Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2139(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0373/2015

Ingediende teksten :

A8-0373/2015

Debatten :

PV 18/01/2016 - 17
CRE 18/01/2016 - 17

Stemmingen :

PV 19/01/2016 - 5.5
CRE 19/01/2016 - 5.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0005

Aangenomen teksten
PDF 200kWORD 92k
Dinsdag 19 januari 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
De rol van interculturele dialoog, culturele diversiteit en onderwijs bij het uitdragen van de fundamentele waarden van de EU
P8_TA(2016)0005A8-0373/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 19 januari 2016 over de rol van interculturele dialoog, culturele diversiteit en onderwijs bij het uitdragen van de fundamentele waarden van de EU (2015/2139(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2, artikel 21 en artikel 27, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 165 en 167 alsook artikel 17, op grond waarvan de Unie de status moet eerbiedigen die kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen alsook de levensbeschouwelijke en niet-confessionele organisaties volgens het nationaal recht hebben, onder erkenning van hun identiteit en hun specifieke bijdrage, en een open, transparante en regelmatige dialoog met hen moet voeren,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 10, 11 en 22 en de preambule,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, en met name artikel 2 van protocol nr. 1 bij dit Verdrag,

–  gezien de resolutie van de Verenigde Naties van 20 december 2010 over cultuur en ontwikkeling,

–  gezien de millenniumverklaring van de Verenigde Naties (2000) en met name de artikelen over mensenrechten, democratie en goed bestuur,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW, 1979),

–  gezien het Unesco-verdrag van 2005 betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen (Unesco-verdrag),

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948), met name artikel 16, en de VN-verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie of overtuiging,

–  gezien resolutie 67/179 van de Algemene Vergadering van de VN van 20 december 2012 en resolutie 22/20 van de VN-Mensenrechtenraad van 22 maart 2013,

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 13 juni 2013 over de ontwerprichtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging(1) en gezien de richtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging, zoals goedgekeurd door de Raad Buitenlandse Zaken op 24 juni 2013,

–  gezien Beschikking nr. 1983/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het Europees Jaar van de interculturele dialoog (2008)(2),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 november 2008 over de bevordering van de culturele diversiteit en van de interculturele dialoog in de externe betrekkingen van de Unie en de lidstaten)(3),

–  gezien het strategisch kader en het actieplan van de Europese Unie voor mensenrechten en democratie (11855/2012), die op 25 juni 2012 door de Raad Buitenlandse Zaken zijn goedgekeurd,

–  gezien het witboek van de Raad van Europa van 7 mei 2008 over interculturele dialoog, getiteld "Living Together As Equals in Dignity",

–  gezien de Europese agenda voor cultuur in het licht van de mondialisering (COM(2007)0242), die erop gericht is het bewustzijn van de culturele diversiteit en de waarden van de EU, de dialoog met het maatschappelijk middenveld en de uitwisseling van goede praktijken te bevorderen,

–  gezien de resultaten en vervolgacties van de voorbereidende actie op het gebied van cultuur in de externe betrekkingen van de EU uit 2014,

–  gezien het aan de modelvrijhandelsovereenkomst gehechte protocol betreffende culturele samenwerking(4),

–  gezien de Verklaring van Parijs over de bevordering van burgerschap en de gemeenschappelijke waarden van vrijheid, tolerantie en non-discriminatie door middel van onderwijs, die werd goedgekeurd tijdens de informele bijeenkomst van de ministers van Onderwijs van de EU op 17 maart 2015 in Parijs (8496/15),

–  gezien de gezamenlijke slotaanbevelingen van het voorzitterschapstrio van de EU-jongerenconferentie in 2015 in Luxemburg, waarin rekening werd gehouden met de raadpleging in het kader van de gestructureerde dialoog met als doel jongeren mondiger te maken met het oog op politieke participatie in het democratische bestel in Europa en waarin het Parlement werd opgeroepen een op waarden gebaseerd onderwijs en opvoeding tot actief burgerschap te bevorderen,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0373/2015),

A.  overwegende dat Europa een enorme rijkdom aan culturele, sociale, taalkundige en godsdienstige diversiteit vertegenwoordigt; overwegende dat in dit verband de gedeelde waarden die onze samenlevingen bijeenhouden, zoals vrijheid, sociale rechtvaardigheid, gelijkheid en non-discriminatie, democratie, mensenrechten, rechtsstatelijkheid, verdraagzaamheid en solidariteit, van cruciaal belang zijn voor de toekomst van Europa;

B.  overwegende dat interculturele dialoog geen juridisch begrip is en daardoor niet geregeld wordt door het nationaal, Europees of internationaal recht, maar gebaseerd is op internationale kaders ter bescherming van mensenrechten en culturele diversiteit;

C.  overwegende dat interculturele dialoog in verschillende studies en conclusies tijdens het Europees Jaar van de interculturele dialoog (2008) bij wijze van indicatie werd gedefinieerd als een proces met een open en respectvolle uitwisseling of interactie tussen personen, groepen en organisaties met verschillende culturele achtergronden of wereldbeelden; overwegende dat interculturele dialoog onder meer tot doel heeft meer begrip te kweken voor diverse gezichtspunten en praktijken, participatie te bevorderen en de vrijheid en het vermogen om keuzes te maken te vergroten, gelijkheid in de hand te werken en creatieve processen te stimuleren;

D.  overwegende dat het belangrijk is de nodige – met name financiële – middelen ter beschikking te stellen om in de eerste plaats programma's te financieren die gericht zijn op het bevorderen van de interculturele dialoog en de dialoog tussen de burgers teneinde de wederzijdse waardering in een context van grote culturele verscheidenheid te doen toenemen en in te spelen op de complexe realiteit van onze samenlevingen en het naast elkaar bestaan van verschillende culturele identiteiten en geloofsovertuigingen, alsook om de bijdrage van verschillende culturen aan de Europese samenlevingen en het Europese erfgoed te onderstrepen en doeltreffend om te gaan met conflicten;

E.  overwegende dat de verwezenlijking van deze doelstelling niet alleen een taak van de overheid en beleidsmakers is maar een gedeelde verantwoordelijkheid van de samenleving als geheel, met inbegrip van een breed scala van belanghebbenden, zoals gezinnen, de media, opvoeders, bedrijven, gemeenschapsleiders en religieuze leiders; overwegende dat het belangrijk is de rol van alle betrokkenen bij de interculturele dialoog te benadrukken en niet alleen die van politieke actoren;

F.  overwegende dat specifieke artikelen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van bijzonder belang zijn voor de interculturele dialoog omdat er gelijkheid, non-discriminatie, culturele, godsdienstige en taalkundige verscheidenheid, vrijheid van meningsuiting, vrij verkeer en burgerrechten inzake economische en politieke participatie in worden gehuldigd;

G.  overwegende dat een zinvolle interculturele dialoog een gedegen kennis van de eigen en andere culturen vergt;

H.  overwegende dat cultuur – in het licht van het Europees Jaar voor ontwikkeling 2015, de herziening van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling van de VN en het resultaat van de VN-top over duurzame ontwikkeling in 2015 – een cruciale rol speelt bij duurzame ontwikkeling en het uitroeien van armoede in de hele wereld; overwegende dat cultuur uitdrukkelijker moet worden geïntegreerd in de VN-Agenda inzake duurzame ontwikkeling voor de periode na 2015;

I.  overwegende dat Europa en de wereld worden geconfronteerd met tal van uitdagingen in verband met mondialisering, migratie, religieuze en interculturele conflicten en toenemende radicalisering;

J.  overwegende dat in de context van interculturele dialoog de eerbiediging van universele mensenrechten (als individuele rechten) en culturele rechten (onder erkenning van specifieke en velerlei culturele identiteiten) van essentieel belang is;

K.  overwegende dat de ontwikkeling van leermobiliteit voor studenten en docenten en andere vormen van internationale uitwisseling kunnen leiden tot een betere wereld waarin mensen zich vrij verplaatsen en van een open interculturele dialoog profiteren;

1.  stelt dat het in het licht van alle recente dramatische gebeurtenissen zaak is in een EU-benadering rekening te houden met en voort te bouwen op het uitstekende werk dat tijdens het Europees Jaar van de interculturele dialoog in 2008 van start is gegaan, de uitwisseling van optimale werkmethoden te intensiveren en een nieuwe gestructureerde dialoog te bevorderen met alle belanghebbenden bij interculturele en interreligieuze aangelegenheden: Europese en nationale politici, lokale en regionale overheden, kerken, religieuze verenigingen en gemeenschappen en levensbeschouwelijke en niet-confessionele organisaties, maatschappelijke organisaties en platformen, werknemers in de sport-, cultuur- en onderwijssector, nationale en Europese jeugdraden, academici en de media;

2.  spoort alle belanghebbenden ertoe aan een actuele, duidelijke, beleidsgerelateerde definitie van interculturele dialoog vast te stellen, methoden, kwaliteitscriteria en indicatoren in te voeren of te harmoniseren om het effect van programma's en projecten in verband met interculturele dialoog te beoordelen, en onderzoek te doen naar methoden voor interculturele vergelijkingen;

3.  dringt erop aan dat op onderwijsgebied een interculturele, interreligieuze en op waarden gebaseerde benadering wordt aangemoedigd om wederzijds respect, integriteit, ethische beginselen, culturele diversiteit, sociale inclusie en samenhang aan de orde te stellen en te bevorderen, mede via uitwisselings- en mobiliteitsprogramma's voor iedereen;

4.  pleit ervoor dat culturele verscheidenheid ook in de audiovisuele en de culturele sector aan bod komt; spoort deze sectoren ertoe aan op een creatieve manier te streven naar een akkoord over nationale, regionale en lokale actieplannen voor de tenuitvoerlegging van het Unesco-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen;

5.  dringt erop aan dat de interreligieuze dialoog wordt beschouwd als een onderdeel van de interculturele dialoog, een noodzakelijke voorwaarde voor vrede, en een essentieel hulpmiddel voor conflictbeheersing, met de nadruk op de waardigheid van het individu en het feit dat de mensenrechten in de hele wereld in ere gehouden moeten worden, met name de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst en het recht op bescherming van religieuze minderheden;

6.  benadrukt dat een echte interculturele en interreligieuze dialoog positieve en coöperatieve interacties in de hand werkt, begrip en respect tussen culturen bevordert en de diversiteit, de eerbiediging van democratie, vrijheid en mensenrechten en de verdraagzaamheid voor universele en cultuurspecifieke waarden vergroot;

7.  wijst op het belang van de tijdige integratie en opleiding van gesloten gemeenschappen;

8.  pleit ervoor dat de EU – als ijveraar voor vrede over de hele wereld – cultuur, culturele uitwisselingen en de verbetering van onderwijs opneemt in de externe betrekkingen en het ontwikkelingsbeleid van de EU, als instrumenten ter versterking van gemeenschappelijke kernwaarden zoals respect en wederzijds begrip, en tevens doeltreffende hulpmiddelen voor een zinvolle en duurzame aanpak van conflictoplossing en crisispreventie;

9.  is van mening dat culturele dialoog en diversiteit, overeenkomstig artikel 167, lid 4, VWEU, een rode draad moeten vormen in alle EU-beleidsdomeinen die van invloed zijn op gedeelde fundamentele Europese waarden en rechten, zoals jeugdbeleid, onderwijsbeleid, mobiliteit, werkgelegenheid en sociale zaken, extern beleid, vrouwenrechten en gendergelijkheid, handel en regionale ontwikkeling;

10.  beklemtoont dat toekomstige generaties opgeleid en voorbereid moeten worden om problemen onverschrokken aan te pakken en de uitdagingen waarmee de Europese burgers in de toekomst te maken zullen krijgen, doeltreffend en innovatief aan te gaan door ze toegang te geven tot een echte opleiding in burgerschap en ervoor te zorgen dat ze de motivatie en inzet hebben om competenties en vaardigheden op te doen zoals ondernemerschap, leiderschap en capaciteitsopbouw;

11.  erkent dat interculturele dialoog een hulpmiddel is voor inclusieve democratische participatie en het mondiger maken van burgers, met name in verband met collectieve goederen en openbare ruimten; stelt dat interculturele dialoog aanzienlijk kan bijdragen tot het verbeteren van de democratie en de ontwikkeling van een grotere en diepere inclusiviteit en een dito samenhorigheidsgevoel;

12.  meent dat het verhogen van overheidsinvesteringen in inclusief, kwaliteitsvol en toegankelijk formeel, niet-formeel en informeel onderwijs een eerste stap is in de richting van gelijke toegang en gelijke kansen voor iedereen; benadrukt nogmaals dat in klaslokalen en leeromgevingen en ook onder vormingswerkers voor culturele en sociale verscheidenheid moet worden gezorgd, om voortijdig schoolverlaten te bestrijden en het onderwijs aan kansarme kinderen te stimuleren teneinde kansengelijkheid en de sociale samenhang tussen toekomstige generaties te bevorderen;

13.  benadrukt dat formeel, niet-formeel en informeel onderwijs en toegang tot een leven lang leren niet alleen kennis, vaardigheden en competenties verschaffen, maar lerenden ook moeten helpen ethische en burgerwaarden te ontwikkelen en actieve, verantwoordelijke, onbevooroordeelde leden van de samenleving te worden; benadrukt in dit verband dat burgerschapsvorming op jonge leeftijd moet starten, en erkent het belang van samenwerking tussen alle belanghebbenden bij het onderwijs; pleit ervoor om voort te bouwen op de zin voor initiatief en de inzet van kinderen en jongeren om de sociale banden te versterken, een samenhorigheidsgevoel tot stand te brengen en ethische codes ter bestrijding van discriminatie uit te werken;

14.  wijst op de belangrijke rol van niet-formeel en informeel leren en acht het nuttig synergieën en partnerschappen tussen alle leerniveaus en -vormen tot stand te brengen, ook over de generaties heen; beklemtoont tevens het belang van sportbeoefening en vrijwilligerswerk om de ontwikkeling van burgerschapsvaardigheden en sociale en interculturele competenties te stimuleren en bij te dragen tot de sociale inclusie van kansarme en kwetsbare groepen, en van burgers meer in het algemeen, met name kinderen, doordat dit teamgeest en respect voor verscheidenheid bijbrengt en daarbij maatschappelijke verschijnselen als geweld, radicalisme, racisme en vreemdelingenhaat tegengaat en nieuwe grondslagen legt voor een constructieve en vreedzame dialoog tussen gemeenschappen; wijst in dit verband nogmaals op de cruciale rol van EU-programma's op het gebied van cultuur, media, onderwijs, jongeren en sport in de strijd tegen onverdraagzaamheid en vooroordelen en ter bevordering van het samenhorigheidsgevoel en respect voor culturele diversiteit;

15.  benadrukt hoe belangrijk het is stevige bruggen tussen cultuur en onderwijs te bouwen om competenties en overdraagbare vaardigheden aan te leren, meer hooggekwalificeerde en vaste arbeidsplaatsen te scheppen overeenkomstig de Agenda voor waardig werk van de IAO en een hoger niveau van sociale inclusie en actief burgerschap te bereiken; meent dat dit alles tot de belangrijkste doelstellingen behoort bij de tenuitvoerlegging van de fundamentele EU-waarden zoals neergelegd in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; wijst nogmaals op de waarde van Connect, het enige EU-programma ter bevordering van cultuur- en onderwijsprojecten, en spoort de Commissie ertoe aan een nieuwe proefactielijn te overwegen om na te gaan of een dergelijk programma nu haalbaar is;

16.  staat achter de mobiliteit van jongeren en docenten alsmede alle vormen van samenwerking tussen scholen en universiteiten, bijvoorbeeld gemeenschappelijke onderwijsplatformen, gezamenlijke studieprogramma's en gezamenlijke projecten, als een middel om begrip te kweken, de waardering van culturele verscheidenheid te bevorderen en jongeren uit te rusten met sociale, interculturele en burgerschapscompetenties en -vaardigheden; is in dit verband van mening dat kinderen al op zeer jonge leeftijd met andere culturen in aanraking brengen hen helpt de elementaire vaardigheden en competenties te verwerven die zij nodig hebben voor hun persoonlijke ontwikkeling, hun toekomstige arbeidsleven en actief EU-burgerschap; benadrukt dat de opname van doelgerichte educatieve schoolbezoeken in verschillende lidstaten en transnationale mobiliteit van jonge kinderen ook een middel is om de grondslagen te leggen voor Europese culturen, kunst, talen en waarden; moedigt mobiliteit aan, met name voor leerkrachten uit het lager en middelbaar onderwijs, om ervaringen uit te wisselen en hun eigen instrumenten te ontwikkelen om in te spelen op en om te gaan met maatschappelijke uitdagingen; benadrukt de belangrijke rol van het Erasmus+-programma, dat het Europese bewustzijn onder jongeren bevordert en een samenhorigheidsgevoel en een cultuur van interculturele dialoog doet ontstaan door hun mobiliteit te faciliteren en hun inzetbaarheid te vergroten; roept met name op tot verdere maatregelen om Erasmus+-mobiliteitsacties toegankelijker te maken voor benadeelde groepen en personen met bijzondere behoeften;

17.  spoort de lidstaten aan kwaliteitsvolle opleidingsprogramma's uit te werken om de diversiteit te bevorderen en lesgevers, jeugd- en gemeenschapswerkers en adviesdiensten in scholen en in niet-formele en informele settings, voor zowel kinderen als hun ouders, in staat te stellen aan de scholings- en onderwijsbehoeften van kinderen met uiteenlopende culturele en sociale achtergronden tegemoet te komen en alle vormen van discriminatie en racisme, met inbegrip van pesten en cyberpesten, aan te pakken; stipt aan dat leermiddelen moeten worden herbezien ter bevordering van meertalig leren vanuit verschillende gezichtspunten en dat de meertalige en interculturele ervaringen en vaardigheden van leerkrachten in dit verband stelselmatig benut en bevorderd moeten worden;

18.  onderstreept dat het belangrijk is in programma's voor een leven lang leren voor leerkrachten te investeren zodat ze over de nodige pedagogische competenties inzake onderwerpen als migratie, acculturatie en sociale psychologie beschikken en diversiteit als een rijke bron voor klassikaal leren weten aan te boren;

19.  wijst erop dat leerkrachten – in samenwerking met de gezinnen – een essentiële rol vervullen om sociale banden te versterken, een samenhorigheidsgevoel tot stand te brengen en jongeren te helpen ethische en burgerschapswaarden te ontwikkelen;

20.  herhaalt dat er op rechten gebaseerde en genderbewuste leeromgevingen gecreëerd moeten worden, opdat studenten kunnen leren over mensenrechten, met inbegrip van vrouwen- en kinderrechten, fundamentele waarden en burgerparticipatie, de rechten en verantwoordelijkheden van burgers, democratie en de rechtsstaat en er ook voor leren opkomen, waarbij zij vertrouwen in hun eigen identiteit, weten dat hun stem wordt gehoord, en zich door hun gemeenschappen gewaardeerd voelen; moedigt de lidstaten en onderwijscentra aan de actieve participatie van studenten in het bestuur van hun leerstructuren te bevorderen;

21.  wijst op de rol van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën en het internet als instrumenten ter bevordering van interculturele dialoog; staat achter het gebruik van sociale media om de burgers meer bewust te maken van de gemeenschappelijke fundamentele waarden en beginselen van de Europese Unie en onderstreept het belang van mediageletterdheid op alle onderwijsniveaus als een middel om de interculturele dialoog onder jongeren te bevorderen; spoort tevens de EDEO en alle hoofden van EU-vertegenwoordigingen aan de nieuwe digitale instrumenten optimaal te benutten bij hun werkzaamheden;

22.  erkent dat ngo's, mensenrechtenorganisaties, jeugdorganisaties en opleidingsinstellingen blijvende en structurele ondersteuning moeten krijgen om extremisme in vraag te stellen door middel van sociale cohesie en inclusie, actief burgerschap en participatie en versterking van de positie van jongeren, met name via kleinschalige lokale initiatieven en veldwerkers;

23.  onderkent dat ngo's, culturele netwerken en platformen, en de voormelde instellingen een sleutelrol spelen en moeten blijven spelen daar waar formele structuren, beleidsmaatregelen of programma's voor interculturele dialoog minder ontwikkeld zijn; moedigt verdere dialoog aan tussen de EU en grote steden, regio's en lokale overheden, teneinde doeltreffender onderzoek te doen naar i) het verband tussen de stedelijke modellen waarin de burgers leven en het welslagen of falen van schoolsystemen, ii) het voordeel van formeel en informeel onderwijs voor alle kinderen en gezinnen, en iii) de coördinatie van onderwijsstructuren ter bevordering van een doeltreffende interculturele dialoog;

24.  dringt erop aan opnieuw aandacht te besteden aan de bevordering van een solidaire, interculturele samenleving, met name onder jongeren, via de uitvoering van het programma "Europa voor de burger", en voldoende financiële middelen uit te trekken om de doelstellingen ervan te kunnen verwezenlijken, namelijk de opbouw van een meer samenhangende en inclusieve samenleving en de bevordering van actief burgerschap met een open blik op de wereld en respect voor culturele verscheidenheid en gebaseerd op de gemeenschappelijke waarden van de EU;

25.  is voorstander van inclusieve onderwijs- en opleidingsactiviteiten voor alle leeftijden op het gebied van kunst en sport, alsook van vrijwilligerswerk, met het oog op de verbetering van socialisatieprocessen en de participatie van minderheden, kansarme groepen, gemarginaliseerde gemeenschappen, migranten en vluchtelingen in het culturele en maatschappelijke leven, onder meer in leidinggevende functies en in de besluitvorming;

26.  erkent het belang van formeel, niet-formeel en informeel leren, alsook van vrijwilligerswerk, ter bevordering van zelfontplooiing gericht op cognitieve en niet-cognitieve vaardigheden en competenties, kritisch denken, het vermogen om om te gaan met verschillende meningen, mediageletterdheid, antidiscriminatie en interculturele vaardigheden en competenties, het leren van talen, en sociale en burgerschapscompetenties, waaronder leren over cultureel erfgoed als een middel om eigentijdse uitdagingen aan te pakken door middel van een inlevingsrijke interpretatie;

27.  bevestigt dat bij de behandeling van interculturele dialoog en onderwijs een genderperspectief voor ogen moet worden gehouden en rekening moet worden gehouden met de behoeften van mensen die onder meervoudige vormen van discriminatie lijden, met inbegrip van personen met een handicap, LGBTI's en mensen uit gemarginaliseerde gemeenschappen;

28.  spoort de EU-instellingen aan hun analyse van alle vormen van radicalisering te verruimen en opnieuw na te denken over de aard en de ontwikkeling van politiek extremisme en geweld, ervan uitgaande dat radicalisering een dynamisch, relationeel proces is, en een onverwacht en onvoorspelbaar gevolg is van een reeks veranderingen; verwelkomt de Verklaring van Parijs van 17 maart 2015 over de bevordering van burgerschap en de gemeenschappelijke waarden van vrijheid, tolerantie en non-discriminatie door middel van onderwijs dan ook als een inspanning om de actieve dialoog tussen culturen, de internationale solidariteit en het wederzijds respect te stimuleren, waarbij de aandacht vooral uitgaat naar het belang van burgerschapsvorming, met inbegrip van bewustmaking van de unieke rol van culturele instrumenten om wederzijds respect onder leerlingen en studenten te bevorderen;

29.  wijst op het recht en de verantwoordelijkheid van de regeringen en Europese instellingen om met de ondersteuning van inlichtingendiensten en rechtshandhavingsorganen criminele activiteiten aan te pakken; merkt echter op dat strafmaatregelen overeenkomstig het Handvest van de grondrechten van de EU altijd de grondrechten moeten eerbiedigen, zoals het recht op gegevensbescherming, de vrijheid van meningsuiting, het vermoeden van onschuld en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte;

30.  is van mening dat de EU bij het bevorderen van fundamentele waarden, interculturele dialoog en culturele verscheidenheid op internationaal niveau elke onmenselijke en onterende behandeling en alle mensenrechtenschendingen scherp moet veroordelen om de volledige eerbiediging van de Universele Verklaring van de rechten van de mens concreet te bevorderen;

31.  vraagt de lidstaten te zorgen voor de volledige tenuitvoerlegging van bindende Europese en internationale antidiscriminatienormen in het nationale recht;

32.  verzoekt de lidstaten gemarginaliseerde gemeenschappen, migranten, vluchtelingen en gastgemeenschappen alsook geloofsgemeenschappen en seculiere gemeenschappen op te nemen in respectvolle en emanciperende integratieprocessen en ervoor te zorgen dat ze in alle omstandigheden, met name in noodsituaties, op een menselijke, respectvolle en duurzame manier deelnemen aan het maatschappelijk en cultureel leven;

33.  is ingenomen met de voorbereidende actie op het gebied van cultuur in de externe betrekkingen van de EU en de rol ervan voor de versterking van de strategische rol van cultuur voor de menselijke, sociale en economische ontwikkeling, waarmee derhalve wordt bijgedragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het externe beleid, en verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden en de EU-vertegenwoordigingen overal ter wereld cultuur eveneens op te nemen als een integraal onderdeel van het externe beleid van de EU, in elke EU-vertegenwoordiging in partnerlanden buiten de EU een cultureel attaché te benoemen en het EDEO-personeel opleiding te geven over de culturele dimensie van het externe beleid; verzoekt de Commissie culturele diplomatie en interculturele dialoog te integreren in alle EU-instrumenten voor buitenlandse betrekkingen en in de ontwikkelingsagenda van de EU; vraagt de Unie en de lidstaten voorts de samenwerking met andere Europese en internationale organisaties zoals de Verenigde Naties en haar verwante organisaties, in het bijzonder Unesco, Unicef en UNHCR, te versterken en aan te dringen op een doeltreffende en sterkere vertegenwoordiging van de EU in de organen ervan; dringt bovendien aan op samenwerking met nationale culturele instellingen met het oog op een betere uitvoering van de bestaande instrumenten, zoals de culturele netwerken van de nationale instituten voor cultuur van de Europese Unie (EUNIC), en de ontwikkeling van nieuwe instrumenten om gemeenschappelijke uitdagingen in een gemondialiseerde wereld aan te pakken;

34.  is van mening dat cultuur een essentieel deel van de politieke dialoog met derde landen moet gaan uitmaken, en wijst er nogmaals op dat cultuur stelselmatig in ontwikkelingsprojecten en -programma's moet worden geïntegreerd; beklemtoont daarom dat belemmeringen voor de mobiliteit van kunstenaars, vormingswerkers, academici en cultuurbeoefenaars moeten worden weggenomen door de visumprocedures te harmoniseren en te vereenvoudigen om de culturele samenwerking met alle delen van de wereld te bevorderen;

35.  verzoekt de Commissie en de lidstaten strategieën te ontwikkelen waarin interculturele dialoog als een proces van interactieve communicatie binnen en tussen culturen wordt erkend, te zorgen voor wederzijds respect en gelijke kansen, doeltreffende oplossingen te bedenken en ten uitvoer te leggen om de economische en sociale ongelijkheden en oorzaken van uitsluiting alsook alle vormen van discriminatie aan te pakken en meer begrip te kweken voor diverse gezichtspunten en praktijken; wijst op de belangrijke rol van de media en de sociale media, enerzijds als potentieel platform voor extreme uitlatingen, anderzijds als een kanaal om xenofobe praat tegen te gaan, stereotypen en vooroordelen te ontkrachten en verdraagzaamheid uit te dragen;

36.  wijst erop dat cultureel erfgoed de diversiteit van cultuuruitingen weerspiegelt en daarom beschermd en bevorderd moet worden middels de goedkeuring van geharmoniseerde wetgeving en internationale overeenkomsten, in nauwe samenwerking met Unesco;

37.  verzoekt de lidstaten en de Commissie extremisme, zoals vreemdelingenhaat, racisme en alle vormen van discriminatie en marginalisering, te voorkomen aan de hand van maatregelen ter bevordering van samenhang in de gemeenschap waarmee economische en sociale ongelijkheden succesvol kunnen worden aangepakt, en daar een veelheid aan actoren bij te betrekken, zoals stadsplanners, maatschappelijk werkers, gemeenschappen, kerken en religieuze verenigingen, vormingswerkers, gezinsondersteunende organisaties en gezondheidswerkers, met als doelstelling extremisme te bestrijden, voor sociale integratie en formele en materiële gelijkheid te zorgen, diversiteit te bevorderen en samenhang in de gemeenschap in de hand te werken;

38.  pleit ervoor dat de EU samenwerkt om opleiding en onderwijs toegankelijk te maken voor vluchtelingenkinderen door programma's voor toegang tot onderwijs in humanitaire crisissituaties te blijven steunen en te zorgen voor de integratie van migrantenstudenten in Europa;

39.  verzoekt de Commissie en de lidstaten op alle bestuursniveaus op zoek te gaan naar interactieve, op jeugd en kinderen gerichte participatiemethoden, deze te ontwikkelen en uit te voeren;

40.  benadrukt de rol van het gezin bij de instandhouding van de culturele identiteit, de tradities, de ethische normen en het waardestelsel van een samenleving, en beklemtoont dat kinderen net in het gezin voor het eerst in aanraking komen met de cultuur, waarden en normen van hun samenleving;

41.  verzoekt de Commissie en de Raad de interculturele dialoog als een nadrukkelijke beleidsdoelstelling van de EU aan te nemen en daartoe EU-steun te waarborgen via allerlei beleidsmaatregelen, initiatieven en financiële middelen, met inbegrip van de interculturele dialoog met derde landen, met name fragiele staten;

42.  spoort de Commissie en de lidstaten aan verder voorrang te geven aan initiatieven die gericht zijn op de ondersteuning van culturele verscheidenheid, interculturele dialoog en onderwijs, en ten volle gebruik te maken van de financiële instrumenten, programma's en initiatieven van de EU – zoals de programma's Erasmus+, Europa voor de burger, Creatief Europa en Horizon 2020 –, de instrumenten van het EU-nabuurschapsbeleid en de instrumenten voor externe betrekkingen, en organen zoals het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, ter bevordering en ondersteuning van interculturele dialoog en culturele diversiteit in Europa en met de buurlanden en andere delen van de wereld;

43.  benadrukt de waardevolle bijdrage van de Europese kunstproductie aan de culturele verscheidenheid en beklemtoont dat deze productie een belangrijke rol speelt bij het uitdragen van de waarden van de EU en het aansporen van de Europese burgers tot kritisch denken;

44.  wijst op de rol van de LUX-prijs ter bekroning van Europese films die de Europese identiteit of de Europese culturele diversiteit voor het voetlicht halen;

45.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de gevolgen van de in het kader van dit verslag getroffen maatregelen te beoordelen en verzoekt de Commissie een monitoringverslag en een beoordeling voor te leggen;

46.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, en de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0279.
(2) PB L 412 van 30.12.2006, blz. 44.
(3) PB C 320 van 16.12.2008, blz. 10.
(4) PB L 127 van 14.5.2011, blz. 1418.

Juridische mededeling