Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2089(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0278/2015

Ingediende teksten :

A8-0278/2015

Debatten :

PV 11/04/2016 - 19
CRE 11/04/2016 - 19

Stemmingen :

PV 12/04/2016 - 5.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0105

Aangenomen teksten
PDF 201kWORD 94k
Dinsdag 12 april 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
Naar een verbeterde regelgeving inzake de interne markt
P8_TA(2016)0105A8-0278/2015

Resolutie van het Europees Parlement van 12 april 2016: Naar een verbeterde regelgeving inzake de interne markt (2015/2089(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 november 2014 getiteld "Jaarlijkse groeianalyse 2015" (COM(2014)0902),

–  gezien zijn resolutie van 7 februari 2013 met aanbevelingen aan de Commissie over de governance van de interne markt(1), en de follow-up van de Commissie van 8 mei 2013,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 juni 2012 getiteld "Betere governance van de interne markt" (COM(2012)0259),

–  gezien het mededeling van de Commissie van 18 juni 2014 getiteld "Programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT): stand van zaken en vooruitzichten" (COM(2014)0368),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 maart 2013 getiteld "Slimme regelgeving – Inspelen op de behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen" (COM(2013)0122),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 26 en 27 juni 2014,

–  gezien de conclusies van de Raad van 4 december 2014 over slimme regelgeving,

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over de governance van de interne markt binnen het Europees semester 2015(2),

–  gezien zijn resolutie van 27 februari 2014 over SOLVIT(3) en de follow-up van de Commissie van 28 mei 2014,

–  gezien de studie over "Slimme regelgeving inzake de interne markt" die zijn Commissie interne markt en consumentenbescherming heeft laten verrichten,

–  gezien de in april 2015 verschenen editie van het onlinescorebord van de interne markt,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0278/2015),

A.  overwegende dat de interne markt een belangrijk instrument is om de economische groei en de banencreatie in de Unie weer op gang te brengen;

B.  overwegende dat de interne markt twintig jaar nadat zij officieel is gecreëerd, nog steeds versnipperd is, met name omdat de lidstaten de EU-wetgeving niet volledig hebben omgezet of niet correct hebben uitgevoerd;

C.  overwegende dat de governance van de interne markt moet worden versterkt door de hele beleidscyclus aan te pakken;

D.  overwegende dat de geplande strategie voor de interne markt tot doel moet hebben de internemarktregelgeving te verbeteren door lessen te trekken uit de ervaringen uit het verleden op het gebied van vrij verkeer van goederen en diensten, de digitale eengemaakte markt, beroepskwalificaties en overheidsopdrachten;

E.  overwegende dat de Unie bij haar streven naar een betere internemarktregelgeving moet uitgaan van het beginsel van gedeelde verantwoordelijkheid;

F.  overwegende dat niet alleen de Commissie, de Raad en het Parlement verantwoordelijk zijn voor subsidiariteit, en dat er ook een rol is weggelegd voor de nationale en – indien van toepassing – regionale parlementen; overwegende dat het subsidiariteitsbeginsel inhoudt dat beleid op het meest geschikte institutionele niveau moet worden bepaald, of dat nu het lokale, regionale, nationale of Europese niveau is;

G.  overwegende dat we een interne markt voor goederen hebben, maar geen interne markt voor diensten;

H.  overwegende dat specifieke instrumenten versterkt, herzien of beter benut moeten worden om een positieve bijdrage te kunnen leveren aan een competitief regelgevingsklimaat voor ons bedrijfsleven, steun voor groei en banencreatie, en meer vertrouwen van de consument in de Europese wetgeving;

I.  overwegende dat burgers en bedrijven de verschillende diensten die hen kunnen bijstaan, zoals Your Europe en SOLVIT, nauwelijks kennen;

J.  overwegende dat we over onvoldoende indicatoren en gegevens beschikken om de succesvolle toepassing van de wetgeving op diverse gebieden van de interne markt te meten;

K.  overwegende dat dergelijke indicatoren en gegevens het doel en het oogmerk van de wetgeving in kwestie zouden kunnen verduidelijken;

L.  overwegende dat de politiek de digitale innovatie niet kan bijbenen en dat ondernemers de digitale agenda bepalen; overwegende dat het van groot belang is dat er toekomstbestendige regels worden uitgevaardigd die "digital by default" zijn;

M.  overwegende dat een deugdelijke omzetting, uitvoering en handhaving van consumentenrechten en -wetgeving essentieel is om in de EU een hoog niveau van consumentenbescherming te realiseren;

N.  overwegende dat een betere uitvoering en handhaving van de wetgeving een van de hoofdprioriteiten was van de Europese consumententop van 2015, een jaarlijks forum waar belangrijke Europese en internationale beleidsmakers en andere stakeholders bijeenkomen;

I.Inleiding en algemene beginselen

1.  verzoekt de Commissie om bij de tenuitvoerlegging van de recente strategie voor de interne markt rekening te houden met de aanbevelingen in deze resolutie;

2.  is van mening dat het verbeteren van de internemarktregelgeving zowel een prioriteit als een gedeelde verantwoordelijkheid moet zijn van de EU-instellingen; gelooft dat goede wetgeving de burger ten goede komt, bevorderlijk moet zijn voor het concurrentievermogen, de banencreatie, de groei en de ontwikkeling van kmo's, en tegelijk een hoog niveau van consumentenbescherming moet bewerkstelligen, en dit moet doen op een wijze die de Europese economie niet in de weg staat, maar stimuleert;

3.  ziet "betere regelgeving" in de context van de hele beleidscyclus, waarbij alle onderdelen bijdragen tot efficiënte en effectieve regelgeving; is derhalve van oordeel dat specifieke indicatoren voor het meten van het succes van de betreffende wetgeving reeds deel moeten uitmaken van de eerste effectbeoordeling en gedurende de hele beleidscyclus moeten worden gebruikt, ook tijdens de tenuitvoerleggingsfase na de inwerkingtreding van de wetgeving;

4.  herinnert in dit verband aan het belang van transparante en toegankelijke informatie; betreurt het dat documenten van de Raad, in tegenstelling tot die van het Parlement, niet openbaar worden gemaakt;

5.  is van mening dat het subsidiariteitsbeginsel het uitgangspunt moet vormen voor de beleidsvorming, teneinde de "Europese meerwaarde" van de governance van de interne markt te onderstrepen;

6.  stelt vast dat de deadlines in het kader van het subsidiariteitsmechanisme de parlementen niet altijd voldoende tijd geven om aspecten van de uitvoering, de samenhang met bestaande wetgeving of andere praktische kwesties nader te onderzoeken; is daarom van mening dat de parlementen zelf een actievere rol moeten spelen, met name in raadplegingsprocedures;

7.  is van mening dat de instellingen er gezamenlijk voor moeten zorgen dat bij de opstelling van de betreffende wetgeving rekening wordt gehouden met het evenredigheidsbeginsel ; is daarnaast van oordeel dat het proces de doelstellingen van eenvoud, transparantie, coherentie en eerbiediging van de grondrechten moet verwezenlijken;

8.  vraagt de Commissie en de Raad om samen met het Parlement na te denken over de beste manier om ervoor te zorgen dat vereenvoudiging een doorlopend proces blijft, omdat de inspanning op die gebieden ten goede komt aan consumenten en kmo's;

9.  is van mening dat de internemarktregelgeving rekening moet houden met de nieuwe kansen die de digitale revolutie biedt en volledig verenigbaar moet zijn met de e‑governmentdimensie;

10.  verzoekt de Commissie de positie van de interne markt als afzonderlijke pijler van het Europees semester te versterken, door die te ondersteunen met een jaarlijks verslag over de integratie van de interne markt als input voor de jaarlijkse groeianalyse;

II.Instrumenten om de internemarktregelgeving te verbeteren

Effectbeoordeling

11.  gelooft dat de internemarktwetgeving tot doel moet hebben de werking van de interne markt te verbeteren, moet worden ontwikkeld overeenkomstig artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende Europese Unie, en moet dienen om concurrentievermogen, innovatie, groei en banencreatie te bevorderen; beschouwt doeltreffende effectbeoordelingen als een belangrijk instrument om de beleidsmakers te laten weten hoe zij de regelgeving het beste kunnen vormgeven om deze oogmerken en hun doelstellingen voor de interne markt te verwezenlijken, en welke de mogelijke gevolgen zijn van de wisselwerking met bestaande wetgeving;

12.  betreurt het dat de kwaliteit van ongeveer 40 % van de ontwerpeffectbeoordelingen die tussen 2010 en 2014 door het effectbeoordelingscomité van de Commissie zijn onderzocht, als onvoldoende is aangemerkt, en dat de ontwerpeffectbeoordelingen in kwestie voor verbetering zijn teruggestuurd;

13.  is van mening dat effectbeoordelingen slechts een doeltreffend instrument kunnen zijn als ze op basis van alomvattende, objectieve en volledige informatie en documentatie worden opgesteld en betrekking hebben op alle opties die grote gevolgen hebben of die politiek belangrijk zijn; is van mening dat bij het verrichten van de effectbeoordelingen ook rekening moet worden gehouden met de ex-postbeoordelingen van de bestaande wetgeving in dezelfde sector en met de samenhang tussen een nieuw wetgevingsinitiatief en het overige beleid en de algemene doelstellingen van de Unie;

14.  betreurt het dat de effectbeoordelingen bij wetgevingsvoorstellen die bij het Parlement worden ingediend, nog steeds tekortkomingen blijken te vertonen, zoals de afdeling Effectbeoordeling vooraf van het Parlement bijvoorbeeld heeft onderstreept in haar analyse van de effectbeoordeling bij het voorstel inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur;

15.  is van mening dat er tijdens het effectbeoordelingsproces terdege rekening moet worden gehouden met wetenschappelijk advies en dat aan de hand daarvan moet worden beargumenteerd hoe of waarom in de voorbereidende fasen beleidskeuzes zijn gemaakt, hetgeen het politieke proces zal ondersteunen; meent voorts dat in effectbeoordelingen rekening moet worden gehouden met de snelheid van digitale innovatie en ontwikkelingen en met de noodzaak om wetgeving technologieneutraal en zo toekomstbestendig mogelijk te maken;

16.  wijst erop dat niet duidelijk wordt gemaakt of de potentiële gevolgen van REFIT-voorstellen al dan niet moeten worden gekwantificeerd; onderstreept dat REFIT-voorstellen gerichter moeten zijn en dat de potentiële voordelen en kostenbesparingen in elk voorstel moeten worden gekwantificeerd;

17.  wijst erop dat de effectbeoordeling bij een voorstel moet worden aangevuld met effectbeoordelingen van substantiële wijzigingen die door de medewetgevers worden vastgesteld; onderstreept dat in duidelijke en transparante regels moet worden bepaald onder welke omstandigheden zulke aanvullende effectbeoordelingen nodig zijn; wijst er bijvoorbeeld op dat het Parlement de mogelijke gevolgen voor kmo's van een aantal van zijn amendementen op de twee richtlijnen inzake overheidsopdrachten zorgvuldig heeft beoordeeld; vraagt de Raad – die sinds 2007 geen enkele van zijn eigen amendementen heeft beoordeeld op de effecten ervan – daarom op dit punt beter zijn best te doen;

18.  wijst erop dat de verantwoordelijkheid voor subsidiariteit niet alleen berust bij de Commissie, de Raad en het Parlement, maar dat er ook een rol is weggelegd voor de nationale parlementen;

19.  wijst erop dat volgens de studie "Smart Single Market Regulation", die is uitgevoerd in opdracht van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, het Europees Parlement en de Raad nuttige bijdragen zouden kunnen leveren aan de effectbeoordelingen van de Commissie; verzoekt de Commissie te onderzoeken op welke wijze het Parlement en de Raad bij het effectbeoordelingsproces betrokken kunnen worden;

Het raadplegingsproces

20.  wijst erop dat alle EU-instellingen krachtens artikel 11, lid 2, VEU een open, transparante en regelmatige dialoog moeten voeren met representatieve organisaties, het maatschappelijk middenveld en de sociale partners;

21.  is van oordeel dat de raadplegingsfase altijd een "digital by default"-onderdeel moet omvatten, in het kader waarvan de Commissie probeert een grondig inzicht te krijgen in de gebruikersbehoeften en wat deze betekenen voor het ontwerp van de dienst;

22.  herhaalt zijn standpunt dat raadplegingsprocessen open, transparant en inclusief moeten zijn en moeten worden uitgebreid met suggesties van een hele reeks stakeholders over ontwerpeffectbeoordelingen; vindt dat dit evenzeer belangrijk is voor secundaire wetgeving, die van groot belang is voor de uitvoering van de internemarktregelgeving en daarom meer transparantie en toezicht vereist; beschouwt het douanewetboek van de Unie als een gebied waarop regelmatige raadpleging van de stakeholders de uitvoering van de secundaire wetgeving zou kunnen helpen verbeteren;

23.  neemt kennis van de voorstellen voor een uitgebreidere fase van strategische programmering in het pakket "betere regelgeving", met bijvoorbeeld aanvangseffectbeoordelingen; is evenwel van mening dat er nog te weinig inzicht is in de werkprocessen van de Commissie; vraagt de Commissie om routekaarten waarin beleidsinitiatieven in bepaalde sectoren worden geschetst, meer zichtbaarheid te geven en het gebruik ervan te vergemakkelijken;

24.  acht de input die burgers en bedrijven leveren aan de verschillende diensten die hen kunnen bijstaan, zoals Your Europe en SOLVIT, van groot belang voor het wetgevingsproces, en vraagt de Commissie daarom de gegevens die deze diensten aanleveren, te evalueren en in aanmerking te nemen wanneer de wetgeving in kwestie wordt herzien;

25.  gelooft dat brede, deugdelijke en evenwichtige raadpleging een essentieel onderdeel van het wetgevingsproces is; is van mening dat het openbaar maken van documenten en bewijsstukken, en het uitnodigen van alle stakeholders om effectief aan de beleidsontwikkeling op dit gebied bij te dragen, belangrijke stimulansen zijn voor innovatie en de versterking van de interne markt, met name met betrekking tot de agenda voor de digitale eengemaakte markt;

26.  benadrukt dat kleine bedrijven vaak niet de tijd en middelen hebben om aan regelmatige raadplegingen deel te nemen; meent dat de Commissie gebruiksvriendelijke en innovatie manieren moet vinden om meer naar kmo's en startende ondernemingen te luisteren;

27.  pleit voor een holistische aanpak van de raadpleging van stakeholders, die geen occasioneel gebeuren dient te zijn, maar een continu proces gedurende de hele wetgevingscyclus; herhaalt in dit verband zijn verzoek aan de Commissie om de oprichting van een Europees forum van stakeholders voor betere regelgeving en minder bureaucratie te overwegen;

28.  onderstreept dat deze raadpleging van stakeholders zo inclusief mogelijk moet zijn, en dat met name ook kmo's, micro-bedrijven en middenveldorganisaties moeten worden geraadpleegd;

29.  gelooft dat openbare raadplegingen er toegankelijker en begrijpelijker op zullen worden wanneer zij in alle officiële talen beschikbaar zijn, en dat ook de deelname en de transparantie dan groter zullen zijn;

Uitvoering

30.  gelooft dat de volledige en correcte uitvoering van de internemarktwetgeving van fundamenteel belang is en dat duidelijke, omvattende en multidimensionale indicatoren een nuttige bijdrage zijn opdat de voordelen van de interne markt ten volle merkbaar worden; uit zijn bezorgdheid over het feit dat de targets voor de uitvoering niet altijd worden gehaald; dringt in het bijzonder aan op een volledige en correcte tenuitvoerlegging van de dienstenrichtlijn; herinnert eraan dat er nog steeds grote verschillen zijn tussen de lidstaten en de sectoren;

31.  meent dat wanneer de Commissie ernaar streeft minder wetgeving te produceren, er ruimte komt voor meer focus op beleidsinitiatieven, waardoor meer tijd en aandacht kan worden besteed aan het verbeteren van de betrokkenheid van geïnteresseerde stakeholders;

32.  wijst erop hoe belangrijk correlatietabellen zijn om toezicht te houden op een correcte uitvoering; vraagt de lidstaten hun eigen correlatietabellen op te stellen en openbaar te maken;

33.  betreurt het dat, hoewel de Commissie in het wetgevingspakket interne markt een streefcijfer van 0,5 % heeft voorgesteld, een aantal lidstaten nog altijd een achterstand heeft; benadrukt dat niet alleen de formele targets voor omzetting en uitvoering van belang zijn, maar ook de kwaliteit van de omzetting, de uitvoering in de praktijk, en de problemen of uitdagingen die deze in de dagelijkse realiteit voor de stakeholders met zich kunnen brengen;

34.  is van mening dat de voordelen van een volledig functionerende interne markt slechts kunnen worden gerealiseerd als de Commissie en de parlementen samenwerken om lessen te trekken uit de best practices en ervaring bij de uitvoering van de EU-wetgeving, zodat de oogmerken en doelstellingen van specifieke wetgeving niet worden gemist door een slechte of onsamenhangende uitvoering in de verschillende lidstaten;

35.  meent dat er meer duidelijkheid moet komen over "gold-plating" (overregulering) en dat er krachtigere maatregelen nodig zijn om gevallen van "gold-plating" in kaart te brengen, omdat die problemen en extra kosten met zich brengen voor burgers en ondernemingen die wetgeving die haar oorsprong vindt op EU-niveau, proberen te begrijpen en toe te passen; vraagt de lidstaten om in een toelichting bij de uitvoeringswetgeving duidelijk aan te geven wat het resultaat van EU-wetgeving is en wat nationale voorschriften zijn; herinnert eraan dat de lidstaten de mogelijkheid hebben om strengere normen vast te stellen als de EU-wetgeving slechts in minimale harmonisatie voorziet;

Monitoring en oplossen van problemen

36.  vraagt de Commissie haar inspanningen voort te zetten en de leidraden voor de regelgeving regelmatig te actualiseren; vraagt in het bijzonder dat de leidraden van 2009 voor de toepassing van Richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken, in nauwe samenwerking met het Parlement, spoedig worden geactualiseerd om ze aan te passen aan het digitale tijdperk; betreurt het dat de kwaliteit van diensten in de lidstaten sterkt uiteenloopt door een gebrek aan prioritering en middelen; pleit daarom voor een sterker bestuurlijk kader op EU-niveau om de werking van die instrumenten en diensten te verbeteren;

37.  beschouwt alternatieve geschillenbeslechting (ADR) en online geschillenbeslechting (ODR) als belangrijke instrumenten om de interne markt voor goederen en diensten te verbeteren; meent dat consumenten en handelaren hierdoor hun geschillen op kosteneffectieve en eenvoudige wijze kunnen oplossen zonder een beroep op de rechter te hoeven doen; moedigt de Commissie en de lidstaten ertoe aan deze belangrijke instrumenten beter bekend te maken;

38.  onderstreept dat éénloketsystemen voor geschilbeslechting, in de trant van SOLVIT, ECC-Net en FIN-Net, diensten zijn die de werking van de interne markt helpen verbeteren; verzoekt de Commissie deze diensten beter bekend te maken en ze meer complementair te maken;

39.  is ingenomen met de SOLVIT- en EU-Pilot-projecten, waarmee kan worden vermeden dat de Commissie inbreukprocedures tegen lidstaten moet inleiden; is evenwel van mening dat de diensten die EU-Pilot aanbiedt, moeten worden verbeterd op het punt van de snelheid waarmee op binnengekomen waarschuwingen wordt gereageerd;

40.  is van oordeel dat het informatiesysteem voor de interne markt (IMI) verder moet worden uitgebreid met andere instrumenten van de interne markt, zodat het een centraal informatieknooppunt kan worden; onderstreept dat dit, in overeenstemming met de recente initiatieven van de Commissie, zou stroken met het "eenmaligheidsbeginsel";

41.  acht digitale platforms zoals Points of Single Contact, IMI en ISA2 belangrijk voor een betere werking van de interne markt, omdat zij de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling tussen de autoriteiten in de lidstaten vergemakkelijken;

42.  maakt zich zorgen over het feit dat de Europeanen weinig weet hebben van de diensten die hun ter beschikking staan, zoals Your Europe, Your Europe Advice, het Europees Netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening, het netwerk voor samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming (CPC), de éénloketsystemen, SOLVIT, ADR en ODR;

43.  is van mening dat diensten zoals Uw Europa, Uw Europa – Advies, het Europees Netwerk voor de werkgelegenheid, het SCB-netwerk, de éénloketdiensten, SOLVIT, SOLVIT Plus, ADR en ODR nuttige en goedkope alternatieven vormen voor gerechtelijke stappen; stelt vast dat slechts 4 % van de consumenten en de bedrijven weet hebben van deze instrumenten en dat er momenteel erg weinig van deze diensten gebruik wordt gemaakt; vraagt de Commissie en de lidstaten, om dit probleem te verhelpen, aan verdere bewustmaking over deze instrumenten te werken, en te onderzoeken of de resultaten en respons van deze instrumenten adequaat zijn voor de gebruikers; verzoekt de Commissie voorts te werken aan een betere samenwerking tussen de verschillende assistentiediensten, zoals Uw Europa en SOLVIT, om de tevredenheid van de gebruikers te vergroten;

44.  verzoekt de Commissie grondig na te denken over de interactie tussen deze diensten en te onderzoeken of ze kunnen worden vervangen door één loket voor consumenten, dat de consument zo nodig kan doorverwijzen naar andere instrumenten;

45.  is van oordeel dat deze diensten zo beter kunnen worden afgebakend, zodat hun activiteiten beter van elkaar worden onderscheiden en overlapping wordt voorkomen;

46.  verzoekt de Commissie een communicatie- en opleidingsstrategie te ontwikkelen om deze diensten beter bekend te maken bij de burger en het bedrijfsleven; beveelt in dit verband aan een één portal te ontwikkelen die toegang biedt tot alle assistentiediensten;

47.  is van oordeel dat bij de aanstaande herziening van de regeling voor samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming (CPC) ten volle rekening moet worden gehouden met het feit dat de informatiestroom tussen de verschillende instrumenten van de interne markt moet worden verbeterd;

48.  wijst op de belangrijke rol van de "EU-sweeps" van de Commissie als instrument waarmee met name toezicht kan worden gehouden op de goede werking van de digitale eengemaakte markt;

49.  erkent de positieve rol van de "EU-sweeps", waarmee de Commissie is begonnen om de handhaving te verbeteren door gecoördineerde controleacties op het internet; meent dat de "EU-sweeps" ook tot de offlinesector zouden kunnen worden uitgebreid;

50.  stelt met bezorgdheid vast dat er volgens verslagen van "Uw Europa" gebieden zijn waarover voortdurend vragen worden gesteld door mensen die hun rechten proberen uit te oefenen, zoals e-commerce en de erkenning van kwalificaties; vindt dat de Commissie daar samen met de nationale en regionale instanties op moet reageren opdat mensen hun rechten beter begrijpen;

51.  pleit voor een kwalitatieve en kwantitatieve beoordeling van de uitvoering – niet alleen van de naakte cijfers over de formele omzetting van richtlijnen – om volledig inzicht te krijgen in wat consumenten en bedrijven werkelijk aan de internemarktwetgeving hebben;

52.  vraagt de Commissie te overwegen of er een "vroegtijdige-waarschuwingssysteem" kan worden ingesteld om problemen met de uitvoering of toepassing van de EU-wetgeving te melden;

53.  gelooft dat een systematische screening van de consumentenmarkten op EU-niveau het mogelijk zou maken ophanden zijnde trends en dreigende ontwikkelingen voor consumenten en bedrijven tijdiger op te merken; wijst in dit verband de positieve rol die alle stakeholders, waaronder consumentenorganisaties, spelen;

54.  verzoekt de Commissie het functioneren van de productcontactpunten waarin de wederzijdse-erkenningsverordening van 2009 en de bouwmaterialenverordening van 2011 voorzien, te evalueren;

Handhaving en markttoezicht

55.  onderstreept de noodzaak van nauwere samenwerking tussen de instrumenten voor het beheer van de interne markt die klachten van consumenten ontvangen over inbreuken op de EU-wetgeving door handelaren enerzijds en de nationale handhavingsinstanties anderzijds, en wel in de vorm van formele procedures en een betere uitwisseling van gegevens;

56.  vraagt de Commissie een grondige beoordeling te maken van de consistentie en effectiviteit van de uitvoering en – in laatste instantie – inbreukprocedures, met name als het om internemarktwetgeving gaat;

57.  betreurt het dat het Parlement slechts weinig relevante informatie krijgt over inbreukprocedures en de pre-contentieuze fase daarvan, en dringt aan op meer transparantie op dit punt, met inachtneming van de vertrouwelijkheidsregels;

58.  vraagt de Commissie tijdig snellere inbreukprocedures in te leiden als er aanwijzingen zijn dat wetgeving niet is uitgevoerd en als redelijke inspanningen om problemen via bemiddeling, ADR, ODR, EU-Pilot of SOLVIT op te lossen, geen resultaat hebben opgeleverd; benadrukt dat de lidstaten evenzeer verantwoordelijk zijn voor de handhaving van de EU-wetgeving en dat die handhaving effectief en efficiënt moet zijn, om de belangen van de consument te beschermen en overal in Europa een gelijk speelveld voor het bedrijfsleven te creëren;

59.  belooft op dit gebied zijn rol bij de handhaving van de EU-wetgeving te vervullen, onder meer door de uitvoering van de wetgeving te evalueren en toezicht te houden op de Commissie, met name door van de Commissie te verlangen dat zij jaarlijks, of ten minste meer gedetailleerd, verslag uitbrengt over werkprogramma's die specifiek betrekking hebben op handhaving;

60.  herinnert eraan dat het Parlement in zijn resolutie van 4 februari 2014 over de toepassing van Richtlijn (2005/29/EG)(4) betreffende oneerlijke handelspraktijken de Commissie heeft gevraagd gegevens over de door de lidstaten opgelegde sancties te verzamelen en te analyseren, alsook gegevens over de efficiëntie van hun handhavingsregelingen, met name wat de complexiteit en de duur van de handhavingsprocedures betreft; heeft de Commissie herhaaldelijk gevraagd het Parlement de resultaten van deze analyses mee te delen;

61.  meent dat de markttoezichtsinstrumenten en de internemarktinstrumenten samen moeten worden ingezet om de handhaving van het EU-recht te verbeteren;

62.  wijst er in dit verband op dat de nationale autoriteiten niet altijd correct gebruik maken van het informatie- en communicatiesysteem voor markttoezicht (ICMS) en niet altijd tijdig de nodige maatregelen nemen; onderstreept in het bijzonder dat overheden zaken beter aan elkaar moeten doorgeven;

63.  maakt zich zorgen over het feit dat, zoals blijkt uit een steekproef die de Commissie in 2014 heeft uitgevoerd, 60 % van de afgeronde productonderzoeken geen informatie over het land van herkomst bevat, 32 % van de productonderzoeken betreffende machines geen risicoclassificatie bevat en 5 % van de dossiers geen verwijzing bevat naar de EU-verordening en/of -richtlijn waarop inbreuk is gepleegd; verzoekt de Raad en de lidstaten hier grondige aandacht aan te schenken en het Parlement op de hoogte te stellen van de genomen follow-upmaatregelen;

Evaluatie achteraf en herziening

64.  is verheugd over de regelmatige evaluatieperiodes en de invoering van analyses per sector in het kader van het REFIT-programma, dat als hoofddoel moet hebben de kwaliteit van de EU-wetgeving te verbeteren en ze te vereenvoudigen, zodat ze beter beantwoordt aan de behoeften van de burgers en het bedrijfsleven, met bijzondere aandacht voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen;

65.  is echter van mening dat er beter moet worden geanalyseerd of de tot dusver genomen wetgevingsmaatregelen effectief tot de verwezenlijking van hun oogmerk hebben bijgedragen en of zij nog steeds beantwoorden aan de huidige beleidsdoelstellingen; benadrukt ook hoe belangrijk transparantie voor het REFIT-proces is; gelooft in dit verband dat een doorlopende target voor de vermindering van administratieve rompslomp en regeldruk ervoor kan helpen zorgen dat de oogmerken op de meest efficiënte manier worden bereikt, met zo weinig mogelijk kosten voor mensen en bedrijven;

66.  merkt op dat de cumulatieve kosten van de regelgeving vaak een belemmering vormen voor de deelnemers op de interne markt, en met name voor kmo's; is dan ook verheugd dat de Commissie heeft beloofd deze kwestie te onderzoeken; onderstreept evenwel dat een dergelijke analyse gericht moet zijn op onbelemmerde markttoegang en gelijke concurrentievoorwaarden voor alle marktpartijen;

67.  vraagt de Commissie meer inzicht te verwerven in de factoren die van invloed zijn op de verwezenlijking van beleidsdoelstellingen, bijvoorbeeld het effect van flankerende of tegenstrijdige beleidsmaatregelen op Europees en nationaal niveau, maar ook het effect en de kosten van niets doen, teneinde de beleidsvorming te verbeteren en uiteindelijk bij te dragen tot betere internemarktregelgeving;

68.  is van mening dat uitzonderlijk kan worden overwogen gebruik te maken van horizonbepalingen of strengere herzieningsbepalingen, met name voor tijdelijke verschijnselen, waarbij de instellingen zich ertoe verbinden de wetgeving slechts te actualiseren en te handhaven als dat nodig is; beschouwt waarborgen als een noodzakelijk middel om te voorkomen dat essentiële wetgeving vervalt;

III.Conclusie

69.  benadrukt dat het verbeteren van de internemarktregelgeving niet betekent dat alle regelgeving wordt afgeschaft of dat de regelgeving minder ambitieus moet worden, bv. wat milieubescherming, veiligheid, consumentenbescherming en sociale normen betreft, maar wel dat onnodige regelgeving, bureaucratie en negatieve effecten worden weggenomen en dat tegelijk beleidsdoelstellingen worden verwezenlijkt en een competitief regelgevingsklimaat wordt geschapen dat de werkgelegenheid en het bedrijfsleven in Europa ondersteunt;

70.  benadrukt dat een interne markt die productie, innovatie en handel niet overbelast of tegenwerkt, een instrument is dat banen en groei naar Europa zal terugbrengen die daarvóór buiten Europa te vinden zouden zijn geweest;

71.  benadrukt dan ook dat een gedeelde verantwoordelijkheid voor een verbeterde internemarktregelgeving tot gedeelde voordelen zal leiden, namelijk een sterke en dynamische interne markt die bijdraagt tot de groei op lange termijn in Europa en dus tot de welvaart van de Europese burgers;

o
o   o

72.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de Europese Raad en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 24 van 22.1.2016, blz. 75.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0069.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0164.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0063.

Juridische mededeling