Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2166(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0108/2016

Ingediende teksten :

A8-0108/2016

Debatten :

PV 27/04/2016 - 17
CRE 27/04/2016 - 17

Stemmingen :

PV 28/04/2016 - 4.53
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0189

Aangenomen teksten
PDF 184kWORD 80k
Donderdag 28 april 2016 - Brussel Definitieve uitgave
Kwijting 2014: Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA)
P8_TA(2016)0189A8-0108/2016
Besluit
 Besluit
 Resolutie

1. Besluit van het Europees Parlement van 28 april 2016 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten voor het begrotingsjaar 2014 (2015/2166(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten voor het begrotingsjaar 2014,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten betreffende het begrotingsjaar 2014 vergezeld van het antwoord van het Bureau(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2016 betreffende de aan het Bureau te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014 (05584/2016 – C8-0064/2016),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EG) nr. 168/2007 van de Raad van 15 februari 2007 tot oprichting van een Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten(4), en met name artikel 21,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(6), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 van en bijlage V bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0108/2016),

1.  verleent de directeur van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Bureau voor het begrotingsjaar 2014;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

(1) PB C 409 van 9.12.2015, blz. 334.
(2) PB C 409 van 9.12.2015, blz. 334.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB L 53 van 22.2.2007, blz. 1.
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.


2. Besluit van het Europees Parlement van 28 april 2016 over de afsluiting van de rekeningen van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten voor het begrotingsjaar 2014 (2015/2166(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten voor het begrotingsjaar 2014,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten betreffende het begrotingsjaar 2014 vergezeld van het antwoord van het Bureau(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2016 betreffende de aan het Bureau te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014 (05584/2016 – C8-0064/2016),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EG) nr. 168/2007 van de Raad van 15 februari 2007 tot oprichting van een Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten(4), en met name artikel 21,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(6), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 van en bijlage V bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0108/2016),

1.  stelt vast dat de definitieve jaarrekening van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten overeenkomt met de weergave in de bijlage bij het verslag van de Rekenkamer;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten voor het begrotingsjaar 2014;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

(1) PB C 409 van 9.12.2015, blz. 334.
(2) PB C 409 van 9.12.2015, blz. 334.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB L 53 van 22.2.2007, blz. 1.
(5) PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
(6) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.


3. Resolutie van het Europees Parlement van 28 april 2016 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten voor het begrotingsjaar 2014 (2015/2166(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten voor het begrotingsjaar 2014,

–  gezien artikel 94 van en bijlage V bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0108/2016),

A.  overwegende dat de definitieve begroting van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (hierna: "het Bureau") voor het begrotingsjaar 2014 volgens zijn jaarrekening 21 229 000 EUR bedroeg, wat neerkomt op een daling met 0,56 % ten opzichte van 2013; overwegende dat 99 % van de begroting van het Bureau wordt gefinancierd met middelen van de begroting van de Unie;

B.  overwegende dat de Rekenkamer in haar verslag over de jaarrekening van het Bureau voor het begrotingsjaar 2014 ("het verslag van de Rekenkamer") heeft verklaard redelijke zekerheid te hebben gekregen dat de jaarrekening van het Bureau voor het begrotingsjaar 2014 betrouwbaar is en de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn;

Financieel en begrotingsbeheer

1.  stelt vast dat de inspanningen op het gebied van begrotingstoezicht gedurende het begrotingsjaar 2014 net als het jaar voordien hebben geresulteerd in een uitvoeringspercentage van de begroting van 100 % en dat het uitvoeringspercentage van de betalingskredieten 69,45 % bedroeg, wat neerkomt op een daling met 0,82 % ten opzichte van het jaar voordien; verneemt dat het hoge algemene niveau van de vastgelegde kredieten erop wijst dat de vastleggingen tijdig werden gedaan;

Vastleggingen en overdrachten

2.  stelt vast dat de naar 2015 overgedragen vastleggingskredieten uitkwamen op een niveau van 25 % voor titel II (administratieve uitgaven) en 75 % voor titel III (beleidsuitgaven); verneemt van de Rekenkamer dat de overdrachten onder titel II hoofdzakelijk betrekking hebben op de geplande aanschaf van IT-goederen en -diensten die in 2015 moesten worden betaald; neemt er voorts nota van dat de overdrachten onder titel III voornamelijk het gevolg zijn van het meerjarige karakter van de operationele projecten van het Bureau, waarbij betalingen worden verricht volgens de planning;

3.  neemt ter kennis dat het bestedingspercentage van de van 2013 naar 2014 overgedragen kredieten in 2014 97,68 % bedroeg en dat slechts 147 430 EUR of 2,32 % van het totale bedrag is geannuleerd; stelt voorts vast dat dit lage annuleringspercentage ver onder het streefdoel van het Bureau ligt;

Overschrijvingen

4.  neemt er kennis van dat de raad van bestuur in 2014 drie overschrijvingen tussen begrotingstitels voor meer dan 10 % van de goedgekeurde begroting heeft goedgekeurd; stelt vast dat deze overschrijvingen neerkwamen op 947 932 EUR en hoofdzakelijk verband hielden met de toewijzing van het overschot onder de titel "Administratieve uitgaven" aan operationele projecten of binnen beleidsuitgaven;

Aanbestedings- en aanwervingsprocedures

5.  verneemt van het Bureau dat alle aanbestedingsprocedures vóór de bekendmaking van de oproep tot inschrijving aan een toetsing zijn onderworpen om de kwaliteit van de offertes te verbeteren; neemt er nota van dat naar aanleiding van deze toetsingen zo nodig corrigerende maatregelen zijn getroffen, zoals aanpassingen van de bestekken;

6.  constateert dat het Bureau met ingang van 2014 een nieuw beoordelingssysteem heeft ingevoerd ingevolge de wijzigingen van het Ambtenarenstatuut die zijn ingevoerd bij Verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad(1); stelt met name vast dat de beoordelingsrapporten van het Bureau nu een algemene beoordeling bevatten van de vraag of de prestaties van het personeelslid bevredigend waren; neemt er kennis van dat het personeel opleidingssessies heeft gekregen over het vaststellen van specifieke, meetbare, haalbare, relevante en tijdgebonden (SMART-)doelstellingen en degelijke prestatie-indicatoren en over het schrijven van duidelijke beoordelingen;

7.  is verheugd dat het Bureau indien mogelijk deelneemt aan de aanbestedingsprocedures van de Commissie; neemt er voorts nota van dat het Bureau gezamenlijke aanbestedingen heeft uitgeschreven met het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa) voor de ontwikkeling van intranettoepassingen en met het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) voor de inzameling van gegevens ten behoeve van de uitvoering van operationele projecten;

Preventie van en omgang met belangenconflicten en transparantie

8.  verneemt dat het Bureau eind 2014 zijn geharmoniseerde voorschriften voor de preventie van belangenconflicten herzien en aangenomen heeft voor de raad van bestuur en het wetenschappelijk comité; neemt er voorts nota van dat het Bureau richtsnoeren voor de preventie van belangenconflicten vastgesteld en aangenomen heeft voor zijn personeel;

9.  verneemt van het Bureau dat het de belangenverklaringen en de curricula vitae (cv's) van de leden van de raad van bestuur en het wetenschappelijk comité alsmede van het managementteam heeft gepubliceerd;

10.  neemt er nota van dat het Bureau, bij besluit van zijn dagelijks bestuur, de klokkenluidersrichtsnoeren van de Commissie toepast(2); neemt voorts ter kennis dat de personeelsleden verplicht zijn feiten te melden die wijzen op mogelijke onwettige activiteiten, inclusief fraude of corruptie, of op ernstig plichtsverzuim; stelt vast dat het Bureau intern op dit beleid heeft geattendeerd; neemt er kennis van dat het Bureau de klokkenluidersrichtsnoeren van de Commissie zal blijven toepassen totdat de Commissie naar verwachting in 2016 een nieuw klokkenluidersbeleid zal aannemen;

11.  stelt bezorgd vast dat de Europese Ombudsman in het kader van klacht 178/2013/LP tot de slotsom is gekomen dat het Bureau zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeheer; verzoekt het Bureau de kwijtingsautoriteit in kennis te stellen van follow-up van de beslissingen van het Gerecht voor ambtenarenzakenin 2015;

12.  spoort het Bureau voorts aan het beleid inzake belangenconflicten onder de aandacht van zijn personeel te brengen, naast de lopende bewustmakingsactiviteiten en de opname van integriteit en transparantie als verplichte onderwerpen in aanwervingsprocedures en beoordelingsgesprekken;

13.  verzoekt het Bureau bijzondere aandacht te besteden aan de bescherming van klokkenluiders in het kader van de op de korte termijn aan te nemen richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan;

14.  verzoekt de instellingen en agentschappen van de Unie die een gedragscode hebben ingevoerd, waaronder het Parlement, de maatregelen ter uitvoering daarvan, zoals verificaties van de opgaven van financiële belangen, aan te scherpen;

Interne controle

15.  stelt vast dat de dienst Interne Audit (DIA) van de Commissie in 2014 geen nieuwe controles heeft uitgevoerd; neemt er voorts kennis van dat het Bureau gevolg heeft gegeven aan de twee in 2013 verrichte controles in verband met personele middelen en contractbeheer; stelt vast dat het Bureau, om werk te maken van de aanbevelingen van de DIA, actieplannen heeft ingediend, die door de DIA positief werden beoordeeld; verneemt van het Bureau dat de DIA in 2015 een follow-upcontrole heeft uitgevoerd die een positief resultaat heeft opgeleverd waarbij geen openstaande aanbevelingen als "zeer belangrijk" werden aangemerkt; neemt ter kennis dat alle aanbevelingen die de DIA vóór december 2013 had gedaan, zijn uitgevoerd;

Overige opmerkingen

16.  maakt uit het verslag van de Rekenkamer op dat toen het Statuut van de ambtenaren in 2004 werd gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad(3), er bepalingen in werden opgenomen dat de toekomstige bezoldiging van vóór 1 mei 2004 aangeworven ambtenaren niet minder mag bedragen dan krachtens het eerdere Statuut; merkt op dat uit de controle van de Rekenkamer bleek dat hier niet aan werd voldaan en dat dit bij 10 van de 26 toenmalige werknemers leidde tot onderbetaling van 45 892 EUR voor de periode 2005-2014; verneemt van het Bureau dat de salarisberekening is uitbesteed aan het Uitbetalingsbureau van de Commissie; stelt vast dat het Bureau de nodige maatregelen heeft genomen om deze kwestie op te lossen;

17.  verneemt met voldoening dat de basisinformatie over het Bureau op zijn website beschikbaar is in alle talen van de Unie; neemt ter kennis dat het Bureau via de sociale media regelmatig informatie en actualiseringen, met inbegrip van interactieve gegevensvisualisering, infografieken, foto's en video's, bekendmaakt over zijn meest recente verslagen en andere werkzaamheden;

18.  neemt er nota van dat het Bureau in 2012 aan een onafhankelijke evaluatie is onderworpen om de doeltreffendheid, de doelmatigheid, de meerwaarde, het nut, de coördinatie en de samenhang van zijn werkzaamheden te beoordelen; stelt vast dat een van de topprioriteiten in het strategisch plan van het Bureau voor de periode 2013-2017, dat op deze evaluatie is gebaseerd, erin bestaat het Bureau meer te doen bijdragen aan processen op nationaal niveau; neemt er nota van dat het Bureau aan een hechtere band met de lidstaten en een nauwere samenwerking met nationale belanghebbenden werkt om het wetenschappelijk onderbouwd advies van het Bureau een centrale plaats te laten innemen bij de nationale ontwikkeling en uitvoering van het grondrechtenbeleid;

19.  stelt met tevredenheid vast dat het Bureau in februari 2014, als onderdeel van de rubriek kinderrechten op zijn website, een webpagina voor kinderen in het leven heeft geroepen waar zij informatie kunnen vinden over hun rechten, wie er over hun rechten beslist, wat het Bureau voor kinderen doet, en links naar verdere achtergrondinformatie;

20.  verzoekt het Bureau zijn procedures en vaste praktijken ter bescherming van de financiële belangen van de Unie te verstevigen en actief mee te werken aan een resultaatgerichte kwijtingsprocedure;

21.  roept op tot een algehele verbetering van de preventie en bestrijding van corruptie door middel van een holistische benadering, te beginnen bij betere toegankelijkheid van documenten voor het publiek en striktere regels voor belangenconflicten, invoering of versterking van transparantieregisters en beschikbaarstelling van voldoende middelen voor wetshandhavingsmaatregelen, alsook door middel van verbeterde samenwerking tussen de lidstaten onderling en met betrokken derde landen;

22.  merkt op dat de jaarverslagen van het Bureau een belangrijke rol zouden kunnen vervullen bij de naleving van de normen inzake transparantie, verantwoordingsplicht en integriteit; dringt er bij het Bureau op aan in zijn jaarverslag een standaardhoofdstuk over deze punten op te nemen;

o
o   o

23.  verwijst voor andere, horizontale opmerkingen bij zijn kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van 28 april 2016(4) over het functioneren en het financiële beheer van en de controle op de agentschappen.

(1) Verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 15).
(2) http://fra.europa.eu/sites/default/files/eb_decision_2012_04-whistleblowing_rules.pdf
(3) Verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB L 124 van 27.4.2004, blz. 1).
(4) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2016)0159.

Juridische mededeling