Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2150(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0208/2015

Ingediende teksten :

A8-0208/2015

Debatten :

PV 11/04/2016 - 18
CRE 11/04/2016 - 18

Stemmingen :

PV 12/04/2016 - 5.11
CRE 12/04/2016 - 5.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0104

Aangenomen teksten
PDF 207kWORD 99k
Dinsdag 12 april 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
Programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving
P8_TA(2016)0104A8-0208/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 12 april 2016 over het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT): stand van zaken en vooruitzichten (2014/2150(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de Interinstitutionele Akkoorden "Beter wetgeven"(1),

–  gezien de praktische regelingen die op 22 juli 2011 zijn overeengekomen tussen de bevoegde diensten van het Europees Parlement en de Raad voor de tenuitvoerlegging van artikel 294, lid 4, VWEU bij akkoorden in eerste lezing,

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2014 over gezonde EU-regelgeving en subsidiariteit en evenredigheid – negentiende verslag "De wetgeving verbeteren" 2011(2),

–  gezien zijn resolutie van 27 november 2014 over de herziening van de richtsnoeren van de Commissie voor effectbeoordeling en de rol van de kmo-test(3),

–  gezien zijn resolutie van 25 februari 2014 over de follow-up met betrekking tot de delegatie van wetgevingsbevoegdheden en de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(4),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2012 over het achttiende verslag getiteld "De wetgeving verbeteren" – Toepassing van het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel (2010)(5),

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2011 over betere wetgeving, subsidiariteit en proportionaliteit en slimme regelgeving(6),

–  gezien zijn resolutie van 8 juni 2011 over het garanderen van onafhankelijke effectbeoordelingen(7),

–  gezien de conclusies van de Raad van 4 december 2014 over slimme regelgeving,

–  gezien het verslag van de Commissie over het Programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT): stand van zaken en vooruitzichten (COM(2014)0368),

–  gezien de eerdere mededelingen van de Commissie inzake gezonde EU-regelgeving (COM(2012)0746 en COM(2013)0685),

–  gezien het verslag van de Commissie over subsidiariteit en evenredigheid (negentiende verslag getiteld "De wetgeving verbeteren" 2011) (COM(2012)0373),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Slimme regelgeving – Inspelen op de behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen" (COM(2013)0122),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Monitoring and Consultation on Smart Regulation for SMEs" (SWD(2013)0060),

–  gezien de mededeling van de Commissie "Slimme regelgeving in de Europese Unie" (COM(2010)0543),

–  gezien de richtsnoeren van de Commissie voor de raadpleging van belanghebbenden 2014,

–  gezien het eindrapport van de Groep van onafhankelijke belanghebbenden op hoog niveau inzake administratieve lasten van 24 juli 2014, getiteld: "Cutting Red Tape in Europe – Legacy and Outlook", en met name het afwijkend standpunt in bijlage 12 van vier leden van deze groep met een achtergrond op het gebied van werknemersrechten, volksgezondheid, milieu en consumentenrechten,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 10 december 2014(8),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Betere regelgeving voor betere resultaten - Een EU-agenda" (COM(2015)0215),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad met als titel "Voorstel voor een interinstitutioneel akkoord over betere regelgeving" (COM(2015)0216),

–  gezien het besluit van de Commissie tot oprichting van het REFIT-platform (C(2015)3261) en de mededeling aan de Commissie met als titel "The REFIT Platform - Structure and Functioning" (C(2015)3260),

–  gezien het besluit van de voorzitter van de Europese Commissie tot oprichting van een onafhankelijke Raad voor regelgevingstoetsing (C(2015)3263), de mededeling aan de Commissie getiteld "Regulatory Scrutiny Board - Mission, tasks and staff" (C(2015)3262) en de mededeling aan de Commissie getiteld "Standard Explanatory Memorandum" (C(2015)3264/2),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Better Regulation Guidelines" (SWD(2015)0111),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0208/2015),

A.  overwegende dat het REFIT-programma een belangrijk element is van de nieuwe strategie van de Commissie om de wetgeving te verbeteren;

B.  overwegende dat met het REFIT-programma wordt beoogd de procedures voor betere wetgeving te consolideren, het EU-recht te vereenvoudigen, de administratieve en/of regelgevingslasten terug te dringen en de weg in te slaan naar goed bestuur op grond van op bewijs gebaseerde beleidsvorming, waarin effectbeoordelingen en evaluaties achteraf een belangrijke rol spelen, zonder evenwel politieke besluiten te vervangen;

C.  overwegende dat de Commissie een nieuw REFIT-platform in het leven heeft geroepen om haar werkzaamheden in de context van het REFIT-programma te ondersteunen, dat bestaat uit twee groepen: de groep regeringsvertegenwoordigers, bestaande uit vooraanstaande deskundigen uit het overheidsapparaat van iedere lidstaat, en de groep belanghebbenden, bestaande uit maximaal 20 deskundigen, waarvan er twee het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's vertegenwoordigen, en de rest het bedrijfsleven, met inbegrip van kmo's, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld;

D.  overwegende dat met het jaarlijkse REFIT-scorebord de voortgang op alle beleidsgebieden en met betrekking tot alle door de Commissie vastgestelde initiatieven, alsook de acties van het Parlement en de Raad, kunnen worden geëvalueerd;

E.  overwegende dat het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven" van 2003 niet meer voldoende aansluit op het huidige, door het Verdrag van Lissabon gecreëerde wetgevingskader;

F.  overwegende dat de agenda voor betere regelgeving de afgelopen jaren desondanks een bijdrage heeft geleverd aan de verbetering van wetgevingsprocedures; overwegende dat het grote aantal verschillende programma's en benamingen dat door de Commissie werd geïntroduceerd op dit gebied, zoals "betere regelgeving", "beter wetgeven", "slimme regelgeving", "gezonde regelgeving", "denk eerst klein", "fitness checks" en "ABR+", niet zorgen voor voldoende duidelijkheid en transparantie met betrekking tot de doelstellingen van de maatregelen, met name voor burgers, en bijgevolg beter gecombineerd kunnen worden;

G.  overwegende dat de Commissie met haar mededeling van 19 mei 2015 getiteld "Betere regelgeving voor betere resultaten - Een EU-agenda" nu een coherente en holistische aanpak van betere wetgeving heeft voorgesteld in het kader waarvan rekening wordt gehouden met de volledige beleidscyclus en waarvoor gerichte interactie tussen alle instellingen nodig is, en overwegende dat de communicatie daarom nauwkeurig zal worden bestudeerd door het Parlement om te komen tot de best mogelijke resultaten in het belang van de burgers van de Unie;

H.  overwegende dat de doelen en doelstellingen van de Unie, zoals die in artikel 3 VEU zijn neergelegd, allemaal even belangrijk zijn; overwegende dat de Commissie benadrukt dat het REFIT-programma reeds vastgestelde beleidsdoelstellingen onverlet laat en ook niet ten koste mag gaan van de gezondheid en veiligheid van burgers, consumenten, werknemers of het milieu;

I.  overwegende dat de Commissie in de tweede helft van 2014 openbare raadplegingen heeft gehouden over de herziening van haar richtsnoeren voor effectbeoordeling en haar richtsnoeren voor de raadpleging van belanghebbenden;

J.  overwegende dat de Commissie bij het opstellen van haar werkprogramma voor 2015 voor het eerst het zogeheten beginsel van politieke discontinuïteit heeft aangevoerd als reden voor intrekking van een zeer groot aantal hangende wetsvoorstellen;

K.  overwegende dat de Commissie in het kader van haar werkprogramma voor 2015 van plan was met haar activiteiten de nadruk te leggen op de belangrijke economische en maatschappelijke uitdagingen, en dat haar nieuwe structuur tot doel heeft een meer coherente beleidsaanpak te waarborgen, waardoor eveneens de transparantie in de EU zou worden verhoogd en bijgevolg ook de aanvaarding bij de burgers;

Betere regelgeving

1.  neemt kennis van het besluit van Commissievoorzitter Juncker om de eerste vicevoorzitter van de Commissie te belasten met de portefeuille betere regelgeving, waarmee gevolg wordt gegeven aan de verzoeken van het Europees Parlement en waardoor het grote politieke belang van dit onderwerp wordt benadrukt; verwacht dat deze aanstelling zal leiden tot Europese regelgeving van de best mogelijke kwaliteit, die voldoet aan de verwachtingen van de burgers en belanghebbenden en die ervoor zorgt dat de doelstellingen van het openbaar beleid, waaronder milieu-, sociale en gezondheids- en veiligheidsnormen, niet in gevaar worden gebracht;

2.  wijst erop dat binnen de hele openbaar-bestuurscultuur op alle niveaus van de Europese Unie gewerkt moet worden aan betere regelgeving, rekening houdend met de overmatige bureaucratie in de EU en de noodzaak de wetgeving te vereenvoudigen, en dat dit niet alleen dient te gelden voor de tenuitvoerlegging en toepassing van handelingen van de Unie op Europees niveau, maar ook op nationaal, regionaal en lokaal niveau, zodat behoorlijk bestuur en een Europagezinde houding op alle niveaus gewaarborgd worden;

3.  benadrukt dat de Commissie voorrang moet verlenen aan de ontwikkeling van bepaalde maatregelen en zich meer op de kwaliteit van de wetgeving en een betere handhaving van bestaande wetgeving moet richten dan op de kwantiteit van wetgevingshandelingen; onderstreept in dit verband dat kosten niet de doorslaggevende factor mogen zijn, maar dat de kwaliteit van de wetgeving het enige passende ijkpunt is, en dat het REFIT-programma niet mag worden gebruikt om de duurzaamheid of de sociale, werk-, milieu- of consumentennormen te ondermijnen;

4.  stelt voor dat de Commissie de invoering van "horizonbepalingen" in overweging neemt in het kader van wetgevingsinitiatieven die in de tijd beperkt zijn, op voorwaarde dat dit niet leidt tot rechtsonzekerheid, en zo nodig "herzieningsclausules" opneemt in wetgevingsmaatregelen om de relevantie van deze maatregelen op Europees niveau regelmatig opnieuw te beoordelen;

5.  wijst erop dat een norm op Europees niveau in de regel in de plaats treedt van 28 nationale normen, hetgeen leidt tot een versterking van de interne markt en tot minder bureaucratie;

6.  is ingenomen met het pakket maatregelen van 19 mei 2015 ter verbetering van de regelgeving; steunt de blijvende inzet van de Commissie voor de agenda voor betere regelgeving; onderstreept dat de werkzaamheden waarin de REFIT-mededeling voorziet, beschouwd moeten worden als een continu proces, dat ervoor zorgt dat de wetgeving die op Europees niveau van kracht is, geschikt is voor het beoogde doel, de gemeenschappelijke doelstelling van de wetgevers bereikt en beantwoordt aan de verwachtingen van burgers, en met name werknemers, ondernemingen en andere belanghebbenden;

7.  neemt kennis van de toezegging van de Commissie betreffende het nieuw interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven, dat rekening houdt met de wijzigingen ten gevolge van het Verdrag van Lissabon en de kaderovereenkomst tussen het Parlement en de Commissie, waarmee de beste praktijken op het gebied van wetgevingsplanning, effectbeoordeling, systematische evaluatie achteraf van EU-wetgeving en het gebruik van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen worden geconsolideerd, en neemt kennis van de afronding van de onderhandelingen;

8.  is ingenomen met het feit dat de Commissie heeft bevestigd dat haar strategie voor betere regelgeving niet gericht is op de deregulering van bepaalde beleidsdomeinen of waarden in vraag stelt waar we belang aan hechten, zoals sociale bescherming, milieubescherming en de grondrechten, met inbegrip van het recht op gezondheid;

9.  erkent de langlopende en intensieve werkzaamheden van de Groep van onafhankelijke belanghebbenden op hoog niveau, die voorstellen heeft ingediend bij de Europese Commissie om de administratieve lasten te verminderen en die optimale werkwijzen heeft geïdentificeerd met als doel de EU-wetgeving op een zo onbureaucratisch mogelijke manier ten uitvoer te leggen in de lidstaten; neemt kennis van het feit dat vier leden van de Groep van onafhankelijke belanghebbenden op hoog niveau het niet eens waren met een aantal van de conclusies in het eindverslag van deze groep over administratieve lasten, en een afwijkend standpunt hebben gepubliceerd; verwacht dat de Commissie rekening houdt met de standpunten van alle betrokken partijen;

10.  benadrukt het belang van sociaal overleg en de eerbiediging van de autonomie van de sociale partners; wijst er met name met betrekking tot artikel 9 VWEU op dat de sociale partners in overeenstemming met artikel 155 VWEU overeenkomsten kunnen sluiten die op gezamenlijk verzoek van de ondertekenende partijen kunnen leiden tot EU-wetgeving; verwacht dat de Commissie de autonomie van partijen en de overeenkomsten die zij hebben gesloten eerbiedigt en hun bezorgdheid serieus neemt, en benadrukt dat de agenda voor betere regelgeving niet mag worden misbruikt om overeenkomsten tussen de sociale partners te negeren of ter zijde te schuiven, en verwerpt bijgevolg alle eventuele effectbeoordelingen van overeenkomsten tussen sociale partners;

11.  wijst erop dat de keuze tussen uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen tijdens de vorige zittingsperiode geleid heeft tot talrijke interinstitutionele geschillen; acht het bijgevolg van belang dat specifieke richtsnoeren worden opgesteld, zoals gevraagd door het Europees Parlement in zijn op 25 februari 2014 aangenomen resolutie;

12.  is ingenomen met de aankondiging van de Commissie dat ze van plan is de toekenning van subsidies in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), de Europese structuur- en investeringsfondsen en Horizon 2020 te vereenvoudigen;

Transparantie en raadpleging van belanghebbenden

13.  is verheugd dat de Commissie in het kader van het REFIT-programma de raadpleging van belanghebbenden zeer belangrijk acht; wijst erop dat de EU-instellingen op grond van artikel 11, lid 2, VEU verplicht zijn een open, transparante en regelmatige dialoog te voeren met representatieve organisaties en met het maatschappelijk middenveld; dringt er bij de instellingen op aan tijdens de onderhandelingen over een nieuw interinstitutioneel akkoord bijzondere aandacht te besteden aan deze regelmatige en verplichte dialoog met de representatieve organisaties en met het maatschappelijk middenveld;

14.  wijst erop dat de werking van de EU door middel van een toegenomen transparantie efficiënter kan worden gemaakt en dat het vertrouwen van het maatschappelijk middenveld in de EU kan worden versterkt;

15.  is in dit kader ingenomen met het feit dat de Commissie aangeeft dat de dialoog met burgers, sociale partners en andere belanghebbenden binnen het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld helpt ervoor te zorgen dat de wetgeving in de EU transparant, doelgericht en coherent tot stand komt, en steunt het voornemen van de Commissie om op een preciezere manier aan te geven hoe haar voorstellen tot stand komen, bijvoorbeeld door middel van wetgevingsteksten of mededelingen van de Commissie;

16.  merkt op dat de Commissie in het kader van haar strategie voor beter wetgeven de rol van openbare raadpleging aanzienlijk vergroot; neemt kennis van het feit dat de Commissie in de toekomst een openbare raadpleging van 12 weken zal uitvoeren a) vóór nieuwe wetgevingsvoorstellen op te stellen, b) wanneer bestaande wetgevingsbepalingen worden beoordeeld en hun geschiktheid wordt nagegaan, en c) met betrekking tot routekaarten en voorafgaande effectbeoordelingen; merkt verder op dat de Commissie bovendien, nadat een voorstel is aangenomen, de burgers en belanghebbenden de kans zal bieden binnen acht weken commentaar te geven op haar voorstel, en deze standpunten zal doen toekomen aan de Raad en het Parlement;

17.  verzoekt de Commissie tegen deze achtergrond een evenwichtige en transparante beoordeling uit te voeren van de standpunten en feedback van alle deelnemers in het kader van de raadplegingsprocedure en er met name voor te zorgen dat openbare raadplegingen niet voor eigen doeleinden misbruikt kunnen worden door goed gefinancierde en goed georganiseerde organisaties van belanghebbenden; verzoekt de Commissie haar conclusies naar aanleiding van de raadplegingen openbaar te maken;

18.  merkt op dat effectbeoordelingen enkel openbaar mogen worden gemaakt wanneer de Commissie het relevante politieke initiatief heeft goedgekeurd; acht het met het oog op de transparantie van de Commissiebesluiten noodzakelijk dat effectbeoordelingen eveneens openbaar worden gemaakt wanneer de Commissie besloten heeft geen wetgevingsvoorstel in te dienen;

19.  merkt op dat het Europees Economisch en Sociaal Comité, dat een raadgevende status heeft, een belangrijke spreekbuis is van het maatschappelijk middenveld; wijst erop dat het Comité van de regio's, dat eveneens een raadgevende status heeft, een belangrijke spreekbuis is van de regionale en plaatselijke autoriteiten in de EU en een belangrijke rol speelt bij de beoordeling van de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving; merkt op dat beide raadgevende organen op grond van het geldende recht door het Parlement, de Raad en de Commissie kunnen worden geraadpleegd in alle gevallen waarin het Parlement en de Raad dit wenselijk achten; is van oordeel dat een doelgerichte raadpleging ervan in een vroeg stadium over specifieke kwesties en gebruikmakend van de specifieke deskundigheid waarover deze organen beschikken, kan bijdragen tot de verwezenlijking van betere regelgeving;

20.  is van oordeel dat regionale en lokale autoriteiten meer betrokken moeten worden bij de totstandkoming van EU-beleid, en dat er met name in de eerste stadia van de uitwerking van wetgeving gebruik moet worden gemaakt van de deskundigheid en ervaring die er in de lidstaten op regionaal en lokaal niveau aanwezig is; wijst erop dat alle instellingen de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid in acht moeten nemen in het kader van hun wetgevingswerkzaamheden;

21.  is ingenomen met het voornemen van de Commissie om het wetgevingsproces transparanter te maken en om het publiek en de belanghebbenden meer te betrekken bij het hele proces;

22.  is ingenomen met het besluit van de Commissie om in te toekomst eveneens openbare raadplegingen van vier weken te organiseren over ontwerpen van gedelegeerde handelingen en belangrijke uitvoeringshandelingen vóór de lidstaten stemmen over hun standpunt in het verantwoordelijke comité;

23.  verzoekt de Commissie haar richtsnoeren voor evaluatie te herzien en daarbij participatie door en raadpleging van belanghebbenden te stimuleren en ernaar te streven de lijnen zo kort mogelijk te maken, zodat EU-burgers daadwerkelijk in staat worden gesteld deel te nemen aan het besluitvormingsproces;

24.  neemt kennis van de nieuwe "Lighten the Load – Have Your Say"-pagina op de website van de Commissie betreffende betere wetgeving en vraagt een evenwichtige en transparante beoordeling door de Commissie en door het nieuwe REFIT-platform van de ontvangen opmerkingen; is echter van mening dat de procedures en beraadslagingen van het REFIT-panel niet te belastend mogen zijn, en dat dit orgaan in staat moet zijn zowel snel antwoord te bieden als meer diepgaande werkzaamheden uit te voeren in het kader van het Europese wetgevingsproces; is van mening dat raadplegingen via deze website van de Commissie niet in de plaats kunnen komen van openbare raadplegingen van belanghebbenden;

Effectbeoordelingen en Europese meerwaarde

25.  merkt op dat effectbeoordelingen een belangrijk instrument zijn ter ondersteuning van de besluitvorming binnen alle EU-instellingen en een belangrijke factor zijn voor de verwezenlijking van betere regelgeving; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit opzicht hun toezegging meer nauwgezet na te komen en de gevolgen van bestaande en toekomstige regelgeving grondiger te bestuderen; benadrukt echter dat dergelijke beoordelingen geen vervanging vormen voor politieke inschattingen en politieke besluitvorming en dat de vrijheid van de leden van het Europees Parlement om hun politieke werkzaamheden uit te voeren op geen enkele manier mag worden beperkt;

26.  is van mening dat een beoordeling van de gevolgen voor het concurrentievermogen een belangrijk onderdeel moet vormen van de effectbeoordelingsprocedure; is van mening dat de voorgestelde herziene richtsnoeren aanwijzingen moeten bevatten wat betreft de manier waarop gevolgen voor het concurrentievermogen moeten worden beoordeeld en meegewogen in de uiteindelijke analyse; steunt het huidige uitgangspunt dat voorstellen met negatieve gevolgen voor het concurrentievermogen niet mogen worden aangenomen door de Commissie, tenzij aangetoond wordt dat ze aanzienlijke niet-kwantificeerbare voordelen hebben;

27.  meent dat de beginselen van betere regelgeving zowel van toepassing moeten zijn op secundaire als op primaire wetgevingsbesluiten; dringt er bij de Commissie op aan indien nodig gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen vergezeld te laten gaan van een effectbeoordeling, en in dat kader ook geïnteresseerden en belanghebbenden te raadplegen;

28.  is van mening dat effectbeoordelingen omvattend moeten zijn, dat er sprake moet zijn van een evenwichtige beoordeling van met name economische, sociale en ecologische gevolgen, en dat de gevolgen voor de grondrechten van burgers en voor de gelijkheid van vrouwen en mannen moeten worden geëvalueerd; benadrukt dat een kosten-batenanalyse lang niet alle aspecten dekt;

29.  wijst erop dat in veel lidstaten, zoals Zweden, Tsjechië, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, onafhankelijke organen de regeringen constructieve bijdragen leveren in verband met wetgevingsprocessen, met als doel de administratieve lasten voor bedrijven en burgers te verminderen en de kosten met betrekking tot informatieverplichtingen op een meetbare en controleerbare manier terug te dringen; merkt op dat rekening kan worden gehouden met de optimale werkwijzen en de ervaringen van bestaande organen voor betere regelgeving; stelt vast dat de Raad voor effectbeoordeling van de Commissie is omgezet in een onafhankelijke "Raad voor regelgevingstoetsing" en verwacht dat de deelname van onafhankelijke deskundigen aan deze raad een positief effect zal hebben op de werkwijze van de Commissie op het gebied van effectbeoordelingen; staat erop dat de Raad voor regelgevingstoetsing uitsluitend een raadgevende functie vervult en geen bindende adviezen mag uitbrengen; benadrukt dat effectbeoordelingen consistent moeten zijn, rekening moeten houden met alle eventuele wijzigingen die worden ingevoerd tijdens het overleg tussen de diensten van de Commissie, en onder meer gebaseerd moeten zijn op ramingen van de bijkomende kosten voor de lidstaten indien geen oplossing wordt gevonden op Europees niveau; is van mening dat het standpunt van de Raad voor regelgevingstoetsing bij het definitieve wetgevingsvoorstel moet worden gevoegd; stelt voor in het kader van de komende onderhandelingen over het interinstitutioneel akkoord te bespreken of een raad voor regelgevingscontrole van gezamenlijk belang kan zijn voor de instellingen als louter adviserend orgaan;

30.  is verheugd over het feit dat de bevoegde Raadsgroepen nu verplicht zijn om in een vroeg stadium van de besprekingen over specifieke wetgevingsvoorstellen de effectbeoordelingen van de Commissie te bespreken aan de hand van een indicatieve checklist; betreurt evenwel dat het secretariaat van de Raad geen eigen afdeling effectbeoordelingen heeft en is van mening dat de voornoemde oplossing ervoor zou kunnen helpen zorgen dat de Raad aan zijn verplichting kan voldoen om alle eventuele materiële wijzigingen aan voorstellen van de Commissie te beoordelen;

31.  wijst erop dat het Parlement een intern directoraat Effectbeoordeling en Europese Meerwaarde heeft opgericht dat een brede waaier aan diensten op het vlak van effectbeoordelingen voor- en achteraf aanbiedt aan de parlementaire commissies, de toegevoegde waarde van toekomstig of huidig EU-beleid beoordeelt, en beleidsopties op het gebied van wetenschap en technologie evalueert; merkt op dat er, volgens informatie van de Commissie, ongeveer twintig interne effectbeoordelingen werden uitgevoerd in het Parlement in verband met wijzigingen aan Commissievoorstellen; herinnert de deskundige commissies van het Parlement eraan consequenter gebruik te maken van eigen effectbeoordelingsinstrumenten, met name als er ingrijpende wijzigingen van het oorspronkelijke Commissievoorstel worden overwogen; wijst er echter op dat dit niet mag leiden tot een beperking van de manoeuvreerruimte van de leden van het Europees Parlement;

32.  benadrukt dat het nodig is rekening te houden met alle beginselen waarop de Unie is gegrondvest, waaronder de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit; dringt er bij de EU-instellingen op aan altijd de korte- en langetermijneffecten van wetgeving te beoordelen;

33.  merkt op dat de afkoelingsperiode na de afronding van onderhandelingen maar voorafgaand aan de eindstemming, die momenteel wordt gebruikt voor revisie door juristen-vertalers, verder zou kunnen worden gebruikt voor de voltooiing van een effectbeoordeling en subsidiariteitscontrole;

34.  stelt zich op het standpunt dat alle EU-instellingen een gemeenschappelijke methode moeten vaststellen voor effectbeoordelingen; benadrukt dat de wetgevende bevoegdheid van het Parlement en de Raad om een voorstel van de Commissie te wijzigen niet aangetast mag worden;

35.  spoort de Commissie aan meer publiek en privaat overleg te plegen met alle belanghebbenden, onder meer de consumenten, bij de voorbereiding van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen, om na te gaan hoe voorstellen in een voorlopige fase beter bekend kunnen worden gemaakt;

Kmo's en denk eerst klein

36.  neemt kennis van de toezegging van de Commissie dat zij de kmo-test verder zal verbeteren, met name gelet op het feit dat de meer dan 20 miljoen kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) 99% van alle ondernemingen in de EU vertegenwoordigen en dat kmo's als dusdanig de ruggengraat van onze economie, groei en werkgelegenheid vormen; is het ermee eens dat de effectbeoordelingen voor kmo's aangepast en vereenvoudigd kunnen worden indien vaststaat dat daarmee de doelmatigheid van de wetgeving niet afneemt en dat de vrijstellingen of vereenvoudigingen niet tot versnippering van de interne markt leiden of de toegang tot die markt bemoeilijken; is bijgevolg ingenomen met de toezegging van de Commissie om meer flexibele regels voor kmo's in overweging te nemen, met inbegrip van een regelrechte vrijstelling voor micro-ondernemingen, indien dit passend en doenbaar is en indien de daadwerkelijke verwezenlijking van de sociale, ecologische en economische doelstellingen van voorgestelde wetsbepalingen niet wordt ondergraven;

37.  verzoekt de Commissie om haar ambities niet te verlagen en zich te blijven richten op het creëren van hoogwaardige banen door middel van het verminderen van administratieve lasten voor kmo's, en verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de doelstellingen van openbaar belang, waaronder milieunormen, sociale, gezondheids- en veiligheids- en consumentenbeschermingsnormen, en de normen voor de gelijkheid van mannen en vrouwen niet in het gedrang komen; benadrukt dat de vermindering van de administratieve lasten niet mag leiden tot een verlaging van de arbeidsnormen of een toename van het aantal onzekere arbeidsovereenkomsten, en dat werknemers in kmo's en micro-ondernemingen dezelfde behandeling en hoge beschermingsnormen moeten genieten als werknemers in grotere bedrijven;

38.  onderstreept dat de beoordeling van de gevolgen van nieuwe voorschriften voor kmo's er niet toe mag leiden dat de rechten van werknemers worden aangetast;

39.  benadrukt dat duidelijker geformuleerde regels nodig zijn die op eenvoudige wijze ten uitvoer kunnen worden gelegd en die alle actoren kunnen helpen om binnen de rechtsstaat te handelen; benadrukt dat eenvoudigere en slimmere wetgeving de consistente omzetting en doeltreffender en meer uniforme handhaving door de lidstaten kan bevorderen;

Ex-postevaluatie

40.  is verheugd dat de Commissie ex-postevaluatie tot integraal onderdeel van betere regelgeving maakt; benadrukt dat ex-postevaluaties met het oog op de rechtszekerheid voor burgers en ondernemingen pas moeten worden uitgevoerd als er voldoende tijd is verstreken, bij voorkeur een aantal jaren na de termijn voor omzetting in nationaal recht; herhaalt echter nog eens zijn standpunt dat effectbeoordelingen achteraf nooit in de plaats kunnen treden van de verplichting van de Commissie, als hoedster van de Verdragen, om op doeltreffende wijze en tijdig toezicht uit te oefenen op de toepassing van het recht van de Unie door de lidstaten en alle nodige maatregelen te nemen om de goede uitvoering ervan te waarborgen;

41.  benadrukt het belang van beoordelingen achteraf en de beoordeling van beleidsresultaten voor de evaluatie van de tenuitvoerlegging en doeltreffendheid van EU-regelgeving en EU-beleid in het licht van de door de wetgevingsautoriteit beoogde resultaten;

42.  is van mening dat de nationale parlementen bij de ex-postevaluatie van nieuwe wetgeving moeten worden betrokken, omdat daarmee een nuttige bijdrage wordt geleverd aan de verslagen van de Commissie en de verschillende nationale uitdagingen die afzonderlijke wetten en regelingen met zich meebrengen hierdoor kunnen worden bestudeerd;

Tenuitvoerlegging van EU-wetgeving door de lidstaten

43.  stelt vast dat volgens de Commissie een derde van de administratieve en regelgevingslasten van EU-wetgeving voortvloeit uit omzettingsmaatregelen van de lidstaten;

44.  beseft dat de lidstaten in het geval van richtlijnen bevoegd zijn om op nationaal niveau strengere normen voor sociale, milieu- en consumentenbescherming vast te stellen dan de minimumnormen voor bescherming die op EU-niveau zijn overeengekomen en waardeert het als lidstaten een dergelijk besluit nemen; bevestigt opnieuw dat dergelijke strengere normen niet moeten worden beschouwd als overregulering ("gold plating"); verzoekt de bevoegde autoriteiten echter rekening te houden met de mogelijke gevolgen van overregulering, waardoor de EU-wetgeving extra wordt verzwaard met onnodige bureaucratische lasten, omdat dit een verkeerd beeld kan geven van de wetgevingswerkzaamheden van de EU, hetgeen euroscepticisme kan voeden; roept de lidstaten met het oog op gebruiksvriendelijkheid op onnodige administratieve regels bij de tenuitvoerlegging van richtlijnen en verordeningen te verwijderen;

45.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de uitwisseling van beste praktijken op het gebied van de tenuitvoerlegging en toepassing van EU-richtlijnen te intensiveren; is van mening dat belanghebbenden en lokale en regionale autoriteiten hierdoor zullen worden aangespoord om de problemen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van EU-beleid op plaatselijk, regionaal en nationaal niveau in kaart te brengen;

46.  benadrukt dat het Parlement, als medewetgever, er belang bij heeft te begrijpen wat de eigenlijke impact van EU-wetgeving is nadat ze ten uitvoer is gelegd; roept de Commissie bijgevolg op het Parlement volledige toegang te bieden tot alle beoordelingen in dit verband, met inbegrip van de verzamelde brongegevens en voorbereidende documenten;

47.  dringt er bij de Commissie op aan de wetenschappelijke grondslag, het nut en de uitvoerbaarheid van Verordening (EG) nr. 1924/2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen opnieuw te beoordelen, gelet op de ernstige, aanhoudende problemen bij de tenuitvoerlegging, waaronder de problemen op het gebied van mededingingsverstoring, en indien nodig het begrip "voedingsprofiel" te schrappen; is van mening dat de doelstellingen van Verordening (EG) nr. 1924/2006, met betrekking tot bijvoorbeeld waarheidsgetrouwe claims voor voedingsmiddelen en duidelijke claims met betrekking tot het vet-, suiker- en zoutgehalte, inmiddels worden verwezenlijkt door Verordening (EU) nr. 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten;

48.  verwijst naar de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken en naar de gezamenlijke politieke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 27 oktober 2011 over toelichtende stukken, en verzoekt de Commissie te verzekeren dat het Parlement toegang heeft tot toelichtende stukken;

Intrekking door de Commissie van hangende wetgevingsvoorstellen

49.  stelt vast dat de nieuwe Commissie in haar werkprogramma voor 2015, onder verwijzing naar het beginsel van politieke discontinuïteit, alle aanhangige wetsvoorstellen opnieuw onder de loep neemt;

50.  wijst erop dat het Hof van Justitie in zijn arrest van 14 april 2015(9) heeft bevestigd dat de Commissie op enig moment in een procedure tot vaststelling van een Uniehandeling, maar alleen zolang de Raad niet heeft gehandeld, haar oorspronkelijke voorstel kan intrekken; verzoekt de Commissie bijgevolg, om het interinstitutioneel evenwicht te bewaren, ingeval van een intrekking eerst het Parlement te raadplegen, met name na de eerste lezing, en naar behoren rekening te houden met zijn standpunten; verwijst in deze context in het bijzonder naar de resoluties van het Parlement van 15 januari 2015;

51.  wijst er verder op dat het Hof van Justitie in hetzelfde arrest de argumentatie van de Raad herhaalt dat de Commissie, in geval van de intrekking van een wetgevingsvoorstel, het beginsel van bevoegdheidstoedeling, het beginsel van institutioneel evenwicht en het beginsel van loyale samenwerking moet naleven, zoals opgenomen in artikel 13, lid 2, VEU, evenals het democratiebeginsel, zoals opgenomen in artikel 10, leden 1 en 2, VEU;

52.  wijst erop dat het belangrijk is dubbele wetgeving te voorkomen;

o
o   o

53.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1. Aangenomen teksten van 9 maart 2016, P8_TA(2016)0081.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0061.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0069.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0127.
(5) PB C 353 E van 3.12.2013, blz. 117.
(6) PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 87.
(7) PB C 380 E van 11.12.2012, blz. 31.
(8) EESC-document INT/750.
(9) Arrest van het Hof van Justitie van 14 april 2015 in zaak C-409/13, Raad/Commissie [ECLI:EU:C:2015:217].

Juridische mededeling