Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2013/0014(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0073/2016

Ingediende teksten :

A8-0073/2016

Debatten :

PV 28/04/2016 - 3
CRE 28/04/2016 - 3

Stemmingen :

PV 28/04/2016 - 4.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0143

Aangenomen teksten
PDF 253kWORD 64k
Donderdag 28 april 2016 - Brussel Definitieve uitgave
Spoorwegbureau van de Europese Unie ***II
P8_TA(2016)0143A8-0073/2016
Resolutie
 Bijlage

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 april 2016 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 881/2004 (10578/1/2015 – C8-0415/2015 – 2013/0014(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (10578/1/2015 – C8-0415/2015),

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door het Litouwse parlement, de Roemeense Senaat en de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2013(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 8 oktober 2013(2),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(3) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0027),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 76 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0073/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  neemt kennis van de verklaringen van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;

3.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

4.  stelt voor om naar de handeling te verwijzen als 'de verordening Zīle-Matīss betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 881/2004'(4);

5.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

6.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

7.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 327 van 12.11.2013, blz. 122.
(2) PB C 356 van 5.12.2013, blz. 92.
(3) Aangenomen teksten van 26.2.2014, P7_TA(2014)0151.
(4) Roberts Zīle en Anrijs Matīss hebben namens het Parlement respectievelijk de Raad de onderhandelingen over de handeling geleid.


BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie betreffende de raad van bestuur van het Europees Spoorwegbureau (ESB) en de procedure tot aanstelling en ontslag van de uitvoerend directeur

De Commissie betreurt het dat de tekst van de nieuwe verordening inzake het Europees Spoorwegbureau waarover overeenstemming is bereikt, in tegenstelling tot het oorspronkelijke voorstel van de Commissie, afwijkt van de in 2012 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie goedgekeurde gemeenschappelijke aanpak voor gedecentraliseerde EU-agentschappen. De afwijkingen hebben betrekking op het aantal vertegenwoordigers van de Commissie in de raad van bestuur en de procedure voor de aanstelling en het ontslag van de uitvoerend directeur. De Commissie benadrukt dat de aanstelling van een lid van de raad van bestuur als waarnemer bij de door de Commissie georganiseerde procedure voor de aanstelling van een uitvoerend directeur niet tot overlappende rollen mag leiden bij de selectie- en aanstellingsprocedure (artikel 51, lid 1).

Verklaring van de Commissie betreffende de vereiste budgettaire middelen

In het kader van het vierde spoorwegpakket krijgt het Europees Spoorwegbureau nieuwe bevoegdheden, met name de rechtstreekse verlening van voertuigvergunningen en veiligheidscertificaten aan de sector. In de overgangsperiode bestaat het risico dat het Bureau nog geen vergoedingen en heffingen ontvangt, terwijl het wel al personeel moet aanwerven en opleiden. Om een verstoring van de spoorwegmarkt te vermijden, zal de Commissie de nodige middelen proberen beschikbaar te stellen om de kosten van die personeelsleden te dekken.

Juridische mededeling