Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2193(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0117/2016

Ingediende teksten :

A8-0117/2016

Debatten :

PV 27/04/2016 - 17
CRE 27/04/2016 - 17

Stemmingen :

PV 28/04/2016 - 4.39
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0175

Aangenomen teksten
PDF 186kWORD 83k
Donderdag 28 april 2016 - Brussel Definitieve uitgave
Kwijting 2014: Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT)
P8_TA(2016)0175A8-0117/2016
Besluit
 Besluit
 Resolutie

1. Besluit van het Europees Parlement van 28 april 2016 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor innovatie en technologie voor het begrotingsjaar 2014 (2015/2193(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Instituut voor innovatie en technologie voor het begrotingsjaar 2014,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Instituut voor innovatie en technologie betreffende het begrotingsjaar 2014 vergezeld van het antwoord van het Instituut(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2016 betreffende de aan het Instituut te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014 (05584/2016 – C8-0091/2016),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EG) nr. 294/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 tot oprichting van het Europees Instituut voor innovatie en technologie(4), en met name artikel 21,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(6), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 van en bijlage V bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0117/2016),

1.  verleent de directeur van het Europees Instituut voor innovatie en technologie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Instituut voor het begrotingsjaar 2014;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Instituut voor innovatie en technologie, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

(1) PB C 409 van 9.12.2015, blz. 187.
(2) PB C 409 van 9.12.2015, blz. 187.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB L 97 van 9.4.2008, blz. 1.
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.


2. Besluit van het Europees Parlement van 28 april 2016 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Instituut voor innovatie en technologie voor het begrotingsjaar 2014 (2015/2193(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Instituut voor innovatie en technologie voor het begrotingsjaar 2014,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Instituut voor innovatie en technologie betreffende het begrotingsjaar 2014 vergezeld van het antwoord van het Instituut(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2016 betreffende de aan het Instituut te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014 (05584/2016 – C8-0091/2016),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EG) nr. 294/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 tot oprichting van het Europees Instituut voor innovatie en technologie(4), en met name artikel 21,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(6), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 van en bijlage V bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0117/2016),

1.  stelt vast dat de definitieve jaarrekening van het Europees Instituut voor innovatie en technologie overeenkomt met de weergave in de bijlage bij het verslag van de Rekenkamer;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het Europees Instituut voor innovatie en technologie voor het begrotingsjaar 2014;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van het Europees Instituut voor innovatie en technologie, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

(1) PB C 409 van 9.12.2015, blz. 187.
(2) PB C 409 van 9.12.2015, blz. 187.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB L 97 van 9.4.2008, blz. 1.
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.


3. Resolutie van het Europees Parlement van 28 april 2016 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor innovatie en technologie voor het begrotingsjaar 2014 (2015/2193(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor innovatie en technologie voor het begrotingsjaar 2014,

–  gezien artikel 94 van en bijlage V bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0117/2016),

A.  overwegende dat volgens zijn financiële staten de definitieve begroting van het Europees Instituut voor innovatie en technologie (hierna: "het Instituut") voor het begrotingsjaar 2014 in totaal 233 115 437 EUR bedroeg, een stijging met 65,54 % ten opzichte van 2013; overwegende dat die stijging hoofdzakelijk het gevolg was van het uitgebreidere portfolio van het Instituut en het grotere aantal begunstigden, alsook van een wijziging in de oprichtingsverordening;

B.  overwegende dat volgens zijn financiële staten de totale bijdrage van de Unie aan de begroting van het Instituut voor 2014 169 807 303 EUR bedroeg, een stijging met 81,69 % ten opzichte van 2013;

C.  overwegende dat de Rekenkamer in haar verslag over de jaarrekening van het Instituut voor het begrotingsjaar 2014 (hierna "het verslag van de Rekenkamer") verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben gekregen dat de jaarrekening van het Instituut betrouwbaar is en de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn;

Toelichtende paragraaf

1.  verneemt uit het verslag van de Rekenkamer dat de bovengrens van 25 % van de totale uitgaven van de "kennis- en innovatiegemeenschapen" (KIG's), die steun ontvangen van het Instituut, gedurende de eerste vijf jaar in acht is genomen; neemt er voorts kennis van dat het Instituut controlecertificaten heeft verkregen inzake de in de periode 2010-2014 gemaakte kosten voor aanvullende activiteiten van de KIG's; neemt er nota van dat het Instituut een evaluatie heeft uitgevoerd van het portfolio van de aanvullende activiteiten van de KIG's, om ervoor te zorgen dat uitsluitend die activiteiten worden aanvaard die voldoen aan alle wettelijke en operationele voorschriften die aan aanvullende activiteiten van de KIG's zijn gesteld, met inbegrip van de eis dat deze activiteiten verband moeten houden met door het Instituut gefinancierde activiteiten met een meerwaarde van de KIG's;

Begrotings- en financieel beheer

2.  stelt vast dat de inspanningen op het gebied van begrotingstoezicht gedurende het begrotingsjaar 2014 hebben geresulteerd in een uitvoeringspercentage van de begroting van 94,13 %, een daling met 2,84 % ten opzichte van 2013; merkt daarnaast op dat het uitvoeringspercentage van de betalingskredieten 92,79 % bedroeg, een daling met 4,07 % ten opzichte van 2013;

3.  verneemt dat de jaarlijkse begroting 2014 van het Instituut door onzekerheden werd omgeven door de lopende onderhandelingen over het meerjarig financieel kader 20142020 en Horizon 2020 gedurende 2013; neemt er kennis van dat de raad van bestuur van het Instituut voor een voorzichtige benadering van de begrotingsplanning heeft gekozen door slechts een deel van de begroting als eerste tranche voor de subsidieovereenkomsten van 2014 toe te kennen; stelt evenwel vast dat een hoog bedrag aan vastleggingskredieten ongebruikt is gebleven; merkt op dat dit komt doordat de KIG's weinig subsidies hebben gevraagd en doordat de toekenning van hogere bedragen de volledige uitvoering van de ondernemingsplannen van de KIG's in gevaar zou hebben gebracht; verneemt dat de operationele activiteiten van het Instituut en de KIG's meerjarig van aard zijn en dat dit tot uiting komt in een specifieke afwijking voor het Instituut, waardoor het geannuleerde kredieten de drie volgende jaren opnieuw in zijn begroting mag opvoeren;

4.  verneemt uit het verslag van de Rekenkamer dat het Instituut heeft zijn begrotingsbehoeften voor 2014 met 13 100 000 EUR heeft overschat en dat slechts 220 000 000 EUR van de beschikbare 233 100 000 EUR is vastgelegd; stelt vast dat dit voornamelijk verband hield met de niet-gebruikte kredieten voor de subsidies (11 400 000 EUR) ter financiering van KIG-activiteiten; merkt op dat de ondernemingsplannen van de KIG's, op basis waarvan de subsidieovereenkomsten werden ondertekend, niet vereisten dat alle voor het Instituut beschikbare kredieten voor 2014 werden benut, en dat de niet-gebruikte kredieten zullen worden opgenomen in de begrotingen van het Instituut voor de jaren 2015-2017, zoals bepaald in het financieel reglement van het Instituut;

5.  verneemt met bezorgdheid dat volgens het verslag van de Rekenkamer, terwijl de KIG's strategieën voor financiële duurzaamheid moeten ontwikkelen, zij tot op heden, en in het vijfde jaar van hun bestaan, nog steeds volledig afhankelijk zijn van financiering door het Instituut en de KIG-partners; verneemt dat het Instituut de "Beginselen voor de financiële duurzaamheid van KIG's" heeft goedgekeurd, dat alle KIG's deze tot een van hun prioritaire doelstellingen hebben gemaakt en dat de activiteiten dienovereenkomstig worden herzien teneinde inkomen uit de activiteiten te genereren en verscheidene inkomstenstromen tot stand te brengen; neemt er kennis van dat de raad van bestuur van het Instituut in maart 2015 een reeks beginselen heeft goedgekeurd volgens welke de maximale bijdrage van het Instituut aan een KIG zal worden verminderd van ten hoogste 100 % gedurende 10 jaar na de aanwijzing van het KIG tot gemiddeld 80 % in jaar 11 en vervolgens geleidelijk zal worden verminderd tot 60 % in jaar 12, 40 % in jaar 13, 20 % in jaar 14 en 10 % in jaar 15; moedigt het Instituut aan om te overwegen een strakker tijdsschema voor de verlagingen vast te stellen; neemt er voorts nota van op dat het Instituut de voortgang die de KIG's op het gebied van financiële duurzaamheid boeken, zal monitoren en zo nodig specifieke corrigerende maatregelen zal nemen;

6.  juicht het toe dat het Instituut de interne procedures, circuits en templates heeft getoetst om volledig te voldoen aan de respectieve regels voor openbare aanbestedingen, met bijzondere aandacht voor een gedegen planning en raming van de behoeften; erkent dat het Instituut in 2015 een extra aanbestedingsfunctionaris heeft aangeworven en dat het voor zijn personeel een reeks trainingssessies over aanbestedingen heeft georganiseerd;

Aanbestedings- en aanwervingsprocedures

7.  verneemt uit het verslag van de Rekenkamer dat het Instituut sinds zijn oprichting heeft geleden onder een sterk personeelsverloop en instabiliteit op managementniveau; merkt op dat de raad van bestuur in juni 2014 heeft besloten om de directeur van het Instituut gedurende de laatste elf maanden van diens mandaat voor een langdurige onderzoeksmissie te detacheren bij het Europees Universitair Instituut te Florence; merkt op dat de waarnemend directeur in augustus 2014 zijn taken heeft overgenomen (kort na diens aanwerving en benoeming tot directeur-generaal administratie) en dat hij nu de vierde persoon is die de post van directeur vervult binnen een tijdsbestek van zes jaar; verneemt dat de kennisgeving van vacature voor de aanwerving van een nieuwe directeur in juli 2015 is gepubliceerd; merkt op dat de Commissie verantwoordelijk is voor de aanwervingsprocedure; verzoekt het Instituut om de kwijtingsautoriteit van de vorderingen op dit gebied op de hoogte te houden;

8.  verneemt dat het Instituut maatregelen heeft genomen om het sterke personeelsverloop in te perken, en met name verbeteringen in het beheer van vacatures heeft aangebracht die aan de hand van zijn actieplan ten uitvoer moesten worden gelegd, en dat het Instituut in de herfst van 2014 een beoordelings- en herindelingssysteem heeft ingevoerd om zijn personeel betere loopbaanperspectieven te bieden en het middle management te versterken; neemt er voorts nota van dat het Instituut zijn beleid inzake opleidingen heeft herzien en verbeterd en dat nu met vertrekkende personeelsleden een gesprek wordt gehouden om de redenen van hun vertrek te analyseren; verneemt dat het personeelsverloop bij het Instituut als gevolg van de uitgevoerde acties in 2014 is gedaald tot 12 %, tegenover 20 à 25 % in de periode 2012-2013; verneemt dat er in juni 2015 nog slechts 7 van de 60 toegelaten posten bij het Instituut onbezet waren en dat de overige onbezette posten naar verwachting in de loop van 2015 zullen worden ingevuld;

9.  verneemt dat een van de twee posten van afdelingshoofd bij het Instituut waarover in het verslag van de Rekenkamer werd opgemerkt dat ze al sinds 2013 vacant waren, in augustus 2015 is ingevuld, dat de andere is gepubliceerd, dat de aanwervingsprocedure loopt en dat de vacante post naar verwachting in de eerste helft van 2016 zal worden ingevuld; verneemt uit het verslag van de Rekenkamer dat beide posten sinds 2013 worden ingevuld door een waarnemer, hetgeen in strijd is met het Statuut, dat bepaalt dat zo'n regeling maximaal een jaar mag duren; verneemt dat in 2014 één post werd ingevuld door de directeur-generaal administratie, die ook optrad als waarnemend directeur en dus drie functies tegelijkertijd vervulde; verneemt dat er op dit gebied vooruitgang wordt geboekt en dat de managementvacatures bij het Instituut geleidelijk worden ingevuld; verzoekt het Instituut zijn inspanningen gericht op verbetering van de aanwervingsprocedures ambitieus voort te zetten en verdere maatregelen te nemen om in het belang van een betere operationele continuïteit de instabiliteit op managementniveau tegen te gaan; verzoekt het Instituut de kwijtingsautoriteit op de hoogte te houden van de vorderingen die op het gebied van aanwerving worden geboekt;

Preventie van en omgang met belangenconflicten en transparantie

10.  juicht het toe dat de raad van bestuur van het Instituut in juni 2015 een grondige herziening van de gedragscode voor de leden van de raad van bestuur heeft goedgekeurd; stelt vast dat de jaarlijkse belangen- en onafhankelijkheidsverklaringen van de leden van de raad van bestuur van het Instituut overeenkomstig die nieuwe gedragscode op de website van het Instituut zijn gepubliceerd; verneemt dat het Instituut in het kader van de herziening van de gedragscode voor zijn personeelsleden van plan is de belangenverklaringen van het hoger management op zijn website te publiceren; verzoekt het Instituut daarmee door te gaan en verslag uit te brengen aan de kwijtingsautoriteit wanneer dat is afgerond;

Interne audit

11.  neemt er nota van dat de dienst Interne audit (IAS) van de Commissie in februari 2014 een follow-upaudit heeft verricht om de uitvoering van de acties naar aanleiding van zijn "beperkte controle" in 2012 te evalueren; neemt er kennis van dat de IAS in juni 2014 een definitief follow-upverslag heeft uitgebracht, waarin wordt vastgesteld dat het Instituut vooruitgang heeft geboekt en waarin twee van de oorspronkelijke zes aanbevelingen als afgesloten worden beschouwd en één aanbeveling van "kritiek" is afgewaardeerd naar "zeer belangrijk"; merkt op dat de IAS een aantal acties als "nog lopend" beschouwde; verzoekt het Instituut de betrokken maatregelen zo spoedig mogelijk af te ronden en de kwijtingsautoriteit in kennis te stellen van de resultaten van de volgende evaluatie van de uitvoering van deze aanbevelingen door de IAS;

Interne controles

12.  verneemt uit het verslag van de Rekenkamer dat het Instituut zijn financiële verificatie van de kostendeclaraties van de KIG's geleidelijk aan heeft verbeterd; stelt evenwel met bezorgdheid vast dat de operationele verificatie van producten achterloopt, dat de jaarlijkse ondernemingsplannen van de KIG's nog steeds een ontoereikende omschrijving van producten bevatten, en dat er geen duidelijke koppeling is tussen geplande producten en subsidiabele kosten per partner en per kostencategorie; is bezorgd over de door de Rekenkamer aangetroffen gevallen waarin het volledige bedrag van de subsidie van het Instituut was uitbetaald, ondanks het feit dat sommige van de in het bedrijfsplan vastgestelde doelen niet waren behaald; verneemt dat de gedetailleerdheid van de technische beoordeling ex ante van de uitvoering van KIG-activiteiten door het Instituut aanzienlijk is verbeterd ten opzichte van de voorgaande jaren en dat het Instituut een degelijkere methodologie heeft ingevoerd voor de beoordeling van de KIG-prestaties op basis van de verslagen;

13.  stelt vast dat de internecontrolenormen van het Instituut grotendeels zijn toegepast; merkt evenwel op dat er nog verbeteringen nodig zijn op gebieden zoals subsidiebeheer, aanbestedingen en IT; neemt er nota van dat het Instituut een uitgebreid register heeft opgesteld van audit- en andere aanbevelingen waar nog verder werk van moet worden gemaakt; verzoekt het Instituut de kwijtingsautoriteit op de hoogte te houden van de stand van de uitvoering van die maatregelen;

14.  stelt vast dat dat de interne auditcapaciteit (IAC) van het Instituut 39 aanbevelingen heeft gedaan, waarvan één als "kritiek" aangemerkte aanbeveling over het beleid van het Instituut inzake belangenconflicten, en 23 als "zeer belangrijk" aangemerkte aanbevelingen over het beheer van vacatures, aanbestedingen en de omgang met belangenconflicten en gevoelige posten; neemt er nota van dat het Instituut alle aanbevelingen van de IAC heeft aanvaard en actieplannen heeft opgesteld om deze uit te voeren en te monitoren;

Resultaten

15.  neemt er kennis van dat het Instituut, teneinde op het gebied van aanbestedingen de kosten te verminderen en best practices te bevorderen, deelneemt aan een aantal interinstitutionele aanbestedingsprocedures van de Commissie; neemt er nota van dat het Instituut en de Europese Politieacademie, gezien hun geografische nabijheid, in 2014 een memorandum van overeenstemming hebben getekend om gezamenlijke aanbestedingsprocedures te gebruiken;

16.  neemt kennis van de communicatiestrategie van het Instituut, zijn aanwezigheid op sociale media en de verspreiding van zijn activiteiten; neemt er ook nota van dat het Instituut in 2014 een nieuwe, dynamische en interactieve website heeft opgezet om externe stakeholders op de hoogte te houden, het Instituut meer zichtbaarheid te geven en de EU-burgers effectiever te bereiken;

17.  vraagt het Instituut zijn procedures en vaste praktijken ter bescherming van de financiële belangen van de Unie te verstevigen en actief mee te werken aan een resultaatgerichte kwijtingsprocedure;

o
o   o

18.  verwijst voor andere, horizontale opmerkingen bij zijn kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van 28 april 2016(1) over het functioneren en het financiële beheer van en de controle op de agentschappen.

(1) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2016)0159.

Juridische mededeling