Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2644(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B8-0466/2016

Debatten :

PV 14/04/2016 - 6.1
CRE 14/04/2016 - 6.1

Stemmingen :

PV 14/04/2016 - 7.4

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0128

Aangenomen teksten
PDF 177kWORD 74k
Donderdag 14 april 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
Pakistan, met name de aanslag in Lahore
P8_TA(2016)0128RC-B8-0466/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 14 april 2016 over Pakistan, met name de aanslag in Lahore (2016/2644(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Pakistan,

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, van 27 maart 2016 over de aanslag in Lahore, Pakistan,

–  gezien de verklaring van 29 oktober 2014 van Stavros Lambrinidis, speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten,

–  gezien de verklaringen van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Ban Ki‑moon, van 27 maart 2016 over de bomaanslag in Pakistan en van 21 januari 2016 over de aanval op de Bacha Khan Universiteit,

–  gezien de verklaring van de VN-Veiligheidsraad van 28 maart 2016 over de terreuraanslagen in Lahore, Pakistan,

–  gezien de verslagen van de speciale VN-rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging,

–  gezien het verslag van 5 januari 2015 van de speciale VN-rapporteur voor minderheidsvraagstukken, Rita Izsák-Ndiaye, over haatpraat en aanzetting tot haat in de media,

–  gezien de verklaring van 27 maart 2016 van Malala Yousafzai, winnares van de Nobelprijs voor de vrede en van de Sacharovprijs,

–  gezien het verslag van 4 april 2013 van de speciale rapporteur inzake de onafhankelijkheid van rechters en advocaten, Gabriela Knaul, en het verslag van 26 februari 2013 van de VN-Werkgroep gedwongen of onvrijwillige verdwijningen over zijn studiebezoek aan Pakistan,

–  gezien artikel 18 van Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake sociale, economische en culturele rechten,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf, die op 12 april 2013 zijn herzien,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 juli 2015 over Pakistan,

–  gezien het vijfjarig inzetplan EU-Pakistan van maart 2012, met daarin prioriteiten zoals goed bestuur en de mensenrechtendialoog, alsmede de hier nauw op aansluitende tweede strategische dialoog EU-Pakistan van 25 maart 2014,

–  gezien de richtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging,

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld 2014 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie(1),

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat op 27 maart 2016 bij een bomaanslag op een speelterrein in het Gulshan-e-Iqbal-park in Lahore 73 mensen gedood werden en meer dan 300 mensen, waaronder veel vrouwen en kinderen, gewond raakten; overwegende dat de islamitische terreurgroep Jamaat-ul-Ahrar de verantwoordelijkheid voor die aanslag heeft opgeëist en verklaard heeft doelbewust christenen te hebben aangevallen; overwegende dat de meeste doden en gewonden echter moslims waren en alle doden en gewonden Pakistanen;

B.  overwegende dat er op het moment van de aanslag gewelddadige demonstraties plaatsvonden in Islamabad, waar aanhangers van Mumtaz Qadri, de veroordeelde moordenaar van gouverneur Salman Taseer, de terechtstelling eisten van Asia Bibi, een vrouw die aangeklaagd was wegens godslastering en ter dood was veroordeeld en wier zaak door gouverneur Taseer was bepleit; overwegende dat tienduizenden mensen Qadri's begrafenis bijwoonden nadat hij was opgehangen en dat zij hem vierden als een held, en dat er foto's circuleerden in de sociale media; overwegende dat de rechter die Qadri als eerste veroordeeld had het land moest ontvluchten na doodsbedreigingen te hebben ontvangen;

C.  overwegende dat sommige extremistische groeperingen ongehinderd hun ideologie en activiteiten mogen bedrijven, waaronder bepaalde studentenverenigingen aan de universiteiten of het advocatenforum Khatm-e-Nubuwwat, dat naar verluidt de drijvende kracht is achter het toenemende aantal vervolgingen wegens blasfemie bij de Pakistaanse rechtbanken en zich verzet tegen elke poging van de wetgevers om het recht te hervormen;

D.  overwegende dat christenen en andere minderheden niet alleen vervolgd worden door extremisten, maar ook te maken hebben met wettelijke discriminatie, in het bijzondere door de Pakistaanse blasfemiewetten, die discriminerend zijn en op grote schaal misbruikt worden voor persoonlijke en politieke motieven; overwegende dat ook moslims zelf steeds weer worden aangeklaagd op grond van deze wetten;

E.  overwegende dat terrorisme en islamitisch extremisme al jarenlang hun tol eisen onder het Pakistaanse volk, en vooral onder de religieuze minderheden en onder vrouwen en kinderen; overwegende dat er sinds de aanneming van de laatste resolutie van het Europees Parlement over Pakistan van 15 januari 2015(2)tientallen andere terroristische aanslagen en gewelddadigheden tegen religieuze minderheden hebben plaatsgevonden in een context van discriminerende wetten en tekortschietende handhaving;

F.  overwegende dat diverse terroristische groeperingen in Pakistan het gemunt hebben op minderheden zoals ahmadis, christenen, sjiieten en hindoes , alsook op andersdenkende soennieten; overwegende dat de mensenrechtencommissie van Pakistan in haar jaarverslag 2015 schrijft dat de daders in de meeste gevallen onbestraft blijven;

G.  overwegende dat extremistische groeperingen naar verluidt nog steeds kinderen inzetten voor zelfmoordaanslagen; overwegende dat de regering er niet in geslaagd is wetgeving erdoor te krijgen tot oprichting van de nationale commissie voor de rechten van het kind, een onafhankelijk orgaan om de rechten van kinderen te beschermen en te handhaven;

H.  overwegende dat de regering, na het bloedbad dat in december 2014 door Taliban-rebellen werd aangericht, na een moratorium van zes jaar de doodstraf weer heeft ingevoerd, eerst alleen voor terroristische activiteiten, maar later ook voor alle misdaden waar de doodstraf op staat; overwegende dat Pakistan aan het einde van 2015 326 mensen terechtgesteld had, het hoogste aantal ooit en het op twee na hoogste aantal in de wereld;

I.  overwegende dat de gevechten tussen de Pakistaanse militaire en niet-statelijke gewapende groeperingen ertoe geleid hebben dat er meer dan een miljoen intern ontheemden zijn;

J.  overwegende dat tot Pakistaanse religieuze minderheden behorende vrouwen ontvoerd worden en gedwongen worden te trouwen en zich tot de islam te bekeren, een verschijnsel waaraan de politie en de civiele autoriteiten nauwelijks aandacht besteden;

K.  overwegende dat Pakistan een belangrijke rol speelt in het bevorderen van de stabiliteit in Zuid-Azië en daarom het voortouw moet nemen bij het versterken van de beginselen van de rechtsstaat en de bescherming van de mensenrechten;

L.  overwegende dat de EU zich ten volle zal blijven inzetten voor verdere dialoog en samenwerking met Pakistan in het kader van het vijfjarig inzetplan;

1.  is diep geschokt door de aanslag van 27 maart 2016 in Lahore en veroordeelt met klem deze zinloze gewelddaden tegen zo vele onschuldige mensen;

2.  spreekt zijn diepste medeleven en deelneming uit met de families van de slachtoffers en verklaart zich solidair met het volk en de regering van Pakistan;

3.  benadrukt dat het absoluut noodzakelijk is de plegers van de aanslag van Lahore te berechten; verzoekt de Pakistaanse autoriteiten, en met name de plaatselijke en regionale autoriteiten, ervoor te zorgen dat deze daden daadwerkelijk worden onderzocht en vervolgd;

4.  is ernstig bezorgd over de stelselmatige en ernstige schendingen van de vrijheid van godsdienst en overtuiging in Pakistan; benadrukt het belang van de eerbiediging van de grondrechten van alle religieuze en etnische minderheden die in Pakistan leven zodat zij in waardigheid, gelijkheid en veiligheid kunnen blijven leven en hun godsdienst volledig vrij kunnen belijden, zonder enige vorm van dwang, discriminatie, intimidatie of pesterij, overeenkomstig de fundamentele beginselen van Pakistan;

5.  is ingenomen met de hervormingsinitiatieven van de regering, zoals de wet waarbij kindhuwelijken strafbaar worden gesteld en de wet ter bescherming van vrouwen tegen geweld en pesterij, het deblokkeren van YouTube, het besluit waarbij Holi, Diwali en Pasen tot feestdagen voor religieuze minderheden worden uitgeroepen, alsook de persoonlijke inspanningen van premier Nawaz Sharif om een religieus hindoefeest bij te wonen; verzoekt de regering met klem zich meer in te spannen voor een sociaal klimaat waarin minderheden en andersdenkenden welkom zijn; herinnert in dit verband aan het nationale actieplan en de beloofde en hoognodige hervormingen van de madrassa's, met name het ingrijpen van de regering tegen haatpraat, alsook aan de nog niet doorgevoerde hervorming van politie en rechtspraak; wijst erop dat er in de toekomst ambitieuzere maatregelen moeten worden genomen, met name op onderwijsgebied (het verwijderen van negatieve vooroordelen uit leerprogramma's en -boeken) en op het gebied van de vervolging van personen die aanzetten tot haat;

6.  is ingenomen met de toezegging van de regering van Pakistan dat zij de bedreiging die gevormd wordt door religieus extremisme zal aanpakken; spoort aan tot een voortgezette dialoog van de EU en haar lidstaten met Pakistan over het waarborgen van bescherming en bevordering van de mensenrechten, met name in verband met hun inspanningen op het gebied van de terreurbestrijding en door middel van de tenuitvoerlegging van veiligheidswetten;

7.  is van mening dat de aangekondigde militaire operatie in Punjab weliswaar cruciaal is in de strijd tegen het terrorisme, maar dat het even belangrijk is dat de ideologische oorlog tegen het extremisme wordt gewonnen, zodat er voor Pakistan een toekomst van verdraagzaamheid en vooruitgang is weggelegd;

8.  verzoekt de Pakistaanse autoriteiten de sociale en economische uitsluiting aan te pakken, ook die van een grote meerderheid van de christenen en andere mensen die tot religieuze minderheden behoren, die een precair bestaan lijden;

9.  is bezorgd over het feit dat er in Pakistan voortdurend gebruik wordt gemaakt van de blasfemiewetten en is van mening dat dit het klimaat van religieuze onverdraagzaamheid versterkt; verzoekt de Pakistaanse autoriteiten derhalve die wetten en de toepassing ervan te herzien; verzoekt de autoriteiten toe te zien op een correcte en snelle rechtsbedeling in alle blasfemiezaken; wijst hierbij met name op het geval van Asia Bibi, en dringt krachtig aan op een uitspraak van het Hooggerechtshof in die zaak;

10.  verzoekt de Pakistaanse autoriteiten de onafhankelijkheid van de rechtbanken, de beginselen van de rechtsstaat en deugdelijke processen te garanderen, in overeenstemming met internationale normen inzake gerechtelijke procedures; verzoekt de Pakistaanse autoriteiten eveneens voldoende bescherming te bieden aan allen die betrokken zijn bij blasfemiezaken, en met name de juristen in het land, en de beklaagden en getuigen en hun familie en gemeenschap te beschermen tegen gewelddadige intimidatie, met inbegrip van degenen die vrijgesproken zijn maar niet naar huis kunnen terugkeren; verzoekt de regering van Pakistan ervoor te zorgen dat passende rechts- en verhaalmiddelen die krachtens het internationaal recht van toepassing zijn ter beschikking worden gesteld van de slachtoffers van gerichte geweldpleging en vervolging;

11.  herhaalt dat het tegenstander van de doodstraf blijft, onder alle omstandigheden; neemt met bezorgdheid kennis van de dramatische toename van het aantal terechtstellingen in Pakistan, ook van kinderen, wat hoogst betreurenswaardig is, en verzoekt om herinvoering van een moratorium op de voltrekking van de doodstraf met het oog op de afschaffing van die straf in Pakistan;

12.  benadrukt dat het bij de bestrijding van terrorisme en religieus extremisme cruciaal is de oorzaken ervan aan te pakken door armoede te bestrijden, religieuze verdraagzaamheid en vrijheid van geloof te waarborgen en het recht op en veilige toegang tot onderwijs te garanderen voor kinderen, en met name meisjes;

13.  verzoekt de regering van Pakistan een open uitnodiging te verstrekken aan de speciale VN-rapporteurs, met name de speciale rapporteur betreffende de bevordering en bescherming van de mensenrechten bij de bestrijding van terrorisme, de speciale rapporteur inzake buitengerechtelijke, standrechtelijke en willekeurige executies en de speciale rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, en het werk van de nationale mensenrechtencommissie op alle mogelijke wijzen te steunen;

14.  verzoekt de regering van Pakistan al het nodige te doen om ervoor te zorgen dat onderwijsinstellingen, recreatie- en bijeenkomstplaatsen van minderheden in onveilige en conflictgebieden naar behoren beschermd worden en om het risico dat dergelijke mensenrechtenschendingen en wandaden zich opnieuw voordoen te minimaliseren;

15.  moedigt alle regionale spelers aan tot beduidend nauwere samenwerking in de strijd tegen terrorisme; bevestigt nogmaals het belang van een onvoorwaardelijke internationale inzet tegen het terrorisme, onder meer door het verstoren van alle vormen van financiële ondersteuning van terreurnetwerken en het tegengaan van ideologische indoctrinatie die extremisme en terrorisme aanwakkert;

16.  is ingenomen met het feit dat Pakistan het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind heeft geratificeerd en prijst de Pakistaanse autoriteiten voor hun maatregelen ten behoeve van de rechten van kinderen; verzoekt Pakistan het Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van het kind over de betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten te ratificeren en de nationale commissie voor de rechten van het kind in te stellen;

17.  verzoekt de Commissie, de vicevoorzitter / hoge vertegenwoordiger Federica Mogherini, de Europese Dienst voor extern optreden en de Raad zich samen met de regering van Pakistan volledig in te zetten om de dreiging van het terrorisme aan te pakken en om de regering en de bevolking van Pakistan verder bij te staan in hun inspanningen om terrorisme uit te bannen; verzoekt vicevoorzitter / hoge vertegenwoordiger Federica Mogherini het Parlement geregeld te informeren over de vooruitgang bij deze bilaterale inspanningen;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de VN-Mensenrechtenraad, de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad, de hoge commissaris van de VN voor de vluchtelingen en de regering en het parlement van Pakistan.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0470.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0007.

Juridische mededeling