Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2353(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0224/2016

Ingediende teksten :

A8-0224/2016

Debatten :

PV 05/07/2016 - 9
CRE 05/07/2016 - 9

Stemmingen :

PV 06/07/2016 - 6.9
CRE 06/07/2016 - 6.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0309

Aangenomen teksten
PDF 325kWORD 138k
Woensdag 6 juli 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
Voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel
P8_TA(2016)0309A8-0224/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2016 over de voorbereiding van de post-electorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel (2015/2353(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 311, 312 en 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(1), en met name artikel 2,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2015/623 van 21 april 2015 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2),

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5),

–  gezien zijn resolutie van 15 april 2014 getiteld "Onderhandelingen over het MFK 2014-2020: welke lessen kunnen worden getrokken en hoe moet het verder?"(6),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2013 over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de instellingen die de nationale regeringen vertegenwoordigen(7),

–  gezien zijn resoluties van 19 november 2013 over het MFK 2014-2020(8) en over het Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(9),

–  gezien zijn resolutie van 3 juli 2013 over het politiek akkoord over het MFK 2014-2020(10),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2013 over het meerjarig financieel kader(11),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2012 over het bereiken van een positief resultaat van de goedkeuringsprocedure van het meerjarig financieel kader 2014-2020(12),

–  gezien zijn resolutie van 8 juni 2011 getiteld "Investeren in de toekomst: een nieuw meerjarig financieel kader (MFK) voor een concurrerend, duurzaam en integratiegericht Europa"(13),

–  gezien de interinstitutionele gezamenlijke verklaring over gendermainstreaming die bij het MFK is gevoegd,

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 15 juni 2016 over de tussentijdse toetsing van het meerjarig financieel kader,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie internationale handel, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie constitutionele zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid(A8-0224/2016),

A.  overwegende dat het huidige meerjarig financieel kader (MFK) voor het eerst is vastgesteld onder de nieuwe bepalingen van het Verdrag van Lissabon, waarin staat dat de Raad volgens een bijzondere wetgevingsprocedure de MFK-verordening met eenparigheid van stemmen vaststelt, na goedkeuring door het Europees Parlement;

B.  overwegende dat het huidige MFK, waarover in 2013 overeenstemming werd bereikt, de prioriteiten ten tijde van de vaststelling ervan weerspiegelt; overwegende dat de EU ook in de komende jaren voor uitdagingen zal komen te staan die niet waren voorzien toen het MFK werd goedgekeurd; overwegende dat de financieringsprioriteiten van de EU zijn verveelvoudigd, terwijl het MFK onveranderd is gebleven;

C.  overwegende dat het Parlement, teneinde de democratische legitimiteit van het nieuwe MFK te waarborgen en de nieuwe Commissie en het nieuwgekozen Parlement in de gelegenheid te stellen de politieke en begrotingsprioriteiten van de EU te beoordelen en te bekrachtigen, op een postelectorale herzieningsclausule had aangedrongen;

D.  overwegende dat het akkoord over het MFK 2014-2020 het resultaat was van een lang en zwaar onderhandelingsproces, dat plaatsvond in een zeer moeilijke sociale, economische en financiële context; overwegende dat het MFK uiteindelijk over de hele linie werd verlaagd in vergelijking met de voorgaande programmeringsperiode;

E.  overwegende dat het Parlement, nadat het politiek gezien onhaalbaar was gebleken om de door de Europese Raad overeengekomen totale MFK-bedragen te veranderen, in de onderhandelingen wel met succes heeft aangedrongen op de opname in de MFK-verordening van een specifiek artikel betreffende een verplichte en alomvattende toetsing/herziening van het MFK, de vaststelling van nieuwe en aangescherpte flexibiliteitsbepalingen, en de oprichting van een Groep op hoog niveau voor eigen middelen;

Wettelijk kader en toepassingsgebied van de tussentijdse toetsing/herziening

1.  herinnert eraan dat - in overeenstemming met artikel 2 van de MFK-verordening - de Commissie het MFK vóór eind 2016 aan een toetsing moet onderwerpen en daarbij rekening moet houden met de economische situatie op dat moment, alsook met de meest recente macro-economische vooruitzichten, en dat ze deze toetsing in voorkomend geval vergezeld moet doen gaan van een wetgevingsvoorstel voor de herziening van de MFK-verordening;

2.  is in dit verband van oordeel dat, terwijl het woord "toetsing" aangeeft dat het een beoordeling van het MFK en de toepassing ervan betreft in het licht van nieuwe economische omstandigheden en andere nieuwe ontwikkelingen, waarbij de wetgevingsstatus wordt gehandhaafd, de term "herziening" een wijziging van de MFK-verordening impliceert, inclusief (afgezien van de wetgevingsbepalingen) de MFK-plafonds, met inachtneming van artikel 312 VWEU en de beperkingen van het toepassingsgebied van de MFK-herziening zoals bedoeld in de laatste zin van artikel 2 van de MFK-verordening; herinnert eraan dat in dit artikel staat dat bij een herziening de eerder aan de lidstaten toegewezen bedragen niet worden verlaagd; benadrukt dat er geen andere beperkingen voor de herziening van het MFK zijn vastgesteld en dat een verhoging van de MFK-plafonds dus mogelijk is; beklemtoont in dit verband dat in artikel 323VWEU staat dat erop wordt toegezien dat de Unie beschikt over de financiële middelen waarmee zij haar juridische verplichtingen jegens derden kan voldoen;

3.  herinnert eraan dat in artikel 311 VWEU staat dat de Unie zich van de middelen voorziet die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en haar beleid ten uitvoer te leggen; is derhalve van oordeel dat indien bij de toetsing wordt geconcludeerd dat de huidige plafonds te laag zijn het een op het primair recht stoelende vereiste is om de plafonds te verhogen;

4.  benadrukt dat artikel 17 van de MFK-verordening voorziet in de mogelijkheid het MFK in het geval van onvoorziene omstandigheden te herzien; wijst op de enorme omvang van de crises die de Unie hebben getroffen sinds de vaststelling van het huidige MFK in 2013;

5.  beklemtoont dat deze resolutie alleen tot doel heeft de begrotingsaspecten van de toepassing van het MFK te analyseren en dat de rechtsgrondslagen voor de sectorale wetgeving derhalve niet aan bod komen; wijst er overigens op dat veel EU-maatregelen en -programma's aan een toetsing c.q. herziening moeten worden onderworpen, in veel gevallen in 2017;

I.Toetsing van het MFK – de eerste jaren

6.  is van oordeel dat bij een toetsing van het MFK in 2016 rekening moet worden gehouden met een aantal ernstige crises en nieuwe politieke initiatieven, én hun respectieve begrotingsgevolgen, die niet konden worden voorzien op het moment dat het MFK werd vastgesteld; refereert hier onder andere aan de migratie- en vluchtelingencrisis, externe noodsituaties, interne veiligheidskwesties, de crisis in de landbouwsector, de financiering van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), de betalingscrisis in de EU-begroting, aanhoudende hoge werkloosheid, met name onder jongeren, alsook de armoede en sociale uitsluiting; wijst daarnaast op de recente internationale overeenkomst inzake klimaatverandering en de toenemende druk op het ontwikkelingsbeleid; merkt op dat voor het financieren van de bijkomende, urgente behoeften op niet eerder geziene wijze gebruik moest worden gemaakt van de flexibiliteitsmechanismen en de speciale instrumenten van het MFK, aangezien de MFK-plafonds in een aantal rubrieken te laag bleken te zijn; is van oordeel dat het MFK de afgelopen twee jaar de grenzen van het haalbare heeft bereikt;

7.  beklemtoont dat de EU-begroting bij de politieke en strategische prioriteiten van de Unie moet aansluiten en evenwicht moet waarborgen tussen prioriteiten op de lange termijn en nieuwe uitdagingen; benadrukt in dit verband de belangrijke rol die de EU-begroting moet spelen bij het verwezenlijken van de gezamenlijk overeengekomen EU 2020-strategie, die de voornaamste beleidsoriëntatie en de belangrijkste prioriteit vormt; is derhalve van mening dat de toetsing van het MFK ook een kwalitatieve analyse moet bevatten van de vraag of en in welke mate de in deze strategie opgenomen doelstellingen zijn verwezenlijkt; benadrukt dat deze evaluatie gekoppeld is aan een raming met betrekking tot de vraag of de financiële middelen die voor de resterende jaren van het huidige MFK zijn uitgetrokken ter ondersteuning van deze strategie voldoende zullen zijn voor de succesvolle tenuitvoerlegging ervan;

A.Belangrijke gebeurtenissen en uitdagingen

Migratie- en vluchtelingencrisis

8.  beklemtoont dat de conflicten in Syrië, het Midden-Oosten en verschillende regio's in Afrika ongekende humanitaire en migratiegevolgen hebben gehad; herinnert eraan dat de EU rechtstreeks met de gevolgen ervan te maken heeft gekregen, met meer dan één miljoen vluchtelingen die alleen al in 2015 naar Europa zijn gekomen en naar verwachting meer vluchtelingen in de komende jaren; herinnert eraan dat de EU in reactie op deze crisis een belangrijke financiële inspanning heeft geleverd en dat dit een grote impact op de begroting van de Unie heeft gehad, met name op de rubrieken 3 (veiligheid en burgerschap) en 4 (mondiaal Europa);

9.  herinnert eraan dat de aanvullende maatregelen in het kader van de Europese Agenda voor migratie in 2015 een direct begrotingsgevolg hebben gehad, zoals tot uitdrukking is gekomen in gewijzigde begrotingen 5/2015 en 7/2015; herinnert er verder aan dat het gebruik van een extra bedrag van 1 506 miljoen EUR in de begroting voor 2016 – via de mobilisering van het flexibiliteitsinstrument – was goedgekeurd om over bijkomende middelen te beschikken voor migratie- c.q. vluchtelingengerelateerde maatregelen onder rubriek 3 (veiligheid en burgerschap), zoals het aanvullen van het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) en het Fonds voor interne veiligheid (ISF), alsook over middelen voor de drie migratiegerelateerde agentschappen, te weten Frontex, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) en Europol;

10.  stelt vast deze begrotingsbeslissingen de kleine marge onder deze rubriek volledig hebben opgesoupeerd en tot een de facto herziening van de plafonds onder rubriek 3 hebben geleid; vestigt daarnaast de aandacht op de nieuwe voorstellen van de Commissie en hun verwachte impact op de EU-begroting, in concreto het voorstel voor een herschikking van de "Dublin III"-verordening, met een totaal begrotingseffect van 1 829 miljoen EUR voor de resterende MFK-periode, het voorstel voor de oprichting van het Europees Agentschap voor grens- en kustbewaking, met een totaalbudget van 1 212 miljoen EUR voor de resterende MFK-periode, en het nieuwe noodhulpmechanisme, waarvoor in de periode 2016-2018 naar verwachting ten minste 700 miljoen EUR nodig zal zijn; beklemtoont dat de situatie zo nijpend is dat de aanvullende kredieten die in november 2015 voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) waren goedgekeurd in maart 2016 moesten worden verlaagd om over middelen voor nog urgentere doeleinden te kunnen beschikken, te weten de terbeschikkingstelling van humanitaire hulp in de EU via het hierboven genoemde noodhulpmechanisme;

11.  is van mening dat de oplossing van de Europese migratie- en vluchtelingencrisis een Europese benadering vereist die is gebaseerd op solidariteit en lastendeling; benadrukt in dit verband dat lidstaten vanuit de EU-begroting moeten worden ondersteund om de financiële lasten die gepaard gaan met de opvang van vluchtelingen te verlichten, aangezien op deze manier de druk op de begrotingen van de lidstaten die met een zeer hoge instroom van vluchtelingen kampen, wordt verminderd; onderstreept dat deze benadering synergieën tot stand zal brengen en bovendien efficiënt en kosteneffectief is voor alle lidstaten;

12.  beklemtoont dat significante, maar toch nog onvoldoende begrotingsmiddelen zijn ingezet voor het aanpakken van de oorzaken van de vluchtelingen- en migrantencrisis middels versterking van de specifieke EU-programma's onder rubriek 4; herinnert aan de genomen maatregelen, zoals de hertoewijzing van 170 miljoen EUR aan migratie- en vluchtelingengerelateerde acties in de loop van 2015, alsook aan de goedkeuring van een aanvullend bedrag van 130 miljoen EUR onder rubriek 4 voor migratie- c.q. vluchtelingengerelateerde activiteiten in 2016, en aan de herverdeling van 430 miljoen EUR onder het Instrument voor pretoetredingssteun, het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking en het Europees Nabuurschapsinstrument; herinnert er verder aan dat de Commissie voor het aanpakken van de externe dimensie van de migratie- en vluchtelingencrisis diverse aanvullende voorstellen heeft gedaan met gevolgen voor de EU-begroting, zoals het voorstel voor de oprichting van EU-trustfondsen (het Madad-fonds en het noodtrustfonds voor Afrika met een geschatte begrotingsimpact van in eerste instantie 570 miljoen EUR, respectievelijk 405 miljoen EUR), en het voorstel voor de vluchtelingenfaciliteit voor Turkije, waarvoor het de bedoeling is 1 miljard EUR met middelen van de EU-begroting te financieren, met mogelijkerwijs behoefte aan nog meer financiële middelen in de toekomst; beklemtoont dat de druk op de EU-begroting door andere geplande acties van de Commissie, zoals de "London pledge", of door besluiten van de top EU-Turkije op 18 maart 2016, nog verder zou kunnen toenemen; beklemtoont dat nieuwe aanvullende begrotingsmiddelen gebruikt zouden kunnen worden voor hulp aan de meest kwetsbare migranten, in het bijzonder vrouwen, kinderen en leden van de LGBTI-gemeenschap; vindt het evenwel zorgwekkend dat de omvang van de problemen waar de EU mee wordt geconfronteerd, betekent dat het optreden nog meer moet worden uitgebreid;

13.  concludeert dat de omvang van de migranten- en vluchtelingencrisis en de financiële impact van de door de Commissie genomen maatregelen om deze kwestie aan te pakken op het moment van de vaststelling van het MFK 2014-2020 niet hadden kunnen worden voorzien; onderstreept dat het gebrek aan voldoende financiële middelen de EU heeft gedwongen ad-hocinstrumenten te ontwikkelen, die gezamenlijk gefinancierd werden door de lidstaten, de EU-begroting en het Europees Ontwikkelingsfonds, zoals de EU-trustfondsen (het Madad-fonds en het EU-noodtrustfonds voor Afrika) en de vluchtelingenfaciliteit voor Turkije; herinnert eraan dat het ontbreken van een algemene begrotingsstrategie voor het aanpakken van de migranten- en vluchtelingencrisis ertoe heeft geleid dat het Parlement wat betreft besluiten over het gebruik van de middelen van de EU-begroting op een zijspoor terecht is gekomen; geeft aan dat de toename van de instrumenten in kwestie problemen ten aanzien van controleerbaarheid en democratisch toezicht in de EU creëert, en dat deze moeten worden opgelost; betreurt verder het feit dat de lidstaten de door hen toegezegde gelden nog altijd niet aan de trustfondsen hebben overgemaakt en daarmee het succes van die fondsen in gevaar brengen; roept de lidstaten nogmaals op zich aan hun beloften en verantwoordelijkheden te houden;

Laag investeringsniveau

14.  wijst erop dat de EU sinds het begin van de mondiale financieel-economische crisis te kampen heeft met lage en ondermaatse investeringsniveaus; wijst er in het bijzonder op dat de totale investeringen in 2014 15 % onder het niveau van 2007 lagen, hetgeen neerkomt op een daling van de investeringen met 430 miljard EUR; geeft aan dat achterblijvende investeringsniveaus het economisch herstel bemoeilijken en grote gevolgen hebben voor groei, banen en het concurrentievermogen;

15.  beklemtoont dat de nieuwe Commissie in reactie op dit nijpende probleem in 2014 voorstellen heeft gedaan voor een investeringsplan voor Europa en voor de oprichting van het EFSI, ter mobilisering van 315 miljard EUR voor nieuwe investeringen in de reële economie; verklaart opnieuw veel waarde te hechten aan het EFSI, waarvan een krachtige en gerichte impuls wordt verwacht aan economische sectoren die groei en werkgelegenheid bevorderen; neemt er nota van dat een aantal projecten reeds goedgekeurd is en zich in de implementatiefase bevindt; wijst erop dat de garantie van de Unie voor het EFSI gedekt wordt door een met middelen van de EU-begroting gefinancierd garantiefonds ten belope van 8 miljard EUR;

16.  brengt in herinnering dat deze aanvullende financiering alleen ter beschikking kon worden gesteld door een uiteindelijke verlaging van twee belangrijke EU-programma's, Horizon 2020 en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF), met 2,2 miljard EUR, respectievelijk 2,8 miljard EUR, en dat de overige 3 miljard EUR afkomstig is van niet-toegewezen MFK-marges; vindt het belangrijk erop te wijzen dat het Parlement zich er in de EFSI-onderhandelingen voor heeft ingezet de mogelijke negatieve gevolgen voor deze twee programma's, waarvan de financiële middelen, die nog maar in 2013 werden vastgesteld, tijdens de onderhandelingen over het MFK 2014-2020 in vergelijking met het voorstel van de Commissie significant werden verlaagd, zoveel mogelijk te beperken;

17.  vindt het betreurenswaardig dat rationaliseringen van de begroting dikwijls als eerste hun weerslag hebben op het gedeelte van de EU-begroting dat voor onderzoek en innovatie is bestemd; wijst erop O&O-programma's Europese meerwaarde opleveren, en onderstreept de belangrijke rol van deze programma's voor het ondersteunen van het concurrentievermogen en, in het verlengde daarvan, het waarborgen van toekomstige groei en welvaart op de lange termijn in de Unie;

18.  wijst er in dit verband op dat in overeenstemming met artikel 15 van de MFK-verordening in 2014-2015 een "frontloading"-operatie heeft plaatsgevonden van financiële middelen voor Horizon 2020 (200 miljoen EUR voor de Europese Onderzoeksraad en Marie Curie-acties) en voor COSME (50 miljoen EUR), ter compensatie van de verlaging van de kredieten in 2013 en 2014; wijst erop dat deze "frontloading"-operatie niet tot een wijziging van het totaalpakket aan financiële middelen voor deze programma's heeft geleid, maar wel tot minder kredieten gedurende de tweede helft van het MFK; beklemtoont overigens dat de naar voren gehaalde financiële middelen voor Horizon 2020 en COSME volledig zijn geabsorbeerd, waarmee is aangetoond dat deze programma's goed functioneren en in staat zijn nog meer middelen te absorberen;

19.  vindt het verder uitermate zorgwekkend dat het succespercentage van Horizon 2020 gedaald is naar 13%, terwijl zijn voorloper (FP7) in de vorige programmeringsperiode nog een succespercentage kende van 20-22%; betreurt het dat derhalve minder kwalitatief hoogwaardige onderzoeks- en innovatieprojecten EU-financiering ontvangen; neemt er ook kennis van dat een groot aantal aanvragen betreffende de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen wordt afgewezen vanwege een tekort aan middelen;

Jeugdwerkloosheid

20.  wijst erop dat de jeugdwerkloosheid onverminderd extreem hoog blijft en daarmee op dit moment een van de meest urgente en nijpende problemen voor de EU is; onderstreept dat in februari 2016 in de Unie 4,4 miljoen personen jonger dan 25 jaar werkloos waren en dat dit in verschillende lidstaten neerkomt op meer dan 40 %, met uitschieters van meer dan 60 % in bepaalde regio's en gebieden van de EU; beklemtoont dat de arbeidsparticipatie in de EU ver achterblijft bij de doelstelling voor 2020; wijst erop dat daardoor te veel jongeren het risico lopen op sociale uitsluiting en benadrukt dat er meer specifieke maatregelen moeten worden genomen met betrekking tot jongeren die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen (NEET's); wijst erop dat het grote aantal hoogopgeleide en goedgetrainde arbeidskrachten een grote invloed heeft op het concurrentievermogen, de innovatiecapaciteit en de productiviteit van Europa, en beklemtoont in dit verband de noodzaak van investeringen in onderwijs, opleiding, jeugd en cultuur; erkent daarnaast het belang van de EU-jongerenstrategie 2010-2018;

21.  beklemtoont dat de EU veel begrotingsmiddelen ter beschikking stelt voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid, in het bijzonder via het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI); wijst erop dat de Commissie heeft aangegeven dat, met het oog op de financieringsstromen van het programma, de aanwijzing van uitvoerende instanties een belangrijke uitdaging is geweest; benadrukt daarnaast dat ondanks de aanvankelijke vertragingen bij de bedoelde aanwijzingen en de tenuitvoerlegging van het YEI de actuele cijfers aangegeven dat de volledige absorptiecapaciteit is bereikt (onder meer door middel van een aanzienlijke verhoging van het voorfinancieringspercentage van dit programma); neemt er kennis van dat de Commissie de beoordeling van dit initiatief binnenkort zal afronden en verwacht dat de nodige aanpassingen zullen worden doorgevoerd om een geslaagde tenuitvoerlegging te garanderen; denkt dat het voorgestelde programma ter ondersteuning van structurele hervormingen mogelijkerwijs een waardevolle bijdrage kan leveren aan het in deze context verbeteren van de administratieve capaciteit in de lidstaten; beklemtoont dat het belangrijk is dat door wordt gegaan met de permanente beoordeling van de prestatie van het YEI door de betrokken partijen, met inbegrip van jongerenorganisaties;

22.  maakt zich in het bijzonder zorgen over het gebrek aan nieuwe vastleggingskredieten voor het YEI voor de periode die in 2016 begint, gezien het feit dat het totale bedrag dat voor dit initiatief was gereserveerd reeds in 2014-2015 naar voren is gehaald ("frontloading") (artikel 15 van de MFK-verordening); vindt het belangrijk aan te geven dat de steun van het Parlement voor de "frontloading"-operatie niet betekende dat het ermee instemde dat het programma na slechts twee jaren van financiering zou worden beëindigd en dat andere MFK-mechanismen, zoals de overkoepelende marge voor vastleggingen (GMC), zouden worden gebruikt om de continuering ervan te waarborgen; herinnert er echter aan dat de GMC reeds ter beschikking is gesteld, uitsluitend voor de financiering van het EFSI; neemt ook kennis van de "frontloading"-operatie – op basis van hetzelfde artikel – voor Erasmus+ (150 miljoen EUR), een van de andere EU-programma's die in belangrijke mate aan de inzetbaarheid van jongeren op de arbeidsmarkt bijdragen en dat in de eerste twee jaar van deze periode is geïmplementeerd; herinnert eraan dat een efficiënte jongerengarantie op het niveau van de Europese Unie volgens de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) op jaarbasis voor de landen van de eurozone 21 miljard EUR zou kosten;

Interne veiligheid

23.  refereert aan de recente terroristische aanslagen in Frankrijk en België en aan de toegenomen dreiging in andere lidstaten, die beter gecoördineerde en versterkte maatregelen en middelen op het niveau van de EU noodzakelijk maken; beklemtoont dat de Unie over het Fonds voor interne veiligheid beschikt als een geëigend instrument en ook meerdere agentschappen heeft die op dit gebied actief zijn en steeds meer onder druk komen te staan; is van oordeel dat Europa op dit vlak meer moet doen en derhalve meer geld moet krijgen om adequaat op deze dreiging te kunnen reageren; onderstreept dat voor meer samenwerking op dit gebied uitbreiding van het personeelsbestand van de betrokken agentschappen noodzakelijk is waardoor de EU-begroting verder onder druk kan komen te staan, en herinnert aan de beperkte uitbreiding van het personeelsbestand van het Europees Centrum voor terrorismebestrijding van Europol, gefinancierd door middel van een herschikking van de middelen van het Fonds voor interne veiligheid;

24.  benadrukt dat, gezien de huidige maatregelen en wetsvoorstellen die gericht zijn op intensivering van de justitiële samenwerking, de financiële en personele middelen van Eurojust gaandeweg zullen moeten worden uitgebreid, hetgeen gevolgen zal hebben voor de EU-begroting;

Crisis in de landbouwsector

25.  wijst erop dat er met de krappe maxima voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) tot 2020 veel kleinere marges overblijven dan in het vorige MFK, terwijl de sector met meer uitdagingen kampt; herinnert eraan dat dit beleid cruciaal is voor de inkomenssituatie van vele landbouwers, vooral in tijden van crisis, en wijst op het hoge jaarlijkse absorptiepercentage van bijna 100%; herinnert eraan dat de Europese boeren sinds het begin van het huidige MFK een aantal crises hebben meegemaakt, met name de crisis in de zuivel-, varkens-, runder-, en groente- en fruitsector, en de negatieve langetermijneffecten van de verliezen ten gevolge van het Russische embargo op de invoer van landbouwproducten; wijst op de afschaffing van de suikerquota in 2017 en de mogelijke uitwerking ervan op de suikersector waarbij tevens terdege de aandacht wordt gevestigd op de speciale behoeften van de ultraperifere regio's; wijst op de begrotingsimpact van de noodmaatregelen die in reactie op deze crises zijn genomen, ten belope van 500 miljoen EUR op de begroting voor 2016 en 300 miljoen EUR voor de begroting voor 2015, en die vanuit de marges van rubriek 2 zijn gefinancierd; onderstreept dat een vermindering op dit gebied de territoriale samenhang van de EU in gevaar zou brengen, met name wat de plattelandsgebieden betreft; is bovendien tegen iedere ontwikkeling in de richting van hernationalisatie van het landbouwbeleid, hetgeen de markt zou verstoren en oneerlijke concurrentie tussen boeren in de hand zou werken;

Milieu-uitdagingen

26.  is bezorgd dat de doelstelling om minstens 20% van de EU-begroting (in het kader van het huidige MFK) aan klimaatmaatregelen te besteden, niet is bereikt, en dat volgens de mainstreamingmethode van de Commissie slechts circa 12,7 % van de jaarlijkse EU-begroting hieraan wordt besteed; wijst op het feit dat er een grote behoefte is aan financiering voor klimaatmaatregelen, de bescherming van de biodiversiteit en het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen, die nog zal toenemen door de gevolgen van de aanhoudende aardopwarming; neemt nota van de klimaatovereenkomst van de COP 21 die tijdens de recente Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties in 2015 in Parijs is bereikt;

Economische, sociale en territoriale samenhang

27.  wijst andermaal op het feit dat het cohesiebeleid het voornaamste investeringsbeleid van de Unie is dat erop is gericht de economische, sociale en territoriale ongelijkheden tussen alle regio's van de EU terug te dringen en aldus de levenskwaliteit van Europese burgers te verbeteren; onderstreept de belangrijke rol ervan bij de verwezenlijking van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei met name door duidelijk middelen te reserveren voor klimaatmaatregelen en sociale doelstellingen, vooral om de toenemende armoede, met inbegrip van kinderarmoede, ongelijkheden en sociale uitsluiting te bestrijden en de werkgelegenheid te stimuleren; verzoekt de Commissie toe te zien op de volledige tenuitvoerlegging van bovengenoemde doelstellingen; is bovendien van mening dat, hoewel vooraf aan de lidstaten toegewezen bedragen moeten worden gerespecteerd, de structuurfondsen eveneens een waardevolle bijdrage aan de huidige uitdagingen, zoals de gevolgen van de vluchtelingencrisis, kunnen bieden;

Toenemende druk op de ontwikkeling en het nabuurschapsbeleid

28.  constateert de toenemende druk op de algehele behoeften aan humanitaire hulp en de rampenrisicovermindering ten gevolge van conflicten en oorlogen; wijst op de overeenkomst van Addis Abeba waarin staatshoofden en regeringsleiders hun sterke politieke wil bekrachtigden om de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling te verwezenlijken, en is zich ervan bewust dat hiervoor financiële middelen nodig zijn; herinnert eraan dat de EU onlangs haar collectieve toezegging heeft verlengd om haar officiële ontwikkelingshulp (ODA) tot 0,7% van haar bni te verhogen en ten minste 20% van haar ODA aan sociale basisdiensten toe te wijzen, met het accent op onderwijs en gezondheidszorg; is sterk gekant tegen het gebruik van ontwikkelingshulp voor andere doelstellingen dan ontwikkelingsdoelstellingen;

29.  herinnert eraan dat de geopolitieke situatie in het oostelijke nabuurschap ook zeer wankel is; onderstreept dat de EU-begroting een belangrijke bijdrage levert aan het stabiliseren van de situatie zowel in het zuidelijke als het oostelijke nabuurschap van de EU en aan het aangaan van deze uitdagingen door steun te bieden aan landen die momenteel bezig zijn met de tenuitvoerlegging van associatieovereenkomsten, om vaart te zetten achter hervormingen en de verdieping van de betrekkingen tussen de EU en de betrokken landen te waarborgen;

Gendermainstreaming

30.  is ingenomen met de tussentijdse toetsing van het MFK en ziet deze als een kans om aanzienlijke vooruitgang te boeken op weg naar een effectievere integratie van gendermainstreaming in het MFK en in de tenuitvoerlegging van en het toezicht op de bij het MFK gevoegde gezamenlijke verklaring over deze kwestie;

Betalingsachterstand

31.  wijst erop dat gedurende het vorige MFK (2007-2013) een ophoping van nog niet betaalde rekeningen is ontstaan, en dat deze is opgelopen van een niveau van 5 miljard EUR aan het eind van 2010 tot ongekende niveaus van 11 miljard EUR aan het eind van 2011, 16 miljard EUR aan het eind van 2012 en 23,4 miljard EUR aan het eind van 2013; vindt het zorgwekkend dat deze achterstand is overgedragen naar het huidige MFK (2014-2020), en eind 2014 het recordbedrag van 24,7 miljard EUR heeft bereikt; beklemtoont dat op nadrukkelijk verzoek van het Parlement een betalingsplan overeengekomen is om de achterstand bij de nog niet betaalde met het cohesiebeleid verband houdende betalingsclaims voor de periode 2007-2013 tegen eind 2016 te reduceren tot een "normaal" niveau van 2 miljard EUR; geeft aan dat eind 2015 voor de periode 2007-2013 een bedrag van ten minste 8,2 miljard EUR aan nog niet betaalde rekeningen met betrekking tot het cohesiebeleid is vastgesteld, maar dat het in de bedoeling ligt dit bedrag tegen het eind van 2016 terug te brengen tot minder dan 2 miljard EUR; stelt vast dat dit slechts tijdelijk voor wat lucht zorgt, aangezien het uitsluitend het resultaat is van een lager dan verwacht aantal ingediende te betalen claims voor zowel het programma voor 2007-2013, als het programma voor 2014-2020; betreurt het dat de "verborgen" achterstand onder andere rubrieken totaal niet is aangepakt; wijst erop dat de situatie van 2012-2014 zich naar verwachting aan het einde van het huidige MFK opnieuw zal voordoen als er geen concrete maatregelen worden genomen;

32.  moet helaas vaststellen dat deze betalingscrisis ernstige gevolgen heeft voor de begunstigden van steun uit de EU-begroting, zoals studenten, universiteiten, kmo's, onderzoekers. ngo's, plaatselijke en regionale autoriteiten, en andere betrokken entiteiten; wijst in het bijzonder op het dramatisch lage niveau van betalingen bij humanitaire acties in 2014, dat de levensreddende operaties van de EU ongunstig heeft beïnvloed; herinnert eraan dat de Commissie haar toevlucht heeft moeten nemen tot "mitigerende maatregelen", zoals het reduceren van de pre-financieringspercentages en het uitstellen van oproepen tot het indienen van voorstellen/aanbestedingen en daaraan gerelateerde contracten; wijst erop dat de uitvoering van de nieuwe programma's voor de periode 2014-2020 ten gevolge van een algemeen gebrek aan betalingen kunstmatig is vertraagd, waarbij de kunstmatige vertraging in 2014 met betrekking tot oproepen tot het indienen van voorstellen ten belope van 1 miljard EUR onder Horizon 2020, die erop gericht was te bewerkstelligen dat de betalingen in 2015 zouden moeten worden verricht in plaats van in 2014, als voorbeeld kan dienen; onderstreept bovendien dat de EU-begroting zowel in 2014, als in 2015 belast is met een boete voor late betalingen ten belope van 3 miljoen EUR;

B.Grootschalig gebruik van de flexibiliteitsbepalingen van het MFK

33.  wijst erop dat de begrotingsautoriteit, om de aanvullende kredieten te krijgen die nodig waren om op de crises in te spelen of om sinds 2014 geformuleerde nieuwe beleidsprioriteiten te financieren, heeft ingestemd met een grootschalig gebruik van de flexibiliteitsbepalingen en de speciale instrumenten in de MFK-verordening, na eerst alle beschikbare marges te hebben benut; herinnert eraan dat meerdere van deze bepalingen in de verordening zijn terechtgekomen op basis van voorstellen van het Europees Parlement, dat maximale flexibiliteit in de MFK-onderhandelingen als een van zijn belangrijkste eisen op tafel had gelegd;

34.  wijst erop dat de speciale instrumenten met name werden ingezet voor het aanpakken van de vluchtelingen- en migratiecrisis (het totaalbedrag dat in 2016 via het flexibiliteitsinstrument is ingezet bedraagt 1 530 miljoen EUR); de noodhulpreserve (150 miljoen EUR in 2016), het probleem bij de betalingen (de in 2015 geactiveerde noodmarge: 3,16 miljard EUR), en de financiering van het EFSI-garantiefonds (volledig gebruik van de overkoepelende marge voor vastleggingen in 2014: 543 miljoen EUR); herinnert eraan dat het besluit om de noodmarge voor het probleem bij de betalingen in te zetten, gekoppeld is aan een verlaging van de betalingsplafonds voor de jaren 2018 tot 2020;

35.  vindt dat elke verdere financieringsbehoefte met betrekking tot de migratie- en vluchtelingencrisis in 2016, met inbegrip van de tranche van 200 miljoen EUR voor het nieuwe instrument voor noodhulp binnen de Unie, ertoe moet leiden dat de noodmarge zodra dit nodig is wordt gemobiliseerd; merkt op dat er onder rubriek 3 geen marges over zijn, terwijl de middelen van het flexibiliteitsinstrument voor dit jaar al helemaal op zijn; stelt voor om verdere mogelijkheden voor flexibiliteit voor nieuwe uitdagingen te onderzoeken;

36.  wijst erop dat de wetgevingsflexibiliteit, zoals vastgelegd in punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord, voorziet in de mogelijkheid om het totale bedrag voor programma's die via de gewone wetgevingsprocedure zijn goedgekeurd gedurende de periode van zeven jaar met ten hoogste +/- 10% te verhogen; herinnert eraan dat de begrotingsautoriteit in het geval van "nieuwe, objectieve en duurzame omstandigheden" nog meer van de aanvankelijk vastgestelde bedragen mag afwijken; juicht het toe dat de Unie deze mogelijkheid reeds eerder heeft gebruikt om te reageren op onvoorziene omstandigheden door de bedragen die aanvankelijk voor programma's zoals het AMIF waren vastgesteld, aanzienlijk te verhogen;

II.Tussentijdse herziening van het MFK – een absolute noodzaak

37.  is er op basis van de bovenstaande analyse van overtuigd dat de toetsing van de werking van het huidige MFK tot de conclusie leidt dat de Unie aan de uitdagingen waarvoor zij wordt gesteld alleen het hoofd kan bieden en tegelijkertijd haar politieke doelstellingen alleen kan verwezenlijken, indien het MFK aan een daadwerkelijke tussentijdse herziening, zoals bedoeld in de MFK-verordening, wordt onderworpen; wijst er eens te meer op dat de verwezenlijking van de Europa 2020-strategie onverminderd de voornaamste door de EU-begroting te ondersteunen prioriteit is; benadrukt dat de EU-begroting over voldoende middelen moet beschikken om effectief te zorgen voor investeringen die tot groei en banen leiden, economische, sociale en territoriale samenhang te bewerkstelligen en solidariteit te bevorderen;

38.  vraagt de Commissie met klem in haar wetsvoorstel rekening te houden met de volgende eisen van het Parlement met betrekking tot wijzigingen van de MFK-verordening, die zowel de cijfers als de werking van het MFK aangaan, en die reeds van toepassing moeten zijn op het huidige MFK;

39.  onderstreept dat twee wetsvoorstellen met aanzienlijke gevolgen voor de begroting, te weten de verlenging van het EFSI en het opzetten van een plan voor externe investeringen, voor de herfst 2016 zijn voorzien; verwacht dat alle informatie met betrekking tot de financiering van deze twee voorstellen zo snel mogelijk wordt aangereikt, opdat hiermee naar behoren rekening kan worden gehouden tijdens de onderhandelingen over de tussentijdse herziening van het MFK; herhaalt zijn beginselstandpunt dat de nieuwe beleidsinitiatieven niet mogen worden gefinancierd ten koste van de bestaande programma's en beleidsmaatregelen van de EU;

40.  onderstreept dat de wijzigingen die tijdens de tussentijdse herziening van het MFK zijn overeengekomen, onverwijld moeten worden toegepast en reeds in de EU-begroting 2017 moeten worden opgenomen; doet derhalve een beroep op de Commissie om haar wetsvoorstel over de herziening van de MFK-verordening zo snel mogelijk in te dienen teneinde parallelle onderhandelingen over de herziening van het MFK en de EU-begroting 2017, alsmede tijdige overeenstemming hierover mogelijk te maken;

41.  neemt nota van de uitslag van het Britse referendum op 23 juni 2016; doet in dit verband een beroep op de Commissie om de begrotingsautoriteit van alle informatie te voorzien over de mogelijke gevolgen voor de begroting van dit referendum, onverminderd het resultaat van de komende onderhandelingen tussen het VK en de EU;

42.  wijst op de belangrijke bijdrage die de EU leverde om vrede en verzoening in Ierland aan te moedigen, met name via de Peace-programma's, gericht op Noord-Ierland en op de aangrenzende graafschappen in het zuiden; merkt op dat de uitslag van het referendum in het Verenigd Koninkrijk ernstige gevolgen voor het vredesproces kan hebben, en de integriteit van het vredesproces en van het Goede-Vrijdagakkoord ondermijnt; roept de Commissie op om door te gaan met de ondersteuning van het vredesproces, door te blijven voorzien in financiering voor het Peace-programma;

A.Eisen van het Parlement betreffende de tweede helft van de looptijd van het MFK

MFK-cijfers (vastleggingen)

43.  steunt enerzijds vol overtuiging de stevige politieke en financiële ondersteuning van het EFSI, maar vindt tegelijkertijd dat de EU-begroting niet moet worden gebruikt voor de financiering van nieuwe initiatieven indien dat ten koste zou gaan van bestaande EU-programma's en -maatregelen; blijft bij zijn steun voor het volledig compenseren van de EFSI-gerelateerde kortingen op de middelen voor Horizon 2020 en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, teneinde deze programma's in staat te stellen hun nog maar twee jaar geleden overeengekomen doelstellingen te verwezenlijken en de Unie in staat te stellen haar doelstellingen inzake onderzoek en innovatie te verwezenlijken; onderstreept in dit verband dat het financieringsniveau van de andere programma's onder subrubriek 1a ("Concurrentievermogen voor groei en banen") niet door deze compensatie mogen worden getroffen, aangezien zij een onbetwistbare bijdrage leveren aan de groei, de werkgelegenheid en het concurrentievermogen; meent dat de marges onder subrubriek 1a niet volstaan om in deze behoeften te voorzien, en vraagt daarom dat het plafond voor deze subrubriek wordt verhoogd;

44.  steunt met klem de voortzetting van het YEI omdat het vindt dat het – na de noodzakelijke aanpassingen in het kader van de lopende beoordeling – van groot nut kan zijn in de strijd tegen de jeugdwerkloosheid; is van oordeel dat dit alleen mogelijk is indien aan het YEI tot aan het einde van de looptijd van het huidige MFK ten minste hetzelfde niveau aan vastleggingskredieten ter beschikking wordt gesteld als jaarlijks in de eerste twee jaar van deze periode (6 miljard EUR die in 2014-2015 naar voren zijn gehaald), afhankelijk van de komende evaluatie van de Commissie; stelt vast dat hiervoor een verhoging van het plafond onder subrubriek 1b ("Economische, sociale en territoriale samenhang") nodig is, aangezien er geen marges meer voorhanden zijn;

45.  is de vaste overtuiging toegedaan dat tijdens de herziening van het MFK niet mag worden getornd aan de totale begrotingsmiddelen en de vooraf aan de lidstaten toegewezen nationale bedragen voor het GLB, met inbegrip van de rechtstreekse betalingen; onderstreept bovendien dat moet worden gewaarborgd dat de middelen voor het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij niet worden verlaagd om de verwezenlijking van de doelstellingen van de recente hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid mogelijk te maken;

46.  is van oordeel dat uit de omvang van de migratie- en vluchtelingencrisis, veroorzaakt door conflicten en klimaatverandering, blijkt dat de komende jaren naar verwachting meer behoeften – met de bijbehorende aanzienlijke gevolgen voor de begroting – zullen ontstaan onder rubriek 3 (Veiligheid en burgerschap); beklemtoont daarnaast dat in het kader van dezelfde rubriek tevens extra middelen nodig zullen zijn om een versterkt optreden op het niveau van de EU voor de interne veiligheid in de EU en de bestrijding van het terrorisme te bekostigen; verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk een geactualiseerde prognose op te stellen van de begroting die tot het einde van de looptijd van het huidige MFK nodig is om aan alle uitdagingen op deze gebieden het hoofd te bieden;

47.  is er derhalve van overtuigd dat ook met de mobilisering van de smalle marges onder rubriek 3 en de bestaande flexibiliteitsbepalingen de middelen niet zullen volstaan om de toenemende behoeften op dit gebied te financieren; dringt er derhalve op aan de middelen voor het AMIF en het Fonds voor interne veiligheid, alsook voor de EU-agentschappen die op dit gebied nieuwe taken hebben gekregen (Frontex, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), Europol, Eurojust en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA)), en voor mogelijke andere initiatieven significant te verhogen; vindt dat de plafonds onder rubriek moeten worden opgetrokken;

48.  gaat ervan uit dat het antwoord op de externe dimensie van de migratie- en vluchtelingencrisis in de vorm van een gezamenlijk optreden, met name de politieke stabilisering van het Europees nabuurschap en Afrika ten zuiden van de Sahara, alsmede de aanpak van de humanitaire en economische oorzaken van migratie, in de loop van de komende jaren zal worden geïntensiveerd en gepaard zal gaan met toenemende verzoeken om financiering onder rubriek 4 (Europa als wereldspeler); beklemtoont dat de terbeschikkingstelling van extra middelen niet ten koste mag gaan van het reeds in gang gezette externe optreden van de EU, met inbegrip van het ontwikkelingsbeleid; vraagt dan ook om een verhoging van de maxima van rubriek 4;

49.  vraagt om meer financiële ondersteuning voor de drie Europese programma's die rechtstreeks betrekking hebben op de burger (Creatief Europa, Europa voor de burger en Erasmus+), omdat deze programma's nieuwe subsidielijnen bevatten om in te spelen op de huidige situatie met betrekking tot de integratie van en onderwijs voor vluchtelingen, en een hoofdrol spelen bij acties onder leiding van de Unie en de lidstaten ter verbetering van de algehele sociale situatie, het wederzijds begrip en het naast elkaar samenleven in onze verschillende maatschappijen;

MFK-cijfers (betalingen)

50.  beschouwt het als een prioriteit om een nieuwe betalingscrisis tegen het einde van de looptijd van het huidige MFK te voorkomen; vindt dat al het mogelijke moet worden gedaan om het ontstaan van een nieuwe ophoping van nog niet betaalde rekeningen, zoals tijdens de vorige periode, te voorkomen; beklemtoont echter dat, net op het moment dat de betalingsbehoeften hun normale piek zullen bereiken, reeds een significante druk op de betalingen voor de tweede helft van het MFK kan worden voorspeld; beklemtoont dat de extra druk onder andere is toe te schrijven aan het aanrekenen van de noodmarge aan de reeds krappe betalingsmaxima voor 2018-2020, de aanzienlijke vertraging bij het lanceren van de nieuwe programma's onder gedeeld beheer, waaronder het YEI, het betalingsprofiel van het EFSI en de bijkomende betalingen die overeenkomen met de recente verhogingen van de vastleggingskredieten die voor de migratie- en vluchtelingencrisis zijn vastgelegd;

51.  herinnert eraan dat betalingskredieten een logisch gevolg zijn van eerder aangegane verplichtingen; verwacht derhalve dat de nieuwe verhoging van de vastleggingskredieten vergezeld zal gaan van een dienovereenkomstige verhoging van de betalingskredieten, inclusief een bijstelling naar boven toe van de betalingsplafonds; beschouwt de tussentijdse toetsing/herziening van het MFK overigens als een prima gelegenheid om te zien hoe het gesteld is met de implementatie van de betalingen en wat de bijgewerkte ramingen zeggen over de verwachte ontwikkeling van de betalingen tot het einde van de looptijd van het huidige MFK; is van oordeel dat de drie instellingen voor de periode 2016-2020 een bindend gemeenschappelijk betalingsplan zouden moeten opstellen en overeenkomen; dringt erop aan dat een dergelijk nieuw betalingsplan wordt gebaseerd op goed financieel beheer en een duidelijke strategie moet bieden om te voldoen aan alle betalingsbehoeften in alle rubrieken tot het einde van de looptijd van het huidige MFK, alsmede een "verborgen achterstand" moet voorkomen die wordt veroorzaakt door een kunstmatige vertraging van de uitvoering van bepaalde meerjarige programma's en andere beperkende maatregelen zoals de vermindering van voorfinancieringspercentages;

52.  gaat zich ervoor inzetten dat de kwestie van het budgetteren van de betalingen van de speciale MFK-instrumenten nu eens en voor al wordt geregeld; herinnert eraan dat de Commissie en het Parlement enerzijds en de Raad anderzijds over deze kwestie nog altijd van mening verschillen, en dat dit in de begrotingsonderhandelingen van de afgelopen jaren een steeds terugkerend probleem is geweest; herhaalt nog maar eens zijn standpunt dat betalingskredieten die het resultaat zijn van de mobilisering van speciale instrumenten in vastleggingskredieten moeten worden meegeteld naast en bovenop de jaarlijkse MFK-betalingsplafonds;

Voorwaardelijkheid ter waarborging van de grondrechten van de EU

53.  dringt erop aan dat alle landen hun volledige verantwoordelijkheid nemen in het kader van de vluchtelingencrisis en het besluit betreffende het specifieke herplaatsingsmechanisme; verzoekt de Commissie een financieel bonus-/malusmechanisme in te voeren met betrekking tot de nakoming of niet-nakoming door de lidstaten van hun verplichtingen in het kader van door de EU aangenomen maatregelen; is van mening dat financiële bijdragen afkomstig uit sancties aan lidstaten die deze maatregelen niet uitvoeren, als extra ontvangsten moeten terugvloeien naar de EU-begroting;

Buitengewone inkomsten

54.  is van oordeel dat overschotten die het gevolg zijn van een onderbesteding van de EU-begroting of van boetes die aan ondernemingen zijn opgelegd vanwege inbreuken op de mededingingswetgeving van de EU, als extra inkomsten op de EU-begroting moeten worden geboekt, zonder een dienovereenkomstige aanpassing van de bni-bijdragen; is van mening dat deze maatregelen aanzienlijk zouden bijdragen aan het verlichten van het probleem met de betalingen van de EU-begroting; vraagt de Commissie passende wetsvoorstellen in deze zin te doen;

55.  is ervan overtuigd dat vrijmakingen in alle rubrieken als gevolg van de volledige of gedeeltelijke niet-uitvoering van de maatregelen waarvoor de bedragen bestemd waren, in de EU-begroting moeten terugvloeien en door de begrotingsautoriteit moeten worden ingezet in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure; is ervan overtuigd dat, gezien de huidige beperkingen waarmee de EU-begroting te maken heeft en de bijkomende financieringsbehoeften waar de Unie mee wordt geconfronteerd, een dergelijke maatregel ook mogelijk moet zijn voor vrijmakingen als gevolg van de uitvoering van de programma's voor 2007-2013, met inbegrip van de afsluiting van programma's in het kader van het cohesiebeleid; vraagt de Commissie passende wetsvoorstellen in deze zin te doen;

Flexibiliteitsbepalingen en speciale instrumenten

56.  benadrukt dat alleen al de frequentie en het niveau van de mobilisering van de speciale MFK-instrumenten gedurende de afgelopen twee jaar het nut van de flexibiliteitsbepalingen en -mechanismen in de MFK-verordening dubbel en dwars hebben aangetoond; herhaalt nog maar eens het standpunt dat het Parlement al veel langer inneemt, namelijk dat flexibiliteit gericht moet zijn op een maximaal gebruik van de globale MFK-plafonds voor vastleggingen en betalingen;

57.  is dan ook van oordeel dat de tussentijdse herziening van de MFK-verordening moet resulteren in de schrapping van een aantal in- en beperkingen van de flexibiliteitsbepalingen die door de Raad waren opgelegd op het moment dat het MFK werd vastgesteld; vindt met name dat de beperkingen die voor de overdracht van niet-benutte kredieten en marges gelden, hetzij in de vorm van de vaststelling van jaarlijkse plafonds (overkoepelende marge voor betalingen), hetzij middels het opleggen van beperkingen in tijd (overkoepelende marge voor vastleggingen), moeten worden ingetrokken; is van mening dat, gezien de huidige budgettaire beperkingen in meerdere rubrieken, geen specifieke toepassing moet worden gedefinieerd voor de gebruikmaking van middelen binnen de overkoepelende marge voor vastleggingen;

58.  onderstreept in het bijzonder de mobilisering van het volledige bedrag van het flexibiliteitsinstrument in 2016; wijst erop dat dit instrument de financiering mogelijk maakt van duidelijk omlijnde uitgaven waarvoor onder het plafond van een of meerdere rubrieken geen financiële middelen beschikbaar zijn en die geen verband houden met EU-beleid op een specifiek terrein; concludeert dan ook dat het de EU-begroting daadwerkelijk een flexibel karakter verleent, met name in het geval van een grote crisis; dringt er dus op aan de financiële middelen van dit instrument substantieel te verhogen tot 2 miljard EUR, met de toevoeging dat dit bedrag alleen wordt gebudgetteerd indien de begrotingsautoriteit besluit er werkelijk een beroep op te doen; herinnert eraan dat het flexibiliteitsinstrument geen verband houdt met een specifiek beleidsterrein en kan worden gemobiliseerd voor elk doel dat daarvoor geschikt wordt geacht;

59.  wijst erop dat de noodhulpreserve er is om derde landen snel hulp te kunnen bieden in het geval van onvoorziene gebeurtenissen, en onderstreept het buitengewone belang ervan in de huidige omstandigheden; vraagt de financiële middelen van deze reserve significant te verhogen tot 1 miljard EUR;

60.  neemt kennis van de verschillende regels die gelden voor de periode voor de overdracht van niet-benutte kredieten van de speciale MFK-instrumenten, te weten het flexibiliteitsinstrument, de noodhulpreserve, het solidariteitsfonds van de EU en het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering; dringt erop aan deze regels gelijk te trekken, zodat in concreto de N+3-regel voor al deze instrumenten gaat gelden;

61.  hecht bijzonder belang aan de noodmarge, vanwege zijn functie als 'laatste redmiddel' bij onvoorziene omstandigheden; beklemtoont dat de noodmarge volgens de Commissie het enige speciale instrument is dat alleen voor betalingskredieten, en dus ter voorkoming van een betalingscrisis met betrekking tot de EU-begroting (zoals in 2014), kan worden ingezet; betreurt het dat, anders dan in de voorgaande periode, in de MFK-verordening in een verplichte compensatie van de kredieten is voorzien; is van oordeel dat deze verplichting tot een onhoudbare situatie leidt waarbij de jaarlijkse bedragen met betrekking tot de MFK-plafonds in de laatste jaren van de periode in feite naar beneden worden bijgesteld en de EU-begroting dus extra onder druk komt te staan; beklemtoont dat de noodmarge sowieso een uiterste redmiddel is en dat het aan de twee takken van de begrotingsautoriteit is de mobilisering ervan in gang te zetten; vindt tegen deze achtergrond dat de regel betreffende de verplichte compensatie onmiddellijk en met terugwerkende kracht moet worden ingetrokken, alsook dat het jaarlijkse maximumbedrag ervan naar boven moeten worden bijgesteld tot 0,05 % van het bni van de EU;

Follow-up van de internationale akkoorden inzake milieuveranderingen

62.  neemt er nota van dat het in Parijs bereikte COP 21-akkoord een algemeen, dynamisch en gedifferentieerd akkoord is om de uitdaging van klimaatverandering aan te kunnen gaan; benadrukt dat EU-financiering krachtens dit akkoord moet worden toegewezen aan steun voor klimaatmaatregelen in ontwikkelingslanden; benadrukt dat eventuele financiering ten behoeve van de mogelijke maatregelen die zijn ontwikkeld door de COP 21 een aanvulling moet zijn op de huidige uitgaven aan klimaatactie, en verzoekt de Commissie om tijdig vóór de herziening haar uitvoeringsstrategie en eerste beoordeling van de mogelijke impact van het COP 21-akkoord op de EU-begroting voor te leggen; benadrukt voorts dat de herziening van het MFK een uitstekende gelegenheid vormt om ervoor te zorgen dat de doelstelling om 20 % te besteden aan klimaatmaatregelen wordt bereikt en deze drempel mogelijk te verhogen in overeenstemming met de internationale toezeggingen die de EU tijdens de COP 21 heeft gedaan; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het mechanisme voor de mainstreaming van de klimaatactie volledig operationeel wordt en dat de huidige methode om dergelijke uitgaven te kunnen traceren, wordt verbeterd; herinnert er tevens aan dat de EU zich er ook toe heeft verbonden het strategisch plan voor biodiversiteit van het Verdrag van de Verenigde Naties ten uitvoer te leggen, en benadrukt dat zij voldoende middelen moet uittrekken om haar verbintenissen in dit verband te verwezenlijken;

Vereenvoudiging

63.  beschouwt de tussentijdse toetsing/herziening als een uitstekende gelegenheid om het succes van de EU-maatregelen en -programma's in kwestie, alsook de werking van de flexibiliteitsbepalingen en speciale instrumenten van het MFK, aan een eerste beoordeling en evaluatie te onderwerpen, en verwacht van de Commissie een analyse te ontvangen waarin zij de tekortkomingen van het huidige implementatiesysteem in kaart brengt; besteedt bijzondere aandacht aan de beoordeling van de gevolgen voor het uitvoeringsproces van de nieuwe elementen die in de huidige programmeringsperiode zijn ingevoerd, zoals de ex-antevoorwaarden uit hoofde van het cohesiebeleid; is van mening dat bij de tussentijdse toetsing/herziening van het MFK eveneens de balans moet worden opgemaakt van het rendement van toegewezen middelen met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen ervan; verzoekt de Commissie concrete voorstellen te doen voor het aanpakken van de eventuele onvolkomenheden en de implementatie gedurende de resterende jaren van het huidige MFK te verbeteren en te rationaliseren, teneinde ervoor te zorgen dat de beperkte financiële middelen zo doeltreffend mogelijk worden gebruikt en de administratieve lasten voor de begunstigden te beperken;

Op prestaties gebaseerd budgetteren / Resultaatgerichte begroting

64.  benadrukt dat het belangrijk is de meerwaarde van de uitvoering van de EU-begroting aan te tonen en pleit voor het centraal stellen van de resultaatgerichte cultuur in de EU-uitgaven; benadrukt dat prestatie- en outputgerelateerde beoordeling waar nodig een leidend beginsel moet worden, en benadrukt de bijzondere toepasselijkheid van een dergelijk beginsel op innovatiegerichte programma's; erkent het werk van de Commissie in het kader van het initiatief voor een resultaatgerichte EU-begroting, dat nog verder moet worden uitgewerkt, en kijkt uit de resultaten van de werkzaamheden van de interinstitutionele deskundigenwerkgroep inzake op prestaties gebaseerde budgettering; is van mening dat deze aanpak een instrument kan zijn om de prestaties van onderpresterende programma's te stimuleren; benadrukt evenwel dat technische of programmeringstekortkomingen er niet toe mogen leiden dat de EU-begroting wordt verlaagd of politieke prioriteiten worden opgegeven, en dat betere uitgavenpraktijken alleen geen oplossing zijn voor het probleem van het gebrek aan financiële middelen om tegemoet te komen aan dringende en toenemende behoeften; herinnert de Commissie eraan dat het Parlement in zijn rol als tak van de begrotingsautoriteit moet worden betrokken bij de ontwikkeling van de strategie van de Commissie in dit verband;

Financiële instrumenten

65.  is zich ervan bewust dat financiële instrumenten in de EU-begroting nu een grotere rol spelen als een aanvullende vorm van financiering dan subsidies en schenkingen; onderkent dat deze instrumenten het in zich hebben de financiële en derhalve ook de politieke impact van de EU-begroting te vergroten; beklemtoont overigens dat een verschuiving van traditionele financieringsvormen naar meer innovatieve instrumenten niet voor alle beleidsterreinen aan te bevelen is, aangezien niet elk beleid volledig de wetten van de markt volgt; benadrukt dat financiële instrumenten een alternatieve en aanvullende financieringswijze bieden en niet moeten worden gebruikt voor projecten die uitsluitend in aanmerking komen voor schenkingen, die van bijzonder belang zijn voor minder ontwikkelde regio's;

66.  verzoekt de Commissie in de loop van de tussentijdse toetsing/herziening een diepgaande analyse uit te voeren van het gebruik van de financiële instrumenten sinds het begin van de huidige programmeringsperiode; benadrukt dat bij de beoordeling van een financieel instrument het hefboomeffect niet het enige evaluatiecriterium mag zijn; herinnert in dit verband aan het belang van de additionaliteitscriteria en de beoordeling van de bijdrage aan de verwezenlijking van de politieke doelstellingen van de EU;

67.  spoort de Commissie aan alle EU-beleidsterreinen aan te merken waarop schenkingen kunnen worden gecombineerd met financiële instrumenten en na te denken over een gepast evenwicht hiertussen; is steevast van mening dat de mogelijkheid van een combinatie van diverse EU-middelen volgens geharmoniseerde beheersvoorschriften zou bijdragen tot de optimalisering van de synergieën tussen de beschikbare vormen van financiering op EU-niveau; benadrukt dat het vergroten van de rol van financiële instrumenten niet mag resulteren in een verlaging van de EU-begroting; wijst nogmaals op zijn herhaalde oproepen om meer transparantie en democratisch toezicht op de tenuitvoerlegging van financiële instrumenten die ondersteund worden door de EU-begroting;

B.Standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK na 2020

68.  herinnert eraan dat artikel 25 van de MFK-verordening bepaalt dat de Commissie ten laatste op 1 januari 2018 een voorstel voor een nieuw meerjarig financieel kader moet presenteren; vindt het dan ook logisch en juist dat reeds in het kader van de aanstaande toetsing/herziening wordt gekeken naar een aantal belangrijke elementen voor het volgende MFK;

69.  vindt dat aanpassingen aan de looptijd van het MFK, een grondige herwerking van het systeem van eigen middelen, meer nadruk op het beginsel van eenheid van de begroting en grotere budgettaire flexibiliteit hierbij tot de prioriteiten behoren; vindt verder dat de modaliteiten van het besluitvormingsproces onder de loep moeten worden gelegd, teneinde voor democratische legitimiteit en inachtneming van de bepalingen van het Verdrag te zorgen;

70.  herinnert aan de begrotingsbeginselen van eenheid, waarachtigheid, jaarperiodiciteit, evenwicht, universaliteit, specialiteit, goed financieel beheer en transparantie, die bij het opstellen en uitvoeren van de EU-begroting in acht moeten worden genomen;

71.  beklemtoont dat de primaire focus van de lidstaten op het waarborgen van batige nettosaldo's een van de belangrijkste verklaringen is voor de problemen bij het bereiken van overeenstemming over een meerjarig financieel kader; herhaalt zijn zienswijze dat de EU-begroting niet eenvoudigweg een 'geen-winst geen-verlies'-situatie is, maar veeleer een belangrijke stimulans voor convergentie en de weerspiegeling van gemeenschappelijk beleid dat voor iedereen een meerwaarde oplevert; dringt er derhalve met klem bij de lidstaten op aan hun perceptie en benadering van de EU-begroting te wijzigen, namelijk door de omvang van de begroting te bepalen op basis van een grondige beoordeling van de financiële behoeften die voortvloeien uit de wettelijke verplichtingen van de Unie, haar politieke doelstellingen zoals uiteengezet in haar programma's en beleid alsook internationale verbintenissen, teneinde een nieuwe patstelling, die de kloof tussen de Unie en haar burgers alleen maar zou vergroten, te vermijden; verzoekt de Commissie daarom een studie uit te voeren naar de bezuinigingen die op nationaal niveau door de lidstaten worden gerealiseerd dankzij op EU-niveau gefinancierd beleid;

72.  wijst op de politieke noodzaak een besluitvormingsprocedure in te stellen om de beschikbaarheid van de nodige financiële middelen te waarborgen, ofwel op nationaal ofwel op EU-niveau, zodat de politieke beslissingen van de Europese Raad volledig ten uitvoer kunnen worden gelegd;

Duur

73.  wijst erop dat in overweging drie van de MFK-verordening staat dat de drie instellingen besloten hebben in het kader van de toetsing/herziening gezamenlijk te onderzoeken wat de meest geschikte duur van het meerjarig financieel kader is; herinnert aan zijn standpunt dat de duur van het MFK gelijk moet worden getrokken met de politieke cyclus van zowel het Parlement als de Commissie, waarmee de Europese verkiezingen een forum zouden worden voor debat over de toekomstige uitgavenprioriteiten;

74.  onderstreept dat met name voor programma's onder gedeeld beheer op de gebieden cohesiebeleid en plattelandsontwikkeling langetermijnvoorspelbaarheid van cruciaal belang is, gezien de tijd die nodig is om op nationaal en regionaal niveau tot afspraken over sectorale wetgeving en operationele programma's te komen;

75.  is van oordeel dat vanwege de snel veranderende politieke omgeving en om voor meer flexibiliteit te zorgen bepaalde onderdelen van het MFK voor een periode van 5 jaar moeten worden overeengekomen, terwijl voor andere onderdelen, met name de onderdelen die verband houden met programma's die een langere programmeringsperiode behoeven en/of maatregelen met ingewikkelde procedures voor de vaststelling van implementatiesystemen, zoals cohesiebeleid of plattelandsontwikkeling, een periode van 5+5 jaar, in combinatie met een verplichte tussentijdse herziening, zou kunnen;

Hervorming van het systeem van eigen middelen

76.  beklemtoont dat het systeem van eigen middelen volledig moet worden hervormd, waarbij gestreefd moet worden naar eenvoud, billijkheid en transparantie; kijkt er derhalve naar uit dat de Groep op hoog niveau voor eigen middelen vóór 2017 een ambitieus eindverslag voorlegt, alsook dat de Commissie vóór 2018 een even ambitieus wetgevingspakket betreffende eigen middelen voor de periode na 2021 presenteert;

77.  vindt het belangrijk het aandeel van de bni-bijdragen in de EU-begroting te verlagen, teneinde af te raken van de zogenaamde "juste retour"-benadering van de lidstaten; geeft aan dat dit de druk op de schatkisten van de lidstaten zou verminderen en de financiële middelen in kwestie voor bestedingsdoeleinden op nationaal niveau vrij zou maken; herinnert eraan dat het btw-deel van de eigen middelen bovenmatig ingewikkeld is en in feite een tweede bni-bijdrage vormt, en dringt er daarom op aan dit deel van de eigen middelen hetzij vergaand te hervormen, hetzij helemaal te schrappen; vindt wel dat de bni-bijdragen als element van de begroting moeten worden gehandhaafd vanwege hun rol als kostendekkend instrument;

78.  dringt aan op de invoering van een of meerdere nieuwe eigen middelen, waarbij de voorkeur van het Parlement uitgaat naar middelen die rechtstreeks gekoppeld zijn aan Europees beleid met een meerwaarde; neemt er kennis van dat de Groep op hoog niveau reeds een groot aantal voorstellen voor nieuwe eigen middelen de revue heeft laten passeren, zoals een btw-hervorming, een belasting op financiële transacties, ECB-seigniorage, een hervormd EU-emissiehandelsysteem en belasting op koolstof, vervoersheffingen, vennootschapsbelasting, elektriciteitsbelasting en digitale belasting; wacht vol ongeduld naar de aanbevelingen van de Groep op hoog niveau, teneinde van start te kunnen gaan met de voorbereiding van het standpunt van het Parlement op dit punt; dringt in dit verband aan op de geleidelijke afschaffing van alle soorten kortingen;

Eenheid van de begroting

79.  beklemtoont het belang van het beginsel van eenheid van de begroting en herinnert eraan dat in overeenstemming met artikel 310, lid 1, VWEU alle ontvangsten en uitgaven van de Unie in de begroting moeten worden opgenomen; vindt het zorgwekkend dat sinds 2014, zowel bij de oprichting van het Bêkou-trustfonds voor de Centraal-Afrikaanse Republiek, het regionaal trustfonds Madad dat in reactie op de Syriëcrisis werd opgericht, het EU-noodtrustfonds voor Afrika, alsook de vluchtelingenfaciliteit voor Turkije, in de besluitvorming wordt overgestapt van de communautaire methode naar de intergouvernementele aanpak; benadrukt dat deze vorm van financiering een hertoewijzing van middelen met zich meebrengt uit hoofde van de bestaande meerjarige financiële programma's waarover tussen de drie instellingen is onderhandeld en overeenstemming is bereikt; wijst erop dat dit de democratische verantwoordingsplicht in gevaar brengt, aangezien het Parlement is uitgesloten van de oprichting van deze fondsen;

80.  geeft aan dat in het Verdrag staat dat de twee takken van de begrotingsautoriteit, het Parlement en de Raad, de begroting van de Unie op voet van gelijkheid vaststellen; is daarnaast van mening dat volledige parlementaire controle op alle uitgaven een essentieel element is van alle EU-uitgaven; vraagt de Commissie de eenheid van de begroting te waarborgen en dit beginsel als leidend te beschouwen wanneer zij nieuwe beleidsinitiatieven voorstelt;

81.  herhaalt nog maar eens zijn standpunt dat het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) vanaf 2021 in de EU-begroting moet worden geïntegreerd, en dat tegelijkertijd voor financiering moet worden gezorgd voor de Faciliteit voor Afrikaanse vrede en voor vredesgerelateerde operaties;

82.  benadrukt dat mogelijke toekomstige integratie van het EOF of dergelijke ad-hocinstrumenten in de EU-begroting inhoudt dat hun respectieve financiële middelen bovenop de MFK-plafonds komen, die dienovereenkomstig moeten worden herzien, teneinde de financiering van andere EU-maatregelen en -programma's niet in gevaar te brengen;

Grotere flexibiliteit

83.  beklemtoont dat de rigide structuur van de EU-begroting betekent dat de begrotingsautoriteit niet de mogelijkheid heeft om adequaat op veranderende omstandigheden te reageren; dringt er dan ook op aan in het volgende MFK voor grotere flexibiliteit te zorgen, met name door middel van grotere flexibiliteit tussen rubrieken in de vorm van flexibeler gebruik van niet-bestede marges en tussen jaren, teneinde te bewerkstelligen dat de MFK-plafonds volledig kunnen worden benut;

84.  benadrukt dat het niet alleen mogelijk moet zijn flexibel op veranderende omstandigheden in te spelen onverminderd de overeengekomen programmering, maar dat de EU ook snel moet kunnen reageren op zich ontwikkelende crisissen, zoals de huidige migratiecrisis; vindt tegen deze achtergrond dat er in aanvulling op de reeds bestaande speciale MFK-instrumenten binnen de EU-begroting een permanente EU-crisisreserve moet worden gecreëerd, om niet terug te hoeven vallen op ad-hocoplossingen zoals trustfondsen; benadrukt dat een dergelijk mechanisme, bedoeld om te reageren op crisissen en onvoorziene situaties, uit de aard der zaak moet functioneren als een nieuw speciaal MFK-instrument en moet worden meegeteld naast en bovenop de MFK-plafonds;

Besluitvormingsprocedure

85.  brengt in herinnering dat het Parlement kritisch staat ten opzichte van de procedure die gevolgd is bij de vaststelling van de MFK-verordening voor de periode 2014-2020; herinnert eraan dat de vaststelling van de verordening alleen mogelijk is met goedkeuring van het Parlement; beklemtoont daarom dat het Parlement vanaf het begin volledig bij de onderhandelingen in kwestie moet worden betrokken; is van oordeel dat de EU-instellingen de modaliteiten van de volgende MFK-procedure op het moment van de tussentijdse toetsing/herziening van het meerjarig financieel kader moeten formaliseren in een akkoord, en dat daarbij rekening moet worden gehouden met de tekortkomingen van de voorgaande onderhandelingen én dat de rol en de prerogatieven van het Parlement zoals bedoeld in de Verdragen volledig moeten worden geëerbiedigd; is van mening dat deze modaliteiten uiteindelijk in het IIA moeten worden opgenomen, zoals voor de jaarlijkse begrotingsprocedure het geval is;

86.  is van mening dat de eenparigheidsvereiste voor de vaststelling van de MFK-verordening het proces wezenlijk belemmert; verzoekt de Europese Raad in dit verband de passerelle in artikel 312, lid 2, VWEU toe te passen om de vaststelling van de MFK-verordening bij gekwalificeerde meerderheid mogelijk te maken; herinnert er voorts aan dat de algemene passerelle-clausule van artikel 48, lid 7, VEU tevens in werking kan worden gesteld, teneinde de gewone wetgevingsprocedure toe te passen; benadrukt dat de vaststelling van de MFK-verordening bij gekwalificeerde meerderheid in overeenstemming zou zijn met de besluitvormingsprocedure voor de vaststelling van vrijwel alle EU-meerjarenprogramma's en voor de jaarlijkse procedure voor de vaststelling van de EU-begroting;

87.  herinnert eraan dat de Europese Raad uit hoofde van het Verdrag niet bevoegd is om wetgevingstaken uit te oefenen; geeft in dit verband nogmaals aan ernstige bezwaren te hebben tegen het feit dat de Europese Raad zich bemoeide met de wetgeving tijdens de afgelopen MFK-onderhandelingen; verzoekt de Europese Raad zich te beperken tot zijn taken zoals vastgesteld bij het Verdrag en niet vooruit te lopen op beleidswijzigingen waartoe in het kader van de gewone wetgevingsprocedure moet worden besloten en aldus de wetgevende bevoegdheden van het Parlement in het kader van de medebeslissing te eerbiedigen;

88.  dringt erop aan dat het wetgevingsproces ter goedkeuring van het volgende MFK tegen eind 2018 wordt afgerond, na diepgaande onderhandelingen tussen het Parlement en de Raad; benadrukt dat een tijdige sluiting van de MFK-overeenkomst het mogelijk zal maken dat alle sectorale verordeningen snel worden goedgekeurd en alle nieuwe programma's zonder vertraging op 1 januari 2021 van start gaan; benadrukt dat het belangrijk is de nationale parlementen en de Europese burgers beter te informeren over de uitdagingen van het volgende MFK door zo nodig een interinstitutionele, interparlementaire conferentie te organiseren;

o
o   o

89.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige betrokken instellingen en organen, en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(2) PB L 103 van 22.4.2015, blz. 1.
(3) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0378.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0599.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0455.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0456.
(10) PB C 75 van 26.2.2016, blz. 47.
(11) PB C 36 van 29.1.2016, blz. 49.
(12) PB C 68 E van 7.3.2014, blz. 1.
(13) PB C 380 E van 11.12.2012, blz. 89.

Juridische mededeling