan worden gestart om de inwoners van Hongkong een rechtstreeks algemeen kiesrecht te geven in 2017, met een echte keuze uit verschillende kandidaten; is verheugd over het gezamenlijk verslag van de Europese Dienst voor extern optreden en de Europese Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2015: "Speciale administratieve regio Hongkong: jaarverslag 2014" en steunt de inzet van de EU voor de versterking van de democratie, met inbegrip van de rechtsstaat, de onafhankelijkheid van het rechtsstelsel, de fundamentele vrijheden en de grondrechten, transparantie en vrijheid van informatie en meningsuiting, in Hongkong;

36.  is sterk voorstander van "één land, twee systemen" als basis voor goede betrekkingen tussen de speciale administratieve regio's Hongkong en Macau en het Chinese vasteland;

37.  uit zijn bezorgdheid over de recente politieke en burgerlijke onrust in Hongkong en verzoekt China zich te houden aan zijn verplichting ten opzichte van de inwoners van Hongkong om hun rechten en vrijheden in stand te houden, volgens de bepalingen van de Chinees-Britse Gezamenlijke Verklaring van 1984;

Externe situatie

38.  merkt op dat president Xi's Chinese Droom van nationale verjonging sinds de start betrekking heeft op een sterkere en proactievere rol van China in de wereld; moedigt de VV/HV aan de mogelijkheden te verkennen om een gemeenschappelijke benadering tot China te ontwikkelen met de VS, voor zover dit zou bijdragen tot de bevordering van de EU-belangen; benadrukt het feit dat de aanhoudende opkomst van China als mondiale grootmacht maakt dat de strategische prioriteiten van Europa in het kader van zijn betrekkingen met China voortdurend en snel moeten worden herzien, en wel met hoogdringendheid; benadrukt dat een wereldmacht als China, in een context van globalisering en onderlinge afhankelijkheid, op een actievere en constructievere manier moet bijdragen aan zowel het aanpakken van de mondiale uitdagingen en regionale conflicten als aan de totstandbrenging van een multilaterale wereldorde waarin het internationaal recht, de universele waarden en de vrede worden gerespecteerd; is van mening dat China steeds meer zijn plaats moet innemen onder de leidende landen van de wereld, overeenkomstig de voor alle landen vastgestelde regels;

39.  merkt op dat met Xi als president prioriteit wordt gegeven aan de betrekkingen met de VS, gezien Xi's voorstel voor een nieuw type van verhouding tussen grootmachten voor de betrekkingen tussen China, de VS en andere regionale spelers; is voorstander van een constructievere benadering van een nieuwe wereldorde die China moet helpen creëren en integreren en die is gebaseerd op de universele waarden van mensenrechten, democratie en menselijke veiligheid; verzoekt de EU actiever te zijn in Azië en samen te werken met China, de VS en andere regionale spelers met het oog op meer stabiliteit in de regio;

40.  benadrukt het feit dat in het recente witboek over China’s militaire strategie wordt vermeld dat het de intentie van Beijing is om de Chinese marine verder uit te bouwen en de reikwijdte van de operaties hiervan te vergroten, waarbij wordt overgegaan van de verdediging van de offshorewateren naar de bescherming van de open zee; betreurt de unilaterale oprichting van een identificatiezone voor de luchtverdediging en de hieruit voortvloeiende aanspraak op de luchtnavigatiecontrole op Japans en Zuid-Koreaans grondgebied; verzoekt om een evenwichtige houding om bezorgdheden onder China’s buren en meer spanningen in de Stille en de Indische Oceaan te voorkomen en om het cruciale belang van Europa bij een vrije scheepvaart op zee te waarborgen;

41.  acht het betreurenswaardig dat diverse partijen op een manier die strijdig is met de gedragsverklaring van 2002, land opeisen op de Spratly-eilanden en maakt zich in het bijzonder zorgen over de massale omvang van de inspanningen die China momenteel verricht, met onder andere de bouw van militaire installaties, havens en minstens één landingsstrook; waarschuwt er uitdrukkelijk voor dat een toegenomen aanwezigheid van rivaliserende marineschepen en luchtpatrouilles in het gebied en de mogelijke instelling van een luchtruimbewakingszone (air defense identification zone, ADIZ) boven de Zuid-Chinese Zee, een grote bedreiging vormen en het gevaar voor een confrontatie tussen rivaliserende partijen daardoor sterk doen toenemen;

42.  blijft bezorgd over de toenemende spanningen tussen partijen in de Zuid-Chinese Zee en verzoekt alle betrokken partijen derhalve unilaterale provocerende acties in de Zuid‑Chinese Zee te vermijden en benadrukt het feit dat het belangrijk is geschillen op te lossen op vreedzame wijze, op basis van het internationale recht en met de hulp van onpartijdige internationale bemiddeling, bijvoorbeeld via het UNCLOS; acht het betreurenswaardig dat China weigert de bevoegdheid te erkennen zowel van de UNCLOS als van het Hof van Arbitrage; dringt er bij China op aan zijn houding te herzien en roept alle partijen op, waaronder China, om het uiteindelijk besluit van UNCLOS te respecteren; is van mening dat de weg naar een mogelijke vreedzame oplossing van de spanningen in gebieden van de Zuid- en Oost-Chinese Zee kan bestaan in onderhandelingen over en de gezamenlijke tenuitvoerlegging van gedragscodes voor de vreedzame exploitatie van de maritieme gebieden in kwestie, met inbegrip van de creatie van veilige handelsroutes en visserijquota of de toewijzing van gebieden waar naar natuurlijke hulpbronnen mag worden gezocht; steunt de dringende oproep van de 26e ASEAN-top tot een snelle goedkeuring van de gedragscode in de Zuid-Chinese Zee; is verheugd over de overeenkomst die China en de ASEAN hebben gesloten om het overleg over een gedragscode voor de geschillen in de Zuid-Chinese Zee te bespoedigen; neemt nota van het Taiwanese "Vredesinitiatief voor de Zuid‑Chinese Zee", dat als doel heeft overeenstemming te bereiken over een gedragscode en de oprichting van een mechanisme dat alle partijen in staat stelt samen te werken bij de gezamenlijke exploitatie van natuurlijke en mariene hulpbronnen in de regio; steunt alle acties die het mogelijk maken om van de Zuid-Chinese Zee een "zee van vrede en samenwerking" te maken;

43.  verzoekt de VV/HV om na te gaan welke risico's voor de vrede en veiligheid in de regio en voor de rest van de wereld een gewapend conflict in de Oost- en Zuid-Chinese Zee met zich zou brengen, overeenkomstig de prioriteiten van de strategie van de Europese Unie voor maritieme veiligheid, en in kaart te brengen welke risico's een dergelijk conflict met zich zou brengen voor de vrijheid en veiligheid van de scheepvaart in de regio en welke risico's dat oplevert voor specifieke Europese belangen; is van mening dat, aangezien andere actoren (met name Australië) reeds zeer politiek actief zijn in de Stille Oceaan, de EU moet vertrouwen op bilaterale en multilaterale samenwerking om een effectieve bijdrage te leveren aan de veiligheid in de regio;

44.  dringt er bij de Chinese regering op aan al haar invloed aan te wenden om te zorgen voor stabiliteit op het Koreaans Schiereiland en om Noord-Korea ertoe te bewegen opnieuw geloofwaardige denucleariseringsgesprekken te voeren en concrete stappen voor denuclearisering te ondernemen; herinnert eraan dat China nog steeds de belangrijkste bondgenoot van Noord-Korea is en moedigt de Chinese regering derhalve aan om samen met de internationale gemeenschap een constructieve rol te spelen in het dringend aanpakken van de ernstige mensenrechtensituatie in Noord-Korea en een oplossing te vinden voor de duizenden Noord-Koreaanse vluchtelingen die de grens met China oversteken om de erbarmelijke omstandigheden in hun land te ontvluchten; dringt er bij de Chinese regering, als partij bij het VN-vluchtelingenverdrag, op aan vluchtelingen het recht om asiel aan te vragen niet te ontzeggen en hen niet gedwongen terug te sturen naar Noord-Korea, maar hun fundamentele mensenrechten te beschermen; verzoekt de EU daartoe diplomatieke druk uit te oefenen op de Chinese regering, overeenkomstig haar algemene doelstellingen van non-proliferatie;

45.  dringt er bij de Chinese regering op aan invloed uit te oefenen op Pakistan om dit land ervan te overtuigen niet bij te dragen tot instabiliteit in de regio;

46.  is verheugd over de samenwerking tussen de EU en China op het gebied van veiligheid en defensie, met inbegrip van operaties ter bestrijding van piraterij in de Golf van Aden, en verzoekt om meer gezamenlijke inspanningen om de mondiale uitdagingen op het gebied van veiligheid en defensie, zoals terrorisme, aan te pakken;

47.  vestigt de aandacht van Beijing op de onmisbare rol die de VS en de EU spelen met betrekking tot China’s moderniseringsdoelstellingen; herinnert Beijing bovendien aan zijn internationale verplichtingen en verantwoordelijkheden om bij te dragen tot de vrede en de mondiale veiligheid als permanent lid van de VN-Veiligheidsraad; betreurt in dit verband het feit dat China, samen met Rusland, maatregelen van de VN inzake Syrië, waar Bashar al-Assad nu al meer dan vier jaar een dodelijke oorlog voert tegen de Syrische bevolking, voortdurend heeft geblokkeerd;

48.  onderstreept het belang van wederzijds vertrouwen en samenwerking tussen China en de EU en de andere belangrijke internationale spelers bij het aanpakken van mondiale veiligheidsproblemen; hoopt dat China door de EU en de VS geleide initiatieven zal ondersteunen die erop zijn gericht de schendingen van het internationaal recht die tot het conflict in Oost-Oekraïne hebben geleid te beëindigen en de territoriale integriteit en soevereiniteit van Oekraïne te herstellen na de Russische agressie;

Mensenrechtensituatie

49.  merkt op dat er een grote contradictie is tussen de officiële Chinese ambitie van universele mensenrechten en de slechter wordende mensenrechtensituatie; merkt op dat de recente verslechtering van de situatie in China op het gebied van mensenrechten en vrijheden is begonnen in 2013 en dat hierdoor de reeds bestaande repressie van de bevolking is geïntensiveerd en de ruimte voor expressie en vreedzame steun voor het maatschappelijk middenveld nog verder is beperkt; is erg bezorgd door de arrestatie, berechting en veroordeling van talrijke voorvechters van de burgerrechten, verdedigers van de mensenrechten en critici van de regering en door het feit dat meer dan honderd mensenrechtenadvocaten en -activisten zijn gearresteerd of ondervraagd door de Chinese politie; verzoekt de Chinese autoriteiten diegenen die in hechtenis zitten vrij te laten en ervoor te zorgen dat zij hun beroep kunnen uitoefenen zonder daarbij te worden gehinderd;

50.  is van mening dat sterke permanente betrekkingen tussen de EU en China een doeltreffend platform moeten bieden voor een volwassen, betekenisvolle en open dialoog over de mensenrechten, op basis van wederzijds respect; is bovendien van mening dat de 40e verjaardag van de samenwerking tussen de EU en China in 2015 op dit gebied een echte mogelijkheid voor vooruitgang biedt;

51.  spoort de EU ertoe aan te blijven aandringen op een verbetering van de mensenrechtensituatie in China telkens wanneer op welk niveau dan ook dialogen worden gehouden en om mensenrechtenbepalingen op te nemen in alle bilaterale overeenkomsten met China;

52.  is ingenomen met de 33e mensenrechtendialoog tussen de EU en China van 8 en 9 december 2014; merkt op dat de dialoog, in combinatie met druk van andere internationale partners, heeft bijgedragen tot enkele concrete maatregelen; benadrukt dat de EU meerdere malen duidelijk heeft gemaakt dat zij wil dat de dialoog tot meer tastbare verbeteringen ten aanzien van de mensenrechtensituatie op het terrein leidt;

53.  herinnert eraan dat de universaliteit van de mensenrechten altijd centraal heeft gestaan in de mensenrechtendialogen tussen de EU en China; constateert met bezorgdheid dat de universaliteit in de officiële Chinese visie in twijfel wordt getrokken op grond van culturele verschillen en dat dit een belangrijke oorzaak is geweest voor de conceptuele verschillen en tot onbegrip en wantrouwen in de betrekkingen tussen de EU en China en tot een beperkte vooruitgang in de mensenrechtendialogen tussen de twee partijen heeft geleid; verzoekt het Chinese leiderschap derhalve de manier waarop zij de kwestie benadert te heroverwegen en de universaliteit van de mensenrechten te respecteren overeenkomstig de Universele Verklaring van de rechten van de mens; verzoekt de EU‑instellingen bovendien in hun dialogen samen te werken met de Chinese autoriteiten om de eerbiediging van de universaliteit te bespoedigen;

54.  blijft zeer bezorgd over het feit dat China momenteel de meeste mensen executeert ter wereld en de doodstraf in het geheim blijft uitspreken tegen duizenden mensen per jaar, zonder de internationale minimumnormen inzake het gebruik van de doodstraf in acht te nemen; benadrukt nogmaals dat de afschaffing van de doodstraf bijdraagt tot de versterking van de menselijke waardigheid en de voortschrijdende ontwikkeling van de mensenrechten;

55.  blijft bezorgd over de aanhoudende zware beperkingen van de vrijheid van meningsuiting, vereniging, vergadering en religie en van de activiteiten van mensenrechtenorganisaties;

56.  uit zijn verontwaardiging over de vaak discriminerende behandeling die religieuze en etnische minderheden in China ten deel valt;

57.  bekritiseert het feit dat hoewel vrijheid van religie in China een recht is dat in theorie wordt gewaarborgd door de grondwet, de regering religieuze activiteiten in de praktijk beperkt tot officieel goedgekeurde en erkende religieuze organisaties; steunt het verzet van de Chinese kerken tegen de hernieuwde strategie van de regering voor een sinificatie van het christendom; veroordeelt met name de lopende antichristelijke campagne in de provincie Zhejiang, waarbij in 2014 tientallen kerken zijn vernield en meer dan 400 kruisen zijn verwijderd; deelt de bezorgdheid van de kerken over andere provincies met een sterke christelijke aanwezigheid; veroordeelt bovendien de antiboeddhistische campagnes die worden gevoerd volgens de aanpak van "patriottische opvoeding", inclusief maatregelen vallen om de Tibetaanse boeddhistische kloosters te laten beheren door de staat; veroordeelt programma's voor de "juridische opleiding" van boeddhistische monniken en nonnen; begrijpt en aanvaardt het verbod op beeltenissen van de Dalai Lama in China niet; uit zijn bezorgdheid over het misbruik van het Chinese strafrecht voor de vervolging van Tibetanen en boeddhisten, wier religieuze activiteiten worden gelijkgesteld aan "separatisme", en stelt vast dat zijn bezorgdheid terecht is, aangezien monniken en nonnen nu ongeveer 44 % uitmaken van de politieke gevangenen in Tibet; betreurt het feit dat de omstandigheden om het boeddhisme te beoefenen in Tibet aanzienlijk zijn verslechterd na de Tibetaanse protesten van maart 2008, toen de Chinese regering een doordringendere aanpak van de "patriottische opvoeding" aannam, met inbegrip van maatregelen voor het microbeheer van Tibetaanse boeddhistische kloosteraangelegenheden, bijvoorbeeld door niet‑verkozen beheerscomités die in elk klooster werden geïnstalleerd, programma's voor de "juridische opleiding" van monniken en nonnen om ervoor te zorgen dat zij "niet deelnemen aan activiteiten die het moederland opsplitsen en de sociale orde verstoren" en een verbod op beeltenissen van de Dalai Lama;

58.  merkt op dat president Xi bepaalde toezeggingen heeft gedaan om "het besturen van het land overeenkomstig de wet uitvoerig te bevorderen" en corruptie te bestrijden; is echter zeer bezorgd over de recente razzia waarbij meer dan tweehonderd advocaten, met name advocaten die zich richtten op mensenrechtenzaken, werden opgepakt en velen van hen ervan werden beschuldigd "de openbare orde te verstoren" en ernaar te streven de partij te ondermijnen en waarbij de autoriteiten beweerden dat dergelijke drastische maatregelen in feite dienen om het Chinese rechtssysteem te verdedigen; benadrukt dat deze maatregelen indruisen tegen de bewering van de autoriteiten dat zij de rechtsstaat bevorderen en de inspanningen voor politieke hervormingen ondermijnen;

59.  herinnert eraan dat de sociaaleconomische rechten in de officiële Chinese visie voorrang krijgen op individuele politieke en burgerrechten, terwijl deze rechten in Europa geacht worden fundamenteel en even belangrijk te zijn en economische ontwikkeling en mensenrechten hier geacht worden onderling samen te hangen, waaruit blijkt dat er verschillen bestaan in de Europese en de Chinese opvatting van de mensenrechten, die ook in officiële standpunten tot uiting komen; benadrukt bovendien dat een volledige bescherming van de mensenrechten essentieel is voor de verdere economische groei in China en dringt er derhalve bij de Chinese autoriteiten op aan de eerbiediging van zowel de sociaaleconomische als de politieke en burgerrechten te waarborgen;

60.  bekritiseert China's zeer restrictieve mediaomgeving en streng gecontroleerde digitale domein, waar buitenlandse, waaronder Europese, webinhoud wordt geblokkeerd en binnenlandse inhoud die als politiek bedreigend wordt beschouwd stelselmatig wordt verwijderd en gecensureerd; protesteert fel tegen het grote aantal Chinese burgers dat is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor strafbare feiten die verband houden met de vrijheid van meningsuiting, met name op het internet;

61.  is ernstig bezorgd over het feit dat de Chinese regering een streng beleid tegen de Tibetanen blijft voeren, met name door het verwerpen van de "middenweg-aanpak" van de Dalai Lama, die noch gericht is op onafhankelijkheid, noch op afscheiding, maar op een echte autonomie binnen het kader van de grondwet van de Chinese Volksrepubliek; verzoekt de Chinese regering opnieuw een dialoog aan te gaan met vertegenwoordigers van Tibet; protesteert tegen de marginalisering van de Tibetaanse cultuur door de Chinese Communistische Partij en dringt er bij de Chinese autoriteiten op aan de vrijheid van meningsuiting, vereniging en religie van het Tibetaanse volk te eerbiedigen; betreurt de verslechtering van de humanitaire situatie in Tibet, die heeft geleid tot een stijging van het aantal gevallen van zelfverbranding; neemt met bezorgdheid nota van de onlangs aangenomen maatregelen om zelfverbranding strafbaar te stellen, die erop zijn gericht diegenen die banden zouden hebben met zelfverbranders te bestraffen; betreurt de gedwongen hervestiging sinds 2006 van meer dan 2 miljoen Tibetaanse nomaden en herders in zogeheten "nieuwe socialistische dorpen", aangezien hun de toegang tot gezondheidszorg, onderwijs en welvaart wordt ontzegd; maakt zich eveneens zorgen door de permanente transfer van groepen Han‑Chinezen naar Tibet; spreekt zijn bezorgdheid uit over de gevallen van foltering, verdwijning en arbitraire opsluiting en over de ontzegging van toegang tot medische verzorging voor gevangenen, inclusief de monnik Tenzin Delek Rinpoche en 10 andere prominente Tibetaanse gevangenen; eist een gedetailleerd onderzoek naar alle overlijdens in gevangenissen; maakt zich grote zorgen door de aantasting van het milieu in Tibet; onderstreept het feit dat de Tibetaanse hoogvlakte snel opwarmt en dat dit kan leiden tot het smelten van de Tibetaanse gletsjers, waarvan er vele water leveren voor de grootste rivieren van Azië;

62.  dringt er bij Europese ondernemingen die in China investeren op aan de internationale arbeidsnormen te respecteren en toezeggingen te doen om verder te gaan dan de Chinese arbeidsrechten, wanneer deze niet aan de internationaal overeengekomen normen voldoen;

Betrekkingen tussen de Volksrepubliek China en Taiwan

63.  is van mening dat zowel China als Taiwan belangrijke economische partners van de EU zijn in Azië en de regio rond de Stille Oceaan; is tevreden met elke significante verbetering van de betrekkingen tussen China en Taiwan; pleit voor onderhandelingen over een bilaterale investeringsovereenkomst tussen de EU en Taiwan, gezien het feit dat Taiwan op regionaal niveau de beste toegangspoort en springplank naar China is voor bedrijven uit de EU en dat reeds talrijke staten, met inbegrip van de Volksrepubliek China, dergelijke (de-facto-) overeenkomsten met Taiwan hebben gesloten;

64.  neemt kennis van het feit dat de Chinese regering geen bezwaar maakt tegen de deelname van Taiwan aan enkele organisaties van de VN (WHO, ICAO); spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de Chinese regering de anti-afscheidingswet van 2005 nogmaals heeft bevestigd, waarin het gebruik van militaire middelen in het geval van een onafhankelijkheidsverklaring van Taiwan wordt toegelaten; betreurt het feit dat er in het zuiden van China nog steeds 1 500 langeafstandsraketten staan die gericht zijn op Taiwan; is van mening dat een geleidelijke demilitarisering van de regio de toenadering tussen de partijen verder zou vergemakkelijken; benadrukt het feit dat alle geschillen tussen China en Taiwan moeten worden opgelost op vreedzame wijze en op basis van het internationaal recht; benadrukt het feit dat de vergadering tussen hooggeplaatste ambtenaren van beide kanten van de Straat van Taiwan op 23 mei 2015 op het eiland Kinmen een bemoedigende stap was; merkt op dat deze vergadering de derde formele vergadering tussen de hoofden van Chinees-Taiwanese zaken van China en Taiwan was; steunt initiatieven voor de ontwikkeling van de betrekkingen tussen China en Taiwan op vreedzame wijze;

o
o   o

65.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de EDEO, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de toetredende landen en kandidaat-lidstaten, de regering van de Volksrepubliek China, het Chinese Nationale Volkscongres, de regering van Taiwan en de Taiwanese wetgevende Yuan.

(1) PB L 250 van 19.9.1985, blz. 2.
(2) PB L 6 van 11.1.2000, blz. 40.
(3) PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 33.
(4) PB C 239 E van 20.8.2013, blz. 1.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0096.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0462.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0094.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0075.
(9) PB C 305 E van 14.12.2006, blz. 219.
(10) PB C 67 E van 18.3.2010, blz. 132.
(11) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0097.
(12) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0411.
(13) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0412.
(14) PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 80.
(15) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 185.
(16) PB C 349 E van 29.11.2013, blz. 98.
(17) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0603.
(18) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0252.
(19) PB C 288 E van 25.11.2006, blz. 59.
(20) PB C 157 E van 6.7.2006, blz. 471.
(21) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 118.
(22) PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 121.
(23) PB C 332 E van 15.11.2013, blz. 185.


Voorbereiding van de humanitaire wereldtop: uitdagingen en kansen voor humanitaire hulp
PDF 240kWORD 120k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 december 2015 inzake voorbereiding voor de humanitaire wereldtop: uitdagingen en kansen voor humanitaire hulp (2015/2051(INI))
P8_TA(2015)0459A8-0332/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien resolutie 46/182 van de Algemene Vergadering van de VN van 19 december 1991 over het verstevigen van de coördinatie van humanitaire noodhulp(1),

–  gezien de op verandering gerichte agenda van het Permanent Comité van VN-organisaties (IASC)(2),

–  gezien de beginselen van partnerschap (zoals goedgekeurd door het Global Humanitarian Platform) van 12 juli 2007(3),

–  gezien resolutie 64/290 van de Algemene Vergadering van de VN van 9 juli 2010 over het recht op onderwijs in noodsituaties(4) en de betreffende richtsnoeren, waaronder die van UNICEF en UNESCO,

–  gezien de richtsnoeren van het IASC van de VN voor het integreren van de bestrijding van gendergerelateerd geweld in het humanitair optreden(5),

–  gezien het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015-2030, dat tijdens de derde Wereldconferentie van de VN over rampenrisicovermindering van 14 tot 18 maart 2015 in Sendai (Japan) is goedgekeurd(6),

–  gezien resolutie 69/313 van de Algemene Vergadering van de VN van 27 juli 2015 ter oprichting van de actie-agenda van Addis Abeba tijdens de derde internationale conferentie inzake ontwikkelingsfinanciering(7),

–  gezien de debatten ter voorbereiding van de 32e internationale conferentie van de Rode Kruis- en Rode Halve Maan-vereniging van 8 tot 10 december 2015 in Genève,

–  gezien het verslag over wereldwijde humanitaire hulp 2015(8),

–  gezien het overzicht van wereldwijde humanitaire hulp van juni 2015(9),

–  gezien de beginselen van goed humanitair donorschap (GHD)(10),

–  gezien het VN-panel op hoog niveau inzake humanitaire financiering,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1257/96 van de Raad van 20 juni 1996 betreffende humanitaire hulp(11),

–  gezien de Europese consensus over humanitaire hulp van 2007 (hierna "Europese consensus" genoemd), een gezamenlijke verklaring ondertekend door de Commissie, de Raad, het Europees Parlement en de lidstaten(12), en het te hernieuwen actieplan,

–  gezien Verordening (EU) nr. 375/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 tot oprichting van het Europese vrijwilligerskorps voor humanitaire hulpverlening ("EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp")(13), en het Jaarverslag over de uitvoering van het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp in 2014(14),

–  gezien Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming(15),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie "Gender in Humanitarian Aid: Different Needs, Adapted Assistance" (SWD(2013)0290)(16),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad – Jaarverslag over het beleid van de Europese Unie op het gebied van humanitaire hulp en civiele bescherming en de tenuitvoerlegging ervan in 2014 (COM(2015)0406 final)(17),

–  gezien het Jaarlijks Activiteitenverslag van 2014 van het DG Humanitaire Hulp en Civiele Bescherming (ECHO) van de Commissie(18),

–  gezien de ontwerpconclusies van de Raad van 22 juni 2015 over gemeenschappelijke beginselen voor multifunctionele bijstand in geld voor het lenigen van humanitaire behoeften(19),

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989 en het bijbehorende Facultatief Protocol inzake de betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten van 25 mei 2000; gezien de EU-richtsnoeren inzake kinderen en gewapende conflicten van (geactualiseerd in 2008),

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 mei 2015 over een nieuw wereldwijd partnerschap voor de uitbanning van armoede en voor duurzame ontwikkeling na 2015(20),

–  gezien de conclusies van de Raad van 28 mei 2013 over de EU-aanpak inzake weerbaarheid(21),

–  gezien de conclusies van de Raad van 5 juni 2014 over het Actiekader van Hyogo na 2015: Met risicobeheer veerkracht bewerkstelligen(22),

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 december 2014 over een op verandering gerichte agenda voor de periode na 2015(23),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van 9 september 2015 getiteld "Aanpak van de vluchtelingencrisis in Europa: de rol van het externe optreden van de EU" (JOIN(2015)0040)(24),

–  gezien het regionale, thematische en wereldwijde overleg ter voorbereiding van de wereldtop inzake humanitaire hulp(25),

–  gezien zijn resolutie van 19 mei 2015 over financiële middelen voor ontwikkeling(26),

–  gezien zijn resolutie van dinsdag 25 november 2014 over de EU en het mondiaal ontwikkelingskader voor de periode na 2015(27),

–  gezien zijn resoluties van 9 juli 2015 over de situatie in Jemen(28), van 11 juni 2015 over de situatie in Nepal na de aardbevingen(29), van 30 april 2015 over de situatie in het vluchtelingenkamp Yarmouk in Syrië(30), van 12 maart 2015 over Zuid-Sudan, onder meer de recente ontvoeringen van kinderen(31), van 12 februari 2015 over de humanitaire crisis in Irak en Syrië, met name in de context van IS(32), en van 15 januari 2015 over de situatie in Libië(33),

–  gezien zijn resoluties van 10 september 2015 over migratie en vluchtelingen in Europa(34), en van 29 april 2015 over de recente tragedies op de Middellandse Zee en het migratie- en asielbeleid van de EU(35),

–  gezien artikel 7 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin is vastgelegd dat de EU toeziet "op de samenhang tussen haar verschillende beleidsmaatregelen en optredens, rekening houdend met het geheel van haar doelstellingen",

–  gezien artikel 208 VWEU, dat bepaalt dat de Unie "bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening [houdt] met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking",

–  gezien artikel 214 VWEU over de acties van de Unie op het gebied van humanitaire hulp,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 september 2015 getiteld: "Naar de wereldtop over humanitaire hulp: een wereldwijd partnerschap voor beginselvaste en efficiënte humanitaire hulp" (COM(2015)0419)(36) en het bijgaande werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2015)0166)(37),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0332/2015),

A.  overwegende dat we, in een bijzonder kwetsbare wereld, een toename kennen van de diversiteit, frequentie en intensiteit van natuurrampen en hongersnood en een ongekende stijging in aantal en complexiteit van conflicten;

B.  overwegende dat steeds grotere uitdagingen, zoals de verstedelijking, de snelle bevolkingsgroei, de demografische veranderingen, de frequentie en de toenemende kracht van natuurrampen, de aantasting van het milieu, woestijnvorming, de klimaatverandering, tal van langdurige en gelijktijdige conflicten met regionale impact, en grondstoffenschaarste, met daarbovenop de gevolgen van armoede, ongelijkheid, migratie, ontheemding en kwetsbaarheid, de behoefte aan humanitaire interventies over de hele wereld enorm hebben vergroot;

C.  overwegende dat het aantal personen dat humanitaire bijstand nodig heeft, sinds 2004 meer dan verdubbeld is, tot meer dan 100 miljoen in 2015; overwegende dat 250 miljoen mensen door humanitaire crises getroffen worden; overwegende dat het aantal verdreven mensen de hoogste piek kent sinds Wereldoorlog II, met bijna 60 miljoen, waaronder bijna 40 miljoen verdreven binnen hun eigen land; overwegende dat meer dan de helft van de vluchtelingen ter wereld minderjarig is;

D.  overwegende dat in 2050 een miljard mensen door de klimaatverandering ontheemd zouden kunnen zijn en meer dan 40 % van de wereldbevolking in gebieden met ernstige droogte zou kunnen wonen; overwegende dat de economische verliezen ten gevolge van natuurrampen, die momenteel jaarlijks 300 miljard USD bedragen, waarschijnlijk spectaculair zullen toenemen;

E.  overwegende dat de afgelopen acht jaar de groeiende behoeften en uitdagingen, het gebrek aan duurzaam engagement en de stijgende kosten van humanitaire hulp ertoe hebben bijgedragen dat het huidige humanitaire systeem zijn grenzen bereikt, waardoor een aantal organisaties gedwongen is om voedselhulp, onderdak en andere levensnoodzakelijke humanitaire operaties tijdelijk stop te zetten;

F.  overwegende dat humanitaire ziekenhuizen vaak het doelwit zijn van aanvallen met massavernietigingswapens; overwegende dat humanitaire hulpverleners steeds vaker worden bedreigd en aangevallen; overwegende dat de veiligheid van humanitair personeel en gewonden heel vaak bedreigd wordt; en dat deze aanslagen een schending van het internationaal humanitair recht en een ernstig risico voor de toekomst van humanitaire hulp vormen;

G.  overwegende dat de humanitaire beginselen van menselijkheid, neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid, alsook de basisvoorschriften van het internationaal recht en de mensenrechten zoals vastgelegd in de Verdragen van Genève en de aanvullende protocollen daarbij, centraal moeten staan bij alle humanitaire acties; overwegende dat de bescherming van ontheemden onvoorwaardelijk moet worden gewaarborgd, en dat de onafhankelijkheid van de hulp voorop moet staan, d.w.z. dat de hulp los moet staan van politieke, economische of veiligheidsoverwegingen en vrij moet zijn van enige vorm van discriminatie;

H.  overwegende dat alle partijen in een conflict, met inbegrip van gewapende overheids‑ en niet-overheidspartijen, de humanitaire actoren de nodige toegang moeten verlenen om kwetsbare, door conflict getroffen burgerbevolkingen te helpen;

I.  overwegende dat vooral vrouwen en kinderen in rampgebieden, zowel tijdens als in de nasleep van noodsituaties, niet alleen bijzonder kwetsbaar zijn en onevenredig gevaar lopen, maar ook te maken krijgen met uitbuiting, marginalisering, infecties en seksueel en gendergerelateerd geweld dat als wapen gebruikt wordt; overwegende dat vrouwen en meisjes grotere risico's lopen als gevolg van ontheemding en het uiteenvallen van de normale beschermings- en ondersteuningsstructuren; overwegende dat het internationale humanitaire recht verlangt dat meisjes en vrouwen die tijdens de oorlog verkracht zijn, zonder discriminatie alle noodzakelijke medische zorg krijgen; overwegende dat onveilige abortussen door de Wereldgezondheidsorganisatie worden aangemerkt als een van de drie hoofdoorzaken van moedersterfte; overwegende dat de gezondheid van moeders, de psychologische opvang van verkrachte vrouwen, en onderwijs en scholing voor ontheemde kinderen in vluchtelingenkampen grote uitdagingen vormen;

J.  overwegende dat de totale vraag naar humanitaire hulp in 2015 is opgelopen tot het hoogste bedrag in de geschiedenis van de VN, namelijk bijna 19 miljard EUR; overwegende dat er, ondanks recordbijdragen van donoren, slechts financiering was voor een kwart van de wereldwijde vraag, en dat de EU moeite had om de wereldwijde vraag naar humanitaire hulp en de door DG ECHO gesteunde operaties te financieren; overwegende dat daardoor een nog grotere behoefte is aan wereldwijd gecoördineerde, tijdige, voorspelbare en flexibele financiering die aan verschillende contexten aangepast is en die geschraagd wordt door een nieuwe publiek-private samenwerking voor innovatieve paraatheid en steunverleningsmethoden; overwegende dat de EU moeite had om wereldwijde vraag naar humanitaire hulp en de ECHO-operaties te financieren; overwegende dat het in die context des te belangrijker is dat de hernieuwde toezeggingen in verband met de hulpdoelstelling van 0,7 % en de gedane beloften tijdig gestand worden gedaan;

K.  overwegende dat het merendeel van de humanitaire crises veroorzaakt wordt door menselijk handelen; overwegende dat 80 % van de internationale humanitaire bijstand van de EU gaat naar door de mens veroorzaakte crises, waarvoor vooral politieke, en niet alleen humanitaire oplossingen nodig zijn; overwegende dat armoede en kwetsbaarheid voor crises intrinsiek verbonden zijn, wat sterk wijst op de noodzaak om de onderliggende oorzaken van crises aan te pakken, veerkracht op te bouwen, het aanpassingsvermogen ten aanzien van natuurrampen en klimaatverandering te versterken, en tegemoet te komen aan de behoeften van de getroffenen op lange termijn; overwegende dat de gevolgen van humanitaire crises, zoals uitdagingen op het vlak van migratie en vluchtelingen, nog groter zullen worden tenzij de onderliggende oorzaken aangepakt worden en humanitaire hulp en ontwikkelingssamenwerking beter op elkaar afgestemd worden;

L.  overwegende dat humanitaire hulp en ontwikkeling onderling samenhangen, met name gezien de noodzaak om de weerbaarheid tegen rampen te vergroten door risicobeperking en bescherming tegen schokken, wat van cruciaal belang is om de humanitaire behoeften te verminderen en verstoringen op het vlak van gezondheid, hygiëne, onderwijs, voeding en zelfs elementair onderdak te verhelpen;

M.  overwegende dat internationale, lokale en regionale coördinatie, informatie-uitwisseling en gezamenlijke programmering, gegevensverzameling en evaluaties zullen bijdragen tot het verbeteren van het besluitvormingsproces, de efficiëntie, de doeltreffendheid en de verantwoording bij het verstrekken van steun;

N.  overwegende dat er meer vertrouwen en verdere samenwerking tussen actoren in de particuliere sector, ngo's, lokale autoriteiten, internationale organisaties en regeringen moet worden gecreëerd; overwegende dat hulp van het bedrijfsleven, deskundigheid, toeleveringsketens, onderzoeks- en ontwikkelingscapaciteit en logistiek kunnen helpen om voor doeltreffendere paraatheid en humanitaire acties te zorgen;

O.  overwegende dat de middelen voor het hoofdstuk humanitaire hulp van de EU, namelijk 909 miljoen euro in 2015, minder dan 1 % van de totale EU-begroting vertegenwoordigen; overwegende dat een betere koppeling tussen noodhulp en langetermijnhulp een manier is om de huidige discrepantie tussen de enorme humanitaire behoeften en de beschikbare middelen te verkleinen;

P.  overwegende dat ngo's en internationale organisaties zoals het Rode Kruis en VN‑agentschappen momenteel de belangrijkste verleners van humanitaire bijstand zijn en jaarlijks levensreddende hulp en bescherming bieden aan ongeveer 120 miljoen mensen;

Q.  overwegende dat preventie, binnenlandse respons en binnenlandse capaciteiten een belangrijke rol spelen bij het zo goed mogelijk voorzien in de behoeften en het verminderen van de behoefte aan internationale hulp; overwegende dat in 2015 slechts 2 % van de totale internationale humanitaire bijstand rechtstreeks naar lokale en nationale ngo's in de getroffen landen ging, hoewel hun reactiviteit, kennis van de behoeften en mogelijkheden om de getroffenen te bereiken, doorgaans beter zijn dan die van andere actoren; overwegende dat er steeds meer wordt verlangd dat er verantwoording wordt afgelegd aan door crises getroffen mensen en gemeenschappen;

R.  overwegende dat humanitaire hulp gebaseerd moet blijven op de behoeften die door humanitaire actoren zijn vastgesteld, en dat donoren zich ervan moeten onthouden hulp te gebruiken als een instrument voor crisisbeheersing;

S.  overwegende dat de humanitaire respons en de gebruikte tools aan gezamenlijk bepaalde behoeften moeten beantwoorden en van uiteenlopende contexten moeten afhangen; overwegende dat het essentieel is alles in het werk te stellen opdat bij de inspanningen op het vlak van humanitaire respons rekening gehouden wordt met respect voor de mensenrechten, en met name de specifieke behoeften van vrouwen, kinderen, ouderen, personen met een handicap, minderheden en inheemse volkeren en andere kwetsbare groepen;

T.  overwegende dat de mondiale actoren worden aangemoedigd om humanitaire interventies op te nemen in de mechanismen voor toezicht op en rapportage over de mensenrechten;

U.  overwegende dat de eerste wereldtop inzake humanitaire hulp (WHS), die op 23 en 24 mei 2016 in Istanbul zal plaatsvinden, moet resulteren in een gedaanteverandering van de humanitaire architectuur, die meer inclusief, doeltreffend, transparant en werkelijk wereldwijd moet worden, om een antwoord te kunnen bieden op de toename van de humanitaire behoeften in verband met de huidige en toekomstige uitdagingen, zoals voedselveiligheid, bevolkingsgroei, klimaatverandering, kwetsbaarheid, veiligheid van hulpverleners, gedwongen verplaatsing en sociaal-economische ontwikkeling;

V.  overwegende dat de WHS volgt op een aantal intergouvernementele onderhandelingen – over rampenrisicovermindering, financiering voor ontwikkeling, de agenda voor duurzame ontwikkeling na 2015 en de klimaatverandering – die het landschap van ontwikkeling en humanitaire hulp de komende jaren zullen bepalen, en dus een unieke en belangrijke gelegenheid is om doelstellingen, beginselen en acties op elkaar af te stemmen, en voor de wereld een gelegenheid is om aan de behoeften tegemoet te komen en de weerbaarheid van de meest kwetsbaren op een meer coherente manier te versterken;

W.  overwegende dat de EU, als de belangrijkste donor, de verantwoordelijkheid en de nodige invloed heeft om een leidende rol op zich te nemen in de zoektocht naar betere en meer innovatieve manieren om tegemoet te komen aan de behoeften van, en in haalbare oplossingen op lange termijn te voorzien voor, miljoenen mensen die door conflicten en rampen getroffen worden;

X.  overwegende dat het recent stijgende percentage acuut ondervoede mensen in de wereld en het regionale en internationale overloopeffect van politieke instabiliteit in landen met een "level 3"-classificatie er nogmaals op wijzen dat de WHS de transformatie in het humanitaire systeem moet versnellen en mensen in nood beter moet helpen;

Van wereldwijd overleg naar wereldwijde actie

1.  is verheugd over de beslissing van de secretaris-generaal van de VN om op te roepen tot de eerste wereldtop inzake humanitaire hulp (WHS) voor diverse belanghebbenden en over de bereidheid van Turkije om hiervoor als gastland op te treden; verzoekt de EU‑lidstaten de WHS te steunen en tot resolute conclusies van de Raad te komen, met specifieke verbintenissen en prioritaire actiegebieden, en daarbij te streven naar operationele doeltreffendheid, gemeenschappelijke kwaliteitsstandaarden, betere coördinatie en partnerschappen met nieuwe donoren, gebaseerd op politiek onbevooroordeelde steun en op een gemeenschappelijke kijk op en toepassing van de humanitaire beginselen van menselijkheid, neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid, en naleving van verplichtingen op grond van het internationaal humanitair recht;

2.  is ingenomen met het initiatief van de VN om van overal ter wereld informatie te vergaren teneinde natuurrampen en conflicten in kaart te brengen en na te gaan hoe meer mensen kunnen worden gered van en beschermd tegen de gevolgen van dergelijke crises; is ook verheugd over de organisatie van acht regionale raadplegingen, die ook gepaard gingen met thematische bijeenkomsten, een wereldwijde raadpleging – vertegenwoordigers van de overheid, het maatschappelijk middenveld, ngo's, vrijwilligersnetwerken, bedrijven en religieuze netwerken – alsook het initiatief tot de online raadplegingen en de oprichting van een panel op hoog niveau voor humanitaire financiering, waarvan de EU covoorzitter is;

3.  benadrukt dat de huidige enorme humanitaire uitdagingen vereisen dat tijdens de WHS een meer inclusief, divers en werkelijk mondiaal humanitair systeem opgebouwd wordt, met erkenning van de diversiteit in het huidige humanitaire-responssysteem en de complementaire taken van alle actoren; roept de EU op om een mondiale consensus inzake humanitaire actie te bevorderen die de beginselen van humanitaire hulp en de verplichtingen en rechten uit hoofde van het internationaal humanitair recht bevestigt, met waarborging van op mensen afgestemde en op mensenrechten gebaseerde beschermingsmaatregelen, en die overheden aansprakelijk stelt voor hun rol en verantwoordelijkheid bij het beschermen van mensen; vestigt de aandacht op de negatieve gevolgen van de politisering van humanitaire hulp, en wijst erop dat de handhaving van en een onverminderde inzet voor de humanitaire kernbeginselen van essentieel belang zijn om de humanitaire ruimte bij conflicten en natuurrampen te waarborgen;

4.  benadrukt dat het slotdocument van de WHS slechts zinvol zal zijn als het een vijfjarenplan bevat voor het ontwikkelen en operationeel maken van de concrete politieke toezeggingen, waaronder een intergouvernementeel kader voor monitoring en verantwoording, een evaluatie van de praktijk van de hulporganisaties en een effectbeoordeling waaraan de betreffende stakeholders meewerken;

5.  vraagt de WHS om de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015, het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering en de conferentie van de Verenigde Naties over klimaatverandering (CoP21) aan elkaar te koppelen met het oog op meer samenhang tussen beleidsinitiatieven en instellingen om weerbaarheid tegen rampen op te bouwen, en voor ontwikkelingsactoren een actievere rol weg te leggen bij het opbouwen van weerbaarheid; vraagt de donorregeringen om voor hun nationale beleid een gemeenschappelijke reeks doelstellingen, prioriteiten en indicatoren te ontwikkelen die deze kaders onderling verbinden;

6.  vraagt de EU en haar lidstaten, als grootste donoren en centrale operationele spelers, om een actieve voorbeeldrol op zich te nemen; benadrukt dat alle humanitaire acties van de EU zich door de beginselen van solidariteit, verantwoordelijkheid en verantwoordingsplicht moeten laten leiden en moeten beogen kwetsbare personen fysieke en psychologische bescherming te bieden; roept op tot een wereldwijde, brede oplossing op lange termijn voor de grote aantallen mensen die conflictregio's ontvluchten; wijst erop dat ook de rol en de geloofwaardigheid van Europa binnen het wereldwijde humanitaire gebeuren op het spel staan bij de reactie van de EU op de huidige crisis;

7.  vraagt de WHS zich te verbinden tot een systematische, op resultaten gebaseerde en participatieve aanpak door specifieke indicatoren en een specifieke werkmethode vast te stellen, die versterkt en gedeeld moeten worden door de donoren en de uitvoerende instanties, om de getroffen personen te laten deelnemen aan de volledige cyclus van humanitaire actie; vraagt de WHS toe te werken naar de institutionalisering van, beter toezicht op en beoordeling van het VN-kader voor verantwoording aan de getroffen bevolking;

8.  onderstreept dat de WHS tevens voor alle stakeholders een gelegenheid is om na te denken over de absolute noodzaak van een hervorming bij de VN in de richting van een inclusief, transparant en doeltreffend coördinatiesysteem, met een inclusiever en operatiever IASC, met betere betrekkingen met de partners met het oog op meer complementariteit, en met een volledige operationalisering van de veranderingsagenda, en om de multilaterale humanitaire architectuur voor alle crises te versterken door een betrouwbaar systeem voor de beoordeling van de behoeften op te zetten dat als basis dient voor gezamenlijke oproepen (wat alomvattende financiële controle garandeert), een systeem voor kostenvergelijking tussen agentschappen, en een toezicht- en evaluatiemechanisme;

9.  benadrukt dat een dergelijk wereldwijd optreden niet kan slagen zonder uitgebreide en substantiële middelen; onderstreept dat het aanpakken van nieuwe en chronische rampen en kwetsbaarheden vereist dat parallelle systemen worden vermeden, dat de financieringsbasis wordt verbreed, dat er voorspelbare investeringen op de lange termijn worden gedaan en dat wordt vastgehouden aan de nieuwe agenda voor duurzame ontwikkeling, met name door gezamenlijke risicobeoordeling, planning en financiering te bevorderen tussen actoren op het gebied van humanitaire bijstand, ontwikkeling, vredesopbouw en klimaatverandering; onderstreept dat meer complementariteit tussen humanitaire bijstand en ontwikkelingshulp noodzakelijk is om de doeltreffendheid te verbeteren en gaten in de financiering van humanitaire hulp te dichten, en hand in hand moet gaan met meer financiering voor ontwikkelingshulp en humanitaire bijstand; herinnert in dit verband aan de oude internationale toezegging om de doelstelling van 0,7 % van het bni te helen;

10.  verzoekt de EU, als grootste donor van humanitaire hulp, op de WHS leiderschap te tonen door aan te dringen op flexibelere methoden om humanitaire hulp te verstrekken, alsmede proactieve en coherente maatregelen en doeltreffende instrumenten om crises te voorkomen; vraagt de EU en de andere donoren hun financiële toezeggingen na te komen en ervoor te zorgen dat er zo weinig mogelijk tijd verstrijkt bij de omzetting van de financiële toezeggingen in concrete maatregelen; wijst er bovendien op dat het van belang is dat er over de mensenrechten wordt gerapporteerd om in een vroeg stadium te waarschuwen voor crises, en moedigt de WHS aan hier rekening mee te houden wanneer er wordt overgeschakeld van een cultuur van respons naar een cultuur van preventie;

Tegemoet komen aan de behoeften van mensen in conflictgebieden

11.  vraagt de EU bescherming centraal te stellen bij humanitaire acties in het kader van een op behoeften gebaseerde respons, door een systeem voor naleving te creëren en dat in de programmering te integreren; benadrukt het belang van het institutionaliseren van de rol van beschermingsfunctionarissen en het ontwikkelen van strategische en geïntegreerde benaderingswijzen met voldoende middelen voor beschermingsactiviteiten in de eerste fase van noodgevallen; vraagt de EU zich sterker te engageren voor een op mensenrechten gebaseerde aanpak van humanitaire actie opdat de waardigheid, behoeften en rechten van bepaalde kwetsbare groepen – in het bijzonder vrouwen, kinderen, migranten, mensen met hiv, lgtbi's en personen met een handicap – gerespecteerd worden;

12.  vraagt de EU tijdens de WHS te pleiten voor een alomvattende overeenkomst over praktische manieren om de eerbiediging en naleving van het internationaal humanitair recht, het internationaal recht inzake de mensenrechten en het vluchtelingenrecht te verbeteren, bijvoorbeeld door het verspreiden van de regels van het internationaal humanitair recht onder regionale en nationale overheden, veiligheidstroepen, lokale autoriteiten en gemeenschapsleiders, en steun te betuigen voor de rol van het Internationaal Strafhof om een eind te maken aan de straffeloosheid bij schendingen van het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten;

13.  benadrukt dat het Vluchtelingenverdrag en het Verdrag van Kampala moeten worden uitgebreid om bescherming en bijstand te bieden aan ontheemden in de hele wereld en aan mensen die onder de klimaatverandering te lijden hebben, en hen ook te beschermen tegen diverse vormen van geweld, zoals mensenhandel, gendergerelateerd geweld en stedelijk en economisch geweld, aangezien zij een gegronde angst voor vervolging kunnen hebben of ernstig gevaar kunnen lopen; onderstreept dat migranten een gelijke mate van bescherming van hun rechten moet worden geboden als ten tijde van crisis aan alle andere groepen wordt gegarandeerd; vraagt om aandacht voor bijzonder kwetsbare groepen, zoals migranten, staatlozen en vluchtelingen, die in het humanitaire debat vaak worden genegeerd; pleit voor een nieuwe generatie instrumenten ter bescherming van de mensenrechten om deze bevolkingen te helpen;

14.  benadrukt de noodzaak van een fundamentele verschuiving in de steun aan vluchtelingen en aan gastlanden en gemeenschappen; spreekt zijn steun uit voor het syntheseverslag voor het internationaal overleg, waarin de WHS wordt gevraagd een alomvattende "overeenkomst inzake vluchtelingenopvang" te beoordelen die de bijdragen van gastlanden erkent, voorziet in voorspelbare en duurzame financiële pakketten voor de langere termijn om ze bij te staan, vluchtelingen onafhankelijk maakt door hun kansen te geven om in hut levensonderhoud te voorzien, en billijkere regelingen treft om ze in derde landen te hervestigen;

15.  vraagt de EU en haar lidstaten ter voorbereiding van de WHS te werken aan een gezamenlijke mondiale kijk op en operationalisering van humanitaire beginselen, en samen met de huidige en nieuwe donoren een brede, participatieve gedragscode te ontwikkelen teneinde best practices uit te wisselen, de toegang tot mensen in nood te vergemakkelijken en de bestaande toezeggingen inzake good practices van donoren, zoals de beginselen van goed humanitair donorschap, te versterken;

16.  vraagt de EU transparantie en verantwoordingsplicht als leidende beginselen op te nemen in de WHS-verklaring, door bepaalde indicatoren en uitgesplitste gegevens (bv. geslacht, leeftijd, kinderen) te gebruiken als basis voor de opzet van programma's en evaluatie, en door een initiatief te stimuleren voor een internationale standaard voor transparantie van humanitaire hulp, met het oog op een mondiaal kader om de vooruitgang op het vlak van verantwoordingsplicht te kunnen meten;

17.  onderstreept dat voedsel, water, onderdak, sanitaire voorzieningen en medische verzorging moeten worden verstrekt als grondrechten van elke mens; maakt zich ernstige zorgen over de risico's op epidemieën die verband houden met de zeer slechte sanitaire omstandigheden en de beperkte beschikbaarheid van veilig drinkwater, en over het gebrek aan essentiële geneesmiddelen bij humanitaire crises; vraagt de EU het voortouw te nemen om ervoor te zorgen dat essentiële geneesmiddelen en veilig drinkwater in toereikende mate beschikbaar worden gesteld tijdens humanitaire crises;

18.  verzoekt de Unie en alle internationale spelers de instrumenten voor humanitaire hulp in vluchtelingenkampen te versterken, met name door de installatie van mobiele laboratoria in het kader van de bestrijding van besmettelijke epidemieën, betere methoden voor de distributie van noodhulp – rekening houdend met de kwetsbaarste groepen – en de verbetering van de hygiëne en de infrastructuur voor medische noodhulp;

19.  benadrukt dat kinderbescherming als integraal onderdeel in de humanitaire respons moet worden opgenomen om misbruik, verwaarlozing, uitbuiting en geweld tegen kinderen te voorkomen en aan te pakken; benadrukt dat kinderen de motor van verandering zijn en dat het daarom belangrijk is kindvriendelijke zones te creëren als onderdeel van de humanitaire respons;

20.  benadrukt de centrale rol die vrouwen spelen in conflictsituaties en situaties na conflicten, aangezien ze als eerste in actie komen in crises door hun gezinnen en gemeenschappen bijeen te houden; vraagt donoren en regeringen om gendergelijkheid in de programmering van humanitaire bijstand te mainstreamen en om empowerment van vrouwen en meisjes te ondersteunen;

21.  dringt erop aan dat bij de verstrekking van humanitaire hulp het internationaal humanitair recht in acht wordt genomen en dat andere partnerdonoren geen beperkingen opleggen aan de humanitaire hulp van de EU; uit zijn bezorgdheid over en veroordeelt het gebruik van verkrachting en andere vormen van en seksueel en gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en meisjes als wapen in humanitaire noodsituaties; benadrukt dat dit geweld, alsook de lichamelijke en psychologische gevolgen ervan, moet worden aangepakt; dringt aan op een wereldwijd engagement om ervoor te zorgen dat vrouwen en meisjes vanaf het begin van elke noodsituatie of crisis veilig zijn, door het risico op seksueel en gendergerelateerd geweld tegen te gaan, door aan bewustmaking te doen, door ervoor te zorgen dat de daders worden vervolgd, en door ervoor te zorgen dat vrouwen en meisjes tijdens humanitaire crises toegang hebben tot het volledige scala aan seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten, met inbegrip van veilige abortus – in plaats van wat neerkomt op onmenselijke behandeling in stand te houden, zoals voorgeschreven door het internationaal humanitair recht en zoals bepaald in de Conventies van Genève en de aanvullende protocollen daarbij;

22.  is van mening dat alle personeel dat bij de verstrekking van humanitaire hulp betrokken is, met inbegrip van politie en leger, een passende genderbewuste opleiding moet krijgen, en dat er een strikte gedragscode moet worden opgesteld opdat zij geen misbruik van hun positie maken en opdat gendergelijkheid wordt gewaarborgd;

23.  verzoekt de humanitaire actoren strategieën voor het voorkomen en verminderen van gendergerelateerd geweld op te nemen in al hun sectorspecifieke interventies, waardoor nieuwe EU-financieringsinstrumenten gemakkelijker kunnen worden geïdentificeerd, en daartoe nota te nemen van de herziene richtsnoeren van het Global Protection Cluster voor het integreren van de bestrijding van gendergerelateerd geweld in het humanitair optreden; is tevens van oordeel dat humanitaire actoren (met inbegrip van de EU) in alle stadia van paraatheid en respons jongens en meisjes (met name tienermeisjes) moeten raadplegen;

24.  verzoekt de respectieve humanitaire organisaties hun coördinatie te verbeteren om slachtoffers en potentiële slachtoffers te herkennen en te beschermen tegen seksuele uitbuiting en misbruik;

25.  erkent de waarde van de alomvattende aanpak van de EU bij de coördinatie en coherentie van haar brede waaier aan instrumenten voor buitenlands beleid om te investeren in duurzame politieke oplossingen; vestigt aandacht op de specifieke kenmerken van humanitaire hulp, en wijst erop dat het belangrijk is om de humanitaire respons te onderscheiden van buitenlandse, politieke, veiligheids- en antiterrorismeoverwegingen door voorzorgsmaatregelen vast te stellen; betreurt misbruik van of gebrek aan respect voor de beginselen van humanitaire actie, omdat dergelijk misbruik de humanitaire hulpverlening en de veiligheid van de hulpverleners ernstig in gevaar brengt; wijst erop dat terrorismebestrijdingsmaatregelen humanitaire inspanningen niet mogen ondermijnen of hinderen, en vraagt de WHS deze kwestie op passende wijze aan te pakken;

Humanitaire doeltreffendheid

26.  veroordeelt de stelselmatige tegenwerking van pogingen om humanitaire hulp te verlenen, alsook alle inbreuken op het beginsel van het verlenen van bijstand aan personen die in gevaar verkeren en het beginsel van non-refoulement die op ontheemden van toepassing zijn, door welke actor dan ook, ongeacht of die een EU‑lidstaat is of niet; vraagt de regeringen dat zij hun primaire verantwoordelijkheden op zich nemen om burgers te beschermen en wettelijke en beleidsmaatregelen in werking te stellen teneinde humanitaire toegang en hulpverlening te faciliteren overeenkomstig het internationaal humanitair recht; stelt voor dat deze maatregelen humanitaire belastingvrijstellingen, lagere transactiekosten voor de overgemaakte bedragen en vereenvoudigde douaneprocedures omvatten; vraagt de donoren, de regeringen van de gastlanden en de uitvoerende actoren de verlening van humanitaire hulp en bijstand via alle mogelijke kanalen te vergemakkelijken en hun verantwoordelijkheid op zich te nemen opdat professionele hulp van hoge kwaliteit tijdig alle mensen in nood bereikt, zelfs in afgelegen gebieden;

27.  is in verband met betere bescherming van humanitaire actoren zeer bezorgd over de herhaalde aanvallen op hulpverleners en infrastructuur, waaronder ziekenhuizen; benadrukt dat er meer werk moet worden gemaakt van hun veiligheid, bescherming en bewegingsvrijheid krachtens het internationaal recht; steunt de systematische opneming van bijzondere bepalingen ter versterking van de verantwoordingsplicht voor de bescherming van humanitaire hulpverleners in de wetgeving en de actieplannen van donoren voor alle landen, alsook een strikte, systematische monitoring en melding van aanvallen op hulpverleners;

28.  steunt de aanbevelingen van de Commissie voor een alomvattend dashboard voor doeltreffendheid;

29.  benadrukt dat er blijvend overleg moet worden gepleegd over de aanvullende rollen en mandaten van de verschillende humanitaire actoren; meent dat er een duidelijk onderscheid moet zijn tussen civiele humanitaire actoren en militaire actoren; is van oordeel dat de civiele humanitaire respons prioriteit moet krijgen; verzoekt de WHS nieuwe raamwerken voor betere coördinatie tussen de actoren te onderzoeken als centraal element voor een efficiëntere, effectievere en passende humanitaire respons; benadrukt de noodzaak van een betere analyse van de lokale operationele capaciteit en van betere gezamenlijke beoordelingen van de behoeften en verantwoordingsplicht van de humanitaire actie;

30.  vraagt dat er serieuze inspanningen worden geleverd om uitvoering te geven aan het recht op onderwijs in langdurige humanitaire crises door het verstrekken van de nodige financiële en personele middelen, omdat zonder onderwijs de toekomst van kinderen en de verdere ontwikkeling van de maatschappij in gevaar komen; wijst op het belang van permanente scholing om gedeelde en universele waarden zoals menselijke waardigheid, gelijkheid, democratie, gelijkheid en mensenrechten te waarborgen en bevorderen;

31.  is, gezien het alarmerende aantal kinderen dat geen onderwijs krijgt en het enorme potentieel van onderwijs om mensen weerbaarder te maken, verheugd over de toezegging van de Commissie om de financiering voor onderwijs voor kinderen in humanitaire noodsituaties te verhogen; roept de Raad op om het voorstel van de Commissie om 4 % van het EU-budget voor humanitaire hulp hieraan te besteden, goed te keuren; is van mening dat deze stijging er niet toe mag leiden dat er minder aandacht wordt besteed aan andere primaire behoeften;

32.  spreekt zijn bezorgdheid uit over onderwijs en scholen voor kinderen in vluchtelingenkampen en roept de EU en alle internationale spelers op de capaciteit voor onderwijsvoorzieningen in vluchtelingenkampen te versterken;

33.  erkent dat voorspelbaarheid, operationele flexibiliteit en meerjarenbijdragen essentieel zijn voor efficiënte en effectieve hulpverlening; roept de EU en haar lidstaten op om de beginselen voor goed humanitair donorschap (GHD) kracht bij te zetten in de WHS‑verklaring;

34.  benadrukt dat mondiale actie nodig is om de financieringskloof te dichten; roept op tot de oprichting van een mondiaal fonds voor humanitaire hulp dat de participatie en inclusie van niet-DAC-donoren steunt en alle bestaande internationale financiële mechanismen, binnenlandse middelen en gepoolde fondsen (VN-noodhulpfonds, CERF-fonds, trustfondsen enz.) samenbrengt, en dat wordt aangevuld door vrijwillige financiële bijdragen van overheden, de particuliere sector en regionale organisaties; stelt voor dat betalingen worden gebruikt om tekorten in humanitaire toezeggingen voor noodgevallen met een "level 3"-classificatie aan te vullen, paraatheid te ondersteunen, een pakket van sociale bescherming en weerbaarheid te bieden aan langdurige vluchtelingen of om onvoorziene noodgevallen, zoals onder meer ebola, het hoofd te bieden;

35.  onderstreept dat de internationale financiële instellingen zich ten volle moeten inzetten en hun focus op "zachte" leningen moeten wijzigen, voornamelijk door hun selectiecriteria voor concessionele financiering opnieuw te bepalen teneinde een flexibelere institutionele respons op kwetsbare situaties mogelijk te maken en de respons beter af te stemmen op de nationale capaciteit om binnenlandse middelen vrij te maken;

36.  vraagt regeringen, donoren en hun faciliteringsomgevingen de administratieve vereisten voor de uitvoerende partners te vereenvoudigen door de procedures te stroomlijnen en best practices op het gebied van administratie, contracten en verslaglegging in kaart te brengen en tegelijkertijd de verantwoordingsplicht te waarborgen, en initiatieven te steunen die beogen de capaciteit en monitoring van de lokale actoren te doorlopend te helpen verbeteren en om de nationale coördinatiestructuren te versterken;

37.  benadrukt dat lokale ngo's toegang moeten hebben tot rechtstreekse financiering om het leven en de waardigheid van de getroffen bevolking beter te beschermen en te waarborgen; vraagt de lidstaten en de donoren om een aanzienlijke verhoging van de rechtstreekse financiering voor lokale humanitaire actoren die over de capaciteit, deskundigheid en bekwaamheid beschikken om in het veld op te treden en tegelijkertijd verantwoordingsplicht te waarborgen;

38.  vraagt de WHS een nieuwe overeenkomst tot stand te brengen om samen te werken met kwetsbare landen en in aanhoudende crises, met duurzame programma's, uitvoeringsplannen en voorspelbare financiering voor ontwikkeling; onderstreept dat in de actie-agenda van Addis Abeba de nadruk ligt op de noodzaak van investeringen in stelsels voor sociale bescherming en vangnetten om de respons in kwetsbare situaties sneller en doeltreffender op te voeren;

Kwetsbaarheid verminderen en risico's beheersen

39.  benadrukt dat het noodzakelijk is om het humanitaire responssysteem aan te passen aan de lokale, nationale en regionale vereisten, en om getroffen bevolkingen, in het bijzonder vrouwen van alle leeftijden, kinderen en personen met een handicap, minderheden en inheemse volkeren, te empoweren en regelmatig met hen te overleggen, en hun hun rol als actoren voor verandering te erkennen door waar mogelijk te voorzien in feedback van deze bevolkingen bij de programmering en uitvoering van de humanitaire actie;

40.  onderstreept dat een internationale respons gebaseerd moet zijn op bestaande lokale of nationale initiatieven en partnerschappen, teneinde dubbel werk te voorkomen; vindt het van groot belang dat de lokale en regionale capaciteiten voor humanitaire hulpverlening worden versterkt en dat er zo mogelijk wordt voorzien in inclusieve processen om de lokale overheden, het maatschappelijk middenveld, de particuliere sector en de getroffen bevolkingsgroepen bij de planning te betrekken;

41.  benadrukt dat er behoefte is aan een nieuw mondiaal model van complementariteit voor de samenwerking tussen humanitaire actoren en ontwikkelingssamenwerkingsactoren – zodat zij geleidelijk weerbaardere en zelfredzamere samenlevingen kunnen opbouwen – te beginnen met gezamenlijke analyses en programmering; benadrukt dat een dergelijk model ten eerste instapstrategieën voor ontwikkelingsactoren moet omvatten, zodat zij ter plaatse bruggen kunnen bouwen, ten tweede "crisis modifiers" voor ontwikkelingsprogramma's, en ten derde exitstrategieën voor humanitaire responsen, die een meer flexibele aanpak mogelijk maken, alsook een verantwoord en flexibel meerjarig financieringsmechanisme om te reageren op aanhoudende crises; wijst op het belang van samenwerking met lokale niet-gouvernementele organisaties en leiders van het maatschappelijk middenveld om permanente structuren in conflictgevoelige gebieden tot stand te brengen;

42.  vraagt de Commissie een initiatief in te dienen om humanitaire hulp, ontwikkelingssamenwerking en weerbaarheid systematischer aan elkaar te koppelen teneinde de EU in staat te stellen flexibeler en doeltreffender in te spelen op de toenemende behoeften, en ook een aanzet te geven om na te denken over een betere koppeling met de WHS; vraagt de EU de tussentijdse herziening van het huidige meerjarig financieel kader te benutten om humanitaire hulp en ontwikkeling meer aan elkaar te koppelen;

43.  benadrukt het belang van rampenrisicovermindering voor weerbaarheid op vier prioritaire gebieden: 1) rampenrisico's begrijpen; 2) het risicobeheer versterken om rampenrisico's te beheersen; 3) investeren in rampenrisicovermindering met het oog op weerbaarheid, rampenplannen en systemen voor vroegtijdige waarschuwing; en 4) de rampenparaatheid verbeteren met het oog op voor een doeltreffende respons, en "beter herbouwen" op het vlak van herstel, rehabilitatie en wederopbouw;

44.  vraagt de lidstaten en andere donoren de nationale rechtskaders voor humanitaire hulp, rampenbeheersing en rampenrisicovermindering te versterken en te ontwikkelen op basis van de internationale wetgeving, regels en beginselen inzake rampenrespons; onderstreept dat rampenparaatheid, risicovermindering en weerbaarheid systematisch moeten worden opgenomen in de rampenplannen van de lokale, regionale en nationale overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties, en dat deze tegelijk moeten worden geschraagd door toereikende financiering voor en meer innovatie in voorspellings- en risicobeheermodelen;

45.  vraagt de WHS sterke nadruk te leggen op de klimaatveranderingsproblematiek en humanitaire actie; meent dat het daarbij onder meer moet gaan over voorbereidingen op en weerbaarheid tegen de gevolgen van de klimaatverandering, zoals klimaatgerelateerde ontheemding en migratie, in alle betreffende beleidsvorming op regionaal en mondiaal niveau; vraagt de EU en haar lidstaten in dit verband moedige politieke beslissingen te blijven nemen om de klimaatverandering tegen te gaan;

Transformatie door middel van innovatie

46.  benadrukt dat innovatie gestoeld moet zijn op verschillende bronnen, en in het bijzonder op de kennis van getroffen mensen, het maatschappelijk middenveld en lokale gemeenschappen die in de eerste responslijn staan; benadrukt dat gedurende de humanitaire respons essentiële openbare voorzieningen, zoals onderwijs, voeding, gezondheidszorg, onderdak, water en sanitaire voorzieningen, moeten worden verbeterd; meent dat publiek-private partnerschappen en sectoroverschrijdende partnerschappen – wanneer de publieke en private sector gemeenschappelijke waarden en prioriteiten hebben die de doelstellingen van het bedrijfsleven op één lijn brengen met de ontwikkelingsdoelstellingen van de EU, en wanneer de internationale normen inzake doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking in acht worden genomen – een aanvulling kunnen vormen op de publieke respons op de toenemende humanitaire behoeften; merkt op dat bijstand in geld, mits die aan de beginselen van doeltreffende ontwikkelingshulp voldoet, een doeltreffend voorbeeld is van innovatie op het vlak van humanitaire hulp;

47.  is ingenomen met de conclusies van de Raad over gemeenschappelijke beginselen voor multifunctionele bijstand in geld voor het lenigen van humanitaire behoeften; erkent dat, hoewel slechts een klein deel van de humanitaire hulp momenteel in geld wordt verstrekt, het gebruik van bijstand in geld veel potentieel heeft om een innovatieve, waardigheid gevende, veilige, genderbewuste, flexibele en rendabele manier te zijn om in noodsituaties in de basisbehoeften van de meest kwetsbaren te voorzien; vraagt de EU en haar lidstaten in de aanloop naar de WHS voor de gemeenschappelijke beginselen en het gebruik van onvoorwaardelijke bijstand in geld op grond van context en responsanalyse te pleiten en een monitoringmechanisme te ondersteunen;

48.  vraagt de EU een mondiale humanitaire innovatiealliantie voor de ontwikkeling van wereldwijd gedeelde ethische benaderingen te bevorderen en te steunen in overeenstemming met de humanitaire beginselen en de VN-beginselen voor innovatie en technologie op het gebied van ontwikkeling, om te waarborgen dat alle investeringen in humanitaire innovatie ontworpen zijn om het lot van getroffen bevolkingen te verbeteren; vraagt dat er humanitaire innovatiefondsen op regionaal en nationaal niveau worden opgezet;

49.  erkent dat innovatie een belangrijke rol kan spelen bij de aanpak van nieuwe uitdagingen en de verbetering van bestaande programma's, door nieuwe ontwikkelingen uit andere sectoren over te nemen om modellen te bedenken, te verbeteren en te ontwikkelen die doorbraken in het overwinnen van humanitaire uitdagingen realiseren;

50.  benadrukt de rol van nieuwe technologieën en innovatieve digitale tools bij de organisatie en verlening van humanitaire bijstand, met name wat betreft het verstrekken en volgen van hulp, rampenmonitoring, uitwisseling van informatie, coördinatie tussen donoren en bevordering van de betrekkingen tussen hulpagentschappen en lokale overheden, in het bijzonder in afgelegen gebieden en rampgebieden; benadrukt dat Afrika, met name ten zuiden van de Sahara, momenteel een mobiele digitale revolutie ondergaat met een stijging van het aantal mobiele abonnementen (en internetgebruik op mobiele telefoons), waardoor die tools en diensten cruciaal zijn voor het opzetten van systemen voor vroegtijdige waarschuwing en snelle informatieverstrekking over gezondheidskwesties, gevaarlijke gebieden en contacten voor hulpverlening;

51.  vraagt de Commissie en de EU-lidstaten om deelname van het bedrijfsleven, en met name het mkb, te steunen, met inachtneming van de humanitaire beginselen en ethische normen, door voor bedrijven een handleiding voor actie op te stellen en lokale en regionale partnerschapsplatforms te bevorderen voor een gestructureerde, gecoördineerde en duurzame inzet van bedrijven in noodgevallen; moedigt de lidstaten aan om bedrijven beter op te nemen in hun respectieve nationale rampenplannen en verantwoordingsmechanismen;

52.  vraagt de EU om samenwerking met onder meer start-ups, verzekeringsmaatschappijen en technologiebedrijven te onderzoeken en aan te moedigen teneinde instrumenten voor paraatheid en inzet in noodgevallen te ontwikkelen; onderstreept dat de werkzaamheden van het VN-Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA) om wereldwijd de beschikbare middelen en capaciteit in de privésector in kaart te brengen, moeten worden gesteund en verder moeten ontwikkeld teneinde de technische samenwerking voor inspanningen op het vlak van rampenrespons te versterken;

53.  vraagt de EU en haar humanitaire partners in de context van de WHS te pleiten voor meer betrokkenheid van jongeren op het gebied van humanitaire paraatheid en herstelprocessen en om regelingen voor vrijwilligerswerk te bevorderen;

54.  benadrukt de belangrijke rol die de EU-vrijwilligersregeling voor humanitaire hulp kan spelen bij het in de praktijk brengen van de genomen besluiten op de toekomstige WHS en een herziene Europese consensus over humanitaire hulp; wijst erop dat de ervaring van vrijwilligers en andere humanitaire activisten een cruciale rol kan spelen bij de vaststelling van best practices en uitvoeringsinstrumenten;

55.  vraagt de EU en haar lidstaten tijdens de WHS de belangrijke rol van humanitaire belangenverdediging te bevorderen, aangezien dat een doeltreffende manier kan zijn om bescherming en innovatie te versterken;

56.  onderstreept dat de in Istanbul aangegane verbintenissen moeten worden nagekomen op het niveau van de EU en haar lidstaten; vraagt de EU en haar lidstaten daarom samen met andere humanitaire actoren een agenda op te stellen om na Istanbul de uitkomsten van de top operationeel te maken; benadrukt de noodzaak om in te staan voor voorspelbare en tijdige financiering voor humanitaire hulp uit de EU-begroting door ervoor te zorgen dat de humanitaire vastleggingskredieten van de EU systematisch volledig gedekt worden door een gelijk bedrag aan betalingskredieten;

57.  vraagt om een samenhangend en solide nieuw actieplan voor de Europese consensus over humanitaire hulp, dat een onpartijdige en doeltreffende Europese humanitaire respons waarborgt die op de plaatselijke context afgestemd is, leeftijd- en genderspecifiek is, niet discrimineert en in verhouding staat tot de behoeften;

o
o   o

58.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Europese Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1) http://www.un.org/documents/ga/res/46/a46r182.htm
(2) https://interagencystandingcommittee.org/iasc-transformative-agenda
(3) https://docs.unocha.org/sites/dms/ROWCA/Coordination/Principles_of_Partnership_GHP_July2007.pdf
(4) http://www.un.org/en/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/RES/64/290
(5) https://interagencystandingcommittee.org/files/guidelines-integrating-gender-based-violence-interventions-humanitarian-action
(6) http://www.preventionweb.net/files/43291_sendaiframeworkfordrren.pdf
(7) http://www.un.org/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/RES/69/313
(8) http://www.globalhumanitarianassistance.org/wp-content/uploads/2015/06/GHA-Report-2015_-Interactive_Online.pdf
(9) https://www.humanitarianresponse.info/en/system/files/documents/files/gho-status_report-final-web.pdf
(10) http://www.ghdinitiative.org/ghd/gns/principles-good-practice-of-ghd/principles-good-practice-ghd.html
(11) PB L 163 van 2.7.1996, blz. 1.
(12) http://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=URISERV:ah0009
(13) PB L 122 van 24.4.2014, blz. 1
(14) https://ec.europa.eu/transparency/regdoc/rep/1/2015/NL/1-2015-335-NL-F1-1.PDF
(15) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 924.
(16) http://ec.europa.eu/echo/sites/echo-site/files/Gender_SWD_2013.pdf
(17) http://ec.europa.eu/transparency/regdoc/rep/1/2015/NL/1-2015-406-NL-F1-1.PDF
(18) http://ec.europa.eu/atwork/synthesis/aar/doc/echo_aar_2014.pdf
(19) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-9420-2015-INIT/en/pdf
(20) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-9241-2015-INIT/nl/pdf
(21) http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/EN/foraff/137319.pdf
(22) http://www.preventionweb.net/files/37783_eccommunicationsdgs.pdf
(23) http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_Data/docs/pressdata/EN/foraff/146311.pdf
(24) http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=JOIN:2015:0040:FIN:NL:PDF
(25) https://www.worldhumanitariansummit.org/
(26) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0196.
(27) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0059.
(28) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0270.
(29) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0231.
(30) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0187.
(31) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0072.
(32) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0040.
(33) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0010.
(34) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0317.
(35) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0176.
(36) http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=comnat:COM_2015_0419_FIN
(37) http://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?qid=1441187290883&uri=SWD:2015:166:FIN


Ontwikkeling van een duurzame Europese basismetaalindustrie
PDF 379kWORD 105k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 december 2015 over de ontwikkeling van een duurzame Europese basismetaalindustrie (2014/2211(INI))
P8_TA(2015)0460A8-0309/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikelen 147, 173, 174, 192 en 345,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn(2),

–  gezien Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie(3), tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG,

–  gezien Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging)(4),

–  gezien Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van de Richtlijnen 2001/77/EG en 2003/30/EG(5),

–  gezien Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade(6), met name artikel 1 en de overeenkomstige overwegingen,

–  gelet op de geconsolideerde versie van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad(7), en de verschillende tenuitvoerleggingsregels daarvan,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 februari 2015 getiteld "Pakket energie-unie" (COM(2015)0080),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 oktober 2012 getiteld "Een sterkere Europese industrie om bij te dragen tot groei en economisch herstel" (COM(2012)0582),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 mei 2014 getiteld "Europese strategie voor energiezekerheid" (COM(2014)0330),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 juni 2013 getiteld "Actieplan voor een concurrerende en duurzame staalindustrie in Europa" (COM(2013)0407) en de daarbij behorende inventarisdocumenten van de "groep op hoog niveau",

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 maart 2011 getiteld "Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050" (COM(2011)0112),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 januari 2011 getiteld "Efficiënt gebruik van hulpbronnen – Vlaggenschipinitiatief in het kader van de Europa 2020-strategie" (COM(2011)0021),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2014 over de herindustrialisering van Europa ter bevordering van concurrentievermogen en duurzaamheid(8),

–  gezien zijn resolutie van 15 maart 2012 over een Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050(9),

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2014 over de situatie in de EU-staalindustrie: bescherming van werknemers en bedrijfstakken(10),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014 over het klimaat- en energiebeleidskader 2030,

–  gezien het rapport van 10 juni 2013 dat het Centrum voor Europese Beleidsstudies in opdracht van de Commissie heeft opgesteld, getiteld "Assessment of cumulative cost impact for the steel industry",

–  gezien het rapport van 31 oktober 2013 dat het Centrum voor Europese Beleidsstudies in opdracht van de Commissie heeft opgesteld, getiteld "Assessment of cumulative cost impact for the aluminium industry",

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie over de benutting van het werkgelegenheidspotentieel van groene groei (SWD(2012)0092),

–  gezien de WTO-Overeenkomst, ook "GATT 1994" genoemd, met name artikel XX,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0309/2015),

A.  overwegende dat tot de basismetalen behoren:

   gangbaar en speciaal staal, roestvrij staal, zeer sterk staal en superlegeringen,
   non-ferrometalen waarvan de referentieprijs door de termijnmarkt van Londen (LME) wordt bepaald, te weten aluminium, koper, tin, nikkel, lood en zink,
   legeringsmetalen, zoals kobalt, molybdeen, magnesium, titanium,
   zeldzame aardmetalen,

die allemaal voortkomen uit een primair productieproces,waartoe de winning en de metaalverwerking middels pyrometallurgie of hydrometallurgie behoren, terwijl het secundaire productieproces het resultaat is van terugwinning en recycling;

B.  overwegende dat de Europese staalsector historisch van aanzienlijk belang is geweest voor de Europese integratie en aan de basis ligt van de industriële toegevoegde productiewaarde en van de waardeketens in Europa; overwegende dat de basismetaalsector een essentiële rol speelt in de ontwikkeling van de economie als geheel, zowel technologisch gezien als voor het oplossen van knelpunten in de voorziening; overwegende dat de staalsector met de sluiting van staalproductie-installaties met een totale capaciteit van meer dan 40 miljoen ton sinds 2008 en meer dan 60 000 rechtstreekse banen en meer dan 100 000 onrechtstreekse banen die verloren zijn gegaan, de zwaarste crisis in zijn geschiedenis in vredestijd doormaakt, met grotere afhankelijkheid van de verwerkende industrie van import uit derde landen en verlies van industriële knowhow als gevolg, hetgeen een rechtstreekse uitwerking heeft op miljoenen banen; overwegende dat de wereldwijde overcapaciteit wordt geschat op circa 300 miljoen tot 400 miljoen ton, voornamelijk in China;

C.  overwegende dat de basismetaalindustrie geconfronteerd wordt met een forse daling van de vraag alsook met felle wereldwijde concurrentie, vooral van derde landen die niet dezelfde hoge normen en strikte regelgeving hebben als Europa;

D.  overwegende dat de energieprijzen in Europa hoger zijn dan in een aantal andere economieën, vooral als gevolg van onvoldoende integratie van de energiemarkt, stijgende belastingen, heffingen en netwerkkosten, en dat ze het concurrentievermogen van de Europese basismetaalindustrie op de wereldwijde markt aanzienlijk beperken;

E.  overwegende dat de Europese basismetaalindustrie hard getroffen wordt door het weglekken van investeringen naar derde landen, vooral als gevolg van relatief hoge energieprijzen en koolstofkosten;

F.  overwegende dat het feit dat de Europese elektrolysebedrijven voor de verwerking van metalen als aluminium, koper en magnesium een voor een zijn gesloten aantoont dat in Europa sprake is van een sterke de-industrialisatie ten aanzien van deze sector, die niet is te wijten aan een daling van de Europese vraag, maar voornamelijk aan de verhoging en toegenomen volatiliteit van de elektriciteitsprijs in meerdere lidstaten en dumping door derde landen;

G.  overwegende dat legeringen van metalen als staal, aluminium, zink, titaan en koper (met inbegrip van gegalvaniseerde platen), die in deze resolutie omschreven worden als basismetalen, essentieel zijn in de elektrotechnische industrie, voor de constructie van machines, werktuigen en motorvoertuigen, en in de bouwsector; overwegende dat de Europese basismetaalindustrie moet worden beschouwd als een strategisch voordeel voor het Europees concurrentievermogen, met name voor andere industriële sectoren alsook voor de ontwikkeling van bestaande en nieuwe infrastructuur;

H.  overwegende dat de aandacht vooral moet gaan naar de aanpak van het probleem van concurrentievermogen en het risico van koolstoflekkage, waarbij protectionistische maatregelen moeten worden vermeden;

I.  overwegende dat het EU-emissiehandelsysteem (ETS) sedert 2009 een groeiend overschot heeft aan rechten en internationale kredieten ten opzichte van emissies, wat een ernstige verzwakking van het koolstofprijssignaal betekent; overwegende dat wanneer de emissievergunningen van het emissiehandelssysteem (ETS) in de toekomst duurder worden, het waarschijnlijk is dat er een concurrentieschok ontstaat; overwegende dat tenzij er vergelijkbare inspanningen worden geleverd op internationaal of nationaal niveau, te weten door de invoering van een koolstofmarkt als in de EU, een aantal industriële sectoren en installaties in de EU aan internationaal concurrentievermogen zullen inboeten, wat kan leiden tot een zekere mate van koolstoflekkage; overwegende dat er in de basismetaalindustrie nog steeds een significant energiebesparingspotentieel bestaat, dat doeltreffend kan worden gerealiseerd met behulp van particuliere investeringen en steunregelingen voor de modernisering van fabrieken;

J.  overwegende dat de Europese basismetaalindustrie te maken heeft met een race tegen de klok om haar mondiaal concurrentievermogen en haar investeringsvermogen in Europa terug te krijgen, en dat zij derhalve haar sociale en milieu-uitdagingen moet overwinnen zonder daarbij haar wereldwijde leiderspositie op het gebied van de sociale en milieuverantwoordelijkheid van haar bedrijven te verliezen; overwegende dat als een gevolg van wereldwijde overcapaciteit en oneerlijke subsidies en dumping door derde landen de Europese markt voor basismetalen verder onder druk is komen te staan; overwegende dat productinnovatie een positief effect heeft op de groei van de werkgelegenheid in alle fasen van de conjunctuurcyclus van industrieën; overwegende dat een aantal ondernemingen anderzijds strategieën toepast die zijn toegespitst op financieel rendement op de korte termijn, ten koste van innovatie, investeringen in O&O, werkgelegenheid en vernieuwing van vaardigheden; overwegende dat de betrokkenheid van de werknemers bij innovatie en de vaststelling van strategieën de beste garantie voor economisch succes is; overwegende dat ook een eerlijke handel in staalproducten slechts mogelijk is indien fundamentele werknemersrechten en milieunormen in acht worden genomen;

K.  overwegende dat de valorisatie van secundaire metalen (die het product zijn van een terugwinnings- en recyclingproces) een vereiste is in een geïndustrialiseerde en hulpbronnenefficiënte economie en dat die moet worden ontwikkeld in het kader van een concurrerende en duurzame kringloopeconomie, maar dat die geenszins volstaat, zowel wat betreft kwaliteit als kwantiteit, om volledig aan de behoefte aan basismetalen van de Europese economieën te voldoen; overwegende dat het saldo van de schroothandel in de EU positief is en dat meer inspanningen moeten worden geleverd om schrootrecycling in Europa te stimuleren; overwegende dat voor de basismetaalindustrie en de leveranciers van grondstoffen en hulpstoffen van deze industrie een omvattende en geïntegreerde aanpak nodig is;

L.  overwegende dat dit met name het geval is voor de omvorming van het energiesysteem, aangezien basismetalen zoals zeldzame aardmetalen aan de grondslag liggen van de noodzakelijke nieuwe technologieën om dit te verwezenlijken; overwegende dat Europa nog altijd sterk afhankelijk is van de invoer van metalen die nodig zijn voor de productie van apparatuur voor het opwekken van energie uit hernieuwbare bronnen, die de sector reële kansen biedt om mogelijke problemen bij de toelevering te overwinnen; overwegende dat investeringen in hernieuwbare energie en energie-efficiëntie een belangrijke drijvende kracht zijn voor investeringen in industriële producten, zoals koper, aluminium en staal; overwegende dat een ambitieus Europees beleid inzake hernieuwbare energie en energiebesparing de toekomstige vraag naar basismetalen in Europa zou kunnen doen stijgen en met name kansen zou kunnen bieden voor de productie van producten met een grote toegevoegde waarde; overwegende dat de milieuaansprakelijkheid van ondernemingen veel te wensen overlaat, en dat er industrieterreinen bestaan waar de Europese wetgeving ernstig wordt geschonden, alsmede verlaten terreinen die een gevaar vormen voor de volksgezondheid en het milieu; overwegende dat strenge milieunormen en de beginselen van de circulaire economie aan de basis moeten liggen van de ontwikkelings- en innovatie-investeringen in de sector van de basismetaalindustrie in Europa; overwegende dat in het Stappenplan Energie 2050 van de Commissie wordt gesteld dat het koolstofarm maken van de energiesector en een scenario waarbij sterk wordt ingezet op hernieuwbare energie, goedkoper zijn dan een voortzetting van het huidige beleid en dat de prijzen van energie uit kernenergie en fossiele brandstoffen zullen blijven stijgen, terwijl de kosten van hernieuwbare energie zullen dalen;

M.  overwegende dat in het advies van ITRE over de aanbevelingen aan de Commissie voor de onderhandelingen over het trans-Atlantisch handels- en investeringspartnerschap (2014/2228(INI)) wordt aangedrongen op een apart hoofdstuk inzake energie, en dat tegelijk wordt gewezen op het concurrentienadeel van de energie-intensieve bedrijfstakken van de EU en de noodzaak om hun concurrentievermogen te vrijwaren;

N.  overwegende dat alleen een ambitieus innovatiebeleid, dat kwalitatief hoogwaardige, energie-efficiënte en innovatieve producten (bijv. zeer sterke en tegelijk buigzame staalsoorten) en nieuwe fabricageprocédés mogelijk maakt, de EU in staat stelt om zich tegenover de steeds hardere mondiale concurrentie staande te houden; overwegende dat 65 % van de bedrijfsuitgaven voor O&O voor rekening van de be- en verwerkende industrie komt en dat de versterking van onze industriële basis dan ook essentieel is om deskundigheid en knowhow binnen de EU te houden;

O.  overwegende dat de basismetaalindustrie van de EU ten dele ook aan concurrentievermogen inboet als gevolg van de hoge regelgevings- en administratieve druk;

P.  overwegende dat het pakket voor de energie-unie tot doel heeft een zekere, duurzame, concurrerende en betaalbare energiemarkt tot stand te brengen om het wereldwijd concurrentievermogen van de Europese economie te vergroten, door een verlaging en een harmonisering van de energieprijzen in Europa en tussen de lidstaten;

Q.  overwegende dat het toekennen van de status van marktgerichte economie aan door de overheid geleide of andere niet-marktgerichte economieën zonder naar hun eigenlijke werkingswijze te verwijzen de handelsbeschermingsinstrumenten zou aantasten en ernstige gevolgen zou hebben voor de Europese basismetaalindustrie op het vlak van concurrentievermogen en werkgelegenheid door de gevolgen van de prijzenoorlog van 's werelds grootste staalproducent en van de notoire overcapaciteit te verergeren;

R.  overwegende dat onderzoek, ontwikkeling en innovatie in deze sector cruciaal is voor de Europese industrie; overwegende dat fabriekssluitingen vaak uitmonden in een onomkeerbaar verlies van technologie en knowhow en van vaardigheden bij de werknemers in de industrie;

Het belang van basismetalen voor de Europese industrie

1.  onderstreept het belang van de basismetaalindustrie voor een hele reeks afnemende bedrijfstakken waaronder de automobielindustrie, de luchtvaartindustrie, de energieproductie, de bouw en de verpakkingsindustrie;

2.  is van oordeel dat Europa, dat reeds sterk afhankelijk is ten aanzien van grondstoffen, het zich niet kan permitteren een nieuwe afhankelijkheid op het stuk van basismetalen te laten ontstaan, die een zeer schadelijke invloed op de reeds genoemde bedrijfstakken lager in de bedrijfstakketen zou hebben;

3.  stelt vast dat de EU in de staalindustrie over te weinig productiecapaciteit voor platstaal beschikt ten gevolge van de massale sluitingen van de laatste jaren en een heropleving van de vraag;

4.  onderstreept dat de vraag naar non-ferrometalen, zoals aluminium en koper, ondanks de crisis constant stijgt;

De noodzaak om nu iets te doen aan de klimaatverandering en de hoge energieprijzen

5.  onderstreept dat een herziening van het huidige emissiehandelssysteem een van de meest dringende kwesties is voor het waarborgen van het concurrentievermogen van de basismetaalindustrie; stelt vast dat de Commissie voorstellen heeft gedaan die zullen leiden tot de hervorming van het emissiehandelssysteem voor de vierde periode (2021-2030) en vraagt de medewetgevers in dat kader ervoor te zorgen dat hierbij ook de kwestie van het weglekken van koolstof wordt aangepakt en wordt gewerkt aan verbetering van de doeltreffendheid, industriële innovatie en het optimale rendement die deze hervorming moet garanderen, en erover wordt nagedacht het ETS te vervangen door andere innoverende instrumenten en strategieën om de emissies effectief te verminderen; vraagt aan de Europese Commissie om bij de herziening van het emissiehandelssysteem de best performers binnen de energie-intensieve industrie op het gebied van produceren met lagere uitstoot te belonen;

6.  neemt nota van de invoering van de marktstabiliteitsreserve in 2019 en overweegt de voorstellen van de Europese Commissie inzake de structurele hervorming voor de periode na 2020 van de EU-regeling voor de emissiehandel, die in het Parlement specifiek en apart zullen worden behandeld;

7.  roept de energie-intensieve industrieën op hun inspanningen ter optimalisering van recycling en ter beperking van de uitstoot van CO2 voort te zetten, teneinde het concurrentievermogen van deze sectoren te behouden en de bindende reductiedoelstellingen van de EU te behalen; onderstreept in dit verband dat het industriële concurrentievermogen, hulpbronnenefficiëntie en terugdringing van de uitstoot elkaar aanvullende doelstellingen worden, want als de koolstofemissies van de Europese producenten gunstig evolueren, is het behoud van het aandeel daarvan op de Europese en wereldmarkten een efficiënt middel om bij te dragen tot een wereldwijde vermindering van industriële broeikasgasemissies; voegt daaraan toe dat dit ook het geval is voor de productie van ingevoerde goederen die beantwoorden aan de equivalente normen inzake energie-efficiëntie en emissies als die voor goederen die in de Europese Unie geproduceerd zijn; onderstreept dat ook ondernemingen in derde landen die deel uitmaken van de productieketen, zich in hun handelen moeten laten leiden door de klimaat- en energiedoelstellingen van de EU en met name de vooruitgang bij de energie-efficiëntie moeten volgen;

Koolstofcorrecties aan de grenzen: een tijdelijke en flexibele maatregel van internationale dimensie in overeenstemming met de WTO

8.  onderstreept met klem dat de Europese Unie tracht te onderhandelen met derde landen, door middel van de oprichting van het Intergouvernementeel onderhandelingscomité dat het Verdrag van Rio in 1992 heeft voorbereid – een internationale overeenkomst die doelstellingen beoogt tot bescherming tegen de klimaatverandering, doch tot op heden zonder succes, ondanks de toenemende urgentie, die blijkt uit de zo goed als unanieme wetenschappelijke consensus; vraagt dat de EU leiderschap aan de dag blijft leggen en wijst erop dat op de Conventie van Parijs absoluut een wereldwijde bindende overeenkomst moet worden gesloten waarin alle partijen zich ten volle engageren om de gevaarlijke klimaatverandering effectief te voorkomen; benadrukt dat deze onderhandelingen moeten leiden tot een juridisch bindende overeenkomst met doelstellingen voor de hele economie voor alle partijen, waarbij de overeengekomen doelstelling om de opwarming van de aarde te beperken tot minder dan 2° C, wordt gerespecteerd; onderstreept dat een omvattende internationale overeenkomst zal zorgen voor een gelijk speelveld voor de industrie en het risico van koolstoflekkage uit de EU zal beperken;

9.  benadrukt dat een internationale klimaatactie het beste recept is om koolstoflekkage te voorkomen; benadrukt het feit dat een ambitieus internationaal akkoord over de strijd tegen de klimaatverandering waardoor gelijke concurrentievoorwaarden ontstaan voor alle landen die bereid zijn op multilateraal niveau samen te werken en een coherente wereldwijde milieuregeling voor de reductie van koolstofemissies tot stand te brengen, de meest positieve manier zou zijn om de wereldwijde emissies aan te pakken; benadrukt dat een dergelijk akkoord eerlijke mededinging mogelijk zou maken voor alle producenten van basismetalen en overwegingen betreffende correcties aan de grenzen overbodig zou maken, op voorwaarde dat de tenuitvoerlegging ervan wordt onderworpen aan een effectieve monitoring en aan eventuele corrigerende maatregelen; wijst erop dat een dergelijk internationaal akkoord noodzakelijkerwijs ook betrouwbare toezeggingen moet omvatten van de landen met de hoogste emissies; wijst in dit verband ook op de noodzaak van naleving van sociale en milieunormen om voor gelijke concurrentievoorwaarden te zorgen;

10.  wijst erop dat, rekening houdend met zowel invoer als uitvoer, het mechanisme voor koolstofcorrecties aan de grenzen in de Europese regelgeving een model voor emissievermindering invoert dat ook de consumptie omvat die op het grondgebied heeft plaatsgevonden en dat die "bottom up"-aanpak als voordeel heeft dat die overal als universele oplossing kan worden toegepast met inachtneming van de soevereine beoordeling door elke lidstaat van het ambitieniveau van zijn klimaatbeleid, na een grondige effectbeoordeling van de gevolgen; roept de Commissie op om bij toekomstige handelsovereenkomsten te waarborgen dat de exportmogelijkheden en de toegang tot de markt voor Europese basismetaalproducten duidelijk worden verbeterd; herhaalt dat de Commissie het verbod op verstorende methoden in verband met grondstoffen (dubbele prijsstelling, uitvoerbeperkingen) moet opnemen in regionale, bi- en multilaterale handelsovereenkomsten;

11.  onderstreept dat alle maatregelen die de handel beïnvloeden de internationale handelsovereenkomsten moeten respecteren; bevestigt dat de doelstellingen die beoogd worden met het klimaatbeleid voor behoud van het leven en van de gezondheid van mensen, dieren en planten, alsook het behoud van niet-duurzame natuurlijke hulpbronnen, indien op niet-discriminerende wijze nagestreefd en niet toegepast als verkapte beperking, overeenkomen met de uitzonderingen als vastgesteld in artikel XX van de GATT; verklaart dat klimaatverandering, gezien het wereldwijde karakter ervan, onderwerp van wetgeving moet zijn; is van mening dat atmosfeer met een laag koolstofgehalte (zuivere lucht), nu al wordt beschouwd als een natuurlijke hulpbron die uitgeput kan raken, en daarom moet worden beschouwd als publiek goed; preciseert bovendien dat vergeldingsmaatregelen naar aanleiding van de toepassing van koolstofcorrecties aan de grenzen niet mogelijk zijn zonder inbreuk te maken op de regels van de internationale handel en zonder het risico te worden veroordeeld; herinnert eraan dat het helemaal niet de bedoeling is de Europese bedrijven te beschermen, maar gelijke concurrentievoorwaarden ten opzichte van hun externe concurrenten te creëren;

12.  geeft aan dat het wenselijk is te overwegen om de inkomsten uit de veilingen gedeeltelijk te herverdelen over initiatieven op het gebied van milieubescherming en bestrijding van de klimaatverandering, zoals het in de overeenkomsten van Cancún bedoelde groene fonds en andere internationale klimaatfinancieringsinstrumenten;

13.  merkt op dat afspraken over normen voor de berekening van het koolstofgehalte en de emissies gedurende de hele levenscyclus van producten tot meer transparantie leiden en duurzame productie en consumptie aantrekkelijker kunnen maken, waaronder in de metalenindustrie;

Compensatie van indirecte emissies

14.  betreurt dat uit de op staatssteun gebaseerde regeling voor compensatie van de onrechtstreekse kosten een nieuwe bron van oneerlijke concurrentie op de Europese interne markt is ontstaan tussen de producenten uit de elektriciteitsintensieve sectoren, waarvan sommigen financiële steun van hun overheid ontvangen; hamert erop dat deze compensatie op Europees niveau moet worden geharmoniseerd en, in voorkomend geval, uitgevoerd, teneinde te zorgen voor een gelijk speelveld met de mondiale concurrenten en tussen Europese producenten, en doeltreffende bescherming te bieden tegen koolstoflekkage; wijst erop dat dit met name geldt voor de zes niet-ferrometalen die verhandeld worden tegen prijzen die via vraag en aanbod op de wereldmarkten, in het bijzonder de London Metal Exchange, tot stand komen; realiseert zich in dit verband dat de producenten van basismetalen 'prijsnemers' zijn, die hogere kosten niet aan hun klanten kunnen doorberekenen; concludeert dat de compensaties voor indirecte emissies moeten worden gehandhaafd; verwijst naar de overeenkomst betreffende de instelling en werking van een marktstabiliteitsreserve, waarin staat: "Rekening houdend met het doel van een gelijk speelveld moet bij die evaluatie ook een geharmoniseerde regeling worden overwogen om indirecte kosten op het niveau van de Unie te compenseren"(11); verwijst in verband hiermee naar Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag(12), alsmede aan de artikelen 107 en 108 van het VWEU; verzoekt de Commissie te onderzoeken wat de gevolgen van de verschillende steunregelingen voor energie zijn op de detailhandelsprijs van energie, waarvan een indirecte invloed op het concurrentievermogen van energie-intensieve industrieën in de afzonderlijke lidstaten uitgaat;

15.  is van mening dat de verschillende gevolgen van koolstof op de elektriciteitsprijs door de energiemix van elke leverancier een concurrentiefactor vormen die onder andere overeenkomt met de keuze van iedere soevereine staat; verwelkomt het voorstel van de Commissie inzake de Europese energie-unie; meent dat een goed werkende interne energiemarkt die zorgt voor zekere en duurzame energie en adequate interconnecties van lidstaten garandeert, zal helpen om de energieprijzen voor de Europese industrie en consumenten te drukken; is van mening dat het emissiehandelssysteem een geharmoniseerde EU-maatregel is ter vermindering van de industriële uitstoot, en dat de effecten ervan daarom benaderd moeten worden door middel van een geharmoniseerd systeem;

Steun voor investeringen in de koolstofarme productie van metalen

16.  verzoekt dringend dat de gratis quota voor de efficiëntste installaties in de sectoren waar koolstoflekkage plaatsvindt zo spoedig mogelijk en in elk geval beginnend in 2018 en tijdens de vierde fase die de periode 2021-2030 beslaat worden verdeeld in functie van investeringsprogramma's voor nieuwe uitrusting, O&O (waaronder het opvangen, opslaan (CCS) en gebruiken van koolstof (CCU)) en opleiding van werknemers, teneinde tot een hoog niveau van klimaat- en milieubescherming en een stevig pakket arbeidsrechten te komen; onderstreept de absolute noodzaak van investeringen in onderzoek en ontwikkeling, zodat Europa een expertisecentrum voor de basismetaalproductie kan blijven; herinnert eraan dat bedrijven die investeren zich het beste handhaven in tijden van crisis; verzoekt dat de opbrengsten van de veilingen in het kader van de ETS gebruikt worden voor het financieren van klimaatmaatregelen in de EU en in ontwikkelingslanden, waaronder voor investeringen in hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntieprojecten in industriesectoren; steunt de plannen - in de context van het klimaat- en energiekader 2030 - voor de oprichting van een faciliteit (NER400) voor het afvangen en opslaan van koolstof, voor innovatieve hernieuwbare energiebronnen en voor op een laag koolstofgebruik stoelende innovatie in industriesectoren, zoals bedoeld in de conclusies van de Europese Raad van 23 oktober 2014; stelt voor dat de proef- en demonstratieprojecten voor het afvangen, gebruiken en opslaan van koolstof deel moeten uitmaken van programma's voor de financiering van koolstofarme technologieën die door de Europese Commissie worden gesteund naar analogie van NER300 en het toekomstige NER400 met een financieel risico dat wordt gedeeld door de financierder en de marktdeelnemer; herinnert aan het belang van overheidsinvesteringen, en in Europees verband de Horizon 2020-middelen, om de milieu- en energie-efficiëntie van de basismetaalindustrie te verbeteren en onder meer te komen tot lagere koolstofemissies overeenkomstig de Europa 2020-doelstellingen; beschouwt de opleiding van de werknemers in koolstofarme technologieën en werkwijzen als een strategische investering die volledig deel moet uitmaken van de programma's ter financiering van de overgang naar koolstofarme technieken die door de Commissie worden gesteund;

Controle van de financiële transacties en transparantie

17.  stelt voor dat de koolstofquota openbaar gemaakt worden bij de publicatie van de jaarrekeningen van ondernemingen en dat de Europese Unie ervoor zorgt dat het werk aan een speciale internationale standaard voor jaarrekeningen wordt hervat;

18.  onderstreept het belang van transparantie bij het gebruik van de inkomsten uit de verkoop van emissiequota door de lidstaten; verwijst in dit verband naar de verplichting voor de lidstaten om de Commissie op de hoogte te stellen van het gebruik van de inkomsten die met de ETS worden gegenereerd; onderstreept dat meer transparantie zou helpen burgers te laten zien hoe de nationale overheid de inkomsten uit de ETS gebruikt;

19.  onderstreept dat installaties en ondernemingen zich moeten houden aan alle wettelijke verplichtingen inzake sociaal verantwoord ondernemen en rapportage, teneinde te zorgen voor een gelijke en doeltreffende tenuitvoerlegging van de milieuregels en te waarborgen dat bevoegde autoriteiten en belanghebbende partijen, met inbegrip van werknemersvertegenwoordigers en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en plaatselijke gemeenschappen, toegang hebben tot alle relevante informatie; onderstreept het recht van toegang tot informatie over milieukwesties, zoals bedoeld in het Verdrag van Aarhus en vastgesteld in Europese en nationale wetgeving, waaronder Richtlijn 2003/87/EG; stelt voor dat elke geklasseerde installatie waarop het emissiehandelssysteem van toepassing is jaarlijks volledige informatie over de bestrijding van de klimaatverandering en de naleving van de Europese richtlijnen op het gebied van milieu en veiligheid en gezondheid op het werk verstrekt die toegankelijk is voor zowel vertegenwoordigers van werknemers als vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld afkomstig uit gemeenschappen in de buurt van de installatie;

Elektriciteitsleveringsovereenkomsten

20.  wijst er met klem op dat het voor het concurrentievermogen van de Europese basismetaalindustrie van belang is dat het sluiten van langetermijncontracten mogelijk is onder bepaalde, door de Commissie te preciseren voorwaarden, die een terugverdientijd moeten hebben van niet minder dan vijftien jaar wanneer het gaat om bijzonder kapitaalintensieve industrieën; herinnert eraan dat industriëlen hun investeringen veilig moeten stellen middels voorspelbare prijzen en een duidelijk juridisch kader; onderstreept dat de stabiliteit van contracten voor de levering van elektriciteit op lange termijn de voorkeur verdient boven jaarlijkse veilingen van elektriciteit; maakt zich zorgen over marktregels die in sommige lidstaten een structurele kloof mogelijk maken tussen elektriciteitsprijzen en de kosten van de opwekking van elektriciteit; verzoekt de Commissie de strijd aan te binden met onverhoopte winsten van particuliere oligopolieën in de energiemarkt;

21.  maakt zich zorgen over marktregels die een structurele kloof mogelijk maken tussen elektriciteitsprijzen en de kosten van de opwekking van elektriciteit;

Overdracht van vaardigheden

22.  dringt erop aan dat de overdracht van vaardigheden tussen generaties van werknemers wordt georganiseerd in alle bedrijven die onbevredigende leeftijdspiramides voor alle hooggekwalificeerde functies binnen de productie hebben; is voorstander van het verwerven van meer vaardigheden door jonge werknemers in de bedrijven middels een structureel opleidingsbeleid waarmee wordt gezorgd voor de ontwikkeling van de collectieve vaardigheden van de werknemers; onderstreept het belang van vaardigheden en kwalificaties van werknemers in de basismetaalindustrie; dringt aan op actieve werkgelegenheids- en industriemaatregelen, teneinde te waarborgen dat deze kennis wordt ontwikkeld en erkend als een belangrijk pluspunt van de Europese basismetaalindustrie; vindt dat bij het beoordelen van de levensvatbaarheid van de productie in een bepaalde installatie rekening moet worden gehouden met behoud van industriële knowhow en kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid;

Grondstoffenvoorziening

23.  dringt aan op Europees diplomatiek optreden met betrekking tot grondstoffen voor metaalproductie op basis van strategische partnerschappen voor het delen van de toegevoegde waarde door de Europese landen en de landen die grondstoffen produceren ten einde de ontwikkeling van geschoolde arbeid tijdens de gehele waardeketen te stimuleren; verzoekt de Commissie een instrument te ontwikkelen waarmee de staalmarkt diepgaand kan worden geanalyseerd en nauwkeurige informatie kan worden verkregen over de vraag- en aanbodsituatie in Europa en wereldwijd, waarbij onderscheid moet worden gemaakt tussen de structurele en de cyclische componenten van de ontwikkeling van deze markten; is van mening dat het volgen van de primaire en secundaire basismetaalmarkten waardevolle gegevens kan opleveren als basis voor corrigerende en proactieve maatregelen, die onvermijdelijk zijn wegens het cyclische karakter van deze staalindustrieën; verwelkomt het rapport van het European Rare Earths Competency Network (ERECON)(13); verzoekt de Commissie in het kader van ERECON verder te werken aan de ontwikkeling van een gediversifieerde en duurzame toeleveringsketen voor zeldzame aardmetalen voor Europa, en in het bijzonder uitvoering te geven aan de beleidsaanbevelingen en steun toe te kennen aan vervangingsoplossingen en meer recycling;

Europese handelsbeschermingsmaatregelen voor basismetalen: liever preventie dan laattijdig herstel

24.  spoort de Raad aan de herziening van de twee verordeningen betreffende handelsbeschermingsinstrumenten (TDI's) af te ronden, teneinde deze instrumenten te stroomlijnen en te versterken, en daarmee te voorkomen dat zij worden afgezwakt; stelt een eerste fase van voorafgaand onderzoek gedurende maximaal een maand voor om antidumping- en antisubsidieklachten een eerste keer te analyseren, waarna op basis van de eerste gegevens preventieve corrigerende maatregelen kunnen worden genomen en een grondig onderzoek kan worden ingesteld; betreurt dat het wetgevingsvoorstel over de modernisering van de TDI's in de Raad is vastgelopen, ondanks het feit dat het Parlement ten volle steun geeft aan strengere maatregelen tegen oneerlijke invoer uit derde landen; verzoekt de Raad op korte termijn werk te maken van de modernisering van de TDI's, om eindelijk een adequaat antwoord op oneerlijke praktijken te krijgen en de Europese markt tegen dumping te kunnen beschermen, zodat een gelijk speelveld wordt gegarandeerd en de mogelijkheden die de energietransitie biedt, volledig kunnen worden benut;

25.  streeft naar een snelle vooruitgang van de recycling van zeldzame aarde en kritieke metalen die in de Unie worden gebruikt;

26.  onderstreept dat voor roestvrij staal en aluminium, net zoals voor alle basismetalen, wereldwijd concurrentie wordt gevoerd; is van mening dat de Commissie in haar analyses en vergelijkingen dringend de wereldmarkt moet analyseren als geografische referentiemarkt en haar onderzoek bij de definitie van de relevante markt niet beperkt tot de interne markt; dringt erop aan dat, voorafgaand aan de door DG Concurrentie van de Commissie te nemen besluiten, een effectbeoordeling wordt verricht van de productiecapaciteit waarbij onder andere rekening wordt gehouden met de uitrusting en de arbeidsplaatsen, en dat de conclusies ervan worden verwerkt in de definitieve publicatie die aan de belanghebbenden wordt voorgelegd; dringt aan op herziening van het concurrentiebeleid en de staatssteunregels, teneinde overheden beter in staat te stellen te werken aan het handhaven van sociale en regionale cohesie, het verbeteren van de milieunormen, en het aanpakken van volksgezondheidskwesties;

27.  spreekt zich uit voor de oprichting van lokale voorlichtings- en overlegcomités voor de preventie van industriële risico's, waarin alle belanghebbenden met controle- en waarschuwingsbevoegdheid zitting nemen; onderstreept de erkende expertise van de werknemersvertegenwoordigers bij de strategische keuzes en besluitvorming van ondernemingen;

De rol van basismetalen in de circulaire economie

28.  onderstreept in dit verband de positieve impact van secundaire metalen, die helpen om de input van energie en grondstoffen aanzienlijk te verminderen; verzoekt de Commissie dan ook de ontwikkeling en de werking van secundaire metaalmarkten te faciliteren; moedigt de invoering van een kringloopeconomie aan op alle locaties waar basismetaal wordt geproduceerd om de opwerking van bijproducten en gerecycleerde metalen te combineren ter verhoging van het concurrentievermogen ervan; dringt aan op de verplichte invoering van een kringloopeconomie op alle locaties waar basismetaal wordt geproduceerd om de opwerking van bijproducten en gerecycleerde metalen te combineren ter verhoging van het concurrentievermogen ervan; streeft naar een snelle vooruitgang van de recycling van zeldzame aarde en kritieke metalen die in de Unie worden gebruikt; dringt aan op de ontwikkeling van sterke banden tussen de sector van basismetaalrecycling en andere industrieën om de omvang en de weerbaarheid van de industriële basis te versterken, met name in regio's die door de-industrialisatie zijn getroffen; wijst in dit verband op het grote potentieel van product- en materiaalvervanging en een intensiever gebruik van schrootmetaal in onder meer de staal- en aluminiumproductie; wijst erop dat de meeste basismetalen vele malen kunnen worden hergebruikt met een fractie van de energie die gebruikt wordt voor de primaire productie; maakt zich zorgen over het aanzienlijke energieverlies dat Europa lijdt als gevolg van de legale en illegale uitvoer van aluminium en koper naar landen als China en India, staten die zelf een uitvoerverbod op aluminium hebben ingesteld; is van oordeel dat strenge milieunormen en de beginselen van de circulaire economie aan de basis moeten liggen van de ontwikkelings- en innovatie-investeringen in de sector van de basismetaalindustrie in Europa; verzoekt de Commissie voor economische stimulansen te zorgen voor het recycleren van metalen, waaronder op dit moment oneconomische kritieke grondstoffen, inclusief zeldzame aardmetalen, te bekijken op welke wijze markten voor gerecycleerde materialen kunnen worden ondersteund, bijvoorbeeld door middel van groene certificaten voor gerecycleerde materialen, ecodesign-vereisten en fiscale prikkels, en ervoor te zorgen dat het cohesiebeleid en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) worden ingezet om grondstoffenefficiëntie en recycling te bevorderen; is van mening dat de afvalwetgeving moet worden verbeterd om de werking van de Europese markt voor staal en schroot te ondersteunen, bijvoorbeeld door de richtlijn betreffende voertuigen aan het einde van hun levensduur en andere afvalwetgeving te herzien; stelt voor maatregelen te nemen om inzamelingsdoelstellingen vast te stellen, de aansprakelijkheid van de producent te vergroten en de wetgeving betreffende voertuigen aan het einde van hun levensduur ook van toepassing te maken op vrachtwagens, bussen en motorfietsen; wijst op het belang van gekwalificeerd en goed opgeleid personeel voor de overgang op duurzamere productieprocessen en producten, en dringt aan op de vaststelling van een Europese onderwijs- en opleidingsstrategie die ondernemingen, onderzoeksinstituten en de sociale partners helpt bij het gezamenlijk in kaart brengen van de vaardigheden die nodig zijn met het oog op milieuduurzaamheid;

o
o   o

29.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.
(2) PB L 188 van 18.7.2009, blz. 93.
(3) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1.
(4) PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17.
(5) PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16.
(6) PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56.
(7) PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0032.
(9) PB C 251 E van 31.8.2013, blz. 75.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0104.
(11) Zie overweging 9 van Besluit (EU) 2015/1814 (PB L 264 van 9.10.2015, blz. 1).
(12) PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1.
(13) http://ec.europa.eu/growth/sectors/raw-materials/specific-interest/erecon/index_en.htm


De situatie in Hongarije: follow-up van de resolutie van het Europees Parlement van 10 juni 2015
PDF 173kWORD 71k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 december 2015 over de situatie in Hongarije (2015/2935(RSP))
P8_TA(2015)0461RC-B8-1351/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de preambule van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), met name de tweede en de vierde t/m de zevende alinea,

–  gezien met name artikel 2, artikel 3, lid 3, tweede alinea, en de artikelen 6 en 7 VEU, en de artikelen van het VEU en het VWEU met betrekking tot de eerbiediging, bevordering en bescherming van de grondrechten in de EU,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000, dat op 12 december 2007 in Straatsburg is uitgevaardigd en met het Verdrag van Lissabon in december 2009 in werking is getreden,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens,

–  gezien zijn resolutie van 10 juni 2015 over de situatie in Hongarije(1), zijn resolutie van 3 juli 2013 over de situatie op het gebied van de grondrechten: normen en praktijken in Hongarije(2), van 16 februari 2012 over de recente politieke ontwikkelingen in Hongarije(3) en van 10 maart 2011 over de mediawet in Hongarije(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2014 met als titel "Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat" (COM(2014)0158),

–  gezien de eerste jaarlijkse dialoog van de Raad over de rechtsstaat, gehouden op 17 november 2015,

–  gezien de verklaring van 27 november 2015 van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa na zijn bezoek aan Hongarije,

–  gezien de door het Hongaarse parlement aangenomen Wet CXL van 2015 inzake massale immigratie,

–  gezien de door het Hongaarse parlement aangenomen Wet CXLII van 2015 inzake de doelmatige bescherming van de Hongaarse grenzen en inzake massale immigratie,

–  gezien Resolutie 36/2015 van het Hongaarse parlement over de boodschap aan de leiders van de Europese Unie, aangenomen op 22 september 2015,

–  gezien de mondelinge vraag namens de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken over de situatie in Hongarije: follow-up van de resolutie van het Europees Parlement van 10 juni 2015 (O-000140/2015 – B8-1110/2015),

–  gezien het antwoord van de Commissie van 5 november 2015 naar aanleiding van de resolutie van het Parlement van 10 juni 2015,

–  gezien de verklaring van de Commissie tijdens het debat in de plenaire vergadering van het Parlement van 2 december 2015 over de situatie in Hongarije,

–  gezien artikel 128, lid 5, en 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie gestoeld is op de waarden eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, en overwegende dat deze waarden universeel zijn en dat de lidstaten deze gemeen hebben (artikel 2 VEU); overwegende dat bij een duidelijk risico op een ernstige schending van de in artikel 2 VEU genoemde waarden door een lidstaat de "artikel 7-procedure" in werking treedt;

B.  overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie deel uitmaakt van het primaire recht van de EU en alle vormen van discriminatie verbiedt op grond van o.a. geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid;

C.  overwegende dat de manier waarop de rechtsstaat ten uitvoer wordt gelegd op nationaal niveau cruciaal is om het vertrouwen in de rechts- en bestuurlijke systemen in de lidstaten te waarborgen; overwegende dat de gerechtvaardigde onbuigzaamheid van de EU ten aanzien van waarden als eerbiediging van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten essentieel is voor de geloofwaardigheid van de Unie, zowel intern als op het internationale toneel;

D.  overwegende dat het recht op asiel wordt gewaarborgd, met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol daarbij van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en in overeenstemming met het VEU en het VWEU;

E.  overwegende dat een deugdelijk uitgavenbeleid en de bescherming van de financiële belangen van de EU centraal moeten staan in het EU-beleid, teneinde het vertrouwen van de burgers te vergroten door ervoor te zorgen dat hun geld goed, doelmatig en doeltreffend wordt besteed;

F.  overwegende dat de recente ontwikkelingen en de initiatieven en maatregelen die de afgelopen jaren zijn genomen in Hongarije hebben geleid tot een ernstige, stelselmatige verslechtering van de situatie op het gebied van de rechtsstaat en de grondrechten, onder andere vrijheid van meningsuiting, met inbegrip van academische vrijheid, de mensenrechten van immigranten, asielzoekers en vluchtelingen, de vrijheid van vergadering en vereniging, beperkingen en belemmeringen van de activiteiten van organisaties uit het maatschappelijk middenveld, het recht op gelijke behandeling, de rechten van mensen die tot een minderheid behoren, waaronder Roma, Joden en LGBTI's, sociale rechten, het functioneren van het constitutionele stelsel, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en andere instellingen, en vele zorgwekkende beschuldigingen van corruptie en belangenverstrengeling;

G.  overwegende dat het Hongaarse parlement in juli en september 2015 een aantal amendementen heeft aangenomen, vooral met betrekking tot het asielrecht, het wetboek van strafrecht, de wet inzake strafprocedures, de wet inzake grensbewaking, de wet inzake de politie en de wet inzake nationale defensie; overwegende dat een voorlopige beoordeling van de Commissie een aantal ernstige bezwaren heeft opgeworpen en vragen over de verenigbaarheid met het acquis inzake asiel en grenzen en met het Handvest van de grondrechten; overwegende dat de Commissie op 6 oktober 2015 een administratieve brief aan de Hongaarse regering heeft gestuurd; overwegende dat de Hongaarse regering die brief heeft beantwoord; overwegende dat de Commissie op 10 december 2015 een inbreukprocedure tegen Hongarije heeft aangespannen;

H.  overwegende dat de Commissie niet heeft geantwoord op het verzoek van het Parlement om aan te vangen met een diepgravende evaluatie naar de toestand van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in Hongarije; overwegende dat de Commissie tijdens het debat in de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 2 december 2015 verklaarde dat zij bereid was alle beschikbare middelen in te zetten, met inbegrip van inbreukprocedures, om ervoor te zorgen dat Hongarije – net als alle andere lidstaten – zijn verplichtingen uit hoofde van het EU-recht nakomt en de waarden van de Unie als verankerd in artikel 2 VEU, eerbiedigt; overwegende dat de Commissie van mening is dat in dit stadium niet aan de voorwaarden wordt voldaan om het kader voor de rechtsstaat ten aanzien van Hongarije in werking te laten treden;

1.  herhaalt zijn standpunt van 10 juni 2015 over de situatie in Hongarije;

2.  geeft uitdrukking aan ernstige bezwaren over de reeks wetgevende maatregelen die de afgelopen maanden versneld zijn uitgevoerd en die de toegang tot internationale bescherming extreem bemoeilijkt hebben en vluchtelingen, migranten en asielzoekers ten onrechte strafbaar hebben gesteld; vreest dat het beginsel van non-refoulement niet wordt nageleefd, dat er steeds meer asielzoekers worden vastgehouden, zo ook minderjarigen, en dat er een xenofobe retoriek wordt gebezigd waarbij migranten in één adem worden genoemd met maatschappelijke problemen of veiligheidsrisico's, met name in door de regering geïnitieerde communicatiecampagnes en volksraadplegingen, als gevolg waarvan de integratie stroef verloopt; dringt er bij de Hongaarse regering op aan terug te keren naar de normale procedures en noodmaatregelen in te trekken;

3.  is van mening dat alle lidstaten het EU-recht volledig moeten eerbiedigen in hun wetgevende en bestuurlijke praktijken en dat alle wetgeving een afspiegeling moet zijn van en in overeenstemming moet zijn met de fundamentele Europese waarden, te weten de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten;

4.  benadrukt dat het Parlement er herhaaldelijk bij de Raad op heeft aangedrongen om te reageren op de zorgelijke ontwikkelingen in Hongarije; dringt er bij de Raad van de Europese Unie en de Europese Raad op aan de situatie in Hongarije zo snel mogelijk te bespreken en hierover conclusies te formuleren; is van mening dat de Raad en de Commissie, door geen rekening te houden met of door niet adequaat te reageren op de zorgen van het Parlement die herhaaldelijk zijn verwoord door een meerderheid van zijn leden, het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen, als vastgelegd in artikel 13, lid 2, VEU, ondergraven;

5.  is van mening dat Hongarije een testcase vormt waarmee de EU haar vermogen en politieke bereidheid kan tonen om te reageren op bedreigingen en schendingen van haar eigen fundamentele waarden door een lidstaat; betreurt soortgelijke ontwikkelingen in enkele andere lidstaten, en is van mening dat de passiviteit van de EU kan hebben bijgedragen aan dergelijke ontwikkelingen die, net als in Hongarije, tekenen aan de wand zijn voor de ondermijning van de rechtsstaat; is van mening dat dit aanleiding geeft tot ernstige bezorgdheid over het vermogen van de Unie om ervoor te zorgen dat een lidstaat na de toetreding tot de Unie aan de politieke criteria van Kopenhagen blijft voldoen;

6.  herinnert aan de rol van de Commissie, als hoedster van de Verdragen, om te waarborgen dat nationale wetgeving in overeenstemming is met de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten; benadrukt dat de Commissie en het Parlement bij het beoordelen en analyseren van de situatie in afzonderlijke lidstaten moeten uitgaan van feiten en zich objectief moeten opstellen; verzoekt de Hongaarse regering en de Commissie nauw en bereidwillig samen te werken bij alle kwesties die naar hun mening nader beoordeeld of geanalyseerd moeten worden; is ingenomen met het aanspannen van een inbreukprocedure tegen Hongarije vanwege het asielacquis;

7.  betreurt het dat de huidige aanpak van de Commissie hoofdzakelijk gericht is op marginale, technische aspecten van de wetgeving en voorbijgaat aan de tendensen, patronen en het gecombineerde effect van de maatregelen op de rechtsstaat en de grondrechten; is van mening dat met name inbreukprocedures in de meeste gevallen niet hebben geleid tot echte veranderingen en een algehele oplossing van de situatie;

8.  dringt er bij de Commissie op aan het eerste stadium van het EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat te activeren, en daarom onmiddellijk aan te vangen met een diepgravende evaluatie waarmee de toestand van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in Hongarije onder de loep wordt genomen, met inbegrip van het gecombineerde effect van een aantal maatregelen, en waarbij wordt beoordeeld of in die lidstaat een stelselmatige bedreiging ontstaat die zou kunnen uitmonden in een duidelijk gevaar voor een ernstige schending in de zin van artikel 7 VEU;

9.  verzoekt de Commissie alle onderzoeken voort te zetten, met volledige gebruikmaking van alle bestaande wettelijke instrumenten, om ervoor te zorgen dat in Hongarije, overeenkomstig het EU-recht, op transparante en deugdelijke wijze gebruikgemaakt wordt van de EU-fondsen; neemt kennis van het besluit van de Commissie van 14 juli 2015 om de uitvoering van verscheidene contracten in het kader van acht EU-financieringsprogramma's op te schorten, vanwege het gebruik van een buitensporig restrictief selectiecriterium in aanbestedingsprocedures in Hongarije;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de president, de regering en het parlement van Hongarije, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0227.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0315.
(3) PB C 249 E van 30.8.2013, blz. 27.
(4) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 154.

Juridische mededeling