Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2808(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B8-0900/2016

Debatten :

PV 07/07/2016 - 7.2
CRE 07/07/2016 - 7.2

Stemmingen :

PV 07/07/2016 - 9.2

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0315

Aangenomen teksten
PDF 175kWORD 73k
Donderdag 7 juii 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
Bahrein
P8_TA(2016)0315RC-B8-0900/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 7 juli 2016 over Bahrein (2016/2808(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Bahrein, met name die van 9 juli 2015 over Bahrein, met name de zaak van Nabeel Rajab(1) en van 4 februari 2016 over Bahrein: de zaak van Mohammed Ramadan(2),

–  gezien de verklaring van 5 juli 2016 van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de recente ontwikkelingen in Bahrein,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf, foltering, vrijheid van meningsuiting en mensenrechtenactivisten,

–  gezien de verklaring van 31 mei 2016 van de woordvoerder van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, over de veroordeling van Ali Salman, secretaris-generaal van al-Wefaq, in Bahrein,

–  gezien de verklaring van 1 juni 2016 van de speciale VN-rapporteur voor de bevordering en bescherming van het recht op vrijheid van meningsuiting, David Kaye, over de veroordeling van oppositieleider Sjeik Ali Salman, de verklaring van 16 juni 2016 van de woordvoerder van de secretaris-generaal van de VN, over Bahrein, en de verklaring van 21 juni 2016 van de woordvoerder van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties, over Bahrein,

–  gezien het strategisch kader en het actieplan inzake mensenrechten van de EU, dat erop gericht is de bescherming van en het toezicht op de mensenrechten centraal te stellen in alle beleidsterreinen van de EU,

–  gezien de in februari 2002 aangenomen Bahreinse grondwet, met name hoofdstuk 3 daarvan, en artikel 364 van het Bahreinse wetboek van strafrecht, en de Bahreinse wet op het staatsburgerschap 1963,

–  gezien het verslag van de Bahreinse onafhankelijke onderzoekscommissie van november 2011,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Arabisch Handvest voor de rechten van de mens, die allemaal door Bahrein zijn ondertekend,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948, met name artikel 15,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Bahrein een belangrijke partner van de Europese Unie in de Perzische Golf is, onder meer op het gebied van politieke en economische betrekkingen, energie en veiligheid; overwegende dat het in ons gemeenschappelijk belang is om ons partnerschap verder te verdiepen teneinde toekomstige uitdagingen beter het hoofd te kunnen bieden;

B.  overwegende dat de regering van Bahrein de afgelopen maand haar onderdrukkings- en vervolgingscampagne jegens mensenrechtenactivisten en de politieke oppositie heeft geïntensiveerd; overwegende dat de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering onmisbare pijlers zijn van een democratische en pluralistische samenleving; overwegende dat in de in 2002 aangenomen Bahreinse grondwet de fundamentele vrijheden, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting en vergadering, zijn verankerd;

C.  overwegende dat de politie op 13 juni 2016 de prominente mensenrechtenactivist Nabeel Rajab nogmaals arresteerde wegens "het verspreiden van valse geruchten in tijden van oorlog" en "het beledigen van overheidsinstanties" in verband met Twitterberichten die hij in 2015 publiceerde, waarop in totaal maximaal 13 jaar vrijheidsstraf staat; overwegende dat Nabeel Rajab al eerder, tussen 2012 en 2014, een gevangenisstraf van twee jaar uitzat in verband met de uitoefening van zijn recht op vrijheid van meningsuiting en vergadering, en overwegende dat de VN-werkgroep voor willekeurige detentie in 2013 oordeelde dat hij willekeurig gevangen was genomen;

D.  overwegende dat, na 15 dagen in eenzame opsluiting, de slechte gevangenisomstandigheden leidden tot een achteruitgang van de gezondheidstoestand van Nabeel Rajab, en dat hij op 27 juni 2016 naar het ziekenhuis werd overgebracht; overwegende dat hij op 29 juni 2016 weer aan de gevangenis is overgedragen, ondanks aanhoudende gezondheidsproblemen;

E.  overwegende dat de regering van Bahrein Zainab al-Khawaja heeft gedwongen in ballingschap te gaan na haar meermaals te hebben bedreigd met een nieuwe arrestatie en detentie voor onbepaalde duur, en een reisverbod heeft opgelegd aan een groep mensenrechtenactivisten die van plan was af te reizen naar de VN-Mensenrechtenraad in Genève;

F.  overwegende dat de heer Mohammed Ramadan en de heer Ali Moosa nog steeds het risico lopen te worden terechtgesteld;

G.  overwegende dat de Bahreinse autoriteiten het afnemen van het staatsburgerschap blijven inzetten als politiek onderdrukkingsmiddel, met als hoogtepunt de recente denaturalisatie van de geestelijke en ayatollah Sjeik Isa Qassim; overwegende dat de Bahreinse autoriteiten meer dan 300 personen hun staatsburgerschap hebben afgenomen, met inbegrip van mensenrechtenactivisten, politici, journalisten en hooggeplaatste religieuze autoriteiten, waardoor de meerderheid van hen staatloos is geworden, hetgeen in strijd is met artikel 15 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens;

H.  overwegende dat de Bahreinse autoriteiten op 14 juni 2016 de grootste politieke fractie van het Koninkrijk, de nationale islamitische beweging al-Wefaq, hebben opgeheven, haar tegoeden hebben bevroren en haar hoofdzetel hebben ingenomen, en in juli 2016 een rechterlijk verzoek om de versnelde ontbinding van de politieke beweging hebben ingediend;

I.  overwegende dat Sjeik Ali Salman, leider van de oppositiegroep al-Wefaq, sinds juli 2015 zonder eerlijk proces gevangen zit, en dat zijn straf in hoger beroep, dat in mei 2016 plaatsvond, zelfs werd verlengd van vier tot negen jaar; overwegende dat het ontbreken van bescherming van de rechten van een verdachte een rechtstreekse schending vormt van de nationale grondwet van Bahrein en het internationaal recht; overwegende dat de VN-werkgroep voor willekeurige detentie in september 2015 tot de conclusie kwam dat zijn detentie willekeurig was;

1.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de voortdurende onderdrukkingscampagne jegens mensenrechtenactivisten, de politieke oppositie en het maatschappelijk middenveld, alsook over de beperkingen van de fundamentele democratische rechten, met name de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering, politiek pluralisme en de rechtsstaat in Bahrein; roept op tot de beëindiging van alle uitingen van geweld, pesterijen en intimidatie, ook op gerechtelijk niveau, en van de censuur van mensenrechtenactivisten, politieke tegenstanders, vreedzame betogers en actoren uit het maatschappelijk middenveld door overheidsinstanties en de veiligheidstroepen en -diensten;

2.  eerbiedigt de soevereiniteit, onafhankelijkheid en territoriale integriteit van Bahrein en spoort aan tot een permanente dialoog tussen de regering van Bahrein, de Europese Unie en de EU-lidstaten;

3.  dringt aan op de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van Nabeel Rajab en andere mensenrechtenverdedigers die vastzitten vanwege beschuldigingen in verband met hun rechten op vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vergadering en vrijheid van vereniging, en roept voorts op tot de intrekking van alle aanklachten tegen hen zijn ingediend; verzoekt de autoriteiten de lichamelijke en geestelijke integriteit van Nabeel Rajab te beschermen en ervoor te zorgen dat hij de vereiste medische behandeling krijgt;

4.  keurt het af dat er reisverboden zijn opgelegd aan de delegatie van mensenrechtenverdedigers die de 32e zitting van de VN-Mensenrechtenraad in Genève zouden bijwonen en wenst dat de regering deze verboden intrekt; beklemtoont dat het onacceptabel is dat vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en de media ervan worden weerhouden om deel te nemen aan de werkzaamheden van internationale instanties en dringt erop aan dat de Bahreinse autoriteiten de fundamentele mensenrechten en politieke rechten van de vertegenwoordigers van het Bahreins maatschappelijk middenveld eerbiedigen;

5.  herinnert de regering van Bahrein aan haar verantwoordelijkheid om de beveiliging en veiligheid van al haar burgers te waarborgen, ongeacht hun politieke standpunten, hun lidmaatschap van een politieke partij of hun politieke overtuiging; is van mening dat de langetermijnstabiliteit en -veiligheid in Bahrein alleen kan worden gewaarborgd wanneer er een echt pluralistische samenleving wordt opgebouwd die de diversiteit respecteert, en roept in dit verband op tot de vrijlating van Sjeik Ali Salman en alle andere activisten die momenteel in de Bahreinse gevangenissen op willekeurige gronden worden vastgehouden;

6.  is van mening dat het toegestaan moet zijn om legitieme en op vrede gerichte grieven vrij uit te spreken; merkt bezorgd op dat de regering van Bahrein iedere vorm van legitieme politieke oppositie onderdrukt, hetgeen bijvoorbeeld blijkt uit de verlenging van de aan Sjeik Ali Salman opgelegde straf en uit de opschorting van de activiteiten en de bevriezing van de vermogensbestanddelen van de nationale islamitische organisatie al-Wefaq; wenst dat de fundamentele vrijheden van alle Bahreinse burgers worden uitgebreid; eist dat er onmiddellijk een einde komt aan de onderdrukking van burgers met andere politieke opvattingen en aan de repressie van de belangrijkste vertegenwoordigers van het land, wat hun politieke of religieuze overtuigingen ook zijn;

7.  vindt het met name zorgwekkend dat in Bahrein misbruik wordt gemaakt van de antiterrorismewetgeving en dat het afnemen van staatsburgerschap wordt gebruikt om te straffen en politieke druk uit te oefenen; verzoekt de Bahreinse autoriteiten met klem om de beslissing te herroepen op grond waarvan de naturalisatie van ayatollah Sjeik Isa Qassim ongedaan is gemaakt, om de nationale wet op het burgerschap te wijzigen en om degenen die ten onrechte van hun burgerschap zijn beroofd, het Bahreins burgerschap terug te geven, teneinde de internationale normen en wetgeving hieromtrent na te leven;

8.  wenst dat de Bahreinse autoriteiten de grondwet van 2002 volledig ten uitvoer leggen en de daarin gewaarborgde mensenrechten en de fundamentele vrijheden eerbiedigen, evenals de internationale mensenrechtennormen en de internationale instrumenten die door het land zijn geratificeerd; roept met name op tot de daadwerkelijke uitvoering van de aanbevelingen van de onafhankelijke onderzoekscommissie van Bahrein, de universele periodieke doorlichting en de nationale mensenrechteninstantie, opdat er verbeteringen kunnen optreden in de mensenrechtensituatie;

9.  herinnert de Bahreinse autoriteiten eraan dat artikel 15 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, verbiedt dat verklaringen die door foltering zijn verkregen, tijdens een proces als bewijs worden gebruikt; roept de Bahreinse autoriteiten op het Facultatief Protocol bij het Verdrag tegen foltering te ratificeren;

10.  is verheugd dat Bahrein deelneemt aan de internationale coalitie tegen Da'esh;

11.  vindt het zorgwekkend dat Bahrein de doodstraf in ere heeft hersteld en wenst dat er opnieuw een moratorium op de doodstraf wordt ingesteld;

12.  is ingenomen met de maatregelen voor de bescherming van werknemers waarin de Bahreinse arbeidswet van 2012 voorziet, en is van mening dat deze maatregelen als voorbeeld kunnen dienen voor de andere landen van de Raad voor Samenwerking van de Arabische Golfstaten;

13.  prijst Bahrein vanwege het feit dat het land de rechten van burgers en buitenlandse ingezetenen om hun godsdienst te belijden over het algemeen eerbiedigt; verzoekt de Bahreinse autoriteiten de grondwet na te leven, uit hoofde waarvan discriminatie op grond van godsdienst verboden is en de religieuze overtuigingen van burgers geen gevolgen mogen hebben voor hun rechten en plichten, en dringt erop aan de discriminatie van de sjiitische bevolking een halt toe te roepen;

14.  neemt nota van de voortdurende inspanningen van de Bahreinse regering om haar wetboek van strafrecht en juridische procedures te hervormen, en moedigt de regering ertoe aan dit proces voort te zetten; verzoekt de regering van Bahrein met klem de internationale normen inzake het recht op een eerlijk proces na te leven; onderstreept het belang van de steun die Bahrein heeft gekregen, met name wat zijn gerechtelijk apparaat betreft, om ervoor te zorgen dat de internationale mensenrechtennormen worden nageleefd; roept ertoe op de mensenrechtendialoog tussen de EU en Bahrein te versterken;

15.  vraagt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten om zorgen over schendingen van de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en de vrijheid van vreedzame vergadering aan de kaak te blijven stellen, zowel op bilateraal niveau als door gebruik te maken van multilaterale platformen zoals de aanstaande ministeriële vergadering van de EU en de GCC, die op 18 en 19 juli 2016 zal worden gehouden;

16.  veroordeelt de overeenkomsten inzake handel in wapens en technologieën die worden gebruikt om de mensenrechten te schenden; verzoekt om een verbod op de uitvoer van traangas en oproerbestrijdingsuitrusting totdat er onderzoek is verricht naar het oneigenlijke gebruik ervan en totdat degenen die zich daaraan schuldig hebben gemaakt zijn geïdentificeerd en voor de rechter zijn gebracht;

17.  is groot voorstander van de oprichting van een werkgroep van de EU en Bahrein voor de mensenrechten, maar merkt op dat een dialoog tussen de EU en Bahrein over de mensenrechten geenszins de plaats kan innemen van een diepgaande dialoog tussen de regering, de oppositie en het maatschappelijk middenveld in Bahrein zelf;

18.  spoort de regering van Bahrein aan samen te werken met de speciale VN-rapporteurs (met name voor foltering, vrijheid van vergadering, onafhankelijke rechters en advocaten en mensenrechtenverdedigers) en een vaste uitnodiging aan hen te richten;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van het Koninkrijk Bahrein en de leden van de Samenwerkingsraad van de Golf.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0279.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0044.

Juridische mededeling