Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 3 februari 2016 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Associatieovereenkomst EU-Moldavië: vrijwaringsclausule en antiontwijkingsmechanisme ***I
 Associatieovereenkomst EU-Georgië: antiontwijkingsmechanisme ***I
 Ratificatie van het Verdrag van Marrakesh, op basis van ontvangen verzoekschriften, met name verzoekschrift 924/2011
 Producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72
 Producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788
 Producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87705 × MON 89788
 Onderhandelingen over de Overeenkomst betreffende de handel in diensten (TiSA)
 Nieuwe strategie voor gendergelijkheid en vrouwenrechten na 2015

Associatieovereenkomst EU-Moldavië: vrijwaringsclausule en antiontwijkingsmechanisme ***I
PDF 245kWORD 61k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 3 februari 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot uitvoering van de vrijwaringsclausule en het antiontwijkingsmechanisme dat voorziet in de tijdelijke opschorting van de tariefpreferenties die zijn opgenomen in de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds (COM(2015)0154 – C8-0092/2015 – 2015/0079(COD))
P8_TA(2016)0035A8-0364/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0154),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0092/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 16 december 2015 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0364/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 3 februari 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad tot uitvoering van de vrijwaringsclausule en het antiontwijkingsmechanisme die zijn opgenomen in de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/400.)


Associatieovereenkomst EU-Georgië: antiontwijkingsmechanisme ***I
PDF 243kWORD 62k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 3 februari 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot uitvoering van het antiontwijkingsmechanisme dat voorziet in de tijdelijke opschorting van de tariefpreferenties die zijn opgenomen in de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds (COM(2015)0155 – C8-0091/2015 – 2015/0080(COD))
P8_TA(2016)0036A8-0365/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0155),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan de Commissie het voorstel aan het Parlement heeft voorgelegd (C8-0091/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 16 december 2015 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0365/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 3 februari 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad tot uitvoering van het antiontwijkingsmechanisme dat is opgenomen in de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/401.)


Ratificatie van het Verdrag van Marrakesh, op basis van ontvangen verzoekschriften, met name verzoekschrift 924/2011
PDF 156kWORD 61k
Resolutie van het Europees Parlement van 3 februari 2016 over de ratificatie van het Verdrag van Marrakesh, op basis van ontvangen verzoekschriften, met name verzoekschrift nr. 924/2011 (2016/2542(RSP))
P8_TA(2016)0037B8-0168/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de verzoekschriften van EU-burgers met een leeshandicap, en met name verzoekschrift nr. 924/2011, ingediend door Dan Pescod (Britse nationaliteit), namens de Europese Blinden Unie (EBU)/"Royal National Institute of Blind People" (RNIB), over de toegang van blinden tot boeken en ander drukwerk,

–  gezien het Verdrag van Marrakesh tot bevordering van de toegang tot gepubliceerde werken voor personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben (het Verdrag van Marrakesh),

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties betreffende de rechten van personen met een handicap (UNCRPD),

–  gezien artikel 216, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat er volgens een schatting van de Wereldgezondheidsorganisatie in 2010 in Europa 2 550 000 blinden en 23 800 000 slechtzienden waren, d.w.z. in totaal 26 350 000 personen met een visuele handicap;

B.  overwegende dat slechts 5 % van alle gepubliceerde werken in de ontwikkelde landen en minder dan 1 % van alle gepubliceerde werken in de ontwikkelingslanden in een toegankelijk formaat beschikbaar wordt gemaakt;

C.  overwegende dat de EU en de lidstaten partij zijn bij het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;

D.  overwegende dat de EU en de lidstaten in april 2014 het Verdrag van Marrakesh hebben ondertekend en daarmee de politieke verplichting zijn aangegaan om dit te ratificeren;

E.  overwegende dat het UNCRPD-comité in zijn slotopmerkingen over het eerste verslag van de Europese Unie over de tenuitvoerlegging van het VN-Verdrag de Europese Unie heeft aangespoord alle passende maatregelen te treffen om het Verdrag van Marrakesh zo spoedig mogelijk te ratificeren en uit te voeren;

F.  overwegende dat de Commissie een voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag van Marrakesh heeft gepresenteerd (COM(2014)0638);

1.  herinnert eraan dat de artikelen 24 en 30 van het UNCRPD er de nadruk op leggen dat personen met een handicap recht hebben op onderwijs, zonder discriminatie en op basis van gelijke kansen, en dat ervoor moet worden gezorgd dat wetgeving ter bescherming van de intellectuele eigendom geen onredelijke of discriminatoire belemmering vormt voor de toegang van personen met een handicap tot cultuuruitingen;

2.  stelt met grote verontwaardiging vast dat zeven EU-lidstaten samen een minderheidsblokkade hebben opgeworpen die het proces voor de ratificatie van het Verdrag belemmert; roept de Raad en de lidstaten op het ratificatieproces te bespoedigen, zonder ratificatie te laten afhangen van herziening van het wettelijk EU-kader of de beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de lidstaten, de Europese Commissie alsmede aan het UNCRPD-comité.


Producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72
PDF 263kWORD 69k
Resolutie van het Europees Parlement van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 (MST-FGØ72-2) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D042684 – 2016/2547(RSP))
P8_TA(2016)0038B8-0133/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 (MST-FGØ72-2) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders(1), en met name artikel 7, lid 3, en artikel 19, lid 3,

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien het feit dat het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, waarnaar wordt verwezen in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, op 18 november 2015 na stemming heeft besloten geen advies uit te brengen,

–  gezien het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) van 16 juli 2015(3),

–  gezien zijn resolutie van 16 december 2015 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 (MON-ØØ6Ø3-6 × ACS-ZMØØ3-2) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad(4),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Bayer CropScience AG op 24 juni 2011 overeenkomstig de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 bij de bevoegde instantie van België een aanvraag heeft ingediend voor het in de handel brengen van levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met soja FG72;

B.  overwegende dat de in de aanvraag beschreven genetisch gemodificeerde soja MST‑FGØ72‑2 het 2mEPSPS-eiwit tot expressie brengt dat tolerantie geeft voor glyfosaatherbiciden, en het HPPD W336-eiwit dat tolerantie geeft voor isoxaflutoolherbiciden; overwegende dat het Internationaal Agentschap voor kankeronderzoek – het gespecialiseerde kankeragentschap van de Wereldgezondheidsorganisatie – op 20 maart 2015 glyfosaat heeft geclassificeerd als waarschijnlijk kankerverwekkend voor mensen(5);

C.  overwegende dat het Permanent Comité op 18 november 2015 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie heeft gestemd zonder een advies uit te brengen;

D.  overwegende dat de Commissie op 22 april 2015 in de toelichting bij haar wetgevingsvoorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 haar ongenoegen heeft laten blijken over het feit dat vergunningsbesluiten sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 door de Commissie worden vastgesteld, in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving, zonder gesteund te worden door een advies van het Comité lidstaten, en dat de terugzending van het dossier aan de Commissie voor een definitieve beslissing, bedoeld als uitzondering voor de procedure in zijn geheel, de norm is geworden voor de besluitvorming rond het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders;

E.  overwegende dat het wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 28 oktober 2015 door het Parlement is verworpen(6) met als argument dat, hoewel de teelt noodzakelijkerwijs plaatsvindt op het grondgebied van een lidstaat, de handel in ggo's grensoverschrijdend is, wat betekent dat een nationaal verbod op verkoop en gebruik, zoals de Commissie voorstelt, onmogelijk kan worden gehandhaafd zonder opnieuw grenscontroles op import in te voeren; overwegende dat het Parlement het wetgevingsvoorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 heeft verworpen en de Commissie heeft verzocht haar voorstel in te trekken en een nieuw voorstel in te dienen;

1.  is van mening dat het uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, omdat het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003 en Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad(7), om overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad(8) zijn vastgesteld te voorzien in de grondslag voor een gegarandeerd hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt gewaarborgd is;

2.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

3.  verzoekt de Commissie op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een nieuw wetgevingsvoorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 in te dienen, rekening houdend met vaak geuite nationale punten van zorg die niet uitsluitend betrekking hebben op kwesties in verband met de veiligheid van ggo's voor de gezondheid of het milieu;

4.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) Ggo-panel van de EFSA (EFSA Panel on Genetically Modified Organisms), 2015. "Scientific Opinion on application (EFSA-GMO-BE-2011-98) for the placing on the market of herbicide tolerant genetically modified soybean FG72 for food and feed uses, import and processing under Regulation (EC) No 1829/2003 from Bayer CropScience", EFSA Journal, 2015; 13(7):4167 [29 blz.] doi:10.2903/j.efsa.2015.4167.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0456.
(5) IARC Monographs Volume 112, "Evaluation of five organophosphate insecticides and herbicides", 20 maart 2015, http://www.iarc.fr/en/media-centre/iarcnews/pdf/MonographVolume112.pdf.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0379.
(7) Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1).
(8) Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).


Producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788
PDF 263kWORD 68k
Resolutie van het Europees Parlement van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 (MON-877Ø8-9 × MON-89788-1) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D042682 – 2016/2548(RSP))
P8_TA(2016)0039B8-0134/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 (MON-877Ø8-9 × MON-89788-1) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders(1), en met name artikel 7, lid 3, en artikel 19, lid 3,

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien het feit dat het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, waarnaar wordt verwezen in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, op 18 november 2015 na stemming heeft besloten geen advies uit te brengen,

–  gezien het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) van donderdag 18 juni 2015(3),

–  gezien zijn resolutie van 16 december 2015 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 (MON-ØØ6Ø3-6 × ACS-ZMØØ3-2) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad(4),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Monsanto Europe nv op vrijdag 23 maart 2012 bij de bevoegde instantie van Nederland overeenkomstig de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een aanvraag heeft ingediend voor het in de handel brengen van levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met soja MON 87708 × MON 89788;

B.  overwegende dat de in de aanvraag beschreven genetisch gemodificeerde soja MON-877Ø8-9 × MON-89788-1 DMO-eiwitten tot expressie brengt, die tolerantie geven voor herbiciden op basis van dicamba, en het CP4-EPSPS-eiwit, dat tolerantie geeft voor herbiciden op basis van glyfosaat; overwegende dat het Internationaal Agentschap voor kankeronderzoek – het gespecialiseerde kankeragentschap van de Wereldgezondheidsorganisatie – op 20 maart 2015 glyfosaat heeft geclassificeerd als waarschijnlijk kankerverwekkend voor mensen(5);

C.  overwegende dat het Permanent Comité op 18 november 2015 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie heeft gestemd zonder een advies uit te brengen;

D.  overwegende dat de Commissie op 22 april 2015 in de toelichting bij haar wetgevingsvoorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 haar ongenoegen heeft laten blijken over het feit dat vergunningsbesluiten sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 door de Commissie worden vastgesteld, in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving, zonder gesteund te worden door een advies van het Comité lidstaten, en dat de terugzending van het dossier aan de Commissie voor een definitieve beslissing, bedoeld als uitzondering voor de procedure in zijn geheel, de norm is geworden voor de besluitvorming rond het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders;

E.  overwegende dat het wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 28 oktober 2015 door het Parlement is verworpen(6) met als argument dat, hoewel de teelt noodzakelijkerwijs plaatsvindt op het grondgebied van een lidstaat, de handel in ggo's grensoverschrijdend is, wat betekent dat een nationaal verbod op verkoop en gebruik, zoals de Commissie voorstelt, onmogelijk kan worden gehandhaafd zonder opnieuw grenscontroles op import in te voeren; overwegende dat het Parlement het wetgevingsvoorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 heeft verworpen en de Commissie heeft verzocht haar voorstel in te trekken en een nieuw voorstel in te dienen;

1.  is van mening dat het uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, omdat het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003 en Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad(7), om overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad(8) zijn vastgesteld te voorzien in de grondslag voor een gegarandeerd hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt gewaarborgd is;

2.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

3.  verzoekt de Commissie op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een nieuw wetgevingsvoorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 in te dienen, rekening houdend met vaak geuite nationale punten van zorg die niet uitsluitend betrekking hebben op kwesties in verband met de veiligheid van ggo's voor de gezondheid of het milieu;

4.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) Wetenschappelijk advies over aanvraag (EFSA-GMO-NL-2012-108) van Monsanto voor het in de handel brengen van herbicide-tolerante genetisch gemodificeerde soja MON 87708 x MON 89788 in levensmiddelen en diervoeders en de invoer en verwerking ervan overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003. EFSA Journal 2015;13(6):4136, [26 blz.]. doi: 10.2903/j.efsa.2015.4136.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0456.
(5)IARC Monographs, deel 112: "Evaluation of five organophosphate insecticides andherbicides" van 20 maart 2015, http://www.iarc.fr/en/media-centre/iarcnews/pdf/MonographVolume112.pdf
(6)Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0379.
(7)Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1).
(8)Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).


Producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87705 × MON 89788
PDF 265kWORD 69k
Resolutie van het Europees Parlement van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87705 × MON 89788 (MON-877Ø5-6 × MON-89788-1) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (D042681 – 2016/2549(RSP))
P8_TA(2016)0040B8-0135/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87705 × MON 89788 (MON-877Ø5-6 × MON-89788-1) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders(1), en met name artikel 7, lid 3, en artikel 19, lid 3,

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien het feit dat het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, waarnaar wordt verwezen in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, op 18 november 2015 na stemming heeft besloten geen advies uit te brengen,

–  gezien het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) van 16 juli 2015(3),

–  gezien zijn resolutie van 16 december 2015 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 (MON-ØØ6Ø3-6 × ACS-ZMØØ3-2) krachtens Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad(4),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Monsanto Europe nv op 11 augustus 2011 bij de bevoegde instantie van Nederland overeenkomstig de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een aanvraag heeft ingediend voor het in de handel brengen van levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met MON 87705 × MON 89788 soja;

B.  overwegende dat bij genetisch gemodificeerde soja MON- 877Ø5-6 × MON-89788-1, zoals beschreven in de aanvraag, de enzymen vetzuur-Δ12-desaturase (FAD2) en palmitoyl-acyldragereiwit-thioësterase (FATB) minder tot expressie worden gebracht, wat resulteert in een hoger oliezuur- en lager linolzuurgehalte, en wordt het CP4-EPSPS-eiwit tot expressie gebracht, dat tolerantie geeft voor glyfosaatherbiciden; overwegende dat het Internationaal Agentschap voor kankeronderzoek – het gespecialiseerde kankeragentschap van de Wereldgezondheidsorganisatie – op 20 maart 2015 glyfosaat heeft geclassificeerd als waarschijnlijk kankerverwekkend voor mensen(5);

C.  overwegende dat het Permanent Comité op 18 november 2015 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie heeft gestemd, maar geen advies heeft uitgebracht;

D.  overwegende dat de Commissie op 22 april 2015 in de toelichting bij haar wetgevingsvoorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 betreurde dat sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 vergunningsbesluiten door de Commissie in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving werden vastgesteld zonder gesteund te worden door advies van het Comité lidstaten, en dat de terugzending van het dossier aan de Commissie voor een definitieve beslissing, wat zeer ongebruikelijk was voor de procedure in het algemeen, de norm was geworden voor de besluitvorming rond het verlenen van vergunningen voor genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders;

E.  overwegende dat het wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 28 oktober 2015(6) door het Parlement is verworpen met als argument dat, hoewel de teelt noodzakelijkerwijs plaatsvindt op het grondgebied van een lidstaat, de handel in ggo's grensoverschrijdend is, wat betekent dat een nationaal verbod op verkoop en gebruik, zoals de Commissie voorstelt, onmogelijk kan worden gehandhaafd zonder opnieuw grenscontroles op import in te voeren; overwegende dat het Parlement het wetgevingsvoorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 heeft verworpen en de Commissie heeft verzocht haar voorstel in te trekken en een nieuw voorstel in te dienen;

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, omdat het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003 en Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad(7), namelijk, overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad(8) zijn vastgesteld, de basis leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt gewaarborgd is;

2.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

3.  verzoekt de Commissie op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een nieuw wetgevingsvoorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 in te dienen, rekening houdend met vaak geuite nationale punten van zorg die niet uitsluitend betrekking hebben op kwesties in verband met de veiligheid van ggo's voor de gezondheid of het milieu;

4.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) Wetenschappelijk advies over aanvraag (EFSA-GMO-NL-2011-110) van Monsanto voor het in de handel brengen van herbicide-tolerante genetisch gemodificeerde soja met een hoger oliezuurgehalte MON 87705 x MON 89788 in levensmiddelen en diervoeders en de invoer en verwerking ervan overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003. EFSA Journal (2015); 13(7):4178 [30 blz.]. doi:10.2903/j.efsa.2015.4178.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0456.
(5) IARC Monographs, deel 112: "Evaluation of five organophosphate insecticides and herbicides" van 20 maart 2015, http://www.iarc.fr/en/media-centre/iarcnews/pdf/MonographVolume112.pdf
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0379.
(7) Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1).
(8) Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).


Onderhandelingen over de Overeenkomst betreffende de handel in diensten (TiSA)
PDF 245kWORD 131k
Resolutie van het Europees Parlement van 3 februari 2016 houdende aanbevelingen van het Europees Parlement aan de Commissie voor de onderhandelingen over de Overeenkomst betreffende de handel in diensten (TiSA) (2015/2233(INI))
P8_TA(2016)0041A8-0009/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten (GATS)(1), in werking getreden in januari 1995 in werking getreden als voortvloeisel van de Ronde van Uruguay in het kader van de WTO,

–  gezien het verslag van 21 april 2011 van de voorzitter van de Raad voor de Handel in Diensten van de WTO, ambassadeur Fernando de Mateo, aan het Comité voor Handelsbesprekingen betreffende de bijzondere onderhandelingssessie over de handel in diensten(2),

–  gezien de verklaring van de groep "Really Good Friends of Services" (RGF) van 5 juli 2012(3),

–  gezien de richtsnoeren van de EU voor de onderhandelingen over een Overeenkomst betreffende de handel in diensten (TiSA) die op 8 maart 2013 door de Raad zijn goedgekeurd en op 10 maart 2015 door de Raad werden gederubriceerd en openbaar gemaakt(4),

–  gezien zijn resolutie van 4 juli 2013 over de opening van onderhandelingen over een plurilaterale dienstenovereenkomst(5),

–  gezien de politieke beleidslijnen van voorzitter Juncker van 15 juli 2014 voor de aantredende Commissie onder de titel "Een nieuwe start voor Europa: mijn agenda voor banen, groei, billijkheid en democratische verandering",

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2015, getiteld "Handel voor iedereen: naar een meer verantwoordelijk handels- en investeringsbeleid" (COM(2015)0497),

–  gezien het definitieve opstartverslag van ECORYS voor de Commissie van 17 juli 2014 getiteld "Duurzaamheidseffectbeoordeling van de handel ter ondersteuning van de onderhandelingen over een plurilaterale Overeenkomst betreffende de handel in diensten (TiSA)"(6),

–  gezien de onderhandelingsdocumenten van alle partijen bij de TiSA, in het bijzonder de stukken die gederubriceerd zijn en door de Commissie op 22 juli 2014 openbaar gemaakt, waaronder begrepen het openingsaanbod van de EU(7),

–  gezien de verklaring van commissaris Malmström van 5 februari 2015 over mobiliteit van patiënten in de TiSA(8),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van EU en VS van 20 maart 2015 over openbare diensten(9) in het kader van de TiSA- en TTIP-onderhandelingen,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie,

–  gezien artikel 39 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie over bescherming van persoonsgegevens, en artikel 12 van de Universele verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien de artikelen 2 en 3 VEU en artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin de gelijkheid tussen vrouwen en mannen wordt bevorderd als een van de waarden die ten grondslag liggen aan de EU,

–  gezien de artikelen 14 en 106 VWEU en bijbehorend protocol 26 over diensten van algemeen belang,

–  gezien zijn resolutie van dinsdag 12 maart 2003 over de Algemene Overeenkomst betreffende Handel en Diensten (GATS) in het kader van de WTO, met inbegrip van de culturele verscheidenheid(10),

–  gezien artikel 21 VEU,

–  gezien de artikelen 207 en 218 VWEU,

–  gezien het beginsel van samenhang in het ontwikkelingsbeleid zoals bedoeld in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's getiteld "De lokale en regionale dimensie van de Overeenkomst betreffende de handel in diensten (TiSA)" (CDR 2700/2015),

–  gezien artikel 108, lid 4, en artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie burgerlijke vrijheden en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0009/2016),

A.  overwegende dat de TiSA-onderhandelingen gericht moeten zijn op doeltreffende internationale regulering, en niet op minder binnenlandse regulering;

B.  overwegende dat hoewel de TiSA in de huidige vorm en met de huidige onderhandelende partijen een plurilaterale overeenkomst is, het de ambitie moet zijn dat de gesloten overeenkomst de kritieke massa bereikt die nodig is om een multilaterale overeenkomst te worden binnen het WTO-kader;

C.  overwegende dat elke handelsovereenkomst de Europese consument meer rechten en lagere prijzen moet bieden en werknemers van meer banen en bescherming moet voorzien; overwegende dat ook moet worden bijgedragen aan de wereldwijde bevordering van duurzame ontwikkeling en maatschappelijk verantwoord ondernemerschap en aan de totstandbrenging van een gelijk speelveld voor Europese ondernemingen; overwegende dat het handelsbeleid moet bijdragen tot en volledig in overeenstemming moet zijn met de IAO-agenda voor waardig werk en de VN-2030-agenda voor duurzame ontwikkeling;

D.  overwegende dat elke handelsovereenkomst markten moet ontsluiten voor onze ondernemingen in het buitenland en een vangnet moet zijn voor onze burgers thuis; overwegende dat door de TiSA de toegang tot buitenlandse markten moet worden verbeterd, beproefde methoden moeten worden bevorderd en de mondialisering zodanig moet worden vormgegeven dat de waarden, beginselen en belangen van de EU tot uiting komen en EU-bedrijven kunnen floreren in het tijdperk van mondiale waardeketens; overwegende dat zowel consumentenrechten als sociale en milieunormen geen handelsbarrières zijn, maar bouwstenen waarover niet kan worden onderhandeld vormen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei; overwegende dat in het EU-handelsbeleid de doelstellingen van economische, sociale en territoriale cohesie moeten worden gehandhaafd zoals is vastgesteld in artikel 174 van het VWEU; overwegende dat dienstverlening in de EU berust op de beginselen van universele toegang, kwaliteit, veiligheid, betaalbaarheid en gelijke behandeling, hetgeen te allen tijde en in alle steden en regio's moet worden geëerbiedigd; overwegende dat de EU op internationaal niveau moet ijveren voor gendergelijkheid;

E.  overwegende dat er in het kader van de globalisering, dienstengerichtheid en digitalisering van zowel onze economieën als de internationale handel behoefte is aan dringend beleidsmatig optreden ter versterking van de internationale regelgeving; overwegende dat het voor de EU van vitaal belang is de wereldwijd geldende handelsvoorschriften voor mondiale toeleveringsketens te versterken; overwegende dat het multilateraal handelsstelsel het meest doeltreffende kader blijft om wereldwijd tot een open en eerlijke handel te komen;

F.  overwegende dat de TiSA de EU een kans biedt om haar leidende positie als 's werelds grootste uitvoerder van diensten, goed voor 25 % van de wereldwijde uitvoer van diensten en een handelsoverschot van 170 miljard EUR in 2013, te consolideren; overwegende dat de waarde van de EU-uitvoer van diensten de afgelopen tien jaar is verdubbeld tot 728 miljard EUR in 2014; overwegende dat bijna 70 % van de beroepsbevolking in de EU is tewerkgesteld in de dienstensector en dat deze 40 % vertegenwoordigt van de waarde van uit Europa uitgevoerde goederen; overwegende dat er van de nieuwe banen die tussen 2013 en 2025 zullen worden gecreëerd in de EU 90 % zal worden aangestuurd vanuit de dienstensectoren; overwegende dat deze overeenkomst het potentieel heeft de werkgelegenheid in de EU te stimuleren;

G.  overwegende dat de handel in diensten als motor werkt voor banen en groei in de EU, en dat deze werking door de TiSA kan worden versterkt;

H.  overwegende dat vele belangrijke markten, niet het minst in opkomende economieën, nog steeds afgesloten blijven voor Europese bedrijven; overwegende dat onnodige belemmeringen voor de handel in diensten, die uitgedrukt in tariefequivalenten in Canada neerkomen op 15 %, in Japan op 16 %, in Zuid-Korea op 25 %, in Turkije op 44 % en in China op 68 %, de Europese ondernemingen nog steeds beletten ten volle van hun concurrentiekracht te profiteren; overwegende dat de EU, waar het tariefequivalent voor beperkingen op diensten slechts 6 % bedraagt, wezenlijk meer open is dan haar meeste partners; overwegende dat de EU haar positie als belangrijkste in- en uitvoerder van diensten moet aanwenden om door middel van wederkerige markttoegang en eerlijke concurrentie voor een gelijk speelveld te zorgen;

I.  overwegende dat non-tarifaire belemmeringen, die gemiddeld meer dan 50 % van de kosten uitmaken van grensoverschrijdende diensten, disproportioneel nadelig zijn voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), die een derde vormen van de EU-uitvoerders van diensten, omdat die vaak de personele en financiële middelen ontberen om zich over die belemmeringen heen te zetten; overwegende dat verwijdering van onnodige belemmeringen internationalisering voor kmo’s gemakkelijker zou maken, mits deze belemmeringen kunnen worden weggenomen zonder dat de tenuitvoerlegging van de onderliggende doelstellingen van het overheidsbeleid in het gedrang komt; overwegende dat de maatregelen die noodzakelijk zijn voor het bereiken van legitieme doeleinden van het overheidsbeleid moeten worden gehandhaafd;

J.  overwegende dat mondialisering van waardeketens het invoergehalte van zowel de binnenlandse output als de export doet stijgen; overwegende dat handel in goederen en handel in diensten onderling verbonden zijn en er wereldwijd geldende handelsvoorschriften nodig zijn om deze toeleveringsketens te reguleren; overwegen dat bindende internationale kernnormen in het kader van mondiale waardeketens van groot belang zijn om een verdere neerwaartse spiraal en sociale en milieudumping te voorkomen;

K.  overwegende dat vertrouwen van de burgers in het handelsbeleid van de EU versterkt moet worden door niet alleen te zorgen voor gunstige resultaten in termen van werkgelegenheid en het scheppen van welvaart voor burgers en het bedrijfsleven, maar ook door maximale transparantie, betrokkenheid en verantwoordingsplicht te waarborgen, door steeds in dialoog te blijven met sociale partners, het maatschappelijk bestel, lokale en regionale overheden en andere belanghebbenden, en door duidelijke richtsnoeren uit te vaardigen voor de onderhandelingen;

L.  overwegende dat de meeste verplichtingen in het EU-plan verwijzen naar de nationale wetgeving van de lidstaten; overwegende dat vooral de regionale en lokale overheden te maken hebben met de uitvoering van de verplichtingen;

M.  overwegende dat gegevensbescherming geen economische last is maar een bron van economische groei; overwegende dat herstel van het vertrouwen in de digitale wereld essentieel is; overwegende dat gegevensstromen onmisbaar zijn voor de handel in diensten, maar nooit afbreuk mogen doen aan het EU-acquis inzake gegevensbescherming en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

N.  overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 4 juli 2013 over de opening van de onderhandelingen over een plurilaterale dienstenovereenkomst de Commissie heeft verzocht om "door te gaan met haar voornemen een duurzaamheidseffectbeoordeling op te stellen";

O.  overwegende dat er in TiSA sprake zal zijn van het verkeer van natuurlijke personen tussen de landen die partijen zijn bij de overeenkomst, en dat in dat opzicht alle Europese burgers gelijk moeten worden behandeld wat hun toegang tot het grondgebied van de andere partijen bij de overeenkomst betreft;

P.  overwegende dat het Parlement via de goedkeuringsprocedure het laatste woord heeft over handelsovereenkomsten en dat zijn leden pas zullen beslissen over het al dan niet goedkeuren van de TiSA eens de onderhandelingen zijn afgesloten; overwegende dat de ratificering in sommige lidstaten ratificering door regionale parlementen en/of parlementaire kamers die het regionale niveau vertegenwoordigen kan vereisen;

Q.  overwegende dat het Parlement zich het recht voorbehoudt zijn mening te geven na mogelijke toekomstige voorstellen en ontwerpen voor de TiSA-overeenkomst te hebben bestudeerd;

1.  doet de Commissie, in de context van de lopende TiSA-onderhandelingen, de volgende aanbevelingen:

   a) context en werkingssfeer:
   i. de TiSA-onderhandelingen te beschouwen als opstap naar hernieuwde ambities op WTO-niveau teneinde de onderhandelingen over een hervormde GATS te heropenen;
   ii. zich nogmaals uit te spreken voor een ambitieuze, allesomvattende en evenwichtige onderhandeling, die het onbenutte potentieel van een meer geïntegreerde mondiale dienstenmarkt moet vrijmaken, waarbij sociale, economische en milieudumping wordt voorkomen, en het EU-acquis volledig in acht wordt genomen; de globalisering vorm te geven en te reguleren en internationale normen te versterken, met wettelijke verankering van het reguleringsrecht, en legitieme doelstellingen van het overheidsbeleid na te streven, zoals volksgezondheid, veiligheid en milieu; te zorgen voor ruimere markttoegang voor Europese dienstverrichters, waaronder kmo's, in cruciale sectoren, en daarbij ruimte te laten voor specifieke uitzonderingen ten behoeve van gevoelige sectoren, waaronder alle overheidsdiensten; ervoor te zorgen dat deze onderhandelingen op eerlijke en substantiële wijze bijdragen aan het scheppen van banen en inclusieve groei, en ambitieuze normen voor handel in diensten vast te leggen voor de 21e eeuw; de politieke, sociale en culturele modellen van de lidstaten en de EU te eerbiedigen, alsook de in de EU-Verdragen vastgelegde grondbeginselen en de beginselen die zijn opgenomen in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zoals gendergelijkheid; mensenrechten, democratie en de rechtsstaat wereldwijd te bevorderen en te beschermen;
   iii. te streven naar multilateralisering en zich te verzetten tegen bepalingen of bijlagen die dit in de weg zouden staan, die onverenigbaar zouden zijn met de GATS en een hindernis zouden vormen voor een toekomstige opname in het WTO-systeem; nieuwe partijen te accepteren onder de voorwaarde dat zij reeds overeengekomen regels en ambities overnemen; deelneming in ruimere kring aan de onderhandelingsgesprekken aan te moedigen; voor ogen te houden dat de grootste belemmeringen en het grootste groeipotentieel op punt van handel in diensten in de BRICS- en MINT-landen te vinden zijn; te onderkennen hoe belangrijk die landen zijn voor de EU, als exportbestemming met opkomende middenklassen, als bron van intermediaire inputs en als essentiële schakel in mondiale waardeketens; de deur open te zetten voor deelname van geëngageerde opkomende en dynamische economieën en nogmaals steun uit te spreken voor het verzoek van China om tot de onderhandelingen toe te treden; te waarborgen dat alle TiSA-deelnemers zich inzetten voor de multilateralisering van het resultaat van de onderhandelingen; ervoor te zorgen dat bijzondere aandacht wordt besteed aan ontwikkelingslanden en dat de bepalingen van artikel IV van de GATS in de TiSA worden opgenomen;
   iv. er kennis van te nemen dat de dienstensector volgens de de Conferentie van de Verenigde Naties voor Handel en Ontwikkeling (United Nations Conference on Trade and Development, UNCTAD) goed is voor ongeveer 51 % van het bbp in ontwikkelingslanden en dat de uitvoer van diensten uit Afrikaanse landen aan het stijgen is; te erkennen dat handel, ook in diensten, onder bepaalde omstandigheden de aanzet kan geven tot inclusieve groei, duurzame ontwikkeling, vermindering van armoede en ongelijkheid en het scheppen van fatsoenlijke banen, en innovatie kan aanmoedigen door de uitwisseling van knowhow, technologie en investeringen in onderzoek en ontwikkeling te faciliteren, onder meer via het aantrekken van buitenlands kapitaal; dientengevolge het standpunt te verdedigen dat de economische integratie en de aanpassing van ontwikkelingslanden aan de mondialisering ondersteund kan worden door hen eerlijke toegang te geven tot de wereldwijde handel in diensten;
   v. te erkennen dat, aangezien de onderhandelingen op preferentiële basis plaatsvinden, de voordelen van de overeenkomst beperkt blijven tot de TiSA-partijen totdat de overeenkomst is gemultilateraliseerd; zich te verzetten tegen de toepassing van een clausule voor meestbegunstigingsbehandeling op landen die geen partij zijn bij de TiSA totdat de overeenkomst is gemultilateraliseerd; er zich net zoals in de GATS tegen te verzetten dat vrijhandelsovereenkomsten in de meestbegunstigingsbehandeling worden opgenomen;
   vi. de discussies over diensten binnen de Ontwikkelingsronde van Doha nieuw leven in te blazen;
   vii. te zorgen voor synergie en samenhang tussen bilaterale, plurilaterale en multilaterale overeenkomsten waarover op dit moment wordt onderhandeld, alsook met ontwikkelingen op de interne markt, met name wat de digitale interne markt betreft; te zorgen voor samenhang tussen het interne en externe beleid van de EU en te ijveren voor een geïntegreerde benadering van buitenlandse aangelegenheden; het beginsel van beleidssamenhang ten aanzien van ontwikkeling te eerbiedigen en de tenuitvoerlegging van de in september 2015 aangenomen doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling aan te moedigen;
   viii. specifieke waarborgen voor toeristen voor te stellen, onder meer om internationale roamingtarieven en tarieven voor internationale gesprekken en berichten transparant te maken, perken te stellen aan de buitensporige kosten die consumenten worden berekend voor gebruik van hun kredietkaart buiten Europa, en het recht van de EU en de lidstaten te handhaven om veiligheidswaarschuwingen voor toeristische bestemmingen uit te vaardigen;
   ix. een herzieningsclausule op te nemen tot vaststelling van een mechanisme dat de partijen in staat zou stellen om uit de overeenkomst te stappen of om toezeggingen inzake de liberalisering van een dienst op te schorten of in te trekken, met name wanneer inbreuk wordt gepleegd op sociale of arbeidsnormen;
   x. zonder verder uitstel de duurzaamheidseffectbeoordeling uit te brengen en na afloop van de onderhandelingen dienovereenkomstig aan te passen, specifiek met het oog op het effect van de TiSA voor burgers, lokale en regionale overheden, ontwikkelingslanden die niet aan de onderhandelingen deelnemen en de sociale en werkgelegenheidssituatie in de EU; een gedetailleerde en tijdige beoordeling te maken van het effect van de GATS op de Europese economie sinds de inwerkingtreding van de overeenkomst; de sociale partners en het maatschappelijk middenveld volledig te betrekken bij de afronding van de duurzaamheidseffectbeoordeling; de onderzoeksdienst van het Parlement te vragen om een uitgebreide en informatieve studie naar de draagwijdte en mogelijke weerslag van de TiSA-onderhandelingen, ook vanuit het genderperspectief en vanuit de noodzaak om fenomenen zoals het glazen plafond en de salariskloof tussen mannen en vrouwen aan te pakken; een grondrechtentoets uit te voeren om het Parlement in staat te stellen een geïnformeerd besluit te nemen over het al dan niet instemmen met de TiSA;
   xi. ervoor te zorgen dat de mechanismen voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten niet kunnen worden 'ingevoerd' uit hoofde van andere bilaterale investeringsverdragen;
   b) markttoegang:
   i. openbare diensten en audiovisuele diensten uit te sluiten van het toepassingsgebied van de overeenkomst, een voorzichtige benadering van de culturele diensten te hanteren onverminderd de toezeggingen van de EU in de GATS; zich te beijveren voor ambitieuze toezeggingen over de partijen, sectoren en bestuursniveaus heen, met name voor verdere opening van buitenlandse markten met betrekking tot overheidsopdrachten, telecommunicatie, vervoer, financiële en professionele diensten;
   ii. te zorgen voor wederkerigheid op alle niveaus; het gebruik te steunen van horizontale verbintenisgerelateerde bepalingen als middel om een gemeenschappelijk ambitieniveau te kiezen, onverminderd de rechten en plichten uit hoofde van de artikelen XVI en XVII van de GATS, en erop te letten dat dergelijke minimumvereisten als duidelijke parameters zouden dienen voor landen die in deelname geïnteresseerd zijn; in overeenstemming met artikel IV van de GATS te voorzien in flexibiliteit voor ontwikkelingslanden en de minst ontwikkelde landen bij het onderschrijven van het ambitieniveau van de overeenkomst; ervoor te zorgen dat de overeenkomst een gelijk speelveld probeert te creëren in de dienstensector en nieuwe markten te openen voor dienstverrichters uit de EU;
   iii. het aanbod van nieuwe diensten die niet in het desbetreffend classificatiesysteem zijn ondergebracht van de verbintenissen van de EU uit te sluiten, met behoud van de mogelijkheid om deze in een later stadium op te nemen;
   iv. zich te verzetten tegen de toepassing van standstill- en ratchetclausules op alle verbintenissen inzake markttoegang en nationale behandeling en zich te verzetten tegen hun toepassing op gevoelige sectoren, zoals overheids- en culturele diensten, overheidsopdrachten, Modus 4, vervoer en financiële diensten; voldoende flexibiliteit te laten om diensten van algemeen economisch belang opnieuw in overheidshanden te brengen; het recht van de EU en de lidstaten te handhaven om wijzigingen aan te brengen aan hun lijst van verbintenissen overeenkomstig de GATS;
   v. beperkte verbintenissen aan te gaan voor Modus 1, met name op het gebied van digitale diensten, financiële diensten en wegvervoer, om regelgevingsarbitrage en sociale dumping te voorkomen; daarentegen ambitieuze verbintenissen aan te gaan en offensieve belangen te erkennen op het gebied van telecommunicatiediensten via satelliet, maritieme diensten en herverzekering; te erkennen dat dergelijke verbintenissen slechts vrucht kunnen dragen in een naar behoren gereguleerde omgeving; te zorgen dat de EU-regelgeving volledig wordt nageleefd en wordt afgedwongen ten aanzien van buitenlandse dienstverrichters wanneer een onderneming vanuit het buitenland diensten levert aan EU-consumenten en bepalingen op te nemen ter waarborging van gemakkelijke verhaalsmogelijkheden voor consumenten; tegelijkertijd aan te geven wat de uitdagingen zijn waarmee consumenten worden geconfronteerd wanneer ze met in derde landen gevestigde dienstverrichters te maken hebben, de consumenten van richtsnoeren te voorzien met betrekking tot hun verhaalrecht in dergelijke omstandigheden en zo nodig concrete maatregelen voor te stellen;
   vi. een ambitieuze benadering te volgen in Modus 3 door te ijveren voor wegneming van belemmeringen in derde landen tegen commerciële aanwezigheid en vestiging, zoals plafonds voor buitenlandse deelnemingen en vereisten voor joint ventures, hetgeen van cruciaal belang is voor de blijvende groei van diensten die in het kader van Modus 1 en 4 worden verleend, met behoud van het huidige niveau van voor de hele EU geldende voorbehouden;
   vii. zich voor ogen te houden dat de EU een offensief belang heeft bij de uitgaande mobiliteit van hooggeschoolde vakmensen; zich ervan te onthouden om met betrekking tot mobiliteit naar de EU nieuwe verbintenissen aan te gaan bovenop de GATS tot de andere partijen hun aanbod substantieel verbeteren; te bevestigen dat in de arbeidsclausule de juridische verplichting van buitenlandse dienstverrichters wordt gehandhaafd om de sociale en arbeidswetgeving van de EU en de lidstaten, evenals collectieve overeenkomsten, te respecteren; ambitieuze verplichtingen inzake Modus 4 aan te gaan voor de gevallen die aan de verplichtingen van Modus 3 ten grondslag liggen; het vermogen te behouden om onderzoek naar economische behoeften en arbeidsmarkttoetsen uit te voeren ten aanzien van dienstverrichters op contractbasis en beoefenaars van een vrij beroep;
   viii. het soevereine recht van de lidstaten om te kiezen welke sector in welke mate voor buitenlandse concurrentie wordt opengesteld te respecteren door middel van beperkingen en vrijstellingen; lidstaten niet onder druk te zetten om dit recht niet volledig uit te oefenen;
   ix. huidige en toekomstige diensten van algemeen belang en diensten van algemeen economisch belang (met inbegrip van, maar niet beperkt tot, watervoorziening, gezondheidszorg, sociale dienstverlening, socialezekerheidsstelsels, onderwijs, afvalbeheer en openbaar vervoer), overeenkomstig de artikelen 14 en 106 VWEU en protocol 26, uit te sluiten van het toepassingsgebied van de overeenkomst; ervoor te zorgen dat EU-autoriteiten, nationale en lokale overheden hun volledige recht behouden om iedere maatregel betreffende het opdragen, organiseren, financieren en aanbieden van openbare diensten in te voeren, goed te keuren, te behouden of in te trekken; deze uitsluiting toe te passen ongeacht de vraag hoe deze diensten worden verleend en hoe zij worden gefinancierd; ervoor te zorgen dat socialezekerheidsstelsels volledig van het toepassingsgebied van de overeenkomst zijn uitgesloten; zich te verzetten tegen het voorstel voor een bijlage over patiëntenmobiliteit, dat op tegenkanting van de meerderheid van de TiSA-deelnemers kan rekenen; te erkennen dat de Europese burgers zeer gehecht zijn aan kwalitatief goede overheidsdiensten, die de sociale en territoriale cohesie bevorderen;
   x. zich te verzetten tegen beperkingen van de kruisfinanciering van ondernemingen van één bepaalde overheid wanneer deze sterker zijn dan de beperkingen waarin het recht van de Unie of de lidstaten voorziet;
   xi. onverminderd de GATS-overeenkomst ernaar te streven een ondubbelzinnige goudenstandaardclausule in te voeren die in alle handelsverdragen kan worden opgenomen en die zal waarborgen dat de openbare-voorzieningenclausule geldt voor alle vormen van voorziening, alle diensten die door de Europese, nationale of regionale autoriteiten als openbare dienst worden aangemerkt, in alle sectoren en ongeacht de monopoliestatus van de dienst;
   xii. ervoor te zorgen, overeenkomstig artikel 167, lid 4, VWEU en het UNESCO-Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen uit 2005, middels een horizontale, juridisch bindende clausule die van toepassing is op de hele overeenkomst, dat partijen het recht behouden om maatregelen te nemen of te handhaven met betrekking tot de bescherming of bevordering van culturele en taalkundige verscheidenheid, ongeacht welke technologie of welk distributieplatform wordt gebruikt, zowel online als offline;
   c) regels inzake de digitale economie:
   i. te waarborgen dat grensoverschrijdende gegevensstromen het universele recht op privacy ontzien;
   ii. de onderhandelingen over de hoofdstukken inzake gegevensbescherming en bescherming van de persoonlijke levenssfeer met voorzichtigheid te benaderen;
   iii. te erkennen dat gegevensbescherming en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer geen handelsbelemmeringen zijn maar grondrechten, vastgelegd in artikel 39 VEU en in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, alsook in artikel 12 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens; te bevestigen dat een hoge mate van vertrouwen essentieel is voor de ontwikkeling van een datagestuurde economie; te waarborgen dat dit grondrecht volledig wordt geëerbiedigd, terdege rekening houdend met recente ontwikkelingen in de digitale economie en met volledige inachtneming van het arrest van het Europees Hof van Justitie met betrekking tot veilige haven ("Safe Harbour"); een alomvattende, ondubbelzinnige, horizontale, autonome en wettelijk bindende bepaling op te nemen, gebaseerd op artikel XIV van de GATS, waardoor de bestaande en toekomstige EU-regelgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens volledig van het toepassingsgebied van deze overeenkomst wordt uitgesloten, zonder enige voorwaarde dat ze in overeenstemming moet zijn met andere delen van de TiSA; dergelijke bepalingen toe te passen voor alle andere bijlagen bij de TiSA; dergelijke voorstellen onmiddellijk en formeel te steunen in de TiSA-bijlage over elektronische handel; steun uit te spreken over voorstellen om ervoor te zorgen dat nationale wettelijke kaders voor de bescherming van persoonsgegevens van gebruikers op niet-discriminerende basis worden toegepast; de bepalingen inzake gegevensbescherming die in de bijlage over elektronische handel zijn vastgelegd toe te passen op alle andere TiSA-bijlagen, met inbegrip van de bijlage over financiële diensten;
   iv. te waarborgen dat de persoonsgegevens van Europese burgers de wereld overgaan in volle overeenstemming met de gegevensbeschermings- en -veiligheidsregels zoals die in Europa gelden; te waarborgen dat burgers de controle behouden over hun eigen gegevens; eventuele vangnetbepalingen inzake gegevensstromen zonder enigerlei verwijzing naar de noodzakelijke naleving van gegevensbeschermingsnormen daarom af te wijzen;
   v. zich direct en formeel te verzetten tegen de Amerikaanse voorstellen inzake het verkeer van informatie;
   vi. in aanmerking te nemen dat een helder gedefinieerd en wederzijds overeengekomen wettelijk kader de garantie biedt op een snelle uitwisseling van de nodige informatie wanneer de veiligheid in het gedrang is; ervoor te zorgen dat artikel XIVa van de GATS wordt overgenomen in de TiSA-basistekst; te waarborgen dat nationaleveiligheidsclausules berusten op deugdelijke noodzakelijkheidscriteria; elke uitbreiding in werkingssfeer van de nationaleveiligheidsuitzondering, zoals verankerd in artikel XIVa van de GATS, alsook alle achterpoortjes in technologieën echter krachtig van de hand te wijzen; zich onmiddellijk en formeel te verzetten tegen dergelijke voorstellen in de TiSA;
   vii. te erkennen dat digitale innovatie een drijvende kracht is voor economische groei en productiviteit in de gehele economie; te erkennen dat gegevensstromen een cruciale drijvende kracht achter de diensteneconomie zijn, een essentieel element vormen van de mondiale waardeketen van traditionele verwerkende bedrijven en van wezenlijk belang zijn voor de ontwikkeling van de digitale interne markt; daarom te streven naar een algeheel verbod op vereisten van gedwongen gegevenslokalisering en ervoor te zorgen dat de TiSA bepalingen bevat die de tand des tijds kunnen doorstaan en versnippering van de digitale wereld voorkomt; in overweging te nemen dat vereisten van gedwongen lokalisering, waardoor dienstverrichters gedwongen worden gebruik te maken van de lokale infrastructuur of een lokale vestiging moeten oprichten als voorwaarde voor het verlenen van diensten, ontmoedigend werkt voor rechtstreekse buitenlandse investeringen van en naar een partij; zich daarom tot het uiterste in te spannen om dergelijke praktijken binnen en buiten Europa zo veel mogelijk te bedwingen en tegelijkertijd ruimte te bieden voor de nodige uitzonderingen op basis van legitieme openbare doeleinden, zoals consumentenbescherming en de bescherming van grondrechten;
   viii. te waarborgen dat de bepalingen van de definitieve overeenkomst consistent zijn met bestaande en toekomstige wetgeving op EU-niveau, waaronder de EU-verordening inzake een Europese interne markt voor elektronische communicatie, de algemene verordening inzake gegevensbescherming, de e-privacyrichtlijn (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) en de 16 maatregelen die in de mededeling over de digitale interne markt werden aangekondigd; de neutraliteit van het net en een open internet te waarborgen; te waarborgen dat persoonsgegevens enkel kunnen worden overgedragen naar landen buiten de Unie indien de bepalingen hieromtrent die zijn opgenomen in de EU-wetgeving op het gebied van gegevensbescherming worden nageleefd; in het bijzonder te garanderen dat de EU de mogelijkheid behoudt de overdracht van persoonsgegevens vanuit de EU naar derde landen te staken wanneer de regels in een derde land niet beantwoorden aan de EU-normen en waar alternatieve wegen, zoals bindende bedrijfsregelingen of standaard contractclausules, door ondernemingen niet worden benut en waar afwijkingen zoals vermeld in artikel 26, lid 1, van Richtlijn 95/46/EG niet gelden; geoblocking te voorkomen en het beginsel van open governance van het internet te eerbiedigen; in de passende kaders samen te werken met partijen met het oog op de vaststelling van adequate hoge gegevensbeschermingsnormen;
   ix. te ijveren voor op regels gebaseerde concurrentie in de telecommunicatiesector ten gunste van dienstverleners en consumenten; de hardnekkige gevallen van asymmetrische regelgeving in de telecommunicatiesector aan te pakken, door partijen te beletten plafonds in te stellen voor buitenlandse deelnemingen, door pro-competitieve wholesaletoegangsregels in te voeren voor de netwerken van een zittende operator, door duidelijke en niet-discriminerende regels voor licentieverlening vast te stellen, door zich voor EU-telecomaanbieders op exportmarkten te verzekeren van daadwerkelijke toegang tot de infrastructuur voor de laatste kilometer, door de onafhankelijkheid van toezichthouders te waarborgen, en door een ruime definitie van telecommunicatiediensten te omarmen die alle soorten van netwerk omvat; een gelijk speelveld voor alle operatoren te waarborgen en ervoor te zorgen dat ondernemingen uit derde landen met oligopolistische markten niet profiteren van de versnippering op de EU-markt; te waarborgen dat de TiSA-partijen het beginsel van open en niet-discriminerende internettoegang voor dienstverrichters en consumenten eerbiedigen; te waarborgen dat EU-operatoren een eerlijke en symmetrische markttoegang voor telecomdiensten krijgen in landen die deelnemen aan de TiSA, vrij van non-tarifaire belemmeringen en belemmeringen achter de grenzen, waaronder regelgevingsvereisten, asymmetrische normen, technologische voorwaarden of beperkingen;
   x. zich krachtig uit te spreken voor bepalingen over internationale mobiele roaming en deze uit te breiden naar internationale gesprekken en berichten; te zorgen dat er meer informatie over retailtarieven op korte termijn voor het publiek verkrijgbaar wordt en steun uit te spreken voor plafonds op langere termijn met het oog op een daling van de prijzen; ervoor te zorgen dat de TiSA geen hindernissen creëert voor bilaterale overeenkomsten op dit gebied; aan te sturen op online consumentenbescherming, met name waar het gaat om ongevraagde commerciële elektronische berichten;
   xi. te zorgen voor een effectieve samenwerking op het gebied van belastingen op digitale diensten op basis van de werkzaamheden van het platform voor goed bestuur op belastinggebied van de Europese Commissie, en in het bijzonder het verband tussen de belastingheffing en de reële economische activiteiten van de ondernemingen in de sector te waarborgen;
   d) regels inzake mobiliteit:
   i. te zorgen dat niets in de TiSA de EU en de lidstaten kan beletten hun arbeids- en sociale regelgeving en collectieve overeenkomsten te handhaven, te verbeteren en toe te passen of maatregelen te treffen om de binnenkomst van natuurlijke personen of hun korte verblijf op het grondgebied van de EU of de lidstaten te reguleren, met inbegrip van maatregelen die nodig zijn om het ordelijke verkeer van personen over de grenzen te waarborgen, zoals maatregelen met betrekking tot toelating of voorwaarden voor toelating; in overeenstemming met Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers te waarborgen dat de minimale arbeidsvoorwaarden van het gastland van toepassing zijn op dienstverrichters die naar de EU komen, vandaag en in de toekomst; te waarborgen dat alle werknemers die naar Europa komen, ongeacht hun land van herkomst, dezelfde arbeidsrechten genieten als onderdanen van hun gastland en dat het beginsel van gelijk loon voor gelijk werk wordt geëerbiedigd; ervoor te zorgen dat de acht basisverdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) door de landen die partij zijn bij de TiSA worden geratificeerd en doeltreffend ten uitvoer worden gelegd; alle partijen te verzoeken om de belangrijkste normen van de Internationale Arbeidsorganisatie te bekrachtigen en uit te voeren en andere relevante IAO-verdragen en VN-resoluties te bevorderen; te waarborgen dat de arbeidswetgeving en de collectieve arbeidsovereenkomsten van de EU en haar lidstaten worden geëerbiedigd op EU-grondgebied; het EU-toezichts- en handhavingsmechanisme te versterken om overtredingen te ontmoedigen; er bij de lidstaten op aan te dringen meer middelen beschikbaar te maken voor arbeidsinspecties; met spoed gedetailleerde informatie te verzamelen en te presenteren over het aantal en het soort dienstverrichters dat momenteel in Modus 4 actief is in de EU, met inbegrip van de duur van hun verblijf; in de toekomst voor een veel efficiëntere grensoverschrijdende toegang tot gegevens binnen de EU te zorgen; een veiligheidsclausule op te nemen om te voorkomen dat bedrijven het recht om vakbondsactie te voeren omzeilen of ondermijnen door tijdens onderhandelingen over collectieve arbeidsovereenkomsten en arbeidsgeschillen gebruik te maken van werknemers uit derde landen en de TiSA-deelnemers in staat te stellen alle nodige voorzorgsmaatregelen toe te passen mochten nationale lonen onder druk komen te staan, de rechten van nationale werknemers in het gedrang komen of andere overeengekomen normen overtreden worden, in overeenstemming met de beperkingen zoals vastgesteld in artikel X van de GATS; alle overeenkomstsluitende partijen ertoe aan te moedigen om de belangrijkste richtsnoeren van de OESO voor multinationale ondernemingen na te leven;
   ii. te bedenken dat verbintenissen van Modus 4 alleen mogen gelden voor de verplaatsingen van hoogopgeleide vakmensen, zoals personen met een universitair of gelijkwaardig masterdiploma of personen die een hogere managementfunctie bekleden, met een specifiek doel, voor een beperkte periode en onder precieze voorwaarden die in de nationale wetgeving van het land waar de dienst wordt verricht en in een contract dat in overeenstemming is met deze nationale wetgeving nader zijn omschreven; dringt er in dit verband op aan dat artikel 16 van de dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG) in acht wordt genomen en ten uitvoer wordt gelegd; zich te verzetten tegen substantiële wijzigingen aan de regels met betrekking tot Modus 4 zoals vastgelegd in de GATS en een herziening te overwegen van Richtlijn 2014/66/EU betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming;
   iii. te erkennen dat de bijlage over Modus 4 een offensief belang voor Europa inhoudt, aangezien EU-professionals goed opgeleid en mobiel zijn en EU-ondernemingen steeds vaker binnen Europa de specifieke kunde van buitenlandse professionals en buiten Europa die van hun eigen werknemers nodig hebben om nieuwe bedrijfsactiviteiten te kunnen opzetten; ervoor te zorgen dat deze mobiliteit niet alleen voordelig is voor Europese bedrijven, maar ook voor Europese werknemers;
   iv. zich te verzetten tegen bepalingen omtrent visa en andere inreisformaliteiten, anders dan gericht op meer transparantie en versoepeling van administratieve procedures; ervoor te zorgen dat de TiSA niet van toepassing is op maatregelen met gevolgen voor natuurlijke personen die toegang tot de arbeidsmarkt van een partij proberen te krijgen, noch op maatregelen met betrekking tot staatsburgerschap, verblijf of werk op permanente basis; passende veiligheidsmechanismen in te voeren om zeker te stellen dat tijdelijke dienstverrichters weer naar hun land terugkeren;
   v. te streven naar een horizontaal verbod op het verlangen van een commerciële aanwezigheid, of van ingezetenschap als voorwaarde voor het verlenen van professionele diensten; de werkingssfeer van de bijlage over professionele dienstverrichting te beperken tot de lijst van de door elke partij aangegane verbintenissen;
   vi. te streven naar een kader voor de wederzijdse erkenning van opleiding, academische niveaus en beroepskwalificaties, met name voor de beroepen van architect, accountant en jurist, waarbij de bekwaamheid van de dienstverrichters en daarmee de kwaliteit van de geboden dienst verzekerd moeten blijven, in overeenstemming met de EU-richtlijnen inzake beroepskwalificaties, en waarbij wordt vermeden dat universitaire diploma’s automatisch en kwantitatief worden erkend;
   vii. vraagt om een duidelijke definitie van de werknemers die onder de bijlage betreffende Modus 4 vallen;
   e) regels inzake financiële diensten:
   i. tot een overeenkomst te komen die een ambitieuze maar evenwichtige bijlage bevat met betrekking tot de verlening van alle soorten financiële diensten, met name bankieren en verzekeringen, die verder gaat dan de GATS-bijlage met betrekking tot financiële diensten en die duurzame groei op de lange termijn bevordert, in overeenstemming met de doelstellingen van de Europa 2020-strategie; zich te richten op versterking van de stabiliteit van het financiële stelsel en afzonderlijke financiële instellingen, met garantie van volledige consistentie met het regelgevingskader van na de crisis en met garantie van eerlijke concurrentie tussen aanbieders van financiële diensten; tot een overeenkomst te komen die de Europese consument waarde en bescherming oplevert in de vorm van opwaartse convergentie in de financiële regelgeving en een ruimer assortiment aan financiële diensten; te streven naar afdoende bescherming van de consument, met inbegrip van gegevensbescherming en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsook het verstrekken van begrijpelijke en juiste informatie, hetgeen onontbeerlijk is voor het verminderen van de asymmetrie van informatie;
   ii. de TiSA-partijen zich te laten verbinden tot de invulling en toepassing van internationale normen voor regulering van en toezicht op de financiële sector, zoals die zijn goedgekeurd door de G20, het Bazelcomité voor bankentoezicht, de Raad voor financiële stabiliteit, de Internationale organisatie van effectentoezichthouders (Iosco) en de "International Association of Insurance Supervisors"; maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de belangrijkste onderdelen van het WTO-Memorandum inzake financiële diensten in de TiSA worden opgenomen, waarbij de ontwerptekst van het Memorandum wordt verbeterd om het volledig in overeenstemming te brengen met de precieze huidige beleidslijnen van de EU op deze gebieden; ervoor te zorgen dat met de TiSA wordt bijgedragen aan de matiging van dubbele belastingheffing en het in geen geval mogelijk wordt gemaakt achterpoortjes voor belastingfraude, belastingontwijking, agressieve belastingplanning of witwaspraktijken te creëren of te openen; te streven naar diepgaande verbintenissen, met name wat markttoegang betreft, van landen die momenteel geen bilaterale handelsafspraken met de EU hebben, zoals Australië, Nieuw-Zeeland, Hongkong en Taiwan, zeer beperkte verbintenissen zijn aangegaan op WTO-niveau, zoals Chili en Turkije, of zeer beperkte bilaterale verbintenissen op het vlak van financiële diensten zijn aangegaan, zoals Mexico;
   iii. een prudentiële uitzonderingsbepaling op te nemen in de TiSA, op basis van de bepaling uit de brede economische en handelsovereenkomst EU-Canada (Comprehensive Economic and Trade Agreement, CETA), waardoor partijen het soevereine recht behouden af te wijken van hun handelsverbintenissen en maatregelen goed te keuren die ze nodig achten om hun financiële en banksector te reguleren om prudentiële en toezichtsredenen, teneinde de stabiliteit en integriteit van het financieel systeem van een partij te verzekeren;
   iv. ervoor te zorgen dat er op het gebied van financiële diensten geen nieuwe verbintenissen worden aangegaan waardoor de EU-regelgeving voor de financiële sector in het gedrang kan komen doordat de EU gedwongen wordt terug te keren op haar verbeterde regelgevingskader voor de financiële sector of de wet niet kan gebruiken om financiële instellingen die buitensporige risico’s nemen aan te pakken; ervoor te zorgen dat niets in deze overeenkomst de EU-regelgevers zal beperken in hun vermogen om bestaande of nieuwe financiële producten al dan niet toe te staan, in overeenstemming met het regelgevingskader van de EU;
   v. en daarbij vast te houden aan het standpunt dat de wereldwijde toegang tot financiële diensten wegens het belang van deze diensten voor groei en de economie moet worden verruimd, en dat grensoverschrijdende financiële diensten van de EU-verbintenissen uitgesloten moeten blijven, met inbegrip van portefeuillebeheer, zolang er geen sprake is van convergentie in de financiële regulering op het hoogste niveau, afgezien van zeer beperkte en naar behoren gerechtvaardigde gevallen, zoals de herverzekeringsdiensten die tussen bedrijven onderling worden verleend; met name in overweging te nemen dat duidelijke en betrouwbare regels en procedures om in derde landen gevestigde bedrijven te machtigen dergelijke diensten te verlenen in de EU en dat, in voorkomend geval, de expliciete erkenning door de EU dat het land van herkomst van deze bedrijven over een afdwingbaar regelgevings- en toezichtskader beschikt die gelijkwaardig zijn aan die van de EU, onontbeerlijk zijn om ervoor te zorgen dat geen enkele instelling die niet onder toezicht staat activiteiten kan ontplooien in de Unie en er een gelijk speelveld tot stand wordt gebracht voor Europese en buitenlandse bedrijven, ongeacht de jurisdictie van hun vestigingsplaats; parallel met de TiSA onmiddellijke actie te ondernemen om de kloof kleiner te maken tussen de verschillende manieren waarop landen momenteel de gelijkwaardigheid van regelgevings- en toezichtsstelsels van andere jurisdicties erkennen, aangezien dit momenteel versnippering van de mondiale markten voor financiële diensten veroorzaakt, door gezamenlijk overeen te komen dat een equivalentiebesluit het resultaat moet zijn van een transparante beoordeling of de regels van elke jurisdictie dezelfde doestellingen en begrip bereiken en dat een dergelijk besluit, hoewel het moet worden genomen na tijdige en regelmatige bilaterale gesprekken, een unilateraal karakter kan hebben indien wederzijdse erkenning niet mogelijk is;
   vi. te vragen om een grondige onafhankelijke voorafgaande effectbeoordeling om de economische en sociale effecten te beoordelen van aanvullende financiële liberalisering in het kader van de TiSA;
   vii. te erkennen dat de hervorming van de regulering in reactie op de financiële crisis nog niet ten einde is, en onder meer om vereisten vraagt ten aanzien van bepaalde rechtsvormen, splitsingen (zoals afscheidingen van een bank), verandering in handelsactiviteiten of inkrimping;
   f) regels inzake logistiek:
   i. te streven naar een ambitieus maar evenwichtig resultaat voor de vervoerssector, wat van cruciaal belang is voor de duurzame ontwikkeling van mondiale waardeketens; de snelheid, betrouwbaarheid, veiligheid en interoperabiliteit van vervoersdiensten te verbeteren, ten behoeve van zowel zakelijke klanten als individuele gebruikers en werknemers; te zorgen voor samenhang met het klimaatbeleid van de EU; te letten op het belang van vervoers- en leveringsdiensten voor de Europese economie en werkgelegenheid, aangezien Europese reders 40 % van de wereldwijde handelsvloot bezitten, de luchtvaartindustrie meer dan 5 miljoen banen biedt, de Europese spoorwegindustrie meer dan de helft van de wereldwijde productie van spoorwegmaterieel en -diensten voor haar rekening neemt en het wegvervoer belangrijk blijft voor de EU-logistiek; het potentieel van de vervoersdiensten derhalve te erkennen om de werkloosheid in Europa te verminderen; ervoor te zorgen dat tijdens de onderhandelingen rekening wordt gehouden met de snel evoluerende aard van de vervoerssector en het toenemende belang van de vervoerswijzen van de deeleconomie in het dagelijkse leven van Europeanen; te eisen dat buitenlandse bedrijven de bestaande EU-reguleringsnormen volledig naleven wanneer ze hun vervoers- of leveringsdiensten verlenen op EU-grondgebied;
   ii. te streven naar betere toegang tot buitenlandse markten en vermindering van concurrentiebelemmerende regelgevingspraktijken, met name zulke die schadelijk zijn voor het milieu en de efficiëntie van vervoersdiensten afremmen en beperkingen op buitenlands eigendom die door niet-EU-landen worden opgelegd, waarbij wettelijk wordt gewaarborgd dat overheidsinstanties het recht behouden om de vervoerssector te reguleren en openbaar vervoer te garanderen; de beperkingen in de cabotagesector aan te pakken en te voorkomen dat vervoerders leeg uit het ontvangende land vertrekken, met name in de bijlagen over zee- en luchtvervoer;
   iii. bepalingen voor te stellen die de rechten van passagiers moeten versterken, met name in de bijlage over luchtvervoer, en eveneens in alle vervoerswijzen, zodat de consumenten eveneens baat zullen hebben bij deze overeenkomst;
   iv. de rechten van de lidstaten te behouden met betrekking tot bestaande of toekomstige nationale regelgeving en bilaterale of multilaterale overeenkomsten over wegvervoer met vereisten voor doorvoervergunningen; eventuele bepalingen die de inreis en het verblijf van beroepschauffeurs moeten vergemakkelijken, van de werkingssfeer van de bijlage over wegvervoer uit te sluiten; eventuele eisen tot het aangaan van verbintenissen van Modus 4 in de wegvervoerssector af te wijzen;
   v. te zorgen voor consistentie met internationale normen zoals die zijn goedgekeurd door de Internationale Maritieme Organisatie en de Internationale Organisatie voor de Burgerluchtvaart, en deze als minimumnormen te beschouwen en zich tegen verlaging van die internationale benchmarks teweer te stellen; als langetermijndoelstelling te streven naar bindende internationale regels voor de sectoren van zee- en luchtvervoer; te zorgen voor de toepassing van IAO-verdragen die relevant zijn voor de logistieke en vervoerssector, zoals het Maritiem Arbeidsverdrag; te onderstrepen dat de wetgeving van de EU en de lidstaten voordelen oplevert voor werknemers, onder meer inzake veiligheid en beveiliging, voor consumenten en het milieu; te benadrukken dat alle dienstverleners in de EU (buitenlandse en binnenlandse) deze wetgeving moeten naleven; te erkennen dat de kwaliteit van diensten intrinsiek verbonden is met de kwaliteit van de arbeidsomstandigheden en het vigerende regelgevingskader;
   vi. het juiste evenwicht te vinden tussen liberalisering van de competitieve postsector, wat van cruciaal belang is voor de verdere ontwikkeling van de diensten- en digitale economie, en bescherming van universele postdiensten, die een wezenlijke rol spelen bij de bevordering van sociale, economische en territoriale cohesie; concurrentievervalsende kruiselingse subsidie daarom te verhinderen en toegang tot de markten van niet-EU-landen te verbeteren, en hierbij te zorgen voor de naleving van universeledienstverplichtingen zoals door elke partij gedefinieerd;
   vii. te wijzen op de cruciale rol van het zeevervoer in de wereldeconomie, als industrietak op zich en als facilitator van de internationale handel; te zorgen voor een duidelijke tekst met bindende afspraken inzake toegang tot havens, alsmede toegang tot markten en de nationale behandeling van internationale dienstverlening in het zeevervoer;
   g) regels inzake binnenlandse regulering en transparantie:
   i. het recht van Europese, nationale en plaatselijke overheden om te reguleren in het openbaar belang op een manier die niet beperkender is dan de GATS en niet onderworpen is aan noodzakelijkheidstoetsingen wettelijk te waarborgen; ervoor te zorgen dat de bepalingen uit de bijlagen niet beperkender zijn dan de beginselen die zijn vastgelegd in artikel VI van de GATS of in het EU-recht;
   ii. te erkennen dat de onderhandelende partijen over een kader beschikken voor een rechtsstaat en een onafhankelijke rechterlijke macht, met beroepsmogelijkheden die de rechten van de investeerders en de burgers waarborgen;
   iii. goed bestuur en transparantie te bevorderen en goede praktijken rond administratieve, regelgevende en legislatieve processen te stimuleren, door de ruimere navolging aan te moedigen van maatregelen die de onafhankelijkheid van besluitvormers versterken, de transparantie en democratische verantwoordingsplicht met betrekking tot besluiten vergroten en de bureaucratie verminderen; te benadrukken dat de bescherming en de veiligheid van consumenten, volksgezondheid en milieu, alsook de arbeidsrechten centraal moeten staan in alle reguleringsinitiatieven; ervoor te zorgen dat wijzigingen in de mate waarop regulering in de EU wordt beschermd alleen in stijgende richting kan plaatsvinden, nooit omgekeerd;
   iv. erop toe te zien dat het universeledienstbeginsel onaangetast blijft, opdat bijvoorbeeld mensen woonachtig in afgelegen regio's, in grens- of bergachtige gebieden of op eilanden diensten van dezelfde kwaliteit aangeboden krijgen en niet meer betalen dan mensen die in stedelijke gebieden wonen;
   v. te bevestigen dat een bijlage over binnenlandse regulering, conform de GATS-bepalingen, partijen moet beletten om verhulde handelsbelemmeringen in werking te stellen en buitenlandse ondernemingen met onnodige lasten te bezwaren, met name wanneer deze verschillende soorten van vergunning aanvragen; ervoor te zorgen dat binnenlandse regulering tegemoet blijft komen aan de doelstellingen van het overheidsbeleid;
   vi. ervoor te zorgen dat de overeen te komen regels alleen gelden voor handelsgerelateerde maatregelen, zoals kwalificaties en vergunningvereisten en -procedures, en alleen in sectoren waar een partij verbintenissen is aangegaan;
   vii. een juridisch advies aan te vragen en te publiceren alvorens door het Parlement over de definitieve overeenkomst wordt gestemd, met het oog op een grondige toetsing van de twee bijlagen over binnenlandse regulering en transparantie aan de EU-wetgeving, en na te gaan of de in deze bijlagen vervatte juridische verplichtingen in de EU al worden nageleefd;
   viii. de wetgevende beginselen van transparantie en objectiviteit duidelijk af te bakenen om ervoor te zorgen dat deze concepten niet verworden tot vangnetbepalingen;
   ix. informatie over handelsgerelateerde regulering en de wijze waarop deze wordt gehanteerd, met inbegrip van de op subfederaal niveau toepasselijke regulering, voor het publiek online toegankelijk te maken; het accent te leggen op regels voor licentie- en toestemmingverlening; specifiek aan te sturen op creatie via internet van een informatieloket ten behoeve van kmo's en deze te betrekken bij de ontwikkeling ervan;
   x. erop toe te zien dat door buitenlandse ondernemingen te betalen administratieve vergoedingen eerlijk en niet-discriminerend zijn, dat buitenlandse en binnenlandse dienstverrichters gelijke toegang hebben tot toereikende rechtsmiddelen om klachten voor de nationale rechter te brengen, en dat er binnen een redelijke termijn uitspraak wordt gedaan;
   xi. de in de EU gebruikelijke praktijk van openbare raadpleging vóór het uitbrengen van een wetgevingsvoorstel te handhaven; erop toe te zien dat de resultaten van deze raadplegingen tijdens de onderhandelingen nauwgezet in de gaten worden gehouden;
   xii. zich te verzetten tegen eventuele voorstellen die willen dat een wetgevingsvoorstel verplicht eerst aan een derde partij wordt voorgelegd alvorens te worden gepubliceerd; in gedachten te houden dat de belanghebbenden verschillende manieren van toegang hebben tot hulpbronnen en expertise, en erop toe te zien dat de opname in de TiSA van een vrijwillige raadplegingsprocedure voor belanghebbenden niet leidt tot bevoorrechting van organisaties met een betere financiering;
   h) regels die in andere reguleringsdisciplines zijn vervat:
   i. te erkennen dat de TiSA een kans biedt om te zorgen voor mededinging volgens de regels, niet omwille van de regels;
   ii. ervoor te zorgen dat wederzijds overeengekomen verbintenissen in de praktijk zullen worden nageleefd, dat er een effectieve vergelding mogelijk is en dat voorzien wordt in ontmoedigingsmaatregelen voor inbreuken op verbintenissen; daarom een geschillenbeslechtingsmechanisme tussen staten op te nemen in de overeenkomst, dat moet worden gebruikt totdat de overeenkomst is gemultilateraliseerd en het geschillenbeslechtingsmechanisme van de WTO beschikbaar wordt; een herziening door te voeren van Verordening (EU) nr. 654/2014 betreffende de uitoefening van de rechten van de Unie voor de toepassing en handhaving van de internationale handelsregels, om ervoor te zorgen dat de EU vergeldingsmaatregelen kan nemen in de dienstensectoren;
   iii. op te komen voor de opname van een regelgevende bijlage inzake overheidsaanbestedingen met het oog op een zo groot mogelijke deelname door Europese ondernemingen aan buitenlandse aanbestedingen met behoud van EU-criteria, waaronder sociale en milieucriteria, en aan procedures voor Europese aanbestedingen, met name wat betreft de toegang van kmo's tot overheidsopdrachten, de ontvankelijkheidscriteria op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding en de drempelwaarden waaronder verbintenissen niet van toepassing zijn; oplossingen te bieden voor het gemis aan transparantie en voor belemmeringen bij toegang tot de markt ten aanzien van niet-Europese aanbestedingen, en ongenoegen te laten blijken over het gebrek aan wederkerigheid op dit gebied op alle besturingsniveaus, zoals de preferentiële behandeling laat zien die in sommige landen aan binnenlandse ondernemingen ten deel valt, en tegelijkertijd de mogelijkheid toe te staan om te opteren voor verbintenissen op het gebied van markttoegang en nationale behandeling in het belang van multilateralisering; aan te sporen tot de ratificering en uitvoering door de partijen die dit nog niet gedaan hebben van de WTO-overeenkomst inzake overheidsopdrachten in de gewijzigde versie van 2011; de Europese Unie uit te nodigen om naar het voorbeeld van de "American Business Act" een "European Business Act" aan te nemen waarmee de economische ontwikkeling van kmo's en de Europese industrie wordt bevorderd;
   iv. erop toe te zien dat kleine en middelgrote dienstverleners van de EU worden beschermd tegen oneerlijke handelspraktijken van dienstverleners van buiten de EU;
   v. te zorgen voor minder onnodige belemmeringen voor het handelsverkeer in energie- en milieugerelateerde diensten, met name in diensten die betrekking hebben op de ontwikkeling en bevordering van hernieuwbare energiebronnen en milieuvriendelijke technologieën, en tegelijkertijd de mogelijkheid tot voorbehoud op markttoegang en nationale behandeling in alle dienstverleningsvormen op dit gebied open te laten, aangezien steeds meer diensten, zoals installatie, beheer en reparatie, samen met producten uit deze beide sectoren worden verkocht; de soevereiniteit van elke partij over energiebronnen overeenkomstig de Verdragsbepalingen uitdrukkelijk te erkennen en het reguleringsrecht van de EU wettelijk te waarborgen door een verbetering van aan de GATS gelijkwaardige bepalingen, zodat met name de Europese doelstellingen voor duurzaamheid, het klimaatbeleid, zekerheid en betaalbaarheid kunnen worden gehaald;
   vi. erop toe te zien dat toekomstige verbintenissen inzake aanbestedingen geen voorrang krijgen op de plaatselijke of nationale wetgeving van enige partij;
   i) voeling met het publiek en de politiek:
   i. het hoogste niveau van transparantie, dialoog en verantwoording te waarborgen;
   ii. het Parlement onmiddellijk en volledig op de hoogte te brengen in alle fasen van de onderhandelingen; erop toe te zien dat alle leden van het Europees Parlement alle onderhandelingsdocumenten krijgen omtrent de TiSA, alsook de interne documenten van de Commissie, zoals gedetailleerde samenvattingen van onderhandelingsronden en grondige beoordelingen van de voorstellen van de TiSA-partijen, mits de gepaste vertrouwelijkheid gewaarborgd wordt; onderhandelingsdocumenten openbaar te maken, in overeenstemming met het beleid van de WTO, de jurisprudentie van het Hof van Justitie inzake gerubriceerde documenten, alsook de beperkingen die zijn vastgelegd in het EU-acquis, met name in Verordening (EG) nr. 1049/2001 inzake de toegang tot documenten, met uitzondering van de documenten die met een duidelijke verantwoording per geval gerubriceerd moeten worden;
   iii. de aanzienlijke terreinwinst te verwelkomen op gebied van transparantie naar het publiek toe die sinds de Europese verkiezingen van 2014 is geboekt, getuige onder meer de publicatie van de door de EU-markt aangeboden markttoegang en van het door de Raad afgegeven onderhandelingsmandaat; deze inspanningen verder door te zetten, en voor elk onderdeel van de overeenkomst duidelijke en begrijpelijke informatie-overzichten uit te geven en voor elke ronde feitelijke feedbackrapporten op de Europawebsite te plaatsen; onze onderhandelingspartners ertoe aan te sporen om nog een stap verder te gaan op het gebied van transparantie opdat de TiSA niet wordt uitonderhandeld in omstandigheden die ondoorzichtiger zijn dan die van de onderhandelingen onder auspiciën van de WTO;
   iv. gedurende het hele onderhandelingsproces te zorgen voor ernstige en voortdurende contacten tussen de EU-instellingen en alle relevante belanghebbenden; erop aan te dringen dat deze contacten nog intensiever worden naargelang het onderhandelingsproces vordert, zodat er naar behoren rekening wordt gehouden met de verwachtingen van het Europees maatschappelijk middenveld, de sociale partners en andere belanghebbenden, ook binnen het kader van de dialoog met het maatschappelijk middenveld; te benadrukken dat de lidstaten, die de richtlijnen voor de onderhandelingen vaststellen, een fundamentele rol spelen op dit gebied;
   v. de lidstaten aan te moedigen hun nationale parlementen, lokale en regionale overheden bij de lopende onderhandelingen te betrekken, hen te raadplegen en voldoende op de hoogte te houden;
   vi. vertegenwoordigers uit te nodigen van plaatselijke en regionale overheden, die op EU-niveau worden vertegenwoordigd door het Comité van de Regio's, voor de dialogen die door de Europese Commissie aan het begin en aan het eind van elke onderhandelingsronde worden georganiseerd;

2.  verzoekt de Commissie voorliggende resolutie ten volle in acht te nemen en binnen zes maanden na de goedkeuring ervan met een antwoord te komen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie met de aanbevelingen van het Europees Parlement te doen toekomen aan de Commissie en ter informatie aan de Raad, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de overheden en parlementen van alle TiSA-partijen.

(1) https://www.wto.org/english/docs_e/legal_e/26-gats_01_e.htm
(2) TN/S/36.
(3) http://eeas.europa.eu/delegations/wto/press_corner/all_news/news/2012/20120705_advancingnegotiations_services.htm
(4) http://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2015/03/150310-trade-services-agreement-negotiating-mandate-made-public/
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0325.
(6) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2014/july/tradoc_152702.pdf
(7) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2014/july/tradoc_152702.pdf
(8) http://trade.ec.europa.eu/doclib/press/index.cfm?id=1254
(9) http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/march/tradoc_153264.pdf
(10) PB C 61 E van 10.3.2004, blz. 289.


Nieuwe strategie voor gendergelijkheid en vrouwenrechten na 2015
PDF 169kWORD 68k
Resolutie van het Europees Parlement van 3 februari 2016 over de nieuwe strategie voor gendergelijkheid en vrouwenrechten na 2015 (2016/2526(RSP))
P8_TA(2016)0042B8-0150/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de Verklaring en het Actieprogramma van Peking die op 15 september 1995 werden goedgekeurd tijdens de vierde Wereldvrouwenconferentie, en de latere slotdocumenten die werden aangenomen tijdens de speciale bijeenkomsten van de Verenigde Naties Peking +5 (2000), Peking +10 (2005), Peking +15 (2010) en Peking +20 (2015),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 februari 1996 getiteld "Integratie van de gelijke kansen voor vrouwen en mannen in alle communautaire beleidsvormen en acties" (COM(1996)0067), waarin zij zich verbond aan "de bevordering van de gelijke kansen voor vrouwen en mannen [...] in het geheel van acties en beleidsvormen [...] op alle niveaus", waarmee feitelijk het principe van gendermainstreaming werd vastgelegd,

–  gezien het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020) dat in maart 2011 door de Raad van de Europese Unie is goedgekeurd,

–  gezien het onderzoeksverslag van de Commissie van 21 september 2010 getiteld "Evaluation of the strengths and weaknesses of the strategy for equality between women and men 2010-2015",

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2010 getiteld "Een grotere inzet voor de gelijkheid van vrouwen en mannen - Een Vrouwenhandvest" (COM(2010)0078),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2010 getiteld "Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015" (COM(2010)0491),

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015(1),

–  gezien de analyse van de openbare raadpleging over gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de EU die in oktober 2015 werd gepubliceerd,

–  gezien de nieuwe routekaart met als titel "Nieuwe start om de uitdagingen van de combinatie werk en gezin bij werkende gezinnen aan te pakken", een pakket met wetgevings- en niet-wetgevingsvoorstellen dat door de Commissie in augustus 2015 is gepubliceerd,

–  gezien de resultaten van de vergadering van 26 november 2015 van het Raadgevend Comité voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen van de Europese Commissie,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 december 2015 getiteld "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019" (SWD(2015)0278),

–  gezien de conclusies van de zitting van de Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken (Epsco) van 7 december 2015, met name punt 35,

–  gezien de verklaring van het EU-voorzitterschapstrio bestaande uit Nederland, Slowakije en Malta over gendergelijkheid van 7 december 2015,

–  gezien de vraag aan de Commissie over de nieuwe strategie voor gendergelijkheid en rechten van de vrouw na 2015 (O-000006/2016 – B8-0103/2016),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat gendergelijkheid een fundamentele waarde van de EU is die is opgenomen in de Verdragen en het Handvest van de grondrechten, en dat de EU heeft toegezegd deze waarde te integreren in al haar activiteiten, en overwegende dat gendergelijkheid een onmisbare strategische doelstelling is met het oog op de verwezenlijking van de algemene Europa 2020-doelstellingen van groei, werkgelegenheid en sociale inclusie;

B.  overwegende dat het recht op gelijke behandeling een in de Verdragen van de Europese Unie erkend grondrecht is dat diep in de Europese samenleving is verankerd, en overwegende dat dit recht onontbeerlijk is voor de verdere ontwikkeling van die samenleving en moet gelden in de wetgeving, de praktijk, de rechtspraak en het echte leven;

C.  overwegende dat de EU in het verleden een aantal belangrijke maatregelen heeft genomen om vrouwenrechten en gendergelijkheid te versterken, maar dat beleidsmaatregelen en hervormingen ten gunste van gendergelijkheid op EU-niveau het afgelopen decennium vertraging hebben opgelopen; overwegende dat de vorige strategie van de Commissie voor gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015 niet toereikend was om bij te dragen tot gendergelijkheid op Europees en internationaal niveau, en overwegende dat de geplande doelstellingen hiervan niet daadwerkelijk zijn behaald; overwegende dat een nieuwe strategie voor de periode na 2015 een nieuwe impuls moet geven en concrete maatregelen moet opleveren ter versterking van de vrouwenrechten en ter bevordering van de gendergelijkheid;

D.  overwegende dat in de beoordeling van de strategie 2010-2015 en van de standpunten van belanghebbenden, zoals uiteengezet in het onderzoeksverslag van de Commissie getiteld "Evaluation of the strengths and weaknesses of the strategy for equality between women and men 2010-2015", wordt benadrukt dat de in 2010 gekozen strategische aanpak verder moet worden versterkt;

E.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 9 juni 2015 duidelijk heeft verzocht om een nieuwe, aparte strategie voor gendergelijkheid en vrouwenrechten na 2015; overwegende dat uit de resultaten van de openbare raadpleging bleek dat 90 % van de respondenten voorstander was van een nieuwe strategie;

F.  overwegende dat de Commissie in de conclusies van de Raad Epsco van 7 december 2015 (punt 35) wordt verzocht om "een nieuwe strategie voor gendergelijkheid voor de periode na 2015 [...] aan te nemen in de vorm van een mededeling"; overwegende dat het EU-voorzitterschapstrio in zijn verklaring van 7 december 2015 heeft toegezegd de ontwerpconclusies van de Raad over de EU-strategie voor gendergelijkheid na 2015 toe te zenden aan de Raad Epsco;

1.  wijst er nogmaals op dat de Commissie uit hoofde van artikel 2 VEU en het Handvest van de grondrechten verplicht is maatregelen te treffen ten behoeve van gendergelijkheid;

2.  wijst erop dat de Commissie in het verleden een duidelijke, transparante, legitieme en openbare mededeling over een strategie voor de gelijkheid tussen vrouwen en mannen heeft goedgekeurd, die door alle EU-instellingen op het hoogste politieke niveau is goedgekeurd;

3.  betreurt dat in het in november 2015 uitgebrachte werkprogramma van de Commissie 2016 niet specifiek wordt verwezen naar de EU-strategie voor gendergelijkheid na 2015; betreurt het feit dat de Commissie op 3 december 2015 enkel een intern werkdocument getiteld "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019" heeft gepubliceerd en daarmee niet alleen een intern document van ondergeschikt belang heeft gepresenteerd, maar tevens de duur van haar maatregelen heeft beperkt;

4.  is ingenomen met het feit dat de Commissie haar routekaart met als titel "Nieuwe start om de uitdagingen van de combinatie werk en gezin bij werkende gezinnen aan te pakken", een pakket met wetgevings- en niet-wetgevingsvoorstellen, in augustus 2015 heeft gepubliceerd;

5.  verzoekt de lidstaten de volledige verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de verbetering van de tenuitvoerlegging van de principes van gelijke behandeling en gelijke kansen voor mannen en vrouwen op nationaal niveau;

6.  betreurt dat de Epsco-Raad op 7 december 2015 geen overeenstemming kon bereiken over een officieel standpunt met betrekking tot diverse kwesties op het gebied van gendergelijkheid, inclusief de richtlijn vrouwelijke bestuurders, waarnaar het Parlement al lang uitkijkt;

7.  is verheugd over de benadering van de Commissie zoals uiteengezet in bovengenoemd werkdocument van de diensten van de Commissie over strategisch engagement voor gendergelijkheid, maar betreurt het gebrek aan concrete criteria en een specifieke begroting, zonder welke vooruitgang bij de verwezenlijking van doelen en indicatoren meetbaar noch haalbaar is;

8.  verzoekt de Commissie zijn besluit te herzien en een mededeling uit te brengen over een nieuwe strategie voor gendergelijkheid en vrouwenrechten 2016-2010 waarin gendergelijkheidsvraagstukken worden behandeld, en die in overeenstemming is met de internationale agenda, namelijk het slotdocument van Peking +20 (2015) en het nieuwe kader voor "Gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016-2010)";

9.  verzoekt de Commissie samen te werken met het Parlement en de Raad en een EU-top inzake gendergelijkheid en vrouwenrechten te organiseren, teneinde na te gaan welke vorderingen er zijn gemaakt en nieuwe verbintenissen aan te gaan in het kader van de komende zitting van de Raad Epsco in maart 2016;

10.  herinnert eraan dat bij de tenuitvoerlegging van Uniewetgeving en beleidsinstrumenten de beginselen van subsidiariteit en "meerwaarde" moeten worden geëerbiedigd, dat uniforme regels niet altijd noodzakelijk zijn voor de praktische werking en het concurrentievermogen van de interne markt, en dat de Commissie rekening moet houden met de administratieve last die voortvloeit uit haar wetgevingsvoorstellen en met de verschillende culturele context en gebruiken in de lidstaten;

11.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0218.

Juridische mededeling