Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2252(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0301/2015

Ingediende teksten :

A8-0301/2015

Debatten :

PV 11/04/2016 - 16
CRE 11/04/2016 - 16

Stemmingen :

PV 12/04/2016 - 5.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0103

Aangenomen teksten
PDF 267kWORD 86k
Dinsdag 12 april 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
Jaarverslagen 2012-2013 over subsidiariteit en evenredigheid
P8_TA(2016)0103A8-0301/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 12 april 2016 over de jaarverslagen 2012-2013 over subsidiariteit en evenredigheid (2014/2252(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven"(1),

–  gezien de praktische regelingen die op 22 juli 2011 zijn overeengekomen tussen de bevoegde diensten van het Europees Parlement en de Raad voor de tenuitvoerlegging van artikel 294, lid 4, VWEU bij akkoorden in eerste lezing,

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2014 over gezonde EU-regelgeving en subsidiariteit en evenredigheid – negentiende verslag "De wetgeving verbeteren" 2011(2),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2012 over het achttiende verslag getiteld "De wetgeving verbeteren" – Toepassing van het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel (2010)(3),

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2011 over betere wetgeving, subsidiariteit en proportionaliteit en slimme regelgeving(4),

–  gezien de jaarverslagen van de Commissie van 2012 (COM(2013)0566) en 2013 (COM(2014)0506) over subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien de conclusies van de Raad van 4 december 2014 over slimme regelgeving,

–  gezien de conclusies van de Conferentie van voorzitters van de parlementen van de Europese Unie van 21 april 2015,

–  gezien de halfjaarlijkse verslagen van COSAC van 27 september 2012, 17 mei 2013, 4 oktober 2013, 19 juni 2014 en 14 november 2014 over de ontwikkelingen in de Europese Unie van de procedures en praktijken in verband met parlementaire controle,

–  gezien het eindverslag van de Groep op hoog niveau van onafhankelijke belanghebbenden van 14 oktober 2014 inzake administratieve lasten, getiteld "Cutting Red Tape in Europe – Legacy and Outlook" (Vermindering van administratieve rompslomp in Europa – erfenis en vooruitzichten)(5),

–  gezien de artikelen 52 en 132 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie internationale handel, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0301/2015),

A.  overwegende dat in 2012 de Commissie gemotiveerde adviezen heeft ontvangen inzake 83 wetgevingsvoorstellen; overwegende dat in 2012 in totaal 292 reacties zijn ontvangen, met inbegrip van de reacties die niet als gemotiveerde adviezen werden bestempeld;

B.  overwegende dat in 2013 de Commissie gemotiveerde adviezen heeft ontvangen inzake 99 wetgevingsvoorstellen; overwegende dat in 2013 in totaal 313 reacties zijn ontvangen, met inbegrip van de reacties die niet als gemotiveerde adviezen werden bestempeld;

C.  overwegende dat in 2012 de nationale parlementen 12 gemotiveerde adviezen uitgebracht hebben over het Monti II-voorstel(6); omdat het hierbij om 19 stemmen ging (18 is het minimum), was er voor het eerst sprake van een zogeheten gele kaart, met als gevolg dat de instelling die het voorstel heeft ingediend dit opnieuw in overweging moet nemen en haar besluit moet motiveren om het ontwerp in te trekken, te wijzigen of te handhaven;

D.  overwegende dat de Commissie het voorstel Monti II heeft ingetrokken maar verklaarde dat zij van oordeel was dat het voorstel strookte met het beginsel van subsidiariteit en dat zij het voorstel heeft ingetrokken omdat het onvoldoende steun genoot in het Europees Parlement en de Raad van Ministers(7);

E.  overwegende dat in 2013 de nationale parlementen 13 gemotiveerde adviezen hebben uitgebracht met betrekking tot het voorstel voor de instelling van een Europees Openbaar Ministerie(8), goed voor 18 stemmen, en daarmee de tweede gelekaartprocedure hebben ingeleid;

F.  overwegende dat de Commissie tot de slotsom kwam dat haar voorstel in overeenstemming was met het subsidiariteitsbeginsel en dat intrekking of wijziging van het voorstel niet nodig was; overwegende dat de Commissie verklaarde dat zij tijdens de wetgevingsprocedure terdege rekening zou houden met de gemotiveerde adviezen(9);

G.  overwegende dat een aantal nationale parlementen zich bezorgd toonden over de aanpak van de Commissie, en de door de Commissie opgegeven redenen en argumenten onvoldoende achtten; overwegende dat de Commissie juridische zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken van het Europees Parlement over dit onderwerp debatten hebben gevoerd;

H.  overwegende dat in de daaropvolgende onderhandelingen met de Raad over het Europees Openbaar Ministerie het toepassingsgebied en de werkmethoden nauwkeuriger zijn gedefinieerd in vergelijking met het oorspronkelijke voorstel naar aanleiding waarvan de gemotiveerde adviezen zijn uitgebracht;

I.  overwegende dat gezien haar initiatiefrecht de Commissie de verantwoordelijkheid heeft ervoor te zorgen dat in een vroeg stadium van het beleidsontwikkelingsproces de juiste keuze wordt gemaakt over het al dan niet voorstellen van maatregelen op EU-niveau en de wijze van voorstellen;

J.  overwegende dat de Commissie de richtsnoeren voor effectbeoordelingen aan een herziening onderwerpt, en daarin onder meer aandacht besteedt aan subsidiariteit en evenredigheid;

K.  overwegende dat het Parlement zijn eigen afdeling Effectbeoordeling heeft opgericht, die in 2013 50 eerste evaluaties en twee gedetailleerde evaluaties van effectbeoordelingen van de Commissie heeft verricht;

L.  overwegende dat de nationale parlementen hebben opgemerkt dat de toewijzing van talrijke belangrijke gedelegeerde bevoegdheden de beoordeling bemoeilijkt of de definitieve regels aan het subsidiariteitsbeginsel voldoen;

M.  overwegende dat de subsidiariteits- en evenredigheidstoetsing alsook een effectbeoordeling uitsluitend plaatsvinden bij de aanvang van het wetgevingsproces;

1.  stelt vast dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid grondbeginselen zijn van de Europese Unie;

2.  benadrukt dat de EU zich bij de uitoefening van haar bevoegdheden moet laten leiden door de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, zoals bepaald in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie; is ingenomen met het feit dat in 2012 en 2013 de EU-instellingen en de nationale parlementen zorgvuldig hebben toegezien op de inachtneming van deze twee beginselen;

3.  is ingenomen met de intensievere participatie en nauwere betrokkenheid van de nationale parlementen bij het Europese wetgevingsproces de afgelopen jaren, wat geleid heeft tot een toegenomen bewustwording van de beginselen waarop de EU is gegrondvest, waaronder de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit in de interinstitutionele context; merkt echter op dat er in deze context nog meer werk moet worden verzet; stelt als eerste stap voor dat de Commissie jaarlijks met elk van de nationale parlementen in debat gaat om de dialoog tussen de Commissie en de nationale parlementen te versterken;

4.  is voorts van mening dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid het uitgangspunt vormen voor de beleidsvorming; benadrukt derhalve het belang van een beoordeling bij de aanvang van het wetgevingsproces of de beleidsdoelstellingen beter op Europees niveau dan door middel van nationale of regionale initiatieven kunnen worden verwezenlijkt;

5.  wijst op het belang van de parlementen en hun territoriale impact en nabijheid tot de burgers, en vraagt dat ze, waar passend, meer worden betrokken bij het systeem van vroegtijdige waarschuwing;

6.  merkt evenwel op dat de meeste adviezen van nationale parlementen worden uitgebracht door slechts enkele nationale kamers; moedigt de andere kamers aan een grotere rol te spelen in het Europese debat;

7.  benadrukt dat de Europese instellingen de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid moeten respecteren, zoals vastgelegd in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en in Protocol nr. 2 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die een algemeen karakter hebben en bindend zijn voor de instellingen bij de uitoefening van de bevoegdheden van de Unie, met dien verstande dat het beginsel van subsidiariteit niet van toepassing is op de beleidsgebieden die tot de exclusieve bevoegdheid van de Unie behoren;

8.  is van mening dat het mechanisme voor toetsing aan het subsidiariteitsbeginsel van groot belang is voor de samenwerking van Europese en nationale instellingen;

9.  merkt op dat de door de Commissie opgestelde jaarverslagen enigszins oppervlakkig zijn en vraagt de Commissie om te overwegen verslagen op te stellen die dieper ingaan op de manier waarop het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel binnen het beleidsvormingsproces van de EU in acht worden genomen;

10.  wijst op de methodologie van de Commissie in de jaarverslagen van 2012 en 2013, waarin statistieken worden gebruikt om gemotiveerde adviezen van de nationale parlementen inzake een pakket voorstellen te rubriceren als één gemotiveerd advies, in plaats van een gemotiveerd advies dat betrekking heeft op ieder voorstel afzonderlijk;

11.  merkt op dat, over het geheel genomen, het aandeel van de gemotiveerde adviezen als percentage van alle reacties in vergelijking met 2010 en 2011 aanzienlijk toegenomen is en dat in 2012 25 % van alle reacties uit gemotiveerde adviezen bestond, terwijl in 2013 dergelijke adviezen 30 % uitmaakten van de reacties van de nationale parlementen op grond van Protocol nr. 2; wijst in dit verband op de raadpleging van nationale parlementen in het wetgevingsproces;

12.  merkt op dat de nationale parlementen in 2012 voor het eerst de zogeheten gelekaartprocedure hebben toegepast met betrekking tot het subsidiariteitsbeginsel, als reactie op het voorstel van de Commissie voor een verordening inzake de uitoefening van het recht om collectieve actie te voeren in de context van de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting (Monti II); merkt op dat de Commissie weliswaar concludeerde dat het subsidiariteitsbeginsel niet was geschonden, maar dat zij het voorstel wegens gebrek aan politieke steun toch heeft ingetrokken; stelt vast dat in 2013 een tweede zogeheten gele kaart is getrokken naar aanleiding van het voorstel van de Commissie voor een verordening van de Raad tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie; merkt op dat de Commissie tot de conclusie is gekomen dat het voorstel in overeenstemming is met het subsidiariteitsbeginsel, en besloten heeft het te handhaven;

13.  merkt op dat de door de nationale parlementen uitgebrachte gemotiveerde adviezen erop wijzen dat er uiteenlopende interpretaties van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid bestaan; herinnert er in dit verband aan dat, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel zoals geformuleerd in de Verdragen, de Unie op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts mag optreden "indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt"; herinnert er tevens aan dat krachtens het evenredigheidsbeginsel "de inhoud en de vorm van het optreden van de Unie niet verder gaan dan wat nodig is om de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken"; moedigt de nationale parlementen ertoe aan zich aan de letter van het VEU te houden wanneer zij de naleving van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid beoordelen; beveelt de nationale parlementen en de Europese instellingen met klem aan met elkaar van gedachten te wisselen over de subsidiariteits- en evenredigheidstoetsing en desbetreffende praktijken uit te wisselen;

14.  merkt op dat de door de nationale parlementen ingediende gemotiveerde adviezen aanzienlijk uiteenlopen wat de soort en de vorm van de gebruikte argumenten betreft; betreurt het ontbreken van gemeenschappelijke patronen hetgeen het moeilijker maakt om te bepalen op welke grond nationale parlementen interveniëren;

15.  wijst nogmaals op de zorgen die in voorgaande verslagen van het Parlement zijn geuit over effectbeoordelingen van de Commissie waarin het subsidiariteitsbeginsel onvoldoende aan bod komt; herinnert voorts aan het jaarverslag van de Raad voor effectbeoordeling (IAB) waarin deze kwestie aan de orde is gesteld; neemt kennis van het feit dat de IAB van oordeel was dat in meer dan 30 % van de door hem onderzochte effectbeoordelingen in 2012 en 2013 sprake was van een onbevredigende analyse van het subsidiariteitsbeginsel; is bezorgd over het feit dat in 2014 dit percentage tot 50 % gestegen is en dringt er bij de Commissie op aan deze kwestie aan te pakken tijdens de herziening van de richtsnoeren voor effectbeoordelingen en deze tendens om te buigen;

16.  wijst op het belang van effectbeoordelingen als instrument ter ondersteuning van de besluitvorming in het kader van het wetgevingsproces en benadrukt dat het noodzakelijk is om in dat verband voldoende aandacht te schenken aan subsidiariteit en evenredigheid;

17.  benadrukt dat grondige effectbeoordelingen met een diepgaande evaluatie van de naleving van het subsidiariteitsbeginsel cruciaal zijn om het vertrouwen van de burger te vergroten, die subsidiariteit dikwijls als een belangrijk aspect van het democratische proces opvat; beklemtoont daarom dat een striktere subsidiariteitstoetsing kan worden beschouwd als een belangrijk instrument om het zogeheten democratisch tekort terug te dringen;

18.  herhaalt het verzoek dat het Parlement in eerdergenoemde resolutie van 14 september 2011 heeft gedaan om, in aanvulling op de effectbeoordelingen die in verband met voorgestelde wetgeving door de Commissie worden verricht, en waarvan de hervorming momenteel wordt besproken, ook nationale effectbeoordelingen uit te voeren; verwacht dat de onlangs in het leven geroepen afdelingen Effectbeoordeling van het Parlement een nuttige bijdrage kunnen leveren aan de werkzaamheden van de Commissie;

19.  is teleurgesteld over het antwoord van de Commissie aan de nationale parlementen in de gevallen waarin gele kaarten gegeven zijn; is van oordeel dat de Commissie uitgebreid moet antwoorden op elk bezwaar dat door nationale parlementen tot uitdrukking gebracht wordt en dat dit op individuele basis moet gebeuren als onderdeel van een dialoog die volgt op elk bekendgemaakt advies; acht het ook noodzakelijk dat de Commissie voor de betrokken commissie of commissies van het Parlement verschijnt om haar standpunt in detail toe te lichten;

20.  benadrukt dat de gelekaartprocedure, een instrument om de EU-besluitvorming te beïnvloeden, nog zou kunnen worden versterkt door eerder informatie uit te wisselen over de standpunten van de nationale parlementen, en moedigt de nationale parlementen derhalve aan standpunten uit te wisselen over het toepassingsgebied en de evaluatiemethoden die worden gebruikt om na te gaan of wetgeving in overeenstemming is met het subsidiariteits- en het proportionaliteitsbeginsel;

21.  is van oordeel dat politieke dialoog van steeds groter belang wordt om ervoor te zorgen dat het subsidiariteitsbeginsel wordt geëerbiedigd; staat op het standpunt dat de politieke dialoog moet worden verbeterd, niet alleen in gevallen van gele of rode kaarten maar als algemene regel; is in dit opzicht ingenomen met het initiatief van de Commissie Juncker om voor meer nationale parlementen te verschijnen en verzoekt het Parlement soortgelijke initiatieven te overwegen; is van mening dat rapporteurs aangemoedigd kunnen worden om meer in contact te treden met nationale parlementen, ook al omdat videoconferenties en andere methoden van online ontmoetingen steeds gemakkelijker en doeltreffender kunnen worden gebruikt;

22.  benadrukt dat de Europese instellingen en de nationale parlementen moeten blijven werken aan de bevordering van een cultuur van subsidiariteit in de hele Europese Unie; pleit voor twee specifieke manieren om aan subsidiariteit in het huidige wetgevingsproces een grotere rol toe te kennen, ten eerste door ervoor te zorgen dat standpunten, invalshoeken en andere voorstellen van nationale parlementen in het kader van de politieke dialoog gemakkelijker toegang kunnen vinden, met name gedurende de voorbereidende werkzaamheden zoals de opstelling van groenboeken of witboeken van de Commissie, en ten tweede door te overwegen de termijn voor raadpleging van nationale parlementen in het kader van de subsidiariteitstoetsing van Protocol nr. 2 op verzoek van parlementen te verlengen wegens tijdgebrek, waarvoor gerechtvaardigde en objectieve gronden gelden, zoals natuurrampen en parlementair reces, en waarover overeenstemming bestaat tussen de nationale parlementen en de Commissie; is van oordeel dat dit kan worden bereikt met een politiek initiatief dat in eerste instantie goedgekeurd is door de instellingen en de nationale parlementen, zonder dat dit leidt tot vertraging in de vaststelling van de betreffende wetgeving;

23.  is van mening dat een verlenging van de termijn waarbinnen de nationale parlementen een gemotiveerd advies kunnen indienen, overeenkomstig artikel 6 van het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, bij een volgende herziening van het Verdrag moet worden opgenomen, op voorwaarde dat de lidstaten hiermee instemmen; meent dat deze verlenging ook in de secundaire wetgeving vastgelegd kan worden;

24.  acht het van belang dat de gelekaartprocedure door de parlementen gemakkelijk kan worden uitgevoerd wanneer zij het subsidiariteitsbeginsel overeenkomstig de Verdragen opnieuw bevestigen;

25.  merkt op dat verscheidene nationale parlementen in het kader van de COSAC belangstelling hebben getoond voor de invoering van een groene kaart als instrument om de politieke dialoog te verbeteren, hetgeen de nationale parlementen de mogelijkheid biedt, na de steun van het Parlement te hebben verkregen, ter overweging constructieve voorstellen bij de Commissie in te dienen, met inachtneming van het initiatiefrecht van de Commissie;

26.  merkt op dat wetgevingsvoorstellen drastische wijzigingen kunnen ondergaan voordat zij door de instellingen worden aangenomen; herinnert eraan dat een toetsing aan het subsidiariteitsbeginsel slechts plaatsvindt bij het begin en niet bij de afsluiting van de wetgevingsprocedure; herinnert er voorts aan dat effectbeoordelingen meer in het algemeen slechts worden voorbereid voor de beginfase, en niet voor de eindfasen van het wetgevingsproces; benadrukt de noodzaak van een tussentijdse evaluatie na de aanvang van de aannemingsprocedure en een evaluatie aan het einde van het wetgevingsproces, waardoor het in bepaalde gevallen mogelijk wordt om aan lidstaten die het subsidiariteitsbeginsel niet in acht nemen, een waarschuwing af te geven;

27.  verzoekt dan ook om de uitvoering van een nadere subsidiariteitstoetsing en een volledige effectbeoordeling ten tijde van de afronding van de wetgevingsonderhandelingen en voorafgaande aan de aanneming van een definitieve tekst, om ervoor te zorgen dat inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel verzekerd is en beoordelingen van onder meer de evenredigheid kunnen plaatsvinden; is van mening dat een dergelijke afkoelingsperiode beleidsmakers kan helpen bij de beoordeling of wetgeving voldoet aan de beginselen van de Unie, en de transparantie kan verhogen omtrent de resultaten van perioden van vaak nogal intensieve onderhandelingen;

28.  neemt kennis van de nieuwe beleidsdoelstellingen van de Commissie inzake initiatieven en voorstellen voor EU-wetgeving, namelijk zo laag mogelijke kosten, voordelen voor burgers, ondernemingen en werknemers, en vermindering van onnodige regeldruk;

29.  is van mening dat moet worden gecontroleerd of en bewaakt dat de programma's in het meerjarig financieel kader voldoen aan het subsidiariteitsbeginsel, in die zin dat zij een aantoonbare meerwaarde hebben voor de begunstigde lidstaten;

30.  verzoekt de Commissie om, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel, de aanvraagprocedure voor EU-middelen te vereenvoudigen, om ervoor te zorgen dat deze procedure resultaatgerichter en doeltreffender wordt;

31.  is vastbesloten zich in te zetten voor de inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid door middel van de beoordeling van zijn eigen initiatiefverslagen van wetgevende aard, de ex-ante beoordeling van effectbeoordelingen van de Commissie en de voortdurende beoordeling van de potentiële meerwaarde van optreden in EU-verband en van de "kosten van het niet-bestaan van Europa";

32.  wijst op de recente discussies over afdoening van geschillen tussen investeerder en staat en de voorstellen van de Europese Commissie voor vervanging van het huidige model; herinnert eraan dat artikel 3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt dat de gemeenschappelijke handelspolitiek een terrein is waarop de Unie exclusief bevoegd is en dat de gemeenschappelijke handelspolitiek gegrond wordt op eenvormige beginselen; merkt op dat het subsidiariteitsbeginsel derhalve niet van toepassing is op de gemeenschappelijke handelspolitiek;

33.  dringt er bij de lidstaten op aan het Uncitral-Verdrag inzake transparantie van op een verdrag gebaseerde arbitrage tussen investeerders en staten te deblokkeren, zodat de Commissie het verdrag namens de hele Unie kan ondertekenen; betreurt de huidige situatie, waarin een aantal EU-lidstaten partij is bij het verdrag en een aantal niet; is van mening dat dit voorbeeld onderstreept dat er behoefte is aan meer algehele duidelijkheid over de reikwijdte van de exclusieve bevoegdheid van de Unie inzake directe buitenlandse investeringen; wijst erop dat het uiteenlopende beleid van de lidstaten ten aanzien van investeringsbescherming geleid heeft tot de huidige situatie, waarin lidstaten partij zijn bij zo'n 1 400 bilaterale investeringsverdragen, die soms verschillende bepalingen bevatten, hetgeen kan leiden tot verschillen in de behandeling van EU-investeerders in het buitenland, afhankelijk van de herkomst van de betreffende investering;

34.  pleit, waar het gaat om financiële bijstand van de EU aan andere landen, en meer specifiek om macro-financiële bijstand, voor meer diepgaande ex-ante en ex-post effectbeoordelingen op het punt van evenredigheid van de voorgestelde maatregelen, om te zorgen dat de bijstand doelmatig is en werkelijk nuttig voor onze partners in nood; houdt staande dat voorwaarden moeten worden verbonden aan uitbetaling van financiële bijstand en behoorlijke controle moet worden gehouden op de aanwending van de gelden, onder meer met maatregelen ter voorkoming en bestrijding van fraude en corruptie, en door gedegen toetsing door het Parlement; dringt aan op sterke integratie van de externe instrumenten van de EU, waarin handel, ontwikkeling en buitenlands- en veiligheidsbeleid worden gecombineerd; benadrukt dat de lidstaten op dit gebied meer inzet moeten tonen;

35.  wijst erop dat het uiterst belangrijk is dat de burgers, het bedrijfsleven (met name het mkb) en de maatschappelijke organisaties terdege worden geraadpleegd en uitgenodigd tot dialoog over de EU-handelspolitiek, en bij de besluitvorming daarover worden betrokken.

36.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0061.
(3) PB C 353 E van 3.12.2013, blz. 117.
(4) PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 87.
(5) http://ec.europa.eu/smart-regulation/refit/admin_burden/docs/08-10web_ce-brocuttingredtape_en.pdf
(6) Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de uitoefening van het recht om collectieve actie te voeren in de context van de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting - COM(2012)0130.
(7) Brief van 12 september 2012 van vicevoorzitter Šefčovič aan de nationale parlementen.
(8) Voorstel van de Commissie voor de instelling van het Europees Openbaar Ministerie - COM(2013)0534.
(9) Mededeling van de Commissie van 27 november 2013 aan het Europees Parlement, de Raad en de nationale parlementen over de heroverweging van het voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van het Openbaar Ministerie wat betreft het subsidiariteitsbeginsel, overeenkomstig protocol nr. 2 (COM(2013)0851).

Juridische mededeling