Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2041(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0196/2016

Ingediende teksten :

A8-0196/2016

Debatten :

PV 23/06/2016 - 2
CRE 23/06/2016 - 2

Stemmingen :

PV 23/06/2016 - 8.13
CRE 23/06/2016 - 8.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0292

Aangenomen teksten
PDF 228kWORD 117k
Donderdag 23 juni 2016 - Brussel Definitieve uitgave
Voortgangsverslag hernieuwbare energie
P8_TA(2016)0292A8-0196/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 23 juni 2016 over het voortgangsverslag hernieuwbare energie (2016/2041(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name titel XX over milieu en titel XXI over energie,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name titel IX over werkgelegenheid en titel XVIII over economische, sociale en territoriale samenhang,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name Protocol nr. 26 betreffende de diensten van algemeen belang en Protocol nr. 28 betreffende economische, sociale en territoriale samenhang,

–  gezien het verslag van de Commissie getiteld "Voortgangsverslag hernieuwbare energie" (COM(2015)0293) en de nationale plannen,

–  gezien de 21e Conferentie van partijen (COP 21) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en de 11e Conferentie van de Partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP 11), die zijn gehouden in Parijs van 30 november tot 11 december 2015, en het akkoord van Parijs,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Naar een geïntegreerd strategisch plan voor energietechnologie (SET-plan): een snellere omvorming van het Europese energiesysteem" (C(2015)6317),

–  gezien de mededeling van de Commissie "Een EU-strategie betreffende verwarming en koeling" (COM(2016)0051),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050" (COM(2011)0112),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014,

–  gezien Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 over de bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van de Richtlijnen 2001/77/EG en 2003/30/EG(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1290/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de regels voor de deelname aan acties en de verspreiding van resultaten in het kader van "Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)" en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1906/2006(2),

–  gezien Richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen(3),

–  gezien de studie van het EESC naar de rol van de civiele samenleving bij de uitvoering van de EU-richtlijn hernieuwbare energie, getiteld "De energievoorziening van de toekomst: de civiele samenleving als belangrijke speler bij de opwekking van hernieuwbare energie",

–  gezien het actieplan voor duurzame energie van het Burgemeestersconvenant voor klimaat en energie,

–  gezien het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden,

–  gezien zijn resolutie van 5 februari 2014 over een kader voor klimaat- en energiebeleid voor 2030(4),

–  gezien zijn resolutie van 14 oktober 2015 over "Op weg naar een nieuwe internationale klimaatovereenkomst in Parijs"(5),

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2015 over het bereiken van het streefcijfer van 10 % voor de interconnectie van elektriciteit – Het Europese elektriciteitsnet voorbereiden voor 2020(6),

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2015 getiteld "Op weg naar een Europese energie-unie"(7),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8‑0196/2016),

A.  overwegende dat de EU als geheel goed op schema ligt om de 2020-doelstellingen voor hernieuwbare energie te halen, maar dat er in enkele lidstaten verdere inspanningen nodig zijn;

B.  overwegende dat de kosten voor hernieuwbare energie in de afgelopen jaren aanzienlijk zijn afgenomen, waardoor, in combinatie met de technologische vooruitgang op het gebied van productie en opslag, hernieuwbare energie steeds concurrerender is geworden met conventionele energieopwekking, wat een unieke gelegenheid biedt om een echt Europees energiebeleid tot stand te brengen waardoor het concurrentievermogen wordt versterkt en broeikasgasemissies worden verlaagd; overwegende dat de transitie naar een duurzaam, toekomstgericht energiesysteem inspanningen moet omvatten voor energie-efficiëntie, hernieuwbare energie, optimaal gebruik van Europese energiebronnen, technologische ontwikkeling en slimme infrastructuren; overwegende dat een op de lange termijn stabiel regelgevingskader nodig is om economische groei en banen te creëren en ervoor te zorgen dat de EU op deze gebieden een leidende rol blijft spelen;

C.  overwegende dat het Europese energiebeleid er overeenkomstig artikel 194 VWEU op gericht is de werking van de energiemarkt en de continuïteit van de energievoorziening te waarborgen, energie-efficiëntie en energiebesparing te stimuleren, alsmede de ontwikkeling van hernieuwbare energie en de interconnectie van energienetwerken te bevorderen; overwegende dat bindende nationale en EU-doelstellingen, concrete plannings- en rapportageverplichtingen en faciliterende maatregelen de belangrijkste drijvende krachten zijn geweest voor investeringszekerheid en voor de uitbreiding van de capaciteit voor hernieuwbare energie in de EU, alsmede van transmissie- en distributie-infrastructuur;

D.  overwegende dat de richtlijn hernieuwbare energie moet worden herzien overeenkomstig het Akkoord van Parijs van de CoP 21, teneinde te voldoen aan de overeengekomen doelstelling om de verwarming van de aarde te beperken tot 1,5 °C in vergelijking met het pre-industriële niveau; overwegende dat een economie die gebaseerd is op 100 % hernieuwbare energiebronnen alleen kan worden gerealiseerd wanneer ons energieverbruik wordt beperkt, de energie-efficiëntie wordt verbeterd en hernieuwbare energiebronnen worden bevorderd;

E.  overwegende dat een ambitieus beleid voor hernieuwbare energie in combinatie met energie-efficiëntie, een belangrijke drijvende kracht vormt voor het beperken van de invoerafhankelijkheid van de EU, het verlagen van haar totale externe energierekening en het vergroten van de energiezekerheid ten opzichte van externe leveranciers; overwegende dat de EU meer dan de helft van de energie die zij verbruikt invoert, wat meer dan 1 miljard EUR per dag kost, ofwel meer dan 20% van de totale invoer; overwegende dat de invoerafhankelijkheid met name hoog is voor ruwe olie, aardgas en steenkool; overwegende dat de niet-gemaakte kosten voor ingevoerde brandstoffen als gevolg van een verhoogd gebruik van hernieuwbare energie ten minste 30 miljard EUR per jaar bedragen;

F.  overwegende dat de ontwikkeling van hernieuwbare energie kan helpen de energiezekerheid en -soevereiniteit te garanderen, de energiearmoede uit te bannen en de economische ontwikkeling en het technologisch leiderschap van de EU te bevorderen terwijl de klimaatverandering wordt tegengegaan; overwegende dat hernieuwbare energiebronnen ertoe zouden bijdragen dat Europese burgers worden voorzien van stabiele, betaalbare, duurzame energie, met bijzondere aandacht voor de meest kwetsbare groepen; overwegende dat hernieuwbare energiebronnen burgers in staat moeten stellen te profiteren van zelfopwekking en een voorspelbare energievoorziening;

G.  overwegende dat de ontwikkeling van hernieuwbare energie gepaard moet gaan met de ontwikkeling van een goed werkende interne elektriciteitsmarkt; overwegende dat de energie-unie gebaseerd moet zijn op een transitie naar een duurzaam, toekomstgericht energiesysteem met energie-efficiëntie en -besparing, hernieuwbare energie en slimme infrastructuren als belangrijke pijlers;

H.  overwegende dat EU-bedrijven in de sector hernieuwbare energie, waaronder veel mkb-bedrijven, in Europa aan meer dan 1,15 miljoen personen werkgelegenheid bieden en wereldwijd 40 % van alle octrooien op het vlak van hernieuwbare technologieën bezitten, waardoor de EU wereldleider is; overwegende dat volgens de Commissie tussen nu en 2020 20 miljoen banen kunnen worden gecreëerd in de groene economie, wat ook een enorme kans biedt voor het creëren van werkgelegenheid in plattelandsgebieden; overwegende dat projecten van mkb-bedrijven, coöperaties en particulieren een belangrijke rol spelen in het innoveren en ontwikkelen van de hernieuwbare-energiesector;

I.  verwegende dat de Commissie vastbesloten is om van Europa de wereldleider op het vlak van hernieuwbare energie te maken, wat noodzakelijk is in het kader van het industriebeleid; overwegende dat China de wereldwijde koploper is geworden in het investeren in hernieuwbare energie, terwijl de investeringen in Europa met 21 % daalden, van 54,61 miljard EUR (62 miljard USD) in 2014 tot 42,99 miljard EUR (48,8 miljard USD) in 2015, het laagste bedrag in negen jaar;

J.  overwegende dat voortdurende investeringen in hernieuwbare energie zowel ambitieus publiek als particulier leiderschap vereisen en een stabiel en betrouwbaar beleidskader voor de lange termijn dat strookt met de toezeggingen die voortvloeien uit het klimaatakkoord van Parijs, waardoor er veel werkgelegenheid en groei in Europa kan worden gecreëerd;

K.  overwegende dat ambitieuze en realistische doelstellingen - overheidsparticipatie en ‑toezicht, duidelijke en eenvoudige regelgeving, steun voor hernieuwbare energie op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau en betrokkenheid van alle relevante belanghebbenden, inclusief de sociale partners (waardoor de vertegenwoordigers van werknemers en de industrie bijeen worden gebracht) - essentieel zijn en verder moeten worden versterkt voor de succesvolle ontwikkeling van hernieuwbare energie;

L.  overwegende dat het belangrijk is om eigendomsrechten te respecteren bij het bevorderen van hernieuwbare energie;

M.  overwegende dat hernieuwbare energie een kans biedt meer voor energiedemocratie op energiemarkten door burgers in staat te stellen om actief deel te nemen aan de energiemarkt, op gelijke voet met andere belanghebbenden, om zelf energie op te wekken en zelf opgewekte energie te gebruiken, op te slaan en te verkopen, op individuele wijze of op basis van collectief beheer, en door publieke en private investeringen, met inbegrip van gedecentraliseerde vormen van energieproductie door steden, regio's en lokale overheden; overwegende dat hernieuwbare-energieprojecten burgers in staat moeten stellen om het energieverbruik en de energietransitie meer zelf ter hand te nemen en hun directe betrokkenheid bij het energiesysteem te bevorderen, o.a. door investeringsregelingen;

N.  overwegende dat windmolens op de Noordzee in 2030 meer dan 8 % van de in Europa geleverde elektriciteit kunnen opwekken;

O.  overwegende dat bepaalde lidstaten afhankelijker zijn van een enkele leverancier van fossiele brandstoffen; overwegende dat dankzij hernieuwbare energie 30 miljard EUR werd bespaard op fossiele brandstoffen en het aardgasverbruik met 7 % werd verminderd, zodat de energie-onafhankelijkheid en energiezekerheid van Europa, dat nog steeds de grootste importeur van energie ter wereld is, werden versterkt;

Voortuitgang op het gebied van hernieuwbare energie

1.  is verheugd over de toezeggingen van de Commissie op het gebied van hernieuwbare energie; is van mening dat, met betrekking tot de richtlijn hernieuwbare energie, de huidige combinatie van bindende nationale doelstellingen, nationale plannen voor hernieuwbare energie en tweejaarlijkse monitoring de belangrijkste drijvende kracht was voor de ontwikkeling van capaciteit voor hernieuwbare energie in de EU; dringt er bij de Commissie op aan om te zorgen voor de volledige tenuitvoerlegging van de richtlijn hernieuwbare energie voor 2020 en een ambitieus wettelijk kader voor te stellen voor de periode na 2020; benadrukt in dit verband dat een stabiel regelgevingskader voor de lange termijn nodig is, met inbegrip van bindende doelstellingen voor hernieuwbare energie die consistent zijn met de meest efficiënte route naar de klimaatdoelstellingen van de Unie voor de lange termijn (2050);

2.  merkt met tevredenheid op dat de EU op schema ligt om haar 2020-doelstelling te halen, uit tegelijkertijd zijn bezorgdheid over het grote aantal landen (België, Frankrijk, Luxemburg, Malta, Nederland, Spanje en het Verenigd Koninkrijk) dat zijn beleid en instrumenten, volgens het voortgangsverslag hernieuwbare energie 2014-2020 van de Commissie van 2015, wellicht zal moeten versterken om zijn 2020-doelstellingen te kunnen halen, terwijl het van Hongarije en Polen evenmin zeker is of zij de 2020-doelstellingen voor hernieuwbare energie zullen halen; dringt er bij de achterblijvende lidstaten op aan aanvullende maatregelen te nemen om weer op schema te komen liggen; is verheugd over het feit dat enkele lidstaten, zoals Bulgarije, Tsjechië, Denemarken, Estland, Kroatië, Italië, Letland, Litouwen, Oostenrijk, Roemenië, Finland en Zweden, hun 2020-doelstellingen al hebben gehaald of deze binnenkort, ruimschoots op tijd, zullen halen;

3.  betreurt dat er in het voortgangsverslag hernieuwbare energie van de Commissie geen landenspecifieke aanbevelingen worden gedaan om hun beleidsmaatregelen en ‑instrumenten aan te passen om ervoor te zorgen dat zij hun 2020-doelstellingen halen; benadrukt dat de toegang tot kapitaal essentieel is, maar dat de kosten van kapitaal in de EU-28 sterk uiteenlopen, resulterend in een kloof tussen het noordwesten en zuidoosten; merkt op dat het bestaan van veel verschillende beleidsmaatregelen voor de bevordering van hernieuwbare energie het risico met zich meebrengt dat de concurrentiekloof tussen de EU-landen groter wordt; wijst op de noodzaak van een financieel mechanisme van de EU dat gericht is op het verlagen van de hoge risico-gerelateerde investeringskosten van hernieuwbare-energieprojecten;

4.  benadrukt in dit verband dat het van belang is dat beste praktijken op het gebied van nationaal beleid voor hernieuwbare energie worden vastgesteld en gedeeld en dat de navolging ervan wordt aangemoedigd in het kader van een meer convergent Europees model, dat versterkte samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten bevordert; vraagt de Commissie de vooruitgang te blijven monitoren en de ontwikkeling op het gebied van hernieuwbare energie actief te blijven ondersteunen; benadrukt dat het belangrijk is dat hernieuwbare energiebronnen worden beoordeeld op hun concurrentievermogen, duurzaamheid, kosteneffectiviteit en op hun bijdrage aan het bewerkstelligen van geopolitieke stabiliteit en het behalen van de klimaatveranderingsdoelstellingen;

5.  erkent de belangrijke rol die nationale plannen en verslagleggingsverplichtingen spelen bij het monitoren van de vooruitgang van de lidstaten en is van mening dat deze verplichtingen moeten worden voortgezet in de periode na 2020; erkent dat de vaststelling van de energiemix van lidstaten een nationale bevoegdheid blijft in het kader van artikel 194 VWEU, waarbij iedere lidstaat de ontwikkeling van zijn eigen hernieuwbare vormen van energie bevordert, en de energiemixen bijgevolg zeer verschillend blijven;

6.  benadrukt het belang van eenvoudige, toegankelijke, betaalbare en efficiënte administratieve procedures;

7.  verzoekt de Commissie een beoordeling van de gevolgen van hernieuwbare energiebronnen voor de kosten en prijzen, en met name de prijzen voor huishoudens, op te nemen in de toekomstige voortgangsverslagen inzake hernieuwbare energie;

8.  wijst op het belang van een EU-wetgevingsvoorstel met betrekking tot de regels inzake de energiemarkt, aangezien een verder geïntegreerde markt essentieel is voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie en het terugdringen van de energiekosten voor huishoudens en bedrijven;

9.  benadrukt het belang van stabiele en kosten-effectieve steunregelingen voor hernieuwbare energie voor langetermijninvesteringen die op korte termijn kunnen worden aangepast en die worden afgestemd op nationale behoeften en omstandigheden, waardoor subsidies voor rijpe hernieuwbare technologieën geleidelijk kunnen worden afgebouwd; is verheugd over het feit dat een aantal technologieën voor hernieuwbare energie qua kosten snel zal kunnen concurreren met conventionele manieren van opwekking; benadrukt dat de energietransitie afhangt van transparantie, samenhang en continuïteit van wettelijke, financiële en regelgevingskaders, teneinde het investeerdersvertrouwen te versterken; betreurt retroactieve wijzigingen van steunregelingen voor hernieuwbare energie die het rendement op reeds gedane investeringen veranderen; verzoekt de lidstaten om aanpassingen van steunregelingen voor hernieuwbare energie altijd ruim op tijd aan te kondigen en belanghebbenden tijdig op grote schaal te raadplegen; verzoekt de Commissie snel te controleren of nationale steunregelingen verenigbaar zijn met de regels voor staatssteun volgens de richtsnoeren van de Europese Commissie, teneinde onnodige vertragingen bij de uitvoering hiervan te voorkomen en marktverstoringen tot een minimum te beperken;

10.  benadrukt dat onderzoek en ontwikkeling een cruciale rol spelen bij de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen; herinnert aan het streefcijfer van het Parlement van 85 % financiering voor niet-fossiele energie in het energiehoofdstuk van Horizon 2020; verzoekt de Europese Commissie en de lidstaten het feitelijke gebruik van alle bestaande steunregelingen verder te faciliteren en ervoor te zorgen dat met name mkb-bedrijven toegang hebben tot kapitaal, en onderzoek en ontwikkeling op het gebied van hernieuwbare energie, opslag en gerelateerde productontwikkeling te ondersteunen om de hernieuwbare-energiesector van de EU concurrerender te maken, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat er meer gebruik wordt gemaakt van hernieuwbare energie en te vermijden dat de concurrentiekloof tussen EU-lidstaten breder wordt;

11.  benadrukt dat de opslag van elektriciteit kan bijdragen tot het zorgen voor flexibiliteit in het elektriciteitssysteem van de EU en het inspelen op schommelingen als gevolg van de productie van hernieuwbare energie; herhaalt dat opslag niet wordt genoemd in de huidige Elektriciteitsrichtlijn 2009/72/EG en benadrukt dat bij de komende herziening van de Elektriciteitsrichtlijn rekening moet worden gehouden met de meerdere diensten waarin energieopslag kan voorzien; is van mening dat een verduidelijking van de functie van opslag ervoor zou zorgen dat beheerders van transmissiesystemen en netwerken kunnen investeren in diensten voor energieopslag;

12.  benadrukt dat steunregelingen op alle niveaus gericht moeten zijn op technologieën die in hoge mate kunnen bijdragen tot het beperken van de kosten van hernieuwbare energie en/of vergroting van de afname hiervan op de markt;

13.  is van mening dat toekomstige onderzoeks- en ontwikkelingsstrategieën gericht moeten zijn op het vergemakkelijken van de ontwikkeling van slimme netten en slimme steden; is bovendien van mening dat de overschakeling op elektrisch vervoer, oplaadpunten voor intelligente voertuigen en technologieën voor de koppeling van voertuigen en stroomnetten aanzienlijk kunnen bijdragen tot de verbetering van de energie-efficiëntie en het potentiële gebruik van hernieuwbare energiebronnen;

14.  meent dat het EFRO en het Cohesiefonds een bijdrage kunnen leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen van Richtlijn 2009/28/EG en het beleidskader voor klimaat en energie voor 2030, alsook aan de financiering van onderzoek en innovatie met betrekking tot de opwekking van hernieuwbare energie, waarbij tegelijk het scheppen van banen en de economische groei worden ondersteund; wijst op het belang van thematische concentratie in het cohesiebeleid, waardoor investeringen beter naar een koolstofarme economie gesluisd kunnen worden, met inbegrip van hernieuwbare energie, met name in het licht van de prominente rol van de thematische doelstelling "De overgang naar een koolstofarme economie in alle bedrijfstakken ondersteunen"; vraagt de lidstaten dat zij hun inspanningen opvoeren en optimaal gebruik maken van de financieringsmogelijkheden die voor dit doel bestaan, en dat zij daarbij extra aandacht besteden aan de kansen voor de ontwikkeling van plaatselijke ondernemingen en het scheppen van banen; wijst op de gemeenschappelijke bepalingen in het EFRO en het Cohesiefonds ter ondersteuning van de subsidiabiliteit van projecten in verband met energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energie in particuliere huishoudens, openbare gebouwen en ondernemingen en meent dat de regionale integratie van de markt voor hernieuwbare energie, die dankzij deze financiering kan worden gerealiseerd, een belangrijke bijdrage van het cohesiebeleid op dit gebied zou vormen;

15.  onderstreept dat er meer samenwerking en coördinatie nodig is binnen en tussen de lidstaten en regio's en een integrale aanpak van overheidsinvesteringen in en kredieten voor technische verbetering, de ontwikkeling en uitvoering van slimme netten, aanpassing van het net en capaciteit, slimme meters, opslag, vraagsturing, energie-efficiëntie en de innovatieve productie van hernieuwbare energie;

16.  benadrukt dat de netten in veel lidstaten eenvoudigweg geen stroom kunnen ontvangen uit variabele hernieuwbare energiebronnen; benadrukt dat het van groot belang is om de energienetten te moderniseren om deze aan te passen aan de veranderingen op het gebied van productie en transmissie;

17.  vraagt dringend om meer transparantie en meer inspraak van het publiek, waarbij alle relevante belanghebbenden in een vroeg stadium worden betrokken bij de ontwikkeling van de nationale plannen voor hernieuwbare energie; betreurt het huidige gebrek aan informatie met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de bepalingen van de richtlijn hernieuwbare energie en benadrukt dat meer gedetailleerde tweejaarlijkse verslagen van de lidstaten nodig zijn; vraagt de Commissie een grotere rol op zich te nemen in het monitoren en ondersteunen van de vooruitgang op het gebied van hernieuwbare energie; verzoekt de Commissie de transparantie ten aanzien van het gebruik van haar handhavingsbevoegdheid te verhogen;

18.  benadrukt het belang van betrokkenheid van alle bestuurslagen, alsmede verenigingen, bij de tenuitvoerlegging van een Europees op hernieuwbare energie gebaseerd model van energieproductie, -verbruik en eigen verbruik; vraagt de Commissie meer steun te verlenen aan het Burgemeestersconvenant, Slimme Steden en Gemeenschappen en de 100 % RES-gemeenschappen, waardoor kennis en beste praktijken kunnen worden gedeeld;

19.  merkt op dat het uitbreiden van de regionale samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie essentieel is om de verdere ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen te waarborgen;

20.  is verheugd over het feit dat er in 2013 dankzij het gebruik van hernieuwbare energiebronnen circa 388 miljoen brutoton minder CO2 is geproduceerd en de vraag naar fossiele brandstoffen in de EU met 116 Mtoe is gedaald;

21.  wijst op het enorme potentieel voor het scheppen van werkgelegenheid in de hernieuwbare-energiesector; roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat arbeidsnormen niet worden verlaagd als gevolg van de energietransitie, die gebaseerd moet zijn op het scheppen van kwalitatief hoogwaardige banen;

Hernieuwbare energie voor de toekomst

22.  benadrukt dat de doelstellingen van de richtlijn hernieuwbare energie moeten worden afgestemd op de klimaatdoelstellingen die in december 2015 door 195 landen zijn overeengekomen in Parijs; neemt nota van het voorstel van de Europese Raad om tegen 2030 een aandeel van ten minste 27 % hernieuwbare energie in het energieverbruik te hebben; herinnert aan zijn vraag om bindende doelstellingen, namelijk een aandeel van ten minste 30 % hernieuwbare energie in het energieverbruik, die moeten worden gehaald middels nationale doelstellingen om te zorgen voor de noodzakelijke investerings- en rechtszekerheid; is van mening dat een aanzienlijk ambitieuzere doelstelling wenselijk is met het oog op het recente akkoord van de CoP 21; staat erop dat duidelijke en ambitieuze doelstellingen op dit vlak een middel zijn om de zekerheid te verbeteren en een leidende positie voor de EU op mondiaal niveau te waarborgen; verzoekt de Commissie dan ook om te komen met een ambitieuzer klimaat- en energiepakket voor 2030 waarmee het streefcijfer van de EU voor het aandeel van hernieuwbare energie tot ten minste 30 % wordt verhoogd en dat ten uitvoer moet worden gelegd door middel van afzonderlijke nationale doelstellingen;

23.  benadrukt het belang van de nieuwe wetgeving voor hernieuwbare energie en marktontwerp voor het creëren van een nieuw kader dat geschikt is voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie, op basis van betrouwbare steunregelingen en een volledige participatie van hernieuwbare technologieën op de markt;

24.  realiseert zich dat belastingverlaging een krachtige prikkel is om van fossiele brandstoffen over te stappen op hernieuwbare energie, en dringt er bij de Commissie op aan de energiebelastingrichtlijn en de staatssteunregeling, die een optimaal gebruik van dergelijke prikkels in de weg staan, te hervormen;

25.  benadrukt dat de reeds voor 2020 overeengekomen doelstellingen als minimaal uitgangspunt moeten dienen wanneer de richtlijn hernieuwbare energie wordt herzien, zodat de lidstaten na 2020 niet onder hun nationale doelstelling voor 2020 kunnen geraken; benadrukt dat de EU-doelstelling voor hernieuwbare energie voor 2030 collectieve prestaties vereist; benadrukt dat de lidstaten hun nationale plannen tijdig moeten ontwikkelen en dat de Commissie ook na 2020 versterkt toezicht moet uitoefenen en moet beschikken over toereikende instrumenten voor een doeltreffende en tijdige monitoring en de mogelijkheid om in te grijpen in het geval van contraproductieve maatregelen; is van mening dat een dergelijke monitoring alleen mogelijk is als de Commissie nationale benchmarks vaststelt voor de lidstaten aan de hand waarvan hun vooruitgang op het gebied van de inzet van hernieuwbare energiebronnen kan worden gemeten;

26.  wijst op het potentieel voor Europa van de ontwikkeling van hernieuwbare energie en benadrukt het belang van gunstige langetermijnvoorwaarden voor alle marktdeelnemers;

27.  wijst erop dat hernieuwbare energie een belangrijke bijdrage levert bij het terugdringen van de totale CO2-uitstoot; benadrukt het belang van de ontwikkeling van hernieuwbare energie om de tijdens de CoP 21 overeengekomen doelstellingen te halen;

28.  benadrukt dat de lidstaten het gebruik van bepalingen betreffende statistische overdrachten en de ontwikkeling van samenwerkingsmechanismen moeten verhogen om hun doelstellingen te halen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 6 van de richtlijn hernieuwbare energie; wijst op het belang van samenwerking tussen de lidstaten, aangezien dit goed zou zijn voor de systeemoptimalisatie, efficiënte voorziening en een betere kostenbesparing van hernieuwbare energie; verzoekt de Commissie in dit verband aanvullende informatie te verstrekken aan de lidstaten, evenals een kosten-batenanalyse en richtsnoeren;

29.  benadrukt dat er een stevig, robuust en transparant bestuurssysteem moet komen voor de tenuitvoerlegging van de hernieuwbare-energiedoelstelling voor 2030, met inachtneming van de nationale bevoegdheden om de energiemix vast te stellen, en ervoor te zorgen dat er volledige democratische controle en toetsing van het energiebeleid kan plaatsvinden; pleit voor een uitgebreide replicatie van het huidige succesvolle systeem van nationale doelstellingen, nationale plannen voor hernieuwbare energie en tweejaarlijkse verslagen; benadrukt dat deze moeten worden ingebed in de richtlijn hernieuwbare energie, die moet zorgen voor een toerekenbare, doeltreffende en transparante monitoring van de toezeggingen van de lidstaten en de uitvoering van de bestaande Europese wetgeving, teneinde een fundament te leggen voor een goed werkende Europese energie-unie;

30.  wijst op het belang van uniforme bindende templates voor nationale energie- en klimaatplannen om de vergelijkbaarheid, transparantie en voorspelbaarheid voor investeerders te waarborgen; is van mening dat de uitsplitsing van trajecten en beleidsplannen per sector, technologie en bron voor elke lidstaat moet worden voortgezet;

31.  dringt er bij de Europese Commissie op aan om in de wetgeving een "grandfathering"-beginsel op te nemen voor hernieuwbare-energiecentrales om veranderingen met terugwerkende kracht van steunmechanismen voor hernieuwbare energie te voorkomen en de economische haalbaarheid van bestaande activa te waarborgen;

32.  pleit voor het wegnemen van onnodige bureaucratische belemmeringen en voor investeringen waarmee de doelstelling van 10 % voor interconnectie van elektriciteit uiterlijk in 2020 kan worden gehaald; onderstreept dat een intensievere regionale samenwerking kan bijdragen tot kostenoptimalisatie bij de integratie van hernieuwbare energie en tot lagere kosten voor consumenten; wijst er nogmaals op dat het grote publiek al in een vroeg stadium moet worden geraadpleegd en betrokken bij de planning van nieuwe milieuvriendelijke hernieuwbare-energieprojecten, daarbij rekening houdend met plaatselijke omstandigheden; wijst er nogmaals op dat technisch advies en milieueffectbeoordelingen van belang zijn voor projecten voor de opwekking en distributie van hernieuwbare energie;

33.  wijst op de kloof tussen de beschikbare vaardigheden en de veranderingen in de vraag op de arbeidsmarkt ten gevolge van de ontwikkeling van hernieuwbare energie; benadrukt dat actieve strategieën inzake onderwijs/opleiding en vaardigheden van fundamenteel belang zijn voor de transitie naar een duurzame, energie-efficiënte economie; benadrukt het belang van de sociale partners, evenals van de overheid bij de ontwikkeling van vaardigheden- en opleidingsprogramma's;

34.  wijst op de noodzaak van adequate financiering op EU-niveau, onder meer door het risico op investeringen zoveel mogelijk te verkleinen om stimulansen te bieden voor een breed gebruik van hernieuwbare energiebronnen;

Burger- en gemeenschapsenergie

35.  is van mening dat lokale overheden, gemeenschappen, huishoudens en particulieren de ruggengraat van de energietransitie moeten vormen en actief moeten worden gesteund om hen te helpen energieproducenten en -leveranciers te worden op gelijke voet met andere actoren op de energiemarkt; pleit in deze context voor een gemeenschappelijke alomvattende definitie van het concept "prosument" op EU-niveau;

36.  is van mening dat het van groot belang is om een grondrecht op zelfopwekking en eigen verbruik vast te stellen, evenals een recht om overtollige elektriciteit op te slaan en te verkopen tegen een eerlijke prijs;

37.  wijst er nogmaals op dat de lidstaten op basis van inspraak van het publiek een strategie voor burger- en gemeenschapsenergie moeten opstellen, met een beschrijving in hun nationale actieplannen hoe zij kleine en middelgrote projecten voor hernieuwbare energie en energiecoöperatieven zullen bevorderen en hoe zij hiermee rekening zullen houden in hun wetgevingskader, hun ondersteuningsbeleid en markttoegankelijkheid;

38.  verzoekt om de invoering van een nieuw hoofdstuk Burger- en gemeenschapsenergie in de herziene richtlijn hernieuwbare energie, dat toegespitst is op de hoofdmarkt en op administratieve belemmeringen en dat een gunstiger investeringsklimaat schept voor zelfopwekking en eigen verbruik van hernieuwbare energie;

39.  merkt op dat er nog niet in alle landen geschikte vergunnings- en administratieve procedures zijn voor alle technologieën; verzoekt de lidstaten administratieve en marktbelemmeringen voor nieuwe capaciteit voor zelfopwekking weg te nemen, de lange vergunningsprocedures te vervangen door een eenvoudige meldingsplicht en doeltreffende "one-stop-shops" op te richten voor projectvergunningen, toegang tot het net en ondersteuning middels financiële en technische kennis, en de toegang van prosumenten tot alternatieve mechanismen voor geschillenbeslechting te waarborgen; dringt er bij de Commissie op aan de volledige uitvoering en continuïteit na 2020 te waarborgen van de artikelen 13 (administratieve procedures) en 16 (toegang tot en beheer van de netwerken) van de huidige richtlijn hernieuwbare energie;

40.  benadrukt hoe belangrijk het is rekening te houden met de verschillen tussen micro-, kleine en grote producenten; wijst op de noodzaak om niet- discriminerende voorwaarden te scheppen en geschikte instrumenten te ontwikkelen voor "prosumenten" (actieve energieconsumenten, zoals huishoudens – zowel eigenaars als huurders –, instellingen en kleine bedrijven die hernieuwbare energie opwekken, hetzij individueel, hetzij collectief via coöperaties, andere sociale bedrijven of aggregaties), zodat zij kunnen bijdragen aan de energietransitie teneinde hun integratie in de energiemarkt te vergemakkelijken; beveelt aan om de administratieve belemmeringen voor nieuwe zelfopwekkingscapaciteit tot een absoluut minimum te beperken, met name door beperkingen op de toegang tot de markt en het net af te schaffen; stelt voor vergunningsprocedures te verkorten en te vereenvoudigen door een eenvoudige meldingsplicht in te voeren; stelt voor om bij de herziening van de richtlijn hernieuwbare energie specifieke bepalingen op te nemen om belemmeringen weg te nemen en gemeenschaps- of samenwerkingsregelingen op het gebied van energie te bevorderen via "one-stop-shops" – die zich bezighouden met projectvergunningen en financiële en technische deskundigheid bieden; moedigt de lidstaten aan gebruik moeten maken van de "de minimis"-vrijstellingen waarin is voorzien in de Europese richtsnoeren voor staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie, zodat kleine en middelgrote projecten gebruik kunnen blijven maken van dynamische teruglevertarieven, waardoor ze zijn vrijgesteld van complexe veilingprocedures;

41.  benadrukt dat het van belang is dat het publiek al in een vroeg stadium inspraak heeft in het stimuleren van milieuvriendelijke hernieuwbare-energieprojecten, daarbij rekening houdend met plaatselijke omstandigheden;

42.  benadrukt dat er een evenwicht moet worden gevonden, via een adequate marktregulering, tussen de ontwikkeling van gecentraliseerde en gedecentraliseerde energieproductie, zodat verbruikers die het zich niet kunnen veroorloven "prosumenten" te worden, niet worden gediscrimineerd; onderstreept dat moet worden voorzien in technische en administratieve faciliteiten voor het collectieve beheer van energieproductie; benadrukt dat zelfopwekking en hernieuwbare energiebronnen niet de oorzaak zijn van hogere energiekosten in Europa;

43.  benadrukt het feit dat meer aandacht voor de verwezenlijking van energie-efficiëntie in alle sectoren de EU zal helpen haar concurrentievermogen te verbeteren en innovatieve en kosteneffectieve oplossingen voor energiebesparing te ontwikkelen;

44.  wijst op de milieu-, economische en sociale voordelen van een geïntegreerde benadering van energie en de noodzaak om synergiën te bevorderen tussen en binnen de sectoren elektriciteit, verwarming en koeling en vervoer; verzoekt de Commissie bovendien te beoordelen hoe flexibele hernieuwbare energiebronnen een aanvulling kunnen vormen op variabele energiebronnen en hoe hiermee rekening moet worden gehouden bij de energieplanning en het ontwerp van steunregelingen;

Elektriciteit

45.  benadrukt dat hernieuwbare elektriciteitsproductie op alle niveaus moet worden geïntegreerd in de elektriciteitsdistributiesystemen, evenals in de transmissiesystemen, gezien de veranderingen in de richting van een meer flexibel en gedecentraliseerd model voor energieproductie dat rekening houdt met de markt;

46.  merkt op dat niet-variabele vormen van productie van hernieuwbare energie, zoals elektriciteit uit waterkracht, die snel inzetbaar zijn en milieuvriendelijk, de integratie van variabele hernieuwbare energie in de markt kunnen ondersteunen;

47.  pleit voor een geïntegreerde benadering van het energiebeleid die de ontwikkeling en regulering van het net, opslag, vraagsturing en verbetering van de energie-efficiëntie, alsmede verhoging van het aandeel hernieuwbare energiebronnen omvat; benadrukt dat we moeten voorkomen dat we vast blijven zitten aan technologieën die niet verenigbaar zijn met de transitie naar een koolstofarme economie;

48.  merkt op dat de marktintegratie van de opwekking van energie uit hernieuwbare bronnen flexibele markten vereist, zowel aan de aanbod- als aan de vraagzijde, en dat hiervoor netten moeten worden gebouwd, gemoderniseerd en aangepast en nieuwe opslagtechnologieën moeten worden ontwikkeld;

49.  benadrukt dat de elektrificatie van verwarmings- en koelsystemen, vervoer en andere sectoren cruciaal is om te zorgen voor een snelle en efficiëntie transitie naar hernieuwbare energiebronnen;

50.  benadrukt dat zolang het elektriciteitssysteem niet flexibel is, er behoefte bestaat aan een prioritaire toegang en dispatching voor hernieuwbare energie, teneinde verbeteringen van netten te bevorderen en de inzet van opslagcapaciteit en vraagresponsmechanismen te bevorderen; verzoekt de Commissie voorstellen te doen om regels voor de prioritaire toegang en dispatching voor hernieuwbare energie voor de periode na 2020 aan te scherpen en te verduidelijken; benadrukt dat de mogelijkheid van een geleidelijke afbouw van de prioritaire toegang en dispatching moet worden beoordeeld in het kader van de tussentijdse herziening van de toekomstige richtlijn hernieuwbare energie, naar verwachting tegen 2024;

51.  benadrukt dat prioritaire toegang tot het net en prioritaire dispatching voor hernieuwbare energie, zoals vastgelegd in de huidige richtlijn hernieuwbare energie in stand moeten worden gehouden en moeten worden versterkt; pleit voor een regelgevingskader voor de periode na 2020 dat een behoorlijke compensatie waarborgt van de belemmering van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen;

52.  neemt nota van de strategie van de Commissie om vraagresponsmechanismen te bevorderen; benadrukt dat dit niet mag leiden tot extra lasten voor burgers of een verhoging van de energiekosten voor verbruikers; benadrukt dat vraagresponsmechanismen een gelegenheid kunnen bieden voor verlaging van de energiekosten, waarbij onderstreept wordt dat de deelname aan vraagrespons- of dynamischeprijsstellingsmechanismen altijd alleen strikt op "opt-in"-basis mag plaatsvinden;

53.  is van mening dat het ontwikkelen van oplossingen voor elektriciteitsopslag een onmisbaar onderdeel zal zijn van de ontwikkeling en integratie van hoge niveaus van hernieuwbare energie, het net in evenwicht helpt te houden en voorziet in een manier om een overschot aan opgewekte hernieuwbare energie op te kunnen slaan; dringt erop aan het bestaande regelgevingskader te herzien om de inzet van systemen voor energieopslag te bevorderen en bestaande belemmeringen weg te nemen;

54.  wijst erop dat het probleem van de elektriciteitsknelpunten de onbelemmerde doorvoer van hernieuwbare energie tussen de lidstaten blijft dwarsbomen en de vooruitgang bij de totstandbrenging van een echte interne energiemarkt in de Europese Unie vertraagt;

55.  benadrukt dat verbruikers in staat moeten worden gesteld en moeten worden voorzien van de juiste stimulansen om deel te nemen aan energiemarkten; merkt op dat er dynamische, op de markt gebaseerde prijzen moeten worden vastgesteld om de juiste vraagrespons bij de verbruikers teweeg te brengen en de nodige productie te activeren, alsmede slim en efficiënt verbruik te faciliteren; beveelt de Commissie aan de gevolgen hiervan voor verschillende groepen verbruikers verder te analyseren;

56.  benadrukt dat sommige verbruikers rigide verbruikspatronen hebben en negatieve gevolgen kunnen ondervinden van sterkere op de prijs gebaseerde efficiëntiemechanismen; benadrukt in dit verband het belang van beleid voor energie-efficiëntie in de lidstaten dat is gericht op kwetsbare verbruikers;

57.  is van mening dat er een duidelijk EU-regelgevingskader moet zijn voor eigen verbruik van hernieuwbare energie en voor gemeenschappen/coöperatieven voor hernieuwbare energie, waarbij rekening wordt gehouden met al deze voordelen wanneer er betaalmechanismen worden ontworpen voor de verkoop van productieoverschotten, toegang tot en gebruik van het netwerk; verzoekt de Commissie en de lidstaten het zelf produceren van energie en het opzetten en onderling verbinden van lokale distributienetten voor hernieuwbare energie te bevorderen, als aanvulling op hun nationale energiebeleid; benadrukt het feit dat "prosumenten" tegen een billijke prijs toegang tot het energienet en de energiemarkt moeten kunnen krijgen en niet mogen worden benadeeld met extra belastingen of heffingen; uit zijn bezorgdheid over de initiatieven die sommige lidstaten hebben genomen om obstakels op te werpen voor de uitoefening van het recht om zelf opgewekte energie te verbruiken;

58.  wijst erop dat verbruikers momenteel weinig bijdragen tot de beoogde opbouw van nieuwe capaciteiten voor de opwekking van hernieuwbare energie wanneer zij kiezen voor elektriciteitstarieven die als 100 % uit hernieuwbare energiebronnen op de markt worden gebracht; pleit voor een nauwkeurig, betrouwbaar en transparant volgmechanisme, zodat "groene claims" worden gekoppeld aan meetbare criteria ten aanzien van extra milieuvoordelen;

59.  spoort de lidstaten aan beter gebruik te maken van de verwarmings- en koelingsenergie die uit de bodem wordt gewonnen;

Verwarming en koeling

60.  is verheugd over de mededeling van de Commissie van februari 2016 over een EU-strategie voor verwarming en koeling, maar wijst op het gebrek aan vooruitgang en de lage doelstellingen voor het gebruik van hernieuwbare energie voor verwarming en koeling, met name in gebouwen; wijst op het grote potentieel voor verdere vooruitgang in het gebruik van hernieuwbare energie voor verwarming en koeling; merkt op dat de sector verwarming en koeling goed is voor de helft van het eindenergieverbruik van de EU en daarom een belangrijke rol speelt bij het halen van de EU-doelstellingen inzake klimaat en hernieuwbare energiebronnen; erkent de voordelen van een toenemend gebruik van hernieuwbare energie in de sector verwarming en koeling; benadrukt dat de grotere flexibiliteit van warmte-infrastructuur en -opslag de integratie van variabele hernieuwbare bronnen vergemakkelijkt door energie op te slaan in de vorm van warmte, hetgeen een uitstekend rendement op investeringen biedt, evenals mogelijkheden voor de uitbreiding van kwalitatief hoogwaardige lokale werkgelegenheid; dringt er bij de Commissie op aan de lacunes in de regelgeving te dichten in het wetgevingspakket voor hernieuwbare energiebronnen voor de periode na 2020; herhaalt dat inspanningen in de sector verwarming en koeling een groot potentieel bieden voor een grotere energiezekerheid (gezien het feit dat 61 % van het in de Europese Unie ingevoerde gas wordt gebruikt in gebouwen, met name voor verwarmingsdoeleinden), bijvoorbeeld door de ontwikkeling van netwerken voor stadsverwarming/-koeling, die een efficiënt middel zijn om duurzame verwarming op grote schaal te integreren in steden, aangezien zij tegelijkertijd warmte kunnen leveren uit verschillende bronnen en niet per definitie afhankelijk zijn van een enkele bron;

61.  is verheugd over de mededeling van de Commissie over een strategie voor verwarming en koeling waarin de nadruk wordt gelegd op de noodzaak om het gebruik van fossiele brandstoffen, die nog steeds goed zijn voor 75 % van het brandstofverbruik in de sector, geleidelijk af te bouwen en deze volledig te vervangen door maatregelen voor energie-efficiëntie – onze grootste kans om het gebruik van fossiele brandstoffen te verminderen – en hernieuwbare energie;

62.  dringt aan op verdere maatregelen om het resterende, aanzienlijke potentieel van hernieuwbare energie in de sector verwarming en koeling te benutten om de 2020-doelstellingen volledig te verwezenlijken; dringt er bij de Commissie op aan lacunes in de regelgeving voor die sectoren te dichten met het wetgevingspakket voor hernieuwbare energiebronnen voor de periode na 2020;

63.  wijst erop dat biomassa momenteel de meest gebruikte hernieuwbare energiebron is voor verwarming en goed is voor 90 % van alle verwarming op basis van hernieuwbare energiebronnen; biomassa speelt in Midden- en Oost-Europa een belangrijke rol bij de duurzame verbetering van de energiezekerheid;

64.  benadrukt dat een transitie naar energie-efficiënte verwarmingstoestellen op hernieuwbare energie moet worden bevorderd, en dat tegelijk moet worden voorzien in voldoende steun en een verbeterde informatievoorziening en ondersteuning voor energiearme burgers;

65.  benadrukt de noodzaak van een alomvattende en doeltreffende definitie van koeling met hernieuwbare energie;

66.  benadrukt dat het noodzakelijk is om de systemen voor stadsverwarming en -koeling te renoveren en hun prestaties te verbeteren, aangezien systemen voor stadsverwarming en -koeling elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen kunnen gebruiken en opslaan en deze vervolgens kunnen distribueren aan gebouwen en industrieterreinen, waardoor het gebruik van verwarming en koeling met hernieuwbare energie toeneemt;

67.  wijst op het potentieel van prosumentengroepen, inclusief huishoudens, micro- en kleine ondernemingen, coöperatieven en lokale overheden, bij de oprichting van collectieve energiesystemen, zoals stadsverwarming, die voorzien in een kostenefficiënte verwarming en koeling met hernieuwbare energie, evenals de vele synergiën tussen energie-efficiëntie en hernieuwbare energie;

68.  is van mening dat synergiën tussen de richtlijn hernieuwbare energie, de richtlijn inzake energie-efficiëntie en de richtlijn energieprestatie van gebouwen moeten worden versterkt om het gebruik van hernieuwbare energie voor verwarming en koeling te doen toenemen;

69.  merkt op dat energie-efficiëntieprojecten die betrekking hebben op zowel verwarming als koeling belangrijke instrumenten zijn om te zorgen voor stabiele en voorspelbare energieverbruikspatronen en om de energiearmoede te bestrijden;

Vervoer

70.  merkt op dat we nog ver verwijderd zijn van het bereiken van de doelstelling van 10 % hernieuwbare energie in de vervoerssector tegen 2020, deels ten gevolge van de uitdagingen voor een op biobrandstoffen gebaseerde strategie voor de vervoerssector; wijst erop dat vervoer de enige sector in de EU is waar de emissies van broeikasgassen sinds 1990 zijn gestegen; herinnert eraan dat hernieuwbare energie essentieel is om tot duurzame mobiliteit te komen; verzoekt de lidstaten meer inspanningen te leveren om duurzame maatregelen in de vervoerssector te treffen, zoals vraagreductie, een verschuiving naar duurzamere vervoerswijzen, betere efficiëntie en de elektrificatie van de vervoerssector; verzoekt de Commissie een kader te ontwikkelen ter bevordering van het gebruik van elektrische voertuigen die worden geladen met hernieuwbare elektriciteit en het wetgevingskader te verbeteren om perspectief te bieden voor biobrandstoffen met een hoge broeikasgas-efficiëntie, waarbij rekening wordt gehouden met veranderingen in indirect grondgebruik (ILUC) in de periode na 2020;

71.  dringt erop aan het gedeeltelijke gebruik van het GLB om investeringen in de productie en het gebruik van hernieuwbare energie in de landbouwsector te ondersteunen, te handhaven en op te voeren;

72.  schat dat het vervoer verantwoordelijk is voor meer dan 30 % van het energieverbruik in Europa en voor 94 % afhankelijk is van olieproducten; is derhalve van mening dat de inspanningen voor een verhoogd gebruik van hernieuwbare energie in de vervoerssector ambitieus moeten zijn, met een duidelijke koppeling aan de decarbonisering van de vervoerssector;

73.  verzoekt de Commissie ambitieuze maatregelen voor te stellen om de decarbonisering van het vervoer te versnellen, onder meer door het gebruik van hernieuwbare brandstoffen, verhoogde elektrificatie en verbeterde efficiëntie, en meer inspanningen te leveren om de ontwikkeling en innovatie van technologieën op deze terreinen te bevorderen;

74.  wijst op het belang van de elektrificatie van de vervoerssector voor de decarbonisering van de economie en verzoekt de Commissie een kader te ontwikkelen voor de bevordering van het gebruik van elektrische voertuigen op hernieuwbare elektriciteit, met het oog op het halen van de doelstellingen voor 2030;

75.  wacht op de bekendmaking van de strategie van de Europese Commissie voor de decarbonisering van de vervoerssector in juni 2016 en benadrukt dat in deze context een verhoogd gebruik van hernieuwbare energiebronnen moet worden bevorderd om ervoor te zorgen dat het vervoer actief bijdraagt tot het halen van de 2020-doelstellingen;

76.  is verheugd over de vooruitgang die is geboekt ten aanzien van de ontwikkeling van nieuwe biobrandstoffen en motoren door projecten die in het kader van de Gemeenschappelijke Onderneming Clean Sky van de EU zijn voltooid;

77.  wijst op het belang van de ontwikkeling van biobrandstoffen van de volgende generatie op basis van biomassa of afval;

78.  wijst op de noodzaak van verbeterde regelgeving en langetermijnvoorwaarden om de ontwikkeling van hernieuwbare energie in het luchtvervoer en de zeescheepvaart te ondersteunen;

79.  benadrukt dat er een modale overschakeling in de vervoerssector nodig is voor een duurzame regulering van mobiliteit, inclusief intermodaliteit, duurzame logistieke systemen, mobiliteitsbeheer en duurzaam stedelijk beleid dat zorgt voor een overschakeling van het vervoer op hernieuwbare energiebronnen en/of een zo laag mogelijk energieverbruik, waarbij actievere reismodellen worden aangemoedigd, oplossingen voor slimme steden worden ontwikkeld en uitgevoerd en stedelijke ecomobiliteit en aangepaste stedelijke planning worden ondersteund; verzoekt de lidstaten en de EU de modale overschakeling van passagiers en vracht van weg- en luchtvervoer op rail- en maritiem vervoer te bevorderen; verzoekt de Commissie het potentieel van trolley-technologieën voor vrachtwagens te onderzoeken;

80.  dringt er bij de EU-instellingen op aan eigen capaciteiten voor hernieuwbare energie te ontwikkelen om te voldoen aan de energievraag van hun eigen gebouwen, om te laten zien dat zij hechten aan hernieuwbare energie; benadrukt dat de EU-instellingen groene energie moeten kopen om in hun behoeften te voorzien totdat dergelijke capaciteiten zijn ontwikkeld;

81.  benadrukt dat een groter modaal aandeel van wandelen, fietsen, autodelen en carpoolen, in combinatie met openbaar vervoer, cruciaal is voor het beperken en voorkomen van de olieafhankelijkheid van de EU en het terugdringen van de broeikasgasemissies;

82.  wijst op het potentieel van systemen en infrastructuren voor fietsen om de duurzaamheid van het vervoer in steden te verbeteren;

83.  wijst op het potentieel van verhoogde elektrificatie van de vervoerssystemen voor het beperken van emissies en het bijdragen aan de koolstofarme economie;

Duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa

84.  verzoekt de Commissie, gezien de behoefte aan meer synergie en consistentie in het Europees beleid, duurzaamheidscriteria vast te leggen voor bio-energie, waarbij rekening wordt gehouden met een zorgvuldige beoordeling van het functioneren van reeds bestaand EU-beleid inzake duurzaamheid en het beleid inzake de circulaire economie; wijst erop dat de energiezekerheid in de EU moet worden vergroot door middel van het duurzame gebruik van eigen grondstoffen, in overeenstemming met de doelstelling om de hulpbronnenefficiëntie te verbeteren;

85.  is van mening dat voorzichtigheid geboden is ten aanzien van de stijgende trend om gebruik te maken van bosbiomassa als belangrijkste hernieuwbare energiebron in de EU omdat die mogelijk schadelijke gevolgen kan hebben voor het klimaat en het milieu, tenzij de biomassa uit duurzame bronnen komt en goed wordt beheerd; merkt op dat de gevolgen van bio-energie voor het klimaat op lange termijn moeten worden berekend, gezien de lange perioden die nodig zijn voordat de gerooide bossen weer op peil zijn;

86.  merkt op dat bio-energie nu al 60 % uitmaakt van de hernieuwbare energie in Europa en dat het gebruik ervan blijft toenemen; benadrukt dat er dringend duidelijkheid moet komen over de broeikasgasemissies van de verschillende toepassingen van bosbiomassa voor energie en dat moet worden vastgesteld welke toepassingen de grootste reductie binnen een beleidsrelevant tijdsbestek kunnen opleveren;

87.  onderstreept dat de productie van biobrandstoffen de levensmiddelenproductie niet mag hinderen en de voedselzekerheid niet in gevaar mag brengen; is van evenwel mening dat met een evenwichtig beleid ter bevordering van hogere opbrengsten van gewassen zoals tarwe, mais, suikerbieten en zonnebloemen in Europa ook kan worden voorzien in de productie van biobrandstoffen, rekening houdend met indirecte veranderingen in het landgebruik (ILUC), op een wijze die de Europese landbouwers van een vaste stroom van inkomsten voorziet, investeringen aantrekt en banen schept in plattelandsgebieden, helpt bij de bestrijding van het chronische tekort aan (ggo-vrij) eiwitrijk diervoeder in Europa, Europa minder afhankelijk maakt van de invoer van fossiele brandstoffen; is van mening dat de productie van biobrandstoffen en bio-ethanol in geval van een overaanbod aan bovengenoemde landbouwproducten een tijdelijke afzetmogelijkheid zou zijn die de inkoopprijzen houdbaar houdt, het inkomen van de landbouwers tijdens crises garandeert en als marktstabiliteitsmechanisme dient; pleit voor stimulansen om braakliggende landbouwgrond die niet voor voedselproductie wordt gebruikt, te gebruiken voor de productie van bio-energie, teneinde de nationale en Europese doelstellingen inzake hernieuwbare energie te halen;

88.  is van mening dat dierlijke mest een waardevolle bron van biogas kan vormen door het gebruik van mestverwerkingstechnieken zoals vergisting, en benadrukt ook dat het belangrijk is dit tot een economisch haalbare optie voor landbouwers te maken;

89.  moedigt de lidstaten en de Commissie aan om het belang te onderstrepen van duurzaam bosbeheer, en bijgevolg van de centrale rol van bosbiomassa als een van de essentiële hernieuwbare grondstoffen waarmee de EU haar energiedoelstellingen kan halen; vestigt de aandacht op de toenemende vraag naar bosbiomassa, wat inhoudt dat duurzaam bosbeheer, overeenkomstig de bosbouwstrategie van de EU, verder moet worden versterkt en bevorderd, aangezien het van cruciaal belang is voor de ecosysteemfunctie van bossen, waaronder de opname van CO2 uit de atmosfeer; wijst daarom op de noodzaak van een evenwichtige exploitatie van in de EU gekweekte en uit derde landen ingevoerde grondstoffen, rekening houdend met de zeer lange regeneratietijd van hout;

o
o   o

90.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.

(1) PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 81.
(3) PB L 239 van 15.9.2015, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0094.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0359.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0445.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0444.

Juridische mededeling