Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 8 maart 2016 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Gezondheid van dieren ***II
 Steunregeling voor de verstrekking van groenten, fruit, bananen en melk aan kinderen in onderwijsinstellingen ***I
 Toegang tot de markt voor havendiensten en financiële transparantie van havens ***I
 Geharmoniseerde indexcijfers van de consumptieprijzen ***I
 Jaarverslag 2014 over de bescherming van de financiële belangen van de EU - De bestrijding van fraude
 Gendermainstreaming in de werkzaamheden van het Europees Parlement
 De situatie van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers in de EU

Gezondheid van dieren ***II
PDF 335kWORD 64k
Resolutie
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 8 maart 2016 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid ("diergezondheidswetgeving") (11779/1/2015 – C8-0008/2016 – 2013/0136(COD))
P8_TA(2016)0067A8-0041/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (11779/1/2015 – C8-0008/2016),

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Oostenrijkse Bondsraad, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 10 december 2013(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien zijn standpunt in eerste lezing(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0260),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 76 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0041/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij de onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  neemt kennis van de aan deze resolutie gehechte verklaringen van de Commissie;

4.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

6.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

7.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende antimicrobiële resistentie

In de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad getiteld "Actieplan tegen het toenemende gevaar van antimicrobiële resistentie" (COM(2011)0748) wordt de nadruk gelegd op de preventieve rol van de verordening met betrekking tot overdraagbare dierziekten en de daaruit voortvloeiende verwachte vermindering van het gebruik van antibiotica bij dieren. In aanvulling op de voorschriften van deze verordening worden de lidstaten opgeroepen zich ertoe te verbinden om relevante, vergelijkbare en voldoende gedetailleerde gegevens over het gebruik van antimicrobiële geneesmiddelen bij dieren te verzamelen en om deze gegevens aan de Commissie toe te zenden, teneinde een verstandiger gebruik van antimicrobiële geneesmiddelen bij dieren te bevorderen en aldus bij te dragen tot het verminderen van het risico van antimicrobiële resistentie.

Verklaring van de Commissie betreffende antimicrobiële resistentie

De Commissie verbindt zich ertoe regelmatig een verslag te publiceren over het gebruik van antimicrobiële geneesmiddelen bij dieren in de EU op basis van door de lidstaten ter beschikking gestelde gegevens.

Verklaring van de Commissie betreffende dierenwelzijn

Deze verordening stelt bepalingen vast voor de preventie en bestrijding van dierziekten die kunnen worden overgedragen op dieren of mensen, en bevat geen bepalingen die speciaal gericht zijn op dierenwelzijn, hoewel diergezondheid en dierenwelzijn verband houden met elkaar. De Unie heeft een goed ontwikkeld acquis inzake dierenwelzijn voor verschillende diersoorten (mesthoenders, leghennen, varkens, kalveren) of activiteiten (kweek, vervoer, slacht, wetenschappelijk onderzoek, enz.). Deze wetgeving inzake dierenwelzijn zal derhalve van toepassing blijven. De Commissie is vastbesloten om overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag en binnen de daarin aangegeven grenzen ten volle rekening te houden met dierenwelzijn, wat onder andere inhoudt dat zij zorgt voor de volledige tenuitvoerlegging en gepaste ontwikkeling van deze wetgeving.

(1) PB C 170 van 5.6.2014, blz. 104.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0381.


Steunregeling voor de verstrekking van groenten, fruit, bananen en melk aan kinderen in onderwijsinstellingen ***I
PDF 248kWORD 63k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 8 maart 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1308/2013 en Verordening (EU) nr. 1306/2013 wat betreft de steunregeling voor de verstrekking van groenten, fruit, bananen en melk aan kinderen in onderwijsinstellingen (COM(2014)0032 – C7-0025/2014 – 2014/0014(COD))
P8_TA(2016)0068A8-0006/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0032),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 42 en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0025/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 9 juli 2014(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 7 oktober 2014(2),

–  gezien zijn besluit van 27 mei 2015 inzake de opening van en het mandaat voor interinstitutionele onderhandelingen over het voorstel(3),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 16 december 2015 om het standpunt van het Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0006/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 8 maart 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1308/2013 en (EU) nr. 1306/2013 wat betreft de steunregeling voor de verstrekking van groenten, fruit, bananen en melk in onderwijsinstellingen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/791.)

(1) PB C 451 van 16.12.2014, blz. 142.
(2) PB C 415 van 20.11.2014, blz. 30.
(3) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2015)0216.


Toegang tot de markt voor havendiensten en financiële transparantie van havens ***I
PDF 711kWORD 356k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 8 maart 2016 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de toegang tot de markt voor havendiensten en de financiële transparantie van havens (COM(2013)0296 – C7-0144/2013 – 2013/0157(COD))(1)
P8_TA(2016)0069A8-0023/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Titel
Voorstel voor een
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot vaststelling van een kader voor de toegang tot de markt voor havendiensten en de financiële transparantie van havens
tot vaststelling van een kader voor de organisatie van havendiensten en voor de financiële transparantie van havens
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)  Havens kunnen bijdragen tot het concurrentievermogen van de Europese industrie op de wereldmarkt op lange termijn en tegelijk banen creëren in alle kustregio's van de Unie. Om de uitdagingen van de sector zeevervoer aan te pakken, zoals de inefficiëntie in de keten van duurzaam vervoer en logistiek, is het van essentieel belang dat de in de mededeling van de Commissie getiteld "Havens: een motor voor groei" genoemde maatregelen voor administratieve vereenvoudiging tegelijk met deze verordening worden uitgevoerd. De complexiteit van de administratieve procedures voor inklaring, die in havens voor vertragingen zorgt, vormt een belangrijke belemmering voor het concurrentievermogen van de korte vaart en de efficiëntie van havens in de Unie.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)  Een sterke vereenvoudiging van de douaneprocedures kan voor een haven een belangrijk economisch voordeel in de zin van concurrentievermogen opleveren. Om oneerlijke concurrentie van havens te voorkomen en de douaneformaliteiten die de financiële belangen van de Unie ernstig kunnen schaden, te beperken, moeten de havenautoriteiten voor een gedegen en doeltreffende, risicogebaseerde beleidsaanpak kiezen teneinde concurrentieverstoring tegen te gaan. De lidstaten en de Commissie dienen deze procedures regelmatig en doeltreffend te controleren en de Commissie dient na te gaan of het nodig is om passende maatregelen tegen oneerlijke concurrentie te nemen.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  De overgrote meerderheid van het maritieme handelsverkeer van de Unie loopt via de zeehavens die deel uitmaken van het trans-Europees vervoersnetwerk. Om het doel van deze verordening op evenredige wijze te verwezenlijken zonder aan andere havens onnodige lasten op te leggen, moet deze verordening van toepassing zijn op de havens van het trans-Europees vervoersnetwerk, die allemaal een belangrijke rol spelen in het Europese vervoerssysteem, hetzij omdat ze meer dan 0,1 % van de totale EU-vracht of het totale aantal passagiers afhandelen, hetzij omdat ze de regionale toegankelijkheid van insulaire of perifere gebieden verbeteren. Lidstaten kunnen ervoor kiezen deze verordening ook op andere havens toe te passen. Loodsdiensten op volle zee hebben geen rechtstreeks effect op de efficiëntie van havens, aangezien ze niet worden gebruikt om haven binnen te varen of te verlaten en derhalve niet in het toepassingsgebied van deze verordening moeten worden opgenomen.
(4)  De overgrote meerderheid van het maritieme handelsverkeer van de Unie loopt via de maritieme havens die deel uitmaken van het trans-Europees vervoersnetwerk. Om het doel van deze verordening op evenredige wijze te verwezenlijken zonder aan andere havens onnodige lasten op te leggen, moet deze verordening alleen van toepassing zijn op de maritieme havens van het trans-Europees vervoersnetwerk, die allemaal een belangrijke rol spelen in het Europese vervoerssysteem, hetzij omdat ze meer dan 0,1 % van de totale EU-vracht of het totale aantal passagiers afhandelen, hetzij omdat ze de regionale toegankelijkheid van insulaire of perifere gebieden verbeteren. Deze verordening moet de lidstaten evenwel de mogelijkheid bieden te kiezen of deze verordening al dan niet van toepassing is op maritieme havens die deel uitmaken van het uitgebreide trans-Europese vervoersnetwerk in de ultraperifere regio's. Ook dienen de lidstaten afwijkingen te kunnen invoeren ter voorkoming van onevenredige administratieve lasten voor maritieme havens die deel uitmaken van het uitgebreide trans-Europese vervoersnetwerk, en waarvan het jaarlijkse scheepvaartvolume geen rechtvaardiging biedt voor volledige toepassing van deze verordening. Loodsdiensten op volle zee hebben geen rechtstreeks effect op de efficiëntie van havens, aangezien ze niet worden gebruikt om haven binnen te varen of te verlaten en derhalve niet in het toepassingsgebied van deze verordening moeten worden opgenomen.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  Deze verordening legt de havenbeheerders geen specifiek havenbeheermodel op. Vooropgesteld dat de regels betreffende financiële transparantie en markttoegang worden nageleefd, kunnen de bestaande havenbeheermodellen die in de lidstaten op nationaal niveau zijn ingevoerd, behouden blijven, overeenkomstig Protocol nr. 26 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Het doel van artikel 56 van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie is de beperkingen voor het vrij verrichten van diensten binnen de Unie op te heffen. Overeenkomstig artikel 58 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie moet dit worden verwezenlijkt in het kader van de bepalingen onder de titel vervoer en met name artikel 100, lid 2.
Schrappen
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  In een aantal lidstaten is het zelf verrichten van diensten, hetgeen inhoudt dat scheepvaartmaatschappijen of aanbieders van havendiensten personeel naar eigen keuze in dienst nemen en zelf havendiensten verrichten, om veiligheids- of sociale redenen gereguleerd. De belanghebbenden die door de Commissie tijdens het opstellen van haar voorstel zijn geraadpleegd, hebben erop gewezen dat het op het niveau van de Unie algemeen toestaan van het zelf verrichten van diensten aanvullende voorschriften inzake veiligheids- en sociale kwesties nodig zou maken teneinde mogelijke negatieve effecten op dit gebied te voorkomen. Het lijkt daarom passend om deze kwestie in dit stadium niet op het niveau van de Unie te reguleren en om het aan de lidstaten over te laten om het zelf verrichten van havendiensten al dan niet te reguleren. Deze verordening dient derhalve uitsluitend betrekking te hebben op het verlenen van havendiensten die tegen betaling worden verricht
Schrappen
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  In het belang van een efficiënt, veilig en milieuverantwoord havenbeheer moet de havenbeheerder kunnen vereisen dat aanbieders van havendiensten kunnen aantonen dat ze voldoen aan de minimumvereisten om de dienst op passende wijze te verrichten. Deze minimumvereisten moeten worden beperkt tot een duidelijk omschreven reeks voorwaarden betreffende de beroepskwalificaties van de exploitanten, met inbegrip van hun opleidingsniveau, en de benodigde uitrusting, voor zover deze vereisten transparant, niet-discriminerend, objectief en relevant voor de verrichting van de havendienst zijn.
(7)  In het belang van een efficiënt, veilig en milieuverantwoord havenbeheer moet de havenbeheerder kunnen vereisen dat aanbieders van havendiensten kunnen aantonen dat ze voldoen aan de minimumvereisten om de dienst op passende wijze te verrichten. Deze minimumvereisten moeten worden beperkt tot een duidelijk omschreven reeks voorwaarden betreffende de beroepskwalificaties van de exploitanten, de uitrusting die nodig is voor het verrichten van de betrokken havendiensten, de beschikbaarheid van de dienst en de naleving van de vereisten inzake maritieme veiligheid. Bij deze minimumvereisten moet ook rekening worden gehouden met de milieuvereisten alsmede met de nationale sociale normen en de goede reputatie van de aanbieder van de havendienst.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  Alle aanbieders van diensten en met name nieuwkomers op de markt moeten aantonen dat zij een minimumaantal vaartuigen met hun eigen personeel en uitrusting kunnen bedienen. De aanbieder van havendiensten moet de toepasselijke bepalingen en regels toepassen, waaronder het toepasselijke arbeidsrecht, de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomsten en de kwaliteitseisen van de betrokken haven.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 ter (nieuw)
(7 ter)  Bij de vaststelling of een dienstverlener aan het vereiste van een goede reputatie voldoet dient de lidstaat na te gaan of er dwingende redenen zijn om de goede reputatie van de aanbieder van havendiensten, de beheerder of andere door de lidstaat als zodanig aangemerkte relevante personen in twijfel te trekken, zoals veroordelingen of sancties in om het even welke lidstaat wegens ernstige misdrijven of overtreding van de toepasselijke nationale of Uniewetgeving, onder meer op de volgende gebieden: sociale en arbeidswetgeving, wetgeving inzake veiligheid op het werk, gezondheids- en milieuwetgeving.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 quater (nieuw)
(7 quater)  Overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad1bis en het arrest van het Hof van Justitie van 11 januari 2007 in Zaak C-251/04, Commissie/Helleense Republiek1ter, volgens welk niet kan worden geconcludeerd dat sleepdiensten gelijkgesteld kunnen worden met vervoersdiensten op zee, is het in verband met de veiligheid op zee en de bescherming van het milieu mogelijk in minimumvereisten te bepalen dat de vaartuigen die voor sleepdiensten of aan- of afmeeractiviteiten in de lidstaat van de desbetreffende haven moeten zijn geregistreerd en onder de vlag van die lidstaat varen.
_______________
1bis Verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer) (PB L 364 van 12.12.1992, blz. 7).
1ter Arrest van het Hof van Justitie van 11 januari 2007 in Zaak C-251/04, Commissie/Helleense Republiek, C-251/04, ECLI:EU:C:2007:5.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  Aangezien havens afgebakende geografische gebieden vormen, kan de toegang tot de markt in bepaalde gevallen worden beperkt vanwege een gebrek aan ruimte of omdat de beschikbare ruimte is gereserveerd voor bepaalde types activiteiten door middel van een bestemmingsplan waarin het landgebruik op transparante wijze wordt geregeld en overeenkomstig de in de nationale wetgeving opgenomen doelstellingen op het gebied van ruimtelijke ordening en stedenbouw.
Schrappen
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)  Het havensysteem van de Unie is uitermate divers en omvat veel verschillende modellen voor de organisatie van havendiensten. Eén enkel systeem zou dan ook niet gepast zijn. De havenbeheerder of de bevoegde instantie moet in staat zijn het aantal aanbieders van havendiensten te beperken, als de omstandigheden zulks vereisen.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Elk voornemen om het aantal aanbieders van havendiensten te beperken moet vooraf door de bevoegde instanties bekend worden gemaakt en moet volledig worden gemotiveerd om belangstellende partijen de mogelijkheid te bieden om opmerkingen in te dienen. De criteria voor elke beperking moeten objectief, transparant en niet-discriminerend zijn.
(11)  Elk voornemen om het aantal aanbieders van havendiensten te beperken moet vooraf door de havenbeheerder of de bevoegde instanties bekend worden gemaakt. De criteria voor elke beperking moeten objectief, transparant en niet-discriminerend zijn.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)   Om open en transparant te zijn, moeten de selectieprocedure voor aanbieders van havendiensten en de resultaten ervan openbaar worden gemaakt en moeten de belangstellende partijen alle documenten ter zake ontvangen.
(12)   De procedure voor het selecteren van aanbieders van havendiensten en de resultaten ervan moeten openbaar worden gemaakt, niet-discriminerend en transparant zijn en openstaan voor alle belangstellende partijen.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Indien het aantal aanbieders van havendiensten wordt beperkt, moet de selectieprocedure plaatsvinden volgens de in Richtlijn ../../… [concessieopdrachten] vastgelegde beginselen en aanpak, met inbegrip van de drempel en de methode om de waarde van de opdrachten te bepalen, de definitie van materiële wijzigingen en de elementen die verband houden met de looptijd van de opdracht.
Schrappen
__________________
7 Voorstel voor een richtlijn betreffende de gunning van concessieopdrachten (COM(2011) 897 final.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)  In haar interpretatieve mededeling van 1 augustus 2006 over de Gemeenschapswetgeving die van toepassing is op het plaatsen van opdrachten die niet of slechts gedeeltelijk onder de richtlijnen inzake overheidsopdrachten1 vallen, heeft de Commissie een duidelijk kader gegeven voor de selectieprocedures die buiten het toepassingsgebied van de richtlijnen inzake overheidsopdrachten vallen en niet in de vorm van concessies worden toegekend.
____________________
1 PB C 179 van 1.8.2006, blz. 2.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  De toepassing van een openbaredienstverplichting die leidt tot een beperking van het aantal aanbieders van een havendienst hoeft alleen te worden gerechtvaardigd om redenen van algemeen belang, d.w.z. om de toegankelijkheid van de havendienst voor alle gebruikers, de beschikbaarheid van de havendienst gedurende het hele jaar of de betaalbaarheid van de havendienst voor bepaalde categorieën gebruikers te waarborgen.
(14)  De toepassing van een openbaredienstverplichting die leidt tot een beperking van het aantal aanbieders van een havendienst hoeft alleen te worden gerechtvaardigd om redenen van algemeen belang, d.w.z. om de toegankelijkheid van de havendienst voor alle gebruikers, de beschikbaarheid van de havendienst gedurende het hele jaar of de betaalbaarheid van de havendienst voor een bepaalde categorie gebruikers of veilige, betrouwbare of ecologisch duurzame havenactiviteiten te waarborgen.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  De in een lidstaat aangewezen bevoegde instantie moet de keuze hebben om zelf havendiensten met openbaredienstverplichtingen te verrichten of een interne exploitant rechtstreeks met de verrichting van deze diensten te belasten. Wanneer de bevoegde instantie ervoor opteert de diensten zelf te verrichten, kan zij daarvoor een beroep doen op eigen werknemers of op werknemers die in opdracht van die bevoegde instantie werken. Wanneer deze beperking wordt toegepast in alle TEN-T-havens op het grondgebied van een lidstaat, moet de Commissie daarvan in kennis worden gesteld. Wanneer de bevoegde instanties in een lidstaat een dergelijke keuze maken, moet de verrichting van havendiensten door de interne exploitanten worden beperkt tot de haven of havens waarvoor deze interne exploitanten zijn aangewezen. Bovendien moet op de heffingen die deze exploitanten voor havendiensten in rekening brengen toezicht worden gehouden door een onafhankelijke toezichthoudende instantie.
(18)  De havenbeheerder of de in een lidstaat aangewezen bevoegde instantie moet de keuze hebben om zelf havendiensten te verrichten of een interne exploitant rechtstreeks met de verrichting van deze diensten te belasten. Wanneer de bevoegde instantie ervoor opteert de diensten zelf te verrichten, kan zij daarvoor een beroep doen op eigen werknemers of op werknemers die in opdracht van die bevoegde instantie werken. Wanneer deze beperking wordt toegepast in alle maritieme TEN-T-havens op het grondgebied van een lidstaat, moet de Commissie daarvan in kennis worden gesteld. Wanneer de bevoegde instanties in een lidstaat een havendienst verrichten die onder de openbaredienstverplichting valt, moet de verrichting van havendiensten door de interne exploitanten worden beperkt tot de haven of havens waarvoor deze interne exploitanten zijn aangewezen. Bovendien moet op de heffingen die deze exploitanten voor havendiensten in rekening brengen, onafhankelijk toezicht worden uitgeoefend.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)  De lidstaten moeten de bevoegdheid behouden om een passende sociale bescherming te waarborgen voor het personeel van ondernemingen die havendiensten aanbieden. Deze verordening laat de toepassing van de sociale en arbeidsregelgeving van de lidstaten onverlet. In geval van een beperking van het aantal aanbieders van havendiensten moet het voor de bevoegde instanties mogelijk zijn, wanneer de sluiting van een contract voor het verrichten van havendiensten een verandering van de exploitant van de havendiensten met zich mee kan brengen, om de geselecteerde dienstverrichter te verzoeken de bepalingen van Richtlijn 2001/23/EG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen toe te passen11.
(19)  De lidstaten moeten de bevoegdheid behouden om een passende sociale bescherming te waarborgen voor het personeel van ondernemingen die havendiensten aanbieden. Deze verordening dient de toepassing van de sociale en arbeidsregelgeving van de lidstaten onverlet te laten en moet rekening houden met artikel 28 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Wanneer de sluiting van een contract voor het verrichten van havendiensten een verandering van de exploitant van de havendiensten met zich mee kan brengen, verlangen de bevoegde instanties – in het geval van overplaatsing van personeel – dat de geselecteerde dienstverrichter de bepalingen van Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen11 toepast.
__________________
__________________
11 PB L 82 van 22.3.2001, blz. 16.
11 PB L 82 van 22.3.2001, blz. 16.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)  In een uitermate complexe en concurrerende sector als de havendiensten is de opleiding van nieuwe medewerkers en de permanente bijscholing van het personeel van essentieel belang om de gezondheid en de veiligheid van de havenarbeiders en de veiligheid, de kwaliteit van de diensten en het concurrentievermogen van de EU-havens te waarborgen. De lidstaten dienen de nodige maatregelen te treffen om te waarborgen dat elke werknemer in de havensector relevante opleiding krijgt. Het comité voor sociale dialoog in de havensector op EU-niveau moet in staat zijn richtsnoeren te ontwikkelen voor de vaststelling van opleidingsvereisten om een hoog niveau van onderwijs en opleiding van havenarbeiders te waarborgen, om het gevaar van ongevallen te minimaliseren en om toekomstige behoeften van de sector in acht te nemen in verband met technologische en logistieke veranderingen ten gevolge van de vraag onder klanten.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 ter (nieuw)
(19 ter)  De Europese havensector wordt geconfronteerd met een aantal uitdagingen die van invloed kunnen zijn op zowel zijn concurrentiepositie als de sociale dimensie. Die uitdagingen bestaan met name uit: de toenemende afmetingen van vaartuigen, de concurrentie van havens buiten de EU, de toenemende machtspositie ten gevolge van allianties tussen scheepvaartondernemingen, de noodzaak om tijdig te onderhandelen over nieuwe arbeidspatronen en te voorzien in passende opleidingen voor technologische innovaties, alsmede minimalisering van de sociale gevolgen ervan, de toenemende volumes die steeds vaker worden geclusterd, het gebrek aan afdoende investeringen in infrastructuur voor het hinterland, het wegnemen van administratieve belemmeringen voor toegang tot de interne markt, het veranderende energielandschap en de toenemende druk vanuit de maatschappij en op het milieu. De lidstaten moeten samen met de sociale partners deze uitdagingen aangaan en maatregelen treffen ter waarborging van de concurrentiepositie van de sector en ter voorkoming van precaire arbeidsomstandigheden in havens, ondanks de fluctuerende vraag naar havenarbeid.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 quater (nieuw)
(19 quater)  Alle modellen voor de organisatie van havenwerkzaamheden waarin hoogwaardige werkgelegenheid en veilige arbeidsomstandigheden worden gewaarborgd, moeten door de Commissie en de lidstaten worden ondersteund. Eventuele noodzakelijke aanpassingen moeten alleen worden gestimuleerd via onderhandelingen tussen de sociale partners, en de Commissie moet terdege rekening houden met de uitkomsten van dergelijke onderhandelingen.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 quinquies (nieuw)
(19 quinquies)  Automatisering en technologische innovatie bieden de gelegenheid om de efficiëntie en de veiligheid van havens te verbeteren. Vóór de invoering van aanzienlijke veranderingen moeten werkgevers en vakbonden van havenarbeiders overleg plegen, teneinde de nodige opleidingen en omscholing te waarborgen en gezamenlijke oplossingen te vinden die de negatieve effecten van dergelijke ontwikkelingen op de gezondheid en veiligheid op het werk en de inzetbaarheid van personeel tegengaan.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)   In veel havens wordt de markttoegang voor aanbieders van vrachtafhandelings- en passagiersterminaldiensten verleend door middel van de gunning van openbare concessieopdrachten. Op dit soort opdrachten zal Richtlijn …/…[concessieopdrachten] van toepassing zijn. Bijgevolg mag hoofdstuk II van deze verordening niet van toepassing zijn op de verrichting van vrachtafhandelings- en passagiersdiensten, maar de lidstaten moeten wel de vrijheid behouden om de voorschriften van dit hoofdstuk toch op die twee diensten toe te passen. Voor andere soorten opdrachten die door overheden worden gebruikt om toegang tot de markt voor vrachtafhandelings- en passagiersterminaldiensten te verlenen heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie bevestigd dat de bevoegde instanties bij het gunnen van deze opdrachten de beginselen van transparantie en non-discriminatie dienen na te leven. Deze beginselen zijn volledig van toepassing op de verrichting van elke havendienst.
(20)  Hoofdstuk II van deze verordening mag niet van toepassing zijn op de verrichting van vrachtafhandelings- en passagiersdiensten. Voor andere soorten opdrachten dan openbare concessiecontracten die door overheden worden gebruikt om toegang tot de markt voor vrachtafhandelings- en passagiersterminaldiensten te verlenen heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie bevestigd dat de bevoegde instanties bij het gunnen van deze opdrachten de beginselen van transparantie en non-discriminatie dienen na te leven. Deze beginselen zijn volledig van toepassing op de verrichting van elke havendienst.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 20 bis (nieuw)
(20 bis)  Krachtens resolutie A.960 van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) is voor ieder loodsgebied zeer gespecialiseerde ervaring en plaatselijke kennis vereist van de kant van de loods. Aangezien de IMO erkent dat het loodsen regionaal of plaatselijk moet worden beheerd, mag het loodsen niet onder hoofdstuk II van onderhavige verordening vallen.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 21 bis (nieuw)
(21 bis)  De Connecting Europe-faciliteit voorziet erin dat de havens van het trans-Europees vervoersnetwerk in de lopende periode 2014-2020 EU-steun kunnen ontvangen. Daarnaast is de Commissie voornemens om een herzien kader voor staatssteun aan havens vast te stellen, en aangezien Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad1bis eveneens een nieuw wetgevingskader voor concessiecontracten vaststelt dat betrekking zal hebben op aan te besteden havendiensten, moeten in deze verordening strikte normen wat betreft de transparantie van financiële stromen worden opgenomen om oneerlijke concurrentie tussen havens van de Unie of dumping te voorkomen.
_______________
1bis Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten, PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 22
(22)  Aan havenbeheerders die publieke middelen ontvangen en tevens als dienstverrichter optreden, moet de verplichting worden opgelegd om gescheiden boekhoudingen te voeren voor de activiteiten die zij uitvoeren in hun hoedanigheid van havenbeheerder en de activiteiten die zij uitvoeren op concurrerende basis, teneinde een gelijk speelveld en transparantie inzake de besteding van overheidsmiddelen te creëren en marktverstoringen te voorkomen. In ieder geval moet de naleving van de staatssteunregels worden verzekerd.
(22)  Aan havenbeheerders die publieke middelen ontvangen en tevens als dienstverrichter optreden, moet de verplichting worden opgelegd om gescheiden boekhoudingen te voeren voor de activiteiten die zij met behulp van openbare middelen uitvoeren in hun hoedanigheid van havenbeheerder en de activiteiten die zij uitvoeren op concurrerende basis, teneinde een gelijk speelveld en transparantie inzake de besteding van overheidsmiddelen te creëren en marktverstoringen te voorkomen. In ieder geval moet de naleving van de staatssteunregels worden verzekerd.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Overweging 22 bis (nieuw)
(22 bis)  Maritieme havens met een omzet beneden de in Richtlijn 2006/111/EG van de Commissie vastgestelde drempelwaarde moeten op evenredige wijze voldoen aan de in artikel 12 van onderhavige verordening vastgestelde transparantieverplichtingen, zonder dat dit leidt tot onevenredig hoge administratieve lasten.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 22 ter (nieuw)
(22 ter)  Om eerlijke concurrentie te waarborgen en de administratieve belasting te verminderen zou de Commissie het begrip staatssteun met betrekking tot de financiering van haveninfrastructuur schriftelijk moeten toelichten, rekening houdend met het feit dat openbare toegang en defensie-infrastructuur, zij het ter zee of te land, die voor alle potentiële gebruikers toegankelijk is op gelijke en niet-discriminerende voorwaarden, en infrastructuur die verband houdt met de exploitatie van diensten van algemeen niet-economisch belang, van niet-economische aard zijn daar hun doelstellingen voornamelijk van publieke aard zijn; dergelijke infrastructuur valt onder de verantwoordelijkheid van de overheid om te voorzien in de algemene behoeften van de bevolking.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 22 quater (nieuw)
(22 quater)  Bovendien moet de Commissie tijdig en in overleg met de sector aangeven welke overheidsfinanciering van investeringen in haveninfrastructuur onder Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie (Algemene Groepsvrijstellingsverordening)1bis valt.
_________________
1bis Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1).
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Overweging 23
(23)  Bij heffingen voor havendiensten die worden opgelegd door aanbieders van havendiensten die niet zijn aangewezen volgens een open, transparante en niet-discriminerende procedure is het risico op prijsmisbruik groter vanwege de monopolie- of oligopoliesituatie waarin zij zich bevinden en omdat hun markt niet kan worden betwist. Hetzelfde geldt voor heffingen die worden toegepast door interne exploitanten als bedoeld in deze verordening. Voor dergelijke diensten moeten, bij ontstentenis van eerlijke marktmechanismen, regelingen worden vastgesteld die waarborgen dat de heffingen die deze aanbieders instellen een weerspiegeling zijn van de normale omstandigheden in de desbetreffende markt en op transparante en niet-discriminerende wijze zijn bepaald.
(23)  Bij heffingen voor havendiensten die worden opgelegd door aanbieders van havendiensten die niet zijn aangewezen overeenkomstig een open, transparante en niet-discriminerende procedure en de heffingen die worden opgelegd door aanbieders van loodsdiensten die niet zijn blootgesteld aan daadwerkelijke mededinging, is het risico op prijsmisbruik groter. Voor dergelijke diensten moeten, bij ontstentenis van eerlijke marktmechanismen, regelingen worden vastgesteld die waarborgen dat de toegepaste heffingen niet onevenredig zijn ten opzichte van de economische waarde van de geleverde diensten en op transparante en niet-discriminerende wijze zijn bepaald.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Overweging 24
(24)  Om efficiënt te zijn moeten de heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur van elke afzonderlijke haven op transparante en autonome wijze zijn vastgesteld in overeenstemming met de eigen commerciële en investeringsstrategie van de haven.
(24)   De rol van de havenbeheerder is onder meer om handel te vergemakkelijken en om als bemiddelaar op te treden tussen de regionale industrie en vervoersexploitanten. Bijgevolg moeten de heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur van elke afzonderlijke haven in het belang van de efficiëntie op transparante en autonome wijze zijn vastgesteld in overeenstemming met de eigen commerciële en investeringsstrategie van de haven.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Overweging 25
(25)  Differentiatie van de heffingen voor het gebruik van haveninfrastructuur moet worden toegestaan om de korte vaart te bevorderen en vaartuigen aan te trekken waarvan de milieuprestaties of de energie- en koolstofefficiëntie van de vervoersactiviteiten, in het bijzonder van de off-shore- of on-shore-zeevervoersactiviteiten, beter zijn dan het gemiddelde. Dit moet bijdragen tot de verwezenlijking van het milieu- en klimaatbeleid en de duurzame ontwikkeling van de haven en haar omgeving, voornamelijk door de ecologische voetafdruk van de vaartuigen die de haven aandoen en er voor anker liggen te helpen drukken.
(25)  Differentiatie van de heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur is een belangrijk instrument voor havenbeheerders en moet worden toegestaan. De heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur kunnen bijvoorbeeld variëren om de korte vaart te bevorderen en vaartuigen aan te trekken waarvan de milieuprestaties of de energie- en koolstofefficiëntie van de vervoersactiviteiten, in het bijzonder van de offshore- of onshore-zeevervoersactiviteiten, beter zijn dan het gemiddelde. Dit moet bijdragen tot de verwezenlijking van het milieu- en klimaatbeleid en de duurzame ontwikkeling van de haven en haar omgeving, voornamelijk door de ecologische voetafdruk van de vaartuigen die de haven aandoen en er voor anker liggen te helpen drukken.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Overweging 26
(26)   Havens moeten over toereikende faciliteiten beschikken om ervoor te zorgen dat de havengebruikers die een heffing voor het gebruik van haveninfrastructuur en/of een heffing voor havendiensten dienen te betalen, worden geraadpleegd bij de vaststelling of wijziging van de heffingen voor het gebruik van haveninfrastructuur of havendiensten. De havenbeheerders moeten ook regelmatig overleg plegen met andere belanghebbenden over belangrijke onderwerpen die verband houden met de gezonde ontwikkeling van de haven, de werking van de haven en haar mogelijkheden om economische activiteiten aan te trekken en te genereren, zoals de coördinatie van havendiensten binnen het havengebied en de efficiëntie van de hinterlandverbindingen en de administratieve procedures in de haven.
(26)   Er moet voor worden gezorgd dat de havengebruikers die een heffing voor het gebruik van haveninfrastructuur en/of een heffing voor havendiensten dienen te betalen, worden geraadpleegd bij de vaststelling of wijziging van de heffingen voor het gebruik van haveninfrastructuur of havendiensten. De havenbeheerders moeten ook regelmatig overleg plegen met andere belanghebbenden over belangrijke onderwerpen die verband houden met de gezonde ontwikkeling van de haven, de werking van de haven en haar mogelijkheden om economische activiteiten aan te trekken en te genereren, zoals de coördinatie van havendiensten binnen het havengebied en de efficiëntie van de hinterlandverbindingen en de administratieve procedures in de haven. De havenbeheerder dient particuliere investeerders aan te trekken die belangrijke investeringen doen in havens, in duurzaam overleg wat betreft ontwikkelingsplannen voor havens.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Overweging 27
(27)   Met het oog op een goede en effectieve werking van deze verordening moet in elke lidstaat een onafhankelijk toezichthoudende instantie worden aangewezen. Die opdracht mag aan een reeds bestaande instantie worden toevertrouwd.
(27)   Om te waarborgen dat er een onafhankelijke klachtenregeling wordt ingesteld, moeten er in elke lidstaat een of meer instanties worden aangewezen voor het uitvoeren van onafhankelijk toezicht. Reeds bestaande instanties, zoals mededingingsautoriteiten, rechtbanken, ministeries of afdelingen van ministeries, kunnen hiervoor worden aangewezen, mits ze geen banden hebben met de havenbeheerder.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Overweging 28
(28)  De verschillende toezichthoudende instanties moeten informatie over hun werkzaamheden uitwisselen en samenwerken om een uniforme toepassing van deze verordening te waarborgen.
(28)   In geval van grensoverschrijdende geschillen of klachten moeten de verschillende instanties die onafhankelijk toezicht houden met elkaar samenwerken en informatie uitwisselen over hun werkzaamheden.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Overweging 28 bis (nieuw)
(28 bis)  De arbeidsverhoudingen in havens zijn van grote invloed op het functioneren van de havens. Het sectorale EU-comité voor de sociale dialoog in de havensector biedt de sociale partners dan ook een kader om resultaat te boeken op het vlak van werkorganisatie en arbeidsomstandigheden zoals gezondheid en veiligheid, scholing en kwalificaties, het EU-beleid inzake zwavelarme brandstoffen, en de aantrekkelijkheid van werk in de havensector voor jongeren en vrouwen.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Overweging 29
(29)  Teneinde bepaalde niet-essentiële elementen van deze verordening aan te vullen en te wijzigen, en met name om de uniforme toepassing van milieuheffingen te bevorderen, de samenhang van de milieuheffingen in de hele Unie te versterken en gemeenschappelijke heffingsbeginselen ter bevordering van de korte vaart toe te passen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen inzake de gemeenschappelijke classificatie van vaartuigen, brandstoffen en typen activiteiten op basis waarvan de heffingen voor het gebruik van haveninfrastructuur kunnen worden gedifferentieerd en inzake de gemeenschappelijke heffingsbeginselen voor het vaststellen van die heffingen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden passende raadplegingen verricht, ook op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.
Schrappen
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Overweging 30
(30)  Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot passende regelingen voor de uitwisseling van informatie tussen onafhankelijke toezichthoudende instanties. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren13.
Schrappen
__________________
13 PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Overweging 30 bis (nieuw)
(30 bis)  De Commissie wordt verzocht een wetgevingsvoorstel in te dienen betreffende ontheffingsbewijzen inzake loodsdiensten (Pilotage Exemption Certificates (PECs)), om het gebruik daarvan in alle lidstaten aan te moedigen en daarmee de efficiëntie in havens te verbeteren, en met name de korte vaart te bevorderen, voor zover de veiligheid dit toestaat. De specifieke criteria op basis waarvan PECs worden afgegeven dienen door de lidstaten te worden vastgesteld na een risicobeoordeling en rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden. De vereisten moeten transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Overweging 31
(31)  Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk zorgen voor de modernisering van havendiensten en de randvoorwaarden creëren om de noodzakelijke investeringen aan te trekken in alle havens van het trans-Europees vervoersnetwerk, onvoldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, gezien de Europese dimensie en de internationale en grensoverschrijdende aard van haven- en daaraan gerelateerde maritieme activiteiten, en dus, vanwege de noodzaak om gelijke concurrentievoorwaarden op Europees niveau tot stand te brengen, beter op EU-niveau kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen, in overeenstemming met het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
(31)  Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk zorgen voor een kader voor de organisatie van havendiensten en de randvoorwaarden creëren om de noodzakelijke investeringen aan te trekken in alle maritieme havens van het trans-Europees vervoersnetwerk, onvoldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, gezien de Europese dimensie en de internationale en grensoverschrijdende aard van haven- en daaraan gerelateerde maritieme activiteiten, en dus, vanwege de noodzaak om gelijke concurrentievoorwaarden op Europees niveau tot stand te brengen, beter op EU-niveau kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen, in overeenstemming met het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken. De havens in de Unie moeten worden beschermd tegen havens in derde landen, waarop niet dezelfde criteria inzake organisatie en exploitatie van toepassing zijn als vermeld in deze verordening.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Overweging 31 bis (nieuw)
(31 bis)  De arbeidsverhoudingen in havens zijn van aanzienlijke invloed op de activiteiten en het functioneren van de havens. Het sectorale EU-comité voor de sociale dialoog in de havensector zou de Europese sociale partners dan ook een kader kunnen bieden om mogelijk gemeenschappelijke resultaten te boeken op het vlak van sociale aspecten van de arbeidsverhoudingen. De Commissie moet waar nodig het overleg faciliteren en steunen en hieraan technische bijstand verlenen, en daarbij de autonomie van de sociale partners eerbiedigen. De sociale partners in de Unie moeten de mogelijkheid hebben om desgewenst verslag uit te brengen over eventueel gemaakte vorderingen, zodat de Commissie bij de verslaglegging over de effecten van deze verordening rekening kan houden met de resultaten.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – letter a
(a)  een duidelijk kader voor toegang tot de markt voor havendiensten;
a)  een duidelijk kader voor de organisatie van havendiensten;
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – letter b
b)  gemeenschappelijke voorschriften inzake de financiële transparantie en door beheerders of aanbieders van havendiensten toe te passen heffingen.
b)  gemeenschappelijke voorschriften inzake de financiële transparantie en door onder deze verordening vallende beheerders of aanbieders van havendiensten toe te passen heffingen.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 2 – letter c
c)  baggeren;
Schrappen
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 2 – alinea 2 bis (nieuw)
Daarnaast is artikel 12, lid 2, van deze verordening ook van toepassing op baggerwerkzaamheden.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 3
3.  Deze verordening is van toepassing op alle zeehavens die deel uitmaken van het trans-Europees vervoersnetwerk, als omschreven in bijlage I bij Verordening XXX [verordening betreffende de richtsnoeren inzake het TEN-T].
3.  Deze verordening is van toepassing op alle maritieme havens die deel uitmaken van het trans-Europees vervoersnetwerk zoals opgenomen in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad 1bis
________________
1bisVerordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Deze verordening laat havenstructuren die de beginselen als bedoeld in paragrafen 1 (a) en 1 (b) eerbiedigen onverlet.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 3 ter (nieuw)
3 ter.  De lidstaten kunnen besluiten deze verordening geheel of gedeeltelijk niet toe te passen op maritieme havens van het uitgebreide trans-Europese vervoersnetwerk in de in artikel 349 VWEU genoemde ultraperifere gebieden. Indien lidstaten besluiten om deze verordening niet toe te passen op die maritieme havens, stellen zij de Commissie in kennis van dat besluit.
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt 2
2.   "vrachtafhandelingsdiensten": de organisatie en behandeling van vracht tussen het vaartuig dat de vracht vervoert en de wal, voor de invoer, uitvoer of doorvoer van de vracht, met inbegrip van de verwerking, het vervoer en de tijdelijke opslag van de vracht in de desbetreffende vrachtafhandelingsterminal, en rechtstreeks gerelateerd aan het vervoer van de vracht, maar met uitzondering van de opslag, ontmanteling, herverpakking of enige andere dienst met toevoegende waarde die verband houdt met de afgehandelde vracht;
2.   "vrachtafhandelingsdiensten": de organisatie en behandeling van vracht tussen het vaartuig dat de vracht vervoert en de wal, voor de invoer, uitvoer of doorvoer van de vracht, met inbegrip van de verwerking, het vastsjorren, de stuwage, het vervoer en de tijdelijke opslag van de vracht in de desbetreffende vrachtafhandelingsterminal, en rechtstreeks gerelateerd aan het vervoer van de vracht, maar met uitzondering – tenzij de lidstaat anders bepaalt – van de opslag, ontmanteling, herverpakking of enige andere dienst met toevoegende waarde die verband houdt met de afgehandelde vracht;
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt 2 bis (nieuw)
2 bis.  "bevoegde instantie": een openbare of particuliere instantie die op lokaal, regionaal of nationaal niveau gerechtigd is krachtens nationale wetgeving of rechtsinstrumenten samen met of in plaats van de havenbeheerder activiteiten te verrichten in verband met de organisatie en het beheer van havenactiviteiten;
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt 3
3.   "baggeren": het verwijderen van zand, slib of andere materie van de bodem van een waterweg om vaartuigen toegang tot die haven te verschaffen, met inbegrip van zowel initiële verwijdering (kapitaalbaggerwerken) als onderhoudsbaggerwerken om de waterweg toegankelijk te houden;
3.   "baggeren": het verwijderen van zand, slib of andere materie van de bodem van een waterweg om vaartuigen toegang tot die haven te verschaffen, met inbegrip van zowel initiële verwijdering (kapitaalbaggerwerken) als onderhoudsbaggerwerken om de waterweg toegankelijk te houden; baggeren is geen havendienst die aan de gebruikers wordt aangeboden;
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt 5
5.   "havenbeheerder": een publieke of particuliere instantie die, al dan niet in combinatie met andere activiteiten, aan de nationale wetgeving of rechtsinstrumenten de doelstelling ontleent om de haveninfrastructuur, het havenverkeer, de coördinatie en, voor zover van toepassing, de controle van de werkzaamheden van de in de betrokken haven aanwezige exploitanten te beheren;
5.   "havenbeheerder": een publieke of particuliere instantie die, al dan niet in combinatie met andere activiteiten, krachtens de nationale wetgeving of rechtsinstrumenten de doelstelling heeft om de haveninfrastructuur, de coördinatie en, voor zover van toepassing, de uitvoering, de organisatie of de controle van de werkzaamheden van de in de betrokken haven aanwezige exploitanten te beheren en het havenverkeer alsmede de ontwikkeling van het havengebied te beheren;
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt 6
6.   "afmeren": het aan- en afmeren van een vaartuig dat met een anker of op een andere manier moet worden vastgemaakt aan de kade in de haven of in de waterweg die toegang tot de haven verschaft;
6.   "afmeren": het veilig aan- en afmeren en verplaatsen van een vaartuig;
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt 8
8.   "loodsen": het begeleiden van een vaartuig door een loods of loodsstation met het oog op het veilig in of uit varen van de waterweg naar de haven door het vaartuig;
8.   "loodsen": het begeleiden van een vaartuig door een loods of loodsstation met het oog op het veilig in of uit varen van de waterweg naar de haven of het veilig varen in de haven door het vaartuig;
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt 9
9.   "heffing op het gebruik van haveninfrastructuur": een vergoeding die wordt geïnd en direct of indirect ten goede komt aan de havenbeheerder en die door de exploitanten van vaartuigen of eigenaars van vracht wordt betaald voor het gebruik van installaties en diensten die het voor vaartuigen mogelijk maken om de haven in en uit te varen, met inbegrip van waterwegen die toegang tot de haven bieden, en om toegang te verkrijgen tot de verwerking van passagiers en vracht;
9.   "heffing op het gebruik van haveninfrastructuur": een vergoeding die wordt geïnd en direct of indirect ten goede komt aan de havenbeheerder en die door de exploitanten van vaartuigen of eigenaars van vracht wordt betaald voor het gebruik van infrastructuur, installaties en diensten die het voor vaartuigen mogelijk maken om de haven in en uit te varen, met inbegrip van waterwegen die toegang bieden tot de haven wanneer dergelijke waterwegen onder de wettelijke bevoegdheid van de havenbeheerder vallen, en om toegang te verkrijgen tot de verwerking van passagiers en vracht, maar met uitzondering van vergoedingen voor landpacht en heffingen van gelijke werking;
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt 12
12.   "havendienstovereenkomst": een formele en wettelijk bindende overeenkomst tussen een aanbieder van havendiensten en een bevoegde instantie in het kader waarvan deze instantie na een procedure om het aantal aanbieders van havendiensten te beperken een aanbieder van havendiensten aanwijst;
12.   "havendienstovereenkomst": een formele en wettelijk bindende overeenkomst tussen een aanbieder van havendiensten en de havenbeheerder of een bevoegde instantie in het kader waarvan deze beheerder of instantie na een procedure om het aantal aanbieders van havendiensten te beperken een aanbieder van havendiensten aanwijst;
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt 16
16.   "zeehaven": een uit land en water bestaand gebied met terreinen en voorzieningen die voornamelijk dienen voor de ontvangst van schepen, het laden en lossen daarvan, de opslag van goederen, het in ontvangst nemen en leveren van die goederen en het in- en ontschepen van passagiers, evenals enige andere infrastructuur die voor vervoersexploitanten in het havengebied noodzakelijk is;
16.   "maritieme haven": een begrensd uit land en water bestaand gebied, beheerd door de havenbeheerder en voorzien van infrastructuur en faciliteiten die voornamelijk dienen voor de ontvangst van schepen, het laden en lossen daarvan, de opslag van goederen, het in ontvangst nemen en leveren van die goederen en het in- en ontschepen van passagiers en personeel,
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – punt 17
17.   "slepen": met behulp van een sleepboot aan een vaartuig bijstand bieden bij het manoeuvreren met het oog op het veilig in of uit varen van de haven;
17.   "slepen": met behulp van een sleepboot aan een vaartuig bijstand bieden bij het manoeuvreren met het oog op het veilig in of uit varen van de haven of het veilig varen in de haven;
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt 18
18.   "waterweg naar de haven": een toegang over het water tot de haven vanaf de open zee, zoals toegangsvaarwegen, vaargeulen, rivieren, zeekanalen en fjorden.
18.   "waterweg naar de haven": een toegang over het water tot de haven vanaf de open zee, zoals toegangsvaarwegen, vaargeulen, rivieren, zeekanalen en fjorden, indien die waterweg onder de wettelijke bevoegdheid van de havenbeheerder valt.
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk II – titel
Markttoegang
Organisatie van havendiensten
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 3
Artikel 3
Schrappen
Vrij verrichten van diensten
1.  De vrijheid om diensten te verrichten in zeehavens die onder deze verordening vallen is van toepassing op in de Unie gevestigde aanbieders van havendiensten onder de in dit hoofdstuk omschreven voorwaarden.
2.  Aanbieders van havendiensten hebben toegang tot essentiële haveninstallaties voor zover dit noodzakelijk is om hun werkzaamheden uit te voeren. De toegangsvoorwaarden zijn billijk, redelijk en niet-discriminerend.
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 bis (nieuw)
Artikel 3 bis
Vrij organiseren van havendiensten
1.  Wat onderhavige verordening betreft kan voor de organisatie van havendiensten die onder dit hoofdstuk vallen, het volgende gelden:
a)  minimumvereisten voor aanbieders van havendiensten;
b)  beperking van het aantal aanbieders;
c)  openbare dienstverplichtingen;
d)  interne exploitanten;
e)  gratis en open toegang tot de markt voor havendiensten.
2.  Bij het organiseren van havendiensten als bedoeld in lid 1 worden de in dit hoofdstuk genoemde voorwaarden in acht genomen.
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1
1.  Havenbeheerders kunnen eisen dat aanbieders van havendiensten voldoen aan minimumeisen voor de verrichting van de desbetreffende havendienst.
1.   Onverminderd de mogelijkheid om openbaredienstverplichtingen op te leggen zoals bepaald in artikel 8, kunnen havenbeheerders of de bevoegde instanties eisen dat aanbieders van havendiensten, met inbegrip van onderaannemers, voldoen aan minimumeisen voor de verrichting van de desbetreffende havendienst.
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – inleidende formule
2.  De in lid 1 bedoelde minimumeisen mogen, indien van toepassing, alleen betrekking hebben op:
2.  De in lid 1 bedoelde minimumeisen hebben betrekking op:
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – letter b
(b)  de uitrusting die nodig is om de desbetreffende havendienst te verrichten in normale en veilige omstandigheden en het vermogen om deze uitrusting adequaat te onderhouden;
b)  de uitrusting die nodig is om de desbetreffende havendienst op continue wijze te verrichten in normale en veilige omstandigheden en de technische en financiële capaciteit om deze uitrusting op het vereiste niveau te onderhouden;
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – letter b bis (nieuw)
b bis)  de beschikbaarheid van de dienst voor alle gebruikers, op alle ligplaatsen, zonder onderbreking dag en nacht en het hele jaar door;
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – letter c
(c)  de naleving van eisen ten aanzien van de maritieme veiligheid of de veiligheid en beveiliging van de haven of de toegang tot de haven, de installaties, uitrusting en personen;
c)  de naleving van eisen ten aanzien van de maritieme veiligheid of de veiligheid en beveiliging van de haven of de toegang tot de haven, de installaties, uitrusting, werknemers en andere personen;
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – letter d bis (nieuw)
d bis)  de naleving van de nationale sociale en arbeidswetgeving van de lidstaat van de desbetreffende haven, met inbegrip van de voorwaarden van collectieve arbeidsovereenkomsten;
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – letter d ter (nieuw)
d ter)  de goede reputatie van de aanbieder van de havendienst, zoals bepaald door de lidstaat.
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  De tenuitvoerlegging van deze verordening vormt onder geen beding een reden voor verlaging van de minimumeisen voor de verrichting van havendiensten die al door de lidstaten of bevoegde instanties worden gesteld.
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4
4.  Indien de minimumeisen specifieke lokale kennis of bekendheid met lokale omstandigheden omvatten, waarborgt de havenbeheerder de toegang tot de nodige opleiding, tegen transparante en niet-discriminerende voorwaarden, tenzij de lidstaat de toegang tot de nodige opleiding waarborgt.
4.  Indien de minimumeisen specifieke lokale kennis of bekendheid met lokale omstandigheden omvatten, waarborgt de havenbeheerder de toegang tot informatie, tegen transparante en niet-discriminerende voorwaarden.
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 5
5.  In de in lid 1 bedoelde gevallen zijn de in lid 2 bedoelde minimumeisen en de procedure voor het verlenen van het recht om met inachtneming van deze eisen havendiensten te verrichten door de havenbeheerder bekendgemaakt vóór 1 juli 2015, of, voor minimumeisen die van kracht worden na die datum, ten minste drie maanden voorafgaand aan de datum waarop deze minimumeisen van kracht worden. Aanbieders van havendiensten worden van tevoren in kennis gesteld van wijzigingen in de criteria en de procedure.
5.  In de in lid 1 bedoelde gevallen zijn de in lid 2 bedoelde minimumeisen en de procedure voor het verlenen van het recht om met inachtneming van deze eisen havendiensten te verrichten door de havenbeheerder bekendgemaakt vóór ...*, of, voor minimumeisen die van kracht worden na die datum, ten minste drie maanden voorafgaand aan de datum waarop deze minimumeisen van kracht worden. Aanbieders van havendiensten worden van tevoren in kennis gesteld van wijzigingen in de criteria en de procedure.
__________________
*24 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening.
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 4  lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  Om de veiligheid op zee en de bescherming van het milieu te waarborgen kunnen de lidstaat of de bevoegde instantie voorschrijven dat de voor sleepdiensten of aan- of afmeeractiviteiten gebruikte vaartuigen in de lidstaat van de desbetreffende haven zijn geregistreerd en onder de vlag van die lidstaat varen.
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 1
1.  De havenbeheerder behandelt aanbieders van havendiensten gelijk en handelt op transparante wijze.
1.  De havenbeheerder of de bevoegde instantie behandelt aanbieders van havendiensten gelijk en handelt op transparante, objectieve, niet-discriminerende en evenredige wijze.
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2
2.  De havenbeheerder verleent of weigert het recht om havendiensten te verrichten op grond van de overeenkomstig artikel 4 vastgestelde minimumeisen binnen een maand na de ontvangst van een verzoek om verlening van een dergelijk recht. Weigeringen worden naar behoren gemotiveerd op basis van objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige criteria.
2.  De havenbeheerder of de bevoegde instantie verleent of weigert het recht om havendiensten te verrichten op grond van de overeenkomstig artikel 4 vastgestelde minimumeisen. Dit gebeurt binnen een redelijke termijn, die in geen geval de vier maanden mag overschrijden, na de ontvangst van een verzoek om verlening van een dergelijk recht. Weigeringen worden naar behoren gemotiveerd op basis van objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige criteria.
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid -1 (nieuw)
-1.  In de in artikel 9 van onderhavige verordening vermelde gevallen, wanneer de havenbeheerder geen aanbestedende instantie in de zin van Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad is1a, is dit artikel niet van toepassing.
________________
1 bis Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).).
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1 – inleidende formule
1.   In afwijking van artikel 3 kan de havenbeheerder het aantal aanbieders van een havendienst voor een gegeven havendienst beperken om een of meerdere van de volgende redenen:
1.   Onverminderd de bestaande verschillende modellen voor de organisatie van havendiensten, kan de havenbeheerder of de bevoegde instantie het aantal aanbieders van een havendienst voor een gegeven havendienst beperken om een of meerdere van de volgende redenen:
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1 – letter a
(a)  de schaarste of het gereserveerde gebruik van de beschikbare ruimte, op voorwaarde dat de havenbeheerder kan aantonen dat die ruimte een essentiële haveninstallatie vormt en dat de beperking in overeenstemming is met een formeel bestemmingsplan voor de haven dat is goedgekeurd door de havenbeheerder en, indien van toepassing, door een andere op grond van de nationale regelgeving bevoegde instantie;
a)  de schaarste of het gereserveerde gebruik van de beschikbare ruimte, op voorwaarde dat de havenbeheerder kan aantonen dat die ruimte een haveninstallatie vormt die essentieel is voor het verrichten van havendiensten en dat de beperking, in voorkomend geval, in overeenstemming is met besluiten of plannen voor de haven die zijn goedgekeurd door de havenbeheerder en, indien van toepassing, door een andere, overeenkomstig de nationale regelgeving bevoegde instantie;
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1 – letter a bis (nieuw)
a bis)  de schaarste aan beschikbare ruimte aan de waterzijde, wanneer dit een essentieel onderdeel vormt van het vermogen om op een veilige en efficiënte manier de desbetreffende havendienst te verrichten;
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1 – letter a ter (nieuw)
a ter)  een zodanig havenverkeer dat het niet mogelijk is dat meerdere aanbieders van havendiensten in vanuit economisch oogpunt bevredigende omstandigheden in de haven werkzaam zijn;
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1 – letter a quater (nieuw)
a quater)  de noodzaak om veilige, betrouwbare en ecologisch duurzame havenactiviteiten te waarborgen;
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Elke beperking van aanbieders van een havendienst wordt voorafgegaan door een selectieprocedure die openstaat voor alle belangstellende partijen en die niet-discriminerend en transparant is. De havenbeheerder doet alle belangstellende partijen alle noodzakelijke informatie toekomen betreffende de organisatie van de selectieprocedure en de uiterste termijn voor de indiening, alsook alle relevante criteria en vereisten voor de toewijzing. De uiterste termijn voor de indiening is ruim genoeg om de belangstellende partijen in staat te stellen een degelijke evaluatie uit te voeren en hun aanvraag voor te bereiden, waarbij de minimale termijn gewoonlijk 30 dagen bedraagt.
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 4
4.  Wanneer een havenbeheerder zelf of via een juridisch zelfstandige entiteit waarover hij rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap uitoefent havendiensten verricht, kan de lidstaat het nemen van een besluit tot beperking van het aantal aanbieders van havendiensten delegeren aan een instantie die onafhankelijk is van de havenbeheerder. Indien de lidstaat het nemen van een besluit tot beperking van het aantal aanbieders van havendiensten aan een dergelijke instantie toevertrouwt, mag het aantal aanbieders niet kleiner zijn dan twee.
4.  Wanneer een havenbeheerder zelf of via een juridisch zelfstandige entiteit waarover hij rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap uitoefent havendiensten verricht, neemt de lidstaat de nodige maatregelen om belangenconflicten te voorkomen. Indien dergelijke maatregelen uitblijven, mag het aantal aanbieders niet kleiner zijn dan twee, tenzij een van de in het eerste lid genoemde redenen beperking tot een enkele aanbieder rechtvaardigt.
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 7
Artikel 7
Schrappen
Beperkingen van het aantal aanbieders van havendiensten
1.  Elke beperking van het aantal aanbieders van een havendienst overeenkomstig artikel 6 wordt voorafgegaan door een selectieprocedure die openstaat voor alle belangstellende partijen en die niet-discriminerend en transparant is.
2.  Indien de geschatte waarde van de havendienst hoger is dan de in lid 3 omschreven drempelwaarde, zijn de voorschriften inzake de gunningsprocedure, de procedurele waarborgen en de maximale looptijd van de concessies als omschreven in Richtlijn …/… [concessieopdrachten] van toepassing.
3.  De drempelwaarde en de methode om de waarde van de havendienst te bepalen zijn die van de desbetreffende en toepasselijke bepalingen van Richtlijn …/… [concessieopdrachten].
4.  De geselecteerde aanbieder of aanbieders en de havenbeheerder sluiten een havendienstovereenkomst.
5.  Voor de toepassing van deze verordening wordt een materiële wijziging in de zin van Richtlijn …/… [concessieopdrachten] van de bepalingen van een havendienstovereenkomst tijdens de looptijd ervan beschouwd als een nieuwe havendienstovereenkomst, waardoor een nieuwe procedure als bedoeld in lid 2 vereist is.
6.  In de in artikel 9 bedoelde gevallen zijn de leden 1 tot en met 5 van dit artikel niet van toepassing.
7.  Deze verordening doet geen afbreuk aan Richtlijn …/… [concessieopdrachten]15, Richtlijn .…/….[openbare diensten]16 en Richtlijn …/… [overheidsopdrachten]17.
__________________
15Voorstel voor een richtlijn betreffende de gunning van concessieopdrachten (COM 2011) 897 definitief.
16 Voorstel voor een richtlijn betreffende het gunnen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten(COM(2011) 0895 final).
17 Voorstel voor een richtlijn betreffende het gunnen van overheidsopdrachten (COM/2011/0896 final).
Amendement 87
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1 – inleidende formule
1.  De lidstaten kunnen besluiten om aan havendiensten gerelateerde openbaredienstverplichtingen op te leggen om het volgende te waarborgen:
1.  De lidstaten wijzen de op hun grondgebied bevoegde instantie aan – mogelijkerwijs de havenbeheerder – die gemachtigd is om aan havendiensten gerelateerde openbaredienstverplichtingen op te leggen om ten minste een van de volgende zaken te waarborgen:
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1 – letter b
b)  de beschikbaarheid van de dienst voor alle gebruikers;
b)  de beschikbaarheid van de dienst voor alle gebruikers, in voorkomend geval onder gelijke voorwaarden;
Amendement 89
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1 – letter c bis (nieuw)
c bis)  de veiligheid, betrouwbaarheid of ecologische duurzaamheid van de havenactiviteiten;
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1 – letter c ter (nieuw)
c ter)  het aan het publiek aanbieden van passende vervoersdiensten en territoriale samenhang.
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 3
3.  De lidstaten wijzen bevoegde instanties aan om op hun grondgebied dergelijke openbaredienstverplichtingen op te leggen. De havenbeheerder kan de bevoegde instantie zijn.
Schrappen
Amendement 92
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 4
4.  Indien de overeenkomstig lid 3 aangewezen bevoegde instantie een andere is dan de havenbeheerder, oefent die bevoegde instantie de bevoegdheden uit waarin de artikelen 6 en 7 voorzien met betrekking tot de beperking van het aantal aanbieders van havendiensten op basis van openbaredienstverplichtingen.
4.  Indien de overeenkomstig lid 1 van dit artikel aangewezen bevoegde instantie een andere is dan de havenbeheerder, oefent die bevoegde instantie de bevoegdheden uit waarin artikel 6 voorziet met betrekking tot de beperking van het aantal aanbieders van havendiensten op basis van openbaredienstverplichtingen.
Amendement 93
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 5
5.  Indien een bevoegde instantie besluit openbaredienstverplichtingen op te leggen in alle zeehavens in een lidstaat die onder deze verordening vallen, stelt zij de Commissie in kennis van die verplichtingen.
5.  Indien een lidstaat besluit openbaredienstverplichtingen op te leggen in alle maritieme havens in een lidstaat die onder deze verordening vallen, stelt hij de Commissie in kennis van die verplichtingen.
Amendement 94
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 6
6.  In geval van een verstoring van havendiensten waarvoor openbaredienstverplichtingen zijn opgelegd of wanneer er een direct risico op een dergelijke situatie bestaat, kan de bevoegde instantie een noodmaatregel treffen. De noodmaatregel kan de vorm aannemen van een directe gunning om de dienst voor een termijn van maximaal een jaar aan een andere aanbieder toe te wijzen. In deze tijdsperiode start de bevoegde instantie een nieuwe procedure om een aanbieder van een havendienst te selecteren overeenkomstig artikel 7 of past zij artikel 9 toe.
6.  In geval van een verstoring van havendiensten waarvoor openbaredienstverplichtingen zijn opgelegd of wanneer er een direct risico op een dergelijke situatie bestaat, kan de bevoegde instantie een noodmaatregel treffen. De noodmaatregel kan de vorm aannemen van een directe gunning om de dienst voor een termijn van maximaal een jaar aan een andere aanbieder toe te wijzen. In deze tijdsperiode start de bevoegde instantie een nieuwe procedure om een aanbieder van een havendienst te selecteren of past zij artikel 9 toe. Collectieve vakbondsacties die overeenkomstig de nationale wetgeving van de desbetreffende lidstaat en/of overeenkomstig toepasselijke akkoorden tussen de sociale partners worden ondernomen, worden niet beschouwd als onderbreking van de havendiensten waarvoor noodmaatregelen kunnen worden getroffen.
Amendement 95
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 1
1.   In de gevallen als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b), kan de bevoegde instantie besluiten om een havendienst waarvoor openbaredienstverplichtingen gelden zelf te verrichten of om deze verplichtingen direct op te leggen aan een juridisch zelfstandige entiteit waarover zij een zeggenschap uitoefent die vergelijkbaar is met de zeggenschap die zij uitoefent over haar diensten. In dat geval wordt de aanbieder van de havendienst voor de toepassing van deze verordening als een interne exploitant beschouwd.
1.  De havenbeheerder of de bevoegde instantie kan besluiten om een havendienst zelf te verrichten dan wel via een juridisch zelfstandige entiteit waarover hij/zij een zeggenschap uitoefent die vergelijkbaar is met de zeggenschap die hij uitoefent over zijn eigen diensten, mits artikel 4 op gelijke wijze van toepassing is op alle exploitanten die de dienst in kwestie verrichten. In dat geval wordt de aanbieder van de havendienst voor de toepassing van deze verordening als een interne exploitant beschouwd.
Amendement 96
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2
2.  De bevoegde instantie wordt alleen geacht zeggenschap over een juridisch zelfstandige entiteit uit te oefenen die vergelijkbaar is met de zeggenschap die zij over haar eigen diensten uitoefent indien zij een beslissende invloed uitoefent op zowel de strategische doelstellingen als de belangrijke beslissingen van de gecontroleerde rechtspersoon.
2.  De havenbeheerder of de bevoegde instantie wordt alleen geacht zeggenschap over een juridisch zelfstandige entiteit uit te oefenen die vergelijkbaar is met de zeggenschap die hij over zijn eigen diensten uitoefent, indien hij een beslissende invloed uitoefent op zowel de strategische doelstellingen als de belangrijke beslissingen van de betrokken rechtspersoon.
Amendement 97
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 3
3.  De interne exploitant mag de hem toegewezen havendienst slechts uitvoeren in de haven(s) waarvoor hij als aanbieder van havendiensten is aangewezen.
3.   In de gevallen als bedoeld in artikel 8 mag de interne exploitant de hem toegewezen havendienst slechts uitvoeren in de haven(s) waarvoor hij als aanbieder van havendiensten is aangewezen.
Amendement 98
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 2
2.  Onverminderd het nationale recht en het Unierecht, met inbegrip van collectieve arbeidsovereenkomsten tussen sociale partners, kunnen havenbeheerders verlangen dat de aangewezen aanbieder van havendiensten die is geselecteerd volgens de procedure van artikel 7, indien deze aanbieder een andere is dan de gevestigde aanbieder van havendiensten, personeel dat eerder door de gevestigde aanbieder van de havendiensten in dienst is genomen de rechten verleent waarover ze zouden beschikken indien er een overdracht in de zin van Richtlijn 2001/23/EG had plaatsgevonden.
2.  Onverminderd het nationale recht en het Unierecht, met inbegrip van representatieve collectieve arbeidsovereenkomsten tussen sociale partners, kan de bevoegde instantie verlangen dat de aangewezen aanbieder van havendiensten zijn personeel arbeidsomstandigheden biedt die berusten op bindende nationale, regionale of plaatselijke sociale normen. In geval van overdracht van personeel als gevolg van een wijziging van de dienstverlener worden aan personeel dat eerder door de gevestigde aanbieder van de havendiensten in dienst was genomen dezelfde rechten verleend waarover zij zouden beschikken indien er een overdracht in de zin van Richtlijn 2001/23/EG had plaatsgevonden.
Amendement 99
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 3
3.   Indien havenbeheerders van aanbieders van havendiensten verlangen dat zij voldoen aan bepaalde sociale normen met betrekking tot de verrichting van de desbetreffende havendiensten, worden in de aanbestedingsdocumenten en de havendienstovereenkomsten de betrokken personeelsleden opgesomd en transparante details verstrekt over hun contractuele rechten en de voorwaarden waaronder werknemers geacht worden te zijn verbonden aan de havendiensten.
3.   De havenbeheerders of de bevoegde instantie verlangen van alle aanbieders van havendiensten dat zij voldoen aan alle sociale en arbeidsnormen zoals bepaald in de nationale en/of EU-wetgeving, met inbegrip van toepasselijke collectieve overeenkomsten overeenkomstig de nationale gebruiken en tradities. Indien er in het kader van de verlening van relevante havendiensten een overdracht van personeel plaatsvindt, worden in de aanbestedingsdocumenten en de havendienstovereenkomsten de betrokken personeelsleden opgesomd en transparante details verstrekt over hun contractuele rechten en de voorwaarden waaronder werknemers geacht worden te zijn verbonden aan de havendiensten.
Amendement 100
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 bis (nieuw)
Artikel 10 bis
Opleiding en bescherming van werknemers
1.  De werkgever zorgt ervoor dat zijn werknemers de vereiste opleiding krijgen om een goede kennis te verwerven over de omstandigheden waaronder hun werk wordt verricht en dat zij op juiste wijze worden opgeleid om de gevaren die het werk met zich mee kan brengen het hoofd te bieden.
2.  Met volledige inachtneming van de autonomie van de sociale partners wordt het EU-comité voor sociale dialoog in de havensector verzocht richtsnoeren te ontwikkelen voor de vaststelling van opleidingsvereisten om ongevallen te voorkomen en te zorgen voor een hoog niveau van veiligheid en gezondheid van de havenarbeiders. Deze opleidingsvereisten worden regelmatig bijgewerkt om ongevallen op de werkplek op permanente basis terug te dringen.
3.  De sociale partners worden verzocht modellen te ontwikkelen die zorgen voor een balans tussen de fluctuerende vraag naar werk in de haven en de flexibiliteit die vereist wordt door de havenactiviteiten, enerzijds, en continuïteit en de bescherming van de werkgelegenheid, anderzijds.
Amendement 101
Voorstel voor een verordening
Artikel 11
Dit hoofdstuk en de overgangsbepalingen van artikel 24 zijn niet van toepassing op vrachtafhandelings- en passagiersdiensten.
Dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 10 bis, en de overgangsbepalingen van artikel 24 zijn niet van toepassing op vrachtafhandelings- en passagiersdiensten, en het loodsen.
Amendement 102
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 2 – inleidende formule
2.  Indien de havenbeheerder die publieke middelen ontvangt zelf havendiensten verricht, houdt hij gescheiden boekhoudingen bij voor elke afzonderlijke havendienst, op een zodanige wijze dat:
2.  Indien de havenbeheerder die publieke middelen ontvangt zelf havendiensten verricht of baggert, houdt hij gescheiden boekhoudingen bij voor die met openbare middelen gefinancierde activiteit of investering, op een zodanige wijze dat:
Amendement 103
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 2 – alinea 1 bis (nieuw)
Indien een havenbeheerder of een vereniging van havens zelf baggeractiviteiten uitvoert en daarvoor publieke middelen ontvangt, voert hij geen baggeractiviteiten uit in andere lidstaten.
Amendement 104
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 3
3.  De in lid 1 bedoelde publieke middelen omvatten aandelenkapitaal of kapitaalmiddelen van dezelfde aard als aandelenkapitaal, niet of slechts onder bepaalde omstandigheden terug te betalen subsidies, verstrekte leningen, met inbegrip van overdisposities en voorschotten op kapitaalinbreng, door overheden aan de havenbeheerder verstrekte garanties, uitgekeerd dividend en ingehouden winst en elke andere vorm van financiële overheidssteun.
3.  De in lid 1 bedoelde publieke middelen omvatten aandelenkapitaal of kapitaalmiddelen van dezelfde aard als aandelenkapitaal, niet of slechts onder bepaalde omstandigheden terug te betalen subsidies, verstrekte leningen, met inbegrip van overdisposities en voorschotten op kapitaalinbreng, door overheden aan de havenbeheerder verstrekte garanties en elke andere vorm van financiële overheidssteun.
Amendement 105
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 4
4.  De havenbeheerder zorgt ervoor dat de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde gegevens over de financiële betrekkingen gedurende vijf jaar, gerekend vanaf het einde van het boekjaar waarop de gegevens betrekking hebben, ter beschikking blijven van de Commissie en de bevoegde onafhankelijke toezichthoudende instantie als bedoeld in artikel 17.
4.  De havenbeheerder zorgt ervoor dat de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde gegevens over de financiële betrekkingen gedurende vijf jaar, gerekend vanaf het einde van het boekjaar waarop de gegevens betrekking hebben, ter beschikking blijven van de Commissie en de krachtens artikel 17 aangewezen instantie.
Amendement 106
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 5
5.  De havenbeheerder stelt de Commissie en de bevoegde onafhankelijke toezichthoudende instantie op verzoek alle aanvullende informatie ter beschikking die zij noodzakelijk achten voor een grondige analyse van de ingediende gegevens en om te beoordelen of deze verordening wordt nageleefd. De informatie wordt verstrekt binnen twee maanden na de datum van het verzoek.
5.  De havenbeheerder stelt in geval van een formele klacht en op verzoek de Commissie en de krachtens artikel 17 aangewezen instantie alle aanvullende informatie ter beschikking die zij noodzakelijk achten voor een grondige analyse van de ingediende gegevens en om te beoordelen of deze verordening wordt nageleefd. De informatie wordt verstrekt binnen twee maanden na de datum van het verzoek.
Amendement 107
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 7 bis (nieuw)
7 bis.  De lidstaten kunnen beslissen dat lid 2 van dit artikel niet geldt voor hun havens van het uitgebreide netwerk die niet voldoen aan de criteria in punt a) of b) van artikel 20, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1315/2013 indien de administratieve belasting onevenredig groot is, mits alle ontvangen publieke middelen en het gebruik daarvan voor het verrichten van havendiensten, volledig transparant blijven in het boekhoudingssysteem. Indien lidstaten zulks besluiten stellen zij de Commissie daarvan in kennis voordat hun besluit van kracht wordt.
Amendement 108
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 1
1.  Heffingen voor diensten die worden verleend door een interne exploitant als bedoeld in artikel 9 en heffingen die worden opgelegd door aanbieders van havendiensten wanneer het aantal aanbieders is beperkt en die niet op basis van open, transparante en niet-discriminerende procedures zijn aangewezen, worden op transparante en niet-discriminerende wijze vastgesteld. Het niveau van deze heffingen vormt een weerspiegeling van de normale omstandigheden in de desbetreffende markt en de heffingen worden zodanig vastgesteld dat ze gemiddeld niet hoger zijn dan de gemiddelde kosten van het verrichten van de dienst plus een redelijke winstmarge.
1.  Heffingen voor diensten die worden verleend door een interne exploitant waarvoor een openbaredienstverpliching geldt, heffingen voor loodsdiensten die niet zijn blootgesteld aan daadwerkelijke mededinging, en heffingen die overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder b), worden opgelegd door aanbieders van havendiensten, worden op transparante en niet-discriminerende wijze vastgesteld. Het niveau van deze heffingen vormt zoveel mogelijk een weerspiegeling van de normale omstandigheden in de desbetreffende markt en de heffingen worden zodanig vastgesteld dat ze gemiddeld niet hoger zijn dan de gemiddelde kosten van het verrichten van de dienst plus een redelijke winstmarge.
Amendement 109
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 3
3.  De aanbieder van de havendiensten stelt de bevoegde onafhankelijke toezichthoudende instantie als bedoeld in artikel 17 op verzoek informatie ter beschikking over de elementen die als basis dienen voor het bepalen van de structuur en het niveau van de heffingen op havendiensten die binnen het toepassingsgebied van lid 1 van dit artikel vallen. Deze informatie omvat de methode die is gebruikt om de heffingen op havendiensten voor het gebruik van installaties en diensten vast te stellen.
3.  De aanbieder van de havendiensten stelt in geval van een formele klacht en op verzoek de krachtens artikel 17 aangewezen instantie informatie ter beschikking over de elementen die als basis dienen voor het bepalen van de structuur en het niveau van de heffingen op havendiensten die binnen het toepassingsgebied van lid 1 van dit artikel vallen. Deze informatie omvat de methode die is gebruikt om de heffingen op havendiensten voor het gebruik van installaties en diensten vast te stellen.
Amendement 110
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 3
3.  Om bij te dragen tot een efficiënt systeem voor het opleggen van heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur, worden de structuur en het niveau van de heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur op autonome wijze vastgesteld door de havenbeheerder op basis van zijn eigen commerciële strategie en investeringsplan en als weerspiegeling van de concurrerende omstandigheden op de desbetreffende markt en overeenkomstig de regels inzake staatssteun.
3.  Om bij te dragen tot een efficiënt systeem voor het opleggen van heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur, worden de structuur en het niveau van de heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur op autonome wijze vastgelegd door de havenbeheerder op basis van zijn eigen commerciële strategie en investeringsplan en in overeenstemming met de regels inzake staatssteun en mededinging.
Amendement 111
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 4
4.  Onverminderd lid 3, mogen heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur worden gedifferentieerd overeenkomstig commerciële praktijken ten aanzien van frequente gebruikers of om een efficiënter gebruik van de haveninfrastructuur, de korte vaart of goede milieuprestaties, dan wel energie- of koolstofefficiënt vervoer te bevorderen. De criteria voor een dergelijke differentiatie zijn relevant, objectief, transparant, niet-discriminerend in overeenstemming met de regelgeving inzake mededinging. Alle betrokken gebruikers kunnen onder dezelfde voorwaarden een beroep doen op de resulterende differentiatie.
4.  Onverminderd lid 3, mogen heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur met betrekking tot onder meer bepaalde categorieën gebruikers worden gedifferentieerd overeenkomstig de economische strategie en de strategie inzake ruimtelijke ordening van de haven of om een efficiënter gebruik van de haveninfrastructuur, de korte vaart of goede milieuprestaties, dan wel energie- of koolstofefficiënt vervoer te bevorderen. De criteria voor een dergelijke differentiatie zijn eerlijk, niet-discriminerend op grond van nationaliteit en voldoen aan de regelgeving inzake staatssteun en mededinging. De havenbeheerder mag bij het bepalen van de hoogte van de heffingen rekening houden met externe kosten. De heffingen voor het gebruik van infrastructuur kunnen door de havenbeheerder worden gedifferentieerd overeenkomstig commerciële praktijken.
Amendement 112
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 5
5.  De Commissie is bevoegd om in voorkomend geval overeenkomstig de in artikel 21 bedoelde procedure gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de gemeenschappelijke classificatie van vaartuigen, brandstoffen en typen activiteiten op basis waarvan de heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur kunnen worden gedifferentieerd, en met betrekking tot gemeenschappelijke heffingsbeginselen voor heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur.
Schrappen
Amendement 113
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 6
6.  De havenbeheerder stelt de gebruikers van de haven en de vertegenwoordigers of verenigingen van havengebruikers in kennis van de structuur van de heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur en de criteria die zijn gehanteerd om het niveau ervan vast te stellen, met inbegrip van de totale kosten en inkomsten die als basis dienen voor het bepalen van de structuur en het niveau van de heffingen. Hij stelt gebruikers van haveninfrastructuur ten minste drie maanden van tevoren in kennis van wijzigingen in het niveau van de heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur of in de structuur van de heffingen of de criteria die zijn gehanteerd om het niveau ervan vast te stellen.
6.  De havenbeheerder stelt de gebruikers van de haven en de vertegenwoordigers of verenigingen van havengebruikers op transparante wijze in kennis van de structuur van de heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur en de criteria die zijn gehanteerd om het niveau ervan vast te stellen. Hij stelt gebruikers van haveninfrastructuur ten minste drie maanden van tevoren in kennis van wijzigingen in het niveau van de heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur of in de structuur van de heffingen of de criteria die zijn gehanteerd om het niveau ervan vast te stellen. De havenbeheerder hoeft geen inzage te geven in gedifferentieerde heffingen die het gevolg zijn van individuele onderhandelingen.
Amendement 114
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 7
7.  De havenbeheerder stelt de Commissie en de bevoegde onafhankelijke toezichthoudende instantie op verzoek de in artikel 4 bedoelde informatie ter beschikking, alsmede gedetailleerde informatie over de kosten en inkomsten die als basis hebben gediend voor het bepalen van de structuur en het niveau van de heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur en de gebruikte methode om het niveau van die heffingen voor het gebruik van installaties en diensten waarop deze betrekking hebben vast te stellen.
7.  De havenbeheerder stelt in geval van een formele klacht en op verzoek de krachtens artikel 17 aangewezen instantie en de Commissie de in lid 4 bedoelde informatie ter beschikking die als basis heeft gediend voor het bepalen van de structuur en het niveau van de heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur en de gebruikte methode om het niveau van die heffingen op het gebruik van installaties en diensten waarop deze betrekking hebben vast te stellen.
Amendement 115
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 1
1.  De havenbeheerder stelt een commissie in van vertegenwoordigers van exploitanten van vaartuigen, eigenaars van vracht of andere havengebruikers die een heffing op het gebruik van haveninfrastructuur en/of een heffing op een havendienst dienen te betalen. Deze commissie wordt de "adviescommissie van havengebruikers" genoemd.
Schrappen
Amendement 116
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 2
2.  De havenbeheerder raadpleegt de adviescommissie van havengebruikers jaarlijks, voorafgaand aan de vaststelling van de heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur, over de structuur en het niveau van deze heffingen. De aanbieders van havendiensten als bedoeld in de artikelen 6 en 9 raadplegen de adviescommissie van havengebruikers jaarlijks, voorafgaand aan de vaststelling van de heffingen op havendiensten, over de structuur en het niveau van deze heffingen. De havenbeheerder verstrekt toereikende faciliteiten voor deze raadpleging en wordt door de aanbieders van havendiensten in kennis gesteld van de resultaten van de raadpleging.
2.  De havenbeheerder zorgt ervoor dat er passende regelingen zijn om havengebruikers te raadplegen, met inbegrip van relevante onderling verbonden vervoersexploitanten. In geval van aanzienlijke wijzigingen van de heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur raadpleegt hij de havengebruikers. De aanbieders van de havendiensten stellen de havengebruikers passende informatie ter beschikking over de structuur van de heffingen op havendiensten en de voor het bepalen hiervan gehanteerde criteria. Interne exploitanten die havendiensten aanbieden waarvoor een openbaredienstverplichting geldt en de aanbieders van havendiensten als bedoeld in de artikelen 6, lid 1, letter b) raadplegen de havengebruikers jaarlijks en voorafgaand aan de vaststelling van de heffingen op havendiensten, over de structuur en het niveau van deze heffingen. De havenbeheerder treft toereikende regelingen voor deze raadpleging en wordt door de aanbieders van havendiensten in kennis gesteld van de resultaten van de raadpleging.
De in dit lid vermelde verplichtingen kunnen worden opgelegd aan exploitanten die reeds in de haven gevestigd zijn, waaronder exploitanten met een andere opzet.
Amendement 117
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 1 – inleidende formule
1.  De havenbeheerder raadpleegt regelmatig belanghebbenden, zoals in de haven gevestigde ondernemingen, aanbieders van havendiensten, exploitanten van vaartuigen, eigenaars van vracht, exploitanten van vervoer over land en overheidsinstanties die in het havengebied actief zijn, over het volgende:
1.  De havenbeheerder raadpleegt de in haven gevestigde relevante belanghebbenden en de overheidsdiensten die verantwoordelijk zijn voor de planning van vervoersinfrastructuur waar nodig regelmatig over de volgende kwesties:
Amendement 118
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 1 – letter c bis (nieuw)
c bis)  de gevolgen van de planning en besluiten over de ruimtelijke ordening in termen van milieuprestaties;
Amendement 119
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 1 – letter c ter (nieuw)
c ter)  maatregelen die de veiligheid in het havengebied waarborgen en verbeteren, met inbegrip van de gezondheid en veiligheid van havenarbeiders en informatie over toegang tot opleiding voor havenarbeiders.
Amendement 120
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – titel
Onafhankelijke toezichthoudende instantie
Onafhankelijk toezicht
Amendement 121
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 1
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat een onafhankelijke toezichthoudende instantie toezicht uitoefent op de toepassing van deze verordening in alle zeehavens op het grondgebied van de lidstaten die onder deze verordening vallen.
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat er effectieve regelingen zijn om klachten te behandelen voor alle maritieme havens op het grondgebied van de lidstaten die onder deze verordening vallen. Hiertoe wijzen de lidstaten een of meer instanties aan.
Amendement 122
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 2
2.   De onafhankelijke toezichthoudende instantie is een juridisch zelfstandige entiteit en is functioneel onafhankelijk van havenbeheerders en aanbieders van havendiensten. Lidstaten die de eigendom van of de zeggenschap over havens of havenbeheerders behouden, zorgen voor een daadwerkelijke structurele scheiding tussen de in deze verordening omschreven toezichthoudende taken en de met eigendom of zeggenschap verband houdende activiteiten. De onafhankelijke toezichthoudende instantie oefent haar bevoegdheden onpartijdig en op transparante wijze uit en met inachtneming van de vrijheid van ondernemen.
2.   Het onafhankelijk toezicht wordt uitgeoefend op een manier die belangenconflicten voorkomt en juridisch gescheiden en functioneel onafhankelijk is van havenbeheerders en aanbieders van havendiensten. Lidstaten die de eigendom van of de zeggenschap over havens of havenbeheerders behouden, zorgen ervoor dat er een daadwerkelijke structurele scheiding is tussen de taken in verband met de behandeling van klachten en de met eigendom of zeggenschap verband houdende activiteiten. Het onafhankelijk toezicht wordt onpartijdig en transparant uitgevoerd, met inachtneming van de vrijheid van ondernemen.
Amendement 123
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3
3.  De onafhankelijke toezichthoudende instantie neemt klachten die zijn ingediend door partijen met een rechtmatig belang en geschillen die aan haar zijn voorgelegd in verband met de toepassing van deze verordening in behandeling.
3.  De lidstaten zorgen ervoor dat havengebruikers en andere relevante belanghebbenden op de hoogte worden gesteld van de plaats waar en de wijze waarop een klacht kan worden ingediend, met inbegrip van een vermelding van de instanties die verantwoordelijk zijn voor de behandeling van klachten als bedoeld in artikel 12, lid 5, artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 7.
Amendement 124
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 4
4.  Indien een geschil ontstaat tussen in verschillende lidstaten gevestigde partijen, is de onafhankelijke toezichthoudende instantie van de lidstaat van de haven waar het geschil verondersteld wordt te zijn ontstaan bevoegd om het geschil te beslechten.
4.  Indien een geschil ontstaat tussen in verschillende lidstaten gevestigde partijen, is de lidstaat van de haven waar het geschil verondersteld wordt te zijn ontstaan bevoegd om het geschil te beslechten. De betrokken lidstaten werken met elkaar samen en wisselen informatie met elkaar uit betreffende hun werkzaamheden.
Amendement 125
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 5
5.  De onafhankelijke toezichthoudende instantie heeft het recht om havenbeheerders, aanbieders van havendiensten en havengebruikers te verplichten om alle informatie te verstrekken die nodig is om toezicht op de toepassing van deze verordening te kunnen houden.
5.   Ingeval er een formele klacht wordt ingediend door een partij met een rechtmatig belang, heeft de relevante instantie die onafhankelijk toezicht houdt, het recht om havenbeheerders, aanbieders van havendiensten en havengebruikers te verplichten om alle informatie te verstrekken die nodig is om toezicht op de toepassing van deze verordening te kunnen houden.
Amendement 126
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 6
6.  De onafhankelijke toezichthoudende instantie kan op eigen initiatief of op verzoek van een bevoegde instantie in de lidstaat adviezen uitbrengen over alle kwesties die verband houden met de toepassing van deze verordening.
Schrappen
Amendement 127
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 7
7.  De onafhankelijke toezichthoudende instantie kan de betrokken adviescommissie van havengebruikers raadplegen over de behandeling van klachten of de beslechting van geschillen.
Schrappen
Amendement 128
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 8
8.  De besluiten van de onafhankelijke toezichthoudende instantie hebben bindende rechtsgevolgen, rechterlijke toetsing onverlet latend.
8.  De besluiten van de relevante instantie die onafhankelijk toezicht houdt hebben bindende rechtsgevolgen, rechterlijke toetsing onverlet latend.
Amendement 129
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 9
9.  De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op 1 juli 2015 de identiteit van de onafhankelijke toezichthoudende instantie mee, en vervolgens elke wijziging daarvan. De Commissie maakt de lijst van onafhankelijke toezichthoudende instanties bekend en werkt deze bij op haar website.
9.  De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op ...* de regelingen en procedures mee die zijn ingesteld ter naleving van de leden 1 en 2 van dit artikel, en vervolgens onverwijld elke wijziging daarvan. De Commissie maakt de lijst van de relevante instanties bekend en werkt deze bij op haar website.
__________________
* 24 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening.
Amendement 130
Voorstel voor een verordening
Artikel 18
Artikel 18
Schrappen
Samenwerking tussen onafhankelijke toezichthoudende instanties
1.  De onafhankelijke toezichthoudende instanties wisselen informatie uit over hun werkzaamheden en besluitvormingsbeginselen en -praktijken teneinde een uniforme tenuitvoerlegging van deze verordening te vergemakkelijken. Voor dit doel nemen zij deel aan en werken zij samen in een netwerk dat op regelmatige tijdstippen en ten minste eenmaal per jaar bijeenkomt. De Commissie neemt deel aan, coördineert en ondersteunt de werkzaamheden van het netwerk.
2.  De onafhankelijke toezichthoudende instanties werken nauw samen met het oog op het verlenen van wederzijdse bijstand bij de uitvoering van hun taken, waaronder het verrichten van het benodigde onderzoek in het kader van de behandeling van klachten en de beslechting van geschillen waarbij havens in verschillende lidstaten zijn betrokken. Voor dit doel stelt een onafhankelijke toezichthoudende instantie aan een andere onafhankelijke toezichthoudend instantie, na een gemotiveerd verzoek daartoe, de informatie ter beschikking die voor die instantie nodig heeft om haar verantwoordelijkheden krachtens deze verordening te vervullen.
3.  De lidstaten zorgen ervoor dat de onafhankelijke toezichthoudende instanties de Commissie, na een met redenen omkleed verzoek, de informatie verstrekken die zij nodig heeft om haar taken te vervullen. De door de Commissie gevraagde informatie dient in evenredig te zijn met die taken.
4.  Wanneer informatie door de onafhankelijke toezichthoudende instantie in overeenstemming met de nationale en EU-regelgeving betreffende vertrouwelijke bedrijfsgegevens als vertrouwelijk wordt beschouwd, garanderen de andere onafhankelijke toezichthoudende instanties en de Commissie het vertrouwelijke karakter van de verstrekte informatie. Deze informatie mag alleen worden gebruikt voor de behandeling van de klacht of het geschil waarop het verzoek betrekking heeft.
5.  Op basis van de ervaringen van de onafhankelijke toezichthoudende instanties en de werkzaamheden van het netwerk als bedoeld in lid 1, en met het oog op een efficiënte samenwerking, kan de Commissie gemeenschappelijke beginselen voor passende regelingen voor de informatie-uitwisseling tussen de onafhankelijke toezichthoudende instanties vaststellen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Amendement 131
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 1
1.  Elke partij met een rechtmatig belang heeft het recht om beroep aan te tekenen tegen de besluiten of afzonderlijke maatregelen die krachtens deze verordening door de bevoegde instanties, de havenbeheerder of de onafhankelijke toezichthoudende instantie worden genomen bij een beroepsinstantie die onafhankelijk is van de betrokken partijen. Deze beroepsinstantie kan een rechtbank zijn.
1.  Elke partij met een rechtmatig belang heeft het recht om beroep aan te tekenen tegen de besluiten of afzonderlijke maatregelen die krachtens deze verordening door de bevoegde instanties, de havenbeheerder of een krachtens artikel 17 aangewezen instantie worden genomen bij een beroepsinstantie die onafhankelijk is van de betrokken partijen. Deze beroepsinstantie kan een rechtbank zijn.
Amendement 132
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 1
De lidstaten stellen de regels vast betreffende de sancties die van toepassing zijn op schendingen van de bepalingen van deze verordening en nemen alle maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de bepalingen worden uitgevoerd. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten delen de Commissie de desbetreffende bepalingen uiterlijk op 1 juli 2015 mee en stellen haar onverwijld in kennis van alle eventuele latere wijzigingen.
De lidstaten stellen de regels vast betreffende de sancties die van toepassing zijn op schendingen van de bepalingen van deze verordening en nemen alle maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de bepalingen worden uitgevoerd. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op ...* van die bepalingen in kennis en delen haar onverwijld alle latere wijzigingen van die bepalingen mede.
__________________
* 24 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening.
Amendement 133
Voorstel voor een verordening
Artikel 21
Artikel 21
Schrappen
Uitoefening van de delegatie
1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt overeenkomstig de voorwaarden van dit artikel verleend aan de Commissie.
2.  De in artikel 14 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend voor onbepaalde tijd.
3.  De in artikel 14 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of door de Raad worden ingetrokken. Een besluit tot intrekking maakt een einde aan de bevoegdheidsdelegatie die in het besluit wordt vermeld. Dit treedt in werking op de dag volgend op de publicatie van dat besluit in het Publicatieblad van de Europese Unie of een latere datum die daarin nader wordt bepaald. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
5.  Een gedelegeerde handeling uit hoofde van artikel 14 treedt uitsluitend in werking als geen bezwaar is geuit door het Europees Parlement of de Raad binnen een periode van 2 maanden na de mededeling van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad of wanneer het Europees Parlement en de Raad de Commissie, vóór het verstrijken van die periode, ervan in kennis hebben gesteld dat zij geen bezwaar zullen uiten. Deze periode kan op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met 2 maanden worden verlengd.
Amendement 134
Voorstel voor een verordening
Artikel 22
Artikel 22
Schrappen
Comitéprocedure
1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Amendement 135
Voorstel voor een verordening
Artikel 23
De Commissie brengt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking en de effecten van de verordening, desgevallend vergezeld van relevante voorstellen.
Ter beoordeling van de werking en de effecten van deze verordening worden bij het Europees Parlement en de Raad periodieke verslagen ingediend. De Commissie brengt uiterlijk op …* een eerste verslag uit en om de drie jaar periodieke verslagen, in voorkomend geval vergezeld van relevante voorstellen. De verslagen van de Commissie houden rekening met de vorderingen van het EU-comité voor sociale dialoog in de havensector.
________________
* vier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
Amendement 136
Voorstel voor een verordening
Artikel 25
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgend op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgend op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2015.
Zij is van toepassing met ingang van ...* .
__________________
* 24 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening.

(1) De zaak werd voor een nieuwe behandeling terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 61, lid 2, tweede alinea, van het Reglement (A8-0023/2016).


Geharmoniseerde indexcijfers van de consumptieprijzen ***I
PDF 245kWORD 91k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 8 maart 2016 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende geharmoniseerde indexcijfers van de consumptieprijzen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2494/95 (COM(2014)0724 – C8-0283/2014 – 2014/0346(COD))
P8_TA(2016)0070A8-0313/2015

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0724),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 338, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0283/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 13 maart 2015(1),

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 18 december 2015 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0313/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 8 maart 2016 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende geharmoniseerde indexcijfers van de consumptieprijzen en van de huizenprijzen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2494/95 van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2016/792.)

(1) PB C 175 van 29.5.2015, blz. 2.


Jaarverslag 2014 over de bescherming van de financiële belangen van de EU - De bestrijding van fraude
PDF 300kWORD 116k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 maart 2016 over het jaarverslag 2014 over de bescherming van de financiële belangen van de EU - De bestrijding van fraude (2015/2128(INI))
P8_TA(2016)0071A8-0026/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 325, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien zijn resoluties over eerdere jaarverslagen van de Commissie en van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF),

–  gezien het verslag van de Commissie van 31 juli 2015 getiteld "Bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie - Fraudebestrijding - Jaarverslag 2014" (COM(2015)0386) en de bijbehorende werkdocumenten (SWD(2015)0151, SWD(2015)0152, SWD(2015)0153, SWD(2015)0154, SWD(2015)0155 en SWD(2015)0156),

–  gezien het jaarverslag 2014 van OLAF,

–  gezien het activiteitenverslag 2014 van het Comité van toezicht van OLAF,

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014, vergezeld van de antwoorden van de instellingen,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 8 oktober 2015 getiteld "Bescherming van de EU-begroting tot eind 2014" (COM(2015)0503),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 september 2015 over fraudebestrijding in de EU: inspelen op de zorgen van bedrijfsleven en maatschappelijk middenveld (CCMI/132),

–  gezien het verslag van de Commissie van 3 februari 2014 getiteld "Corruptiebestrijdingsverslag van de EU" (COM(2014)0038),

–  gezien Verordening (EU) nr. 250/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 tot vaststelling van een programma voor de bevordering van acties op het gebied van de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie (programma "Hercules III") en tot intrekking van Besluit nr. 804/2004/EG(1),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 17 juli 2013 voor een verordening van de Raad tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie (COM(2013)0534),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad(2),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 11 juli 2012 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (COM(2012)0363),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3),

–  gezien zijn resolutie van 15 september 2011 over de inspanningen van de Unie ter bestrijding van corruptie(4), zijn verklaring van 18 mei 2010 over de inspanningen van de EU ter bestrijding van corruptie(5) en de mededeling van de Commissie van 6 juni 2011 getiteld "Corruptiebestrijding in de EU" (COM(2011)0308),

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen(6),

–  gezien het verslag 2015 over de btw-derving, dat in opdracht van de Commissie is opgesteld,

–  gezien het speciale verslag van de Europese Rekenkamer over openbare aanbestedingen in het kader van de cohesie-uitgaven van de EU,

–  gezien het arrest van het Europees Hof van Justitie in zaak C-105/14 (Taricco e.a.),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de Commissie internationale handel, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie constitutionele zaken (A8-0026/2016),

A.  overwegende dat de lidstaten en de Commissie een gedeelde verantwoordelijkheid hebben voor de uitvoering van ongeveer 80% van de Uniebegroting; overwegende dat de lidstaten primair verantwoordelijk zijn voor de inning van de eigen middelen, o.a. in de vorm van btw en douanerechten;

B.  overwegende dat een deugdelijk uitgavenbeleid en de bescherming van de financiële belangen van de EU centraal moeten staan in het EU-beleid, teneinde het vertrouwen van de burgers te vergroten door ervoor te zorgen dat hun geld goed, doelmatig en doeltreffend wordt besteed; overwegende dat dit behoorlijk financieel beheer hand in hand dient te gaan met een "optimale besteding van elke euro";

C.  overwegende dat het bereiken van goede prestaties vereist dat de input, output, resultaten en effecten regelmatig worden beoordeeld door middel van doelmatigheidcontroles;

D.  overwegende dat de verscheidenheid aan rechts- en bestuurssystemen in de lidstaten het moeilijk maakt om een einde te maken aan onregelmatigheden en fraude te bestrijden en dat de Commissie derhalve haar inspanningen verder op moet schroeven om te zorgen voor een doeltreffende fraudebestrijding die tastbaardere en bevredigendere resultaten oplevert;

E.  overwegende dat het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) de verantwoordelijkheid heeft om de financiële belangen van de Unie te beschermen door fraude, corruptie en andere illegale activiteiten te onderzoeken; overwegende dat het Comité van toezicht van OLAF is opgericht om de onafhankelijkheid van OLAF te versterken en te waarborgen, door de uitvoering van de onderzoeksfunctie van OLAF regelmatig te monitoren; overwegende dat het Comité van toezicht in het bijzonder de ontwikkelingen op het gebied van de toepassing van procedurele waarborgen en de duur van onderzoeken monitort in het licht van de informatie die de directeur-generaal overeenkomstig artikel 7, lid 8, van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 verstrekt;

F.  overwegende dat corruptie alle lidstaten treft en de EU-economie jaarlijks circa 120 miljard euro kost, zoals de Commissie in haar eerste verslag over het corruptiebestrijdingsbeleid van de EU van februari 2014 verklaart;

G.  overwegende dat de activiteiten van criminele of terroristische netwerken in Europa mede door corruptie worden gefinancierd; overwegende dat corruptie ook het vertrouwen van de burgers in de instellingen en de democratische processen ondermijnt;

H.  overwegende dat de bestrijding van fraude en corruptie niet alleen getuigt van een zekere beschavingsmentaliteit op grondslag van ethische principes die eigen zijn aan de rechtsstaat, maar ook bijdraagt aan het concurrentievermogen van de Unie in de wereldwijde economie;

1.  neemt kennis van het jaarverslag 2014 van de Commissie over de bescherming van de financiële belangen van de EU - De bestrijding van fraude; vraagt de Commissie in haar jaarverslagen over de bescherming van de financiële belangen van de EU (PIF-verslagen) sneller te reageren op de verzoeken van het Parlement;

Opsporing en melding van onregelmatigheden

2.  merkt op dat met alle gemelde onregelmatigheden een bedrag van ongeveer 3,24 miljard EUR gemoeid was; onderstreept dat het totale financiële effect van de in 2014 gemelde frauduleuze en niet-frauduleuze onregelmatigheden 36 % groter was dan in 2013, terwijl dergelijke onregelmatigheden 48 % vaker voorkwamen; onderstreept dat de gemelde onregelmatigheden voor 2,27 miljard EUR betrekking hadden op de uitgaven, hetgeen 1,8 % van de totale betalingen uitmaakt;

3.  benadrukt dat er bij 1 649 van de in totaal 16 473 onregelmatigheden die in 2014 bij de Commissie zijn gemeld, sprake was van fraude, waarmee een bedrag van 538,2 miljoen EUR gemoeid was; stelt vast dat met frauduleuze onregelmatigheden met betrekking tot uitgaven 362 miljoen EUR gemoeid was, d.w.z. 0,26 % van de totale betalingen, en met frauduleuze onregelmatigheden met betrekking tot inkomsten 176,2 miljoen EUR, d.w.z. 0,88 % van het brutobedrag van de in 2014 geïnde traditionele eigen middelen (TEM's);

4.  onderstreept dat het totale financiële effect van de in 2014 gemelde niet-frauduleuze onregelmatigheden 47 % groter was dan in 2013, terwijl zij 5 % minder vaak voorkwamen; stelt tevens vast dat met niet-frauduleuze onregelmatigheden met betrekking tot uitgaven 1,54 % van alle betalingen gemoeid was, en met niet-frauduleuze onregelmatigheden met betrekking tot inkomsten 3,66 % van de in 2014 geïnde TEM's;

5.  dringt er bij de Commissie op aan de volledige verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de terugvordering van ten onrechte uit de EU-begroting betaalde middelen en voor een betere inning van de eigen middelen, en in alle lidstaten uniforme rapportagebeginselen in te voeren om adequate, vergelijkbare en nauwkeurige gegevens te kunnen verzamelen;

6.  onderstreept dat niet-frauduleuze onregelmatigheden dikwijls verband houden met een gebrekkige kennis van de complexe regels en vereisten; is van mening dat een vereenvoudiging van de regels en procedures door de lidstaten en de Commissie het aantal niet-frauduleuze onregelmatigheden zal doen dalen; is van mening dat de bestrijding van onregelmatigheden, inclusief fraude, bewustmaking vereist bij alle institutionele organen op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau, alsook bij het brede publiek; wijst erop dat het creëren van een cultuur van fraudepreventie en -bestrijding bij alle instellingen en organen die bij de tenuitvoerlegging van de fondsen zijn betrokken, van essentieel belang is, en verzoekt de lidstaten de uitwisseling van beproefde methoden aan te moedigen;

7.  herinnert eraan dat de lidstaten in een aanhoudend begrotingsconsolidatie- en bezuinigingsproces verkeren dat tot doel heeft de financiën duurzamer te maken, en is vast van oordeel dat alle middelen nodig zijn voor investeringen in de lidstaten om duurzame economische groei te bevorderen; is van oordeel dat alle nodige stappen moeten worden genomen om frauduleuze activiteiten op het gebied van het handelsbeleid en daarmee verband houdende kredieten te voorkomen en te stoppen, en dat daarbij alle relevante beleidsinstrumenten moeten worden gecombineerd (zoals strafrechtelijk onderzoek, de ontwikkeling van betrouwbare analysemodellen, en inspanningen om tekortkomingen en fouten die verband houden met gebrekkig beleid van de Commissie aan te pakken); verzoekt de lidstaten zich nog meer inspanningen te getroosten om te waarborgen dat de EU-begroting op correcte wijze wordt gebruikt voor projecten die bijdragen aan de groei en de werkgelegenheid in Europa, alsook om douaneschulden terug te vorderen nadat er fraude is ontdekt; benadrukt meer in het algemeen dat de bestrijding van illegale handel en illegale geldstromen een hoge prioriteit moet blijven voor zowel de EU als de lidstaten;

8.  juicht het toe dat de Commissie een meerjarenstrategie voor de fraudebestrijding heeft goedgekeurd die de aanzienlijke verschillen tussen de aantallen gemelde onregelmatigheden per lidstaat zal helpen corrigeren;

Ontvangsten – eigen middelen

9.  stelt met bezorgdheid vast dat het bedrag aan TEM's waarbij sprake was van fraude, in 2014 191 % hoger lag dan in 2013 en dat het bedrag waarbij sprake was van niet-frauduleuze onregelmatigheden in 2014 146 % hoger lag dan in het jaar daarvoor;

10.  vindt het zorgwekkend dat het gemiddelde terugvorderingspercentage voor TEM's per lidstaat voor zowel frauduleuze als niet-frauduleuze onregelmatigheden zich met 24 % in 2014 op een historisch dieptepunt bevindt; dringt er bij de lidstaten op aan de verschuldigde bedragen sneller terug te vorderen, en dringt met name bij de lidstaten die de grootste bedragen moeten terugvorderen, aan op een betere inning;

11.  is bezorgd over de btw-derving en de geraamde verliezen bij de btw-inning, die in 2013 uitkwamen op 168 miljard EUR; onderstreept dat in dertien van de in 2014 onderzochte 26 EU-lidstaten het gemiddelde geraamde btw-verlies hoger was dan 15,2 %; wijst erop dat de Commissie geen toegang heeft tot de informatie die de lidstaten onderling uitwisselen ter voorkoming en bestrijding van zogeheten "carrouselfraude"; verzoekt alle lidstaten om deel te nemen aan Eurofisc, en wel op alle werkterreinen, teneinde de uitwisseling van informatie die nuttig is voor fraudebestrijding te vergemakkelijken; wijst er nogmaals op dat de Commissie de bevoegdheid heeft om controle en toezicht uit te oefenen op de door de lidstaten getroffen maatregelen; verzoekt de Commissie ten volle gebruik te maken van haar uitvoerende bevoegdheden om de lidstaten zowel te controleren als te helpen bij de bestrijding van btw-fraude en belastingontwijking; neemt er kennis van dat de Commissie sinds 2013 gebruik maakt van het snellereactiemechanisme om massale en plotselinge btw-fraude aan te pakken;

12.  spoort de Commissie aan een mechanisme te ontwerpen dat bedrijven motiveert om normaal belasting te betalen in plaats van belasting te ontduiken;

13.  wijst op het toenemende aantal door Eurojust en Europol ondersteunde coördinatiecentra; is ingenomen met de resultaten van de grensoverschrijdende operaties Vertigo 2 en Vertigo 3 en met de efficiënte samenwerking tussen de rechtshandhavings- en justitiële autoriteiten in Duitsland, Polen, Nederland, het Verenigd Koninkrijk, België, Spanje, Tsjechië en Zwitserland, die heeft geleid tot de neutralisatie van criminele netwerken die verantwoordelijk zijn voor een verlies aan belastinginkomsten, waaronder btw, ter waarde van circa 320 miljoen EUR door fraude;

14.  is bezorgd over de douanecontroles en de daarmee verband houdende heffing van douanerechten, die tot de eigen middelen op de EU-begroting behoren; wijst erop dat het aan de douaneautoriteiten van de lidstaten is om controles uit te voeren om na te gaan of importeurs de tarief- en invoerregels naleven, en onderstreept dat de Rekenkamer heeft geconstateerd dat de kwaliteit van deze controles in de lidstaten uiteenloopt; verzoekt de Commissie om de in 2014 gepubliceerde Gids voor douanebedrijfscontroles te actualiseren teneinde de door de Rekenkamer vastgestelde tekortkomingen te verhelpen, zoals de problemen in verband met de behandeling van geïmporteerde goederen die in een andere lidstaat zijn ingeklaard;

Uitgaven

15.  stelt vast dat het aantal onregelmatigheden met betrekking tot uitgaven dat in 2014 als frauduleus is gemeld, met slechts 4 % is gedaald na een toename met 76 % in 2013; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan alle noodzakelijke maatregelen te nemen om het aantal frauduleuze onregelmatigheden terug te dringen, wat echter niet ten koste van de kwaliteit van de controles mag gaan;

16.  is bezorgd over de gestage toename van het aantal gemelde niet-frauduleuze onregelmatigheden bij rechtstreeks beheerde EU-middelen, zowel wat het aantal gevallen als wat de daarmee gemoeide bedragen betreft; is verrast dat het aantal in 2014 gemelde frauduleuze onregelmatigheden is verviervoudigd ten opzichte van een jaar eerder, en verzoekt de Commissie om een gedetailleerde toelichting en de nodige acties om deze trend om te buigen;

17.  vindt het daarom zorgwekkend dat de sector plattelandsontwikkeling in 2014 verantwoordelijk was voor het grootste aantal gerapporteerde frauduleuze onregelmatigheden en voor de grootste stijging ten opzichte van 2013; wijst erop dat 71 % van het totale aantal voor natuurlijke hulpbronnen (landbouw, plattelandsontwikkeling en visserij) gemelde frauduleuze onregelmatigheden betrekking had op Hongarije, Italië, Polen en Roemenië;

18.  stelt vast dat het terugvorderingspercentage van de lidstaten bij middelen uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) onder het algehele gemiddelde ligt en dat voor minder dan de helft van de in 2009 opgespoorde onregelmatigheden eind 2014 een terugvordering was gerealiseerd; wijst op de aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten in hun vermogen om vastgestelde onregelmatige betalingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid terug te vorderen, en dringt bij Bulgarije, Frankrijk, Griekenland en Slowakije aan op een aanzienlijke verbetering van hun prestaties; stelt vast dat het goedkeuringsmechanisme (50/50-regel) de lidstaten een sterke prikkel geeft om onterechte betalingen uit hoofde van het ELGF zo snel mogelijk terug te vorderen van de begunstigden; betreurt het dat 2014 het derde achtereenvolgende jaar was met een toename van het aantal gevallen van frauduleuze onregelmatigheden ten laste van het ELGF, en het vierde achtereenvolgende jaar met een toename van het aantal gemelde gevallen van fraude met betrekking tot de plattelandsontwikkeling; benadrukt de noodzaak van een snellere terugvordering van middelen;

19.  merkt op dat in 2014 de onregelmatigheden in verband met het gemeenschappelijk visserijbeleid na een piek in 2013 weer op een met 2012 vergelijkbaar niveau lagen; merkt op dat in de periode 2010-2014 in de categorie "Niet-subsidiabiliteit van de actie/het project" het vaakst onregelmatigheden werden geconstateerd, gevolgd door de categorie "Inbreuken op de regels inzake overheidsopdrachten";

20.  stelt vast dat voor de programmeringsperiode 2007-2013 van het cohesiebeleid het aantal als fraude gemelde onregelmatigheden (306 gemelde gevallen in 2014) met 5 % is afgenomen ten opzichte van 2013; is ernstig bezorgd over het feit dat het bedrag waarbij sprake was van frauduleuze onregelmatigheden, in 2014 met meer dan 115 miljoen EUR (76 %) is gestegen ten opzichte van 2013, wat voornamelijk te wijten is aan een scherpe stijging (met 660 %) van de bedragen bij het Cohesiefonds; stelt vast dat van de 74 vastgestelde gevallen van fraude in het cohesiebeleid in de periode 2008-2014, er 61 (82 %) zijn gemeld door drie lidstaten: Duitsland (42 gevallen), Polen (11 gevallen) en Slovenië (8 gevallen); uit zijn bezorgdheid over het feit dat 14 lidstaten voor die periode 0 % fraude hebben vastgesteld, hetgeen vragen kan oproepen over de efficiëntie van hun controlesystemen;

21.  maakt zich voorts zorgen over het feit dat op het beleidsgebied cohesie het gemiddelde tijdsverloop tussen het plaatsvinden van een onregelmatigheid, de opsporing ervan en de uiteindelijke melding ervan aan de Commissie is toegenomen tot drie jaar en vier maanden; herinnert eraan dat na de opsporing van een onregelmatigheid verdere procedures van toepassing worden (terugvorderingsbevelen, OLAF-onderzoeken, enz.); dringt er bij de Commissie op aan om samen met de lidstaten de opsporing en de rapportage efficiënter te maken;

22.  is verheugd over de globale daling van het aantal gemelde onregelmatigheden bij de pretoetredingssteun; betreurt het dat de onregelmatigheden bij het pretoetredingsinstrument, zowel wat de bedragen als wat het aantal gevallen betreft, sinds 2010 gestaag toenemen, waarbij Turkije het meest tot deze negatieve ontwikkeling bijdraagt, en verzoekt de Commissie haar uiterste best te doen om de situatie te verbeteren met name gezien het komende proces van nauwere samenwerking tussen de EU en Turkije:

Vastgestelde problemen en vereiste maatregelen

Betere rapportage

23.  merkt met zorg op dat ondanks de diverse verzoeken van het Parlement om de vaststelling van uniforme rapportagebeginselen in alle lidstaten, de situatie hoogst onbevredigend blijft en dat er nog aanzienlijke verschillen bestaan tussen de aantallen frauduleuze en niet-frauduleuze onregelmatigheden die door elke lidstaat worden gemeld; is van mening dat dit probleem een verwrongen beeld geeft van de werkelijke situatie met betrekking tot het aantal inbreuken en de bescherming van de financiële belangen van de EU; dringt er bij de Commissie op aan zich serieus in te spannen voor een oplossing voor het probleem dat de lidstaten verschillende benaderingen hanteren bij het opsporen van onregelmatigheden, evenals niet-homogene interpretaties bij het toepassen van het wettelijk kader van de EU;

24.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie om halfjaarlijks een corruptiebestrijdingsverslag voor de EU te publiceren, en kijkt uit naar het volgende verslag begin 2016; verzoekt de Commissie een hoofdstuk toe te voegen over het presteren van de EU-instellingen bij de corruptiebestrijding en een nadere analyse op het niveau van de EU-instellingen te verrichten van het toegepaste beleid, met het oog op de vaststelling van inherente kritieke factoren, kwetsbare gebieden en risicofactoren die corruptie in de hand kunnen werken;

25.  verzoekt de Commissie om het kader voor de melding van "vermoede fraude" te harmoniseren en regels vast te stellen voor de rapportage van alle in de lidstaten ondernomen gerechtelijke stappen in verband met het potentieel frauduleuze gebruik van EU-middelen, waarbij in het kader van de rapportage specifiek moet worden vermeld welke gerechtelijke stappen zijn ondernomen op basis van juridische aanbevelingen van OLAF;

26.  verzoekt de Commissie om, uitgaande van de in het Stockholmprogramma vermelde eisen, een stelsel van strenge indicatoren en gemakkelijk te hanteren uniforme criteria te ontwikkelen voor het meten van het corruptieniveau in de lidstaten en het beoordelen van het corruptiebestrijdingsbeleid van de lidstaten; is bezorgd over de betrouwbaarheid en de kwaliteit van de gegevens die van de lidstaten afkomstig zijn; verzoekt de Commissie daarom nauw met de lidstaten samen te werken om te garanderen dat de gegevens compleet, nauwkeurig en betrouwbaar zijn, met als doel dat het "single audit"-model volledig ten uitvoer wordt gelegd; verzoekt de Commissie een corruptie-index op te stellen om de lidstaten in te delen;

27.  verzoekt de Commissie om de lidstaten in het kader van de jaarlijkse beoordeling van de resultaten die zijn geboekt bij de corruptiebestrijding, nauwkeurige informatie te verstrekken ter bevordering van de geleidelijke en doorlopende naleving van de verplichtingen die iedere lidstaat op het terrein van corruptiebestrijding is aangegaan;

28.  vraagt de Commissie nogmaals om snel werk te maken van wetgeving over een minimaal beschermingsniveau voor klokkenluiders in de EU; verzoekt de Europese instellingen het statuut van de ambtenaren zodanig te wijzigen dat het niet alleen ambtenaren formeel verplicht tot het melden van onregelmatigheden, maar klokkenluiders ook adequate bescherming biedt; verzoekt de Europese instellingen die dit nog niet hebben gedaan, en andere organen onverwijld uitvoering te geven aan artikel 22 quater van het statuut van de ambtenaren; dringt er krachtig op aan dat alle EU-instellingen interne regels vaststellen met betrekking tot het melden van illegale praktijken door werknemers en hun plichten, waarbij het accent moet liggen op de bescherming van klokkenluiders; is van mening dat die regels expliciet moeten worden uitgebreid tot klokkenluiders die fraude in verband met internationale overeenkomsten, met inbegrip van handelsovereenkomsten, aan het licht brengen;

29.  onderstreept het belang van toegang tot informatie en de transparantie van lobbywerkzaamheden, alsmede van financiële steun van de EU voor het werk van onafhankelijke organisaties op dit gebied;

30.  is van mening dat de transparantie kan worden verhoogd door het wetgevingspad te bewandelen voor lobbywerkzaamheden in de EU, teneinde over te stappen van een vrijwillig naar een verplicht EU-register voor alle lobbyactiviteiten bij de EU-instellingen;

31.  dringt er bij de Commissie op aan haar strikte beleid van onderbreking en opschorting van betalingen overeenkomstig de relevante rechtsgrond te handhaven; juicht het toe dat de Commissie een nieuw besluit over het mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing heeft goedgekeurd; ziet uit naar de totstandbrenging van een door de Commissie voor te stellen alomvattend systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting; verzoekt de Commissie de lidstaten en lokale overheden beter te informeren over de uitvoering van haar beleid, waarbij bedacht moet worden dat dit proces niet mag worden aangetast door politieke overwegingen;

32.  verlangt daarom dat aan artikel 325 VWEU transversaal, op alle beleidsterreinen van de Unie, uitvoering wordt gegeven, waarbij niet alleen reactief, maar ook preventief tegen fraude moet worden opgetreden; wenst dat artikel 325 VWEU wordt nageleefd, en met name lid 5 over jaarverslagen, waarmee men op dit moment een jaar achterloopt; dringt met name aan op vereenvoudiging van de manier waarop EU-subsidies in het cohesiebeleid worden gebruikt; dringt erop aan dat de afgesproken procedures worden gevolgd en dat de overeenkomsten worden geratificeerd die de Unie met derde landen en organisaties op het gebied van fraudebestrijding op regionaal en internationaal niveau heeft gesloten; wenst dat er een vervolg wordt gegeven aan de aanbevelingen voor een actieplan, zoals vervat in de resolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven(7), met name de aanbevelingen 130 (zichtbaarheid van de maatregelen van de lidstaten ter bestrijding van fraude en georganiseerde misdaad) en 131 (algemeen actieplan 2014-2019 ter bestrijding van georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen – punten i-xxi); dringt erop aan dat de eerste resultaten worden gepresenteerd van de richtlijn valsemunterij; dringt er voorts op aan dat op ruimere schaal informatie wordt verstrekt over de instrumenten waarmee OLAF de corruptie bestrijdt en over de coördinatie van de procedures in de lidstaten voor terugvordering van frauduleus uitgekeerde gelden;

33.  verzoekt de EU om het lidmaatschap van de Groep van staten tegen corruptie (GRECO) van de Raad van Europa aan te vragen;

34.  is ingenomen met het feit dat er in 2014 48 overeenkomsten bestonden inzake wederzijdse administratieve bijstand, tussen 71 landen, en dat er onderhandelingen werden gevoerd met nog eens 49 landen, waaronder belangrijke handelspartners als de VS en Japan, en wenst dat het Parlement voortdurend op de hoogte wordt gehouden van de ontwikkelingen bij die onderhandelingen; benadrukt dat, wil men de belangen van de EU beschermen en fraude doeltreffend bestrijden, er in de eerste plaats op moet worden toegezien dat de wetgeving daadwerkelijk wordt toegepast en dat alle partijen zich houden aan de internationale verbintenissen, met inbegrip van de relevante bepalingen ter bestrijding van fraude en corruptie die in sancties voorzien; spoort de Commissie aan met andere landen te blijven samenwerken op het gebied van fraudebestrijdingsmaatregelen, en nieuwe administratieve samenwerkingsovereenkomsten op te stellen; verzoekt de Commissie in alle internationale overeenkomsten van de EU-bepalingen ter bestrijding van fraude en corruptie te blijven opnemen om zo het pad te effenen voor nauwere samenwerking bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, illegale handel en andere clandestiene en ongeoorloofde handel;

35.  is ingenomen met de belangrijke rol die het EU-programma voor macrofinanciële bijstand speelt bij het stimuleren van hervormingen bij de nauwste handelspartners van de EU; verzoekt de Commissie aan het Parlement en de lidstaten verslag te blijven uitbrengen om te waarborgen dat alle middelen worden besteed in volledige overeenstemming met de basisverordening en op een wijze die spoort met regionale cohesie en de bevordering van regionale stabiliteit, waardoor het risico op misbruik van terugbetaalbare leningen wordt verkleind; verzoekt om een langetermijnbeoordeling van het effect van programma's voor macrofinanciële bijstand op de inspanningen om corruptie en fraude in de begunstigde landen te bestrijden;

36.  dringt er nogmaals op aan dat de rekenkamer van elke lidstaat een nationale verklaring ter verantwoording van de besteding van de EU-gelden openbaar maakt;

37.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om, op hun respectievelijke niveau, gekoppelde gegevensbanken op te zetten met betrekking tot onregelmatigheden op het gebied van het cohesiebeleid, met inbegrip van onregelmatigheden als gevolg van overheidsopdrachten, aangezien deze als basis kunnen dienen voor zinvolle, brede analyses van de frequentie, de ernst en de oorzaken van onregelmatigheden, en de bij frauduleuze onregelmatigheden betrokken bedragen; wijst erop dat de lidstaten de Commissie tijdig en op passende wijze correcte en vergelijkbare gegevens moeten verstrekken, zonder de administratieve last onevenredig te verhogen;

Betere controles

38.  benadrukt het complexe karakter van onregelmatigheden; is van mening dat de Commissie en de lidstaten krachtig moeten optreden tegen frauduleuze onregelmatigheden; is van mening dat niet-frauduleuze onregelmatigheden met bestuursrechtelijke maatregelen moeten worden aangepakt, met name door de eisen transparanter en eenvoudiger te maken, de technische bijstand door de Commissie aan de lidstaten uit te breiden en de uitwisseling van goede praktijken en ervaringen te intensiveren; is van mening dat de methoden voor het berekenen van foutenpercentages op EU-niveau en in de lidstaten moeten worden geharmoniseerd;

39.  juicht het toe dat met de communautaire controles vooraf en achteraf steeds meer onregelmatigheden worden opgespoord, en is van mening dat deze controles daarom verder moeten worden bevorderd;

40.  verzoekt de betrokken autoriteiten in de lidstaten de controles te verbeteren en alle beschikbare informatie te gebruiken om fouten en onregelmatige betalingen met betrekking tot EU-gelden te voorkomen;

41.  moedigt de Commissie aan haar toezichthoudende rol verder uit te breiden met audit-, controle- en inspectieactiviteiten, verbeterplannen en vroegtijdige schriftelijke waarschuwingen; verzoekt de lidstaten zich sterker in te spannen en gebruik te maken van hun mogelijkheden om fouten op te sporen en te corrigeren alvorens een vergoeding bij de Commissie aan te vragen; onderstreept in dit verband de bijzondere waarde van preventieve maatregelen bij het voorkomen van betalingen, zodat naderhand geen maatregelen meer nodig zijn om onterecht betaalde bedragen terug te vorderen;

42.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een systeem voor de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten uit te werken, zodat boekhoudkundige documenten in twee of meer lidstaten aan een kruiscontrole kunnen worden onderworpen, teneinde transnationale fraude in het kader van de structuur- en investeringsfondsen te voorkomen en op die manier een horizontale aanpak te creëren voor de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie;

43.  vindt het verheugend dat alle diensten van de Commissie in 2014 hun fraudebestrijdingsstrategie hebben ontwikkeld en uitgevoerd; verzoekt de EU-agentschappen, uitvoerende agentschappen en gemeenschappelijke ondernemingen hetzelfde te doen; onderstreept de rol van de Coördinatiediensten fraudebestrijding (Afcos) bij het tegengaan van fraude; is verheugd over de vaststelling van een nationale fraudebestrijdingsstrategie door Bulgarije, Griekenland, Kroatië, Malta en Slowakije en verzoekt de betrokken lidstaten hun nationale fraudebestrijdingsstrategie (NAFS) zo spoedig mogelijk in te dienen; verzoekt de Commissie de uitvoering van deze nationale strategieën nauwlettend te volgen;

44.  pleit voorts voor versterkte samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie met betrekking tot de wijze waarop fondsen worden beheerd; dringt erop aan dat de personeelsleden van instanties die bij het beheer van de fondsen betrokken zijn, en vooral van de Afcos, een complete opleiding ontvangen, zodat deze hun eigen nationale fraudebestrijdingsstrategie kunnen uitwerken;

45.  is verheugd over de positieve resultaten van de eerste jaarlijkse evaluatie van het programma Hercules III; spreekt de zorg uit dat de begroting voor dit programma wellicht onvoldoende is; verzoekt om aanvullende, op prestaties gebaseerde informatie, met name over de bijdrage van de 55 conferenties en trainingssessies aan de doeltreffendheid van de door de lidstaten genomen maatregelen tegen fraude, corruptie en andere illegale activiteiten die de financiële belangen van de EU schaden;

46.  wijst er nogmaals op dat de lidstaten volgens artikel 325, lid 2, VWEU "ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, dezelfde maatregelen (moeten nemen) als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad"; is van mening dat in de EU niet aan deze bepaling wordt voldaan; is van mening dat de Commissie horizontaal beleid moet ontwikkelen voor de bestrijding van fraude en corruptie; onderstreept dat de Commissie ook verantwoordelijk is voor een doeltreffende besteding van de middelen, en verzoekt haar daarom interne prestatie-eisen in te voeren;

47.  is van mening dat de Europese burgers meer moeten worden betrokken bij de planning en het toezicht met behulp van eenvoudig toegankelijke IT-instrumenten, met name bij financiering van grote infrastructuurprojecten; roept de Commissie op een participatieve begroting te overwegen om burgers te betrekken bij het toezicht op de besteding van EU-gelden, en een toegankelijk elektronisch loket te creëren voor het melden van fraude;

48.  merkt op dat de definitie, classificatie en opsporing van onregelmatigheden en de verslaglegging hierover per lidstaat en ook binnen de lidstaten nog steeds uiteenlopen, vooral omdat de term onregelmatigheden op verschillende manieren wordt gedefinieerd; is van mening dat meer onderlinge aanpassing noodzakelijk is en verwelkomt in deze context de gedelegeerde verordening van de Commissie van 8 juli 2015 over de melding van onregelmatigheden, die de verordening gemeenschappelijke bepalingen aanvult; vraagt de Commissie en de lidstaten coherente strategieën uit te werken voor het aanpakken van onregelmatigheden en voor de bestrijding van fraude in het cohesiebeleid; wijst op de preventieve en correctieve maatregelen die de Commissie heeft genomen om frauduleuze onregelmatigheden te voorkomen, waaronder de opschorting van 193 betalingen uit hoofde van het cohesiebeleid;

49.  herinnert eraan dat de verordening gemeenschappelijke bepalingen de beheersautoriteiten ertoe verplicht doeltreffende en evenredige fraudepreventiemaatregelen te nemen, die verankerd moeten worden in de nationale strategie ter bestrijding van fraude; verzoekt de Commissie haar preventieve optreden te versterken; is in dit kader ingenomen met de invoering van een systeem voor het vroegtijdig opsporen van risico's, en dringt met name aan op het versterken van de technische en administratieve capaciteit van de beheersautoriteiten om te komen tot robuustere controlesystemen die het risico op fraude kunnen verminderen en de opsporing van fraude, ook in minder ontwikkelde regio's, kunnen verbeteren, zonder dat dit met al te grote financiële en administratieve lasten gepaard gaat; benadrukt dat preventie constante training en ondersteuning van het met beheer en controle van middelen belaste personeel van de bevoegde autoriteiten vereist, alsook de uitwisseling van informatie en beste praktijken; wijst nogmaals op de cruciale rol van de lokale en regionale autoriteiten en partners bij de bestrijding van fraude, het garanderen van transparantie en het voorkomen van belangenconflicten;

50.  is ingenomen met het besluit van de Commissie om in 2018 een tussentijdse evaluatie te verrichten om na te gaan of het nieuwe regelgevingskader voor het cohesiebeleid verder bijdraagt tot preventie en het risico op onregelmatigheden, inclusief fraude, vermindert, en wacht op concrete informatie over de gevolgen van de nieuwe regels voor de beheer- en controlestelsels, zowel wat het risico op onregelmatigheden en fraude als wat de algemene implementatie van het beleid betreft;

51.  verzoekt de Commissie en de Rekenkamer om de transparantie van auditgegevens te bevorderen door meer gedetailleerde informatie vrij te geven over de best en slechtst presterende lidstaten per beleidsgebied en sector, zodat de betrokken actoren kunnen zien waar hulp het hardst nodig is en dienovereenkomstige maatregelen kunnen nemen;

PIF-richtlijn en EOM-verordening

52.  is ingenomen met de verklaring van de Commissie in haar jaarverslag 2014 over de bescherming van de financiële belangen van de Unie (PIF-verslag), dat zowel de PIF-richtlijn als de verordening tot oprichting van het Europees Openbaar Ministerie (EOM-verordening) een aanvulling op en een versteviging van het wettelijke kader zouden vormen en de strijd tegen fraude aanzienlijk zouden versterken; wijst nogmaals op de dringende noodzaak dat de PIF-richtlijn zo spoedig mogelijk wordt goedgekeurd en dat btw daaronder valt, met een duidelijke definitie van PIF-overtredingen, minimumvoorschriften inzake maximale gevangenisstraffen en minimumregels inzake de verjaring; herinnert aan de zaak-Taricco, waarin het Hof van Justitie erop wijst dat btw-fraude wel degelijk onder de definitie van PIF-fraude in de PIF-overeenkomst van 1995 valt;

53.  benadrukt dat ook de EOM-verordening snel moet worden goedgekeurd, en wenst uitleg van de Raad over zijn redenen voor het vertragen van de onderhandelingen;

Overheidsopdrachten

54.  merkt op dat het aantal onregelmatigheden als gevolg van het niet in acht nemen van de regels inzake overheidsopdrachten, nog steeds hoog is; roept de lidstaten op te zorgen voor een spoedige omzetting in het nationale recht van Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten(8), die e-aanbestedingen verplicht stelt en toezicht- en rapportageverplichtingen inhoudt om fraude en andere ernstige onregelmatigheden bij aanbestedingen terug te dringen; verzoekt de Commissie de openbaarmaking van alle documentatie met betrekking tot de begunstigden, en in het bijzonder de onderaannemers, verplicht te stellen;

55.  verzoekt de Commissie om de maatregelen ten aanzien van discretie en uitsluiting met betrekking tot openbare aanbestedingen strikt toe te passen, waarbij telkens een grondig antecedentenonderzoek dient te worden verricht, en om de uitsluitingscriteria toe te passen om ondernemingen te weren als er sprake is van een belangenconflict, aangezien dit van essentieel belang is om de geloofwaardigheid van de instellingen te beschermen;

56.  benadrukt dat niet-naleving van de regels voor openbare aanbestedingen een belangrijke bron van fouten was in de programmeringsperiode 2007-2013, onder andere door de opsplitsing van overheidsopdrachten in kleinere aanbestedingen om de overschrijding van drempels te voorkomen en het gebruik van verkeerde procedures; wijst erop dat de nieuwe richtlijnen inzake openbare aanbestedingen uiterlijk in april 2016 moeten worden toegepast; onderstreept dat voor het verminderen van het aantal onregelmatigheden een correcte uitvoering van de richtlijnen door de lidstaten vereist is; verzoekt de Commissie derhalve om richtsnoeren op te stellen voor de juiste tenuitvoerlegging van de richtlijnen; verzoekt de Commissie de uitvoering van de richtlijnen nauwlettend te volgen; is van mening dat door het stellen van voorafgaande voorwaarden openbare aanbestedingen kunnen worden verbeterd; benadrukt de noodzaak van transparante en toegankelijke regels;

57.  uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan volledige transparantie met betrekking tot de financiering van grote infrastructuurprojecten; dringt er bij de Commissie op aan te overwegen een voorstel in te dienen om de openbaarmaking van alle financiële verslagen en projecten in verband met grote overheidsopdrachten, met inbegrip van documentatie betreffende onderaannemers, verplicht te stellen;

58.  verzoekt de Commissie om alle documentatie in verband met de hogesnelheidslijn tussen Lyon en Turijn en de financiering ervan openbaar te maken;

59.  verzoekt de Commissie een databank over onregelmatigheden op te zetten die de basis kan vormen voor een betekenisvolle, globale analyse van de frequentie, de ernst en de oorzaken van fouten bij openbare aanbestedingen, verzoekt de relevante autoriteiten in de lidstaten een eigen databank voor onregelmatigheden, o.a. bij overheidsopdrachten, te ontwikkelen en te analyseren en de gegevens in kwestie in het kader van de samenwerking met de Commissie te verstrekken in een vorm en op een tijdstip waarmee het werk van de Commissie wordt ondersteund;

60.  plaatst vraagtekens bij de niet-frauduleuze aard van het toenemende aantal ernstige fouten dat in het kader van openbareaanbestedingsprocedures wordt gemaakt, en vraagt de Commissie om in dit opzicht bijzonder waakzaam te zijn, niet alleen door een dialoog aan te gaan met de lidstaten met het oog op een betere toepassing van de bestaande en nieuwe richtlijnen inzake overheidsopdrachten, maar ook door relevante gevallen aan OLAF voor te leggen voor nader onderzoek;

61.  herinnert eraan dat in noodsituaties, zoals bij het gebruik van middelen voor vluchtelingen, vaak wordt afgeweken van de normale aanbestedingsprocedures en de middelen rechtstreeks worden aangewend; betreurt dat er in verband hiermee veel gevallen van misbruik zijn vastgesteld; verzoekt de Commissie om doeltreffender toezicht uit te oefenen op de toepassing van deze afwijkingen en op de wijdverbreide praktijk om aanbestedingen op te splitsen, met als doel om onder de drempel te blijven waarboven de reguliere aanbestedingsprocedures van toepassing zijn;

62.  merkt op dat de Rekenkamer in haar speciaal verslag nr. 10/2015 getiteld "Er moet meer worden gedaan om de problemen met openbare aanbesteding bij EU-cohesie-uitgaven aan te pakken" de procedures voor overheidsopdrachten analyseert; benadrukt dat niet-naleving van de regels voor overheidsopdrachten een bron van fouten is, die kunnen leiden tot vertragingen bij de uitvoering en financiële correcties; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de ex-antevoorwaarden met betrekking tot de daadwerkelijke toepassing van de regels voor overheidsopdrachten uiterlijk eind 2016 volledige worden nageleefd; verzoekt de lidstaten te zorgen voor een degelijke en snelle omzetting van het pakket richtlijnen van 2014 inzake overheidsopdrachten;

63.  dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan ten volle gebruik te maken van de mogelijkheden die IT-instrumenten bieden bij overheidsopdrachten, met inbegrip van instrumenten voor e-aanbesteding, uitwisseling van beproefde methoden en preventieve risicobeoordeling; toont waardering voor het door de Commissie ontwikkelde online fraude-alarminstrument Arachne, dat gericht is op het identificeren van de meest riskante projecten op basis van een reeks risico-indicatoren, en verzoekt de lidstaten gebruik te maken van dit instrument;

Op prestaties gebaseerde budgettering en "waar voor je geld"

64.  benadrukt het belang van leiden door het goede voorbeeld te geven en is zeer ingenomen met de interinstitutionele aanpak bij de toepassing van de op prestaties gebaseerde budgetteringsmethode; verzoekt de Commissie zich in de plannings-, uitvoerings- en controlefase van het meerjarig financieel kader te laten leiden door het beginsel van de op prestaties gebaseerde budgettering;

65.  wijst op het belang van verdere en doorlopende maatregelen ter voorkoming van frauduleuze onregelmatigheden, maar herhaalt ook zijn verzoek om vaststelling van een nieuwe methodologie die is gebaseerd op prestaties in plaats van op een formalistische evaluatie van de programma's, dit in overeenstemming met het beginsel van een resultaatgerichte EU-begroting; verzoekt de Commissie intensiever te werken aan de toepassing van doelmatigheids- en doeltreffendheidsindicatoren in al haar programma's en zich niet alleen te concentreren op het foutenpercentage; verzoekt de Commissie voorts om niet alleen op basis van de drie hoofdcategorieën (zuinigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid) te werk te gaan, maar haar aandacht daarnaast te gaan richten op de nieuwe triptiek (ecologie, gelijkheid en ethiek);

66.  roept ertoe op een beoordeling vooraf van de ecologische, economische en sociale meerwaarde verplicht op te nemen in de selectieprocedure van te financieren projecten binnen en buiten de Unie, en verlangt dat de resultaten van deze beoordelingen en de gebruikte indicatoren openbaar en volledig toegankelijk worden gemaakt;

67.  merkt op dat de rapportage over prestaties nog zwak is en dat er behoefte bestaat aan een regelmatige beoordeling van de inputparameters (financiële, personele, materiële en organisatorische middelen en regelgeving die nodig zijn voor de uitvoering van het programma), de output (de producten van het programma), de resultaten (de onmiddellijke gevolgen van het programma) en de impact (maatschappelijke veranderingen op de lange termijn);

68.  verwelkomt de opzet van een netwerk van nationale contactpunten in de lidstaten en de integratie van doelstellingen op het gebied van corruptiebestrijding in het proces van economische governance (Europees semester);

69.  vraagt de Commissie haar evaluatie van alle akkoorden met tabaksfabrikanten onverwijld bekend te maken, zodat kan worden uitgemaakt in hoeverre die doeltreffend zijn voor de bestrijding van fraude en vervalsing, die de financiële belangen van de EU schaden, en of het wenselijk is dit soort akkoorden te verlengen;

70.  wijst nadrukkelijk op de rol van de Rekenkamer, de hoge controle-instanties (SAI's), de Commissie en de beheersautoriteiten bij de controle op de regelmatigheid en de resultaten van overheidsuitgaven; verzoekt de Rekenkamer en de Commissie hun samenwerking met de SAI's in de lidstaten verder te verbeteren om middelen en projecten op meer gebieden en vaker aan een audit te onderwerpen;

Tabakssmokkel en namaakproducten

71.  is bezorgd over de vaststelling van de Europese Ombudsman dat de Commissie, met uitzondering van DG Gezondheid, "niet volledig uitvoering geeft aan de regels en richtsnoeren van de Wereldgezondheidsorganisatie WHO inzake transparantie en het werk van de tabaklobby"(9); is daarom van mening dat de geloofwaardigheid en de integriteit van de Commissie in gevaar zijn;

72.  dringt er bij alle relevante EU-instellingen op aan om artikel 5, lid 3, van het Kaderverdrag van de WHO inzake tabaksontmoediging toe te passen in overeenstemming met de aanbevelingen die in de desbetreffende richtsnoeren vervat zijn; vraagt de Commissie om onmiddellijke publicatie van haar evaluatie van de akkoorden met de tabaksproducenten en een beoordeling van het effect van de uitvoering van het WHO-Kaderverdrag; roept de Commissie op volledig transparant te zijn met betrekking tot de overeenkomsten met tabaksfabrikanten en de mogelijke verlenging ervan, en dringt er bij de lidstaten op aan regelmatig verslag uit te brengen over de uitgaven die zijn gedaan met de middelen die zij in verband met die overeenkomsten hebben ontvangen;

73.  is verheugd over de succesvolle resultaten van een groot aantal gezamenlijke douaneoperaties (GDO's), waarbij OLAF en de lidstaten samenwerkten met verschillende diensten van derde landen en die geleid hebben tot de inbeslagneming van o.a. 1,2 miljoen namaakproducten, waaronder parfums, auto-onderdelen, elektronische apparatuur en 130 miljoen sigaretten; benadrukt het feit dat de smokkel van zwaar belaste goederen tot een aanzienlijke derving van inkomsten voor de begrotingen van de EU en haar lidstaten leidt, en dat alleen al het directe verlies aan douane-inkomsten door sigarettensmokkel op meer dan 10 miljard EUR per jaar wordt geschat; wijst erop dat de handel in namaakgoederen tot inkomstenderving leidt voor de EU en haar lidstaten en voor het Europese bedrijfsleven;

74.  is ernstig bezorgd over de toenemende smokkel en andere vormen van illegale en clandestiene handel, die niet alleen gevolgen hebben voor de inning van douaneheffingen door de lidstaten en bijgevolg voor de EU-begroting, maar ook sterk geassocieerd zijn met de internationale georganiseerde criminaliteit, bedreigingen voor consumenten en negatieve gevolgen voor de werking van de interne markt, wat een belemmering vormt voor gelijke voorwaarden voor alle concurrerende ondernemingen, met name kmo's; verzoekt derhalve om betere coördinatie tussen OLAF, douaneautoriteiten en autoriteiten voor markttoezicht, om niet alleen deze problemen aan te pakken, maar ook de handel in producten te bestrijden die de intellectuele-eigendomswetgeving in de EU schenden;

75.  wijst erop dat het, om de legitieme productie van en handel in generieke geneesmiddelen niet te verstoren, van belang is een onderscheid te maken tussen legitieme generieke geneesmiddelen en frauduleuze namaakmedicijnen, en verzoekt eens te meer alle lidstaten die het VN-protocol tot uitbanning van illegale handel in tabaksproducten wel ondertekend, maar nog niet geratificeerd hebben, hun ratificatieprocedure zo snel mogelijk af te ronden;

Onderzoeken en de rol van OLAF

76.  neemt nota van de rol van OLAF in verschillende GDO's bij het voorkomen van verliezen voor de EU-begroting en vraagt OLAF om in zijn toekomstige jaarverslagen meer informatie en concrete cijfers op te nemen over de bijdrage van OLAF aan de bescherming van de inkomstenzijde van de EU-begroting;

77.  is verheugd over de jaarlijkse interinstitutionele bijeenkomsten van de Raad, de Commissie, het Parlement, OLAF en het Comité van toezicht van OLAF; stelt met klem dat het voorzitterschap moet rouleren tussen de drie Europese instellingen; verzoekt de Commissie om steun voor het initiatief van het Parlement en dringt er bij de Raad op aan zijn negatieve standpunt ter zake te herzien;

78.  herhaalt zijn oproep met betrekking tot het jaarverslag 2013 over de bescherming van de financiële belangen van de EU(10), namelijk dat OLAF en zijn Comité van toezicht de resterende geschillen op korte termijn bijleggen; herhaalt dat OLAF noch zijn Comité van toezicht hun wettelijke taken in de huidige situatie van beperkte samenwerking doeltreffend kunnen vervullen; neemt met bezorgdheid kennis van het gebrek aan vooruitgang en beschouwt de huidige situatie daarom als onaanvaardbaar; verzoekt de Commissie haar rol ten volle te vervullen en actief te werken aan een oplossing voor de lange termijn die onverwijld ten uitvoer moet worden gelegd;

79.  is van mening dat het Comité van toezicht, als logisch uitvloeisel van zijn mandaat, moet beschikken over autonoom personeel, dat los staat van de OLAF-administratie, en financieel autonoom moet zijn; verzoekt OLAF het Comité van toezicht inzage te verlenen in de documenten die het Comité van toezicht nodig acht om zijn taak overeenkomstig zijn mandaat te kunnen vervullen; dringt er bij de Commissie op aan om met een voorstel te komen dat de OLAF-verordening in deze zin wijzigt;

80.  merkt op dat er een discrepantie bestaat tussen de fraudegegevens die OLAF via openbare en particuliere bronnen in de lidstaten verzamelt (OLAF, verslag 2014) en de zeer grote ongelijkheid bij de terugvordering van middelen die OLAF de lidstaten aanbeveelt; verzoekt de Commissie steun te verlenen aan initiatieven gericht op verhoging van het terugvorderingspercentage bij fraudegevallen;

81.  dringt bij de Commissie aan op volledige transparantie over alle verzoeken van nationale openbaar aanklagers om de immuniteit van OLAF-personeel op te heffen, met inbegrip van die van de directeur-generaal van OLAF;

82.  is ingenomen met de aantoonbare doeltreffendheid van het OLAF-onderzoek naar aanleiding van de vraag of er op grond van de oorsprong van producten terecht preferentiële tarieven zijn toegepast, en verzoekt de lidstaten deze bevindingen in aanmerking te nemen en overeenkomstig de EU-douanewetgeving alle noodzakelijke en passende maatregelen te treffen; verzoekt de Commissie erop te blijven toezien dat de lidstaten op basis van de mededelingen in het kader van de wederzijdse bijstand de doeltreffendheid van hun risicobeheerssystemen en controlestrategieën verbeteren, om te voorkomen dat er verliezen voor de EU-begroting ontstaan doordat goederen die niet in aanmerking komen voor een preferentieel tarief uit hoofde van een preferentiële handelsovereenkomst wel als zodanig worden ingevoerd; verzoekt de Commissie eveneens haar toezegging gestand te doen en beoordelingen achteraf te verrichten van preferentiële handelsovereenkomsten met aanzienlijke economische, sociale en milieugevolgen, met inbegrip van een stelsel voor periodieke verslaglegging door de begunstigde landen met betrekking tot hun beheer en controle van preferentiële herkomst;

83.  merkt op dat het globaal vervolgen van delicten, waaronder fraude, corruptie, witwassen van geld, daarmee verband houdende georganiseerde misdaad en andere illegale activiteiten die de financiële belangen van de EU schaden, een absolute voorwaarde is voor het goede functioneren van de EU; benadrukt dat systematisch moet worden bekeken welk gevolg wordt gegeven aan de aanbevelingen van OLAF; is van mening dat de follow-up van die aanbevelingen vereist dat aan OLAF in de nationale wetgeving procedurele rechten worden toegekend, om te garanderen dat de aanbevelingen worden geëerbiedigd en door de nationale autoriteiten in aanmerking worden genomen;

84.  verzoekt de Commissie opheldering te verschaffen over de belangrijkste redenen waarom lidstaten geen werk maken van vermeende gevallen van fraude die de financiële belangen van de Europese Unie schaden, zoals door OLAF aan hen voorgelegd;

o
o   o

85.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Rekenkamer, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en het Comité van toezicht van OLAF.

(1) PB L 84 van 20.3.2014, blz. 6.
(2) PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 121.
(5) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 62.
(6) PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0444.
(8) PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65.
(9) http://www.ombudsman.europa.eu/en/press/release.faces/en/61027/html.bookmark
(10) Aangenomen teksten van 11 maart 2015, P8_TA(2015)0062.


Gendermainstreaming in de werkzaamheden van het Europees Parlement
PDF 211kWORD 101k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 maart 2016 over gendermainstreaming in de werkzaamheden van het Europees Parlement (2015/2230(INI))
P8_TA(2016)0072A8-0034/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM),

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien het VN-verdrag van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien de verklaring en het actieplatform van Peking, die op 15 september 1995 zijn goedgekeurd op de vierde Wereldvrouwenconferentie, de latere slotdocumenten die zijn aangenomen op de speciale bijeenkomsten van de Verenigde Naties Peking +5 (2000), Peking +10 (2005) en Peking +15 (2010), en het slotdocument van de toetsingsconferentie Peking +20,

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 mei 2015 over gender in ontwikkeling,

–  gezien het gezamenlijke werkdocument van 21 september 2015 getiteld "Gendergelijkheid en empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016-2020) (SWD(2015)0182) en de Conclusies van de Raad van 26 oktober 2015 inzake het genderactieplan 2016-2020,

–  gezien artikel 3 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, dat "gender" definieert als "de sociaal geconstrueerde rollen, gedragingen, activiteiten en eigenschappen die een bepaalde maatschappij passend acht voor vrouwen en mannen",

–  gezien het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020) dat werd aangenomen door de Europese Raad in maart 2011,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2010 getiteld "Een grotere inzet voor de gelijkheid van vrouwen en mannen: Een Vrouwenhandvest" (COM(2010)0078),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2010 getiteld "Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015" (COM(2010)0491),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019" (SWD(2015)0278),

–  gezien het onderzoeksverslag van de Commissie getiteld "Beoordeling van de sterke en zwakke punten van de strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015",

–  gezien de Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2014-2017 van de Raad van Europa,

–  gezien de in 2015 gepubliceerde studie van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) getiteld "Advancing women in political decision-making – Way forward",

–  gezien de conclusies en aanbevelingen in het rapport van het EIGE over genderspecifieke parlementen: een mondiaal overzicht van goede praktijken, gepubliceerd in 2011,

–  gezien zijn resoluties van 10 februari 2010 over gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de Europese Unie – 2009(1), van 8 maart 2011 over gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de Europese Unie – 2010(2), van 13 maart 2012 over gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de Europese Unie – 2011(3) en van 10 maart 2015 over vooruitgang op het gebied van de gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de Europese Unie in 2013(4),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2003 over gendermainstreaming in het Europees Parlement(5),

–  gezien zijn resolutie van 18 januari 2007 over de geïntegreerde benadering van de gelijkheid van mannen en vrouwen in de werkzaamheden van de commissies(6),

–  gezien zijn resolutie van 22 april 2009 over de geïntegreerde benadering van gendergelijkheid in het kader van de werkzaamheden van de commissies en delegaties(7),

–  gezien zijn resolutie van 7 mei 2009 over gendermainstreaming in de externe betrekkingen van de EU en haar vredesopbouw/natievorming(8),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2012 over vrouwen in politieke besluitvorming ‑ kwaliteit en gelijkheid(9),

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015(10),

–  gezien zijn resolutie van 3 februari 2016 over de nieuwe strategie voor gendergelijkheid en vrouwenrechten in Europa na 2015(11),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 februari 1996 getiteld "Integratie van de gelijke kansen voor vrouwen en mannen in alle communautaire beleidsvormen en acties" (COM(1996)0067), waarin zij zich verbond aan "de bevordering van de gelijke kansen voor vrouwen en mannen [...] in het geheel van acties en beleidsvormen [...] op alle niveaus", waarmee feitelijk het principe van gendermainstreaming werd vastgelegd,

–  gezien de in 2014 gepubliceerde studie van beleidsondersteunende afdeling C van het Europees Parlement getiteld "Evaluatie van de bijdrage van de strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015 aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het actieprogramma van Peking",

–  gezien de in 2014 gepubliceerde studie van beleidsondersteunende afdeling C van het Europees Parlement getiteld "Gendermainstreaming in commissies en delegaties van het Europees Parlement",

–  gezien de in 2015 gepubliceerde studie van beleidsondersteunende afdeling D van het Europees Parlement getiteld "De EU-begroting voor gendergelijkheid",

–  gezien de in mei 2014 gepubliceerde nota van UN Women getiteld "Guidance on the development of gender equality and the empowerment of women policies",

–  gezien het in 2014 gepubliceerde document van het European Policy Institutes Network getiteld "Advances in EU Gender Equality: Missing the mark?",

–  gezien het jaarverslag 2014 van de personeelsdienst, gepubliceerd door het directoraat‑generaal Personeelszaken,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0034/2016),

A.  overwegende dat artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bepaalt dat gendermainstreaming een horizontaal beginsel is, en dat artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) bepaalt dat gelijkheid van vrouwen en mannen een waarde is waarop de Unie berust;

B.  overwegende dat het Handvest van de grondrechten specifieke bepalingen bevat over gelijkheid tussen vrouwen en mannen als horizontaal beginsel, en dat artikel 6 VEU bepaalt dat het Handvest dezelfde juridische waarde heeft als de Verdragen;

C.  overwegende dat het verwezenlijken van gelijkheid tussen vrouwen en mannen van wezenlijk belang is voor de bescherming van de mensenrechten, voor de werking van de democratie, voor de eerbiediging van de rechtsstaat en voor economische groei, sociale insluiting en duurzaamheid;

D.  overwegende dat er geen schot zit in de verwezenlijking van gendergelijkheid in de EU, en het in dit tempo nog enige tijd zal duren voordat er gelijkheid is;

E.  overwegende dat de Commissie in haar Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019 beloofde werk te blijven maken van gendermainstreaming, onder meer door middel van beoordelings- en monitoringsactiviteiten; overwegende dat de Commissie wat betreft haar strategisch engagement voor gendergelijkheid na 2015 echter slechts volstaat met een intern werkdocument;

F.  overwegende dat de vijfde doelstelling van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen het bereiken van gendergelijkheid in uiterlijk 2030 is;

G.  overwegende dat gendermainstreaming gedefinieerd wordt als "de integratie van een genderperspectief in alle fasen van het EU-beleid – voorbereiding, ontwerp, tenuitvoerlegging, monitoring en beoordeling van het beleid, wettelijke maatregelen en bestedingsprogramma's – om de gelijkheid tussen vrouwen en mannen te bewerkstelligen"(12);

H.  overwegende dat gendermainstreaming ook de rechten en standpunten en het welzijn van LGBTIQ's en mensen van welke genderidentiteit dan ook moet omvatten;

I.  overwegende dat gendermainstreaming zowel proactief als reactief ingezet moet kunnen worden om gelijkheid tussen vrouwen en mannen te verwezenlijken;

J.  overwegende dat gendermainstreaming op zichzelf geen beleidsdoelstelling is, maar een essentieel middel om gendergelijkheid te bewerkstelligen, en dat het altijd gecombineerd wordt met andere specifieke acties en beleidsmaatregelen om gendergelijkheid te bevorderen;

K.  overwegende dat het tot de verantwoordelijkheden van de bevoegde commissie behoort om er mede voor te zorgen dat gendermainstreaming in alle beleidsdomeinen ten uitvoer wordt gelegd en verder wordt ontwikkeld;

L.  overwegende dat de meerderheid van de parlementaire commissies over het algemeen belang hecht aan gendermainstreaming (in het kader van hun wetgevingswerkzaamheden, bij hun contacten met de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en bij de opstelling van actieplannen inzake gelijkheid), maar dat een aantal commissies niet of nauwelijks aandacht aan dit onderwerp schenkt;

M.  overwegende dat de bevoegde commissie sinds de vorige zittingsperiode de werkwijze heeft ontwikkeld om door middel van "amendementen gendermainstreaming" (GMA's) specifieke bijdragen te leveren aan de verslagen van andere commissies; overwegende dat een in 2014 gepubliceerde studie(13) heeft uitgewezen dat van de GMA's die tussen juli 2011 en februari 2013 ingediend werden, 85 % opgenomen werd in de definitieve verslagen die door de ten principale bevoegde commissies goedgekeurd werden; overwegende dat er gegevens verzameld moeten worden met betrekking tot de periode na februari 2013, om ook de huidige stand van zaken op het gebied van gendermainstreaming in het Parlement te kunnen beoordelen;

N.  overwegende dat, overeenkomstig de resolutie over gendermainstreaming uit 2003, elke parlementaire commissie één lid benoemt tot verantwoordelijke voor gendermainstreaming, en er zo een "netwerk voor gendermainstreaming" is ontstaan; overwegende dat in de daaropvolgende resoluties over dit onderwerp opgeroepen werd om het netwerk verder uit te bouwen en om een gelijkaardig netwerk op te richten in de interparlementaire delegaties; overwegende dat het netwerk ondersteund wordt door een netwerk op personeelsniveau in de secretariaten van de commissies;

O.  overwegende dat de leden van het netwerk een vragenlijst hebben ingevuld ter beoordeling van de stand van zaken van gendermainstreaming in hun respectieve beleidsdomeinen;

P.  overwegende dat bij het MFK (meerjarig financieel kader) een gezamenlijke verklaring hoort van de drie instellingen, die overeengekomen zijn dat "in de jaarlijkse begrotingsprocedures voor het MFK 2014-2020 waar nodig genderelementen zullen worden geïntegreerd, waarbij rekening wordt gehouden met de wijze waarop het algeheel financieel kader van de Unie aan meer gendergelijkheid bijdraagt (en voor gendermainstreaming zorgt)"; overwegende dat er desondanks in de praktijk meer inspanningen moeten worden gedaan ter bevordering van gendermainstreaming en empowerment van vrouwen, omdat de bestaande beleidsmaatregelen slechts zeer ten dele ten uitvoer zijn gelegd en er onvoldoende financiële middelen beschikbaar zijn gesteld voor genderkwesties;

Q.  overwegende dat genderbudgettering door geen van de EU-instellingen consequent wordt toegepast;

R.  overwegende dat het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) werd opgericht om de gelijkheid tussen vrouwen en mannen te bevorderen, onder meer door middel van gendermainstreaming in al het beleid van de Unie en het daaruit voortvloeiende nationale beleid; overwegende dat het EIGE een Platform voor gendermainstreaming heeft ontwikkeld en een gendergelijkheidswoordenboek met een verklarende woordenlijst heeft opgesteld ter ondersteuning van beleidsmakers, personeel van EU‑instellingen en overheidsorganen bij de integratie van een genderperspectief in hun werkzaamheden;

S.  overwegende dat gendermainstreaming zowel gaat over het integreren van een genderperspectief in de inhoud van de verschillende beleidsdomeinen, als over het zorgen voor vertegenwoordiging van vrouwen en mannen en personen van welke genderidentiteit dan ook in die beleidsdomeinen; overwegende dat deze twee facetten in alle fasen van het beleidsvormingsproces de nodige aandacht moeten krijgen;

T.  overwegende dat alle interne en externe EU-beleidsmaatregelen zodanig ontworpen moeten zijn dat zij in gelijke mate jongens en meisjes, mannen en vrouwen, en alle andere genderidentiteiten ten goede komen;

U.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van gendermainstreaming in het evaluatieverslag van de Commissie over de strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010‑2015 wordt genoemd als een van de belangrijkste zwakke punten;

V.  overwegende dat een gendergevoelig parlement een cruciale rol speelt bij het bestrijden van genderongelijkheid, het bevorderen van gelijke economische, sociale en politieke participatie van vrouwen en mannen en het uitbreiden van het kader voor gendergelijkheid;

W.  overwegende dat scholing van EP-leden en -personeelsleden, met name personen die een leidinggevende functie bekleden, op het gebied van gendermainstreaming van cruciaal belang is bij het bevorderen van de integratie van het genderperspectief op alle beleidsgebieden en in alle fasen van de beleidsvorming;

X.  overwegende dat onvoldoende middelen en personeel worden toegekend om een reële vooruitgang in de gendermainstreaming van de werkzaamheden van het Parlement te waarborgen;

Y.  overwegende dat de systematische en periodieke verzameling van naar geslacht uitgesplitste gegevens en statistieken bij beleidseffectbeoordelingen en in het kader van de beleidsvorming onontbeerlijk is om de vooruitgang op het vlak van gendergelijkheid te kunnen analyseren; overwegende dat er binnen het Parlement meer degelijk onderzoek gedaan moet worden om het belang en de gevolgen van instrumenten op het gebied van gendermainstreaming voor beleidsresultaten, -oplossingen en wetgevingsteksten in kaart te brengen;

Z.  overwegende dat vrouwen in besluitvormende topfuncties op politiek en administratief niveau ondervertegenwoordigd blijven, ook binnen de fracties van het Parlement; overwegende dat vrouwen vaak voorzitter zijn van de commissies die minder te maken hebben met de toewijzing van middelen en economische besluitvorming; overwegende het Parlement ervoor moet zorgen dat de verhouding tussen mannen en vrouwen in besluitvormende functies evenwichtig is, om de kwaliteit van de besluitvorming te verbeteren; overwegende dat ook mannen betrokken moeten worden bij de bevordering van gendergelijkheid op alle gebieden en op alle niveaus en dat mannelijke EP-leden aangespoord moeten worden om zich binnen hun werkzaamheden met gendermainstreaming bezig te houden;

AA.  overwegende dat het Parlement beschikt over de organisatorische structuur om gendermainstreaming bij zijn activiteiten te bevorderen, maar dat deze structuur beter gecoördineerd, versterkt en uitgebreid moet worden, door middel van een versterkte politieke en bestuurlijke inzet, om een hogere mate van gendergelijkheid te verwezenlijken;

AB.  overwegende dat de interinstitutionele samenwerking tussen het Parlement, de Raad en de Commissie op het gebied van gendermainstreaming moet worden verbeterd, om ervoor te zorgen dat genderperspectieven in alle fasen van de beleidsvorming kunnen worden geïntegreerd en de gendermainstreaming bij de werkzaamheden van het Parlement wordt ondersteund;

AC.  overwegende dat de inbreng van externe belanghebbenden, zoals maatschappelijke organisaties, lokale organisaties die zich inzetten voor vrouwenrechten en gendergelijkheid, internationale instellingen, de academische wereld en nationale parlementen, een belangrijke rol speelt bij de verbetering van de gendermainstreamingprocessen van het Parlement en tevens onmisbaar is als het gaat om het uitwisselen van informatie met het oog op de bevordering van beste praktijken;

AD.  overwegende dat in de resolutie van het Parlement over gendermainstreaming uit 2007 wordt voorgesteld de gendermainstreaming bij de werkzaamheden van het Parlement elke twee jaar te beoordelen;

Algemene beoordeling van het huidige institutionele kader

1.  is van mening dat een genderperspectief maar in een beleidsproces geïntegreerd is als twee verschillende facetten in overweging worden genomen: de inhoud van het beleid, en de gendervertegenwoordiging in de diensten en bij de beleidsvorming; merkt voorts op dat het voor het streven naar gendergelijkheid van cruciaal belang is om te kunnen beschikken over duidelijke gegevens over de gevolgen van het beleid;

2.  merkt op dat binnen het organigram van het Parlement verschillende organen de taak hebben om gendermainstreaming te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen, zowel op beleidsniveau als op niveau van de dagelijkse werking:

   de Groep op hoog niveau inzake gendergelijkheid en diversiteit, die verantwoordelijk is voor het stimuleren van volledige gelijkwaardigheid tussen vrouwen en mannen op alle vlakken van de dagelijkse werking van het secretariaat van het Parlement;
   de commissie die bevoegd is voor specifieke maatregelen ter integratie van een genderperspectief in het werk van de andere commissies en delegaties;
   het netwerk voor gendermainstreaming;
   de diensten die ervoor moeten zorgen dat er in alle functies van het organigram een evenwichtige gendervertegenwoordiging is;

3.  betreurt dat de activiteiten van deze verschillende voor gendermainstreaming bevoegde organen niet worden gecoördineerd of geïntegreerd, noch binnen het Parlement noch in samenwerking met andere instellingen (er is geen interinstitutioneel samenwerkingsmechanisme voor gendermainstreaming); neemt zich voor om een daadwerkelijke samenwerking tussen alle actoren binnen dit institutioneel kader tot stand te brengen, op basis van specifieke mechanismen zoals monitoring en feedback over prestaties;

4.  spreekt nogmaals de belofte uit om regelmatig een beleidsplan voor gendermainstreaming binnen het Parlement goed te keuren en ten uitvoer te leggen, teneinde gendergelijkheid in het algemeen te bevorderen door het genderperspectief te integreren in zijn beleid en in zijn activiteiten, ook in beleidsvormingsstructuren en administratie;

5.  roept op om het netwerk voor gendermainstreaming, waarin niet alleen de commissies vertegenwoordigd zijn maar ook de interparlementaire delegaties, verder uit te bouwen, en vraagt dat het netwerk volledig betrokken wordt bij de regelmatige monitoring van gendermainstreaming over de beleidsgrenzen heen; wijst op het belang van een grotere deelname van EP-leden aan dit netwerk en pleit ervoor om bij het netwerk, net als bij commissies en delegaties, plaatsvervangende EP-leden aan te wijzen, zodat de participatiegraad zal stijgen;

6.  benadrukt dat volgens de bovengenoemde studie uit 2014 procedures waarbij met andere commissies wordt samengewerkt het meest doeltreffend zijn om een gendergelijkheidsperspectief in het beleidsvormingsproces te integreren; benadrukt dat het belangrijk is dat de andere commissies hun medewerking verlenen aan gendermainstreaming, en dit in hun werkzaamheden implementeren;

7.  verzoekt de bevoegde diensten om te blijven werken aan maatregelen die voor een beter evenwicht tussen werk en privéleven moeten zorgen; betreurt dat vrouwelijke ambtenaren van het EP vooral tot de functiegroep assistent (AST) behoren; vraagt om de gendergelijkheid binnen het Parlement jaarlijks te analyseren op basis van naar geslacht uitgesplitste gegevens, op alle personeelsniveaus en in alle politieke organen, en vraagt dat het verslag hiervan openbaar wordt gemaakt;

8.  pleit voor het aanpakken van de structurele belemmeringen en voor het scheppen van een klimaat dat gunstig is voor de participatie van vrouwen in beleidsbepalende functies op welk niveau dan ook, zoals maatregelen voor het verenigen van werk en privéleven en positieve acties die zich richten op het vergroten van het aantal personen van het ondervertegenwoordigde geslacht in functies die hetzij door mannen hetzij door vrouwen gedomineerd worden; verzoekt politieke partijen hun verantwoordelijkheden ter zake van het bevorderen van de deelname van vrouwen te nemen, aangezien de bevoegdheid om kandidaten te werven, te selecteren en te nomineren bij de politieke partijen ligt;

9.  betreurt dat de streefcijfers voor genderevenwicht in het hoger en middenkader die in 2006 door het Bureau werden goedgekeurd (verslag-Kaufmann), niet tegen de deadline van 2009 werden gehaald en ook tot op heden niet zijn verwezenlijkt; merkt op dat de Groep op hoog niveau inzake gendergelijkheid en diversiteit deze streefcijfers telkens voor de daaropvolgende jaren heeft overgenomen; dringt erop aan dat er doeltreffende, corrigerende en ingrijpende maatregelen worden genomen om deze gendergelijkheidsdoelstellingen op zo kort mogelijke termijn te realiseren;

10.  merkt op dat de Groep op hoog niveau inzake gendergelijkheid en diversiteit bevoegd is voor de goedkeuring van een Actieplan voor de bevordering van gelijkheid en diversiteit in het Parlement, en voor de opvolging van de implementatie ervan; verzoekt de Groep op hoog niveau om met de steun van de bevoegde diensten een alomvattende routekaart voor gendergelijkheid in te dienen, die aangeeft hoe de vertegenwoordiging van vrouwen in het hoger en middenkader tegen 2020 tot 40 % verhoogd kan worden; verzoekt het directoraat-generaal Personeelszaken en de fracties te overwegen om, als er een vacature is, voor de functie van afdelingshoofd zowel een vrouw als een man voor te dragen;

11.  pleit ervoor dat de vaste rapporteur voor gendermainstreaming, als die functie eenmaal is ingesteld, met de Groep op hoog niveau samenwerkt om te waarborgen dat de voor het secretariaat en het personeel van het Parlement geldende streefcijfers inzake gendermainstreaming worden gehaald;

12.  verzoekt de fracties de mogelijkheid te overwegen om zowel een vrouw als een man als kandidaat-voorzitter voor commissies en werkgroepen voor te stellen;

13.  merkt op dat gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen binnen alle commissies wenselijk is, voor zover de omstandigheden dat toelaten; verzoekt de fracties te overwegen op gecoördineerde wijze in alle commissies EP-leden van het ondervertegenwoordigde geslacht te benoemen; verzoekt de fracties een gelijk aantal mannelijke en vrouwelijke EP-leden te benoemen als leden en leden-plaatsvervangers van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, om de betrokkenheid van mannen bij het gendergelijkheidsbeleid te vergroten;

Instrumenten voor gendermainstreaming

14.  benadrukt dat het gebruik van GMA's doeltreffender is dan werken met adviezen, omdat GMA's beknopter zijn, sneller ingediend kunnen worden en fundamentele, specifieke en afgebakende kwesties betreffen; roept de bevoegde commissie opnieuw op om deze werkwijze met GMA's in het reglement op te nemen, met inachtneming van de specifieke rol die de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid vervult bij gendermainstreaming als een horizontaal principe; dringt aan op nauwere samenwerking tussen de commissies en op doeltreffende coördinatie, zowel op politiek als op administratief niveau, tussen het netwerk voor gendermainstreaming en de bevoegde commissie, met als doel om de genderdimensie daadwerkelijk een plaats te geven in de verslagen; wijst erop dat de leden van het netwerk in de commissies een belangrijke taak hebben, omdat zij ervoor zorgen dat de bevoegde commissie een doeltreffende bijdrage kan leveren in de vorm van GMA's en adviezen, en dringt aan op doeltreffende coördinatie tussen de verantwoordelijke leden van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de leden van het netwerk in het kader van de GMA-procedure; wijst op het belang van nauwe samenwerking inzake GMA's en adviezen tussen de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de secretariaten van de ten principale bevoegde commissies, om te zorgen voor een optimale organisatie en planning voor een doeltreffende input in het verslag;

15.  betreurt het dat er nog steeds geen maatregelen voor genderbudgettering zijn getroffen, ondanks de interinstitutionele verklaring over het bijdragen tot gendermainstreaming die als bijlage aan het MFK is toegevoegd; benadrukt in dit verband dat het noodzakelijk is om nauw toezicht te houden op hoe de principes van de gezamenlijke verklaring zijn geïmplementeerd, met name wat betreft de jaarlijkse begrotingsprocedures, en vraagt dat de bevoegde commissie een formele rol toegewezen krijgt bij de herziening van het MFK;

16.  benadrukt dat het gendervriendelijk maken van de begroting door middel van planning, programmering en budgettering die bijdraagt aan de bevordering van gendergelijkheid en de verwezenlijking van de rechten van vrouwen behoort tot de middelen die beleidsmakers inzetten om de genderkloof te dichten; betreurt dat uit inspanningen om de begroting gendervriendelijk te maken is gebleken dat het genderperspectief nog lang niet in alle beleid, op alle niveaus en in elke fase van het beleidsvormingsproces aanwezig is; merkt op dat het in dit verband essentieel is om de capaciteit binnen het Parlement op het gebied van genderbewust budgetteren te vergroten, om de toezichthoudende rol van het Parlement op dit gebied te versterken; merkt op dat besluiten over uitgaven en ontvangsten volledig andere gevolgen hebben voor vrouwen dan voor mannen en benadrukt dat de EU-leden in de desbetreffende commissies deze uiteenlopende gevolgen bij het opstellen van de begroting moeten laten meewegen; benadrukt dat het gendervriendelijk maken van de begroting de controleerbaarheid en transparantie met betrekking tot de inzet van het Parlement inzake gendergelijkheid bevordert;

17.  merkt op dat de Commissie zich voorgenomen heeft om verder te gaan met gendermainstreaming door, in overeenstemming met de beginselen voor betere regelgeving, gendergelijkheid als criterium op te nemen in effectbeoordelingen en evaluaties, en overweegt om in 2017 een verslag op te stellen over gendermainstreaming in de Commissie;

18.  herhaalt dat voldoende middelen nodig zijn, ook op het niveau van het Parlement, om naar geslacht gespecificeerde effectbeoordelingen en analyses te kunnen ontwikkelen; verzoekt de Commissie bij alle nieuwe wetgevings- of beleidsvoorstellen een gendereffectbeoordeling uit te voeren, op basis van een grondige beoordeling van de effecten ervan op de grondrechten en om te waarborgen dat de EU de vrouwenrechten handhaaft; benadrukt dat bij dergelijke analyses en bij de methoden voor het verzamelen van gegevens rekening moet worden gehouden met de ervaringen van LGBTIQ's; onderstreept dat commissies moeten worden gestimuleerd om gebruik te maken van interne deskundigheid, alsook van de externe deskundigheid van andere particuliere of overheidsorganen en -instellingen die activiteiten ontplooien op het gebied van gendergelijkheid;

19.  roept het EIGE op om alle commissies regelmatig te informeren, zodat het genderperspectief in alle domeinen van de beleidsvorming benadrukt wordt, en om de gegevens en de instrumenten die het heeft ontwikkeld, zoals het platform voor gendermainstreaming, beschikbaar te stellen, als onderdeel van een bredere inspanning voor capaciteitsopbouw, ook ten behoeve van personeel en parlementaire medewerkers; verzoekt de Onderzoeksdienst om regelmatig gedetailleerd kwalitatief en kwantitatief onderzoek uit te voeren naar de vooruitgang op het gebied van gendermainstreaming binnen het Parlement en naar het functioneren van de daarvoor bedoelde organisatiestructuren;

20.  betreurt dat het EIGE op dit moment over onvoldoende middelen beschikt om alle werkzaamheden waarmee het is belast uit te voeren, en benadrukt dat er daarom voor gezorgd moet worden dat de begroting van het EIGE beter aansluit bij het ruime mandaat van dit instituut;

21.  merkt op dat op basis van de antwoorden op de vragenlijsten over de stand van zaken op het gebied van gendermainstreaming binnen de parlementaire commissies geconcludeerd kan worden dat bepaalde instrumenten zeer doeltreffend zijn om een genderperspectief in de werkzaamheden van de commissies te integreren, waaronder:

   het verspreiden van belangrijke documenten en het opnemen van het thema gendergelijkheid in de taakomschrijving voor bestelde studies;
   de aandacht toespitsen op het gebruik van specifieke terminologie en definities in verband met gendergelijkheid;
   stimuleren dat ontwerpvoorstellen voor wetgeving en voor toekomstige overeenkomsten ex ante en ex post geëvalueerd worden;
   opleiding en bewustmaking voor leden, personeel, politiek adviseurs en medewerkers;

pleit ten zeerste voor de verdere ontwikkeling en integratie van deze instrumenten in de werkzaamheden van het Parlement;

22.  herinnert eraan dat evaluaties en programma's op het gebied van gendermainstreaming vergezeld moeten gaan van doeltreffende follow-upmaatregelen, om te waarborgen dat alle maatregelen doeltreffend zijn en eventuele problemen worden aangepakt; benadrukt dat het belangrijk is dat er in voorkomend geval corrigerende maatregelen worden genomen, en dat gendermainstreaming wordt toegepast als blijkt dat er na de tenuitvoerlegging van corrigerende maatregelen te weinig vooruitgang is geboekt;

23.  beveelt het directoraat-generaal Voorlichting van het Parlement aan om bij informatieverstrekking over de beleidsvorming binnen het Parlement meer aandacht te schenken aan de genderdimensie;

24.  spreekt uitdrukkelijk zijn steun uit voor de ontwikkeling van gerichte en regelmatige opleidingen over gendermainstreaming, waarvoor voldoende middelen beschikbaar worden gemaakt en die in de specifieke behoeften van het Parlement voorzien, voor alle personeelsleden van het Parlement die zicht bezighouden met beleid, met uitgebreidere scholing voor het middenkader en hoger leidinggevend personeel, met name afdelingshoofden; dringt erop aan dat EP-leden, parlementaire medewerkers en fractiemedewerkers toegang krijgen tot scholing inzake gendermainstreaming; vraagt dat leiderschapscursussen worden georganiseerd voor vrouwen en dat vrouwen de gelegenheid wordt geboden om ervaring op te doen in leidinggevende posities; pleit ervoor dat in het kader van trainingen ook aandacht wordt besteed aan meervoudige en intersectionele vormen van discriminatie; wijst erop dat alle diensten van het Parlement zich bewust moeten zijn van hun verantwoordelijkheden inzake de toepassing van gendermainstreaming, ook de diensten die bevoegd zijn op het gebied van personeelszaken, beveiliging en facilitaire ondersteuning; stelt voor specifieke richtsnoeren op het gebied van personeelszaken in te voeren voor de doeltreffende toepassing van gendermainstreaming, met als doel het welzijn van alle personeelsleden, waaronder LGBTIQ's, op het werk te verbeteren;

Gendermainstreaming in de werkzaamheden van de commissies

25.  roept nogmaals op om de belofte om een tweejaarlijks verslag over gendermainstreaming in de werkzaamheden van het Parlement uit te brengen, effectief waar te maken; is zich bewust van de rol die het netwerk voor gendermainstreaming speelt bij het beoordelen van de stand van zaken van gendermainstreaming in alle beleidsdomeinen, en raadt aan om van de vragenlijst die als basis voor het hierboven genoemde verslag werd gebruikt, een jaarlijkse monitoringsmethode te maken;

26.  merkt op dat de leden van het netwerk over het algemeen op de vragenlijst antwoordden dat in hun specifieke beleidsdomein rekening werd gehouden met genderspecifieke behoeften, en dit bij verschillende werkzaamheden, zoals verslagen, amendementen over gelijkheid tussen vrouwen en mannen, onderzoeken, hoorzittingen, missies en gedachtewisselingen;

27.  is ingenomen met de specifieke initiatieven van diverse parlementaire commissies op dit gebied; betreurt dat een grote meerderheid van de commissies nog geen actieplan voor gelijkheid tussen vrouwen en mannen voor hun werkzaamheden heeft goedgekeurd noch besproken; onderstreept het belang van samenwerking tussen de bevoegde organen en alle commissies met het oog op de uitwisseling van beste praktijken, ook via het netwerk voor gendermainstreaming, en van de vaststelling van een duidelijke, in het Reglement van het Parlement op te nemen procedure voor de goedkeuring van genderactieplannen voor alle commissies en delegaties; beveelt aan dat alle commissies eens in de twee jaar, gelijktijdig met het opstellen van het verslag over gendermainstreaming, een hoorzitting organiseren over gendermainstreaming binnen hun beleidsgebied;

28.  benadrukt dat het belangrijk is om de werking van het netwerk voor gendermainstreaming grondig te evalueren en op zoek te gaan naar manieren om zijn leden meer te betrekken en nog bewuster te maken; vindt dat de leden en plaatsvervangers van het netwerk voor gendermainstreaming toegewijd moeten zijn aan gendergelijkheid, maar merkt op dat zij niet noodzakelijkerwijs leden hoeven te zijn van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, zodat een grotere pool van leden zich kan inzetten voor gendermainstreaming; raadt aan dat regelmatig contact en uitwisselingen plaatsvinden tussen de bevoegde commissie en het netwerk;

29.  raadt aan dat het netwerk voor gendermainstreaming gezamenlijk wordt voorgezeten door een lid van de bevoegde commissie en een ander lid van het netwerk, dat op basis van een roulatiesysteem telkens uit een andere commissie komt, zodat het signaal wordt gegeven dat gendermainstreaming alle commissies betreft;

30.  is van oordeel dat er een intern toezichthoudend orgaan in het leven moet worden geroepen, dat belast wordt met de follow-up en evaluatie achteraf van de tenuitvoerlegging van instrumenten en acties; vraagt dat specifieke functieomschrijvingen worden opgesteld voor medewerkers die verantwoordelijk zijn voor gendermainstreaming binnen de commissies; verzoekt de bevoegde autoriteiten de vooruitgang op het gebied van gendermainstreaming binnen de commissies en delegaties twee maal per jaar te evalueren;

Interinstitutionele samenwerking ter ondersteuning van gendermainstreaming

31.  is van mening dat sterkere interinstitutionele banden zullen zorgen voor een beter genderevenwicht in de EU-beleidsvorming; merkt op dat er op het gebied gendermainstreaming nog geen gestructureerde samenwerking is opgezet met andere institutionele partners, zoals de Commissie, de Raad of het EIGE; roept de Commissie op om een passend kader voor te stellen voor de totstandbrenging van interinstitutionele samenwerking op het gebied van gendermainstreaming, en daarbij ook andere belanghebbenden op dit gebied te betrekken;

32.  verzoekt de Commissie te zorgen voor een follow-up van de resultaten van de openbare raadpleging en de standpunten van het Parlement en de Raad door onverwijld een mededeling vast te stellen over een nieuwe strategie voor gendergelijkheid en vrouwenrechten na 2015, in het kader waarvan gendergelijkheidskwesties in lijn met de internationale agenda worden aangepakt;

33.  raadt aan dat de Europese Ombudsman de Groep op hoog niveau inzake gendergelijkheid en diversiteit van het Parlement elk jaar informeert over klachten van wanbeheer die betrekking hebben op gendergelijkheid in het Parlement, met inachtneming van het Besluit van het Europees Parlement inzake het Statuut van de Europese Ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt;

34.  is van mening dat het delen van beste praktijken met andere organisaties ervoor zorgt dat de capaciteit in het Parlement opgebouwd wordt, en dat de implementatie van gendermainstreaming doeltreffender zal verlopen; roept op om op alle niveaus het delen van beste praktijken te organiseren met andere instellingen en organisaties zoals UN Women, de Raad van Europa, de EU-instellingen en de stakeholders die betrokken zijn bij het bevorderen van gendergelijkheid, zoals organen voor gendergelijkheid, de sociale partners en ngo's; stimuleert deelname aan specifieke programma's voor capaciteitsopbouw van andere internationale organisaties en raadt aan hun steun te winnen om op maat gemaakte programma's voor gendermainstreaming te organiseren;

35.  verzoekt het directoraat-generaal Personeelszaken om beste praktijken en technische bijstand op het gebied van gendergelijkheid en diversiteit uit te wisselen, bijvoorbeeld met het Amerikaans Congres en nationale organen voor gendergelijkheid, met betrekking tot het verbeteren van de positie van ondervertegenwoordigde raciale en etnische minderheden in het kader van aanwervingsprocedures voor kortlopende contracten en EPSO-aanwervingsprocedures; dringt erop aan aandacht te besteden aan stagiairs, en initiatieven en programma's te ontwikkelen ter bevordering van stageplaatsen voor jongeren, met name vrouwen, van ondervertegenwoordigde raciale en etnische minderheden;

36.  benadrukt dat het noodzakelijk is om een open, permanente dialoog te voeren met de nationale parlementen, om regelmatige gedachtewisselingen te realiseren, nieuwe technieken uit te wisselen en verslag uit te brengen van beleidseffectbeoordelingen, teneinde een gezamenlijke aanpak te bevorderen en verder te werken aan de ontwikkeling van beste praktijken op het gebied van gendermainstreaming; beveelt aan op gezette tijden interparlementaire bijeenkomsten inzake gendermainstreaming te organiseren;

o
o   o

37.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB C 341 E van 16.12.2010, blz. 35.
(2) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 65.
(3) PB C 251 E van 31.8.2013, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0050.
(5) PB C 61 E van 10.3.2004, blz. 384.
(6) PB C 244 E van 18.10.2007, blz. 225.
(7) PB C 184 E van 8.7.2010, blz. 18.
(8) PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 32.
(9) PB C 251 E van 31.8.2013, blz. 11.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0218.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0042.
(12) SWD(2015)0278.
(13) "Gendermainstreaming in commissies en delegaties van het Europees Parlement", beleidsondersteunende afdeling C van het Europees Parlement.


De situatie van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers in de EU
PDF 209kWORD 98k
Resolutie van het Europees Parlement van 8 maart 2016 over de situatie van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers in de EU (2015/2325(INI))
P8_TA(2016)0073A8-0024/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 8 en 78 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951 en het Protocol daarbij van 1967,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (IVDV) en algemene aanbeveling nr. 32 van 14 november 2014 van de IVDV-commissie inzake de gendergerelateerde aspecten van de vluchtelingenstatus, asiel, nationaliteit en de staatloosheid van vrouwen,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Overeenkomst van Istanbul),

–  gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking, die op 15 september 1995 zijn goedgekeurd op de vierde Wereldvrouwenconferentie, en de latere slotdocumenten die zijn aangenomen op de speciale zittingen van de Verenigde Naties "Peking+5", "Peking+10", en "Peking+15", en "Peking+20",

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 mei 2015 getiteld "Een Europese migratieagenda" (COM(2015)0240),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 mei 2015 getiteld "EU-actieplan tegen migrantensmokkel (2015-2020)" (COM(2015)0285),

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 oktober 2015 over migratie, en met name de sterke betrokkenheid bij de mensenrechten van vrouwen en meisjes die daarin tot uiting wordt gebracht,

–  gezien Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers hiervan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad,

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit van de Raad 2001/220/JBZ,

–  gezien Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming,

–  gezien Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven,

–  gezien Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming,

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor de toepassing van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, en tot wijziging van Richtlijn 2013/32/EU (COM(2015)0452),

–  gezien Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming,

–  gezien Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend,

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 oktober 2015 getiteld "Genderactieplan 2016‑2020",

–  gezien het gezamelijke werkdocument van de diensten van de Commissie en van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 25 maart 2015 met de titel "Implementation of the European Neighbourhood Policy in 2014" (Tenuitvoerlegging van het Europees nabuurschapsbeleid in 2014) (SWD(2015)0076),

–  gezien de resoluties 1325 en 1820 van de VN-Veiligheidsraad (UNSCR) over vrouwen, vrede en veiligheid,

–  gezien zijn resolutie van 2 december 2015 over het speciaal verslag van de Europese Ombudsman betreffende het onderzoek op eigen initiatief naar Frontex (OI/5/2012/BEH-MHZ)(1),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0024/2016),

A.  overwegende dat een ongekend en toenemend aantal mannen, vrouwen en kinderen internationale bescherming zoekt in de EU ten gevolge van aanhoudende conflicten, regionale instabiliteit en schendingen van de mensenrechten, waaronder op gender gebaseerd geweld en verkrachting als oorlogswapen;

B.  overwegende dat er in de Europese Unie een sterke mate van genderongelijkheid bestaat onder asielzoekers; overwegende dat vrouwen gemiddeld een derde van de asielaanvragers uitmaken; overwegende dat tussen januari en november 2015 ongeveer 900 000 mensen de Europese kust hebben bereikt via de Middellandse Zee en dat ongeveer 38 % hiervan vrouwen en kinderen zijn; overwegende dat de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen (UNHCR) melding heeft gemaakt dat sinds januari 2016, 55 % van degenen die Griekenland bereikt hebben om asiel aan te vragen, uit vrouwen en kinderen bestond; overwegende dat reeds te veel personen om het leven zijn gekomen tijdens hun door hoop ingegeven reis en dat velen van hen vrouwen zijn;

C.  overwegende dat vrouwen en LGBTI-personen te maken hebben met specifieke vormen van op gender gebaseerde vervolging, wat nog al te vaak niet wordt erkend in de asielprocedures;

D.  overwegende dat de belangrijkste doelstelling van Resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid, te weten het beschermen van vrouwen en het aanmerkelijk versterken van hun deelname aan politieke en besluitvormingsprocessen, niet is verwezenlijkt;

E.  overwegende dat volgens de UNHCR jaarlijks naar schatting 20 000 vrouwen en meisjes afkomstig uit landen waar vrouwelijke genitale verminking voorkomt, asiel zoeken in de EU-lidstaten; overwegende dat een aanzienlijk aantal vrouwen die een asielaanvraag indienen, dit doet vanwege angst voor vrouwelijke genitale verminking (VGV);

F.  overwegende dat volgens de UNHCR naar schatting 71 % van de vrouwelijke asielaanvragers in de EU vanuit landen waar VGV wordt toegepast, overlevenden van VGV zijn; overwegende dat op grond van rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens de uitzetting is stopgezet van meisjes die het gevaar lopen slachtoffer van genitale verminking te worden en daarmee het risico lopen dat hun lichamelijke en geestelijke gezondheid onherstelbaar wordt beschadigd;

G.  overwegende dat vrouwen en meisjes die asiel zoeken specifieke beschermingsbehoeften en andere zorgen dan mannen hebben, hetgeen vereist dat de uitvoering van alle asielbeleidsmaatregelen en ‑procedures, met inbegrip van de beoordeling van asielaanvragen, gendergevoelig en individueel is; overwegende dat geweldgerelateerde asielaanvragen moeten worden behandeld op een manier die vrouwen beschermt tegen secundaire victimisatie tijdens de asielprocedure;

H.  overwegende dat het integratieproces en de rechten van vrouwen en meisjes worden ondermijnd wanneer hun rechtspositie afhankelijk is van hun echtgenoot;

I.  overwegende dat de betreffende maatregelen die het gemeenschappelijk Europees asielstelsel vormen omgezet en uitgevoerd moeten worden overeenkomstig het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen, en andere toepasselijke instrumenten;

J.  overwegende dat de behandeling van vrouwen en meisjes die asiel zoeken in de lidstaten sterk uiteenloopt en er nog steeds sprake is van zeer grote tekortkomingen;

K.  overwegende dat vrouwelijke vluchtelingen en vrouwen die asiel zoeken vaak het slachtoffer zijn van meervoudige discriminatie en kwetsbaarder zijn voor seksueel en op gender gebaseerd geweld in de landen van herkomst, van doorreis en bestemming; overwegende dat met name niet-begeleide vrouwen en meisjes, vrouwen die hoofd van een gezin zijn, zwangere vrouwen, personen met een handicap en ouderen kwetsbaar zijn;

L.  overwegende dat vrouwelijke vluchtelingen niet alleen te kampen hebben met bedreigingen van hun persoonlijke veiligheid (een lange en gevaarlijke reis in ballingschap, intimidatie, ambtelijke onverschilligheid en met regelmaat seksueel misbruik en geweld, zelfs als ze een ogenschijnlijk veilige plek hebben bereikt en met de sociale stigmatisering die daar het gevolg van is), maar dat zij ook moeten zorgen voor de fysieke veiligheid, het welzijn en het overleven van hun gezin;

M.  overwegende dat veel vluchtelingen die in Europa zijn aangekomen in provisorische omstandigheden in kampen of op straat leven, en dat vooral vrouwen en meisjes kwetsbaar zijn;

N.  overwegende dat criminele netwerken misbruik maken van het ontbreken van een veilige doorgang naar de EU voor asielzoekers en vluchtelingen, de regionale instabiliteit, conflicten en de kwetsbaarheid van vrouwen en meisjes die proberen te vluchten, om hen middels mensenhandel en seksuele uitbuiting te exploiteren;

O.  overwegende dat vrouwelijke slachtoffers van geweld en mensenhandel een groter risico lopen op seksueel overdraagbare aandoeningen;

P.  overwegende dat het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen (UNHCR) melding heeft gemaakt van misbruik van en geweld, waaronder seksueel geweld, tegen gevluchte vrouwen en kinderen, tijdens hun reis en in overbevolkte opvangcentra in de EU;

Q.  overwegende dat vrouwen en meisjes die een veilig heenkomen zoeken in de EU vaak vluchten voor een regime dat vrouwen onderdrukt, de gelijkheid tussen man en vrouw niet erkent, geweld tegen vrouwen en misbruik van vrouwen gedoogt en kindhuwelijken, gedwongen huwelijken en huwelijken op jonge leeftijd toestaat;

R.  overwegende dat de opvangcentra heel vaak niet zijn uitgerust met ruimten waar moeders hun kinderen kunnen verzorgen; en dat de voorzieningen voor rechtsbijstand geen passende ondersteuning bieden bij het verkrijgen van inlichtingen en de zoektocht naar familieleden;

S.  overwegende dat in de opvang- en doorgangscentra in de gehele Europese Unie niet wordt tegemoetgekomen aan de meest elementaire behoeften die gendergerelateerd geweld kunnen voorkomen, namelijk gescheiden badkamers, douches en slaapruimten voor vrouwen;

T.  overwegende dat meisjes die voor conflicten en vervolging vluchten een verhoogd risico lopen op kindhuwelijken, gedwongen huwelijken, huwelijken op jonge leeftijd, verkrachting, seksueel misbruik en mishandeling, en prostitutie;

U.  overwegende dat scheiding van hun familieleden, onder meer wanneer zij worden vastgehouden, vrouwen en kinderen aan grotere risico's blootstelt;

V.  overwegende dat gezinshereniging een grondrecht is dat evenwel stelselmatig wordt vertraagd en zelfs geschonden, en dat vrouwen en kinderen de eerste slachtoffers zijn van de ontzegging of vertraging van dit recht;

W.  overwegende dat vrouwen dikwijls worden gedwongen om zwartwerk en werk tegen vernederende voorwaarden te accepteren om maar in het land van aankomst te kunnen blijven;

X.  overwegende dat het actieprogramma van Peking duidelijk heeft gemaakt dat vrouwen op besluitvormingsniveau moeten deelnemen aan de oplossing van conflicten, en vrouwelijke vluchtelingen, ontheemde vrouwen en vrouwelijke migranten op passende wijze betrokken moeten worden bij besluiten die op hen van toepassing zijn;

Y.  overwegende dat de vijfde doelstelling inzake duurzame ontwikkeling erop is gericht tegen 2030 gendergelijkheid en betere levensomstandigheden voor vrouwen tot stand te brengen;

1.  is van mening dat, om de beveiliging en veiligheid van vrouwen en meisjes onder de vluchtelingen te verbeteren, veilige en legale routes naar de EU beschikbaar moeten worden gesteld aan hen die voor conflicten en vervolging vluchten, en dat daarbij het genderaspect in aanmerking moet worden genomen; benadrukt in het bijzonder dat meer lidstaten moeten deelnemen aan de hervestigingsprogramma's van de EU; is van oordeel dat wetgeving en beleid inzake irreguliere migratie niet aan de toegang tot EU-asielprocedures in de weg mag staan; benadrukt dat het recht op asiel is verankerd in artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de EU;

2.  onderstreept dat er dringend rechtstreekse legale en veilige asielroutes moeten worden opengesteld om smokkelnetwerken tegen te gaan en vrouwen, kinderen, bejaarden en personen met een handicap beter in staat te stellen om zonder gevaar voor eigen leven een veilig heenkomen te zoeken; maakt zich grote zorgen over sterfgevallen, terugdringoperaties en ernstige schendingen van mensenrechten aan de buitengrenzen van de EU; is van mening dat de verantwoordelijkheid en de kosten en baten moeten worden verdeeld over alle 28 lidstaten en niet slechts over de landen van binnenkomst; betreurt het gebrek aan solidariteit tussen de EU-lidstaten;

3.  benadrukt hoe belangrijk het is dat vrouwelijke vluchtelingen in individuele procedures worden ingeschreven en de relevante documenten ontvangen om hun individuele veiligheid, de vrijheid van verkeer en de toegang tot diensten op het gebied van de eerste levensbehoeften te garanderen, zoals de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen eist;

4.  benadrukt dat de coördinatiecomités en andere instanties die de vluchtelingen vertegenwoordigen, hetzij in stedelijke of plattelandsgebieden, hetzij in de vluchtelingenkampen of de terugkeergebieden, het beginsel van gendergelijkheid in acht moeten nemen, teneinde de eerbiediging van de rechten en behoeften van vrouwelijke vluchtelingen en vrouwen die asiel zoeken te waarborgen;

5.  vraagt alle lidstaten en de Europese Unie nogmaals om het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Overeenkomst van Istanbul) te ondertekenen en te ratificeren;

6.  verzoekt de lidstaten om samen met de EU gespecialiseerde traumatherapie en psychosociale zorg te waarborgen voor vrouwen die gendergerelateerd leed hebben ondervonden, met de rechtstreekse betrokkenheid van vrouwen die gekwalificeerd en gespecialiseerd zijn op dit terrein;

7.  uit zijn ernstige zorgen over meldingen dat vrouwen en kinderen zich overgeven aan overlevingsseks om smokkelaars te betalen, teneinde hun reis naar de EU voort te zetten en daar asiel aan te vragen; benadrukt nogmaals dat veilige en legale routes naar Europa van cruciaal belang zijn om deze realiteit doeltreffend te voorkomen;

8.  dringt er bij de EU op aan dat zij bij het opzetten van een klachtenmechanisme in het bureau van de grondrechtenfunctionaris bij Frontex tevens oog heeft voor genderspecifieke kwesties, en de mensenrechtenschendingen door Frontex, de lidstaten en functionarissen van derde landen in het kader van de samenwerking met Frontex, naar behoren aan te pakken, zoals het Europees Parlement verzocht heeft in zijn resolutie van 2 december 2015 over het speciaal verslag van de Europese Ombudsman betreffende het onderzoek op eigen initiatief naar Frontex (OI/5/2012/BEH-MHZ);

9.  verzoekt om gerichte maatregelen om de volledige integratie van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers te waarborgen door iedere vorm van uitbuiting, misbruik, geweld en mensenhandel te voorkomen;

10.  benadrukt dat bij de ontwikkeling, tenuitvoerlegging en evaluatie van EU-beleidslijnen en ‑maatregelen op het gebied van migratie en asiel altijd rekening moet worden gehouden met genderaspecten;

Genderaspecten van de vaststelling van de vluchtelingenstatus

11.  verzoekt om een nieuwe, alomvattende reeks EU-brede genderrichtsnoeren, die moet worden vastgesteld als onderdeel van bredere hervormingen van het migratie- en asielbeleid, die volledig recht doen aan de sociale, culturele en politieke dimensie van vervolging en onder meer maatregelen omvatten op het gebied van opvang en integratie;

12.  onderstreept dat zelfs in veilig gewaande landen vrouwen het slachtoffer kunnen zijn van op gender gebaseerde vervolging, terwijl LGBTI-personen ook te maken kunnen krijgen met mishandeling, waardoor ze een legitiem verzoek om bescherming kunnen indienen; verzoekt alle lidstaten om asielprocedures vast te stellen en te streven naar de ontwikkeling van opleidingsprogramma's die ingaan op de behoeften van vrouwen met diverse gemarginaliseerde identiteiten, waaronder LGBTI-vrouwen; dringt er bij de lidstaten op aan om schadelijke stereotypen over het gedrag en de eigenschappen van LGBTI-vrouwen te bestrijden en om ten aanzien van hun asielaanvragen het Europees Handvest van de grondrechten volledig toe te passen; benadrukt het belang van LGBTI-gevoelige opvangcentra in alle lidstaten; benadrukt dat geweld tegen LGBTI-personen regelmatig voorkomt in opvangcentra;

13.  benadrukt dat gendergerelateerde vormen van geweld, met inbegrip van (maar niet beperkt tot) vrouwelijke genitale verminking, gedwongen huwelijken, huiselijk geweld, verkrachting, seksueel geweld en zogeheten eermisdrijven, vormen van vervolging zijn en geldige motieven zijn om asiel aan te vragen en dit moet worden weerspiegeld in de nieuwe genderrichtsnoeren;

14.  verzoekt de Commissie op grondige wijze statistieken te verzamelen over migratie en internationale bescherming met het oog op de toevoeging van meer naar gender uitgesplitste gegevenscategorieën, met name in verband met stadia van de asielprocedure na de vaststelling van een eerste besluit;

15.  dringt er bij de Commissie op aan interpretatierichtsnoeren te ontwikkelen ten aanzien van vrouwelijke genitale verminking, die ten volle rekening houden met de UNHCR-richtsnoeren over op gender gebaseerde vervolging en de VGV-leidraad, en de verplichtingen van lidstaten duidelijk uiteenzetten, met speciale aandacht voor het identificeren van en communiceren met kwetsbare asielzoekers; benadrukt dat overlevenden van VGV hun trauma als gevolg van VGV wellicht moeilijk zullen kunnen uiten; verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat alle vormen van geweld tegen vrouwen, met inbegrip van genitale verminking, worden erkend als een vorm van vervolging, zodat de slachtoffers uit hoofde van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen worden beschermd, overeenkomstig artikel 60 van de Overeenkomst van Istanbul;

16.  roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat asielprocedures aan de grens voldoen aan de UNHCR-richtsnoeren inzake internationale bescherming, in het bijzonder met betrekking tot gendergerelateerde vervolging, alsook aan de UNHCR-richtsnoeren inzake verzoeken tot toekenning van de status van vluchteling op grond van seksuele gerichtheid en/of genderidentiteit, waarin duidelijk wordt uiteengezet aan welke verplichtingen de lidstaten moeten voldoen;

17.  verzoekt de Commissie gezien deze situatie te overwegen de financiering en reikwijdte van de Daphne- en Odysseus-programma's te vergroten en de mogelijkheid te overwegen deze programma's aan te passen aan de huidige situatie, ter bescherming van vrouwelijke vluchtelingen;

18.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie tot vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst; eist dat alle passende stappen worden ondernomen om ervoor te zorgen dat deze aanpak overeenstemt met het beginsel van non-refoulement en dat de rechten van vrouwen, kinderen en andere kwetsbare groepen niet worden ondermijnd; verzoekt om de toepassing van genderdifferentiatie; is van mening dat een lijst met veilige landen van herkomst niet mag resulteren in een minder gunstige procedurele behandeling van vrouwen die asiel aanvragen op basis van hun angst voor of ervaringen met gendergerelateerd geweld; benadrukt dat haastige besluiten moeten worden voorkomen waarbij onvoldoende rekening wordt gehouden met het gevaar of zelfs het levensgevaar voor vrouwen die slachtoffer zijn van op gender gebaseerd geweld als hun verzoek wordt afgewezen en ze moeten terugkeren naar hun eigen land;

19.  verzoekt om meer objectieve en gendergevoelige benaderingen van de geloofwaardigheidsbeoordelingen in alle lidstaten, en betere scholing van besluitvormers wat geloofwaardigheidsbeoordelingen betreft, en dat in deze scholing genderaspecten worden opgenomen; beklemtoont dat geloofwaardigheidsbeoordelingen nimmer volledig accuraat kunnen zijn en derhalve niet mogen worden gebruikt als basis voor een negatief asielbesluit; beveelt aan om bij de beoordeling van asielaanvragen van vrouwen rekening te houden met culturele, sociale en psychologische profielen, met inbegrip van culturele achtergrond, opleiding, trauma, angst, schaamte en/of culturele ongelijkheden tussen mannen en vrouwen;

20.  verzoekt de lidstaten positieve asielbesluiten te motiveren, teneinde de beschikking te hebben over bruikbare gegevens betreffende de aandacht die aan gender gebaseerd geweld besteed is en om te zorgen voor transparantie inzake de gronden waarop asielaanvragen uit hoofde van het Verdrag zijn gehonoreerd;

21.  dringt er bij de lidstaten op aan vrouwen te informeren over de asielprocedure, hun rechten en de specifieke voorzieningen voor vrouwen die asiel aanvragen; onderstreept het recht van vrouwen om onafhankelijk van hun echtgenoot een asielaanvraag in te dienen en wijst erop dat dit recht cruciaal is voor de positie van de vrouw en het beginsel van non-refoulement; dringt er bij de lidstaten op aan alle vrouwen te informeren over hun recht om een zelfstandige asielaanvraag in te dienen, zodat vrouwen de vluchtelingen- of asielstatus kunnen aanvragen en behouden ongeacht de situatie van hun gezinsleden;

22.  roept de lidstaten op om Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan en Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten volledig ten uitvoer te leggen;

23.  is van mening dat er bij vermoedens van gendergerelateerd geweld onmiddellijk humanitaire hulp moet worden geboden, aangezien kwetsbare groepen, zoals vrouwen en kinderen, langs de illegale migratieroutes in hoge mate aan fysiek en geestelijk geweld worden blootgesteld en allerlei rechten worden onthouden;

24.  benadrukt dat vrouwen en meisjes bijzonder kwetsbaar zijn voor uitbuiting door smokkelaars; verzoekt de lidstaten derhalve hun politiële en justitiële samenwerking, waaronder die met Europol, Frontex, Eurojust en het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), te versterken teneinde de migrantensmokkel en ‑handel doeltreffend te bestrijden;

25.  benadrukt dat het van cruciaal belang is om kinderopvang en zorg aan zorgbehoevenden te bieden tijdens de screening- en asielgesprekken, zodat een eerlijke kans wordt geboden om een asielaanvraag in te dienen;

Behoeften van vrouwen in asielprocedures

26.  dringt er bij de lidstaten op aan vrouwen die asiel aanvragen naar behoren te informeren over hun rechten en met name het recht om te verzoeken om een vrouwelijke gehoormedewerker en tolk, en het recht op een persoonlijk gehoor, gescheiden van derde partijen; dringt er bij de lidstaten op aan gehoormedewerkers en tolken uitgebreid en verplicht te scholen over seksueel geweld, trauma en geheugen; dringt er bij de lidstaten op aan te waarborgen dat deze rechten worden nageleefd; dringt er bij de lidstaten op aan dat artikel 15, lid 3, van de richtlijn asielprocedures wordt nageleefd;

27.  constateert met bezorgdheid dat veel functionarissen bij de asielopvang in de EU niet bekend zijn met VGV; vraagt de lidstaten op nationaal niveau samen te werken met de asielautoriteiten om te zorgen voor betere procedures en zo bij te dragen aan de ondersteuning en bijstand van vrouwen en meisjes die VGV hebben ondergaan of gevaar daarop lopen;

28.  dringt er bij alle lidstaten op aan om geactualiseerde en toegankelijke informatie te verstrekken over de specifiek voor vrouwelijke asielaanvragers geldende asielprocedure, ‑rechten en ‑aanspraken;

29.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te zorgen voor volledige toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, met inbegrip van toegang tot veilige abortus, en dringend extra middelen toe te wijzen aan de verlening van gezondheidszorg;

30.  vraagt de Commissie en de lidstaten met klem om vrouwen te beschermen en te ondersteunen tijdens het verblijf in vluchtelingenkampen, bij grenscontroles en uiteraard na binnenkomst in de EU;

31.  dringt er bij alle lidstaten op aan het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Overeenkomst van Istanbul) te ratificeren en uitvoering te geven aan artikel 59 daarvan, waarin duidelijk is bepaald dat de partijen de maatregelen nemen die nodig zijn om te waarborgen dat de uitzettingsprocedure van vrouwelijke migranten wier verblijfstitel afhangt van die van hun echtgenoot bij beëindiging van het huwelijk wordt opgeschort en/of dat deze vrouwen een eigen verblijfsvergunning krijgen;

32.  roept ertoe op om vrouwelijke asielzoekers en migranten een rechtspositie te verlenen die niet afhangt van die van hun echtgenoot, teneinde uitbuiting te vermijden, hun kwetsbaarheid te verminderen en te zorgen voor meer gelijkheid;

33.  benadrukt dat (al dan niet meerderjarige) migrantes zonder papieren volledige toegang moeten hebben tot hun grondrechten en dat er kanalen voor legale migratie moeten worden ontwikkeld;

34.  wijst op de noodzaak van procedures voor gezinshereniging teneinde te voorzien in de individuele rechten van vrouwen en meisjes die zich in de EU met hun gezin herenigen, zodat zij voor gezondheidszorg, onderwijs en werk niet afhankelijk hoeven te zijn van een relatie met een mannelijk familielid, waarbij mogelijk sprake is van misbruik;

35.  veroordeelt ten stelligste het gebruik van seksueel geweld tegen vrouwen als oorlogswapen; is van mening dat bijzondere aandacht moet worden geschonken aan (al dan niet meerderjarige) migrantes die tijdens conflicten zijn misbruikt, door te waarborgen dat zij toegang hebben tot medische en psychische ondersteuning;

36.  verwelkomt de ontwikkeling van een nieuwe opleidingsmodule inzake gender, genderidentiteit en seksuele oriëntatie door het EASO; vraagt om volledige opname van gendermainstreaming en genderbewuste budgettering in de werkzaamheden van het EASO door middel van gendersteunpunten en een formele koppeling met het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE); vraagt om informatie over het land van herkomst die tevens de toestand van vrouwen omvat, zowel wettelijk als in de praktijk, met inbegrip van informatie over vervolging of het gevaar daarop door niet-overheidsactoren;

37.  moedigt alle lidstaten aan volledig gebruik te maken van de Dublinverordening en te zorgen dat gezinnen samen kunnen zijn en dat hun asielaanvragen door dezelfde autoriteiten worden behandeld;

Opvang en detentie

38.  roept ertoe op een einde te maken aan de opsluiting van kinderen in de EU en te zorgen voor huisvesting op maat waar ouders in afwachting van hun asielbesluit samen met hun kinderen kunnen wonen;

39.  onderstreept dat detentie van asielzoekers moet worden vermeden en uitsluitend mag worden toegepast voor een legitiem doel en indien voor elk geval apart is vastgesteld dat dit zowel nodig als evenredig is, en detentie nooit gerechtvaardigd kan zijn voor personen die de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt hebben; is van mening dat eerbiediging van het recht om asiel aan te vragen met zich meebrengt dat er open en humane opvangregelingen voor asielzoekers bestaan, waaronder een veilige, fatsoenlijke behandeling met eerbiediging van de mensenrechten; benadrukt dat er alternatieven voor detentie moeten worden ontwikkeld, waaronder een op verbintenissen gerichte aanpak die tegemoetkomt aan de behoeften van kwetsbare groepen;

40.  beklemtoont dat vele vrouwelijke asielzoekers en vluchtelingen buitensporig geweld hebben ondergaan en dat detentie hun trauma's kan verergeren; benadrukt dat detentie van asielzoekers voor louter bestuurlijk gemak in strijd is met het recht op vrijheid, zoals uiteengezet in artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; verzoekt dat in alle lidstaten onmiddellijk een einde wordt gemaakt aan de detentie van kinderen, zwangere en borstvoeding gevende vrouwen en overlevenden van verkrachting, seksueel geweld en mensenhandel, en dat passende psychologische ondersteuning beschikbaar wordt gesteld;

41.  dringt er bij alle lidstaten op aan de maximale duur van de detentie met het oog op verwijdering zodanig te beperken dat deze korter is dan de in de terugkeerrichtlijn vermelde termijn; is van mening dat langdurige detentie kwetsbare groepen onevenredig treft;

42.  dringt erop aan dat vrouwelijke asielzoekers in detentie die te maken hebben gekregen met seksueel geweld, passend medisch advies en passende medische counseling krijgen, ook als ze door het seksueel geweld zwanger zijn geraakt, en tevens de vereiste lichamelijke en geestelijke gezondheidszorg, ondersteuning en juridische bijstand moeten ontvangen; eist dat de Commissie en de lidstaten onmiddellijke maatregelen nemen om te zorgen voor veilige en adequate omstandigheden voor opvang, doorreis en detentie, met gescheiden accommodatie en sanitaire voorzieningen voor vrouwen en gezinnen; wijst erop dat het beschikbaar stellen van hygiëne-artikelen voor vrouwen en meisjes standaard deel moet uitmaken van zorgprogramma's;

43.  benadrukt dat door een directe en indirecte betrokkenheid van vrouwelijke vluchtelingen bij het regelen van de verdeling van voedsel en niet-levensmiddelen gewaarborgd wordt dat deze direct worden verdeeld en beheerd door de volwassen vrouwelijke gezinsleden, zodat ze ook eerlijk worden verdeeld;

44.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de centra waar vluchtelingen en asielzoekers worden opgevangen uit te rusten met passende ruimten waar deze hun kinderen kunnen verzorgen;

45.  verzoekt de lidstaten om te zorgen voor de tenuitvoerlegging of versterking van mechanismen voor toezicht op overbevolkte opvangcentra in de Unie waar niet wordt voldaan aan de nodige minimumvoorwaarden voor het verminderen van gendergeweld en om aldus te voorkomen dat vrouwen en kinderen ook in het land van aankomst worden geïntimideerd;

46.  wijst erop dat de behoeften van kwetsbare groepen zoals vrouwelijke slachtoffers van geweld en meisjes, met name niet-begeleide meisjes, voorrang moeten krijgen bij de opvangprocedures;

47.  wijst erop hoe belangrijk het is dat vrouwen passende rechtsbijstand krijgen in de opvangcentra opdat zij daadwerkelijk ondersteund worden bij het verkrijgen van informatie en de zoektocht naar familieleden;

48.  verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen ter voorkoming van gedwongen huwelijken waaraan meisjes en vrouwen, zodra zij de vluchtelingenstatus hebben verkregen, worden blootgesteld om zekere toegang te waarborgen voor mannen die daartoe anders geen recht hadden;

49.  benadrukt de dringende behoefte aan onafhankelijk onderzoek van alle beschuldigingen, met inbegrip van seksueel misbruik en gendergerelateerd geweld, in detentiecentra voor immigranten of aan de grenzen, en aan verlening van toegang aan journalisten en relevante maatschappelijke organisaties;

50.  wijst erop dat, wanneer vrouwelijke asielzoekers in bewaring worden gehouden, er faciliteiten en materialen vereist zijn om aan de specifieke hygiënische behoeften van vrouwen te voldoen, dat het inzetten van vrouwelijke bewakers en cipiers moet worden bevorderd, en dat al het personeel dat werkt met vrouwelijke gedetineerden scholing moet krijgen over de genderspecifieke behoeften en de mensenrechten van vrouwen;

51.  is van mening dat vrouwelijke asielzoekers in detentie die melding maken van misbruik, onmiddellijk bescherming, ondersteuning en counseling moeten krijgen en dat hun beweringen moeten worden onderzocht door bevoegde en onafhankelijke autoriteiten, met volledige naleving van het beginsel van vertrouwelijkheid, ook wanneer vrouwen in bewaring worden gehouden samen met hun echtgenoten, partners of andere familieleden; wijst er op dat beschermingsmaatregelen in het bijzonder rekening moeten houden met het gevaar voor vergelding;

52.  vraagt de Commissie, de lidstaten en de lokale autoriteiten om samen met het maatschappelijk middenveld en de mensenrechtenorganisaties te werken aan het verlichten van de benarde situatie van vluchtelingen die zich moeten handhaven in provisorische omstandigheden, en dan met name de situatie van kwetsbare vrouwen en meisjes;

Sociale inclusie en integratie

53.  verzoekt de lidstaten specifieke maatregelen te ontwikkelen en uit te voeren ter bevordering van de arbeidsmarktparticipatie van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers, onder meer in de vorm van taalcursussen, alfabetiseringsprogramma's, een leven lang leren en scholing; roept de Commissie, de lidstaten en de lokale autoriteiten op om het recht van meisjes in vluchtelingenkampen op toegang tot wettelijk verplicht onderwijs te waarborgen; benadrukt het belang van informeel en niet-formeel onderwijs en culturele uitwisseling ten behoeve van de inclusie en verbetering van de positie van jonge vrouwen en meisjes; benadrukt het belang van een verruimde toegang tot hoger onderwijs voor vrouwelijke vluchtelingen; verzoekt om solide en transparante procedures voor de erkenning van in het buitenland behaalde kwalificaties;

54.  roept de Commissie en de lidstaten op financiering en andere middelen beschikbaar te stellen voor maatschappelijke en mensenrechtenorganisaties die bijstand verlenen, inclusie bevorderen en de toestand van vluchtelingen en asielzoekers in de EU monitoren, in het bijzonder ten aanzien van de aanpak van de obstakels en kwetsbaarheden waarmee vrouwen en meisjes worden geconfronteerd;

55.  verzoekt de lidstaten en de Commissie ervoor te zorgen dat gevluchte vrouwelijke leiders die in hun land van herkomst worden vervolgd, veilig hun politieke en sociale activiteiten ten gunste van de rechten van vrouwen en gendergelijkheid binnen de EU kunnen uitvoeren;

56.  beklemtoont het essentiële belang van toegankelijke en kwalitatief goede kinderopvang en opvang van andere zorgbehoevenden bij de bevordering van de versterking van de economische en maatschappelijke positie van vrouwelijke vluchtelingen;

57.  moedigt de lidstaten aan om gebruik te maken van de structuur- en investeringsfondsen, ter aanvulling van het Fonds voor asiel, migratie en integratie, om de integratie van vluchtelingen op de arbeidsmarkt te bevorderen, met bijzondere aandacht voor kinderopvang;

58.  verzoekt om snellere, meer efficiënte gezinsherenigingsprocedures en de verzameling van naar gender uitgesplitste gegevens met betrekking tot besluiten inzake gezinshereniging; benadrukt het belang van toegang tot juridische bijstand in gevallen van gezinshereniging;

59.  is van mening dat wederzijdse erkenning van positieve asielbesluiten leidt tot grotere kansen op banen, integratie en gezinshereniging;

60.  benadrukt dat de gastlanden moeten zorgen voor volledige toegang tot het recht op gratis openbaar onderwijs van hoge kwaliteit, tot gezondheidsdiensten, met name op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, tot werkgelegenheid die overeenkomt met de behoeften en capaciteiten van vrouwelijke vluchtelingen, en tot huisvesting, waarbij tegemoet wordt gekomen aan de behoeften van vrouwen en meisjes die vluchteling zijn; benadrukt dat sociaal beleid van cruciaal belang is voor integratie;

61.  pleit voor uitgebreide programma's met adequate middelen ter invulling van de gezondheidsbehoeften van vrouwelijke vluchtelingen op korte en lange termijn waaraan nog niet wordt voldaan, met inbegrip van psychosociale counseling en traumatherapie;

62.  benadrukt de belangrijke positieve rol die sociale ondernemingen en alternatieve bedrijfsmodellen, zoals mutualiteiten en coöperaties, kunnen vervullen in het bieden van economische mogelijkheden aan vrouwelijke vluchtelingen en de integratie van deze vrouwen op de arbeidsmarkt en in de sociale en culturele sfeer;

63.  spoort aan tot het delen van optimale praktijken tussen de lidstaten ten aanzien van de betrokkenheid van gemeenschapsorganisaties, evenals van vluchtelingen zelf, die de standpunten van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers bij de beleidsmakers vertegenwoordigen;

64.  is van mening dat de regionale en lokale overheden een fundamentele rol spelen bij de integratie van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers, met name als het gaat om hun opname op de arbeidsmarkt; spoort deze overheden voorts aan de dialoog en de uitwisseling tussen vrouwelijke vluchtelingen en autochtone vrouwen te bevorderen;

o
o   o

65.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de UNHCR.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0422.

Juridische mededeling