Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2115(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0012/2016

Ingediende teksten :

A8-0012/2016

Debatten :

PV 01/02/2016 - 9
CRE 01/02/2016 - 9

Stemmingen :

PV 25/02/2016 - 7.12
CRE 25/02/2016 - 7.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0063

Aangenomen teksten
PDF 186kWORD 83k
Donderdag 25 februari 2016 - Brussel Definitieve uitgave
Jaarverslag 2014 van de Europese Centrale Bank
P8_TA(2016)0063A8-0012/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 25 februari 2016 over het jaarverslag 2014 van de Europese Centrale Bank (2015/2115(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het jaarverslag 2014 van de Europese Centrale Bank,

–  gezien artikel 284, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de uitspraak van het HvJ in zaak C-62/14 van 16 juni 2015,

–  gezien de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank, met name artikel 15,

–  gezien artikel 132, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0012/2016),

A.  overwegende dat volgens de laatste najaarsprognoses van de Commissie het economisch herstel in de eurozone naar verwachting zal aantrekken, met een voorspelde toename van de groei van het bbp met 1,4 % in 2015, 1,7 % in 2016 en 1,8 % in 2017; overwegende dat de fundamenten voor groei kwetsbaar zijn; overwegende dat een krachtige politieke toezegging met betrekking tot de tenuitvoerlegging van duurzame en in sociaal opzicht evenwichtige structurele hervormingen van essentieel belang is om de economische groei te bevorderen;

B.  overwegende dat volgens dezelfde prognoses de werkloosheid in de eurozone waarschijnlijk licht zal afnemen, van 11,6% aan het eind van 2014 naar 10,5 % aan het eind van 2016; overwegende dat de werkloosheidspercentages van lidstaat tot lidstaat sterk verschillen, van 6,4 % in Duitsland tot 26,6 % in Griekenland; overwegende dat de werkloosheidspercentages in veel lidstaten alarmerend hoog blijven, waar met name jongeren en langdurig werklozen door worden getroffen;

C.  overwegende dat, opnieuw volgende dezelfde prognoses, de situatie van de overheidsfinanciën in de eurozone een verbetering zou moeten gaan vertonen in de vorm van een kleiner begrotingstekort (van 2,4 % in 2014 naar 1,7 % in 2016) en een kleinere staatsschuld (van 94 % aan het eind van 2014 naar 92,5 % aan het eind van 2016);

D.  overwegende dat lage energieprijzen weliswaar negatieve gevolgen voor de inflatieprognoses hebben, maar ook tot economisch herstel zouden kunnen bijdragen;

E.  overwegende dat deze processen vooral worden bevorderd door particuliere consumptie, export en externe factoren zoals lage energieprijzen voor met name ruwe olie, terwijl de particuliere investeringen in de eurozone slechts gestaag toenemen en nog steeds op een niveau liggen dat flink lager is dan dat van voor het begin van de crisis en het relatieve aandeel van de investeringen in het bbp al decennia lang geleidelijk afneemt;

F.  overwegende dat volgens de ECB-verwachtingen van september 2015 de gemiddelde inflatie in de eurozone, na in de eerste helft van 2015 bijna op nul te zijn gebleven, naar verwachting zal oplopen naar 1,1 % in 2016 en 1,7 % in 2017;

G.  overwegende dat artikel 127, lid 2, VWEU het Europees Stelsel van Centrale Banken opdraagt "een goede werking van het betalingsverkeer" te bevorderen;

H.  overwegende dat de ECB haar belangrijkste herfinancieringsrentevoeten in 2014 tot de effectieve ondergrens heeft verlaagd en haar depositorentevoet op -0,20 % heeft gesteld; overwegende dat de lagere reële rentevoeten zich niet wezenlijk hebben vertaald in een hogere kredietverlening aan gezinnen of bedrijven, met name kmo's, waardoor de ECB zich genoodzaakt zag onconventionele monetairebeleidsmaatregelen te nemen;

I.  overwegende dat de Europese Centrale Bank tot op heden in haar toezichtfunctie niet altijd voldoende rekening heeft gehouden met het evenredigheidsbeginsel;

J.  overwegende dat kmo's de ruggengraat van de Europese economie vormen en dat het banksysteem cruciaal is voor hun concurrentievermogen en hun groei; overwegende dat het versoepelen van de kredietstromen voor micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen 's (mkmo´s) van essentieel belang is, aangezien zij 99 % van alle ondernemingen in de Unie uitmaken en goed zijn voor 80 % van alle banen, en zij derhalve een sleutelrol vervullen bij het genereren van groei, het scheppen van banen en het terugdringen van de sociale verschillen; overwegende dat de banken langzaam aan weer meer leningen verstrekken;

K.  overwegende dat de ECB in 2014 een aantal gerichte langetermijnherfinancieringsoperaties (TLTRO's) en programma's voor het opkopen van speciaal geselecteerde activa van de particuliere sector heeft geïnitieerd, die bedoeld waren om de verstrekking van leningen aan de reële economie aan te zwengelen;

L.  overwegende dat de ECB op 22 januari 2015 een uitgebreid programma voor de aankoop van activa (APP) ten belope van 1,1 biljoen EUR heeft gelanceerd met een verwachte looptijd tot september 2016 en in ieder geval tot er sprake is van een duurzame aanpassing in de ontwikkeling van de inflatie;

M.  overwegende dat de ECB door het programma voor de aankoop van activa aanzienlijke risico's in haar balans heeft opgenomen;

N.  overwegende dat het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme, de eerste pijler van de bankenunie, op 4 november 2014 volledig operationeel werd met de overdracht aan de ECB van het directe toezicht op de 122 grootste banken van de eurozone; overwegende dat parallel daaraan een alomvattende beoordeling, bestaande uit een evaluatie van de kwaliteit van de activa en stresstests, van deze belangrijke banken is uitgevoerd en op 26 oktober 2014 is afgerond; overwegende dat het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM), de tweede pijler van de bankenunie, aan het begin van 2015 operationeel werd, terwijl het algemeen depositogarantiestelsel, de derde pijler van de bankenunie, nog niet tot stand is gebracht;

1.  brengt in herinnering dat het in geografisch opzicht ongelijke en bescheiden herstel dat voor de komende jaren in de eurozone wordt verwacht zal moeten worden versterkt en dat de potentiële economische groei zal moeten worden vergroot om de hoge werkloosheidscijfers in veel landen van de eurozone omlaag te brengen en om de schuldenlast te reduceren; onderstreept dat veel lidstaten te kampen hebben met vergelijkbare macro-economische uitdagingen; onderstreept dat de voorwaarden voor zowel publieke, als private investeringen voor groei en banen moeten worden verbeterd, en dringt aan op meer inspanningen gericht op het waarborgen van financiering voor de reële economie; is van oordeel dat de lidstaten serieus werk moeten maken van de tenuitvoerlegging van duurzame en in sociaal opzicht evenwichtige structurele hervormingen;

2.  betreurt de bestaande, zij het gestaag afnemende verschillen in de financiering die wordt toegekend aan kmo's enerzijds en grotere bedrijven anderzijds, tussen de rentetarieven voor kleine en grote leningen, en tussen de kredietvoorwaarden voor kmo´s in verschillende landen van de eurozone, maar erkent dat er grenzen zijn aan wat in dit opzicht met monetair beleid kan worden bereikt; wijst in dit verband op de rol van spaarbanken en coöperatieve banken, en benadrukt dat in het regelgevingskader rekening moet worden gehouden met hun bijzondere operationele beginselen en specifieke missie en dat toezichthoudende autoriteiten deze in acht moeten nemen en in hun praktijken en benaderingen moeten integreren;

3.  onderstreept dat, hoewel de ECB zich voor handhaving van gunstige financieringsvoorwaarden blijft inzetten, de particuliere en overheidsinvesteringen in de eurozone flink achterblijven bij de desbetreffende niveaus van voor de crisis; verwelkomt in dit verband de oprichting van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), alsook het plan van de Commissie voor de totstandbrenging van een daadwerkelijke kapitaalmarktenunie, die voor diversifiëring van de financieringsbronnen voor de economie van de EU moeten zorgen, grensoverschrijdende investeringen moeten aanzwengelen en het bedrijfsleven, en in het bijzonder kmo's, gemakkelijker toegang tot financiering moeten geven;

4.  neemt er kennis van dat de ECB, in reactie op een ingewikkeld klimaat van onhoudbare overheidsschulden, dalende inflatie, teruglopende kredietverstrekking en geringe economische groei, en met rentevoeten dicht bij de ondergrens, haar toevlucht heeft genomen tot onconventionele monetairebeleidsinstrumenten;

5.  neemt kennis van het positieve doch bescheiden effect van het programma voor de aankoop van activa (APP) op gelddynamica en de kredietdynamica, in die zin dat leningen aan het bedrijfsleven nog onvoldoende worden verstrekt, maar dat hierbij wel sprake is van een geleidelijke versoepeling van de kredietnormen, een steeds verdere versoepeling van de leningvoorwaarden en -condities, een afname van het aantal afgewezen aanvragen voor leningen en een toename van het aantal aanvragen voor leningen, en een geleidelijke toename van de particuliere investeringen in het eerste kwartaal van 2015, waarbij nog steeds sprake is van aanzienlijke verschillen tussen de economieën van de eurozone; wijst er voorts op dat de prognoses ten aanzien van de inflatie op de middellange termijn sinds de start van het APP een stijgende tendens laten zien, waarbij geleidelijk wordt opgeschoven in de richting van het doel van 2 %, terwijl het gevaar van deflatie mogelijkerwijs is afgenomen; verzoekt de ECB het APP, indien mogelijk, toe te passen op alle lidstaten, en geen onderscheid te maken, met inachtneming van de regels waaraan zij is gehouden;

6.  verwacht van de ECB dat zij een bijdrage levert aan het algemene economische beleid in de Unie, alsmede aan de verwezenlijking van de doelstellingen daarvan, overeenkomstig artikel 282 VWEU, mits haar hoofdtaken inzake prijsstabiliteit niet in gevaar komen;

7.  onderstreept dat de bijdrage van de ECB onder meer inspanningen omvat die gericht zijn op de verstrekking van meer leningen tegen lage rentetarieven en het faciliteren van economisch herstel wat betreft banen, groei en stabiliteit;

8.  is bezorgd over de mogelijke onbedoelde gevolgen en langetermijneffecten van de onconventionele monetairebeleidsinstrumenten van de ECB; realiseert zich dat het afbouwen van deze maatregelen complex zal zijn en zorgvuldig moet worden voorbereid om onbedoelde marktverstoringen te voorkomen, met name wat betreft het deugdelijke en ordelijke verloop en de timing ervan; verzoekt de ECB de risico's die met haar opkoopprogramma's gepaard gaan zorgvuldig te analyseren; is ervan overtuigd dat monetairebeleidsmaatregelen de in veel lidstaten voorkomende begrotings- en economische problemen niet kunnen oplossen, en geen vervanging kunnen vormen voor de noodzakelijke duurzame en in sociaal opzicht evenwichtige structurele hervormingen, begrotingsconsolidatie en gerichte investeringen;

9.  is op zijn hoede met betrekking tot de potentiële risico’s voor de financiële stabiliteit van de aanhoudend lage rentetarieven in bepaalde lidstaten, die een negatief effect zouden kunnen hebben op levensverzekerings- en pensioenplannen; onderkent dat langetermijnrentetarieven een weerspiegeling van onderliggende macro-economische omstandigheden en monetaire beleidskeuzen vormen;

10.  verzoekt de Commissie – tegen de achtergrond van de opmerking in het jaarverslag van de ECB dat gezien de geleidelijke toename in de afgelopen decennia van de waarde van de niet-bancaire kredietbemiddeling tot 22 biljoen euro aan activa verdere initiatieven nodig zijn voor het in kaart brengen en beoordelen van onvolkomenheden bij het in omvang toenemende schaduwbankieren – voorstellen te doen voor het verbeteren van het macroprudentieel toezicht en voor beleidsinstrumenten voor het beperken van de risico's van het schaduwbankieren;

11.  is ingenomen met het feit dat de ECB in augustus 2012 plechtig heeft beloofd "alles te zullen doen" om de euro te verdedigen;

12.  concludeert dat het programma voor de aankoop van openbare en particuliere schuldtitels op de secundaire markt doeltreffender zou zijn;

13.  wijst op de zorgen die zijn geuit in het arrest van het Europees Hof van Justitie van 16 juni 2015 in zaak C-62/14, waarin wordt gesteld dat de ECB bij het aankopen van staatsobligaties op secundaire markten mogelijk is blootgesteld aan een groot risico van verliezen, alsook aan het risico van een schuldverlaging; wijst erop dat in hetzelfde arrest wordt verduidelijkt dat dit niets afdoet aan de conclusie dat de ECB gerechtigd is om staatsobligaties op secundaire markten op te kopen en dat dergelijke aankopen geen inbreuk vormen op het verbod op monetaire financiering van lidstaten;

14.  onderstreept dat de hoge en uiteenlopende niveaus van publieke en private schulden in sommige lidstaten, naast de vooralsnog onopgeloste structurele tekortkomingen in de banksector, een belemmering vormen voor de correcte omzetting van monetair beleid en dat de onconventionele monetairebeleidsmaatregelen van de ECB alleen deze situatie niet kunnen veranderen;

15.  verzoekt de leden van de eurozone die aan een macro-economisch aanpassingsprogramma deelnemen met klem uitvoering te geven aan artikel 7, lid 9, van Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 en hun overheidsfinanciën aan een alomvattende controle te onderwerpen, teneinde onder andere te achterhalen wat de redenen zijn dat zij zulke buitensporig hoge schulden hebben, alsook om de vinger te leggen op eventuele onregelmatigheden; benadrukt dat deze controle ten doel moet hebben om een beter inzicht te krijgen in de fouten die in het verleden zijn gemaakt, en niet om een ad-hocproces voor schuldherstructurering op te starten waardoor bepaalde lidstaten weer in een schuldencrisis terecht kunnen komen;

16.  benadrukt dat de regels van het bestaande kader voor economische governance naar behoren moeten worden geëerbiedigd en gehandhaafd, zonder onderscheid te maken tussen grote en kleine lidstaten; wijst er nogmaals op dat inachtneming van de doelstelling om op de middellange termijn te komen tot begortingssituaties van nabij evenwicht of in overschot na correctie voor conjunctuurschommelingen en ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, lidstaten in staat zal stellen normale conjunctuurschommelingen op te vangen en het overheidstekort toch binnen de referentiewaarde van 3 % van het bbp te houden; is van mening dat alle bestaande instrumenten binnen het versterkte SGP moeten worden aangepast om beter in staat te zijn stabiliteit en groei te waarborgen;

17.  bevestigt zijn steun voor eerbiediging van de onafhankelijkheid van de ECB bij de tenuitvoerlegging van monetair beleid, zoals verankerd in de Verdragen; is van oordeel dat de onafhankelijkheid van centrale banken cruciaal is voor verwezenlijking van de doelstelling om de prijsstabiliteit te handhaven; benadrukt dat alle regeringen en nationale overheidsinstanties zich derhalve dienen te onthouden van verzoeken aan de ECB om specifieke maatregelen te nemen;

18.  herinnert eraan dat in artikel 127 VWEU wordt bepaald dat de ECB, onverminderd de primaire doelstelling van handhaving van de prijsstabiliteit, het algemene economische beleid van de Unie ondersteunt, en dat dit verder wordt gespecificeerd in artikel 282 VWEU;

19.  vestigt de aandacht op artikel 123 VWEU, op artikel 21 van het statuut van het Europees Stelsel van Centrale Banken en op artikel 7 van Verordening (EG) nr. 3603/93 van de Raad van 13 december 1993 op grond waarvan de rechtstreekse aankoop door de nationale centrale banken of de ECB van door EU- of nationale overheden of overheidsinstanties uitgegeven schuldinstrumenten is verboden; herinnert er echter aan dat dergelijke aankopen op secundaire markten wel zijn toegestaan;

20.  is verheugd over de poging van de ECB om de inflatie te laten stijgen tot onder, maar dichtbij 2 %, aangezien dit ook kan bijdragen tot het welslagen van andere EU-beleidsmaatregelen en tot versteviging van het concurrentievermogen, de economische groei en banen in Europa, indien dit gepaard gaat met gerichte investeringen, ambitieuze en in sociaal opzicht evenwichtige structurele hervormingen en begrotingsconsolidatie;

21.  is verheugd dat de heeft ECB besloten de beknopte notulen van haar vergaderingen openbaar te maken en hoopt dat er aanvullende stappen zullen worden genomen om de transparantie en de communicatie verder te verbeteren; is van mening dat nog meer vooruitgang kan worden geboekt, vooral op het vlak van het GTM;

22.  is ingenomen met de inmiddels veralgemeende tendens van grote centrale banken om monetaire besluiten onmiddellijk nadat ze zijn genomen in het openbaar toe te lichten, een praktijk die door de ECB werd geïnitieerd; is voorts tevreden over de publicatie van duidelijkere en transparantere procedures met betrekking tot de European Liquidity Assistance-faciliteit (ELA) voor solvente financiële instellingen (voornamelijk nationale banken) die met tijdelijke liquiditeitsproblemen worden geconfronteerd;

23.  herinnert aan zijn verzoek aan de ECB om in haar jaarverslag feedback te geven met betrekking tot hetgeen het Europees Parlement in zijn jaarlijkse verslagen aan de orde stelt; is van mening dat het nuttig zou zijn als de ECB niet alleen de monetaire en financiële voorwaarden zou beoordelen, maar in haar verklaring na de maandelijkse vergadering van haar raad van bestuur eveneens een beoordeling zou geven van de omvang van de output-gaps in de hele eurozone;

24.  herinnert eraan dat de driemaandelijkse monetaire dialoog belangrijk is voor de transparantie van het monetair beleid naar het Parlement en het brede publiek toe; is verheugd over de praktijk waarbij vertegenwoordigers van de ECB nauwkeurig en precies antwoorden op de vragen van de leden van het Europees Parlement; is eveneens ingenomen met de praktijk van de ECB om antwoorden schriftelijk aan te vullen wanneer de tijdens de discussies gegeven antwoorden niet volledig bevredigend en/of compleet bleken te zijn;

25.  onderstreept dat de toezichthoudende rol van de ECB en haar mandaat ten aanzien van het monetair beleid duidelijk van elkaar moeten worden gescheiden en dat de combinatie van beide functies niet mag leiden tot belangenverstrengeling voor de ECB; herinnert in dit verband aan het leidende beginsel dat het instrument voor beleidsvorming, op monetair dan wel toezichthoudend vlak, gekozen moet worden naargelang het beoogde doel en de kwestie waarvan sprake is;

26.  onderstreept het belang van democratische verantwoordingsplicht daar waar het gaat om de nieuwe taken van de ECB op het vlak van toezicht, alsook ten aanzien van haar adviserende rol in programma's van de Trojka en de Quadriga;

27.  onderstreept het belang van onafhankelijkheid van het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) en roept de ECB op erover na te denken hoe de onafhankelijkheid van dit comité kan worden vergroot;

28.  roept de Europese Centrale Bank op het voorstel over de oprichting van een algemene databank inzake kredietrisico (Analytical Credit Dataset, AnaCredit) nogmaals grondig te herzien en daarbij in het bijzonder rekening te houden met het evenredigheidsbeginsel en te letten op adequate drempelwaarden, zodat de administratieve belasting voor met name kleinere instellingen gering blijft;

29.  is ingenomen met de door Mario Draghi tijdens de monetaire dialoog van 23 september 2015 uitgesproken bereidheid om "het Europees Parlement op de hoogte te stellen van de door de ECB ingenomen standpunten" binnen organen als de Raad voor financiële stabiliteit of het Bazels Comité voor bankentoezicht;

30.  herinnert eraan dat de rol van de ECB er onder meer in bestaat de financiële stabiliteit te beschermen en dus ook voldoende liquiditeit te waarborgen om bankruns op solvabele openbare banken die zijn aangesloten bij het netwerk van het Eurosysteem te voorkomen;

31.  herinnert eraan dat de rol van de ECB in de Trojka en de Quadriga is vastgelegd in het twopack (Artikel 7 van Verordening (EU) nr. 472/2013); neemt kennis van de uitspraak van het Europees Hof van Justitie in zaak C-62/14 van 16 juni 2015 en dringt er bij de ECB op aan deze bij haar handelingen in aanmerking te nemen; dringt er bij de ECB op aan haar onafhankelijkheid van het proces van politieke besluitvorming opnieuw te beoordelen en, indien nodig, verder te vergroten;

32.  verzoekt om een grondige beoordeling van de werkwijze van de Trojka en van de betrokkenheid van de ECB bij de Trojka en de Quadriga, teneinde de verantwoordelijkheden te verduidelijken en te zorgen voor meer democratische verantwoording bij de vaststelling en uitvoering van bijstandsprogramma's;

33.  herinnert aan het verslag van het Parlement van 28 februari 2014 over het onderzoek naar de rol en de werking van de Trojka, waarin het volgende Parlement wordt gevraagd voort te bouwen op de inhoud van het verslag in kwestie, de belangrijkste bevindingen van follow-up te voorzien en verder onderzoek te verrichten;

34.  verzoekt de lidstaten, de Raad en de ECB al het mogelijke te doen om genderevenwicht te bewerkstelligen binnen de besluitvormingsorganen van de ECB en hieraan meer aandacht te besteden bij de vervanging van de leden van deze organen, met name die van de raad van bestuur en de directie;

35.  wijst erop dat de Commissie op 24 november 2015 een depositogarantiestelsel (DGS) voor banktegoeden in de gehele eurozone heeft voorgesteld;

36.  is ingenomen met het project van de kapitaalmarktenunie en de potentie die zij biedt om financieringskanalen opnieuw in evenwicht te brengen, niet door financieringsmiddelen te verminderen of op het huidige niveau te handhaven, maar veeleer door deze middelen te verhogen en te diversifiëren, waarmee de buitensporige afhankelijkheid van de economieën van de eurozone van het bankenstelsel wordt verminderd en een essentiële schokbreker voor de monetaire unie wordt gecreëerd; waarschuwt er echter voor dat de kapitaalmarktunie het op de reële economie gerichte relatiebankieren niet mag ontmoedigen, aangezien dit de meest passende vorm van financiering voor kleinere bedrijven is;

37.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de Europese Centrale Bank.

Juridische mededeling