Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2000(IMM)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0062/2016

Ingediende teksten :

A8-0062/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 12/04/2016 - 5.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0099

Aangenomen teksten
PDF 159kWORD 62k
Dinsdag 12 april 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
Verzoek om opheffing van de immuniteit van Hermann Winkler
P8_TA(2016)0099A8-0062/2016

Besluit van het Europees Parlement van 12 april 2016 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Hermann Winkler (2016/2000(IMM))

Het Europees Parlement,

–  gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Hermann Winkler, dat op 25 september 2015 werd ingediend door het Openbaar Ministerie in Leipzig in verband met een vooronderzoek naar een verkeersongeval (ref. 600 AR 3037/15), en van de ontvangst waarvan op 14 december 2015 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  gezien het feit dat Hermann Winkler afstand heeft gedaan van zijn recht te worden gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 46 van de Duitse grondwet (Grundgesetz),

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0062/2016),

A.  overwegende dat het openbaar ministerie in Leipzig (Duitsland) heeft verzocht om opheffing van de immuniteit van Hermann Winkler, lid van het Europees Parlement, in verband met de start van een onderzoek naar een vermeend strafbaar feit;

B.  overwegende dat, overeenkomstig artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

C.  overwegende, dat op grond van artikel 46, lid 2, van de grondwet van Duitsland (Grundgesetz), een lid niet ter verantwoording mag worden geroepen voor een strafbaar feit zonder de toestemming van het parlement, tenzij in geval van ontdekking op heterdaad of aanhouding op de volgende dag;

D.  overwegende dat het verzoek verband houdt met een onderzoek naar een ernstig verkeersongeval dat op 23 september 2015 heeft plaatsgevonden en waarbij Hermann Winkler betrokken was;

E.  overwegende dat de strafprocedure geen betrekking heeft op meningen die de betrokkene in de uitoefening van zijn ambt als lid van het Europees Parlement heeft geuit dan wel een stem die hij in de uitoefening van dat ambt heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;

F.  overwegende dat, in het licht van de door de commissie verkregen informatie, er geen reden is om aan te nemen dat het proces bedoeld is om de politieke activiteiten van een EP-lid schade toe te brengen (fumus persecutionis);

G.  overwegende dat het vermeende strafbare feit aldus duidelijk geen rechtstreeks verband heeft met de hoedanigheid van Hermann Winkler van lid van het Europees Parlement;

H.  overwegende dat het daarom raadzaam is in dit geval de parlementaire immuniteit op te heffen;

1.  besluit de immuniteit van Hermann Winkler op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van Duitsland en aan Hermann Winkler.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.

Juridische mededeling