Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2791(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0255/2016

Ingediende teksten :

B8-0255/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 25/02/2016 - 7.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0061

Aangenomen teksten
PDF 202kWORD 91k
Donderdag 25 februari 2016 - Brussel Definitieve uitgave
Opening van de onderhandelingen over een vrijhandelsovereenkomst EU-Tunesië
P8_TA(2016)0061B8-0255/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 25 februari 2016 over de opening van de onderhandelingen over een vrijhandelsovereenkomst EU-Tunesië (2015/2791(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien de op 13 oktober 2015 geopende onderhandelingen over een vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Tunesië,

–  gezien artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 3, 207 en 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de verklaringen die commissaris Cecilia Malmström op 13 oktober 2015 te Tunis heeft afgelegd bij de opening van de onderhandelingen over een diepe en brede vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Tunesië,

–  gezien de beslissing van 9 oktober 2015 om de Nobelprijs voor de vrede 2015 toe te kennen aan het Nationale Dialoog Kwartet, dat het Tunesisch maatschappelijk middenveld vertegenwoordigt,

–  gezien de conclusies van 20 juli 2015 van de Raad van de Europese Unie over Tunesië(1),

–  gezien Aanbeveling nr. 1/2015 van de Associatieraad EU-Tunesië van 17 maart 2015 voor de tenuitvoerlegging in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid van het actieplan EU-Tunesië (2013-2017) waarmee uitvoering wordt gegeven aan het geprivilegieerd partnerschap(2),

–  gezien Besluit nr. 534/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot toekenning van macrofinanciële bijstand aan de Republiek Tunesië(3), alsook de beschikbaarstelling van een eerste tranche op 26 april 2015,

–  gezien de door Ecorys uitgevoerde analyses van het effect van handel op duurzame ontwikkeling, die pleiten voor onderhandelingen over een diepe en brede vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Tunesië(4),

–  gezien de duurzaamheidseffectbeoordeling (SIA) met betrekking tot de Euro-mediterrane vrijhandelszone (EMFTA), het definitieve verslag van het SIA-EMFTA-project en het ontwerp van raadpleging dat in september 2007 is opgesteld door het Impact Assessment Research Centre Institute for Development Policy and Management van de universiteit van Manchester(5),

–  gezien de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tunesië, anderzijds(6),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 18 november 2015 getiteld "Herziening van het Europees nabuurschapsbeleid",

–  gezien zijn eerdere resoluties over de Unie voor het Middellandse Zeegebied en over de mediterrane buurlanden, met name zijn resolutie van 10 mei 2012 getiteld "Trade for Change: het handels- en investeringsbeleid van de EU voor het zuidelijk Middellandse Zeegebied na de Arabische voorjaarsrevoluties"(7),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie internationale handel,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU en Tunesië sinds lang nauwe betrekkingen onderhouden, dat de Europese Unie de eerste handelspartner van Tunesië is en Tunesië de 34e partner van de Unie;

B.  overwegende dat de eerste overeenkomst voor samenwerking op het gebied van handel tussen beide partners dateert van 1969 en dat Tunesië in 1995 het eerste land aan de zuidkant van de Middellandse Zee was dat een associatieovereenkomst met de Europese Unie ondertekende;

C.  overwegende dat de Europese Unie en Tunesië op 13 oktober 2015 zijn gestart met onderhandelingen over een ambitieuze vrijhandelsovereenkomst op basis van het mandaat dat op 14 december 2011 unaniem is goedgekeurd door de lidstaten van de Unie, en dat van 19 tot 22 oktober 2015 een eerste ronde heeft plaatsgevonden;

D.  overwegende dat de voorbereidende besprekingen tussen de Europese Unie en Tunesië over de diepe en brede vrijhandelsovereenkomst (DCFTA - deep and comprehensive free trade agreement) vier jaar geduurd hebben en dat Tunesië een nationale commissie heeft ingesteld om zijn prioriteiten te bepalen;

E.  overwegende dat een verdieping van de handelsbetrekkingen tussen de EU en Tunesië middels het sluiten van een ambitieus handelspartnerschap de economieën van Tunesië en de Europese Unie vooruitzichten op groei en toenadering moet bieden; dat dit partnerschap moet bijdragen tot de politieke en democratische stabilisatie van Tunesië;

F.  overwegende dat het handelspartnerschap deel uitmaakt van een breder kader van nabuurschapsbetrekkingen tussen de Europese Unie en Tunesië krachtens de Euro-mediterrane Associatieovereenkomst van 1995, die voorziet in een vrijhandelszone en bepalingen bevat inzake landbouw en diensten; dat de Associatieraad EU-Tunesië op 17 maart 2015 een nieuw actieplan heeft aangenomen tot uitvoering van het geprivilegieerd partnerschap om tot een hoge mate van economische integratie te komen; dat de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid de gemeenschappelijke waarden en belangen van de Unie en Tunesië, een solidaire sociaaleconomische ontwikkeling en de jeugdwerkgelegenheid moet bevorderen en moet uitmonden in economische stabilisering;

G.  overwegende dat Tunesië, het land waar de zogeheten Arabische lentes begonnen zijn, het enige land in het Nabije- en Midden-Oosten en Noord-Afrika is waar een democratisch en politiek overgangsproces ten uitvoer is gelegd en daarmee een voorbeeld is voor de gehele regio;

H.  overwegende dat politieke stabiliteit en economische ontwikkeling hand in hand gaan en dat deze handelsovereenkomst erop gericht moet zijn de Tunesische en Europese economie reële vooruitzichten te bieden;

I.  overwegende dat de Europese Unie parallel aan die onderhandelingen haar steun aan Tunesië moet voortzetten en opvoeren en dat land adequate en passende financiële en technische bijstand moet verlenen tijdens de onderhandelingen en vervolgens bij de tenuitvoerlegging van de bepalingen van de overeenkomst, zodat er een echt partnerschap tot stand wordt gebracht waarmee de belangen van de volkeren aan weerszijde van de Middellandse Zee kunnen worden behartigd;

J.  overwegende dat Tunesië en de Europese Unie er alle belang bij hebben om het regionale "zuid-zuid"-integratieproces tussen Tunesië en zijn buurlanden te bevorderen en te versterken, met name dankzij de overeenkomst van Agadir; dat de onderhandelingen tussen de EU en Tunesië over vrijhandel een aanvulling moeten vormen op die inspanningen;

K.  overwegende dat de democratische transitie van Tunesië een voorbeeld blijft voor de andere landen in de regio; dat de nationale grondwetgevende vergadering op 26 januari 2014 de nieuwe grondwet voor Tunesië heeft goedgekeurd; dat die grondwet exemplarisch is op het gebied van de bescherming van rechten en vrijheden; dat de heer Beji Caïd Essebsi op 21 december 2014 is gekozen tot president van de Republiek Tunesië na een vrije, pluralistische en transparante stembusgang;

L.  overwegende dat het Tunesische maatschappelijk middenveld door zijn daadkracht en opleidingsniveau een essentiële rol speelt in de transitie van het land naar de democratie; dat het nauw betrokken moet worden bij de politieke beraadslagingen, met inbegrip van de lopende onderhandelingen;

M.  overwegende dat de toekenning van de Nobelprijs voor de vrede aan het Tunesische Nationale Dialoog Kwartet een erkenning betekent van de inspanningen die zijn geleverd om de democratie te consolideren en tevens een aanmoediging inhoudt om voort te gaan op het ingeslagen pad; dat het absoluut noodzakelijk is een exemplarische overeenkomst te sluiten die de door het maatschappelijk middenveld geuite bezorgdheid kan wegnemen;

Economische, politieke en sociale situatie in Tunesië

1.  veroordeelt met klem de terroristische aanslagen die de afgelopen maanden in Tunesië gepleegd zijn en talrijke slachtoffers hebben geëist; is van mening dat Tunesië geconfronteerd wordt met een zeer sterke terroristische dreiging en herinnert eraan dat de aanslag van 24 november 2015 op een bus van de presidentiële beveiligingsdienst, de aanslagen van 26 juni 2015 te Sousa en de aanslag van 18 maart 2015 op het Bardomuseum de vooruitzichten voor het toerisme voor de zomer van 2015 een zware klap hebben toegebracht, terwijl het toerisme en de daarmee verbonden bedrijfstakken 15 % van het bnp van het land vertegenwoordigen; betuigt zijn volledige steun aan Tunesië en bekrachtigt zijn steun aan de Tunesische autoriteiten in hun strijd tegen het terrorisme, waarbij de mensenrechten en de rechtsstaat moeten worden geëerbiedigd;

2.  stelt vast dat de Tunesische economie met grote problemen kampt, dat het groeipercentage van het bbp in 2014 2,3 % bedroeg, dat het werkloosheidspercentage in 2015 15 % van de actieve bevolking bedraagt, dat 28,6 % van de hoger opgeleiden zonder werk zit en dat de werkloosheid onder jonge Tunesiërs toeneemt;

3.  wijst erop dat er tussen de Europese Unie en Tunesië een duidelijke demografische en economische onbalans bestaat en dat die een asymmetrische en progressieve strategie bij de onderhandelingen rechtvaardigt;

4.  herinnert eraan dat Tunesië gekenmerkt wordt door grote regionale ongelijkheden tussen de hoofdstad Tunis en de overige regio's van het land, met zeer grote ontwikkelingsverschillen tussen de kust en de centrale gebieden, vooral op terreinen zoals werkgelegenheid en toegang tot gezondheidszorg en onderwijs, en dat die kloof nog breder zou kunnen worden als gevolg van de klimaatverandering;

5.  herinnert eraan dat in Tunesië de werkgelegenheid in de sectoren waarop de handelsovereenkomst betrekking heeft uiteenloopt, hetgeen, wanneer de situatie niet in evenwicht wordt gebracht, zal leiden tot overbezetting in de landbouwsector en tot de verdwijning van andere sectoren die belangrijk zijn voor de diversificatie van de Tunesische economie, zoals de industrie en de mijnbouw;

6.  wijst erop dat het overgangsproces naar democratie in Tunesië het meest geslaagde is in de regio en dat het land voor een politiek model en een economisch ontwikkelingsmodel heeft gekozen die uniek zijn te midden van de landen aan de zuidkant van de Middellandse Zee, en verzoekt de Commissie daarmee ten volle rekening te houden bij de onderhandelingen; is van mening dat de EU alle mogelijke maatregelen moet nemen om Tunesië te steunen bij zijn democratische overgang naar een stabiele, pluralistische maatschappij;

7.  stelt vast dat Tunesië te lijden heeft onder een uiterst instabiele regionale omgeving, met name als gevolg van het conflict in het buurland Libië en de geweldsuitbarstingen die van tijd tot tijd plaatsvinden in het eveneens aan Tunesië grenzende Algerije;

8.  stelt vast dat Tunesië meer dan 1,8 miljoen Libische vluchtelingen heeft opgevangen en dat dit aantal overeenkomt met 16 % van de totale bevolking van Tunesië;

Voorwaarden voor het welslagen van een handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Tunesië

9.  is ingenomen met de opening van de onderhandelingen in het najaar van 2015 over de sluiting van een vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Tunesië, op basis van het mandaat dat in 2011 kort na de "Arabische lente" door de Raad is vastgesteld; merkt op dat Tunesië sinds 2011 zijn democratische transitie heeft geconsolideerd met de afkondiging van zijn nieuwe grondwet op 26 januari 2014 en de parlements- en presidentsverkiezingen op respectievelijk 26 oktober en 23 november 2014;

10.  is van oordeel dat deze overeenkomst meer omvat dan alleen maar een economische dimensie, en dat ze er absoluut op gericht moet zijn bij te dragen aan de stabiliteit van Tunesië, de consolidering van de democratie en de reactivering van de economie van het land dankzij de positieve invloed ervan op zowel de consumentenprijzen als de werkgelegenheid, de lonen van gekwalificeerde en niet-gekwalificeerde werknemers en de verkleining van ongelijkheden; dringt erop aan dat er geen overeenkomst wordt gesloten waarin niet al die essentiële inhoudelijke kwesties geregeld zijn;

11.  dringt er bij de onderhandelaars op aan een progressieve en asymmetrische overeenkomst te sluiten die rekening houdt met de grote economische verschillen tussen beide partijen, blijk te geven van flexibiliteit, reactiviteit, innovatie, transparantie en aanpassingsvermogen, in gedachten te houden dat deze overeenkomst, die voor beide partijen voordelig is, in de eerste plaats de Tunesische en Europese economie en samenleving ten goede moet komen, uiteraard met inachtneming van de lokale specifieke kenmerken, gevoeligheden en culturele en sociaaleconomische achtergronden, zonder de intraregionale handel tussen Tunesië en de landen van de regio te verstoren;

12.  is ingenomen met het feit dat de Tunesische regering een vijfjarig economisch hervormingsplan (2015-2020) heeft voorgesteld om de werkloosheid terug te dringen, de regionale ongelijkheid in het land te verkleinen en het economische weefsel te diversifiëren; is van mening dat de vrijhandelsovereenkomst moet stroken met de doelstellingen van dit plan;

13.  herinnert eraan dat het hier gaat om de eerste handelsbesprekingen van deze omvang voor Tunesië, en dat het daarom belangrijk is dat de Tunesische economische sectoren geleidelijk en op een progressieve, asymmetrische manier opengesteld worden, dat voorzien wordt in overgangsperiodes voor gevoelige sectoren en dat bepaalde producten die door de partijen gevoelig worden geacht, worden uitgesloten van de onderhandelingen;

14.  acht het van essentieel belang dat Tunesië van de Europese Unie aanzienlijke financiële en technische steun ontvangt en bijstand bij de handelsbesprekingen om de verschillende bepalingen van de vrijhandelsovereenkomst naar behoren uit te voeren; wenst dat de financiële steun transparant wordt toegekend en werkelijk ten goede komt aan degenen voor wie ze bestemd is;

15.  is ingenomen met de steun van de Europese Investeringsbank voor tal van projecten in Tunesië; benadrukt dat deze steun bijdraagt aan de economische diversificatie van Tunesië en aan het scheppen van banen, met name voor jongeren;

16.  is ingenomen met het feit dat de Europese Unie Tunesië heeft uitgekozen als een van de landen die voorrang krijgen in haar nabuurschapsbeleid ten aanzien van de landen uit het zuidelijke Middellandse Zeegebied, en dat ze Tunesië een lening ter waarde van 300 miljoen EUR heeft verstrekt als macrofinanciële bijstand voor het doorvoeren van economische hervormingen;

17.  vraagt de Europese Unie evenals haar lidstaten, de EIB en de EBWO niettemin de Tunesiërs te blijven bijstaan en hun hulp- en steunprogramma's op te voeren, onder meer via de invoering van autonome, uitzonderlijke handelsmaatregelen, om Tunesië te begeleiden bij de consolidering van zijn democratisch proces; juicht het toe dat bepaalde lidstaten "partnerschappen voor de overgang van Tunesië" zijn aangegaan; verzoekt de Europese Unie haar programma ter verkleining van de regionale ongelijkheden op het gebied van toegang tot eerstelijnsgezondheidszorg in Tunesië voort te zetten;

18.  verzoekt de Europese Unie bij deze onderhandelingen rekening te houden met de specifieke situatie van Tunesië, in het bijzonder met betrekking tot de broze democratische transitie en het verschil in economische ontwikkeling tussen de Unie en Tunesië, en om daarbij steeds te bedenken dat oplossingen die beide partners ten goede komen, de beste oplossingen zijn;

19.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat deze onderhandelingen snel concrete voordelen opleveren in de belangrijkste sectoren van de Europese en de Tunesische economie en voor alle betrokken actoren, met name kmo's en micro-ondernemingen;

20.  benadrukt dat deze overeenkomst moet bijdragen aan de ontwikkeling en diversificatie van de Tunesische economie, die nu hoofdzakelijk om de landbouw draait, en aan de verkleining van de regionale ongelijkheid, en dat ze voor alle Tunesiërs en alle Europeanen concrete voordelen moet opleveren;

21.  is ingenomen met het feit dat Tunesië belangrijke sociale en economische hervormingen in gang heeft gezet; dringt erop aan dat deze hervormingen ook tijdens de onderhandelingen worden voortgezet opdat het land maximaal kan profiteren van de overeenkomst;

22.  is van oordeel dat de overeenkomst moet bijdragen tot een verdieping van de economische samenwerking tussen de Europese Unie en Tunesië, die reeds in een vergevorderd stadium verkeert dankzij de afschaffing van de douanerechten op industriële producten overeenkomstig de associatieovereenkomst; stelt dan ook voor om voortaan te spreken van een "economisch partnerschap tussen de Europese Unie en Tunesië";

23.  spoort de Commissie en de Tunesische regering met klem aan een duidelijk afgebakend proces tot stand te brengen om het Tunesische en Europese maatschappelijk middenveld bij het gehele verloop van de onderhandelingen te betrekken, en blijk te geven van vernieuwingsgezindheid; is in dit verband blij met de rol van het Tunesische maatschappelijk middenveld in de eerste onderhandelingscyclus en verzoekt om een open, transparante raadpleging waarbij meer rekening wordt gehouden met de verscheidenheid van de geledingen van het Tunesische maatschappelijk middenveld, uitgaande van de best practices zoals die zijn vastgesteld in het kader van soortgelijke onderhandelingen;

24.  is in dit kader ingenomen met de website die het Ministerie van Handel en Ambachten heeft ontwikkeld om het publiek in te lichten over de DCFTA, alsook met het feit dat de onderhandelaars de definitieve tekst in drie talen willen publiceren; is van mening dat het Tunesische maatschappelijk middenveld ook bij de onderhandelingen zou kunnen worden betrokken via een commissie die toezicht houdt op de effectbeoordelingen;

25.  vraagt de Raad met klem om het onderhandelingsmandaat openbaar te maken dat de lidstaten op 14 december 2011 unaniem hebben goedgekeurd;

26.  is voorstander van een dialoog op regelmatige basis tussen Tunesische en Europese parlementsleden gedurende de onderhandelingen; is in dit verband ingenomen met het feit dat de Conferentie van voorzitters een gemengde parlementaire commissie EU-Tunesië heeft ingesteld, die een belangrijke rol speelt omdat de Europese en Tunesische parlementsleden elkaar zo op regelmatige basis kunnen ontmoeten en de onderhandelingen over de vrijhandelsovereenkomst daadwerkelijk kunnen volgen;

27.  hoopt dat deze dialoog de mogelijkheid biedt de verwachtingen en bezorgdheden van beide partijen beter te beoordelen, en dus de voorwaarden van de overeenkomst te verbeteren;

28.  herinnert eraan dat de Unie voor het Middellandse Zeegebied de ontwikkeling van concrete projecten in de regio ondersteunt en in die zin expertise kan aanreiken tijdens de onderhandelingen over de overeenkomst;

29.  dringt erop aan dat er aan beide zijden, ook door het Europees Parlement met deelname van Tunesische deskundigen, impactstudies en grondige, transparante sectorale beoordelingen verricht worden van de gevolgen van de overeenkomst op verschillende gebieden, met name diensten, overheidsopdrachten, concurrentievermogen van kmo's, werkgelegenheid, landbouw, milieu of andere belangrijke sectoren; neemt nota van het verzoek van Tunesië om van meet af aan een beroep te doen op Tunesische deskundigen teneinde de geloofwaardigheid van de cijfers van de effectbeoordelingen in Tunesië zelf te waarborgen;

30.  verzoekt de Europese Unie om deze impactstudies en sectorale beoordelingen te financieren en om, zoals meerdere organisaties van het Tunesische maatschappelijk middenveld hebben gevraagd, deze studies en beoordelingen eventueel te laten voorafgaan door een ex-postbeoordeling van de sociaaleconomische effecten van de associatieovereenkomst van 1995;

31.  vraagt de Commissie met klem om zo snel mogelijk te bepalen of de overeenkomst van gemengde of exclusieve aard zal zijn en verzoekt haar de nationale parlementen van de lidstaten van begin af aan bij het debat te betrekken;

32.  benadrukt dat bij de onderhandelingen rekening moet worden gehouden met de milieusituatie in het Middellandse Zeegebied, en met name de waterschaarste, die de landbouwactiviteiten schaadt, en dat een duurzaam economisch model moet worden bevorderd wat betreft het milieu en het beheer van de natuurlijke hulpbronnen;

33.  benadrukt dat de handelsbesprekingen met Tunesië een onderdeel zijn van het bredere kader van de Euro-mediterrane handelsbetrekkingen; dringt erop aan dat de tiende conferentie van de ministers van Handel van de Unie voor het Middellandse Zeegebied, die sinds 2013 voor onbepaalde tijd is uitgesteld, weldra plaatsvindt, zodat de uitdagingen op handelsgebied waarmee de regio te maken heeft en de werkprioriteiten voor de komende jaren kunnen worden besproken;

Sectorale visie bij de onderhandelingen

34.  wenst dat in de overeenkomst voldoende belang wordt toegekend aan de dienstensector, die een groot groeipotentieel biedt voor de Tunesische economie en strategische investeringen zou moeten aantrekken; is van mening, gelet op het feit dat het hier gaat om de eerste handelsbesprekingen van deze omvang voor Tunesië, dat in het hoofdstuk over de dienstensector expliciet de sectoren moeten worden genoemd waarvoor de partijen verbintenissen wensen aan te gaan inzake markttoegang of nationale behandeling;

35.  herinnert eraan dat de overheidssector van fundamenteel belang is voor Tunesië en voor het merendeel van de hooggekwalificeerde banen in Tunesië zorgt;

36.  herinnert eraan dat Tunesië talrijke zeer dynamische start-ups, micro-ondernemingen en kmo's op hightechgebied telt en wenst dat hun vermogen tot ontwikkeling en internationalisering door de overeenkomst wordt bevorderd, neemt nota van het Tunesische verzoek om in de overeenkomst ambitieuze en evenwichtige bepalingen op te nemen inzake online handel;

37.  verzoekt beide partijen om, ook door middel van gezamenlijke initiatieven, de groei van de werkgelegenheid te stimuleren, die een essentiële voorwaarde is voor het economisch herstel en de politieke stabiliteit van Tunesië;

38.  is van oordeel dat de overeenkomst voordelig moet zijn voor kleine producenten en kleine ondernemers in Tunesië, die onmisbaar zijn voor het Tunesisch economisch weefsel; pleit ervoor om een regelmatige dialoog tussen ondernemers, beroepsorganisaties en opleidingsinstellingen op te zetten met het oog op de bevordering van goede praktijken en een beter inzicht in de problemen en verwachtingen van elke partij;

39.  is van mening dat in het kader van de onderhandelingen over het hoofdstuk inzake mededinging een voorzichtige, progressieve en flexibele aanpak moet worden gevolgd vanwege de strategische aard van de overheidssteun voor de economische ontwikkeling in Tunesië;

40.  wijst op het belang van de oprichting van kamers van bilaterale handel die kunnen dienen als permanente fora waar de verschillende actoren partnerschappen kunnen sluiten en hun economische en handelsactiviteiten kunnen ontwikkelen;

41.  verzoekt de Commissie de afgifte van visa voor kort verblijf te faciliteren voor de uitoefening van diensten van het type "Move IV" waarvoor de verplaatsing van natuurlijke personen vereist is voor een beperkte periode onder specifieke voorwaarden die zijn vastgelegd in contracten en binnenlandse wetgeving; onderstreept dat niets in de overeenkomst de EU en haar lidstaten mag beletten maatregelen toe te passen tot regeling van de binnenkomst of het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen op haar grondgebied, daarbij inbegrepen maatregelen die nodig zijn voor het verzekeren van het ordelijke verkeer van natuurlijke personen over haar grenzen, zoals onder andere toelatingsvoorwaarden voor binnenkomst;

42.  hoopt dat deze overeenkomst ertoe bijdraagt dat er in Tunesië duurzaam een gunstig en stimulerend klimaat voor langetermijninvesteringen ontstaat in belangrijke, dynamische economische sectoren met een hoge toegevoegde waarde, zoals toerisme, energie, met inbegrip van hernieuwbare energiebronnen, hightechdiensten, digitale economie en gegevensuitwisseling; verzoekt de Commissie een hoofdstuk investeringen op te nemen om rechtstreekse buitenlandse investeringen tussen de Europese Unie en Tunesië te bevorderen, en het Euro-mediterrane mechanisme ter bevordering van investeringen en uitwisselingen versneld in te voeren, een mechanisme dat zal zorgen voor de verzameling van relevante informatie en gegevens, handelspartnerschappen zal versterken en met name Tunesië ten goede zal komen;

43.  is van mening dat de overeenkomst bepalingen moet bevatten inzake overheidsopdrachten, waarbij voorzichtig onderhandeld wordt over de mate van openstelling van zowel Europese als Tunesische zijde en rekening wordt gehouden met de specifieke structuur en omstandigheden van de Tunesische economie;

44.  is van mening dat de Europese Unie en Tunesië alleen maar gebaat zijn bij een betere wederzijdse toegang tot elkaars landbouwmarkten en dat de overeenkomst moet bijdragen aan de verlaging van douanetarieven, het wegnemen van non-tarifaire belemmeringen en de verbetering van uitvoerprocedures;

45.  merkt op dat Tunesië de nadruk heeft gelegd op de ontwikkeling van de biologische landbouw, en dat de Tunesische producten die uit dat soort landbouw voortkomen via deze overeenkomst toegang moeten kunnen krijgen tot nieuwe afzetmarkten;

46.  spreekt de hoop uit dat de onderhandelingen geen schade berokkenen aan de economie van een van beide partijen; verzoekt de Unie en Tunesië rekening te houden met het feit dat er aan beide zijden van de Middellandse Zee diverse gevoelige landbouwsectoren bestaan waarvan bij het onderhandelingsproces volledige lijsten moeten worden overeengekomen, en voor die sectoren te voorzien in passende overgangsperiodes en quota en ze zo nodig uit te sluiten van de onderhandelingen;

47.  spoort de Commissie aan te onderhandelen over de vaststelling van strenge en kwalitatief hoogstaande normen op sanitair en fytosanitair gebied en een oplossing te vinden voor de nog steeds in Tunesië voorkomende problemen met betrekking tot veterinaire aangelegenheden en controles op vlees, fruit en groenten; verzoekt de Commissie in de overeenkomst specifieke bepalingen inzake technische bijstand op te nemen om de Tunesische producenten te helpen voldoen aan de strengere sanitaire en fytosanitaire normen van de Europese Unie;

48.  is van mening dat de overeenkomst moet bijdragen aan de vaststelling van hoogwaardige normen inzake duurzame ontwikkeling, met name wat de sociale normen betreft;

49.  verwacht dat de Tunesische regering en de Europese instellingen passende bepalingen uitwerken om duidelijk de oorsprong, herkomst en traceerbaarheid van Tunesische producten vast te stellen en de transparantie voor producenten, tussenpersonen en consumenten te vergroten;

50.  wenst dat de overeenkomst een ambitieus hoofdstuk over intellectuele-eigendomsrechten bevat, onder meer op het gebied van de erkenning en betere bescherming van geografische aanduidingen, zodat een volledige en onverkorte erkenning van de geografische aanduidingen van de Europese Unie en Tunesië, de traceerbaarheid van de betrokken producten en de bescherming van de knowhow van de fabrikanten gewaarborgd zijn;

51.  verzoekt de Commissie om, met name voor deze overeenkomst, de bescherming van geografische aanduidingen uit te breiden tot niet-landbouwproducten, aangezien Tunesië die zijnerzijds erkent;

52.  hoopt dat de overeenkomst de Tunesische industrie de mogelijkheid zal bieden te moderniseren en meer deskundigheid op te bouwen, zodat zij grotere delen van de toeleveringsketens voor industriële producten zelf kan dekken en dus gebruik maakt van hogere vaardigheden en ter plaatse beter gekwalificeerd personeel tewerk stelt;

53.  spoort de Commissie aan in de overeenkomst een ambitieus hoofdstuk over energie en grondstoffen op te nemen om intensiever onderzoek en intensievere samenwerking mogelijk te maken op het gebied van elektriciteit, gas, windenergie, zonne-energie en andere hernieuwbare energiebronnen;

54.  hoopt dat deze overeenkomst zal leiden tot intensievere samenwerking tussen universiteiten, onderzoekscentra en opleidingsinstellingen in Europa en Tunesië op het gebied van onderzoek, innovatie en de ontwikkeling van nieuwe technologieën en, meer in het algemeen, op het gebied van cultuur en onderwijs, en dat deze initiatieven eveneens de Tunesische arbeidsmarkt kunnen helpen ondersteunen;

55.  is ingenomen met het feit dat Tunesië werd opgenomen in het Europees onderzoeksprogramma "Horizon 2020" en dringt er bij de Commissie en de Tunesische regering op aan in de overeenkomst een ambitieus hoofdstuk over duurzame ontwikkeling op te nemen dat hoogwaardige sociale, milieu- en arbeidsnormen bevordert overeenkomstig de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en de milieunormen van de multilaterale overeenkomsten ter zake;

56.  herinnert eraan dat Tunesië alle IAO-verdragen heeft bekrachtigd, maar dat het land, volgens een onafhankelijke controle-instantie, meer inspanningen moet leveren om hoge arbeidsnormen te bevorderen; hoopt dat de DCFTA Tunesië kan helpen om sociale en arbeidsnormen uit te werken die meer bescherming bieden, met name wat de eerbiediging van de vakbondsrechten betreft; verwacht, gezien de democratische overgang en de terroristische dreiging in Tunesië, dat de DCFTA de rechtsstaat en de fundamentele vrijheden, met name de vrijheid van vereniging, meningsuiting en informatie, zal versterken;

57.  verzoekt de Commissie in de tekst van de overeenkomst een mensenrechtenclausule op te nemen op grond waarvan de EU de toepassing van de overeenkomst eenzijdig kan schorsen wanneer een partij bij de overeenkomst de mensenrechten schendt;

58.  verzoekt de partijen een clausule inzake goed fiscaal bestuur op te nemen en zich hiervoor te baseren op de werkzaamheden van het platform voor goed fiscaal bestuur van de Europese Commissie, teneinde gevallen van dubbele of niet-heffing te vermijden;

59.  is verheugd dat beide partijen belang hechten aan verdieping van het op 3 maart 2014 opgerichte mobiliteitspartnerschap en vraagt om de totstandbrenging van een visumfaciliteringsovereenkomst en een overnameovereenkomst;

60.  verzoekt de Europese instellingen om in geval van daadwerkelijke of eventuele schade aan een of meer handelssectoren waarop de overeenkomst betrekking heeft, te zorgen voor passende compensatiemaatregelen;

o
o   o

61.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Conclusies 11076/15 RELEX 626 van de Raad van de Europese Unie van 20.7.2015.
(2) PB L 151 van 18.6.2015, blz. 25.
(3) PB L 151 van 21.5.2014, blz. 9.
(4) http://www.trade-sia.com/tunisia/the-study/?lang=fr.
(5) http://www.sia-trade.org/emfta.
(6) PB L 97 van 30.3.1998, blz. 2.
(7) PB C 261 E van 10.9.2013, blz. 21.

Juridische mededeling