Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2898(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0442/2016

Ingediende teksten :

B8-0442/2016

Debatten :

PV 13/04/2016 - 17
CRE 13/04/2016 - 17

Stemmingen :

PV 14/04/2016 - 7.9
CRE 14/04/2016 - 7.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0133

Aangenomen teksten
PDF 226kWORD 117k
Donderdag 14 april 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
Verslag 2015 over Turkije
P8_TA(2016)0133B8-0442/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 14 april 2016 over het verslag 2015 over Turkije (2015/2898(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien het verslag 2015 van de Commissie over Turkije (SWD(2015)0216),

–  gezien de conclusies van de Raad van 15 december 2015 over de uitbreiding en het stabilisatie- en associatieproces en eerdere conclusies van de Raad en de Europese Raad,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 november 2015 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de EU-uitbreidingsstrategie (COM(2015)0611),

–  gezien Besluit 2008/157/EG van de Raad van 18 februari 2008 betreffende de beginselen, prioriteiten en voorwaarden die worden opgenomen in het toetredingspartnerschap met Turkije ("het toetredingspartnerschap") en de eerdere besluiten van de Raad van 2001, 2003 en 2006 betreffende het toetredingspartnerschap,

–  gezien de gezamenlijke verklaring na de EU-Turkije-top van 29 november 2015 en het actieplan EU-Turkije,

–  gezien zijn resolutie van 15 april 2015 over de honderdjarige herdenking van de Armeense genocide(1),

–  gezien de intergouvernementele conferentie van 14 december 2015 waar hoofdstuk 17 over economisch en monetair beleid officieel werd geopend,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Turkije, in het bijzonder die van 10 februari 2010 over het voortgangsverslag 2009 betreffende Turkije(2), van 9 maart 2011 over het voortgangsverslag 2010 betreffende Turkije(3), van 29 maart 2012 over het voortgangsverslag 2011 betreffende Turkije(4), van 18 april 2013 over het voortgangsverslag 2012 betreffende Turkije(5), van 13 juni 2013 over de situatie in Turkije(6), van 12 maart 2014 over het voortgangsverslag 2013 betreffende Turkije(7), van 13 november 2014 over het Turkse optreden dat tot spanningen leidt in de exclusieve economische zone van Cyprus(8), van 15 januari 2015 over de vrijheid van meningsuiting in Turkije(9) en van 10 juni 2015 over het voortgangsverslag 2014 betreffende Turkije(10),

–  gezien zijn verzoek aan de Commissie in zijn resolutie over het voortgangsverslag 2014 betreffende Turkije om opnieuw te evalueren op welke manier onderhandelingen tot dusver zijn gevoerd en hoe de betrekkingen tussen de EU en Turkije kunnen worden verbeterd en versterkt,

–  gezien het kader voor onderhandelingen met Turkije van 3 oktober 2005,

–  gezien de verklaring van de Europese Gemeenschap en haar lidstaten op 21 september 2005, waarin onder meer staat dat de erkenning van alle lidstaten van de EU een noodzakelijke component is van het toetredingsproces, en dat Turkije het aanvullend protocol bij de Overeenkomst van Ankara volledig moet uitvoeren door alle belemmeringen van het vrij verkeer van goederen zonder vooroordelen en discriminatie weg te nemen,

–  gezien het feit dat toetreding van Turkije tot de EU afhangt van de volledige naleving van alle criteria van Kopenhagen en de integratiecapaciteit van de Unie, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van december 2006,

–  gezien artikel 46 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) waarin staat dat de verdragsluitende partijen zich ertoe verbinden zich te houden aan de einduitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaken waarbij zij partij zijn,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de crisis in Syrië, de pogingen tot een staakt-het-vuren en een vreedzame beslechting, en de verplichtingen van Turkije om de stabiliteit te vergroten en de goede betrekkingen met zijn buurlanden te bevorderen door middel van grote inspanningen, om een oplossing te vinden voor nog openstaande bilaterale vraagstukken, geschillen en conflicten over land- en zeegrenzen en het luchtruim met zijn naaste buren, overeenkomstig het VN-Handvest en de waarden en beginselen waarop de EU is gegrondvest,

–  gezien het feit dat de eerbiediging van de rechtsstaat, waaronder in het bijzonder de scheiding der machten, democratie, de vrijheid van meningsuiting, mensenrechten, de rechten van minderheden en godsdienstvrijheid centraal staan in het onderhandelingsproces,

–  gezien de goedkeuring van een fonds van 3 miljard EUR voor de beheersing van de vluchtelingencrisis in Turkije, waarvan 1 miljard uit de Gemeenschapsbegroting afkomstig is en de rest van de lidstaten,

–  gezien het werk van Kati Piri in haar hoedanigheid van permanent rapporteur voor Turkije van de Commissie buitenlandse zaken van het Europees Parlement,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de toetredingsonderhandelingen met Turkije op 3 oktober 2005 werden geopend, en dat het openen van dergelijke onderhandelingen het beginpunt van een langdurig proces vormt waarvan het eindresultaat niet vaststaat en dat is gebaseerd op eerlijke en strikte voorwaarden en hervormingsbereidheid;

B.  overwegende dat de EU het ankerpunt voor hervormingen in Turkije moet blijven, gezien de transformerende kracht van de toetredingsonderhandelingen en het uitbreidingsproces;

C.  overwegende dat, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van december 2006, alle criteria van Kopenhagen, alsmede de integratiecapaciteit van de Unie, volledig moeten worden nageleefd; overwegende dat Turkije zich heeft verplicht tot de naleving van de criteria van Kopenhagen, adequate en doeltreffende hervormingen en geleidelijke aanpassing aan het EU-acquis; overwegende dat deze inspanningen moeten worden beschouwd als een kans voor Turkije om zijn instituties te versterken en zijn democratiserings- en moderniseringsproces voort te zetten;

D.  overwegende dat de eerbiediging van de rechtsstaat centraal staat in het toetredingsproces, in het bijzonder de scheiding der machten, de vrijheid van meningsuiting en de media, mensenrechten en democratie, de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad, goede betrekkingen met buurlanden, godsdienstvrijheid, vrijheid van vereniging en het recht van burgers op vreedzaam protest, de rechten van minderheden, de rechten van vrouwen en de bestrijding van discriminatie van kwetsbare groepen zoals Roma, mensen met een beperking en lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI);

E.  overwegende dat het tempo van hervormingen met betrekking tot de politieke criteria is vertraagd en dat er aanzienlijke achteruitgang is op het vlak van vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering;

F.  overwegende dat Turkije nog altijd een van de hoogste aantallen gevangengenomen journalisten ter wereld heeft;

G.  overwegende dat volgens de door Freedom House opgestelde classificatie voor pers- en mediavrijheid Turkije nog steeds geen vrije pers heeft en slechts over gedeeltelijke internetvrijheid beschikt;

H.  overwegende dat de veiligheidssituatie in Turkije snel verslechtert, zowel intern als extern;

I.  overwegende dat in Turkije meerdere terroristische aanslagen zijn gepleegd, die werden toegeschreven aan IS/Daesh, in Diyarbakir, Suruc, Ankara en Istanbul, waarbij in totaal 150 onschuldige mensen het leven hebben gelaten;

J.  overwegende dat de Russische bombardementen van Aleppo en andere delen van Syrië leiden tot grote aantallen bijkomende vluchtelingen die bescherming zoeken in Turkije;

K.  overwegende dat de EU en Turkije zijn overeengekomen het onderhandelingsproces nieuw leven in te blazen en intensief samen te werken op het vlak van migratie;

L.  overwegende dat de Turkse bevolking bewonderenswaardig gastvrij is geweest ten aanzien van het grote aantal vluchtelingen in het land; overwegende dat Turkije volgens het UNHCR met ongeveer 2,7 miljoen geregistreerde vluchtelingen uit Syrië, Irak en Afghanistan het grootste aantal vluchtelingen ter wereld opvangt;

M.  overwegende dat de Turkse autoriteiten niet hebben ingestemd met de heropening van het orthodoxe seminarie op het eiland Heybeliada;

I.De stand van zaken van de betrekkingen tussen de EU en Turkije

1.  is, in het licht van de achteruitgang qua eerbiediging van democratie en rechtsstaat in Turkije, uitermate bezorgd over het feit dat het algemene tempo van hervormingen in Turkije de voorbije jaren is vertraagd en dat er in bepaalde belangrijke domeinen, zoals onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, vrijheid van vergadering, vrijheid van meningsuiting, eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat, achteruitgang was, waarbij de criteria van Kopenhagen, die kandidaat-lidstaten zouden moeten naleven, steeds verder verwijderd zijn;

2.  benadrukt dat Turkije een belangrijke strategische partner voor de EU is en dat actieve en geloofwaardige onderhandelingen een geschikt kader zouden bieden om het potentieel van de betrekkingen tussen de EU en Turkije optimaal te benutten; neemt kennis van het feit dat de EU het toetredingsproces nieuw leven heeft ingeblazen en hoopt dat het openen van onderhandelingshoofdstukken tot concrete vooruitgang kan leiden; roept Turkije in dit verband op tot concrete vooruitgang en oprechte inzet; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om opnieuw te evalueren op welke manier de onderhandelingen tot dusver zijn gevoerd en hoe de betrekkingen tussen de EU en Turkije kunnen worden verbeterd en versterkt; is sterk voorstander van een gestructureerde, regelmatigere en open politieke dialoog op hoog niveau over belangrijke thematische kwesties van gezamenlijk belang, zoals migratie, terrorismebestrijding, energie, economie en handel;

3.  is van mening dat het uitstellen van het voortgangsverslag 2015 van de Commissie tot na de verkiezingen van november 2015 in Turkije een verkeerd besluit was, aangezien zo de indruk werd gewekt dat de EU bereid is te zwijgen over schendingen van grondrechten in ruil voor de samenwerking van de Turkse regering wat vluchtelingen betreft; verlangt van de Commissie zichzelf te verplichten tot het publiceren van de jaarlijkse voortgangsverslagen binnen een specifiek en vast tijdschema; vraagt zowel de Europese Commissie als de Raad interne ontwikkelingen in Turkije niet te negeren en duidelijk op te komen voor de eerbiediging van de rechtsstaat en grondrechten in Turkije, zoals vastgesteld in de criteria van Kopenhagen en ongeacht andere belangen;

4.  neemt kennis van het resultaat van de parlementsverkiezingen van 1 november 2015 en de vorming van een nieuwe regering; herhaalt zijn verzoek om de kiesdrempel van 10 % te verlagen en verzoekt om transparantie omtrent de financiering van politieke partijen en verkiezingscampagnes; looft de actieve deelname van vrijwilligers van het maatschappelijke middenveld tijdens de verkiezingen en de hoge opkomst; veroordeelt echter de intimidatie en pesterijen van de media en de discriminatie van oppositiepartijen wat verslaggeving in de aanloop naar de verkiezingen betreft, de sfeer van geweld en intimidatie, de aanvallen op afzonderlijke kandidaten en kantoren van partijen, in het bijzonder van de democratische volkspartij (HDP), alsook de intense politieke polarisatie; is verheugd dat de Turkse Grote Nationale Vergadering als gevolg van de laatste twee verkiezingen en ondanks de kiesdrempel van 10 % inclusiever is geworden voor minderheidsgroepen in Turkije;

5.  vraagt de douane-unie op te waarderen en het toepassingsgebied uit te breiden naar nieuwe sectoren, onder meer landbouwproducten, diensten en overheidsopdrachten; neemt er nota van dat de onderhandelingen hierover zullen beginnen in de tweede helft van 2016; herinnert eraan dat de douane-unie haar volledige potentieel slechts kan bereiken als Turkije het aanvullend protocol volledig toepast ten aanzien van alle lidstaten; is van mening dat de belangen van Turkije in overweging moeten worden genomen in toekomstige door de EU ondertekende vrijhandelsovereenkomsten met derde partijen, meer bepaald de onderhandelingen over het Trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP) tussen de EU en de VS; vraagt het vrij verkeer van personen te verbeteren en roept op tot meer interculturele uitwisseling;

6.  neemt er positief nota van dat de politieke dialoog tussen de EU en Turkije op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid is geïntensiveerd en dat de aanpassing van Turkije aan de verklaringen van de EU en de besluiten van de Raad in 2015 is verbeterd; betreurt het dat Turkije zich niet op één lijn heeft geplaatst met het besluit van de Raad in het kader van de illegale annexatie van de Krim door de Russische Federatie en de gebeurtenissen in Oost-Oekraïne, met inbegrip van de beperkende maatregelen;

7.  herhaalt dat Turkije zijn buitenlands beleid verder moet afstemmen op dat van de EU, overeenkomstig de bepalingen van het onderhandelingskader; vindt dat de uitwisselingen van informatie over kwesties inzake buitenlands beleid moeten worden verhoogd en dat de Turkse minister voor Buitenlandse Zaken moet worden uitgenodigd voor vergaderingen van de Raad Buitenlandse Zaken, wanneer relevant; herhaalt dat Turkije als een belangrijk doorvoerland strategisch belangrijk is voor de energiezekerheid van de EU; is van mening dat de snelle uitwerking van energiesamenwerking en de verruiming van de corridor voor energiedoorvoer door Turkije naar de Europese Unie van essentieel belang zijn;

8.  herhaalt dat de betrekkingen van goed nabuurschap moeten worden aangehaald, die een fundamenteel onderdeel van het onderhandelingskader en een essentieel element van het uitbreidingsproces vormen; roept Turkije in dit verband op zich meer in te spannen om een oplossing te vinden voor openstaande bilaterale vraagstukken, met inbegrip van niet nagekomen wettelijke verplichtingen en conflicten over land- en zeegrenzen en geschillen over het luchtruim met zijn naaste buren, overeenkomstig de bepalingen van het VN-handvest en het internationale recht; vraagt de Turkse regering het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos) te ondertekenen en te ratificeren; dringt er bij de Turkse regering op aan om een einde te maken aan de herhaaldelijke schendingen van het Griekse luchtruim en de Griekse territoriale wateren en aan de Turkse militaire vluchten over Griekse eilanden; betreurt het feit dat het door de Turkse Grote Nationale Vergadering afgekondigde casus belli-dreigement tegen Griekenland nog altijd niet is ingetrokken; dringt er bij Turkije en Armenië op aan over te gaan tot een normalisering van hun betrekkingen door diplomatieke betrekkingen onvoorwaardelijk vast te stellen, en vraagt de grens open te stellen, wat kan leiden tot de verbetering van hun betrekkingen, in het bijzonder wat grensoverschrijdende samenwerking en economische integratie betreft;

II.Eerbiediging van de rechtsstaat, democratie, mensenrechten en fundamentele vrijheden

9.  is van mening dat, in overeenstemming met de waarde die de EU hecht aan de rechtsstaat en fundamentele waarden, in Turkije dringend behoefte is aan hervormingen op het gebied van de rechterlijke macht en de grondrechten, en op het gebied van justitie, vrijheid en veiligheid; vraagt, zonder afbreuk te doen aan de standpunten van de lidstaten, de Raad van de EU hoofdstuk 23 (rechterlijke macht en grondrechten) en hoofdstuk 24 (justitie, vrijheid en veiligheid) te openen zodra aan de officiële voorwaarden hiervoor wordt voldaan, en ervoor te zorgen dat het hervormingsproces in Turkije is gebaseerd op de normen en waarden van de EU; vraagt Turkije om volledig samen te werken met de Raad van Europa en de Commissie van Venetië op het gebied van justitiële hervormingen;

10.  betreurt de ernstige achteruitgang de voorbije twee jaren op het vlak van vrijheid van mening en meningsuiting, zowel online als offline, in Turkije, dat door de recentste index voor persvrijheid van Verslaggevers zonder grenzen op de 149e van de 180 plaatsen wordt gezet; herinnert eraan dat Turkije volgens de cijfers van de Turkse overheden zelf het record heeft wat betreft het aantal journalisten dat gevangenzit; herhaalt dat vrijheid van mening en meningsuiting en onafhankelijke media Europese kernwaarden zijn; is verheugd over de uitspraak van het Constitutioneel Hof waarin is bepaald dat de rechten van Can Dündar en Erdem Gül werden geschonden; herinnert eraan dat zij nog steeds voor de rechtbank moeten verschijnen waar aanklagers meerdere levenslange gevangenisstraffen tegen hen eisen, uit zijn bezorgdheid over het besluit om het publiek de toegang tot de rechtszaal te ontzeggen voor de gehele duur van het proces, en vraagt dat nauwkeurig en objectief onderzoek wordt uitgevoerd naar de aantijgingen van de journalisten over wapentransporten naar Syrië; veroordeelt recente verklaringen van de president van Turkije tegen het Constitutioneel Hof, eist de onmiddellijke vrijlating van alle gevangengezette journalisten en moedigt Europese diplomaten aan alle strafzaken tegen journalisten nauwlettend te blijven volgen; betreurt de persoonlijke aanvallen van hooggeplaatste regeringsfunctionarissen op journalisten en tegenstanders en de alsmaar autoritairdere tendensen van de Turkse leiders; dringt er bij Turkije op aan op te treden tegen intimidatie van journalisten in al zijn vormen, met name het onderzoeken van alle fysieke aanvallen en bedreigingen tegen journalisten en het actief voorkomen van aanvallen op mediabedrijven, maar ook het gespannen politieke klimaat af te koelen dat een situatie creëert die de vrijheid van meningsuiting in de media en op het internet inperkt;

11.  wijst op de op 27 januari 2016 door Transparency International bekendgemaakte corruptieperceptie-index 2015, waaruit blijkt dat de corruptie in Turkije het afgelopen jaar is toegenomen en waarin Turkije nu op de 66e plaats staat; benadrukt dat de Turkse regering duidelijk en constant signalen moet uitzenden dat ze echt voornemens is corruptie op alle beleidsniveaus aan te pakken;

12.  herinnert eraan dat de bestrijding van corruptie een van de prioriteiten van Turkije moet zijn; dringt er daarom bij Turkije op aan de strategie en het actieplan voor corruptiebestrijding bij te werken om een onafhankelijke corruptiebestrijdingsdienst in te stellen en een geloofwaardig beoordelingskader vast te stellen van onderzoeken, vervolgingen en veroordelingen, met inbegrip van corruptiezaken op hoog niveau;

13.  vraagt om de onafhankelijkheid van de media van de Koza İpek Holding, en de Feza mediagroep te herstellen en alle overheidsvertegenwoordigers te verwijderen uit de raden van bestuur, om de tientallen ontslagen werknemers die hun ongenoegen uitten over de overheidsovername in hun functie te herstellen en de aanklachten op basis van terrorisme in te trekken;

14.  veroordeelt de gewelddadige en illegale overname van verschillende Turkse kranten, waaronder meest recent Zaman, uit zijn bezorgdheid over het besluit van Digiturk om bepaalde televisiekanalen niet meer uit te zenden, naar verluidt onder meer wegens politieke redenen; roept de Turkse regering op geen politieke en economische druk meer uit te oefenen op onafhankelijke media; veroordeelt ten strengste de verbale en fysieke aanvallen op en het toenemende gebruik van laster en antiterreurwetgeving tegen journalisten; neemt kennis van de inhoudsembargo's voor online- en conventionele verslaggeving alsook van het blokkeren van websites, vooral sociale netwerken, hetgeen heeft geleid tot zelfcensuur onder journalisten die vrezen dat kritiek op de autoriteiten de vergeldingsmaatregelen doet toenemen; is uiterst bezorgd over het blokkeren van duizenden websites, de in maart 2015 aangenomen amendementen op de "Internet Media Regulation Law" alsook over de autoriteit van het directoraat telecommunicatie (TIB), dat voor een reeks vage redenen het blokkeren van websites toelaat binnen 4 uren; is verontrust over het feit dat de Turkse aanbieder van satellietdiensten Turksat op vrijdag 26 februari 2016 uitzendingen van IMC TV heeft stopgezet op verzoek van een openbare aanklager in Ankara die onderzocht of de zender al dan niet een "terroristische" groepering steunde; uit zijn bezorgdheid over uitzonderlijk hoge belastingboetes die aan mediaorganisaties worden opgelegd; roept op tot een herziening van de internetwet om een gunstig klimaat te scheppen voor de vrijheid van meningsuiting op het internet en de bescherming van privacy en persoonlijke rechten; veroordeelt pogingen van intimidatie en, in sommige gevallen, van deportatie van verschillende internationale journalisten door Turkse regeringsfunctionarissen; verzoekt om een onafhankelijk onderzoek naar de moorden op Turks grondgebied van de journalisten Naji Jerf, Ibrahim Abdel Qader en Fares Hammadi van de blog over Syrië "Raqqa is Being Slaughtered Silently"; betreurt bovendien de onderzoeken, arrestaties, gevangenisstraffen en geldboetes voor vermeende belediging van het staatshoofd op basis van artikel 299 van de strafwet; vraagt de Turkse regering deze kwesties zo spoedig mogelijk aan te pakken teneinde pluralisme te garanderen in overeenstemming met internationale normen; beschouwt een openbaar debat als een essentieel onderdeel van een gezonde democratie;

15.  dringt er bij de Turkse regering op aan om in lijn met de Europese normen een goede wetgeving inzake gegevensbescherming vast te stellen en een onafhankelijke autoriteit voor gegevensbescherming in het leven te roepen die de noodzakelijke voorwaarden scheppen voor een efficiënte en doeltreffende internationale politiële en justitiële samenwerking en het delen van informatie, en tegelijkertijd bijdragen aan de naleving van de criteria voor visumliberalisering; verzoekt de Turkse autoriteiten om uitzonderingen op het toepassingsgebied van de wet, in het bijzonder op de verwerking van gezondheidsgerelateerde gegevens, duidelijk te definiëren en een selectieprocedure in te voeren die de onafhankelijkheid van de leden van de autoriteit voor gegevensbescherming garandeert;

16.  herhaalt zijn bezorgdheid over de antiterreurwetgeving, met name de brede en te vage definitie van terrorisme, georganiseerde misdaad en propaganda waardoor dergelijke misdrijven manifest vaag worden; benadrukt dat het strafrecht en de antiterreurwetgeving in overeenstemming moeten zijn met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), die door Turkije volledig moet worden gerespecteerd en toegepast; dringt er bij Turkije op aan een politiek en juridisch klimaat te scheppen dat de rechterlijke macht in staat stelt haar taken op onafhankelijke en onpartijdige wijze uit te voeren, zodat ze in de praktijk geen instrument van repressie van binnenlandse dissidenten wordt; vraagt Turkije alle uitspraken van de Europese rechtbanken ten uitvoer te leggen; uit zijn bezorgdheid over de talrijke overplaatsingen, gedwongen reaffectaties en ontslagen van rechters en aanklagers, die de onafhankelijkheid, onpartijdigheid en doeltreffendheid van de rechterlijke macht alsook de beginselen van eerlijke procesvoering en scheiding der machten ondermijnen; vraagt de scheiding der machten dringend te herstellen en betekenisvolle maatregelen te nemen om de volledige onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te waarborgen; betreurt de verdraaiing van de rechtsgang ten voordele van bepaalde politici, die in Turkije na het corruptieschandaal van 2013 gemeengoed zijn geworden; onderstreept dat de rol en de invloed van de uitvoerende macht binnen de hoge raad van rechters en openbare aanklagers moet worden beperkt en dat voldoende waarborgen tegen reaffectaties van rechters tegen hun wil nodig zijn;

17.  herinnert eraan dat de uitzonderlijke economische groei van Turkije gedurende het afgelopen decennium heeft geleid tot een ongekende hausse op het gebied van woningen en infrastructuur, vaak ten koste van milieu en duurzaamheid; spreekt zijn bijzondere bezorgdheid uit over de verschillende megaprojecten in het land, en doet onmiddellijk een beroep op de regering om te werken met milieu- en sociale-effectbeoordelingen en de lokale bevolking naar behoren te betrekken in de opzet van het project, zodat de negatieve langetermijneffecten van verstedelijking, ruimtegebruik en milieuaantasting zoveel mogelijk kunnen worden vermeden;

18.  is van mening dat het constitutionele hervormingsproces naar een seculiere, pluralistische, inclusieve en tolerante samenleving moet leiden; benadrukt dat een nieuwe grondwet gebaseerd moet zijn op brede consensus binnen het politieke spectrum en in de samenleving als geheel, met volledige eerbiediging van de rechten van minderheden, ongeacht hun culturele en religieuze achtergrond, en een stevige basis moet bieden voor fundamentele vrijheden en de rechtsstaat; dringt er bij Turkije op aan de rechtsstaat en fundamentele rechten en vrijheden, in het bijzonder vrijheden van religieuze en etnische minderheden, volledig te eerbiedigen; dringt erop aan uitgebreide antidiscriminatiewetgeving op te stellen, met inbegrip van het verbod op discriminatie en haatzaaiende uitspraken op grond van etniciteit, godsdienst, seksuele geaardheid, gender of genderidentiteit, en om het verbod van dergelijke discriminatie op te nemen in een nieuwe grondwet; merkt daarbij op dat dit Turkije er niet van moet weerhouden om aan burgers specifieke rechten te verlenen op basis van etniciteit, religie of taal, ten behoeve van het behoud van hun identiteit; merkt in dit verband op dat verdere stappen nodig zijn om de problemen aan te pakken waarmee leden van de Griekse minderheid worden geconfronteerd, met name wat onderwijs en eigendomsrechten betreft; dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan gerechtelijke maatregelen te nemen tegen de verantwoordelijke personen en instanties voor het plegen van enige vorm van haatmisdaad waaronder antisemitisme, zoals in 2013 werd verklaard in het "democratiseringspakket" van de regering; veroordeelt de passieve houding van de Turkse regering ten aanzien van de ernstige bedreigingen tegen christenen en hun predikanten in de sociale media; verwacht dat de Turkse regering elke Turkse burger zonder enige vooroordelen ten aanzien van zijn/haar geloof behandelt; dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan, aangezien de grootste Roma-bevolking ter wereld in Turkije woont, concrete en doeltreffende maatregelen te treffen om de facto gelijke rechten voor Roma in de Turkse samenleving te bereiken en de situatie van Roma te verbeteren, met speciale aandacht voor de situatie van Roma-kinderen en de inclusie van Roma-vrouwen;

19.  vraagt Turkije nauw samen te blijven werken met de Europese Commissie aan nieuwe wetgeving in voorbereiding en aan de tenuitvoerlegging van bestaande wetten, teneinde verenigbaarheid met het EU-acquis te waarborgen;

20.  onderstreept dat het recht op verschillende levensstijlen, zowel seculier als religieus, volledig moet worden gerespecteerd en de scheiding tussen kerk en staat moet worden behouden;

21.  benadrukt dat het van belang is het hervormingsproces op het gebied van de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst voort te zetten door religieuze gemeenschappen in staat te stellen rechtspersoonlijkheid te verwerven, door alle beperkingen ten aanzien van de opleiding, benoeming en opvolging van geestelijken weg te nemen, door te voldoen aan de desbetreffende arresten van het EHRM en de aanbevelingen van de commissie van Venetië, en door alle vormen van op godsdienst gebaseerde discriminatie of belemmeringen uit te bannen; roept Turkije op het eigen karakter en het belang van het Oecumenisch Patriarchaat te respecteren en zijn rechtspersoonlijkheid te erkennen; herhaalt de noodzaak om de heropening van het Halki-seminarie toe te staan en alle obstakels voor de goede werking ervan weg te nemen, en om het algemeen gebruik van de kerkelijke titel van de oecumenische patriarch toe te staan;

22.  roept de Turkse regering op haar plannen voor de bouw van een kerncentrale in Akkuyu stop te zetten; wijst erop dat de beoogde locatie in een gebied ligt dat bijzonder gevoelig is voor aardbevingen, waardoor er niet alleen een groot gevaar ontstaat voor Turkije maar voor het Middellandse Zeegebied in zijn geheel; verzoekt de Turkse regering derhalve zich aan te sluiten bij het Verdrag van Espoo, op grond waarvan partijen verplicht zijn elkaar te informeren en te raadplegen over grote geplande projecten die naar verwachting een groot negatief grensoverschrijdend effect op het milieu hebben; vraagt de Turkse regering de regeringen van naburige landen, zoals Griekenland en Cyprus, te betrekken bij of hen ten minste te raadplegen over de Akkuyu-onderneming en de mogelijk verdere ontwikkelingen;

23.  uit zijn bezorgdheid over de nog altijd hoge prevalentie van geweld tegen vrouwen en de gebrekkige tenuitvoerlegging van binnenlandse wetgeving teneinde geweld tegen vrouwen te voorkomen en hen hiertegen te beschermen; dringt er verder op aan dat de overheid de bestaande wetgeving met betrekking tot geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, een breed verspreid probleem zowel in landelijke als in stedelijke gebieden, daadwerkelijk handhaven om de onderrapportage van gendergerelateerd geweld aan te pakken, ondersteunende diensten en onderdak te bieden aan de slachtoffers van dergelijk geweld en sancties op te leggen aan de daders, sociaal bewustzijn te vergroten en de maatschappelijke acceptatie van gendergerelateerd geweld aan te pakken; beveelt met klem de Turkse regering aan gendergelijkheid te bevorderen op politiek, economisch, sociaal, cultureel en maatschappelijk vlak of op enig ander terrein;

24.  verzoekt Turkije om zich serieus in te spannen om de rechten van de LGBTI-gemeenschap te beschermen; uit zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat de LGBTI-gemeenschap geen bescherming wordt verstrekt tegen gewelddaden; benadrukt in dit opzicht zijn teleurstelling over de niet-opneming van bescherming tegen haatmisdrijven op grond van seksuele geaardheid en genderidentiteit in het wetsvoorstel over haatmisdrijven; betreurt het dat haatmisdrijven tegen personen uit de LGBTI-gemeenschap meestal onbestraft blijven of dat de veroordeling van de daders lager is vanwege vermeende "uitlokking" door het slachtoffer;

III.Het Koerdisch vredesproces en de situatie in het zuidoosten van Turkije

25.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de verslechterende situatie in het zuidoosten van Turkije; herinnert aan de verantwoordelijkheid van de Turkse regering met betrekking tot de bescherming van alle bevolkingsgroepen op haar grondgebied, ongeacht hun culturele en religieuze achtergrond; erkent het legitieme recht van Turkije om terrorisme te bestrijden, met inachtneming van het internationaal recht; benadrukt echter dat veiligheidsmaatregelen met eerbiediging van de rechtsstaat en mensenrechten moeten worden ingevoerd; benadrukt dat alle operaties van veiligheidstroepen proportioneel moeten zijn en niet de vorm van collectieve straf mogen aannemen; veroordeelt het wangedrag van speciale veiligheidstroepen en vraagt dat de daders voor de rechter verschijnen; wenst dat het humanitair recht wordt gehandhaafd, zodat alle gewonden de zorg kunnen krijgen waar zij recht op hebben;

26.  veroordeelt en acht het ongerechtvaardigd dat de PKK, die op de EU-lijst van terroristische organisaties staat, opnieuw haar toevlucht heeft genomen tot geweld; onderstreept dat de Koerdische kwestie niet met geweld kan worden opgelost en dringt er bij de Turkse regering op aan haar verantwoordelijkheid te nemen om de onderhandelingen opnieuw op te nemen teneinde een alomvattende en duurzame oplossing voor de Koerdische kwestie te bereiken; roept de PKK ertoe op de wapens neer te leggen, terroristische tactieken op te geven en vreedzame en legale middelen te gebruiken om zijn verwachtingen te formuleren; veroordeelt zeer streng de aanvallen op veiligheidstroepen en burgers; uit in dit verband zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat militanten van de Volksbeschermingseenheden (YPG-H) barricades hebben opgeworpen en loopgraven hebben gegraven; dringt er echter op aan dat vreedzame protesten toegestaan moeten zijn;

27.  dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan de avondklok onmiddellijk op te heffen, waarvan de uitvoeringsvoorwaarden in strijd zijn met de Turkse grondwet; uit zijn bijzonder grote ontzetting over de toestand in Cizre en Sur/Diyarbakir en veroordeelt het feit dat burgers worden vermoord, verwond en aan hun lot overgelaten zonder water, voedsel of medische zorg; vraagt Turkije de internationale Rode Halve Maan de humanitaire crisis die zich in Cizre en Diyarbakır aan het ontwikkelen is, te laten verzachten; dringt er bij de regering op aan toe te staan dat gewonden naar het hospitaal worden gebracht, door de tijdelijke maatregelen van het EHRM na te leven, en burgers die in steden waar de avondklok geldt, een veilige uitweg te garanderen; is uiterst bezorgd over het toenemend aantal doden en gewonden onder de burgerbevolking, die grondig moeten worden onderzocht, en het feit dat ongeveer 400 000 personen in eigen land ontheemd zijn geworden; benadrukt dat het families moet worden toegestaan, uit respect voor de menselijke waardigheid, de lichamen op straat te bergen en hen te begraven; onderstreept dat de Turkse regering verantwoordelijk is voor het waarborgen van de mensenrechten, het verschaffen van beveiliging en toegang tot goederen en diensten aan de hele burgerbevolking in de voornamelijk Koerdische delen van Turkije die door de gevechten getroffen zijn; vraagt de Turkse overheid een formeel systeem in te voeren voor dringende steun en compensatie aan personen die hun huis moesten ontvluchten, hun bron van inkomsten hebben verloren en werkloos zijn geworden; betreurt de vernietiging van historisch erfgoed;

28.  neemt met bezorgdheid nota van de stadsontwikkelings- en herplaatsingsprojecten in door conflicten getroffen gebieden die onlangs door de Turkse regering werden onthuld, en betreurt de beslissing om grootschalige onteigeningen door te voeren in het district Sur in Diyarbakir, ook van gebouwen die eigendom waren van de gemeente of van de kerk, waardoor de rechten van een religieuze minderheid werden geschonden; vraagt de Turkse regering om de culturele eigenheid van de regio te eerbiedigen en ervan af te zien om de gecentraliseerde lokale overheidsstructuur in de regio meer macht te blijven geven; vraagt om de beslissing tot onteigening en de wederopbouwplannen te herzien aan de hand van een dialoog en in samenwerking met de overheden van het district en van de stad; roept op om de rechten van de inwoners en de eigenaars te eerbiedigen;

29.  uit zijn ongenoegen over de acties van de speciale politietroepen die bekendstaan onder de naam "Esedullah-teams" die blijkbaar verantwoordelijk zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen, waaronder het opzettelijk doden van burgers in het zuidoosten van Turkije; vraagt een grondig onderzoek door de Turkse autoriteiten naar de daden van de "Esedullah-teams" en vraagt dat degenen die zich schuldig hebben gemaakt aan mensenrechtenschendingen volledig ter verantwoording worden geroepen en gestraft;

30.  roept op tot een onmiddellijk staakt-het-vuren en de hervatting van het vredesproces om een onderhandelde oplossing voor de Koerdische kwestie te bereiken; benadrukt dat prioriteit moet worden gegeven aan vooruitgang in het democratiserings- en verzoeningsproces; vraagt de oprichting van een speciale commissie in de Turkse Grote Nationale Vergadering voor de oplossing van de Koerdische kwestie om bij te dragen aan een duurzame vrede door de bevolking weer een gevoel van rechtvaardigheid te geven en de trauma's te genezen die gemakkelijk door de politiek kunnen worden misbruikt; dringt er bij de EU op aan onverwijld actief aan het vredesproces deel te nemen; benadrukt dat prioriteit moet worden gegeven aan de versterking van de sociale, culturele en politieke rechten en de gelijke behandeling van burgers van Koerdische oorsprong; herhaalt zijn vraag aan Turkije, als lid van de Raad van Europa, om zijn voorbehoud ten aanzien van het Europees Handvest inzake lokale autonomie op te heffen en dit handvest volledig en in al zijn aspecten ten uitvoer te leggen;

31.  betreurt ten zeerste de intimidatie en vervolging van meer dan 1 000 academici die een verzoekschrift hebben ondertekend waarin opgeroepen werd tot vrede; veroordeelt het ontslag en de schorsing van ten minste 50 ondertekenaars, alsmede de hechtenis van vier ondertekenaars; benadrukt dat de verantwoordelijken voor de moord op advocaat Tahir Elçi, die zijn leven aan vrede en mensenrechten heeft gewijd, voor de rechter moeten verschijnen; uit zijn ernstige bezorgdheid over de gerechtelijke onderzoeken waarin vooral HDP-leden worden geviseerd, de voortdurende opsluiting en het ontslag van lokaal verkozenen, waaronder 25 co-burgemeesters, en de bedreigingen waarmee veel Koerdische politici worden geconfronteerd;

32.  veroordeelt ten sterkste de aan ISIL/Daesh toegekende terreuraanvallen in Diyarbakir, Suruc, Istanbul en Ankara; verklaart zich solidair met de slachtoffers en hun nabestaanden en met de Turkse burgers in de eerste aanvalslinie in de strijd tegen het extremisme; veroordeelt met even sterke bewoordingen de bomexplosies op 17 februari 2016 in Ankara, waarvoor de militante groepering TAK (Koerdische Vrijheidshaviken) de verantwoordelijkheid opeiste, alsook de aanval op 13 maart 2016 in Ankara en betuigt zijn deelneming aan de families en nabestaanden van de slachtoffers; benadrukt dat deze aanvallen grondig moeten worden onderzocht met de bedoeling de daders voor de rechter te brengen; meent dat een sterkere samenwerking tussen Europol en de Turkse wetshandhavingsinstanties van cruciaal belang is voor de doeltreffende bestrijding van het terrorisme;

33.  is verheugd over de deelname van Turkije aan de wereldwijde coalitie tegen IS en de openstelling van zijn bases voor de strijdkrachten van de Verenigde Staten en de coalitie; dringt er bij Turkije op aan om met de nodige terughoudendheid en in volledige samenwerking met de Westerse geallieerden te handelen;

34.  dringt er bij Turkije op aan steeds meer maatregelen te nemen om te voorkomen dat zogenoemde buitenlandse strijders, geld of uitrusting via Turks grondgebied bij IS of andere extremistische groeperingen terechtkomen; uit zijn ongerustheid over de mogelijkheid dat de Turkse autoriteiten niet alle mogelijke maatregelen hebben genomen om de activiteiten van IS te blokkeren en te verhinderen, met name door de clandestiene doorvoer van olie over zijn grenzen tegen te gaan; vraagt de EU om haar capaciteit voor informatie-uitwisseling te verbeteren en op dit vlak nauw samen te werken met de Turkse autoriteiten teneinde verdere steun te geven bij de bestrijding van smokkelaarsnetwerken; merkt tekortkomingen op in de arrestatie van buitenlandse strijders en in de controle van de grenzen met Irak en Syrië;

35.  is verheugd over de steun en bijdrage van Turkije ten aanzien van de overeenkomst die door de grootmachten werd bereikt om de vijandelijkheden in Syrië te staken en humanitaire hulp te verstrekken aan mensen in nood; prijst dit als een belangrijke stap naar een oplossing van de Syrische crisis; merkt op dat het staken van de vijandelijkheden moet gelden voor alle partijen in het conflict, behalve de groeperingen die door de VNVR zijn aangeduid als terroristische organisaties; vraagt alle partijen om deze toezeggingen snel en volledig ten uitvoer te leggen; herinnert aan zijn overtuiging dat er geen militaire oplossing bestaat voor het Syrische conflict en dringt aan op een politieke oplossing; veroordeelt de Turkse militaire interventie tegen Koerdische troepen in het noorden van Syrië, waardoor de strijd tegen ISIL/Daesh wordt ondermijnd en de vredes- en veiligheidsinspanningen in gevaar worden gebracht;

IV.De samenwerking tussen de EU en Turkije op het vlak van de vluchtelingen-/migratiecrisis

36.  ondersteunt de hernieuwde politieke verbintenissen tussen de EU en Turkije over problemen van geopolitieke aard, in het bijzonder de vluchtelingen- en migratiecrisis; erkent de grote humanitaire bijdrage van Turkije aan de opvang van het grootste aantal vluchtelingen ter wereld; dringt er bij de EU en Turkije op aan de handen in elkaar te slaan en te zorgen voor fatsoenlijke en betere levensomstandigheden en basisopvangmogelijkheden van vluchtelingenkampen en de werkzaamheden van het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen (UNHCR) te vergemakkelijken teneinde de massale uittocht van migranten te voorkomen; dringt er bij de EU op aan om verder met de Turkse ambtenaren samen te werken aan een correcte documentatie van migranten; merkt op dat Turkije een van de belangrijkste doorreislanden is voor migranten en vluchtelingen die naar de EU reizen, niet alleen vanuit Syrië maar ook vanuit tal van andere landen; benadrukt dat met Turkije moet worden samengewerkt om de vluchtelingencrisis aan te pakken en om verlies van mensenlevens op zee te voorkomen; is verheugd over de monitoringmissie van de NAVO in de Egeïsche Zee;

37.  is verheugd over de activering op 29 november 2015 van het gezamenlijk actieplan van de EU en Turkije voor vluchtelingen en migratiebeheer als onderdeel van een alomvattende samenwerkingsagenda op basis van gedeelde verantwoordelijkheid, gezamenlijke engagementen en inzet, en benadrukt dat het dringend ten uitvoer moet worden gelegd; benadrukt dat de samenwerking tussen de EU en Turkije op het gebied van migratie niet mag worden verbonden aan de kalender, de inhoud en de voorwaarden van het onderhandelingsproces; is van mening dat het uitbesteden van de vluchtelingencrisis aan Turkije geen geloofwaardige langetermijnoplossing voor het probleem is; rekent op de solidariteit van de EU-lidstaten om het aantal landen te doen stijgen dat in een sfeer van gedeelde lasten en verantwoordelijkheid vluchtelingen wil aanvaarden voor hervestiging;

38.  benadrukt dat de 3 miljard EUR en de extra middelen van de faciliteit voor vluchtelingen in Turkije degelijk moeten worden benut om spoedig en rechtstreeks ten gunste te komen van de vluchtelingen en de gemeenschappen waar ze worden opgevangen, via projecten die moeten voorzien in de onmiddellijke behoeften op het gebied van voeding, gezondheidszorg, sanitaire voorzieningen en onderwijs; roept op om het Parlement ten volle te betrekken in het besluitvormingsproces als medewetgever en begrotingsautoriteit; dringt aan op een snellere uitbetaling van de toegezegde middelen; vraagt de Europese Commissie en de lidstaten er in samenwerking met Turkije voor te zorgen dat een mechanisme wordt ingevoerd om te controleren of de fondsen daartoe gepast worden gebruikt, dat nauwlettend toezicht wordt gehouden op dit mechanisme en dat het Europees Parlement regelmatig door de Europese Commissie op de hoogte wordt gehouden van de ontwikkelingen; benadrukt dat speciale aandacht moet worden besteed aan kwetsbare groepen, zoals vrouwen en kinderen, in het bijzonder wezen, en religieuze minderheden zoals christenen en jezidi's; beklemtoont dat een dringende aanpak van gendergerelateerd geweld en misbruik van vrouwen en meisjes op de migratieroutes doorheen Turkije vereist is;

39.  looft het recente besluit van de Turkse regering om de arbeidsmarkt open te stellen voor Syrische vluchtelingen; dringt aan op snelle maatregelen om te garanderen dat alle 700 000 Syrische kinderen onderwijs genieten; looft de Turkse regering omdat zij gratis gezondheidszorg en onderwijs verstrekt aan Syrische vluchtelingen; betreurt dat niet is ingegaan op de oproep van het UNHCR om de financiering te verhogen en dat het Wereldvoedselprogramma wegens gebrek aan fondsen zijn voedingsratio tot 80 % moest verlagen; looft Turkije omdat het land deze financiële leemte eenzijdig heeft gevuld en vraagt de lidstaten en de EU om de fondsen aan de agentschappen van de VN en hun partner-ngo's in Turkije te verhogen;

40.  waardeert het dat Turkije tot recentelijk een opengrenzenbeleid heeft gevoerd ten aanzien van Syrische vluchtelingen; juicht de inwerkingtreding toe van nieuwe regels in het Turkse visabeleid waardoor de weg reeds is bereid naar een sterke daling van irreguliere overtochten; benadrukt echter dat een veel strenger visabeleid, in lijn met het EU-visabeleid, moet worden gevoerd ten aanzien van landen die een belangrijke bron van illegale migratie zijn, om de toestroom naar Europa via Turkije van migranten die geen internationale bescherming nodig hebben, te beperken; benadrukt dat Turkije alle steun nodig heeft om zijn grensbeveiliging te verscherpen en zijn strijd tegen mensensmokkelaars op te voeren; vraagt Turkije om nultolerantie te betonen en doeltreffende maatregelen te nemen om de mensenhandelaars een halt toe te roepen en de stroom van vluchtelingen naar de Griekse eilanden tegen te houden, waardoor ernstige humanitaire, politieke, sociale en veiligheidsproblemen ontstaan in de EU; moedigt een sterke samenwerking tussen Turkije, Bulgarije en Griekenland op het vlak van opsporings- en reddingsacties in de Egeïsche Zee aan en vraagt Frontex de Turkse kustwacht steun te bieden en de bilaterale informatie-uitwisseling te versterken; erkent dat maatregelen tegen criminele smokkelaars enkel doeltreffend kunnen zijn als ze gepaard gaan met de invoering van veilige en legale routes voor vluchtelingen en asielzoekers die de Europese Unie willen binnengaan;

41.  benadrukt dat het inperken van de migratie naar de EU niet mag leiden tot het terugsturen van vluchtelingen of tot onwettige opsluitingen; verzoekt de Commissie, in verband met het gezamenlijke actieplan van de EU en Turkije, een onderzoek in te stellen naar de bewering van Amnesty International in haar verslag van 1 april 2016 dat Turkije Syrische vluchtelingen onder dwang terugstuurt; dringt erop aan dat alle procedures voor gedwongen terugkeer vanuit Griekenland naar Turkije volledig in overeenstemming moeten zijn met de internationale en EU-wetgeving met betrekking tot toegang tot asiel en internationale bescherming en de implementatie van de grondrechten en procedurele waarborgen; verzoekt de Commissie in dit verband nauwlettend toe te zien op de wijze waarop de Turkse autoriteiten de overeenkomst ten uitvoer leggen en op de naleving van het beginsel van non-refoulement in het geval van naar Turkije teruggekeerde personen; herhaalt zijn vraag aan de Turkse regering om het geografisch voorbehoud bij het Verdrag van Genève van 1951 op te heffen; benadrukt dat veilige en legale routes moeten worden opgezet voor vluchtelingen en dringt er bij de lidstaten op aan hun hervestigingsinspanningen aanzienlijk op te voeren; is van mening dat het absoluut noodzakelijk is voor de Syrische crisis een politieke oplossing te vinden; dringt er bij Turkije op aan zijn inspanningen om een politieke oplossing te vinden aanzienlijk op te drijven en met name zijn voorbehoud terzijde te schuiven tegen een deelname van de Koerden aan de vredesonderhandelingen in Genève;

42.  is ingenomen met het feit dat de Turkse autoriteiten en het UNHCR in Turkije hun databanken voor de registratie van vluchtelingen harmoniseren tot één registratiesysteem; meent dat het dringend nodig is te bekijken hoe die databank technisch gesproken interoperabel en compatibel kan worden gemaakt met Eurodac, de Europese databank voor de registratie van asielzoekers; beklemtoont dat het ook belangrijk is dat vluchtelingen die Turkije verlaten en naar Europa gaan, uit de Turkse databank worden verwijderd;

43.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging van de overnameovereenkomst ten aanzien van alle lidstaten cruciaal is voor de EU, aangezien ze een doeltreffender terugkeerbeleid mogelijk maakt van migranten die geen internationale bescherming nodig hebben; is ingenomen met het politieke akkoord dat op de topontmoeting EU-Turkije van 29 november 2015 door beide partijen werd bereikt en waarin zij het erover eens werden dat de overnameovereenkomst vanaf juni 2016 volledig van toepassing moet zijn; vraagt alle partijen de bestaande bilaterale overnameovereenkomsten volledig en effectief ten uitvoer te leggen en de volledige eerbiediging van de grondrechten van de gerepatrieerde migranten te waarborgen;

44.  spoort de regering aan de in het stappenplan voor visumliberalisering vastgestelde criteria volledig en op niet-discriminatoire wijze te vervullen ten aanzien van alle lidstaten; herinnert eraan dat visumliberalisering een proces is dat op verdiensten is gebaseerd en dat Turkse burgers pas zonder visum zullen kunnen reizen wanneer aan de normen wordt voldaan; vraagt de Commissie meer technische bijstand te verlenen voor het vervullen van de voorwaarden van het stappenplan;

V.Vooruitgang van de herenigingsgesprekken voor Cyprus

45.  spreekt zijn lof uit over de aanzienlijke vooruitgang in de herenigingsgesprekken voor Cyprus onder auspiciën van de VN; is verheugd over de gezamenlijke verklaring van 11 februari 2014 van de twee leiders, die kan dienen als basis voor een oplossing; steunt de evolutie van de Republiek Cyprus naar een federatie van twee gemeenschappen en twee zones, met één soevereiniteit, één internationale rechtspersoonlijkheid en één nationaliteit, met politieke gelijkheid tussen beide gemeenschappen en gelijke kansen voor alle burgers, zonder vooruit te lopen op de uiteindelijke overeenkomst en in overeenstemming met de relevante resoluties van de VN-Veiligheidsraad en internationaal recht; prijst de constructieve aanpak van de leiders van zowel de Turks-Cypriotische als de Grieks-Cypriotische gemeenschap op het eiland en hun vastberadenheid en onvermoeibare inspanningen om zo spoedig mogelijk een eerlijke, alomvattende en levensvatbare regeling te vinden; onderstreept dat de oplossing van het probleem-Cyprus, dat al decennia aansleept, van belang is voor de gehele regio en voor Europa/de Europese Unie; is derhalve verheugd over een mogelijk nieuw referendum over de hereniging en vraagt alle partijen bij te dragen tot een positief resultaat;

46.  onderstreept dat het uitblijven van een oplossing voor de kwestie-Cyprus van invloed is op de ontwikkeling van de betrekkingen tussen de EU en Turkije en roept daarom alle betrokken partijen op een gezamenlijke inspanning te leveren voor de oplossing van het probleem-Cyprus;

47.  vraagt Turkije te voldoen aan zijn verplichting van een volledige, niet-discriminatoire uitvoering van het aanvullend protocol bij de associatieovereenkomst EG-Turkije ten aanzien van alle lidstaten, inclusief de Republiek Cyprus, aangezien het voldoen aan deze verplichting een belangrijke stimulans kan zijn voor het onderhandelingsproces;

48.  betreurt het illegale vestigingsbeleid van Turkije en roept het land op ervan af te zien nog meer Turkse burgers in bezette gebieden van Cyprus te vestigen, hetgeen in strijd is met het Verdrag van Genève en de beginselen van het internationaal recht; dringt er bij Turkije op aan alle acties te beëindigen die leiden tot wijziging van het demografische evenwicht op het eiland en die aldus een toekomstige oplossing belemmeren;

49.  vraagt Turkije om in de exclusieve economische zone (EEZ) van Cyprus geen acties te ondernemen die kunnen leiden tot een situatie van wrijving en crisis in een zeer gevoelige regio en die negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor de onderhandelingen over een democratische oplossing die een einde zou maken aan de onaanvaardbare bestaande tweedeling; erkent het recht van zijn lidstaten om bilaterale en andere overeenkomsten te sluiten in het kader van hun soevereine rechten teneinde hun nationale bronnen binnen hun EEZ te exploiteren;

50.  uit zijn tevredenheid over de overeenkomst van de twee leiders over een reeks vertrouwenwekkende maatregelen, waaronder over het openen van twee nieuwe grensovergangen en de onderlinge koppeling van de elektriciteitsnetten; stelt echter vast dat er weinig tot geen vooruitgang werd geboekt op het vlak van de interoperabiliteit van het mobiele netwerk; dringt er derhalve bij beide partijen op aan alle overeengekomen maatregelen onverwijld uit te voeren; vraagt de EU de regeling volledig te steunen, zowel politiek als financieel; vraagt Turkije het onderhandelingsproces en een positief resultaat actief te steunen; dringt er bij Turkije op aan te beginnen met de terugtrekking van zijn troepen uit Cyprus en het afgegrendelde gebied rond Famagusta over te dragen aan de VN, overeenkomstig Resolutie 550 (1984) van de VN-Veiligheidsraad; looft het feit dat het Comité inzake vermiste personen (dat zich bezighoudt met vermisten aan zowel Turks-Cypriotische als Grieks-Cypriotische kant) toegang krijgt tot alle relevante sites, ook militaire domeinen; vraagt Turkije echter met aandrang om toegang te verlenen tot de relevante archieven, wat de maximale doeltreffendheid van het Comité zal garanderen;

51.  is verheugd over het initiatief van de president van de Republiek Cyprus, de heer Nicos Anastasiades, om van Turks een officiële taal van de EU te maken en dringt er bij de partijen op aan dit proces te versnellen; wijst erop dat de tenuitvoerlegging van het EU-acquis na de inwerkingtreding van de overeenkomst in de toekomstige Turks-Cypriotische constituerende staat reeds goed voorbereid moet zijn; is in dit verband verheugd over de oprichting van het ad-hoccomité van twee gemeenschappen voor de EU-voorbereiding; moedigt zowel het Europees Parlement als de Europese Commissie aan om hun inspanningen voor samenwerking met de Turks-Cyprioten aan de voorbereiding van de volledige integratie in de EU te intensiveren; moedigt de Voorzitter van het Europees Parlement aan in het geval van een overeenkomst de nodige maatregelen te nemen;

o
o   o

52.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de secretaris-generaal van de Raad van Europa, de voorzitter van het Europees Hof voor de rechten van de mens, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van de Republiek Turkije.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0094.
(2) PB C 341E van 16.12.2010, blz. 59.
(3) PB C 199E van 7.7.2012, blz. 98.
(4) PB C 257E van 6.9.2013, blz. 38.
(5) PB C 45 van 5.2.2016, blz. 48.
(6) PB C 65 van 19.2.2016, blz. 117.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0235.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0052.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0014.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0228.

Juridische mededeling