Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2341(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0221/2016

Ingediende teksten :

A8-0221/2016

Debatten :

PV 12/09/2016 - 20
CRE 12/09/2016 - 20

Stemmingen :

PV 13/09/2016 - 4.18
CRE 13/09/2016 - 4.18
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0337

Aangenomen teksten
PDF 198kWORD 52k
Dinsdag 13 september 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
EU-trustfonds voor Afrika: gevolgen voor ontwikkelings- en humanitaire hulp
P8_TA(2016)0337A8-0221/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2016 over het Trustfonds voor Afrika van de EU: de gevolgen voor ontwikkelingshulp en humanitaire hulp (2015/2341(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 41, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het EU-noodtrustfonds om de stabiliteit te bevorderen en de diepere oorzaken van illegale migratie en ontheemding in Afrika aan te pakken (Trustfonds voor Afrika van de EU), zoals vastgesteld tijdens de migratietop van Valletta op 11 en 12 november 2015,

–  gezien het gezamenlijk actieplan dat tijdens de top van Valletta is aangenomen,

–  gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000(1) zoals gewijzigd, en bijlage IC hierbij (meerjarig financieel kader voor de periode 2014‑2020), overeenkomstig het elfde Europees Ontwikkelingsfonds (EOF),

–  gezien het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020, dat de EU-begroting vormt, en rubriek 4 daarvan ("Europa als wereldspeler"),

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, goedgekeurd tijdens de VN-top over duurzame ontwikkeling die 2015 in New York werd gehouden,

–  gezien het gezamenlijke werkdocument "Gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016-2020)" (SWD(2015)0182) en de conclusies van de Raad van 26 oktober 2015 waarin het desbetreffende genderactieplan 2016-2020 is aangenomen,

–  gezien het Actieprogramma van Peking (1995), het actieprogramma van de Internationale conferentie over bevolking en ontwikkeling (ICPD) (1994) en de resultaten van hun toetsingsconferenties,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0221/2016),

A.  overwegende dat het Trustfonds voor Afrika van de EU (EUTF), dat is ondertekend door de voorzitter van de Commissie samen met 25 lidstaten en Noorwegen en Zwitserland, en op 12 november 2015 tijdens de migratietop in Valletta door de Europese en Afrikaanse partners is gelanceerd, voornamelijk ten doel heeft ondersteuning te bieden bij de bevordering van stabiliteit in de regio's en bij te dragen aan een beter beheer van migratie; overwegende dat het EUTF in het bijzonder de oorzaken van destabilisatie, gedwongen ontheemding en irreguliere migratie wil aanpakken door de weerbaarheid, economische kansen, gelijke kansen, veiligheid en ontwikkeling te bevorderen;

B.  overwegende dat de Europese consensus inzake ontwikkeling het maatgevende kader voor het ontwikkelingsbeleid van de EU blijft en dat de Europese consensus over humanitaire hulp de grondbeginselen van de humanitaire hulp opnieuw bevestigt; overwegende dat vrede in de nieuwe Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van essentieel belang voor ontwikkeling wordt geacht en dat duurzame-ontwikkelingsdoelstelling (SDG) 16 betrekking heeft op vrede en gerechtigheid; overwegende dat de EU en haar partners op het gebied van humanitaire hulp in staat moeten zijn bijstand en bescherming te garanderen, op basis van de behoeften en de eerbiediging van de beginselen van neutraliteit, onpartijdigheid, menselijkheid en onafhankelijkheid van humanitaire acties die zijn vastgelegd in het internationaal recht, en met name het internationaal humanitair recht;

C.  overwegende dat de bevolking in Afrika nog steeds zeer sterk toeneemt en de fertiliteitsgraad er slechts langzaam afneemt, wat in de nabije toekomst zal leiden tot een forse toename van de jonge beroepsbevolking en een groot potentieel aan sociale en economische voordelen inhoudt; overwegende dat het voor de bevordering van de stabiliteit, duurzame economische groei, sociale cohesie en ontwikkeling in de regio van essentieel belang is dat jongeren worden voorzien van de nodige opleiding en vaardigheden om hun potentieel te kunnen verwezenlijken en dat er werkgelegenheid wordt gecreëerd;

D.  overwegende dat het EUTF is bedoeld als ontwikkelingsinstrument om de middelen van de verschillende donoren samen te brengen om een snelle, flexibele, aanvullende, transparante en collectieve respons van de EU mogelijk te maken met betrekking tot de verschillende dimensies van een noodsituatie;

E.  overwegende dat in de hele wereld 1,5 miljard mensen in kwetsbare en door conflicten getroffen gebieden leven en dat fragiele staten en onbestuurde gebieden meer en meer voorkomen, waardoor velen in armoede, wetteloosheid, ongebreidelde corruptie en toenemend geweld terechtkomen; overwegende dat het EUTF is opgezet om 23 landen in drie Afrikaanse regio's bij te staan (de Hoorn van Afrika; de Sahel en de regio rond het Tsjaadmeer; Noord-Afrika) waar een aantal van de meest kwetsbare Afrikaanse landen zijn gelegen die het meest door de migratie worden getroffen – als land van oorsprong, doorreis of bestemming, dan wel als alle drie – en die het meest zullen profiteren van de financiële steun van de EU; overwegende dat naburige Afrikaanse landen van de in aanmerking komende landen eveneens kunnen worden begunstigd – na een beoordeling per geval – door EUTF-projecten die een regionale dimensie hebben om regionale migratiestromen en daarmee verband houdende grensoverschrijdende problemen aan te pakken;

F.  overwegende dat het EUTF beoogt de diepere oorzaken van irreguliere migratie en gedwongen ontheemding aan te pakken in de landen van oorsprong, doorreis en bestemming, waarbij de volgende vijf sectoren prioriteit hebben: 1) ontwikkelingsvoordelen van migratie; 2) legale migratie en mobiliteit, 3) bescherming en asiel; 4) voorkoming van en strijd tegen irreguliere migratie; en 5) terugkeer, overname en herintegratie;

G.  overwegende dat de bijdrage van de EU 1,8 miljard EUR bedraagt en dat de Commissie ook gebruik kan maken van aanvullende fondsen van EU-lidstaten en andere donoren voor nog eens hetzelfde bedrag; overwegende dat het EUTF is bedoeld als aanvulling op de reeds bestaande hulp van de EU aan de regio's ter hoogte van 10 miljard EUR tot 2020, met als doel de inclusieve en duurzame economische groei te ondersteunen;

H.  overwegende dat in 2014 twee EUTF's werden opgericht, namelijk het Bekou-trustfonds dat gericht is op de stabilisering en heropbouw van de Centraal-Afrikaanse Republiek en dat positieve resultaten heeft opgeleverd, en het Madad-fonds dat is opgericht in respons op de Syrische crisis;

I.  overwegende dat in het verslag van het Bevolkingsfonds van de Verenigde Naties (UNFPA) "ICPD Beyond 2014 Global Report", dat is verschenen op 12 februari 2014, wordt benadrukt dat de bescherming van vrouwen en jongeren die geweld hebben ondergaan tot prioriteit van de internationale ontwikkelingsagenda moet worden gemaakt;

J.  overwegende dat de trustfondsen onderdeel zijn van een ad-hocbenadering, wat een bevestiging is van het feit dat het financieel kader van de Unie over onvoldoende middelen en flexibiliteit beschikt om snel en op mondiaal niveau te kunnen inspelen op humanitaire crises, waaronder die van lange duur;

K.  overwegende dat de EU zal blijven ijveren voor de daadwerkelijke uitvoering van Resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad en daaropvolgende VN-resoluties over vrouwen, vrede en veiligheid;

Financiële toewijzing en begrotingsaspecten

1.  herinnert eraan dat financiële toewijzing wordt gekenmerkt door drie hoofdfasen: toezegging, verbintenis en actie/betaling; wijst er echter op dat lessen moeten worden getrokken uit eerdere EUTF's; betreurt dat de bijdragen van de lidstaten tot dusver laag blijven, slechts een fractie van de bijdrage van de Unie vormen en de officiële verbintenis dus nog lang niet halen, met in totaal slechts 81,71 miljoen EUR in april 2016 (ofwel 4,5 % van de geplande 1,8 miljard EUR); dringt erop aan dat beloften en toezeggingen moeten worden omgezet in acties; herinnert de Raad en de Commissie eraan dat doeltreffende bijstand wordt gekenmerkt door tijdige en voorspelbare financiering, en dringt erop aan de uitbetaling hiervan te versnellen;

2.  is ingenomen met het voornemen om middelen in een noodsituatie sneller en op meer flexibele wijze in te zetten, en om verschillende soorten financiering samen te brengen om de migratie- en vluchtelingencrisis op meerdere niveaus tegelijk te kunnen aanpakken; bekritiseert het feit dat de Commissie kredieten van de doelstellingen en beginselen van de basishandelingen voor iets anders heeft gebruikt door ze weg te sluizen via het EUTF, aangezien dit een inbreuk vormt op de financiële regels en bovendien het succes van het langetermijnbeleid van de Unie op het spel zet; is daarom van mening dat waar mogelijk nieuwe middelen moeten worden gebruikt, waarbij volledige transparantie wat betreft de herkomst en de bestemming van de middelen gewaarborgd moet zijn;

3.  merkt op dat EUTF's op het gebied van extern optreden voornamelijk zijn ontworpen om een snelle respons mogelijk te maken op een specifieke noodsituatie of crisis na de noodsituatie door de bijdragen van de EU-lidstaten en andere donoren optimaal te benutten en daarbij de wereldwijde zichtbaarheid van Europese inspanningen te verhogen; beklemtoont echter dat de lidstaten niet uit het oog mogen verliezen dat ze het engagement zijn aangegaan om de doelstelling van 0,7 % van het bruto nationaal inkomen (bni) voor officiële ontwikkelingshulp (ODA) te bereiken; roept de lidstaten bijgevolg op om hun verplichtingen na te komen, zowel wat betreft de doelstelling van 0,7 % van de ODA als wat betreft hun bijdrage aan het EUTF voor Afrika;

4.  benadrukt de vluchtigheid van de vrijwillige bijdragen en dringt er bij de lidstaten op aan hun toezeggingen na te komen en hun bijdrage snel met die van de Unie in overeenstemming te brengen om het EUTF tot volledige ontplooiing te laten komen, en zich niet tot het minimum voor het verkrijgen van stemrechten in de strategische raad te beperken;

5.  betreurt dat deze werkwijze ertoe leidt dat de begrotingsautoriteit wordt omzeild en de eenheid van de begroting wordt ondermijnd; wijst erop dat met de invoering van dit ad‑hocinstrument wordt erkend dat de financiering van het meerjarig financieel kader (MFK) 2014-2020 te beperkt is; herinnert eraan dat de begroting van de Unie voor 85 % steunt op de bijdragen van de lidstaten; is van mening dat de oprichting van het EUTF in feite neerkomt op een herziening van de maxima van het huidige MFK, door de bijdragen van de lidstaten te verhogen; benadrukt daarom dat de invoering van financieringsinstrumenten buiten de EU-begroting slechts bij wijze van uitzondering mag plaatsvinden; betreurt dat het Parlement niet vertegenwoordigd is in de strategische raad, ondanks het feit dat aanzienlijke bedragen worden geleverd door de EU-begroting; roept ertoe op om de begrotingsautoriteit uit te nodigen om zitting te nemen in de strategische raad;

6.  merkt op dat de financiële toewijzing van de EU voor het EUTF voor Afrika momenteel uit het elfde EOF komt; benadrukt dat het EUTF in het leven is geroepen omdat het de EU-begroting en het MFK ontbreekt aan de noodzakelijke middelen en flexibiliteit om de verschillende dimensies van dergelijke crises direct en alomvattend aan te pakken; roept de EU op om een meer holistische oplossing te vinden voor noodfinanciering in het kader van de herziening van het MFK 2014-2020 van dit jaar en de herziening van de externe financieringsinstrumenten in 2016, om zo de doeltreffendheid van en de respons op de humanitaire en ontwikkelingshulp die beschikbaar is in de EU-begroting te vergroten;

7.  vraagt met name om een passende herziening van het plafond om de opname van de crisismechanismen in het MFK mogelijk te maken, teneinde de eenheid van de begroting te herstellen; is van mening dat een herziening van het MFK zou leiden tot meer zekerheid in budgettair, democratisch en juridisch opzicht; benadrukt bovendien dat de financiële regels moeten worden herzien om het beheer van fondsen van de EU‑begroting te vergemakkelijken en, als onderdeel van een geïntegreerde aanpak, meer synergieën tussen de begroting van de Unie, het EOF en bilaterale samenwerking te verwezenlijken om de effecten van ontwikkelingssteun te vergroten, en de weg te banen voor het budgetteren van het EOF, met handhaving van het niveau van de middelen als voorzien per 2021; spoort de Commissie ertoe aan onmiddellijk maatregelen te nemen om de betrokkenheid van de begrotingsautoriteit te versterken en de trustfondsen en andere mechanismen beter te doen aansluiten op de begrotingsnorm, met name door deze in de begroting van de Unie op te nemen;

8.  merkt op dat het Europees Parlement in zijn rol als tak van de begrotingsautoriteit verantwoordelijkheid heeft getoond door de beschikbaarstelling van middelen in noodgevallen goed te keuren; betreurt echter dat de sterke toename van instrumenten voor noodhulp ertoe leidt dat van de communautaire methode wordt afgeweken; verklaart voornemens te zijn de begrotingsbeginselen van de Unie te handhaven, met name ten aanzien van de eenheid van de begroting en de medebeslissing; acht het dringend noodzakelijk om opnieuw na te denken over de capaciteit van de Europese Unie om te reageren op omvangrijke crises, met name wat betreft de budgettaire aspecten daarvan; verbindt aan zijn goedkeuring van toekomstige voorstellen betreffende crisisinstrumenten de voorwaarde dat de budgettaire aspecten aan de orde komen bij de tussentijdse herziening van het MFK in 2016;

9.  merkt op dat verdere financiering uit andere financiële instrumenten van de EU-begroting is genomen, zoals het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) ter hoogte van 125 miljoen EUR, het instrument voor humanitaire hulp ter hoogte van 50 miljoen EUR en het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) ter hoogte van 200 miljoen EUR;

10.  merkt op dat van de totale EU-bijdrage van 1,8 miljard EUR slechts 1 miljard EUR uit de reserve van het EOF aanvullende middelen zijn; uit zijn bezorgdheid over het feit dat financiering van het EUTF mogelijk wordt toegepast ten nadele van andere ontwikkelingsdoelstellingen; herinnert eraan dat het EUTF-instrument een aanvulling moet vormen op de reeds bestaande instrumenten en vraagt de Commissie te zorgen voor transparantie en verantwoording betreffende het gebruik en het bedrag van de huidige begrotingsonderdelen die een bijdrage leveren aan het EUTF;

11.  onderstreept nadrukkelijk dat fondsen uit EOF- en ODA-bronnen moeten worden aangewend voor de economische, menselijke en sociale ontwikkeling van het ontvangende land, met bijzondere aandacht voor de ontwikkelingsuitdagingen die zijn aangeduid in het besluit inzake het EUTF; beklemtoont dat ontwikkeling niet mogelijk is zonder veiligheid; verwerpt ieder gebruik van EOF- en ODA-middelen voor migratiebeheer en -controle of voor andere acties zonder ontwikkelingsdoelstellingen;

Financiering van minst ontwikkelde landen

12.  beklemtoont dat het gebruik van het EOF ter financiering van het EUTF voor Afrika gevolgen kan hebben voor de steunontvangende Afrikaanse landen die niet worden gedekt door het EUTF, en met name de landen die tot de minst ontwikkelde landen (MOL's) behoren;

13.  betreurt ten zeerste dat, ondanks het blijvende belang van de ODA voor de MOL's, het toch al lage niveau van ontwikkelingshulp aan de MOL's in 2014 voor het tweede jaar op rij is gedaald en dat het aandeel van de aan deze landen toegewezen steun het laagst is in tien jaar; roept de Commissie en de lidstaten bijgevolg op ervoor te zorgen dat de steun voor de armste landen niet wordt verlaagd om de kosten van de huidige crises te dekken;

De rol van het maatschappelijk middenveld, ngo's, lokale autoriteiten en internationale organisaties

14.  is van mening dat het EUTF voor Afrika moet bijdragen aan de ontwikkeling in landen van doorreis en oorsprong van migranten, de versterking en verbetering van de lokale openbare diensten (sociale diensten, gezondheid, onderwijs, voeding, cultuur) en van de politieke participatie en het bestuur, voornamelijk aan de hand van gemeenschapsgerichte projecten; vindt dat het fonds moet bijdragen aan de ontwikkeling van werkgelegenheid in lokale sectoren, waarbij de mensenrechten en het milieu worden geëerbiedigd; meent in dit kader dat lokale overheden als volwaardige partners moeten worden geraadpleegd zolang doeltreffendheid en goed bestuur volledig gegarandeerd zijn, in overeenstemming met de beginselen van de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, en dat zij eveneens de belangrijkste actoren moeten zijn die belast zijn met de openbare dienstverlening op lokaal niveau; is van oordeel dat het maatschappelijk middenveld, niet-gouvernementele organisaties (ngo's) en internationale organisaties en diasporagemeenschappen een sleutelrol moeten spelen bij het aanpakken van de diepere oorzaken van migratie en het verbeteren van de lokale diensten;

15.  herinnert eraan dat de regionale en lokale overheden, het maatschappelijk middenveld en ngo's natuurlijke partners zijn voor een doeltreffend ontwikkelingsbeleid, en dat een voortdurende dialoog met de nationale autoriteiten en de lokale gemeenschappen essentieel is om gezamenlijke strategieën en prioriteiten vast te stellen en een wetenschappelijk onderbouwde aanpak bij de tenuitvoerlegging van het fonds mogelijk te maken, vooral in landen die blijk geven van ontoereikende garanties voor goed bestuur en transparantie; roept op tot de naleving van het subsidiariteitsbeginsel en het beginsel van eigen inbreng, ook op dit werkterrein; benadrukt dat de lokale overheidsorganen, het lokale maatschappelijk middenveld en internationale organisaties sterk moeten worden betrokken bij de plannings-, uitvoerings-, en evaluatiefase van het EUTF; verzoekt de Commissie om de procedures voor raadpleging van deze belanghebbenden te verduidelijken en te formaliseren om hun daadwerkelijke deelname aan de besprekingen in de operationele comités te garanderen, met duidelijke en transparante subsidiabiliteitscriteria;

16.  benadrukt dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat de steun evenwichtiger is voor de regeringen van ontvangende landen en vooral ook voor de betrouwbare actoren van het maatschappelijk middenveld in die landen, die over het algemeen meer inzicht hebben in de maatschappelijke problemen waarvoor steun moet worden verleend;

17.  herinnert eraan dat een op mensen en gemeenschappen gerichte aanpak van belang is voor de weerbaarheid, en is er stellig van overtuigd dat het EUTF niet alleen gericht moet zijn op economische ontwikkeling, maar ook op projecten aan de basis die er specifiek op gericht zijn de kwaliteit, billijkheid en universele toegang van basisdiensten en opleidingen voor de ontwikkeling van lokale vaardigheden te verbeteren, alsook in te spelen op de behoeften van kwetsbare gemeenschappen, met inbegrip van minderheden;

Transparantie en duidelijkheid voor een betere verwezenlijking van de doelstellingen

18.  erkent de complexiteit en de multidimensionale aard van de huidige vluchtelingencrisis; waarschuwt echter voor het ernstige gevaar van misbruik van ontwikkelingshulp van de EU, met name in landen die getroffen zijn door conflicten waar kwesties inzake veiligheid, migratie en ontwikkeling nauw met elkaar verweven zijn; beklemtoont dat de projecten die vallen onder het EUTF, die zijn opgezet met behulp van middelen die in beginsel voornamelijk bedoeld zijn voor ontwikkelingsdoeleinden, ontwikkelingsdoelstellingen moeten hebben; benadrukt dat projecten die gericht zijn op het verbeteren van de veiligheid in bepaalde landen dusdanig moeten worden opgezet dat hun eindresultaten gericht zijn op armoedevermindering, evenals op de stabiliteit van de steunontvangende landen;

19.  herinnert de Commissie en de autoriteiten die het beheer van het EUTF rechtstreeks zijn toevertrouwd eraan dat de middelen uit het EOF of andere middelen voor ontwikkelingshulp uitsluitend mogen worden gebruikt voor acties die direct verband houden met ontwikkelingshulp; vraagt de Commissie dergelijk gebruik uitdrukkelijk te verzekeren en regelmatige en volledige verslag uit te brengen over het gebruik van deze middelen;

20.  benadrukt dat de EU-begroting niet kan worden gebruikt om rechtstreeks operaties op militair of defensiegebied te financieren (artikel 41, lid 2, VEU), maar dat vredeshandhavingsoperaties met ontwikkelingsdoelstellingen niet uitdrukkelijk uitgesloten zijn; herinnert er voorts aan dat de artikelen 209 en 212 VWEU de financiering van capaciteitsopbouw in de veiligheidssector niet uitdrukkelijk uitsluiten;

21.  vraagt de Commissie, het strategisch bestuur en het operationele comité om zich in de eerste plaats te richten op capaciteitsopbouw, stabiliteit, welzijn en zelfverwezenlijking van de lokale bevolking, de bevordering, bescherming en toepassing van de mensenrechten, en het creëren van werkgelegenheid en opleiding, met name voor vrouwen en jongeren;

22.  benadrukt met klem dat het uiteindelijke doel van het ontwikkelingsbeleid van de EU, zoals vastgesteld in artikel 208 VWEU, de vermindering en uitbanning van armoede moet zijn; betreurt in dit verband dat de EU-bijdrage aan het EUTF weliswaar voornamelijk met behulp van ODA-middelen zal worden gedaan, maar dat dit financieringsmechanisme niet uitsluitend bestemd zal zijn voor ontwikkelingsgerichte doelstellingen; benadrukt dat er binnen het EUTF een duidelijk, transparant en overdraagbaar onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de financiële middelen voor ontwikkelingsactiviteiten, en anderzijds voor activiteiten in verband met migratiebeheer, grenscontroles en alle overige activiteiten; benadrukt dat het afslanken van de ODA, waardoor er minder middelen worden gebruikt om extreme armoede te bestrijden, de aanzienlijke vooruitgang die is geboekt in internationale ontwikkeling zou ondermijnen en een bedreiging zou vormen voor de onlangs goedgekeurde doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's);

Beleidscoherentie en verbintenis van de EU inzake mensenrechten

23.  vraagt de EU om meer samenhang te tonen wanneer zij actief is op het gebied van internationale ontwikkelingssamenwerking, vanuit een tweeledig oogpunt: de EU en de lidstaten moeten enerzijds handelen in overeenstemming met hun verbintenissen en anderzijds algemene samenhang tonen in hun extern ontwikkelingsbeleid en de externe instrumenten ten aanzien van Afrika, met name in de geest van gezamenlijk beheer van de Overeenkomst van Cotonou tussen de EU en de ACS; is vanuit het laatste perspectief van mening dat het EUTF de beginselen van beleidssamenhang voor duurzame ontwikkeling en van complementariteit tussen alle ontwikkelingsactoren moet weerspiegelen, en eventuele tegenstrijdigheden tussen de ontwikkelingsdoelen en het beleid inzake veiligheid, humanitaire hulp en migratie moet voorkomen; hoopt dat het pakket maatregelen voor betere regelgeving zal bijdragen tot de bevordering van de beleidssamenhang voor duurzame ontwikkeling door in al zijn effectbeoordelingen rekening te houden met ontwikkeling en mensenrechten;

24.  herinnert eraan dat de regels en criteria die de ontwikkelingshulp voor door het EUTF gefinancierde projecten regelen moeten worden vastgesteld volgens gedeelde waarden en gemeenschappelijke belangen, met name wat betreft de eerbiediging en bevordering van de mensenrechten; onderstreept in dit verband dat het EU-beleid ten aanzien van samenwerking op het gebied van veiligheid, migratiebeheer, mensenhandel en -smokkel specifieke bepalingen moet bevatten die erop gericht zijn de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat te waarborgen, met bijzondere aandacht voor de rechten van vrouwen, LGBTI, kinderen, minderheden en andere bijzonder kwetsbare groepen en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; herinnert eraan dat de EU de strijd tegen discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, geslacht, ras of etnische oorsprong, handicap of seksuele geaardheid moet opvoeren;

25.  herinnert eraan dat trustfondsen moeten bijdragen aan de duurzame doelstellingen inzake vredesopbouw en versterking van de governance in de ontvangende landen; benadrukt dat de effecten van de uit hoofde van het EUTF voor Afrika gefinancierde acties voor de verstrekking van humanitaire hulp zorgvuldig en systematisch moeten worden geëvalueerd; benadrukt dat het EUTF de EU-ontwikkelingssamenwerking op lange termijn niet mag ondermijnen; benadrukt dat de rol en complementariteit van lang- en kortlopende projecten moet worden verzekerd, gevrijwaard en afgestemd op de bestaande regionale en landelijke strategieën van de EU voor de Sahel, de Golf van Guinee, de Hoorn van Afrika en Noord-Afrika; beklemtoont dat een alomvattende diagnose van land en sector vereist is voor een goede toewijzing van de fondsen en voor de ontwikkeling van sterke partnerschappen met een groot aantal actoren uit het maatschappelijk middenveld; is ingenomen met de onderzoekscomponent die in het EUTF is opgenomen als mogelijkheid om ontwikkelingskansen te creëren en synergieën tot stand te brengen tussen de EU en de betrokken landen;

Doelstellingen en follow-up

26.  verzoekt de Commissie om systematisch te controleren hoe de middelen uit de EUTF's worden gebruikt en hoe ze worden toegewezen, en om het Parlement meer controlebevoegdheden over het EUTF te geven; dringt er bij de Raad en de Commissie met name op aan regelmatig mededelingen te doen over de specifieke acties die worden ondernomen door zowel de EU als de Afrikaanse staten wanneer zij een beroep doen op deze fondsen en over de bereikte resultaten;

27.  is bezorgd over het gebrek aan coördinatie tussen alle bij het beheer van het EUTF betrokken partijen (in het bijzonder tussen het directoraat-generaal Internationale Samenwerking en Ontwikkeling (DEVCO) en de dienst Humanitaire Hulp en Civiele Bescherming (ECHO) van de Commissie) en over het uitblijven van duidelijke richtsnoeren over de toegangsmogelijkheden tot de beschikbare fondsen; geeft aan dat de financieringscriteria en de voor het maatschappelijk middenveld beschikbare middelen met betrekking tot het EUTF onduidelijk en niet-transparant zijn; herinnert aan de behoefte aan betere communicatie tussen de Commissie, de lidstaten en het Parlement betreffende de programmering en uitvoering van acties van het EUTF in het algemeen, met het oog op de verdere planning van eventuele aanvullende trustfondsen; brengt in herinnering dat de Commissie bijzondere aandacht moet schenken aan de samenhang en de coördinatie van haar acties met de programma's voor regionale ontwikkeling, zodat overlappingen worden vermeden en de primaire nadruk op ontwikkeling ligt, en niet op de controle en grensbeveiliging ten koste van migranten; vraagt de Commissie om dezelfde reden en met het oog op optimale effecten en doeltreffendheid van mondiale steun een sterke dialoog te blijven voeren met de VN in verband met het EUTF; vraagt de Commissie eveneens om meer inspanningen te leveren voor een stelselmatiger effectbeoordeling van haar beleid en financiering, waaronder het EUTF, vooral ten aanzien van de effecten ervan op de duurzame ontwikkeling, de mensenrechten en de gendergelijkheid, en om de resultaten van deze beoordelingen te integreren in haar beleid en programma's;

28.  onderstreept dat het Parlement tot dusver onvoldoende is betrokken bij de oprichting van het EUTF, en dringt aan op een garantie van de controlebevoegdheid van het Parlement over de wijze waarop het fonds ten uitvoer wordt gelegd, via gedetailleerde en regelmatige verslaggeving door de Commissie;

29.  is van mening dat er, gezien de buitengewone flexibiliteit en snelheid die eigen zijn aan een Trustfonds, ten minste een keer in de zes maanden periodiek verslag moet worden uitgebracht aan het Parlement; onderstreept nadrukkelijk de behoefte aan transparante controle, beoordeling en verantwoordingsplicht ten aanzien van prestaties;

30.  is van mening dat transparantie, communicatie en zichtbaarheid in relatie tot projecten die werden ontwikkeld in het kader van het EUTF, met het oog op het verspreiden van de resultaten en het betrekken en sensibiliseren van Europese particuliere actoren, lokale en regionale autoriteiten, ngo's en het maatschappelijk middenveld, van het grootste belang zijn om de voorwaarden voor grotere betrokkenheid te scheppen en de deelname door de lidstaten te bevorderen;

31.  onderstreept de noodzaak van grondig toezicht op de tenuitvoerlegging van de bepalingen inzake herverdeling, herplaatsing in de landen van oorsprong en de financiële verplichtingen van de lidstaten, met bijzondere aandacht voor de mensenrechten;

32.  herinnert eraan dat het migratiebeleid van de EU in de eerste plaats gericht moet zijn op de aanpak van de diepere oorzaken van migratie; herinnert eraan dat het migratiebeleid van de EU moet bijdragen aan het scheppen van vrede en stabiliteit en het bevorderen van economische ontwikkeling, in lijn met de doelstellingen 3, 4 en 5, streefdoel 7 van doelstelling 10, en doelstelling 16 van de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) van de Agenda 2030 door nauwer samen te werken met derde landen aan stimulansen voor terugkeer en herintegratie in de landen van oorsprong van migranten (ook hoogopgeleide migranten) en voor vrijwillige terugkeer en overname, zodat hun kansen worden uitgebreid;

33.  benadrukt dat instabiliteit en fysieke onveiligheid belangrijke oorzaken zijn van gedwongen verplaatsing en steunt bij de tenuitvoerlegging van het fonds daarom een conflictgevoelige aanpak die voorrang geeft aan conflictpreventie, staatsopbouw, goed bestuur en de bevordering van de rechtsstaat; meent dat het EUTF de EU een mooie kans geeft om de samenwerking en politieke dialoog met haar Afrikaanse partners te versterken, met name betreffende de doeltreffende tenuitvoerlegging van terugkeer- en overnameovereenkomsten, en om verder gezamenlijke strategieën uit te werken voor het beheer van migratiestromen; wijst erop dat de EU en haar Afrikaanse partners de verantwoordelijkheden onderling moeten verdelen, in overeenstemming met de besluiten van de top van Valletta van november 2015; is echter van mening dat ontwikkelingshulp niet mag worden gebruikt om de toevloed van migranten en asielzoekers te stoppen en dat de door het EUTF gefinancierde projecten niet mogen dienen als voorwendsel om mensen te beletten te vertrekken of om de grenscontroles tussen landen aan te scherpen en voorbij te gaan aan de redenen waarom mensen op de vlucht slaan; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de gevolgen die het EUTF kan hebben voor de mensenrechten wanneer de inperking van de migratiestromen geschiedt op grond van samenwerking met landen die zich schuldig maken aan systematische en/of ernstige schendingen van de grondrechten; vraagt de Commissie om ervoor te zorgen dat het fonds beantwoordt aan zijn doelstellingen door directe hulp te bieden aan mensen in nood en niet door regeringen te financieren die verantwoordelijk zijn voor schendingen van de mensenrechten; dringt aan op betere eerbiediging van de mensenrechten van migranten in door de EU gefinancierde projecten;

34.  benadrukt dat het belangrijk is om de oorzaken en gevolgen van internationale migratie vanuit een genderperspectief te analyseren, met inbegrip van het besluitvormingsproces ter zake en de mechanismen die tot migratie leiden; herinnert eraan dat vrouwen en meisjes als vluchtelingen bijzonder kwetsbaar zijn wanneer zij in situaties terechtkomen waarin hun veiligheid niet kan worden gewaarborgd en waarin zij het slachtoffer kunnen worden van seksueel geweld of seksuele uitbuiting; beklemtoont dat het EUTF moet bijdragen tot de bescherming, ondersteuning en/of bijstand aan kwetsbare migranten, vluchtelingen en slachtoffers van mensenhandel, en dat bijzondere aandacht moet worden geschonken aan vrouwen en kinderen;

35.  wijst erop dat het EUTF voor Afrika is opgezet na de top van Valletta van Afrikaanse en Europese staatshoofden en regeringsleiders over migratiekwesties; roept de Commissie op het Parlement een overzicht te geven van de concrete acties die na deze top zijn genomen, met name op het gebied van ontwikkeling, de strijd tegen mensensmokkelaars en de ondertekening van terugkeer-, overname- en herintegratieovereenkomsten; roept de Raad op de Commissie de nodige mandaten te verlenen om dergelijke overeenkomsten te sluiten met de landen die met het EUTF te maken hebben;

o
o   o

36.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de parlementen van de lidstaten, de medevoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en de voorzitter van het Pan-Afrikaanse Parlement.

(1) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

Juridische mededeling