Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2281(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0176/2016

Ingediende teksten :

A8-0176/2016

Debatten :

PV 22/06/2016 - 22
CRE 22/06/2016 - 22

Stemmingen :

PV 23/06/2016 - 8.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0291

Aangenomen teksten
PDF 215kWORD 102k
Donderdag 23 juni 2016 - Brussel Definitieve uitgave
Follow-up van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020)
P8_TA(2016)0291A8-0176/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2016 over de follow-up van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020) (2015/2281(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 165 en 166 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met name artikel 14 daarvan,

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 mei 2009 betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding ("ET 2020")(1),

–  gezien het gezamenlijk verslag 2012 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020) – "Onderwijs en opleiding in een slim, duurzaam en inclusief Europa"(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 augustus 2015 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's met als titel "Ontwerp van het gezamenlijk verslag 2015 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020) – Nieuwe prioriteiten voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding" (COM(2015)0408),

–  gezien het gezamenlijk verslag 2015 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020) – Nieuwe prioriteiten voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding"(3),

–  gezien de conclusies van de Raad van 28 en 29 november 2011 over een benchmark voor leermobiliteit(4),

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 november 2010 over onderwijs voor duurzame ontwikkeling(5),

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 februari 2014 over investeren in onderwijs en opleiding, een antwoord op "Een andere kijk op onderwijs: investeren in vaardigheden voor betere sociaal-economische resultaten" en de jaarlijkse groeianalyse voor 2013(6),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over een doeltreffende lerarenopleiding(7),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over kwaliteitsborging in onderwijs en opleiding(8),

–  gezien de conclusies van de Raad betreffende ondernemerschap door middel van onderwijs en opleiding(9),

–  gezien de conclusies van de Raad over de rol van voor- en vroegschoolse educatie en primair onderwijs bij het bevorderen van creativiteit, innovatie en digitale competentie(10),

–  gezien de conclusies van de Raad inzake het terugdringen van voortijdig schoolverlaten en het bevorderen van goede schoolresultaten(11),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's met als titel "Een andere kijk op onderwijs: investeren in vaardigheden voor betere sociaal-economische resultaten" (COM(2012)0669),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren(12),

–  gezien Aanbeveling 2006/962/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren(13),

–  gezien de verklaring van de informele bijeenkomst van de ministers van Onderwijs van de EU op 17 maart 2015 over de bevordering van burgerschap en de gemeenschappelijke waarden van vrijheid, tolerantie en non-discriminatie door middel van onderwijs (de Verklaring van Parijs)(14),

–  gezien de zogeheten Rigaconclusies, die op 22 juni 2015 zijn goedgekeurd door de ministers die bevoegd zijn voor beroepsonderwijs en -opleiding(15),

–  gezien het groenboek van de Commissie van 3 juli 2008 met als titel "Migratie en mobiliteit: uitdagingen en kansen voor Europese onderwijssystemen" (COM(2008)0423),

–  gezien het verslag dat in februari 2010 voor de Commissie is opgesteld door de deskundigengroep inzake nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen met als titel "New Skills for New Jobs: Action Now" (Nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen: actie nu)(16),

–  gezien de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 over transnationale mobiliteit in het onderwijs en de beroepsopleiding in de Europese Gemeenschap: Europees handvest voor kwaliteit bij mobiliteit(17),

–  gezien het verslag van het zesde University-Business Forum (forum voor universiteit en bedrijfsleven) van maart 2015(18),

–  gezien de Cedefopvooruitzichten inzake vaardigheden van 2012 met als titel "Future skills supply and demand in Europe" (Toekomstige vraag en aanbod op het gebied van vaardigheden in Europa)(19),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over jong ondernemerschap bevorderen door middel van onderwijs en opleiding(20) en zijn resolutie van 28 april 2015 over de follow-up van de tenuitvoerlegging van het Bologna-proces(21),

–  gezien zijn resolutie van 26 november 2015 over onderwijs aan kinderen in noodsituaties en aanhoudende crises(22),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over Erasmus+ en andere instrumenten om de mobiliteit bij beroepsopleiding en scholing te stimuleren – een concept van levenslang leren(23),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0176/2016),

A.  overwegende dat "onderwijs en opleiding" hierna moet worden beschouwd als verwijzing naar alle formele, niet-formele en informele vormen, gezien het complementaire karakter ervan in het kader van de overgang naar een cognitieve samenleving en de rol ervan voor het aanpakken van specifieke doelgroepen, om de inclusie te faciliteren van mensen met minder onderwijskansen;

B.  overwegende dat onderwijs en opleiding er niet alleen op gericht mogen zijn om te voorzien in de behoeften van de arbeidsmarkt, maar een waarde moeten vormen op zich, omdat onderwijs een even belangrijke rol speelt voor de ontwikkeling van ethische en burgerlijke waarden en van humanistische waarden in ruime zin, die zijn vastgesteld in de verdragen, en voor de versterking van de democratische principes waarop Europa gebaseerd is;

C.  overwegende dat onderwijs moet bijdragen tot de persoonlijke ontwikkeling, het wederzijdse respect en de groei van jongeren, om van hen proactieve, verantwoordelijke en bewuste burgers te maken met burgervaardigheden en sociale en interculturele vaardigheden op alle terreinen, naast onderlegde vaklui;

D.  overwegende dat onderwijs moet worden beschouwd als een fundamenteel mensenrecht en een publiek goed dat voor iedereen toegankelijk moet zijn;

E.  overwegende dat onderwijs en opleiding een belangrijke rol kunnen spelen voor het aanpakken van armoede en sociale uitsluiting en dat het verruimen van de toegang tot een leven lang leren nieuwe mogelijkheden kan creëren voor laag opgeleiden, werklozen, personen met speciale behoeften, bejaarden en migranten;

F.  overwegende dat inclusieve en hoogwaardige opleiding en onderwijs essentieel zijn voor de culturele, economische en sociale ontwikkeling van Europa;

G.  overwegende dat onderwijs en opleiding in Europa een bijdrage moeten leveren tot de EU-strategieën en initiatieven, inclusief de Europa 2020-strategie, het initiatief inzake de Digitale Interne Markt, de Europese veiligheidsagenda en het investeringsplan voor Europa;

H.  overwegende dat alle lidstaten niet aankijken tegen hetzelfde soort uitdagingen en tegen uitdagingen van hetzelfde niveau, zodat de aanbevelingen die voor onderwijs en opleiding worden voorgesteld, flexibel moeten zijn en dat er rekening bij moet worden gehouden met de nationale en regionale economische, sociale, demografische en culturele factoren, terwijl ook moet worden gestreefd naar een verbetering van de situatie in de EU als geheel;

I.  overwegende dat de ET 2020-samenwerking met eerbiediging van de bevoegdheden van de lidstaten de nationale acties moet aanvullen en de lidstaten moet ondersteunen bij hun inspanningen om onderwijs- en opleidingssystemen te ontwikkelen;

J.  overwegende dat economische ontwikkeling en sociale cohesie op gelijke voet moeten worden geplaatst door middel van een beleidsmix die erop is gericht om een eerlijkere verdeling te realiseren van de kennis over de bevolking, om de toenemende inkomenskloven aan te pakken die ontstaan als nevenverschijnsel van een technologische groei die bepaalde vaardigheden bevoordeelt;

K.  overwegende dat doeltreffende investeringen in onderwijs en opleidingen van hoog gehalte een bron van duurzame groei zijn;

L.  overwegende dat het lage niveau dat er momenteel is op het gebied van kennis en basisvaardigheden, zorgwekkend is en vereist dat het primaire en secundaire onderwijs de nodige basis leveren voor verder onderwijs en integratie op de arbeidsmarkt;

M.  overwegende dat de trends die wijzen op lage basisvaardigheden bij volwassenen, een versterking nodig maken van het volwassenenonderwijs, als instrument voor bijscholing en omscholing;

N.  overwegende dat de Commissie in de jaarlijkse groeianalyse voor 2014 van mening is dat de lidstaten, wat de uitgaven betreft, manieren moeten vinden voor het beschermen of bevorderen van investeringen voor de langere termijn in onderwijs, onderzoek, innovatie, energie en klimaatactie en dat het essentieel is om te investeren in de modernisering van onderwijs- en opleidingssystemen, inclusief een leven lang leren;

O.  overwegende dat de overheidsbudgetten nog steeds onder grote druk staan, met diverse lidstaten die hun uitgaven voor onderwijs en opleiding hebben verlaagd, en dat bijkomende investeringen op dit terrein nu efficiënter moeten worden gemaakt, als beslissende factor voor productiviteit, concurrentievermogen en groei;

P.  overwegende dat, hoewel er betere resultaten zijn in verband met het halen van de ET 2020- doelstellingen inzake hoger onderwijs, in de hele Europese ruimte voor hoger onderwijs (EHOR) melding is gemaakt van bezorgdheid in verband met de efficiëntie van de investeringen in onderwijs door de lidstaten, een primaire focus op kwantitatieve indicatoren, de onderwijsvoorwaarden, de onderwijskwaliteit, een afname van de academische vrijheid en scepticisme met betrekking tot sommige aspecten van het Bolognaproces en de tenuitvoerlegging ervan in sommige landen;

Q.  overwegende dat uit de ET 2020-Monitor blijkt dat de belangrijkste uitdaging waarmee we vandaag te maken krijgen, onderwijsarmoede is en de beperkte inclusie van personen met een lage sociaaleconomische achtergrond, zodat een sterkere sociale focus nodig is om de ET 2020-doelstellingen te realiseren en het inclusieve karakter en de kwaliteit van de onderwijs- en opleidingssystemen te verbeteren;

Het strategisch kader "ET 2020"

1.  is tevreden met de inventarisatie in het kader van ET 2020 en onderstreept het feit dat met de conclusies ervan rekening moet worden gehouden en dat deze conclusies naar behoren ten uitvoer moeten worden gelegd om de meerwaarde te vergroten en het kader zo effectief mogelijk te maken, met een versterking van de land specifieke relevantie en van wederzijds leren;

2.  betreurt het feit dat in onderwijs en opleiding enorme problemen op het gebied van kwaliteit, toegankelijkheid en sociaaleconomische discriminatie nog niet opgelost zijn en is van mening dat zowel op Europees als op nationaal niveau ambitieuzere, beter gecoördineerde en effectievere beleidsacties moeten worden ondernomen;

3.  herhaalt dat de in maart 2015 in Parijs goedgekeurde verklaring over de bevordering van burgerschap en de gemeenschappelijke waarden van vrijheid, tolerantie en non-discriminatie door middel van onderwijs belangrijk is;

4.  is tevreden met de vermindering van het aantal prioritaire gebieden van ET 2020 tot zes, met een opsomming van specifieke gebieden waaruit de lidstaten kunnen kiezen om deze te vervullen volgens hun eigen behoeften en omstandigheden, maar merkt op dat de doeltreffendheid en het operationele aspect van ET 2020 moeten worden opgevoerd en dat een werkprogramma moet worden vastgesteld;

5.  is tevreden met de voorgestelde verlenging van de werkcyclus van 3 tot 5 jaar, om de strategische doelstellingen op lange termijn beter ten uitvoer te leggen en te werken aan kwesties als mindere resultaten van leerlingen op sommige studiegebieden, lage participatiecijfers in het volwassenenonderwijs, vroegtijdig schoolverlaten, sociale inclusie, maatschappelijke betrokkenheid, genderkloven en inzetbaarheidscijfers van afgestudeerden;

6.  is tevreden met de nieuwe generatie ET 2020-werkgroepen en verzoekt de Commissie de vertegenwoordiging van de diverse belanghebbenden in deze groepen te verbeteren, met name door de opname van meer onderwijsexperts, jongerenwerkers, vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, onderwijzers en docenten, wier ervaring op het terrein essentieel is om de ET 2020-doelstellingen te realiseren; benadrukt het feit dat de resultaten van de groepen beter moeten worden verspreid op lokaal, regionaal, nationaal en EU-niveau;

7.  is tevreden met de versterking van de sturingsrol van de informele organen binnen ET 2020, alsmede met de instelling van feedbackprocessen waarbij de groep op hoog niveau, de groepen van directeuren-generaal en de werkgroepen aan elkaar worden gekoppeld; erkent de rol die middenveldorganisaties spelen door contacten te leggen met lokale, regionale en nationale belanghebbenden en burgers met betrekking tot Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding en vraagt dat zij financiële steun krijgen in het kader van Erasmus+ (KA3) en het Europees Sociaal Fonds;

8.  vraagt dat een informeel coördinatieorgaan wordt opgericht met de directeur-generaal van het directoraat-generaal van de Commissie voor Onderwijs en Cultuur (DG EAC), de voor onderwijs bevoegde directeuren in andere DG's, vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, de sociale partners en de Commissie cultuur en onderwijs van het Parlement , dat vergaderingen op hoog niveau zou houden om te zorgen voor nauwere coördinatie van het werk, beleidscoherentie en follow-up van de aanbevelingen van formele en informele ET 2020-organen; is van mening dat deze coördinatie nodig is door de bezorgdheid inzake een gebrek aan reële dialoog tussen de Commissie en de organisaties van het maatschappelijk middenveld en de spreiding van de bevoegdheden in verband met ET 2020 over diverse DG's van de Commissie en diverse commissarissen; vraagt dat over de conclusies van deze werkzaamheden naar behoren wordt gecommuniceerd, zowel op Europees als op nationaal niveau;

9.  herhaalt dat het wel belangrijk is vaardigheden te verwerven die bevorderlijk zijn voor de inzetbaarheid, maar dat de waarde, de kwaliteit en het praktische gebruik van kennis en academische rigueur moeten worden verdedigd; benadrukt het feit dat, gezien de verschillende sociaaleconomische situatie en de diverse onderwijstradities van de lidstaten, algemene prescriptieve benaderingen moeten worden vermeden; onderstreept het feit dat met de komende Vaardighedenagenda voor Europa, waarin terecht wordt gefocust op economische en werkgelegenheidsuitdagingen, ook het feit moet worden aangepakt dat feitelijke kennis, academische prestaties, kritisch denken en creativiteit belangrijk zijn; verzoekt de lidstaten tegelijk initiatieven te ondersteunen waarbij studenten hun vaardigheden kunnen tonen voor een publiek en voor potentiële werkgevers;

10.  wijst op de risico's in verband met toenemende radicalisering, geweld, pesten en gedragsproblemen vanaf de lagere school; verzoekt de Commissie op EU-niveau onderzoek uit te voeren en een overzicht te presenteren van de situatie in alle lidstaten, waarbij zij opgeeft hoe de lidstaten op deze trends reageren en of en hoe de lidstaten ethisch, persoonlijk en sociaal onderwijs in hun curricula hebben opgenomen als instrument die tot nu toe in vele scholen succesvol is gebleken, inclusief ondersteuning voor leraren met betrekking tot de horizontale vaardigheden in kwestie; dringt er bij de lidstaten op aan beste praktijken op dit gebied uit te wisselen;

11.  wijst op de waarde van een op de gemeenschap gebaseerde aanpak van formeel, niet-formeel en informeel onderwijs en van sterke banden tussen leeromgevingen en gezinnen;

12.  vraagt een ruimere participatie van alle betrokken spelers in het werk van ET 2020;

13.  is van mening dat lerenden zelf moeten worden aangemoedigd om actief te participeren in de governance van hun leerstructuren, op alle leeftijden en in alle soorten van leren;

14.  moedigt de lidstaten ertoe aan de banden aan te halen tussen hoger onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding, onderzoeksinstellingen en de economische sector en te zorgen voor de betrokkenheid van de sociale partners en het maatschappelijk middenveld; merkt op dat dit partnerschap de impact van ET 2020 en de relevantie van de leersystemen voor een vergroting van de innovatiecapaciteit van Europa zal vergroten;

15.  benadrukt het feit dat strategieën voor de communicatie tussen school en ouders, karakteropvoedingsprogramma's en andere programma's inzake persoonlijke ontwikkeling die in leeromgevingen in samenwerking met gezinnen en andere relevante sociale partners ten uitvoer worden gelegd, kunnen bijdragen tot opwaartse sociale convergentie, het bevorderen van actief burgerschap en van de Europese waarden die zijn vastgesteld in de verdragen en het voorkomen van radicalisering; onderstreept het feit dat een ondersteunende thuisomgeving cruciaal is voor het vormgeven van de bekwaamheid van kinderen met betrekking tot basisvaardigheden en wijst op de waarde van cursussen voor ouders, die effectief kunnen zijn voor het bestrijden van onderwijsarmoede;

16.  moedigt de uitwisseling van beste praktijken binnen het ET 2020-kader aan;

17.  benadrukt het feit dat samenwerking via ET 2020 een fundamentele aanvulling is van nationale maatregelen als leren van elkaar, gegevensverzameling, werkgroepen en uitwisselingen van goede nationale praktijken, die zullen worden versterkt door verbeteringen wat de transparantie en coördinatie ervan en verspreiding van de resultaten ervan betreft;

18.  benadrukt de rol die externe verenigingen en ngo's spelen door scholen te betreden om kinderen bijkomende vakkundigheid en sociale vaardigheden te leren, bijvoorbeeld in de kunsten of manuele activiteiten, en door te helpen bij integratie, een beter begrip van hun omgeving, solidariteit bij het leren en in het leven en het verlichten van de leervaardigheden van hele klassen;

19.  maakt zich zorgen over het feit dat de kwaliteit van de lerarenopleiding in sommige landen tekortschiet, wat breedte en complexiteit betreft, ten opzichte van de vaardigheden die vandaag nodig zijn om les te geven, bijvoorbeeld omgang met de toenemende diversiteit van de leerlingen, het gebruik van innoverende pedagogieën en instrumenten op het gebied van ICT;

20.  moedigt de lidstaten ertoe aan hun initiële lerarenopleiding en permanent bijscholingsprogramma's aan te passen, beter gebruik te maken van peer-learningactiviteiten tussen de lidstaten en samenwerking en partnerschappen tussen instellingen voor lerarenopleiding en scholen te bevorderen;

21.  is tevreden met de nieuwe ET 2020-priorieit van betere ondersteuning voor leraren en een verhoging van hun status, hetgeen voor hen essentieel is om het nodige respect af te dwingen, zodat hun beroep attractiever wordt gemaakt; is van mening dat het realiseren van deze doelstelling een betere voorbereiding en opleiding vereist van leraren en een verbetering van hun arbeidsvoorwaarden, inclusief een verhoging van de salarissen in sommige lidstaten, aangezien leraren vaak minder verdienen dan het gemiddelde salaris van afgestudeerden van het hoger onderwijs;

22.  merkt bezorgd op dat in sommige lidstaten, met name in landen die in moeilijkheden verkeren, de voorbereiding van leraren en de onderwijskwaliteit zijn verminderd als gevolg van een tekort aan personeel en van besparingen op onderwijs;

23.  wijst erop dat het aanbod van onderwijs en opleiding die open en innoverend zijn, een prioritair onderdeel van ET 2020 is; wijst erop dat het belangrijk is innovatie en flexibiliteit te ontwikkelen en te bevorderen in methoden voor lesgeven, leren en kennisoverdracht waarin individuen actief participeren;

24.  moedigt de lidstaten ertoe aan ten volle gebruik te maken van het potentieel dat wordt geboden door digitalisering, ICT en nieuwe technologieën, inclusief opendataplatforms en MOOC's, om de kwaliteit en de toegankelijkheid van lesgeven en leren te verbeteren; verzoekt de EU en de lidstaten de nodige inspanningen te leveren om de digitale en ICT-vaardigheden te vergroten, mede door de organisatie van specifieke opleiding in het gebruik van deze instrumenten voor leraren en studenten op school- en universitair niveau; moedigt de uitwisseling aan van beste praktijken en meer grensoverschrijdende samenwerking op dit gebied;

25.  juicht de aandacht toe die de Commissie besteedt aan het feit dat digitale vaardigheden belangrijk zijn; onderstreept het feit dat deze vaardigheden essentieel zijn om jongeren uit te rusten voor de 21e eeuw;

26.  onderstreept het feit dat de kwestie van het verbeteren van de leerresultaten ten opzichte van de beschikbare middelen binnen het ET 2020-kader meer aandacht moet krijgen, met name wat volwassenenonderwijs betreft;

27.  moedigt de Commissie en de lidstaten ertoe aan de bestaande regels voor de evaluatie van de met Europese financieringsinstrumenten gefinancierde onderwijs- en opleidingsprogramma's te herzien, met een grotere focus op effectbeoordeling op basis van de kwaliteit en op de voor aangewezen ET 2020-prioriteiten behaalde resultaten;

28.  verzoekt de lidstaten via beurzen en leningen de onderwijs- en studiepaden te ondersteunen waarvan de structuur kan helpen de kloof te dichten tussen onderwijs en praktische behoeften;

29.  benadrukt dat de inspanningen op het gebied van onderwijs en opleiding beter moeten worden geconcentreerd door bestaande programma's en initiatieven te fuseren en te stroomlijnen;

30.  verzoekt de Commissie indien nodig minderheidsgroepen afzonderlijk en verschillend te behandelen, om beter rekening te houden met de respectieve problemen waarmee elke groep te maken heeft;

31.  is er sterk van overtuigd dat investeringen in onderwijs en opvang voor jonge kinderen (OOJK), met passende afstemming op het gevoeligheids- en ontwikkelingspeil van elke doelgroep, meer opleveren dan investeringen in welke andere onderwijsfase ook; wijst erop dat er bewijzen zijn dat investeren in de eerste onderwijsjaren de latere kosten drukt;

32.  is ervan overtuigd dat het succes van onderwijs op alle niveaus afhankelijk is van goed opgeleide leerkrachten en op hun voortdurend verbeterende beroepsopleiding, zodat toereikende investeringen in lerarenopleidingen nodig zijn;

Kwaliteit van onderwijs en opleiding

33.  vraagt dat meer aandacht wordt besteed aan de kwaliteit van onderwijs, te beginnen bij de peutertuin en het hele leven lang;

34.  vraagt de ontwikkeling van goede praktijken voor de beoordeling van kwalitatieve vooruitgang en investering in het gebruik van kwaliteitsgegevens met belanghebbenden op lokaal, regionaal en nationaal niveau, ongeacht de relevantie van de indicatoren en benchmarks die in het ET 2020-kader worden gebruikt;

35.  benadrukt het belang van het onderwijzen en leren van algemene basisvaardigheden zoals ICT, wiskunde, kritisch denken, vreemde talen, mobiliteit enz. die jongeren in staat stellen zich gemakkelijk aan te passen aan een veranderende sociale en economische omgeving;

36.  merkt op dat een ongezien aantal lerenden formeel onderwijs volgt; speekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat het werkloosheidscijfer bij jongeren in de EU hoog blijft en dat de partcipatiegraad van afgestudeerden van het hoger onderwijs is afgenomen;

37.  benadrukt het feit dat de benchmarkdoelstellingen voor onderwijs en opleiding die zijn vastgesteld in de Europa 2020-strategie, met name het verminderen van het aantal vroegtijdige schoolverlaters tot minder dan 10 % en het realiseren van een cijfer van 40 % van de jongere generatie met een tertiair diploma, niet mogen worden gehaald ten koste van de onderwijskwaliteit, maar veeleer moeten worden gerealiseerd door rekening te houden met de eerste ET 2020-doelstelling van relevante en hoogwaardige vaardigheden; merkt op dat één manier om hiertoe te komen, de ontwikkeling is van projecten op het gebied van duaal onderwijs;

38.  vestigt de aandacht op het feit dat gestandaardiseerde tests en kwantitatieve benaderingen van de onderwijsaansprakelijkheid in het beste geval een nauwe bandbreedte aan traditionele vaardigheden meten en ertoe kunnen leiden dat scholen de lessyllabi moeten aanpassen aan het testmateriaal, zodat de intrinsieke waarden van onderwijs worden verwaarloosd; wijst erop dat onderwijs en opleiding een belangrijke rol spelen voor het ontwikkelen van ethische en burgerlijke waarden en van menselijkheid, terwijl het werk van leraren en de prestaties van leerlingen op dit gebied in testresultaten niet naar voren komen; wijst in verband hiermee op het feit dat in onderwijsomgevingen flexibiliteit, innovatie en creativiteit nodig zijn, die de leerkwaliteit en de onderwijsprestaties kunnen stimuleren;

39.  benadrukt het feit dat basisvaardigheden moeten worden ontwikkeld om tot hoogwaardig onderwijs te komen;

40.  benadrukt het feit dat het belangrijk is hoogwaardig onderwijs aan te bieden voor jonge kinderen en dit tijdig te moderniseren; benadrukt het feit dat een cruciale rol is weggelegd voor een op het individu gerichte benadering van onderwijs- en opleidingssystemen die ten goede komt aan de ontwikkeling van creativiteit en kritisch denken, terwijl wordt gefocust op de persoonlijke interesses, behoeften en bekwaamheden van studenten;

41.  verzoekt de lidstaten investeringen te sluizen naar inclusief onderwijs dat voldoet aan de maatschappelijke behoeften met betrekking tot het garanderen van gelijke toegang en kansen voor iedereen; benadrukt dat onderwijs en opleiding van hoge kwaliteit, inclusief mogelijkheden op het gebied van een leven lang leren en programma's voor het aanpakken van alle vormen van discriminatie, economische en sociale ongelijkheden en de oorzaken van uitsluiting, essentieel zijn om de sociale cohesie en de levens van jongeren te verbeteren die te lijden hebben onder sociale en economische achterstelling, alsmede leden van minderheidsgroepen, en wijst erop dat de inspanningen moeten worden voortgezet om hun vroegtijdig schoolverlaten te verminderen;

42.  vraagt meer inclusie in onderwijs en opleiding om te voorzien in de behoeften van personen met een handicap of met speciale behoeften en dringt tegelijk aan op een verbetering van de lerarenopleiding, om leraren uit te rusten met de vaardigheden die nodig zijn om studenten met een handicap op te nemen, te integreren en te helpen;

43.  wijst erop dat de neveneffecten van het Bolognaproces en de studentenmobiliteit moeten worden beoordeeld en geëvalueerd; moedigt de lidstaten ertoe aan meer inspanningen te leveren om de doelstellingen te realiseren en de tenuitvoerlegging te garanderen van de hervormingen die in het kader van het Bolognaproces en de mobiliteitsprogramma's zijn afgesproken en zich te verplichten tot effectievere samenwerking om de tekortkomingen ervan te corrigeren, zodat zij beter de behoeften weerspiegelen van de studenten en de academische gemeenschap als geheel en kwaliteitsverbeteringen in het hoger onderwijs stimuleren en ondersteunen;

44.  pleit voor een ruimere betrokkenheid van de universitaire gemeenschap bij de werkcyclus van ET 2020;

45.  merkt op dat het Bolognaproces significante resultaten heeft opgeleverd en is van mening dat onderwijsinstellingen flexibiliteit moeten toepassen bij het gebruik van modules en het Europese puntenoverdrachtsysteem (European Credit Transfer System, ECTS);

46.  is tevreden met de inspanningen om de inschrijvingen in de STEM-disciplines (Science, Technology, Engineering, and Mathematics) te laten toenemen, maar niet ten koste van de menswetenschappen, die onontbeerlijk zijn om behoorlijk gebruik te maken van de kansen die de STEM-disciplines bieden;

47.  wijst erop dat de productie van financiële output geen voorwaarde mag zijn voor alle academische activiteiten en vraagt in verband hiermee dat inspanningen worden geleverd om ervoor te zorgen dat de menswetenschappen niet van het onderzoekslandschap dreigen te worden geveegd;

48.  pleit voor een holistischere kijk waarbij wordt benadrukt dat een variëteit aan disciplines in onderwijs en onderzoek belangrijk is;

49.  pleit voor een omschakeling naar het opzetten van mobiliteitsprogramma's volgens kwalitatieve resultaten die overeenkomen met prioriteiten en die vastgestelde leer- en opleidingsdoelstellingen dienen; vraagt een behoorlijke tenuitvoerlegging van de voorstellen van het Europees handvest voor kwaliteit bij mobiliteit en een beter gebruik van alle beschikbare instrumenten om studenten voor te bereiden op de juiste soort van mobiliteit die zij nodig kunnen hebben; moedigt de lidstaten ertoe aan ten volle het potentieel te benutten van internationalisering in eigen land, om studenten die ervoor kiezen niet te participeren in mobiliteit naar het buitenland, een internationale dimensie tijdens hun studie te bieden;

50.  herhaalt dat het nodig is toegankelijkheid te garanderen van mobiliteitsmogelijkheden, met name in de beroepsopleiding, voor achtergestelde jongeren en personen die te lijden hebben onder diverse vormen van discriminatie; benadrukt het feit dat een belangrijke rol wordt gespeeld door mobiliteitsprogramma's als Erasmus+ voor het stimuleren van de ontwikkeling van horizontale vaardigheden bij jongeren; wijst erop dat de vernieuwde Europese agenda voor volwasseneneducatie moet worden versterkt;

51.  benadrukt het feit dat een algemeen kader voor de erkenning van kwalificaties en diploma's van essentieel belang is om grensoverschrijdende onderwijs- en arbeidsmobiliteit te garanderen;

52.  vraagt dat meer inspanningen worden geleverd voor het waarderen van niet-formeel en informeel leren, inclusief vrijwilligersdiensten, en dat instrumenten worden ontwikkeld voor de erkenning van kennis en vaardigheden die verworven zijn op digitale wijze;

53.  merkt op dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan het vereenvoudigen en rationaliseren van de bestaande EU-instrumenten voor vaardigheden en kwalificaties die bedoeld zijn voor het grote publiek, om dit beter te bereiken, overeenkomstig de resultaten van het in 2014 door de Commissie uitgevoerde onderzoek naar de Europese ruimte van vaardigheden en kwalificaties;

Migratie en onderwijs

54.  benadrukt het feit dat de uitdagingen die de intra- en extra-Europese migratie en de huidige vluchtelingen- en humanitaire crisis stellen aan de onderwijs- en opleidingsstelsels, op Europees, nationaal en regionaal niveau moeten worden aangepakt;

55.  wijst erop dat, als migranten, vluchtelingen en asielzoekers geen onderwijs en opleiding wordt geboden, dit negatieve gevolgen heeft voor hun toekomstige inzetbaarheid, voor de ontwikkeling van hun kennis van de culturele en sociale waarden van hun gastland en uiteindelijk voor hun integratie in en hun bijdrage tot de maatschappij;

56.  vraagt betere samenwerking tussen de EU- en de nationale autoriteiten om de juiste aanpak te vinden om vluchtelingen en migranten vlot, volledig en duurzaam te integreren in de onderwijs- en opleidingssystemen;

57.  is tevreden met het besluit om migrantenonderwijs een plaats te geven in het werk van de ET 2020-werkgroepen en om aan het begin van de levenscyclus van de groepen peer-learningactiviteiten op dit gebied te organiseren;

58.  benadrukt het feit dat de ministeries van Onderwijs van de lidstaten en DG EAC van de Commissie moeten samenwerken om gelijke toegang tot hoogwaardig onderwijs te garanderen, met name door contact te leggen met de meest achtergestelden en met mensen met diverse achtergronden, inclusief pas gearriveerde migranten, en door deze te integreren in een positieve leeromgeving;

59.  vraagt maatregelen om kinderen van intra- en extra-Europese migranten, vluchtelingen en asielzoekers te integreren in de onderwijs- en opleidingssystemen en hen te helpen zich aan te passen aan de curricula en de onderwijsnormen van het gastland, door innoverende leermethoden te ondersteunen en kinderen taalhulp en indien nodig sociale hulp te bieden en door hen in staat te stellen zich vertrouwd te maken met de cultuur en waarden van het gastland, met behoud van hun eigen cultureel erfgoed;

60.  moedigt de lidstaten ertoe aan de mogelijkheden te onderzoeken om gemigreerde leraren en academici te integreren in de Europese onderwijsstelsels, waar zij hun taal- en onderwijsvaardigheden en hun ervaring kunnen benutten;

61.  beveelt aan dat de lidstaten en onderwijsaanbieders advies en steun verlenen voor de kinderen van migranten, vluchtelingen en asielzoekers die toegang willen tot onderwijsdiensten door de verstrekking van duidelijke informatie en zichtbare contactpunten;

62.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de helft van de lerarenopleiders in de OESO-landen van mening is dat de systemen voor lerarenopleiding hen er onvoldoende op voorbereiden om effectief om te gaan met diversiteit en moedigt de betrokken lidstaten aan permanente professionele ondersteuning te garanderen voor leraren op dit gebied, om hen uit te rusten met de nodige pedagogische vaardigheden wat de kwesties van migratie en acculturatie betreft en hen in staat te stellen diversiteit te gebruiken als rijke leerbron in de klassen; pleit voor een beter gebruik van het potentieel van peer-learningactiviteiten onder de lidstaten;

63.  steunt de idee van de invoering van helpdesks en richtsnoeren voor leraren, om snel hulp te bieden voor een positieve omgang met diverse soorten diversiteit en voor de bevordering van de interculturele dialoog in de klas, alsmede sturing, wanneer zij geconfronteerd worden met studenten die dreigen te radicaliseren;

64.  vraagt de totstandbrenging van gedifferentieerde synergieën tussen de ET 2020-werkgroepen en netwerken als de werkgroep onderwijs van het netwerk voor voorlichting over radicalisering (Radicalisation Awareness Network, RAN);

65.  vraagt de oprichting van de desbetreffende deskundigengroep overeenkomstig het werkplan voor jeugdzaken van de Europese Unie voor 2016-2018;

66.  benadrukt het feit dat er meer leerprogramma's nodig zijn op basis van taal;

67.  verzoekt de lidstaten inspanningen te leveren om snel mechanismen te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen ter verbetering van het begrip en de identificatie van de kwalificaties van migranten, vluchtelingen en asielzoekers, aangezien vele nieuwkomers in de EU geen bewijs hebben meegebracht van hun formele kwalificaties;

68.  verzoekt de lidstaten te onderzoeken hoe bestaande vormen van erkenning van beroepskwalificaties kunnen worden ontwikkeld, inclusief passende controles van de onderwijsachtergrond;

69.  is van mening dat niet-formeel en formeel leren het potentieel hebben een doeltreffend instrument te zijn voor de succesvolle integratie van vluchtelingen op de arbeidsmarkt en de samenleving;

70.  wijst erop dat niet-formeel en informeel leren, naast deelname aan sport en vrijwilligersactiviteiten, een belangrijke rol spelen voor het stimuleren van de ontwikkeling van burgerlijke, sociale en interculturele vaardigheden; benadrukt het feit dat sommige landen aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt met de ontwikkeling van wettelijke kaders op dit gebied, terwijl andere moeilijkheden ondervinden om algemene valideringsstrategieën te creëren; benadrukt daarom het feit dat algemene strategieën voor validering moeten worden ontwikkeld;

71.  verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te faciliteren voor studenten die migrant, vluchteling of asielzoeker zijn die zich inschrijven op universitair niveau, onverminderd de nationale regels en bevoegdheden inzake toegang tot onderwijs en opleiding; verwelkomt de initiatieven die in dit verband door een aantal Europese universiteiten zijn genomen en moedigt de uitwisseling van beste praktijken op dit gebied;

72.  vraagt de oprichting van onderwijscorridors, om studenten die vluchteling zijn of die komen uit conflictgebieden, in staat te stellen zich in te schrijven aan Europese universiteiten, inclusief voor afstandsonderwijs;

73.  verzoekt de lidstaten de inschrijving te faciliteren van studenten die migrant zijn op alle onderwijsniveaus;

74.  is van mening dat het Science4Refugees-programma moet worden geëvalueerd en indien nodig verder ontwikkeld; pleit voor steun op EU- en nationaal niveau voor non-profitinstellingen die steun verlenen aan academici in de wetenschap en op andere beroepsterreinen die migrant, vluchteling of asielzoeker zijn;

75.  merkt op dat er risico's zijn voor de lidstaten als gevolg van de braindrain, vooral in Centraal-/Oost- en Zuid-Europa, waar een toenemend aantal jonge afgestudeerden verplicht is te emigreren; spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de ET 2020-werkgroepen er niet in zijn geslaagd het concept van onevenwichtige mobiliteit adequaat aan te pakken en benadrukt het feit dat het probleem moet worden aangepakt op nationaal en EU-niveau;

76.  benadrukt het feit dat onderwijs en opleiding een cruciale rol spelen voor de empowerment van vrouwen op alle terreinen van het leven; benadrukt het feit dat de genderkloven moeten worden aangepakt en dat de bijzondere behoeften van jonge vrouwen moeten worden erkend door opname van het genderperspectief in ET 2020; benadrukt het feit dat, aangezien gelijkheid tussen mannen en vrouwen een van de basiswaarden is van de EU, alle onderwijsinstellingen dit principe moeten steunen en onder hun studenten ten uitvoer moeten leggen, ter bevordering van tolerantie, non-discriminatie, actief burgerschap, sociale cohesie en interculturele dialoog;

o
o   o

77.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 119 van 28.5.2009, blz. 2.
(2) PB C 70 van 8.3.2012, blz. 9.
(3) PB C 417 van 15.12.2015, blz. 25.
(4) PB C 372 van 20.12.2011, blz. 31.
(5) PB C 327 van 4.12.2010, blz. 11.
(6) PB C 64 van 5.3.2013, blz. 5.
(7) PB C 183 van 14.6.2014, blz. 22.
(8) PB C 183 van 14.6.2014, blz. 30.
(9) PB C 17 van 20.1.2015, blz. 2.
(10) PB C 172 van 27.5.2015, blz. 17.
(11) PB C 417 van 15.12.2015, blz. 36.
(12) PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.
(13) PB L 394 van 30.12.2006, blz. 10.
(14) http://ec.europa.eu/education/news/2015/documents/citizenship-education-declaration_en.pdf
(15) http://ec.europa.eu/education/policy/vocational-policy/doc/2015-riga-conclusions_en.pdf
(16) http://eacea.ec.europa.eu/education/eurydice/documents/thematic_reports/125en.pdf
(17) PB L 394 van 30.12.2006, blz. 5.
(18) http://ec.europa.eu/education/tools/docs/university-business-forum-brussels_en.pdf
(19) http://www.cedefop.europa.eu/files/3052_en.pdf
(20) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0292.
(21) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0107.
(22) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0418.
(23) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0107.

Juridische mededeling