Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2128(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0026/2016

Ingediende teksten :

A8-0026/2016

Debatten :

PV 07/03/2016 - 15
CRE 07/03/2016 - 15

Stemmingen :

PV 08/03/2016 - 6.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0071

Aangenomen teksten
PDF 300kWORD 116k
Dinsdag 8 maart 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
Jaarverslag 2014 over de bescherming van de financiële belangen van de EU - De bestrijding van fraude
P8_TA(2016)0071A8-0026/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 8 maart 2016 over het jaarverslag 2014 over de bescherming van de financiële belangen van de EU - De bestrijding van fraude (2015/2128(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 325, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien zijn resoluties over eerdere jaarverslagen van de Commissie en van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF),

–  gezien het verslag van de Commissie van 31 juli 2015 getiteld "Bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie - Fraudebestrijding - Jaarverslag 2014" (COM(2015)0386) en de bijbehorende werkdocumenten (SWD(2015)0151, SWD(2015)0152, SWD(2015)0153, SWD(2015)0154, SWD(2015)0155 en SWD(2015)0156),

–  gezien het jaarverslag 2014 van OLAF,

–  gezien het activiteitenverslag 2014 van het Comité van toezicht van OLAF,

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014, vergezeld van de antwoorden van de instellingen,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 oktober 2015 getiteld "Bescherming van de EU-begroting tot eind 2014" (COM(2015)0503),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 september 2015 over fraudebestrijding in de EU: inspelen op de zorgen van bedrijfsleven en maatschappelijk middenveld (CCMI/132),

–  gezien het verslag van de Commissie van 3 februari 2014 getiteld "Corruptiebestrijdingsverslag van de EU" (COM(2014)0038),

–  gezien Verordening (EU) nr. 250/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 tot vaststelling van een programma voor de bevordering van acties op het gebied van de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie (programma "Hercules III") en tot intrekking van Besluit nr. 804/2004/EG(1),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 17 juli 2013 voor een verordening van de Raad tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie (COM(2013)0534),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad(2),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 11 juli 2012 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (COM(2012)0363),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3),

–  gezien zijn resolutie van 15 september 2011 over de inspanningen van de Unie ter bestrijding van corruptie(4), zijn verklaring van 18 mei 2010 over de inspanningen van de EU ter bestrijding van corruptie(5) en de mededeling van de Commissie van 6 juni 2011 getiteld "Corruptiebestrijding in de EU" (COM(2011)0308),

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen(6),

–  gezien het verslag 2015 over de btw-derving, dat in opdracht van de Commissie is opgesteld,

–  gezien het speciale verslag van de Europese Rekenkamer over openbare aanbestedingen in het kader van de cohesie-uitgaven van de EU,

–  gezien het arrest van het Europees Hof van Justitie in zaak C-105/14 (Taricco e.a.),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de Commissie internationale handel, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie constitutionele zaken (A8-0026/2016),

A.  overwegende dat de lidstaten en de Commissie een gedeelde verantwoordelijkheid hebben voor de uitvoering van ongeveer 80% van de Uniebegroting; overwegende dat de lidstaten primair verantwoordelijk zijn voor de inning van de eigen middelen, o.a. in de vorm van btw en douanerechten;

B.  overwegende dat een deugdelijk uitgavenbeleid en de bescherming van de financiële belangen van de EU centraal moeten staan in het EU-beleid, teneinde het vertrouwen van de burgers te vergroten door ervoor te zorgen dat hun geld goed, doelmatig en doeltreffend wordt besteed; overwegende dat dit behoorlijk financieel beheer hand in hand dient te gaan met een "optimale besteding van elke euro";

C.  overwegende dat het bereiken van goede prestaties vereist dat de input, output, resultaten en effecten regelmatig worden beoordeeld door middel van doelmatigheidcontroles;

D.  overwegende dat de verscheidenheid aan rechts- en bestuurssystemen in de lidstaten het moeilijk maakt om een einde te maken aan onregelmatigheden en fraude te bestrijden en dat de Commissie derhalve haar inspanningen verder op moet schroeven om te zorgen voor een doeltreffende fraudebestrijding die tastbaardere en bevredigendere resultaten oplevert;

E.  overwegende dat het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) de verantwoordelijkheid heeft om de financiële belangen van de Unie te beschermen door fraude, corruptie en andere illegale activiteiten te onderzoeken; overwegende dat het Comité van toezicht van OLAF is opgericht om de onafhankelijkheid van OLAF te versterken en te waarborgen, door de uitvoering van de onderzoeksfunctie van OLAF regelmatig te monitoren; overwegende dat het Comité van toezicht in het bijzonder de ontwikkelingen op het gebied van de toepassing van procedurele waarborgen en de duur van onderzoeken monitort in het licht van de informatie die de directeur-generaal overeenkomstig artikel 7, lid 8, van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 verstrekt;

F.  overwegende dat corruptie alle lidstaten treft en de EU-economie jaarlijks circa 120 miljard euro kost, zoals de Commissie in haar eerste verslag over het corruptiebestrijdingsbeleid van de EU van februari 2014 verklaart;

G.  overwegende dat de activiteiten van criminele of terroristische netwerken in Europa mede door corruptie worden gefinancierd; overwegende dat corruptie ook het vertrouwen van de burgers in de instellingen en de democratische processen ondermijnt;

H.  overwegende dat de bestrijding van fraude en corruptie niet alleen getuigt van een zekere beschavingsmentaliteit op grondslag van ethische principes die eigen zijn aan de rechtsstaat, maar ook bijdraagt aan het concurrentievermogen van de Unie in de wereldwijde economie;

1.  neemt kennis van het jaarverslag 2014 van de Commissie over de bescherming van de financiële belangen van de EU - De bestrijding van fraude; vraagt de Commissie in haar jaarverslagen over de bescherming van de financiële belangen van de EU (PIF-verslagen) sneller te reageren op de verzoeken van het Parlement;

Opsporing en melding van onregelmatigheden

2.  merkt op dat met alle gemelde onregelmatigheden een bedrag van ongeveer 3,24 miljard EUR gemoeid was; onderstreept dat het totale financiële effect van de in 2014 gemelde frauduleuze en niet-frauduleuze onregelmatigheden 36 % groter was dan in 2013, terwijl dergelijke onregelmatigheden 48 % vaker voorkwamen; onderstreept dat de gemelde onregelmatigheden voor 2,27 miljard EUR betrekking hadden op de uitgaven, hetgeen 1,8 % van de totale betalingen uitmaakt;

3.  benadrukt dat er bij 1 649 van de in totaal 16 473 onregelmatigheden die in 2014 bij de Commissie zijn gemeld, sprake was van fraude, waarmee een bedrag van 538,2 miljoen EUR gemoeid was; stelt vast dat met frauduleuze onregelmatigheden met betrekking tot uitgaven 362 miljoen EUR gemoeid was, d.w.z. 0,26 % van de totale betalingen, en met frauduleuze onregelmatigheden met betrekking tot inkomsten 176,2 miljoen EUR, d.w.z. 0,88 % van het brutobedrag van de in 2014 geïnde traditionele eigen middelen (TEM's);

4.  onderstreept dat het totale financiële effect van de in 2014 gemelde niet-frauduleuze onregelmatigheden 47 % groter was dan in 2013, terwijl zij 5 % minder vaak voorkwamen; stelt tevens vast dat met niet-frauduleuze onregelmatigheden met betrekking tot uitgaven 1,54 % van alle betalingen gemoeid was, en met niet-frauduleuze onregelmatigheden met betrekking tot inkomsten 3,66 % van de in 2014 geïnde TEM's;

5.  dringt er bij de Commissie op aan de volledige verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de terugvordering van ten onrechte uit de EU-begroting betaalde middelen en voor een betere inning van de eigen middelen, en in alle lidstaten uniforme rapportagebeginselen in te voeren om adequate, vergelijkbare en nauwkeurige gegevens te kunnen verzamelen;

6.  onderstreept dat niet-frauduleuze onregelmatigheden dikwijls verband houden met een gebrekkige kennis van de complexe regels en vereisten; is van mening dat een vereenvoudiging van de regels en procedures door de lidstaten en de Commissie het aantal niet-frauduleuze onregelmatigheden zal doen dalen; is van mening dat de bestrijding van onregelmatigheden, inclusief fraude, bewustmaking vereist bij alle institutionele organen op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau, alsook bij het brede publiek; wijst erop dat het creëren van een cultuur van fraudepreventie en -bestrijding bij alle instellingen en organen die bij de tenuitvoerlegging van de fondsen zijn betrokken, van essentieel belang is, en verzoekt de lidstaten de uitwisseling van beproefde methoden aan te moedigen;

7.  herinnert eraan dat de lidstaten in een aanhoudend begrotingsconsolidatie- en bezuinigingsproces verkeren dat tot doel heeft de financiën duurzamer te maken, en is vast van oordeel dat alle middelen nodig zijn voor investeringen in de lidstaten om duurzame economische groei te bevorderen; is van oordeel dat alle nodige stappen moeten worden genomen om frauduleuze activiteiten op het gebied van het handelsbeleid en daarmee verband houdende kredieten te voorkomen en te stoppen, en dat daarbij alle relevante beleidsinstrumenten moeten worden gecombineerd (zoals strafrechtelijk onderzoek, de ontwikkeling van betrouwbare analysemodellen, en inspanningen om tekortkomingen en fouten die verband houden met gebrekkig beleid van de Commissie aan te pakken); verzoekt de lidstaten zich nog meer inspanningen te getroosten om te waarborgen dat de EU-begroting op correcte wijze wordt gebruikt voor projecten die bijdragen aan de groei en de werkgelegenheid in Europa, alsook om douaneschulden terug te vorderen nadat er fraude is ontdekt; benadrukt meer in het algemeen dat de bestrijding van illegale handel en illegale geldstromen een hoge prioriteit moet blijven voor zowel de EU als de lidstaten;

8.  juicht het toe dat de Commissie een meerjarenstrategie voor de fraudebestrijding heeft goedgekeurd die de aanzienlijke verschillen tussen de aantallen gemelde onregelmatigheden per lidstaat zal helpen corrigeren;

Ontvangsten – eigen middelen

9.  stelt met bezorgdheid vast dat het bedrag aan TEM's waarbij sprake was van fraude, in 2014 191 % hoger lag dan in 2013 en dat het bedrag waarbij sprake was van niet-frauduleuze onregelmatigheden in 2014 146 % hoger lag dan in het jaar daarvoor;

10.  vindt het zorgwekkend dat het gemiddelde terugvorderingspercentage voor TEM's per lidstaat voor zowel frauduleuze als niet-frauduleuze onregelmatigheden zich met 24 % in 2014 op een historisch dieptepunt bevindt; dringt er bij de lidstaten op aan de verschuldigde bedragen sneller terug te vorderen, en dringt met name bij de lidstaten die de grootste bedragen moeten terugvorderen, aan op een betere inning;

11.  is bezorgd over de btw-derving en de geraamde verliezen bij de btw-inning, die in 2013 uitkwamen op 168 miljard EUR; onderstreept dat in dertien van de in 2014 onderzochte 26 EU-lidstaten het gemiddelde geraamde btw-verlies hoger was dan 15,2 %; wijst erop dat de Commissie geen toegang heeft tot de informatie die de lidstaten onderling uitwisselen ter voorkoming en bestrijding van zogeheten "carrouselfraude"; verzoekt alle lidstaten om deel te nemen aan Eurofisc, en wel op alle werkterreinen, teneinde de uitwisseling van informatie die nuttig is voor fraudebestrijding te vergemakkelijken; wijst er nogmaals op dat de Commissie de bevoegdheid heeft om controle en toezicht uit te oefenen op de door de lidstaten getroffen maatregelen; verzoekt de Commissie ten volle gebruik te maken van haar uitvoerende bevoegdheden om de lidstaten zowel te controleren als te helpen bij de bestrijding van btw-fraude en belastingontwijking; neemt er kennis van dat de Commissie sinds 2013 gebruik maakt van het snellereactiemechanisme om massale en plotselinge btw-fraude aan te pakken;

12.  spoort de Commissie aan een mechanisme te ontwerpen dat bedrijven motiveert om normaal belasting te betalen in plaats van belasting te ontduiken;

13.  wijst op het toenemende aantal door Eurojust en Europol ondersteunde coördinatiecentra; is ingenomen met de resultaten van de grensoverschrijdende operaties Vertigo 2 en Vertigo 3 en met de efficiënte samenwerking tussen de rechtshandhavings- en justitiële autoriteiten in Duitsland, Polen, Nederland, het Verenigd Koninkrijk, België, Spanje, Tsjechië en Zwitserland, die heeft geleid tot de neutralisatie van criminele netwerken die verantwoordelijk zijn voor een verlies aan belastinginkomsten, waaronder btw, ter waarde van circa 320 miljoen EUR door fraude;

14.  is bezorgd over de douanecontroles en de daarmee verband houdende heffing van douanerechten, die tot de eigen middelen op de EU-begroting behoren; wijst erop dat het aan de douaneautoriteiten van de lidstaten is om controles uit te voeren om na te gaan of importeurs de tarief- en invoerregels naleven, en onderstreept dat de Rekenkamer heeft geconstateerd dat de kwaliteit van deze controles in de lidstaten uiteenloopt; verzoekt de Commissie om de in 2014 gepubliceerde Gids voor douanebedrijfscontroles te actualiseren teneinde de door de Rekenkamer vastgestelde tekortkomingen te verhelpen, zoals de problemen in verband met de behandeling van geïmporteerde goederen die in een andere lidstaat zijn ingeklaard;

Uitgaven

15.  stelt vast dat het aantal onregelmatigheden met betrekking tot uitgaven dat in 2014 als frauduleus is gemeld, met slechts 4 % is gedaald na een toename met 76 % in 2013; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan alle noodzakelijke maatregelen te nemen om het aantal frauduleuze onregelmatigheden terug te dringen, wat echter niet ten koste van de kwaliteit van de controles mag gaan;

16.  is bezorgd over de gestage toename van het aantal gemelde niet-frauduleuze onregelmatigheden bij rechtstreeks beheerde EU-middelen, zowel wat het aantal gevallen als wat de daarmee gemoeide bedragen betreft; is verrast dat het aantal in 2014 gemelde frauduleuze onregelmatigheden is verviervoudigd ten opzichte van een jaar eerder, en verzoekt de Commissie om een gedetailleerde toelichting en de nodige acties om deze trend om te buigen;

17.  vindt het daarom zorgwekkend dat de sector plattelandsontwikkeling in 2014 verantwoordelijk was voor het grootste aantal gerapporteerde frauduleuze onregelmatigheden en voor de grootste stijging ten opzichte van 2013; wijst erop dat 71 % van het totale aantal voor natuurlijke hulpbronnen (landbouw, plattelandsontwikkeling en visserij) gemelde frauduleuze onregelmatigheden betrekking had op Hongarije, Italië, Polen en Roemenië;

18.  stelt vast dat het terugvorderingspercentage van de lidstaten bij middelen uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) onder het algehele gemiddelde ligt en dat voor minder dan de helft van de in 2009 opgespoorde onregelmatigheden eind 2014 een terugvordering was gerealiseerd; wijst op de aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten in hun vermogen om vastgestelde onregelmatige betalingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid terug te vorderen, en dringt bij Bulgarije, Frankrijk, Griekenland en Slowakije aan op een aanzienlijke verbetering van hun prestaties; stelt vast dat het goedkeuringsmechanisme (50/50-regel) de lidstaten een sterke prikkel geeft om onterechte betalingen uit hoofde van het ELGF zo snel mogelijk terug te vorderen van de begunstigden; betreurt het dat 2014 het derde achtereenvolgende jaar was met een toename van het aantal gevallen van frauduleuze onregelmatigheden ten laste van het ELGF, en het vierde achtereenvolgende jaar met een toename van het aantal gemelde gevallen van fraude met betrekking tot de plattelandsontwikkeling; benadrukt de noodzaak van een snellere terugvordering van middelen;

19.  merkt op dat in 2014 de onregelmatigheden in verband met het gemeenschappelijk visserijbeleid na een piek in 2013 weer op een met 2012 vergelijkbaar niveau lagen; merkt op dat in de periode 2010-2014 in de categorie "Niet-subsidiabiliteit van de actie/het project" het vaakst onregelmatigheden werden geconstateerd, gevolgd door de categorie "Inbreuken op de regels inzake overheidsopdrachten";

20.  stelt vast dat voor de programmeringsperiode 2007-2013 van het cohesiebeleid het aantal als fraude gemelde onregelmatigheden (306 gemelde gevallen in 2014) met 5 % is afgenomen ten opzichte van 2013; is ernstig bezorgd over het feit dat het bedrag waarbij sprake was van frauduleuze onregelmatigheden, in 2014 met meer dan 115 miljoen EUR (76 %) is gestegen ten opzichte van 2013, wat voornamelijk te wijten is aan een scherpe stijging (met 660 %) van de bedragen bij het Cohesiefonds; stelt vast dat van de 74 vastgestelde gevallen van fraude in het cohesiebeleid in de periode 2008-2014, er 61 (82 %) zijn gemeld door drie lidstaten: Duitsland (42 gevallen), Polen (11 gevallen) en Slovenië (8 gevallen); uit zijn bezorgdheid over het feit dat 14 lidstaten voor die periode 0 % fraude hebben vastgesteld, hetgeen vragen kan oproepen over de efficiëntie van hun controlesystemen;

21.  maakt zich voorts zorgen over het feit dat op het beleidsgebied cohesie het gemiddelde tijdsverloop tussen het plaatsvinden van een onregelmatigheid, de opsporing ervan en de uiteindelijke melding ervan aan de Commissie is toegenomen tot drie jaar en vier maanden; herinnert eraan dat na de opsporing van een onregelmatigheid verdere procedures van toepassing worden (terugvorderingsbevelen, OLAF-onderzoeken, enz.); dringt er bij de Commissie op aan om samen met de lidstaten de opsporing en de rapportage efficiënter te maken;

22.  is verheugd over de globale daling van het aantal gemelde onregelmatigheden bij de pretoetredingssteun; betreurt het dat de onregelmatigheden bij het pretoetredingsinstrument, zowel wat de bedragen als wat het aantal gevallen betreft, sinds 2010 gestaag toenemen, waarbij Turkije het meest tot deze negatieve ontwikkeling bijdraagt, en verzoekt de Commissie haar uiterste best te doen om de situatie te verbeteren met name gezien het komende proces van nauwere samenwerking tussen de EU en Turkije:

Vastgestelde problemen en vereiste maatregelen

Betere rapportage

23.  merkt met zorg op dat ondanks de diverse verzoeken van het Parlement om de vaststelling van uniforme rapportagebeginselen in alle lidstaten, de situatie hoogst onbevredigend blijft en dat er nog aanzienlijke verschillen bestaan tussen de aantallen frauduleuze en niet-frauduleuze onregelmatigheden die door elke lidstaat worden gemeld; is van mening dat dit probleem een verwrongen beeld geeft van de werkelijke situatie met betrekking tot het aantal inbreuken en de bescherming van de financiële belangen van de EU; dringt er bij de Commissie op aan zich serieus in te spannen voor een oplossing voor het probleem dat de lidstaten verschillende benaderingen hanteren bij het opsporen van onregelmatigheden, evenals niet-homogene interpretaties bij het toepassen van het wettelijk kader van de EU;

24.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie om halfjaarlijks een corruptiebestrijdingsverslag voor de EU te publiceren, en kijkt uit naar het volgende verslag begin 2016; verzoekt de Commissie een hoofdstuk toe te voegen over het presteren van de EU-instellingen bij de corruptiebestrijding en een nadere analyse op het niveau van de EU-instellingen te verrichten van het toegepaste beleid, met het oog op de vaststelling van inherente kritieke factoren, kwetsbare gebieden en risicofactoren die corruptie in de hand kunnen werken;

25.  verzoekt de Commissie om het kader voor de melding van "vermoede fraude" te harmoniseren en regels vast te stellen voor de rapportage van alle in de lidstaten ondernomen gerechtelijke stappen in verband met het potentieel frauduleuze gebruik van EU-middelen, waarbij in het kader van de rapportage specifiek moet worden vermeld welke gerechtelijke stappen zijn ondernomen op basis van juridische aanbevelingen van OLAF;

26.  verzoekt de Commissie om, uitgaande van de in het Stockholmprogramma vermelde eisen, een stelsel van strenge indicatoren en gemakkelijk te hanteren uniforme criteria te ontwikkelen voor het meten van het corruptieniveau in de lidstaten en het beoordelen van het corruptiebestrijdingsbeleid van de lidstaten; is bezorgd over de betrouwbaarheid en de kwaliteit van de gegevens die van de lidstaten afkomstig zijn; verzoekt de Commissie daarom nauw met de lidstaten samen te werken om te garanderen dat de gegevens compleet, nauwkeurig en betrouwbaar zijn, met als doel dat het "single audit"-model volledig ten uitvoer wordt gelegd; verzoekt de Commissie een corruptie-index op te stellen om de lidstaten in te delen;

27.  verzoekt de Commissie om de lidstaten in het kader van de jaarlijkse beoordeling van de resultaten die zijn geboekt bij de corruptiebestrijding, nauwkeurige informatie te verstrekken ter bevordering van de geleidelijke en doorlopende naleving van de verplichtingen die iedere lidstaat op het terrein van corruptiebestrijding is aangegaan;

28.  vraagt de Commissie nogmaals om snel werk te maken van wetgeving over een minimaal beschermingsniveau voor klokkenluiders in de EU; verzoekt de Europese instellingen het statuut van de ambtenaren zodanig te wijzigen dat het niet alleen ambtenaren formeel verplicht tot het melden van onregelmatigheden, maar klokkenluiders ook adequate bescherming biedt; verzoekt de Europese instellingen die dit nog niet hebben gedaan, en andere organen onverwijld uitvoering te geven aan artikel 22 quater van het statuut van de ambtenaren; dringt er krachtig op aan dat alle EU-instellingen interne regels vaststellen met betrekking tot het melden van illegale praktijken door werknemers en hun plichten, waarbij het accent moet liggen op de bescherming van klokkenluiders; is van mening dat die regels expliciet moeten worden uitgebreid tot klokkenluiders die fraude in verband met internationale overeenkomsten, met inbegrip van handelsovereenkomsten, aan het licht brengen;

29.  onderstreept het belang van toegang tot informatie en de transparantie van lobbywerkzaamheden, alsmede van financiële steun van de EU voor het werk van onafhankelijke organisaties op dit gebied;

30.  is van mening dat de transparantie kan worden verhoogd door het wetgevingspad te bewandelen voor lobbywerkzaamheden in de EU, teneinde over te stappen van een vrijwillig naar een verplicht EU-register voor alle lobbyactiviteiten bij de EU-instellingen;

31.  dringt er bij de Commissie op aan haar strikte beleid van onderbreking en opschorting van betalingen overeenkomstig de relevante rechtsgrond te handhaven; juicht het toe dat de Commissie een nieuw besluit over het mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing heeft goedgekeurd; ziet uit naar de totstandbrenging van een door de Commissie voor te stellen alomvattend systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting; verzoekt de Commissie de lidstaten en lokale overheden beter te informeren over de uitvoering van haar beleid, waarbij bedacht moet worden dat dit proces niet mag worden aangetast door politieke overwegingen;

32.  verlangt daarom dat aan artikel 325 VWEU transversaal, op alle beleidsterreinen van de Unie, uitvoering wordt gegeven, waarbij niet alleen reactief, maar ook preventief tegen fraude moet worden opgetreden; wenst dat artikel 325 VWEU wordt nageleefd, en met name lid 5 over jaarverslagen, waarmee men op dit moment een jaar achterloopt; dringt met name aan op vereenvoudiging van de manier waarop EU-subsidies in het cohesiebeleid worden gebruikt; dringt erop aan dat de afgesproken procedures worden gevolgd en dat de overeenkomsten worden geratificeerd die de Unie met derde landen en organisaties op het gebied van fraudebestrijding op regionaal en internationaal niveau heeft gesloten; wenst dat er een vervolg wordt gegeven aan de aanbevelingen voor een actieplan, zoals vervat in de resolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven(7), met name de aanbevelingen 130 (zichtbaarheid van de maatregelen van de lidstaten ter bestrijding van fraude en georganiseerde misdaad) en 131 (algemeen actieplan 2014-2019 ter bestrijding van georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen – punten i-xxi); dringt erop aan dat de eerste resultaten worden gepresenteerd van de richtlijn valsemunterij; dringt er voorts op aan dat op ruimere schaal informatie wordt verstrekt over de instrumenten waarmee OLAF de corruptie bestrijdt en over de coördinatie van de procedures in de lidstaten voor terugvordering van frauduleus uitgekeerde gelden;

33.  verzoekt de EU om het lidmaatschap van de Groep van staten tegen corruptie (GRECO) van de Raad van Europa aan te vragen;

34.  is ingenomen met het feit dat er in 2014 48 overeenkomsten bestonden inzake wederzijdse administratieve bijstand, tussen 71 landen, en dat er onderhandelingen werden gevoerd met nog eens 49 landen, waaronder belangrijke handelspartners als de VS en Japan, en wenst dat het Parlement voortdurend op de hoogte wordt gehouden van de ontwikkelingen bij die onderhandelingen; benadrukt dat, wil men de belangen van de EU beschermen en fraude doeltreffend bestrijden, er in de eerste plaats op moet worden toegezien dat de wetgeving daadwerkelijk wordt toegepast en dat alle partijen zich houden aan de internationale verbintenissen, met inbegrip van de relevante bepalingen ter bestrijding van fraude en corruptie die in sancties voorzien; spoort de Commissie aan met andere landen te blijven samenwerken op het gebied van fraudebestrijdingsmaatregelen, en nieuwe administratieve samenwerkingsovereenkomsten op te stellen; verzoekt de Commissie in alle internationale overeenkomsten van de EU-bepalingen ter bestrijding van fraude en corruptie te blijven opnemen om zo het pad te effenen voor nauwere samenwerking bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, illegale handel en andere clandestiene en ongeoorloofde handel;

35.  is ingenomen met de belangrijke rol die het EU-programma voor macrofinanciële bijstand speelt bij het stimuleren van hervormingen bij de nauwste handelspartners van de EU; verzoekt de Commissie aan het Parlement en de lidstaten verslag te blijven uitbrengen om te waarborgen dat alle middelen worden besteed in volledige overeenstemming met de basisverordening en op een wijze die spoort met regionale cohesie en de bevordering van regionale stabiliteit, waardoor het risico op misbruik van terugbetaalbare leningen wordt verkleind; verzoekt om een langetermijnbeoordeling van het effect van programma's voor macrofinanciële bijstand op de inspanningen om corruptie en fraude in de begunstigde landen te bestrijden;

36.  dringt er nogmaals op aan dat de rekenkamer van elke lidstaat een nationale verklaring ter verantwoording van de besteding van de EU-gelden openbaar maakt;

37.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om, op hun respectievelijke niveau, gekoppelde gegevensbanken op te zetten met betrekking tot onregelmatigheden op het gebied van het cohesiebeleid, met inbegrip van onregelmatigheden als gevolg van overheidsopdrachten, aangezien deze als basis kunnen dienen voor zinvolle, brede analyses van de frequentie, de ernst en de oorzaken van onregelmatigheden, en de bij frauduleuze onregelmatigheden betrokken bedragen; wijst erop dat de lidstaten de Commissie tijdig en op passende wijze correcte en vergelijkbare gegevens moeten verstrekken, zonder de administratieve last onevenredig te verhogen;

Betere controles

38.  benadrukt het complexe karakter van onregelmatigheden; is van mening dat de Commissie en de lidstaten krachtig moeten optreden tegen frauduleuze onregelmatigheden; is van mening dat niet-frauduleuze onregelmatigheden met bestuursrechtelijke maatregelen moeten worden aangepakt, met name door de eisen transparanter en eenvoudiger te maken, de technische bijstand door de Commissie aan de lidstaten uit te breiden en de uitwisseling van goede praktijken en ervaringen te intensiveren; is van mening dat de methoden voor het berekenen van foutenpercentages op EU-niveau en in de lidstaten moeten worden geharmoniseerd;

39.  juicht het toe dat met de communautaire controles vooraf en achteraf steeds meer onregelmatigheden worden opgespoord, en is van mening dat deze controles daarom verder moeten worden bevorderd;

40.  verzoekt de betrokken autoriteiten in de lidstaten de controles te verbeteren en alle beschikbare informatie te gebruiken om fouten en onregelmatige betalingen met betrekking tot EU-gelden te voorkomen;

41.  moedigt de Commissie aan haar toezichthoudende rol verder uit te breiden met audit-, controle- en inspectieactiviteiten, verbeterplannen en vroegtijdige schriftelijke waarschuwingen; verzoekt de lidstaten zich sterker in te spannen en gebruik te maken van hun mogelijkheden om fouten op te sporen en te corrigeren alvorens een vergoeding bij de Commissie aan te vragen; onderstreept in dit verband de bijzondere waarde van preventieve maatregelen bij het voorkomen van betalingen, zodat naderhand geen maatregelen meer nodig zijn om onterecht betaalde bedragen terug te vorderen;

42.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een systeem voor de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten uit te werken, zodat boekhoudkundige documenten in twee of meer lidstaten aan een kruiscontrole kunnen worden onderworpen, teneinde transnationale fraude in het kader van de structuur- en investeringsfondsen te voorkomen en op die manier een horizontale aanpak te creëren voor de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie;

43.  vindt het verheugend dat alle diensten van de Commissie in 2014 hun fraudebestrijdingsstrategie hebben ontwikkeld en uitgevoerd; verzoekt de EU-agentschappen, uitvoerende agentschappen en gemeenschappelijke ondernemingen hetzelfde te doen; onderstreept de rol van de Coördinatiediensten fraudebestrijding (Afcos) bij het tegengaan van fraude; is verheugd over de vaststelling van een nationale fraudebestrijdingsstrategie door Bulgarije, Griekenland, Kroatië, Malta en Slowakije en verzoekt de betrokken lidstaten hun nationale fraudebestrijdingsstrategie (NAFS) zo spoedig mogelijk in te dienen; verzoekt de Commissie de uitvoering van deze nationale strategieën nauwlettend te volgen;

44.  pleit voorts voor versterkte samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie met betrekking tot de wijze waarop fondsen worden beheerd; dringt erop aan dat de personeelsleden van instanties die bij het beheer van de fondsen betrokken zijn, en vooral van de Afcos, een complete opleiding ontvangen, zodat deze hun eigen nationale fraudebestrijdingsstrategie kunnen uitwerken;

45.  is verheugd over de positieve resultaten van de eerste jaarlijkse evaluatie van het programma Hercules III; spreekt de zorg uit dat de begroting voor dit programma wellicht onvoldoende is; verzoekt om aanvullende, op prestaties gebaseerde informatie, met name over de bijdrage van de 55 conferenties en trainingssessies aan de doeltreffendheid van de door de lidstaten genomen maatregelen tegen fraude, corruptie en andere illegale activiteiten die de financiële belangen van de EU schaden;

46.  wijst er nogmaals op dat de lidstaten volgens artikel 325, lid 2, VWEU "ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, dezelfde maatregelen (moeten nemen) als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad"; is van mening dat in de EU niet aan deze bepaling wordt voldaan; is van mening dat de Commissie horizontaal beleid moet ontwikkelen voor de bestrijding van fraude en corruptie; onderstreept dat de Commissie ook verantwoordelijk is voor een doeltreffende besteding van de middelen, en verzoekt haar daarom interne prestatie-eisen in te voeren;

47.  is van mening dat de Europese burgers meer moeten worden betrokken bij de planning en het toezicht met behulp van eenvoudig toegankelijke IT-instrumenten, met name bij financiering van grote infrastructuurprojecten; roept de Commissie op een participatieve begroting te overwegen om burgers te betrekken bij het toezicht op de besteding van EU-gelden, en een toegankelijk elektronisch loket te creëren voor het melden van fraude;

48.  merkt op dat de definitie, classificatie en opsporing van onregelmatigheden en de verslaglegging hierover per lidstaat en ook binnen de lidstaten nog steeds uiteenlopen, vooral omdat de term onregelmatigheden op verschillende manieren wordt gedefinieerd; is van mening dat meer onderlinge aanpassing noodzakelijk is en verwelkomt in deze context de gedelegeerde verordening van de Commissie van 8 juli 2015 over de melding van onregelmatigheden, die de verordening gemeenschappelijke bepalingen aanvult; vraagt de Commissie en de lidstaten coherente strategieën uit te werken voor het aanpakken van onregelmatigheden en voor de bestrijding van fraude in het cohesiebeleid; wijst op de preventieve en correctieve maatregelen die de Commissie heeft genomen om frauduleuze onregelmatigheden te voorkomen, waaronder de opschorting van 193 betalingen uit hoofde van het cohesiebeleid;

49.  herinnert eraan dat de verordening gemeenschappelijke bepalingen de beheersautoriteiten ertoe verplicht doeltreffende en evenredige fraudepreventiemaatregelen te nemen, die verankerd moeten worden in de nationale strategie ter bestrijding van fraude; verzoekt de Commissie haar preventieve optreden te versterken; is in dit kader ingenomen met de invoering van een systeem voor het vroegtijdig opsporen van risico's, en dringt met name aan op het versterken van de technische en administratieve capaciteit van de beheersautoriteiten om te komen tot robuustere controlesystemen die het risico op fraude kunnen verminderen en de opsporing van fraude, ook in minder ontwikkelde regio's, kunnen verbeteren, zonder dat dit met al te grote financiële en administratieve lasten gepaard gaat; benadrukt dat preventie constante training en ondersteuning van het met beheer en controle van middelen belaste personeel van de bevoegde autoriteiten vereist, alsook de uitwisseling van informatie en beste praktijken; wijst nogmaals op de cruciale rol van de lokale en regionale autoriteiten en partners bij de bestrijding van fraude, het garanderen van transparantie en het voorkomen van belangenconflicten;

50.  is ingenomen met het besluit van de Commissie om in 2018 een tussentijdse evaluatie te verrichten om na te gaan of het nieuwe regelgevingskader voor het cohesiebeleid verder bijdraagt tot preventie en het risico op onregelmatigheden, inclusief fraude, vermindert, en wacht op concrete informatie over de gevolgen van de nieuwe regels voor de beheer- en controlestelsels, zowel wat het risico op onregelmatigheden en fraude als wat de algemene implementatie van het beleid betreft;

51.  verzoekt de Commissie en de Rekenkamer om de transparantie van auditgegevens te bevorderen door meer gedetailleerde informatie vrij te geven over de best en slechtst presterende lidstaten per beleidsgebied en sector, zodat de betrokken actoren kunnen zien waar hulp het hardst nodig is en dienovereenkomstige maatregelen kunnen nemen;

PIF-richtlijn en EOM-verordening

52.  is ingenomen met de verklaring van de Commissie in haar jaarverslag 2014 over de bescherming van de financiële belangen van de Unie (PIF-verslag), dat zowel de PIF-richtlijn als de verordening tot oprichting van het Europees Openbaar Ministerie (EOM-verordening) een aanvulling op en een versteviging van het wettelijke kader zouden vormen en de strijd tegen fraude aanzienlijk zouden versterken; wijst nogmaals op de dringende noodzaak dat de PIF-richtlijn zo spoedig mogelijk wordt goedgekeurd en dat btw daaronder valt, met een duidelijke definitie van PIF-overtredingen, minimumvoorschriften inzake maximale gevangenisstraffen en minimumregels inzake de verjaring; herinnert aan de zaak-Taricco, waarin het Hof van Justitie erop wijst dat btw-fraude wel degelijk onder de definitie van PIF-fraude in de PIF-overeenkomst van 1995 valt;

53.  benadrukt dat ook de EOM-verordening snel moet worden goedgekeurd, en wenst uitleg van de Raad over zijn redenen voor het vertragen van de onderhandelingen;

Overheidsopdrachten

54.  merkt op dat het aantal onregelmatigheden als gevolg van het niet in acht nemen van de regels inzake overheidsopdrachten, nog steeds hoog is; roept de lidstaten op te zorgen voor een spoedige omzetting in het nationale recht van Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten(8), die e-aanbestedingen verplicht stelt en toezicht- en rapportageverplichtingen inhoudt om fraude en andere ernstige onregelmatigheden bij aanbestedingen terug te dringen; verzoekt de Commissie de openbaarmaking van alle documentatie met betrekking tot de begunstigden, en in het bijzonder de onderaannemers, verplicht te stellen;

55.  verzoekt de Commissie om de maatregelen ten aanzien van discretie en uitsluiting met betrekking tot openbare aanbestedingen strikt toe te passen, waarbij telkens een grondig antecedentenonderzoek dient te worden verricht, en om de uitsluitingscriteria toe te passen om ondernemingen te weren als er sprake is van een belangenconflict, aangezien dit van essentieel belang is om de geloofwaardigheid van de instellingen te beschermen;

56.  benadrukt dat niet-naleving van de regels voor openbare aanbestedingen een belangrijke bron van fouten was in de programmeringsperiode 2007-2013, onder andere door de opsplitsing van overheidsopdrachten in kleinere aanbestedingen om de overschrijding van drempels te voorkomen en het gebruik van verkeerde procedures; wijst erop dat de nieuwe richtlijnen inzake openbare aanbestedingen uiterlijk in april 2016 moeten worden toegepast; onderstreept dat voor het verminderen van het aantal onregelmatigheden een correcte uitvoering van de richtlijnen door de lidstaten vereist is; verzoekt de Commissie derhalve om richtsnoeren op te stellen voor de juiste tenuitvoerlegging van de richtlijnen; verzoekt de Commissie de uitvoering van de richtlijnen nauwlettend te volgen; is van mening dat door het stellen van voorafgaande voorwaarden openbare aanbestedingen kunnen worden verbeterd; benadrukt de noodzaak van transparante en toegankelijke regels;

57.  uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan volledige transparantie met betrekking tot de financiering van grote infrastructuurprojecten; dringt er bij de Commissie op aan te overwegen een voorstel in te dienen om de openbaarmaking van alle financiële verslagen en projecten in verband met grote overheidsopdrachten, met inbegrip van documentatie betreffende onderaannemers, verplicht te stellen;

58.  verzoekt de Commissie om alle documentatie in verband met de hogesnelheidslijn tussen Lyon en Turijn en de financiering ervan openbaar te maken;

59.  verzoekt de Commissie een databank over onregelmatigheden op te zetten die de basis kan vormen voor een betekenisvolle, globale analyse van de frequentie, de ernst en de oorzaken van fouten bij openbare aanbestedingen, verzoekt de relevante autoriteiten in de lidstaten een eigen databank voor onregelmatigheden, o.a. bij overheidsopdrachten, te ontwikkelen en te analyseren en de gegevens in kwestie in het kader van de samenwerking met de Commissie te verstrekken in een vorm en op een tijdstip waarmee het werk van de Commissie wordt ondersteund;

60.  plaatst vraagtekens bij de niet-frauduleuze aard van het toenemende aantal ernstige fouten dat in het kader van openbareaanbestedingsprocedures wordt gemaakt, en vraagt de Commissie om in dit opzicht bijzonder waakzaam te zijn, niet alleen door een dialoog aan te gaan met de lidstaten met het oog op een betere toepassing van de bestaande en nieuwe richtlijnen inzake overheidsopdrachten, maar ook door relevante gevallen aan OLAF voor te leggen voor nader onderzoek;

61.  herinnert eraan dat in noodsituaties, zoals bij het gebruik van middelen voor vluchtelingen, vaak wordt afgeweken van de normale aanbestedingsprocedures en de middelen rechtstreeks worden aangewend; betreurt dat er in verband hiermee veel gevallen van misbruik zijn vastgesteld; verzoekt de Commissie om doeltreffender toezicht uit te oefenen op de toepassing van deze afwijkingen en op de wijdverbreide praktijk om aanbestedingen op te splitsen, met als doel om onder de drempel te blijven waarboven de reguliere aanbestedingsprocedures van toepassing zijn;

62.  merkt op dat de Rekenkamer in haar speciaal verslag nr. 10/2015 getiteld "Er moet meer worden gedaan om de problemen met openbare aanbesteding bij EU-cohesie-uitgaven aan te pakken" de procedures voor overheidsopdrachten analyseert; benadrukt dat niet-naleving van de regels voor overheidsopdrachten een bron van fouten is, die kunnen leiden tot vertragingen bij de uitvoering en financiële correcties; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de ex-antevoorwaarden met betrekking tot de daadwerkelijke toepassing van de regels voor overheidsopdrachten uiterlijk eind 2016 volledige worden nageleefd; verzoekt de lidstaten te zorgen voor een degelijke en snelle omzetting van het pakket richtlijnen van 2014 inzake overheidsopdrachten;

63.  dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan ten volle gebruik te maken van de mogelijkheden die IT-instrumenten bieden bij overheidsopdrachten, met inbegrip van instrumenten voor e-aanbesteding, uitwisseling van beproefde methoden en preventieve risicobeoordeling; toont waardering voor het door de Commissie ontwikkelde online fraude-alarminstrument Arachne, dat gericht is op het identificeren van de meest riskante projecten op basis van een reeks risico-indicatoren, en verzoekt de lidstaten gebruik te maken van dit instrument;

Op prestaties gebaseerde budgettering en "waar voor je geld"

64.  benadrukt het belang van leiden door het goede voorbeeld te geven en is zeer ingenomen met de interinstitutionele aanpak bij de toepassing van de op prestaties gebaseerde budgetteringsmethode; verzoekt de Commissie zich in de plannings-, uitvoerings- en controlefase van het meerjarig financieel kader te laten leiden door het beginsel van de op prestaties gebaseerde budgettering;

65.  wijst op het belang van verdere en doorlopende maatregelen ter voorkoming van frauduleuze onregelmatigheden, maar herhaalt ook zijn verzoek om vaststelling van een nieuwe methodologie die is gebaseerd op prestaties in plaats van op een formalistische evaluatie van de programma's, dit in overeenstemming met het beginsel van een resultaatgerichte EU-begroting; verzoekt de Commissie intensiever te werken aan de toepassing van doelmatigheids- en doeltreffendheidsindicatoren in al haar programma's en zich niet alleen te concentreren op het foutenpercentage; verzoekt de Commissie voorts om niet alleen op basis van de drie hoofdcategorieën (zuinigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid) te werk te gaan, maar haar aandacht daarnaast te gaan richten op de nieuwe triptiek (ecologie, gelijkheid en ethiek);

66.  roept ertoe op een beoordeling vooraf van de ecologische, economische en sociale meerwaarde verplicht op te nemen in de selectieprocedure van te financieren projecten binnen en buiten de Unie, en verlangt dat de resultaten van deze beoordelingen en de gebruikte indicatoren openbaar en volledig toegankelijk worden gemaakt;

67.  merkt op dat de rapportage over prestaties nog zwak is en dat er behoefte bestaat aan een regelmatige beoordeling van de inputparameters (financiële, personele, materiële en organisatorische middelen en regelgeving die nodig zijn voor de uitvoering van het programma), de output (de producten van het programma), de resultaten (de onmiddellijke gevolgen van het programma) en de impact (maatschappelijke veranderingen op de lange termijn);

68.  verwelkomt de opzet van een netwerk van nationale contactpunten in de lidstaten en de integratie van doelstellingen op het gebied van corruptiebestrijding in het proces van economische governance (Europees semester);

69.  vraagt de Commissie haar evaluatie van alle akkoorden met tabaksfabrikanten onverwijld bekend te maken, zodat kan worden uitgemaakt in hoeverre die doeltreffend zijn voor de bestrijding van fraude en vervalsing, die de financiële belangen van de EU schaden, en of het wenselijk is dit soort akkoorden te verlengen;

70.  wijst nadrukkelijk op de rol van de Rekenkamer, de hoge controle-instanties (SAI's), de Commissie en de beheersautoriteiten bij de controle op de regelmatigheid en de resultaten van overheidsuitgaven; verzoekt de Rekenkamer en de Commissie hun samenwerking met de SAI's in de lidstaten verder te verbeteren om middelen en projecten op meer gebieden en vaker aan een audit te onderwerpen;

Tabakssmokkel en namaakproducten

71.  is bezorgd over de vaststelling van de Europese Ombudsman dat de Commissie, met uitzondering van DG Gezondheid, "niet volledig uitvoering geeft aan de regels en richtsnoeren van de Wereldgezondheidsorganisatie WHO inzake transparantie en het werk van de tabaklobby"(9); is daarom van mening dat de geloofwaardigheid en de integriteit van de Commissie in gevaar zijn;

72.  dringt er bij alle relevante EU-instellingen op aan om artikel 5, lid 3, van het Kaderverdrag van de WHO inzake tabaksontmoediging toe te passen in overeenstemming met de aanbevelingen die in de desbetreffende richtsnoeren vervat zijn; vraagt de Commissie om onmiddellijke publicatie van haar evaluatie van de akkoorden met de tabaksproducenten en een beoordeling van het effect van de uitvoering van het WHO-Kaderverdrag; roept de Commissie op volledig transparant te zijn met betrekking tot de overeenkomsten met tabaksfabrikanten en de mogelijke verlenging ervan, en dringt er bij de lidstaten op aan regelmatig verslag uit te brengen over de uitgaven die zijn gedaan met de middelen die zij in verband met die overeenkomsten hebben ontvangen;

73.  is verheugd over de succesvolle resultaten van een groot aantal gezamenlijke douaneoperaties (GDO's), waarbij OLAF en de lidstaten samenwerkten met verschillende diensten van derde landen en die geleid hebben tot de inbeslagneming van o.a. 1,2 miljoen namaakproducten, waaronder parfums, auto-onderdelen, elektronische apparatuur en 130 miljoen sigaretten; benadrukt het feit dat de smokkel van zwaar belaste goederen tot een aanzienlijke derving van inkomsten voor de begrotingen van de EU en haar lidstaten leidt, en dat alleen al het directe verlies aan douane-inkomsten door sigarettensmokkel op meer dan 10 miljard EUR per jaar wordt geschat; wijst erop dat de handel in namaakgoederen tot inkomstenderving leidt voor de EU en haar lidstaten en voor het Europese bedrijfsleven;

74.  is ernstig bezorgd over de toenemende smokkel en andere vormen van illegale en clandestiene handel, die niet alleen gevolgen hebben voor de inning van douaneheffingen door de lidstaten en bijgevolg voor de EU-begroting, maar ook sterk geassocieerd zijn met de internationale georganiseerde criminaliteit, bedreigingen voor consumenten en negatieve gevolgen voor de werking van de interne markt, wat een belemmering vormt voor gelijke voorwaarden voor alle concurrerende ondernemingen, met name kmo's; verzoekt derhalve om betere coördinatie tussen OLAF, douaneautoriteiten en autoriteiten voor markttoezicht, om niet alleen deze problemen aan te pakken, maar ook de handel in producten te bestrijden die de intellectuele-eigendomswetgeving in de EU schenden;

75.  wijst erop dat het, om de legitieme productie van en handel in generieke geneesmiddelen niet te verstoren, van belang is een onderscheid te maken tussen legitieme generieke geneesmiddelen en frauduleuze namaakmedicijnen, en verzoekt eens te meer alle lidstaten die het VN-protocol tot uitbanning van illegale handel in tabaksproducten wel ondertekend, maar nog niet geratificeerd hebben, hun ratificatieprocedure zo snel mogelijk af te ronden;

Onderzoeken en de rol van OLAF

76.  neemt nota van de rol van OLAF in verschillende GDO's bij het voorkomen van verliezen voor de EU-begroting en vraagt OLAF om in zijn toekomstige jaarverslagen meer informatie en concrete cijfers op te nemen over de bijdrage van OLAF aan de bescherming van de inkomstenzijde van de EU-begroting;

77.  is verheugd over de jaarlijkse interinstitutionele bijeenkomsten van de Raad, de Commissie, het Parlement, OLAF en het Comité van toezicht van OLAF; stelt met klem dat het voorzitterschap moet rouleren tussen de drie Europese instellingen; verzoekt de Commissie om steun voor het initiatief van het Parlement en dringt er bij de Raad op aan zijn negatieve standpunt ter zake te herzien;

78.  herhaalt zijn oproep met betrekking tot het jaarverslag 2013 over de bescherming van de financiële belangen van de EU(10), namelijk dat OLAF en zijn Comité van toezicht de resterende geschillen op korte termijn bijleggen; herhaalt dat OLAF noch zijn Comité van toezicht hun wettelijke taken in de huidige situatie van beperkte samenwerking doeltreffend kunnen vervullen; neemt met bezorgdheid kennis van het gebrek aan vooruitgang en beschouwt de huidige situatie daarom als onaanvaardbaar; verzoekt de Commissie haar rol ten volle te vervullen en actief te werken aan een oplossing voor de lange termijn die onverwijld ten uitvoer moet worden gelegd;

79.  is van mening dat het Comité van toezicht, als logisch uitvloeisel van zijn mandaat, moet beschikken over autonoom personeel, dat los staat van de OLAF-administratie, en financieel autonoom moet zijn; verzoekt OLAF het Comité van toezicht inzage te verlenen in de documenten die het Comité van toezicht nodig acht om zijn taak overeenkomstig zijn mandaat te kunnen vervullen; dringt er bij de Commissie op aan om met een voorstel te komen dat de OLAF-verordening in deze zin wijzigt;

80.  merkt op dat er een discrepantie bestaat tussen de fraudegegevens die OLAF via openbare en particuliere bronnen in de lidstaten verzamelt (OLAF, verslag 2014) en de zeer grote ongelijkheid bij de terugvordering van middelen die OLAF de lidstaten aanbeveelt; verzoekt de Commissie steun te verlenen aan initiatieven gericht op verhoging van het terugvorderingspercentage bij fraudegevallen;

81.  dringt bij de Commissie aan op volledige transparantie over alle verzoeken van nationale openbaar aanklagers om de immuniteit van OLAF-personeel op te heffen, met inbegrip van die van de directeur-generaal van OLAF;

82.  is ingenomen met de aantoonbare doeltreffendheid van het OLAF-onderzoek naar aanleiding van de vraag of er op grond van de oorsprong van producten terecht preferentiële tarieven zijn toegepast, en verzoekt de lidstaten deze bevindingen in aanmerking te nemen en overeenkomstig de EU-douanewetgeving alle noodzakelijke en passende maatregelen te treffen; verzoekt de Commissie erop te blijven toezien dat de lidstaten op basis van de mededelingen in het kader van de wederzijdse bijstand de doeltreffendheid van hun risicobeheerssystemen en controlestrategieën verbeteren, om te voorkomen dat er verliezen voor de EU-begroting ontstaan doordat goederen die niet in aanmerking komen voor een preferentieel tarief uit hoofde van een preferentiële handelsovereenkomst wel als zodanig worden ingevoerd; verzoekt de Commissie eveneens haar toezegging gestand te doen en beoordelingen achteraf te verrichten van preferentiële handelsovereenkomsten met aanzienlijke economische, sociale en milieugevolgen, met inbegrip van een stelsel voor periodieke verslaglegging door de begunstigde landen met betrekking tot hun beheer en controle van preferentiële herkomst;

83.  merkt op dat het globaal vervolgen van delicten, waaronder fraude, corruptie, witwassen van geld, daarmee verband houdende georganiseerde misdaad en andere illegale activiteiten die de financiële belangen van de EU schaden, een absolute voorwaarde is voor het goede functioneren van de EU; benadrukt dat systematisch moet worden bekeken welk gevolg wordt gegeven aan de aanbevelingen van OLAF; is van mening dat de follow-up van die aanbevelingen vereist dat aan OLAF in de nationale wetgeving procedurele rechten worden toegekend, om te garanderen dat de aanbevelingen worden geëerbiedigd en door de nationale autoriteiten in aanmerking worden genomen;

84.  verzoekt de Commissie opheldering te verschaffen over de belangrijkste redenen waarom lidstaten geen werk maken van vermeende gevallen van fraude die de financiële belangen van de Europese Unie schaden, zoals door OLAF aan hen voorgelegd;

o
o   o

85.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Rekenkamer, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en het Comité van toezicht van OLAF.

(1) PB L 84 van 20.3.2014, blz. 6.
(2) PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 121.
(5) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 62.
(6) PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0444.
(8) PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65.
(9) http://www.ombudsman.europa.eu/en/press/release.faces/en/61027/html.bookmark
(10) Aangenomen teksten van 11 maart 2015, P8_TA(2015)0062.

Juridische mededeling