Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2155(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0135/2016

Ingediende teksten :

A8-0135/2016

Debatten :

PV 27/04/2016 - 17
CRE 27/04/2016 - 17

Stemmingen :

PV 28/04/2016 - 4.14
CRE 28/04/2016 - 4.14
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0150

Aangenomen teksten
PDF 417kWORD 205k
Donderdag 28 april 2016 - Brussel Definitieve uitgave
Kwijting 2014: Algemene begroting van de EU – Europees Parlement
P8_TA(2016)0150A8-0135/2016
Besluit
 Resolutie

1. Besluit van het Europees Parlement van 28 april 2016 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling I – Europees Parlement (2015/2155(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2015)0377 – C8-0200/2015)(2),

–  gezien het verslag over het begrotings- en financieel beheer voor het begrotingsjaar 2014, afdeling I – Europees Parlement(3),

–  gezien het jaarverslag van de interne controleur voor het begrotingsjaar 2014,

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(4),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd(5), overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en artikel 318 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), in het bijzonder de artikelen 164, 165 en 166,

–  gezien het besluit van het Bureau van 27 april 2005 over de interne voorschriften voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement(7), en met name artikel 13,

–  gezien het besluit van het Bureau van maandag 16 juni 2014 over de interne voorschriften voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement(8), en met name artikel 22,

–  gezien artikel 94, artikel 98, lid 3, en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0135/2016),

A.  overwegende dat zijn Voorzitter de rekeningen van het Parlement voor het begrotingsjaar 2014 op 8 juli 2015 heeft goedgekeurd;

B.  overwegende dat zijn secretaris-generaal, als gedelegeerd hoofdordonnateur, op 18 september 2015 heeft verklaard redelijke zekerheid te hebben dat de aan de begroting van het Parlement toegewezen middelen zijn gebruikt voor het beoogde doel en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

C.  overwegende dat op grond van artikel 166, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 elke instelling van de Unie verplicht is alles in het werk te stellen om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Europees Parlement vergezeld gaat;

1.  verleent zijn Voorzitter kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2014;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (Serie L).

(1) PB L 51 van 20.2.2014.
(2) PB C 377 van 13.11.2015, blz. 1.
(3) PB C 247 van 28.7.2015, blz. 1.
(4) PB C 373 van 10.11.2015, blz. 1.
(5) PB C 377 van 13.11.2015, blz. 146.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(7) PE 349.540/Bur/ann./def.
(8) PE 422.541/Bur.


2. Resolutie van het Europees Parlement van 28 april 2016 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling I – Europees Parlement (2015/2155(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling I - Europees Parlement,

–  gezien artikel 94, artikel 98, lid 3, en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0135/2016),

A.  overwegende dat de rekenplichtige van het Parlement in zijn certificering van de definitieve rekeningen aangeeft ervan overtuigd te zijn dat deze een getrouw en juist beeld geven van de financiële positie van het Parlement in alle materiële aspecten en dat er geen zaken onder zijn aandacht zijn gebracht die het maken van een voorbehoud rechtvaardigen;

B.  overwegende dat de Rekenkamer in het kader van haar controle heeft geconcludeerd dat bij de controle geen tekortkomingen van belang zijn vastgesteld in de geselecteerde systemen, noch in de jaarlijkse activiteitenverslagen van de instellingen en organen;

C.  overwegende dat overeenkomstig de gebruikelijke procedure een vragenlijst aan de administratie van het Parlement is gezonden, en dat de antwoorden door de Commissie begrotingscontrole zijn ontvangen en besproken in aanwezigheid van de voor begrotingsaangelegenheden verantwoordelijke ondervoorzitters, de secretaris-generaal en de interne controleur;

D.  overwegende dat er voortdurend verbetering mogelijk is op het gebied van kwaliteit, doeltreffendheid en doelmatigheid bij het beheer van overheidsfinanciën, en dat toezicht noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat het politiek leiderschap en de administratie van het Parlement verantwoording afleggen ten aanzien van burgers van de Unie;

De rekeningen van het Europees Parlement

1.  stelt vast dat de definitieve kredieten van het Parlement voor 2014 in totaal 1 755 631 742 EUR beliepen, oftewel 20,13 % van rubriek 5 van het meerjarig financieel kader (MFK) voor de administratieve uitgaven van de EU-instellingen als geheel in 2014, en een stijging met 0,3 % vertoonden ten opzichte van de begroting 2013 (1 750 463 939 EUR);

2.  wijst erop dat de totale per 31 december 2014 in de rekeningen opgenomen ontvangsten 174 436 852 EUR bedroegen (tegenover 158 117 371 EUR in 2013), met inbegrip van 26 979 032 EUR aan bestemmingsontvangsten (tegenover 25 991 783 EUR in 2013);

3.  wijst erop dat vier hoofdstukken in 2014 goed waren voor 72 % van de totale vastleggingen: hoofdstuk 10 (Leden van de instelling), hoofdstuk 12 (Ambtenaren en tijdelijke functionarissen), hoofdstuk 20 (Gebouwen en bijkomende kosten) en hoofdstuk 42 (Assistentie aan de leden);

4.  neemt kennis van de onderstaande cijfers, op basis waarvan de rekeningen van het Parlement voor het begrotingsjaar 2014 werden afgesloten:

(a)  Beschikbare kredieten (EUR)

kredieten voor 2014:

1 755 631 742

niet-automatische overdrachten van het begrotingsjaar 2013:

734 000

automatische overdrachten van het begrotingsjaar 2013:

277 774 604

kredieten corresponderend met bestemmingsontvangsten voor 2014:

26 979 032

overdrachten corresponderend met bestemmingsontvangsten van 2013:

106 934 452

Totaal:

2 168 053 830

(b)  Besteding van de kredieten in het begrotingsjaar 2014 (EUR)

vastleggingen:

2 138 652 789

verrichte betalingen:

1 742 390 229

automatisch overgedragen kredieten, waaronder die afkomstig van bestemmingsontvangsten:

383 988 975

niet-automatisch overgedragen kredieten:

0

geannuleerde kredieten:

39 918 558

(c)  Begrotingsontvangsten (EUR)

ontvangen in 2014:

174 436 852

(d)  Totale balans op 31 december 2014 (EUR)

1 476 824 398

5.  wijst erop dat een totaalbedrag van 71 500 000 EUR werd overgeschreven van voorzieningen en andere bronnen, om bij te dragen tot de financiering van de erfpacht voor het Konrad Adenauer-gebouw in Luxemburg en de uitbreiding en modernisering daarvan; wijst erop dat dit neerkomt op 4 % van de definitieve kredieten voor 2014;

Adviezen van de Rekenkamer over de betrouwbaarheid van de jaarrekening over 2014 en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen

6.  herinnert eraan dat de Rekenkamer een specifieke beoordeling uitvoert van de administratieve en andere uitgaven als één enkele beleidsgroep voor alle instellingen van de Unie, met inbegrip van het Europees Parlement, en dat uit de controle-informatie blijkt dat de uitgaven voor administratie over het geheel gezien geen materieel foutenniveau vertonen; neemt er nota van dat uit de controles van de verrichtingen blijkt dat het geraamde foutenpercentage in rubriek 5 van het MFK inzake administratie 0,5 % bedraagt (tegenover 1 % in 2013);

7.  herinnert eraan dat de controle een analyse omvatte van een steekproef van 129 betalingsverrichtingen, waaronder 92 betalingen van salarissen en pensioenen, gerelateerde toelagen en andere personeelskosten, 14 betalingen in verband met contracten betreffende gebouwen en 23 betalingen met betrekking tot andere uitgaven (energie, communicatie, informatietechnologie enz.); benadrukt dat 20 van de 129 gecontroleerde verrichtingen fouten vertoonden (d.w.z. 15,5 %); stelt vast dat het geschatte foutenpercentage op basis van 12 kwantificeerbare fouten 0,5 % bedraagt;

8.  benadrukt de aanbeveling van de Rekenkamer dat het Parlement zijn controles op de door Europese politieke partijen aan hun geassocieerde organisaties vergoede kosten moet versterken, adequate regels inzake aanbestedingen voor politieke partijen moet ontwikkelen en de toepassing ervan moet monitoren door adequate controles en betere richtsnoeren; dringt aan op volledige transparantie inzake de uitgaven van Europese politieke partijen en wenst dat de bevoegde commissie in het vervolg deze informatie in detail onderzoekt en bespreekt in het kader van de gewone kwijtingsprocedure;

Jaarverslag van de intern controleur

9.  wijst erop dat de intern controleur op 25 januari 2016 in de bevoegde commissie zijn op 16 juli 2015 ondertekende jaarverslag heeft gepresenteerd en heeft uitgelegd dat hij de administratie van het Parlement in 2014 aan de onderstaande controles heeft onderworpen:

   een transversale follow-up van nog niet afgewikkelde acties uit het verslag van de intern controleur – fasen I en II van 2014;
   een raadpleging inzake intern beheer en controleprocedures binnen het directoraat Democratieondersteuning (DG EXPO);
   een periodieke doorlichting van het Konrad Adenauer (KAD) bouwproject - "Fase 2: Raming, verslaglegging en controle van de kosten van het project";
   een controle van de bezoldigingen en overbruggingstoelagen van de leden;
   een controle van de subsidieprocedure in DG Communicatie (DG COMM);
   een op informatiesystemen gerichte controle van IT-infrastructuur en -acties - zie "Opdracht 1 - Eerste verslag: Optimaal gebruik van hulpbronnen en continuïteit van IT";
   een controle van de toepassing van de gedragscode inzake meertaligheid betreffende de tolkendiensten;

10.  benadrukt dat de intern controleur in het kader van zijn controle van de subsidieprocedure concludeert dat er aanzienlijke ruimte is voor verbetering van bepaalde beheers- en controleprocedures, en aldus te zorgen voor meer zekerheid dat de doelstellingen van het subsidieprogramma worden bereikt door:

   ervoor te zorgen dat het meerjarig subsidieprogramma volledig in overeenstemming is met en de doelstellingen ondersteunt van de communicatiestrategie op lange termijn van de instelling;
   ervoor te zorgen dat de meerwaarde van het programma wordt gemeten aan de hand van passende prestatie-indicatoren en instrumenten;
   overeenkomsten te sluiten met een beperkter aantal strategische partners die een actieplan kunnen opstellen voor de gehele periode van de partnerschapsovereenkomst;
   de evaluatie van voorgestelde projecten te verbeteren door een gemeenschappelijke methodologie voor de beoordeling van alle beoordelingscomités op te stellen;
   de financiële en operationele evaluatie van voltooide projecten in het laatste betalingsstadium te verbeteren, met name om vast te stellen of de acties zijn uitgevoerd overeenkomstig de oorspronkelijke doelstellingen;

Toetsing van het interne controlekader van het Parlement

11.  wijst erop dat eind 2014, nadat aanzienlijke vooruitgang was geboekt, slechts 4 van de 452 acties die oorspronkelijk binnen het kader voor interne controle waren overeengekomen, nog niet afgewikkeld waren; verzoekt de intern controleur de Commissie begrotingscontrole op de hoogte te houden van de vooruitgang in verband met deze resterende acties;

Follow-up van de kwijtingsresolutie voor 2013

12.  neemt kennis van de schriftelijke antwoorden op de kwijtingsresolutie voor het begrotingsjaar 2013(1), die de Commissie begrotingscontrole op 15 oktober 2015 heeft ontvangen; is ingenomen met de presentatie door de secretaris-generaal met betrekking tot de diverse vragen en verzoeken in de kwijtingsresolutie van het Parlement en de in aansluiting daarop gehouden gedachtewisseling met de leden;

13.  wijst erop dat de data van de presentatie van het ontwerpverslag voor de kwijting van het Parlement en voor de mogelijkheid om aanvullende vragen te stellen aan de SG niet goed op elkaar waren afgestemd;

14.  neemt kennis van het antwoord van de secretaris-generaal over de beschikbaarstelling van de applicatie ePetition aan de leden en het grote publiek; verzoekt de secretaris-generaal het resultaat van de raadpleging van de Juridische Dienst mee te delen aan het Parlement en een inschatting te maken van de technische en budgettaire kosten die gepaard gaan met de bredere toegankelijkheid van de applicatie;

15.  herinnert eraan dat de kantinediensten tot taak hebben om leden en personeel snelle restauratiediensten te bieden; is bezorgd over de beperkte ruimte van de kantines tijdens piekuren, met name in de plenaire vergaderweken in Straatsburg; verwelkomt de beschikbaarheid van nieuwe ruimtes in de buitenlucht die dit probleem deels kunnen oplossen wanneer de weersomstandigheden dit toelaten; roept de administratie op de kantine in Straatsburg verder te verbeteren door een efficiënter gebruik van alle beschikbare ruimte;

16.  wijst erop dat het Parlement contracten met vaste prijzen voor de cateringdiensten heeft ingevoerd; wijst erop dat de voor cateringdiensten gebruikte begrotingsmiddelen vrij beperkt waren en slechts 0,23 % van de jaarlijkse begroting uitmaakten; verwacht dat de prijzen in de cateringfaciliteiten van het Parlement stabiel zullen blijven na de herhaalde aanzienlijke stijgingen van de prijzen van de aangeboden producten;

17.  wijst erop dat de in 2015 gesloten nieuwe contracten voor de cateringactiviteiten in Brussel niet langer voorzien in één exclusieve cateringprovider; verwacht dat de geplande kleinere cateringfaciliteiten in Brussel zullen worden gerund op een wijze die ook exploitatie door kmo's en een verscheidenheid van cateringproviders mogelijk maakt, om een hoogstaande dienstverlening tegen betaalbare prijzen te waarborgen;

18.  stelt met bezorgdheid vast dat stijgende prijzen hebben geleid tot een ongerechtvaardigde ongunstige prijsstelling, met name voor assistenten, stagiairs en bezoekers; benadrukt dat de verhogingen er toe hebben geleid dat de prijzen in het Parlement praktisch gelijk zijn aan die in de omringende restaurants en bars; wijst er daarnaast met bezorgdheid op dat de prijzen zijn gestegen maar dat de kwaliteit van het voedsel tegelijk aanzienlijk is verminderd;

19.  is van mening dat de kantines en cafetaria's gedurende de vele achterban- en plenaire weken niet volledig worden gebruikt; stelt voor om in overeenkomsten met cateringproviders de mogelijkheid op te nemen om het personeel van deze faciliteiten elders in te zetten tijdens bovengenoemde weken wanneer niet alle kantines en cafetariafaciliteiten open zijn;

20.  roept de administratie op een prijzenschema te evalueren en voor te stellen waarin de nieuwe regels worden gecombineerd en de mogelijkheid wordt geboden kortingen te geven aan stagiaires, met betaalbare keuzemenu's;

21.  is teleurgesteld dat de administratie geen gegevens kan verstrekken over de uiteenlopende aantallen maaltijden die tijdens de verschillende parlementaire dagen en weken worden verkocht; vraagt zich af hoe de cateringbedrijven kunnen worden gecontroleerd indien dit soort basisinformatie niet beschikbaar is; verzoekt de administratie aan de bevoegde commissie de cateringcontracten beschikbaar te stellen die op 26 september 2015 in werking zijn getreden en gedetailleerde informatie te verstrekken over de geserveerde maaltijden;

22.  overwegende dat in het op 11 juli 2014 vastgestelde verslag van de Rekenkamer opgemerkt wordt dat ongeveer 114 miljoen EUR per jaar op de begroting van de Unie kan worden bespaard als het Parlement zijn activiteiten centraliseert; herhaalt zijn oproep aan het Parlement en de Raad om zich met het oog op het verwezenlijken van langetermijnbesparingen te beraden op een routekaart voor het vaststellen van een enkele zetel voor het Parlement, waar het Parlement in meerdere resoluties op heeft aangedrongen;

Kwijting voor 2014

23.  wijst op de uitgebreide gedachtewisseling tussen de voor begrotingsaangelegenheden verantwoordelijke ondervoorzitter, de secretaris-generaal en de Commissie begrotingscontrole, die op 4 februari 2016 in aanwezigheid van het verantwoordelijke lid van de Rekenkamer en de interne controleur is gehouden; prijst de secretaris-generaal voor zijn beschikbaarheid en verzoekt om meer mogelijkheden voor een geregeld debat met hem binnen de Commissie begrotingscontrole over zaken die gevolgen hebben voor de EP-begroting;

24.  neemt nota van de ondertekening van de samenwerkingsovereenkomst met het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) en het Comité van de Regio’s (CvdR) op 5 februari 2014; vraagt om concrete en gedetailleerde bepalingen inzake het functioneren van door de drie instellingen gedeelde diensten; beklemtoont dat de overeenkomst evenwichtig ten uitvoer moet worden gelegd en in gelijke mate aan de drie instellingen ten goede moet komen; vraagt om bij de tussentijdse evaluatie van de overeenkomst per instelling de gevolgen ervan na te gaan op het vlak van personele middelen, synergieën, toegevoegde waarde en inhoud, en gedetailleerd de uit de overeenkomst voortgevloeide besparingen en/of extra begrotingsuitgaven te beoordelen, met bijzondere aandacht voor de posten inzake personeel; verzoekt doorlopend op de hoogte te worden gehouden van de follow-up van het akkoord;

25.  herinnert eraan dat in het kader van deze overeenkomst maximaal 80 ambtenaren van het EESC en het CvdR (van de vertaaldienst en assistenten) naar het Parlement zullen worden overgeheveld, die deel zullen uitmaken van de nieuwe Parlementaire Onderzoeksdienst (EPRS); is van mening dat deze overheveling een toename van de interne productie bij het Parlement mogelijk zou moeten maken naarmate minder begrotingsmiddelen worden toegewezen aan het uitbesteden van studies, beoordelingen of evaluaties; neemt er met bezorgdheid kennis van dat er tot dusver al 25 ambtenaren van het EESC en 24 van het CvdR, die in de meeste gevallen heel dicht bij hun pensioen zaten, naar de EPRS zijn overgeplaatst, wat een aanzienlijke besparing op de posten voor personeel van die twee instellingen betekent, maar ook een forse verhoging op de begroting van het Parlement, zowel op korte termijn (salarissen) als op middellange en lange termijn (pensioenen);

26.  is verheugd dat op de homepage van de leden van het Parlement, naast de gegevens over de geaccrediteerde parlementaire medewerkers (APA's) en de plaatselijke medewerkers in dienst van het lid, de namen van de dienstverleners bekend zijn gemaakt;

27.  betreurt de overdracht van verantwoordelijkheden van de administratie naar de kantoren van de leden; dringt aan op een evaluatie door en van de administratie om na te gaan welke verplichtingen (zoals de verantwoordelijkheid voor het verzekeren van stagiairs) weer aan de administratie kunnen worden overgedragen;

28.  benadrukt dat de werkzaamheden van de interne besluitvormingsorganen van het Parlement, en met name het Bureau, transparanter en toegankelijker moeten worden gemaakt; wenst dat de agenda's en notulen van de vergaderingen op internet gepubliceerd en tijdig en stelselmatig aan de leden ter beschikking gesteld worden;

29.  wijst erop dat de administratieve last voor de kantoren van de leden ook meer in het algemeen is toegenomen en verzoekt om een rationalisering van de formulieren die gebruikt moeten worden voor interne parlementaire procedures, zoals de aanwerving van nieuwe assistenten;

30.  merkt op dat na aanzienlijke vertraging interne regels inzake klokkenluiders zijn vastgesteld, die sinds januari 2016 van kracht zijn; uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan bescherming van klokkenluiders en verzoekt het Europees Parlement erop toe te zien dat hun rechten volledig worden geëerbiedigd; roept het Bureau op de interne regels voor klokkenluiders uit te breiden tot APA's en roept op tot toepassing van soortgelijke nationale wetgeving op lokale medewerkers;

31.  verzoekt om nadere toelichting op de vraag hoe de officiële en onofficiële samenwerking met OLAF betreffende de rekeningen van leden verloopt; wijst op het feit dat er in tenminste één geval informatie aan derden is doorgegeven; acht dit een schending van het onafhankelijke mandaat van de leden;

32.  merkt op dat het moeilijk was onderscheid te maken tussen enerzijds de politieke activiteiten van de Voorzitter en anderzijds zijn voorbereidingen om bij de Europese verkiezingen van 2014 op te treden als "Spitzenkandidat" van zijn Partij, en dat het ook moeilijk een onderscheid te maken voor andere "Spitzenkandidaten"; is van mening dat tussen deze twee rollen geen eenduidig onderscheid is gemaakt; dringt aan op een duidelijke scheiding van de functies van ambtsdragers en van kandidaten voor de Europese verkiezingscampagnes; betreurt het dat in ieder geval indirect gebruik is gemaakt van parlementaire medewerkers om bij te dragen aan de voorbereiding van de campagne en vraagt dat deze praktijk in de toekomst niet meer voorkomt; betreurt in dit verband dat de Voorzitter het twitterprofiel van het voorzitterschap van het Europees Parlement heeft omgezet in zijn persoonlijke profiel en het in zijn campagne heeft gebruikt;

33.  geeft de EPRS het mandaat om een vergelijkende analyse te maken van het rechtskader voor de verenigbaarheid van functies van kandidaten die verkiezingscampagnes voeren in andere internationale organisaties in de lidstaten (verkiezing van minister-president, secretaris-generaal, kanselier, enz.);

34.  wijst erop dat de officiële internationale dienstreizen die de Voorzitter in de periode van 22 januari tot en met 18 april ondernam, grotendeels plaatsvonden met regeringsvertegenwoordigers en officiële vertegenwoordigingen van socialistische partijen en organisaties; verzoekt om meer informatie ter zake;

35.  verzoekt om nadere uitleg over de campagnes van alle "Spitzenkandidaten", met name over de vraag of zij werden vergezeld door ambtenaren en ander statutair personeel die niet met verlof waren tijdens de verkiezingscampagne; verwelkomt de aanvullende informatie die de Voorzitter heeft verstrekt en vraagt hetzelfde niveau van transparantie van de andere kandidaten;

Vergoeding voor algemene uitgaven

36.  wijst erop dat de vergoeding voor algemene uitgaven is bedoeld ter dekking van de kosten van reizen in het land van verkiezing van de leden, zoals huur van kantoorruimte, uitrusting, kantoorbenodigdheden, documentatie of logistieke organisatie van manifestaties; wijst erop dat voor een alomvattend systeem voor controle van de vergoeding voor het parlementaire mandaat van de leden 40 à 75 nieuwe administratieve posten nodig zouden zijn, hetgeen ingaat tegen de regeling tot verlaging van het aantal personeelsleden;

37.  spreekt zich uit voor volledige transparantie met betrekking tot de vergoeding voor algemene uitgaven, teneinde de Europese burgers inzicht te geven in de algemene uitgaven van de leden van het Europees Parlement; dringt er bij het Bureau op aan de lijst van uitgaven die bekostigd kunnen worden uit de vergoeding voor algemene uitgaven te herzien;

38.  herhaalt de oproep tot meer transparantie betreffende de algemene kostenvergoeding van de leden; verzoekt het Bureau nauwkeuriger regels op te stellen over de verantwoordingsplicht met betrekking tot de uitgaven die uit deze vergoeding kunnen worden gedaan, zonder dat dit voor het Parlement extra kosten en administratieve lasten met zich meebrengt;

39.  herinnert het Bureau aan de dringende noodzaak om een controle uit te voeren van de vergoeding voor algemene uitgaven;

Beheer van de subsidieregeling voor bezoekersgroepen

40.  verwelkomt een betere afstemming van de subsidies van het Parlement voor bezoekersgroepen met de reële kosten in dit verband; is echter uiterst bezorgd dat dit de enige cruciale actie is die de intern controleur van het Parlement heeft vastgesteld;

41.  is bezorgd over het feit dat de financiering voor bezoekersgroepen in 2014 nog grotendeels in contanten werd uitbetaald: uitgaven ter hoogte van EUR 24 593 928,16 werden in 2013 voor 73,14 % contant uitbetaald en voor 26,86 % per bankoverschrijving, terwijl in 2014 uitgaven ter hoogte van 22 281 749,46 EUR voor 71,15 % contant werden uitbetaald en voor 28,85 % per bankoverschrijving;

42.  wijst op de bevinding van de Rekenkamer in haar algemene onderzoek van het financieel beheer van de Uniebegroting dat contante betalingen ter vergoeding van kosten aan bezoekersgroepen moesten worden beschouwd als een aangelegenheid met een "hoog risico"; verlangt derhalve dat het gebruik van contante betalingen voor de vergoeding van kosten aan bezoekersgroepen zoveel mogelijk wordt beperkt; is bezorgd over het grote risico voor de reputatie van het Parlement en het aanzienlijke veiligheidsrisico die contante betalingen aan bezoekersgroepen met zich meebrengen; wijst op de praktische problemen en verzoekt om een evaluatie van alternatieve en efficiënte methoden in plaats van het verrichten van contante betalingen alvorens nieuwe regels vast te stellen voor de ontvangst van bezoekersgroepen;

Transparantieregister en belangenconflicten

43.  is ingenomen met het feit dat de Commissie een openbare raadplegingsprocedure is gestart in verband met de herziening van het huidige transparantieregister van de Commissie en het Parlement, en uitbreiding daarvan tot de Raad; verzoekt om meteen na de openbare raadpleging een interinstitutionele werkgroep op te zetten om voorstellen voor te bereiden betreffende herziening van het register, de bijbehorende gedragscode, en de werking daarvan;

44.  verzoekt daarnaast om een verslag van de administratie van het Parlement waarin wordt aangegeven welke voormalige managers, bedrijfsleiders, directeuren en bestuursleden van relevante Europese NGO’s nu lid zijn van het Parlement;

45.  verzoekt om een verslag van de administratie van het Parlement over het gebruik van de gebouwen van het Parlement door belangengroepen en andere externe organisaties; verzoekt het Bureau om de verenigbaarheid van deze evenementen met de parlementaire werkzaamheden te onderzoeken, waarbij moet worden verzekerd dat het Parlement een instelling blijft die openstaat voor uitwisseling met het maatschappelijk middenveld en voor het openbare debat;

46.  herinnert aan de verplichting voor de leden om de administratie onmiddellijk in te lichten over enige wijziging van hun belangenverklaringen; betreurt dat de cv's en belangenverklaringen van de in 2014 gekozen leden pas in een zeer laat stadium op de website van het Parlement zijn geplaatst;

47.  dringt er bij het Parlement op aan regels vast te stellen voor de bekendmaking van alle input van lobbyisten of belangenvertegenwoordigers voor ontwerpbeleid, wetgeving en amendementen, bij wijze van "wetgevingsvoetafdruk";

48.  verzoekt het Bureau de technische mogelijkheid voor leden te creëren om op hun officiële webpagina desgewenst hun agenda's bekend te maken en met name hun ontmoetingen met lobbyisten aan te geven;

Directoraat-generaal Intern Beleid en directoraat-generaal Extern Beleid

49.  neemt kennis van het feit dat de kosten voor delegaties, gemengde parlementaire vergaderingen, ad-hocdelegaties en verkiezingswaarnemingsmissies buiten de EU in 2014 zijn teruggedrongen van 5 794 360 (2013) tot 1 351 212 (2014) naar aanleiding van de opmerkingen van het Europees Parlement in zijn bovengenoemde resolutie over de kwijting voor het begrotingsjaar 2013 en door de vermindering van het aantal missies als gevolg van de overgangsperiode van de ene zittingsperiode naar de volgende, waardoor de delegatiebezoeken de facto een aantal maanden zijn opgeschort; bekritiseert evenwel het feit dat sommige van de missies van het Parlement buitensporig duur waren, met name die naar verre bestemmingen; verwacht dat deze kosten op korte termijn verder verduidelijkt en verlaagd zullen worden en vraagt dat de informatie over de kosten van elke missie wordt gepubliceerd in het jaarlijkse activiteitenverslag;

50.  acht het wenselijk de mogelijkheid te overwegen het aantal delegatiebezoeken te verminderen door gebruik te maken van instrumenten op het gebied van informatica, bijvoorbeeld videoconferentie;

51.  verlangt dat de webpagina's van de interparlementaire delegaties dringend ontwikkeld en met inhoud gevuld worden; acht het ook essentieel dat, voor zover de begroting dat toestaat, de openbare vergaderingen van de delegaties rechtstreeks worden uitgezonden met behulp van webstreaming, zoals dat ook gebeurt met de vergaderingen van de parlementaire commissies;

Directoraat-generaal Parlementaire Onderzoeksdiensten

52.  herinnert eraan dat de nieuwe onderzoeksdienst voor de leden begon met het aanbieden van een specifieke onderzoeksmogelijkheden voor individuele leden, in de vorm van briefings op alle belangrijke beleidsterreinen van de Unie; wijst erop dat de onderzoeksdienst in het eerste volledige jaar dat zij actief was meer dan 450 publicaties heeft geproduceerd, 1675 verzoeken om onderzoek van leden heeft behandeld en 745 soortgelijke verzoeken van andere klanten van het Parlement heeft verwerkt; wijst erop dat deze dienst toegang biedt tot een grote hoeveelheid relevante informatie, waardoor aanzienlijk minder gebruik hoeft te worden gemaakt van externe expertise, hetgeen een aanzienlijke besparing oplevert; verzoekt om vertaling van briefings op alle belangrijke beleidsterreinen van de Unie in de officiële talen van de lidstaten;

53.  verzoekt om een duidelijker omschrijving van de taken van de verschillende dienstensectoren (onderzoeksdiensten, effectbeoordeling) en verzoekt om deze bevoegdheden bij de leden bekend te maken;

54.  verzoekt de afdeling voor ex-ante effectbeoordeling haar zichtbaarheid te vergroten, via e-mail, wat betreft de uitstekende diensten die zij de commissieleden en rapporteurs biedt, alsook wat betreft de werkmethoden van die afdeling; moedigt adviseurs en assistenten van leden aan om trainingen te volgen; verlangt een substantiële verbetering van de beschikbare personele middelen op dit gebied, aangezien het een belangrijke bijdrage zal leveren om het Parlement in staat te stellen als gelijkwaardige partner deel te nemen aan het besluitvormingsproces;

55.  acht het een goede zaak dat er tot dusver nog geen klachten zijn ingediend over een eenzijdige effectbeoordeling en verzoekt de afdeling in dit opzicht te blijven zorgen voor neutraliteit;

56.  dringt er bij DG EPRS op aan verder onderscheid te maken tussen zijn publicaties en de officiële standpunten van het Parlement, om verwarring bij het publiek en de media te voorkomen; verwelkomt de invoering van de disclaimer in alle publicaties; verzoekt DG EPRS dit zichtbaarder te maken en niet alleen op de achterpagina te plaatsen, en aanvullende kenmerken in te voeren om gemakkelijk onderscheid te kunnen maken met de officiële standpunten van het Parlement;

Directoraat-generaal Communicatie

57.  merkt op dat VoteWatch twee keer subsidie heeft gekregen (EUR 149 172 in 2012 en EUR 350 000 in 2013) voor de medefinanciering van specifieke projecten die verband houden met de Europese verkiezingen; verzoekt om een beoordeling van de toegevoegde waarde van deze projecten;

58.  is bezorgd over het gebrek aan tastbare resultaten van de communicatieactiviteiten van het Parlement, gezien de voortdurend dalende opkomst bij Europese verkiezingen, evenals het algemene gebrek aan kennis in de samenleving over de rol en de activiteiten van het Parlement;

59.  uit kritiek op de presentatie van de statistische gegevens over stemverklaringen, toespraken in de plenaire vergadering, parlementaire vragen, amendementen, ontwerpresoluties en schriftelijke vragen aan de voorzitter van de Europese Raad, de Raad, de Commissie of de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid op de website van het Parlement, die bedoeld lijken te zijn om op platforms als MEPRanking te laten zien dat de leden zogenaamd "actief" zijn; verzoekt het Parlement te stoppen met het leveren van ruwe cijfers in de vorm van statistieken en om beter passende criteria te hanteren om een lid als "actief" te kwalificeren;

60.  merkt op dat DG COMM bijzonder uitgesproken is met de oproep tot een vermindering van de uitgaven en een grotere nadruk op efficiëntie; pleit ervoor om bij de invoering van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) nadruk te leggen op effectiviteit in plaats van dure toepassingen aan te schaffen; merkt op dat de website van het Parlement, ondanks de aanzienlijke bedragen die er aan zijn besteed, nog altijd complex, moeilijk te navigeren en onvoldoende zichtbaar is; beveelt aan om de marketingstrategie te herzien; benadrukt dat een transparante en toegankelijke website van cruciaal belang is voor de betrokkenheid van burgers;

61.  roept op tot het invoeren van een nieuwe en efficiënte zoekmachine voor de website van het Parlement, met een optimaal werkende en krachtige zoekfunctie en de weergave van de resultaten op een pagina met alle benodigde informatie, gekoppeld aan een verbeterde toegang tot de site door middel van een betere herkenning van trefwoorden; beveelt aan om intensieve interinstitutionele samenwerking aan te gaan om alle databanken van websites van EU-instellingen te koppelen; wijst erop dat dit grotere transparantie voor de burgers zal opleveren met betrekking tot de activiteiten van de Unie;

Huis van de Europese geschiedenis

62.  is teleurgesteld te vernemen dat de werkzaamheden aan het Eastmangebouw, dat het gebouw voor het Huis van de Europese geschiedenis moet worden, steeds meer vertraging hebben opgelopen; roept op tot het opstellen van een communicatieplan, informatie- en websiteprojecten en een marketingplan om ervoor te zorgen dat het Huis van de Europese geschiedenis de gewenste impact verwezenlijkt;

63.  herinnert eraan dat de werkzaamheden eind 2014 afgerond hadden moeten zijn; verwacht dat de oorspronkelijk overeengekomen totale begroting voor dit bouwproject in acht wordt genomen, ondanks de vertragingen, en dat de eerste tentoonstelling eind 2016 geopend zal worden;

64.  dringt aan op een strikte scheiding tussen de informatie die het Huis van de Europese Geschiedenis verstrekt en die van het reeds bestaande Parlamentarium; wijst andermaal op het risico van te hoge vervolgkosten, die geenszins evenredig zijn met de taak van de faciliteit;

Bezoekerscentrum van het Europees Parlement

65.  verwelkomt het feit dat het Parlamentarium behoort tot de meest bezochte toeristische attracties in Brussel en in 2014 in totaal 340 500 bezoekers mocht ontvangen (tegenover 337 000 bezoekers in 2013); benadrukt dat het van belang is de Belgische autoriteiten op de hoogte te stellen van deze cijfers en van de voordelen die daaraan verbonden zijn;

66.  is bezorgd over het feit dat de begrotingslijn voor het bezoekerscentrum van het Europees Parlement met 24 % is verhoogd ten opzichte van het voorgaande jaar, terwijl het aantal bezoekers slechts met 1 % toenam;

67.  beveelt aan dat de lidstaat waar het Parlamentarium is gevestigd deels de oprichtings- en bedrijfskosten voor zijn rekening neemt;

De Lux-prijs

68.  wijst erop dat de uitgaven voor de Lux-filmprijs in 2014 neerkwamen op 391 506 EUR, wat aanzienlijk lager is dan voorgaande jaren (2013: 448 000 EUR; 2012: 434 421 EUR), ter dekking van de officiële selectie, de wedstrijd inclusief ondertiteling in de 24 officiële talen van de Unie en de prints voor de screening in de 28 lidstaten, en de prijsuitreiking; herinnert eraan dat reclame voor en promotie van de Lux-filmprijs, samen met de Sacharovprijs en vrouwenrechten, dient ter illustratie van de inzet van het Parlement voor gezamenlijke waarden als mensenrechten en solidariteit, alsmede van zijn engagement voor culturele en taalkundige verscheidenheid; betreurt dat het resultaat van een enquête over de bekendheid en impact van de Lux-prijs, waar in het kwijtingsresolutie voor 2013 om werd verzocht, nog niet beschikbaar zijn; dringt erop aan dat de resultaten van deze studie medio mei 2016 beschikbaar komen voor het publiek en dat de resultaten officieel worden gepresenteerd voor de Commissie begrotingscontrole en voor de Commissie cultuur en onderwijs;

Directoraat-generaal Personeelszaken

69.  wijst erop dat in 2014, 309 ambtenaren en tijdelijke functionarissen zijn aangeworven bij het secretariaat, alsmede 8 tijdelijke functionarissen bij de fracties; wijst erop dat op 31 december 2014 in totaal 6040 ambtenaren en tijdelijke ambtenaren bij het Parlement werkten, waarvan 5295 bij het secretariaat en 745 bij de fracties; benadrukt dat deze cijfers voor 2013 respectievelijk 6105 (totaal), 5308 (secretariaat) en 797 (fracties) bedroegen;

70.  vraagt om een verduidelijking van de kwalificatievereisten voor met name het personeel in gevoelige functies, zoals bijvoorbeeld in de commissiesecretariaten of de afdeling ex-ante effectbeoordeling; verzoekt om toetsing van specifieke vereisten met betrekking tot de ideologische en politieke neutraliteit van het personeel; verzoekt om aan het Parlement de criteria voor selectie van personeel te overleggen;

71.  wijst erop dat 114 voormalige tijdelijke functionarissen voor de vergaderperioden in Straatsburg door het Parlement in 2014 werden aangeworven als arbeidscontractanten; onderstreept dat de uitspraak van een Franse rechtbank over deze "intérimaires" op zich geen rechtvaardiging kan zijn voor het besluit om hen aan te werven op basis van het statuut;

72.  benadrukt dat in het kader van de herziening in 2014 van het personeelsstatuut en het huidige MFK, op 1 januari 2014 in totaal 67 posten (66 vaste en 1 tijdelijke) werden geschrapt uit de personeelsformatie, met het oog op de verlaging met 5 % van het aantal posten voor de periode van 2013 tot en met 2017, exclusief de fracties;

73.  wijst erop dat door de verhoging van de wekelijkse arbeidstijd van 37,5 naar 40 uur in het kader van de wijziging van het statuut van de ambtenaren het equivalent van meer dan 350 banen is bespaard en dat dit vrijwel neerkomt op de inkrimping van het personeel met 5 % die in het kader van de herziening van het statuut overeengekomen is; roept het Parlement op een transparant verslag met jaarlijkse gegevens over de geplande inkrimping van het personeelsbestand te verstrekken en hierbij rekening te houden met de verlenging van de arbeidstijd;

74.  merkt op dat het percentage vrouwelijke ambtenaren erg hoog blijft en is gestegen tot 59,2 % eind 2014 tegen 58,8 % eind 2013; maakt zich zorgen over het gebrek aan vrouwen in de leidinggevende functies, aangezien slechts 30 % van de afdelingshoofden vrouw zijn, alsmede 34 % van de directeuren en 18,2 % van de directeuren-generaal; verzoekt om de tenuitvoerlegging van een gelijkekansenplan, met name voor leidinggevende functies, om deze wanverhouding zo spoedig mogelijk te corrigeren; herinnert eraan dat 1 van de 8 directeuren en 9 van de 31 afdelingshoofden die in 2014 zijn aangesteld vrouwen zijn; is van mening dat de selectieprocedure evenwichtig moet zijn; herhaalt zijn oproep om een meer evenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen in hoge leidinggevende functies;

75.  betreurt het feit dat het Parlement nog geen jaarlijkse informatie publiceert over hoge ambtenaren die de administratie van het Parlement hebben verlaten, noch een lijst van gevallen van potentiële belangenconflicten die zijn aangepakt, zoals vereist in artikel 16, paragraaf 4, van het personeelsstatuut;

76.  wijst erop dat er eind 2014 in totaal 1686 (in 2013: 1763) APA's bij het Parlement werkten, en dat 4453 lokale medewerkers een arbeidsovereenkomst met een lid hadden;

77.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat het aantal plaatselijke medewerkers per lid in 2014 sterk uiteenliep tussen 0 en 46, terwijl het in 2013 schommelde tussen 0 en 43; wijst erop dat in 2014 91 leden meer dan 10 plaatselijke medewerkers in dienst hadden (tegenover 84 leden in 2013);

78.  is verheugd over het feit dat het Bureau op 26 oktober 2015 een nieuwe reeks regels voor het beheer van de vergoedingen voor parlementaire bijstand heeft goedgekeurd, waarmee de voorschriften voor de vergoedingen voor overeenkomsten met plaatselijke medewerkers werden versterkt, namelijk door ten minste 25 % van de toelage voor parlementaire medewerkers toe te wijzen aan uitgaven voor geaccrediteerde medewerkers;

79.  merkt op dat eind 2014 APA's 26,7 % van het personeel van het Parlement uitmaakten; herinnert eraan dat de arbeidsovereenkomsten van zo’n 700 APA's die tijdens de zevende zittingsperiode in dienst waren, in juli 2014 werden beëindigd, en dat het directoraat-generaal Personeelszaken vóór eind 2014 een grote operatie startte voor de aanwerving van 1686 APA's om de leden te ondersteunen tijdens de achtste zittingsperiode;

80.  benadrukt dat de dagvergoeding voor APA's die naar Straatsburg gaan minstens 21 % lager is dan die van het overige personeel; betreurt dat het Bureau geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek van het Parlement in paragraaf 74 van zijn resolutie van 29 april 2015; verzoekt het Bureau andermaal de nodige maatregelen te treffen om een eind te maken aan deze ongelijkheid en de vergoeding voor de APA's gelijkwaardig te maken aan die van het overige personeel;

81.  betreurt dat het Bureau geen enkel gevolg heeft gegeven aan paragraaf 71 van zijn resolutie van 29 april 2015; verzoekt het Bureau dringend de nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat het Adviescomité voor de preventie van pesten op het werk met betrekking tot APA's evenwichtig is samengesteld en ten minste twee vertegenwoordigers van de APA's;

82.  is tevreden over de maatregelen die genomen zijn om het beheer van de arbeidsovereenkomsten van de APA's bij de start van de achtste zittingsperiode in goede banen te leiden, en met name over de goede werking van de applicatie APA People; is echter van mening dat aan enkele van de diensten die betrokken zijn bij de procedure voor de aanwerving van APA's meer personeel had moeten worden toegewezen om deze sneller en efficiënter te maken; onderstreept dat de ter beschikking gestelde personele en technische middelen onvoldoende waren om vertraging bij het sluiten van contracten van enkele medewerkers en zelfs enkele contractverbrekingen, alsmede vertraging bij de berekening van de dagvergoedingen en andere toelagen en dientengevolge de betaling van salarissen, te voorkomen; wijst er niettemin op dat de procedure duidelijk is verbeterd ten opzichte van 2009 en dat het Parlement een snel en soepel verloop van de aanwervingsprocedures moet blijven bevorderen;

83.  verzoekt de secretaris-generaal en het Bureau oplossingen te zoeken voor de problemen in verband met de APA's, zoals mogelijkerwijs het geval is bij de vertragingen bij het sluiten van contracten aan het begin van de huidige zittingsperiode, het verbreken van contracten, de gevolgen van het naar voren halen van de datum van Europese verkiezingen voor de vereiste minimumpremietijdvakken, enz.; vraagt om de vertegenwoordigers van de APA's bij de zoektocht naar oplossingen te betrekken;

84.  neemt nota van de geboekte vooruitgang om de bijscholingscursussen aan de specifieke behoeften van de APA's aan te passen; acht het echter van fundamenteel belang verdere inspanningen in dit verband te leveren, met name op het vlak van specifieke opleidingen, aangepaste lestijden en intensieve taalcursussen, die alleen maar worden georganiseerd in periodes waarin de meeste APA's hun jaarlijkse vakantie moeten opnemen; vraagt om ook bij de planning van de activiteiten ter verbetering van het welzijn op het werk (mindfulness), conferenties tijdens de middagpauze, enz. rekening te houden met de specifieke situatie van de APA's;

85.  neemt nota van het evaluatieverslag betreffende het statuut van de parlementaire medewerkers dat het Parlement heeft opgesteld en in juli 2015 heeft uitgebracht; betreurt dat in dat verslag haast alleen de resultaten van de applicatie APA-People worden beoordeeld en slechts enkele problemen aan bod komen die de diensten hebben ondervonden bij de toepassing van het statuut en de interne uitvoeringsbepalingen; is ontevreden over en het volledig oneens met enkele waardeoordelen in het tweede deel van het verslag; is dan ook van mening dat de uitgevoerde evaluatie haar doel voorbijschiet, behalve wat de applicatie APA-People betreft; verzoekt het Parlement daarom vóór het einde van het jaar een alomvattende evaluatie van het statuut en de uitvoeringsbepalingen uit te voeren; daarbij moeten ook alle juridische aspecten aan bod komen die problemen opleveren, zodat de grondslagen kunnen worden gelegd om de bepalingen binnen afzienbare tijd te verbeteren, aan te passen en te herzien; vraagt om ook de officiële vertegenwoordigers van de APA's hierbij te betrekken, vooral rekening houdend met de bijzonder positieve rol die zij bij de eerste herziening hebben vervuld;

86.  wenst dat met het oog op de transparantie in het jaarverslag van het Parlement melding wordt gemaakt van de door het personeelscomité georganiseerde en gefinancierde activiteiten ten laste van de begroting van de instelling, met een uitsplitsing naar soorten activiteiten en gedetailleerde informatie over de kosten en de inachtneming van de beginselen van goed financieel beheer;

87.  verlangt de resultaten van de evaluatie van de doeltreffendheid van de applicatie APA People voor de aanwerving van APA's, dat aan het begin van de huidige zittingsperiode werd ingevoerd;

Directoraat-generaal Infrastructuur en Logistiek

88.  benadrukt dat in het kader van de nieuwe strategie voor het gebouwenbeleid op de middellange termijn gezocht zal worden naar nieuwe gebouwen om te voldoen aan de behoeften van het Parlement, en wel binnen een bepaalde perimeter rond de hoofdgebouwen; benadrukt dat de meerjarenplanning voor renovatiewerkzaamheden gebaseerd moet zijn op realistische en gedetailleerde ramingen, zowel wat de financiële aspecten als wat de tijdsduur betreft; herinnert eraan dat het Parlement reeds 81 % van het gebruikte kantooroppervlak in bezit heeft en dat de begroting moet worden beschermd tegen de kosten van de renovatie van verouderende gebouwen, wat de komende jaren een belangrijke uitdaging zal zijn voor het Parlement;

89.  wijst erop dat het Parlement op zijn drie werklocaties in totaal 1,1 miljoen m2 aan kantooroppervlak gebruikt; acht het uitermate belangrijk dat er maatregelen worden getroffen om de gebouwen van het Parlement duurzaam te houden, gezien de stijgende onderhoudskosten;

90.  dringt aan op de grootst mogelijke voorzichtigheid alvorens tot de aankoop of huur van nieuwe ruimtes over te gaan, en op de noodzaak van regelmatige monitoring en bijstelling van het strategische gebouwenplan, en is van mening dat het strategisch uitvoeringskader ook mogelijkheden moet bieden om het Parlement in staat te stellen de behoefte aan nieuwe gebouwen te verminderen, door de organisatie meer te richten op resultaten en op het vinden van een evenwicht tussen werk en privéleven; wijst erop dat algemeen beschikbare technologieën en praktijken als telewerken ook kunnen bijdragen tot een efficiëntere tijdsbesteding en een milieuvriendelijker Parlement;

91.  wijst erop dat sinds juni 2014 ongeveer 1000 personeelsleden van DG IPOL, EXPO en EPRS naar het Square de Meeûsgebouw zijn verhuisd; herinnert eraan dat deze verhuizing de eerste belangrijkste stap was in het proces van vrijmaking van aanvullende ruimten voor de leden in de hoofdgebouwen van het Parlement; wenst geïnformeerd te worden over de volgende stappen die het Parlement zal nemen, met een concreet tijdschema waarin wordt aangegeven wanneer de extra kantoren beschikbaar zullen komen;

92.  verzoekt de administratie faciliteiten in de hoofdgebouwen van het Parlement te verzorgen voor het personeel dat werkzaam is het Square de Meeûsgebouw, met inbegrip van een ruimte voor leden om geclassificeerde documenten in te zien;

93.  betreurt dat een samenwerkingsakkoord tussen het Parlement en de Commissie over het gezamenlijk beheer van de Huizen van Europa nog steeds niet mogelijk was; dringt er bij beide instellingen op aan om een wederzijds aanvaardbaar akkoord te bereiken waarin een kader wordt aangegeven voor de aanschaf of het huren van gebouwen, en om de administratieve en financiële procedures voor het dagelijks beheer van de Huizen van Europa te vereenvoudigen; roept de politieke hiërarchie op in te grijpen, indien nodig;

94.  is van mening dat een renovatie van het SPAAK-gebouw hoognodig is, inclusief een uitbreiding van het gebouw en van de seminarzalen voor bezoekers en de kantoorruimten voor de leden van het Parlement; ondersteunt de planning van de administratie, maar benadrukt dat deze gebaseerd moet zijn op het huidige aantal leden, en niet op het aantal leden na een mogelijke, en onrealistische, uitbreiding van de Unie;

95.  vraagt om een concrete planning en kostenramingen voor de renovatiewerkzaamheden; dringt aan op grotere transparantie en de participatie van individuele leden aan besluiten die doorslaggevend zijn voor de administratieve en financiële aspecten van de instelling; acht de verstrekte informatie en de voorafgaande overeenkomsten gesloten op het niveau van de Conferentie van voorzitters en het Bureau ontoereikend; verzoekt om alle strategische documenten inzake de organisatie en de toekomstige ontwikkeling van het Parlement aan alle leden te doen toekomen;

96.  is verontrust over het voorstel om de chauffeursdienst te internaliseren en over het feit dat de kosten daardoor in 2017 met meer dan 50 % zullen stijgen ten opzichte van 2016;

Directoraat-generaal Vertolking en Conferenties en directoraat-generaal Vertaling

97.  merkt op dat uit de berekening van het Parlement blijkt dat in 2014 het gemiddelde aantal uren dat tolken in hun cabines doorbrachten om vertolking te leveren 10,7 uur per week bedroeg; wijst er echter op dat de uren in de cabine slechts een deel vormen van de door tolken te verrichten taken, die ook de voorbereiding op vergaderingen inhouden, alsmede het leren en bijhouden van talen, het houden van wachtdienst en het volgen van op bepaalde onderwerpen gerichte en andere gespecialiseerde opleidingen; roept de secretaris-generaal op indicatoren aan te leveren om alle activiteiten van de tolken te meten; betreurt de spreiding in de levering van tolkendiensten door individuele tolken van 6 tot 16 uur per week gemiddeld op jaarbasis, hetgeen leidt tot een ongelijke werklast voor de tolken; merkt op dat 2014 vanwege de verkiezingen een ongewoon jaar was wat betreft het volume van parlementaire activiteiten;

98.  stelt met bezorgdheid vast dat de berekeningsmethode voor de statistieken niet is verduidelijkt en verzoekt de administratie om over haar processen beter te communiceren met de relevante vertegenwoordigers van de tolken;

99.  verzoekt de administratie het jaarlijks verlof en het ziekteverlof buiten beschouwing te laten bij de berekening van het gemiddelde aantal uren van tolken in de cabine;

100.  wijst nogmaals op het belang van meertaligheid voor de democratische legitimiteit van de instelling; is ingenomen met het feit dat dankzij het beleid van meertaligheid met een efficiënt gebruik van hulpbronnen, dat door het Bureau in 2011 is goedgekeurd, en dankzij daaropvolgende organisatorische hervormingen, aanzienlijke besparingen zijn gerealiseerd op de begrotingslijnen voor vertolking; is van mening dat de werkomstandigheden garanties moeten bieden ter bescherming van zowel de kwaliteit van de dienstverlening als de gezondheid van de tolken; wijst erop dat hierbij ook tegemoet gekomen moet worden aan de behoeften in verband met de veranderde patronen van de Parlementaire werkzaamheden en een efficiënt gebruik van hulpmiddelen; verzoekt de secretaris-generaal zijn inspanningen om nauw met de tolken samen te werken voort te zetten;

101.  benadrukt dat er nog steeds ruimte is voor efficiëntieverhoging bij het aanbod van vertolking, met name door een verhoging van de doelmatigheid van een dienst die momenteel nog wordt gehinderd door regelgeving uit 2005, die niet langer verenigbaar is met de huidige praktijk van vergaderingen van de instelling; vraagt om een onderzoek naar mogelijke efficiëntieverbeteringen bij de eenheden voor administratieve ondersteuning binnen DG INTE;

102.  verzoekt een evaluatie uit te voeren om na te gaan of de benodigde hoeveelheid interne tolken ook wordt gegarandeerd gedurende de belangrijkste werkdagen van het Parlement;

103.  verzoekt het directoraat-generaal Vertolking en conferenties om de nodige beheersmaatregelen ter verbetering van de IT-instrumenten en de technische ondersteuning voor tolken af te stemmen op die van de Commissie, de productiviteit in de vorm van vertolkingsopdrachten te verhogen, de werkbelasting van individuele tolken op elkaar af te stemmen en ervoor te zorgen dat tolken aanwezig en beschikbaar zijn tijdens de belangrijkste werkdagen van het Parlement, met volledige eerbiediging van hun sociale rechten; verzoekt de secretaris-generaal tot slot een nieuw concept te presenteren gericht op een efficiënte en kosteneffectieve inzet van het personeel, dat ook moet steunen op een overeenkomst met de tolken;

104.  is van mening dat de vertolkingsdiensten beter benut zouden kunnen worden als de tolken doeltreffender ingeschakeld worden, met name in samenspraak met de Commissie in het kader van institutionele samenwerking;

105.  is bezorgd over het feit dat de verantwoordelijkheid voor de organisatie van vergaderingen en conferenties is verspreid over verschillende DG's;

Directoraat-generaal Financiën

Reisbureau

106.  is verheugd over het feit dat de instructies van DG FINS aan het reisbureau om de beste prijzen te vinden doeltreffend ten uitvoer worden gelegd; moedigt het reisbureau verder aan intensievere vergelijkingen door te voeren en te streven naar afspraken met grote luchtvaartmaatschappijen voor grotere flexibiliteit en betere prijzen, met waarborging van de mogelijkheid om reizen te wijzigen of te annuleren; roept het reisbureau op actiever op zoek te gaan naar goedkopere tickets en aanbiedingen en in algemene zin prijzen te bieden die concurrerender zijn, door alle luchtvaartmaatschappijen te overwegen; verzoekt DG FINS een enquête te houden onder de gebruikers over het niveau van tevredenheid met de dienstverlening door het reisbureau, om verdere gebieden voor verbetering vast te kunnen stellen;

107.  neemt nota van de complexiteit van het behandelen van verzoeken op het gebied van reizen voor een instelling met de omvang, de taken en de bijzonderheden van het Parlement (flexibiliteit, annuleringen op het laatste moment), die inherent zijn aan de aard van zijn werkzaamheden;

108.  verzoekt DG FINS in nauwe samenwerking met DG SAFE en DG COMM de plannen voor noodsituaties te herzien om beter te kunnen inspelen op nieuwe bedreigingen voor de veiligheid, met name voor dienstreizen tussen de verschillende locaties van de instelling;

Vrijwillig pensioenfonds

109.  wijst erop dat het geraamde actuarieel tekort van het vrijwillig pensioenfonds, dat wordt berekend op basis van de activa van het fonds, eind 2014 was toegenomen tot 270,3 miljoen EUR (in 2013: 207,9 miljoen EUR); benadrukt dat dit aanleiding geeft tot bezorgdheid met betrekking tot het vervroegd wegslinken van het kapitaal van het fonds;

110.  wijst erop dat de geraamde toekomstige schulden van het fonds over meerdere decennia zijn uitgesmeerd; verzoekt het Bureau na te denken over manieren ter verbetering van de liquiditeit van het fonds;

111.  dringt erop aan dat de resultaten van de externe evaluatie waar het Parlement in zijn voornoemde resolutie over de kwijting voor het begrotingsjaar 2013 heeft gevraagd, tijdig worden geleverd; wijst in de eerste plaats de raad van bestuur van het vrijwillig pensioenfonds aan als verantwoordelijk voor de omvang van het tekort van het fonds; dringt aan op één enkele opzet van het particuliere pensioenfonds, om de schulden van dit fonds te beperken; verzoekt het Bureau om meteen na de afronding van de externe evaluatie een voorstel voor omvattend actieplan op te stellen om de verantwoordelijkheden van het Parlement na te komen; acht het noodzakelijk om de pensioenrechten voor de deelnemende leden van het fonds te verlagen;

112.  verzoekt het Bureau zo spoedig mogelijk een beoordeling uit te voeren van de huidige situatie van het pensioenfonds;

Assistentie aan de leden

113.  is ingenomen met de nieuwe, strengere regels die van toepassing zijn op plaatselijke medewerkers en dienstverleners; merkt op dat sommige punten van de nieuwe voorschriften vaag blijven en een bron van misverstanden vormen; dringt aan op verdere verduidelijking van deze punten, met name met betrekking tot nevenactiviteiten van plaatselijke medewerkers en dienstverleners; benadrukt dat beide groepen onder zeer strikte controle moeten staan;

114.  is verheugd over de oprichting van het e-Portal van de leden; beschouwt dit als een kosteneffectief en doeltreffend instrument voor de evaluatie van de financiën, in overeenstemming met het papierloze beleid van het Parlement; verzoekt DG FINS het gebruik ervan door alle leden actief te bevorderen;

Directoraat-Generaal Innovatie en Technologische Ondersteuning

115.  constateert dat het beleid van het Parlement op het vlak van informatiebeveiliging een gecoördineerde en geharmoniseerde beveiligingsstrategie vereist;

116.  vraagt om sterkere systemen voor informatiebeveiliging om, met waarborging van openbaarmaking, gegevens te beschermen tegen ongeoorloofde toegang, verstoring, wijziging of vernietiging, met het oog op de integriteit, de vertrouwelijkheid en de beschikbaarheid van de gegevens;

117.  pleit voor de oprichting van een systeem voor vroegtijdige waarschuwing in noodgevallen, met behulp waarvan DG ITEC, in samenwerking met DG SAFE, snel via sms of e-mail mededelingen kan versturen naar leden en personeelsleden die ervoor hebben gekozen om hun naam op een lijst te laten plaatsen die in specifieke noodsituaties voor dit doel wordt gebruikt;

118.  neemt nota van het feit dat een externe ICT audit werd uitgevoerd door een onafhankelijke derde partij, zoals gevraagd in het kader van de kwijting 2013; merkt verder op dat het doel van deze audit was om de capaciteit van de ICT-beveiliging en de potentiële blootstelling van de ICT-systemen aan cyberdreigingen te beoordelen, met het oog op de uitwerking van een plan ter verbetering van de ICT-beveiliging, met inbegrip van een voorstel voor een stappenplan ter versterking van het algemene beveiligingsniveau van het Parlement; verzoekt om de vaststelling van regels inzake cyberveiligheid, om te waarborgen dat het Parlement zijn informatiesystemen op deugdelijke wijze kan beschermen, en ervoor te zorgen dat de leden goed zijn beveiligd tegen cyberaanvallen;

119.  is bezorgd over het feit dat de beoordeling van de organisatie, de geavanceerdheid en de capaciteiten van de ICT-beveiliging van het Parlement, uitgevoerd overeenkomstig de ISO 27002:2013-normen en de beste internationale praktijken, wees op een betrekkelijk laag niveau van geavanceerdheid van de organisatorische beveiliging;

120.  verzoekt om regelmatige stresstests van de veiligheidssystemen van het Parlement op het gebied van ICT;

121.  wijst erop dat het Bureau op zijn vergadering van 7 september 2015 een beleid betreffende de beveiliging van ICT-systemen heeft goedgekeurd; benadrukt de dringende noodzaak van een aanzienlijk robuuster ICT-beveiligingsbeleid, in overeenstemming met het stappenplan van het Parlement voor een algemene strategie voor informatiebeveiliging;

Directoraat-generaal Beveiliging en Veiligheid

122.  neemt kennis van het feit dat de internalisering van de veiligheidsdiensten in Brussel in december 2014 werd voltooid en in Straatsburg op 1 juli 2015, na de goedkeuring van een algemeen veiligheidsconcept; benadrukt dat het doorvoeren van aanvullende veiligheidsmaatregelen en een spoedige herziening van het algemeen veiligheidsconcept, zoals goedgekeurd door het Bureau in 2011, moeten plaatsvinden in het licht van de recente veiligheidssituatie;

123.  uit zijn bezorgdheid over de verschillende benaderingen die zijn toegepast door de autoriteiten van Straatsburg en Brussel met betrekking tot de beveiliging van de gebouwen van het Parlement; acht het onontbeerlijk om nauw samen te werken met de Belgische, Franse en Luxemburgse autoriteiten ter versterking van de beveiligingszone rondom de gebouwen van het Parlement;

124.  roept op tot een doeltreffend onderzoek van al het beveiligingspersoneel om hun geschiktheid voor de uitvoering van hun taken te waarborgen zowel in termen van betrouwbaarheid als vakbekwaamheid;

125.  benadrukt dat de versterking van de beveiliging van de gebouwen van het Parlement en hun directe omgeving de hoogste prioriteit verdient; acht het noodzakelijk te zorgen voor passende apparatuur en arbeidsomstandigheden voor beveiligingspersoneel in het licht van de huidige veiligheidssituatie;

126.  dringt aan op een herziening van de veiligheidsmaatregelen van de gebouwen en op betere controle bij de ingang van de parkeergarages van het Parlement door middel van automatische nummerplaatherkenning; dringt aan op de invoering van een centraal extern punt voor het controleren van alle externe dienstverleners die de gebouwen van het Parlement betreden;

127.  herinnert aan de incidenten met betrekking tot diefstallen in de kantoren van EP-leden; verzoekt DG INLO en DG SAFE te zorgen voor meer veiligheid en transparantie ten aanzien van contractanten en onderhoudspersoneel dat toegang heeft tot de kantoren;

128.  acht het van fundamenteel belang een grondige screening vóór indiensttreding toe te passen, alsmede bindende procedures voor het vertrek van personeel, passende structuren voor veiligheidsbeheer en adequate trainingen inzake crisismanagement;

129.  herinnert aan het incident van 7 oktober 2014 met Koerdische demonstranten; dringt aan op een omvattende en vertrouwelijke beoordeling van de veiligheidsdiensten van het Parlement; verwelkomt, als eerste stap, dat een groep op hoog niveau is opgericht, bestaande uit vertegenwoordigers van het Parlement, de Commissie, de Raad en de Belgische overheid, gericht op het versterken van de samenwerking op het gebied van veiligheid; dringt aan op verdere samenwerking met nationale en internationale veiligheidsdiensten;

130.  wijst op de noodzaak van nauwere samenwerking tussen DG SAFE en DG ITEC, om te zorgen voor een passend niveau van bescherming van de informatie en communicatie binnen het Parlement;

131.  merkt op dat de instellingen en organen van de Unie momenteel bij het aanpakken van uitdagingen op het gebied van veiligheid en bestrijding van terrorisme aparte middelen, andere regels en diverse uitrusting gebruiken die onderling niet compatibel zijn; is van mening dat deze situatie niet alleen wijst op een zwak beheer van de middelen binnen de respectieve instanties (de jaarlijkse begroting voor veiligheidsgerelateerde uitgaven bedraagt zowel voor de Commissie als voor het Parlement ongeveer 40 miljoen EUR, terwijl de Raad over ongeveer 15 miljoen EUR beschikt en de Europese dienst voor extern optreden (EDEO) over meer dan 5 miljoen EUR enkel en alleen voor de beveiliging van hun gebouwen in Brussel), maar ook tot gevolg kan hebben dat de kwetsbaarheid van de instellingen van de Unie toeneemt;

132.  is bezorgd over de huidige veiligheidssituatie waarbij overal in Europa en daarbuiten een ernstige terreurdreiging geldt, met name sinds de gecoördineerde aanslagen in Brussel en Parijs en de verijdelde aanslag op de Thalys-trein; roept alle EU-instellingen op proactief nauwere samenwerking te bevorderen, niet alleen onderling maar ook met de nationale autoriteiten van de ontvangende landen waar zij gevestigd zijn, kantoren of delegaties hebben of hun taken verrichten;

133.  dringt er bij de secretaris-generaal en de respectieve administratieve instanties van de Commissie, de Raad, de EDEO en de parlementaire commissies op aan mogelijke gronden voor een gemeenschappelijk interinstitutioneel veiligheidsbeleid te verkennen, met inbegrip van een actieplan voor de ontwikkeling van gemeenschappelijke elementen, zoals middelen en methodes voor risicobeoordeling, personeel en middelen voor de bescherming van de respectieve politieke instanties en prominente gasten, een opleidingssyllabus en middelen voor het veiligheidspersoneel, apparatuur en technologie voor toegangscontrole, cyberveiligheid en communicatiebeveiliging, alsook gespecialiseerd middelenbeheer, dit alles in synergie met de bevoegde autoriteiten van de ontvangende landen waar de belangrijkste instellingen, externe bureaus en delegaties gevestigd zijn;

Milieuvriendelijk Parlement

134.  is ingenomen met de positieve conclusies van de audit die de Europese Rekenkamer in 2013 en 2014 heeft uitgevoerd en waarin zij onderstreept dat van de 14 gecontroleerde Europese instellingen het Parlement de meest ambitieuze strategie ter vermindering van koolstofemissies had uitgestippeld;

135.  vestigt er de aandacht op dat videoconferenties en telewerken kunnen bijdragen tot een efficiëntere tijdsbesteding en een milieuvriendelijker Parlement, en tegelijk de administratieve kosten en reiskosten beperken;

136.  benadrukt dat het concept van groene overheidsopdrachten moet worden toegepast op alle contracten en aanbestedingen; verzoekt om ambitieuze bindende doelstellingen voor groene contracten, met name op het gebied van voedsel en catering, voertuigen en vervoer, sanitaire en watervoorzieningsinstallaties, papier, afvalbeheer, IT en beeldapparatuur, verlichting, schoonmaak en meubelen;

Groene overheidsopdrachten en EMAS

137.  verzoekt de secretaris-generaal een plan uit te werken ter beperking van het aantal verhuiskisten dat voor parlementaire reizen beschikbaar is; stelt voor een "kist-op-aanvraag-systeem" of een systeem "van gemeenschappelijk gebruik van een kist" in te voeren om zo de financiële kosten en de koolstofvoetafdruk terug te dringen;

138.  verwelkomt aanvullende maatregelen ter compensatie van onvermijdelijke emissies; verzoekt het Parlement het beleid voor de compensatie van CO2-uitstoot verder te ontwikkelen;

Fracties (begrotingspost 4 0 0)

139.  merkt op dat de voor 2014 op begrotingspost 4 0 0 opgenomen kredieten, toegekend aan de fracties en de niet-fractiegebonden leden, als volgt werden gebruikt:

Fractie

Eerste helft 2014

Tweede helft 2014

Jaarlijkse kredieten

Eigen middelen en overgedragen kredieten*

Uitgaven

Gebruikmakingspercentage van de jaarlijkse kredieten

Overdrachten naar de volgende periode

Jaarlijkse kredieten

Eigen middelen en overgedragen kredieten

Uitgaven

Gebruikmakingspercentage van de jaarlijkse kredieten

Overdrachten naar de volgende periode (2015)

EPP

11 147

7 813

11 311

101 %

7 649

8 772

7 744

6 485

74 %

9 960

S&D

7 956

4 619

8 415

106 %

4 160

7 663

4 194

6 435

84 %

5422

ECR

2 128

1 053

2 731

128 %

450

2 886

457

1 745

60 %

1598

ALDE

3 401

1 759

3 644

107 %

1 516

2 813

1 531

1 847

66 %

2498

GUE/NGL

1 374

417

1 519

111 %

272

2 153

272

1 170

54 %

1255

Verts/ALE

2 211

1 388

2 689

122 %

911

2 081

912

1 707

82 %

2 146

EFDD

1 229

1 137

1 544

126 %

822

2 002

827

1 164

58 %

1287

Niet-ingeschrevenen

753

441

715

95 %

92

1 238

92

566

46 %

533

Totaal

30 200

18 626

32 567

 

15 872

29 608

16 030

21 118

 

29 442

* alle bedragen x 1000 EUR

Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen

140.  merkt op dat de voor 2014 op begrotingspost 4 0 2 opgenomen kredieten als volgt werden gebruikt(2):

Partij

Afkorting

Eigen middelen*

Subsidie EP

Totale inkomsten

EP-subsidie als % van de subsidiabele uitgaven (max. 85 %)

Ontvangsten-overschot (overgedragen naar reserves) of -verlies

Europese Volkspartij

EPP

144.126

145.327

146.605

85%

345

Partij van de Europese Sociaaldemokraten

PES

147.083

148.297

149.864

85%

78

Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa

ALDE

759

150.813

151.582

85%

173

Europese Groenen

EGP

575

152.918

153.493

84%

50

Alliantie van Europese Conservatieven en Hervormers

AECR

373

154.943

155.376

85%

0

Europese Linkse Partij

EL

282

156.219

157.501

85%

54

Europese Democratische Partij

EDP/PDE

123

565

730

85%

13

EUDemocraten

EUD

49

274

340

85%

0

Europese Vrije Alliantie

EFA

126

526

708

85%

0

Europese Christelijke Politieke Beweging

ECPM

73

388

475

85%

4

Europese Alliantie voor Vrijheid

EAF

93

521

614

84%

-3

Alliantie van Europese Nationale Bewegingen

AEMN

117

363

480

85%

37

Beweging voor een Europa van Vrijheid en Democratie

MELD

124

635

941

85%

5

Totaal

 

5.903

25.789

35.709

85%

756

(*) alle bedragen x 1000 euro

141.  merkt op dat de voor 2014 op begrotingspost 4 0 3 opgenomen kredieten als volgt werden gebruikt(3):

Stichting

Afkorting

Gelieerd aan partij

Eigen middelen*

Subsidie EP

Totale inkomsten

EP-subsidie als % van de subsidiabele uitgaven (max. 85 %)

 

Wilfried Martens Centrum voor Europese Studies

WMCES

EPP

831

159.203

160.034

85%

 

Foundation for European Progressive Studies

FEPS

PES

636

161.087

162.723

85%

 

Europees Liberaal Forum

ELF

ALDE

169

941

163.110

85%

 

Green European Foundation

GEF

EGP

174

914

164.088

85%

 

Transform Europe

TE

EL

111

587

698

85%

 

Institute of European Democrats

IED

PDE

43

265

308

85%

 

Centrum Maurits Coppieters

CMC

EFA

48

216

264

85%

 

New Direction - Foundation for European Reform

ND

AECR

195

915

165.110

85%

 

European Foundation for Freedom

EFF

EAF

45

244

289

85%

 

Organisation For European Interstate Cooperation

OEIC

EUD

21

135

156

85%

 

Christian Political Foundation for Europe

CPFE

ECPM

37

187

224

85%

 

Foundation for a Europe of Liberties and Democracy

FELD

MELD

62

271

333

85%

 

Identités & Traditions europénnes

ITE

AEMN

42

174

216

85%

 

Totaal

 

 

2.414

12.139

14.553

85%

 

(*) alle bedragen x 1000 euro

 

-

166.229

167.325

168.554

85%

(1) Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling I — Europees Parlement (PB L 255 van 30.9.2015, blz. 3).
(2) Bron: PV BUR. van 20.10.2014 (PE 538.295/BUR) en PV BUR. van 20.10.2014 (PE 538.297/BUR) punt 12.
(3) Bron: PV BUR. van 20.10.2014 (PE 538.295/BUR) en PV BUR. van 20.10.2014 (PE 538.297/BUR) punt 12.

Juridische mededeling